Artikel 1. Het rustpensioen, toegekend bij toepassing van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 tot wijziging en samenordening van de statuten van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag, dat daadwerkelijk vóór 1 januari 1962 is ingegaan, mag niet lager zijn :
1° voor een loopbaan als zeeman van veertig jaren, dan een gewaarborgd minimum van (65 251 F) of (84 375 F) per jaar naargelang het gaat om een scheepsgezel of een scheepsofficier, voor de gerechtigden op een rustpensioen bedoeld bij artikel 39, tweede lid, b, van voornoemd koninklijk besluit en van (52 200 F) of (71 145 F) per jaar naargelang het gaat om een scheepsgezel of een scheepsofficier, voor de gerechtigden op een rustpensioen bedoeld bij artikel 39, tweede lid, a, van voornoemd koninklijk besluit; <KB 8-11-1971, art. 23>
2° voor een loopbaan als zeeman van minder dan veertig jaren, dan een gewaarborgd minimum van zoveel veertigsten van de in 1° bedoelde bedragen als er werkelijke of vermoede jaren zijn in de loopbaan als zeeman, met uitzondering van de jaren na 31 december 1954, waarvoor de gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling als zeeman niet bewezen is. Voor elk van de jaren na 31 december 1954 waarvoor de gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling als zeeman niet werd bewezen, wordt het rustpensioen berekend overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
4 APRIL 1962. - Koninklijk besluit betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor zeevarenden onder Belgische vlag. opgh. K.B. 21-12-1967, art. 90, § 2, 18, doch blijft verder de pensioenen beheersen die daadwerkelijk en voor de eerste maal vóór 1-1-1968 ingaan>.
Titre
4 AVRIL 1962. - Arrêté royal relatif aux pensions de retraite et de survie des marins naviguant sous pavillon belge..
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (16)
Texte (16)
HOOFDSTUK I_ Het rustpensioen.
CHAPITRE Ier_ De la pension de retraite.
Article 1. La pension de retraite, accordée par application de l'arrêté royal du 24 octobre 1936 modifiant et coordonnant les statuts de la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins naviguant sous pavillon belge, qui a pris cours effectivement avant le 1er janvier 1962, ne peut être inférieure :
1° pour une carrière de marin de quarante années, à un minimum garanti de (65 251 F) ou (84 375 F) par an selon qu'il s'agit d'un marin subalterne ou d'un officier marin, pour les bénéficiaires d'une pension de retraite visés à l'article 39, alinéa 2, b, de l'arrêté royal précité, et de (52 200 F) ou (71 145 F) par an selon qu'il s'agit d'un marin subalterne ou d'un officier marin, pour les bénéficiaires d'une pension de retraite visés à l'article 39, alinéa 2, a, de l'arrêté royal précité; <AR 8-11-1971, art. 23>
2° pour une carrière de marin de moins de quarante années, à un minimum garanti, égal à autant de quarantièmes des montants déterminés au 1° que d'années de carrière de marin réelles ou présumées, à l'exception des années postérieures au 31 décembre 1954, pour lesquelles il n'a pas été justifié d'une occupation habituelle et en ordre principal en qualité de marin. Pour chacune des années postérieures au 31 décembre 1954 pour lesquelles il n'a pas été justifié d'une occupation habituelle et en ordre principal en qualité de marin, la pension de retraite est calculée conformément à l'article 39, alinéa 2, du même arrêté royal.
1° pour une carrière de marin de quarante années, à un minimum garanti de (65 251 F) ou (84 375 F) par an selon qu'il s'agit d'un marin subalterne ou d'un officier marin, pour les bénéficiaires d'une pension de retraite visés à l'article 39, alinéa 2, b, de l'arrêté royal précité, et de (52 200 F) ou (71 145 F) par an selon qu'il s'agit d'un marin subalterne ou d'un officier marin, pour les bénéficiaires d'une pension de retraite visés à l'article 39, alinéa 2, a, de l'arrêté royal précité; <AR 8-11-1971, art. 23>
2° pour une carrière de marin de moins de quarante années, à un minimum garanti, égal à autant de quarantièmes des montants déterminés au 1° que d'années de carrière de marin réelles ou présumées, à l'exception des années postérieures au 31 décembre 1954, pour lesquelles il n'a pas été justifié d'une occupation habituelle et en ordre principal en qualité de marin. Pour chacune des années postérieures au 31 décembre 1954 pour lesquelles il n'a pas été justifié d'une occupation habituelle et en ordre principal en qualité de marin, la pension de retraite est calculée conformément à l'article 39, alinéa 2, du même arrêté royal.
Art. 1bis. <KB 21-10-1966, art. 1> Het bedrag van het rustpensioen dat daadwerkelijk en voor de eerste maal is ingegaan na 31 december 1961 en vóór 1 januari 1966 en dat betrekking heeft op de kalenderjaren die 1955 voorafgaan, wordt vervangen door een fractie van de in artikel 1, 1°, bedoelde bedragen, in dezelfde verhouding als deze die tot basis gediend heeft voor de berekening van het rustpensioen.
Art. 1bis. <AR 21-10-1966, art. 1> Le montant de la pension de retraite qui a pris cours effectivement et pour la première fois après le 31 décembre 1961 et avant le 1er janvier 1966 et qui se rapporte aux années civiles antérieures à 1955, est remplacé par une fraction des montants visés à l'article 1er, 1°, égale à celle qui a servi de base au calcul de la pension de retraite.
Art. 2. <KB 21-10-1966, art. 2> In afwijking van het bepaalde in de artikelen 35, § 1, 39, eerste en tweede lid, en 40 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 wordt het rustpensioen dat daadwerkelijk en ten vroegste op 1 januari 1966 ingaat, binnen de volgende perken en voorwaarden toegekend.
Het recht op rustpensioen wordt per kalenderjaar verkregen naar rato van een breuk :
1° der werkelijke, fictieve en forfaitaire brutobezoldigingen voor elk jaar na 31 december 1954, die op de individuele rekening van de werknemer ingeschreven moeten zijn, in aanmerking genomen naar rato van 60 t.h. of 75 t.h. volgens het onderscheid bepaald in artikel 39, tweede lid, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936; voor de periode van 1 januari 1955 tot 31 december 1955 worden de werkelijke brutobezoldigingen ten belope van een maximumbedrag van 10.000 F per maand in aanmerking genomen;
2° van (65 251) F of (84 375) F naargelang het gaat om een scheepsgezel of een scheepsofficier voor elk kalenderjaar vóór 1 januari 1955, in de loop waarvan hij doet blijken dat hij gewoonlijk en hoofdzakelijk te werk gesteld was in de zin van artikel 7 van dit besluit, voor wat de zeeman bedoeld bij artikel 39, tweede lid, b, van voormeld koninklijk besluit van 24 oktober 1936 betreft, of van (52 200) F of (71 145) F naargelang het gaat om een scheepsgezel of een scheepsofficier, voor wat de zeeman bedoeld bij artikel 39, tweede lid, a, van laatstgenoemd koninklijk besluit betreft. <KB 8-11-1971, art. 23>
De breuk die met elk kalenderjaar overeenstemt heeft als teller de eenheid en als noemer het aantal kalenderjaren begrepen in de periode ingaande op 1 januari van het jaar van de 20e verjaardag en, ten vroegste, op 1 januari 1926, en eindigend op 31 december van het jaar dat zijn 60e verjaardag, hetzij de vervroegde ingangsdatum van het pensioen voorafgaat.
Wanneer het aantal kalenderjaren welke de loopbaan bevat hoger is dan het aantal jaren uitgedrukt door de noemer van de breuk, worden enkel tot beloop van dit laatste aantal, de kalenderjaren in aanmerking genomen welke recht geven op het voordeligste pensioen.
Het recht op rustpensioen wordt per kalenderjaar verkregen naar rato van een breuk :
1° der werkelijke, fictieve en forfaitaire brutobezoldigingen voor elk jaar na 31 december 1954, die op de individuele rekening van de werknemer ingeschreven moeten zijn, in aanmerking genomen naar rato van 60 t.h. of 75 t.h. volgens het onderscheid bepaald in artikel 39, tweede lid, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936; voor de periode van 1 januari 1955 tot 31 december 1955 worden de werkelijke brutobezoldigingen ten belope van een maximumbedrag van 10.000 F per maand in aanmerking genomen;
2° van (65 251) F of (84 375) F naargelang het gaat om een scheepsgezel of een scheepsofficier voor elk kalenderjaar vóór 1 januari 1955, in de loop waarvan hij doet blijken dat hij gewoonlijk en hoofdzakelijk te werk gesteld was in de zin van artikel 7 van dit besluit, voor wat de zeeman bedoeld bij artikel 39, tweede lid, b, van voormeld koninklijk besluit van 24 oktober 1936 betreft, of van (52 200) F of (71 145) F naargelang het gaat om een scheepsgezel of een scheepsofficier, voor wat de zeeman bedoeld bij artikel 39, tweede lid, a, van laatstgenoemd koninklijk besluit betreft. <KB 8-11-1971, art. 23>
De breuk die met elk kalenderjaar overeenstemt heeft als teller de eenheid en als noemer het aantal kalenderjaren begrepen in de periode ingaande op 1 januari van het jaar van de 20e verjaardag en, ten vroegste, op 1 januari 1926, en eindigend op 31 december van het jaar dat zijn 60e verjaardag, hetzij de vervroegde ingangsdatum van het pensioen voorafgaat.
Wanneer het aantal kalenderjaren welke de loopbaan bevat hoger is dan het aantal jaren uitgedrukt door de noemer van de breuk, worden enkel tot beloop van dit laatste aantal, de kalenderjaren in aanmerking genomen welke recht geven op het voordeligste pensioen.
Art. 2. <AR 21-10-1966, art. 2> Par dérogation aux dispositions des articles 35, § 1er, 39, alinéas 1er et 2, et 40 de l'arrêté royal du 24 octobre 1936, la pension de retraite qui prend cours effectivement et au plus tôt le 1er janvier 1966, est accordée dans les limites et aux conditions suivantes.
Le droit à la pension de retraite est acquis par année civile, à raison d'une fraction :
1° des rémunérations brutes, réelles, fictives et forfaitaires, afférentes à chaque année postérieure au 31 décembre 1954, devant être inscrites au compte individuel du travailleur, prises en considération à raison de 60 p.c. ou de 75 p.c., selon la distinction établie à l'article 39, alinéa 2, de l'arrêté royal du 24 octobre 1936; pour la période du 1er janvier 1955 au 31 décembre 1955, les rémunérations brutes réelles sont prises en considération à concurrence d'un montant maximum de 10.000 F par mois;
2° de (65 251) F ou de (84 375) F, selon qu'il s'agit d'un marin subalterne ou d'un officier marin, pour chaque année civile antérieure au 1er janvier 1955, au cours de laquelle il justifie avoir été occupé habituellement et en ordre principal au sens de l'article 7 du présent arrêté, en ce qui concerne le marin visé à l'article 39, alinéa 2, b, de l'arrêté royal du 24 octobre 1936 précité, ou de (52 200) F ou (71 145) F, selon qu'il s'agit d'un marin subalterne ou d'un officier marin, en ce qui concerne le marin visé à l'article 39, alinéa 2, a, dudit arrêté royal. <AR 8-11-1971, art. 23>
La fraction correspondant à chaque année civile a pour numérateur l'unité et pour dénominateur le nombre d'années civiles comprises dans la période commençant le 1er janvier de l'année du 20e anniversaire et, au plus tôt, le 1er janvier 1926, et prenant fin le 31 décembre de l'année précédant, soit le 60e anniversaire de sa naissance, soit la date de prise de cours anticipée de la pension.
Lorsque le nombre d'années civiles que la carrière comporte est supérieur au nombre d'années exprimé par le dénominateur de la fraction, sont prises en considération, à concurrence de ce dernier nombre seulement, les années civiles donnant droit à la pension la plus avantageuse.
Le droit à la pension de retraite est acquis par année civile, à raison d'une fraction :
1° des rémunérations brutes, réelles, fictives et forfaitaires, afférentes à chaque année postérieure au 31 décembre 1954, devant être inscrites au compte individuel du travailleur, prises en considération à raison de 60 p.c. ou de 75 p.c., selon la distinction établie à l'article 39, alinéa 2, de l'arrêté royal du 24 octobre 1936; pour la période du 1er janvier 1955 au 31 décembre 1955, les rémunérations brutes réelles sont prises en considération à concurrence d'un montant maximum de 10.000 F par mois;
2° de (65 251) F ou de (84 375) F, selon qu'il s'agit d'un marin subalterne ou d'un officier marin, pour chaque année civile antérieure au 1er janvier 1955, au cours de laquelle il justifie avoir été occupé habituellement et en ordre principal au sens de l'article 7 du présent arrêté, en ce qui concerne le marin visé à l'article 39, alinéa 2, b, de l'arrêté royal du 24 octobre 1936 précité, ou de (52 200) F ou (71 145) F, selon qu'il s'agit d'un marin subalterne ou d'un officier marin, en ce qui concerne le marin visé à l'article 39, alinéa 2, a, dudit arrêté royal. <AR 8-11-1971, art. 23>
La fraction correspondant à chaque année civile a pour numérateur l'unité et pour dénominateur le nombre d'années civiles comprises dans la période commençant le 1er janvier de l'année du 20e anniversaire et, au plus tôt, le 1er janvier 1926, et prenant fin le 31 décembre de l'année précédant, soit le 60e anniversaire de sa naissance, soit la date de prise de cours anticipée de la pension.
Lorsque le nombre d'années civiles que la carrière comporte est supérieur au nombre d'années exprimé par le dénominateur de la fraction, sont prises en considération, à concurrence de ce dernier nombre seulement, les années civiles donnant droit à la pension la plus avantageuse.
Art. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 2 van dit besluit en van de artikelen 35, § 1, 39 en 40, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936, heeft de zeeman die doet blijken van minstens honderd achtenzestig maanden dienst ter zee met verplichte aansluiting bij de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag, recht op een rustpensioen voor een volledige loopbaan.
De duur van de diensten ter zee wordt bepaald door de inschrijving op de monsterrol.
Het recht op het rustpensioen bedoeld in dit artikel wordt verworven naar rata van een fractie van de in (artikel 2, tweede lid, 1° en 2°), van dit besluit, voorziene bedragen. <KB 21-10-1966, art. 3>
De fractie die met elk jaar overeenstemt heeft als teller de eenheid en als noemer veertien.
De duur van de diensten ter zee wordt bepaald door de inschrijving op de monsterrol.
Het recht op het rustpensioen bedoeld in dit artikel wordt verworven naar rata van een fractie van de in (artikel 2, tweede lid, 1° en 2°), van dit besluit, voorziene bedragen. <KB 21-10-1966, art. 3>
De fractie die met elk jaar overeenstemt heeft als teller de eenheid en als noemer veertien.
Art. 3. Par dérogation aux dispositions de l'article 2 du présent arrêté et aux dispositions des articles 35, § 1er, 39 et 40, de l'arrêté royal du 24 octobre 1936, le marin qui justifie d'au moins cent soixante-huit mois de service à la mer, avec assujettissement obligatoire à la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins naviguant sous pavillon belge, a droit à la pension de retraite pour une carrière complète.
La durée des services à la mer est déterminée au moyen de l'inscription au rôle d'équipage.
Le droit à la pension de retraite, visée au présent article est acquis par année à raison d'une fraction des montants visés à (l'article 2, alinéa 2, 1° et 2°), du présent arrêté. <AR 21-10-1966, art. 3>La fraction correspondant à chaque année a pour numérateur l'unité et pour dénominateur quatorze.
La durée des services à la mer est déterminée au moyen de l'inscription au rôle d'équipage.
Le droit à la pension de retraite, visée au présent article est acquis par année à raison d'une fraction des montants visés à (l'article 2, alinéa 2, 1° et 2°), du présent arrêté. <AR 21-10-1966, art. 3>La fraction correspondant à chaque année a pour numérateur l'unité et pour dénominateur quatorze.
HOOFDSTUK II_ Het overlevingspensioen.
CHAPITRE II_ De la pension de survie.
Art. 4. Het overlevingspensioen dat daadwerkelijk vóór 1 januari 1962 is ingegaan, mag niet lager zijn :
1° dan een gewaarborgd minimum van (52 200 F) of (64 800 F) per jaar, naargelang het gaat om een overlevingspensioen toegekend aan de weduwe van een scheepsgezel of een scheepsofficier, indien het integraal bedrag van het overlevingspensioen werd toegekend; <KB 8-11-1971, art. 24>
2° dan een quota van de sub 1° bedoelde gewaarborgde minima die evenredig is met het toegestane gedeelte van het volledig bedrag van het toegekend overlevingspensioen.
1° dan een gewaarborgd minimum van (52 200 F) of (64 800 F) per jaar, naargelang het gaat om een overlevingspensioen toegekend aan de weduwe van een scheepsgezel of een scheepsofficier, indien het integraal bedrag van het overlevingspensioen werd toegekend; <KB 8-11-1971, art. 24>
2° dan een quota van de sub 1° bedoelde gewaarborgde minima die evenredig is met het toegestane gedeelte van het volledig bedrag van het toegekend overlevingspensioen.
Art. 4. La pension de survie qui a pris cours effectivement avant le 1er janvier 1962, ne peut être inférieure :
1° à un minimum garanti de (52 200 F) ou de (64 800 F) par an, selon qu'il s'agit d'une pension de survie accordée à la veuve d'un marin subalterne ou d'un officier marin, si le montant intégral de la pension de survie a été accordé; <AR 8-11-1971, art. 24>
2° à une quotité du minimum garanti visé au 1°, proportionnelle à la partie du montant intégral de la pension de survie qui a été accordée.
1° à un minimum garanti de (52 200 F) ou de (64 800 F) par an, selon qu'il s'agit d'une pension de survie accordée à la veuve d'un marin subalterne ou d'un officier marin, si le montant intégral de la pension de survie a été accordé; <AR 8-11-1971, art. 24>
2° à une quotité du minimum garanti visé au 1°, proportionnelle à la partie du montant intégral de la pension de survie qui a été accordée.
Art. 5. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 35, § 2, en 43, §§ 2, 3, 4 en 5, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936, wordt het overlevingspensioen dat daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 1962 ingaat, in de volgende begrenzingen en voorwaarden toegekend :
§ 1. Het overlevingspensioen wordt slechts toegekend indien de belanghebbende op het ogenblik van het overlijden, sedert ten minste één jaar met de overleden zeeman gehuwd was.
Deze voorwaarde is niet vereist indien uit dit huwelijk een kind geboren is; in geval van posthume geboorte binnen de driehonderd dagen na het overlijden, gaat het pensioen met terugwerkende kracht in, de eerste van de maand volgend op het overlijden, voor zover de aanvraag binnen de drie maanden na de geboorte is ingediend.
§ 2. Indien de echtgenoot na de ingangsdatum van zijn rustpensioen overleden is, is het overlevingspensioen (gelijk aan 2/3) van het bedrag van het aan de echtgenoot toegekende rustpensioen, berekend voor een in artikel 39, tweede lid, b, van hetzelfde koninklijk besluit bedoeld zeeman en zonder dat gebeurlijk de in artikel 37, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde vermindering wordt toegepast. <KB 23-6-1966, art. 3, 1°>
(Indien de echtgenoot vóór 1 januari 1966 overleden is, wordt zijn rustpensioen herberekend in toepassing van dit besluit.) <KB 21-10-1966, art. 4, 1°>
(Lid 3 opgeheven) <KB 23-6-1966, art. 3, 2°>
§ 3. (Indien de echtgenoot vóór de ingangsdatum van zijn rustpensioen overleden is, is het overlevingspensioen gelijk aan 2/3 van het bedrag van het rustpensioen dat aan de echtgenoot zou toegekend geweest zijn. Indien nochtans dit pensioen had moeten toegekend worden bij toepassing van artikel 2, heeft de in aanmerking te nemen breuk voor de berekening van het bedrag van dit pensioen als teller de eenheid en als noemer het aantal kalenderjaren begrepen in de periode ingaande op 1 januari van het jaar van de 20e verjaardag van de overleden echtgenoot en ten vroegste op 1 januari 1926 en eindigend op 31 december van het jaar dat zijn overlijden voorafgaat en ten laatste op 31 december van het jaar dat zijn 60e verjaardag voorafgaat.) <KB 23-6-1966, art. 3, 3°>
Indien de echtgenoot vóór 1 januari (1927) overleden is, wordt de loopbaan als volledig beschouwd indien de echtgenote bewijst dat haar echtgenoot op het ogenblik van zijn overlijden ten minste sedert één jaar de hoedanigheid van zeeman had. <KB 23-6-1966, art. 3, 4°>
(Indien de echtgenoot na 31 december 1926 doch vóór 1 januari van het jaar van zijn 21e verjaardag overleden is, is het bedrag van het rustpensioen dat tot basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen gelijk :
a) hetzij aan één der bedragen naar gelang het gaat om een scheepsgezel of een scheepsofficier, vastgesteld bij (artikel 2, tweede lid, 2°,), indien het een zeeman bedoeld in artikel 39, tweede lid, b, van het voornoemd koninklijk besluit van 24 oktober 1936 betreft, indien de echtgenote bewijst dat de overleden echtgenoot gewoonlijk en hoofdzakelijk te werk gesteld is geweest (overeenkomstig artikel 7 van dit besluit) gedurende een kalenderjaar vóór 1955; <KB 21-10-1966, art. 4, 2°>
b) hetzij aan 75 pct. van het bedrag der (...) bezoldigingen van de echtgenoot bedoeld bij (artikel 2, tweede lid, 1°) en die betrekking hebben op het voordeligste van de kalenderjaren die aan dat van het overlijden voorafgaan, indien de wijze van berekening bedoeld bij a niet kan toegepast worden of minder voordelig is.) <KB 23-6-1966, art. 3, 5°> <KB 21-10-1966, art. 4, 2°>
§ 4. Wanneer het overlevingspensioen berekend wordt in functie van het rustpensioen voor een loopbaan als zeeman die al jaren omvat, hetzij van de periode bedoeld in (artikel 2, derde lid), hetzij van de periode bedoeld in artikel 3, hetzij van de periode bedoeld in § 3 van dit artikel, mag het bedrag van het overlevingspensioen niet hoger zijn dan (52 200 F) of (67 500 F) naargelang het gaat om de weduwe van een scheepsgezel of van een scheepsofficier.
Indien de gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling in de zin van één der perioden, die hetzij in artikel 2, § 1, hetzij in § 3 van dit artikel bedoeld zijn, bewezen is, wordt de begrenzing vastgesteld op een quota van de in vorig lid bedoelde bedragen die evenredig is met het aantal jaren waarvoor de gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling bewezen is, in verhouding tot het totaal aantal jaren van de in aanmerking te nemen periode. <KB 21-10-1966, art. 4, 3°> <KB 8-11-1971, art. 25>
Indien het overlevingspensioen berekend werd in functie van een rustpensioen dat daadwerkelijk vóór 1 januari 1962 is ingegaan, is de begrenzing gelijk aan zoveel 40sten van (52 200 F) of van (67 500 F), naargelang het gaat om de weduwe van een scheepsgezel of van een scheepsofficier, als er werkelijke of vermoede jaren zijn in functie waarvan een rustpensioen als zeeman aan de overleden echtgenoot werd toegekend. <KB 8-11-1971, art. 25>
§ 5. Voor de toepassing van de §§ 2 en 3 van dit artikel, wordt het bedrag van het rustpensioen dat tot basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen aangepast aan het algemeen indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk waaraan de pensioenen gekoppeld zijn welke ingaan op de ingangsdatum van het overlevingspensioen. <KB 23-6-1966, art. 3, 7°>
§ 1. Het overlevingspensioen wordt slechts toegekend indien de belanghebbende op het ogenblik van het overlijden, sedert ten minste één jaar met de overleden zeeman gehuwd was.
Deze voorwaarde is niet vereist indien uit dit huwelijk een kind geboren is; in geval van posthume geboorte binnen de driehonderd dagen na het overlijden, gaat het pensioen met terugwerkende kracht in, de eerste van de maand volgend op het overlijden, voor zover de aanvraag binnen de drie maanden na de geboorte is ingediend.
§ 2. Indien de echtgenoot na de ingangsdatum van zijn rustpensioen overleden is, is het overlevingspensioen (gelijk aan 2/3) van het bedrag van het aan de echtgenoot toegekende rustpensioen, berekend voor een in artikel 39, tweede lid, b, van hetzelfde koninklijk besluit bedoeld zeeman en zonder dat gebeurlijk de in artikel 37, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde vermindering wordt toegepast. <KB 23-6-1966, art. 3, 1°>
(Indien de echtgenoot vóór 1 januari 1966 overleden is, wordt zijn rustpensioen herberekend in toepassing van dit besluit.) <KB 21-10-1966, art. 4, 1°>
(Lid 3 opgeheven) <KB 23-6-1966, art. 3, 2°>
§ 3. (Indien de echtgenoot vóór de ingangsdatum van zijn rustpensioen overleden is, is het overlevingspensioen gelijk aan 2/3 van het bedrag van het rustpensioen dat aan de echtgenoot zou toegekend geweest zijn. Indien nochtans dit pensioen had moeten toegekend worden bij toepassing van artikel 2, heeft de in aanmerking te nemen breuk voor de berekening van het bedrag van dit pensioen als teller de eenheid en als noemer het aantal kalenderjaren begrepen in de periode ingaande op 1 januari van het jaar van de 20e verjaardag van de overleden echtgenoot en ten vroegste op 1 januari 1926 en eindigend op 31 december van het jaar dat zijn overlijden voorafgaat en ten laatste op 31 december van het jaar dat zijn 60e verjaardag voorafgaat.) <KB 23-6-1966, art. 3, 3°>
Indien de echtgenoot vóór 1 januari (1927) overleden is, wordt de loopbaan als volledig beschouwd indien de echtgenote bewijst dat haar echtgenoot op het ogenblik van zijn overlijden ten minste sedert één jaar de hoedanigheid van zeeman had. <KB 23-6-1966, art. 3, 4°>
(Indien de echtgenoot na 31 december 1926 doch vóór 1 januari van het jaar van zijn 21e verjaardag overleden is, is het bedrag van het rustpensioen dat tot basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen gelijk :
a) hetzij aan één der bedragen naar gelang het gaat om een scheepsgezel of een scheepsofficier, vastgesteld bij (artikel 2, tweede lid, 2°,), indien het een zeeman bedoeld in artikel 39, tweede lid, b, van het voornoemd koninklijk besluit van 24 oktober 1936 betreft, indien de echtgenote bewijst dat de overleden echtgenoot gewoonlijk en hoofdzakelijk te werk gesteld is geweest (overeenkomstig artikel 7 van dit besluit) gedurende een kalenderjaar vóór 1955; <KB 21-10-1966, art. 4, 2°>
b) hetzij aan 75 pct. van het bedrag der (...) bezoldigingen van de echtgenoot bedoeld bij (artikel 2, tweede lid, 1°) en die betrekking hebben op het voordeligste van de kalenderjaren die aan dat van het overlijden voorafgaan, indien de wijze van berekening bedoeld bij a niet kan toegepast worden of minder voordelig is.) <KB 23-6-1966, art. 3, 5°> <KB 21-10-1966, art. 4, 2°>
§ 4. Wanneer het overlevingspensioen berekend wordt in functie van het rustpensioen voor een loopbaan als zeeman die al jaren omvat, hetzij van de periode bedoeld in (artikel 2, derde lid), hetzij van de periode bedoeld in artikel 3, hetzij van de periode bedoeld in § 3 van dit artikel, mag het bedrag van het overlevingspensioen niet hoger zijn dan (52 200 F) of (67 500 F) naargelang het gaat om de weduwe van een scheepsgezel of van een scheepsofficier.
Indien de gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling in de zin van één der perioden, die hetzij in artikel 2, § 1, hetzij in § 3 van dit artikel bedoeld zijn, bewezen is, wordt de begrenzing vastgesteld op een quota van de in vorig lid bedoelde bedragen die evenredig is met het aantal jaren waarvoor de gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling bewezen is, in verhouding tot het totaal aantal jaren van de in aanmerking te nemen periode. <KB 21-10-1966, art. 4, 3°> <KB 8-11-1971, art. 25>
Indien het overlevingspensioen berekend werd in functie van een rustpensioen dat daadwerkelijk vóór 1 januari 1962 is ingegaan, is de begrenzing gelijk aan zoveel 40sten van (52 200 F) of van (67 500 F), naargelang het gaat om de weduwe van een scheepsgezel of van een scheepsofficier, als er werkelijke of vermoede jaren zijn in functie waarvan een rustpensioen als zeeman aan de overleden echtgenoot werd toegekend. <KB 8-11-1971, art. 25>
§ 5. Voor de toepassing van de §§ 2 en 3 van dit artikel, wordt het bedrag van het rustpensioen dat tot basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen aangepast aan het algemeen indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk waaraan de pensioenen gekoppeld zijn welke ingaan op de ingangsdatum van het overlevingspensioen. <KB 23-6-1966, art. 3, 7°>
Art. 5. Par dérogation aux dispositions des articles 35, § 2 et 43, §§ 2,3,4 et 5 de l'arrêté royal du 24 octobre 1936, la pension de survie qui prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 1962, est accordée dans les limites et aux conditions suivantes :
§ 1er. La pension de survie n'est accordée que si l'intéressée est l'épouse du marin décédé, depuis un an au moins au moment du décès.
Cette condition n'est pas requise lorsqu'un enfant est né de cette union : en cas de naissance posthume dans les 300 jours du décès, la pension de survie prend cours rétroactivement le premier du mois suivant le décès, pour autant que la demande soit introduite dans les trois mois de la naissance.
§ 2. Lorsque le mari est décédé après la prise de cours de sa pension de retraite, la pension de survie est (égale aux 2/3) du montant de la pension de retraite accordée au mari, calculée pour un marin visé à l'article 39, alinéa 2, b, du même arrêté royal et sans que soit éventuellement appliquée la réduction prévue à l'article 37, alinéa 2, du même arrêté royal. <AR 23-6-1966, art. 3,10>
(Si le décès du mari est survenu avant le 1er janvier 1966, sa pension de retraite est recalculée en application du présent arrêté.) <AR 21-10-1966, art. 4, 1°>
(Al. 3 abrogé) <AR 23-6-1966, art. 3, 2°>
§ 3. (Lorsque le mari est décédé avant la prise de cours de sa pension de retraite, la pension de survie est égale aux 2/3 du montant de la pension de retraite qui aurait été accordée au mari. Toutefois, si cette pension avait dû être accordée en application de l'article 2, la fraction à prendre en considération pour le calcul du montant de cette pension a pour numérateur l'unité et pour dénominateur le nombre d'années civiles comprises dans la période commençant le 1er janvier de l'année du 20e anniversaire de la naissance du mari défunt et au plus tôt le 1er janvier 1926 et prenant fin le 31 décembre de l'année précédant celle de son décès et au plus tard le 31 décembre de l'année précédant le 60e anniversaire de sa naissance.) <AR 23-6-1966, art. 3,3°>
Lorsque le mari est décédé avant le 1er janvier (1927), sa carrière est réputée complète si le conjoint prouve que l'époux décédé avait la qualité de marin depuis un an au moins au moment du décès. <AR 23-6-1966, art.3,4°>
(Lorsque le mari est décédé après le 31 décembre 1926 mais avant le 1er janvier de l'année de son 21e anniversaire, le montant de la pension de retraite servant de base au calcul de la pension de survie, est égal :
a) soit, selon qu'il s'agit d'un marin subalterne ou d'un officier marin, à l'un des montants fixés à (l'article 2, alinéa 2, 2°) pour un marin visé à l'article 39, alinéa 2,b, de l'arrêté royal du 24 octobre 1936 précité, si le conjoint prouve que l'époux décédé à été occupé, habituellement et en ordre principal (conformément à l'article 7 du présent arrêté) au cours d'une année civile antérieure à 1955; <AR 21-10-1966, art. 4, 2°>
b) soit à 75 p.c. du montant des rémunérations du mari, (...), visées à l' (article 2, alinéa 2, 1°), et afférentes à la plus avantageuse des années civiles antérieures à celle du décès, si le mode de calcul visé au a ne peut être appliqué ou est moins favorable.) <AR 23-6-1966, art. 3, 5°> <AR 21-10-1966, art. 4, 2°>
§ 4. Lorsque la pension de survie est calculée en fonction de la pension de retraite pour une carrière de marin comprenant toutes les années de la période prévue, soit à (l'article 2, alinéa 3,) soit à l'article 3, soit au § 3 du présent article le montant de la pension de survie ne peut être supérieur à (52 200 F) ou (67 500 F), selon qu'il s'agit de la veuve d'un marin subalterne ou d'un officier marin. Si l'occupation habituelle et en ordre principal au sens du présent arrêté n'a été justifiée que pour une partie de l'une des périodes visées, soit à l'article 2, § 1er, soit au § 3 du présent article, la limite est fixée à une quotité des montants prévus à l'alinéa précédent, proportionnelle au nombre d'années pour lesquelles l'occupation habituelle et en ordre principal a été justifiée par rapport au nombre total d'années de la période à considérer. <AR 21-10-1966, art. 4, 3°>{ < Montants modifés par AR 8-11-1971, art. 25>
Lorsque la pension de survie est calculée en fonction d'une pension de retraite ayant pris cours effectivement avant le 1er janvier 1962, la limite est égale à autant de quarantièmes de (52 200 F) ou (67 500 F), selon qu'il s'agit de la veuve d'un marin subalterne ou d'un officier marin, que d'années de carrière réelles ou présumées en fonction desquelles une pension de retraite de marin a été accordée au mari défunt. <AR 8-11-1971, art. 25>
§ 5. (Pour l'application des §§ 2 et 3 du présent article, le montant de la pension de retraite servant de base au calcul de la pension de survie est adapté à l'indice général des prix de détail du Royaume auquel sont rattachées les pensions prenant cours à la date de prise de cours de la pension de survie.) <AR 23-6-1966, art. 3, 7°>
§ 1er. La pension de survie n'est accordée que si l'intéressée est l'épouse du marin décédé, depuis un an au moins au moment du décès.
Cette condition n'est pas requise lorsqu'un enfant est né de cette union : en cas de naissance posthume dans les 300 jours du décès, la pension de survie prend cours rétroactivement le premier du mois suivant le décès, pour autant que la demande soit introduite dans les trois mois de la naissance.
§ 2. Lorsque le mari est décédé après la prise de cours de sa pension de retraite, la pension de survie est (égale aux 2/3) du montant de la pension de retraite accordée au mari, calculée pour un marin visé à l'article 39, alinéa 2, b, du même arrêté royal et sans que soit éventuellement appliquée la réduction prévue à l'article 37, alinéa 2, du même arrêté royal. <AR 23-6-1966, art. 3,10>
(Si le décès du mari est survenu avant le 1er janvier 1966, sa pension de retraite est recalculée en application du présent arrêté.) <AR 21-10-1966, art. 4, 1°>
(Al. 3 abrogé) <AR 23-6-1966, art. 3, 2°>
§ 3. (Lorsque le mari est décédé avant la prise de cours de sa pension de retraite, la pension de survie est égale aux 2/3 du montant de la pension de retraite qui aurait été accordée au mari. Toutefois, si cette pension avait dû être accordée en application de l'article 2, la fraction à prendre en considération pour le calcul du montant de cette pension a pour numérateur l'unité et pour dénominateur le nombre d'années civiles comprises dans la période commençant le 1er janvier de l'année du 20e anniversaire de la naissance du mari défunt et au plus tôt le 1er janvier 1926 et prenant fin le 31 décembre de l'année précédant celle de son décès et au plus tard le 31 décembre de l'année précédant le 60e anniversaire de sa naissance.) <AR 23-6-1966, art. 3,3°>
Lorsque le mari est décédé avant le 1er janvier (1927), sa carrière est réputée complète si le conjoint prouve que l'époux décédé avait la qualité de marin depuis un an au moins au moment du décès. <AR 23-6-1966, art.3,4°>
(Lorsque le mari est décédé après le 31 décembre 1926 mais avant le 1er janvier de l'année de son 21e anniversaire, le montant de la pension de retraite servant de base au calcul de la pension de survie, est égal :
a) soit, selon qu'il s'agit d'un marin subalterne ou d'un officier marin, à l'un des montants fixés à (l'article 2, alinéa 2, 2°) pour un marin visé à l'article 39, alinéa 2,b, de l'arrêté royal du 24 octobre 1936 précité, si le conjoint prouve que l'époux décédé à été occupé, habituellement et en ordre principal (conformément à l'article 7 du présent arrêté) au cours d'une année civile antérieure à 1955; <AR 21-10-1966, art. 4, 2°>
b) soit à 75 p.c. du montant des rémunérations du mari, (...), visées à l' (article 2, alinéa 2, 1°), et afférentes à la plus avantageuse des années civiles antérieures à celle du décès, si le mode de calcul visé au a ne peut être appliqué ou est moins favorable.) <AR 23-6-1966, art. 3, 5°> <AR 21-10-1966, art. 4, 2°>
§ 4. Lorsque la pension de survie est calculée en fonction de la pension de retraite pour une carrière de marin comprenant toutes les années de la période prévue, soit à (l'article 2, alinéa 3,) soit à l'article 3, soit au § 3 du présent article le montant de la pension de survie ne peut être supérieur à (52 200 F) ou (67 500 F), selon qu'il s'agit de la veuve d'un marin subalterne ou d'un officier marin. Si l'occupation habituelle et en ordre principal au sens du présent arrêté n'a été justifiée que pour une partie de l'une des périodes visées, soit à l'article 2, § 1er, soit au § 3 du présent article, la limite est fixée à une quotité des montants prévus à l'alinéa précédent, proportionnelle au nombre d'années pour lesquelles l'occupation habituelle et en ordre principal a été justifiée par rapport au nombre total d'années de la période à considérer. <AR 21-10-1966, art. 4, 3°>{ < Montants modifés par AR 8-11-1971, art. 25>
Lorsque la pension de survie est calculée en fonction d'une pension de retraite ayant pris cours effectivement avant le 1er janvier 1962, la limite est égale à autant de quarantièmes de (52 200 F) ou (67 500 F), selon qu'il s'agit de la veuve d'un marin subalterne ou d'un officier marin, que d'années de carrière réelles ou présumées en fonction desquelles une pension de retraite de marin a été accordée au mari défunt. <AR 8-11-1971, art. 25>
§ 5. (Pour l'application des §§ 2 et 3 du présent article, le montant de la pension de retraite servant de base au calcul de la pension de survie est adapté à l'indice général des prix de détail du Royaume auquel sont rattachées les pensions prenant cours à la date de prise de cours de la pension de survie.) <AR 23-6-1966, art. 3, 7°>
HOOFDSTUK III_ Algemene bepalingen.
CHAPITRE III_ Dispositions générales.
Art. 6. § 1. (De bij artikel 1, 1°, bij artikel 2, tweede lid, 2°, en bij artikel 4, 1°, bedoelde bedragen, alsook de bij artikel 5, § 4, bedoelde begrenzingen, veranderen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toeslagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Zij zijn gekoppeld aan het indexcijfer 114,20 der consumptieprijzen.) <KB 8-11-1971, art. 26>
§ (2.) Het rustpensioen der zeelieden, die vóór 1 januari 1962 de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, kan vastgesteld worden op hun aanvraag, rekening houdend met de bepalingen in voege op 31 december 1961 en onverminderd de toepassing van het artikel 1. <KB 21-10-1966, art. 5, 2°>
§ (3.) Artikel 20 van de wet van 21 mei 1955 is toepasselijk op betwistingen inzake rechten die uit dit besluit voortvloeien. <KB 21-10-1966, art. 5, 2°>
Zij zijn gekoppeld aan het indexcijfer 114,20 der consumptieprijzen.) <KB 8-11-1971, art. 26>
§ (2.) Het rustpensioen der zeelieden, die vóór 1 januari 1962 de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, kan vastgesteld worden op hun aanvraag, rekening houdend met de bepalingen in voege op 31 december 1961 en onverminderd de toepassing van het artikel 1. <KB 21-10-1966, art. 5, 2°>
§ (3.) Artikel 20 van de wet van 21 mei 1955 is toepasselijk op betwistingen inzake rechten die uit dit besluit voortvloeien. <KB 21-10-1966, art. 5, 2°>
Art. 6. § 1er. (Les montants visés à l'article 1er, 1°, à l'article 2, alinéa 2, 2°, à l'article 4, 1°, ainsi que les limites visées à l'article 5, § 4, varient conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Ils sont rattachés à l'indice 114,20 des prix à la consommation.) <AR 8-11-1971, art. 26>
§ (2.) La pension de retraite des marins ayant atteint l'âge de 60 ans avant le 1er janvier 1962 peut être établie, à leur demande, en tenant compte des dispositions en vigueur au 31 décembre 1961 et sans préjudice de l'application de l'article 1er. <AR 21-10-1966, art. 5, 2°>
§ (3.) L'article 20 de la loi du 21 mai 1955 s'applique aux contestations qui ont pour objet les droits résultant du présent arrêté. <AR 21-10-1966, art. 5, 2°>
Ils sont rattachés à l'indice 114,20 des prix à la consommation.) <AR 8-11-1971, art. 26>
§ (2.) La pension de retraite des marins ayant atteint l'âge de 60 ans avant le 1er janvier 1962 peut être établie, à leur demande, en tenant compte des dispositions en vigueur au 31 décembre 1961 et sans préjudice de l'application de l'article 1er. <AR 21-10-1966, art. 5, 2°>
§ (3.) L'article 20 de la loi du 21 mai 1955 s'applique aux contestations qui ont pour objet les droits résultant du présent arrêté. <AR 21-10-1966, art. 5, 2°>
Art. 7. Voor de toepassing van dit besluit wordt de gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling als zeeman, bepaald bij artikel 37bis, derde, vierde en vijfde lid, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936, bewezen zoals bepaald in hetzelfde koninklijk besluit.
(Al. 2 opgeheven) <KB 21-10-1966, art. 6>
(Al. 2 opgeheven) <KB 21-10-1966, art. 6>
Art. 7. Pour l'application du présent arrêté l'occupation habituelle et en ordre principal comme marin, déterminée à l'article 37bis, alinéas 3,4 et 5 de l'arrêté royal du 24 octobre 1936, est établie de la manière prévue par le même arrêté royal.
(Al. 2 abrogé) <AR 21-10-1966, art. 6>
(Al. 2 abrogé) <AR 21-10-1966, art. 6>
Art. 8. <KB 21-10-1966, art. 7>§ 1. Het bedrag van het rustpensioen berekend op de wijze als bepaald in artikel 3 van dit besluit wordt verminderd zo de zeeman een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel geniet van een andere pensioenregeling :
a) met een fractie van de in artikel 1, 1°, bedoelde bedragen in dezelfde bedragen in dezelfde verhouding als deze die tot basis gediend heeft voor de berekening van het rustpensioen of als zodanig geldend voordeel in de andere regeling;
b) ofwel met het bedrag van het in de andere regeling toegekende rustpensioen of als zodanig geldend voordeel, zo zulks voor belanghebbende voordeliger is.
§ 2. Het bedrag van het overlevingspensioen dat wordt toegekend op basis van een rustpensioen, berekend op de wijze als bepaald in artikel 3 van dit besluit, wordt verminderd zo de weduwe een overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel geniet van een andere pensioenregeling :
a) met een fractie van de in artikel 4 van dit besluit bedoelde bedragen in dezelfde verhouding als deze die tot basis gediend heeft voor de berekening van het overlevingspensioen of als zodanig geldend voordeel in de andere regeling;
b) ofwel met het bedrag van het in de andere regeling toegekende overlevingspensioen of als zodanig geldend voordeel zo zulks voor belanghebbende voordeliger is.
§ 3. De toekenning van het rustpensioen op basis van de bepaling van artikel 3 van dit besluit houdt voor de betrokkene de verplichting in, de rechten op een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel, verworven in een andere regeling, aan te vragen voor ingang op de in die regeling voorziene normale wettelijke leeftijd van ingenottreding.
De toekenning van het overlevingspensioen vastgesteld op basis van een rustpensioen bedoeld in artikel 3 van dit besluit, houdt voor de betrokkene de verplichting in de rechten op overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel, verworven in een andere regeling, aan te vragen voor ingang op het tijdstip waarop zij hierop, overeenkomstig die regeling, normaal aanspraak kan maken.
Verzuimen of weigeren de personen bedoeld in het eerste of tweede lid van deze paragraaf hun aanspraken te doen gelden, dan wordt de uitbetaling van het pensioen geschorst.
Onverminderd het bepaalde in de §§ 1 en 2 van dit artikel, wordt de betaling hervat, met terugwerkende kracht op de datum der schorsing, zodra die aanvraag is ingediend.
§ 4. Het overlevingspensioen als weduwe van een zeeman dat wordt toegekend ingevolge de bepalingen van dit besluit, mag met een rustpensioen of met enig ander als zodanig geldend voordeel worden samengevoegd ten bedrage van 110 pct. van de maximumbedragen, zoals vastgesteld in artikel 5, § 4, van dit besluit, naargelang het gaat om de weduwe van een scheepsgezel of van een officier.
a) met een fractie van de in artikel 1, 1°, bedoelde bedragen in dezelfde bedragen in dezelfde verhouding als deze die tot basis gediend heeft voor de berekening van het rustpensioen of als zodanig geldend voordeel in de andere regeling;
b) ofwel met het bedrag van het in de andere regeling toegekende rustpensioen of als zodanig geldend voordeel, zo zulks voor belanghebbende voordeliger is.
§ 2. Het bedrag van het overlevingspensioen dat wordt toegekend op basis van een rustpensioen, berekend op de wijze als bepaald in artikel 3 van dit besluit, wordt verminderd zo de weduwe een overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel geniet van een andere pensioenregeling :
a) met een fractie van de in artikel 4 van dit besluit bedoelde bedragen in dezelfde verhouding als deze die tot basis gediend heeft voor de berekening van het overlevingspensioen of als zodanig geldend voordeel in de andere regeling;
b) ofwel met het bedrag van het in de andere regeling toegekende overlevingspensioen of als zodanig geldend voordeel zo zulks voor belanghebbende voordeliger is.
§ 3. De toekenning van het rustpensioen op basis van de bepaling van artikel 3 van dit besluit houdt voor de betrokkene de verplichting in, de rechten op een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel, verworven in een andere regeling, aan te vragen voor ingang op de in die regeling voorziene normale wettelijke leeftijd van ingenottreding.
De toekenning van het overlevingspensioen vastgesteld op basis van een rustpensioen bedoeld in artikel 3 van dit besluit, houdt voor de betrokkene de verplichting in de rechten op overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel, verworven in een andere regeling, aan te vragen voor ingang op het tijdstip waarop zij hierop, overeenkomstig die regeling, normaal aanspraak kan maken.
Verzuimen of weigeren de personen bedoeld in het eerste of tweede lid van deze paragraaf hun aanspraken te doen gelden, dan wordt de uitbetaling van het pensioen geschorst.
Onverminderd het bepaalde in de §§ 1 en 2 van dit artikel, wordt de betaling hervat, met terugwerkende kracht op de datum der schorsing, zodra die aanvraag is ingediend.
§ 4. Het overlevingspensioen als weduwe van een zeeman dat wordt toegekend ingevolge de bepalingen van dit besluit, mag met een rustpensioen of met enig ander als zodanig geldend voordeel worden samengevoegd ten bedrage van 110 pct. van de maximumbedragen, zoals vastgesteld in artikel 5, § 4, van dit besluit, naargelang het gaat om de weduwe van een scheepsgezel of van een officier.
Art. 8. <AR 21-10-1966, art. 7>§ 1er. Lorsque le marin bénéficie d'une pension de retraite ou d'un avantage en tenant lieu accordé dans un autre régime de pension, le montant de la pension de retraite, calculé de la manière prévue à l'article 3 du présent arrêté, est reduit :
a) d'une fraction des montants visés à l'article 1er, 1°, égale à celle qui a servie de base au calcul de la pension de retraite ou de l'avantage en tenant lieu accordé dans l'autre régime;
b) ou du montant de la pension de retraite ou de l'avantage en tenant lieu accordé dans l'autre régime, lorsque cela est plus favorable à l'intéressé.
§ 2. Lorsque la veuve bénéficie d'une pension de retraite ou d'un avantage en tenant lieu, accordé dans un autre régime de pension, le montant de la pension de survie reconnue sur la base d'une pension de retraite, calculée de la manière prévue à l'article 3 du présent arrêté, est réduit :
a) d'une fraction des montants prévus à l'article 4 du présent arrêté, égale à celle qui a servi de base au calcul de la pension de survie ou de l'avantage en tenant lieu accordé dans l'autre régime.
b) ou du montant de la pension de survie ou de l'avantage en tenant lieu accordé dans l'autre régime, lorsque cela est plus favorable à l'intéressée.
§ 3. L'attribution de la pension de retraite sur la base des dispositions de l'article 3 du présent arrêté comporte pour l'intéressé l'obligation de demander ses droits à une pension de retraite ou à un avantage en tenant lieu, acquis dans un autre régime, en vue d'une prise de cours à l'âge légal normal d'entrée en jouissance prévu par ce régime.
L'attribution de la pension de survie fixée sur la base d'une pension de retraite visée à l'article 3 du présent arrêté, comporte pour l'intéressée l'obligation de demander que ses droits à une pension de survie ou à un avantage en tenant lieu, acquis dans un autre régime, prennent cours au moment o elle peut normalement les prétendre, conformément audit régime.
Le paiement de la pension est suspendu lorsque les personnes visées à l'alinéa 1er ou 2 du présent paragraphe omettent ou refusent de faire valoir leurs droits.
Sans préjudice des dispositions des §§ 1er et 2 du présent article, le paiement est repris avec effet rétroactif à la date de la suspension, aussitôt que cette demande a été introduite.
§ 4. La pension de survie accordée à la veuve d'un marin en vertu des dispositions du présent arrêté, peut être cumulée avec une pension de retraite ou tout autre avantage en tenant lieu, à concurrence de 110 p.c. des montants maximums des pensions de survie pour une carrière complète, tels qu'ils sont fixés à l'article 5, § 4, du présent arrêté, selon qu'il s'agit de la veuve d'un marin subalterne ou d'un officier marin.
a) d'une fraction des montants visés à l'article 1er, 1°, égale à celle qui a servie de base au calcul de la pension de retraite ou de l'avantage en tenant lieu accordé dans l'autre régime;
b) ou du montant de la pension de retraite ou de l'avantage en tenant lieu accordé dans l'autre régime, lorsque cela est plus favorable à l'intéressé.
§ 2. Lorsque la veuve bénéficie d'une pension de retraite ou d'un avantage en tenant lieu, accordé dans un autre régime de pension, le montant de la pension de survie reconnue sur la base d'une pension de retraite, calculée de la manière prévue à l'article 3 du présent arrêté, est réduit :
a) d'une fraction des montants prévus à l'article 4 du présent arrêté, égale à celle qui a servi de base au calcul de la pension de survie ou de l'avantage en tenant lieu accordé dans l'autre régime.
b) ou du montant de la pension de survie ou de l'avantage en tenant lieu accordé dans l'autre régime, lorsque cela est plus favorable à l'intéressée.
§ 3. L'attribution de la pension de retraite sur la base des dispositions de l'article 3 du présent arrêté comporte pour l'intéressé l'obligation de demander ses droits à une pension de retraite ou à un avantage en tenant lieu, acquis dans un autre régime, en vue d'une prise de cours à l'âge légal normal d'entrée en jouissance prévu par ce régime.
L'attribution de la pension de survie fixée sur la base d'une pension de retraite visée à l'article 3 du présent arrêté, comporte pour l'intéressée l'obligation de demander que ses droits à une pension de survie ou à un avantage en tenant lieu, acquis dans un autre régime, prennent cours au moment o elle peut normalement les prétendre, conformément audit régime.
Le paiement de la pension est suspendu lorsque les personnes visées à l'alinéa 1er ou 2 du présent paragraphe omettent ou refusent de faire valoir leurs droits.
Sans préjudice des dispositions des §§ 1er et 2 du présent article, le paiement est repris avec effet rétroactif à la date de la suspension, aussitôt que cette demande a été introduite.
§ 4. La pension de survie accordée à la veuve d'un marin en vertu des dispositions du présent arrêté, peut être cumulée avec une pension de retraite ou tout autre avantage en tenant lieu, à concurrence de 110 p.c. des montants maximums des pensions de survie pour une carrière complète, tels qu'ils sont fixés à l'article 5, § 4, du présent arrêté, selon qu'il s'agit de la veuve d'un marin subalterne ou d'un officier marin.
Art. 9. De bepalingen van de artikelen 1 en 4 van dit besluit zijn eveneens van toepassing op de prestaties toegekend op grond van de artikelen 63, 64 en 65 van het koninklijk besluit van 14 december 1954, die behouden blijven in toepassing van artikel 70 van het koninklijk besluit van 4 december 1956 tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 oktober 1936 houdende wijziging en samenordening van de statuten van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag.
Art. 9. Les dispositions des articles 1er et 4 du présent arrêté s'appliquent également aux prestations allouées sur base des articles 63, 64 et 65 de l'arrêté royal du 14 décembre 1954, lesquelles sont maintenues en application de l'article 70 de l'arrêté royal du 4 décembre 1956 modifiant l'arrêté royal du 24 octobre 1936 modifiant et coordonnant les statuts de la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins naviguant sous pavillon belge.
Art. 10. Het koninklijk besluit van 24 augustus 1961 tot verhoging van de rust- en overlevingspensioenen voor de zeevarenden onder Belgische vlag, wordt opgeheven.
Art. 10. L'arrêté royal du 24 août 1961, portant augmentation des pensions de retraite et de survie des marins naviguant sous pavillon belge, est abrogé.
Art. 11. Dit besluit heeft uitwerking op 1 januari 1962.
Art. 11. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 1962.
Art. 12. Onze Minister van Sociale Voorzorg is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 12. Notre Ministre de la Prévoyance sociale est chargé de l'exécution du présent arrêté.