Artikel 1. De aanwerving van de kandidaat-hulpofficieren en van de hulpofficieren mag slechts geschieden voor de categorie van het [1 gebrevetteerd]1 varend personeel van de luchtmacht.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 DECEMBER 1955. - Wet betreffende de hulpofficieren van de Luchtmacht, piloten en navigatoren. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-06-1994 en tekstbijwerking tot 29-12-2025)
Titre
23 DECEMBRE 1955. - Loi sur les officiers auxiliaires de la Force aérienne, pilotes et navigateurs. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 21-06-1994 et mise à jour au 29-12-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (29)
Texte (29)
Article 1. Le recrutement des candidats officiers auxiliaires et des officiers auxiliaires ne peut avoir lieu que pour la catégorie du personnel navigant [1 breveté]1 de la force aérienne.
Art. 2. De hulpofficier mag slechts dienen in een eenheid waarvan het taalstelsel hetzelfde is als dit waarin hij het bij artikel 6, 3°, voorziene vakexamen heeft afgelegd.
Art. 2. L'officier auxiliaire ne peut être appelé à servir que dans l'unité dont le régime linguistique est le même que celui sous lequel il a subi l'examen professionnel prévu à l'article 6, 3°.
Art. 3. De kandidaat-hulpofficier verbindt zich in werkelijke dienst te blijven gedurende een periode van dertien jaar, volgens de regels die de Koning bepaalt.
Art. 3. Le candidat officier auxiliaire s'engage à rester en service actif pendant une période de treize ans, selon les règles que le Roi fixe.
Art. 3bis. (opgeheven)
Art. 3bis. (abrogé)
Art. 4. De opleiding van de kandidaat-hulpofficieren, de voor deze opeiding nodige cursussen, de graden waartoe zij kunnen opklimmen alsmede de beschikkingen die hun bevordering in die graden regelen, worden door de Koning bepaald.
Art. 4. La formation des candidats officiers auxiliaires, les cours nécessaires à cette formation, les grades auxquels ils peuvent accéder ainsi que les dispositions régissant leur avancement dans ces grades sont fixés par le Roi.
Art. 4bis. [1 Volgens de nadere regels en de procedure die de Koning bepaalt voor elke van de betrokken categorieën, maken de kandidaat-hulpofficieren die deelnemen aan de luchtdienst deel uit van een van de categorieën van het varend personeel bedoeld in artikel 77/1, eerste lid, 1° en 3°, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht.]1
De kandidaten worden geschrapt uit deze categorieën door de militaire overheid, aangewezen door de Minister van Landsverdediging, overeenkomstig het advies van een evaluatiecommissie of van een medische commissie, naargelang van het geval. De Koning bepaalt samenstelling van deze commissies alsmede de te volgen procedure.
De verbreking van de dienstneming van een kandidaat-hulpofficier op eigen verzoek heeft van rechtswege zijn schrapping uit het varend personeel voor gevolg.
De kandidaten worden geschrapt uit deze categorieën door de militaire overheid, aangewezen door de Minister van Landsverdediging, overeenkomstig het advies van een evaluatiecommissie of van een medische commissie, naargelang van het geval. De Koning bepaalt samenstelling van deze commissies alsmede de te volgen procedure.
De verbreking van de dienstneming van een kandidaat-hulpofficier op eigen verzoek heeft van rechtswege zijn schrapping uit het varend personeel voor gevolg.
Art. 4bis. [1 Selon les modalités et la procédure fixées par le Roi pour chacune des catégories concernées, les candidats officiers auxiliaires qui participent au service aérien appartiennent à une des catégories du personnel navigant visées à l'article 77/1, alinéa 1er, 1° et 3°, de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des Forces armées.]1
Les candidats sont radiés de ces catégories par l'autorité militaire désignée par le Ministre de la (Défense) sur avis conforme d'une commission d'évaluation ou d'une commission médicale, selon le cas. Le Roi détermine la composition de ces commissions ainsi que la procédure à suivre.
La réalisation de l'engagement d'un candidat officier auxiliaire à sa propre demande entraîne de plein droit sa radiation du personnel navigant.
Les candidats sont radiés de ces catégories par l'autorité militaire désignée par le Ministre de la (Défense) sur avis conforme d'une commission d'évaluation ou d'une commission médicale, selon le cas. Le Roi détermine la composition de ces commissions ainsi que la procédure à suivre.
La réalisation de l'engagement d'un candidat officier auxiliaire à sa propre demande entraîne de plein droit sa radiation du personnel navigant.
Änderungen
Art. 5. § 1. De Minister van Landsverdediging kan de dienstverbintenis van de kandidaat-hulpofficier hetzij om tuchtredenen, hetzij om morele ongeschiktheid of beroepsonbekwaamheid, (hetzij op aanvraag van betrokkene) verbreken.
Hij kan insgelijks de dienstverbintenis verbreken wegens lichamelijke ongeschiktheid, overeenkomstig het advies van een geneeskundige commissie.
De Koning bepaalt de samenstelling van deze commissie, alsmede de te volgen procedure.
§ 2. De dienstverbintenis van de kandidaat-hulpofficier wordt van ambtswege verbroken in geval van mislukking in de onder artikel 6, 3°, voorziene vakproef.
§ 3. (opgeheven)
§ 4. (opgeheven)
Hij kan insgelijks de dienstverbintenis verbreken wegens lichamelijke ongeschiktheid, overeenkomstig het advies van een geneeskundige commissie.
De Koning bepaalt de samenstelling van deze commissie, alsmede de te volgen procedure.
§ 2. De dienstverbintenis van de kandidaat-hulpofficier wordt van ambtswege verbroken in geval van mislukking in de onder artikel 6, 3°, voorziene vakproef.
§ 3. (opgeheven)
§ 4. (opgeheven)
Art. 5. § 1er. Le Ministre de la (Défense) peut résilier l'engagement du candidat officier auxiliaire soit pour motif disciplinaire, soit pour inaptitude morale ou professionnelle (, soit à la demande de l'intéressé).
Il peut également résilier l'engagement pour inaptitude physique, sur avis conforme d'une commission médicale.
Le Roi détermine la composition de cette commission ainsi que la procédure à suivre devant elle.
§ 2. L'engagement du candidat officier auxiliaire est résilié d'office en cas d'échec à l'épreuve professionnelle prévue à l'article 6, 3°.
§ 3. (abrogé)
§ 4. (abrogé)
Il peut également résilier l'engagement pour inaptitude physique, sur avis conforme d'une commission médicale.
Le Roi détermine la composition de cette commission ainsi que la procédure à suivre devant elle.
§ 2. L'engagement du candidat officier auxiliaire est résilié d'office en cas d'échec à l'épreuve professionnelle prévue à l'article 6, 3°.
§ 3. (abrogé)
§ 4. (abrogé)
Art. 5bis.
Art. 5bis.
Art. 6. Niemand mag tot hulponderluitenant bij de luchtmacht benoemd worden :
1° Indien hij de leeftijd van 19 jaar niet bereikt heeft;
2° Indien hij geen kandidaat-hulpofficier is;
3° Indien hij niet voldaan heeft aan een vakproef onder de voorwaarden die de Koning bepaalt;
4° Indien hij de voorwaarden, die de Koning kan bepalen, niet vervult.
1° Indien hij de leeftijd van 19 jaar niet bereikt heeft;
2° Indien hij geen kandidaat-hulpofficier is;
3° Indien hij niet voldaan heeft aan een vakproef onder de voorwaarden die de Koning bepaalt;
4° Indien hij de voorwaarden, die de Koning kan bepalen, niet vervult.
Art. 6. Nul ne peut être nommé sous-lieutenant auxiliaire de la force aérienne :
1° S'il n'a 19 ans accomplis;
2° S'il n'est candidat officier auxiliaire;
3° S'il n'a satisfait à une épreuve professionnelle, aux conditions que le Roi détermine;
4° S'il ne remplit les conditions que le Roi peut fixer.
1° S'il n'a 19 ans accomplis;
2° S'il n'est candidat officier auxiliaire;
3° S'il n'a satisfait à une épreuve professionnelle, aux conditions que le Roi détermine;
4° S'il ne remplit les conditions que le Roi peut fixer.
Art. 7. De bevordering van de hulpofficieren is onderworpen aan dezelfde beschikkingen als die welke de bevordering van de officieren van het actief kader van de luchtmacht regelen.
In vredestijd kunnen zij enkel tot een rang van lagere officier opklimmen.
In vredestijd kunnen zij enkel tot een rang van lagere officier opklimmen.
Art. 7. L'avancement des officiers auxiliaires est soumis aux mêmes dispositions que celles régissant l'avancement des officiers du cadre actif de la force aérienne.
En temps de paix ils n'ont accès qu'aux grades d'officiers subalternes.
En temps de paix ils n'ont accès qu'aux grades d'officiers subalternes.
Art. 8. (Opgeheven)
Art. 8. (Abrogé)
Art. 9. § 1. De Koning kan, door gemotiveerd besluit, de dienstverbintenis van de hulpofficier verbreken om tuchtredenen, morele ongeschiktheid of beroepsonbekwaamheid, na advies van een onderzoekscommissie, en wegens lichamelijke ongeschiktheid, overeenkomstig het advies van een geneeskundige commissie.
De Koning bepaalt de samenstelling van deze commissies, alsmede de te volgen procedure.
De dienstverbreking uitgesproken in toepassing van lid 1, brengt het verlies van de rang mede.
§ 2. [1 De hulpofficier kan op elk ogenblik schriftelijk de verbreking van zijn dienstverbintenis aanvragen. Deze verbreking heeft pas uitwerking wanneer de Koning of de overheid die Hij aanduidt, het heeft aanvaard.
De verbreking van de dienstverbintenis [2 die aanvaard werd,]2 heeft uitwerking, naargelang het geval :
1° ten laatste drie maanden na de datum van indienen van de aanvraag [3 , behalve indien de betrokken hulpofficier een latere uitwerking vraagt dan de drie voornoemde maanden]3;
2° indien het dienstbelang het vereist teneinde de operationele capaciteiten van de Krijgsmacht te vrijwaren, op de datum bepaald door de Koning of de overheid die Hij aanduidt, maar ten laatste negen maanden na de datum van indienen van de aanvraag.]1
§ 2 bis. De Koning of de overheid die Hij aanduidt, kan de aanvraag weigeren indien Hij oordeelt dat het strijdig is met het dienstbelang.
§ 2 ter. De dienstverbreking is steeds strijdig met het dienstbelang in de volgende gevallen:
1° wanneer de betrokken hulpofficier minder dan drie jaar in werkelijke dienst is gebleven tijdens de periode volgend op de vorming op basis waarvan de rendementsperiode bedoeld in artikel [3 179 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht]3;
2° in geval van mobilisatie;
3° in periode van oorlog [3 of in periode van crisis]3;
4° indien de betrokken hulpofficier zijn aanvraag indient wanneer hij zich in periode van vrede in de deelstand "in operationele inzet" bevindt of [3 effectief deel uitmaakt van een detachement dat zich voorbereidt]3 met het oog op deze inzet.
(5° wanneer, in periode van vrede, de crisistoestand afgekondigd wordt voor het reservekader.)
§ 2 quater. Behoudens in de door de Koning of de overheid die Hij aanduidt, uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen, is de aanvraag bedoeld in § 2 bis, niet strijdig met het dienstbelang wanneer de betrokken hulpofficier in werkelijke dienst is gebleven gedurende de volledige rendementsperiode bedoeld in artikel [3 179 van voornoemde wet van 28 februari 2007]3.
Zowel in het uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgeval bedoeld in het eerste lid, als in het geval van een aanvraag tot ontslag dat uitwerking heeft na de periode bedoeld in § 2 ter, 1°, maar voor het einde van de rendementsperiode bedoeld in artikel [3 179 van voornoemde wet van 28 februari 2007]3 verkrijgt de betrokken hulpofficier, in zoverre hij zijn aanvraag niet formeel heeft ingetrokken, zijn dienstverbreking ten laatste vijf jaar na de beslissing tot weigering van de voornoemde ontslagaanvraag.)
De Koning bepaalt de samenstelling van deze commissies, alsmede de te volgen procedure.
De dienstverbreking uitgesproken in toepassing van lid 1, brengt het verlies van de rang mede.
§ 2. [1 De hulpofficier kan op elk ogenblik schriftelijk de verbreking van zijn dienstverbintenis aanvragen. Deze verbreking heeft pas uitwerking wanneer de Koning of de overheid die Hij aanduidt, het heeft aanvaard.
De verbreking van de dienstverbintenis [2 die aanvaard werd,]2 heeft uitwerking, naargelang het geval :
1° ten laatste drie maanden na de datum van indienen van de aanvraag [3 , behalve indien de betrokken hulpofficier een latere uitwerking vraagt dan de drie voornoemde maanden]3;
2° indien het dienstbelang het vereist teneinde de operationele capaciteiten van de Krijgsmacht te vrijwaren, op de datum bepaald door de Koning of de overheid die Hij aanduidt, maar ten laatste negen maanden na de datum van indienen van de aanvraag.]1
§ 2 bis. De Koning of de overheid die Hij aanduidt, kan de aanvraag weigeren indien Hij oordeelt dat het strijdig is met het dienstbelang.
§ 2 ter. De dienstverbreking is steeds strijdig met het dienstbelang in de volgende gevallen:
1° wanneer de betrokken hulpofficier minder dan drie jaar in werkelijke dienst is gebleven tijdens de periode volgend op de vorming op basis waarvan de rendementsperiode bedoeld in artikel [3 179 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht]3;
2° in geval van mobilisatie;
3° in periode van oorlog [3 of in periode van crisis]3;
4° indien de betrokken hulpofficier zijn aanvraag indient wanneer hij zich in periode van vrede in de deelstand "in operationele inzet" bevindt of [3 effectief deel uitmaakt van een detachement dat zich voorbereidt]3 met het oog op deze inzet.
(5° wanneer, in periode van vrede, de crisistoestand afgekondigd wordt voor het reservekader.)
§ 2 quater. Behoudens in de door de Koning of de overheid die Hij aanduidt, uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen, is de aanvraag bedoeld in § 2 bis, niet strijdig met het dienstbelang wanneer de betrokken hulpofficier in werkelijke dienst is gebleven gedurende de volledige rendementsperiode bedoeld in artikel [3 179 van voornoemde wet van 28 februari 2007]3.
Zowel in het uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgeval bedoeld in het eerste lid, als in het geval van een aanvraag tot ontslag dat uitwerking heeft na de periode bedoeld in § 2 ter, 1°, maar voor het einde van de rendementsperiode bedoeld in artikel [3 179 van voornoemde wet van 28 februari 2007]3 verkrijgt de betrokken hulpofficier, in zoverre hij zijn aanvraag niet formeel heeft ingetrokken, zijn dienstverbreking ten laatste vijf jaar na de beslissing tot weigering van de voornoemde ontslagaanvraag.)
Art. 9. § 1er. Le Roi peut, par arrêté motivé, résilier l'engagement de l'officier auxiliaire pour motif disciplinaire, d'inaptitude morale ou professionnelle, sur avis d'une commission d'enquête, et pour motif d'inaptitude physique, sur avis conforme d'une commission médicale.
Le Roi détermine la composition de ces commissions, ainsi que la procédure à suivre devant elles.
La résiliation prononcée en application de l'alinéa 1er entraîne la perte du grade.
§ 2. [1 A tout moment, l'officier auxiliaire peut demander par écrit la résiliation de son engagement. Cette résiliation n'a d'effet que lorsqu'elle est acceptée par le Roi ou l'autorité qu'Il détermine.
La résiliation d'engagement [2 qui a été acceptée]2 prend effet, selon le cas :
1° au plus tard trois mois après la date d'introduction de la demande [3 , sauf si l'officier auxiliaire concerné demande une date ultérieure aux trois mois précités]3;
2° si l'intérêt du service l'exige afin de préserver les capacités opérationnelles des Forces armées, à la date fixée par le Roi ou l'autorité qu'Il détermine, mais au plus tard neuf mois après la date d'introduction de la demande]1.
§ 2bis. Le Roi ou l'autorité qu'il détermine peut refuser la demande s'Il estime qu'elle est contraire à l'intérêt du service.
§ 2ter. La résiliation d'engagement est toujours contraire à l'intérêt du service dans les cas suivants:
1° si l'officier auxiliaire concerné est resté en service actif durant moins de trois ans au cours de la période suivant la formation qui sert de base au calcul de la période de rendement visée à l'article [3 179 de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des Forces armées]3;
2° en cas de mobilisation;
3° en période de guerre [3 ou en période de crise]3;
4° si l'officier auxiliaire introduit sa demande alors qu'il se trouve en période de paix dans la sous-position "en engagement opérationnel" ou [3 fait effectivement partie d'un détachement qui se prépare]3 en vue de cet engagement.
(5° lorsque, en période de paix, la situation de crise est promulguée pour le cadre de réserve.)
§ 2 quater. Hormis les cas exceptionnels motivés expressément par le Roi ou l'autorité qu'il détermine, la demande visée au § 2 bis, n'est pas contraire à l'intérêt du service si l'officier auxiliaire concerné est resté en service actif pendant toute la période de rendement visée à l'article [3 179 de la loi du 28 février 2007 précitée]3.
Aussi bien dans le cas exceptionnel expressément motivé visé à l'alinéa 1er, que dans le cas d'une demande de démission prenant effet après la période visée au § 2 ter, 1°, mais avant la fin de la période de rendement visée à l'article [3 179 de la loi du 28 février 2007 précitée]3, l'officier auxiliaire concerné obtient sa résiliation d'engagement au plus tard cinq ans après la décision de refus de la démission, pour autant qu'il n'ait pas formellement retiré sa demande de résiliation d'engagement.)
Le Roi détermine la composition de ces commissions, ainsi que la procédure à suivre devant elles.
La résiliation prononcée en application de l'alinéa 1er entraîne la perte du grade.
§ 2. [1 A tout moment, l'officier auxiliaire peut demander par écrit la résiliation de son engagement. Cette résiliation n'a d'effet que lorsqu'elle est acceptée par le Roi ou l'autorité qu'Il détermine.
La résiliation d'engagement [2 qui a été acceptée]2 prend effet, selon le cas :
1° au plus tard trois mois après la date d'introduction de la demande [3 , sauf si l'officier auxiliaire concerné demande une date ultérieure aux trois mois précités]3;
2° si l'intérêt du service l'exige afin de préserver les capacités opérationnelles des Forces armées, à la date fixée par le Roi ou l'autorité qu'Il détermine, mais au plus tard neuf mois après la date d'introduction de la demande]1.
§ 2bis. Le Roi ou l'autorité qu'il détermine peut refuser la demande s'Il estime qu'elle est contraire à l'intérêt du service.
§ 2ter. La résiliation d'engagement est toujours contraire à l'intérêt du service dans les cas suivants:
1° si l'officier auxiliaire concerné est resté en service actif durant moins de trois ans au cours de la période suivant la formation qui sert de base au calcul de la période de rendement visée à l'article [3 179 de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des Forces armées]3;
2° en cas de mobilisation;
3° en période de guerre [3 ou en période de crise]3;
4° si l'officier auxiliaire introduit sa demande alors qu'il se trouve en période de paix dans la sous-position "en engagement opérationnel" ou [3 fait effectivement partie d'un détachement qui se prépare]3 en vue de cet engagement.
(5° lorsque, en période de paix, la situation de crise est promulguée pour le cadre de réserve.)
§ 2 quater. Hormis les cas exceptionnels motivés expressément par le Roi ou l'autorité qu'il détermine, la demande visée au § 2 bis, n'est pas contraire à l'intérêt du service si l'officier auxiliaire concerné est resté en service actif pendant toute la période de rendement visée à l'article [3 179 de la loi du 28 février 2007 précitée]3.
Aussi bien dans le cas exceptionnel expressément motivé visé à l'alinéa 1er, que dans le cas d'une demande de démission prenant effet après la période visée au § 2 ter, 1°, mais avant la fin de la période de rendement visée à l'article [3 179 de la loi du 28 février 2007 précitée]3, l'officier auxiliaire concerné obtient sa résiliation d'engagement au plus tard cinq ans après la décision de refus de la démission, pour autant qu'il n'ait pas formellement retiré sa demande de résiliation d'engagement.)
Art. 9bis. [1 Behalve indien de volgende veroordelingen worden uitgesproken met uitstel en voor zover dit uitstel niet wordt herroepen, wordt de hulpofficier van ambtswege uit zijn ambt ontzet zonder de tussenkomst van een onderzoeksraad indien hij veroordeeld wordt overeenkomstig artikel 19 van het Strafwetboek of artikel 5 van het Militair Strafwetboek of tot de, zelfs tijdelijke, ontzetting uit één van de rechten bedoeld in artikel 31, 1° en 6°, van het Strafwetboek.]1
Art. 9bis. [1 Sauf si les condamnations suivantes sont prononcées avec sursis et pour autant que ce sursis ne soit pas révoqué, l'officier auxiliaire est démis d'office de son emploi sans l'intervention d'un conseil d'enquête s'il est condamné, conformément à l'article 19 du Code pénal ou à l'article 5 du Code pénal militaire ou à l'interdiction, même temporaire, d'un des droits visés à l'article 31, 1° et 6°, du Code pénal.]1
Änderungen
Art. 10. Indien de dienstverbintenis van de hulpofficier verbroken is wegens lichamelijke ongeschiktheid voor de vliegende dienst alleen of wegens beroepsonbekwaamheid, wordt de duur van de (werkelijke) dienst die de belanghebbende heeft volbracht, afgerekend van de dienstplichttermijn die hij verplicht is te volbrengen.
(Lid 2 impliciet opgeheven)
Indien de dienstverbintenis verbroken is wegens lichamelijke ongeschiktheid voor enige militaire dienst,wordt de belanghebbende geacht zijn militaire verplichtingen te hebben nagekomen.
(De bepalingen van dit artikel zijn slechts van toepassing op de dienstplichtigen van de lichting 1993 en van de daaraan voorafgaande lichtingen.)
(Lid 2 impliciet opgeheven)
Indien de dienstverbintenis verbroken is wegens lichamelijke ongeschiktheid voor enige militaire dienst,wordt de belanghebbende geacht zijn militaire verplichtingen te hebben nagekomen.
(De bepalingen van dit artikel zijn slechts van toepassing op de dienstplichtigen van de lichting 1993 en van de daaraan voorafgaande lichtingen.)
Art. 10. Si l'engagement de l'officier auxiliaire est résilié pour inaptitude physique au seul service navigant ou pour inaptitude professionnelle, la durée de service (actif) que l'intéressé a accompli est décomptée du terme de milice auquel il est astreint.
(Alinéa 2 implicitement abrogé)
Si l'engagement est résilié pour inaptitude physique à tout service militaire, l'intéressé est considéré comme ayant satisfait à ses obligations militaires.
(Les dispositions du présent article ne sont applicables qu'aux miliciens de la levée 1993 et des levées antérieures.)
(Alinéa 2 implicitement abrogé)
Si l'engagement est résilié pour inaptitude physique à tout service militaire, l'intéressé est considéré comme ayant satisfait à ses obligations militaires.
(Les dispositions du présent article ne sont applicables qu'aux miliciens de la levée 1993 et des levées antérieures.)
Art. 10bis. Zijn toepasselijk op de hulpofficieren, behalve indien ze onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze wet, alle wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het statuut van de beroepsofficieren.
[2 Voor zover deze bepalingen niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze wet of genomen in uitvoering van deze wet en voor zover de reglementaire bepalingen niet onverenigbaar zijn met de reglementaire bepalingen genomen in uitvoering van deze wet, zijn alle volgende wettelijke en reglementaire bepalingen, die van toepassing zijn op de kandidaat-beroepsmilitairen, toepasselijk op de kandidaat-hulpofficier :
1° de artikelen 21/1, eerste lid, 9°, en derde lid, 81, § 1, vierde en vijfde lid, 81/3, tweede lid, 3°, 102, eerste lid, 107, derde lid, en 108, tweede lid, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en de kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, die van toepassing zijn op de kandidaat-militair die geen achttien jaar oud is wanneer een periode van oorlog wordt afgekondigd;
2° de bepalingen die gelden bij de beoordeling van de professionele hoedanigheden, de karakteriële hoedanigheden, de morele hoedanigheden en de fysieke hoedanigheden vereist op het vlak van de fysieke conditie en op medisch gebied bedoeld in de artikelen 96, 97, 97/1, 97/2, 98, 98/1, 99, 100, 101, 101/1, 101/2, en 101/3 van de voornoemde wet van 28 februari 2007;
3° de bepalingen betreffende de inhouding op de wedde en de verbreking van de dienstneming en de wederdienstneming [3 ten gevolge van een onwettige afwezigheid van lange duur]3 bedoeld in de artikelen 54, 55, 59, en 156/4 van de voornoemde wet van 28 februari 2007.]2
[2 Voor zover deze bepalingen niet onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze wet of genomen in uitvoering van deze wet en voor zover de reglementaire bepalingen niet onverenigbaar zijn met de reglementaire bepalingen genomen in uitvoering van deze wet, zijn alle volgende wettelijke en reglementaire bepalingen, die van toepassing zijn op de kandidaat-beroepsmilitairen, toepasselijk op de kandidaat-hulpofficier :
1° de artikelen 21/1, eerste lid, 9°, en derde lid, 81, § 1, vierde en vijfde lid, 81/3, tweede lid, 3°, 102, eerste lid, 107, derde lid, en 108, tweede lid, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en de kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, die van toepassing zijn op de kandidaat-militair die geen achttien jaar oud is wanneer een periode van oorlog wordt afgekondigd;
2° de bepalingen die gelden bij de beoordeling van de professionele hoedanigheden, de karakteriële hoedanigheden, de morele hoedanigheden en de fysieke hoedanigheden vereist op het vlak van de fysieke conditie en op medisch gebied bedoeld in de artikelen 96, 97, 97/1, 97/2, 98, 98/1, 99, 100, 101, 101/1, 101/2, en 101/3 van de voornoemde wet van 28 februari 2007;
3° de bepalingen betreffende de inhouding op de wedde en de verbreking van de dienstneming en de wederdienstneming [3 ten gevolge van een onwettige afwezigheid van lange duur]3 bedoeld in de artikelen 54, 55, 59, en 156/4 van de voornoemde wet van 28 februari 2007.]2
Art. 10bis. Sont applicables aux officiers auxiliaires, sauf si elles sont incompatibles avec les dispositions de la présente loi, toutes les dispositions légales et réglementaires relatives au statut des officiers de carrière.
[2 Pour autant que ces dispositions ne soient pas incompatibles avec les dispositions de la présente loi ou prises en exécution de la présente loi et pour autant que les dispositions réglementaires ne soient pas incompatibles avec les dispositions réglementaires prises en exécution de la présente loi, toutes les dispositions législatives et réglementaires suivantes, applicables aux candidats militaires de carrière, sont applicables aux candidats officiers auxiliaires :
1° les articles 21/1, alinéas 1er, 9°, et 3, 81, § 1er, alinéas 4 et 5, 81/3, alinéa 2, 3°, 102, alinéa 1er, 107, alinéa 3, et 108, alinéa 2, de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des Forces armées, qui sont d'application au candidat âgé de moins de dix-huit ans lorsqu'une période de guerre est décrétée;
2° les dispositions qui s'appliquent à l'appréciation des qualités professionnelles, des qualités caractérielles, des qualités morales et des qualités physiques requises sur le plan de la condition physique et sur le plan médical visées aux articles 96, 97, 97/1, 97/2, 98, 98/1, 99, 100, 101, 101/1, 101/2, et 101/3 de la loi du 28 février 2007 précitée;
3° les dispositions relatives à la retenue sur le traitement et à la résiliation d'engagement ou de rengagement [3 à la suite d'une absence illégale de longue durée]3 visées aux articles 54, 55, 59, et 156/4 de la loi du 28 février 2007 précitée.]2
[2 Pour autant que ces dispositions ne soient pas incompatibles avec les dispositions de la présente loi ou prises en exécution de la présente loi et pour autant que les dispositions réglementaires ne soient pas incompatibles avec les dispositions réglementaires prises en exécution de la présente loi, toutes les dispositions législatives et réglementaires suivantes, applicables aux candidats militaires de carrière, sont applicables aux candidats officiers auxiliaires :
1° les articles 21/1, alinéas 1er, 9°, et 3, 81, § 1er, alinéas 4 et 5, 81/3, alinéa 2, 3°, 102, alinéa 1er, 107, alinéa 3, et 108, alinéa 2, de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des Forces armées, qui sont d'application au candidat âgé de moins de dix-huit ans lorsqu'une période de guerre est décrétée;
2° les dispositions qui s'appliquent à l'appréciation des qualités professionnelles, des qualités caractérielles, des qualités morales et des qualités physiques requises sur le plan de la condition physique et sur le plan médical visées aux articles 96, 97, 97/1, 97/2, 98, 98/1, 99, 100, 101, 101/1, 101/2, et 101/3 de la loi du 28 février 2007 précitée;
3° les dispositions relatives à la retenue sur le traitement et à la résiliation d'engagement ou de rengagement [3 à la suite d'une absence illégale de longue durée]3 visées aux articles 54, 55, 59, et 156/4 de la loi du 28 février 2007 précitée.]2
Art. 11. De bepalingen van de samengeordende wetten op de militaire pensioenen zijn toepasselijk op de hulpofficieren.
Art. 11. Les dispositions des lois coordonnées sur les pensions militaires s'appliquent aux officiers auxiliaires.
Art. 11bis. De minister van Landsverdediging kan de dienstneming van de hulpofficier die hierom vraagt een of meerdere malen met één jaar verlengen zonder dat de som van de verlengingen meer dan drie jaar bedraagt.
De Koning bepaalt de procedure en de nadere regels betreffende de verlenging van de dienstneming van de hulpofficier.
De Koning bepaalt de procedure en de nadere regels betreffende de verlenging van de dienstneming van de hulpofficier.
Art. 11bis. Le ministre de la Défense peut prolonger, une ou plusieurs fois d'un an, l'engagement de l'officier auxiliaire qui en fait la demande, sans que la somme des prolongations ne dépasse trois ans.
Le Roi fixe la procédure et les modalités relatives à prolongation de l'engagement de l'officier auxiliaire.
Le Roi fixe la procédure et les modalités relatives à prolongation de l'engagement de l'officier auxiliaire.
Art. 12. De hulpofficier wiens dienstneming eindigt indien hij minstens dertien jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier heeft recht op een vertrekgeld gelijk aan twintig maal zijn laatste volle bruto maandwedde.
Indien hij minstens veertien, vijftien of zestien jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier, heeft hij recht op een vertrekgeld gelijk aan respectievelijk tweeëntwintig, vierentwintig of zesentwintig maal zijn laatste volle bruto maandwedde.
Indien hij minstens veertien, vijftien of zestien jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier, heeft hij recht op een vertrekgeld gelijk aan respectievelijk tweeëntwintig, vierentwintig of zesentwintig maal zijn laatste volle bruto maandwedde.
Art. 12. L'officier auxiliaire, dont l'engagement prend fin, a droit, s'il a accompli au moins treize années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire, à un pécule de départ égal à vingt fois son dernier traitement mensuel brut.
S'il a accompli au moins quatorze, quinze ou seize années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire, il a droit à un pécule de départ égal respectivement à vingt-deux, vingt-quatre ou vingt-six fois son dernier traitement mensuel brut.
S'il a accompli au moins quatorze, quinze ou seize années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire, il a droit à un pécule de départ égal respectivement à vingt-deux, vingt-quatre ou vingt-six fois son dernier traitement mensuel brut.
Art. 13. § 1. In geval van dienstverbreking wegens lichamelijke ongeschiktheid, heeft de hulpofficier recht op een vertrekgeld, op voorwaarde dat de lichamelijke ongeschiktheid voortvloeit uit hetzij een ongeval overkomen in regelmatig uitgevoerde bevolen vliegdienst, hetzij uit een beroepsziekte waarvan de oorzaak of de verergering te wijten is aan de vliegdienst.
§ 2. (Wanneer de invaliditeitsgraad waarvoor het vergoedingspensioen wordt toegekend hoger is dan 50 %, is het bedrag van het vertrekgeld gelijk aan zesentwintig maal de laatste volle bruto maandwedde van de betrokken hulpofficier.
Wanneer de invaliditeitsgraad waarvoor het vergoedingspensioen wordt toegekend, gelijk is aan 50 %, is het bedrag van het vertrekgeld gelijk aan twintig maal de laatste volle bruto maandwedde van de betrokken hulpofficier indien hij minder dan dertien jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier. Indien hij minstens dertien, veertien of vijftien jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier is het bedrag van het vertrekgeld respectievelijk gelijk aan tweeëntwintig, vierentwintig of zesentwintig maal zijn laatste volle bruto maandwedde.
Wanneer de invaliditeitsgraad waarvoor het vergoedingspensioen wordt toegekend lager is dan 50 %, is het bedrag van het vertrekgeld gelijk aan twintig maal de laatste volle bruto maandwedde van de betrokken hulpofficier vermenigvuldigd met de verhouding tussen de invaliditeitsgraad en 50 %, of twintig maal zijn laatste volle bruto maandwedde, verhoogd met de som gelijk aan zes maal de laatste volle bruto maandwedde vermenigvuldigd met de verhouding tussen de invaliditeitsgraad en 50 %, volgens hij minder dan of minstens dertien jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier.)
§ 3. De beschikkingen van §§ 1 en 2 van onderhavig artikel zijn toepasselijk op de kandidaat-hulpofficier.
§ 2. (Wanneer de invaliditeitsgraad waarvoor het vergoedingspensioen wordt toegekend hoger is dan 50 %, is het bedrag van het vertrekgeld gelijk aan zesentwintig maal de laatste volle bruto maandwedde van de betrokken hulpofficier.
Wanneer de invaliditeitsgraad waarvoor het vergoedingspensioen wordt toegekend, gelijk is aan 50 %, is het bedrag van het vertrekgeld gelijk aan twintig maal de laatste volle bruto maandwedde van de betrokken hulpofficier indien hij minder dan dertien jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier. Indien hij minstens dertien, veertien of vijftien jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier is het bedrag van het vertrekgeld respectievelijk gelijk aan tweeëntwintig, vierentwintig of zesentwintig maal zijn laatste volle bruto maandwedde.
Wanneer de invaliditeitsgraad waarvoor het vergoedingspensioen wordt toegekend lager is dan 50 %, is het bedrag van het vertrekgeld gelijk aan twintig maal de laatste volle bruto maandwedde van de betrokken hulpofficier vermenigvuldigd met de verhouding tussen de invaliditeitsgraad en 50 %, of twintig maal zijn laatste volle bruto maandwedde, verhoogd met de som gelijk aan zes maal de laatste volle bruto maandwedde vermenigvuldigd met de verhouding tussen de invaliditeitsgraad en 50 %, volgens hij minder dan of minstens dertien jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier.)
§ 3. De beschikkingen van §§ 1 en 2 van onderhavig artikel zijn toepasselijk op de kandidaat-hulpofficier.
Art. 13. § 1er. En cas de résiliation de son engagement pour inaptitude physique, l'officier auxiliaire a droit à un pécule de départ à condition que l'inaptitude physique résulte soit d'un accident survenu en service aérien commandé et régulièrement exécuté, soit d'une maladie à caractère professionnel dont la cause ou l'aggravation est le fait du service aérien.
§ 2. (Lorsque le taux d'invalidité, pour lequel la pension de réparation est attribuée, est supérieur à 50 %, le montant du pécule de départ est égal à vingt-six fois le dernier traitement mensuel brut entier de l'officier auxiliaire concerné.
Lorsque le taux d'invalidité, pour lequel la pension de réparation est attribuée, est égal à 50 %, le montant du pécule de départ est égal à vingt fois le dernier traitement mensuel brut entier de l'officier auxiliaire concerné s'il a accompli moins de treize années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire. S'il a accompli au moins treize, quatorze ou quinze années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire, le montant du pécule de départ est égal respectivement à vingt-deux, vingt-quatre ou vingt-six fois son dernier traitement mensuel brut entier.
Lorsque le taux d'invalidité, pour lequel la pension de réparation est attribuée, est inférieur à 50 %, le montant du pécule de départ est égal à vingt fois le dernier traitement mensuel brut entier de l'officier auxiliaire concerné, multiplié par le rapport entre le taux d'invalidité et 50 %, ou vingt fois son dernier traitement mensuel brut entier, augmenté de la somme égale à six fois le dernier traitement mensuel brut entier multiplié par le rapport entre le taux d'invalidité et 50 %, selon qu'il a accompli moins ou au moins treize années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire.)
§ 3. Les dispositions des §§ 1er et 2 du présent article sont applicables au candidat officier auxiliaire.
§ 2. (Lorsque le taux d'invalidité, pour lequel la pension de réparation est attribuée, est supérieur à 50 %, le montant du pécule de départ est égal à vingt-six fois le dernier traitement mensuel brut entier de l'officier auxiliaire concerné.
Lorsque le taux d'invalidité, pour lequel la pension de réparation est attribuée, est égal à 50 %, le montant du pécule de départ est égal à vingt fois le dernier traitement mensuel brut entier de l'officier auxiliaire concerné s'il a accompli moins de treize années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire. S'il a accompli au moins treize, quatorze ou quinze années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire, le montant du pécule de départ est égal respectivement à vingt-deux, vingt-quatre ou vingt-six fois son dernier traitement mensuel brut entier.
Lorsque le taux d'invalidité, pour lequel la pension de réparation est attribuée, est inférieur à 50 %, le montant du pécule de départ est égal à vingt fois le dernier traitement mensuel brut entier de l'officier auxiliaire concerné, multiplié par le rapport entre le taux d'invalidité et 50 %, ou vingt fois son dernier traitement mensuel brut entier, augmenté de la somme égale à six fois le dernier traitement mensuel brut entier multiplié par le rapport entre le taux d'invalidité et 50 %, selon qu'il a accompli moins ou au moins treize années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire.)
§ 3. Les dispositions des §§ 1er et 2 du présent article sont applicables au candidat officier auxiliaire.
Art. 14. De rechthebbenden van een in dienst overleden kandidaat-hulpofficier of hulpofficier hebben geen recht op het vertrekgeld.
Art. 14. Les ayants droit d'un candidat officier auxiliaire ou d'un officier auxiliaire décédé en service n'ont pas droit au pécule.
Art. 15. § 1. Voor de duur van hun dienstverbintenis zijn de hulpofficier en de kandidaat-hulpofficier onderworpen aan de wetgeving betreffende de weduwen- en wezenpensioenen van het leger [1 ...]1.
(§ 2 opgeheven)
(§ 2 opgeheven)
Art. 15. § 1er. Pendant la durée de leur engagement, l'officier auxiliaire et le candidat officier auxiliaire sont soumis à la législation relative aux pensions des veuves et des orphelins de l'armée [1 ...]1.
(§ 2 abrogé)
(§ 2 abrogé)
Änderungen
Art. 16. Kan, op zijn aanvraag, worden opgenomen [1 als beroepsofficier van niveau A in de vakrichting waartoe hij behoort]1, de hulpofficier die de volgende voorwaarden vervult :
"1° [3 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen, geslaagd zijn in het examen over de grondige kennis van de Nederlandse of Franse taal bedoeld in artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;]3
"2° [3 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen, geslaagd zijn in het examen over de wezenlijke kennis van de andere taal bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;]3
"3° Nuttig gerangschikt zijn, met het oog op het begeven van het aantal plaatsen dat overeenkomstig artikel 17 wordt vastgesteld, volgens de regels die de Koning bepaalt;
"4° De bijkomende voorwaarden vervullen welke de Koning kan vaststellen.
"1° [3 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen, geslaagd zijn in het examen over de grondige kennis van de Nederlandse of Franse taal bedoeld in artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;]3
"2° [3 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen, geslaagd zijn in het examen over de wezenlijke kennis van de andere taal bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger;]3
"3° Nuttig gerangschikt zijn, met het oog op het begeven van het aantal plaatsen dat overeenkomstig artikel 17 wordt vastgesteld, volgens de regels die de Koning bepaalt;
"4° De bijkomende voorwaarden vervullen welke de Koning kan vaststellen.
Art. 16. Peut, à sa demande, être admis [1 comme officier de carrière du niveau A dans la filière de métiers à laquelle il appartient]1, l'officier auxiliaire qui remplit les conditions suivantes :
1° [3 avant la date de clôture des inscriptions, avoir réussi l'examen sur la connaissance approfondie de la langue française ou néerlandaise visé à l'article 2 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée;]3
2° [3 avant la date de clôture des inscriptions, avoir réussi l'examen sur la connaissance effective de l'autre langue, visé aux articles 3 et 4 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée;]3
3° Avoir été classé en ordre utile, en fonction du nombre de places fixé conformément à l'article 17, selon les règles déterminées par le Roi;
4° Remplir les conditions supplémentaires que le Roi peut fixer.
1° [3 avant la date de clôture des inscriptions, avoir réussi l'examen sur la connaissance approfondie de la langue française ou néerlandaise visé à l'article 2 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée;]3
2° [3 avant la date de clôture des inscriptions, avoir réussi l'examen sur la connaissance effective de l'autre langue, visé aux articles 3 et 4 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée;]3
3° Avoir été classé en ordre utile, en fonction du nombre de places fixé conformément à l'article 17, selon les règles déterminées par le Roi;
4° Remplir les conditions supplémentaires que le Roi peut fixer.
Art. 16bis. Kan, op zijn aanvraag, worden opgenomen [1 als beroepsofficier van niveau B in de vakrichting waartoe hij behoort]1, de hulpofficier die de volgende voorwaarden vervult :
1° Aanvaard worden door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 na gunstig te zijn voorgesteld door zijn hiëarchische chefs;
2° [3 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen, voldaan hebben bij de examens bedoeld in artikel 16, 1° en 2° ;]3
3° Volgens de regels die de Koning vaststelt nuttig gerangschikt zijn met het oog op het begeven van het aantal plaatsen dat overeenkomstig artikel 17 wordt vastgesteld.
1° Aanvaard worden door [2 de door de Koning aangewezen overheid]2 na gunstig te zijn voorgesteld door zijn hiëarchische chefs;
2° [3 vóór de afsluitingsdatum van de inschrijvingen, voldaan hebben bij de examens bedoeld in artikel 16, 1° en 2° ;]3
3° Volgens de regels die de Koning vaststelt nuttig gerangschikt zijn met het oog op het begeven van het aantal plaatsen dat overeenkomstig artikel 17 wordt vastgesteld.
Art. 16bis. Peut, à sa demande, être admis [1 comme officier de carrière du niveau B dans la filière de métiers à laquelle il appartient]1 , l'officier auxiliaire qui remplit les conditions suivantes :
1° Etre agréé par [2 l'autorité désignée par le Roi]2, après avoir été proposé favorablement par ses chefs hiérarchiques;
2° [3 avant la date de clôture des inscriptions, avoir satisfait aux épreuves visées à l'article 16, 1° et 2° ;]3
3° Avoir été classé en ordre utile, en fonction du nombre de places fixé conformément à l'article 17, selon les règles déterminées par le Roi.
1° Etre agréé par [2 l'autorité désignée par le Roi]2, après avoir été proposé favorablement par ses chefs hiérarchiques;
2° [3 avant la date de clôture des inscriptions, avoir satisfait aux épreuves visées à l'article 16, 1° et 2° ;]3
3° Avoir été classé en ordre utile, en fonction du nombre de places fixé conformément à l'article 17, selon les règles déterminées par le Roi.
Art. 17. Het aantal hulpofficieren die [1 als beroepsofficier van niveau A of beroepsofficier van niveau B]1 kunnen worden opgenomen, wordt jaarlijks door de Koning bepaald.
Art. 17. Le nombre d'officiers auxiliaires qui peuvent être admis [1 comme officier de carrière du niveau A ou officier de carrière du niveau B]1 est fixé annuellement par le Roi.
Art. 18. De Koning stelt de bepalingen vast tot regeling van de anciënniteit van de hulpofficier die opgenomen wordt [1 als beroepsofficier van niveau A of beroepsofficier van niveau B]1.
Art. 18. Le Roi fixe les dispositions réglant l'ancienneté de l'officier auxiliaire admis [1 comme officier de carrière du niveau A ou officier de carrière du niveau B]1.
Art. 19. Onverminderd de toepassing voor het vrouwelijk personeel, van de bepalingen van artikel 55 van de wet van 13 juli 1976, wordt de hulpofficier die niet [1 als beroepsofficier van niveau A of beroepsofficier van niveau B]1 werd opgenomen, op het einde van zijn dienstverbintenis, overgeplaatst naar het reservekader, met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad.
Art. 19. Sans préjudice de l'application, en ce qui concerne le personnel féminin, des dispositions de l'article 55 de la loi du 13 juillet 1976, l'officier auxiliaire qui n'a pas été admis [1 comme officier de carrière du niveau A ou officier de carrière du niveau B]1 est, à l'issue de son engagement, transféré dans le cadre de réserve, avec son grade et son ancienneté dans ce grade.
Art. 20. (Impliciet opgeheven)
Art. 20. (Implicitement abrogé)
Art. 21. § 1. Zo hij hiertoe een aanvraag indient binnen de twaalf maanden die volgen op de inwerkingtreding van dit artikel, bekomt de hulpofficier of de kandidaat-hulpofficier, aanvaard vóór de datum bepaald door de Koning, vanwege de Minister van Landsverdediging de verlenging van zijn dienstneming of van zijn bijkomende dienstneming die hem toelaat in werkelijke dienst te blijven gedurende een periode die gelijk is aan die welke vastgesteld is in [1 artikel 3]1. Ingeval hij die aanvraag niet indient, zijn de bepalingen van artikel 11bis op hem niet van toepassing.
De Koning bepaalt de procedure en de nadere regels betreffende de verlengingen bedoeld in het eerste lid.
§ 2. In afwijking van artikel 12, wordt het bedrag van het vertrekgeld van de hulpofficier en kandidaat-hulpofficier die vóór de door de Koning bepaalde datum, bedoeld in § 1, eerste lid, aanvaard werd, als volgt berekend :
1° hetzij vijfentwintig maal zijn laatste volle bruto maandwedde indien hij negen jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier;
2° hetzij vijftig maal zijn laatste volle bruto maandwedde indien hij twaalf jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier;
3° hetzij tweeënvijftig, vierenvijftig, zesenvijftig of achtenvijftig maal zijn laatste volle bruto maandwedde indien hij dertien, veertien, vijftien of zestien jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de kandidaat-hulpofficier.
§ 3. In afwijking van artikel 13, § 2, wordt het bedrag van het vertrekgeld, bedoeld in artikel 13, § 1, voor de hulpofficier en de kandidaat-hulpofficier die vóór de door de Koning bepaalde datum, bedoeld in § 1, eerste lid, aanvaard werd, als volgt bepaald :
1° wanneer de invaliditeitsgraad waarvoor het vergoedingspensioen wordt toegekend hoger is dan 50 %, is het vertrekgeld gelijk aan vijftig maal de laatste volle bruto maandwedde;
2° wanneer de invaliditeitsgraad waarvoor het vergoedingspensioen wordt toegekend, gelijk is aan 50 %, is het vertrekgeld gelijk aan vijftig maal of vijfentwintig maal de laatste volle bruto maandwedde, naargelang de duur van die volbrachte werkelijke dienst vanaf de aanvaarding als kandidaat-hulpofficier al dan niet negen jaar bereikt;
3° wanneer de invaliditeitsgraad waarvoor het vergoedingspensioen wordt toegekend kleiner is dan 50 %, is het vertrekgeld gelijk aan vijfentwintig maal de laatste volle bruto maandwedde verhoogd met de som, bekomen door de laatste volle bruto maandwedde vijfentwintig maal te vermenigvuldigen, met de verhouding tussen de invaliditeitsgraad en 50 %, of de laatste volle bruto maandwedde vijfentwintig maal te vermenigvuldigen met de verhouding tussen de invaliditeitsgraad en 50 %, naargelang de duur van die volbrachte werkelijke dienst vanaf de aanvaarding als kandidaat-hulpofficier al dan niet negen jaar bereikt.
De Koning bepaalt de procedure en de nadere regels betreffende de verlengingen bedoeld in het eerste lid.
§ 2. In afwijking van artikel 12, wordt het bedrag van het vertrekgeld van de hulpofficier en kandidaat-hulpofficier die vóór de door de Koning bepaalde datum, bedoeld in § 1, eerste lid, aanvaard werd, als volgt berekend :
1° hetzij vijfentwintig maal zijn laatste volle bruto maandwedde indien hij negen jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier;
2° hetzij vijftig maal zijn laatste volle bruto maandwedde indien hij twaalf jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier;
3° hetzij tweeënvijftig, vierenvijftig, zesenvijftig of achtenvijftig maal zijn laatste volle bruto maandwedde indien hij dertien, veertien, vijftien of zestien jaar werkelijke dienst volbracht heeft sedert zijn aanvaarding als kandidaat-hulpofficier.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de kandidaat-hulpofficier.
§ 3. In afwijking van artikel 13, § 2, wordt het bedrag van het vertrekgeld, bedoeld in artikel 13, § 1, voor de hulpofficier en de kandidaat-hulpofficier die vóór de door de Koning bepaalde datum, bedoeld in § 1, eerste lid, aanvaard werd, als volgt bepaald :
1° wanneer de invaliditeitsgraad waarvoor het vergoedingspensioen wordt toegekend hoger is dan 50 %, is het vertrekgeld gelijk aan vijftig maal de laatste volle bruto maandwedde;
2° wanneer de invaliditeitsgraad waarvoor het vergoedingspensioen wordt toegekend, gelijk is aan 50 %, is het vertrekgeld gelijk aan vijftig maal of vijfentwintig maal de laatste volle bruto maandwedde, naargelang de duur van die volbrachte werkelijke dienst vanaf de aanvaarding als kandidaat-hulpofficier al dan niet negen jaar bereikt;
3° wanneer de invaliditeitsgraad waarvoor het vergoedingspensioen wordt toegekend kleiner is dan 50 %, is het vertrekgeld gelijk aan vijfentwintig maal de laatste volle bruto maandwedde verhoogd met de som, bekomen door de laatste volle bruto maandwedde vijfentwintig maal te vermenigvuldigen, met de verhouding tussen de invaliditeitsgraad en 50 %, of de laatste volle bruto maandwedde vijfentwintig maal te vermenigvuldigen met de verhouding tussen de invaliditeitsgraad en 50 %, naargelang de duur van die volbrachte werkelijke dienst vanaf de aanvaarding als kandidaat-hulpofficier al dan niet negen jaar bereikt.
Art. 21. § 1er. Pour autant qu'il en introduise la demande dans les douze mois qui suivent l'entrée en vigueur du présent article, l'officier auxiliaire ou le candidat-officier auxiliaire, agréé avant la date fixée par le Roi, obtient, du Ministre de la Défense, la prolongation de son engagement ou de son engagement complémentaire lui permettant de rester en service actif pour une période identique à celle fixée à l'[1 article 3]1. Dans le cas où il n'introduit pas cette demande, les dispositions de l'article 11bis ne lui sont pas applicables.
Le Roi fixe la procédure et les modalités relatives aux prolongations visées à l'alinéa 1er.
§ 2. En dérogation à l'article 12, l'officier auxiliaire, agréé avant la date fixée par le Roi, visée au § 1er, alinéa 1er, dont l'engagement prend fin, a droit à un pécule de départ, dont le montant est calculé comme suit :
1° soit vingt-cinq fois son dernier [1 traitement mensuel brut]1 entier s'il a accompli neuf années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire;
2° soit cinquante fois son dernier [1 traitement mensuel brut]1 entier s'il a accompli douze années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire;
3° soit cinquante-deux, cinquante-quatre, cinquante-six, cinquante-huit fois son dernier [1 traitement mensuel brut]1 entier s'il a accompli respectivement treize, quatorze, quinze ou seize années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire.
Les dispositions du présent article sont applicables au candidat-officier auxiliaire.
§ 3. En dérogation à l'article 13, § 2, pour l'officier auxiliaire et le candidat-officier auxiliaire, agréé avant la date fixée par le Roi, visée au § 1er, alinéa 1er, le montant du pécule de départ, visé à l'article 13, alinéa 1er, est calculé comme suit :
1° lorsque le taux d'invalidité, pour lequel la pension de réparation est attribuée, est supérieur à 50 %, le pécule de départ est égal à cinquante fois le dernier [1 traitement mensuel brut]1 entier;
2° lorsque le taux d'invalidité, pour lequel la pension de réparation est attribuée, est égal à 50 %, le pécule de départ est égal à cinquante fois ou à vingt-cinq fois le dernier [1 traitement mensuel brut]1 entier, selon que la durée du service actif accompli depuis l'agrément comme candidat-officier auxiliaire atteint ou non neuf années;
3° lorsque le taux d'invalidité, pour lequel la pension de réparation est attribuée, est inférieur à 50 %, le pécule de départ est égal à la somme obtenue en multipliant vingt-cinq fois le dernier [1 traitement mensuel brut]1 entier augmenté de la somme obtenue en multipliant vingt-cinq fois le dernier traitement brut entier par le rapport entre le taux d'invalidité et 50 %, ou vingt-cinq fois le dernier traitement brut entier par le rapport entre le taux d'invalidité et 50 %, selon que la durée du service actif accompli depuis l'agrément comme candidat-officier auxiliaire atteint ou non neuf années.
Le Roi fixe la procédure et les modalités relatives aux prolongations visées à l'alinéa 1er.
§ 2. En dérogation à l'article 12, l'officier auxiliaire, agréé avant la date fixée par le Roi, visée au § 1er, alinéa 1er, dont l'engagement prend fin, a droit à un pécule de départ, dont le montant est calculé comme suit :
1° soit vingt-cinq fois son dernier [1 traitement mensuel brut]1 entier s'il a accompli neuf années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire;
2° soit cinquante fois son dernier [1 traitement mensuel brut]1 entier s'il a accompli douze années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire;
3° soit cinquante-deux, cinquante-quatre, cinquante-six, cinquante-huit fois son dernier [1 traitement mensuel brut]1 entier s'il a accompli respectivement treize, quatorze, quinze ou seize années de service actif depuis son agrément comme candidat-officier auxiliaire.
Les dispositions du présent article sont applicables au candidat-officier auxiliaire.
§ 3. En dérogation à l'article 13, § 2, pour l'officier auxiliaire et le candidat-officier auxiliaire, agréé avant la date fixée par le Roi, visée au § 1er, alinéa 1er, le montant du pécule de départ, visé à l'article 13, alinéa 1er, est calculé comme suit :
1° lorsque le taux d'invalidité, pour lequel la pension de réparation est attribuée, est supérieur à 50 %, le pécule de départ est égal à cinquante fois le dernier [1 traitement mensuel brut]1 entier;
2° lorsque le taux d'invalidité, pour lequel la pension de réparation est attribuée, est égal à 50 %, le pécule de départ est égal à cinquante fois ou à vingt-cinq fois le dernier [1 traitement mensuel brut]1 entier, selon que la durée du service actif accompli depuis l'agrément comme candidat-officier auxiliaire atteint ou non neuf années;
3° lorsque le taux d'invalidité, pour lequel la pension de réparation est attribuée, est inférieur à 50 %, le pécule de départ est égal à la somme obtenue en multipliant vingt-cinq fois le dernier [1 traitement mensuel brut]1 entier augmenté de la somme obtenue en multipliant vingt-cinq fois le dernier traitement brut entier par le rapport entre le taux d'invalidité et 50 %, ou vingt-cinq fois le dernier traitement brut entier par le rapport entre le taux d'invalidité et 50 %, selon que la durée du service actif accompli depuis l'agrément comme candidat-officier auxiliaire atteint ou non neuf années.
Art. 22. Onderhavige wet treedt in werking de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel bekleed en door het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt worde.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel bekleed en door het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt worde.
Art. 22. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.