Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
30 JULI 1938. - WET betreffende het gebruik der talen bij het leger. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-01-1991 en tekstbijwerking tot 12-10-2017)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-01-1991 en tekstbijwerking tot 29-12-2025)
Titre
30 JUILLET 1938. - LOI concernant l'usage des langues à l'armée. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-01-1991 et mise à jour au 12-10-2017)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-01-1991 et mise à jour au 29-12-2025)
Dokumentinformationen
Numac: 1938073050
Datum: 1938-07-30
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1938073050
Date: 1938-07-30
Moniteur: Voir
Tekst (52)
Texte (52)
HOOFDSTUK I. - Aan de officieren en de candaat-officieren opgelegde verplichtingen.
CHAPITRE I. - Obligations imposées aux officiers et aux candidats officiers.
Artikel 1. Om de graad van onderluitenant of een gelijkwaardige graad in het beroepskader van de krijgsmacht te verkrijgen of om over te gaan naar het beroeps- of het aanvullingskader van de krijgsmacht, moet de kandidaat de grondige kennis hebben van het Nederlands of het Frans en de wezenlijke kennis van de andere taal.
(Onverminderd de bepalingen van artikel 2bis worden de officieren geacht tot het Nederlandse of het Franse taalstelsel te behoren.)
Article 1. Pour accéder au grade de sous-lieutenant ou à un grade équivalent dans le cadre de carrière des forces armées ou pour passer dans le cadre de carrière ou de complément des forces armées, le candidat doit posséder la connaissance approfondie de la langue française ou de la langue néerlandaise et la connaissance effective de l'autre langue.
(Sans préjudice des dispositions de l'article 2bis, les officiers sont censés appartenir au régime linguistique français ou néerlandais.)
Art. 2. (Om tot een opleidingscyclus van beroepsofficier te worden toegelaten legt ieder kandidaat een examen af over de grondige kennis van, naar zijn keuze, de Nederlandse of de Fraanse taal en een examen over de elementaire kennis van de andere taal of van de Duitse taal.)
De grondige kennis der taal wordt vastgesteld door middel van een examen over de vakken welke voorkomen op het leerplan der koninklijke athenaea tot en met de eerste klasse.
[3 Het examen over de elementaire kennis bedoeld in het eerste lid peilt naar de lees- en luistervaardigheid, woordenschat en grammatica. Het examen is opgesteld volgens de principes van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, en beoordeelt of een kandidaat niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen behaalt. Dit examen is computergestuurd.]3
[1 ...]1
[1 ...]1
Het cijfer dat, bij het toelatingsexamen van een candidaat, voor de talen bekomen werd, komt voor dezelfde waarde in aanmerking bij de eindrangschikking, om 't even of die candidaat het Fransch dan wel het Nederlandsch gekozen heeft als grondig gekende taal.
[2 Indien de master in de ingenieurswetenschappen of in de sociale en militaire wetenschappen bedoeld in artikel 1ter, § 2, tweede lid, van de wet van 18 maart 1838 houdende organisatie van de Koninklijke Militaire School, geheel of gedeeltelijk in het Engels wordt gegeven, moet de kandidaat beroepsofficier minstens het niveau 3232 van de eisen inzake taalcompetentie bedoeld in de "standardization agreement (STANAG) 6001" van de NAVO bezitten om de mastervorming te kunnen aanvangen.]2
Art. 2. (En vue de son admission à un cycle de formation d'officier de carrière, tout candidat subit une épreuve sur la connaissance approfondie du français ou du néerlandais à son choix et une épreuve sur la connaissance élémentaire de l'autre langue ou de la langue allemande.)
La connaissance approfondie de la langue s'établit par une épreuve portant sur les matières figurant au programme des athénées royaux jusques et y compris la classe de première.
[3 L'examen de la connaissance élémentaire visé à l'alinéa 1er évalue les compétences en lecture et en écoute, le vocabulaire et la grammaire. L'examen est établi selon les principes du Cadre européen commun de référence pour les langues et détermine si un candidat obtient le niveau A2 du Cadre européen commun de référence pour les langues. Cet examen est informatisé.]3
[1 ...]1
[1 ...]1
La cote obtenue pour les langues à l'examen d'admission d'un candidat intervient avec la même puissance dans le classement final, que ce candidat ait choisi le français ou qu'il ait choisi le néerlandais comme langue approfondie.
[2 Si le master en sciences de l'ingénieur ou ès arts en sciences sociales et militaires visé à l'article 1erter, § 2, alinéa 2, de la loi du 18 mars 1838 organique de l'Ecole royale militaire est dispensé entièrement ou partiellement en anglais, pour pouvoir entamer la formation de master, le candidat officier de carrière doit posséder au moins le niveau 3232 des exigences en matière de compétences linguistiques visé au "standardization agreement (STANAG) 6001" de l'OTAN.]2
Art. 2bis. § 1. Evenwel kan een kandidaat op zijn aanvraag het examen over de grondige kennis in de Duitse taal afleggen en het examen over de elementaire kennis in, naar gelang van het geval, de Nederlandse of de Franse taal.
De overige toelatingsexamens mag hij in de Duitse taal afleggen.
Met het oog op zijn toelating en opleiding wordt hij geacht voorlopig te behoren tot het Nederlandse of het Franse taalstelsel, naar gelang van de taal waarvoor hij het examen over de elementaire kennis heeft afgelegd.
De uitslag behaald voor het examen over de grondige kennis van de Duitse taal wordt voor de rangschikking geacht de uitslag te zijn die hij behaald zou hebben indien hij het examen over de grondige kennis, naar gelang van het geval, in de Nederlandse of de Franse taal zou hebben afgelegd :
§ 2. Zodra de kandidaat het eerste opleidingsjaar met succes heeft doorlopen wordt hij geacht de grondige kennis te bezitten van de taal waarin hij voornoemd opleidingsjaar heefft doorlopen en behoort hij definitief tot het Nederlandse of het Franse taalstelsel.
Evenwel wordt de kandidaat van de bijzondere werving [1 of van de laterale werving]1 geacht de grondige kennis te bezitten van de Nederlandse of de Franse taal indien hij houder is van een universitair diploma verleend na een studie in die taal.
Art. 2bis. § 1er. Un candidat peut toutefois, à sa demande, subir l'épreuve de la connaissance approfondie dans la langue allemande et l'examen de la connaissance élémentaire dans, selon le cas, la langue française ou néerlandaise.
Il peut subir les autres examens d'entrée dans la langue allemande.
En vue de son admission et de sa formation, il est considéré comme appartenant provisoirement au régime linguistique français ou néerlandais, selon la langue pour laquelle il a subi l'épreuve sur la connaissance élémentaire.
Le résultat obtenu pour l'épreuve de la connaissance approfondie de la langue allemande est considéré pour le classement comme le résultat qu'il aurait obtenu s'il avait subi l'épreuve de la connaissance approfondie dans la langue française ou néerlandaise.
§ 2. Dès que le candidat a suivi la première année de formation avec fruit, il est censé avoir la connaissance approfondie de la langue dans laquelle il a suivi l'année de formation précitée, et il appartient définitivement au régime linguistique français ou néerlandais.
Toutefois, le candidat au recrutement spécial [1 ou au recrutement latéral]1 est censé avoir la connaissance approfondie de la langue française ou néerlandaise s'il est titulaire d'un diplôme universitaire octroyé après des études dans cette langue.
Art. 3. § 1. Om in de graad van onderluitenant of in een gelijkwaardige graad te kunnen worden aangesteld en om tot deze graad te kunnen worden benoemd, moet de kandidaat-beroepsofficier het examen afleggen over de wezenlijke kennis van de taal van het andere taalstelsel dan dat waartoe hij behoort.
Dit examen heeft tot doel na te gaan of de kandidaat in staat is om bij een eenheid met het ene of het andere taalstelsel te dienen.
§ 2. Het examen omvat een opstel en een mondelinge proef.
Tijdens de mondelinge proef moet de kandidaat, naargelang het geval :
1° a) antwoorden op een vraag in het domein van zijn kunde zo het een kandidaat-officier geneesheer, apotheker, tandarts, dierenarts of kapelmeester betreft;
b) antwoorden op een vraag die betrekking heeft op de militaire kennis die de kandidaat tijdens zijn vorming heeft opgedaan, zo het een kandidaat-officier niet in a) hiervoor bedoeld betreft;
2° a) een theorieles of een uiteenzetting geven in verband met zijn kunde zo het een kandidaat-officier geneesheer, apotheker, tandarts, dierenarts of kapelmeester betreft;
b) een theorieles geven over een militair onderwerp dat voorkomt op zijn vormingsprogramma, zo het een kandidaat-officier niet in a) hiervoor bedoeld betreft;
3° een korte tekst lezen en samenvatten;
4° over een opgegeven onderwerp een toespraak houden.
Art. 3. § 1er. Pour pouvoir être commissionné au grade de sous-lieutenant ou à un grade équivalent et pour pouvoir être nommé à ce grade, le candidat officier de carrière doit présenter l'examen sur la connaissance effective de la langue de l'autre régime linguistique que celui auquel il appartient.
Cet examen a pour but de s'assurer si le candidat est à même de servir dans une unité de l'un ou de l'autre régime linguistique.
§ 2. L'examen comprend une rédaction et une épreuve orale.
Au cours de l'épreuve orale, le candidat doit, selon le cas :
1° a) répondre à une question dans le domaine de son art s'il s'agit d'un candidat officier médecin, pharmacien, dentiste, vétérinaire ou chef de musique;
b) répondre à une question concernant les connaissances militaires acquises par le candidat lors de sa formation, s'il s'agit d'un candidat officier qui n'est pas visé au littera a) ci-dessus;
2° a) donner une leçon de théorie ou un exposé sur un sujet dans le domaine de son art s'il s'agit d'un candidat officier médecin, pharmacien, dentiste, vétérinaire ou chef de musique;
b) donner une leçon de théorie sur un sujet militaire figurant dans son programme de formation, s'il s'agit d'un candidat officier qui n'est pas visé au littera a) ci-dessus;
3° lire et résumer un texte court;
4° faire une allocution sur un sujet donné.
Art. 4. De kandidaat moet ten minste de helft van de punten behalen voor het in artikel 3 bedoelde examen.
In geval van afwijzing mag de kandidaat, op zijn vroegst drie maanden en ten hoogste twaalf maanden na het eerste examen, dit examen opnieuw afleggen.
Indien hij bij dit tweede examen slaagt, mag het behaalde cijfer niet in de plaats van het eerste gesteld worden, zodat alleen het laatstvermelde cijfer in aanmerking komt om het aan de kandidaat toegekende algemeen gemiddeld cijfer te bepalen.
(Ongeacht het tijdstip waarop deze examens worden georganiseerd, kan de kandidaat die slaagt bij één van de twee pogingen van de eerste deelname deze goede uitslag doen gelden om een herziening van zijn anciënniteit te verkrijgen overeenkomstig het statuut van de kandidaat-militairen.)
In geval van afwijzing bij dit tweede examen zet de kandidaat zijn vorming voort; in de loop van het volgende jaar legt hij opnieuw het examen af, waarvoor hij over twee pogingen beschikt. De afwijzing bij dit laatste examen geldt als definitieve afwijzing.
[1 De benoeming in de graad van onderluitenant van de kandidaat die slechts slaagt bij één van de twee pogingen van de tweede deelname, wordt verminderd met zes maanden. Deze benoeming heeft evenwel uitwerking op dezelfde datum als deze van de kandidaten bedoeld in het vierde lid die geen vertraging hebben opgelopen. De kandidaat die slaagt bij de eerste poging van de tweede deelname loopt evenwel geen vertraging op, indien de deelname aan dit examen voortvloeide uit de onmogelijkheid om het tweede examen van de eerste deelname af te leggen door een ongeval of een ziekte ingevolge een met de dienst verband houdend feit.]1
Art. 4. Le candidat doit obtenir au minimum la moitié des points à l'épreuve visée à l'article 3.
En cas d'échec, le candidat est autorisé à se représenter à cette épreuve dans un délai de trois mois au plus tôt et de douze mois au plus tard après la première épreuve.
En cas de réussite à cette seconde épreuve, la cote obtenue ne peut être substituée à celle obtenue à la première, en ce sens que celle-ci intervient seule pour l'établissement de la moyenne générale attribuée au candidat.
(Indépendamment du moment auquel ces examens sont organisés, le candidat, qui réussit à l'un des deux essais de la première participation, peut faire valoir cette réussite pour obtenir une révision de son ancienneté, conformément au statut des candidats-militaires.)
En cas d'échec à cette seconde épreuve, le candidat poursuit sa formation; il se représente dans le courant de l'année suivante à l'épreuve pour laquelle il dispose de deux essais. L'échec à cette dernière épreuve est définitif.
[1 La nomination au grade de sous-lieutenant du candidat qui ne réussit qu'à l'un des deux essais de la deuxième participation est diminuée de six mois. Toutefois, cette nomination produit ses effets à la même date que celle des candidats visés à l'alinéa 4 qui n'ont pas encouru de retard. Toutefois, le candidat qui réussit au premier essai de la deuxième participation n'encourt pas de retard si la participation à cette épreuve découlait de l'impossibilité de passer la deuxième épreuve de la première participation par un accident ou d'une maladie à la suite d'un fait en rapport avec le service.]1
Art. 4bis. (Opgeheven)
Art. 4bis. (Abrogé)
Art. 5. § 1. (Om in aanmerking te komen voor de bevordering tot de graad van majoor of een gelijkwaardige graad, moeten de beroepsofficieren een examen afleggen over de wezenlijke kennis van de taal van het andere taalstelsel dan dat waartoe hij behoort.)
Dit examen omvat :
1° Een eerste schriftelijk examen tijdens hetwelk een tekst in de tweede taal wordt voorgelezen aan de (kandidaat), die er in bedoelde taal een samenvatting van opstelt;
2° Een tweede schriftelijk examen tijdens hetwelk de (kandidaat) een in de eerste taal opgestelde en zo veel mogelijk met zijn bijzondere bevoegdheid of met zijn ambt overeenkomende tekst uit een militair tijdschrift of werk, in de tweede taal moet samenvatten;
3° (Een mondeling examen, bestaande uit een samenvatting en commentaar, in de tweede taal, van een in die taal gestelde tekst uit een militair tijdschrift of werk zoveel mogelijk overeenkomende met de bijzondere bekwaamheid of de functie van de kandidaat.)
De taalkennis van de (kandidaat) wordt nader vastgesteld door (de uiteenzetting), waaruit het mondeling examen bestaat, als vertrekpunt te doen dienen voor een gesprek tussen de candidaat en de examencommissie.
Om tot de graad van majoor (of een gelijkwaardige graad) te kunnen worden bevorderd, moet de (kandidaat) bij het hierboven omschreven examen ten minste de helft der punten behaald hebben.
§ 2. Het hierboven voorgschreven examen wordt afgelegd tijdens de perioden waarin de (beroepsproeven) geschieden.
Dit examen moet door de officieren, die van de (beroepsproeven) zijn ontslagen, op dezelfde tijdstippen worden afgelegd als door de (kandidaten) met dezelfde anciënniteit die daarvan niet ontslagen zijn.
§ 3. Het taalexamen, vereist tot het verkrijgen van de graad van reserve-majoor (of een gelijkwaardige graad), alsmede de periode tijdens welke dit examen dient afgelegd, worden door de Koning bepaald.
Art. 5. (§ 1er. Pour accéder au grade de major ou à un grade équivalent, l' officier de carrière doit passer un examen sur la connaissance effective de la langue de l'autre régime linguistique que celui auquel il appartient.)
Cette épreuve comprend :
1° Une première épreuve écrite, au cours de laquelle un texte en deuxième langue est lu au candidat qui en rédige un résumé dans cette langue;
2° Une seconde épreuve écrite, au cours de laquelle le candidat doit résumer, en deuxième langue, un texte rédigé en première langue, extrait d'un périodique ou d'un ouvrage militaire, en rapport, dans la mesure du possible, avec la compétence particulière ou la fonction du récipiendaire;
3° (Une épreuve orale consistant en un résumé et des commentaires, en deuxième langue, d'un texte rédigé dans cette langue, extrait d'un périodique ou d'un ouvrage militaire, en rapport, dans la mesure du possible, avec la compétence particulière ou la fonction du candidat.)
(L'exposé) constituant l'épreuve orale sert de point de départ à une conversation entre le candidat et le jury, dans le but de vérifier les connaissances linguistiques du candidat.
Pour pouvoir être promu au grade de major (ou à un grade équivalent) le candidat doit avoir obtenu la moitié des points à l'épreuve décrite ci-dessus.
§ 2. L'épreuve prévue ci-dessus est subie au cours de la période pendant laquelle les épreuves professionnelles ont lieu.
Cette épreuve doit être subie par les officiers dispensés de subir les épreuves professionnelles aux mêmes époques que les candidats de même ancienneté qui n'en sont pas dispensés.
§ 3. L'épreuve linguistique pour l'accession au grade de major de réserve (ou à un grade équivalente), ainsi que la période pendant laquelle cette épreuve est subie, sont fixées par le Roi.
Art. 6. De (kandidaat) die, bij het onder voorenstaand artikel 5 vermeld examen, het vastgesteld minimumgetal punten niet heeft behaald, mag, uiterlijk zes maanden na de eerste afwijzing, een nieuw examen afleggen.
Slaagt de belanghebbende in het tweede examen, dan herneemt hij zijn normale plaats voor de bevordering, ingeval hij tijdelijk mocht voorbijgestreefd zijn.
(De afwijzing bij dit tweede examen is definitief.)
[1 Het latere bekomen van de grondige kennis van de tweede landstaal bedoeld in artikel 7 kan niet worden gebruikt om een herziening van die mislukking te doen gelden.]1
Art. 6. Le candidat qui n'a pas obtenu le minimum des points prescrit à l'épreuve mentionnée à l'article 5 ci-dessus, peut subir une nouvelle épreuve au plus tard six mois après le premier échec.
En cas de succès à la seconde épreuve, l'intéressé reprend sa place normale pour l'avancement s'il a été momentanément dépassé.
(L'échec à cette seconde épreuve est définitif.)
[1 L'obtention ultérieure de la connaissance approfondie de la seconde langue visée à l'article 7 ne peut être utilisée afin de faire valoir une révision de cet échec.]1
Art. 6bis. Om tot een graad van opperofficier te worden bevorderd, bij benoeming of bij aanstelling, moet iedere beroepsofficier de grondige kennis bezitten van de taal van het andere taalstelsel dan dat waartoe hij behoort.
Art. 6bis. Pour être promu à un grade d'officier général, par nomination ou par commission, tout officier de carrière doit posséder la connaissance approfondie de la langue de l'autre régime linguistique que celui auquel il appartient.
Art. 7. § 1. Als een grondige kennis te bezitten van de taal waarvoor zij in artikel 2 voorgeschreven examen over de grondige kennis niet hebben afgelegd, worden beschouwd :
1° (zij die, na hun studiën in die taal volbracht te hebben in een burgerlijke instelling van hoger onderwijs, houder zijn van :
a) een diploma van het universitair onderwijs;
b) een diploma van het hoger onderwijs van het lange of korte type;
c) een getuigschrift dat het slagen in een vorming van de 1ste, 2de of 3de universitaire cyclus en de toekenning van tenminste 120 studiepunten bevestigt, zonder dat een academische graad werd verleend;)
2° (zij die houder zijn van een bewijskrachtig document dat bevestigt dat ze ten minste 60 lesuren in die taal, tijdens eenzelfde academisch jaar in een universiteit, hebben gegeven in de hoedanigheid van gewoon hoogleraar, hoogleraar of docent;)
3° (Zij die in die taal gedurende ten minste één volledig academiejaar de cursussen hebben gevolgd en de eindexamens met goed gevolg hebben afgelegd in een der volgende inrichtingen :
a) Koninklijke militaire School;
b) [1 ...]1)
c) (...))
4° (Zij die in die taal de beroepsproeven met het oog op de bevordering tot de graad van majoor of een gelijkwaardige graad met goed gevolg hebben afgelegd, na gedurende een volledig academiejaar de cursus voor kandidaat-hoofdofficier in die taal te hebben gevolgd;)
5° Zij die een examen over de grondige kennis van die taal met goed gevolg afgelegd hebben.
(6° Zij die in die taal gedurende ten minste één volledig academiejaar de cursussen hebben gevolgd en de eindexamens met goed gevolg hebben afgelegd in een der buitenlandse militaire instellingen die de Koning bepaalt.)
§ 2. Het in paragraaf 1, 5°, genoemde examen over de grondige kennis van de tweede taal wordt afgelegd :
1° (hetzij tijdens de vormingcyclus van de kandidaat-officier;)
2° Hetzij tijdens de loopbaan van de officier.
Dit examen omvat :
1° Drie schriftelijke gedeelten :
a) Ontleding van een tekst uit het werk van een van de hedendaagse schrijvers, voorkomende op het leerplan van de eerste klasse der koninklijke athenea met het betrokken taalstelsel;
b) De samenvatting van een voorgelezen tekst;
c) De vertaling van een in de andere landstaal gestelde tekst;
2° Twee mondelinge gedeelten :
a) Een uiteenzetting van dertig minuten over een bepaald onderwerp met inachtneming van de specialisatie van de candidaat, na één uur voorbereiding, gedurende welke hij over een in de taal van het examen gestelde documentatie beschikt;
b) Een gesprek van dertig minuten, eerst met betrekking tot de door hem gedane uiteenzetting en vervolgens tot een tekst welke de (kandidaat) luidop zal gelezen hebben.
Ieder examengedeelte heeft hetzelfde waardecoëfficient. Aan het examen wordt voldaan door de (kandidaten) die ten minste de twee vijfden der punten voor elk examengedeelte en de helft van de punten voor het geheel behalen.
De goede uitslag van dit examen geldt voor het overige van de loopbaan.
§ 3. De officieren die beschouwd worden als een grondige kennis van die taal te bezitten, overeenkomstig voormelde criteria, zijn vrijgesteld van het bij artikel 5 voorgeschreven examen over de wezenlijke kennis van de taal.
§ 4. [1 De officieren die de hogere stafcursus of de hogere stafopleiding of de hogere cursus voor militair administrateur of de hogere opleiding voor militair administrateur in de andere landstaal hebben gevolgd en het hoger stafbrevet of het hogere brevet van militair administrateur hebben behaald, kunnen het voordeel van § 1, 3°, inroepen.]1
Art. 7. § 1er. Sont considérés comme ayant une connaissance approfondie de la langue pour laquelle ils n'ont pas subi l'épreuve sur la connaissance approfondie en application de l'article 2 :
1° (ceux qui sont porteurs, après avoir fait leurs études dans cette langue dans un établissement d'enseignement supérieur civil :
a) d'un diplôme de l'enseignement universitaire;
b) d'un diplôme de l'enseignement supérieur de type long ou court;
c) d'un certificat attestant la réussite d'une formation de 1er, 2e ou 3e cycle universitaire et l'octroi de minimum 120 crédits, sans qu'il ne leur soit conféré de grade académique;)
2° (ceux qui sont porteurs d'un document probant attestant qu'ils ont enseigné dans cette langue minimum 60 heures de cours, pendant une même année académique au sein d'une université, en qualité de professeur ordinaire, professeur ou chargé de cours;)
3° (Ceux qui, dans cette langue, ont suivi les cours pendant au moins une année académique complète et réussi les épreuves finales dans un des établissements suivants :
a) Ecole royale militaire;
b) [1 ...]1)
(c) (...))
4° (Ceux qui, dans cette langue, ont présenté et réussi les épreuves professionnelles en vue de l'avancement au grade de major ou à un grade équivalent, après avoir suivi, dans cette langue, le cours pour candidat-officier supérieur pendant une année académique complète;)
5° Ceux qui ont réussi une épreuve sur la connaissance approfondie de cette langue.
(6° Ceux qui, dans cette langue, ont suivi les cours pendant au moins une année académique complète et réussi les épreuves finales dans un des établissements militaires étrangers que le Roi détermine.)
§ 2. L'épreuve sur la connaissance approfondie de la seconde langue prévue au paragraphe premier, 5°, est passée :
1° (soit pendant le cycle de formation du candidat officier;)
2° Soit au cours de la carrière de l'officier.
Cette épreuve comprend :
1° Trois parties écrites :
a) L'analyse d'un texte tiré d'un des auteurs modernes figurant au programme de la classe de première des athénées royaux du régime linguistique considéré;
b) Le résumé d'un texte dont la lecture a été faite;
c) La traduction d'un texte rédigé dans l'autre langue nationale.
2° Deux parties orales :
a) Un exposé de trente minutes sur un sujet déterminé en tenant compte de la spécialisation du candidat, après une préparation d'une heure durant laquelle il dispose d'une documentation rédigée dans la langue de l'examen;
b) Une conversation de trente minutes se rapportant d'abord à l'exposé qu'il vient de donner et ensuite à un texte que le candidat aura lu à haute voix.
Chaque partie a le même coefficient d'importance. Satisfont à l'examen, les candidats qui obtiennent au moins les deux cinquièmes des points pour chaque partie et la moitié des points pour l'ensemble.
La réussite de cette épreuve vaut pour le restant de la carrière.
§ 3. Les officiers considérés comme ayant la connaissance approfondie de cette langue conformément aux critères énoncés ci-dessus, sont dispensés de l'épreuve sur la connaissance effective de la langue prévue à l'article 5.
§ 4. [1 Les officiers qui ont suivi le cours supérieur d'état-major ou le cursus supérieur d'état-major ou le cours supérieur d'administrateur militaire ou le cursus supérieur d'administrateur militaire dans l'autre langue nationale et qui ont obtenu le brevet supérieur d'état-major ou le brevet supérieur d'administrateur militaire peuvent invoquer le bénéfice du § 1er, 3°.]1
HOOFDSTUK Ibis. Aan de Militaire aalmoezeniers opgelegde verplichtingen.
CHAPITRE Ibis. - Obligations imposées aux aumôniers militaires.
Art. 7bis. Vóór hun benoeming in het actief kader, moet de (kandidaat)-militair aalmoezenier 2° klasse, met goed gevolg een examen afleggen over de wezenlijke kennis van de tweede taal, overeenkomende met de eisen van de uitoefening van zijn ambt.
Dit examen omvat :
1° Een opstel;
2° Een mondeling examen tijdens hetwelk de (kandidaat) :
- op een vraag betreffende de militaire aalmoezeniersdienst moet antwoorden;
- een theorieles moet geven of een causerie moet houden over een onderwerp, dat betrekking heeft op de militaire aalmoezeniersdienst;
- een toespraak voor de troep moet houden over een opgegeven onderwerp, in verband met de militaire aalmoezeniersdienst.
De (kandidaat) moet bij dit examen ten minste de helft van de punten behalen, om tot militair aalmoezenier 2° klasse benoemd te kunnen worden. In geval van afwijzing mag hij dit examen opnieuw afleggen ten vroegste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden na het eerste examen.
Art. 7bis. Préalablement à leur nomination dans les cadres actifs, les candidats aumôniers de 2e classe doivent réussir un examen sur la connaissance effective de la deuxième langue en rapport avec les exigences de l'exercice de leur ministère.
Cette épreuve comprend :
1° Une rédaction;
2° Une épreuve orale au cours de laquelle le candidat doit :
- répondre à une question concernant le service de l'aumônerie militaire;
- faire une théorie ou une causerie sur un sujet intéressant le service de l'aumônerie militaire;
- faire une allocution devant la troupe sur un sujet donné, en rapport avec le service de l'aumônerie militaire.
Les candidats doivent obtenir au minimum la moitié des points à cette épreuve, pour pouvoir être nommés aumônier militaire de 2e classe. En cas d'échec, ils sont autorisés à représenter cette épreuve dans un délai de trois mois au plus tôt et de douze mois au plus tard après la première épreuve.
Art. 7ter. Vóór hun bevordering tot de rang van hoofdaalmoezenier of tot het ambt van opperaalmoezenier met rang van hoofdofficier, moeten de militaire aalmoezeniers 1ste klasse met goed gevolg een bijzonder examen over de wezenlijke kennis van de tweede taal afleggen.
Dit examen omvat :
1° Een schriftelijk examen tijdens hetwelk een in de tweede taal gestelde tekst aan de (kandidaat) wordt voorgelezen, die er in die taal een samenvatting van opstelt;
2° Een tweede schriftelijk examen, tijdens hetwelk de (kandidaat) een in de eerste taal gestelde tekst uit een tijdschrift of uit een werk in verband met de militaire aalmoezeniersdienst, in de tweede taal moet samenvatten;
3° Een mondeling examen, bestaande uit een samenvatting en commentaar, in de tweede taal, van een in die taal gestelde tekst uit een tijdschrift of uit een werk, in verband met de militaire aalmoezeniersdienst.
De (kandidaten) moeten ten minste de helft van de punten bij dit examen behalen om te kunnen opklimmen tot de rang van hoofdaalmoezenier of tot het ambt van opperaalmoezenier met rang van hoofdofficier.
In geval van afwijzing mogen zij dit examen opnieuw afleggen, ten vroegste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden na het eerste examen.
Art. 7ter. Avant leur accession au rang d'aumônier principal ou à la fonction d'aumônier en chef ayant rang d'officier supérieur, les aumôniers militaires de 1er classe doivent réussir une épreuve particulière sur la connaissance effective de la deuxième langue.
Cette épreuve comprend :
1° Une épreuve écrite, au cours de laquelle un texte en deuxième langue est lu au candidat, qui en rédige un résumé dans cette langue;
2° Une seconde épreuve écrite, au cours de laquelle le candidat doit résumer, en deuxième langue, un texte rédigé en première langue, extrait d'un périodique ou d'un ouvrage en rapport avec le service de l'aumônerie militaire;
3° Une épreuve orale consistant en un résumé et des commentaires, en deuxième langue, d'un texte rédigé dans cette langue, extrait d'un périodique ou d'un ouvrage en rapport avec le service de l'aumônerie militaire.
Les [1 candidats]1 doivent obtenir au minimum la moitié des points à cette épreuve, pour pouvoir accéder au rang d'aumônier principal ou à la fonction d'aumônier en chef ayant rang d'officier supérieur.
En cas d'échec, ils sont autorisés à représenter cette épreuve dans un délai de trois mois au plus tôt et de douze mois au plus tard après la première épreuve.
HOOFDSTUK II. - Aan de Candidaat-Onderofficieren opgelegde verplichtingen.
CHAPITRE II. - Obligations imposées aux candidats sous-officiers.
Art. 8. (§ 1. Om in de graad van sergeant of in een gelijkwaardige graad in de categorie van de beroepsonderofficieren of van de aanvullingsonderofficieren te kunnen worden aangesteld en om tot deze graad te kunnen worden benoemd, moet iedere kandidaat, door bij een examen ten minste de helft der punten te behalen, blijk geven van de werkelijke kennis van de taal van het taalstelsel gekozen door de kandidaat bij de werving.)
(Dit examen loopt over de stof die omvat is in het programma van de studiën die respectievelijk vereist worden van de kandidaten tot de graad van sergeant in deze categorieën van onderofficieren.)
Om te kunnen worden overgeplaatst naar een eenheid waar het taalstelsel verschilt van dat der eenheid waar hij zich bevindt, moet ieder onderofficier een gelijksoortig bewijs betreffende de kennis der andere taal hebben geleverd.
(Onverminderd de bepalingen van het derde lid worden de onderofficieren geacht tot het Nederlandse of het Franse taalstelsel te behoren.)
(§ 2. Van het in § 1 bepaalde examen is vrijgesteld de onderofficier of de kandidaat-onderofficier die houder is van het gehomologeerde of door de examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair onderwijs in de taal van het taalstelsel gekozen door de kandidaat bij de werving, behalve indien het examen, bedoeld in § 1, dient afgelegd in het kader van de overgang of de sociale promotie en voor zover de uitslag ervan in aanmerking wordt genomen voor de rangschikking door het selectiecomité.)
(lid 2 opgeheven)
Art. 8. (§ 1. Pour pouvoir être commissionné au grade de sergent ou à un grade équivalent dans la catégorie des sous-officiers de carrière ou de complément et pour pouvoir être nommé à ce grade, tout candidat doit, en obtenant au moins la moitié des points à un examen, donner la preuve de la connaissance effective de la langue du régime linguistique choisi par le candidat lors du recrutement.)
(Cette épreuve porte sur les matières que comporte le programme des études respectivement exigées des candidats au grade de sergent dans ces catégories de sous-officiers.)
Pour pouvoir faire mutation pour une unité de régime linguistique différent de celui de l'unité où il se trouve, tout sous-officier doit avoir fourni une preuve similaire quant à la connaissance de l'autre langue.
(Sans préjudice des dispositions de l'alinéa 3, les sous-officiers sont censés appartenir au régime linguistique français ou néerlandais.)
(§ 2. Est exempté de l'examen prévu au § 1er, le sous-officier ou le candidat-sous-officier qui est titulaire du [1 certificat d'enseignement secondaire supérieur]1 homologué ou délivré par le jury d'Etat dans la langue du régime linguistique choisi par le candidat lors du recrutement, sauf si l'examen, visé au § 1er, doit être présenté dans le cadre du passage ou de la promotion sociale et pour autant que le résultat soit pris en considération pour le classement par le Comité de sélection.)
(alinéa 2 abrogé)
Art. 9. Het bepaalde van de wet van 14 Juli 1932 betreffende de taalregeling in het middelbaar onderwijs, is van toepassing in de (Vlaamsche en Fransche) cadettenscholen, voor wat het onderwijs der tweede landstaal aangaat.
Art. 9. Les dispositions de la loi du 14 juillet 1932 relatives au régime linguistique de l'enseignement moyen sont applicables dans les écoles des cadets (flamande et française) en ce qui concerne l'enseignement de la seconde langue nationale.
Hoofdstuk IIbis. - Aan de vrijwilligers opgelegde verplichtingen.
CHAPITRE IIbis. - Obligations imposées aux volontaires.
Art. 9bis. § 1. Om te kunnen worden overgeplaatst naar een eenheid waar het taalstelsel verschilt van dat van de eenheid waar hij zich bevindt, die overeenstemt met de taal gekozen bij de werving, moet iedere vrijwilliger, door bij een examen ten minste de helft van de punten te behalen, blijk geven van werkelijke kennis van de andere taal.
Dit examen loopt over de stof die omvat is in het programma van de studies die vereist worden van de kandidaat-beroepsvrijwilliger (...).
§ 2. Van het in § 1 bedoelde examen is vrijgesteld de vrijwilliger die houder is van een diploma of getuigschrift dat het slagen bekrachtigt van de eerste drie leerjaren van het secundair onderwijs of van een gelijkwaardig niveau in de andere taal dan de taal gekozen door de kandidaat bij de werving, zijnde de taal van de eenheid waarbij hij zal dienen.
Art. 9bis. § 1er. Pour pouvoir faire mutation pour une unité de régime linguistique différent de celui de l'unité où il se trouve, correspondant à la langue choisie au moment du recrutement, tout volontaire doit, en obtenant au moins la moitié des points à un examen, donner la preuve de la connaissance effective de l'autre langue.
Cette épreuve porte sur les matières que comporte le programme des études exigées du candidat-volontaire de carrière (...).
§ 2. Est exempté de l'examen prévu au § 1er, le volontaire qui est titulaire d'un diplôme ou certificat attestant la réussite des trois premières années d'études de l'enseignement secondaire ou d'un niveau équivalent dans l'autre langue que la langue choisie par le candidat au moment du recrutement, qui est la langue de l'unité dans laquelle il est appelé à servir.
HOOFDSTUK IIter. [1 Bijzondere bepalingen.]1
CHAPITRE IIter. [1 Dispositions particulières.]1
Art. 9ter. [1 De Koning kan de niveaus van kennis bepalen van een taal, die niet het Nederlands of het Frans is, die de sollicitant of de militair moet bezitten, respectievelijk met het oog op zijn werving of tijdens zijn loopbaan, alsmede de nadere regels om deze taalkennis te verwerven.]1
Art. 9ter. [1 Le Roi peut fixer les niveaux de connaissance d'une langue, autre que le français ou le néerlandais, que le postulant ou le militaire doit posséder, respectivement en vue de son recrutement ou pendant sa carrière, ainsi que les modalités d'acquisition de cette connaissance linguistique.]1
HOOFDSTUK III. - Opleidingsinrichtingen.
CHAPITRE III. - Etablissement d'instruction.
Art. 10. In de Koninklijke Militaire School bestaat er, in elke (faculteit), een Fransche afdeeling en een Vlaamsche afdeeling.
[1 Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 16, wordt er bij de ene]1 voor de cursussen, de theorie, de militaire opleiding, alle onderwijs, den inwendigen dienst en de administratie gebruik gemaakt van de Fransche taal; bij de andere, van de Nederlandsche taal.
(Voor de cursussen, praktische werken en geleide oefeningen die een andere landstaal of een vreemde taal tot voorwerp hebben, mag van die taal worden gebruik gemaakt.)
Elk deze afdeelingen bevat een getal leerlingen dat bepaald wordt volgens de vereischten van de kaders der eentalige eenheden en van de legerorganisatie.
Voor een zelfde (faculteit) geschieden de toelatingen bij vergelijkend examen (volgens een rangschikking per taalstelsel), welk het door de candidaten gekozen taalregime ook moge wezen.
Mocht het aantal toegelaten candidaten, dat tot een taalregime behoort het voor dit regime voorzien cijfer niet bereiken, dan wordt er, eventueel tot aanvulling van het tekort, beroep gedaan op de toegelaten candidaten welke tot het ander taalregime behooren en er in toestemmen de cursussen te volgen in de taal die zij als tweede taal hebben gekozen.
(Opgeheven)
Art. 10. A l'Ecole royale militaire, il y a, dans chaque (faculté), une division française et une division flamande.
[1 Sous réserve de l'application de l'article 16, dans l'une]1, les cours, les théories, l'instruction militaire, tous enseignements, le service intérieur et l'administration ont lieu en langue française; dans l'autre, en langue néerlandaise.
(Les cours, travaux pratiques et exercices dirigés ayant pour objet l'enseignement d'une autre langue nationale ou d'une langue étrangère, peuvent être donnés dans cette langue.)
Chacune de ces divisions comprend un nombre d'élèves déterminé en fonction des nécessités de l'encadrement des unités linguistiques et de l'organisation de l'armée.
Pour une même (faculté), les admissions ont lieu au concours, (suivant un classement par régime linguistique) quel que soit le régime linguistique choisi pour le candidat.
Si le nombre de candidats admis appartenant à un régime linguistique n'atteint pas le nombre réservé à ce régime, il est fait appel éventuellement jusqu'à concurrence du déficit, aux candidats admis de l'autre régime linguistique et qui consentent à suivre les cours dans la langue qu'ils ont choisie comme seconde langue.
(Abrogé)
Art. 11. Niemand kan tot (directeur van het academisch onderwijs, lid van het onderwijzend personeel of directeur van de militaire en sportieve vorming) aan de Koninklijke Militaire School worden aangewezen of benoemd indien hij niet overeenkomstig artikel 2 of artikel 7 van deze wet het bewijs geleverd heeft dat hij de taal van de door hem bestuurde afdeling of van de door hem gegeven cursus grondig kent.
(De burgerlijke directeur van het academisch onderwijs en het onderwijzend burgerpersoneel) kunnen het bewijs van hun grondige kennis van een taal eveneens leveren zo zij in deze taal het diploma waarop hun aanwerving steunt, hebben behaald of zo zij een getuigschrift voorleggen waaruit blijkt dat zij ten overstaan van een daartoe ingestelde examencommissie, (in deze taal geslaagd zijn voor het examen over de grondige kennis bedoeld in artikel 7, § 1, 5°).
[1 Om een cursus of een gedeelte van een cursus in het Engels te mogen onderwijzen, dient het lid van het onderwijzend personeel bovendien [2 voorafgaandelijk te slagen voor]2 een test Engels die door een organisme erkend door de directeur-generaal vorming georganiseerd wordt. De taalcompetentie, die minstens het niveau 3333 moet bereiken van de eisen inzake taalcompetentie bedoeld in de " standardization agreement (STANAG) 6001 " van de NAVO, wordt bepaald in bijlage bij deze wet.]1
De inrichting van de laboratoria, musea en leermiddelen van de school is tweetalig.
Art. 11. Nul ne peut être désigné ou nommé comme (directeur de l'enseignement académique, comme membre du personnel enseignant ou comme directeur de la formation militaire et sportive) de l'Ecole royale militaire s'il n'a pas justifié conformément à l'article 2 ou à l'article 7 de la présente loi de la connaissance approfondie de la langue de la division qu'il dirige ou du cours qu'il professe.
(Le directeur civil de l'enseignement académique et le personnel enseignant civil) peuvent également fournir la preuve de la connaissance approfondie d'une langue s'ils ont obtenu, dans cette langue, le diplôme qui est à la base de leur recrutement ou s'il produisent un certificat constatant qu'ils ont réussi (, dans cette langue, l'épreuve sur la connaissance approfondie visée à l'article 7, § 1er, 5°), devant une commission d'examen constituée à cet effet.
[1 Pour pouvoir enseigner un cours ou une partie de cours en anglais, le membre du personnel enseignant doit en outre [2 réussir au préalable]2 un test d'anglais organisé par un organisme reconnu par le directeur général de la formation. La compétence linguistique, qui doit atteindre au moins le niveau 3333 des exigences en matière de compétence linguistique visée au " standardisation agreement (STANAG) 6001 " de l'OTAN, est fixée en annexe à la présente loi.]1
L'organisation des laboratoires, musées et moyens didactiques de l'école est bilingue.
Art. 12. In elke der afdeelingen, worden sommige bij koninklijk besluit te bepalen cursussen in de tweede taal gerepeteerd.
[1 Tweede en derde lid opgeheven.]1
Art. 12. Dans chacune des divisions, des répétitions de certains cours, à déterminer par arrêté royal, sont données dans la seconde langue.
[1 Alinéas 2 et 3 abrogés.]1
Art. 13. Voor de militaire oefeningen, worden de leerlingen der Fransche en der Vlaamsche afdeeling in afzonderlijke eenheden gegroepeerd ofwel vereenigd volgens de vereischten van het onderricht.
Art. 13. Pour les exercices militaires, les élèves des divisions française et flamande sont groupés par unités séparées ou réunis suivant les nécessités de l'instruction.
Art. 14. (opgeheven)
Art. 14. (abrogé)
Art. 15. Al de overige opleidingsinrichtingen welke voorbereiden tot de examens voor de graad van officier of welke bestemd zijn om de officieren of de lagere gegradueerden in technisch of militair opzicht verder te ontwikkelen, omvatten een Fransche afdeeling en een Vlaamsche afdeeling; zoo niet hebben de sessies er beurtelings in de Fransche of in de Nederlandsche taal plaats.
De bepalingen voorzien bij de artikelen 11, 12 en 13 zijn daarop van toepassing.
Art. 15. Tous les autres établissements d'instruction qui préparent aux épreuves d'accession au grade d'officier ou destinés à perfectionner les connaissances techniques ou militaires des officiers ou des gradés subalternes comportent une division française et une division flamande; sinon les sessions y sont alternativement française ou flamande.
Les dispositions prévues aux articles 11, 12 et 13 y sont applicables.
Art. 16. [1 Onverminderd de toepassing van de bepalingen van de artikelen 12, 13 en 15, kunnen binnen de Krijgsmacht materies die wegens hun aard of wegens het professionele gebruik de kennis of het gebruik van het Engels noodzakelijk maken, aan de militairen in deze taal onderwezen worden. De overhoringen en examens kunnen in deze taal gebeuren. Deze bepaling is eveneens van toepassing op de militaire multinationale onderwijs- of opleidingsinrichtingen.
[2 Een vormingsjaar in de Koninklijke Militaire School kan geheel of gedeeltelijk in het Engels onderwezen worden.]2
De Minister van Landsverdediging stelt de materies bedoeld in het eerste lid vast.
Indien het geheel of een gedeelte van een vorming in een vreemde militaire instelling, andere dan deze bedoeld in het eerste lid, of in een burgerinstelling, in België of in het buitenland, gevolgd wordt, wordt voor het geheel of voor dit gedeelte rekening gehouden met het regime van deze instelling voor wat betreft het gebruik der talen.]1

Art. 16. [1 Sans préjudice de l'application des dispositions des articles 12, 13 et 15, des matières qui nécessitent la connaissance ou l'usage de l'anglais par leur nature ou par leur usage professionnel au sein des Forces armées peuvent être enseignées aux militaires dans cette langue. Les interrogations et examens peuvent se passer dans cette langue. Cette disposition est également applicable aux établissements d'enseignement et d'instruction militaires multinationaux.
[2 Une année de formation à l'Ecole royale militaire peut être enseignée entièrement ou partiellement en anglais.]2
Le Ministre de la Défense fixe les matières visées à l'alinéa premier.
Si tout ou partie d'une formation est suivi dans un établissement militaire étranger autre que ceux visés à l'alinéa premier ou dans un établissement civil, en Belgique ou à l'étranger, il est tenu compte, pour tout ou cette partie, du régime de cet établissement quant à l'usage des langues.]1

Art. 17. (opgeheven)
Art. 17. (abrogé)
Art. 17bis. (Opgeheven)
Art. 17bis. (Abrogé)
Art. 18. In elke der vorenbedoelde scholen of inrichtingen, staan de taalafdeelingen onder één enkel commando.
Art. 18. Dans chacune des écoles ou établissements susvisés, les divisions linguistiques fonctionnent sous un commandement unique.
HOOFDSTUK IV. - Gebruik der talen in de betrekkingen tusschen militaire overheden en in dezer betrekkingen met de administratieve overheden en het publiek.
CHAPITRE IV. - Emploi des langues dans les rapports entre autorités militaires et dans les rapports de celles-ci avec les autorités administratives et le public.
Art. 19. De volledige opleiding van den soldaat wordt gegeven in zijn moedertaal.
(Daartoe worden de soldaten gegroepeerd in taaleenheden ter sterkte van niet minder dan een compagnie of overeenstemmende eenheid.)
(Evenwel kan, wat de Duitstalige soldaten betreft, in voorkomend geval een taaleenheid ter sterkte van een peloton worden opgericht.
Voor kandidaat-vrijwilligers die aangewezen worden voor een beschikbare functie in de voornoemde eenheid kan de basisopleiding in de Duitse taal worden verstrekt.)
(De administratieve compagnies, welke gemengde organismen of organismen met verschillende taalstelsels moeten administreren of de mobilisatie van eenheden met verschillende taalstelsels moeten voorbereiden, mogen uit soldaten worden gevormd die tot beide taalstelsels behoren. Die compagnies worden verdeeld in eentalige secties en aan het in artikel 24 omschreven regime onderworpen.
De taaleenheden worden verenigd in een regiment of daarmede overeenkomende eenheid met eenzelfde taalstelsel, voor zover hun aantal en de eisen van de legerorganisatie zulks toelaten.)
De eentalige regimenten of daarmee overeenstemmende eentalige eenheden worden tot een eentalige divisie vereenigd, telkens als hun aantal en de vereischten der legerorganisatie zulks toelaten.
Er wordt ondersteld dat de moedertaal van den soldaat de taal is van de gemeente waar hij voor de militie ingeschreven is; doch de belanghebbende die verklaart dat zijn moedertaal de taal van bedoelde gemeente niet is, heeft het recht te vragen om voor een garnizoen of een eenheid met een ander taalstelsel te worden aangewezen.
(De ingeschrevenen van de gemeenten van Brussel-Hoofdstad en van de randgemeenten bedoeld in artikelen 6 en 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 en de ingeschrevenen van de gemeenten uit het Duitse taalgebied van het arrondissement Verviers en van de gemeenten van het Malmedyse bedoeld in artikel 8, 1° en 2°, van dezelfde gecoördineerde wetten alsook de ingeschrevenen van de negen gemeenten van het arrondissement Verviers bedoeld in artikel 16 van dezelfde wetten, verklaren, tijdens hun verblijf in het recruterings- en selectiecentrum, welke hun moedertaal is.)
Art. 19. L'instruction complète du soldat se donne dans sa langue maternelle.
(A cette fin, les soldats sont groupés par unités linguistiques, dont l'importance n'est pas inférieure à la compagnie ou unité correspondante.)
(Toutefois, en ce qui concerne les soldats germanophones, le cas échéant, une unité linguistique du niveau du peloton peut être créée.
L'instruction de base peut être assurée dans la langue allemande, pour les candidats volontaires qui sont désignés à un emploi disponible dans l'unité précitée.)
(Toutefois, les compagnies administratives ayant à administrer des organismes mixtes ou à régimes linguistiques différents ou ayant à préparer la mobilisation d'unités de régimes linguistiques différents, peuvent comprendre des soldats appartenant à l'un et l'autre régime linguistique. Ces compagnies sont subdivisées en sections unilingues et soumises au régime prévu à l'article 24.
Les unités linguistiques sont réunies dans le cadre du régiment ou unité correspondante, d'un même régime linguistique, chaque fois que le permettent leur nombre et les exigences de l'organisation de l'armée.)
Les régiments unilingues ou les unités unilingues qui y correspondent sont réunies en une division unilingue chaque fois que le permettent leur effectif et les exigences de l'organisation de l'armée.
La langue maternelle du soldat est présumée être celle de la commune où il est inscrit pour la milice, sauf le droit pour l'intéressé, qui déclare que sa langue maternelle n'est pas celle de cette commune, de demander sa désignation pour une garnison ou pour une unité d'un autre régime linguistique.
(Les inscrits des communes de Bruxelles-Capitale et les communes périphériques visées aux articles 6 et 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 et les inscrits des communes de la région de langue allemande de l'arrondissement de Verviers et des communes malmédiennes visées à l'article 8, 1° et 2°, des mêmes lois coordonnées, ainsi que les inscrits des neuf communes de l'arrondissement de Verviers visées à l'article 16 de ces mêmes lois, déclarent, au moment de leur comparution au centre de recrutement et de sélection, quelle est leur langue maternelle.)
Art. 20. Bij het aanwijzen van de lagere officieren voor een bepaalde eenheid zal er, voor zoover de vereischten van den dienst zulks toelaten, rekening gehouden worden met het taalregime waaronder de belanghebbenden hun studiën aan een militaire onderwijsinrichting hebben volbracht.
Art. 20. Dans la désignation des officiers subalternes pour une unité déterminée, il sera tenu compte, dans les limites autorisées par les nécessités du service, du régime linguistique sous lequel les intéressés ont fait leurs études dans un établissement d'instruction militaire.
Art. 21. Alleen de lagere officieren en gegradueerden die door een examen van de wezenlijke kennis der Duitsche taal doen blijken, kunnen voor een Duitschsprekende eenheid worden aangewezen.
Art. 21. Peuvent seuls être affectés à une unité d'expression allemande les officiers et gradés subalternes qui justifient, par un examen, de la connaissance effective de la langue allemande.
Art. 22. In elke eentalige eenheid, wordt de taal van deze gebruikt voor het onderricht, de bevelen van hoog tot laag, de administratie, het beheer en voor alle andere dienstbetrekkingen tusschen het bevelhebberschap en de officieren, gegradueerden of soldaten, tusschen de officieren, tusschen de officieren en de gegradueerden, tusschen de gegradueerden en tusschen de officieren of gegradueerden en de soldaten.
Art. 22. Dans toute unité unilingue, il est fait usage de la langue de celle-ci pour l'instruction, les commandements à tous les échelons, l'administration, la gestion et pour tous autres rapports de service entre le commandement et les officiers, gradés ou soldats, entre les officiers, entre les officiers et les gradés, entre les gradés et entre les officiers ou gradés et les soldats.
Art. 23. Ieder militair die belast wordt met een studie van technischen aard, welke buiten het kader zijner gewone ambtsbezigheden valt, mag, bij uitzondering en voor elk geval, door zijn hiërarchischen chef er toe gemachtigd worden zich van de taal zijner keuze te bedienen.
Art. 23. Tout militaire chargé d'une étude d'ordre technique, sortant du cadre de son devoir habituel, peut être autorisé, à titre exceptionnel et pour chaque cas, par son chef hiérarchique, à se servir de la langue de son choix.
Art. 24. In elke eenheid met gemengd taalstelsel, wordt het gebruik der talen geregeld als volgt :
a) Op de eentalige ondereenheden worden de bepalingen van artikel 22 toegepast;
b) Al de dienstbetrekkingen tusschen het bevelhebberschap der eenheid en een eentalige ondereenheid hebben plaats in de taal van deze;
c) De bevelen gericht tot meerdere eenheiden met verschillend taalstelsel, worden gedaan in de taal der meerderheid;
d) De dienstmededeelingen voor gansch de eenheid bestemd, worden in beide landstalen gedaan;
e) Het bestuur der eenheid geschiedt in de taal van de meerderheid der ondereenheden;
f) Al hetgeen het taalgebruik betreft in de dienstbetrekkingen tusschen officieren, of tusschen officieren en gegradueerden, of tusschen gegradueerden, wordt bij koninklijk besluit geregeld.
Art. 24. Dans toute unité à régime linguistique mixte, l'emploi des langues est réglé comme suit :
a) Il est fait application aux sous-unités unilingues des dispositions de l'article 22;
b) Tous les rapports de service entre le commandement de l'unité et une sous-unité unilingue se font dans la langue de celle-ci;
c) Les commandements s'adressant à plusieurs unités de régimes linguistique différents se font dans la langue de la majorité;
d) Les communications de service destinées à toute l'unité se font dans les deux langues nationales;
e) L'administration de l'unité se fait dans la langue de la majorité des sous-unités;
f) Tout ce qui concerne l'emploi des langues dans les rapports de service entre officiers, ou entre officiers et gradés ou entre gradés est réglé par arrêté royal.
Art. 25. A. In de militaire hospitalen en apotheken wordt de streektaal gebruikt voor de bevelen tot het personeel, alsmede voor de administratie en het beheer. Echter worden de bevelen, berichten en mededelingen voor de zieken bestemd, in beide landstalen gesteld.
B. Het militair hospitaal en de militaire apotheek van Brussel worden beschouwd als eenheden met gemengd taalregime. Hun personeel bestaat voor de helft uit leden die van hun wezenlijke kennis van de Nederlandse taal hebben doen blijken, voor de andere helft uit leden die van hun wezenlijke kennis van de Franse taal hebben doen blijken. Bij gebrek aan getuigschriften, wordt die rechtvaardiging geleverd door middel van een gepast examen waarvan programma en inrichting bij koninklijk besluit worden bepaald. De geneesheer-directeur en de leidende officier moeten van de kennis van beide landstalen doen blijken, op grond van het bepaalde in artikel 5.
C. De Dienst onthaal en oriëntatie, de depots, de parken, de arsenalen, de fabricagewerkplaatsen, de gewestelijke diensten van de genie en alle andere militaire diensten en inrichtingen gebruiken, voor hun inwendige dienst, de taal van de streek waar ze gevestigd zijn.
De bevelen, kennisgevingen en mededelingen aan het personeel worden in beide landstalen gesteld.
De bepaling van paragraaf B is van toepassing op de diensten en inrichtingen welke in de streek van Brussel gevestigd zijn.
Het taalregime dat door de diensten, vermeld in het eerste en tweede lid, voor hun betrekkingen met de andere organismes van het leger dient toegepast, wordt bij koninklijk besluit bepaald.
Art. 25. A. Dans les hôpitaux et pharmacies militaires, il est fait usage pour les commandements s'adressant au personnel ainsi que pour l'administration et la gestion, de la langue de la région. Toutefois, les ordres, avis et communications destinés aux malades sont rédigés dans les deux langues nationales.
B. L'hôpital militaire et la pharmacie militaire de Bruxelles sont considérés comme unités à régime linguistique mixte. Leur personnel est composé moitié de membres ayant justifié de leur connaissance effective de la langue néerlandaise, moitié de membres ayant justifié de leur connaissance effective de la langue française. A défaut de diplômes, cette justification se fait au moyen d'un examen adéquat dont un arrêté royal fixe le programme et prévoit l'organisation. Le médecin-directeur et l'officier gestionnaire doivent justifier de leur connaissance des deux langues nationales, conformément aux dispositions de l'article 5.
C. (Le Service accueil et orientation), les dépôts, les parcs, les arsenaux, les ateliers de fabrication, les services régionaux du génie et tous autres services et établissements militaires utilisent pour leur service intérieur la langue de la région où ils sont établis.
Les ordres, avis et communications au personnel sont rédigés dans les deux langues nationales.
La disposition prévue au paragraphe B ci-dessus s'applique à ceux de ces services et établissements qui ont leur siège dans la région bruxelloise.
Le régime linguistique appliqué par les services et établissements énumérés dans les premier et deuxième alinéas qui précèdent, pour leurs relations avec les autres organismes de l'armée, est déterminé par arrêté royal.
Art. 26. De eentalige eenheden, inrichtingen en diensten gebruiken hun taal voor al hun betrekkingen met de militaire overheden en met het departement van landsverdediging.
De briefwisseling van de hooge militaire overheden en van het departement met de eenheden, inrichtingen en diensten die hun ondergeschikt zijn, geschiedt in de taal van laatstgenoemde.
De eenheden met gemengd taalstelsel richten zich tot al de militaire overheden en tot het departement van landverdediging, in het Nederlandsch of in het Fransch, naar gelang de taal waarin het dossier van de behandelde zaak werd begonnen. Diezelfde regel geldt voor de briefwisseling van gezegde overheden en van gezegd departement met die eenheden.
Art. 26. Les unités, établissements et services unilingues s'adressent dans leur langue à toutes les autorités militaires et au département de la (défense).
La correspondance des autorités militaires supérieures et du département avec les unités, établissements et services qui leur sont subordonnés, se fait dans la langue de ceux-ci.
Les unités à régime linguistique mixte s'adressent à toutes les autorités militaires et au département de la (défense) en néerlandais ou en français, suivant la langue dans laquelle le dossier de l'affaire traitée a été commencé. Cette même règle s'applique à la correspondance des dites autorités et du dit département avec ses unités.
Art. 27. De berichten en de mededeelingen welke de militaire overheden aan het publiek richten, worden opgesteld (overeenkomstig de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken).
Art. 27. Les avis et les communications que les autorités adressent au public sont rédigés (conformément aux lois sur l'emploi des langues en matière administrative.)
Art. 28. De briefwisseling van de militaire overheden met de administratieve overheden wordt gevoerd in de taal voorgeschreven (bij de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken).
Art. 28. Les correspondances des autorités militaires avec les autorités administratives se font dans la langue prescrite (par les lois sur l'emploi des langues en matière administrative.)
Art. 29. (opgeheven)
Art. 29. (abrogé)
Art. 30. Voor hun briefwisseling met de inwoners van de Vlaamsche gemeenten, gebruiken de militaire overheden de Nederlandsche taal; met de inwoners der Waalsche gemeenten gebruiken zij de Fransche taal, en met de inwoners (van Brussel-Hoofdstad) gebruiken zij de Fransche of de Nederlandsche taal, al naar de omstandigheden. (KB 15-10-1963, art. 4>
Art. 30. Dans leurs correspondances avec les habitants des communes flamandes, les autorités militaires se servent de la langue néerlandaise; avec les habitants des communes wallonnes, elles se servent de la langue française, et avec les habitants (de Bruxelles-Capitale), elles se servent de la langue française ou néerlandaise, selon les circonstances.
Art. 31. § 1. Niemand kan tot examinator worden benoemd in een school van de krijgsmacht zo hij niet op de in artikel 2 of in artikel 7 voorgeschreven wijze het bewijs geleverd heeft van de grondige kennis van de taal waarin de recipiëndi moeten ondervraagd worden.
[1 Om kandidaten in het Engels te mogen ondervragen, dient de examinator evenwel [2 voorafgaandelijk te slagen voor]2 een test Engels die door een organisme erkend door de directeur-generaal vorming georganiseerd wordt. De taalcompetentie moet het in artikel 11, derde lid, bepaalde niveau bereiken]1
§ 2. De Koning bepaalt het aantal leden van elke examencommissie, die moeten voldoen aan de voorwaarden vermeld in § 1.
§ 3. (Indien, met het oog op het toelatingsexamen tot een vormingscyclus, een kandidaat, bij toepassing van de terzake geldende bepalingen, sommige proeven in het Duits aflegt, moeten de examinatoren en de leden van de betrokken examencommissies, op de in § 1 voorgeschreven wijze, het bewijs leveren van de grondige kennis van de taal van het taalstelsel of het voorlopig taalstelsel van deze kandidaat.
De voornoemde examencommissies worden echter bijgestaan door een of meer, daartoe door de Koning aangewezen, militaire experten of burgerexperten, met kennis van de Duitse taal op basis van volgende diploma's, getuigschriften of ambten :
1° licentiaat in de Germaanse filologie met major Duits;
2° licentiaat tolk, onder meer in de Duitse taal;
3° licentiaat vertaler, onder meer in de Duitse taal;
4° Rijksambtenaar van niveau 1, bekleed met de graad van vertaler-revisor, onder meer in de Duitse taal of vertaler-directeur, onder meer in de Duitse taal;
5° officier zijn die, in toepassing van artikel 2bis, het examen over de grondige kennis van de Duitse taal aflegde;
6° officier zijn, houder van een diploma of getuigschrift die de studies van het hoger secundair onderwijs bekrachtigt, na zijn studies in de Duitse taal te hebben volbracht.)
Art. 31. § 1. Nul ne peut être nommé examinateur dans une école des forces armées s'il ne justifie de la manière prévue à l'article 2 ou à l'article 7 de la connaissance approfondie de la langue dans laquelle les récipiendaires doivent être interrogés.
[1 Toutefois, pour pouvoir interroger des candidats en anglais, l'examinateur doit [2 réussir au préalable]2 un test d'anglais organisé par un organisme reconnu par le directeur général de la formation. La compétence linguistique doit atteindre le niveau visé à l'article 11, alinéa 3.]1
§ 2. Le Roi fixe le nombre de membres du jury d'examen qui doivent satisfaire à la condition énoncée au § 1er.
§ 3. (Si, en vue d'un examen d'admission à un cycle de formation, un candidat, en application des dispositions en la matière, présente certaines épreuves en allemand, les examinateurs et les membres des jurys concernés doivent justifier, de la manière prescrite au § 1er, de la connaissance approfondie de la langue du régime linguistique ou du régime linguistique provisoire de ce candidat.
Toutefois, les jurys précités sont assistés par un ou plusieurs experts militaires ou civils, désignés à cet effet par le Roi, et dont la connaissance de la langue allemande est prouvée par les diplômes, certificats ou qualités suivants :
1° diplôme de licence en philologie germanique avec l'allemand comme langue principale;
2° diplôme de licence en interprétation, notamment en langue allemande;
3° diplôme de licence en traduction, notamment en langue allemande;
4° qualité d'agent de l'Etat du niveau 1, titulaire du grade de traducteur-réviseur, notamment en langue allemande, ou traducteur-directeur, notamment en langue allemande;
5° qualité d'officier qui, en application de l'article 2bis, a présenté l'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue allemande;
6° qualité d'officier, titulaire d'un diplôme ou certificat sanctionnant les études de l'enseignement secondaire supérieur, à condition que l'intéressé ait effectué ses études en langue allemande.)
Art. 31bis. Er wordt een commissie voor taalinspectie ingesteld, welke belast is met de contrôle op de toepassing van deze wet.
Die commissie bestaat uit een voorzitter, een ondervoorzitter en zeven leden, die voor een periode van vier jaar door de Koning benoemd worden.
[1 De voorzitter, de ondervoorzitter en vier leden worden gekozen onder de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers die deel uitmaken van de Commissie voor de Landsverdediging.]1
De drie overige leden worden aangewezen onder de opper- of hoofdofficieren van de (krijgsmacht).
Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door burgerlijke ambtenaren van het departement van Landsverdediging.
Die commissie is bevoegd om de door haar ontvangen klachten betreffende de toepassing van de taalwet te onderzoeken, en aan de Minister van Landsverdediging te vragen daarover verslag te doen.
In voorkomend geval, deelt zij aan de Minister van Landsverdediging alle door haar nuttig geachte opmerkingen of aanbevelingen mede.
Art. 31bis. Il est créé une commission d'inspection linguistique, chargée du contrôle de l'application de la présente loi.
Cette commission est composée d'un président, d'un vice-président et de sept membres, nommés par le Roi pour une période de quatre ans.
[1 Le président, le vice-président et quatre membres sont choisis parmi les membres de la Chambre des représentants faisant partie de la Commission de la Défense nationale.]1
Les trois autres membres sont désignés parmi les officiers généraux ou supérieurs des (forces armées).
Le secrétariat de la commission est assuré par des fonctionnaires civils du département de la (Défense).
Cette commission est habilitée à examiner les plaintes qu'elle reçoit concernant l'application de la loi linguistique et à demander à leur sujet, rapport au Ministre de la (Défense).
Elle communique, le cas échéant, au Ministre de la (Défense) toutes remarques ou recommandations qu'elle juge utiles.
Art. 32. Ieder jaar legt de Minister van Landsverdediging, bij de Wetgevende Kamers, verslag ter tafel over de toepassing van de tegenwoordige wet.
Art. 32. Chaque année, le ministre de la (défense) dépose sur le bureau des Chambres législatives un rapport sur l'application de la présente loi.
Art. 33. Deze wet zal op progressieve wijze worden toegepast.
De navolgende hoofdpunten zullen echter binnen de hieronder bepaalde termijnen worden verwezenlijkt :
a) Onmiddellijk :
Al wat het taalstelsel van de gegradueerden en soldaten betreft;
De oprichting van taalafdeelingen in de Koninklijke Militaire School en in andere opleidingsinrichtingen, met uitzondering van de Krijgsschool;
Het grondig examen over de tweede taal voor degenen die daartoe het verlangen zullen uitdrukken;
De bevelen.
b) Op het oogenblik van de inlijving der klasse 1939 :
De samenstelling van de eentalige regimenten en divisies.
c) In 1939 : Krijgsschool.
d) Met ingang van 1 October 1939, de administratie; de toepassing echter begint zoodra de wet aangenomen is en zal geleidelijk worden doorgevoerd ten einde op voormelden datum volledig verwezenlijkt te zijn.
e) Van einde 1940 af :
Het taalprogramma van het eindexamen der Koninklijke Militaire School, van het overgangsexamen tot de Applicatieschool, en van het definitief examen voor onderluitenant langs de kaders.
f) Van 1 October 1941 af :
Al wat de dienstbetrekkingen tusschen officieren betreft; de toepassing zal echter een aanvang nemen zoodra de wet aangenomen is en zal geleidelijk worden doorgevoerd ten einde op voormelden datum volledig verwezenlijkt te zijn.
g) In 1943 :
Het taalprogramma van het examen voor den graad van majoor.
Art. 33. La présente loi sera mise progressivement en application.
Toutefois, les étapes essentielles ci-après seront réalisées dans les délais fixés ci-dessous :
a) Immédiatement :
Tout ce qui concerne le régime linguistique des gradés et soldats;
La création de divisions linguistiques à l'Ecole royale militaire et dans les autres établissements d'instruction, à l'exception de l'Ecole de guerre;
L'épreuve approfondie sur la seconde langue pour ceux qui en expriment le désir;
Les commandements.
b) Au moment de l'incorporation de la classe de 1939 :
La constitution des régiments et des divisions unilingues.
c) En 1939 : Ecole de guerre.
d) A partir du 1er octobre 1939, l'administration; toutefois, la mise en application commencera dès le vote de la loi et sera progressive de manière à être réalisée complètement à la date précitée.
e) A partir de fin 1940 :
Le programme linguistique de l'examen de sortie de l'Ecole royale militaire, de l'examen de passage à l'Ecole d'application et de l'examen définitif de sous-lieutenant par les cadres.
f) A partir du 1er octobre 1941 :
Tout ce qui concerne les rapports de service entre officiers; toutefois, la mise en application commencera dès le vote de la loi et sera progressive de manière à être réalisée complètement à la date précitée.
g) En 1943 :
Le programme linguistique de l'examen pour le grade de major.
Art. 34. Naarmate deze wet wordt toegepast, zullen de voorschriften der wet van 7 November 1928 op het gebruik der talen bij het leger door die van de tegenwoordige wet worden vervangen.
Art. 34. A mesure de la mise en application de la présente loi, les prescriptions de la loi du 7 novembre 1928 sur l'usage des langues à l'armée seront remplacées par celles de la présente loi.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. [1 HET VEREISTE NIVEAU VAN KENNIS VAN HET ENGELS OM IN HET ENGELS TE MOGEN ONDERWIJZEN
LUISTERVAARDIGHEID
Is in staat om de meerderheid van de formele en informele gesprekken, slaande op praktische, sociale en professionele zaken, met inbegrip van bijzondere interessepunten en vaardigheden, te begrijpen. Toont via zijn orale interactie aan dat hij in staat is om een gesprek van man tot man, dat gevoerd wordt op een normale snelheid en in een courant en duidelijk dialect, grondig te begrijpen. Toont aan dat hij duidelijk de taal begrijpt die gebruikt wordt op interactieve vergaderingen, briefings en andere vormen van uitgebreide uitwisselingen, zelfs met betrekking tot onvertrouwde onderwerpen of in onvertrouwde situaties. Kan op een grondige manier de essentiële punten volgen in gesprekken tussen opgeleide sprekers in de moedertaal, in lezingen over algemene onderwerpen en over specifieke vakgebieden, in relatief duidelijke telefoongesprekken, en in media uitzendingen. Begrijpt gemakkelijk verschillende functies van de taal, zoals het formuleren van hypotheses, het ondersteunen van een opinie, het poneren en verdedigen van politieke stellingen, het argumenteren, het formuleren van bezwaren, en verschillende types van redeneringen. Toont aan abstracte concepten te begrijpen die gebruikt worden in discussies over complexe onderwerpen (zoals de economie, de cultuur, de wetenschap, de technologie), met inbegrip van zijn/haar vakgebied. Begrijpt zowel expliciete als impliciete informatie in een gesproken tekst. Kan in het algemeen een onderscheid maken tussen verschillende stilistische niveaus en herkent vaak humor, emotionele ondertonen en subtiliteiten in een gesprek. Moet zelden vragen iets te herhalen, te parafraseren of uit te leggen. Het is evenwel mogelijk dat hij/zij sprekers in de moedertaal niet begrijpt als ze heel snel spreken of jargon, streektaal of dialect gebruiken.
SPREEKVAARDIGHEID
Is in staat effectief deel te nemen in de meeste formele en informele gesprekken over praktische, sociale en professionele onderwerpen. Kan met een duidelijk gemak discussiëren over bijzondere interessepunten en vaardigheden. Kan de taal zodanig gebruiken dat hij/zij gebruikelijke professionele taken kan uitvoeren, zoals het antwoorden op bezwaren, het verduidelijken van punten, het motiveren van beslissingen, het beantwoorden van uitdagingen, het ondersteunen van een opinie, het poneren en verdedigen van politieke stellingen. Kan een taalvaardigheid aantonen tijdens het deelnemen aan vergaderingen, het geven van briefings of andere uitgebreide en uitgewerkte monologen, door het formuleren van hypotheses en om te gaan met onvertrouwde onderwerpen en situaties. Is in staat op een betrouwbare manier informatie en duidelijke meningen van sprekers van de moedertaal te verzamelen. Is in staat abstracte concepten mee te delen in gesprekken over onderwerpen als de economie, de cultuur, de wetenschap, de technologie, de filosofie, evenals zijn/haar vakgebied. Is in staat lange toespraken te geven en de boodschap op een correcte en effectieve manier over te brengen. Zijn/haar gebruik van structurele elementen is flexibel en uitvoerig. Is in staat zich vlot uit te drukken en op een manier die aangepast is aan de situatie. Is in staat om, zonder te hoeven zoeken naar woorden of zinnen, de taal duidelijk en relatief natuurlijk te gebruiken om op een vrije manier concepten uit te werken en ideeën gemakkelijk verstaanbaar te maken voor sprekers van de moedertaal. Begrijpt mogelijk niet volledig alle culturele referenties, spreekwoorden, allusies en implicaties van nuances en idiomen, maar is in staat om gemakkelijk het gesprek te hervatten. De uitspraak mag duidelijk vreemd zijn. Fouten mogen voorkomen in lage mate of in heel complexe structuren kenmerkend voor een vormelijke stijl van spreken. De occasionele fouten in uitspraak, grammatica of woordenschat zijn evenwel niet ernstig genoeg om de betekenis te vervormen, en storen zelden de spreker van de moedertaal.
LEESVAARDIGHEID
Is in staat om een variëteit aan authentieke geschreven documenten betreffende algemene en professionele onderwerpen, met inbegrip van onvertrouwde onderwerpen, te lezen en zo goed als volledig te begrijpen. Toont aan over de vaardigheid te beschikken om te leren door te lezen. Zijn/haar begrijpvaardigheid is niet afhankelijk van het onderwerp. Is in staat verschillende soorten documenten te lezen, met name nieuwsberichten, informatieve en editoriale items in lokale media die bedoeld zijn voor een opgeleid publiek, persoonlijke en professionele briefwisseling, verslagen, en teksten in specifieke domeinen. Is in staat gemakkelijk verschillende functies van de taal te begrijpen, zoals het vormen van hypotheses, het ondersteunen van een opinie, het argumenteren, het verduidelijken, en verschillende vormen van redeneringen. Toont aan abstracte concepten te begrijpen in teksten over complexe onderwerpen (zoals de economie, de cultuur, de wetenschap, de technologie), evenals in zijn/haar vakgebied. Is bijna steeds in staat om correct gegevens te interpreteren, om ideeën met elkaar te verbinden, om "tussen de regels" te lezen of om impliciete informatie te begrijpen. Is in het algemeen in staat om een onderscheid te maken tussen verschillende stilistische niveaus en herkent vaak humor, emotionele ondertonen, en subtiliteiten in geschreven taal. Maakt zelden fouten in het interpreteren van geschreven gegevens. Is in staat het essentiële te vatten in ingewikkelde teksten van hoog niveau, terwijl hij/zij evenwel niet in staat is om alle nuances te vatten. Is niet steeds in staat om teksten, die een ongewone complexe structuur hebben of die zeldzame idiomen bevatten of die een taal bevatten waarvoor een hoog niveau aan culturele kennis vereist is, volledig te begrijpen. De snelheid van lezen mag iets lager liggen dan van een persoon van wie het de moedertaal is.
SCHRIJFVAARDIGHEID
Is in staat om op een effectieve manier formele en informele briefwisseling en documenten te schrijven over praktische, sociale en professionele onderwerpen. Is in staat met gemak te schrijven over specifieke domeinen. Is in staat de geschreven taal te gebruiken voor een argumentatie, een analyse, het vormen van een hypothese, een uitgebreide uitleg, een vertelling en een beschrijving in een essay. Is in staat abstracte concepten over te brengen bij het schrijven over complexe onderwerpen (zoals de economie, de cultuur, de wetenschap, de technologie), evenals over zijn/haar vakgebied. Hoewel de technieken gebruikt om uitgebreide teksten te organiseren voor lezers van de moedertaal nogal vreemd mag lijken voor personen van wie het de moedertaal is, wordt de correcte betekenis overgebracht. De relatie en de ontwikkeling van de ideeën zijn duidelijk, en de belangrijke punten zijn coherent geordend met het oog op de doelstelling van de tekst. De overgangen zijn vloeiend. De beheersing van de structuur, de woordenschat, de spelling en de punctuatie is adequaat om de boodschap accuraat over te brengen. Fouten komen slechts occasioneel voor, verstoren de begrijpbaarheid niet, en storen zelden de lezer van de moedertaal. Zijn/haar redactiestijl is aangepast aan de situatie, hoewel deze niet steeds dezelfde is als van een spreker van de moedertaal. Er is een zekere nalezing vereist als een document volledig moet beantwoorden aan de verwachtingen van een lezer van de moedertaal.]1

Art. N. [1 NIVEAU DE CONNAISSANCE DE L'ANGLAIS EXIGE POUR POUVOIR ENSEIGNER EN ANGLAIS
COMPREHENSION DE LA LANGUE PARLEE
Est capable de comprendre la majorité des conversations formelles et informelles portant sur des questions pratiques, sociales et professionnelles, y compris sur des domaines d'intérêt et de compétence particuliers. Son interaction orale démontre qu'il est en mesure de suivre efficacement une conversation face à face se déroulant à un rythme normal et dans un dialecte courant clair. Démontre une compréhension nette du langage utilisé lors de réunions interactives, de briefings et d'autres formes de longs échanges, même s'ils portent sur des situations et des sujets non familiers. Peut suivre fidèlement les points essentiels de conversations entre des locuteurs natifs cultivés, des exposés sur des sujets généraux et des domaines de compétence particuliers, des conversations téléphoniques sensiblement claires et des couvertures médiatiques. Comprend facilement différentes fonctions du langage, y compris la formulation d'hypothèses, l'appui d'opinions, l'énoncé et la défense de politiques, l'argumentation, la formulation d'objections et diverses formes de développement. Démontre qu'il comprend des concepts abstraits dans la discussion de sujets complexes (pouvant inclure l'économique, la culture, la science, la technologie), y compris son domaine d'activité professionnelle. Comprend des renseignements explicites ou implicites dans un message parlé. Peut généralement établir une distinction entre différents niveaux de style et reconnaît souvent l'humour, les notes d'émotion et les subtilités du discours. A rarement besoin de demander qu'on répète, qu'on paraphrase ou qu'on explique. Peut cependant ne pas comprendre des locuteurs natifs s'ils parlent très rapidement ou utilisent du jargon, des régionalismes ou un dialecte.
EXPRESSION ORALE
Est en mesure de participer effectivement à la majorité des conversations formelles et informelles portant sur des questions pratiques, sociales et professionnelles. Peut discuter de domaines d'intérêt et de compétence particuliers avec beaucoup d'aisance. Maîtrise suffisamment la langue pour l'utiliser dans l'accomplissement de ses tâches professionnelles courantes, par exemple pour réfuter des objections, clarifier des points, justifier des décisions, relever des défis, appuyer des opinions et énoncer et défendre des politiques. Peut faire preuve de compétence linguistique lorsqu'il anime des réunions, donne des briefings ou d'autres exposés longs et approfondis et lorsqu'il formule des hypothèses et traite de situations et de sujets non familiers. Peut aisément obtenir des renseignements et une opinion éclairée de locuteurs natifs. Peut communiquer des concepts abstraits au cours de discussions portant sur des sujets complexes (pouvant inclure l'économique, la culture, la science, la technologie), y compris sur son domaine d'activité professionnelle. Tient de longs discours et transmet le message correctement et efficacement. Son utilisation des éléments structuraux est souple et raffinée. S'exprime facilement et de façon appropriée à la situation. Sans chercher ni ses mots ni ses phrases, peut parler la langue clairement et assez naturellement pour développer des concepts librement et faire facilement comprendre ses idées à des locuteurs natifs. Peut ne pas comprendre parfaitement quelques renvois culturels, proverbes et allusions, de même que le sens de certaines nuances et de certains idiomes, mais n'a aucune difficulté à poursuivre la conversation. Sa prononciation peut être de toute évidence étrangère. Peut commettre des erreurs dans l'utilisation de structures rares ou très complexes, caractéristiques d'un style d'expression ampoulé. Cependant, ses erreurs occasionnelles de prononciation, de grammaire ou de vocabulaire ne sont pas suffisamment graves pour déformer le sens des mots et gênent rarement un locuteur natif.
COMPREHENSION DE LA LANGUE ECRITE
Est en mesure de lire et de comprendre presque complètement des documents authentiques traitant de sujets généraux et professionnels, y compris de questions qui ne lui sont pas familières. Démontre une aptitude à apprendre par la lecture. Sa compréhension n'est pas fonction du sujet abordé. Peut lire différents types de documents, notamment des communiqués, des éléments d'information et des éditoriaux parus dans la presse locale s'adressant à un public instruit, des documents de correspondance personnelle et professionnelle, des rapports et des documents traitant de domaines de compétence particuliers. Peut facilement comprendre diverses fonctions du langage comme la formulation d'hypothèses, l'appui d'opinions, l'argumentation, la clarification et diverses formes de développement. Démontre de la compréhension de concepts abstraits dans des textes traitant de sujets complexes (pouvant inclure l'économique, la culture, la science, la technologie), ainsi que de son domaine d'activité professionnelle. Est presque toujours en mesure d'interpréter des documents correctement, d'établir un lien entre les idées et de "lire entre les lignes" ou de comprendre de l'information implicite. Peut généralement faire une distinction entre les différents niveaux de style et reconnaît souvent l'humour, les notes d'émotion et les subtilités du langage écrit. Fait rarement d'erreurs dans l'interprétation de données manuscrites. Peut saisir l'essentiel dans des textes sophistiqués, de très haut niveau, mais peut ne pas être en mesure d'en déceler toutes les nuances. Ne réussit pas toujours à comprendre parfaitement les textes dont la structure est complexe et inhabituelle, qui renferment des idiomes rares ou qui sont rédigés dans une langue exigeant un niveau de connaissances culturelles élevé. Peut lire un peu plus lentement qu'une personne dont c'est la langue maternelle.
EXPRESSION ECRITE
Peut rédiger des pièces de correspondance et des documents formels et informels portant sur des questions pratiques, sociales et professionnelles. Peut rédiger avec beaucoup d'aisance des documents traitant de domaines de compétence particuliers. Peut utiliser le langage écrit pour rédiger une argumentation, une analyse, une hypothèse ou une longue explication, une narration et une description de la longueur d'un essai. Peut transmettre par écrit des concepts abstraits sur des sujets complexes (qui pourraient inclure l'économique, la culture, la science, la technologie), ainsi que son domaine d'activité professionnelle. Ses techniques de structure de longs textes peuvent sembler un peu étrangères des personnes dont c'est la langue maternelle, mais le sens y est. Le lien entre les idées et leur développement est clair, et les points importants se succèdent de façon cohérente, répondant à l'objet du texte. Les transitions sont généralement heureuses. Maîtrise suffisamment bien la structure, le vocabulaire, l'orthographe et ponctuation pour transmettre le message avec exactitude. Fait occasionnellement des erreurs, mais elles ne nuisent en rien à la compréhension du texte et distraient rarement le locuteur natif. Son style de rédaction, même s'il n'est pas toujours celui d'un locuteur natif, est adapté à la situation. Une certaine révision est requise lorsqu'un document doit satisfaire entièrement aux attentes d'un locuteur natif.]1