ARR:WI 18.TG007
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Tongeren
📅 2025-12-02
🌐 FR
veroordeling
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
15 juni 1935, Burgerlijk Wetboek, Ger.W., Gerechtelijk Wetboek, Grondwet
Volledige tekst
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 2
In de zaak van het openbaar ministerie en
BURGERLIJKE PARTIJ(EN) :
-
- ,
-
- ,
- ,
- ,
- ,
- ,
-
-
bu
rgerlijke partij en, vertegenwoordigd door meester , advocaat te
-
- ,
- ,
- ,
- ,
- , in hun hoedanigheid van wettelijk verte-
genwoordiger over de persoon en de goederen van hun minderjarige kinderen:
o ,
o ,
o ,
Allen wonende te
burgerlijke partij en, vertegenwoordigd door meester , advocaat te
- in eigen naam, wonende te
- , voor de huwgemeenschap,
- , in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoor-
diger van wonende te
- , In hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoor-
diger van , wonende te
- In hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoor-
diger , wonende te
burgerlijke partij en, vertegenwoordigd door meester advocaat te
, loco meester , advocaat te
, vertegenwoordigd door haar Collega van Burgemeester en Schepenen
waarvan de kantoren gevestigd zijn te ,
burgerlijke partij, vertegenwoordigd door meester , advocaat te
loco meester , advocaat te
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 3
en
EISER IN HERSTEL:
DE WOON
INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST , 1210 Brussel (Sint-Joost-ten-Node),
Koning Albert II-laan 15 bus 253
burgerlijke partij, vertegenwoordigd door meester , advocaat te
loco meester , advocaat
tegen:
BEKLAAGDE(N) :
geboren
van Belgische nationaliteit
land- en tuinbouwer
ingeschreven te
beklaagde, bijgestaan door meester , advocaat te , loco meester
, advocaat te
1. TENLASTELEGGINGEN
Als dader of mededader i
n de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
A. Rechtstreeks of via een tussenpersoon misbruik te hebben gemaakt van de kwetsbare toestand
waarin een persoon verkeerde ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand,
zijn precaire sociale toestand, zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een
geestelijk gebrek of onvolwaardigheid door, met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren,
een roerend goed, een deel ervan, een onroerend goed, een kamer of een andere in artikel 479 van
het Strafwetboek bedoelde ruimte, te hebben verkocht, te hebben verhuurd of ter beschikking
gesteld in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, met de omstandigheid
dat van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt.
(art. 433 decies Sw)
(art. 433undecies, lid 1, 1° en 2 Sw, en art. 433terdecies Sw)
Te , kadastraal gekend als , met
een oppervlakte van 02a 05ca, voor de geheelheid volle eigendom van
), aangekocht bij akte dd. 18 januari 2023, notaris te
alwaar een contro
le werd uitgevoerd op 19 februari 2018 ingevolge waarvan woonentiteiten ,
ongeschikt werden verklaard op 29 mei 2018,
alwaar een controle werd uitgevoerd op 16 december 2021 ingevolge waarvan woonentiteit
ongeschikt en onbewoonbaar werd verklaard op 17 februari 2022,
alwaar een controle werd uitgevoerd op 14 juli 2022 ingevolge waarvan woonentiteit ongeschikt
werd verklaard op 17 oktober 2022 en woonentiteit 003 ongeschikt en onbewoonbaar werd verklaard
op 17 oktober 2022,
namelijk door woonentiteiten te hebben verhuurd die ernstige gezondheids- en veiligheidsrisico’s
vertoonden voor de huurders, waarbij misbruik werd gemaakt van de omstandigheid dat de huurders
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 4
hoofdzakelijk personen met een tijdelijk verblijfsrecht waren en onvoldoende andere mogelijkheden
h
adden dan zich te wenden tot beklaagde als verhuurder omdat zij moeilijk op de reguliere
woninghuurmarkt terecht kunnen wegens hun precaire administratieve en sociale toestand,
ten nadele van de hierna volgende slachtoffers:
1. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot 2 april 2019, ten nadele van
en op 14 juli 2022, ten nadele van
) (stuk 9).
2. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018, ten nadele van
(stuk 1), en op 14 juli 2022, ten nadele van
) (stuk 9).
3. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018, ten nadele van
(stuk 1),
en van 16 december 2021 tot en met 26 juli 2022, ten nadele van
) (stuk 6).
4. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018, ten nadele va
(stuk 1) en
ten nadele van (°26/04/2018, stuk 4).
5. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot en met 13 december 2018, ten nadele van
(stuk 4).
6. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot en met 3 december 2018, ten nadele van
(stuk 4).
7. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018, ten nadele van
) (stuk 1).
B. Als verhuurder, als eventuele onderverhuurder of als persoon die een woning ter beschikking
stelt, een woning of een specifieke woonvorm, als vermeld in artikel 5 § 3 lid 1 van het Decreet van
15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, die niet voldoet aan de vereisten en normen,
vastgesteld met toepassing van artikel 5 van voornoemd Decreet, rechtstreeks of via tussenpersoon,
te hebben verhuurd, te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog op bewoning, met de
omstandigheid dat van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt.
(art. 2 § 1, 31°, en 20 § 1 lid 1 Decreet 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode)
(art. 20, §1, lid 3, 1° Decreet 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode)
Thans (sedert 1 januari 2021) strafbaar gesteld in de artikelen 3.34, 3.35 en 3.36 van de Gecodificeerde
decreten over het Vlaamse woonbeleid dd. 17 juli 2020 (“Vlaamse Codex Wonen van 2021”),
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 5
Als verhuurd
er, als eventuele onderverhuurder of als persoon die een woning ter beschikking stelt,
een niet-conforme of overbewoonde woning rechtstreeks of via tussenpersoon te hebben verhuurd,
te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog op bewoning, met de omstandigheid dat van
de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt.
(art. 3.34 Vlaamse Codex Wonen 2021)
(art. 3.36 Vlaamse Codex Wonen 2021)
Te , kadastraal gekend als , met
een oppervlakte van 02a 05ca, voor de geheelheid volle eigendom van
), aangekocht bij akte dd. 18 januari 2023, notaris te
alwaar een contro
le werd uitgevoerd op 19 februari 2018 ingevolge waarvan woonentiteiten
ongeschikt werden verklaard op 29 mei 2018,
alwaar een controle werd uitgevoerd op 16 december 2021 ingevolge waarvan woonentiteit
ongeschikt en onbewoonbaar werd verklaard op 17 februari 2022,
alwaar een controle werd uitgevoerd op 14 juli 2022 ingevolge waarvan woonentiteit ongeschikt
werd verklaard op 17 oktober 2022 en woonentiteit ongeschikt en onbewoonbaar werd verklaard
op 17 oktober 2022
namelijk woonentiteiten in een appartementsgebouw in niet-conforme staat te hebben verhuurd,
ten nadele van het Agentschap Wonen-Vlaanderen, Vlaamse Wooninspectie
ten nadele van
ten nadele van de hierna volgende slachtoffers:
8. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot 2 april 2019, ten nadele van
(stuk 1), en op 14 juli 2022, ten nadele van
(stuk 9).
9. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018, ten nadele van
) (stuk 1), en op 14 juli 2022, ten nadele van
(stuk 9).
10. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018, ten nadele van
(stuk 1),
en van 16 december 2021 tot en met 26 juli 2022, ten nadele van
(stuk 6).
11. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018, ten nadele van
) (stuk 1) en
ten nadele van stuk 4).
12. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot en met 13 december 2018, ten nadele van
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 6
(stuk 1) en ten nadele van
)
(stuk 4).
13. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot en met 3 december 2018, ten nadele van
(stuk 4).
14. woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018, ten nadele van
) (stuk 1).
Tevens gedagvaard teneinde zich te horen veroordelen tot uitvoering van de herstelvordering van de
wooninspecteur tot herbestemming of sloop binnen de 10 maanden, onder verbeurte van een
dwangsom van 150 euro per dag vertraging volgend op het verstrijken van de hersteltermijn en tot
machtiging aan de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen tot het uitvoeren
van de bevolen herstelmaatregelen in de plaats van de veroordeelde en op diens kosten (zie stuk 7 en
8 van het dossier) .
OVERSCHRIJVING DAGVAARDING TER KANTOOR VAN DE ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE PA-
TRIMONIUMDOCUMENTATIE
De aandacht van de gerechtsdeurwaarder, met de betekening gelast, die nt erop gevestigd te worden
dat deze dagvaarding conform artikel 3.49., §1 Vlaamse Codex Wonen van 2021 (voorheen artikel
20ter Woondecreet), door zijn zorgen aan het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van
de Patrimoniumdocumentatie van de ligging van het onroerend goed dient te worden aangeboden
teneinde overschrijving.
Het bewijs van de overschrijving en de kantmelding dient samen met de dagvaarding door de
gerechtsdeurwaarder gevoegd te worden aan het strafdossier.
2. PROCEDURE
De behandeling en de d
ebatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige partijen.
Het is met het oog op een goede rechtsbedeling niet vereist dat deze zaak in hetzelfde vonnis wordt
beoordeeld als de zaak met systeemnummer . Geen der partijen heeft overigens om de
samenvoeging gevraagd.
3. BEOORDELING OP STRAFGEBIED
3.1. Actualiser
ing tenlastelegging B
De aan beklaagde ten laste gelegde feiten van de tenlastelegging B dateren deels van vóór de
inwerkingtreding van de Vlaamse Codex Wonen 2021 op 1 januari 2021 en waren voorheen strafbaar
onder het artikel 20 §1 lid 1 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode.
De actualisering van de omschrijving van de tenlastelegging werd door het openbaar ministerie reeds
doorgevoerd in de rechtstreekse dagvaarding.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 7
Als de wet tussen het tijdstip van de ten laste gelegde feiten en de dag van de uitspraak gewi jzigd is,
blijven de ten laste gelegde feiten steeds omschreven volgens de strafwet die van toepassing was op
het tijdstip van de feiten. De rechtbank moet in dat geval nagaan of de ten laste gelegde misdrijven
ononderbroken en op dezelfde wijze strafbaar zijn gebleven. Bovendien moet de rechtbank, als de straf,
ten tijde van haar beslissing bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald,
overeenkomstig artikel 2, lid 2 van het Strafwetboek de minst zware straf toepassen.
De rechtbank stelt vast dat de straf die destijds van toepassing was op de aan beklaagde ten laste
gelegde feiten onder de nieuwe wetgeving niet werd gewijzigd.
Evenwel is er een wijziging gekomen in de strafbaarstelling. Waar er onder gelding van artikel 20, §1,
van de Vlaamse Wooncode een misdrijf was zodra de verhuurde woning niet voldeed aan één van de
door de regelgever vastgelegde woonkwaliteitsvereisten, is het nu noodzakelijk vast te stellen dat de
verhuurde woning 'niet-conform' of 'overbewoond' is. Er is sprake van een 'conforme woning' en
'conformiteit' indien de woning geen gebreken vertoont die worden vermeld in artikel 3.1, §1, derde
lid, 2° en 3°, van de Vlaamse Codex Wonen (artikel 1, §1, 7° en 8°, van de Vlaamse Codex Wonen van
2021). Er is sprake van een overbewoonde woning indien er een overschrijding is van de
bezettingsnorm (vastgesteld met toepassing van artikel 3.1, § 1, vierde lid, van de Vlaamse Codex
Wonen van 2021), die een veiligheids- of gezondheidsrisico of mensonwaardige
levensomstandigheden veroorzaakt (artikel 1, §1, 37°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021).
Uit de nieuwe bepalingen vloeit voort dat er een misdrijf aanwezig is wanneer een woning wordt
verhuurd (of te huur of ter beschikking wordt gesteld) terwijl die woning gebreken vertoont die werden
gecatalogeerd als gebreken van categorie II of III.
Onder de oude regeling ontstond reeds strafbaarheid zodra een woonkwaliteitsnorm niet vervuld was,
wat met andere woorden dus sneller een strafrechtelijk sanctioneerbare handeling tot gevolg had.
De rechtbank zal de ten laste gelegde feiten van de tenlastelegging B dan ook zowel wat betreft de
strafbaarstelling als wat betreft de daarop gestelde straffen beoordelen onder het huidige artikel 3.34
van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
3.2. De exceptio obscuri libelli
1.
Beklaagde werpt in li
mine litis op dat het voor hem niet mogelijk is om zich met betrekking tot de hem
ten laste gelegde feiten onder de tenlastelegging B te verdedigen, nu in de dagvaarding geen specifieke
feitelijke omschrijving werd opgenomen. Hij acht het in de gegeven omstandigheden niet mogelijk om
concreet na te gaan voor welke niet-conformiteit van het pand of voor welke gebreken hij zich dient te
verantwoorden.
Verwijzend naar de exceptio obscuri libelli meent hij bijgevolg dat de strafvordering niet ontvankelijk
moet worden verklaard.
2.
De dagvaarding waarmee de zaak wordt aanhangig gemaakt bij het vonnisgerecht dient aan te geven
voor welke precieze feiten een beklaagde wordt vervolgd. Op grond van de omschrijving van het feit in
de akte van aanhangigmaking en van de stukken van het strafdossier oordeelt de bodemrechter welk
feit precies wordt bedoeld en of de beklaagde zich daarop kan verdedigen. Een beklaagde wordt aldus
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 8
niet enkel door de dagvaarding ingelicht over wat hem wordt verweten, maar ook door d e
dossiergegevens en wat in de vorderingen van het openbaar ministerie wordt naar voren gebracht.
Een duidelijke omschrijving van de gedinginleidende akte dient een dubbele doelstelling. Enerzijds
strekt zij er met name toe de rechten van verdediging te waarborgen door de beklaagde in de
mogelijkheid te stellen zijn verdediging voor te bereiden. Anderzijds laat zij toe om de saisine van de
vonnisrechter te bepalen en te vermijden dat de vonnisrechter zichzelf zou vatten voor feiten die niet
bij hem aanhangig zijn, hetgeen een ongeoorloofde vorm van autosaisine zou inhouden.
Er kan maar sprake zijn van een obscuri libelli in de mate dat uit de verwijzingsbeslissing of dagvaarding
niet kan worden afgeleid waarvoor wordt vervolgd en wanneer niet duidelijk is voor welke feiten men
zich moet verdedigen (vgl. Cass. 4 maart 2014,
De beklaagde moet op de hoogte zijn van de strafbare feiten die hem ten laste worden gelegd. Het gaat
hierbij om de feiten, niet om de omschrijving ervan (vgl. Cass. 21 april 2014, ).
Bij het bepalen van de feiten waartegen een beklaagde zich dient te verdedigen en welke bij de
rechtbank aanhangig zijn, mag men zich niet beperken tot de loutere lezing van de dagvaarding, maar
dient men ook rekening te houden met de informatie die wordt gegeven door het strafdossier en die
aan de tegenspraak is onderworpen geweest (vgl. Cass. 29 mei 2018, A.R. . Het is nie t
vereist dat de omschrijving van de tenlastelegging in de verwijzingsbeschikking of in de dagvaarding
melding maakt van enige feitelijke omstandigheid waaruit blijkt dat de beklaagde heeft deelgenomen
aan de hem verweten tenlasteleggingen.
3.
De rechtbank stelt vast dat in de gedinginleidende akte voor tenlastelegging B onder de aan beklaagde
ten laste gelegde strafrechtelijke kwalificatie melding wordt gemaakt van het verhuren van
woonentiteiten in een appartementsgebouw in niet-conforme staat. Alsook worden de specifieke
artikelen van het Decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en de Vlaamse Codex
Wonen van 2021, zijnde de artikelen, de aan beklaagde ten laste gelegde inbreuk en het artikel dat
deze inbreuk strafbaar stelt. Er wordt tevens vermeld op welke data er controles werden uitgevoerd
van de verschillende woonentiteiten en of deze woonentiteiten ongeschikt en/of onbewoonbaar
verklaard werden. Daarnaast worden de slachtoffers/huurders per geviseerde woonentiteit opgesomd.
Beklaagde werpt op dat uit de dagvaarding niet afgeleid kan worden waarom de voorziene
incriminatieperiode werd weerhouden. De rechtbank is van oordeel dat, wanneer de tenlastelegging
in samenhang met de incriminatieperiode en de bij het strafdossier behorende stukken – waaronder
de diverse controleverslagen – worden gelezen, het voldoende duidelijk is welke tijdsperiode door de
dagvaarding wordt geviseerd en aldus aangaande welke tijdsperiode beklaagde zich moet verweren.
Het strafdossier bevat telkens een PV van de wooninspecteur met beschrijving van de vaststellingen op
19 februari 2018, 16 december 2021 en 14 juli 2022, alsook werden hieraan stukken en bijlagen
gevoegd. Deze bijlagen bestaan onder meer uit de technische verslagen van deze vaststellingen en het
hiervan telkens aangelegde fotodossier, zijnde de dossierstukken waarop het openbaar ministerie zich
baseert om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging.
De inhoud van het proces-verbaal, in combinatie met de technische verslagen en de fotodossiers,
maken het voor de beklaagde voldoende duidelijk op welke feitelijke gedragingen hij zicht thans dient
te verdedigen, nu hierin melding wordt gemaakt van de volgens de wooninspectie bestaande gebreken
en op welke woonentiteiten deze betrekking hebbe n.
Het is eveneens voldoende duidelijk dat beklaagde wordt vervolgd voor inbreuken op de Vlaamse
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 9
Codex Wonen en niet voor inbreuken op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. De verwijzing naar
d
e stedenbouwkundige inbreuken zijn enkel dienstig in functie van het door de wooninspecteur
gevorderde herstel.
Uit de dagvaarding in het huidige dossier, tezamen gelezen met het strafdossier, alsook uit de
mondelinge toelichting van het openbaar ministerie op de terechtzitting van 14 oktober 2025, blijkt
duidelijk voor welke feiten, op welke plaats en tijdstip de beklaagde onder de betrokken tenlastelegging
wordt vervolgd.
Dat er geen afzonderlijke feitelijke precisering wordt opgenomen doet aldus aan de voorgaande
vaststelling geen afbreuk. Het is geenszins vereist dat de gedinginleidende akte specifiek melding
maakt van de concrete gebreken per woonentiteit noch onder welke categorie deze gebreken worden
geplaatst.
Beklaagde kan dan ook niet voorhouden dat hij niet zou weten welke feiten hem ten laste worden
gelegd.
Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat er ondergeschikt op zeer extensieve wijze een argumentatie
ten gronde in de conclusies wordt uiteengezet waaruit eveneens blijkt dat hij kennis heeft van de feiten
waartegen hij zich in deze procedure moet verdedigen.
4.
Gelet op wat voorafgaat is er dan ook geen enkele reden om de strafvordering op deze grond
onontvankelijk te verklaren.
3.3. De overschrijding van de redelijke termijn
1.
Beklaagde stelt dat
de redelijke termijn werd overschreden en verzoekt overeenkomstig artikel 27 van
de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering het verval van de strafvordering vast te stellen
wegens zwaarwichtige erkenning van de redelijke termijn.
De redelijke termijn neemt een aanvang op het moment waarop de beklaagde op officiële, maar
daarom niet noodzakelijk op formele wijze, kennis krijgt van een tegen hem gerichte strafvervolging of
opsporing, hetzij dus vanaf het moment waarop hij onder de dreiging van een strafvervolging leeft. Het
respect voor de redelijke termijn moet verder worden beoordeeld met inachtneming van de volgende
criteria: de aard en de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de met
het onderzoek, de opsporing, de vervolging en de berechting belaste instanties en het belang van de
zaak voor de beklaagde. De beoordeling gebeurt, in de regel, naar de loop van het ganse proces.
Op 19 februari 2018 werden er controles verricht door de Vlaamse Wooninspectie in de verschillende
woonentiteiten gelegen op het adres te . Het proces-verbaal werd
door de Vlaamse Wooninspectie afgesloten op 24 april 2018. Op diezelfde datum werd ook een
herstelvordering van het Agentschap Wonen aan beklaagde overgemaakt. Vanaf dat moment kreeg
beklaagde aldus kennis van een tegen hem gerichte opsporing of vervolging. De redelijke termijn heeft
vanaf deze datum een aanvang genomen.
Op 13 juli 2018, 2 april 2019, 16 december 2021 en 14 juli 2022 vonden er hercontroles van de diverse
woonentiteiten plaats waarbij sommige woonentiteiten nog steeds als ongeschikt of onbewoonbaar
verklaard werden. Het proces-verbaal van deze laatste controle werd door de Vlaamse Wooninspectie
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 10
afgesloten op 15 december 2022.
Hierna werden er
op vraag van het openbaar ministerie nog enkele inlichtingen verschaft door de
Vlaamse Wooninspectie en door de Algemene administratie van de patrimoniumdocumentatie.
Dergelijke informatie heeft ook tot doel het dossier te vervolledigen teneinde toe te kunnen laten een
keuze te maken wat betreft de strafrechtelijke afhandeling van het dossier.
Beklaagde werd uiteindelijk gedagvaard op 12 februari 2024, die werd betekend op 20 februari 2024
en dit om te verschijnen voor de correctionele rechtbank op de agendazitting van 9 april 2024. Op deze
zitting werden overeenkomstig artikel 152§1 van het Wetboek van Strafvordering conclusietermijnen
bepaald en een rechtsdag op de zitting van 11 februari 2025. Op deze zitting werd de zaak ambtshalve
uitgesteld naar de zitting van 14 oktober 2025 waar de zaak de zaak effectief werd behandeld en in
beraad werd genomen.
2.
Gelet op wat voorafgaat is de rechtbank van oordeel dat er zich meerdere periodes van stilstand
hebben voorgedaan. Daarbij komt dat inmiddels sedert de aanvangsdatum van de redelijke termijn
een periode van 7 jaar en 6 maanden is verstreken.
Een dergelijke vertraging zowel tijdens het onderzoek als rekening houdend met de globale duur van
de strafvervolging, is gezien de aard en de complexiteit van de zaak naar het oordeel van de rechtbank
niet verantwoord. Evenmin is deze vertraging te wijten aan de houding van beklaagde, doch wel
uitsluitend aan de houding van de gerechtelijke overheden.
De rechtbank stelt dan ook vast dat de redelijke termijn in strafzaken werd overschreden.
Het is evenwel niet zo dat de redelijke termijn dermate ernstig werd geschonden dat de rechten van
verdediging van de beklaagde op onherstelbare wijze werden aangetast en er geen eerlijk proces meer
mogelijk is, zoals nochtans door beklaagde wordt aangehaald in zijn conclusie.
Het blijkt niet dat de inmiddels verstreken termijn de betrouwbaarheid van de verslagen van de
Vlaamse Wooninspectie in het gedrang heeft gebracht of dat de bewijslevering voor de beklaagde
negatief werd beïnvloed.
Beklaagde heeft nog afdoende de mogelijkheid gehad om met kennis van zaken verweer en
tegenspraak te voeren. De verschillende verslagen van de Vlaamse Wooninspectie sommen duidelijk
de vastgestelde gebreken op per woonentiteit en zijn bovendien gestaafd met een uitgebreid
fotodossier. Het feit dat de strafbaarstelling gewijzigd werd gedurende het onderzoek, doet aan deze
vaststelling geen afbreuk.
Er is dan ook geen reden om de strafvordering op deze basis onontvankelijk te verklaren.
3.
Artikel 27, eerste en tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door
artikel 34, 1° en 2°, Wet Strafprocesrecht met ingang vanaf 28 april 2024, bepaalt als volgt:
“Indien de duur van strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij
eenvoudige schuldigverklaring uitspreken, of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke
minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de
strafvordering uitspreken.
De rechter beoordeelt, in het licht van de omstandigheden van de zaak en het belang van de
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 11
overschrijding van de redelijke termijn, welke van de in het eerste lid bedoelde gevolgen moet word en
uitgesproken.”
Deze bepaling voorziet onder meer in de sanctie van het verval van de strafvordering. Deze wettelijk
bepaalde sanctie moet worden onderscheiden van de sanctie van de onontvankelijkheid van de
strafvordering die van toepassing is indien door de overschrijding van de redelijke termijn de
bewijsvoering of het recht van verdediging ernstig en onherroepelijk is aangetast.
Uit de tekst van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de daar gebruikte
terminologie en de wetsgeschiedenis volgt dat de sanctie van het verval van de strafvordering wegens
overschrijding van de redelijke termijn slechts uitzonderlijk mag worden toegepast. De overschrijding
moet dermate zwaarwichtig zijn dat ze leidt tot het oordeel dat het verderzetten van de strafprocedure
in geen enkel opzicht nog te verantwoorden is.
Bij die beoordeling houdt de rechter rekening met de ernst van de overschrijding van de redelijke
termijn en de concrete omstandigheden van de zaak, zoals onder meer de in de zaak aan de orde zijnde
belangen. Het enkele feit dat in een eenvoudige strafprocedure er een aanzienlijke periode van
stilstand is vast te stellen, verplicht de rechter niet om aan te nemen dat de redelijke termijn zeer
zwaarwichtig is miskend. (Vgl. Cass. 18 februari 2025, )
Hoewel er aanzienlijke periodes van stilstand zijn en er sprake is van een lange globale duur van het
strafonderzoek, is de rechtbank van oordeel dat in deze concrete omstandigheden de vastgestelde
miskenning van de redelijke termijn niet zwaarwichtig is. Dit dossier handelt over diverse mogelijke
inbreuken op de Vlaamse Codex Wonen en mogelijke huisjesmelkerij waarbij mogelijks misbruik werd
gemaakt van kwetsbare personen met oog op het genereren van een abnormaal profijt. De belangen
die hiermee gepaard gaan en de maatschappelijke impact die hiermee wordt gecreëerd zijn dermate
groot dat de thans vastgestelde overschrijding niet als zwaarwichtig wordt beoordeeld en het wel
degelijk verantwoord blijft dat de strafprocedure wordt verdergezet.
4.
Met deze vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn zal hierna wel rekening worden
gehouden bij de straftoemeting ten aanzien van de beklaagde, in zoverre de feiten ten aanzien van
hem bewezen zouden worden verklaard.
3.4. De overschrijving op het hypotheekkantoor
De rechtbank stelt vast dat uit de vermelding op het origineel van de dagvaarding i s gebleken dat deze
werd overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid op 26 februari 2024 onder de referte
Ref.
Er is aldus voldaan aan de bepalingen uit artikel 3.49 van de Vlaamse Codex Wonen.
3.5. Prejudiciële vraag
Op de terechtzitting van 14 oktober 2025 verzocht beklaagde om te wachten op de uitspraak van h et
Grondwettelijk Hof met betrekking tot de multiplicator van de geldboete die aan een veroordeelde
wordt opgelegd inzake misdrijven uit het Sociaal Strafwetboek.
In het Belgisch Staatsblad van 12 mei 2025 werden de volgende prejudiciële vragen gepubliceerd, die
aan het Grondwettelijk Hof werden gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 12
Tongeren-Borgloon bij vonnis van 10 april 2025:
« 1. Schenden de ar
tikelen 103, 181, § 1, voorlaatste lid en 181, § 2, voorlaatste lid van het Sociaal
Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste
Aanvullend protocol bij het EVRM en artikel 6.1 EVRM, het algemeen grondwettelijkrechtsbeginsel van
de scheiding tussen de machten en het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en
de daarbij horende rechterlijke vrijheid, in zover het de strafrechter ertoe verplicht (en hem of haar niet
de keuzevrijheid geeft) om de strafrechtelijke geldboete van niveau 4 bij de in artikel 181 bedoelde
onachtzaamheidsmisdrijven te vermenigvuldigen met het aantal betrokken werknemers (te dezen 188
en dus een minimumgeldboete op te leggen van 902.400 euro), zonder dat de vermenigvuldigde
geldboete meer mag bedragen dan het honderdvoud van de maximumgeldboete (te dezen 5600.000
euro dan wel 4.800.000 euro), zelfs wanneer in feite en in concreto moet worden vastgesteld dat de
verplichte multiplicator niet is aangepast aan de ernst van de feiten en de gevolgen ervan, het aantal
betrokken werknemers te dezen gelegenheidswerknemers zijn en dus geen indicatie geven over de (in
feite beperkte) financiële draagkracht van de beklaagde en zelfs wanneer de rechter in de feitelijke
omstandigheden niet over enige mogelijkheid beschikt de geldboete op een andere wijze te matigen?
2. Schenden de artikelen 41bis en 43bis van het Strafwetboek en de artikelen 101, 103, en 181 van het
Sociaal Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 1 van
het Eerste Aanvullend protocol bij het EVRM en artikel 6.1 EVRM, in zoverre het de strafrechter ertoe
verplicht bij de betrokkenheid van 188 werknemers bij inbreuken van sanctieniveau 4 ten aanzien van
een rechtspersoon een minimumgeldboete op te leggen met toepassing van een multiplicator van 188,
zonder de mogelijkheid om deze straf te milderen teneinde de veroordeelde geen onredelijk zware straf
op te leggen, daar waar de strafrechter zulks wel vermag bij het opleggen van een bijzondere
verbeurdverklaring conform art. 43bis Sw.?
3. Schenden de artikelen 41bis van het Strafwetboek en de artikelen 101, 103, en 181 van het Sociaal
Strafwetboek de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 1 van het
Eerste Aanvullend protocol bij het EVRM en artikel 6.1 EVRM, in zoverre het de strafrechter ertoe
verplicht bij de betrokkenheid van 188 werknemers bij inbreuken van sanctieniveau 4 ten aanzien van
een rechtspersoon een minimumgeldboete op te leggen met toepassing van een multiplicator van 188,
zonder de mogelijkheid om deze straf te milderen teneinde de veroordeelde geen onredelijke zware
straf op te leggen, wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van een
onderneming aan wie ze wordt opgelegd?
4. Schenden de artikelen 101, 103, en 181 van het Sociaal Strafwetboek en artikel 41bis van het
Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre deze artikelen aan de strafrechter niet
toestaan om geen toepassing te maken van de bij wet voorziene multiplicator wanneer een
rechtspersoon schuldig wordt bevonden aan een inbreuk met sanctieniveau 4, terwijl diezelfde
strafrechter geen toepassing dient te maken van enige multiplicator wanneer hetzelfde aantal
inbreuken wordt vastgesteld ten aanzien van 1 werknemer? ».
Deze zaak is ingeschreven onder nummer van de rol van het Grondwettelijk Hof.
Het antwoord op de prejudiciële vragen is op dit ogenblik en in deze concrete omstandigheden niet
onontbeerlijk om uitspraak te doen, zodat de rechtbank niet op het verzoek van beklaagde ingaat om
de uitspraak van het Grondwettelijk Hof af te wachten.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 13
3.6. Beoordeling van de schuld:
3.6.1. Relevante feiten en vaststellingen
1.
1.1.
Uit de g
egevens van het voorliggende strafdossier blijkt dat de wooninspectie werd gecontacteerd door
omwille van het vermoeden van het door beklaagde verhuren van kamers/woningen die
niet aan de minimale kwaliteitseisen voldeden in het pand op . Op 22 januari 2018
werd reeds een vooronderzoek uitgevoerd en werd door de burgemeester het bevel gegeven tot uitvoeren
van reinigingswerken, reparering riolering en onderzoek vochtproblemen.
In navolging van deze melding ging de wooninspecteur ter plaatse op 19 februari 2018. Tijdens deze
controle werd een onderzoek uitgevoerd op het gebouw en woonentiteiten
en
Het gebouw in betreft een pand appartementencomplex bestaande uit een
gelijkvloers en 3 verdiepingen waarbij de bewoners niet afhankelijk waren van gemeenschappelijke
voorzieningen voor WC, bad/douche en/of kookgelegenheid zodat het pand en de afzonderlijke woon-
entiteiten vallen onder de toepassing van het begrip ‘zelfstandige woning’ .
Tevens werd vastgesteld dat behoudens de woonentiteit alle woningen bewoond waren en werd
door deze personen een relaas gegeven aan de wooninspecteur.
Volgens de technische verslagen van deze vaststellingen, die nog werden opgesteld volgens de oude
regelgeving, werd het gebouw ongeschikt bevonden omwille van een vochtproblematiek in de ge-
meenschappelijke inkomhal. De woonentiteiten werden ongeschikt ver-
klaard voornamelijk omwille van vochtproblematiek en gebrekkige elektrische installaties.
1.2.
, bewoner van woonentiteit verklaarde dat hij er met zijn gezin woonde sinds
augustus 2017 nadat hij eerst in van beklaagde had gehuurd. Hij betaalde 680,00 euro per
maand aan huur en hadden een leefloon van 1.190,00 euro. De huisbaas reageerde niet op berichten
of telefoontjes maar enkel op berichten van de advocaat van de bewoners. Hij stelde dat beklaagde er
af en toe kwam als er klachten bij de gemeente waren binnengekomen. De kelder werd recent zuiver
gemaakt en de muren werden in opdracht van beklaagde al driemaal geverfd om vochtproblemen te
maskeren.
, bewoner van woonentiteit , verklaarde dat haar man eerst in
van beklaagde huurde en een grotere woning nodig hadden na gezinshereniging. Zij betaalden 750,00
euro aan huurgelden en hadden een leefloon van 1.190,00 euro. De huisbaas reageerde niet op be-
richten maar enkel op klachten van het , de stad of berichten van de advocaat. Een maand voor
de controle werd alles geverfd maar er was nog vocht in het toilet en de slaapkamer. Het grootste
probleem was het vocht en tot voor kort de kelder.
bewoner van woonentiteit verklaarde dat hij er sinds oktober 2017 woonde met zijn
vrouw en 4 kinderen nadat hij eerst in woonde. Zij betaalden 750,00 euro huur en hadden een
leefloon van 1.190,00 euro per maand. Ongeveer een maand voor de controle werd er geverfd. Het
appartement was nu in orde, maar voorheen was er vocht.
, bewoner van woonentiteit verklaarde dat hij er sinds 4 juli 2017 woonde met
zijn gezin nadat hij eerst in woonde. Zij betaalden 750,00 euro aan huur en hadden een leefloon
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 14
van 1.190,00 euro. Het appartement was volgens hem in norde, maar er was een, probleem in de
douche. Beklaagde kwam soms langs om te kijken of alles in orde was.
bewoner van woonentiteit verklaarde dat hij er sinds 1 februari 2018 woonde
met zijn gezin. Hij had de woning gevonden via Facebook contacten met de vorige bewoners en de
beklaagde. Zij betaalden 750,00 euro per maand. Hij dacht dat de woning perfect in orde was.
, bewoner van woonentiteit verklaarde dat hij er woonde sinds 1
augustus 2017. Hij betaalde 580,00 euro per maand aan huurgelden. Er was veel vocht in de slaapka-
mer wat volgens de beklaagde afkomstig was van een douche. Hij had een leefloon van 895,00 euro
per maand. Voor de rest was het appartement in orde. Enkel werd een gebroken raampje vervangen
door enkel glas waardoor het in deze kamer altijd koud was.
, bewoner van woonentiteit , verklaarde dat zij er sinds augustus 2017 woonde met
de 2 kinderen en 650,00 euro aan huurgelden betaalde. Zij had een leefloon van 1.190,00 euro. Ze
verklaarde dat er vochtproblemen waren en dat beklaagde vijf dagen na de controle door
, met enkele werkmannen was komen verven. Beklaagde reageerde enkel op klachten van het
de stad en de advocaat van de bewoners.
Van alle huurders werd een afschrift van de huurovereenkomst, die werd afgesloten met beklaagde,
gevoegd aan het proces-verbaal.
1.3.
Tot slot werd vastgesteld dat de twee appartementen op de derde verdieping niet vergund waren
geacht, waarvoor reeds op 23 oktober 2017 een proces-verbaal werd opgesteld in het kader van een
stedenbouwkundige inbreuk.
Op 29 mei 2018 werden de woningen met nummer door de burgemeester
van ongeschikt verklaard.
1.4.
Nadat er van de toenmalige raadsman van de beklaagde een melding van herstel werd gedaan, werd
een nieuwe controle door de wooninspecteur uitgevoerd op 13 juli 2018.
Aan het gebouw zelf werden geen gebreken meer vastgesteld.
De woonentiteiten werden opnieuw onderzocht. Hieruit blijkt
dat de entiteiten met nummers beantwoordden aan de minimale kwaliteitsver-
eisten. De woningen met nummers hadden onder de oude wetgeving 3 strafpunten en
waren niet-ongeschikt. De woning met nummer werd ingevolge 18 strafpunten ongeschikt ver-
klaard en dit omwille van een foutieve plaatsing van de wasmachine, een te klein raam en overbezet-
ting.
Derhalve besloot de wooninspecteur dat de verhuurde woonentiteiten met nummers
niet voldeden aan de normen van het toenmalige decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse
Wooncode.
Op diezelfde datum werd de eerdere ongeschiktheidsverklaring van de woningen en
opgeheven.
1.5.
Nadat de wooninspecteur een bijkomende melding van herstel ontving vanwege de voormalige raads-
man van de beklaagde, werd een nieuw controlebezoek uitgevoerd op 2 april 2019.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 15
Tijdens deze controle we
rd vastgesteld dat ook de woonentiteiten met nummers voldeden
aan de minimale kwaliteitsvereisten nu er geen gebreken meer konden worden vastgesteld. Over
woonentiteit werd niets vermeld, zodat ervan mag worden uitgegaan dat hier geen wijziging was
ten opzichte van de eerder vastgestelde toestand.
2.
2.1.
Via het meldpunt woningkwaliteit kwam op 16 november 2021 bij de wooninspectie een klacht binnen
van de bewoners van het pand in met verzoek om een conformiteitson-
derzoek uit te voeren en de woningkwaliteit ter plaatse te controleren.
In navolging hiervan werd op 16 december 2021 door de wooninspecteur een nieuwe controle uitge-
voerd van het gebouw en de woonentiteit met nummer
Sedert de inwerkingtreding van de Vlaamse Codex Wonen op 1 januari 2021 werd de conformiteit van
de woning beoordeeld in functie van de nieuwe bepalingen waardoor er geen strafpunten meer wer-
den gegeven, maar werden de vastgestelde gebreken dus ondergebracht in categorie I, II of III.
Wat het gebouw betrof, werd vastgesteld dat de afschermkap van het lichtarmatuur in de kelder ont-
brak, wat gelet op het lage plafond een risico op elektrocutie inhield. Dit werd benoemd in het tech-
nisch verslag als een ernstig gebrek in categorie II wat de woning ongeschikt maakte. Vermits dit een
gebrek was aan het gebouw had dit betrekking op alle woonentiteiten binnen het pand.
In de woning met nummer zelf werden bijkomend 7 kleine gebreken in categorie I, 9 ernstige
gebreken in categorie II en 1 gebrek dat een ernstig gevaar oplevert voor de veiligheid of gezondheid
of mensonwaardige levensomstandigheden veroorzaakt in categorie III. Het appartement werd dien-
volgens beschouwd als ongeschikt en onbewoonbaar.
De gebreken in categorie III hadden betrekking op het aansluiten van toestellen klasse I op het niet
geaarde stopcontact in de keuken en een aftakking van de elektrische installaties in de keuken met
een verlengkabel met stopcontactenblok.
De gebreken in categorie II hadden betrekking op een ernstige vorm van insijpelend vocht en conden-
serend vocht met schimmelvorming aan de plafonds, ernstige vorm van opstijgend vocht aan de bin-
nenwanden, gebrekkige gootsteen door een niet correct geplaatste geurafsluiter, onveilige toegang
door het ontbreken van een leuning aan de gemeenschappelijke trap, een gebrek aan isolatie in het
dak en tot slot de afwezigheid van een rookmelder.
Daarnaast werden er nog diverse gebreken in categorie I vastgesteld, die gezien de hoeveelheid van 7
ook werden gecategoriseerd als een ernstig gebrek in categorie II. Ook hier ging het om meerdere
beperkte vochtproblematieken, beschadigde deuren en vloeren, niet afsluitbare voordeur, een kelder-
trap die vol lag met afval en een onder water staande keldervloer.
2.2.
Het appartement werd bewoond door en zijn gezin. Het huurcontract dat werd
afgesloten met de beklaagde werd overgemaakt aan de wooninspecteur. verklaarde
dat hij er sedert oktober 2017 met zijn vrouw en 6 kinderen woonde. Hij betaalde 750,00 euro per
maand aan huurgelden en had een inkomen van 1.600,00 euro per maand. Beklaagde was al een jaar
niet meer in het pand geweest en reageerde niet op telefoons en berichten. Er waren problemen met
de elektriciteit en veel vochtproblemen. Zij overschilderden de schimmel elke maand maar die kwam
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 16
telkens terug. De zekering van het fornuis deed de stroom uitvallen telkens af wanneer dat werd aan-
gezet. De voordeur b
eneden kon niet meer worden afgesloten. Er was veel last van knaagdieren op
het terras en in de kelder. Als het hard regende was het plafond van het balkon helemaal nat. Hij stelde
dat de huisbaas niets meer deed.
2.3.
Op 17 februari 2022 werd de woning met nummer ongeschikt en onbewoonbaar verklaard doo r
de burgemeester van .
3.
3.1.
Op 27 april 2022 kwam er wederom een melding binnen via het regionale meldpunt woningkwaliteit,
doch ditmaal van de bewoners van de woning in .
In navolging hiervan werd op 14 juli 2022 door de wooninspecteur opnieuw een woningkwaliteitson-
derzoek uitgevoerd. Tijdens het uitvoeren van deze controle werd gemeld dat ook de bewoners van
busnummer klachten hadden, zodat ook in deze woning een onderzoek ter plaatse werd uitge-
voerd.
Aan het gebouw zelf werden geen gebreken vastgesteld.
In de woning met nummer werden 8 kleine gebreken in categorie I en 4 ernstige gebreken in
categorie II vastgesteld. Het appartement werd dienvolgens beschouwd als ongeschikt.
De gebreken in categorie II hadden betrekking op een ernstige vorm van condenserend vocht met
schimmelvorming aan de buitenmuren, een risico op elektrocutie door een loshangend stopcontact in
de slaapkamer en afwezigheid van dakisolatie.
Daarnaast werden er nog diverse gebreken in categorie I vastgesteld, die gezien de hoeveelheid van 8
ook werden gecategoriseerd als een ernstig gebrek in categorie II. Ook hier ging het om meerdere
beperkte vochtproblematieken, beschadigde deuren en wandafwerking, afwezigheid van een leuning
van het onderste trapdeel naar de gemeenschappelijke kelder, onveilige toegang door het ontbreken
van een deel van de trapleuning aan de gemeenschappelijke trap en het ontbreken van een verticale
onderverdeling aan de open zijkant van de trap, onduidelijkheid over welke brievenbus aan welke en-
titeit toebehoort.
In de woning met nummer werden 7 kleine gebreken in categorie I, 7 ernstige gebreken in cate-
gorie II en 1 gebrek dat een ernstig gevaar oplevert voor de veiligheid of gezondheid of mensonwaar-
dige levensomstandigheden veroorzaakt in categorie III vastgesteld. Het appartement werd dienvol-
gens beschouwd als ongeschikt en onbewoonbaar.
De gebreken in categorie III hadden betrekking op het aansluiten van toestellen klasse I op het niet
geaarde stopcontact in de slaapkamer.
De gebreken in categorie II hadden betrekking op een ernstige vorm van insijpelend vocht en conden-
serend vocht met schimmelvorming aan de plafonds, ernstige vorm van opstijgend vocht aan de bui-
tenmuren en de binnenwanden, gebrekkige gootsteen door een defecte geurafsluiter, een gebrek aan
isolatie in het dak en tot slot de afwezigheid van een rookmelder.
Daarnaast werden er nog diverse gebreken in categorie I vastgesteld, die gezien de hoeveelheid van 7
ook werden gecategoriseerd als een ernstig gebrek in categorie II. Ook hier ging het om meerdere
beperkte vochtproblematieken, beschadigde deuren en plinten, afwezigheid van een leuning van het
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 17
onderste trapdeel naar de gemeenschappelijke kelder, onveilige toegang door het ontbreken van een
deel van de trap
leuning aan de gemeenschappelijke trap en het ontbreken van een verticale onder-
verdeling aan de open zijkant van de trap, onduidelijkheid over welke brievenbus aan welke entiteit
toebehoort.
3.2.
, bewoner van woning , vertelde aan de wooninspecteur dat hij ’s nachts wakker
werd van de vieze geur in zijn kamer. Hij vertelde dat als ze de huisbaas belden dat hij niet kwam. Er
woonden enkel nog mensen op de nummers , de rest was allemaal verhuisd. Als het re-
gende, kwam er vuil water van het balkon boven hen.
bewoner van woning vertelde dat hij er woonde sinds 25 februari 2020 met
zijn vrouw en 6 kinderen. Het gezin kreeg een uitkering van het van ongeveer 1.500,00 euro
per maand. Ze betaalden 650,00 euro per maand aan huurgelden exclusief kosten. Beklaagde kwam
er niet vaak en ze zagen hem soms 6 à 7 maanden niet. Hij had beklaagde gebeld in verband met een
probleem van de leidingen, wat beklaagde weigerde op te lossen. Als het regende, regende het binnen
in de slaapkamer en in de keuken. Niemand sliep nog in de slaapkamer achteraan links door de schim-
mel. Drie kinderen sliepen in de woonkamer. Alle gezinnen waren al weggegaan uit het gebouw. Het
was een slechte woning, maar hij kon geen andere betaalbare woning vinden omdat hij en zijn vrouw
geen werk hadden.
3.3.
Op 17 oktober 2022 verklaarde de burgemeester van de woning met nummer
ongeschikt en de woning met nummer ongeschikt en onbewoonbaar.
3.6.2. Beoordeling van de tenlasteleggingen A.1 tot en met A.7
1.
Beklaagde wordt ond
er de tenlasteleggingen A.1 tot en met A.7 vervolgd uit hoofde van feiten van
huisjesmelkerij, zijnde misbruik te hebben gemaakt van de kwetsbare toestand waarin iemand ver-
keerde, en met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren, een onroerend goed te hebben ver-
huurd in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, en dit met de omstandigheid
dat van de betrokken activiteit een gewoonte werd gemaakt.
Op de zitting van 14 oktober en in de namens hem neergelegde conclusie betwistte hij de hem ten
laste gelegde feiten en verzocht hij om hiervoor te worden vrijgesproken.
De rechtbank is van oordeel dat de aan beklaagde ten laste gelegde feiten van de tenlasteleggingen
A.1 (enkel op 14 juli 2022), A.2, A.3, A.4, A.5 en A.6 bewezen zijn op basis van resultaten van het
vooronderzoek en het ter zitting gevoerde onderzoek.
2.
2.1.
Maakt zich schuldig aan het in art. 433decies Sw. bedoelde misdrijf van huisjesmelkerij, hij die recht-
streeks of via een tussenpersoon misbruik maakt van de kwetsbare toestand waarin een persoon ver-
keert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toe-
stand, zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvol-
waardigheid door, met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren, een roerend goed, een deel
ervan, een onroerend goed, een kamer of een andere in artikel 479 Sw. bedoelde ruimte, te verkopen,
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 18
te verhuren of ter beschikking te stellen in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waar-
dig
heid.
Uit hoofde artikel 433decies van het Strafwetboek zijn drie materiële elementen vereist:
- de onwettige of precaire administratieve toestand of de precaire sociale toestand van een
persoon;
- het misbruik maken van de bijzonder kwetsbare positie van die persoon;
- en de terbeschikkingstelling van een ruimte in strijd met de menselijke waardigheid.
De onwettige of precaire administratieve toestand heeft specifiek betrekking op vreemdelingen en
werd overgenomen uit artikel 77bis,§1bis van de Vreemdelingenwet. De administratieve toestand is
onwettig indien de vreemdeling illegaal in het land verblijft of er onwettig is binnengekomen. Er is
sprake van een precaire administratieve toestand indien de vreemdeling zich wel op legale wijze in het
land bevindt, maar slechts over een verblijfsvergunning beschikt voor een beperkte duur.
Het is de feitenrechter die, rekening houdend met de concrete omstandigheden, oordeelt of de bewo-
ner zich in een onwettige of precaire administratieve toestand of een precaire sociale toestand be-
vond.
2.2.
Uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat alle in de dagvaarding benoemde huurders van het be-
trokken pand in zich in een precaire administratieve of precaire administratieve
en sociale toestand bevonden.
De bewoners ),
beschik-
ten allen over een verblijfsdocument voor vreemdelingen van het ‘type A’, wat inhoudt dat zij op dat
ogenblik in het kader van de Vreemdelingenwet een verblijfsrecht voor beperkte duur hadden en per
definitie te beschouwen zijn als personen met een precaire administratieve toestand.
Daarenboven geldt dat alle huurders, en dus ook de bewoners van de panden die in het bezit waren
van een verblijfsdocument voor vreemdelingen van het ‘type B’, wat inhoudt dat zij voor onbeperkte
duur in het land mochten verblijven, dat zij zich in een precaire sociale toestand bevonden.
Uit de verklaringen van de huurders blijkt dat zij afhankelijk waren van de steun van het mid-
dels een leefloon. De meeste gezinnen huurden reeds eerder een pand van beklaagde in maar
moesten noodgedwongen op zoek naar een groter pand omwille van een procedure tot gezinshereni-
ging.
Het blijkt dan ook dat alle huurders zich bevonden een bijzonder kwetsbare positie omwille van de
precaire sociale toestand of precaire administratieve en sociale toestand.
Er is geen reden om te twijfelen aan de inhoud of de betrouwbaarheid van de verklaringen van de
huurders noch aan de betrouwbaarheid van de vertalingen die werden gedaan door de medewerkster
van het . Dat de huurders zich in het Arabisch hebben uitgedrukt maakt deze verklaringen niet
nietig.
2.3.
Beklaagde maakte misbruik van deze bijzonder kwetsbare positi e.
Het betroffen grote gezinnen die gelet op de beperkte inkomsten geen kans maakten op de reguliere
huurmarkt en geen andere keuze hadden dan te huren van de beklaagde, zo niet zouden zij immers
op straat komen te leven.
Rolnummer 1 rechter
rechtb
ank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 19
Beklaagde kende de meest
e huurders nu zij klaarblijkelijk initieel van hem huurden in en na
een procedure van gezinshereniging een groter pand nodig hadden om in te verblijven. Hij kende dus
niet enkel de huurders zelf maar vooral ook de precaire sociale situatie waarin zij zich bevonden.
Beklaagde wist dan ook dat de huurders wel akkoord zouden moeten gaan met de aangeboden woon-
gelegenheid en de voorgestelde huurprijs aangezien zij op de reguliere huurmarkt niet terechtkonden,
ook al was deze woning gebrekkig, wat overigens ook door één van de huurders expliciet werd ver-
klaard.
2.4.
Het derde element bestaat uit het gegeven dat een roerend goed, een deel ervan, een onroerend goed,
een kamer of een andere in artikel 479 van het Strafwetboek bedoelde ruimte wordt verkocht, ver-
huurd of ter beschikking gesteld in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid.
Uit de gegevens van het strafdossier blijkt duidelijk dat de woonentiteiten (enkel op 14 juli 2022),
(minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018 en op 14 juli 2022) ( minstens van 19 februari
2018 tot 13 juli 2018 en van 16 december 2021 tot en met 26 juli 2022), (minstens van 19 februari
2018 tot 13 juli 2018), (minstens van 19 februari 2018 tot en met 13 december 2018) en (min-
stens van 19 februari 2018 tot en met 3 december 2018), verhuurd werden in omstandigheden die in
strijd zijn met de menselijke waardigheid.
Dat de woningen allen in deze periodes verhuurd werden staat niet ter discussie en blijkt overigens
duidelijk uit de vaststellingen ter plaatse, de aan het strafdossier gevoegde huurovereenkomsten en
de verklaringen van de huurders.
Wat de erbarmelijke staat van de woningen betreft, en die heeft geleid tot omstandigheden in strijd
met de menselijke waardigheid, verwijst de rechtbank naar de hierboven beschreven vaststellingen,
die een inbreuk maken op de thans geldende bepalingen uit de Vlaamse Codex Wonen en die gedaan
werden op 19 februari 2018 aan het gebouw en de woonentiteiten op 16
december 2021 aan de woonentiteit en op 14 juli 2022 aan de woonentiteiten
Telkens na deze controle werd door de burgemeester een beslissing tot ongeschikt/en of onbewoon-
baarverklaring uitgevaardigd.
Samengevat blijkt uit deze vaststellingen onder meer dat de panden op meerdere plaatsen ernstige
vochtschade vertoonden met schimmelvorming, gevaar op elektrocutie door beperkingen aan de elek-
trische installatie, afwezigheid van rookmelders, onveilige trappen, beschadigde en niet afsluitbare
deuren, geen dakisolatie, …
Het verhuren van de diverse woonentiteiten in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke
waardigheid staat derhalve eveneens vast.
3.
Artikel 433decies van het Strafwetboek vereist een bijzonder opzet als moreel element. Het is niet
voldoende dat de dader enkel wetens en willens handelde; de dader moet de intentie gehad hebben
om misbruik te maken van de bijzonder kwetsbare positie van het slachtoffer én het bijzonder opzet
om een abnormaal profijt te verwezenlijken moet aanwezig zijn.
Rolnummer 1 rechter
recht
bank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 20
Uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat de woonentiteiten op 29 mei
20
18 ongeschikt werden verklaard, de woonentiteiten ongeschikt en onbewoonbaar werd ver-
klaard op 17 februari 2022. Op 17 oktober 2022 werd de woonentiteit ongeschikt verklaard en
werd de woonentiteit ongeschikt en onbewoonbaar werd verklaard.
Woningen die niet voldoen aan de gewestelijke woningkwaliteitsvereisten mogen niet verhuurd wor-
den en kunnen dus ook geen huurprijs genereren. Bijgevolg is elke huur te kwalificeren als een abnor-
maal profijt voor de verhuurders.
Daarenboven blijkt dit abnormaal profijt eveneens uit de hierboven beschreven aard van de gebreken
aan het pand, zoals de extreme vochtschade met schimmelvorming en gevaar op elektrocutie en brand
omwille van de gebreken aan de elektrische installatie.
4.
Tenslotte blijkt het voldoende uit de gegevens van het strafdossier dat de beklaagde van deze verhu-
ring in strijd met de menselijke waardigheid een gewoonte heeft gemaakt. Deze gewoonte uit zich in
het langdurig verhuren achtereenvolgens aan diverse al dan niet wisselende huurders. Tevens waren
er binnen hetzelfde pand meerdere woonentiteiten die in deze omstandigheden werden verhuurd,
wat in deze concrete omstandigheden tevens als een gewoontegedraging dient te worden beschouwd.
Het verhuren van woningen in mensonwaardige omstandigheden binnen éénzelfde appartementsge-
bouw aan meerdere personen gedurende een periode die zich met tussenpozen uitstrekt over onge-
veer vier ja ar, houdt in dat het zeker niet om louter ‘sporadische’ verhuringen ging aan personen die
in een tijdelijke woningnood verkeerden, maar om een activiteit waarvan de beklaagde een gewoonte
had gemaakt.
5.
Alle wettelijk vereiste constitutieve bestanddelen van de onder de tenlasteleggingen A.1 (enkel op 14
juli 2022), A.2, A.3, A.4, A.5 en A.6 beoogde misdrijven, met inbegrip van de hierin voorziene
verzwarende omstandigheid, zijn bewezen lastens beklaagde.
Derhalve wordt de beklaagde schuldig verklaard aan de hem ten laste gelegde feiten van de
tenlasteleggingen A.1 (enkel op 14 juli 2022), A.2, A.3, A.4, A.5 en A.6.
6.
Het blijkt tot slot niet dat de woonentiteiten met nummer minstens van 19 februari 2018 tot 2
april 2019 en de woonentiteit , zoals voorzien onder de tenlasteleggingen A.1 en A.7 werden ver-
huurd in strijd met de menselijke waardigheid.
De rechtbank verwijst hiervoor eveneens naar de vaststellingen van de wooninspecteur die werden
verricht op 19 februari 2018. Hieruit blijkt dat het gebrek aan woonentiteit werd veroorzaakt door
een beperkte vochtproblematiek in de gemeenschappelijke inkomhal en dus niet aan de woongele-
genheid zelf.
In de woning met nummer werd een beperkte vochtproblematiek vastgesteld.
Deze gebreken zouden in de stand van de huidige wetgeving op grond van de bepalingen van de
Vlaamse Codex Wonen van 2021 niet leiden tot een niet conforme woning.
Rolnummer 2 1 rechter
recht
bank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 21
Derhalve wordt beklaagde vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten van de tenlastelegging
A.1 (
van 19 februari 2018 tot 2 april 2018) en de tenlastelegging A.7.
3.6.3. Beoordeling van de tenlasteleggingen B.8 tot en met B.14
1.
Hij wordt onder
de tenlasteleggingen B.8, B.9, B.10, B.11, B.12, B.13 en B.14 vervolgd voor het verhu-
ren van een niet conforme of overbewoonde woning.
Op de zitting van 14 oktober en in de namens hem neergelegde conclusie betwistte hij de hem ten
laste gelegde feiten en verzocht hij om hiervoor te worden vrijgesproken.
De rechtbank is van oordeel dat de aan beklaagde ten laste gelegde feiten van de tenlasteleggingen
B.8, B.9, B.10, B.11, B.12, B.13 en B.14 bewezen zijn op basis van resultaten van het vooronderzoek en
het ter zitting gevoerde onderzoek.
Inzonderheid verwijst de rechtbank naar:
- de feitelijke en technische vaststellingen van de wooninspecteur op 19 februari 2018, 16 december
2021 en 14 juli 2022, waaruit blijkt dat beklaagde te , zeven woningen
in hetzelfde pand verhuurde. Uit de verslagen blijkt dat de tijdens deze controles onderzochte
woonentiteiten niet voldeden aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en
woonkwaliteitsvereisten en normen, vastgesteld met toepassing van artikel 3.1 van de Vlaamse Codex
Wonen 2021;
- de telkens van deze controles aangelegde fotodossiers van de wooninspecteur en de aan de diverse
processen-verbaal gevoegde stukken;
- de verklaringen van de diverse huurders en de aan het strafdossier gevoegde huurovereenkomsten;
- en tot slot de besluiten van de burgemeester van 29 mei 2018, 17 februari 2022 en 17 oktober 2022
tot ongeschiktheidsverklaring en/of onbewoonbaarverklaring van de woningen in navolging van de
woonkwaliteitscontroles van 19 februari 2018, 16 december 2021 en 14 juli 2022 van de woning
gelegen ;
2.
2.1.
Het staat op basis van de hoger beschreven objectieve onderzoeksresultaten boven elke redelijke
twijfel vast dat beklaagde in de op de dagvaarding beschreven periodes op de tenlasteleggingen B.8,
B.9, B.10, B.11, B.12, B.13 en B.14 te de hierin opgenomen woonentiteiten als niet conforme
woning heeft verhuurd in het pand te met het oog op bewoning.
Artikel 1.3, §1, 7° van de Vlaamse Codex Wonen bepaalt dat een woning conform is wanneer zij geen
enkel gebrek als vermeld in artikel 3.1, §1, derde lid, 2° en 3°, vertoont.
Overeenkomstig artikel 1.3, §1, 33° en 35° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 is een woning
onbewoonbaar wanneer minstens één gebrek van categorie III als vermeld in artikel 3.1, §1, derde lid,
3° wordt vastgesteld en is een woning ongeschikt wanneer minstens één gebrek van categorie II als
vermeld in artikel 3.1, §1, derde lid, 2°, of van categorie III als vermeld in artikel 3.1, §1, derde lid, 3°
wordt vastgesteld.
Artikel 3.1, §1, derde lid 2° en 3° benoemt de gebreken van categorie II als ernstige gebreken die de
Rolnummer 1 rechter
recht
bank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 22
levensomstandigheden van de bewoners negatief beïnvloeden maar die geen direct gevaar vorm en
voor hun veiligheid of gezondheid, waardoor de woning niet in aanmerking zou komen voor bewoning
en de gebreken van categorie III als ernstige gebreken die mensonwaardige levensomstandigheden
veroorzaken of die een direct gevaar vormen voor de veiligheid of de gezondheid van de bewoners,
waardoor de woning niet in aanmerking komt voor bewoning.
Anders gezegd is een woning niet conform wanneer zij minstens één gebrek in categorie II vertoont en
derhalve ongeschikt is, of minstens één gebrek in categorie III vertoont en derhalve ongeschikt e n
onbewoonbaar is.
3.2.
3.2.1.
Dat de woonentiteiten niet conform waren in de zin van de Vlaamse Codex Wonen blijkt onmiskenbaar
uit de vaststellingen van de wooninspecteur op 19 februari 2018, 16 december 2021 en 14 juli 2022 en
die hierboven worden uiteengezet onder titel 3.6.1.
De rechtbank verwijst hiervoor naar deze vaststellingen en de naar aanleiding hiervan opgestelde
technische verslagen en de naar aanleiding hiervan aangelegde fotodossiers.
Uit het verslag van 19 februari 2018 blijkt dat de woonentiteiten met nummers en
ongeschikt werden verklaard.
Volgens de technische verslagen van de vaststellingen op 19 februari 2018, die nog werden opgesteld
volgens de oude regelgeving, werd het gebouw ongeschikt bevonden omwille van een vochtproble-
matiek in de gemeenschappelijke inkomhal, wat een invloed had op alle woonentiteiten van het pand.
De woonentiteiten werden ongeschikt verklaard voornamelijk omwille van
vochtproblematiek en gebrekkige elektrische installaties.
De strafbaarheid van de feiten naar aanleiding van de vaststellingen op 19 februari 2018 dient te wor-
den beoordeeld in functie van de thans geldende bepalingen van de Vlaamse Codex Wonen.
De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft de woonentiteiten de niet
conformiteit hiervan onder de Vlaamse Codex Wonen eveneens bewezen is.
Het volstaat te verwijzen naar de gewijzigde herstelvordering van de wooninspecteur waarbij de vast-
stellingen van 19 februari 2018, 13 juli 2018, 2 april 2019 en 16 december 2021 werden geactualiseerd
naar aanleiding van het in werking treden van de Vlaamse Codex Wonen.
In tegenstelling tot wat door de beklaagde wordt voorgehouden in zijn conclusie, werden de vaststel-
lingen van de wooninspecteur dus wel degelijk geactualiseerd in de licht van de wetswijziging.
Hieruit blijkt dat voor wat de aanvankelijke vaststellingen betreft de vastgestelde gebreken in woon-
entiteiten ressorteerden onder de thans geldende gebreken van categorie
II of categorie III wat overeenkomstig de nieuwe bepalingen strafbaarheid met zich meebrengt.
Het navolgend P.V. 18, waarin de controle van 16 december 2021 wordt opgeno-
men, maakt tevens melding van het gegeven dat het op 13 april 2018 vastgestelde gebrek aan de
woonentiteit onder de oude wetgeving niet conform was en dat het destijds vastgestelde gebrek
onder de huidige bepalingen als gebrek in categorie II nog steeds strafbaar is.
Hieruit volgt dat het anderzijds niet bewezen is dat de woonentiteit minstens van 19 februari 2018
tot 2 april 2019, zijnde gedeeltelijk voorzien onder de tenlastelegging B.8, alsook de woonentiteit
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 23
minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018 zoals voorzien onder de tenlastelegging B.14, nie t con-
forme woningen betroffen op het ogenblik dat zij werden verhuurd.
Uit de verslagen die werden opgesteld naar aanleiding van de controles op 16 december 2021 van
woonentiteit en 14 juli 2022 van woonentiteiten en , blijkt dat de woningen en
ongeschikt en onbewoonbaar werden geadviseerd en de woning ongeschikt werd geadviseerd.
Telkens na deze controle werd door de burgemeester een beslissing tot ongeschikt/en of onbewoon-
baarverklaring uitgevaardigd.
Deze controles, het opstellen van de technische verslagen en de beoordeling van de gebreken door de
wooninspecteur gebeurden hier wel aan de hand van de bepalingen uit de Vlaamse Codex Wonen van
2021, die op deze ogenblikken reeds van kracht was.
De rechtbank verwijst naar de bespreking van deze vaststellingen zoals hoger aangehaald onder punt
3.6.1.
Samengevat blijkt uit deze vaststellingen onder meer dat de panden op meerdere plaatsen ernstige
vochtschade vertoonden met schimmelvorming, gevaar op elektrocutie door beperkingen aan de elek-
trische installatie, afwezigheid van rookmelders, onveilige trappen, beschadigde en niet afsluitbare
deuren, geen dakisolatie, …
Zo bleek uit de controle van 16 december 2021 dat het gebouw een ernstig gebrek in categorie II ver-
toonde en de woonentiteit zelf 5 kleine gebreken in categorie I, 9 ernstige gebreken in categorie
II en 1 gebrek dat dat een ernstig gevaar oplevert voor de veiligheid of gezondheid of mensonwaardige
levensomstandigheden veroorzaakt in categorie III vertoonde.
Uit de controle van 14 juli 2022 blijkt dat de woning 002, 8 kleine gebreken in categorie I en 4 ernstige
gebreken in categorie II vertoonde. De woning vertoonde 7 kleine gebreken in categorie I, 7 ern-
stige gebreken in categorie II en 1 gebrek dat dat een ernstig gevaar oplevert voor de veiligheid of
gezondheid of mensonwaardige levensomstandigheden veroorzaakt in categorie III vertoonde.
3.2.2.
In tegenstelling tot wat de beklaagde voorhoudt in zijn conclusie, is er geen enkele reden om deze vast-
stellingen van de wooninspecteur in twijfel te trekken, noch wat betreft de hieraan verbonden catego-
rieën. Beklaagde maakt niet aannemelijk dat de wooninspecteur onzorgvuldig zou hebben gehandeld bij
het uitvoeren van de controle en levert niet het vereiste tegenbewijs dat deze vaststellingen onjuist zou-
den en zijn en onvoldoende stroken met de werkelijke situatie zoals deze ter plaatse was op dat ogenblik.
Betreffende de ernst van de vochtproblematieken volstaat tevens het te verwijzen naar de door de
wooninspecteur gemaakte beoordeling hiervan, waaraan gelet op de ernst hiervan respectievelijk een
gebrek in categorie I of categorie II werd gegeven en waarvan evenmin het tegendeel wordt bewezen.
Wat de omvang van de vochtschade betreft inzake de vaststellingen die werden verricht onder de
oude wetgeving, stelt de rechtbank daarenboven vast dat de wooninspecteur hieraan telkens de graad
‘niet algemeen’ heeft gegeven, die overeenstemt met een hoeveelheid van 3 strafpunten onder de
kolom van categorie II.
Vermits onder de beschrijving niet enkel condenserend of doorslaand vocht wordt weergegeven, maar
telkens met effectieve schimmelvorming, wat wijst op een diepere en meer structurele langdurige
problematiek, zijn deze gebreken onder de thans geldende wetgeving te beschouwen als gebreken in
categorie II.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 24
Hiervoor kan onder meer verwezen worden naar de vergelijking die kan worden gemaakt met het
vastgestelde gebrek
aan het gebouw zelf, bestaande uit vochtschade in de gemeenschappelijke inkom-
hal aan de muur. Hieraan werd slechts één strafpunt toegekend hoewel dit evenzeer als ‘niet alge-
meen’ wordt gekenmerkt in het technisch verslag. Bij de beschrijving v an deze vochtschade wordt an-
derzijds niet vermeld dat deze gepaard gaat met schimmelvorming. Dit specifieke gebrek stemt naar
het oordeel van de rechtbank overeen met een gebrek van categorie I onder de huidige wetgeving.
Vermits dit het enige gebrek betrof aan woonentiteit , wordt de beklaagde hiervoor overigens ook
vrijgesproken.
Ook de combinatie van meerdere beperkte vormen van vochtschade, die telkens een gebrek in cate-
gorie I veroorzaken, maakt overigens dat de woning niet conform is vermits een teveel aan gebreken
in categorie I eveneens leidt tot niet conformiteit.
Wat het gevaar op elektrocutie betreft, stelt de rechtbank vast dat in vijf van de zeven op 19 februari
2018 onderzochte woonentiteiten er volgens de wooninspecteur een indicatie was van een risico op
elektrocutie, wat overeenstemt met een hoeveelheid van 15 strafpunten onder de kolom van catego-
rie IV. De aard van deze gebreken dienen onder de thans geldende wetgeving te worden beschouwd
als een gebrek in categorie III wat de woning ongeschikt en onbewoonbaar maakt. Deze gebreken
hadden betrekking op niet geaarde stopcontacten waarop al dan niet nog eens toestellen van klasse I
werden aangesloten, wat brandgevaar en elektrocutiegevaar oplevert. Het is de verantwoordelijkheid
van beklaagde als verhuurder om in te staan voor een correcte en veilige elektrische installatie.
Zelfs indien de plaatsing van de wasmachine veroorzaakt zou zijn door het gedrag van de huurders, is
er dus nog steeds de gebrekkige elektrische installatie en de gecombineerde (ernstige) vochtproble-
matiek.
Er ligt bovendien geen schending van het legaliteitsbeginsel voor. Zowel de strafbare handeling uit artikel
3.34 van de Vlaamse Codex Wonen, als de hieraan gekoppelde bestraffing uit artikel 3.36 van de Vlaamse
Codex Wonen, zijn duidelijk. Het is op basis van de inhoud van deze bepalingen voor de beklaagde duidelijk
welke handelingen aanleiding geven tot strafbaarheid en welke sancties hieraan verbonden zijn. In dit
verband kan worden verwezen naar het gegeven dat beklaagde meerdere panden in eigendom heeft en
verhuurd waardoor hij bij uitstek op de hoogte is, en ook moet zijn, van de kwaliteitsvereisten waaraan
een woning dient te voldoen vooraleer zij op de huurmarkt mag worden gezet.
3.2.3.
Tot slot stipt de rechtbank aan dat de vaststellingen van de wooninspecteur bijzondere bewijswaarde
hebben. Deze vaststellingen gelden tot bewijs van het tegendeel, daar deze zijn opgesteld door een
opsporingsambtenaar aan wie door een bijzondere strafwet een specifieke opdracht werd verleend
met betrekking tot het vaststellen van misdrijven zoals in de wet omschreven.
Beklaagden levert geen bewijs van het tegendeel van de door de wooninspecteur verrichte
vaststellingen.
De niet conforme toestand van de woningen (op 14 juli 2022), (minstens van 19 februari 2018
tot 13 juli 2018 en op 14 juli 2022), 004 ( minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018 en van 16
december 2021 tot en met 26 juli 2022), (minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018),
(minstens van 19 februari 2018 tot en met 13 december 2018) en (minstens van 19 februari 2018
tot en met 3 december 2018) in het pand op staat dan ook op
voldoende wijze vast.
3.3.
Het blijkt daarnaast eveneens duidelijk dat deze woningen in de hierboven beschreven periodes
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 25
werden verhuurd met het oog op bewoning.
Dit gegeven staat n
iet ter discussie en blijkt overigens voldoende uit de verklaringen van de bewoners
en de aan het strafdossier gevoegde huurovereenkomsten.
3.4.
Samengevat blijkt dan ook uit de voorliggende onderzoeksresultaten dat beklaagde te
gedurende de in de dagvaarding beschreven periodes (behoudens wat betreft de tenlastelegging B.8
van 19 februari 2018 tot 2 april 2019 en de tenlastelegging B.14) een niet conforme woning heeft
verhuurd met het oog op bewoning, zijnde de woonentiteiten met nummers
in het pand gelegen op het adres , zodat het materieel element
van het misdrijf bewezen is.
4.
4.1.
Het staat tevens naar oordeel van de rechtbank vast dat beklaagde op de hoogte was van de niet
conforme staat van het gebouw en de woning(en).
Uit de verklaringen van de huurders bleek dat zij regelmatig gebreken hadden gemeld aan de
beklaagde, maar dat hij hier nooit op reageerde. Beklaagde zou enkel gereageerd hebben op klachten
uitgaande van het en wanneer er een brief door de advocaat van de huurders werd verstuurd.
Daarenboven blijkt uit diezelfde verklaringen dat beklaagde af en toe langskwam in het pand, zodat hij
de gebreken zelf moet hebben vastgesteld, wat overigens eveneens voldoende is gebleken nu er telkens
verfwerken werden uitgevoerd om de ernstige vochtproblematiek te maskeren.
Beklaagde ondernam enkel actie wanneer hij hiertoe werd verplicht ingevolge onder meer een besluit
van de burgemeester of de initiële herstelvordering. Voor het overige trok hij zich duidelijk weinig aan
van het welzijn van de huurders en of het door hem verhuurde pand wel voldeed aan de geldende
kwaliteitseisen.
Uit het bovenstaande blijkt dan ook duidelijk een wetens en willens handelen van beklaagde. Hij had
kennis van het gegeven dat de woningen niet voldeden aan de woningkwaliteitsvereisten en dat deze
woningen niet mochten worden verhuurd met het oog op bewoning. Ondanks deze kennis werden de
woningen toch verder verhuurd, waaruit een duidelijke wil is gebleken in hoofde van beklaagde, die
bewust en uit vrije wil handelde, om een niet conforme woning te verhuren.
4.2.
Wat betreft het moreel element van het misdrijf is bovendien minstens onachtzaamheid vereist, maar
dit volstaat. Dit betekent dat de verhuurder een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg kan worden
verweten zonder dat vereist is dat hij wetens en willens een gebrekkige woning heeft verhuurd.
Beklaagde kon en moest zich minstens vergewissen van de staat van de door hem verhuurde woningen.
Het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid bestaat hierin dat de beklaagde heeft nagelaten te
controleren of de woningen wel aan de woningkwaliteitsnormen voldeden en of zij wel verhuurd
mochten worden, temeer nu beklaagde blijkens de verklaring van de huurders meerdere panden in
eigendom heeft nu zij initieel van hem in huurden. Hij is gelet op deze concrete situatie dan ook
op de hoogte van de kwaliteitseisen waaraan een woning moet voldoen om te mogen worden
verhuurd, minstens moet hij als gebruikelijke verhuurder hiervan op de hoogte zijn.
In zover beklaagde voorhoudt dat hij niet op de hoogte was van de onregelmatigheden nu deze zouden
zijn veroorzaakt door de huurders, is dat dan ook enkel aan zijn eigen tekortkomingen te wijten en is
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 26
zijn beweerde dwaling niet onoverwinnelijk of verschoonbaar.
Er is in hoofde van
beklaagde dan ook minstens sprake van onachtzaamheid.
Uit wat voorafgaat blijkt dat ook het moreel element van het misdrijf bewezen is.
5.
Alle wettelijk vereiste constitutieve bestanddelen van het onder de tenlasteleggingen B.8 (enkel op 14
juli 2022), B.9, B.10, B.11, B.12 en B.13 beoogde misdrijven zijn bewezen lastens beklaagde.
Beklaagde wordt dan ook schuldig verklaard aan de hem ten laste gelegde feiten van de
tenlasteleggingen B.8 (enkel op 14 juli 2022), B.9, B.10, B.11, B.12 en B.13.
6.
Zoals hoger uiteengezet is de rechtbank van oordeel dat het niet bewezen is dat de woonentiteit
minstens van 19 februari 2018 tot 2 april 2019, zijnde gedeeltelijk voorzien onder de tenlastelegging
B.8, alsook de woonentiteit minstens van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018 zoals voorzien onder de
tenlastelegging B.14, niet conforme woningen betroffen op het ogenblik dat zij werden verhuurd.
Derhalve wordt de beklaagde voor deze tenlasteleggingen vrijgesproken.
3.7. Straftoemeting
1.
Beklaagde stelt dat d
e redelijke termijn in strafzaken werd overschreden.
Zoals hoger reeds uiteengezet is de rechtbank van oordeel dat er een overschrijding van de redelijke
termijn voorligt, zonder dat deze overschrijding moet leiden tot het verval of de onontvankelijkheid
van de strafvordering.
De rechtbank stelt dan ook vast dat de strafvervolging geen normaal verloop heeft gekend. De redelijke
termijn werd derhalve overschreden.
Niettegenstaande de overschrijding blijft de vaststelling van de schuld van de beklaagde noodzakelijk,
maar is ook een bestraffing maatschappelijk verantwoord gelet op de aard en de ernst van de feiten
en de maatschappelijke impact ervan.
Met toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zal de rechtbank
hiermee rekening houden bij het bepalen van de straftoemeting.
Het omwille van deze vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn louter eenvoudig schuldig
verklaren van de beklaagde aan de in zijn hoofde bewezen verklaarde feiten, is naar het oordeel van
de rechtbank te dezen echter niet passend en niet noodzakelijk om aan deze overschrijding van de
redelijke termijn te remediëren.
2.
Beklaagde maakte zich schuldig aan het misbruik van huisjesmelkerij ten aanzien van diverse
slachtoffers. Hij verhuurde woningen die in een erbarmelijke staat en in strijd met de menselijke
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 27
waardigheid waren, wetende dat de bewoners geen andere optie hadden dan met deze h uur in te
stemmen omdat zij niet terecht konden op de reguliere huurmarkt. Beklaagde kende deze precaire
toestand van zijn huurders en maakte hiervan misbruik met enkele doel op abnormale wijze een profijt
te kunnen realiseren.
De bewezen verklaarde tenlasteleggingen zijn ernstig, laakbaar en maatschappelijk onaanvaardbaar en
geven blijk van een gebrek aan respect voor andermans welzijn, veiligheid en gezondheid.
De in hoofde van beklaagde bewezen verklaarde feiten van de tenlasteleggingen A.1 (enkel op 14 juli
2022), A.2, A.3, A.4, A.5, A.6, B.8 (enkel op 14 juli 2022), B.9 B.10, B.11, B.12 en B.13 zijn de
opeenvolgende en voortgezette uitvoering van hetzelfde misdadig opzet. In toepassing van artikel 65
lid 1 Sw. dient maar één straf te worden opgelegd, namelijk de zwaarste.
Bij het bepalen van de strafmaat die aan beklaagde wordt opgelegd houdt de rechtbank rekening met
de laakbaarheid van de bewezen verklaarde feiten, de aard en de ernst en het maatschappelijk nadeel
ervan, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, de leeftijd van beklaagde, de persoonlijkheid
van beklaagde, zoals die blijkt uit de gegevens van het strafdossier, het strafrechtelijk verleden en de
behandeling van de zaak op de zitting van 14 oktober 2025.
Blijkens het meest recente uittreksel uit het strafregister werd beklaagde in het verleden viermaal
strafrechtelijk veroordeeld en dit uit hoofde van twee verkeersinbreuken, een inbreuk op de wetgeving
inzake bossen en wouden en een inbreuk op de stedenbouwkundige wetgeving.
Hieruit blijkt dat beklaagde hardleers is en het niet nauw neemt met de maatschappelijke normen.
De hierna bepaalde gevangenisstraf en geldboete wordt aan beklaagde opgelegd. Deze bestraffingen
dienen hem het ontoelaatbare van zijn handelen te doen inzien, alsook nieuwe strafbare feiten in de
toekomst te vermijden.
De omvang van deze gevangenisstraf en geldboete is aangepast aan de aard en de ernst van de feiten
en de persoonlijkheid van beklaagde. De geldboete heeft tot doel beklaagde te raken in zijn vermogen
en hem te doen beseffen dat misdaad niet mag lonen. De omvang van de vervangende gevangenisstraf
is aangepast aan de omvang van de geldboete.
Overeenkomstig artikel 433decies van het Strafwetboek wordt de boete zo veel keer toegepast als er
slachtoffers zijn (x48).
Gelet op het overschrijden van de redelijke termijn en met het oog op de kans op verbetering en
maatschappelijke integratie van beklaagde, verleent de rechtbank uitstel van tenuitvoerlegging voor
het hierna bepaalde gedeelte van de gevangenisstraf. Om de preventieve werking van het uitstel
voldoende lang te laten duren, wordt het uitstel opgelegd voor een proefperiode van vijf jaar.
Het uitstel van tenuitvoerlegging dient beklaagde ertoe te bewegen in de toekomst de wet stipt na te
leven, nu bij een nieuwe veroordeling binnen de proeftermijn het verleende uitstel verloren kan gaan.
Het verlenen van een ruimer uitstel van tenuitvoerlegging voor de aan beklaagde opgelegde
gevangenisstraf en het verlenen van enig uitstel van tenuitvoerlegging voor de aan beklaagde
opgelegde geldboete zou hem onvoldoende bewust maken van de aard en de ernst van de feiten,
alsook zou dit een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal betreffen, mede gelet op zijn
hierboven besproken strafrechtelijk verleden.
Een werkstraf, autonoom elektronisch toezicht of autonome probatie werd niet gevraagd, zodat niet
aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan en het opleggen van deze alternatieve vormen van
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 28
bestraffing niet werd overwogen.
Zonder overschri
jding van de redelijke termijn zou de gevangenisstraf zonder uitstel van
tenuitvoerlegging zijn opgelegd.
3.
Het Openbaar Ministerie vorderde schriftelijk de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen.
Rekening houdend met de aard en de gevolgen van de bewezen verklaarde feiten, is rechtbank van
oordeel dat het illegaal vermogensvoordeel inderdaad moet worden verbeurd verklaard. Het is
onaanvaardbaar dat beklaagde in het bezit zou blijven van de opbrengsten van illegale activiteiten.
De dit dossier gegenereerde illegale vermogensvoordelen betreffen de huurgelden die werden geïnd
lopende de bewezen periode waarin de woningen werd verhuurd.
Op basis van de objectieve gegevens van het strafdossier komt de rechtbank tot de volgende
berekening :
- Woning : (geen vermogensvoordeel vermits het niet geweten is wat de huurprijs op 14 juli
2022 betrof);
- Woning : 6 m aan 750,00 euro + 1 m aan 675,00 euro = 5.175,00 euro;
- Woning : 6 m aan 750,00 euro + 8 m aan 775,00 euro = 10.700,00 euro;
- Woning : 6 m aan 750,00 euro = 4.500,00 euro;
- Woning : 11 m aan 750,00 euro = 8.250,00 euro;
- Woning : 11 m aan 580,00 euro = 6.380,00 euro.
Totaal : 35.005,00 euro
Derhalve wordt lastens beklaagde een bedrag van 35.005,00 euro verbeurd verklaard.
Aangezien het bedrag niet meer in het vermogen van de beklaagde kon worden aangetroffen wordt dit
verbeurd verklaard bij equivalent.
4.
Deze bestraffing beantwoordt het best aan de doeleinden van de straf zoals bepaald in artikel 7, §2 van
het Strafwetboek nu hiermee op afdoende wijze uiting wordt gegeven aan de maatschappelijke
afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, het herstel van het maatschappelijk
evenwicht en het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade wordt bevorderd alsook wordt
hiermee het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader bevorde rd
enerzijds en de maatschappij gedurende een bepaalde periode tegen de beklaagde wordt beschermd
anderzijds.
Deze bestraffing is tot slot proportioneel met het bewezen verklaarde misdrijf en brengt geen
ongewenste neveneffecten met zich mee ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun
omgeving en de samenleving.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 29
4. BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
4.1. De vorderin
g van de consoorten
1.
Gezien de tenlast
eleggingen A.2 en B.2 bewezen werden verklaard is de rechtbank bevoegd om te
oordelen over de vordering van de burgerlijke partijen in zoverre geënt op deze tenlasteleggingen.
De vordering van de burgerlijke is ontvankelijk, nu zij regelmatig naar de vorm en tijdig werd ingesteld
en zij haar hoedanigheid en belang aantoont.
2.
De burgerlijke partij stelt dat zij schade heeft geleden bestaande uit betalingen van huurgelden ten
bedrage van 19.750,00 euro, een huurwaarborg ten bedrage van 1.500,00 euro en morele schade ten
bedrage van 12.000,00 euro ( 500,00 euro per jaar per persoon = 8 x 1.500,00 euro).
Beklaagde betwist de vordering van de burgerlijke partij.
3.
3.1.
Het staat vast dat de burgerlijke partijen materiële schade hebben geleden ingevolge de bewezen
verklaarde feiten.
De rechtbank Is van oordeel dat de burgerlijke partij, die het slachtoffer werd van huisjesmelkerij en
verhuur van een onbewoonbare woning, schade heeft opgelopen door het misbruik en het wonen in
mensonwaardige omstandigheden. Door de erbarmelijke staat van de woning was er bovendien een
ernstige vorm van genotsderving aanwezig.
Wat de gevorderde schade betreft kan deze maar worden vergoed voor zover deze werd geleden
binnen de periode waarin de feiten bewezen werden verklaard. Vermits de aan beklaagde ten laste
gelegde feiten werden gesitueerd op 14 juli 2022 beperkt dit aspect van de door hen geleden schade
zich tot de maand huur waarin de feiten bewezen werden verklaard.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de schade rekening met de staat van de woning, de bewezen
periode van huisjesmelkerij waarin de burgerlijke partijen in de woning hebben verbleven en bepaalt
de schade naar redelijkheid en naar billijkheid op basis van de objectieve gegevens van het strafdossier.
Aan de huwgemeenschap wordt een bedrag toegekend van 325,00 euro uit hoofde van materiële
schade.
De huurwaarborg betreft tot slot geen vergoedbare schade nu dit vanuit haar aard een voorwaardelijk
karakter heeft en derhalve kan worden teruggevorderd. Het bedrag is niet definitief verworden
geweest door de beklaagde, noch beschouwd als een illegaal vermogensvoordeel uit de bewezen
verklaarde feiten.
3.2.
Daarnaast staat het vast dat de burgerlijke partijen als slachtoffers van het wonen in mensonwaardige
omstandigheden elk afzonderlijk morele schade hebben geleden. Het verblijven in een woning die niet
voldoet aan de minimale normen voor veiligheid en gezondheid, en het misbruik door de verhuurder
van de kwetsbare positie, veroorzaakt psychisch en fysiek leed, zodat ook een moreel leed bewezen is.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 30
Morele schade is
moeilijk in cijfers te berekenen. Een vergoeding kan het aangedane leed niet
wegnemen en blijft hoe dan ook eerder symbolisch. Deze schade is op basis van de voorliggende
gegevens niet concreet te berekenen.
Een begroting naar redelijkheid en billijkheid is daarom gepast.
De rechtbank begroot de morele schade naar redelijkheid en naar billijkheid op een bedrag van 250,00
euro elk, ofwel in totaal een bedrag van 2.000,00 euro.
Het door de burgerlijke partij gevorderde bedrag van 1.000,00 euro wordt afgewezen.
Zij stelt ziek geworden te zijn ingevolge de levensomstandigheden en verwijst naar het stuk 4 uit hun
bundel. Dit medisch attest maakt enkel melding van een astma die op dat ogenblik onder controle was,
zodat er geen zekerheid is omtrent het oorzakelijk verband tussen de medische aandoening van de
burgerlijke partij en de bewezen verklaarde feiten.
4.
Derhalve wordt de vordering voor een totaal bedrag van 2.325,00 euro als volgt toegekend :
- aan de huwgemeenschap : 325,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger over
: 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger over
: 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger over
: 250,00 euro;
- aan in eigen naam : 250,00 euro;
- aan in eigen naam : 250,00 euro;
- aan : 250,00 euro;
- aan : 250,00 euro;
- aan : 250,00 euro.
Bedrag te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 24 maart 2024, zijnde de gemiddelde
datum, aan de wettelijke intrestvoet tot op heden en met de gerechtelijke intresten vanaf heden,
eveneens te rekenen aan de wettelijke intrestvoet.
4.2. De vordering van de consoorten
1.
Gezien de tenlast
eleggingen A.4 en B.4 bewezen werden verklaard is de rechtbank bevoegd om te
oordelen over de vordering van de burgerlijke partijen in zoverre geënt op deze tenlasteleggingen.
De vordering van de burgerlijke partij is ontvankelijk, nu zij regelmatig naar de vorm en tijdig werd
ingesteld en zij haar hoedanigheid en belang aantoont.
2.
De burgerlijke partij stelt dat zij schade heeft geleden bestaande uit betalingen van de helft van de
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 31
huurgelden lopende van 20 juni 2007 tot en met 29 november 2021 voor een bedrag van 19.875,00
euro en een morele schade ten bedrage van 2.250,00 euro ( 250,00 euro per persoon.)
Beklaagde betwist de vordering van de burgerlijke partij.
3.
3.1.
Het staat vast dat de burgerlijke partijen materiële schade hebben geleden ingevolge de bewezen
verklaarde feiten.
De rechtbank Is van oordeel dat de burgerlijke partij, die het slachtoffer werd van huisjesmelkerij en
verhuur van een onbewoonbare woning, schade heeft opgelopen door het misbruik en het wonen in
mensonwaardige omstandigheden. Door de erbarmelijke staat van de woning was er bovendien een
ernstige vorm van genotsderving aanwezig.
Wat de gevorderde schade betreft kan deze maar worden vergoed voor zover deze werd geleden
binnen de periode waarin de feiten bewezen werden verklaard. Vermits de aan beklaagde ten laste
gelegde feiten werden gesitueerd van 19 februari 2018 tot 13 juli 2018 beperkt dit aspect van de door
hen geleden schade zich tot de maanden huur waarin de feiten bewezen werden verklaard, ofwel
gedurende een periode van zes maanden.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de schade rekening met de staat van de woning, de bewezen
periode van huisjesmelkerij waarin de burgerlijke partijen in de woning hebben verbleven en bepaalt
de schade naar redelijkheid en naar billijkheid op basis van de objectieve gegevens van het strafdossier.
Het gevorderde bedrag van de helft van de huurprijs per maand is aanvaardbaar en geenszins
overdreven, zodat deze schade kan worden bepaald op een bedrag van 375,00 euro per maand.
Aan wordt een bedrag toegekend van 2.250,00 euro uit hoofde van materiële
schade.
3.2.
Daarnaast staat het vast dat de burgerlijke partijen als slachtoffers van het wonen in mensonwaardige
omstandigheden elk afzonderlijk morele schade hebben geleden. Het verblijven in een woning die niet
voldoet aan de minimale normen voor veiligheid en gezondheid, en het misbruik door de verhuurder
van de kwetsbare positie, veroorzaakt psychisch en fysiek leed, zodat ook een moreel leed bewezen is.
Morele schade is moeilijk in cijfers te berekenen. Een vergoeding kan het aangedane leed niet
wegnemen en blijft hoe dan ook eerder symbolisch. Deze schade is op basis van de voorliggende
gegevens niet concreet te berekenen.
Een begroting naar redelijkheid en billijkheid is daarom gepast.
Het door de burgerlijke partijen gevorderde bedrag aan morele schade van 250,00 euro is redelijk en
billijk en komt geenszins overdreven over. De rechtbank begroot de morele schade naar redelijkheid
en naar billijkheid dan ook op een bedrag van 250,00 euro elk, ofwel in totaal een bedrag van 2.250,00
euro.
4.
Derhalve wordt de vordering voor een totaal bedrag van 2.500,00 euro als volgt toegekend :
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 32
- aan : 625,00 euro;
- aan : 250,0
0 euro;
- aan : 250,00 euro;
- aan : 250,00 euro;
- aan en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro.
Bedrag te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 24 februari 2022, zijnde de gemiddelde
datum, aan de wettelijke intrestvoet tot op heden en met de gerechtelijke intresten vanaf heden,
eveneens te rekenen aan de wettelijke intrestvoet.
4.3. De vordering van
1.
Gezien de tenlast
eleggingen A.1 (enkel op 14 juli 2022), A.2, A.3, A.4, A.5, A.6, B.1 (enkel op 14 juli
2022), B.2, B.3, B.4, B.5 en B.6 bewezen werden verklaard is de rechtbank bevoegd om te oordelen
over de vordering van de burgerlijke partijen in zoverre geënt op deze tenlasteleggingen.
De vordering van de burgerlijke partij is ontvankelijk, nu zij regelmatig naar de vorm en tijdig werd
ingesteld en zij haar hoedanigheid en belang aantoont.
2.
De burgerlijke partij vordert uit hoofde van materiële schade een bedrag van 1.500,00 euro.
Beklaagde betwist de vordering van de burgerlijke partij.
3.
Het staat vast dat de burgerlijke partij materiële schade heeft geleden ingevolge de bewezen verklaarde
feiten.
Zij diende de situatie betreffende het gebouw en de veiligheid van haar bewoners mee opvolgen.
Ingevolge de vastgestelde inbreuken werden meerdere beslissingen tot ongeschiktheid en/of
onbewoonbaarverklaring genomen.
De thans bewezen verklaarde feiten creëerden voor de burgerlijke partij noodgedwongen bijkomende
administratieve handelingen, die niet meer in verhouding stonden tot haar dagdagelijkse opdracht als
toezichthoudende overheid.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 33
Hieruit volgt dat er bepaalde bijkomstige prestaties werden verricht door het personeel van de
burgerlijke partij, die niet zouden moeten worden geleverd indien de feiten zich niet hadden
voorgedaan, alsook werden bijkomende correspondentie- en telefoonkosten gemaakt. Een concrete
berekening kan hiervan echter niet worden gemaakt. Om deze reden dient deze schadepost naar
redelijkheid en billijkheid te worden begroot op een bedrag van 1.000,00 euro. Dit bedrag dekt
bijgevolg de schade ingevolge de buitenproportioneel gespendeerde tijd en de in navolging hiervan
gemaakte kosten.
Derhalve wordt aan de burgerlijke partij een bedrag van 1.000,00 euro toegekend, te vermeerderen
met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 11 september 2021 tot op heden en
vanaf heden met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet.
Het is tot slot niet bewezen dat de toestand van het pand gedeeltelijk werd veroorzaakt ingevolge een
foutief handelen van de burgerlijke partij of één van haar aangestelden.
4.4. De vordering van de consoorten
1.
Gezien de tenlast
eleggingen A.1 en B.8 (zoals in de dagvaarding) enkel op 14 juli 2022 bewezen werden
verklaard is de rechtbank bevoegd om te oordelen over de vordering van de burgerlijke partijen in
zoverre geënt op deze tenlasteleggingen.
De vordering van de burgerlijke partij is ontvankelijk, nu zij regelmatig naar de vorm en tijdig werd
ingesteld en zij haar hoedanigheid en belang aantoont.
2.
De burgerlijke partij stelt dat zij schade heeft geleden bestaande uit het aankopen van nieuwe meubels
die werden beschadigd voor een bedrag van 3.747,00 euro en een morele schade ten bedrage van
250,00 euro per persoon.
Beklaagde betwist de vordering van de burgerlijke partij.
3.
3.1.
Het staat vast dat de burgerlijke partijen materiële schade hebben geleden ingevolge de bewezen
verklaarde feiten.
Het is aannemelijk dat omwille van de extreme vochtproblematiek en schimmelvorming er diverse
meubels van de burgerlijke partij werden beschadigd en zij nieuwe meubels dienden aan te kopen.
De door de burgerlijke partij gemaakte kosten blijkt voldoende uit de namens hen neergelegde stukken,
zodat het bedrag kan worden toegekend zoals gevorderd.
3.2.
Daarnaast staat het vast dat de burgerlijke partijen als slachtoffers van het wonen in mensonwaardige
omstandigheden elk afzonderlijk morele schade hebben geleden. Het verblijven in een woning die niet
voldoet aan de minimale normen voor veiligheid en gezondheid, en het misbruik door de verhuurder
van de kwetsbare positie, veroorzaakt psychisch en fysiek leed, zodat ook een moreel leed bewezen is.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 34
Morele schade is moeilijk in cijfers te berekenen. Een vergoeding kan het aangedane leed ni et
wegnemen en blijft hoe dan ook eerder symbolisch. Deze schade is op basis van de voorliggende
gegevens niet concreet te berekenen.
Een begroting naar redelijkheid en billijkheid is daarom gepas t.
Het door de burgerlijke partijen gevorderde bedrag aan morele schade van 250,00 euro is redelijk en
billijk en komt geenszins overdreven over. De rechtbank begroot de morele schade naar redelijkheid
en naar billijkheid dan ook op een bedrag van 250,00 euro elk, ofwel in totaal een bedrag van 1.500,00
euro.
4.
Derhalve wordt de vordering voor een totaal bedrag van 5.747,00 euro als volgt toegekend :
- aan namens de huwgemeenschap : 3.747,00
euro;
- aan in eigen naam : 250,00 euro
- aan in eigen naam : 250,00 euro
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro.
Bedrag te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 24 maart 2024, zijnde de gemiddelde
datum, aan de wettelijke intrestvoet tot op heden en met de gerechtelijke intresten vanaf heden,
eveneens te rekenen aan de wettelijke intrestvoet.
4.5. De rechtsplegingsvergoedingen
De voorwaarden v
an artikel 162bis Sv. zijn voldaan zodat de aan de burgerlijke partijen
een
rechtsplegingsvergoeding moet worden toegewezen.
De rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald op het basisbedrag in overeenstemming met de waarde
van de ingestelde vordering, nu niet op een gemotiveerde wijze werd gevraagd om hiervan af te wijken.
4.6. De overige burgerlijke belangen
De rechtbank houdt
de overige burgerlijke belangen ambtshalve aan overeenkomstig het bepaalde in
artikel 4 V.T. Sv.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 35
5. DE HERSTELVORDERING
De herstelvord
ering werd ingeleid bij het openbaar ministerie op 24 april 2018 en geactualiseerd op
24 januari 2022. De herstelvordering is ontvankelijk.
De herstelvordering strekt ertoe om aan beklaagden het bevel te geven tot herbestemming van het
pand volgens de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, hetzij de woning te slopen,
tenzij de sloop verboden zou zijn op grond van wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen en dit
binnen een termijn van tien maanden vanaf heden en onder verbeurte van een dwangsom van €
150,00 per dag vertraging volgend op het verstrijken van deze hersteltermijn.
Ondergeschikt strekt de vordering ertoe om aan de beklaagden het bevel te geven om de conformiteit
in de zin van artikel 1.3 §1, 8° van de Vlaamse Codex Wonen, te herstellen en eventuele overbewoning
te beëindigen door het wegwerken van gebreken zodat er conforme woningen in de zin van artikel 1.3,
§1, 7° worden gecreëerd en er geen sprake is van overbewoning en dit binnen een termijn van tien
maanden vanaf heden en onder verbeurte van een dwangsom van € 150,00 per dag vertraging volgend
op het verstrijken van deze hersteltermijn.
Tevens vordert de wooninspecteur :
om te zeggen voor recht dat de termijn van herstel niet dient te worden beschouwd als een
termijn van verbeurdverklaring van de dwangsom;
om te zeggen voor recht dat er geen aanleiding bestaat tot het opleggen van een dwangsom-
termijn in de zin van art. 1385bis, 4de lid Ger.W.;
machtiging van hemzelf evenals het college van burgemeester en schepenen om, bij gebreke
aan uitvoering door de overtreders zelf, ambtshalve in de uitvoering van het opgelegde herstel
te mogen voorzien;
machtiging om de kosten van herhuisvesting, bedoeld in art. 3.33 van de Vlaamse Codex Wo-
nen te verhalen op de veroordeelden;
om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De herstelvordering strekt ertoe om de onrechtmatige toestand ingevolge het bewezen verklaar d
misdrijf te doen verdwijnen en is noodzakelijk om de gevolgen van dit misdrijf ongedaan te maken.
Zij behoort tot de strafvordering in ruime zin, maar is niettemin als bijzondere vorm van teruggave een
maatregel van burgerlijke aard. Krachtens de art. 44 Sw. en 161 en 189 Sv. dient de teruggave verplicht
te worden uitgesproken. Een veroordeelde mag niet in het voordeel van het bewezen verklaard misdrijf
blijven.
De rechtbank dient de interne en externe wettigheid van de herstelmaatregel te toetsen en in het
bijzonder na te gaan of de voordelen die deze maatregel voor de woonkwaliteit oplevert wel in
verhouding staan tot de last die ze voor de overtreder veroorzaken.
Waar een herstelmaatregel krachtens artikel 3.43 van de Vlaamse Codex Wonen er principieel op is
gericht om de overtreder te bevelen werken uit te voeren om de woning integraal te laten voldoen aan
de vereisten van art. 1.3 §1, 8° van de Vlaamse Codex Wonen, stelde de wooninspecteur in casu vast
dat op het pand een stedenbouwkundige inbreuk rust, zodat niet zonder meer het herstel van alle
gebreken zou kunnen worden bevolen, waardoor immers deze wederrechtelijke toestand zou worden
bestendigd. De stedenbouwkundige inbreuk bestond uit het zonder voorafgaande vergunning
opsplitsen van de woning of uitbreiden van de woongelegenheden.
In de vordering tot herstel uitgaande van de Wooninspecteur wordt vermeld dat de herstelvordering
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 36
niet verhindert dat de overtreder een stedenbouwkundige vergunning aanvraagt en bekomt waar door
het beletsel om het herstel van alle gebreken te vragen, wegvalt. In dat geval kan de overtreder de
opgelegde herstelmaatregel uitvoeren door het alsdan vergund pand integraal te laten voldoen aan de
minimale kwaliteitsvereisten.
De rechtbank stelt vast dat uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat door de nieuwe eigenaars op
14 juli 2023 een voorwaardelijke vergunning werd verkregen voor stedenbouwkundige handelingen :
het regulariseren, verbouwen en herbestemmen van een meergezinswoning met kantoorruimte naar
een meergezinswoning met 8 woongelegenheden.
Het blijkt aldus dat de bestaande situatie van 8 woongelegenheden, inclusief aldus de eerder niet
vergund geachte twee appartementen op de derde verdieping, voorwaardelijk werd vergund.
Uit de door de nieuwe eigenaars aan de wooninspecteur overgemaakte stukken blijkt dat er reeds
renovatiewerken werden uitgevoerd aan het pand, doch op heden ligt nog geen bewijs voor dat alle
renovatiewerken volledig werden uitgevoerd, noch is er een P .V. waarin wordt vastgesteld dat aan de
herstelvordering werd voldaan.
Vermits er inmiddels een (voorwaardelijke) omgevingsvergunning werd bekomen en het duidelijk blijkt
dat de renovatiewerken werden aangevat, dient het herstel niet meer te bestaan uit de alternatieve
maatregel van sloop of herbestemming, maar volstaat het om de conformiteit te herstellen door het
wegwerken van de gebreken.
In de huidige omstandigheden zijn er geen stukken betreffende een ondertussen volledig herstel van
de gebreken.
De gevorderde herstelmaatregel is niet kennelijk onredelijk of disproportioneel in het licht van het
nagestreefde doel van de decreetgever, met name het Grondwettelijk recht op een behoorlijke
huisvesting. Het blijkt niet dat de herstelmaatregel onevenredig is in verhouding tot de elementaire
gezondheids, veiligheids-, en woonkwaliteitseisen noch brengt de uitvoering van deze herstelmaatregel
een buitensporig nadeel of last met zich mee voor de beklaagden.
De voordelen die deze maatregel voor de woonkwaliteit oplevert herstelmaatregel zijn niet
onevenredig en staan in verhouding met de voor beklaagden veroorzaakte last.
De rechtbank stelt vast dat uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat het gebouw op 18 januari
2023 werd verkocht aan , aan wie de herstelvordering eveneens werd
overgemaakt. Op datum van verkoop bleken er nog steeds twee appartementen te zijn bewoond. Kort
na de verkoop hadden ook deze laatste huurders het pand verlaten.
Uit het PV van inlichting van de wooninspectie van 31 juli 2025 blijkt dat er nog geen bewijsstukken
van herstel werden ontvangen, zodat de herstelvordering nog niet zonder voorwerp is. Er bevinden
zich diverse foto’s in het strafdossier van werken die werden uitgevoerd in het pand, alsook een
omgevingsvergunning, doch op dit ogenblik ligt er dus geen officieel P .V. van herstel voor.
Dat er tussentijds bepaalde gebreken werden opgelost doet hieraan geen afbreuk nu de
herstelvordering betrekking heeft op het volledige pand en al haar woonentiteiten.
Het feit dat het goed werd verkocht, doet voor de overtreder of veroordeelde geen onmogelijkheid
ontstaan om gevolg te geven aan de verplichting tot herstel. Niet enkel de eigenaar kan immers tot het
herstel worden veroordeeld. De veroordeling tot herstel is het gevolg van het bewezen verklaarde
misdrijf en bijgevolg kan ook een niet-eigenaar veroordeeld worden tot herstel. De herstelmaatregel
werkt immers in rem en is een zakelijk aankleven aan het pand (Antwerpen 26 juni 2013, RW 2013-14,
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 37
503).
De nieuwe eigenaar
moet het opgelegde herstel ondergaan.
De herstelvordering werd op dit ogenblik aldus nog niet uitgevoerd, minstens ligt hiervan geen officieel
P .V. van voor, zodat zij wordt ingewilligd in zoverre zij beoogt het uitvoeren van werken om de
conformiteit in de zin van artikel 1.3 §1, 8° van de Vlaamse Codex Wonen van het pand, zijnde het
gebouw met de aanwezige woonentiteit(en), te herstellen en eventuele overbewoning te beëindigen.
De termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregelen dient, gelet op de aard en de omvang ervan,
te worden bepaald op tien maanden vanaf het in kracht van gewijsde treden van huidig vonnis. Tevens
is het gepast om een dwangsom op te leggen, nu de veroordeelde tot op heden niet het bewijs levert
dat hij vrijwillig is overgegaan tot het integraal herstel. Het bedrag van de dwangsom dient bepaald te
worden op € 150,00 per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen. Deze
dwangsom zal verbeuren vanaf de eerste dag na het verstrijken van de hoger vermelde hersteltermijn,
in zoverre huidig vonnis vooraf werd betekend. Dit houdt concreet in dat er geen dwangsomtermijn
wordt toegestaan.
Verder dienen bij toepassing van art. 3.47 van de Vlaamse Codex Wonen de wooninspecteur of het
college van burgemeester en schepenen te worden gemachtigd om ambtshalve in de uitvoering van
het opgelegde herstel te voorzien bij gebreke aan uitvoering door de veroordeelde en dit op zijn kosten.
Bij toepassing van art. 3.48 van de Vlaamse Codex Wonen dienen de wooninspecteur en het college
van burgemeester en schepenen te worden gemachtigd om de kosten, vermeld in art. 3.33 van de
Vlaamse Codex Wonen te verhalen op de veroordeelde overtreder.
Tevens gaat de rechtbank in op de vordering van de wooninspecteur om het vonnis uitvoerbaar te
verklaren bij voorraad en dit gelet op de ernst en de omvang van de gebreken die een snelle uitvoering
noodzakelijk maakt. Vermits de uitspraak over de herstelvordering een maatregel van burgerlijke aard
is, kan overeenkomstig artikel 173 van het Wetboek van Strafvordering de voorlopige tenuitvoerlegging
hiervan worden bevolen.
6. DE KOSTEN EN BIJDRAGEN
Beklaagde wordt ve
roordeeld tot betaling van de kosten van de strafvordering, voorgeschoten door de
openbare partij.
Hij wordt tevens veroordeeld tot betaling van de bijdrage aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers
van opzettelijke gewelddaden en tot betaling van de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand, vermits de wettelijke voorwaarden daartoe telkens vervuld zijn.
Hij wordt tot slot veroordeeld tot betaling van de vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken.
7. TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt
rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven en de
strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 1, 2, 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 37, 41 wet van 15 juni 1935;
art. 1, 2, 3, 25, 38, 39, 40, 41, 42, 43bis, 44, 45, 50, 65, 66, 84 strafwetboek
art. 4 V.T. Sv
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 38
alsook de wetsbepalingen aangehaald in de inleidende akte en in het vonnis
UITSPRAAK:
De rechtbank besli
st OP TEGENSPRAAK .
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van ,
Spreekt voor
de tenlasteleggingen A.1 in de periode van 19 februari 2018 tot 2 april
2019, A.7, B.8 in de periode van 19 februari 2018 tot 2 april 2019 en B.14 vrij.
Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen A.1 op 14 juli 2022, A.2, A.3, A.4, A.5, A.6, B.8 op 14 juli
2022, B.9, B.10, B.11, B.12, B.13 bewezen.
Stelt vast dat de redelijke termijn in strafzaken werd overschreden.
Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A.1 op 14 juli 2022,
A.2, A.3, A.4, A.5, A.6, B.8 op 14 juli 2022, B.9, B.10, B.11, B.12, B.13:
tot een gevangenisstraf van 1 jaar en tot een geldboete van 384000,00 EUR, zijnde een
geldboete van 48 maal 1000,00 EUR en vermeerderd met 70 opdeciemen.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze gevangenisstraf, doch slechts voor een
gedeelte van 6 maanden en dit voor een proefperiode van 5 jaar.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 90 dagen.
Verklaart verbeurd overeenkomstig artikel 42, 3° en 43bis Sw. de vermogensvoordelen voor een bedrag
van 35.005,30 euro per equivalent.
Veroordeelt tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke
gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR
– de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 361,50 EUR
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 39
OP BURGERLIJK GEBIED
1. De vordering v
an de consoorten
Verklaart de vordering
van de burgerlijke partijen ontvankelijk en gegrond in de volgende mate.
Veroordeelt beklaagde om aan de hierna genoemde burgerlijke partijen de hierna volgende bedragen
te betalen :
- aan de huwgemeenschap : 325,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger over
: 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger over
: 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger over
: 250,00 euro;
- aan in eigen naam : 250,00 euro;
- aan in eigen naam : 250,00 euro;
- aan : 250,00 euro;
- aan : 250,00 euro;
- aan : 250,00 euro.
Bedragen telkens vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 24 maart 2024 aan de wettelijke
intrestvoet tot op heden en met de gerechtelijke intresten vanaf heden, eveneens te rekenen aan de
wettelijke intrestvoet.
Beveelt dat, in toepassing van artikel 379 van het Oud Burgerlijk Wetboek, de aan de minderjarigen
toekomende schadevergoeding wordt geplaatst op
een rekening op hun naam, welke, behoudens het recht op wettelijk genot, onbeschikbaar is tot het
tijdstip van hun meerderjarigheid.
Veroordeelt de beklaagde om aan de burgerlijke partijen gezamenlijk een rechtsplegingsvergoeding te
betalen van 3.193,53 euro, onder hen te verdelen elk voor 1/9e.
2. De vordering van de consoorten
Verklaart de vordering van de burgerlijke partijen ontvankelijk en gegrond in de volgende mate.
Veroordeel
t beklaagde om aan de hierna genoemde burgerlijke partijen de hierna volgende bedragen
te betalen :
- aan : 625,00 euro;
- aan : 250,00 euro;
- aan : 250,00 euro;
- aan : 250,00 euro;
- aan en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro;
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 40
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger ov
er : 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro.
Bedragen telkens te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 24 februari 2022 aan de
wettelijke intrestvoet tot op heden en met de gerechtelijke intresten vanaf heden, eveneens te rekenen
aan de wettelijke intrestvoet.
Beveelt dat, in toepassing van artikel 379 van het Oud Burgerlijk Wetboek, de aan de minderjarigen
toekomende
schadevergoeding wordt geplaatst op een rekening op hun naam, welke, behoudens het recht op
wettelijk genot, onbeschikbaar is tot het tijdstip van hun meerderjarigheid.
Veroordeelt de beklaagde om aan de burgerlijke partijen gezamenlijk een rechtsplegingsvergoeding te
betalen van 3.193,53 euro, onder hen te verdelen elk voor 1/9e.
3. De vordering van
Verklaart de vordering van de burgerlijke partij ontvankelijk en gegrond in de volgende mate.
Veroordeel
t beklaagde om aan de burgerlijke partij een bedrag van 1.000,00 euro te betalen, te
vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 11 september 2021 tot op heden en vanaf heden
met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet.
Veroordeelt de beklaagde om aan de burgerlijke partij een rechtsplegingsvergoeding te betalen van
627,91 euro.
4. De vordering van de consoorten
Verklaart de vordering van de burgerlijke partijen ontvankelijk en gegrond in de volgende mate.
Veroordeel
t beklaagde om aan de hierna genoemde burgerlijke partijen de hierna volgende bedragen
te betalen :
- aan namens de huwgemeenschap : 3.747,00
euro;
- aan in eigen naam : 250,00 euro
- aan in eigen naam : 250,00 euro
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over : 250,00 euro;
- aan in hun hoedanigheid van wettelijk vertegen-
woordiger over 250,00 euro.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 41
Bedragen telkens vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 24 maart 2024 aan de wettelijke
intrestvoet tot
op heden en met de gerechtelijke intresten vanaf heden, eveneens te rekenen aan de
wettelijke intrestvoet.
Beveelt dat, in toepassing van artikel 379 van het Oud Burgerlijk Wetboek, de aan de minderjarigen
toekomende
schadevergoeding wordt geplaatst op een rekening op hun naam, welke, behoudens het recht op
wettelijk genot, onbeschikbaar is tot het tijdstip van hun meerderjarigheid.
Veroordeelt de beklaagde om aan de burgerlijke partijen gezamenlijk een rechtsplegingsvergoeding te
betalen van 1.412,79 euro, onder hen te verdelen elk voor 1/7e.
5. De overige burgerlijke belangen
Houdt de burgerlijke belangen ambtshalve aan overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 V.T. Wb. Sv.
HERSTELVORDERING
Verklaart de herstel
vordering van de Wooninspecteur ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde
mate.
Beveelt de beklaagde om de hierna bepaalde herstelmaatregel uit te voeren, meer bepaald het
uitvoeren van werken om de conformiteit in de zin van artikel 1.3 §1, 8° van de Vlaamse Codex Wonen
van het pand gelegen te (gekadastreerd als
, te herstellen en eventuele overbewoning te beëindigen aan
het pand.
Beveelt dat deze herstelmaatregel integraal dient te worden uitgevoerd binnen een termijn van tien
maanden vanaf het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis.
Beveelt, voor zover de opgelegde herstelmaatregel niet integraal zou zijn uitgevoerd binnen deze
termijn, dat de wooninspecteur of het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig artikel
3.47 van de Vlaamse Codex Wonen ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien op kosten van
de beklaagden.
Machtigt de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen om de eventuele kosten,
vermeld in art. 3.33 van de Vlaamse Codex Wonen te verhalen op beklaagde.
Veroordeelt de beklaagde, voor het geval dat aan de opgelegde herstelmaatregel niet vrijwillig zou
worden voldaan, tot betaling van een dwangsom van 150,00 euro per dag vertraging vanaf de eerste
dag volgend op het verstrijken van de hoger vermelde hersteltermijn en in zoverre huidig vonnis
voorafgaandelijk werd betekend, wat tevens inhoudt dat er geen bijkomende termijn in de zin van
artikel 1385bis, 4° van het Gerechtelijk Wetboek wordt toegestaan.
Zegt voor recht dat de termijn van herstel niet dient beschouwd te worden als een termijn van
verbeurdverklaring van de dwangsom.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande iedere voorziening.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 42
OVERSCHRIJVING
Zegt voor recht
dat van dit vonnis melding dient te worden gemaakt in de rand van de overschrijving
van de dagvaarding op het kantoor Rechtszekerheid onder de referte Ref. :
* * * * *
Alles gebeurde in de Nederlandse taal overeenkomstig de wet van 15 juni 1935.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 2 december 2025 door de rechtbank van
eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel, kamer 11K:
- , rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting , met bijstand van griffier