Artikel 1. Deze wet geldt voor de rust- en overlevingspensioenen die worden verleend met toepassing van een pensioenregeling van de openbare sector en die ten laste komen van :
a) de Openbare Schatkist of de Rijkswerkliedenkas;
b) de provinciën, de gemeenten, (de agglomeraties van gemeenten, de federaties van gemeenten, de commissies voor de cultuur,) de verenigingen van gemeenten of de aan de provinciën en aan de gemeenten ondergeschikte organismen;
c) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is verklaard;
(cbis) (...)); (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)">opgeheven art. 230 van 22 FEBRUARI 1998. - Wet houdende sociale bepalingen. (NOTA 1 : De woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " ; zie KB2004-10-18/32, art. 38 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)
(cter) (...)); (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)">opgeheven art. 230 van 22 FEBRUARI 1998. - Wet houdende sociale bepalingen. (NOTA 1 : De woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " ; zie KB2004-10-18/32, art. 38 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)
d) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, toepasselijk is verklaard;
e) de andere openbare organismen en de organismen van openbaar nut waarvan de pensioenregeling bestaanbaar is met die van de andere openbare besturen en die worden aangewezen bij koninklijk besluit, op advies verstrekt door het beheerslichaam van het betrokken organisme;
(voor de openbare organismen die onder het toezicht van een Gemeenschap, een Gewest of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie geplaatst zijn, gebeurt de aanwijzing na een machtiging gegeven door of krachtens een decreet of een ordonnantie;) <KB 1999-04-28/42, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-1987>
f) de fondsen voor overlevingspensioenen beheerd door dezelfde openbare machten of openbare organismen van openbaar nut.
(g) het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie.) <W 2002-05-06/31, art. 21, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[1 h) het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO.]1
Deze wet geldt niet voor de rust- en overlevingspensioenen van de leden van het beroepspersoneel van de kaders van Afrika.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
14 APRIL 1965. - Wet tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-05-2002 en tekstbijwerking tot 30-03-2016)
Titre
14 AVRIL 1965. - Loi établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-05-2002 et mise à jour au 30-03-2016)
Dokumentinformationen
Numac: 1965041408
Datum: 1965-04-14
Info du document
Numac: 1965041408
Date: 1965-04-14
Inhoud
Tekst (30)
Texte (30)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsveld.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Article 1. La présente loi s'applique aux pensions de retraite et de survie qui sont accordées en application d'un régime de pension du secteur public et qui sont à charge :
a) du Trésor public ou de la Caisse des ouvriers de l'Etat;
b) des provinces, des communes (des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des commissions de la culture,) des associations de communes ou des organismes subordonnés aux provinces ou aux communes; <L 06-06-1976, art. 4, MB 17-07-1976>
c) des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
(cbis) (...)); (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)">abrogé art. 230 van 22 FEBRUARI 1998. - Wet houdende sociale bepalingen. (NOTA 1 : De woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " ; zie KB2004-10-18/32, art. 38 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)
(cter) (...)); (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)">abrogé art. 230 van 22 FEBRUARI 1998. - Wet houdende sociale bepalingen. (NOTA 1 : De woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " ; zie KB2004-10-18/32, art. 38 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)
d) des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
e) des autres organismes publics et des organismes d'intérêt public dont le régime de pension est compatible avec ceux des autres pouvoirs publics et qui font l'objet d'une désignation par arrêté royal, sur avis donné par l'organe de gestion de l'organisme en cause;
(pour les organismes publics placés sous le contrôle d'une Communauté, d'une Région ou de la Commission communautaire commune, la désignation est effectuée après autorisation donnée par ou en vertu d'un décret ou d'une ordonnance;) <AR 1999-04-28/42, art. 1, En vigueur : 01-01-1987>
f) des fonds de pension de survie gérés par les mêmes pouvoirs publics ou organismes publics ou d'intérêt public.
(g) le Fonds des pensions de la police intégrée.) <L 2002-05-06/31, art. 21, 002; En vigueur : 01-01-2003>
[1 h) le Fonds de pension solidarisé de l'ONSSAPL.]1
La présente loi ne s'applique pas aux pensions de retraite et de survie des membres du personnel de carrière des cadres d'Afrique.
a) du Trésor public ou de la Caisse des ouvriers de l'Etat;
b) des provinces, des communes (des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des commissions de la culture,) des associations de communes ou des organismes subordonnés aux provinces ou aux communes; <L 06-06-1976, art. 4, MB 17-07-1976>
c) des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
(cbis) (...)); (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)">abrogé art. 230 van 22 FEBRUARI 1998. - Wet houdende sociale bepalingen. (NOTA 1 : De woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " ; zie KB2004-10-18/32, art. 38 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)
(cter) (...)); (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)">abrogé art. 230 van 22 FEBRUARI 1998. - Wet houdende sociale bepalingen. (NOTA 1 : De woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " ; zie KB2004-10-18/32, art. 38 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)
d) des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
e) des autres organismes publics et des organismes d'intérêt public dont le régime de pension est compatible avec ceux des autres pouvoirs publics et qui font l'objet d'une désignation par arrêté royal, sur avis donné par l'organe de gestion de l'organisme en cause;
(pour les organismes publics placés sous le contrôle d'une Communauté, d'une Région ou de la Commission communautaire commune, la désignation est effectuée après autorisation donnée par ou en vertu d'un décret ou d'une ordonnance;) <AR 1999-04-28/42, art. 1, En vigueur : 01-01-1987>
f) des fonds de pension de survie gérés par les mêmes pouvoirs publics ou organismes publics ou d'intérêt public.
(g) le Fonds des pensions de la police intégrée.) <L 2002-05-06/31, art. 21, 002; En vigueur : 01-01-2003>
[1 h) le Fonds de pension solidarisé de l'ONSSAPL.]1
La présente loi ne s'applique pas aux pensions de retraite et de survie des membres du personnel de carrière des cadres d'Afrique.
Änderungen
Art. 1/1. [1 In het kader van deze wet, en behalve voor de toepassing van artikel 13, worden de rustpensioenen toegekend aan de personeelsleden van de NMBS-Holding en HR-Rail alsook de overlevingspensioenen toegekend aan hun rechthebbenden niet beschouwd als pensioenen ten laste van de Staatskas maar als pensioenen ten laste van een organisme van openbaar nut bedoeld in artikel 1, littera e.]1
Art.1/1. [1 Dans le cadre de la présente loi, et sauf pour l'application de son article 13, les pensions de retraite accordées aux membres du personnel de la SNCB-Holding et de HR-Rail ainsi que les pensions de survie accordées à leurs ayants droit, ne sont pas considérées comme des pensions à charge du Trésor public mais comme des pensions à charge d'un organisme d'intérêt public visé à l'article 1, littéra e.]1
HOOFDSTUK II. - Bepalingen met betrekking tot het enig rustpensioen.
CHAPITRE II. - Dispositions relatives à la pension de retraite unique.
Art.2. De diensten die rechten kunnen verlenen op het rustpensioen in de in artikel 1, eerste lid, vermelde regelingen, worden in aanmerking genomen voor de toekenning van een enig rustpensioen op voorwaarde dat de samengestelde diensten (twintig jaar) bereiken of dat de betrokkene, in het pensioenstelsel waaraan hij het laatst onderworpen was, de voorwaarden voor het toekennen van een rustpensioen vervulde. <L 05-08-1978, art. 69, BS 17-08-1978>
De diensten uit hoofde waarvan de betrokkene is onderworpen geweest aan een ander pensioenstelsel dan datgene dat op hem wordt toegepast op het ogenblik van zijn opruststelling, worden evenwel slechts in aanmerking genomen van het ogenblik dat de betrokkene de minimumleeftijd bereikt waarop vermelde diensten, in de veronderstelling dat zij zouden voortgezet geworden zijn, hem een pensioen in hun eigen pensioenregeling van de openbare sector zouden hebben opgebracht. Deze alinea is niet toepasselijk op de pensioenen die worden toegestaan wegens lichamelijke ongeschiktheid.
(Voor de toepassing van het eerste lid worden de diensten die bij een in artikel 1, eerste lid, bedoelde overheid of instelling werden verstrekt in het kader van een mandaat bedoeld in artikel 8, § 1, derde lid, van de algemene wet op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen van 21 juli 1844, beschouwd als diensten die rechten kunnen verlenen op een rustpensioen in het pensioenstelsel van die overheid of van die instelling.) <W 1999-01-25/32, art. 232, Inwerkingtreding : 01-07-1991>
De diensten uit hoofde waarvan de betrokkene is onderworpen geweest aan een ander pensioenstelsel dan datgene dat op hem wordt toegepast op het ogenblik van zijn opruststelling, worden evenwel slechts in aanmerking genomen van het ogenblik dat de betrokkene de minimumleeftijd bereikt waarop vermelde diensten, in de veronderstelling dat zij zouden voortgezet geworden zijn, hem een pensioen in hun eigen pensioenregeling van de openbare sector zouden hebben opgebracht. Deze alinea is niet toepasselijk op de pensioenen die worden toegestaan wegens lichamelijke ongeschiktheid.
(Voor de toepassing van het eerste lid worden de diensten die bij een in artikel 1, eerste lid, bedoelde overheid of instelling werden verstrekt in het kader van een mandaat bedoeld in artikel 8, § 1, derde lid, van de algemene wet op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen van 21 juli 1844, beschouwd als diensten die rechten kunnen verlenen op een rustpensioen in het pensioenstelsel van die overheid of van die instelling.) <W 1999-01-25/32, art. 232, Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art.2. Les services susceptibles de conférer des droits à la pension de retraite dans les régimes mentionnés à l'article 1, alinéa 1, sont pris en considération pour l'octroi et le calcul d'une pension de retraite unique à condition que les services totalisés atteignent (vingt années) ou que l'intéressé réunisse, dans le régime de pension auquel il a été soumis en dernier lieu, les conditions d'octroi d'une pension de retraite. <L 05-08-1978, art. 69, MB 17-08-1978>
Les services du chef desquels l'intéressé a été soumis à un autre régime de pension que celui qui lui est applicable au moment de sa mise à la retraite ne sont toutefois pris en considération qu'à partir du moment où l'intéressé atteint l'âge minimum auquel lesdits services antérieurs, dans l'éventualité où ils auraient été poursuivis, lui eussent valu une pension dans le régime de pension du secteur public qui leur est propre. Le présent alinéa n'est pas applicable aux pensions accordées pour inaptitude physique.
(Pour l'application de l'alinéa 1, les services rendus dans le cadre d'un mandat visé à l'article 8, § 1, alinéa 3, de la loi générale sur les pensions civiles et ecclésiastiques du 21 juillet 1844 auprès d'un des pouvoirs ou organismes visés à l'article 1, alinéa 1, sont considérés comme des services susceptibles de conférer des droits à une pension de retraite dans le régime de pension de ce pouvoir ou de cet organisme.) <L 1999-01-25/32, art. 232, En vigueur : 01-07-1991>
Les services du chef desquels l'intéressé a été soumis à un autre régime de pension que celui qui lui est applicable au moment de sa mise à la retraite ne sont toutefois pris en considération qu'à partir du moment où l'intéressé atteint l'âge minimum auquel lesdits services antérieurs, dans l'éventualité où ils auraient été poursuivis, lui eussent valu une pension dans le régime de pension du secteur public qui leur est propre. Le présent alinéa n'est pas applicable aux pensions accordées pour inaptitude physique.
(Pour l'application de l'alinéa 1, les services rendus dans le cadre d'un mandat visé à l'article 8, § 1, alinéa 3, de la loi générale sur les pensions civiles et ecclésiastiques du 21 juillet 1844 auprès d'un des pouvoirs ou organismes visés à l'article 1, alinéa 1, sont considérés comme des services susceptibles de conférer des droits à une pension de retraite dans le régime de pension de ce pouvoir ou de cet organisme.) <L 1999-01-25/32, art. 232, En vigueur : 01-07-1991>
Art.3. Het enige rustpensioen wordt toegekend en betaald door de macht of het organisme waardoor het rustpensioenstelsel wordt beheerd waaraan het personeelslid het laatst onderworpen was. De bepalingen waarbij de toekenning en de berekening van de door die macht of dat organisme vereffende rustpensioenen worden geregeld, zijn op dit pensioen toepasselijk. Nochtans worden de diensten waarvoor het personeelslid onderworpen was aan een door andere besturen of instellingen beheerde regeling in aanmerking genomen naar rato van één zestigste per jaar dienst, van het bedrag dat tot grondslag voor de berekening van het pensioen dient.
[1 ...]1
(In afwijking van het eerste lid, wordt het enig rustpensioen berekend naar rata van 1/50 van de referentiewedde voor elk jaar dat, overeenkomstig tabel I van de bij het koninklijk besluit nr. 16020 van 11 augustus 1923 samengeordende wetten op de militaire pensioenen, aan dat tantième in aanmerking kan worden genomen voor de berekening van een militair anciënniteitspensioen van een militair van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling.) <W 2007-02-28/35, art. 210, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2009 (zie art. 272)>
[1 ...]1
(In afwijking van het eerste lid, wordt het enig rustpensioen berekend naar rata van 1/50 van de referentiewedde voor elk jaar dat, overeenkomstig tabel I van de bij het koninklijk besluit nr. 16020 van 11 augustus 1923 samengeordende wetten op de militaire pensioenen, aan dat tantième in aanmerking kan worden genomen voor de berekening van een militair anciënniteitspensioen van een militair van het actief kader in dienst vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling.) <W 2007-02-28/35, art. 210, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2009 (zie art. 272)>
Art.3. La pension de retraite unique est accordée et payée par le pouvoir ou l'organisme qui gère le régime de pension de retraite auquel l'agent a été soumis en dernier lieu. Les dispositions régissant l'octroi et le calcul des pensions de retraite liquidées par ce pouvoir ou organisme sont applicables à cette pension. Toutefois, les services du chef desquels l'agent a été soumis à un régime géré par d'autres pouvoirs ou organismes sont pris en considération à raison d'un soixantième, par année de service, du montant qui sert de base au calcul de la pension.
[1 ...]1
(En dérogation à l'alinéa premier, la pension de retraite unique est calculée au prorata de 1/50 du traitement de référence pour chaque année qui, conformément au tableau I des lois sur les pensions militaires, coordonnées par l'arrêté royal N° 16020 du 11 août 1923, peut être prise à ce tantième pour le calcul de la pension militaire d'ancienneté d'un militaire du cadre actif en service à partir de la date d'entrée en vigueur de la présente disposition.) <L 2007-02-28/35, art. 210, 010; En vigueur : 01-01-2009 (voir art. 272)>
[1 ...]1
(En dérogation à l'alinéa premier, la pension de retraite unique est calculée au prorata de 1/50 du traitement de référence pour chaque année qui, conformément au tableau I des lois sur les pensions militaires, coordonnées par l'arrêté royal N° 16020 du 11 août 1923, peut être prise à ce tantième pour le calcul de la pension militaire d'ancienneté d'un militaire du cadre actif en service à partir de la date d'entrée en vigueur de la présente disposition.) <L 2007-02-28/35, art. 210, 010; En vigueur : 01-01-2009 (voir art. 272)>
Art.4. <W 2003-02-03/41, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Indien geen enkele van de diensten bepaald in artikel 2 gelijktijdig werd uitgeoefend, worden de diensten die achtereenvolgens werden volbracht, in aanmerking genomen voor de berekening van een enig rustpensioen, zelfs als die diensten rechten doen ontstaan op onderscheiden rustpensioenen.
Indien de diensten die werden gepresteerd bij de macht die of het organisme dat het enig pensioen niet toekent, op zichzelf rechten op een afzonderlijk rustpensioen hadden kunnen doen ontstaan, en indien de gemiddelde wedde die als grondslag zou hebben gediend voor de berekening van dit afzonderlijk rustpensioen hoger is dan de gemiddelde wedde die verbonden is aan de laatste vijf jaar van de loopbaan, kan het enig rustpensioen worden vastgesteld op basis van die hogere gemiddelde wedde, maar in dat geval wordt de duur van de diensten die werden gepresteerd bij de macht die of het organisme dat het enig rustpensioen toekent, verminderd in evenredigheid met de verhouding tussen enerzijds de gemiddelde wedde verbonden aan de laatste vijf jaar van de loopbaan of aan de volledige duur van de diensten die werden gepresteerd bij de macht die of het organisme dat het enig rustpensioen toekent als die duur minder dan vijf jaar bedraagt en anderzijds voormelde hogere gemiddelde wedde. Die berekeningswijze wordt enkel toegepast als ze voor de betrokkene gunstiger is.
Indien de titularis van een rustpensioen een nieuw ambt uitoefent dat aanneembare diensten omvat, dan wordt zijn pensioen op het ogenblik dat er in dat nieuwe ambt pensioenrechten ontstaan, herzien met inachtneming van het geheel van de diensten en op grond van de wedde die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen in het pensioenstelsel van de macht of het organisme dat het enig rustpensioen toekent.
Indien voor de toepassing van het derde lid de wedde die als grondslag heeft gediend voor de berekening van het oorspronkelijke rustpensioen, naar behoren omgezet in de weddeschalen die van kracht zijn op het ogenblik dat de herziening uitwerking heeft, hoger is dan de wedde die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het herziene pensioen, kan het herziene pensioen worden vastgesteld op basis van die hogere oorspronkelijke wedde, maar in dat geval wordt de duur van de diensten die werden gepresteerd in het nieuwe ambt verminderd in evenredigheid met de verhouding tussen enerzijds de wedde die normaal in aanmerking genomen wordt voor de berekening van het pensioen in het pensioenstelsel van de macht of het organisme dat het enig rustpensioen toekent en anderzijds voormelde hogere oorspronkelijke wedde. Die berekeningswijze wordt enkel toegepast als ze voor betrokkene gunstiger is.
Als het tweede lid en het vierde lid worden toegepast, moeten de in artikel 39 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bedoelde maxima alsook het maximum dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht, vermenigvuldigd worden met de verhouding tussen enerzijds de duur van alle diensten die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het enig rustpensioen na toepassing van het tweede lid en het vierde lid en anderzijds de duur van diezelfde diensten zonder de toepassing van deze leden.
Het tweede tot het vijfde lid zijn niet van toepassing indien de diensten die werden gepresteerd in het ambt waarin betrokkene zijn loopbaan niet beëindigt, werden volbracht in het kader van een mandaat waaraan een pensioenstelsel verbonden is met (een gunstiger tantième dan 1/55). <W 2007-04-25/52, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Indien de diensten die werden gepresteerd bij de macht die of het organisme dat het enig pensioen niet toekent, op zichzelf rechten op een afzonderlijk rustpensioen hadden kunnen doen ontstaan, en indien de gemiddelde wedde die als grondslag zou hebben gediend voor de berekening van dit afzonderlijk rustpensioen hoger is dan de gemiddelde wedde die verbonden is aan de laatste vijf jaar van de loopbaan, kan het enig rustpensioen worden vastgesteld op basis van die hogere gemiddelde wedde, maar in dat geval wordt de duur van de diensten die werden gepresteerd bij de macht die of het organisme dat het enig rustpensioen toekent, verminderd in evenredigheid met de verhouding tussen enerzijds de gemiddelde wedde verbonden aan de laatste vijf jaar van de loopbaan of aan de volledige duur van de diensten die werden gepresteerd bij de macht die of het organisme dat het enig rustpensioen toekent als die duur minder dan vijf jaar bedraagt en anderzijds voormelde hogere gemiddelde wedde. Die berekeningswijze wordt enkel toegepast als ze voor de betrokkene gunstiger is.
Indien de titularis van een rustpensioen een nieuw ambt uitoefent dat aanneembare diensten omvat, dan wordt zijn pensioen op het ogenblik dat er in dat nieuwe ambt pensioenrechten ontstaan, herzien met inachtneming van het geheel van de diensten en op grond van de wedde die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen in het pensioenstelsel van de macht of het organisme dat het enig rustpensioen toekent.
Indien voor de toepassing van het derde lid de wedde die als grondslag heeft gediend voor de berekening van het oorspronkelijke rustpensioen, naar behoren omgezet in de weddeschalen die van kracht zijn op het ogenblik dat de herziening uitwerking heeft, hoger is dan de wedde die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het herziene pensioen, kan het herziene pensioen worden vastgesteld op basis van die hogere oorspronkelijke wedde, maar in dat geval wordt de duur van de diensten die werden gepresteerd in het nieuwe ambt verminderd in evenredigheid met de verhouding tussen enerzijds de wedde die normaal in aanmerking genomen wordt voor de berekening van het pensioen in het pensioenstelsel van de macht of het organisme dat het enig rustpensioen toekent en anderzijds voormelde hogere oorspronkelijke wedde. Die berekeningswijze wordt enkel toegepast als ze voor betrokkene gunstiger is.
Als het tweede lid en het vierde lid worden toegepast, moeten de in artikel 39 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bedoelde maxima alsook het maximum dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht, vermenigvuldigd worden met de verhouding tussen enerzijds de duur van alle diensten die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het enig rustpensioen na toepassing van het tweede lid en het vierde lid en anderzijds de duur van diezelfde diensten zonder de toepassing van deze leden.
Het tweede tot het vijfde lid zijn niet van toepassing indien de diensten die werden gepresteerd in het ambt waarin betrokkene zijn loopbaan niet beëindigt, werden volbracht in het kader van een mandaat waaraan een pensioenstelsel verbonden is met (een gunstiger tantième dan 1/55). <W 2007-04-25/52, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art.4. <L 2003-02-03/41, art. 21, 004; En vigueur : 01-01-2003> Si aucun des services prévus à l'article 2 n'a été rendu simultanément, les services accomplis successivement sont pris en compte pour le calcul de la pension de retraite unique même si ces services ouvrent des droits à des pensions de retraite distinctes.
Si les services prestés auprès du pouvoir ou de l'organisme qui n'accorde pas la pension de retraite unique avaient pu, à eux seuls, ouvrir des droits à une pension de retraite distincte et que le traitement moyen qui aurait servi de base au calcul de cette pension de retraite distincte est plus élevé que le traitement moyen attaché aux cinq dernières années de la carrière, la pension de retraite unique peut être établie sur la base de ce traitement moyen plus élevé mais dans ce cas, la durée des services prestés auprès du pouvoir ou de l'organisme qui accorde la pension de retraite unique est réduite en proportion du rapport existant entre d'une part le traitement moyen attaché aux cinq dernières années de la carrière ou à toute la durée des services prestés auprès du pouvoir ou de l'organisme qui accorde la pension de retraite unique si cette durée est inférieure à cinq ans et d'autre part le traitement moyen plus élevé précité. Ce mode de calcul ne s'applique que s'il produit des effets favorables à l'intéressé.
Si le titulaire d'une pension de retraite exerce une nouvelle fonction comportant des services admissibles, sa pension est, au moment de l'ouverture du droit à pension dans cette nouvelle fonction, révisée en tenant compte de l'ensemble des services et sur la base du traitement qui est pris en compte pour le calcul de la pension dans le régime de pension du pouvoir ou de l'organisme qui accorde la pension de retraite unique.
Si, pour l'application de l'alinéa 3, le traitement qui a servi de base au calcul de la pension de retraite initiale, dûment transposé dans les barèmes en vigueur à la date à laquelle la révision produit ses effets, est plus élevé que le traitement pris en compte pour le calcul de la pension révisée, la pension révisée peut être établie sur la base du traitement initial plus élevé mais dans ce cas, la durée des services prestés dans la nouvelle fonction est réduite en proportion du rapport existant entre d'une part le traitement qui est normalement pris en compte pour le calcul de la pension dans le régime de pension du pouvoir ou de l'organisme qui accorde la pension de retraite unique et d'autre part le traitement initial plus élevé défini ci-avant. Ce mode de calcul ne s'applique que s'il produit des effets favorables à l'intéressé.
Lorsqu'il est fait application des alinéas 2 et 4, les maxima visés à l'article 39 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires, ainsi que le maximum résultant de l'application de l'article 4 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour des services à prestations incomplètes, doivent être multipliés par le rapport entre d'une part la durée de l'ensemble des services pris en compte pour le calcul de la pension de retraite unique après application des alinéas 2 et 4 et d'autre part la durée de ces mêmes services abstraction faite de l'application de ces alinéas.
Les alinéas 2 à 5 ne sont pas applicables lorsque les services prestés dans la fonction dans laquelle l'intéressé ne termine pas sa carrière ont été accomplis dans le cadre d'un mandat auquel est attaché un régime de pension prévoyant (un tantième plus favorable que le 1/50).) <L 2007-04-25/52, art. 4, 011; En vigueur : 01-06-2007>
Si les services prestés auprès du pouvoir ou de l'organisme qui n'accorde pas la pension de retraite unique avaient pu, à eux seuls, ouvrir des droits à une pension de retraite distincte et que le traitement moyen qui aurait servi de base au calcul de cette pension de retraite distincte est plus élevé que le traitement moyen attaché aux cinq dernières années de la carrière, la pension de retraite unique peut être établie sur la base de ce traitement moyen plus élevé mais dans ce cas, la durée des services prestés auprès du pouvoir ou de l'organisme qui accorde la pension de retraite unique est réduite en proportion du rapport existant entre d'une part le traitement moyen attaché aux cinq dernières années de la carrière ou à toute la durée des services prestés auprès du pouvoir ou de l'organisme qui accorde la pension de retraite unique si cette durée est inférieure à cinq ans et d'autre part le traitement moyen plus élevé précité. Ce mode de calcul ne s'applique que s'il produit des effets favorables à l'intéressé.
Si le titulaire d'une pension de retraite exerce une nouvelle fonction comportant des services admissibles, sa pension est, au moment de l'ouverture du droit à pension dans cette nouvelle fonction, révisée en tenant compte de l'ensemble des services et sur la base du traitement qui est pris en compte pour le calcul de la pension dans le régime de pension du pouvoir ou de l'organisme qui accorde la pension de retraite unique.
Si, pour l'application de l'alinéa 3, le traitement qui a servi de base au calcul de la pension de retraite initiale, dûment transposé dans les barèmes en vigueur à la date à laquelle la révision produit ses effets, est plus élevé que le traitement pris en compte pour le calcul de la pension révisée, la pension révisée peut être établie sur la base du traitement initial plus élevé mais dans ce cas, la durée des services prestés dans la nouvelle fonction est réduite en proportion du rapport existant entre d'une part le traitement qui est normalement pris en compte pour le calcul de la pension dans le régime de pension du pouvoir ou de l'organisme qui accorde la pension de retraite unique et d'autre part le traitement initial plus élevé défini ci-avant. Ce mode de calcul ne s'applique que s'il produit des effets favorables à l'intéressé.
Lorsqu'il est fait application des alinéas 2 et 4, les maxima visés à l'article 39 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires, ainsi que le maximum résultant de l'application de l'article 4 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour des services à prestations incomplètes, doivent être multipliés par le rapport entre d'une part la durée de l'ensemble des services pris en compte pour le calcul de la pension de retraite unique après application des alinéas 2 et 4 et d'autre part la durée de ces mêmes services abstraction faite de l'application de ces alinéas.
Les alinéas 2 à 5 ne sont pas applicables lorsque les services prestés dans la fonction dans laquelle l'intéressé ne termine pas sa carrière ont été accomplis dans le cadre d'un mandat auquel est attaché un régime de pension prévoyant (un tantième plus favorable que le 1/50).) <L 2007-04-25/52, art. 4, 011; En vigueur : 01-06-2007>
Art.5. <W 2003-02-03/41, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Als een personeelslid gedurende een bepaalde periode gelijktijdig diensten heeft verstrekt in onderscheiden ambten die aanleiding geven tot de toekenning van meerdere rustpensioenen, dan worden die pensioenen berekend overeenkomstig de bepalingen van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983.
Art.5. <L 2003-02-03/41, art. 22, 004; En vigueur : 01-01-2003> Lorsque, durant une certaine période, un agent a rendu simultanément des services dans des fonctions distinctes qui donnent lieu à l'octroi de plusieurs pensions de retraite, ces pensions sont calculées conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité.
Art.6. <W 2003-02-03/41, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Voor de toepassing van de artikelen 2 tot 5 worden de diensten en perioden waarvan de inaanmerkingneming nadelig zou zijn voor de betrokkene, buiten beschouwing gelaten.
Art.6. <L 2003-02-03/41, art. 23, 004; En vigueur : 01-01-2003> Pour l'application des articles 2 à 5, il est fait abstraction des services et périodes dont la prise en considération aurait pour effet de causer un préjudice à l'intéressé.
HOOFDSTUK III. - Bepalingen met betrekking tot het enig overlevingspensioen.
CHAPITRE III. - Dispositions relatives à la pension de sur vie unique.
Art.7. De diensten en de periodes die rechten kunnen verlenen op een weduwen- of wezenpensioen in de in artikel 1, eerste lid, vermelde overlevingspensioenregelingen, worden in aanmerking genomen voor de toekenning en de berekening van een enig overlevingspensioen.
(Voor de toepassing van het eerste lid worden de diensten die bij een in artikel 1, eerste lid, bedoelde overheid of instelling werden verstrekt in het kader van een mandaat bedoeld in artikel 8, § 1, derde lid, van de algemene wet op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen van 21 juli 1844, beschouwd als diensten die rechten kunnen verlenen op een overlevingspensioen in het pensioenstelsel van die overheid of van die instelling.) <W 1999-01-25/32, art. 233, Inwerkingtreding : 01-07-1991>
(Voor de toepassing van het eerste lid worden de diensten die bij een in artikel 1, eerste lid, bedoelde overheid of instelling werden verstrekt in het kader van een mandaat bedoeld in artikel 8, § 1, derde lid, van de algemene wet op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen van 21 juli 1844, beschouwd als diensten die rechten kunnen verlenen op een overlevingspensioen in het pensioenstelsel van die overheid of van die instelling.) <W 1999-01-25/32, art. 233, Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art.7. Les services et les périodes susceptibles de conférer des droits à une pension de veuve ou d'orphelin dans les régimes de pensions de survie mentionnés à l'article 1, alinéa 1, sont pris en considération pour l'octroi et le calcul d'une pension de survie unique.
(Pour l'application de l'alinéa 1, les services rendus dans le cadre d'un mandat visé à l'article 8, § 1, alinéa 3, de la loi générale sur les pensions civiles et ecclésiastiques du 21 juillet 1844 auprès d'un des pouvoirs ou organismes visés à l'article 1, alinéa 1, sont considérés comme des services susceptibles de conférer des droits à une pension de survie dans le régime de pension de ce pouvoir ou de cet organisme.) <L 1999-01-25/32, art. 233, En vigueur : 01-07-1991>
(Pour l'application de l'alinéa 1, les services rendus dans le cadre d'un mandat visé à l'article 8, § 1, alinéa 3, de la loi générale sur les pensions civiles et ecclésiastiques du 21 juillet 1844 auprès d'un des pouvoirs ou organismes visés à l'article 1, alinéa 1, sont considérés comme des services susceptibles de conférer des droits à une pension de survie dans le régime de pension de ce pouvoir ou de cet organisme.) <L 1999-01-25/32, art. 233, En vigueur : 01-07-1991>
Art.8. Het enig overlevingspensioen wordt toegekend en betaald door het bestuur of de instelling die de overlevingspensioenregeling beheert waaraan het overleden personeelslid het laatst onderworpen was, en volgens de bepalingen die de toekenning en de berekening van de door die macht of dat organisme vereffende overlevingspensioenen regelen.
(Tweede lid opgeheven) <KB 2004-12-22/32, art. 17, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
(Tweede lid opgeheven) <KB 2004-12-22/32, art. 17, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
Art.8. La pension de survie unique est accordée et payée par le pouvoir ou l'organisme qui gère le régime de pension de survie auquel l'agent décédé a été soumis en dernier lieu et selon les dispositions régissant l'octroi et le calcul des pensions de survie liquidées par ce pouvoir ou organisme.
(Alinéa 2 abrogé) <AR 2004-12-22/32, art. 17, 007; En vigueur : 01-01-2005>
(Alinéa 2 abrogé) <AR 2004-12-22/32, art. 17, 007; En vigueur : 01-01-2005>
Art.9. <W 2003-02-03/41, art. 24, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Indien geen enkele van de diensten bepaald in artikel 7 gelijktijdig werd uitgeoefend, worden de diensten die achtereenvolgens werden volbracht, in aanmerking genomen voor de berekening van het enig overlevingspensioen, zelfs als die diensten rechten hebben doen ontstaan of zouden hebben doen ontstaan op onderscheiden rustpensioenen.
Indien de diensten die werden gepresteerd bij de macht die of het organisme dat het enig overlevingspensioen niet toekent, op zichzelf rechten op een afzonderlijk rustpensioen hadden doen ontstaan of hadden kunnen doen ontstaan, en indien de gemiddelde wedde die als grondslag zou hebben gediend voor de berekening van een afzonderlijk overlevingspensioen hoger is dan de gemiddelde wedde die verbonden is aan de laatste vijf jaar van de loopbaan, kan het enig overlevingspensioen worden vastgesteld op basis van die hogere gemiddelde wedde, maar in dat geval wordt de duur van de diensten die werden gepresteerd bij de macht die of het organisme dat het enig overlevingspensioen toekent, verminderd in evenredigheid met de verhouding tussen enerzijds de gemiddelde wedde verbonden aan de laatste vijf jaar van de loopbaan of aan de volledige duur van de loopbaan in het laatste ambt als die minder dan vijf jaar bedraagt en anderzijds voormelde hogere gemiddelde wedde. Die berekeningswijze wordt enkel toegepast als ze voor betrokkene gunstiger is.
Als het tweede lid wordt toegepast, wordt de breuk die voortvloeit uit de toepassing van artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, vermenigvuldigd met de verhouding tussen enerzijds de duur van alle diensten die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het enig overlevingspensioen na toepassing van het tweede lid en anderzijds de duur van diezelfde diensten zonder de toepassing van dat lid.
Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de diensten die werden gepresteerd in het ambt waarin betrokkene zijn loopbaan niet beëindigt, werden volbracht in het kader van een mandaat waaraan een pensioenstelsel verbonden is met (een gunstiger tantième dan 1/50). <W 2007-04-25/52, art. 32, 011; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Indien de diensten die werden gepresteerd bij de macht die of het organisme dat het enig overlevingspensioen niet toekent, op zichzelf rechten op een afzonderlijk rustpensioen hadden doen ontstaan of hadden kunnen doen ontstaan, en indien de gemiddelde wedde die als grondslag zou hebben gediend voor de berekening van een afzonderlijk overlevingspensioen hoger is dan de gemiddelde wedde die verbonden is aan de laatste vijf jaar van de loopbaan, kan het enig overlevingspensioen worden vastgesteld op basis van die hogere gemiddelde wedde, maar in dat geval wordt de duur van de diensten die werden gepresteerd bij de macht die of het organisme dat het enig overlevingspensioen toekent, verminderd in evenredigheid met de verhouding tussen enerzijds de gemiddelde wedde verbonden aan de laatste vijf jaar van de loopbaan of aan de volledige duur van de loopbaan in het laatste ambt als die minder dan vijf jaar bedraagt en anderzijds voormelde hogere gemiddelde wedde. Die berekeningswijze wordt enkel toegepast als ze voor betrokkene gunstiger is.
Als het tweede lid wordt toegepast, wordt de breuk die voortvloeit uit de toepassing van artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, vermenigvuldigd met de verhouding tussen enerzijds de duur van alle diensten die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het enig overlevingspensioen na toepassing van het tweede lid en anderzijds de duur van diezelfde diensten zonder de toepassing van dat lid.
Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de diensten die werden gepresteerd in het ambt waarin betrokkene zijn loopbaan niet beëindigt, werden volbracht in het kader van een mandaat waaraan een pensioenstelsel verbonden is met (een gunstiger tantième dan 1/50). <W 2007-04-25/52, art. 32, 011; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art.9. <L 2003-02-03/41, art. 24, 004; En vigueur : 01-01-2003> Si aucun des services prévus à l'article 7 n'a été rendu simultanément, les services accomplis successivement sont pris en compte pour le calcul de la pension de survie unique même si ces services ont ou auraient ouvert des droits à des pensions de retraite distinctes.
Si les services prestés auprès du pouvoir ou de l'organisme qui n'accorde pas la pension de survie unique avaient ouvert ou avaient pu, à eux seuls, ouvrir des droits à une pension de retraite distincte et que le traitement moyen qui aurait servi de base au calcul de la pension de survie distincte, est plus élevé que le traitement moyen attaché aux cinq dernières années de la carrière, la pension de survie unique peut être établie sur la base de ce traitement moyen plus élevé mais dans ce cas, la durée des services prestés auprès du pouvoir ou de l'organisme qui accorde la pension de survie unique est réduite en proportion du rapport existant entre d'une part le traitement moyen attaché aux cinq dernières années de la carrière ou à toute la duréede la carrière dans la dernière fonction si cette durée est inférieure à cinq ans et d'autre part le traitement moyen plus élevé précité. Ce mode de calcul ne s'applique que s'il produit des effets favorables à l'intéressé.
Lorsqu'il est fait application de l'alinéa 2, la fraction résultant de l'application de l'article 4, § 1er, alinéa 3, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, est multipliée par le rapport entre d'une part la durée de l'ensemble des services pris en compte pour le calcul de la pension de survie unique après application de l'alinéa 2 et d'autre part la durée de ces mêmes services abstraction faite de l'application de cet alinéa.
Les alinéas 2 et 3 ne sont pas applicables lorsque les services prestés dans la fonction dans laquelle l'intéressé ne termine pas sa carrière ont été accomplis dans le cadre d'un mandat auquel est attaché un régime de pension prévoyant (un tantième plus favorable que le 1/50). <L 2007-04-25/52, art. 32, 011; En vigueur : 01-06-2007>
Si les services prestés auprès du pouvoir ou de l'organisme qui n'accorde pas la pension de survie unique avaient ouvert ou avaient pu, à eux seuls, ouvrir des droits à une pension de retraite distincte et que le traitement moyen qui aurait servi de base au calcul de la pension de survie distincte, est plus élevé que le traitement moyen attaché aux cinq dernières années de la carrière, la pension de survie unique peut être établie sur la base de ce traitement moyen plus élevé mais dans ce cas, la durée des services prestés auprès du pouvoir ou de l'organisme qui accorde la pension de survie unique est réduite en proportion du rapport existant entre d'une part le traitement moyen attaché aux cinq dernières années de la carrière ou à toute la duréede la carrière dans la dernière fonction si cette durée est inférieure à cinq ans et d'autre part le traitement moyen plus élevé précité. Ce mode de calcul ne s'applique que s'il produit des effets favorables à l'intéressé.
Lorsqu'il est fait application de l'alinéa 2, la fraction résultant de l'application de l'article 4, § 1er, alinéa 3, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, est multipliée par le rapport entre d'une part la durée de l'ensemble des services pris en compte pour le calcul de la pension de survie unique après application de l'alinéa 2 et d'autre part la durée de ces mêmes services abstraction faite de l'application de cet alinéa.
Les alinéas 2 et 3 ne sont pas applicables lorsque les services prestés dans la fonction dans laquelle l'intéressé ne termine pas sa carrière ont été accomplis dans le cadre d'un mandat auquel est attaché un régime de pension prévoyant (un tantième plus favorable que le 1/50). <L 2007-04-25/52, art. 32, 011; En vigueur : 01-06-2007>
Art.10. <W 2003-02-03/41, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Als de gelijktijdig verstrekte diensten die de toekenning van meerdere rustpensioenen met zich hebben gebracht of zouden hebben gebracht, aanleiding geven tot de toekenning van meerdere overlevingspensioenen, dan worden die pensioenen berekend volgens de bepalingen van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983.
Art.10. <L 2003-02-03/41, art. 25, 004; En vigueur : 01-01-2003> Lorsque les services rendus simultanément qui ont ou auraient entraîné l'octroi de plusieurs pensions de retraite donnent lieu à l'octroi de plusieurs pensions de survie, ces pensions sont calculées conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité.
Art.11. <W 2003-02-03/41, art. 26, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Voor de toepassing van de artikelen 7 tot 10 worden de diensten en perioden waarvan de inaanmerkingneming nadelig zou zijn voor de betrokkene, buiten beschouwing gelaten.
Art.11. <L 2003-02-03/41, art. 26, 004; En vigueur : 01-01-2003> Pour l'application des articles 7 à 10, il est fait abstraction des services et périodes dont la prise en considération aurait pour effet de causer un préjudice à l'intéressé.
Art.12. Het bepaalde in artikel 21, § 1, van het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936 tot eenmaking van het pensioenregime der weduwen en wezen van het burgerlijk Staatspersoneel en het daarmede gelijkgesteld personeel, aangevuld bij artikel 1 van de wet van 30 april 1958, is van toepassing in geval van cumulatie van in artikel 1, eerste lid, vermelde overlevingspensioenen of in geval van cumulatie van één dezer pensioenen met een krachtens dit hoofdstuk toegekend enig overlevingspensioen.
Art.12. Les dispositions de l'article 21, § 1, de l'arrêté royal n° 254 du 12 mars 1936 unifiant le régime des pensions des veuves et des orphelins du personnel civil de l'Etat et du personnel assimilé, complété par l'article 1 de la loi du 30 avril 1958, sont applicables en cas de cumul de pensions de survie mentionnées à l'article 1, alinéa 1, ou en cas de cumul d'une de ces pensions avec une pension de survie unique octroyée en vertu du présent chapitre.
HOOFDSTUK IV. - Verplichtingen rustend op de verschillende openbare besturen en instellingen.
CHAPITRE IV. - Obligations à charge des différents pouvoirs et organismes publics.
Art.13. (§ 1.) Het bruto-bedrag van het in artikel 2 bedoelde enig rustpensioen, met inbegrip van de militaire diensten, de diensten in de kolonie en de bonificaties van alle aard of van het in artikel 7 bedoelde enig overlevingspensioen, wordt onder de verschillende betrokken machten en organismen verdeeld in verhouding tot het product van de volgende, specifieke gegevens, voor ieder van de ter ene en ter andere zijde uitgeoefende ambten :
1° de duur der aanneembare diensten en periodes, (zonder dat toepassing dient gemaakt te worden van de in de artikelen 4, tweede en vierde lid, en 9, tweede lid, bedoelde tijdsinkorting); <W 2003-02-03/41, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
2° (de laatste activiteitswedde naar behoren omgezet in de weddeschalen die van kracht zijn op de ingangsdatum van het pensioen of op het ogenblik dat de herziening uitwerking heeft;) <W 2003-02-03/41, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
3° wat alleen de rustpensioenen betreft, de breuken die voor de berekening van het pensioen werden toegepast.
(Als voor de vaststelling van het bedrag van het enig pensioen de tijdsinkorting werd toegepast bepaald in artikel 2 van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983, wordt de in het eerste lid, 1°, bedoelde duur van diensten en periodes vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van dat besluit en is de in het eerste lid, 2°, bedoelde laatste activiteitswedde, voor elk ambt, die welke bepaald is in artikel 3 van datzelfde besluit.) <W 2003-02-03/41, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. (...) <KB 2004-12-22/32, art. 18, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
1° de duur der aanneembare diensten en periodes, (zonder dat toepassing dient gemaakt te worden van de in de artikelen 4, tweede en vierde lid, en 9, tweede lid, bedoelde tijdsinkorting); <W 2003-02-03/41, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
2° (de laatste activiteitswedde naar behoren omgezet in de weddeschalen die van kracht zijn op de ingangsdatum van het pensioen of op het ogenblik dat de herziening uitwerking heeft;) <W 2003-02-03/41, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
3° wat alleen de rustpensioenen betreft, de breuken die voor de berekening van het pensioen werden toegepast.
(Als voor de vaststelling van het bedrag van het enig pensioen de tijdsinkorting werd toegepast bepaald in artikel 2 van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983, wordt de in het eerste lid, 1°, bedoelde duur van diensten en periodes vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van dat besluit en is de in het eerste lid, 2°, bedoelde laatste activiteitswedde, voor elk ambt, die welke bepaald is in artikel 3 van datzelfde besluit.) <W 2003-02-03/41, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. (...) <KB 2004-12-22/32, art. 18, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
Art.13. (§ 1er.) Le montant brut de la pension de retraite unique prévue par l'article 2, compte tenu des services militaires, des services coloniaux et des bonifications de toute nature, ou le montant brut de la pension de survie unique prévue par l'article 7 est réparti entre les différents pouvoirs et organismes intéressés proportionnellement au produit des éléments ci-après, propres aux fonctions exercées de part et d'autre :
1° la durée des services et périodes admissibles (sans qu'il y ait lieu à l'application de la réduction de temps prévue à l'article 4, alinéas 2 et 4, ou à l'article 9, alinéa 2); <L 2003-02-03/41, art. 44, 004; En vigueur : 01-01-2003>
2° (le dernier traitement d'activité dûment transposé dans les barèmes en vigueur à la date de prise de cours de la pension ou à la date à laquelle la révision produit ses effets;) <L 2003-02-03/41, art. 44, 004; En vigueur : 01-01-2003>
3° en ce qui concerne les pensions de retraite seulement, les tantièmes utilisés pour le calcul de la pension.
(Si pour la fixation du montant de la pension unique, il a été fait application de la réduction de temps prévue par l'article 2 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité, la durée des services et périodes visée à l'alinéa 1er, 1°, est établie conformément aux dispositions de l'article 2 de cet arrêté tandis que le dernier traitement d'activité visé à l'alinéa 1er, 2°, est, pour chaque fonction, celui prévu à l'article 3 de ce même arrêté.) <L 2003-02-03/41, art. 44, 004; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. (...) <AR 2004-12-22/32, art. 18, 007; En vigueur : 01-01-2005>
1° la durée des services et périodes admissibles (sans qu'il y ait lieu à l'application de la réduction de temps prévue à l'article 4, alinéas 2 et 4, ou à l'article 9, alinéa 2); <L 2003-02-03/41, art. 44, 004; En vigueur : 01-01-2003>
2° (le dernier traitement d'activité dûment transposé dans les barèmes en vigueur à la date de prise de cours de la pension ou à la date à laquelle la révision produit ses effets;) <L 2003-02-03/41, art. 44, 004; En vigueur : 01-01-2003>
3° en ce qui concerne les pensions de retraite seulement, les tantièmes utilisés pour le calcul de la pension.
(Si pour la fixation du montant de la pension unique, il a été fait application de la réduction de temps prévue par l'article 2 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité, la durée des services et périodes visée à l'alinéa 1er, 1°, est établie conformément aux dispositions de l'article 2 de cet arrêté tandis que le dernier traitement d'activité visé à l'alinéa 1er, 2°, est, pour chaque fonction, celui prévu à l'article 3 de ce même arrêté.) <L 2003-02-03/41, art. 44, 004; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. (...) <AR 2004-12-22/32, art. 18, 007; En vigueur : 01-01-2005>
Art.14. Iedere macht of organisme betaalt jaarlijks het te zijnen laste komende aandeel terug aan de macht of het organisme die het pensioen betaalt. (Voor de enige rustpensioenen ten laste van de Openbare Schatkist wordt deze terugbetaling (gestort aan de [1 Federale Pensioendienst]1).) <W 2003-05-05/39, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
De quanta der respectieve aandelen zijn niet vatbaar voor een latere wijziging, tenzij in geval van herziening van het enig pensioen ingevolge wijziging in de factoren die een rol spelen in de overeenkomstig 1° en 3° van artikel 13 te verrichten verdeling.
De quanta der respectieve aandelen zijn niet vatbaar voor een latere wijziging, tenzij in geval van herziening van het enig pensioen ingevolge wijziging in de factoren die een rol spelen in de overeenkomstig 1° en 3° van artikel 13 te verrichten verdeling.
Art.14. Chaque pouvoir ou organisme rembourse annuellement la quote-part mise à sa charge au pouvoir ou à l'organisme qui paie la pension. (Pour les pensions de retraite uniques à charge du Trésor public, ce remboursement (est versé au [1 Service fédéral des Pensions]1).) <L 2003-05-05/39, art. 12, 005; En vigueur : 01-01-2001>
Les quantums des quotes-parts respectives ne sont pas sujets à modification ultérieure, sauf en cas de révision de la pension unique découlant de modifications apportées aux éléments qui interviennent dans la répartition conformément aux 10 et 30 de l'article 13.
Les quantums des quotes-parts respectives ne sont pas sujets à modification ultérieure, sauf en cas de révision de la pension unique découlant de modifications apportées aux éléments qui interviennent dans la répartition conformément aux 10 et 30 de l'article 13.
Änderungen
Art.15. Voor de toepassing van artikel 13, 2°, kan de Koning fictieve weddeschalen vaststellen voor ambten die niet meer bestaan of waarvan de wedde de algemene evolutie van de bezoldigingen niet heeft gevolgd.
Die koninklijke besluiten worden vastgesteld op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken als ze betrekking hebben op ambten uitgeoefend in de in artikel 1, eerste lid, b, vermeide openbare diensten, op de voordracht van de Minister die de instelling controleert, als ze betrekking hebben op ambten uitgeoefend bij de in artikel 1, eerste lid, c, (cbis en cter), d en e, vermelde instellingen, en op de voordracht van de Minister van Financiën in de overige gevallen. <L 1977-12-22/06, art. 132>
Die koninklijke besluiten worden vastgesteld op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken als ze betrekking hebben op ambten uitgeoefend in de in artikel 1, eerste lid, b, vermeide openbare diensten, op de voordracht van de Minister die de instelling controleert, als ze betrekking hebben op ambten uitgeoefend bij de in artikel 1, eerste lid, c, (cbis en cter), d en e, vermelde instellingen, en op de voordracht van de Minister van Financiën in de overige gevallen. <L 1977-12-22/06, art. 132>
Art.15. Pour l'application de l'article 13, 2°, le Roi peut déterminer des barèmes de traitements fictifs pour les fonctions qui ont cessé d'exister ou dont les traitements n'auraient pas été affectés par l'évolution générale des rémunérations.
Ces arrêtés royaux sont pris sur proposition du Ministre de l'intérieur lorsqu'ils concernent des fonctions exercées dans les services publics mentionnés à l'article 1, alinéa 1, b, du Ministre qui exerce le contrôle sur l'organisme lorsqu'ils concernent des fonctions exercées dans les organismes mentionnés à l'article 1, alinéa 1, c, (cbis et cter), d et e, et sur proposition du Ministre des Finances dans les autres cas. <L 1977-12-22/06, art. 132>
Ces arrêtés royaux sont pris sur proposition du Ministre de l'intérieur lorsqu'ils concernent des fonctions exercées dans les services publics mentionnés à l'article 1, alinéa 1, b, du Ministre qui exerce le contrôle sur l'organisme lorsqu'ils concernent des fonctions exercées dans les organismes mentionnés à l'article 1, alinéa 1, c, (cbis et cter), d et e, et sur proposition du Ministre des Finances dans les autres cas. <L 1977-12-22/06, art. 132>
Art.16. De begrafenisvergoeding, bedoeld bij artikel 6 van de wet van 30 april 1958 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 254 en 255 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk rijkspersoneel en van de leden van het leger en van de rijkswacht, en tot instelling van een begrafenisvergoeding ten gunste van de rechthebbenden van gepensioneerde rijksambtenaren, of de gelijkaardige vergoeding, toegekend door de andere machten en organismen vermeld in artikel 1, eerste lid, van deze wet, wordt integraal gedragen door de macht of het organisme dat het enig pensioen betaalt.
De inhouding van 0,5 pct., bedoeld bij artikel 7 van de voornoemde wet van 30 april 1958, of de gelijkaardige inhouding, toegepast door de andere machten of organismen bedoeld bij artikel 1, wordt gedaan door de macht of het organisme dat het enig pensioen betaalt.
De inhouding van 0,5 pct., bedoeld bij artikel 7 van de voornoemde wet van 30 april 1958, of de gelijkaardige inhouding, toegepast door de andere machten of organismen bedoeld bij artikel 1, wordt gedaan door de macht of het organisme dat het enig pensioen betaalt.
Art.16. L'indemnité de funérailles prévue par l'article 6 de la loi du 30 avril 1958, modifiant les arrêtés royaux n°s 254 et 255 du 12 mars 1936 unifiant les régimes de pensions des veuves et des orphelins du personnel civil de l'Etat et des membres de l'armée et de la gendarmerie et instituant une indemnité de funérailles en faveur des ayant droit des pensionnés de l'Etat, ou l'indemnité similaire octroyée par les autres pouvoirs et organismes mentionnés à l'article 1, alinéa 1, de la présente loi est supportée intégralement par le pouvoir ou l'organisme qui paie la pension unique.
La retenue de 0,5 pc visée à l'article 7 de la loi du 30 avril 1958 précitée, ou la retenue similaire appliquée par les autres pouvoirs et organismes visés à l'article 1 est prélevée par le pouvoir ou l'organisme qui paie la pension unique.
La retenue de 0,5 pc visée à l'article 7 de la loi du 30 avril 1958 précitée, ou la retenue similaire appliquée par les autres pouvoirs et organismes visés à l'article 1 est prélevée par le pouvoir ou l'organisme qui paie la pension unique.
Art.17. Wanneer iemand die een op pensioen van de openbare sector rechtgevende betrekking bekleedde, de dienst van een aan deze wet onderworpen bestuur of instelling verlaat en onmiddellijk daarop of later in dienst treedt van een ander bestuur of een andere instelling waarvoor eveneens de bepalingen van deze wet gelden, is dat bestuur of die instelling gehouden de besturen of de instellingen die het personeelslid vroeger in dienst hebben gehad, daarvan kennis te geven. Die kennisgeving moet geschieden vóór het verstrijken van een termijn van drie maanden ingaande op de dag dat het personeelslid zijn nieuw ambt opneemt.
Art.17. Lorsqu'une personne qui occupait un emploi donnant droit à une pension du secteur public quitte le service d'un pouvoir ou d'un organisme auquel la présente loi est applicable et entre immédiatement ou ultérieurement au service d'un autre pouvoir ou organisme également soumis aux dispositions de la présente loi, ce dernier en donne avis aux pouvoirs ou organismes qui avaient occupé l'agent antérieurement. Cet avis est donné avant l'expiration d'un délai de trois mois prenant cours au jour de l'entrée dans les nouvelles fonctions.
HO0FDSTUK V. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions diverses.
Art.18. De leden van het hoger onderwijs op wie artikel 44 van de wet van 6 juli 1964 tot wijziging van de wet van 28 april 1953 op de inrichting van het hoger onderwijs in de rijksuniversiteiten, inzonderheid wat betreft de ambten, de wedden, de vergoedingen en toelagen van het onderwijzend personeel, wordt toegepast, zijn bij hun oppensioenstelling geacht de volle aan hun ambt in het onderwijs verbonden wedde te hebben genoten indien de bezoldigde werkzaamheid waarvan sprake in voornoemde bepaling geen loopbaanbetrekking is en geen aanleiding kan geven tot het toekennen van een rustpensioen ten laste van de Openbare Schatkist of van enige pensioenregeling. De bijdrage (bestemd voor de [1 Federale Pensioendienst]1) wordt, in dat geval, op basis van de volle wedde vastgesteld. <W 2006-01-12/45, art. 39, 008 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Art.18. Les membres de l'enseignement supérieur auxquels il est fait application de l'article 44 de la loi du 6 juillet 1964 modifiant notamment, en ce qui concerne les fonctions, les traitements, les indemnités et allocations du personnel enseignant, la loi du 28 avril 1953 sur l'organisation de l'enseignement supérieur dans les universités de l'Etat sont, lors de leur admission à la pension, considérés comme ayant bénéficié du traitement complet afférent à leur fonction dans l'enseignement, si l'activité rétribuée dont il est question dans la disposition précitée n'a pas le caractère d'une profession de carrière et n'est pas susceptible de donner lieu à l'octroi d'une pension de retraite à charge du Trésor public ou à charge d'un régime quelconque de pension. La contribution au profit du [1 Service fédéral des Pensions]1 est établie, dans ce cas, sur base du traitement complet. <L 2006-01-12/45, art. 39, 008 ; En vigueur : 01-01-2006>
Änderungen
Art.19. De perioden tijdens welke iemand die aan een der in artikel 1, eerste lid, vermelde regelingen onderworpen is, verlof wegens een syndicale opdracht heeft bekomen of bij een ministerieel kabinet gedetacheerd is geweest met doorbetaling van de volle wedde vanwege het bestuur of de instelling waaronder hij vast ressorteert, worden zowel voor het toekennen als voor het berekenen van het pensioen, gelijkgesteld met de perioden van dienstactiviteit doorgebracht in het ambt dat overeenstemt met de graad van de betrokkene gedurende zijn verlof of zijn detachering.
Art.19. Les périodes pendant lesquelles une personne soumise à un des régimes de pension mentionnés à l'article 1, alinéa 1, a obtenu un congé pour mission syndicale ou a fait l'objet d'un détachement dans un cabinet ministériel, avec paiement du traitement plein par le pouvoir ou l'organisme dont il ressortit à titre permanent, sont assimilées, tant pour l'octroi que pour le calcul de la pension, à des périodes d'activité de service passées dans la fonction correspondant au grade dont l'intéressé est revêtu pendant son congé ou son détachement.
HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en opheffingsbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions transitoires et abrogatoires.
Art.20. (Opgeheven) <W 2003-02-03/41, art. 85, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.20. (Abrogé) <L 2003-02-03/41, art. 85, 004; En vigueur : 01-01-2003>
Art.21. (Opgeheven) <W 2003-02-03/41, art. 85, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.21. (Abrogé) <L 2003-02-03/41, art. 85, 004; En vigueur : 01-01-2003>
Art.22. (Opgeheven) <W 2003-02-03/41, art. 85, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.22. (Abrogé) <L 2003-02-03/41, art. 85, 004; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 23. In artikel 6 van de wetten op de militaire pensioenen, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 11 augustus 1923, gewijzigd bij artikel 5, 8°, van de wet van 29 juli 1926, het enig artikel van de wet van 12 juni 1947 en de artikelen 2 en 12 van de wet van 30 juni 1947, worden opgeheven :
1° in alinea 1, de woorden " op voorwaarde dat de duur der werkelijke militaire diensten ten minste tien jaar bereike ";
2° de vierde alinea.
1° in alinea 1, de woorden " op voorwaarde dat de duur der werkelijke militaire diensten ten minste tien jaar bereike ";
2° de vierde alinea.
Art. 23. A l'article 6 des lois sur les pensions militaires, coordonnées par l'arrêté royal du 11 août 1923, modifié par l'article 5, 80, de la loi du 29 juillet 1926, l'article unique de la toi du 12 juin 1947 et les articles 2 et 12 de la toi du 30 juin 1947, sont abrogés :
1° à l'alinéa 1, les mots " pourvu que la durée des services militaires effectifs soit de dix-années au moins ";
2° le quatrième alinéa.
1° à l'alinéa 1, les mots " pourvu que la durée des services militaires effectifs soit de dix-années au moins ";
2° le quatrième alinéa.