Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
12 JULI 1957. - Wet betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden (Opgeheven met uitzondering van art. 14bis, 20, 22, 25, en 28; bij KB nr. 50 van 24-10-1967, art. 75, §3, 4°; doch blijft verder de pensioenen beheersen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan vóór 01-01-1968). (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-02-1981 en tekstbijwerking tot 23-03-2016)
Titre
12 JUILLET 1957. - Loi relative à la pension de retraite et de survie des employés. (Abrogée à l'exception des art. 14bis, 20, 22, 25, et 28, par ARN50 du 24-10-1967, art. 75, § 3, 4°, mais continue de régir les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois avant le 1-1-1968) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 14-02-1981 et mise à jour au 23-03-2016)
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (48)
Texte (48)
HOOFDSTUK I_ Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier_ Dispositions générales.
Artikel 1. Doel dezer wet is een regeling te treffen:
  1° (Voor de rustpensioenen en ouderdomsrenten ten voordele van de werknemers die in België tewerkgesteld zijn geweest ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst voor bedienden;)
  2° Voor de uitkeringen bij overlijden ten voordele van de weduwen der werknemers waarvan sprake sub 1°.
  Deze wet is niet toepasselijk op de bedienden die onderworpen zijn aan een pensioenregeling getroffen bij of krachtens een andere wet, bij een provinciaal reglement of door (N.M.B.S. Holding) [1 of HR Rail]1; hetzelfde geldt voor de weduwen van deze werknemers. <KB 2004-10-18/32, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (Voor de toepassing van deze wet worden met bedienden gelijkgesteld de beroepsjournalisten, de werknemers bedoeld in artikel 2bis van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, evenals de andere personen die hun diensten verhuren en onderworpen zijn aan deze besluitwet voor zover hun prestaties van intellectuele aard zijn.)
  
Article 1. La présente loi a pour objet d'organiser un régime:
  1° (De pensions de retraite et de rentes de vieillesse au profit des travailleurs ayant été occupés en Belgique en exécution d'un contrat d'emploi); <L 22-2-1960, art. 1>
  2° De prestations en cas de décès au profit des veuves des travailleurs dont il est question au 1°.
  Ne tombent pas sous l'application de la présente loi, les employés qui sont soumis à un régime de pension établi par ou en vertu d'une autre loi, par un règlement provincial ou par la (S.N.C.B. Holding) [1 ou HR Rail]1; il en est de même des veuves de ces travailleurs. <AR 2004-10-18/32, art. 11, 005; En vigueur : 01-01-2005>
  (Sont assimilés aux employés pour l'application de la présente loi, les journalistes professionnels, les travailleurs visés à l'article 2bis de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, de même que les autres personnes qui louent leurs services et qui sont assujetties à cet arrêté-loi, pour autant que leurs prestations soient de nature intellectuelle.) <L 15-4-1965, art. 2.>
  
Art.2. § 1. (De werkgever bepaalt, onder zijn verantwoordelijkheid of een werknemer aangeworven is op grond van een dergelijke overeenkomst.
  Het staat hem vrij de arbeidsrechtbank van de plaats waar de onderneming die de werknemer tewerkstelt is gevestigd, te verzoeken zich te dien opzichte over diens hoedanigheid uit te spreken.
  De beslissing heeft in dit geval uitwerking de dag waarop de werknemer in dienst van de werkgever is getreden.
  De beslissing is vatbaar voor hoger beroep.)
  § 2. De mogelijkheid om, overeenkomstig de bepalingen van § 1, de zaak bij de (arbeidsrechtbank) aanhangig te maken bestaat eveneens voor de werknemer die de hem door de werkgever toegekende hoedanigheid van bediende betwist of deze hoedanigheid opeist. Nochtans heeft (het vonnis) in dat geval slechts uitwerking de dag van de aanvraag, behalve wanneer zij werd ingediend binnen zes maanden te rekenen van de eerste loonuitbetaling.
Art.2. § 1er. (L'employeur détermine sous sa responsabilité si un travailleur est engagé dans les liens d'un tel contrat.
  Il lui est loisible de demander au tribunal du travail du lieu ou est établie l'entreprise occupant le travailleur de se prononcer à cet égard sur la qualité de celui-ci.
  La décision sort, en ce cas, ses effets au jour ou le travailleur est entré au service de l'employeur.
  La décision est susceptible d'appel.)
  § 2. La faculté de saisir le (tribunal du travail) conformément aux dispositions du § 1er appartient également au travailleur qui conteste la qualité d'employé que l'employeur lui attribue ou qui la revendique. Toutefois, en ce cas, (le jugement) n'a d'effet qu'au jour de la requête, à moins que celle-ci n'ait été présentée dans les six mois à dater du premier paiement de la rémunération. <L 10-10-1967, art. 3, art. 73, § 2.>
Art.3. § 1. (Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 4, wordt het rustpensioen berekend in functie zowel van de loopbaan van de bediende als van de bruto-bezoldigingen die deze tijdens zijn loopbaan verdiend heeft (en die op een individuele rekening moeten worden gebracht). Met het deel van de jaarlijkse bezoldiging boven de 96 000 frank wordt geen rekening gehouden. (Om perioden van tewerkstelling als bediende na 31 december 1944, waarvoor het bij artikel 14, 2°, beoogde bewijs niet kan worden geleverd, in aanmerking te kunnen doen nemen voor de vaststelling van het pensioenbedrag, kan de Koning de te betalen bijdragen bepalen, evenals door wie, aan welke instelling en onder welke voorwaarden deze moeten worden betaald.))
  Ieder jaar ontvangt de bediende, op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, een uittreksel uit zijn individuele rekening.
  De Koning bepaalt welke perioden van inactiviteit gelijkgesteld worden met de perioden van activiteit die in de loopbaan vervat zijn. Hij bepaalt de fictieve bezoldigingen voor deze perioden, evenals de forfaitaire bezoldigingen die in de plaats moeten gesteld worden van de werkelijke bezoldigingen in de gevallen door hem te bepalen.
  § 2. Het overlevingspensioen en de aanpassingsvergoeding worden berekend in functie van de hoogste werkelijke, fictieve of forfaitaire brutojaarbezoldiging van de bediende, eventueel rekening gehouden met de (beperking) gesteld in § 1, lid 1.
  § 3. Voor de berekening van het rustpensioen, het overlevingspensioen en de aanpassingsvergoeding wordt de bezoldiging van het jaar tijdens hetwelk die uitkeringen ingaan, niet in aanmerking genomen.
Art.3. § 1er. (Sous réserve des dispositions de l'article 4, la pension de retraite est calculée tant en fonction de la carrière de l'employé que des rémunérations brutes qu'il a pro-méritées au cours de celle-ci (et qui doivent être inscrites à un compte individuel). Il n'est pas tenu compte de la partie de la rémunération annuelle dépassant 96.000 francs. (Afin de permettre la prise en considération pour la fixation du montant de la pension de périodes d'occupation comme employé, postérieures au 31 décembre 1944, pour lesquelles la preuve visée à l'article 14, 2°, ne peut être fournie, le Roi peut fixer les cotisations à payer, et déterminer par qui, à quelle institution et sous quelles conditions elles doivent être payées.)) <L 22-2-1960, art. 2, § 1> <L 13-6-1966, art. 11> <L 27-12-1973, art. 7>
  Chaque année, à une époque à déterminer par arrêté royal, l'employé reçoit un extrait de son compte individuel.
  Le Roi détermine les périodes d'inactivité assimilées aux périodes d'activité que comprend la carrière. Il fixe les rémunérations fictives afférentes à ces périodes ainsi que les rémunérations forfaitaires qui doivent être substituées aux rémunérations réelles dans le cas qu'il détermine.
  § 2. La pension de survie et l'indemnité d'adaptation sont calculées en fonction de la rémunération annuelle brute, réelle, fictive ou forfaitaire la plus élevée de l'employé, compte tenu, éventuellement (de la limitation prévue) au § 1er, alinéa 1er. <L 22-2-1960, art. 2, § 2>
  § 3. Pour le calcul de la pension de retraite, de la pension de survie ou de l'indemnité d'adaptation, la rémunération afférente à l'année au cours de laquelle ces prestations prennent cours n'est pas prise en considération.
Art.4. § 1. Voor de berekening van de rustpensioenen ingaande vóór 1 januari 1957 wordt de bezoldiging vastgesteld volgens het ingaan der rechten en voor elk jaar van tewerkstelling begrepen in zijn loopbaan, overeenkomstig de bij deze wet gevoegde tabel 1.
  Voor de berekening van de rustpensioenen ingaande vanaf 1 januari 1957, wordt de bezoldiging van de bediende voor elk in zijn loopbaan begrepen jaar van tewerkstelling, vastgesteld op 58 667 frank indien het een gehuwd man betreft die aan de bij artikel 10, § 1, lid 4, b, gestelde eisen voldoet, op 58 000 frank indien het een ander gerechtigde van het mannelijk geslacht betreft, en op 53 000 frank indien het een gerechtigde van het vrouwelijk geslacht betreft.
  Het bedrag van 58 667 frank wordt door het bedrag van 58 000 frank vervangen, of omgekeerd, wanneer de gerechtigden van categorie veranderen.
  Voor de berekening der pensioenen ingaande vanaf 1 januari 1958, en uitsluitend voor de jaren van tewerkstelling die deze datum voorafgaan, worden de in het tweede lid vermelde bedragen respectievelijk gebracht op 60 000 frank voor de eerste twee en op 54 166 frank voor het derde.
  § 2. Voor de berekening van de overlevingspensioenen ingaande vóór 1 januari 1957, wordt de bezoldiging van de overleden echtgenoot, voor elk jaar van tewerkstelling begrepen in zijn loopbaan, vastgesteld overeenkomstig de bij deze wet gevoegde tabel II.
  Voor de berekening van de overlevingspensioenen, ingaande vanaf 1 januari 1957, wordt de bezoldiging van de overleden echtgenoot voor elk jaar van tewerkstelling begrepen in zijn loopbaan, op 73 333 frank vastgesteld.
  Voor de berekening van de overlevingspensioenen ingaande vanaf 1 januari 1958 en uitsluitend voor de jaren van tewerkstelling die deze datum voorafgaan, wordt dat bedrag op 75 000 frank gebracht.
  De in deze paragraaf beoogde bedragen worden eveneens in aanmerking genomen voor de berekening der aanpassingsvergoedingen, respectievelijk in 1957 of vanaf 1 januari 1958 uitbetaald.
Art.4. § 1er. Pour le calcul des pensions de retraite prenant cours avant le 1er janvier 1957, la rémunération d'un employé est fixée, selon l'époque d'ouverture du droit et pour chacune des années d'occupation comprises dans sa carrière, conformément au tableau 1 annexé à la présente loi.
  Pour le calcul des pensions de retraite prenant cours à partir du 1er janvier 1957, la rémunération d'un employé est fixée, pour chacune des années d'occupation comprises dans sa carrière, à 58 667 francs s'il s'agit d'un homme marié se trouvant dans les conditions fixées à l'article 10, § 1er, alinéa 4, b, à 58 000 francs s'il s'agit d'un autre bénéficiaire du sexe masculin et à 53 000 francs s'il s'agit d'un bénéficiaire du sexe féminin.
  Les taux de 58 667 francs et 58 000 francs se substituent l'un à l'autre lorsque les bénéficiaires changent de catégorie.
  Pour le calcul des pensions de retraite prenant cours à partir du 1er janvier 1958 et pour les années d'occupation antérieures à cette date seulement, les sommes prévues à l'alinéa 2 sont portées respectivement, les deux premières à 60 000 francs et la troisième à 54 166 francs.
  § 2. Pour le calcul des pensions de survie prenant cours avant le 1er janvier 1957, la rémunération du mari défunt est fixée pour chacune des années d'occupation comprises dans sa carrière conformément au tableau II annexé à la présente loi.
  Pour le calcul des pensions de survie prenant cours à partir du 1er janvier 1957, la rémunération du mari défunt est fixée pour chacune des années d'occupation comprises dans sa carrière à 73 333 francs.
  Pour le calcul des pensions de survie prenant cours à partir du 1er janvier 1958 et pour les années d'occupation antérieures à cette date seulement, cette somme est portée à 75 000 francs.
  Les taux visés au présent paragraphe sont également pris en considération pour le calcul des indemnités d'adaptation payées respectivement en 1957 ou à partir du 1er janvier 1958.
Art.5. (Uitgezonderd in de gevallen en onder de voorwaarden door de Koning bepaald, zijn het rust- en overlevingspensioen slechts uitbetaalbaar zo de gerechtigde geen beroepsarbeid uitoefent en zo hij geen vergoeding geniet wegens ziekte, invaliditeit of onvrijwillige werkloosheid bij toepassing van een Belgische of van een buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid.)
  (Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 30 worden de uitkeringen, behalve de ouderdomsrente en de overlevingsrente, waarin onderscheidenlijk bij de artikelen 14bis en 15bis is voorzien, niet verstrekt aan gerechtigden van vreemde nationaliteit die niet werkelijk in België verblijven.
  De erkende vluchtelingen als bedoeld in de wet van 28 maart 1952 op de vreemdelingenpolitie worden, voor de toepassing van voorgaand lid, geacht niet van vreemde nationaliteit te zijn.
  De Koning bepaalt wat moet verstaan worden onder werkelijk verblijf. In afwijking van het eerste lid kan Hij bepalen voor welke gerechtigden van vreemde nationaliteit en in welke gevallen de verplichting om in België te verblijven niet vereist is.)
Art.5. <L 22-2-1960, art. 3> (Sauf dans les cas et sous les conditions déterminées par le Roi, la pension de retraite et la pension de survie ne sont payables que si le bénéficiaire n'exerce pas d'activité professionnelle et s'il ne jouit pas d'une indemnité pour cause de maladie, d'invalidité ou de chômage involontaire, par application d'une législation de sécurité sociale belge ou étrangère.) <L 27-7-1971, art. 3>
  (Sous réserve des dispositions de l'article 30, les prestations, hormis la rente de vieillesse et la rente de survie, prévues respectivement aux articles 14bis et 15bis, ne sont pas fournies aux bénéficiaires de nationalité étrangère qui ne résident pas effectivement en Belgique.
  Les réfugiés reconnus au sens de la loi du 28 mars 1952 sur la police des étrangers sont, pour l'application de l'alinéa précédent, supposés ne pas être de nationalité étrangère.
  Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par résidence effective. Par dérogation à l'alinéa 1er, Il peut déterminer pour quels bénéficiaires de nationalité étrangère et dans quels cas l'obligation de résider en Belgique n'est pas requise.) <L 5-6-1970, art. 13>
Art.6. § 1. Elke betaling van een uitkering ingevolge deze wet, behalve de ouderdomsrente waarvan sprake in artikel 14bis en de overlevingsrente waarvan sprake in artikel 15bis, wordt geacht te omvatten het voorschot van de termijnen van elke rente, gevestigd door de verplichte stortingen, verricht bij toepassing van de wet van 18 juni 1930 betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood der bedienden:
  1° Voor de gerechtigden op een rustpensioen, tot de bedragen, door de Koning te bepalen, van de theoretische ouderdomsrente die met hun geboortejaar overeenstemt.
  In geval van toepassing van artikel 10, § 1, tweede lid, wordt de in aanmerking te nemen theoretische rente berekend door het bedrag van de theoretische rente, overeenstemmend met het geboortejaar van de aanvrager, te vermenigvuldigen met de verminderingscoëfficiënt die wegens vervroeging toepasselijk is op de ouderdomsrente, zoals deze coëfficiënt bepaald is in de tarieven die voor de Nationale Kas voor bediendenpensioenen werden vastgesteld ter uitvoering van de wet van 18 juni 1930;
  2° Voor de gerechtigden op een overlevingspensioen, ten belope van de door de Koning te bepalen bedragen van de theoretische weduwerente welke met het geboortejaar van de overleden echtgenoot overeenstemt;
  3° Voor de gerechtigden op een aanpassingsvergoeding, ten bedrage van één of twee annuiteiten der theoretische weduwerente, in 2° van deze paragraaf bedoeld, naargelang het bedrag der aanpassingsvergoeding gelijk is aan één of twee annuiteiten van het overlevingspensioen.
  Binnen de perken van het eerste lid, treedt de Nationale Kas voor bediendenpensioenen in de plaats van de rentegerechtigde ten opzichte van de verzekeringsinstelling waarbij de rente is gevestigd.
  Wanneer de door een gerechtigde bij een verzekeringsinstelling gevestigde rente, verhoogd met de rijksbijdrage, hoger is dan de hierboven bedoelde theoretische rente, wordt het verschil tussen de twee bedragen aan de belanghebbenden betaald.
  § 2. (Elke uitbetaling van een rust- of overlevingspensioen wordt geacht het voorschot te omvatten van de termijnen van elke rente waarin bij artikel 14bis van deze wet, gewijzigd bij die van 3 april 1962, is voorzien.)
  De Nationale Kas voor bediendenpensioenen treedt in de plaats van de gerechtigde op deze rente, ten opzichte van de verzekeringsinstelling waarbij de rente is gevestigd.
  Wanneer de ouderdomsrente bij toepassing van artikel 14bis, § 1, tweede lid, ingaat vóór het rustpensioen, wordt dit pensioen verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen, enerzijds, het bedrag van de ouderdomsrente die de betrokkene zou hebben bekomen, indien hij had gevraagd de rente te ontvangen op de leeftijd waarop zijn rustpensioen is ingegaan, en, anderzijds, het bedrag van de ouderdomsrente die hij vervroegd heeft bekomen.
  Wanneer de gepensioneerde overeenkomstig artikel 14bis, § 1, derde lid, de uitbetaling in geld van de gekapitaliseerde waarde van de ouderdomsrente heeft bekomen, wordt het rustpensioen verminderd met het bedrag van de rente die met die gekapitaliseerde waarde overeenstemt.
Art.6. <L 22-2-1960, art. 4> § 1er. Chaque paiement d'une prestation de la présente loi, hormis la rente de vieillesse prévue à l'article 14bis et la rente de survie prévue à l'article 15bis, est censé comporter l'avance des arrérages de toute rente constituée par des versements obligatoires effectués en application de la loi du 18 juin 1930 relative à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré des employés:
  1° Pour les bénéficiaires d'une pension de retraite, jusqu'à concurrence des taux de la rente théorique de vieillesse correspondant à leur année de naissance tels qu'ils sont fixés par le Roi.
  En cas d'application de l'article 10, § 1er, deuxième alinéa, la rente théorique à prendre en considération est déterminée en affectant le montant de la rente théorique afférente à l'année de naissance du demandeur, du coefficient de réduction applicable à la rente de vieillesse du fait de son anticipation, tel qu'il est fixé par les tarifs établis pour la Caisse nationale de pensions pour employés en application de la loi du 18 juin 1930;
  2° Pour les bénéficiaires d'une pension de survie, jusqu'à concurrence des taux de la rente théorique de veuve correspondant à l'année de naissance du conjoint décédé, tels qu'ils sont fixés par le Roi.
  3° Pour les bénéficiaires d'une indemnité d'adaptation, jusqu'à concurrence d'une ou de deux annuités de la rente théorique de veuve prévue au 2° du présent paragraphe, selon que le montant de l'indemnité d'adaptation est égal à une ou à deux annuités de la pension de survie.
  Dans les limites de l'alinéa premier, la Caisse nationale des pensions pour employés est subrogée dans les droits du titulaire de la rente vis-à-vis de l'organisme d'assurance en mains duquel elle a été constituée.
  Lorsque la rente constituée par un bénéficiaire auprès d'un organisme d'assurance, augmentée de la contribution de l'Etat, est supérieure à la rente théorique visée ci-dessus, la différence entre les deux montants est payée à l'intéressé.
  § 2. (Chaque paiement d'une pension de retraite ou de survie est censé comporter l'avance des arrérages de toute rente prévue à l'article 14bis de la présente loi, modifié par celle du 3 avril 1962.) <L 28-5-1971, art. 26.>
  La Caisse nationale des pensions pour employés est subrogée dans les droits du titulaire de cette rente vis-à-vis de l'organisme d'assurance en mains duquel elle a été constituée.
  Lorsque par application de l'article 14bis, § 1er, deuxième alinéa, la rente de vieillesse prend cours antérieurement à la pension de retraite, cette pension est diminuée d'un montant égal à la différence entre, d'une part, le montant de la rente de vieillesse que l'intéressé aurait obtenue s'il en avait demandé le bénéfice à l'âge auquel sa pension de retraite a pris cours et, d'autre part, le montant de la rente de vieillesse qu'il a obtenue anticipativement.
  Lorsque, par application de l'article 14bis, § 1er, troisième alinéa, le pensionné a obtenu le paiement en espèces de la valeur capitalisée de la rente de vieillesse, la pension de retraite est diminuée du montant de la rente correspondant à cette valeur capitalisée.
Art.7. (opgeheven)
Art.7. (abrogé) <L 22-2-1960, art. 17.>
Art.8. De Koning bepaalt:
  1° In welke gevallen de tewerkstelling in België, bedoeld bij artikel 1, lid 1, 1°, niet vereist is of vrijstelling kan worden verleend door de Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg;
  2° De speciale toepassingsmodaliteiten van deze wet voor de beroepsjournalisten, de leden van het onderwijzend personeel verbonden aan een private onderwijsinstelling, de personen die in België, bij toepassing van een arbeidersovereenkomst, het beroep van kunstenaar uitoefenen, en voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart;
  3° Onder welke voorwaarden een deel van het rustpensioen toegekend wordt aan de feitelijk of van tafel en bed gescheiden echtelieden. Hij bepaalt ook het bedrag van dit deel;
  4° In welke mate de uitkeringen ingevolge deze wet kunnen verminderd worden voor de personen van vreemde nationaliteit;
  5° De uitbetalingsmodaliteiten;
  6° De procedure voor indiening en onderzoek van de gevallen ter toepassing van artikel 2 aan de werkrechtersraden voorgelegd.
  7° (onder welke voorwaarden de bediende of zijn weduwe de gelijkstelling met perioden van tewerkstelling kan bekomen voor de perioden tijdens welke hij, van de eerste januari van het jaar af waarin hij de leeftijd van twintig jaar bereikt, studiën heeft gedaan; Hij kan bepalen welke activiteiten van educatieve of vormende aard als studiën beschouwd worden; Hij kan eveneens de voorwaarden en regelen bepalen volgens welke de betaalde bijdragen eventueel kunnen terugbetaald worden.)
  8° (...)
  De Koning kan, volgens de modaliteiten die hij bepaalt, het genot van de bij deze wet ingevoerde regeling uitbreiden tot andere personen dan die beoogd in artikel 1, lid 1, alsook tot hun weduwen, met uitzondering evenwel van de personen onderworpen aan een pensioenregeling getroffen bij of krachtens een wet, bij een provinciaal reglement of door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.
  Hij kan het niet verplichte voordeel van de bij deze wet ingestelde regeling uitbreiden tot gewezen bedienden evenals tot de echtgenoten van bedienden of van gewezen bedienden.
Art.8. Le Roi détermine:
  1° Les cas dans lesquels la condition d'occupation en Belgique, visée à l'article 1er, 1er alinéa, 1°, n'est pas requise ou dans lesquels il peut être accordé dispense par le Ministre;
  2° Les modalités spéciales d'application de la présente loi aux journalistes professionnels, aux membres du personnel enseignant attachés à un établissement d'enseignement privé, aux personnes qui exercent, en Belgique, en exécution d'un contrat de louage de travail, la profession d'artiste, et au personnel naviguant de l'aviation civile;
  3° Les conditions d'octroi d'une part de la pension de retraite aux conjoints séparés de fait ou de corps ainsi que l'importance de cette part;
  4° La proportion dans laquelle les prestations de la présente loi peuvent être réduites pour les personnes de nationalité étrangère;
  5° Les modalités de paiement des prestations;
  6° La procédure à suivre pour l'introduction et l'instruction des affaires soumises aux conseils de prud'hommes en application de l'article 2;
  7° (sous quelles conditions l'employé ou sa veuve peut obtenir l'assimilation à des périodes d'occupation des périodes pendant lesquelles il a, à partir du 1er janvier de l'année pendant laquelle il atteint l'âge de vingt ans, fait des études; Il peut déterminer quelles activités de nature éducative ou formative sont considérées comme études; Il peut déterminer également les conditions et règles selon lesquelles les cotisations payées peuvent éventuellement être remboursées.) <L 27-7-1971, art. 4, 1°.>
  8° (...) <L 27-7-1971, art. 4, 2°.>
  Le Roi peut, suivant les modalités qu'il détermine, étendre le bénéfice du régime établi par la présente loi à d'autres personnes que celles visées à l'article 1er, 1er alinéa, ainsi qu'à leurs veuves, à l'exception, toutefois, des personnes soumises à un régime de pension établi par ou en vertu d'une loi, par un règlement provincial ou par la Société nationale des Chemins de fer belges.
  Il peut notamment étendre le bénéfice facultatif du régime établi par la présente loi à d'anciens employés ainsi qu'aux épouses d'employés ou d'anciens employés.
Art.9. § 1. De bezoldigingen bedoeld in artikel 3, met inbegrip van die bedoeld in artikel 4, worden bij het vaststellen van het rust- of overlevingspensioen in aanmerking genomen voor een geherwaardeerd jaarbedrag.
  (Te dien einde worden zij vermenigvuldigd met een coëfficiënt; de coëfficiënt, toepasselijk op de bezoldigingen van een bepaald jaar, wordt bekomen door het indexcijfer der consumptieprijzen waaraan de lopende pensioenen worden uitbetaald te delen door het gemiddelde der maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het beschouwde jaar.
  Wanneer de bij het vorig lid bedoelde bezoldigingen betrekking hebben op een jaar waarvoor een indexcijfer der kleinhandelsprijzen werd gepubliceerd, wordt de omzetting hiervan in indexcijfer der consumptieprijzen bekomen door het indexcijfer der kleinhandelsprijzen te vermenigvuldigen met de coëfficiënt 0,77)
  (De Koning bepaalt nochtans de regelen van herwaardering van het bedrag der bezoldigingen vastgesteld overeenkomstig de regelen bedoeld bij artikel 7, § 4, 4°, van de wet van 3 april 1962.)
  Ingeval de coëfficiënt kleiner is dan 1 wordt hij op dit cijfer gesteld.
  § 2. (De bedragen van de rust- en overlevingspensioenen, alsmede de bedragen van de prestaties die bij toepassing van artikel 35, § 3, voor de gerechtigden worden behouden, met uitzondering evenwel van de renten en toelagen verworven overeenkomstig de artikelen 14 en 50 tot 55 van de wet van 18 juni 1930 tot herziening der wet van 10 maart 1925 op de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood der bedienden, veranderen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
  Op welke datum het pensioen ook ingaat, het wordt beschouwd als zijnde gekoppeld aan de spilindex waaraan de lopende pensioenen worden uitbetaald.
  De bepalingen van het eerste lid zijn niet toepasselijk op de bij artikel 14bis vastgestelde renten.)
  § 3. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel.
Art.9. § 1er. Les rémunérations visées à l'article 3, et en ce compris celles visées à l'article 4, sont prises en considération au moment de la fixation de la pension de retraite ou de survie pour un montant annuel réévalué.
  A cet effet, elles sont multipliées par un coefficient; le coefficient, applicable aux rémunérations d'une année déterminée, est obtenu en divisant l'indice des prix à la consommation auquel les pensions en cours sont payées par la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation de l'année envisagée.
  Lorsque les rémunérations visées à l'alinéa précédent sont afférentes à une année pour laquelle un indice des prix de détail a été publié, la conversion de celui-ci en indice des prix à la consommation s'obtient en multipliant l'indice des prix de détail par le coefficient 0,77.) <AR 8-11-1971, art. 6, 1°>
  (Le Roi détermine toutefois les règles de réévaluation du montant des rémunérations fixées conformément aux règles visées à l'article 7, § 4, 4°, de la loi du 3 avril 1962.) <L 13-6-1966, art. 12.>
  Au cas ou le coefficient est inférieur à 1, il sera porté à ce taux.
  § 2. (Les montants des pensions de retraite et de survie ainsi que les montants des prestations qui sont maintenues à leurs bénéficiaires en application de l'article 35, § 3, à l'exception toutefois des rentes et des allocations acquises en vertu des articles 14 et 50 à 55 de la loi du 18 juin 1930 portant révision de la loi du 10 mars 1925 relative à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré des employés, varient conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
  Quelle que soit la date à laquelle la pension prend cours, elle est considérée comme étant rattachée à l'indice-pivot auquel les pensions en cours sont payées.
  Les dispositions de l'alinéa 1er ne sont pas applicables aux rentes prévues à l'article 14bis.) <AR 8-11-1971, art. 6, 2°>
  § 3. Le Roi fixe les modalités d'application du présent article.
HOOFDSTUK II. _ Rustpensioenen en ouderdomsrente.
CHAPITRE II. _ De la pension de retraite et de la rente de vieillesse.
Art.10. § 1. Het rustpensioen gaat in de eerste dag van de maand welke volgt op die waarin de betrokkene het aanvraagt, en ten vroegste de eerste dag van de maand welke volgt op die waarin hij 65 jaar werd, indien het een man betreft, en 60 jaar indien het een vrouw betreft.
  Op verzoek van de betrokkene kan het evenwel ingaan binnen vijf jaar vóór bedoelde leeftijden; in dat geval wordt het met 5 t.h. per jaar vervroeging verlaagd. (Indien het genot van het pensioen vervroegd wordt aangevraagd, is de toe te passen verminderingscoëfficiënt die welke overeenkomt met de bereikte leeftijd van de aanvrager op het ogenblik dat het pensioen ingaat.)
  Het pensioen wordt berekend in verhouding tot het aantal kalenderjaren gedurende welke een werkelijk, fictief of forfaitair loon wordt toegekend, overeenkomstig de artikelen 3, § 1, en 4, en die de loopbaan van de bediende uitmaken. Het recht op pensioen wordt ieder jaar voor 1/45 voor de mannen en 1/40 voor de vrouwen verkregen.
  Het op ieder jaar betrekking hebbende loon wordt in aanmerking genomen ten bedrage van:
  a) Ten minste 60 t.h. voor al de bedienden, gehuwd of ongehuwd;
  b) 75 t.h. voor de bedienden wier echtgenote elke beroepsbezigheid, behalve gelegenheidswerk, heeft gestaakt, en die geen rust- of overlevingspensioen of geen als zodanig geldend voordeel of geen der vergoedingen en uitkeringen als bedoeld in artikel 5, lid 1, geniet.
  § 2. Indien de loopbaan meer dan vijf en veertig jaar voor de man en meer dan veertig jaar voor de vrouw omvat, worden enkel in aanmerking genomen de lonen die betrekking hebben op de vijf en veertig of de veertig gunstigste jaren.
  § 3. Voor het ingaan van het recht op het rustpensioen wordt het bewijs van een tewerkstelling vóór 1 januari 1926 niet toegelaten.
  (Wanneer elk van de echtgenoten in het bestek van deze wet aanspraak kan maken op een rustpensioen, wordt geen rekening gehouden met artikel 11 om de loopbaan van de echtgenote te bepalen.
  De aanvraag, ingediend door een echtgenoot, brengt van ambtswege de herziening mede van het vroeger aan de andere echtgenoot toegekende pensioenbedrag.
  Behalve in het geval waarin haar rustpensioen ingegaan is vóór de leeftijd van 60 jaar, kan de echtgenote van het genot van haar rustpensioen afstand doen voor al de jaren van haar loopbaan, ten einde het mogelijk te maken al de jaren van de loopbaan van haar echtgenoot in aanmerking te nemen ten belope van het bedrag voorzien in § 1, vierde lid, b. Deze afstand heeft evenwel geen uitwerking op de subrogatie van de rente bedoeld in artikel 6 van deze wet, noch op het rust- of ouderdomspensioen dat verschuldigd is krachtens een wetgeving inzake sociale zekerheid van een vreemd land; het bedrag van dit pensioen wordt afgetrokken van het pensioen van de echtgenoot berekend op het bedrag voorzien in § 1, vierde lid, b.)
Art.10. § 1er. La pension de retraite prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'intéressé en fait la demande, et au plus tôt le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il a atteint l'âge de 65 ans s'il s'agit d'un homme et de 60 ans s'il s'agit d'une femme.
  Toutefois, à la demande de l'intéressé, elle peut prendre cours dans la période de cinq années qui précède les âges susvisés; dans ce cas, elle est réduite de 5 p.c. par année d'anticipation. (Si le bénéfice de la pension est demandé anticipativement, le coefficient de réduction applicable est celui afférent à l'âge accompli du demandeur au moment de la prise de cours de la pension.) <L 11-6-1964.>
  La pension est calculée en fonction du nombre d'années civiles au cours desquelles une rémunération réelle, fictive ou forfaitaire est attribuée conformément aux articles 3, § 1er, et 4, et qui constituent la carrière de l'employé. Le droit à la pension est acquis à raison de 1/45 pour les hommes et 1/40 pour les femmes, chaque année.
  Pour chaque année, la rémunération afférente à celle-ci est prise en considération à raison de:
  a) 60 p.c. au minimum pour tous les employés, mariés ou non.
  b) 75 p.c. pour les employés dont l'épouse a cessé toute activité professionnelle autre qu'un travail occasionnel et ne jouit pas d'une pension de retraite et de survie ou d'un avantage en tenant lieu ou de l'une des indemnités et allocations visées à l'article 5, alinéa 1er.
  § 2. (Lorsque la carrière comprend un nombre d'années supérieur à quarante-cinq pour l'homme et à quarante pour la femme, seules les rémunérations afférentes aux quarante-cinq ou quarante années les plus avantageuses sont prises en considération.
  § 3. Pour l'ouverture du droit à la pension de retraite, la preuve d'une occupation au travail antérieurement au 1er janvier 1926 n'est pas admise.
  Lorsque deux conjoints peuvent prétendre chacun une pension de retraite dans le cadre de la présente loi, il n'est pas tenu compte de l'article 11 pour déterminer la carrière de l'épouse.
  La demande introduite par un conjoint entraîne d'office la révision du montant de la pension précédemment octroyée à l'autre conjoint.
  Hormis le cas ou sa pension de retraite a pris cours avant l'âge de 60 ans, l'épouse peut renoncer à la jouissance de sa pension de retraite pour toutes les années de sa carrière en vue de permettre la prise en considération de toutes les années de carrière de son mari au taux prévu au § 1er, alinéa 4, b. Cette renonciation ne produit toutefois pas d'effets sur la subrogation de rente visée à l'article 6 de la présente loi, ni sur la pension de retraite ou de vieillesse due en vertu d'une législation de sécurité sociale d'un pays étranger; le montant de cette pension est déduit du montant de la pension du mari calculé au taux prévu au § 1er, alinéa 4, b.)
Art.11. § 1. De bediende die op de bij artikel 14, 2°, bedoelde wijze aantoont gewoonlijk en hoofdzakelijk tewerkgesteld te zijn geweest overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van deze wet, of de uitvoeringsbesluiten ervan, gedurende de gehele periode van de datum van inwerkingtreding dezer wet tot zijn vijf en zestigste of zestigste verjaardag, naargelang het een man of een vrouw betreft, of tot de datum van zijn vervroegde pensioenaanvraag, wordt geacht een loopbaan van vijf en veertig jaar, of veertig jaar naargelang het een man of een vrouw betreft, te hebben volbracht. Evenwel, zolang deze wet niet ten minste vijftien jaar toegepast is, worden zoveel jaren van vóór de inwerkingtreding van deze wet daaraan toegevoegd als nodig is om tot de vereiste vijftien achtereenvolgende jaren te komen.
  Ten behoeve van de bedienden die vóór de inwerkingtreding van deze wet of in de jaren 1957 tot 1961 de pensioengerechtigde leeftijd bereiken of een vervroegd pensioen verkrijgen, bepaalt de Koning voor hoeveel jaren _ minder dan vijftien doch niet minder dan twaalf _ zij moeten kunnen aantonen tewerkgesteld te zijn geweest in het kader van eerste lid van deze paragraaf om geacht te worden een volledige loopbaan te hebben vervuld. Hij bepaalt eventueel het deel van hun loopbaan waarin deze jaren moeten vallen.
  § 2. De bediende die aantoont dat hij overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, gewoonlijk en hoofdzakelijk tewerkgesteld was gedurende een kortere periode dan vereist is bij artikel 10, en die niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in § 1 van dit artikel, wordt niettemin geacht blijk te hebben gegeven van een volledige loopbaan van vijf en veertig of veertig jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft, indien hij voor de gehele periode die ten vroegste op 1 januari 1926 begint en hoogstens de vijf en veertig of veertig opeenvolgende jaren omvat welke onmiddellijk voorafgaan aan zijn vijf en zestigste of zestigste verjaardag of aan de datum waarop het vervroegd pensioen wordt uitbetaald, bewijst dat hij, achtereenvolgens of afwisselend:
  Hetzij tewerkgesteld is geweest als bepaald in artikel 1, eerste lid, van deze wet of in de uitvoeringsbesluiten ervan;
  Hetzij een betrekking heeft gehad krachtens welke hij onderworpen was aan één der pensioenregelingen getroffen bij of krachtens een wet, bij een provinciaal reglement of door (N.M.B.S. Holding) [1 of HR Rail]1, of aan de pensioenregeling van de koloniale bedienden; <KB 2004-10-18/32, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  Hetzij als zelfstandige heeft gewerkt.
  § 3. De bediende die niet voor de vereiste volledige periode beantwoordt aan de bij § 2 van dit artikel gestelde voorwaarden, doch wel voor ten minste twee derden dezer periode, wordt geacht blijk te hebben gegeven van een gedeeltelijke loopbaan overeenstemmend met een gedeelte der volledige loopbaan dat evenredig is met het gedeelte der volledige loopbaan waarvan blijk wordt gegeven. Wanneer evenwel in dat geval het pensioen wordt genomen na 1 januari 1962, moet het volledig gedeelte van de loopbaan, dat na deze datum valt, verantwoord worden.
  
Art.11. § 1er. L'employé qui justifie de la manière prévue à l'article 14, 2°, avoir été occupé habituellement et en ordre principal conformément à l'article 1er, alinéa 1er, de la présente loi ou à ses arrêtés d'exécution pendant toute la période allant de la date d'entrée en vigueur de la présente loi jusqu'à son soixante-cinquième ou soixantième anniversaire de naissance selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme ou jusqu'à la date de sa demande anticipée de pension, est censé justifier de l'accomplissement d'une carrière de quarante-cinq ou de quarante années, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme. Toutefois, aussi longtemps que la loi n'est pas entrée en vigueur depuis quinze années au moins, il y a lieu d'ajouter les années antérieures à la date d'entrée en vigueur de la présente loi nécessaires pour obtenir quinze années consécutives.
  Pour les employés qui atteignent l'âge de la pension ou qui en obtiennent anticipativement le paiement, soit avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi, soit au cours des années 1957 à 1961, le Roi détermine le nombre d'années inférieur à quinze, douze au moins, pour lesquelles il leur suffira de justifier d'une occupation dans le cadre de l'alinéa premier du présent paragraphe pour être censés justifier d'une carrière complète. Il détermine éventuellement la partie de leur carrière au cours de laquelle ces années doivent se situer.
  § 2. L'employé qui justifie avoir été occupé habituellement et en ordre principal conformément à l'article 1er, premier alinéa, de la présente loi ou à ses arrêtés d'exécution pendant une période plus courte que celle qui est exigée par l'article 10 et qui ne répond pas aux conditions fixées par le § 1er du présent article, est néanmoins censé justifier d'une carrière complète de quarante-cinq ou quarante ans, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme, si pour toute la période commençant au plus tôt le 1er janvier 1926 et comprenant au plus les quarante-cinq ou quarante années consécutives précédent immédiatement son soixante-cinquième ou son soixantième anniversaire ou encore la date à laquelle il obtient le paiement anticipé de sa pension, il justifie avoir exercé successivement ou alternativement:
  _ soit une occupation visée à l'article 1er, premier alinéa, de la présente loi ou à ses arrêtés d'exécution;
  - soit une occupation en vertu de laquelle il a été assujetti à l'un de régimes de pension, établi par ou en vertu d'une loi, par un règlement provincial, par la (S.N.C.B. Holding) [1 , ou HR Rail]1, ou au régime de pension des employés coloniaux; <AR 2004-10-18/32, art. 11, 005; En vigueur : 01-01-2005>
  - soit à une occupation comme travailleur indépendant.
  § 3. L'employé qui ne justifie pas des conditions exigées par le § 2 du présent article pendant toute la période requise, mais qui en justifie pour les deux tiers au moins de cette période, est censé justifier d'une carrière partielle correspondant à une part de la carrière complète proportionnelle à la partie pour laquelle une justification est fournie. Toutefois, lorsque, dans ce cas, la pension est prise après le 1er janvier 1962, cette justification doit porter sur toute la partie de la carrière postérieure à cette date.
  
Art.12. § 1. De werknemer die het genot van een rustpensioen aanvraagt en die aan de andere kant een rente of toelage geniet krachtens een Belgische _ moederlandse of koloniale _ of een buitenlandse wetgeving betreffende het herstel der schade voortspruitende uit arbeidsongevallen of beroepsziekten, kan tevens vragen dat, voor de ingang van zijn recht, rekening wordt gehouden met de duur van zijn blijvende ongeschiktheid en dat, voor de berekening van het pensioenbedrag, de bezoldiging die als basis heeft gediend voor de vaststelling van zijn toelage of rente, verlaagd tot hetzelfde percentage als dat van de arbeidsongeschiktheid, wordt gelijkgesteld met een werkelijke bezoldiging, onverminderd de vaststelling van een voordeliger forfaitaire bezoldiging.
  In dat geval wordt het pensioenbedrag verminderd met de rente of de toelage die bij toepassing van de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen en de beroepsziekten wordt betaald, onder de voorwaarden en binnen de grenzen gesteld door de Koning.
  § 2. Het rustpensioen, toegekend aan een bediende die onder artikel 11 valt, wordt berekend met inachtneming van het aantal jaren, vijf en veertig of veertig, naargelang het een man of een vrouw betreft, verminderd met het aantal jaren waarvoor hij een pensioen of enig ander als pensioen geldend voordeel kan genieten krachtens een regeling in zake rust- of overlevingspensioen waarbij uitkeringen worden toegekend naar verhouding van werkelijke of veronderstelde jaren van gewone of hoofdzakelijke tewerkstelling, inzonderheid van de pensioenregeling voor arbeiders, voor mijnwerkers, voor zeelieden, voor zelfstandigen, van een der regelingen beoogd bij artikel 1, lid 2, of van de pensioenregeling der koloniale bedienden.
  Deze vermindering wordt niet toegepast wanneer de in aanmerking genomen jaren samenvallen met jaren waarvoor de gewone of hoofdzakelijke tewerkstelling, overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van deze wet, werkelijk bewezen is. Zij wordt evenmin toegepast wanneer het pensioen of het voordeel, toegekend krachtens de andere regeling in zake rust- of overlevingspensioen, verleend wordt wegens bezigheden die van bijkomstige aard zijn en de door de Koning bepaalde grenzen niet te buiten gaan.
  § 3. Invaliditeits- of vergoedingspensioenen, frontstreeprenten en renten wegens krijgsgevangenschap alsook renten welke verbonden zijn aan een nationale orde, wegens een oorlogshandeling, verhinderen in geen geval de toekenning of de uitbetaling van het rustpensioen, het overlevingspensioen of de aanpassingsvergoeding, bedoeld in deze wet.
Art.12. § 1er. Le travailleur qui demande le bénéfice d'une pension de retraite et qui est, d'autre part, bénéficiaire d'une rente ou allocation accordée en vertu d'une législation belge, métropolitaine ou coloniale, ou étrangère, relative à la réparation des dommages résultant des accidents du travail ou des maladies professionnelles, peut en même temps demander que pour l'ouverture de son droit, il soit tenu compte de la durée de son incapacité permanente et que pour le calcul du montant de sa pension, la rémunération ayant servi de base à la fixation de son allocation ou de sa rente, réduite à la proportion du taux de l'incapacité de travail, soit assimilée à une rémunération réelle, sans préjudice à la fixation d'une rémunération forfaitaire plus favorable.
  Dans ce cas, le montant de la pension sera réduit du montant de la rente ou allocation payée en application de la législation relative aux accidents du travail et aux maladies professionnelles, dans les conditions et limites déterminées par le Roi.
  § 2. Le montant de la pension de retraite accordée à un employé qui bénéficie des dispositions de l'article 11 est fixé en prenant en considération le nombre d'années, quarante-cinq ou quarante, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme, diminué du nombre de celles à raison desquelles il est admis à bénéficier d'une pension ou de tout autre avantage tenant lieu de pension, en vertu d'un régime de retraite ou de survie accordant des prestations en fonctions d'années d'occupations habituelles ou en ordre principal, réelles ou présumées, et notamment du régime de pension des ouvriers, des ouvriers mineurs, des marins, des travailleurs indépendants, de l'un des régimes visés à l'article 1er, alinéa 2, ou du régime de pension des employés coloniaux.
  Cette diminution n'est pas opérée lorsque les années envisagées coïncident avec des années pour lesquelles l'occupation habituelle et en ordre principal, conformément à l'article 1er, premier alinéa, de la présente loi, est effectivement justifiée. Il en est de même lorsque la pension ou l'avantage accordé en vertu de l'autre régime de retraite ou de survie est octroyé en vertu d'occupations effectuées à titre accessoire et ne dépassent pas les limites déterminées par le Roi.
  § 3. Les pensions d'invalidité ou de réparation, les rentes de chevrons de front et de captivité ainsi que les rentes attachées à un ordre national, pour fait de guerre, ne portent en aucune circonstance préjudice à l'octroi ou au paiement de la pension de retraite, de la pension de survie ou de l'indemnité d'adaptation prévues par la présente loi.
Art.13. Indien de in artikel 11, §§ 2 en 3, bedoelde bediende geen recht heeft op het rustpensioen of enig ander voordeel dat als pensioen geldt of dat het rustpensioen ingevolge een der in artikel 11, § 2, beoogde regelingen uitmaakt, en waarvan hij onderworpen is geweest, moet het bestuur of de instelling, belast met het beheer van die pensioenregeling, aan de Nationale Kas voor Bediendenpensioenen een som betalen gelijk aan het totaal bedrag van de werknemers- en werkgeversbijdragen voor bedienden als bepaald in de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders inzake ouderdomspensioenen, en in de vroegere wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood der bedienden, als ware de werknemer aan die wetten onderworpen geweest en niet aan de bovenstaande pensioenregelingen.
  In dat geval is het bestuur of de instelling ontslagen van iedere toekomstige verplichting jegens de bediende en zijn rechthebbenden.
  (Indien de weduwe van een in artikel 11, §§ 2 en 3, bedoelde arbeider, geen recht heeft op het overlevingspensioen of op enig ander voordeel dat als overlevingspensioen geldt of dat het overlevingspensioen uitmaakt waarvan sprake in een van de in die bepalingen bedoelde pensioenregelingen en waarvan haar echtgenoot onderworpen is geweest, moet het bestuur of de instelling, belast met het beheer van die pensioenregeling, bij de Nationale Kas voor bediendenpensioenen een som afdragen gelijk aan de helft van het totaal bedrag van de persoonlijke en werkgeversbijdragen als bepaald in de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders inzake ouderdomspensioenen, en in de vroegere wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, als ware haar echtgenoot aan die wet onderworpen geweest en niet aan de bovenstaande pensioenregelingen.
  In dat geval is het bestuur of de instelling ontslagen van iedere toekomstige verplichting jegens de rechthebbenden van de arbeider en wordt de tewerkstelling ingevolge welke hij aan bedoelde pensioenregeling onderworpen is geweest gelijkgesteld met een tewerkstelling overeenkomstig artikel 1, lid 1, van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan.)
Art.13. Si l'employé visé à l'article 11, §§ 2 et 3, n'a pas droit à la pension de retraite ou à tout autre avantage tenant lieu de pension ou formant la pension de retraite prévue par l'un des régimes visés à l'article 11, § 2, et auquel il a été soumis, l'administration ou l'institution chargée de la gestion de ce régime de pension est tenue de verser à la Caisse nationale des Pensions pour Employés une somme égale au montant total des cotisations personnelles et patronales pour employés, prévues par l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs en ce qui concerne les pensions de vieillesse et par les lois antérieures relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré des employés, comme si le travailleur avait été soumis à ces lois et non aux régimes des pensions ci-dessus.
  Dans ce cas, l'administration ou l'institution est déchargée de toute obligation future à l'égard du travailleur et de ses ayants droit.
  (Si la veuve d'un travailleur visé à l'article 11, §§ 2 et 3, n'a pas droit à une pension de survie ou à tout autre avantage en tenant lieu ou formant la pension de survie prévue par l'un des régimes visés par ces dispositions et auquel son conjoint a été assujetti, l'administration ou l'institution chargée de la gestion de ce régime de pension est tenue de verser à la Caisse nationale des pensions pour employés une somme égale à la moitié du montant total des cotisations personnelles et patronales prévues par l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs en ce qui concerne les pensions de vieillesse et par les lois antérieures relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, comme si son conjoint avait été soumis à cette loi et non aux régimes des pensions ci-dessus
  Dans ce cas, l'administration ou l'institution est déchargée de toute obligation future à l'égard des ayants droit du travailleur, et l'occupation en vertu de laquelle il a été assujetti au régime de pension visé est assimilée à une occupation, conformément à l'article 1er, premier alinéa de la présente loi ou à ses arrêtés d'exécution.) <L 18-2-1959, art. 1er.>
Art.14. De Koning bepaalt:
  1° Wat verstaan wordt onder "gewone bezigheden" en "hoofdbezigheid" in de zin van deze wet;
  2° Op welke manier het bewijs wordt geleverd van een op rustpensioen rechtgevende bezigheid;
  3° Onder welke voorwaarden rekening moet gehouden worden:
  a) Voor het ingaan van het recht op het rustpensioen der bedienden, met de jaren tijdens welke zij in een aangrenzend land onderworpen waren aan een verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom;
  b) Met de pensioenen door een in een aangrenzend land geldende verzekeringsregeling tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom toegekend, hetzij aan de werknemer zelf, hetzij aan zijn echtgenoot;
  4° De personen voor wie, bij de vaststelling van het pensioen, rekening mag worden gehouden met een forfaitaire bezoldiging die gunstiger is dan de werkelijke bezoldiging en het bedrag van deze forfaitaire bezoldiging of de regelen op grond waarvan zij bepaald kan worden;
  5° De voorwaarden waaronder de paritaire comité's bepalen:
  a) De bijzonder ongezonde beroepen;
  b) In voorkomend geval, de bijzondere regelen volgens welke, voor die beroepen, de pensioengerechtigde leeftijd en het bedrag van de in aanmerking te nemen lonen bepaald worden;
  c) De wijze waarop de uit de toepassing van voormelde regelen voortvloeiende financiële last gedragen wordt.
  De Koning kan voor sommige categorieën van bedienden, inzonderheid voor die beoogd in artikel 8, 2°, bijzondere regelen stellen wat betreft het ingaan van het recht op pensioen, en onder meer die betreffende de pensioengerechtigde leeftijd of de in aanmerking te nemen bezoldigingen en, eventueel, de wijze waarop de uit de toepassing van deze regelen voortvloeiende financiële last gedragen wordt.
  De Koning kan eveneens bij in Ministerraad overlegd besluit, voor elke categorie van onder deze wet vallende gerechtigden op een statuut van nationale erkentelijkheid, de voorwaarden bepalen waaronder zij het vervroegde rustpensioen kunnen aanvragen, de wijze van berekening van het pensioen en de wijze waarop de financiële last wordt gedragen welke voortvloeit uit de toepassing van de regelen die Hij bepaalt.
  (Een overeenkomstige macht als deze die beoogd is in het derde lid, wordt aan de Koning gegeven ten gunste van de burgerlijke oorlogsinvaliden die geen houder zijn van een statuut van nationale erkentelijkheid.)
Art.14. Le Roi détermine:
  1° Ce qu'il faut entendre par "occupations habituelles" et "occupation en ordre principal", au sens de la présente loi;
  2° La manière dont est administrée la preuve d'une occupation donnant ouverture au droit à la pension de retraite;
  3° Les conditions dans lesquelles il doit être tenu compte:
  a) Pour l'ouverture des droits à la pension de retraite des employés, des années au cours desquelles ceux-ci ont été soumis à un régime d'assurance en vue de la vieillesse d'un pays limitrophe;
  b) Des pensions accordées par un régime d'assurance en vue de la vieillesse en vigueur dans un pays limitrophe soit au travailleur lui-même, soit à son conjoint;
  4° Les personnes pour lesquelles il peut être tenu compte, pour la fixation de la pension, d'une rémunération forfaitaire plus favorable que la rémunération réelle et le montant de cette rémunération forfaitaire ou les règles en application desquelles il peut être établi;
  5° Les conditions dans lesquelles les commissions paritaires déterminent:
  a) Les métiers particulièrement insalubres;
  b) Le cas échéant, les règles spéciales suivant lesquelles, pour ces métiers, sont fixés l'âge de la pension et le montant des rémunérations à prendre en considération;
  c) La façon dont sera supportée la charge financière qui résulterait de l'application des règles susdites.
  Le Roi peut pour certaines catégories d'employés, notamment celles visées à l'article 8, 2°, déterminer des règles spéciales pour l'ouverture du droit à la pension et notamment celles relatives à l'âge de la pension ou aux rémunérations à prendre en considération et, éventuellement, la façon dont sera supportée la charge financière qui résulterait de l'application de ces règles.
  Le Roi peut également, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer pour chaque catégorie de bénéficiaires d'un statut de reconnaissance nationale assujetti à la présente loi, les conditions dans lesquelles ceux-ci sont admis à demander la retraite anticipée, le mode de calcul de la pension et la façon dont serait supportée la charge financière résultant de l'application des règles qu'il fixe.
  (Un pouvoir analogue à celui qui est visé à l'alinéa trois est donné au Roi en faveur des invalides civils de la guerre non titulaires d'un statut de reconnaissance nationale.) <L 2-7-1976, art. 8>
Art. 14bis.
  § 1. Het gedeelte van de bijdrage van de bediende dat, in toepassing van artikel 22, § 1, (zoals het luidde vóór zijn wijziging door het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers), wordt gestort aan de door de bediende gekozen verzekeringsinstelling, wordt volgens een door de Koning vastgesteld tarief, bestemd voor de verzekering van een ouderdomsrente ten behoeve van de bediende alsmede van een weduwenrente ten behoeve van zijn weduwe.
  § 2. De ouderdomsrente gaat in de eerste dag van de maand welke volgt op die in de loop waarvan de bediende de leeftijd bereikt van 65 of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft.
  Op verzoek van belanghebbende, kan evenwel de ouderdomsrente ingaan ten vroegste de eerste dag van de maand welke volgt op die in de loop waarvan de bediende de leeftijd van 60 of 55 jaar bereikt, naargelang het een man of een vrouw betreft. In dat geval, wordt de rente verminderd overeenkomstig een bij koninklijk besluit vastgesteld tarief.
  (De mannelijke gerechtigde op een ouderdomsrente, die ingaat op de leeftijd van 65 jaar, kan, op zijn verzoek, op het ogenblik dat zijn rechten ingaan, hetzij de uitbetaling in geld bekomen van ten hoogste drie zevenden van het gecumuleerde bedrag van de contante waarde van zijn rente en van de contante waarde van de hypothetische weduwenrente, hetzij de omzetting in lijfrente te zijnen voordele bekomen, overeenkomstig een door de Koning vastgestelde schaal, van ten hoogste drie zevenden van de contante waarde van de hypothetische weduwenrente.
  De vrouwelijke gerechtigde op een ouderdomsrente, die ingaat op de leeftijd van 60 jaar, kan, op haar verzoek, de uitbetaling in geld bekomen van ten hoogste drie zevenden van de contante waarde van haar rente.)
  § 3. (De weduwenrente is gelijk aan 40 pct. van de aan de man toegekende ouderdomsrente. Die rente gaat ten vroegste in de eerste dag van de maand volgend op die van het overlijden van de man.
  In geval van verschil in leeftijd tussen de echtgenoten, wordt dat bedrag gewijzigd overeenkomstig een door de Koning vastgestelde schaal.
  Ingeval er gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid van afkoop of van omzetting van de hypothetische weduwenrente waarin bij het derde lid van § 2 is voorzien, wordt de ouderdomsrente, die tot grondslag dient voor de berekening van de weduwenrente, bekomen door de voor de afkoop of de omzetting gevestigde ouderdomsrente te vermenigvuldigen met een breuk die gelijk is aan het verschil tussen de eenheid en de breuk van de contante waarde die het voorwerp heeft uitgemaakt van de afkoop of van de omzetting.)
  § 4. De termijnen van de ouderdomsrente en van de weduwenrente worden uitbetaald door de verzekeringsinstelling waarbij de bediende het laatst aangesloten was.
  Deze instelling vereffent eveneens de ouderdomsrente die de verzekerde heeft gevestigd door de verplichte stortingen in toepassing van de wet van 18 juni 1930 betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood der bedienden, en eventueel de in toepassing van deze wet gevestigde weduwenrente.
  De verschillende verzekeringsinstellingen waarbij krachtens artikel 22, § 1, (zoals het luidde voor zijn wijziging door het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers,) stortingen werden verricht of waarbij verplichte stortingen in toepassing van de wet van 18 juni 1930 voormeld werden verricht, zijn de rentetermijnen verschuldigd aan de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde instelling, onverminderd de in artikel 6 bepaalde subrogaties.
  § 5. (De Koning bepaalt de modaliteiten van onderzoek en de termijnen en modaliteiten van indiening van de aanvragen, die betrekking hebben op de uitbetaling van de renten en op de uitbetaling van de contante waarde ervan, zowel wat de bij § 1 beoogde renten als de renten gevestigd door de bij toepassing van voormelde wet van 18 juni 1930 verrichte verplichte stortingen betreft.)
Art. 14bis. <L 3-4-1962, art. 20.>
  § 1. La partie de la cotisation de l'employé qui, par application de l'article 22, § 1er, (tel qu'il était libellé avant sa modification par l'arrêté royal no 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés,) est versée à l'organisme d'assurance choisi par l'employé, est affectée, suivant un tarif fixé par le Roi, à l'assurance d'une rente de vieillesse au profit de l'emploi ainsi qu'à une rente de veuve au profit de sa veuve.
  § 2. La rente de vieillesse prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'employé atteint l'âge de 65 ans ou de 60 ans, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme.
  Toutefois, à la demande de l'intéressé, la rente de vieillesse peut prendre cours au plus tôt le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'employé atteint l'âge de 60 ans ou de 55 ans, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme. Dans ce cas, la rente est diminuée conformément à un barème fixé par l'arrêté royal.
  (Le bénéficiaire masculin d'une rente de vieillesse prenant cours à l'âge de 65 ans peut, à sa demande, obtenir, au moment de l'ouverture de ses droits, soit le paiement en espèces des trois septièmes au plus du montant cumulé de la valeur actuelle de sa rente, et de la valeur actuelle de la rente hypothétique de veuve, soit la conversion en rente viagère à son profit, conformément à un barème fixé par le Roi, des trois septièmes au plus de la valeur actuelle de la rente hypothétique de veuve.
  Le bénéficiaire féminin d'une rente de vieillesse prenant cours à l'âge de 60 ans peut, à sa demande, obtenir le paiement en espèces des trois septièmes au plus de la valeur actuelle de sa rente.) <L 28-5-1971, art. 27>
  § 3. (La rente de veuve est égale à 40 p.c. de la rente de vieillesse accordée au mari. Cette rente prend cours au plus tôt le premier jour du mois qui suit celui du décès du mari.
  En cas de différence d'âge entre les époux, ce taux est modifié conformément à un barème fixé par le Roi.
  En cas d'exercice de la faculté de rachat ou de conversion de la rente hypothétique de veuve prévue par l'alinéa 3 du § 2, la rente de vieillesse servant de base au calcul de la rente de veuve s'obtient en multipliant la rente de vieillesse constituée avant le rachat ou la conversion par une fraction égale à la différence entre l'unité et la fraction de la valeur actuelle, qui a fait l'objet du rachat ou de la conversion.) <L 28-5-1971, art. 28.>
  § 4. Les arrérages de la rente de vieillesse ainsi que ceux de la rente de veuve sont payés par le dernier organisme d'assurance auquel l'employé a été affilié.
  Cet organisme paie également la rente de vieillesse que l'assuré s'est constituée par les versements obligatoires effectués en application de la loi du 18 juin 1930 relative à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré des employés, et éventuellement la rente de veuve constituée en application de la dite loi.
  Les différents organismes d'assurance auprès desquels les versements ont été effectués en vertu de l'article 22, § 1, (tel qu'il était libellé avant sa modification par l'arrêté royal no 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés,) ou auprès desquels les versements obligatoires ont été effectués en application de la loi précitée du 18 juin 1930, sont débiteurs des arrérages de rente envers l'organisme visé au premier alinéa du présent paragraphe, sans préjudice des subrogations prévues à l'article 6.
  § 5. (Le Roi fixe les modalités d'examen et les délais et modalités d'introduction des demandes relatives au paiement des rentes et au paiement de la valeur actuelle de celles-ci, tant en ce qui concerne les rentes visées au § 1er, qu'en ce qui concerne les rentes constituées par des versements obligatoires effectués en application de la loi du 18 juin 1930 précitée.)
HOOFDSTUK III_ Uitkeringen bij overlijden van de bediende.
CHAPITRE III_ Des prestations en cas de décès de l'employé.
Eerste Afdeling_ Overlevingspensioen en overlevingsrente.
Section 1ère_ De la pension de survie et de la rente de survie
Art.15. § 1. Het overlevingspensioen gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de maand tijdens welke de echtgenoot overleden is, indien de aanvraag binnen zes maanden, te rekenen vanaf de dag van overlijden, wordt ingediend. In de andere gevallen gaat het ten vroegste in op de eerste dag van de maand die op deze aanvraag volgt.
  Het gaat evenwel ten vroegste in op de eerste dag van de maand die volgt op de maand tijdens welke de weduwe 45 jaar wordt, tenzij zij het bewijs levert van een blijvende ongeschiktheid van 66 t.h. of dat zij een kind ten laste heeft waarvoor zij kinderbijslag kan ontvangen. De Koning bepaalt de wijze waarop bewezen wordt dat deze voorwaarden vervuld zijn.
  De rechten op het overlevingspensioen of de aanpassingsvergoeding worden ambtshalve onderzocht:
  1° zo de echtgenoot bij zijn overlijden een rustpensioen genoot;
  2° zo bij het overlijden van de echtgenoot geen definitieve beslissing was genomen in verband met de door hem ingediende aanvraag tot het bekomen van een rustpensioen. In dat geval gaat het overlevingspensioen in op de eerste dag van de maand na die waarin de echtgenoot is overleden.
  Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing zo de echtgenoten van tafel en bed of feitelijk gescheiden waren en de echtgenote geen aanvraag had ingediend tot het verkrijgen van een deel van het rustpensioen van haar echtgenoot.)
  § 2. Het overlevingspensioen wordt slechts toegekend aan een weduwe die, bij het overlijden van haar echtgenoot, ten minste één jaar met hem gehuwd was en zo deze, gedurende de twaalf maanden vóór zijn overlijden, hetzij gewoonlijk en hoofdzakelijk tewerkgesteld was, overeenkomstig artikel 1, lid 1, van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, rekening gehouden met de perioden van inactiviteit die met werkelijke arbeidsperioden gelijkgesteld worden, hetzij een rustpensioen genoot op grond van deze wet. De eis betreffende de duur van het huwelijk wordt niet gesteld, indien uit dit huwelijk een kind geboren wordt.
  De Koning kan de toekenning van het volle bedrag van het overlevingspensioen ondergeschikt maken aan voorwaarden betreffende de duur der loopbaan van de overleden echtgenoot en regelen vaststellen om het pensioen te verlagen ingeval gezegde loopbaan niet aan de gestelde voorwaarden voldoet.
  De Koning stelt de voorwaarden vast waaronder een gedeelte van het overlevingspensioen wordt toegekend aan de weduwe die niet aantoont dat haar echtgenoot tijdens de twaalf laatste maanden vóór zijn overlijden tewerkgesteld is geweest volgens het bepaalde in artikel 1, lid 1.
  § 3. Het jaarbedrag van het overlevingspensioen is gelijk aan 30 t.h. van het hoogste jaarloon, bepaald op de bij artikel 3, § 2, omschreven wijze.
  § 4. Het genot van het recht op overlevingspensioen wordt geschorst:
  1° Wanneer de weduwe hertrouwt;
  2° Wanneer zij, minder dan 45 jaar oud zijnde, niet meer voldoet aan de voorwaarde ingevolge welke het overlevingspensioen vervroegd werd toegekend.
Art.15. § 1er. La pension de survie prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le mari est décédé, si la demande est introduite dans les six mois à dater de ce décès. Dans les autres cas, elle prend cours au plus tôt le premier jour du mois qui suit cette demande.
  Elle prend, toutefois, cours, au plus tôt, le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la veuve atteint l'âge de 45 ans, à moins qu'elle ne justifie d'une incapacité permanente de 66 p.c. ou qu'elle n'élève un enfant pour lequel elle est en droit de toucher des allocations familiales. Le Roi détermine la manière dont ces conditions sont prouvées.
  (Les droits à la pension de survie ou à l'indemnité d'adaptation sont examinés d'office:
  1° si le mari bénéficiait à son décès d'une pension de retraite;
  2° si, au moment du décès du mari, aucune décision définitive n'avait été prise concernant la demande de pension de retraite qu'il avait introduit. Dans ce cas, la pension de survie prend cours le premier jour du mois suivant celui au cours duquel le mari est décédé.
  Les dispositions de l'alinéa précédent ne s'appliquent pas lorsque les conjoints étaient séparés de corps ou de fait et que l'épouse n'avait pas introduit une demande tendant à obtenir une partie de la pension de retraite de son mari.) <L 13-6-1966, art. 15.>
  § 2. La pension de survie n'est octroyée que si l'intéressée est l'épouse depuis un an au moins de l'employé au moment du décès et si cet employé a exercé habituellement et en ordre principal une occupation visée à l'article 1er, premier alinéa, de la présente loi ou à ses arrêtés d'exécution et compte tenu des périodes d'inactivité assimilées à des périodes d'activité, pendant la période de douze mois précédant le jour du décès ou si, durant cette période, il jouissait d'une pension de retraite accordée sur base de la présente loi. La condition concernant la durée du mariage n'est pas requise lorsqu'un enfant est né de cette union.
  Le Roi peut subordonner l'octroi du montant intégral de la pension de survie à des conditions relatives à la durée de la carrière du mari défunt et fixer les règles en fonction desquelles la pension est réduite, dans le cas ou la dite carrière ne satisfait pas aux conditions fixées.
  Le Roi détermine les conditions dans lesquelles il est accordé une quotité de la pension de survie à la veuve qui n'établit pas que son mari a été occupé dans les conditions prévues à l'article 1er, premier alinéa, au cours des douze derniers mois précédant le décès.
  § 3. Le montant annuel de la pension de survie est égal à 30 p.c. de la rémunération annuelle la plus élevée, déterminée de la manière prévue à l'article 3, § 2.
  § 4. La jouissance du droit à la pension de survie est suspendue:
  1° Lorsque la veuve se remarie;
  2° Lorsque, n'étant pas âgée de 45 ans, elle ne justifie plus de la condition qui a permis l'octroi anticipé de la pension de survie.
Art. 15bis. (opgeheven)
Art. 15bis. (abrogé) <L 3-4-1962, art. 30, 1°.>
Art.16. De weduwen die een overlevingspensioen aanvragen en die in het geval van artikel 12, § 1, verkeren, genieten onder dezelfde voorwaarden de bij deze bepaling bedoelde bevoegdheid.
  Alleen binnen de door de Koning bepaalde grenzen mogen het overlevingspensioen en de overlevingsrente worden samengevoegd met een ander overlevingspensioen of met enig ander als overlevingspensioen geldend voordeel, toegestaan krachtens een regeling inzake rust- of overlevingspensioen en inzonderheid krachtens een der pensioenregelingen in het eerste artikel, tweede lid, van deze wet bedoeld, de pensioenregeling van de koloniale bedienden of een buitenlandse wetgeving.
  (Zij kunnen niet worden samengevoegd met een rustpensioen of met enig ander als rustpensioen geldend voordeel, tenzij tot beloop van het door de Koning te bepalen bedrag.)
  De weduwe die achtereenvolgens gehuwd is geweest met werknemers die onder toepassing van deze wet zouden gevallen zijn, kan slechts het hoogste der overlevingspensioenen of de hoogste der overlevingsrenten bekomen waarop zij recht zou hebben.
  De weduwe die achtereenvolgens gehuwd is geweest met een werknemer die onder toepassing van deze wet zou gevallen zijn en met een werknemer die onderworpen was aan een andere regeling inzake rust- of overlevingspensioen, en inzonderheid aan de regeling inzake rust- en overlevingspensioen voor arbeiders of aan een der in het eerste artikel, tweede lid, bedoelde regelingen of aan de pensioenregeling der koloniale bedienden of aan een regeling ingevolge een buitenlandse wetgeving, kan het overlevingspensioen of de overlevingsrente bij deze wet bepaald niet verkrijgen tenzij zij afziet van het weduwepensioen of van elk ander als weduwepensioen geldend voordeel dat haar zou zijn toegekend krachtens een der bovenbedoelde pensioenregelingen.
Art.16. <L 22-2-1960, art. 10.> Les veuves qui demandent le bénéfice d'une pension de survie et qui se trouvent dans le cas prévu à l'article 12, § 1, jouissent dans les mêmes conditions de la faculté prévue par cette disposition.
  Sauf dans les limites déterminées par le Roi, la pension de survie et la rente de survie ne peuvent être cumulées avec une autre pension de survie ou avec tout autre avantage tenant lieu de pension de survie accordé en vertu d'un régime de retraite ou de survie, et notamment de l'un des régimes de pension visés à l'article 1er, deuxième alinéa, de la présente loi, du régime de pension des employés coloniaux ou encore en vertu d'une législation étrangère.
  (Elles ne peuvent être cumulées avec une pension de retraite ou tout autre avantage tenant lieu de pension de retraite que jusqu'à concurrence du montant déterminé par le Roi.) <L 3-4-1962, art. 12.>
  La veuve qui a été unie par des mariages successifs à des travailleurs appelés à bénéficier de la présente loi ne peut obtenir que la plus élevée des pensions de survie ou des rentes de survie auxquelles elle aurait droit.
  La veuve qui a été unie par des mariages successifs à un travailleur appelé à bénéficier de la présente loi et à un travailleur soumis à un autre régime de retraite ou de survie et notamment au régime de retraite et de survie des ouvriers ou à l'un des régimes visés à l'article 1er, deuxième alinéa, ou au régime des pensions des employés coloniaux, ou, encore, à un régime résultant d'une législation étrangère, ne peut obtenir la pension de survie ou la rente de survie prévues par la présente loi que si elle renonce à la pension de veuve ou à tout autre avantage tenant lieu de pension de veuve qui lui aurait été accordé en vertu de l'un des régimes de pension susvisés.
Afdeling 2. _ De aanpassingsvergoeding.
Section 2. _ De l'indemnité d'adaptation.
Art.17. De weduwe die, bij het overlijden van haar man geen aanspraak heeft op het overlevingspensioen, ontvangt, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, een aanpassingsvergoeding die slechts éénmaal wordt toegekend en gelijk is aan één jaarbedrag van het overlevingspensioen.
  (De weduwe voor wie het genot van het overlevingspensioen met toepassing van artikel 15, § 4, geschorst is en die sedert ten minste 10 maanden dat pensioen ontving, krijgt ambtshalve, onder dezelfde voorwaarden en zonder daartoe een aanvraag te moeten indienen, een aanpassingsvergoeding waarvan het bedrag gelijk is aan twee jaarbedragen van genoemd pensioen.)
  (Wanneer de rechten op een aanpassingsvergoeding, niet ambtshalve worden onderzocht dient de aanvraag tot het bekomen van de aanpassingsvergoeding ingediend binnen een termijn van zes maanden na de dag waarop de gebeurtenis plaats had, die tot de toekenning van deze vergoeding aanleiding geeft.)
  (De uitbetaling van een aanpassingsuitkering wordt geacht het voorschot te omvatten van één of twee jaarbedragen van de weduwenrente waarin bij artikel 14bis is voorzien, naar gelang het bedrag van de aanpassingsuitkering gelijk is aan één of twee jaarbedragen van het overlevingspensioen.
  De Nationale Kas voor bediendenpensioenen treedt in de plaats van de gerechtigde op deze rente ten opzichte van de verzekeringsinstelling waarbij de rente is gevestigd.)
  (De aanpassingsvergoeding wordt geacht de afkoopsom van het geheel of van een gedeelte van de overlevingsrente te omvatten.
  Indien de overlevingsrente hoger is dan de rente welke de tegenwaarde vormt van die afkoopsom, wordt aan de weduwe een verminderde overlevingsrente, toegekend, welke overeenstemt met het verschil tussen beide bedragen.
  De Koning bepaalt de schalen voor de toepassing van dit artikel.)
Art.17. La veuve qui, au décès de son mari, ne peut bénéficier de la pension de survie, reçoit, dans les conditions fixées par le Roi, une indemnité d'adaptation, qui n'est due qu'une seule fois et dont le montant est égal à une annuité de la pension de survie.
  (La veuve pour laquelle la jouissance de la pension de survie est suspendue par application de l'article 15, § 4, et qui en bénéficiait depuis dix mois, reçoit d'office, dans les mêmes conditions et sans être tenu d'en faire la demande, une indemnité d'adaptation dont le montant est égal à deux annuités de ladite pension.) <L 13-6-1966, art. 16, § 1er.>
  (Lorsque les droits à l'indemnité d'adaptation ne sont pas examinés d'office, la demande d'indemnité d'adaptation doit être introduite dans un délai de six mois à dater du jour ou l'événement donnant lieu à l'octroi de cette indemnité s'est produit.) <L 13-6-1966, art. 16, § 2.>
  (Le paiement d'une indemnité d'adaptation est censé comporter l'avance d'une ou de deux annuités de la rente de veuve prévue à l'article 14bis, selon que le montant de l'indemnité d'adaptation est égal à une ou deux annuités de la pension de survie.
  La Caisse nationale de pensions pour employés est subrogée dans les droits du titulaire de cette rente vis-à-vis de l'organisme d'assurance en mains duquel elle est constituée.) <L 28-5-1971, art. 30.>
  (L'indemnité d'adaptation est censée comprendre le prix de rachat de tout ou partie de la rente de survie.
  Si la rente de survie est plus élevée que la rente représentant la contrevaleur de ce prix de rachat, une rente de survie réduite, correspondant à la différence entre ces deux montants, est payée à la veuve.
  Le Roi fixe les barèmes nécessaires à l'application du présent article.)
HOOFDSTUK IV_ Financiering, administratie, sancties, geschillen.
CHAPITRE IV_ Financement, administration, sanctions, contentieux.
Art.18. (opgeheven)
Art.18. (abrogé)
Art.19. (opgeheven)
Art.19. (abrogé)
Art.20. § 1. (De Nationale Kas voor bediendenpensioenen, ingesteld bij de artikelen 16 en 17 van de wet van 18 juni 1930 betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood der bedienden, is belast met het beheer van de gelden bestemd voor het vestigen van de renten waartoe zij gehouden is evenals met de betaling van deze renten. Deze Kas verricht de betaling der uitkeringen op de door de Koning voorgeschreven wijze.
  (...))
  § 2. (De Rijksdienst voor werknemerspensioenen geniet de fiscale vrijstelling voor de onroerende goederen die hij betrekt voor de behoeften van zijn diensten.)
Art.20. § 1er. (La Caisse nationale des pensions pour employés, instituée par les articles 16 et 17 de la loi du 18 juin 1930 relative à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré des employés, est chargée de la gestion des fonds destinés à la constitution des rentes auxquelles elle est tenue ainsi que du paiement de ces rentes. Cette Caisse effectue le paiement des prestations de la maniere prescrite par le Roi.
  (...)) <L 24-6-1969, art. 8, 1°.>
  § 2. (L'Office nationale des pensions pour travailleurs salariés jouit de l'exemption fiscale pour les immeubles qu'il occupe pour les besoins de ses services.) <L 1981-02-10/05, art. 2, 002>
Art.21. (opgeheven)
Art.21. (abrogé)
Art.22.
  § 1. (...) <W 2003-04-28/36, art. 65, 004; Inwerkingtreding : 15-05-2003>
  § 2. (Op voorstel van de minister van Pensioenen, de minister van Financiën en van de minister van Economie kan de Koning, onder de voorwaarden welke Hij vaststelt, een regeling tot verzekering van buitenwettelijke voordelen instellen ten voordele van de werknemers bedoeld bij het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers. Bovendien mogen de werknemers of de gewezen werknemers, die niet aangesloten zijn bij een sectoraal- of een ondernemingspensioenstelsel, stortingen doen met het oog op het verkrijgen van buitenwettelijke voordelen. De verzekeringen van buitenwettelijke voordelen worden gesloten [1 bij een verzekeringsonderneming bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1°, van de wet van 16 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.]1
  Een verzekeringsonderneming of -instelling, mag te alle tijden afstand doen van de erkenning bedoeld in het eerste lid mits een andere erkende verzekeringsonderneming of -instelling haar rechten en haar plichten en haar activa en passiva, wat de verzekering van buitenwettelijke voordelen ingesteld volgens het eerste lid betreft, overneemt.) <W 2003-04-28/36, art. 65, 004; Inwerkingtreding : 15-05-2003>
  
Art.22.
  § 1er. (...) <L 2003-04-28/36, art. 65, 004; En vigueur : 15-05-2003>
  § 2. (Sur la proposition du ministre des Pensions, du ministre des Finances et du ministre de l'Economie, le Roi peut instaurer, dans les conditions qu'Il détermine, un régime d'assurance d'avantages extra-légaux en faveur des travailleurs salariés visés par l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés. En outre, les travailleurs salariés ou anciens travailleurs salariés qui ne sont pas affiliés à un régime de pension sectoriel ou d'entreprise, peuvent effectuer des versements en vue de constituer des avantages extra-légaux. Les assurances d'avantages extra-légaux sont conclues [1 auprès d'une entreprise d'assurance visée à l'article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du 16 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance.]1
  Une entreprise ou un organisme d'assurances, peut, à tout moment, renoncer à l'agrément visé à l'alinéa 1er, à condition qu'une autre entreprise ou organisme d'assurances agréés reprenne ses droits et obligations ainsi que son actif et son passif, pour ce qui concerne l'assurance des avantages extra-légaux instaurée conformément à l'alinéa 1er.) <L 2003-04-28/36, art. 65, 004; En vigueur : 15-05-2003>
  
Art.23. De bepalingen van het koninklijk besluit van 31 mei 1933, betreffende de aangiften in zake subsidies, vergoedingen en toelagen van alle aard, welke geheel of gedeeltelijk ten laste komen van het Rijk, zijn van toepassing op de aangiften in verband met de bij deze wet bedoelde uitkeringen.
Art.23. Les dispositions de l'arrêté royal du 31 mai 1933 concernant les déclarations à faire en matière de subventions, indemnités et allocations de toute nature qui sont, en tout ou en partie, à charge de l'Etat sont applicables aux déclarations à faire en ce qui concerne les prestations prévues par la présente loi.
Art.24. (Wanneer de pensioengerechtigde een beroepsarbeid voortzet of hervat zonder daarvan vooraf de vereiste aangifte te doen bepaalt de Koning de gevallen waarin het pensioen wordt geschorst evenals de toepasselijke sancties.)
  De in lid 1 gestelde sancties mogen niet meer uitgesproken worden na verloop van een termijn van twee jaar, te rekenen van de dag waarop de overtreding is gepleegd. De opgelegde sancties mogen niet meer worden uitgevoerd na verloop van twee jaar te rekenen van de dag waarop zij definitief zijn geworden.
  (De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op de personen die alleen de ouderdomsrente of de overlevingsrente genieten; zij maken, in geen enkel geval, een belemmering uit voor de uitbetaling van deze verstrekkingen.)
Art.24. (Lorsque le bénéficiaire d'une pension continue a exercer ou reprend une activité professionnelle sans en faire la déclaration préalable requise, le Roi détermine les cas dans lesquels la pension est suspendue ainsi que les sanctions applicables.) <L 28-3-1973, art. 9.>
  Les sanctions prévues à l'alinéa premier ne peuvent pas être prononcées lorsqu'il s'est écoulé un délai de deux années à compter du jour ou l'infraction a été commise. Les sanctions prononcées ne peuvent plus être appliquées lorsqu'il s'est écoulé deux années à compter du jour ou elles sont devenues définitives.
  (Les dispositions du présent article ne sont pas applicables aux personnes qui sont au seul bénéfice de la rente de vieillesse ou de la rente de survie; elles ne constituent, en aucun cas, un obstacle à la liquidation desdites prestations.) <L 22-2-1960, art. 15.>
Art.25.
  § 1. De arbeidsrechtbank doet uitspraak over de geschillen omtrent de rechten die uit deze wet voortvloeien, en past, op verzoek van de (Rijksdienst voor werknemerspensioenen), de in artikel 24 bepaalde sancties toe.
  De bestreden administratieve rechtshandelingen moeten, op straffe van verval, binnen de maand na de kennisgeving ervan aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden.
  De vordering ingeleid voor de arbeidsrechtbank werkt niet schorsend.
  § 2. De aanvragen vanwege de Minister van Sociale Voorzorg, vanwege de (Rijksdienst voor werknemerspensioenen), belast met het innen van de bijdragen of de instellingen belast met de betaling van de uitkeringen met het doel betaling van de bijdragen of terugbetaling van onverschuldigde uitkeringen te verkrijgen moeten bij de arbeidsrechtbank, op straffe van verval, ingediend worden binnen de termijn van drie jaar.
Art.25. <L 10-10-1967, art. 3, art. 73, § 3.>
  § 1. Le tribunal du travail statue sur les contestations qui ont pour objet des droits résultant de la présente loi et applique, à la requête de (l'Office national des pensions pour travailleurs salariés), les sanctions prévues par l'article 24. <L 12-5-1971, art. 16, 2°.>
  Les actes juridiques administratifs contestés doivent, à peine de déchéance, être soumis au tribunal du travail compétent dans le mois de leur notification.
  L'action introduite devant le tribunal du travail n'est pas suspensive.
  § 2. Les demandes du ministre de la Prévoyance sociale, de (l'Office national des pensions pour travailleurs salariés chargé) de la perception des cotisations ou des organismes chargés du paiement des prestations, tendant au paiement de cotisations ou à la restitution de prestations indûment reçues, doivent, à peine de déchéance, être introduites auprès du tribunal du travail compétent, dans le délai de trois ans. <L 12-5-1971, art. 16, 2°>
HOOFDSTUK V_ Overgangsbepalingen.
CHAPITRE V_ Dispositions transitoires.
Art.26. Op de datum van de bekendmaking van deze wet houdt het Toelagenfonds voor bedienden, ingesteld bij artikel 43 van de wet van 18 juni 1930 betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige door der bedienden, op te bestaan.
  De Nationale Kas voor Bediendenpensioenen volgt dat fonds op in de rechten en plichten en neemt het actief en passief over.
  Zij neemt op dezelfde datum de rechten en plichten en het actief en passief over van de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen, wat de bediendenpensioenen betreft.
  De Koning stelt de modaliteiten van die overname vast.
Art.26. A la date de publication de la présente loi, le Fonds d'allocations pour employés institué par l'article 43 de la loi du 18 juin 1930 relative à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré des employés cesse d'exister.
  La Caisse nationale des Pensions pour Employés succède aux droits et obligations et recueille l'actif et le passif du dit Fonds.
  Elle reprend à la même date les droits et obligations, l'actif et le passif de la Caisse nationale des pensions de retraite et de survie, en ce qui concerne les pensions d'employés.
  Le Roi arrêté les modalités de cette reprise.
Art.27. (opgeheven)
Art.27. (abrogé) <L 3-4-1962, art. 30, 2°.>
Art.28. Ingeval de rekening der door de erkende instellingen in het kader van deze wet gedane verrichtingen een deficitaire toestand vertoont, kan de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit bepalen dat de rechten en plichten en het actief en passief der deficitaire instellingen, wat betreft de financiering der renten, gevestigd bij toepassing van de wet van 18 juni 1930, door (de Rijksdienst voor werknemerspensioenen) overgenomen worden.
  Deze overname gebeurt van rechtswege voor elke instelling tot de ontbinding waarvan zou worden besloten.
Art.28. Lorsque le compte des opérations effectuées par les organismes agréés, dans le cadre de la présente loi, présentera une situation déficitaire, le Roi pourra, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, décider de la reprise par (l'Office national des pensions pour travailleurs salariés) des droits et obligations, de l'actif et du passif en ce qui concerne le financement des rentes constituées en application de la loi du 18 juin 1930, des organismes en déficit. <L 1981-02-10/05, art. 4, 002>
  Cette reprise a lieu d'office pour tout organisme dont la dissolution serait décidée.
HOOFDSTUK VI. _ Aanvullende bepalingen.
CHAPITRE VI. _ Dispositions complémentaires.
Art.29. De Koning bepaalt:
  1° De personen aan wie, in geval van overlijden van een gerechtigde, op een uitkering, bepaald bij deze wet, de vervallen en niet betaalde termijnen van deze uitkering worden uitbetaald, de orde waarin deze personen er het genot van zullen hebben, alsook de formaliteiten om vermelde termijnen te verkrijgen, evenals de termijn binnen welke de aanvraag moet worden ingediend;
  2° (opgeheven)
  3° De gevallen waarin de uitkeringen van deze wet geschorst zijn voor de gerechtigden die in gevangenissen opgesloten of in gestichten tot bescherming der maatschappij of in bedelaarskoloniën opgenomen zijn, alsmede de duur van de schorsing.
  Hij treft, bovendien, alle andere maatregelen die nodig zijn om te voorzien in de uitvoering van deze wet.
  Hij brengt de wet van 9 juli 1926 op de werkrechtersraden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2 van deze wet.
Art.29. Le Roi détermine:
  1° Les personnes à qui sont versés, en cas de décès du bénéficiaire d'une prestation prévue par la présente loi, les arrérages échus et non payés de cette prestation, l'ordre dans lequel ces personnes sont appelées à en bénéficier, ainsi que les formalités a remplir pour l'obtention des dits arrérages et le délai dans lequel la demande doit être introduite;
  2° (abrogé) <L 28-3-1973, art. 10.>
  3° Les cas dans lesquels les prestations de la présente loi sont suspendues à l'égard des bénéficiaires détenus dans les prisons ou internés dans les établissements de défense sociale ou les dépôts de mendicité ainsi que la durée de la suspension.
  Il prend, en outre, toutes autres mesures complémentaires nécessaires pour assurer l'exécution des dispositions de la présente loi.
  Il met la loi du 9 juillet 1926 sur les conseils de prud'hommes en concordance avec les dispositions de l'article 2 de la présente loi.
Art.30. Deze wet doet geen afbreuk aan de in België geldende bepalingen van de internationale overeenkomsten inzake sociale zekerheid.
Art.30. Les dispositions de la présente loi ne portent pas préjudice aux dispositions des conventions internationales de sécurité sociale en vigueur en Belgique.
Art.31. (opgeheven)
Art.31. (abrogé)
Art.32. § 1. In de lijst opgemaakt bij artikel 1, B, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, wordt, tussen de vermelding "Nationale Verrekenkas voor Gezinsvergoedingen" en de vermelding "Rijkskas voor Jaarlijks Verlof", de vermelding "Nationale Kas voor Bediendenpensioenen" ingelast.
  § 2. In de lijst opgemaakt bij artikel 1, B, van voornoemde wet van 16 maart 1954 wordt de vermelding "Toelagenfonds voor Bedienden" geschrapt.
  § 3. In de lijst opgemaakt bij artikel 1, C, van voornoemde wet van 16 maart 1954 wordt de vermelding "Nationale Kas voor Bediendenpensioenen" geschrapt.
Art.32. § 1er. Il est inséré dans la liste établie par l'article 1er, B. de la loi du 16 mars 1954, relative au contrôle de certains établissements d'intérêt public, entre la mention "Caisse nationale de Compensation pour Allocations familiales" et la mention "Caisse nationale de Vacances annuelles", la mention "Caisse nationale des Pensions pour Employés".
  § 2. Dans la liste établie par l'article 1er, B. de la loi du 16 mars 1954 précitée, il y a lieu de supprimer la mention "Fonds d'allocations pour employés".
  § 3. Dans la liste établie par l'article 1er, C, de la loi du 16 mars 1954 précitée, il y a lieu de supprimer la mention "Caisse nationale des Pensions pour Employés".
Art.33. Artikel 3 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij de wetten van 27 maart 1951, 29 december 1952, 29 december 1953, 21 mei en 14 juli 1955 en bij de koninklijke besluiten van 16 februari 1952 en 26 maart 1957, wordt vervangen als volgt: "....."
Art.33. L'article 3 de l'arrêté loi du 28 décembre 1944, concernant la sécurité sociale des travailleurs, modifié par les lois des 27 mars 1951, 29 décembre 1952, 29 décembre 1953, 21 mai et 14 juillet 1955 et par les arrêtés royaux du 16 février 1952 et du 26 mars 1957, est remplacé par la disposition suivante: ...
Art.34. Artikel 4 van dezelfde besluitwet, gewijzigd bij de wetten van 27 maart 1951, 27 mei 1952, 21 mei en 14 juli 1955 en bij koninklijk besluit van 26 maart 1957, wordt vervangen als volgt: "....."
Art.34. L'article 4 du même arrêté-loi, modifié par les lois des 27 mars 1951, 27 mai 1952, 21 mai et 14 juillet 1955 et par l'arrêté royal du 26 mars 1957, est remplacé par la disposition suivante: ...
Art.35. § 1. De samengeordende wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood der bedienden, gewijzigd bij de besluitwetten van 8 januari en 25 februari 1947 en bij de wetten van 1 juli 1948, 30 december 1950 en 13 juli 1951, het koninklijk besluit van 13 oktober 1953 en bij de wet van 11 maart 1954, met uitzondering van de artikelen 78 en 79, die van toepassing zijn voor de uitkeringen toegestaan in uitvoering van deze wet, zijn niet meer van toepassing op de gerechtigden van deze wet, onder het bij § 3 beoogde voorbehoud.
  (Om de rechten te bepalen van een persoon die aanspraak maakt op een ouderdomsrentetoeslag, na onderzoek omtrent de bestaansmiddelen in toepassing van bovenbedoelde samengeordende wetten, worden de bestaansmiddelen, gevormd door een rustpensioen dat toegekend werd in toepassing van deze wet, niet in aanmerking genomen. Nochtans zal het bedrag van de toegekende toeslag met één vijf en veertigste er van verminderd worden voor elk jaar, dat voor de toekenning van het rustpensioen in aanmerking wordt genomen.)
  § 2. Worden opgeheven:
  1° De wet van 18 juni 1930 tot herziening der wet van 10 maart 1925 op de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood der bedienden, gewijzigd bij de wet van 3 maart 1933 en bij het koninklijk besluit van 13 october 1953, met uitzondering van de artikelen 13,15 tot 17, 24, 27 tot 29, 32 tot 35 en 40 tot 42, die van toepassing blijven ten aanzien van de voordelen welke ter uitvoering van die wet nog worden verleend, voor zover zij evenwel niet in tegenspraak zijn met de bepalingen van deze wet, en vooral met artikel 20;
  2° Artikel 5 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  3° Het koninklijk besluit van 10 september 1936, genomen in uitvoering van artikel 35 van de wet van 18 juni 1930;
  4° Het besluit van de Regent van 10 mei 1948 tot wijziging en samenordening van de besluiten van de Regent van 16 september 1946 en 21 mei 1947, betreffende de aanvullende ouderdoms- en overlevingspensioenen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 november 1951, 17 januari 1953, 30 juni 1954 en 8 augustus 1955.
  § 3. De personen die zich niet in de vereiste voorwaarden bevinden om het voordeel van de bepalingen van deze wet te genieten, behouden de rechten en voordelen die zij verworven hebben bij toepassing der wettelijke en reglementaire bepalingen, bedoeld in dit artikel.
Art.35. § 1er. Les lois coordonnées relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, modifiées par les arrêtés-lois des 8 janvier et 25 février 1947 et par les lois des 1er juillet 1948, 30 décembre 1950 et 13 juillet 1951, l'arrêté royal du 13 octobre 1953 et par la loi du 11 mars 1954, à l'exception des articles 78 et 79, lesquels sont applicables pour les prestations accordées en application de la présente loi, ne sont plus applicables aux bénéficiaires de la présente loi, sous la réserve visée au § 3.
  (Pour déterminer les droits d'une personne qui prétend au bénéfice d'une majoration de rente de vieillesse, après enquête sur les ressources en application des lois coordonnées visées ci-dessus, les ressources constituées par une pension de retraite, accordée en application de la présente loi, ne sont pas prises en considération. Néanmoins, il sera déduit du montant de la majoration octroyée un quarante-cinquième de celui-ci par année prise en considération pour l'octroi de la pension de retraite.) <L 18-2-1959, art. 4.>
  § 2. Sont abrogés:
  1° La loi du 18 juin 1930, portant révision de la loi du 10 mars 1925, relative à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré des employés, modifiée par la loi du 3 mars 1933 et par l'arrêté royal du 13 octobre 1953, à l'exception des articles 13, 15 à 17, 24, 27 à 29, 32 à 35 et 40 à 42, lesquels demeurent d'application pour les avantages qui continuent d'être accordes en application de la dite loi, mais en tant, toutefois, qu'ils ne sont pas contraires aux dispositions de la présente loi, notamment de l'article 20;
  2° L'article 5 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
  3° L'arrêté royal du 10 septembre 1936 pris en exécution de l'article 35 de la loi du 18 juin 1930;
  4° L'arrêté du Régent du 10 mai 1948, modifiant et coordonnant les arrêtés du Régent des 16 septembre 1946 et 21 mai 1947, relatifs au complément de pension de vieillesse et de survie, modifié par les arrêtés royaux des 27 novembre 1951, 17 janvier 1953, 30 juin 1954 et 8 août 1955.
  § 3. Les personnes qui ne se trouvent pas dans les conditions requises pour bénéficier des dispositions de la présente loi conservent les droits et avantages qu'elles ont acquis par application des dispositions légales et réglementaires visées au présent article.
Art.36. Deze wet treedt in werking 1 juli 1957.
Art.36. La présente loi entre en vigueur le 1er juillet 1957.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Tabel I. Forfaitaire bezoldigingen in aanmerking te nemen om het bedrag van de rustpensioenen, ingaande vóór 1 januari 1957, te berekenen.
  
Art. N. Tableau I. Salaires forfaitaires à prendre en considération pour déterminer le montant des pensions de retraite prenant cours avant le 1er janvier 1957.
  
(1)(2)(3)(4)
1932 en vroeger50 66744 08341 167
193350 83344 29242 458
193451 00044 58342 750
193551 23344 95843 208
193651 56745 45843 417
193751 63345 66743 792
193851 90046 08344 167
193952 00046 33344 667
194052 23346 70845 042
194152 30046 87545 458
194252 50047 25045 917
194352 73347 66746 292
194453 06748 16746 458
194553 36748 66746 792
194653 60049 08346 833
194754 06749 75047 125
194854 50050 45847 500
194954 76750 91747 833
(1)(2)(3)(4)
195055 16751 54248 250
195155 26751 95848 667
195255 53352 50049 417
195355 86753 33350 167
195456 13354 16750 833
195556 56755 00051 333
195657 53356 00051 833
(1) Tijdstip van het ingaan van het recht
(2) Gehuwde gerechtigden
(3) Alleenstaande gerechtigden : mannen
(4) Alleenstaande gerechtigden : vrouwen
(1)(2)(3)(4)1932 en vroeger50 66744 08341 167193350 83344 29242 458193451 00044 58342 750193551 23344 95843 208193651 56745 45843 417193751 63345 66743 792193851 90046 08344 167193952 00046 33344 667194052 23346 70845 042194152 30046 87545 458194252 50047 25045 917194352 73347 66746 292194453 06748 16746 458194553 36748 66746 792194653 60049 08346 833194754 06749 75047 125194854 50050 45847 500194954 76750 91747 833(1)(2)(3)(4)195055 16751 54248 250195155 26751 95848 667195255 53352 50049 417195355 86753 33350 167195456 13354 16750 833195556 56755 00051 333195657 53356 00051 833(1) Tijdstip van het ingaan van het recht(2) Gehuwde gerechtigden(3) Alleenstaande gerechtigden : mannen(4) Alleenstaande gerechtigden : vrouwen
(1)(2)(3)(4)
1932
  et avant
50 66744 08341 167
193350 83344 29242 458
193451 00044 58342 750
193551 23344 95843 208
193651 56745 45843 417
193751 63345 66743 792
193851 90046 08344 167
193952 00046 33344 667
194052 23346 70845 042
194152 30046 87545 458
194252 50047 25045 917
194352 73347 66746 292
194453 06748 16746 458
194553 36748 66746 792
194653 60049 08346 833
194754 06749 75047 125
194854 50050 45847 500
194954 76750 91747 833
(1)(2)(3)(4)
195055 16751 54248 250
195155 26751 95848 667
195255 53352 50049 417
195355 86753 33350 167
195456 13354 16750 833
195556 56755 00051 333
195657 53356 00051 833
(1) Epoque d'ouverture du droit
(2) Bénéficiaires mariés
(3) Bénéficiaires isolés : homme
(4) Bénéficiaires isolés : femmes
(1)(2)(3)(4)1932
  et avant50 66744 08341 167193350 83344 29242 458193451 00044 58342 750193551 23344 95843 208193651 56745 45843 417193751 63345 66743 792193851 90046 08344 167193952 00046 33344 667194052 23346 70845 042194152 30046 87545 458194252 50047 25045 917194352 73347 66746 292194453 06748 16746 458194553 36748 66746 792194653 60049 08346 833194754 06749 75047 125194854 50050 45847 500194954 76750 91747 833(1)(2)(3)(4)195055 16751 54248 250195155 26751 95848 667195255 53352 50049 417195355 86753 33350 167195456 13354 16750 833195556 56755 00051 333195657 53356 00051 833(1) Epoque d'ouverture du droit(2) Bénéficiaires mariés(3) Bénéficiaires isolés : homme(4) Bénéficiaires isolés : femmes
  Tabel II. Forfaitaire bezoldigingen in aanmerking te nemen om het bedrag van de overlevingspensioenen, ingaande vóór 1 januari 1957, te berekenen.
  
  Tableau II. Salaires forfaitaires à prendre en considération pour determiner des pensions de survie prenant cours avant le 1er janvier 1957.
  
Tijdstip van het ingaan
  van het recht
Bezoldiging
1932 en vroeger63 333
193363 543
193463 750
193564 043
193664 460
193764 543
193864 877
193965 000
194065 293
194165 377
194265 627
194365 917
194466 333
194566 710
194667 000
194767 583
194868 127
194968 460
Tijdstip van het ingaan
  van het recht
Bezoldiging
195068 960
195169 083
195269 417
195369 833
195470 167
195570 717
195671 667
Tijdstip van het ingaan
  van het rechtBezoldiging1932 en vroeger63 333193363 543193463 750193564 043193664 460193764 543193864 877193965 000194065 293194165 377194265 627194365 917194466 333194566 710194667 000194767 583194868 127194968 460Tijdstip van het ingaan
  van het rechtBezoldiging195068 960195169 083195269 417195369 833195470 167195570 717195671 667
Epoque d'ouverture du droitSalaire forfaitaire
1932 et avant63 333
193363 543
193463 750
193564 043
193664 460
193764 543
193864 877
193965 000
194065 293
194165 377
194265 627
194365 917
194466 333
194566 710
194667 000
194767 583
194868 127
194968 460
Epoque d'ouverture du droitSalaire forfaitaire
195068 960
195169 083
195269 417
195369 833
195470 167
195570 717
195671 667
Epoque d'ouverture du droitSalaire forfaitaire1932 et avant63 333193363 543193463 750193564 043193664 460193764 543193864 877193965 000194065 293194165 377194265 627194365 917194466 333194566 710194667 000194767 583194868 127194968 460Epoque d'ouverture du droitSalaire forfaitaire195068 960195169 083195269 417195369 833195470 167195570 717195671 667