ARR:WI 22.TG007
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Tongeren
📅 2025-12-02
🌐 FR
veroordeling
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
15 juni 1935, Ger.W., Gerechtelijk Wetboek, Grondwet, Strafwetboek
Volledige tekst
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 2
In de zaak van het openbaar ministerie en
BURGERLIJKE PAR
TIJ(EN) :
, wonende te ,
burgerlijke partijen, vertegenwoordigd door meester , advocaat te
, loco meester , advocaat te .
EISER IN HERSTEL :
DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST , 1210 Brussel (Sint-Joost-ten-Node),
Koning Albert II-laan 15 bus 253
burgerlijke partij, vertegenwoordigd door meester , advocaat te ,
loco meester , advocaat te .
tegen:
BEKLAAGDE(N) :
1. ,
geboren
van Belgische nationaliteit
land- en tuinbouwer
ingeschreven te
beklaagde, bijgestaan door meester , advocaat te , loco meester
.
2. , Met maatschappelijke zetel gevestigd te ,
, Ingeschreven onder het ondernemingsnummer BTW-nummer:
beklaagde, vertegenwoordigd door meester , advocaat te .
en
ingeschreven te , voorlopig bewindvoerder
van , hiertoe aangesteld bij beschikking van de Voorzitter van de Nederlandstalige
Ondernemingsrechtbank te Brussel dd. 20 december 2019, (AR nr. ), met als
opdracht om bij de sluiting van alle andere organen en personen, het beheer en het bestuur
van waar te nemen en in dit verband alle daden van beheer en beschikking te
stellen, waaronder het treffen van alle maatregelen die nodig zijn om de activiteit van
te vrijwaren.
bewindvoerder, niet in persoon verschenen, noch vertegenwoordigd door een advocaat.
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 3
1. TENLASTELEGGINGEN
Als dader of m
ededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
Op het perceel gelegen te , kadastraal gekend als
, het pand op voormeld perceel voor 99/100 in volle eigendom van
) en voor 1/100 in volle eigendom van )
ingevolge akte van aankoop dd. 28/09/2018 (notaris te .
Als verhuurder, als eventuele onderverhuurder of als persoon die een woning ter beschikking stelt,
een niet-conforme of overbewoonde woning rechtstreeks of via tussenpersoon te hebben verhuurd,
te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog op bewonin g,
(art. 3.34. Vlaamse Codex Wonen van 2021)
te in de periode van 12 mei 2022 tot en met 9 januari 2023,
door ,
namelijk het
pand op het adres , kadastraal gekend als
in 3 zelfstandige woonentiteiten.
OVERSCHRIJVING DAGVAARDING TER KANTOOR VAN DE ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE
PATRIMONIUMDOCUMENTATIE
De aandacht van de gerechtsdeurwaarder, met de betekening gelast, dient erop gevestigd te worden
dat deze dagvaarding conform artikel 3.49§1 Vlaamse Code Wonen van 2021, door zijn zorgen aan
het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de
ligging van het onroerend goed dient te worden aangeboden teneinde overschrijving.
Het bewijs van de overschrijving en de kantmelding dient samen met de dagvaarding door de
gerechtsdeurwaarder gevoegd te worden aan het strafdossier.
2. PROCEDURE
De behandeli
ng en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige partijen.
Het is met het oog op een goede rechtsbedeling niet vereist dat deze zaak in hetzelfde vonnis wordt
beoordeeld als de zaak met systeemnummer Geen der partijen heeft overigens om de
samenvoeging gevraagd.
3. BEOORDELING OP STRAFGEBIED
3.1. Voor
afgaand
De rechtbank stelt vast dat uit de vermelding op het origineel van de dagvaardi ng is gebleken dat deze
werd overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid op 26 februari 2024 onder de referte
Er is aldus voldaan aan de bepalingen uit artikel 3.49 van de Vlaamse Codex Wonen.
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 4
3.2. De exce
ptio obscurio libelli
1.
Beklaagde we
rpt in limine litis op dat het voor hem niet mogelijk is om zich met
betrekking tot de hem ten laste gelegde feiten onder de enige tenlastelegging te verdedigen, nu in de
dagvaarding geen specifieke feitelijke omschrijving werd opgenomen. Hij acht het in de gegeven
omstandigheden niet mogelijk om concreet na te gaan voor welke niet-conformiteit van het pand of
voor welke gebreken hij zich dient te verantwoorden.
Verwijzend naar de exceptio obscuri libelli menen zij bijgevolg dat de strafvordering niet ontvankelijk
moet worden verklaard.
Op de zitting van 14 oktober 2025 sloot beklaagde zich aan bij deze argumentatie.
2.
De dagvaarding waarmee de zaak wordt aanhangig gemaakt bij het vonnisgerecht dient aan te geven
voor welke precieze feiten een beklaagde wordt vervolgd. Op grond van de omschrijving van het feit in
de akte van aanhangigmaking en van de stukken van het strafdossier oordeelt de bodemrechter welk
feit precies wordt bedoeld en of de beklaagde zich daarop kan verdedigen. Een beklaagde wordt aldus
niet enkel door de dagvaarding ingelicht over wat hem wordt verweten, maar ook door de
dossiergegevens en wat in de vorderingen van het openbaar ministerie wordt naar voren gebracht.
Een duidelijke omschrijving van de gedinginleidende akte dient een dubbele doelstelling. Enerzijds
strekt zij er met name toe de rechten van verdediging te waarborgen door de beklaagde in de
mogelijkheid te stellen zijn verdediging voor te bereiden. Anderzijds laat zij toe om de saisine van de
vonnisrechter te bepalen en te vermijden dat de vonnisrechter zichzelf zou vatten voor feiten die niet
bij hem aanhangig zijn, hetgeen een ongeoorloofde vorm van autosaisine zou inhouden.
Er kan maar sprake zijn van een obscuri libelli in de mate dat uit de verwijzingsbeslissing of dagvaarding
niet kan worden afgeleid waarvoor wordt vervolgd en wanneer niet duidelijk is voor welke feiten men
zich moet verdedigen (vgl. Cass. 4 maart 2014, ).
De beklaagde moet op de hoogte zijn van de strafbare feiten die hem ten laste worden gelegd. Het gaat
hierbij om de feiten, niet om de omschrijving ervan (vgl. Cass. 21 april 2014, A. ).
Bij het bepalen van de feiten waartegen een beklaagde zich dient te verdedigen en welke bij de
rechtbank aanhangig zijn, mag men zich niet beperken tot de loutere lezing van de dagvaarding, maar
dient men ook rekening te houden met de informatie die wordt gegeven door het strafdossier en die
aan de tegenspraak is onderworpen geweest (vgl. Cass. 29 mei 2018, A.R. ). Het is niet
vereist dat de omschrijving van de tenlastelegging in de verwijzingsbeschikking of in de dagvaarding
melding maakt van enige feitelijke omstandigheid waaruit blijkt dat de beklaagde heeft deelgenomen
aan de hem verweten tenlasteleggingen.
3.
De rechtbank stelt vast dat in de gedinginleidende akte voor de enige tenlastelegging onder de aan
beklaagden ten laste gelegde strafrechtelijke kwalificatie melding
wordt gemaakt van het verhuren of ter beschikking stellen van drie zelfstandige woonentiteiten in het
pand op het adres in een niet-conforme of overbewoonde staat.
Alsook worden de specifieke artikelen van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 vermeld, zijnde de
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 5
artikelen, de aan beklaagde ten laste gelegde inbreuk en het artikel dat deze inbreuk strafbaar stelt.
Beklaagde
werpt op dat uit de dagvaarding niet afgeleid kan worden waarom de voorziene
incriminatieperiode werd weerhouden. De rechtbank is van oordeel dat, wanneer de tenlastelegging
in samenhang met de incriminatieperiode en de bij het strafdossier behorende stukken worden
gelezen, het voldoende duidelijk is welke tijdsperiode door de dagvaarding wordt geviseerd en aldus
aangaande welke tijdsperiode beklaagde zich moet verweren.
Het strafdossier bevat het PV van de wooninspecteur met beschrijving van de vaststellingen op 3 juni
2022 en de hieraan gevoegde stukken en bijlagen. Deze bijlagen bestaan onder meer uit de technische
verslagen van de vaststellingen op 14 mei 2022 van de woningcontroleur te , de vaststellingen
op 3 juni 2022 van de wooninspecteur van het Vlaams Gewest, en het hiervan telkens aangelegde
fotodossier, zijnde de dossierstukken waarop het openbaar ministerie zich baseert om over te gaan tot
strafrechtelijke vervolging.
De inhoud van het proces-verbaal, in combinatie met de technische verslagen en de fotodossiers,
maken het voor de beklaagden voldoende duidelijk op welke feitelijke gedragingen zij zich thans dienen
te verdedigen, nu hierin melding wordt gemaakt van de volgens de wooninspectie bestaande gebreken
en op welke woonentiteiten deze betrekking hebben.
Het is eveneens voldoende duidelijk dat beklaagde wordt vervolgd voor inbreuken op de Vlaamse
Codex Wonen en niet voor inbreuken op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. De verwijzing naar
de stedenbouwkundige inbreuken zijn enkel dienstig in functie van het door de wooninspecteur
gevorderde herstel.
Uit de dagvaarding in het huidige dossier, tezamen gelezen met het strafdossier, alsook uit de
mondelinge toelichting van het openbaar ministerie op de terechtzitting van 14 oktober 2025, blijkt
dan ook voldoende duidelijk voor welke feiten, op welke plaats en tijdstip beklaagden
onder de betrokken tenlastelegging worden vervolgd.
Dat er geen afzonderlijke feitelijke precisering wordt opgenomen doet aldus aan de voorgaande
vaststelling geen afbreuk. Het is geenszins vereist dat de gedinginleidende akte specifiek melding
maakt van de concrete gebreken per woonentiteit noch onder welke categorie deze gebreken worden
geplaatst.
Beklaagden kunnen dan ook niet voorhouden dat zij niet zouden weten
welke feiten hem ten laste worden gelegd.
Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat er ondergeschikt op zeer extensieve wijze een argumentatie
ten gronde in de conclusies wordt uiteengezet waaruit eveneens blijkt dat zij kennis hebben van de
feiten waartegen zij zich in deze procedure moeten verdedigen.
4.
Gelet op wat voorafgaat is er dan ook geen enkele reden om de strafvordering op deze grond
onontvankelijk te verklaren.
3.3. Het verzoek tot horen van getuigen
1.
In de nam
ens hem neergelegde conclusie verzocht beklaagde om de genaamden
als getuigen onder ede te horen.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 6
Zij zouden getu
igen à décharge zijn nu zij volgens beklaagde kunnen bevestigen dat er geen
verhuring heeft plaatsgevonden in de weerhouden incriminatieperiode van de woonentiteiten
2.
Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1
EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt
vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen maar deze
artikelen kennen aan een beklaagde geen absoluut of onbeperkt recht toe
om getuigen à décharge door de politie te doen ondervragen of op de rechtszitting als getuige te
horen, waarbij het aan de beklaagde toekomt aan te tonen en te motiveren dat het horen van
een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding en het aan de rechter staat om
daarover te oordelen, waarbij hij erover dient te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk
proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht.
De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op
concrete omstandigheden die hij aanwijst en die onder meer betrekking kunnen hebben op de feitelijke
of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij
het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring
rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten of het
beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te
horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert maar de rechter is niet ertoe gehouden
bij de afwijzing van het verzoek tot het horen onder eed op de rechtszitting van getuigen à décharge de
voormelde criteria betreffende het horen van getuigen à charge te betrekken. (Vgl. Cass. (2e k.) AR
, 21 december 2021)
3.
3.1.
Wat betreft, blijkt uit de verklaring van de voorlopig bewindvoerder van beklaagde
dat deze dame woonachtig was in de woning met . Deze woning
werd na de controle op 14 maart 2021 op bevel van de burgemeester ongeschikt verklaard, waarna
de woning zou hebben verlaten in december 2021.
Vermits de aan beklaagden ten laste gelegde feiten volgens de incriminatieperiode een aanvang nemen
op 12 mei 2022, is het voor de rechtbank duidelijk dat de verhuur van de woning met nummer
niet wordt geviseerd in de strafrechtelijke vervolging. De feiten die aanhangig werden gemaakt
vangen aan op de datum waarop de controle door de wooncontroleur van werd
uitgevoerd in het pand met
Vermits de verhuur aan dus niet wordt geviseerd en derhalve niet als feit aanhangig
is bij deze rechtbank, is de verklaring van deze dame volstrekt irrelevant ter beoordeling van de aan
beklaagden ten laste gelegde feiten en aldus niet nuttig voor de waarheidsvinding.
3.2.
Wat betreft, blijkt uit de gegevens van het voorliggende strafdossier dat
deze personen op het ogenblik van de controle door de wooninspecteur ingeschreven stonden op het
adres . Op het ogenblik van de controle op 3 juni 2022 bleek deze woning niet
toegankelijk.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 7
De rechtbank acht het horen van deze getuigen onder ede evenmin nuttig voor de waarheidsvi nding
in deze zaak. De aan beklaagden ten laste gelegde feiten van
‘krotverhuur’ hebben betrekking op de verhuur van het pand gelegen te
dat werd onderverdeeld in drie woonentiteiten. In zoverre bewezen, volstaat het reeds dat er een
verhuring met het oog op bewoning van één van de woonentiteiten is geweest, wat in dit geval
voldoende zou kunnen blijken gelet op de verklaring van en de aan het strafdossier
gevoegde huurovereenkomst.
Ten overvloede stelt de rechtbank zich vragen bij de betrouwbaarheid van deze getuigen, nu zij zich in
een huurdersrelatie bevonden ten opzichte van de beklaagden wat toch enige vorm van afhankelijkheid
teweegbrengt.
4.
Derhalve gaat de rechtbank niet in op het verzoek van beklaagde om ,
onder ede te horen als getuige. Het recht op een eerlijk proces voor de
beklaagden wordt door het afwijzen van dit verzoek niet geschonden.
3.4. Beoordeling van de schuld:
1.
Beklaagden word
en onder de enige tenlastelegging vervolgd voor het
verhuren van een niet conforme of overbewoonde woning en dit te in de periode van 12 mei
2022 tot en met 9 januari 2023.
Op de zitting van 14 oktober 2025 en in de namens hen neergelegde conclusie betwistten zij de hen
ten laste gelegde feiten en verzochten zij om hiervoor te worden vrijgesproken.
2.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de aan beklaagde ten laste gelegde feiten van de
tenlastelegging bewezen zijn op basis van resultaten van het vooronderzoek en het ter zitting gevoerde
onderzoek.
Inzonderheid verwijst de rechtbank naar:
- de feitelijke en technische vaststellingen van de wooninspecteur op 3 juni 2022, waaruit blijkt dat
beklaagden te , twee woningen in hetzelfde pand verhuurden. Uit het
verslag blijkt dat het gebouw en niet voldeden aan de elementaire veiligheids- ,
gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten en normen, vastgesteld met toepassing van artikel 3.1 van
de Vlaamse Codex Wonen 2021;
- de samenvatting van het onderzoek op 12 mei 2022 door de woningcontroleur van
;
- het fotodossier van de wooninspecteur op 3 juni 2022 en de overige door deze gevoegde stukken;
- het fotodossier van de woningcontroleur op 12 mei 2022;
- de verklaring van bij de wooninspecteur;
- de huurovereenkomst voor de woning op afgesloten tussen beklaagde
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 8
- het besluit van de burgemeester tot ongeschiktverklaring van de woning gelegen
- en tot
slot het verhoor van voorlopig bewindvoerder van beklaagde
bij de wooninspecteur;
2.2.
Uit de gegevens van het voorliggende strafdossier blijkt dat de wooninspectie via het regionale meldpunt
woningkwaliteit werden gecontacteerd door omwille van een vermoeden van het
verhuren van een niet conforme woning op de
Voordien, op 12 mei 2022, werd reeds een onderzoek in de woning met uitgevoerd
waarbij werd vastgesteld dat de woning 5 ernstige gebreken in categorie II behaalde en tevens 2 gebreken
die een direct gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid of mensonwaardige omstandigheden
veroorzaken in categorie III.
Uit de samenvatting van dit op 12 mei 2022 verrichte onderzoek, het daarbij gevoegde technisch verslag
en fotodossier, blijkt dat de borstwering en trapleuning van de buitentrap naar de inkom makkelijk
beklimbaar was en te grote openingen had, alsook was de borstwering op het toegankelijke plat dak veel
te laag en was de borstwering rond het trapgat op dit dak onvoldoende stevig, makkelijk beklimbaar met
te grote openingen, wat telkens een gebrek in categorie III met zich meebrengt.
Bij het lage raam in de living ontbrak eveneens borstwering terwijl er een opstap was van +/- 15 cm, wat
valgevaar inhoudt bij openen van het raam, en tevens een gebrek van categorie III betreft.
Vermits het EPC vermeldde dat de aanwezigheid van dakisolatie onbekend was, kon evenmin aangetoond
worden dat de vereiste dakisolatie aanwezig was en ontbraken rookmelders, wat telkens een gebrek in
categorie II inhoudt.
Tevens was er een vochtprobleem op de buitenmuren wat werd beoordeeld als ‘beperkt ’ en dus een
gebrek in categorie I.
2.3.
Op 3 juni 2022 is de wooninspecteur vervolgens ter plaatse geweest en werd een onderzoek uitgevoerd
op het gebouw en de woning met
Aan het gebouw werden 2 ernstige gebreken in categorie II vastgesteld, zijnde het gebruik van meerdere
stekkerblokken als vaste installatie in de bergruimte en het gegeven dat de hoofdgaskraan niet toegankelijk
was voor de bewoners van
De woning met busnummer vertoonde 6 kleine gebreken in categorie I, 5 ernstige gebreken in categorie
II en 2 gebreken die een direct gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid of mensonwaardige
omstandigheden veroorzaken in categorie III.
Als gebrek in categorie II werd verwezen naar de afwezigheid van borstwering aan het raam in de
woonkamer, een ernstig vochtprobleem van doorslaand/opstijgend vocht aan de buitenmuren in de
berging en de afwezigheid van rookmelders.
Als gebrek in categorie III werd verwezen naar het ontbreken van afdekplaten op stopcontacten in de
keuken en de woonkamer met risico op elektrocutie, en een te lage borstwering op het terras en aan de
achterzijde van de woning een borstwering die te makkelijk doorkruipbaar/beklimbaar en niet stevig was.
De gebreken in categorie I hadden op meer beperkte vochtproblemen, beschadiging van de vloer, de
buitenmuur en onvoldoende verluchting van het toilet.
Rolnummer 1 rechter
rech
tbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 9
De wonin
gen met waren niet toegankelijk en dus niet afzonderlijk
onderworpen aan een kwaliteitsonderzoek.
2.4.
, huurder van de woning op , werd verhoord door de
wooninspecteur. Zij verklaarde sedert bijna 3 jaar daar woonachtig te zijn. Beklaagde
betrof de huisbaas en kwam er nooit. Hij was ook nooit telefonisch bereikbaar. Als er iets was, konden ze
hem niet bereiken. Zij betaalde 382,23 euro per maand en de waarborg moest ze cash betalen. Op
woonde niemand meer want dat was onbewoonbaar. Beneden woonde wel nog iemand. In de bergruimte
achteraan liep het water vooral in de winter van het raam en van de deur. Ook in de living en de keuken
was veel condens op de ramen. In de winter moest zij elektrisch bij verwarmen. De gasteller bevond zich
op de koer die enkel te bereiken was via de woning beneden. Zij had vooral last van de koude en het vocht
en volgens haar was het niet gezond om daar te wonen. Vanachter regende het soms binnen. Haar zoon
mocht na het bezoek van de assistent op beslissing van de jeugdrechter niet in de woning verblijven.
, voorlopig bewindvoerder van beklaagde , verklaarde tot slot aan de
wooninspecteur dat zij langs het pand aan was gereden. Omdat zij geen zicht had
op wie de huurders waren, had zij een briefje in de brievenbus gestoken en ingevolge die briefwisseling
kon zij de bewoners in kaart brengen. Zij stelde niet op de hoogte geweest te zijn van de problemen met
de woning op busnummer De bewoonster van de woning op bus had de woning in
december 2021 verlaten nadat deze ongeschikt werd verklaard. Beklaagde zou haar
gezegd hebben het pand in 2018 te hebben aangekocht in de toestand waarin het zich nu bevond. Er
werden ter plaatse geen werken meer uitgevoerd.
3.
3.1.
Het staat op basis van de hoger beschreven objectieve onderzoeksresultaten boven elke redelijke
twijfel vast dat beklaagde in de periode van 12 mei 2022 tot en met 9 januari 2023
een niet conforme woning heeft verhuurd in het pand te
met het oog op bewoning.
Artikel 1.3, §1, 7° van de Vlaamse Codex Wonen bepaalt dat een woning conform is wanneer zij geen
enkel gebrek als vermeld in artikel 3.1, §1, derde lid, 2° en 3°, vertoont.
Overeenkomstig artikel 1.3, §1, 33° en 35° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 is een woning
onbewoonbaar wanneer minstens één gebrek van categorie III als vermeld in artikel 3.1, §1, derde lid,
3° wordt vastgesteld en is een woning ongeschikt wanneer minstens één gebrek van categorie II als
vermeld in artikel 3.1, §1, derde lid, 2°, of van categorie III als vermeld in artikel 3.1, §1, derde lid, 3°
wordt vastgesteld.
Artikel 3.1, §1, derde lid 2° en 3° benoemt de gebreken van categorie II als ernstige gebreken die de
levensomstandigheden van de bewoners negatief beïnvloeden maar die geen direct gevaar vormen
voor hun veiligheid of gezondheid, waardoor de woning niet in aanmerking zou komen voor bewoning
en de gebreken van categorie III als ernstige gebreken die mensonwaardige levensomstandigheden
veroorzaken of die een direct gevaar vormen voor de veiligheid of de gezondheid van de bewoners,
waardoor de woning niet in aanmerking komt voor bewoning.
Anders gezegd is een woning niet conform wanneer zij minstens één gebrek in categorie II vertoont en
derhalve ongeschikt is, of minstens één gebrek in categorie III vertoont en derhalve ongeschikt en
onbewoonbaar is.
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 10
3.2.
Dat de bei
de woningen niet conform waren in de zin van de Vlaamse Codex Wonen blijkt onmiskenbaar
uit de vaststellingen van de wooninspecteur op 3 juni 2022 en van de woningcontroleur van
op 12 mei 2022.
De rechtbank verwijst hiervoor naar deze vaststellingen en het naar aanleiding hiervan opgestelde
technisch verslag en het aangelegde fotodossier, alsook naar de samenvatting van het onderzoek en
het fotodossier van de wooncontroleur van . Uit deze verslagen blijkt dat aan het
gebouw op zich reeds 2 ernstige gebreken in categorie II vastgesteld, zijnde het gebruik van meerdere
stekkerblokken als vaste installatie in de bergruimte met risico op overbelasting van de stroomkring en
kortsluiting/brand tot gevolg, alsook het gegeven dat de hoofdgaskraan niet toegankelijk was voor de
bewoners van bus terwijl deze kraan ten allen tijde voor alle bewoners toegankelijk moet zijn om te
kunnen afsluiten in geval van nood.
Zelfs indien het gebruik van meerdere stekkerblokken niet zou kunnen worden verweten aan de beklaagde
en louter te wijten is aan het gebruik door de huurder, is er dus nog steeds het gegeven dat de
hoofdgaskraan niet toegankelijk was. Deze niet toegankelijkheid blijkt wel degelijk voldoende uit de
vaststellingen van de wooninspecteur en wordt ondersteund door de verklaring van .
Dat dit niet zou zijn vermeld in het technisch verslag van 14 maart 2021, doet aan deze conclusie geen
afbreuk.
Vermits de gebreken aan het gebouw zelf zich uitstrekken over alle woonentiteiten wordt per definitie
voor alle woningen reeds een advies gegeven tot ongeschiktheid en derhalve niet conformiteit van de
woningen.
Ten overvloede vertoonden de onderzochte woning met busnummer 1 zelf nog meerdere gebreken in
categorie II en categorie III. Als gebrek in categorie II werd verwezen naar de afwezigheid van borstwering
aan het raam in de woonkamer, een ernstig vochtprobleem van doorslaand/opstijgend vocht aan de
buitenmuren in de berging en de afwezigheid van rookmelders. Als gebrek in categorie III werd verwezen
naar het ontbreken van afdekplaten op stopcontacten in de keuken en de woonkamer met risico op
elektrocutie, en een te lage borstwering op het terras en aan de achterzijde van de woning een borstwering
die te makkelijk doorkruipbaar/beklimbaar en niet stevig was.
Zelfs indien de vochtproblematiek, het ontbreken van afdekplaatjes en de afwezigheid van rookmelders
louter te wijten zou geweest zijn aan het gedrag van de huurder, wat volgens de rechtbank geenszins het
geval is, zijn er nog steeds de vaststellingen betreffende afwezige en te lage en onveilige borstweringen die
de woning ongeschikt en onbewoonbaar maken.
Er is bovendien geen enkele reden om deze vaststellingen van de wooninspecteur betreffende de veilige
toegang van de woning in twijfel te trekken, noch wat betreft de hieraan verbonden categorieën Beklaagde
maakt niet aannemelijk dat de wooninspecteur onzorgvuldig zou hebben gehandeld bij
het uitvoeren van de controle en levert niet het vereiste tegenbewijs dat deze vaststellingen onjuist zouden
en zijn en onvoldoende stroken met de werkelijke situatie zoals deze ter plaatse was op dat ogenblik.
Betreffende de ernst van de vochtproblematiek volstaat tevens het te verwijzen naar de door de
wooninspecteur gemaakte beoordeling hiervan, waaraan gelet op de ernst hiervan een gebrek in categorie
II werd gegeven en waarvan evenmin het tegendeel wordt bewezen.
Op 14 september 2022 werd de woning op door de burgermeester van
ongeschikt verklaard en werd de woning op
eveneens bij besluit van de burgemeester, ongeschikt en onbewoonbaar verklaard.
Tot slot stipt de rechtbank aan dat de vaststellingen van de wooninspecteur bijzondere bewijswaarde
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 11
hebben. Deze vaststellingen gelden tot bewijs van het tegendeel, daar deze zijn opgest eld door een
opsporingsambtenaar aan wie door een bijzondere strafwet een specifieke opdracht werd verleend
met betrekking tot het vaststellen van misdrijven zoals in de wet omschreven.
De beklaagden leveren geen bewijs van het tegendeel van de door de wooninspecteur verrichte
vaststellingen.
De niet conforme toestand van de woningen gelegen te en
staat dan ook op voldoende wijze vast.
3.3.
Het blijkt daarnaast eveneens duidelijk uit de huurovereenkomst die werd afgesloten met
alsook uit de door haar afgelegde verklaring, dat de woning met
gedurende de geïncrimineerde periode werd verhuurd met het oog op bewoning, wat in deze concrete
omstandigheden reeds volstaat om vast te stellen dat aan de vereiste van verhuur of ter
beschikkingstelling van een niet conforme woning is voldaan.
diende uiterlijk op 31 december 2022 de woning te verlaten, reden waarom het
einde van de incriminatieperiode werd vastgelegd op 9 januari 2023.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat uit de voorliggende onderzoeksgegevens is gebleken dat
ook de woning met gedurende de geïncrimineerde periode werd verhuurd met het oog
op bewoning. Uit de vaststellingen blijkt dat op dit adres de genaamden
stonden ingeschreven. verklaarde dat er ‘beneden’, zjinde aldus de woning op het
gelijkvloers met nummer , nog iemand woonde.
Dat de woning op het ogenblik van de controle door de wooninspecteur niet toegankelijk was, doet
aan de voorgaande conclusie geen afbreuk.
3.4.
Samengevat blijkt dan ook uit de voorliggende onderzoeksresultaten dat beklaagden
in de periode van 12 mei 2022 tot en met 9 januari 2023 een niet conforme woning
hebben verhuurd met het oog op bewoning, zijnde het pand gelegen op het adres
opgesplitst in drie zelfstandige woonheden, en waarvan er dus twee verhuurd
werden, zodat het materieel element van het misdrijf bewezen is.
4.
4.1.
Het staat tevens naar oordeel van de rechtbank vast dat beklaagde op de hoogte was
van de niet conforme staat van het gebouw en de woning(en).
Uit de verklaring van de voorlopig bewindvoerder van beklaagde blijkt dat het pand in 2018
werd aangekocht in de staat waarin het zich bevond en er sedertdien geen wijzigingen werden
aangebracht of werken aan het pand werden uitgevoerd. De gebreken op basis waarvan thans de niet
conformiteit van de woning wordt vastgesteld, bestonden dus reeds op het ogenblik van de aankoop.
Er werd dus door beklaagde geen enkel initiatief genomen om de woning conform te
maken voor verhuur. Nadat de woning werd aangekocht, kwam beklaagde klaarblijkelijk niet
meer in de woning en was hij niet bereikbaar voor de huurders, zoals blijkt uit de verklaring van
. Het is duidelijk voor de rechtbank dat beklaagde zich weinig aantrok van
het welzijn van de huurders en of het door hem verhuurde pand wel voldeed aan de geldende
kwaliteitseisen.
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 12
Uit het bo
venstaande blijkt dan ook duidelijk een wetens en willens handelen van beklaagde
Hij had kennis van het gegeven dat de woning niet voldeed aan de woningkwaliteitsvereisten
en dat deze woningen niet mochten worden verhuurd met het oog op bewoning. Ondanks deze kennis
werden de woningen toch verder verhuurd, waaruit een duidelijke wil is gebleken in hoofde van
beklaagde , die bewust en uit vrije wil handelde, om een niet conforme woning te verhuren.
4.2.
Wat betreft het moreel element van het misdrijf is bovendien minstens onachtzaamheid vereist, maar
dit volstaat. Dit betekent dat de verhuurder een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg kan worden
verweten zonder dat vereist is dat hij wetens en willens een gebrekkige woning heeft verhuurd.
Beklaagde kon en moest zich minstens vergewissen van de staat van de door hem
verhuurde woningen. Het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid bestaat hierin dat de beklaagde heeft
nagelaten te controleren of de woningen wel aan de woningkwaliteitsnormen voldeden en of zij wel
verhuurd mochten worden, temeer nu beklaagde blijkens de verklaring van
, al dan niet via , meerdere panden in eigendom heeft en deze verhuurt. Hij is
gelet op deze concrete situatie dan ook op de hoogte van de kwaliteitseisen waaraan een woning moet
voldoen om te mogen worden verhuurd, minstens moet hij als gebruikelijke verhuurder hiervan op de
hoogte zijn.
In zover beklaagde voorhoudt dat hij niet op de hoogte was van de onregelmatigheden nu
deze zouden zijn veroorzaakt door de huurders, is dat dan ook enkel aan zijn eigen tekortkomingen te
wijten en is zijn beweerde dwaling niet onoverwinnelijk of verschoonbaar.
Er is in hoofde van beklaagde dan ook minstens sprake van onachtzaamheid.
Uit wat voorafgaat blijkt dat ook het moreel element van het misdrijf bewezen is.
5.
Alle wettelijk vereiste constitutieve bestanddelen van het onder de tenlastelegging beoogde misdrijf
zijn bewezen lastens beklaagde .
Beklaagde wordt dan ook schuldig verklaard aan de hem ten laste gelegde feiten van
de tenlastelegging.
6.
De schuld van beklaagde staat daarentegen niet boven elke redelijke twijfel vast.
De vennootschap is mede-eigenaar van het bewuste pand. Uit de oprichtingsakte van de vennootschap,
gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 28 juli 2003, blijkt dat het doel van de vennootschap bestaat
uit het aanleggen, oordeelkundig uitbouwen en beheren van een onroerend vermogen. Het beheer van
onroerend goed, waaronder ook het verhuren hiervan dient te worden begrepen, betreft aldus
specifiek het doel van de vennootschap. Tevens geniet de vennootschap als mede eigenaar van het
pand inkomsten vanuit de verhuur.
Aan het materieel element van artikel 5 van het Strafwetboek is voldaan, nu de misdrijven intrinsiek
verband hielden met het doel en werden gepleegd voor rekening van de rechtspersoon.
Er kan evenwel geen eigen corporatief schuldpatroon worden vastgesteld in hoofde van de
rechtspersoon. Uit de voorliggende gegevens van het strafdossier en de namens beklaagde
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 13
neergelegde stukken blijkt dat er vanaf 20 december 2019 over de vennootschap een vo orlopig
bewindvoerder werd aangesteld, met als opdracht bij uitsluiting van alle andere organen en personen,
het beheer en het bestuur van waar te nemen en in dit verband alle daden van beheer en
beschikking stellen.
Lopende de periode van incriminatie was dus enkel de voorlopig bewindvoerder als wettelijk
vertegenwoordiger gemachtigd om beslissingen op beleidsniveau te nemen en de vennootschap te
vertegenwoordigen.
Het blijkt niet dat gedurende de geïncrimineerde periode door de voorlopig bewindvoerder wetens en
willens op het niveau van de rechtspersoon de beslissing werd genomen om een niet conforme woning
te verhuren. Daarnaast kan evident geen eigen corporatief schuldpatroon worden bepaald ingevolge
het beleid en gedrag van de voornaamste beslissing nemer, nu de voorlopig bewindvoerder als
natuurlijke persoon niet mee strafrechtelijk wordt vervolgd.
Beklaagde had lopende de periode van incriminatie geen zeggenschap meer in de
vennootschap, zodat het niet mogelijk is om op basis van de door hem gestelde gedragingen een
moreel element in hoofde van de vennootschap te bepalen.
Het is overigens duidelijk dat het beklaagde was die de beslissingen nam omtrent het
pand en het beheer van de verhuur op zich en dit ondanks zijn zeer beperkte aandeel in de globale
eigendom van het pand.
Evenmin kan de vennootschap lopende de geïncrimineerde periode onachtzaamheid is geweest. Het
blijkt niet dat de voorlopig bewindvoerder in de periode van incriminatie nalatigheid kan worden
verweten, wel integendeel. Uit de namens beklaagde neergelegde stukken blijkt dat vanaf
het ogenblik dat de woning op beslissing van de burgemeester onbewoonbaar werd verklaard, zij het
nodige heeft gedaan om te verzoeken het pand te ontruimen.
Dat de huur van het bewuste pand werd afgesloten vooraleer de ondernemingsrechtbank heeft beslist
tot aanstelling van een voorlopig bewindvoerder over beklaagde , doet aan de voorgaande
conclusie geen afbreuk.
Derhalve wordt beklaagde vrijgesproken van de haar ten laste gelegde feiten.
3.5. Straftoemeting
1.
Bekl aagde verhuu
rde in de geïncrimineerde periode wetens een willens een niet
conforme woning en maakte zich dienvolgens schuldig aan het misdrijf van ‘krotverhuur’.
De bewezen verklaarde tenlasteleggingen zijn ernstig, laakbaar en maatschappelijk onaanvaardbaar en
geven blijk van een gebrek aan respect voor andermans welzijn, veiligheid en gezondheid.
Bij het bepalen van de strafmaat die aan beklaagde wordt opgelegd houdt de
rechtbank rekening met de laakbaarheid van de bewezen verklaarde feiten, de aard en de ernst en het
maatschappelijk nadeel ervan, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, de leeftijd van
beklaagde, de persoonlijkheid van beklaagde, zoals die blijkt uit de gegevens van het strafdossier, het
strafrechtelijk verleden en de behandeling van de zaak op de zitting van 14 oktober 2025.
Blijkens het meest recente uittreksel uit het strafregister werd beklaagde in het
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 14
verleden viermaal strafrechtelijk veroordeeld en dit uit hoofde van twee verkeersinbreuken, een
inbreuk o
p de wetgeving inzake bossen en wouden en een inbreuk op de stedenbouwkundige
wetgeving.
Hieruit blijkt dat beklaagde hardleers is en het niet nauw neemt met de
maatschappelijke normen.
De hierna bepaalde gevangenisstraf en geldboete wordt aan beklaagde opgelegd.
Deze bestraffingen dienen hen het ontoelaatbare van zijn handelen te doen inzien, alsook nieuwe
strafbare feiten in de toekomst te vermijden.
De omvang van deze gevangenisstraf en geldboete is aangepast aan de aard en de ernst van de feiten
en de persoonlijkheid van beklaagde. De geldboete heeft tot doel beklaagde te raken
in zijn vermogen en hem te doen beseffen dat misdaad niet mag lonen. De omvang van de vervangende
gevangenisstraf is aangepast aan de omvang van de geldboete.
Het verlenen van enig uitstel van tenuitvoerlegging voor de aan beklaagde opgelegde
gevangenisstraf en geldboete zou hem onvoldoende bewust maken van de aard en de ernst van de
feiten, alsook zou dit een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal betreffen mede gelet op zijn
hierboven besproken strafrechtelijk verleden.
Een werkstraf, autonoom elektronisch toezicht of autonome probatie werd niet gevraagd, zodat niet
aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan en het opleggen van deze alternatieve vormen van
bestraffing niet werd overwogen.
2.
Het Openbaar Ministerie vorderde schriftelijk de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen
lastens beklaagde .
Gelet op de vrijspraak van beklaagde kan lastens haar evident geen illegaal
vermogensvoordeel worden verbeurd verklaard.
4.
Deze bestraffing beantwoordt het best aan de doeleinden van de straf zoals bepaald in artikel 7, §2 van
het Strafwetboek nu hiermee op afdoende wijze uiting wordt gegeven aan de maatschappelijke
afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, het herstel van het maatschappelijk
evenwicht en het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade wordt bevorderd en tot slot de
maatschappij gedurende enige tijd tegen beklaagde wordt beschermd.
Deze bestraffing is tot slot proportioneel met het bewezen verklaarde misdrijf en brengt geen
ongewenste neveneffecten met zich mee ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun
omgeving en de samenleving.
4. BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
4.1. De vord
ering van
Bij schrijven v
an 30 april 2024 stelde de raadsman van de burgerlijke partijen dat afstand zou worden
gedaan van de burgerlijke vordering.
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 15
Op de zitting van 14 oktober 2025 bevestigde de burgerlijke partij deze afstand van v ordering.
4.2. De overige burgerlijke belangen
De rechtbank h
oudt de overige burgerlijke belangen ambtshalve aan overeenkomstig het bepaalde in
artikel 4 V.T. Sv.
5. DE HERSTELVORDERING
De herst
elvordering werd ingeleid bij het openbaar ministerie op 18 juli 2022. De herstelvordering is
ontvankelijk.
De herstelvordering strekt ertoe om aan beklaagden het bevel te geven tot herbestemming van het
pand volgens de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, hetzij de woning te slopen,
tenzij de sloop verboden zou zijn op grond van wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen en dit
binnen een termijn van tien maanden vanaf heden en onder verbeurte van een dwangsom van €
150,00 per dag vertraging volgend op het verstrijken van deze hersteltermijn.
Ondergeschikt strekt de vordering ertoe om aan de beklaagden het bevel te geven om de conformiteit
in de zin van artikel 1.3 §1, 8° van de Vlaamse Codex Wonen, te herstellen en eventuele overbewoning
te beëindigen door het wegwerken van gebreken zodat er conforme woningen in de zin van artikel 1.3,
§1, 7° worden gecreëerd en er geen sprake is van overbewoning en dit binnen een termijn van tien
maanden vanaf heden en onder verbeurte van een dwangsom van € 150,00 per dag vertraging volgend
op het verstrijken van deze hersteltermijn.
Tevens vordert de wooninspecteur :
om te zeggen voor recht dat de termijn van herstel niet dient te worden beschouwd als een
termijn van verbeurdverklaring van de dwangsom;
om te zeggen voor recht dat er geen aanleiding bestaat tot het opleggen van een dwangsom-
termijn in de zin van art. 1385bis, 4de lid Ger.W.;
machtiging van hemzelf evenals het college van burgemeester en schepenen om, bij gebreke
aan uitvoering door de overtreders zelf, ambtshalve in de uitvoering van het opgelegde herstel
te mogen voorzien;
machtiging om de kosten van herhuisvesting, bedoeld in art. 3.33 van de Vlaamse Codex Wo-
nen te verhalen op de veroordeelden;
om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De herstelvordering strekt ertoe om de onrechtmatige toestand ingevolge het bewezen verklaard
misdrijf te doen verdwijnen en is noodzakelijk om de gevolgen van dit misdrijf ongedaan te maken.
Zij behoort tot de strafvordering in ruime zin, maar is niettemin als bijzondere vorm van teruggave een
maatregel van burgerlijke aard. Krachtens de art. 44 Sw. en 161 en 189 Sv. dient de teruggave verplicht
te worden uitgesproken. Een veroordeelde mag niet in het voordeel van het bewezen verklaard misdrijf
blijven.
De rechtbank dient de interne en externe wettigheid van de herstelmaatregel te toetsen en in het
bijzonder na te gaan of de voordelen die deze maatregel voor de woonkwaliteit oplevert wel in
verhouding staan tot de last die ze voor de overtreder veroorzaken.
Waar een herstelmaatregel krachtens artikel 3.43 van de Vlaamse Codex Wonen er principieel op is
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 16
gericht om de overtreder te bevelen werken uit te voeren om de woning integraal t e laten voldoen aan
de vereisten van art. 1.3 §1, 8° van de Vlaamse Codex Wonen, stelde de wooninspecteur in casu vast
dat op het pand een stedenbouwkundige inbreuk rust, zodat niet zonder meer het herstel van alle
gebreken kan worden bevolen, waardoor immers deze wederrechtelijke toestand zou worden
bestendigd. De stedenbouwkundige inbreuk bestaat uit het zonder voorafgaande vergunning
opsplitsen van de woning of uitbreiden van de woongelegenheden.
In de vordering tot herstel uitgaande van de Wooninspecteur wordt vermeld dat de herstelvordering
niet verhindert dat de overtreder een stedenbouwkundige vergunning aanvraagt en bekomt waardoor
het beletsel om het herstel van alle gebreken te vragen, wegvalt. In dat geval kan de overtreder de
opgelegde herstelmaatregel uitvoeren door het alsdan vergund pand integraal te laten voldoen aan de
minimale kwaliteitsvereisten. In de huidige omstandigheden zijn er geen stukken betreffende een
ondertussen bekomen omgevingsvergunning en/of volledig herstel van de gebreken.
De gevorderde herstelmaatregel is niet kennelijk onredelijk of disproportioneel in het licht van het
nagestreefde doel van de decreetgever, met name het Grondwettelijk recht op een behoorlijke
huisvesting. Het blijkt niet dat de herstelmaatregel onevenredig is in verhouding tot de elementaire
gezondheids, veiligheids-, en woonkwaliteitseisen noch brengt de uitvoering van deze herstelmaatregel
een buitensporig nadeel of last met zich mee voor de beklaagden.
De voordelen die deze maatregel voor de woonkwaliteit oplevert herstelmaatregel zijn niet
onevenredig en staan in verhouding met de voor beklaagden veroorzaakte last.
In tegenstelling tot wat door beklaagde wordt voorgehouden, is de herstelvordering
niet gebaseerd op misdrijven waarvoor hij niet wordt vervolgd nu de stedenbouwkundige inbreuk enkel
de aard van het gevorderde herstel beïnvloedt.
Derhalve wordt de herstelvordering ingewilligd in zoverre zij hetzij de sloop hetzij een andere bestem-
ming voor het pand beoogt en dit enkel ten aanzien van de veroordeelde gelet op de
vrijspraak van beklaagde .
De termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregelen dient, gelet op de aard en de omvang ervan,
te worden bepaald op tien maanden vanaf het in kracht van gewijsde treden van huidig vonnis. Tevens
is het gepast om een dwangsom op te leggen, nu de veroordeelde tot op heden niet
het bewijs levert dat hij vrijwillig is overgegaan tot het integraal herstel. Het bedrag van de dwangsom
dient bepaald te worden op € 150,00 per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de
herstelmaatregelen. Deze dwangsom zal verbeuren vanaf de eerste dag na het verstrijken van de hoger
vermelde hersteltermijn, in zoverre huidig vonnis vooraf werd betekend. Dit houdt concreet in dat er
geen dwangsomtermijn wordt toegestaan.
Verder dienen bij toepassing van art. 3.47 van de Vlaamse Codex Wonen de wooninspecteur of het
college van burgemeester en schepenen te worden gemachtigd om ambtshalve in de uitvoering van
het opgelegde herstel te voorzien bij gebreke aan uitvoering door de veroordeelde en
dit op zijn kosten.
Bij toepassing van art. 3.48 van de Vlaamse Codex Wonen dienen de wooninspecteur en het college
van burgemeester en schepenen te worden gemachtigd om de kosten, vermeld in art. 3.33 van de
Vlaamse Codex Wonen te verhalen op de veroordeelde overtreder.
Tevens gaat de rechtbank in op de vordering van de wooninspecteur om het vonnis uitvoerbaar te
verklaren bij voorraad en dit gelet op de ernst en de omvang van de gebreken die een snelle uitvoering
noodzakelijk maakt. Vermits de uitspraak over de herstelvordering een maatregel van burgerlijke aard
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 17
is, kan overeenkomstig artikel 173 van het Wetboek van Strafvordering wel degel ijk de voorlopige
tenuitvoerlegging hiervan worden bevolen.
6. DE KOSTEN EN BIJDRAGEN
Beklaagde wor
dt veroordeeld tot betaling van de kosten van de strafvordering,
voorgeschoten door de openbare partij.
Hij wordt tevens veroordeeld tot betaling van de bijdrage aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers
van opzettelijke gewelddaden en tot betaling van de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand, vermits de wettelijke voorwaarden daartoe telkens vervuld zijn.
Hij wordt tot slot veroordeeld tot betaling van de vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken.
7. TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank h
oudt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven en de
strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 1, 2, 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 37, 41 wet van 15 juni 1935;
art. 1, 2, 3, 25, 38, 39, 40, 41, 44, 45, 50, 66, 84 strafwetboek
art. 4 V.T. Sv
art. 191 Sv
alsook de wetsbepalingen aangehaald in de inleidende akte en in het vonnis
UITSPRAAK:
De rechtbank beslist OP TEGENSPRAAK .
OP STRAFGEBI
ED
Ten aanzien v
an , eerste beklaagde
Verklaart de feiten
van de enige tenlastelegging bewezen.
Veroordeelt voor de enige tenlastelegging:
tot een gevangenisstraf van 6 maanden en tot een geldboete van 8000,00 EUR, zijnde 1000,00
EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 90 dagen.
Veroordeelt tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke
gewelddaden en de occasionele redders
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 18
een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand
een vast
e vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR
– de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 30,74 EUR
Ten aanzien van , tweede beklaagde
Spreekt v
oor de tenlastelegging vrij.
Legt de kosten ten laste van de Belgische Staat.
OP BURGERLIJK GEBIED
1. De vorderi
ng van de burgerlijke partijen
Stelt vast dat de burgerlijke partij afstand doet van haar vordering.
2. De overige
burgerlijke belangen
Houdt de
burgerlijke belangen ambtshalve aan overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 V.T. Sv.
DE HERSTELVORDERING
Verklaart de herstel
vordering van de Wooninspecteur gegrond in de hierna bepaalde mate.
Beveelt beklaagde om de hierna bepaalde herstelmaatregel uit te voeren, meer
bepaald het geven van een andere bestemming volgens de bepalingen van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening aan de woning gelegen te , gekadastreerd
als , hetzij de woning te slopen, tenzij de sloop
verboden zou zijn op grond van wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen.
Beveelt dat deze herstelmaatregel integraal dient te worden uitgevoerd binnen een termijn van tien
maanden vanaf het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis.
Beveelt, voor zover de opgelegde herstelmaatregel niet integraal zou zijn uitgevoerd binnen deze
termijn, dat de wooninspecteur of het college van burgemeester en schepenen ambtshalve in de
uitvoering ervan kunnen voorzien op kosten van beklaagde.
Machtigt de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen om de eventuele kosten,
vermeld in art. 3.33 van de Vlaamse Codex Wonen te verhalen op beklaagde.
Veroordeelt beklaagde , voor het geval dat aan de opgelegde herstelmaatregel niet
vrijwillig zou worden voldaan, tot betaling van een dwangsom van 150,00 euro per dag vertraging vanaf
de eerste dag volgend op het verstrijken van de hoger vermelde hersteltermijn en in zoverre huidig
vonnis voorafgaandelijk werd betekend, wat tevens inhoudt dat er geen bijkomende termijn in de zin
van artikel 1385bis, 4° van het Gerechtelijk Wetboek wordt toegestaan.
Zegt voor recht dat de termijn van herstel niet dient beschouwd te worden als een termijn van
verbeurdverklaring van de dwangsom.
Rolnummer 1 rechter
re
chtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel p. 19
Verklaart dit von
nis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande iedere voorziening.
OVERSCHRIJVING
Zegt voor recht d
at van dit vonnis melding dient te worden gemaakt in de rand van de overschrijving
van de dagvaarding op het kantoor Rechtszekerheid .
* * * * *
Alles gebeurde in de Nederlandse taal overeenkomstig de wet van 15 juni 1935.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 2 december 2025 door de rechtbank van
eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon Sectie correctioneel, kamer 11K:
- , rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting ,
met bijstand van griffier .