Artikel 1. § 1. Onder voorbehoud van de uitzonderingen der §§ 2 en 3 zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing op al de personen die onderworpen zijn aan (de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, hierna genoemd "gecoördineerde wetten"). <KB 5-8-1971, art. 1>
(De werknemer waarvan de onderwerping aan het stelsel van de jaarlijkse vakantie der loonarbeiders volgt uit zijn onderwerping aan het stelsel van de sociale zekerheid der arbeiders bij toepassing van de bepalingen genomen in uitvoering van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders, wordt voor de toepassing van dit besluit, beschouwd als zijnde aangeworven ingevolge een arbeidsovereenkomst.) <KB 20-7-1970, art. 1>
§ 2. (opgeheven) <KB 1998-09-23/30, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 02-11-1998>
§ 3. Met uitzondering van de (artikelen 16 tot 21, 24 tot 28, 30, 36 en 37bis tot 37quater) zijn de bepalingen van dit besluit niet van toepassing op de werkgevers en de werknemers die onderworpen zijn aan de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de sociale veiligheid der zeelieden ter koopvaardij. <KB 1992-12-17/41, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-04-1993>
(§ 4. De bepalingen van titel II - arbeiders en leerling-arbeiders alsook van titel IV - gemeenschappelijke bepalingen en van titel V - controle en sancties, zijn van toepassing op de personen onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hen geleverde artistieke prestaties en/of door hen geproduceerde artistieke werken in de zin van artikel 1bis, § 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Nochtans wordt voor deze personen als ze met een bediendencontract of bediendenleerovereenkomst aangeworven werden, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 18, de gelijkstelling beperkt tot de periode waarvoor zij door een arbeids- of leerovereenkomst verbonden zijn. Ook dienen zij, om gelijkstelling te bekomen, in afwijking van artikel 19, § 1, a, verbonden te zijn door een arbeids- of leerovereenkomst op de eerste dag der gelijkstelbare periode. Artikel 16, 13° en 14° is niet van toepassing op deze personen.) <KB 2003-12-16/34, art. 1, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
30 MAART 1967. - Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie [van de werknemers]. (KB 1994-10-10/34, art. 1). (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 04-04-1981 en tekstbijwerking tot 18-10-2023)
Titre
30 MARS 1967. - Arrêté royal déterminant les modalités générales d'exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 04-04-1981 et mise à jour au 18-10-2023)
Dokumentinformationen
Numac: 1967033001
Datum: 1967-03-30
Info du document
Numac: 1967033001
Date: 1967-03-30
Inhoud
TITEL I- ALGEMENE BEPALINGEN.
TITEL II_ ARBEIDERS EN LEERLING-ARBEIDERS.
HOOFDSTUK I_ Bijdragen.
Afdeling I_ Sociaal verzekeringsplichtigen.
Afdeling II_ Niet sociaal verzekeringsplichtigen.
HOOFDSTUK II- Vakantiegeld.
Afdeling I- Gewone vakantie.
Afdeling II- Aanvullende vakantie voor jeugdige...
Afdeling III- Bijzondere bepalingen betreffende...
HOOFDSTUK III_ Duur van het verlof.
Afdeling I_ Gewone vakantie.
Afdeling II- Aanvullende vakantie der jeugdige ...
HOOFDSTUK IV. - Inzameling van de informatiege...
HOOFDSTUK V. [1 Aanvullende vakantie]1
Afdeling 1. - [1 Aanvullend vakantiegeld.]1
Afdeling 2. [1 Duur van de aanvullende vakantie.]1
Art. 37undecies. [1 De duur van de aanvullende ...
Art. 37duodecies. [1 Voor de berekening van de ...
TITEL III- BEDIENDEN EN LEERLING-BEDIENDEN.
HOOFDSTUK I- Vakantiegeld.
Afdeling I- Gewone vakantie.
Afdeling II- Aanvullende vakantie der jeugdige ...
HOOFDSTUK II- Duur van de vakantie.
Afdeling I- Gewone vakantie.
Afdeling II- Aanvullende vakantie der jeugdige ...
HOOFDSTUK III. - [1 Aanvullende vakantie.]1
Afdeling 1. [1 Aanvullend vakantiegeld.]1
Afdeling 2. [1 Duur van de aanvullende vakantie.]1
TITEL IV- GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN.
TITEL V_ CONTROLE EN SANCTIES.
TITEL VI_ OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.
Inhoud
TITRE Ier- DISPOSITIONS GENERALES.
TITRE II_ OUVRIERS ET APPRENTIS OUVRIERS.
CHAPITRE 1er_ Cotisations.
Section Ière_ Assujettis à la sécurité sociale.
Section II_ Non-assujettis à la sécurité sociale
CHAPITRE II- Pécule de vacances.
Section Ière- Vacances ordinaires.
Section II- Vacances supplémentaires des jeunes...
Section III- Dispositions particulières relativ...
CHAPITRE III_ Durée des vacances.
Section Ière_ Vacances ordinaires.
Section II- Vacances supplémentaires des jeunes...
CHAPITRE IV. - Collecte des informations.
CHAPITRE V. [1 Vacances supplémentaires.]1
Section. 1re [1 Pécule de vacances supplémentai...
Art. 37quinquies. [1 Le montant du pécule de va...
Art. 37septies. [1 Le pécule de vacances supplé...
Section 2. [1 Durée des vacances supplémentaire...
TITRE III_ EMPLOYES ET APPRENTIS EMPLOYES.
CHAPITRE Ier- Pécule de vacances.
Section Ière- Vacances ordinaires.
Section II- Vacances supplémentaires des jeunes...
CHAPITRE II- Durée des vacances.
Section Ière- Vacances ordinaires.
Section II- Vacances supplémentaires des jeunes...
CHAPITRE III. - [1 Vacances supplémentaires.]1
Section 1re. [1 Pécule de vacances supplémentai...
Art. 62bis. [1 Conformément aux dispositions de...
Art. 62ter. [1 Le pécule visé à l'article 62bis...
Section 2. [1 Durée des vacances supplémentaire...
Art. 62quinquies. [1 Dès la dernière semaine de...
Art. 62sexies. [1 Pour le calcul de la durée de...
TITRE IV- DISPOSITIONS COMMUNES.
TITRE V_ CONTROLE ET SANCTIONS.
TITRE VI_ DISPOSITIONS TRANSITOIRES ET FINALES.
Tekst (129)
Texte (129)
TITEL I- ALGEMENE BEPALINGEN.
TITRE Ier- DISPOSITIONS GENERALES.
Article 1. § 1er. Sauf les exceptions énoncées aux §§ 2 et 3 les dispositions du présent arrêté sont applicables aux personnes assujetties aux (lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, dénommées ci-après "lois coordonnées"). <AR 5-8-1971, art. 1>
(Le travailleur dont l'assujettissement au régime des vacances annuelles des travailleurs salariés résulte de son assujettissement au régime de la sécurité sociale des travailleurs en vertu des dispositions prises en exécution de l'article 2, § 1er, 1°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, est considéré pour l'application du présent arrêté, comme étant engagé dans les liens d'un contrat de louage de travail.) <AR 20-7-1970, art. 1>
§ 2. (abrogé) <AR 1998-09-23/30, art. 4, 026; En vigueur : 02-11-1998>
§ 3. A l'exception des (articles 16 à 21, 24 à 28, 30, 36 et 37bis à 37quater,) les dispositions du présent arrêté ne sont pas applicables aux employeurs et travailleurs assujettis à l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande. <AR 1992-12-17/41, art. 1, 015; En vigueur : 01-04-1993>
(§ 4. Les dispositions du titre II - ouvriers et apprentis-ouvriers, ainsi que du titre IV - dispositions communes et du titre V - contrôle et sanctions, s'appliquent aux personnes assujetties au régime de sécurité sociale pour les travailleurs salariés, en raison des prestations artistiques qu'elles fournissent et/ou des oeuvres artistiques qu'elles produisent au sens de l'article 1erbis, § 2, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Toutefois, sans porter préjudice aux dispositions de l'article 18, l'assimilation est limitée pour ces personnes si elles sont recrutées sur la base d'un contrat de travail ou d'apprentissage d'employé, à la période durant laquelle elles sont liées par un contrat de travail ou d'apprentissage. Pour obtenir l'assimilation, elles doivent aussi, par dérogation à l'article 19, § 1er, a, avoir été liées par un contrat de travail ou d'apprentissage le premier jour de la période assimilable. L'article 16, 13° et 14°, ne s'applique pas à ces personnes.) <AR 2003-12-16/34, art. 1, 037; En vigueur : 01-07-2003>
(Le travailleur dont l'assujettissement au régime des vacances annuelles des travailleurs salariés résulte de son assujettissement au régime de la sécurité sociale des travailleurs en vertu des dispositions prises en exécution de l'article 2, § 1er, 1°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, est considéré pour l'application du présent arrêté, comme étant engagé dans les liens d'un contrat de louage de travail.) <AR 20-7-1970, art. 1>
§ 2. (abrogé) <AR 1998-09-23/30, art. 4, 026; En vigueur : 02-11-1998>
§ 3. A l'exception des (articles 16 à 21, 24 à 28, 30, 36 et 37bis à 37quater,) les dispositions du présent arrêté ne sont pas applicables aux employeurs et travailleurs assujettis à l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande. <AR 1992-12-17/41, art. 1, 015; En vigueur : 01-04-1993>
(§ 4. Les dispositions du titre II - ouvriers et apprentis-ouvriers, ainsi que du titre IV - dispositions communes et du titre V - contrôle et sanctions, s'appliquent aux personnes assujetties au régime de sécurité sociale pour les travailleurs salariés, en raison des prestations artistiques qu'elles fournissent et/ou des oeuvres artistiques qu'elles produisent au sens de l'article 1erbis, § 2, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Toutefois, sans porter préjudice aux dispositions de l'article 18, l'assimilation est limitée pour ces personnes si elles sont recrutées sur la base d'un contrat de travail ou d'apprentissage d'employé, à la période durant laquelle elles sont liées par un contrat de travail ou d'apprentissage. Pour obtenir l'assimilation, elles doivent aussi, par dérogation à l'article 19, § 1er, a, avoir été liées par un contrat de travail ou d'apprentissage le premier jour de la période assimilable. L'article 16, 13° et 14°, ne s'applique pas à ces personnes.) <AR 2003-12-16/34, art. 1, 037; En vigueur : 01-07-2003>
Art.2. Onverminderd bijzondere bepalingen die ten aanzien van afzonderlijke bedrijfstakken kunnen genomen worden, wordt de vakantie toegekend en het er bijhorend vakantiegeld uitgekeerd volgens de modaliteiten zoals vastgesteld in dit besluit.
Art.2. Sans préjudice des dispositions spéciales qui peuvent être prévues pour des branches d'activité particulières, les vacances sont octroyées et les pécules y afférents sont liquidés conformément aux modalités fixées au présent arrêté.
Art.3. De duur van de (wettelijke vakantie) wordt vastgesteld naar rata van het aantal effectief gewerkte dagen, vervat in het vakantiedienstjaar en de in dit dienstjaar met (dagen normale werkelijke arbeid) gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. <KB 2001-06-10/60, art. 10, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Onder vakantiedienstjaar wordt verstaan het kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin de vakantie dient te worden toegekend. [1 Wat de toepassing betreft van de artikelen betreffende de overdracht van vakantie, laat de overdracht van vakantie de definities van de begrippen "vakantiedienstjaar" en "vakantiejaar" onverlet.]1
Onder vakantiedienstjaar wordt verstaan het kalenderjaar dat het jaar voorafgaat waarin de vakantie dient te worden toegekend. [1 Wat de toepassing betreft van de artikelen betreffende de overdracht van vakantie, laat de overdracht van vakantie de definities van de begrippen "vakantiedienstjaar" en "vakantiejaar" onverlet.]1
Art.3. La durée des (vacances légales) est fixée au prorata du nombre de (journées de travail effectif normal) que comporte l'exercice de vacances et de journées d'interruption de travail assimilées à des journées de travail effectif de cet exercice. <AR 2001-06-10/60, art. 10, 034; En vigueur : 01-01-2003>
Par exercice de vacances, il faut entendre l'année civile qui précède celle au cours de laquelle les vacances doivent être accordées. [1 En ce qui concerne l'application des articles relatifs au report des vacances, le report des vacances n'a pas d'incidence sur les définitions des termes " année de service de vacances " et " année de vacances ".]1
Par exercice de vacances, il faut entendre l'année civile qui précède celle au cours de laquelle les vacances doivent être accordées. [1 En ce qui concerne l'application des articles relatifs au report des vacances, le report des vacances n'a pas d'incidence sur les définitions des termes " année de service de vacances " et " année de vacances ".]1
Änderungen
Art. 3bis. [3 § 1.]3 [1 De werknemers bedoeld in artikel 17bis van de gecoördineerde wetten genieten van aanvullende vakantie, op voorwaarde :
1° dat een activiteit in dienst van een of meerdere werkgevers wordt aangevat of hervat.
[2 Onder "aanvatten van een activiteit" moet worden verstaan, de situatie van een werknemer die voor het eerst wordt tewerkgesteld bij een of meerdere werkgevers in het algemeen werknemersstelsel, en dat tot wanneer de werknemer 4 weken vakantie heeft kunnen genieten, in verhouding tot zijn arbeidsstelsel op het tijdstip waarop hij zijn vakantiedagen opneemt. De aanvatting van een activiteit loopt tot het einde van het jaar dat volgt op het jaar tijdens hetwelk deze aanvatting heeft plaatsgevonden.]2
Onder " hervatten van een activiteit " moet worden verstaan, iedere activiteit van een werknemer die, vóór het hervatten van de activiteit, bedoeld was in :
- artikel 27, 1°, a) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
- artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor de dagen arbeidsonderbreking die niet gelijkgesteld zijn met dagen normale werkelijke arbeid;
- in de gevallen, voorzien in artikel 46, § 1;
- de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst in artikel 48 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels heeft genomen;
[4 - artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan.]4
[2 De hervatting van een activiteit loopt tot het einde van het jaar dat volgt op het jaar tijdens hetwelk deze hervatting heeft plaatsgevonden.]2
2° dat ze werkelijke arbeidsprestaties hebben verricht of een met arbeid gelijkgestelde onderbreking hebben gehad tijdens ten minste drie maanden al dan niet doorlopend gedurende eenzelfde kalenderjaar, bij een of meerdere werkgevers. Deze periode wordt " aanloopperiode " genoemd;
3° dat de vakantiedagen bedoeld in artikel 3 zijn opgebruikt.]1
[3 § 2. Wordt beschouwd als een werknemer die een activiteit hervat in de zin van de eerste paragraaf, 1° :
a) de deeltijdse werknemer die overschakelt naar een voltijds arbeidsstelsel tijdens het vakantiejaar;
b) de deeltijdse werknemer die, tijdens het vakantiejaar, zijn arbeidsstelsel verhoogt met ten minste 20 % van een voltijds arbeidsstelsel ten opzichte van het gemiddelde van zijn arbeidsstelsel(s) tijdens het vakantiedienstjaar. Deze regel geldt voor de toegang tot het stelsel van de aanvullende vakantie van de werknemers voor wie de berekening van de duur van de vakantie ten opzichte van zijn arbeidsstelsel tijdens het vakantiedienstjaar leidt tot een tekort van ten minste vier dagen vakantie om aanspraak te kunnen maken op vier weken vakantie.]3
1° dat een activiteit in dienst van een of meerdere werkgevers wordt aangevat of hervat.
[2 Onder "aanvatten van een activiteit" moet worden verstaan, de situatie van een werknemer die voor het eerst wordt tewerkgesteld bij een of meerdere werkgevers in het algemeen werknemersstelsel, en dat tot wanneer de werknemer 4 weken vakantie heeft kunnen genieten, in verhouding tot zijn arbeidsstelsel op het tijdstip waarop hij zijn vakantiedagen opneemt. De aanvatting van een activiteit loopt tot het einde van het jaar dat volgt op het jaar tijdens hetwelk deze aanvatting heeft plaatsgevonden.]2
Onder " hervatten van een activiteit " moet worden verstaan, iedere activiteit van een werknemer die, vóór het hervatten van de activiteit, bedoeld was in :
- artikel 27, 1°, a) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
- artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor de dagen arbeidsonderbreking die niet gelijkgesteld zijn met dagen normale werkelijke arbeid;
- in de gevallen, voorzien in artikel 46, § 1;
- de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst in artikel 48 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels heeft genomen;
[4 - artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan.]4
[2 De hervatting van een activiteit loopt tot het einde van het jaar dat volgt op het jaar tijdens hetwelk deze hervatting heeft plaatsgevonden.]2
2° dat ze werkelijke arbeidsprestaties hebben verricht of een met arbeid gelijkgestelde onderbreking hebben gehad tijdens ten minste drie maanden al dan niet doorlopend gedurende eenzelfde kalenderjaar, bij een of meerdere werkgevers. Deze periode wordt " aanloopperiode " genoemd;
3° dat de vakantiedagen bedoeld in artikel 3 zijn opgebruikt.]1
[3 § 2. Wordt beschouwd als een werknemer die een activiteit hervat in de zin van de eerste paragraaf, 1° :
a) de deeltijdse werknemer die overschakelt naar een voltijds arbeidsstelsel tijdens het vakantiejaar;
b) de deeltijdse werknemer die, tijdens het vakantiejaar, zijn arbeidsstelsel verhoogt met ten minste 20 % van een voltijds arbeidsstelsel ten opzichte van het gemiddelde van zijn arbeidsstelsel(s) tijdens het vakantiedienstjaar. Deze regel geldt voor de toegang tot het stelsel van de aanvullende vakantie van de werknemers voor wie de berekening van de duur van de vakantie ten opzichte van zijn arbeidsstelsel tijdens het vakantiedienstjaar leidt tot een tekort van ten minste vier dagen vakantie om aanspraak te kunnen maken op vier weken vakantie.]3
Art. 3bis. [3 § 1er.]3 [1 Les travailleurs visés à l'article 17bis des lois coordonnées bénéficient de vacances supplémentaires, à condition :
1° de débuter ou de reprendre une activité au service d'un ou de plusieurs employeurs.
[2 Par "début d'activité", il faut entendre la situation d'un travailleur salarié qui est occupé pour la première fois auprès d'un ou de plusieurs employeurs dans le régime général des travailleurs salariés, et ce, jusqu'à ce que le travailleur ait pu bénéficier de 4 semaines de vacances, proportionnellement au régime de travail qui est le sien au moment de la prise de ses jours de congés. Le début d'activité s'étend jusqu'à la fin de l'année qui suit celle où ce début a eu lieu.]2
Par " reprise d'activité ", il faut entendre, toute activité d'un travailleur qui, avant la reprise d'activité, était visé :
- à l'article 27, 1°, a) de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
- à l'article 100 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnité, coordonnée le 14 juillet 1994 et à ses arrêtés d'exécution, pour les journées d'interruption de travail qui ne sont pas assimilées à des jours de travail effectif normal;
- dans l'une des situations reprises à l'article 46, § 1er;
- par la suspension de l'exécution du contrat de travail de l'article 48 de l'arrêté royal du 10 juin 2001 portant définition uniforme de notions relatives au temps de travail à l'usage de la sécurité sociale, en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
[4 - à l'article 2 de l'arrêté royal du 29 octobre 1997 relatif à l'introduction d'un droit au congé parental dans le cadre d'une interruption de la carrière professionnelle.]4
[2 La reprise d'activité s'étend jusqu'à la fin de l'année qui suit celle où la reprise a eu lieu.]2
2° d'avoir effectué une période de prestations effectives ou avoir bénéficié d'une période d'interruption de travail assimilée à du travail effectif, d'une durée de trois mois, de manière continue ou non durant une même année civile, auprès d'un ou plusieurs employeurs. Cette période est appelée " période d'amorçage ";
3° d'avoir épuisé les jours de vacances visés à l'article 3.]1
[3 § 2. Est considéré comme reprenant une activité au sens du § 1er, 1° :
a) le travailleur à temps partiel qui passe à un temps plein durant l'année de vacances;
b) le travailleur à temps partiel qui, durant l'année de vacances, augmente son régime de travail d'au moins 20 % d'un temps plein par rapport à la moyenne du (des) régimes de travail qui étaient le sien durant l'année d'exercice des vacances. Cette règle vise l'accès au système des vacances supplémentaires des travailleurs pour qui le calcul de la durée des vacances par rapport à son régime de travail dans l'année d'exercice des vacances conduit à un déficit d'au moins quatre jours de vacances pour pouvoir prendre quatre semaines de vacances.]3
1° de débuter ou de reprendre une activité au service d'un ou de plusieurs employeurs.
[2 Par "début d'activité", il faut entendre la situation d'un travailleur salarié qui est occupé pour la première fois auprès d'un ou de plusieurs employeurs dans le régime général des travailleurs salariés, et ce, jusqu'à ce que le travailleur ait pu bénéficier de 4 semaines de vacances, proportionnellement au régime de travail qui est le sien au moment de la prise de ses jours de congés. Le début d'activité s'étend jusqu'à la fin de l'année qui suit celle où ce début a eu lieu.]2
Par " reprise d'activité ", il faut entendre, toute activité d'un travailleur qui, avant la reprise d'activité, était visé :
- à l'article 27, 1°, a) de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
- à l'article 100 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnité, coordonnée le 14 juillet 1994 et à ses arrêtés d'exécution, pour les journées d'interruption de travail qui ne sont pas assimilées à des jours de travail effectif normal;
- dans l'une des situations reprises à l'article 46, § 1er;
- par la suspension de l'exécution du contrat de travail de l'article 48 de l'arrêté royal du 10 juin 2001 portant définition uniforme de notions relatives au temps de travail à l'usage de la sécurité sociale, en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
[4 - à l'article 2 de l'arrêté royal du 29 octobre 1997 relatif à l'introduction d'un droit au congé parental dans le cadre d'une interruption de la carrière professionnelle.]4
[2 La reprise d'activité s'étend jusqu'à la fin de l'année qui suit celle où la reprise a eu lieu.]2
2° d'avoir effectué une période de prestations effectives ou avoir bénéficié d'une période d'interruption de travail assimilée à du travail effectif, d'une durée de trois mois, de manière continue ou non durant une même année civile, auprès d'un ou plusieurs employeurs. Cette période est appelée " période d'amorçage ";
3° d'avoir épuisé les jours de vacances visés à l'article 3.]1
[3 § 2. Est considéré comme reprenant une activité au sens du § 1er, 1° :
a) le travailleur à temps partiel qui passe à un temps plein durant l'année de vacances;
b) le travailleur à temps partiel qui, durant l'année de vacances, augmente son régime de travail d'au moins 20 % d'un temps plein par rapport à la moyenne du (des) régimes de travail qui étaient le sien durant l'année d'exercice des vacances. Cette règle vise l'accès au système des vacances supplémentaires des travailleurs pour qui le calcul de la durée des vacances par rapport à son régime de travail dans l'année d'exercice des vacances conduit à un déficit d'au moins quatre jours de vacances pour pouvoir prendre quatre semaines de vacances.]3
Art. 3ter. [1 In geval van beroepsziekte en arbeidsongeval wordt, voor de berekening van de vakantieduur en het bedrag van het vakantiegeld, rekening gehouden met de niet-gepresteerde daggedeelten.
In geval van ziekte en ongeval, andere dan deze voorzien in het eerste lid, wordt voor de berekening van de vakantieduur en het bedrag van het vakantiegeld rekening gehouden met de niet-gepresteerde daggedeelten in geval van toepassing van artikel 100, § 2, eerste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.]1
In geval van ziekte en ongeval, andere dan deze voorzien in het eerste lid, wordt voor de berekening van de vakantieduur en het bedrag van het vakantiegeld rekening gehouden met de niet-gepresteerde daggedeelten in geval van toepassing van artikel 100, § 2, eerste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.]1
Art. 3ter. [1 En cas de maladie professionnelle et d'accident de travail, pour la détermination de la durée des vacances et du montant du pécule de vacances, il est tenu compte des parties de journées non prestées.
En cas de maladie et d'accident autres que ceux visés à l'alinéa 1er, pour la détermination de la durée des vacances et du montant du pécule de vacances, il est tenu compte des parties de journées non prestées en cas d'application de l'article 100, § 2, alinéa 1er, des lois relatives à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnées le 14 juillet 1994.]1
En cas de maladie et d'accident autres que ceux visés à l'alinéa 1er, pour la détermination de la durée des vacances et du montant du pécule de vacances, il est tenu compte des parties de journées non prestées en cas d'application de l'article 100, § 2, alinéa 1er, des lois relatives à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnées le 14 juillet 1994.]1
TITEL II_ ARBEIDERS EN LEERLING-ARBEIDERS.
TITRE II_ OUVRIERS ET APPRENTIS OUVRIERS.
HOOFDSTUK I_ Bijdragen.
CHAPITRE 1er_ Cotisations.
Afdeling I_ Sociaal verzekeringsplichtigen.
Section Ière_ Assujettis à la sécurité sociale.
Art.4. <KB 20-7-1970, art. 2> § 1. (Onverminderd het bepaalde in artikel 3, § 4, vijfde en zesde lid van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en in artikel 65 van de gecoördineerde wetten, worden de bijdragen bestemd voor het vakantiegeld aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid gestort.) <KB 5-8-1971, art. 2>
§ 2. De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid maakt de bijdragen bestemd voor het vakantiegeld aan de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie over. Deze stort aan ieder der bijzondere Vakantiefondsen het deel dat hem uit hoofde van zijn aangeslotenen toekomt.
§ 2. De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid maakt de bijdragen bestemd voor het vakantiegeld aan de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie over. Deze stort aan ieder der bijzondere Vakantiefondsen het deel dat hem uit hoofde van zijn aangeslotenen toekomt.
Art.4. <AR 20-7-1970, art. 2> § 1er. (Sans préjudice des dispositions de l'article 3, § 4, alinéas 5 et 6 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et de l'article 65 des lois coordonnées, les cotisations destinées à la constitution du pécule de vacances sont versées à l'Office national de sécurité sociale.) <AR 5-8-1971, art. 2>
§ 2. L'Office national de sécurité sociale transfère les cotisations destinées à la constitution du pécule de vacances à l'Office national des vacances annuelles. Celui-ci verse à chacune des Caisses spéciales de vacances la part qui lui revient en raison de ses affiliés.
§ 2. L'Office national de sécurité sociale transfère les cotisations destinées à la constitution du pécule de vacances à l'Office national des vacances annuelles. Celui-ci verse à chacune des Caisses spéciales de vacances la part qui lui revient en raison de ses affiliés.
Art.5. <KB 1989-12-07/32, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990> De werkgevers zijn verplicht binnen de voorgeschreven termijnen, de staten die bestemd zijn voor de vakantiefondsen over te maken aan de instelling die belast is met het innen en invorderen van de sociale zekerheidsbijdragen.
De instelling belast met het innen en invorderen van de sociale zekerheidsbijdragen stuurt de inhoud van deze staten door aan de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie volgens de in gemeenschappelijk overleg bepaalde modaliteiten. Laatstgenoemde instelling staat in voor de verdeling onder de verschillende vakantiefondsen.
De instelling belast met het innen en invorderen van de sociale zekerheidsbijdragen stuurt de inhoud van deze staten door aan de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie volgens de in gemeenschappelijk overleg bepaalde modaliteiten. Laatstgenoemde instelling staat in voor de verdeling onder de verschillende vakantiefondsen.
Art.5. <AR 1989-12-07/32, art. 1, 011; En vigueur : 01-01-1990> Les employeurs sont tenus de transmettre, dans les délais prescrits, à l'organisme chargé de percevoir et de recouvrer les cotisations de sécurité sociale, les relevés destinés aux caisses de vacances.
L'organisme chargé de percevoir et de recouvrer les cotisations de sécurité sociale transmet le contenu desdits relevés à l'Office national des vacances annuelles selon les modalités fixées en concertation. Ce dernier organisme se charge de la répartition entre les diverses caisses de vacances.
L'organisme chargé de percevoir et de recouvrer les cotisations de sécurité sociale transmet le contenu desdits relevés à l'Office national des vacances annuelles selon les modalités fixées en concertation. Ce dernier organisme se charge de la répartition entre les diverses caisses de vacances.
Art.6. (opgeheven) <KB 28-11-1969, art. 64>
Art.6. (abrogé) <AR 28-11-1969, art. 64>
Afdeling II_ Niet sociaal verzekeringsplichtigen.
Section II_ Non-assujettis à la sécurité sociale
Art.7. (opgeheven) <KB 20-7-1970, art. 20>
Art.7. (abrogé) <AR 20-7-1970, art. 20>
Art.8. (opgeheven) <KB 28-11-1969, art. 64>
Art.8. (abrogé) <AR 28-11-1969, art. 64>
Art.9. (opgeheven) <KB 20-07-1970, art. 20>
Art.9. (abrogé) <AR 20-07-1970, art. 20>
Art.10. (opgeheven) <KB 20-07-1970, art. 20>
Art.10. (abrogé) <AR 20-07-1970, art. 20>
Art.11. (opgeheven) <KB 20-07-1970, art. 20>
Art.11. (abrogé) <AR 20-07-1970, art. 20>
Art.12. (opgeheven) <KB 20-07-1970, art. 20>
Art.12. (abrogé) <AR 20-07-1970, art. 20>
Art.13. (opgeheven) <KB 28-11-1969, art. 64>
Art.13. (abrogé) <AR 28-11-1969, art. 64>
HOOFDSTUK II- Vakantiegeld.
CHAPITRE II- Pécule de vacances.
Afdeling I- Gewone vakantie.
Section Ière- Vacances ordinaires.
Art.14. (Het bedrag van het vakantiegeld van de arbeider is gelijk aan (15,38 pct.) van de lonen van het vakantiedienstjaar die tot basis hebben gediend voor de berekening van de bijdrage verschuldigd voor de samenstelling van dit vakantiegeld, eventueel vermeerderd met een fictief loon voor met (dagen normale werkelijke arbeid) gelijkgestelde inactiviteitsdagen.) <KB 20-7-1970, art. 4> <KB 2001-06-13/32, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <KB 2001-06-10/60, art. 11, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Onverminderd de bepalingen van artikel 33 is het vakantiegeld verschuldigd zelfs bij ontstentenis van het recht op vakantie bij toepassing van artikel 35.
[1 In afwijking van het eerste lid wordt de loontoeslag voorzien bij de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten krachtens artikel 353bis /4 van de programmawet van 24 december 2002 gedurende de periodes van tijdelijke aanpassing van de crisisarbeidsduur niet in aanmerking genomen voor de berekening van het vakantiegeld van de werknemer.]1
Onverminderd de bepalingen van artikel 33 is het vakantiegeld verschuldigd zelfs bij ontstentenis van het recht op vakantie bij toepassing van artikel 35.
[1 In afwijking van het eerste lid wordt de loontoeslag voorzien bij de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten krachtens artikel 353bis /4 van de programmawet van 24 december 2002 gedurende de periodes van tijdelijke aanpassing van de crisisarbeidsduur niet in aanmerking genomen voor de berekening van het vakantiegeld van de werknemer.]1
Art.14. (Le montant du pécule de vacances du travailleur est égal à (15,38) p.c. des rémunérations de l'exercice de vacances qui ont servi de base au calcul de la cotisation due pour la constitution de ce pécule, majorées éventuellement d'une rémunération fictive pour les jours d'inactivité qui sont assimilés à des (journées de travail effectif normal.) <AR 20-7-1970, art. 4> <AR 2001-06-13/32, art. 2, 032; En vigueur : 01-01-2001> <AR 2001-06-10/60, art. 11, 034; En vigueur : 01-01-2003>
Sous réserve des dispositions de l'article 33 les pécules sont dus même lorsqu'en application de l'article 35 la travailleur ne peut prétendre à des vacances.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, le complément salarial prévu par la convention collective du travail conclue en vertu de l'article 353bis /4 de la loi-programme du 24 décembre 2002 durant les périodes d'adaptation temporaire du temps de travail de crise n'est pas pris en compte pour le calcul du pécule de vacances du travailleur.]1
Sous réserve des dispositions de l'article 33 les pécules sont dus même lorsqu'en application de l'article 35 la travailleur ne peut prétendre à des vacances.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, le complément salarial prévu par la convention collective du travail conclue en vertu de l'article 353bis /4 de la loi-programme du 24 décembre 2002 durant les périodes d'adaptation temporaire du temps de travail de crise n'est pas pris en compte pour le calcul du pécule de vacances du travailleur.]1
Änderungen
Art.15. <KB 2001-06-13/32, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Het bedrag van de inhouding bedoeld in artikel 19, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten is op 1 pct. vastgesteld.
Art.15. <AR 2001-06-13/32, art. 3, 032; En vigueur : 01-01-2001> Le montant de la retenue visée à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, 1° des lois coordonnées est fixé à 1 p.c.
Art.16. <KB 2004-06-22/31, art. 1, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2003; zie ook KB 2004-06-22/31, art. 25, eerste streepje> Voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld worden met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgesteld, de dagen arbeidsonderbreking ingevolge :
1° een arbeidsongeval of beroepsziekte, aanleiding gevend tot schadeloosstelling;
2° een ongeval of ziekte niet bedoeld sub 1°;
3° de moederschapsrust;
4° het vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971;
5° het vervullen van militieverplichtingen.
Het voordeel van de gelijkstelling wordt beperkt tot de werknemer van vreemde nationaliteit, onderdaan van één der Lid-Staten van de Europese Unie, die in zijn land opgeroepen wordt in vredestijd;
6° het vervullen van burgerplichten zonder behoud van loon;
7° het vervullen van een openbaar mandaat;
8° de uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
9° het vervullen van een syndicale opdracht;
10° de deelneming aan cursussen of studiedagen gewijd aan sociale promotie;
11° de deelname aan een staking die zich voordoet in de schoot van de onderneming voor de werknemers die er aan hebben deelgenomen, op voorwaarde dat deze staking de instemming of de steun van een der interprofessionele syndicale organisaties, vertegenwoordigd bij de Nationale arbeidsraad, bekomen heeft;
12° een lock-out;
13° de tijdelijke werkloosheid ingevolge staking voor de werknemers aan wie de hoedanigheid van werkloze werd toegekend ingevolge artikel 73 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en mits toestemming van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie;
14° (een schorsing van de arbeidsovereenkomst of van het leercontract [5 van de leerling bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders]5 wegens tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische oorzaken.
De gelijkstelling in het eerste lid, wordt evenwel geweigerd wanneer blijkt dat de schorsing van de arbeidsovereenkomst hetzij is ingevoerd zonder dat de verplichtingen inzake notificatie of werkhervatting werden nageleefd, hetzij een deeltijds werk, een vooropzegperiode of tijdelijke werkloosheid wegens andere oorzaken maskeert, hetzij voortvloeit uit het seizoensgebonden karakter van de onderneming, hetzij het gevolg is van een gebrekkige organisatie of van slecht beheer van de onderneming, hetzij van structurele aard is.
Kan namelijk worden beschouwd als van structurele aard, het gebrek aan werk dat eigen is aan de aard van de werkzaamheid van het bedrijf of van de sector of dat ertoe strekt permanent te worden doordat het over meerdere dienstjaren quasi ononderbroken aanhoudt of een onevenwicht vertoont ten opzichte van de arbeidsprestaties van dezelfde werknemers;) <KB 2004-11-10/35, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 03-12-2004>
15° een profylactisch verlof;
16° de volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming;
17° de feestdagen en vervangingsdagen tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid, bedoeld in artikel 13, § 2, van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen;
18° een vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [4 ...]4 (...); <KB 2006-02-14/39, art. 1, 1°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(19° een adoptieverlof.) <KB 2006-02-14/39, art. 1, 2°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
[1 20° de periodes van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur, voorzien bij artikel 353bis /3 van de programmawet van 24 december 2002;
21° de periodes van vermindering van de arbeidsprestaties, bedoeld in artikel 15 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.]1
[2 22° het verlof voor pleegzorg bedoeld bij artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]2
[3 23° het gecumuleerde totaal van de borstvoedingspauzes zoals voorzien bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 80 van 27 november 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad en bindend verklaard bij koninklijk besluit van 21 januari 2002, die een recht op borstvoedingspauzes invoert;]3
[6 24° pleegouderverlof bedoeld in artikel 30sexies van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]6
1° een arbeidsongeval of beroepsziekte, aanleiding gevend tot schadeloosstelling;
2° een ongeval of ziekte niet bedoeld sub 1°;
3° de moederschapsrust;
4° het vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971;
5° het vervullen van militieverplichtingen.
Het voordeel van de gelijkstelling wordt beperkt tot de werknemer van vreemde nationaliteit, onderdaan van één der Lid-Staten van de Europese Unie, die in zijn land opgeroepen wordt in vredestijd;
6° het vervullen van burgerplichten zonder behoud van loon;
7° het vervullen van een openbaar mandaat;
8° de uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
9° het vervullen van een syndicale opdracht;
10° de deelneming aan cursussen of studiedagen gewijd aan sociale promotie;
11° de deelname aan een staking die zich voordoet in de schoot van de onderneming voor de werknemers die er aan hebben deelgenomen, op voorwaarde dat deze staking de instemming of de steun van een der interprofessionele syndicale organisaties, vertegenwoordigd bij de Nationale arbeidsraad, bekomen heeft;
12° een lock-out;
13° de tijdelijke werkloosheid ingevolge staking voor de werknemers aan wie de hoedanigheid van werkloze werd toegekend ingevolge artikel 73 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en mits toestemming van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie;
14° (een schorsing van de arbeidsovereenkomst of van het leercontract [5 van de leerling bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders]5 wegens tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische oorzaken.
De gelijkstelling in het eerste lid, wordt evenwel geweigerd wanneer blijkt dat de schorsing van de arbeidsovereenkomst hetzij is ingevoerd zonder dat de verplichtingen inzake notificatie of werkhervatting werden nageleefd, hetzij een deeltijds werk, een vooropzegperiode of tijdelijke werkloosheid wegens andere oorzaken maskeert, hetzij voortvloeit uit het seizoensgebonden karakter van de onderneming, hetzij het gevolg is van een gebrekkige organisatie of van slecht beheer van de onderneming, hetzij van structurele aard is.
Kan namelijk worden beschouwd als van structurele aard, het gebrek aan werk dat eigen is aan de aard van de werkzaamheid van het bedrijf of van de sector of dat ertoe strekt permanent te worden doordat het over meerdere dienstjaren quasi ononderbroken aanhoudt of een onevenwicht vertoont ten opzichte van de arbeidsprestaties van dezelfde werknemers;) <KB 2004-11-10/35, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 03-12-2004>
15° een profylactisch verlof;
16° de volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming;
17° de feestdagen en vervangingsdagen tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid, bedoeld in artikel 13, § 2, van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen;
18° een vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [4 ...]4 (...); <KB 2006-02-14/39, art. 1, 1°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(19° een adoptieverlof.) <KB 2006-02-14/39, art. 1, 2°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
[1 20° de periodes van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur, voorzien bij artikel 353bis /3 van de programmawet van 24 december 2002;
21° de periodes van vermindering van de arbeidsprestaties, bedoeld in artikel 15 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.]1
[2 22° het verlof voor pleegzorg bedoeld bij artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]2
[3 23° het gecumuleerde totaal van de borstvoedingspauzes zoals voorzien bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 80 van 27 november 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad en bindend verklaard bij koninklijk besluit van 21 januari 2002, die een recht op borstvoedingspauzes invoert;]3
[6 24° pleegouderverlof bedoeld in artikel 30sexies van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]6
Änderungen
Art.16. <AR 2004-06-22/31, art. 1, 039; En vigueur : 01-01-2003; voir aussi AR 2004-06-22/31, art. 25, premier tiret> Pour le calcul du montant du pécule de vacances, sont assimilées à des jours de travail effectif normal, les journées d'interruption de travail résultant :
1° d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle donnant lieu à réparation;
2° d'un accident ou d'une maladie non visés au 1°;
3° du repos de maternité;
4° du congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
5° de l'accomplissement d'obligations de milice.
Le bénéfice de l'assimilation est limité au travailleur de nationalité étrangère ressortissant de l'un des Etats membres de l'Union Européenne, appelé dans son pays d'origine en temps de paix;
6° de l'accomplissement de devoirs civiques, sans maintien de la rémunération;
7° de l'accomplissement d'un mandat public;
8° de l'exercice de la fonction de juge social;
9° de l'accomplissement d'une mission syndicale;
10° de la participation à des cours ou à des journées d'études consacrés à la promotion sociale;
11° de la participation à une grève survenue au sein de l'entreprise pour les travailleurs qui y ont pris part, à condition que cette grève ait eu l'accord ou l'appui de l'une des organisations syndicales interprofessionnelles, représentées au Conseil national du travail;
12° d'un lock-out;
13° du chômage temporaire par suite de grève pour les travailleurs auxquels la qualité de chômeur a été reconnue en vertu de l'article 73 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et moyennant approbation du Comité de gestion de l'Office national des Vacances annuelles;
14° (d'une suspension du contrat de travail ou du contrat d'apprentissage [5 de l'apprenti visé à l'article 1erbis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs]5 pour chômage temporaire par suite de manque de travail résultant de causes économiques.
L'assimilation visée à l'alinéa 1er est toutefois refusée lorsqu'il apparaît que la suspension du contrat de travail, soit a été instaurée sans que les obligations en matière de notification ou de reprise du travail aient été respectées, soit masque un travail à temps partiel, une période de préavis ou un chômage partiel pour d'autres raisons, soit résulte du caractère saisonnier de l'entreprise, soit est la conséquence d'une organisation déficiente ou d'une mauvaise gestion de l'entreprise, soit présente un caractère structurel.
Peut notamment être considéré comme étant de nature structurelle, le manque de travail qui est propre à la nature de l'activité de l'entreprise ou du secteur ou qui vise à devenir permanent, par le fait qu'il persiste de manière presque ininterrompue durant plusieurs exercices ou présente un déséquilibre par rapport aux prestations de travail des mêmes travailleurs;) <AR 2004-11-10/35, art. 1, 040; En vigueur : 03-12-2004>
15° d'un congé prophylactique;
16° de l'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité;
17° des jours fériés et des jours de remplacement durant une période de chômage temporaire, visés à l'article 13, § 2, de l'arrêté royal du 18 avril 1974 déterminant les modalités générales d'exécution de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés;
18° d'un congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [4 ...]4 (...); <AR 2006-02-14/39, art. 1, 1°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
(19° d'un congé d'adoption.) <AR 2006-02-14/39, art. 1, 2°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
[1 20° des périodes d'adaptation temporaire de la durée du travail prévues à l'article 353bis /3 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
21° des périodes de réduction des prestations de travail, visées à l'article 15 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;]1
[2 22° du congé pour soins d'accueil visé par l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]2
[3 23° du total cumulé des pauses d'allaitement telles que prévues par la convention collective de travail n° 80 du 27 novembre 2001, conclue au sein du Conseil national du Travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 21 janvier 2002, instaurant un droit aux pauses d'allaitement;]3
[6 24° du congé parental d'accueil visé par l'article 30sexies de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]6
1° d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle donnant lieu à réparation;
2° d'un accident ou d'une maladie non visés au 1°;
3° du repos de maternité;
4° du congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
5° de l'accomplissement d'obligations de milice.
Le bénéfice de l'assimilation est limité au travailleur de nationalité étrangère ressortissant de l'un des Etats membres de l'Union Européenne, appelé dans son pays d'origine en temps de paix;
6° de l'accomplissement de devoirs civiques, sans maintien de la rémunération;
7° de l'accomplissement d'un mandat public;
8° de l'exercice de la fonction de juge social;
9° de l'accomplissement d'une mission syndicale;
10° de la participation à des cours ou à des journées d'études consacrés à la promotion sociale;
11° de la participation à une grève survenue au sein de l'entreprise pour les travailleurs qui y ont pris part, à condition que cette grève ait eu l'accord ou l'appui de l'une des organisations syndicales interprofessionnelles, représentées au Conseil national du travail;
12° d'un lock-out;
13° du chômage temporaire par suite de grève pour les travailleurs auxquels la qualité de chômeur a été reconnue en vertu de l'article 73 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et moyennant approbation du Comité de gestion de l'Office national des Vacances annuelles;
14° (d'une suspension du contrat de travail ou du contrat d'apprentissage [5 de l'apprenti visé à l'article 1erbis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs]5 pour chômage temporaire par suite de manque de travail résultant de causes économiques.
L'assimilation visée à l'alinéa 1er est toutefois refusée lorsqu'il apparaît que la suspension du contrat de travail, soit a été instaurée sans que les obligations en matière de notification ou de reprise du travail aient été respectées, soit masque un travail à temps partiel, une période de préavis ou un chômage partiel pour d'autres raisons, soit résulte du caractère saisonnier de l'entreprise, soit est la conséquence d'une organisation déficiente ou d'une mauvaise gestion de l'entreprise, soit présente un caractère structurel.
Peut notamment être considéré comme étant de nature structurelle, le manque de travail qui est propre à la nature de l'activité de l'entreprise ou du secteur ou qui vise à devenir permanent, par le fait qu'il persiste de manière presque ininterrompue durant plusieurs exercices ou présente un déséquilibre par rapport aux prestations de travail des mêmes travailleurs;) <AR 2004-11-10/35, art. 1, 040; En vigueur : 03-12-2004>
15° d'un congé prophylactique;
16° de l'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité;
17° des jours fériés et des jours de remplacement durant une période de chômage temporaire, visés à l'article 13, § 2, de l'arrêté royal du 18 avril 1974 déterminant les modalités générales d'exécution de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés;
18° d'un congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [4 ...]4 (...); <AR 2006-02-14/39, art. 1, 1°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
(19° d'un congé d'adoption.) <AR 2006-02-14/39, art. 1, 2°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
[1 20° des périodes d'adaptation temporaire de la durée du travail prévues à l'article 353bis /3 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
21° des périodes de réduction des prestations de travail, visées à l'article 15 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;]1
[2 22° du congé pour soins d'accueil visé par l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]2
[3 23° du total cumulé des pauses d'allaitement telles que prévues par la convention collective de travail n° 80 du 27 novembre 2001, conclue au sein du Conseil national du Travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 21 janvier 2002, instaurant un droit aux pauses d'allaitement;]3
[6 24° du congé parental d'accueil visé par l'article 30sexies de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]6
Änderungen
Art.17. <KB 2001-06-10/60, art. 13, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2003> De in artikel 16 opgesomde dagen van arbeidsonderbreking worden, voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld, niet als gelijkgestelde doch als dagen normale werkelijke arbeid behandeld, zo de werkgever verplicht is hun bezoldiging aan te geven voor de berekening van de bijdragen.
Art.17. <AR 2001-06-10/60, art. 13, 034; En vigueur : 01-01-2003> Les journées d'interruption de travail énumérées à l'article 16, ne sont pas traitées, pour le calcul du montant du pécule de vacances, comme des journées assimilées mais comme des journées de travail effectif normal, lorsque l'employeur est tenu de déclarer leur rémunération pour le calcul du montant des cotisations.
Art.18. <KB 2004-06-22/31, art. 2, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2003; zie ook KB 2004-06-22/31, art. 25, eerste streepje> De duur van de gelijkstelling wordt beperkt :
1° bij arbeidsongeval of beroepsziekte die aanleiding geven tot schadeloosstelling :
a) tot de periode van tijdelijke algehele ongeschiktheid;
b) tot de eerste twaalf maanden der periode van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid volgend op een tijdelijke algehele ongeschiktheid op voorwaarde dat het erkende percentage van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid minstens 66 pct. weze [5 in geval van toepassing van artikel 34 van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970 voor wat betreft de beroepsziekten en van artikel 23 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 voor wat betreft de arbeidsongevallen is de voorwaarde van het percentage van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid van 66 % niet van toepassing]5;
2° bij ongeval niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ongeval voordoet, na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
3° bij ziekte niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ziekte voordoet na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
4° bij moederschapsrust of vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971 : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
5° in het geval voorzien bij artikel 16, 5° : tot de laatste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking. Wat echter de werknemers betreft wier normale diensttijd minder dan twaalf maanden beloopt en die, wegens tuchtredenen, voor een langere termijn onder de wapens worden gehouden, wordt de gelijkstelling beperkt tot de periode die de terugzending naar hun haardstede voorafgaat en die overeenstemt met de normale duur van hun diensttijd;
6° voor de huisarbeiders, in geval van economische werkloosheid, zoals voorzien in artikel 16, 14° : tot de periode waarbij aan de voorwaarden gesteld door artikel 75 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering is voldaan;
7° in geval van borstvoeding zoals voorzien bij artikel 16, 16° : tot de periode waarover de gerechtigde die borstvoeding geeft kan aanspraak maken op de moederschapsuitkering, bedoeld in artikel 219bis, tweede lid van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
8° in geval van vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [4 ...]4 (...) : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30, § 2 (...), van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [4 ...]4; <KB 2006-02-14/39, art. 2, 1°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(9° in geval van adoptieverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [4 ...]4 : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30ter, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [4 ...]4.) <KB 2006-02-14/39, art. 2, 2°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
[1 10° in geval van tijdelijke aanpassing van de crisisarbeidsduur : tot de periodes voorzien bij artikel 353bis /3 van de programmawet van 24 december 2002;
11° in geval van tijdelijke crisismaatregelen voor de aanpassing van het arbeidsvolume : tot de periodes bedoeld bij artikel 15 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.]1
[2 12° in geval van verlof voor pleegzorg bedoeld bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30quater van de voormelde wet van 3 juli 1978;]2
[3 13° in geval van borstvoedingspauze zoals voorzien bij artikel 16, 23° : tot de periode voorzien in artikel 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 80 van 27 november 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, die een recht op borstvoedingspauzes invoert;]3
[6 14° in geval van pleegouderverlof bedoeld bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30sexies van de voormelde wet van 3 juli 1978.]6
De in artikel 16 opgesomde dagen van arbeidsonderbreking die, overeenkomstig artikel 17, als dagen normale werkelijke arbeid aangezien worden, komen niet in aanmerking voor de toepassing van de beperking van de duur der gelijkstellingen waarvan sprake in onderhavig artikel.
1° bij arbeidsongeval of beroepsziekte die aanleiding geven tot schadeloosstelling :
a) tot de periode van tijdelijke algehele ongeschiktheid;
b) tot de eerste twaalf maanden der periode van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid volgend op een tijdelijke algehele ongeschiktheid op voorwaarde dat het erkende percentage van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid minstens 66 pct. weze [5 in geval van toepassing van artikel 34 van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970 voor wat betreft de beroepsziekten en van artikel 23 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 voor wat betreft de arbeidsongevallen is de voorwaarde van het percentage van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid van 66 % niet van toepassing]5;
2° bij ongeval niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ongeval voordoet, na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
3° bij ziekte niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ziekte voordoet na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
4° bij moederschapsrust of vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971 : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
5° in het geval voorzien bij artikel 16, 5° : tot de laatste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking. Wat echter de werknemers betreft wier normale diensttijd minder dan twaalf maanden beloopt en die, wegens tuchtredenen, voor een langere termijn onder de wapens worden gehouden, wordt de gelijkstelling beperkt tot de periode die de terugzending naar hun haardstede voorafgaat en die overeenstemt met de normale duur van hun diensttijd;
6° voor de huisarbeiders, in geval van economische werkloosheid, zoals voorzien in artikel 16, 14° : tot de periode waarbij aan de voorwaarden gesteld door artikel 75 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering is voldaan;
7° in geval van borstvoeding zoals voorzien bij artikel 16, 16° : tot de periode waarover de gerechtigde die borstvoeding geeft kan aanspraak maken op de moederschapsuitkering, bedoeld in artikel 219bis, tweede lid van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
8° in geval van vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [4 ...]4 (...) : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30, § 2 (...), van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [4 ...]4; <KB 2006-02-14/39, art. 2, 1°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(9° in geval van adoptieverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [4 ...]4 : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30ter, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [4 ...]4.) <KB 2006-02-14/39, art. 2, 2°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
[1 10° in geval van tijdelijke aanpassing van de crisisarbeidsduur : tot de periodes voorzien bij artikel 353bis /3 van de programmawet van 24 december 2002;
11° in geval van tijdelijke crisismaatregelen voor de aanpassing van het arbeidsvolume : tot de periodes bedoeld bij artikel 15 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.]1
[2 12° in geval van verlof voor pleegzorg bedoeld bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30quater van de voormelde wet van 3 juli 1978;]2
[3 13° in geval van borstvoedingspauze zoals voorzien bij artikel 16, 23° : tot de periode voorzien in artikel 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 80 van 27 november 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, die een recht op borstvoedingspauzes invoert;]3
[6 14° in geval van pleegouderverlof bedoeld bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30sexies van de voormelde wet van 3 juli 1978.]6
De in artikel 16 opgesomde dagen van arbeidsonderbreking die, overeenkomstig artikel 17, als dagen normale werkelijke arbeid aangezien worden, komen niet in aanmerking voor de toepassing van de beperking van de duur der gelijkstellingen waarvan sprake in onderhavig artikel.
Änderungen
Art.18. <AR 2004-06-22/31, art. 2, 039; En vigueur : 01-01-2003; voir aussi AR 2004-06-22/31, art. 25, premier tiret> La durée de l'assimilation est limitée :
1° en cas d'accident de travail ou de maladie professionnelle donnant lieu à réparation :
a) à la période d'incapacité temporaire totale;
b) aux douze premiers mois de la période d'incapacité temporaire partielle consécutive à une incapacité temporaire totale, à condition que le pourcentage de l'incapacité temporaire partielle reconnu soit au moins égal à 66 p.c. [5 en cas d'application de l'article 34 des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci coordonnées le 3 juin 1970 en ce qui concerne les maladies professionnelles et de l'article 23 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents de travail en ce qui concerne les accidents du travail, la condition relative au pourcentage de l'incapacité temporaire partielle de 66 % n'est pas d'application]5;
2° en cas d'accident non visé au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
Toute nouvelle interruption de travail qui survient, pour cause d'accident, après une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
3° en cas de maladie non visée au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
Toute nouvelle interruption de travail qui survient pour cause de maladie, après une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours, est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
4° en cas de repos de maternité ou de congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail : les périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
5° dans le cas prévu à l'article 16, 5° : aux douze derniers mois de l'interruption de travail. Toutefois, en ce qui concerne les travailleurs dont le terme normal de service est inférieur à douze mois et qui sont maintenus sous les drapeaux au delà de ce terme, pour les raisons d'ordre disciplinaire, l'assimilation est limitée à la période précédant le moment de leur renvoi dans leur foyer, qui correspond à la durée de leur terme normal de service;
6° en cas de chômage économique, tel que prévu à l'article 16, 14°, pour les travailleurs à domicile : aux périodes répondant aux conditions prévues à l'article 75 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
7° en cas d'allaitement tel que prévu à l'article 16, 16° : à la période pendant laquelle la titulaire allaitante peut prétendre à l'indemnité de maternité visée à l'article 219bis, alinéa 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
8° en cas de congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [4 ...]4(...) : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30, § 2 (...), de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [4 ...]4; <AR 2006-02-14/39, art. 2, 1°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
(9° en cas de congé d'adoption visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [4 ...]4 : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30ter, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [4 ...]4.) <AR 2006-02-14/39, art. 2, 2°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
[1 10° en cas d'adaptation temporaire de la durée du travail de crise : aux périodes prévues à l'article 353bis /3 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
11° en cas de mesures temporaires de crise visant l'adaptation du volume de l'emploi : aux périodes visées à l'article 15 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;]1
[2 12° en cas de congé pour soins d'accueil visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 précitée;]2
[3 13° en cas de pause d'allaitement, telle que prévue à l'article 16, 23°, à la période prévue à l'article 6, de la convention collective de travail n° 80 du 27 novembre 2001, conclue au sein du Conseil national du Travail, instaurant un droit aux pauses d'allaitement;]3
[6 14° en cas [7 de congé parental d'accueil]7 visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30sexies de la loi du 3 juillet 1978 précitée;]6
Les journées d'interruption de travail énumérées à l'article 16, qui conformément à l'article 17 ont été considérées comme des journées de travail effectif normal, n'entrent pas en ligne de compte pour l'application de la limitation de la durée des assimilations dont il est question au présent article.
1° en cas d'accident de travail ou de maladie professionnelle donnant lieu à réparation :
a) à la période d'incapacité temporaire totale;
b) aux douze premiers mois de la période d'incapacité temporaire partielle consécutive à une incapacité temporaire totale, à condition que le pourcentage de l'incapacité temporaire partielle reconnu soit au moins égal à 66 p.c. [5 en cas d'application de l'article 34 des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci coordonnées le 3 juin 1970 en ce qui concerne les maladies professionnelles et de l'article 23 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents de travail en ce qui concerne les accidents du travail, la condition relative au pourcentage de l'incapacité temporaire partielle de 66 % n'est pas d'application]5;
2° en cas d'accident non visé au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
Toute nouvelle interruption de travail qui survient, pour cause d'accident, après une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
3° en cas de maladie non visée au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
Toute nouvelle interruption de travail qui survient pour cause de maladie, après une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours, est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
4° en cas de repos de maternité ou de congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail : les périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
5° dans le cas prévu à l'article 16, 5° : aux douze derniers mois de l'interruption de travail. Toutefois, en ce qui concerne les travailleurs dont le terme normal de service est inférieur à douze mois et qui sont maintenus sous les drapeaux au delà de ce terme, pour les raisons d'ordre disciplinaire, l'assimilation est limitée à la période précédant le moment de leur renvoi dans leur foyer, qui correspond à la durée de leur terme normal de service;
6° en cas de chômage économique, tel que prévu à l'article 16, 14°, pour les travailleurs à domicile : aux périodes répondant aux conditions prévues à l'article 75 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
7° en cas d'allaitement tel que prévu à l'article 16, 16° : à la période pendant laquelle la titulaire allaitante peut prétendre à l'indemnité de maternité visée à l'article 219bis, alinéa 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
8° en cas de congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [4 ...]4(...) : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30, § 2 (...), de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [4 ...]4; <AR 2006-02-14/39, art. 2, 1°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
(9° en cas de congé d'adoption visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [4 ...]4 : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30ter, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [4 ...]4.) <AR 2006-02-14/39, art. 2, 2°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
[1 10° en cas d'adaptation temporaire de la durée du travail de crise : aux périodes prévues à l'article 353bis /3 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
11° en cas de mesures temporaires de crise visant l'adaptation du volume de l'emploi : aux périodes visées à l'article 15 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;]1
[2 12° en cas de congé pour soins d'accueil visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 précitée;]2
[3 13° en cas de pause d'allaitement, telle que prévue à l'article 16, 23°, à la période prévue à l'article 6, de la convention collective de travail n° 80 du 27 novembre 2001, conclue au sein du Conseil national du Travail, instaurant un droit aux pauses d'allaitement;]3
[6 14° en cas [7 de congé parental d'accueil]7 visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30sexies de la loi du 3 juillet 1978 précitée;]6
Les journées d'interruption de travail énumérées à l'article 16, qui conformément à l'article 17 ont été considérées comme des journées de travail effectif normal, n'entrent pas en ligne de compte pour l'application de la limitation de la durée des assimilations dont il est question au présent article.
Änderungen
Art.19. <KB 2001-06-10/60, art. 15, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2003> § 1.Om gelijkstelling te bekomen moet de arbeider aan de volgende voorwaarden voldoen :
a) verbonden zijn door een arbeids- of leerovereenkomst op de dag waarop geacht wordt normale werkelijke arbeid te verrichten die de eerste dag der gelijkstelbare periode voorafgaat.
De arbeiders worden geacht aan deze voorwaarde te voldoen, zo zij op de bij deze bepaling vastgestelde dag een vergoeding voor bestaanszekerheid of door de Pool der zeelieden ter koopvaardij uitgekeerde wachtgelden genieten.
In de bij artikel 16, 5° bedoelde gevallen, tewerkgesteld zijn onder de binding van een arbeidsovereenkomst of een leercontract tenminste één dag gedurende de periode van 30 dagen voorafgaand aan de gelijkstelbare periode.
b) niet in verlof zonder wedde geweest zijn gedurende het volledig gedeelte van het kwartaal voorafgaand aan de gelijk te stellen periode, en indien deze gelijk te stellen periode aanvangt in de loop van de eerste maand, niet in verlof zonder wedde geweest zijn gedurende het volledige kwartaal voorafgaand aan de gelijk te stellen periode. <KB 2001-06-10/60, art. 15, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(NOTA : Voor de wijziging gebracht door artikel 1 van KB 2003-01-22/35, Inwerkingtreding : 01-01-2002 en deze is voor het eerst van toepassing voor het vakantiedienstjaar 2002, vakantiejaar 2003, zie versie 033 van archiefverwerking)
(Lid 2 opgeheven) <KB 2001-06-10/60, art. 15, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. De in § 1 bepaalde voorwaarden zijn niet vereist voor de in artikel 16, 1°, bedoelde werknemer, wanneer een nieuwe volledige tijdelijke ongeschiktheid zich voordoet na een periode van gedeeltelijke tijdelijke ongeschiktheid tijdens welke de werknemer geen arbeid heeft kunnen verrichten.
a) verbonden zijn door een arbeids- of leerovereenkomst op de dag waarop geacht wordt normale werkelijke arbeid te verrichten die de eerste dag der gelijkstelbare periode voorafgaat.
De arbeiders worden geacht aan deze voorwaarde te voldoen, zo zij op de bij deze bepaling vastgestelde dag een vergoeding voor bestaanszekerheid of door de Pool der zeelieden ter koopvaardij uitgekeerde wachtgelden genieten.
In de bij artikel 16, 5° bedoelde gevallen, tewerkgesteld zijn onder de binding van een arbeidsovereenkomst of een leercontract tenminste één dag gedurende de periode van 30 dagen voorafgaand aan de gelijkstelbare periode.
b) niet in verlof zonder wedde geweest zijn gedurende het volledig gedeelte van het kwartaal voorafgaand aan de gelijk te stellen periode, en indien deze gelijk te stellen periode aanvangt in de loop van de eerste maand, niet in verlof zonder wedde geweest zijn gedurende het volledige kwartaal voorafgaand aan de gelijk te stellen periode. <KB 2001-06-10/60, art. 15, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(NOTA : Voor de wijziging gebracht door artikel 1 van KB 2003-01-22/35, Inwerkingtreding : 01-01-2002 en deze is voor het eerst van toepassing voor het vakantiedienstjaar 2002, vakantiejaar 2003, zie versie 033 van archiefverwerking)
(Lid 2 opgeheven) <KB 2001-06-10/60, art. 15, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. De in § 1 bepaalde voorwaarden zijn niet vereist voor de in artikel 16, 1°, bedoelde werknemer, wanneer een nieuwe volledige tijdelijke ongeschiktheid zich voordoet na een periode van gedeeltelijke tijdelijke ongeschiktheid tijdens welke de werknemer geen arbeid heeft kunnen verrichten.
Art.19. § 1er. (Pour bénéficier de l'assimilation, le travailleur doit remplir les conditions suivantes :
a) être engagé dans les liens d'un contrat de louage de travail ou d'apprentissage le jour durant lequel un travail effectif normal est censé être accompli précédant le premier jour de la période assimilable.
Les travailleurs sont présumés remplir cette condition lorsqu'ils bénéficient, au jour fixé par cette disposition, d'une indemnité de sécurité d'existence ou d'une indemnité d'attente payée par le Pool des marins de la marine marchande.
Dans les cas visés à l'article 16, 5°, être engagé dans les liens d'un contrat de travail ou d'apprentissage au moins un jour durant la période de trente jours précédant le début de la période assimilable.
b) ne pas avoir été en congé sans solde durant toute la partie du trimestre précédant la période assimilable, et si cette période assimilable a débuté dans le courant du premier mois, ne pas avoir été en congé sans solde également durant tout le trimestre précédant.) <AR 2001-06-10/60, art. 15, 034; En vigueur : 01-01-2003>
(Alinéa 2 abrogé) <AR 2001-06-10/60, art. 15, 034; En vigueur : 01-01-2003>
(NOTE : Pour la modification apportée par l'article 1er de l'AR 2003-01-22/35, En vigueur : 01-01-2002 et qui s'applique pour la première fois à l'exercice de vacances 2002, année de vacances 2003, voir archivage version 033)
§ 2. Les conditions prévues au § 1er ne sont pas requises du travailleur visé à l'article 16, 1°, au cas où une nouvelle incapacité temporaire totale survient après une période d'incapacité temporaire partielle au cours de laquelle le travailleur n'a pu fournir aucun travail.
a) être engagé dans les liens d'un contrat de louage de travail ou d'apprentissage le jour durant lequel un travail effectif normal est censé être accompli précédant le premier jour de la période assimilable.
Les travailleurs sont présumés remplir cette condition lorsqu'ils bénéficient, au jour fixé par cette disposition, d'une indemnité de sécurité d'existence ou d'une indemnité d'attente payée par le Pool des marins de la marine marchande.
Dans les cas visés à l'article 16, 5°, être engagé dans les liens d'un contrat de travail ou d'apprentissage au moins un jour durant la période de trente jours précédant le début de la période assimilable.
b) ne pas avoir été en congé sans solde durant toute la partie du trimestre précédant la période assimilable, et si cette période assimilable a débuté dans le courant du premier mois, ne pas avoir été en congé sans solde également durant tout le trimestre précédant.) <AR 2001-06-10/60, art. 15, 034; En vigueur : 01-01-2003>
(Alinéa 2 abrogé) <AR 2001-06-10/60, art. 15, 034; En vigueur : 01-01-2003>
(NOTE : Pour la modification apportée par l'article 1er de l'AR 2003-01-22/35, En vigueur : 01-01-2002 et qui s'applique pour la première fois à l'exercice de vacances 2002, année de vacances 2003, voir archivage version 033)
§ 2. Les conditions prévues au § 1er ne sont pas requises du travailleur visé à l'article 16, 1°, au cas où une nouvelle incapacité temporaire totale survient après une période d'incapacité temporaire partielle au cours de laquelle le travailleur n'a pu fournir aucun travail.
Art.20. <KB 2004-06-22/31, art. 3, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2003; zie ook KB 2004-06-22/31, art. 25, eerste streepje> De juistheid van het aantal dagen van arbeidsonderbreking wordt bevestigd :
1° door de verzekeringsinstelling of door de werkgever al naar gelang een verzekeringscontract aangegaan werd of niet voor de in artikel 16, 1°, bedoelde arbeidsonderbrekingen;
2° door de verzekeringsinstelling of door de werkgever naargelang de arbeider een schadeloosstelling geniet of niet krachtens een bepaling van de wetgeving op de sociale zekerheid, voor de in artikel 16, 2°, 3°, 4°, 15°, 16° (, 18° [3 , 19°, [4 23° en 24°]4]3) bedoelde arbeidsonderbrekingen; <KB 2006-02-14/39, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
3° voor de arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 5°, door de bevoegde overheid, en desnoods door het gemeentebestuur;
4° door het secretariaat of de griffie van het organisme, de instelling, het rechtscollege of de betrokken vakvereniging voor de in artikel 16, 6° tot 11°, bedoelde arbeidsonderbrekingen;
5° (door de werkgever, voor de in artikel 16, 12° en 14° bedoelde arbeidsonderbrekingen.
De bevestiging wat artikel 16, 14° betreft, bedoeld in het eerste lid, geschiedt overeenkomstig het bepaalde bij artikel 21, § 3. De Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie evenals de Bijzondere vakantiefondsen verifiëren en beoordelen op een zelfstandige manier de overeenstemming van de aangifte van deze dagen arbeidsonderbreking met de uit onderhavig besluit voortvloeiende regels;) <KB 2004-11-10/35, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 03-12-2004>
6° door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor de arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 13°.
[1 7° voor de in artikel 16, 20° bedoelde arbeidsonderbrekingen, door de werkgever (voor de periodes van tijdelijke aanpassing van de crisisarbeidsduur voorzien in artikel 353bis /3 van de programmawet van 24 december 2002);
8° voor de in artikel 16, 21°, bedoelde arbeidsonderbrekingen, door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening (voor de periodes van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/5e of 1/2, bedoeld in artikel 15 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis);]1
[2 9° door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of door de werkgever naar gelang de werknemer een uitkering geniet of niet, voor de in artikel 16, 22°, bedoelde arbeidsonderbrekingen.]2
1° door de verzekeringsinstelling of door de werkgever al naar gelang een verzekeringscontract aangegaan werd of niet voor de in artikel 16, 1°, bedoelde arbeidsonderbrekingen;
2° door de verzekeringsinstelling of door de werkgever naargelang de arbeider een schadeloosstelling geniet of niet krachtens een bepaling van de wetgeving op de sociale zekerheid, voor de in artikel 16, 2°, 3°, 4°, 15°, 16° (, 18° [3 , 19°, [4 23° en 24°]4]3) bedoelde arbeidsonderbrekingen; <KB 2006-02-14/39, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
3° voor de arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 5°, door de bevoegde overheid, en desnoods door het gemeentebestuur;
4° door het secretariaat of de griffie van het organisme, de instelling, het rechtscollege of de betrokken vakvereniging voor de in artikel 16, 6° tot 11°, bedoelde arbeidsonderbrekingen;
5° (door de werkgever, voor de in artikel 16, 12° en 14° bedoelde arbeidsonderbrekingen.
De bevestiging wat artikel 16, 14° betreft, bedoeld in het eerste lid, geschiedt overeenkomstig het bepaalde bij artikel 21, § 3. De Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie evenals de Bijzondere vakantiefondsen verifiëren en beoordelen op een zelfstandige manier de overeenstemming van de aangifte van deze dagen arbeidsonderbreking met de uit onderhavig besluit voortvloeiende regels;) <KB 2004-11-10/35, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 03-12-2004>
6° door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor de arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 13°.
[1 7° voor de in artikel 16, 20° bedoelde arbeidsonderbrekingen, door de werkgever (voor de periodes van tijdelijke aanpassing van de crisisarbeidsduur voorzien in artikel 353bis /3 van de programmawet van 24 december 2002);
8° voor de in artikel 16, 21°, bedoelde arbeidsonderbrekingen, door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening (voor de periodes van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/5e of 1/2, bedoeld in artikel 15 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis);]1
[2 9° door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of door de werkgever naar gelang de werknemer een uitkering geniet of niet, voor de in artikel 16, 22°, bedoelde arbeidsonderbrekingen.]2
Art.20. <AR 2004-06-22/31, art. 3, 039; En vigueur : 01-01-2003; voir aussi AR 2004-06-22/31, art. 25, premier tiret> L'exactitude du nombre des journées d'interruption de travail est certifiée :
1° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 1°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assurance ou non;
2° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 2°, 3°, 4°, 15°, 16° (, 18°, [3 19°, [4 23° et 24°]4]3), par l'organisme assureur ou par l'employeur selon que le travailleur est indemnisé ou non en vertu d'une disposition de la législation sur la sécurité sociale; <AR 2006-02-14/39, art. 3, 041; En vigueur : 25-07-2004>
3° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 5°, par l'autorité compétente et au besoin par l'administration communale;
4° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 6° à 11°, par le secrétariat ou le greffe de l'organisme, de l'institution, de la juridiction ou du syndicat intéressé;
5° (pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 12° et 14°, par l'employeur.
La justification relative à l'article 16, 14°, visée à l'alinéa 1er, doit être effectuée conformément aux dispositions de l'article 21, § 3. L'Office national des vacances annuelles ainsi que les Caisses spéciales de vacances vérifient et apprécient de manière autonome la conformité de la déclaration de ces journées d'interruption de travail aux règles découlant du présent arrêté;) <AR 2004-11-10/35, art. 2, 040; En vigueur : 03-12-2004>
6° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 13°, par l'Office national de l'Emploi.
[1 7° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 20°, par l'employeur (pour les périodes d'adaptation temporaire de la durée du travail de crise prévues à l'article 353bis /3 de la loi-programme du 24 décembre 2002);
8° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 21°, par l'Office national de l'emploi (pour les périodes de réduction des prestations de travail d'un 1/5e ou d'un 1/2 visées à l'article 15 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi de crise);]1
[2 9° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 22°, par l'Office national de l'Emploi ou par l'employeur selon que le travailleur est indemnisé ou non.]2
1° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 1°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assurance ou non;
2° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 2°, 3°, 4°, 15°, 16° (, 18°, [3 19°, [4 23° et 24°]4]3), par l'organisme assureur ou par l'employeur selon que le travailleur est indemnisé ou non en vertu d'une disposition de la législation sur la sécurité sociale; <AR 2006-02-14/39, art. 3, 041; En vigueur : 25-07-2004>
3° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 5°, par l'autorité compétente et au besoin par l'administration communale;
4° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 6° à 11°, par le secrétariat ou le greffe de l'organisme, de l'institution, de la juridiction ou du syndicat intéressé;
5° (pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 12° et 14°, par l'employeur.
La justification relative à l'article 16, 14°, visée à l'alinéa 1er, doit être effectuée conformément aux dispositions de l'article 21, § 3. L'Office national des vacances annuelles ainsi que les Caisses spéciales de vacances vérifient et apprécient de manière autonome la conformité de la déclaration de ces journées d'interruption de travail aux règles découlant du présent arrêté;) <AR 2004-11-10/35, art. 2, 040; En vigueur : 03-12-2004>
6° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 13°, par l'Office national de l'Emploi.
[1 7° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 20°, par l'employeur (pour les périodes d'adaptation temporaire de la durée du travail de crise prévues à l'article 353bis /3 de la loi-programme du 24 décembre 2002);
8° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 21°, par l'Office national de l'emploi (pour les périodes de réduction des prestations de travail d'un 1/5e ou d'un 1/2 visées à l'article 15 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi de crise);]1
[2 9° pour les interruptions de travail visées à l'article 16, 22°, par l'Office national de l'Emploi ou par l'employeur selon que le travailleur est indemnisé ou non.]2
Art.21. <KB 2004-06-22/31, art. 4, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2003; zie ook KB 2004-06-22/31, art. 25, eerste streepje> § 1. De stukken tot staving worden ambtshalve aan het bevoegde vakantiefonds toegezonden in geval van :
1° arbeidsongeval, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er een verzekering is of niet;
2° beroepsziekte, door [4 Fedris]4;
3° moederschapsrust of vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is;
4° ongevallen of ziekten niet bedoeld bij § 1, 1° en 2°, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is;
5° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 5°, door de bevoegde overheid en, bij ontstentenis, door het gemeentebestuur;
6° arbeidsonderbreking bedoeld bij artikel 16, 13°, door de uitbetalingsinstelling;
7° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 15° [3 , 16° en 23]3, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is;
8° staking, door het secretariaat van de interprofessionele syndicale organisatie die haar instemming met de staking heeft betuigd of deze heeft gesteund;
9° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 18° (en 19°), door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is. <KB 2006-02-14/39, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
[1 10° arbeidsonderbrekingen bedoeld in artikel 16, 20°, door de werkgever voor de periodes van tijdelijke aanpassing van de crisisarbeidsduur voorzien in artikel 353bis /3 van de programmawet van 24 december 2002;
11° arbeidsonderbrekingen bedoeld in artikel 16, 21°, door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor de periodes van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/5e of 1/2, bedoeld in artikel 15 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.]1
[2 12° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel [5 16,22° en 24°]5, door de uitbetalingsinstelling of door de werkgever naar gelang de werknemer een uitkering geniet of niet;]2
§ 2. De stukken tot staving van de andere bij artikel 16 bedoelde dagen arbeidsonderbreking ten gevolge van :
1° het vervullen van burgerplichten zonder behoud van loon;
2° het vervullen van een openbaar mandaat;
3° de uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
4° het vervullen van een syndicale opdracht;
5° de deelneming aan cursussen, stages of studiedagen gewijd aan sociale promotie;
6° een lock-out;
worden door de werkgever bewaard tot 31 december van het vierde jaar dat volgt op het jaar waarin de vakantie moet verleend worden; de werkgever bezorgt de stukken aan de vakantiefondsen zo zij het vragen.
§ 3. Behoudens de door de Minister van Sociale Zaken, na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie toegestane afwijking, vermelden de werkgevers op de kwartaalstaat, naast het aangegeven cijfer van de gelijkgestelde dagen ook de reden van de afwezigheid op het werk.
1° arbeidsongeval, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er een verzekering is of niet;
2° beroepsziekte, door [4 Fedris]4;
3° moederschapsrust of vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is;
4° ongevallen of ziekten niet bedoeld bij § 1, 1° en 2°, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is;
5° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 5°, door de bevoegde overheid en, bij ontstentenis, door het gemeentebestuur;
6° arbeidsonderbreking bedoeld bij artikel 16, 13°, door de uitbetalingsinstelling;
7° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 15° [3 , 16° en 23]3, door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is;
8° staking, door het secretariaat van de interprofessionele syndicale organisatie die haar instemming met de staking heeft betuigd of deze heeft gesteund;
9° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel 16, 18° (en 19°), door de verzekeringsinstelling of door de werkgever, al naargelang er al dan niet onderwerping is. <KB 2006-02-14/39, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
[1 10° arbeidsonderbrekingen bedoeld in artikel 16, 20°, door de werkgever voor de periodes van tijdelijke aanpassing van de crisisarbeidsduur voorzien in artikel 353bis /3 van de programmawet van 24 december 2002;
11° arbeidsonderbrekingen bedoeld in artikel 16, 21°, door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor de periodes van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/5e of 1/2, bedoeld in artikel 15 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.]1
[2 12° arbeidsonderbrekingen bedoeld bij artikel [5 16,22° en 24°]5, door de uitbetalingsinstelling of door de werkgever naar gelang de werknemer een uitkering geniet of niet;]2
§ 2. De stukken tot staving van de andere bij artikel 16 bedoelde dagen arbeidsonderbreking ten gevolge van :
1° het vervullen van burgerplichten zonder behoud van loon;
2° het vervullen van een openbaar mandaat;
3° de uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
4° het vervullen van een syndicale opdracht;
5° de deelneming aan cursussen, stages of studiedagen gewijd aan sociale promotie;
6° een lock-out;
worden door de werkgever bewaard tot 31 december van het vierde jaar dat volgt op het jaar waarin de vakantie moet verleend worden; de werkgever bezorgt de stukken aan de vakantiefondsen zo zij het vragen.
§ 3. Behoudens de door de Minister van Sociale Zaken, na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie toegestane afwijking, vermelden de werkgevers op de kwartaalstaat, naast het aangegeven cijfer van de gelijkgestelde dagen ook de reden van de afwezigheid op het werk.
Änderungen
Art.21. <AR 2004-06-22/31, art. 4, 039; En vigueur : 01-01-2003; voir aussi AR 2004-06-22/31, art. 25, premier tiret> § 1er. Les documents justificatifs sont envoyés d'office à la caisse de vacances compétente lorsqu'il s'agit :
1° d'accident du travail, par l'organisme assureur ou par l'employeur, selon qu'il y a assurance ou non;
2° de maladie professionnelle, par [4 Fedris]4;
3° de repos de maternité ou de congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non;
4° d'accidents ou de maladies non visés au § 1er, 1° et 2°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non;
5° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 5°, par l'autorité compétente et à défaut, par l'administration communale;
6° d'interruption de travail, visée à l'article 16, 13°, par l'organisme de paiement;
7° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 15° [3 , 16° et 23°]3, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non;
8° de grève, par le secrétariat de l'organisation syndicale interprofessionnelle qui a donné son accord ou son appui à la grève;
9° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 18° (et 19°), par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non. <AR 2006-02-14/39, art. 4, 041; En vigueur : 25-07-2004>
[1 10° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 20°, par l'employeur pour les périodes d'adaptation temporaire de la durée du travail de crise prévues à l'article 353bis /3 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
11° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 21°, par l'Office national de l'emploi pour les périodes de réduction des prestations de travail d'un 1/5e ou d'un 1/2 visées à l'article 15 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;]1
[2 12° d'interruptions de travail visées à l'article [5 16,22° et 24°]5, par l'organisme de paiement ou par l'employeur selon que le travailleur est indemnisé ou non;]2
§ 2. Les documents justificatifs des autres journées d'interruption de travail visées à l'article 16 suite à :
1° l'accomplissement de devoirs civiques, sans maintien de la rémunération;
2° l'accomplissement d'un mandat public;
3° l'exercice de la fonction de juge social;
4° l'accomplissement d'une mission syndicale;
5° la participation à des cours, stages ou à des journées d'études consacrés à la promotion sociale;
6° un lock-out;
sont conservés par l'employeur jusqu'au 31 décembre de la quatrième année qui suit celle au cours de laquelle les vacances doivent être accordées; l'employeur communique les pièces aux caisses de vacances lorsqu'elles en font la demande.
§ 3. Sauf dérogation accordée par le Ministre des Affaires sociales après avis du Comité de gestion de l'Office national des vacances annuelles, les employeurs mentionnent, à côté du nombre de jours assimilés, au relevé trimestriel la raison de l'absence au travail.
1° d'accident du travail, par l'organisme assureur ou par l'employeur, selon qu'il y a assurance ou non;
2° de maladie professionnelle, par [4 Fedris]4;
3° de repos de maternité ou de congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non;
4° d'accidents ou de maladies non visés au § 1er, 1° et 2°, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non;
5° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 5°, par l'autorité compétente et à défaut, par l'administration communale;
6° d'interruption de travail, visée à l'article 16, 13°, par l'organisme de paiement;
7° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 15° [3 , 16° et 23°]3, par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non;
8° de grève, par le secrétariat de l'organisation syndicale interprofessionnelle qui a donné son accord ou son appui à la grève;
9° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 18° (et 19°), par l'organisme assureur ou par l'employeur selon qu'il y a assujettissement ou non. <AR 2006-02-14/39, art. 4, 041; En vigueur : 25-07-2004>
[1 10° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 20°, par l'employeur pour les périodes d'adaptation temporaire de la durée du travail de crise prévues à l'article 353bis /3 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
11° d'interruptions de travail visées à l'article 16, 21°, par l'Office national de l'emploi pour les périodes de réduction des prestations de travail d'un 1/5e ou d'un 1/2 visées à l'article 15 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;]1
[2 12° d'interruptions de travail visées à l'article [5 16,22° et 24°]5, par l'organisme de paiement ou par l'employeur selon que le travailleur est indemnisé ou non;]2
§ 2. Les documents justificatifs des autres journées d'interruption de travail visées à l'article 16 suite à :
1° l'accomplissement de devoirs civiques, sans maintien de la rémunération;
2° l'accomplissement d'un mandat public;
3° l'exercice de la fonction de juge social;
4° l'accomplissement d'une mission syndicale;
5° la participation à des cours, stages ou à des journées d'études consacrés à la promotion sociale;
6° un lock-out;
sont conservés par l'employeur jusqu'au 31 décembre de la quatrième année qui suit celle au cours de laquelle les vacances doivent être accordées; l'employeur communique les pièces aux caisses de vacances lorsqu'elles en font la demande.
§ 3. Sauf dérogation accordée par le Ministre des Affaires sociales après avis du Comité de gestion de l'Office national des vacances annuelles, les employeurs mentionnent, à côté du nombre de jours assimilés, au relevé trimestriel la raison de l'absence au travail.
Änderungen
Art.22. Het vakantiegeld wordt uitgekeerd door toedoen van het vakantiefonds waarbij de werkgever is aangesloten voor het betrokken vakantiedienstjaar.
Art.22. Le pécule de vacances est payé par l'intermédiaire de la caisse de vacances à laquelle l'employeur est affilié pour l'exercice de vacances en cause.
Art.23. <KB 22-6-1979, art. 1> § 1. (Het vakantiegeld wordt aan de arbeider uitgekeerd op het ogenblik dat hij zijn vakantie neemt en, in geval van splitsing van de vakantie naar aanleiding van zijn hoofdvakantie en, dit ten vroegste op 2 mei van het vakantiejaar.) <KB 1997-04-23/50, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
De werkgever moet de datum van de vakantie, of eventueel van de hoofdvakantie, ten minste zes weken voor het met vakantie gaan mededelen aan het vakantiefonds.
§ 2. In afwijking van § 1, zal in de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité van diamantnijverheid en handel het vakantiegeld ter dekking van de vierde vakantieweek aan de handarbeiders worden uitgekeerd op het tijdstip dat deze vakantie genomen wordt.
§ 3. [1 Onverminderd de bijzondere regelen waarin kan worden voorzien door de organieke besluiten der bijzondere vakantiefondsen, wordt het vakantiegeld aan de werknemer via overschrijving uitbetaald.
In afwijking van het eerste lid kan op aanvraag van de werknemer, ingediend met een gewone brief, de betaling ook gebeuren per circulaire cheque of door middel van elk ander internationaal betaalmiddel.
De eventuele uitgiftekosten zijn ten laste van de werknemer.]1
(§ 4. De verplichte vermeldingen die moeten voorkomen in de mededelingszone van de betalingsorders van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie en de bijzondere vakantiefondsen zijn de naam en voornaam van de rechthebbende, de aard en de periode waarop de betaling betrekking heeft, evenals het referentienummer.) <KB 1997-11-24/48, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
De werkgever moet de datum van de vakantie, of eventueel van de hoofdvakantie, ten minste zes weken voor het met vakantie gaan mededelen aan het vakantiefonds.
§ 2. In afwijking van § 1, zal in de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité van diamantnijverheid en handel het vakantiegeld ter dekking van de vierde vakantieweek aan de handarbeiders worden uitgekeerd op het tijdstip dat deze vakantie genomen wordt.
§ 3. [1 Onverminderd de bijzondere regelen waarin kan worden voorzien door de organieke besluiten der bijzondere vakantiefondsen, wordt het vakantiegeld aan de werknemer via overschrijving uitbetaald.
In afwijking van het eerste lid kan op aanvraag van de werknemer, ingediend met een gewone brief, de betaling ook gebeuren per circulaire cheque of door middel van elk ander internationaal betaalmiddel.
De eventuele uitgiftekosten zijn ten laste van de werknemer.]1
(§ 4. De verplichte vermeldingen die moeten voorkomen in de mededelingszone van de betalingsorders van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie en de bijzondere vakantiefondsen zijn de naam en voornaam van de rechthebbende, de aard en de periode waarop de betaling betrekking heeft, evenals het referentienummer.) <KB 1997-11-24/48, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art.23. <AR 22-6-1979, art. 1> § 1. (Le pécule de vacances est payé au travailleur au moment où il prend ses vacances et, en cas de vacances fractionnées, à l'occasion de ses vacances principales, et ceci au plus tôt le 2 mai de l'année de vacances.) <AR 1997-04-23/50, art. 1, 021; En vigueur : 01-01-1997>
La date des vacances, ou éventuellement, la date des vacances principales doit être communiquée par l'employeur, à la caisse de vacances au moins six semaines avant le départ en congé.
§ 2. Par dérogation au § 1er, dans les entreprises ressortissant à la commission paritaire de l'industrie et du commerce du diamant, le pécule de vacances afférent à la quatrième semaine de vacances est payé aux travailleurs à l'époque de celle-ci.
§ 3. [1 Sans préjudice des règles particulières qui peuvent être prévues dans les arrêtés organiques des caisses spéciales de vacances, le pécule de vacances est payé au travailleur salarié par virement.
Par dérogation à l'alinéa 1er, et sur demande du travailleur introduite par simple courrier, le paiement peut s'effectuer par chèque circulaire ou tout autre moyen de paiement international.
Les frais éventuels d'émission sont à charge du travailleur.]1
(§ 4. Les mentions obligatoires devant figurer dans la zone de communication des ordres de paiement des pécules de vacances à charge de l'Office national des Vacances annuelles et des caisses spéciales de vacances sont les nom et prénom du bénéficiaire, la mention de la nature et de la période afférentes au paiement, ainsi que le numéro de référence.) <AR 1997-11-24/48, art. 1, 022; En vigueur : 01-01-1997>
La date des vacances, ou éventuellement, la date des vacances principales doit être communiquée par l'employeur, à la caisse de vacances au moins six semaines avant le départ en congé.
§ 2. Par dérogation au § 1er, dans les entreprises ressortissant à la commission paritaire de l'industrie et du commerce du diamant, le pécule de vacances afférent à la quatrième semaine de vacances est payé aux travailleurs à l'époque de celle-ci.
§ 3. [1 Sans préjudice des règles particulières qui peuvent être prévues dans les arrêtés organiques des caisses spéciales de vacances, le pécule de vacances est payé au travailleur salarié par virement.
Par dérogation à l'alinéa 1er, et sur demande du travailleur introduite par simple courrier, le paiement peut s'effectuer par chèque circulaire ou tout autre moyen de paiement international.
Les frais éventuels d'émission sont à charge du travailleur.]1
(§ 4. Les mentions obligatoires devant figurer dans la zone de communication des ordres de paiement des pécules de vacances à charge de l'Office national des Vacances annuelles et des caisses spéciales de vacances sont les nom et prénom du bénéficiaire, la mention de la nature et de la période afférentes au paiement, ainsi que le numéro de référence.) <AR 1997-11-24/48, art. 1, 022; En vigueur : 01-01-1997>
Änderungen
Art.24. <KB 2003-11-09/35, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2004> In geval van overlijden van de gerechtigde op een vakantiegeld voor arbeider of leerling-arbeider wordt het verschuldigde vakantiegeld uitbetaald in volgende orde :
1° aan de echtgenoot met wie de arbeider of de leerling-arbeider samenleefde op het ogenblik van zijn overlijden;
2° aan de kinderen met wie de arbeider of de leerling-arbeider samenleefde op het ogenblik van zijn overlijden;
3° aan ieder persoon met wie de arbeider of leerling-arbeider samenleefde op het ogenblik van zijn overlijden;
4° aan de persoon die in de verplegingskosten tussengekomen is, beperkt tot het bedrag van de werkelijk gedragen kosten;
5° aan de persoon die de begrafeniskosten heeft betaald, beperkt tot het bedrag van de werkelijk gedragen kosten.
Het verschuldigd vakantiegeld wordt van ambtswege aan de in het eerste lid, 1°, beoogde rechthebbende en, bij ontstentenis van deze, aan de in het eerste lid, 2°, beoogde rechthebbenden uitbetaald. Het bewijs wordt, wat de voorwaarde van samenleving betreft, gehaald uit de informatiegegevens die in het Rijksregister opgenomen en bewaard worden krachtens artikel 3, eerste lid, 5° van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, behoudens de gevallen waarin uit andere hiertoe aangevoerde bewijsmiddelen blijkt dat de in aanmerking te nemen toestand niet of niet langer meer overeenstemt met voornoemde vermeldingen in het Rijksregister.
De overige hierboven vermelde rechthebbenden die dit vakantiegeld te hunnen voordele wensen te bekomen, richten een aanvraag rechtstreeks tot de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of het bevoegd Bijzonder vakantiefonds. De aanvraag, gedateerd en ondertekend, wordt opgemaakt op een formulier conform het door het Beheerscomité van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie, goedgekeurd model. De burgemeester van de gemeente waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats had of de burgemeester van de gemeente waar de overledene samenleefde met één der in het eerste lid, 3°, bedoelde personen bevestigt de juistheid van de op dit formulier vermelde gegevens en ondertekent dit mede. De personen bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°, kunnen de aanvraag laten ondertekenen door de burgemeester van hun hoofdverblijfplaats.
Op straffe van verval worden de aanvragen tot uitbetaling van het vakantiegeld ingediend binnen een termijn van één jaar. Die termijn gaat in op de dag van het overlijden van de gerechtigde of op de dag van de verzending van de kennisgeving van de beslissing indien dit plaats had na het overlijden.
Wanneer de kennisgeving aan de afzender teruggezonden wordt wegens het overlijden van de gerechtigde, wordt bij ontstentenis van de in het eerste lid, 1° en 2° bedoelde personen, een nieuwe kennisgeving gezonden aan de burgemeester van de gemeente waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats had. De burgemeester bezorgt die kennisgeving aan de persoon die, krachtens het eerste lid, voor de uitbetaling van dit vakantiegeld in aanmerking komt.
1° aan de echtgenoot met wie de arbeider of de leerling-arbeider samenleefde op het ogenblik van zijn overlijden;
2° aan de kinderen met wie de arbeider of de leerling-arbeider samenleefde op het ogenblik van zijn overlijden;
3° aan ieder persoon met wie de arbeider of leerling-arbeider samenleefde op het ogenblik van zijn overlijden;
4° aan de persoon die in de verplegingskosten tussengekomen is, beperkt tot het bedrag van de werkelijk gedragen kosten;
5° aan de persoon die de begrafeniskosten heeft betaald, beperkt tot het bedrag van de werkelijk gedragen kosten.
Het verschuldigd vakantiegeld wordt van ambtswege aan de in het eerste lid, 1°, beoogde rechthebbende en, bij ontstentenis van deze, aan de in het eerste lid, 2°, beoogde rechthebbenden uitbetaald. Het bewijs wordt, wat de voorwaarde van samenleving betreft, gehaald uit de informatiegegevens die in het Rijksregister opgenomen en bewaard worden krachtens artikel 3, eerste lid, 5° van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, behoudens de gevallen waarin uit andere hiertoe aangevoerde bewijsmiddelen blijkt dat de in aanmerking te nemen toestand niet of niet langer meer overeenstemt met voornoemde vermeldingen in het Rijksregister.
De overige hierboven vermelde rechthebbenden die dit vakantiegeld te hunnen voordele wensen te bekomen, richten een aanvraag rechtstreeks tot de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of het bevoegd Bijzonder vakantiefonds. De aanvraag, gedateerd en ondertekend, wordt opgemaakt op een formulier conform het door het Beheerscomité van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie, goedgekeurd model. De burgemeester van de gemeente waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats had of de burgemeester van de gemeente waar de overledene samenleefde met één der in het eerste lid, 3°, bedoelde personen bevestigt de juistheid van de op dit formulier vermelde gegevens en ondertekent dit mede. De personen bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°, kunnen de aanvraag laten ondertekenen door de burgemeester van hun hoofdverblijfplaats.
Op straffe van verval worden de aanvragen tot uitbetaling van het vakantiegeld ingediend binnen een termijn van één jaar. Die termijn gaat in op de dag van het overlijden van de gerechtigde of op de dag van de verzending van de kennisgeving van de beslissing indien dit plaats had na het overlijden.
Wanneer de kennisgeving aan de afzender teruggezonden wordt wegens het overlijden van de gerechtigde, wordt bij ontstentenis van de in het eerste lid, 1° en 2° bedoelde personen, een nieuwe kennisgeving gezonden aan de burgemeester van de gemeente waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats had. De burgemeester bezorgt die kennisgeving aan de persoon die, krachtens het eerste lid, voor de uitbetaling van dit vakantiegeld in aanmerking komt.
Art.24. <AR 2003-11-09/35, art. 1, 036; En vigueur : 01-01-2004> En cas de décès du bénéficiaire d'un pécule de vacances pour ouvrier ou apprenti-ouvrier, le pécule de vacances dû est payé dans l'ordre suivant :
1° au conjoint avec lequel l'ouvrier ou l'apprenti-ouvrier vivait au moment de son décès;
2° aux enfants avec lesquels l'ouvrier ou l'apprenti-ouvrier vivait au moment de son décès;
3° à toute personne avec qui l'ouvrier ou l'apprenti-ouvrier vivait au moment de son décès;
4° à la personne qui est intervenue dans les frais d'hospitalisation, à concurrence du montant des frais réellement supportés;
5° à la personne qui a acquitté les frais funéraires, à concurrence du montant des frais réellement supportés.
Le pécule de vacances dû est versé d'office à l'ayant droit visé à l'alinéa 1er, 1°, et, à défaut, aux ayants droit visés à l'alinéa 1er, 2°. La preuve relative à la condition de cohabitation est tirée des informations enregistrées et conservées dans le Registre national en vertu de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, sauf dans les cas où il ressort d'autres éléments produits à cet effet que la situation à prendre en considération ne correspond pas ou plus aux mentions précitées figurant dans le Registre national.
Les autres ayants droit mentionnés ci-dessus, qui désirent obtenir la liquidation de ce pécule de vacances à leur profit, adressent une demande directement à l'Office national des vacances annuelles ou à la Caisse spéciale de vacances compétente. La demande en question, datée et signée, est établie sur un formulaire conforme au modèle approuvé par le Comité de gestion de l'Office national des vacances annuelles. Le bourgmestre de la commune où le défunt avait sa résidence principale ou le bourgmestre de la commune où le défunt cohabitait avec une des personnes visées à l'alinéa 1er, 3°, confirme le caractère exact des éléments indiqués sur ledit formulaire et il le cosigne. Les personnes visées à l'alinéa 1er, 4° et 5°, peuvent faire signer la demande par le bourgmestre de leur résidence principale.
Sous peine de caducité, les demandes de paiement du pécule de vacances sont introduites dans un délai d'un an. Le délai en question prend cours à la date du décès de l'ayant droit ou à la date de l'envoi de la notification de la décision, si celle-ci était postérieure au décès.
Lorsque la notification est renvoyée à l'expéditeur en raison du décès de l'ayant droit, une nouvelle notification est envoyée au bourgmestre de la commune où le défunt avait sa résidence principale, ceci à défaut des personnes visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°. Le bourgmestre fait parvenir cette notification à la personne qui, en vertu de l'alinéa 1er, entre en ligne de compte pour le paiement de ce pécule de vacances.
1° au conjoint avec lequel l'ouvrier ou l'apprenti-ouvrier vivait au moment de son décès;
2° aux enfants avec lesquels l'ouvrier ou l'apprenti-ouvrier vivait au moment de son décès;
3° à toute personne avec qui l'ouvrier ou l'apprenti-ouvrier vivait au moment de son décès;
4° à la personne qui est intervenue dans les frais d'hospitalisation, à concurrence du montant des frais réellement supportés;
5° à la personne qui a acquitté les frais funéraires, à concurrence du montant des frais réellement supportés.
Le pécule de vacances dû est versé d'office à l'ayant droit visé à l'alinéa 1er, 1°, et, à défaut, aux ayants droit visés à l'alinéa 1er, 2°. La preuve relative à la condition de cohabitation est tirée des informations enregistrées et conservées dans le Registre national en vertu de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, sauf dans les cas où il ressort d'autres éléments produits à cet effet que la situation à prendre en considération ne correspond pas ou plus aux mentions précitées figurant dans le Registre national.
Les autres ayants droit mentionnés ci-dessus, qui désirent obtenir la liquidation de ce pécule de vacances à leur profit, adressent une demande directement à l'Office national des vacances annuelles ou à la Caisse spéciale de vacances compétente. La demande en question, datée et signée, est établie sur un formulaire conforme au modèle approuvé par le Comité de gestion de l'Office national des vacances annuelles. Le bourgmestre de la commune où le défunt avait sa résidence principale ou le bourgmestre de la commune où le défunt cohabitait avec une des personnes visées à l'alinéa 1er, 3°, confirme le caractère exact des éléments indiqués sur ledit formulaire et il le cosigne. Les personnes visées à l'alinéa 1er, 4° et 5°, peuvent faire signer la demande par le bourgmestre de leur résidence principale.
Sous peine de caducité, les demandes de paiement du pécule de vacances sont introduites dans un délai d'un an. Le délai en question prend cours à la date du décès de l'ayant droit ou à la date de l'envoi de la notification de la décision, si celle-ci était postérieure au décès.
Lorsque la notification est renvoyée à l'expéditeur en raison du décès de l'ayant droit, une nouvelle notification est envoyée au bourgmestre de la commune où le défunt avait sa résidence principale, ceci à défaut des personnes visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°. Le bourgmestre fait parvenir cette notification à la personne qui, en vertu de l'alinéa 1er, entre en ligne de compte pour le paiement de ce pécule de vacances.
Afdeling II- Aanvullende vakantie voor jeugdige arbeiders.
Section II- Vacances supplémentaires des jeunes travailleurs.
Art.25. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
(NOTA : de wijziging van dit artikel door KB 2001-06-10/60, art. 18, is niet kunnen verwerkt worden ; de wetgever heeft geen rekening gehouden met de laatste wijziging aangebracht door KB 2001-06-13/32 : zie de gearchiveerde versie nr. 031. Art. 18 van KB 2001-06-10/60 werd trouwens bij KB 2003-03-12/42, art. 1, ingetrokken.)
(NOTA : de wijziging van dit artikel door KB 2001-06-10/60, art. 18, is niet kunnen verwerkt worden ; de wetgever heeft geen rekening gehouden met de laatste wijziging aangebracht door KB 2001-06-13/32 : zie de gearchiveerde versie nr. 031. Art. 18 van KB 2001-06-10/60 werd trouwens bij KB 2003-03-12/42, art. 1, ingetrokken.)
Art.25. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
(NOTE : une modification de cet article par AR 2001-06-10/32, art. 18, avec effet au 01-01-2003, n'a pu être exécutée, le présent article 25 ayant été abrogé par AR 2001-06-13/60, art. 10, avec effet au 01-01-2001. L'art. 18 de l'AR 2001-06-10/60 a d'ailleurs été rapporté par AR 2003-03-12/42, art. 1.)
(NOTE : une modification de cet article par AR 2001-06-10/32, art. 18, avec effet au 01-01-2003, n'a pu être exécutée, le présent article 25 ayant été abrogé par AR 2001-06-13/60, art. 10, avec effet au 01-01-2001. L'art. 18 de l'AR 2001-06-10/60 a d'ailleurs été rapporté par AR 2003-03-12/42, art. 1.)
Art.26. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.26. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.27. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.27. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.28. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.28. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.29. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.29. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.30. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.30. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.31. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.31. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.32. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.32. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Afdeling III- Bijzondere bepalingen betreffende de uitbetaling en de terugvordering van het vakantiegeld der arbeiders en leerling-arbeiders.
Section III- Dispositions particulières relatives au paiement et à la récupération du pécule de vacances des ouvriers et des apprentis ouvriers.
Art.33. <KB 1999-03-01/45, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2000> Het nettovakantiegeld dat, per dienstjaar en per Vakantiefonds, minder dan (10,00 EUR) bedraagt is niet verschuldigd. <KB 2006-06-10/63, art. 1, 042; Inwerkingtreding : 01-08-2006>
Het saldo dat, ten gevolge van een wijziging aan de vakantierekening van een arbeider, na een eerste betaling verschuldigd is, zal niet uitbetaald worden indien het, per Vakantiefonds en per dienstjaar, niet ten minste netto (10,00 EUR) bedraagt. <KB 2006-06-10/63, art. 1, 042; Inwerkingtreding : 01-08-2006>
Het saldo dat, ten gevolge van een wijziging aan de vakantierekening van een arbeider, na een eerste betaling verschuldigd is, zal niet uitbetaald worden indien het, per Vakantiefonds en per dienstjaar, niet ten minste netto (10,00 EUR) bedraagt. <KB 2006-06-10/63, art. 1, 042; Inwerkingtreding : 01-08-2006>
Art.33. <AR 1999-03-01/45, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-2000> Les pécules de vacances inférieurs, par exercice et par Caisse de vacances, au montant net de (10,00 EUR) ne sont pas dus. <AR 2006-06-10/63, art. 1, 042; En vigueur : 01-08-2006>
Tout reliquat restant dû par suite de modification au compte de vacances d'un travailleur après un premier paiement ne donnera pas lieu à paiement si, par Caisse de vacances, il n'atteint pas un montant de (10,00 EUR) net au moins par exercice. <AR 2006-06-10/63, art. 1, 042; En vigueur : 01-08-2006>
Tout reliquat restant dû par suite de modification au compte de vacances d'un travailleur après un premier paiement ne donnera pas lieu à paiement si, par Caisse de vacances, il n'atteint pas un montant de (10,00 EUR) net au moins par exercice. <AR 2006-06-10/63, art. 1, 042; En vigueur : 01-08-2006>
Art.34. In de gevallen waar de invordering van het ten onrechte uitbetaald vakantiegeld te twijfelachtig, te kostelijk of niet verantwoord is, mag het beheerscomité van de (Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie) voor het geheel der vakantiefondsen afzien van de terugvordering van dit vakantiegeld binnen de voorgeschreven grenzen bij een door haar vastgesteld reglement en door de Minister van Sociale Voorzorg goedgekeurd. <KB 20-7-1970, art. 19>
De vakantiegelden die uit dien hoofde niet zullen teruggevorderd worden, worden opgenomen op het debet van de verlies- en winstberekening van elk betrokken vakantiefonds.
De vakantiegelden die uit dien hoofde niet zullen teruggevorderd worden, worden opgenomen op het debet van de verlies- en winstberekening van elk betrokken vakantiefonds.
Art.34. Dans les cas où le recouvrement des pécules payés indûment s'avère trop aléatoire, trop onéreux ou inopportun, le comité de gestion de l'(Office national des vacances annuelles) peut renoncer pour l'ensemble des caisses de vacances, à la récupération de ces pécules dans les limites déterminées par un règlement établi par lui et approuvé par le Ministre de la Prévoyance sociale. <AR 20-7-1970, art. 19>
Les pécules de vacances qui, de ce chef, n'auront pas été récupérés, sont imputés au débit du compte des pertes et profits de chaque caisse de vacances intéressée.
Les pécules de vacances qui, de ce chef, n'auront pas été récupérés, sont imputés au débit du compte des pertes et profits de chaque caisse de vacances intéressée.
HOOFDSTUK III_ Duur van het verlof.
CHAPITRE III_ Durée des vacances.
Afdeling I_ Gewone vakantie.
Section Ière_ Vacances ordinaires.
Art. 35. <KB 2004-05-05/31, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2003> § 1. [1 De wettelijke vakantieduur van een werknemer wordt als volgt bepaald :
Totaal aantal normale werkelijke arbeidsdagen en gelijkgestelde inactiviteitsdagen
Aantal wettelijke vakantiedagen (standaard uitgedrukt in dagen in het voltijdse 5 dagen-weekstelsel)
Totaal aantal normale werkelijke arbeidsdagen en gelijkgestelde inactiviteitsdagen
Aantal wettelijke vakantiedagen (standaard uitgedrukt in dagen in het voltijdse 5 dagen-weekstelsel)
Art. 35. <AR 2004-05-05/31, art. 1, 038; En vigueur : 01-01-2003> § 1er. [1 La durée des vacances légales d'un travailleur est déterminée comme suit :
Nombre total de jours de travail effectif normal et de jours d'inactivité assimilés
Nombre de jours de vacances légales (exprimé en jours dans le standard d'un régime de travail de 5 jours par semaine à temps plein)
Nombre total de jours de travail effectif normal et de jours d'inactivité assimilés
Nombre de jours de vacances légales (exprimé en jours dans le standard d'un régime de travail de 5 jours par semaine à temps plein)
| 231 en meer | 20 |
| van 221 tot 230 | 19 |
| van 212 tot 220 | 18 |
| van 202 tot 211 | 17 |
| van 192 tot 201 | 16 |
| van 182 tot 191 | 15 |
| van 163 tot 181 | 14 |
| van 154 tot 162 | 13 |
| van 144 tot 153 | 12 |
| van 135 tot 143 | 11 |
| van 125 tot 134 | 10 |
| van 106 tot 124 | 9 |
| van 97 tot 105 | 8 |
| van 87 tot 96 | 7 |
| van 77 tot 86 | 6 |
| van 64 tot 76 | 5 |
| van 48 tot 63 | 4 |
| van 39 tot 47 | 3 |
| van 20 tot 38 | 2 |
| van 10 tot 19 | 1 |
| van 0 tot 9 | 0 |
]1
Het totaal aantal normale werkelijke arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen, bedoeld in artikel 36, wordt bepaald door de som van de dagen in elke tewerkstellingssituatie tijdens het vakantiedienstjaar, en omgezet in het standaardarbeidsstelsel van vijf dagen per week, vermenigvuldigd met de tewerkstellingsbreuk van de werknemer, volgens volgende formule :
A x 5/R x Q/S
*A : totaal aantal dagen omschreven in artikel 36 voor de in overweging genomen tewerkstellingssituatie;
*R : gemiddeld aantal dagen per week waarin de werknemer geacht wordt te werken op basis van zijn contract;
*Q : gemiddeld aantal uren per week waarin de werknemer geacht wordt te werken op basis van zijn contract;
*S : gemiddeld aantal uren per week waarin de voltijdse maatman van de werknemer geacht wordt te werken.
De resultaten van de verschillende tewerkstellingssituaties van een vakantiedienstjaar, uitgedrukt in dagen met twee decimalen, worden opgeteld.
Indien een werknemer tijdens éénzelfde vakantiedienstjaar volgens verschillende arbeidsstelsels tewerkgesteld werd, dan wordt enkel het eindresultaat afgerond. In zo'n geval zal er geen rekening gehouden worden met kleinere decimalen dan vijftig. In geval van decimalen, hoger dan of gelijk aan vijftig, zullen ze op basis van de hogere eenheid afgerond worden.
§ 2. De wettelijke vakantie mag geen vier weken overstijgen [2 , behalve in de gevallen van de overdracht voorzien bij artikel 64, 1°/1.]2.
Änderungen
| 231 et plus | 20 |
| de 221 à 230 | 19 |
| de 212 à 220 | 18 |
| de 202 à 211 | 17 |
| de 192 à 201 | 16 |
| de 182 à 191 | 15 |
| de 163 à 181 | 14 |
| de 154 à 162 | 13 |
| de 144 à 153 | 12 |
| de 135 à 143 | 11 |
| de 125 à 134 | 10 |
| de 106 à 124 | 9 |
| de 97 à 105 | 8 |
| de 87 à 96 | 7 |
| de 77 à 86 | 6 |
| de 64 à 76 | 5 |
| de 48 à 63 | 4 |
| de 39 à 47 | 3 |
| de 20 à 38 | 2 |
| de 10 à 19 | 1 |
| de 0 à 9 | 0 |
]1
Le nombre total de jours de travail effectif normal et de jours assimilés, visés à l'article 36, est déterminé par la somme des jours de chaque situation d'occupation de l'exercice de vacances, convertie dans le régime standard de travail de 5 jours par semaine, multipliée par la fraction d'occupation du travailleur, suivant la formule suivante :
A x 5/R x Q/S
*A : nombre total de jours visés à l'article 36 pour la situation d'occupation envisagée;
*R : nombre moyen de jours par semaine à accomplir par le travailleur en vertu de son contrat;
*Q : nombre moyen d'heures par semaine à accomplir par le travailleur en vertu de son contrat;
*S : nombre moyen d'heures par semaine pendant lesquelles la personne de référence est censée effectuer un travail.
Les résultats des différentes situations d'occupation d'un exercice de vacances, exprimés en jours avec deux décimales, sont additionnés.
Si, pendant un même exercice de vacances, un travailleur a été occupé selon différents régimes de travail, seul le résultat final est arrondi. Dans ce cas, il ne sera pas tenu compte des décimales inférieures à cinquante. Dans le cas de décimales supérieures ou égales à cinquante, elles seront arrondies à l'unité supérieure.
§ 2. Les vacances légales ne peuvent excéder quatre semaines [2 , sauf dans les cas du report prévu à l'article 64, 1°/1.]2.
Änderungen
Art.36. <KB 2003-03-12/42, art. 8, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Voor de berekening van de duur van de vakantie, worden met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgesteld, de dagen van arbeidsonderbreking die voor de berekening van het vakantiegeld in aanmerking komen krachtens de artikelen 16 tot 19, de andere dagen afwezigheid waarvoor een loon verschuldigd is dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de bijdragen voor de wettelijke vakantie en de dagen wettelijke vakantie, vakantie krachtens een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, de bijkomende vakantie (, de dagen inhaalrust in de sector bouwbedrijf en de dagen inhaalrust in het kader van arbeidsduurvermindering). <KB 2004-06-22/31, art. 5, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2003; zie ook KB 2004-06-22/31, art. 25, eerste streepje>
Art.36. <AR 2003-03-12/42, art. 8, 034; En vigueur : 01-01-2003> Pour le calcul de la durée des vacances, sont assimilées à des jours de travail effectif normal, les journées d'interruption de travail prises en considération pour le calcul du pécule de vacances en application des articles 16 à 19, les autres jours d'absence couverts par une rémunération prise en considération pour le calcul de la cotisation pour les vacances légales, ainsi que les jours de vacances légales, les vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire, les vacances complémentaires (, les jours de repos compensatoire dans le secteur de la construction et les jours de repos compensatoire dans le cadre d'une réduction du temps de travail). <AR 2004-06-22/31, art. 5, 039; En vigueur : 01-01-2003; voir aussi AR 2004-06-22/31, art. 25, premier tiret>
Afdeling II- Aanvullende vakantie der jeugdige arbeiders.
Section II- Vacances supplémentaires des jeunes travailleurs.
Art.37. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.37. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
HOOFDSTUK IV. - Inzameling van de informatiegegevens.
CHAPITRE IV. - Collecte des informations.
Art. 37bis. <INGEVOEGD bij KB 1992-12-17/41, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-04-1993> De Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie en de bijzondere vakantiefondsen zijn gehouden zich tot het Rijksregister van de natuurlijke personen te richten om de informatiegegevens bedoeld bij artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen te bekomen of wanneer ze de juistheid van deze informatiegegevens nagaan.
Het beroep doen op een andere bron is slechts toegestaan in de mate dat de nodige informatiegegevens niet bij het Rijksregister kunnen bekomen worden.
Het beroep doen op een andere bron is slechts toegestaan in de mate dat de nodige informatiegegevens niet bij het Rijksregister kunnen bekomen worden.
Art. 37bis. L'Office national des vacances annuelles ainsi que les caisses spéciales de vacances sont tenus de s'adresser au Registre national des personnes physiques pour obtenir les informations visées à l'article 3, alinéas 1er et 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, ou lorsqu'ils vérifient l'exactitude de ces informations.
Le recours à une autre source n'est autorisé que dans la mesure où les informations nécessaires ne peuvent pas être obtenues auprès du Registre national.
Le recours à une autre source n'est autorisé que dans la mesure où les informations nécessaires ne peuvent pas être obtenues auprès du Registre national.
Art. 37ter. <INGEVOEGD bij KB 1992-12-17/41, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-04-1993> De informatiegegevens bedoeld bij artikel 37bis, verkregen bij het Rijksregister van de natuurlijke personen en opgetekend op een identificatiefiche toegevoegd aan het persoonlijk dossier of de individuele rekening van een werknemer, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
Deze identificatiefiche mag gedateerd en ondertekend worden om de herkomst van deze informatiegegevens en de datum van hun bewijskracht te waarmerken.
Wanneer het bevoegd orgaan van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of van het bijzonder vakantiefonds beslist om van deze mogelijkheid gebruik te maken, wijst het de personeelsleden aan die gemachtigd zijn tot het aanbrengen van deze waarmerking.
Wanneer het bewijs van het tegendeel, bedoeld in het eerste lid, aanvaard wordt door de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of het betrokken bijzonder vakantiefonds, delen deze de inhoud van het aldus aanvaarde informatiegegeven, ten titel van inlichting, mee aan het Rijksregister en voegen er de bewijsstukken bij.
Deze identificatiefiche mag gedateerd en ondertekend worden om de herkomst van deze informatiegegevens en de datum van hun bewijskracht te waarmerken.
Wanneer het bevoegd orgaan van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of van het bijzonder vakantiefonds beslist om van deze mogelijkheid gebruik te maken, wijst het de personeelsleden aan die gemachtigd zijn tot het aanbrengen van deze waarmerking.
Wanneer het bewijs van het tegendeel, bedoeld in het eerste lid, aanvaard wordt door de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of het betrokken bijzonder vakantiefonds, delen deze de inhoud van het aldus aanvaarde informatiegegeven, ten titel van inlichting, mee aan het Rijksregister en voegen er de bewijsstukken bij.
Art. 37ter. Les informations visées à l'article 37bis, obtenues auprès du Registre national des personnes physiques et consignées sur une fiche d'identification versée au dossier personnel ou au compte individuel d'un travailleur, font foi jusqu'à preuve du contraire.
Cette fiche d'identification peut être datée et signée pour certifier l'origine de ces informations et la date à laquelle elles font foi.
Lorsque l'organe compétent de l'Office national des vacances annuelles ou de la caisse spéciale de vacances décide de faire usage de cette faculté, celui-ci désigne les membres du personnel autorisés à procéder à cette certification.
Lorsque la preuve du contraire, visée à l'alinéa 1er, est acceptée par l'Office national des vacances annuelles ou par la caisse spéciale de vacances concernée, ceux-ci communiquent le contenu de l'information ainsi acceptée, à titre de renseignement, au Registre national en y joignant les documents justificatifs.
Cette fiche d'identification peut être datée et signée pour certifier l'origine de ces informations et la date à laquelle elles font foi.
Lorsque l'organe compétent de l'Office national des vacances annuelles ou de la caisse spéciale de vacances décide de faire usage de cette faculté, celui-ci désigne les membres du personnel autorisés à procéder à cette certification.
Lorsque la preuve du contraire, visée à l'alinéa 1er, est acceptée par l'Office national des vacances annuelles ou par la caisse spéciale de vacances concernée, ceux-ci communiquent le contenu de l'information ainsi acceptée, à titre de renseignement, au Registre national en y joignant les documents justificatifs.
Art. 37quater. <INGEVOEGD bij KB 1992-12-17/41, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-10-1993> In alle gevallen waarin overeenkomstig dit besluit het toezenden van stukken of het doen van betalingen op de hoofdverblijfplaats gebeuren, moet gebruik worden gemaakt van het informatiegegeven betreffende de hoofdverblijfplaats bedoeld bij artikel 3, eerste lid, 5°, van de hogergenoemde wet van 8 augustus 1983.
Van deze verplichting kan evenwel afgeweken worden op schriftelijk verzoek van de betrokkene, gericht, naargelang van het geval, aan de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of aan het betrokken bijzonder vakantiefonds.
Van deze verplichting kan evenwel afgeweken worden op schriftelijk verzoek van de betrokkene, gericht, naargelang van het geval, aan de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of aan het betrokken bijzonder vakantiefonds.
Art. 37quater. Dans tous les cas où en vertu du présent arrêté des documents sont envoyés ou des paiements sont effectués à la résidence principale, il est fait usage de l'information relative à la résidence principale visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 précitée.
Il peut toutefois être dérogé à cette obligation sur demande écrite de l'intéressé, adressée, selon le cas, à l'Office national des vacances annuelles ou à la caisse spéciale de vacances concernée.
Il peut toutefois être dérogé à cette obligation sur demande écrite de l'intéressé, adressée, selon le cas, à l'Office national des vacances annuelles ou à la caisse spéciale de vacances concernée.
HOOFDSTUK V. [1 Aanvullende vakantie]1
CHAPITRE V. [1 Vacances supplémentaires.]1
Afdeling 1. - [1 Aanvullend vakantiegeld.]1
Section. 1re [1 Pécule de vacances supplémentaires.]1
Art. 37quinquies. [1 Het bedrag van het aanvullend vakantiegeld van de werknemer is gelijk aan 7,69 pct. van de lonen van de periode die recht geeft op aanvullende vakantie gevraagd door de werknemer, eventueel vermeerderd met een fictief loon voor de met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde inactiviteitsdagen.]1
Art. 37quinquies. [1 Le montant du pécule de vacances supplémentaires du travailleur est égal à 7,69 p.c. des rémunérations de la période donnant droit aux vacances supplémentaires demandées par le travailleur, majorées éventuellement d'une rémunération fictive pour les jours d'inactivité assimilés à des jours de travail effectif normal.]1
Art. 37sexies. [1 Voor de berekening van het bedrag van het aanvullend vakantiegeld worden met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgesteld :
1° de dagen arbeidsonderbreking bedoeld in artikel 16 volgens de modaliteiten bedoeld in artikelen 17 tot en met 21;
2° de jaarlijkse vakantiedagen bedoeld in artikel 35 alsook de aanvullende vakantie.]1
1° de dagen arbeidsonderbreking bedoeld in artikel 16 volgens de modaliteiten bedoeld in artikelen 17 tot en met 21;
2° de jaarlijkse vakantiedagen bedoeld in artikel 35 alsook de aanvullende vakantie.]1
Art. 37sexies. [1 Pour le calcul du montant du pécule supplémentaire sont assimilées à des journées de travail effectif normal :
1° les journées d'interruption de travail visées à l'article 16, selon les modalités fixées aux articles 17 à 21 inclus;
2° les journées de vacances annuelles visées à l'article 35 ainsi que les vacances supplémentaires.]1
1° les journées d'interruption de travail visées à l'article 16, selon les modalités fixées aux articles 17 à 21 inclus;
2° les journées de vacances annuelles visées à l'article 35 ainsi que les vacances supplémentaires.]1
Art. 37septies. [1 Het aanvullend vakantiegeld wordt aan de werknemer uitbetaald ten laatste in de loop van het kwartaal volgend op het kwartaal tijdens hetwelk het recht op aanvullende vakantie werd uitgeoefend.]1
Art. 37septies. [1 Le pécule de vacances supplémentaires est payé au travailleur au plus tard dans le courant du trimestre suivant le trimestre au cours duquel le droit aux vacances supplémentaires a été exercé.]1
Art. 37octies. [1 Aanvullende vakantie wordt toegekend op basis van een formulier overhandigd door de werknemer aan de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of aan een bijzonder vakantiefonds. Dit gedateerd en ondertekend formulier wordt opgemaakt volgens een model goedgekeurd door het Beheerscomité van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie.]1
Art. 37octies. [1 Le bénéfice des vacances supplémentaires est octroyé sur base d'un formulaire remis par le travailleur à l'Office national des vacances annuelles ou à une caisse spéciale de vacances. Ce formulaire, daté et signé, est établi selon un modèle approuvé par le Comité de gestion de l'Office national des vacances annuelles.]1
Art. 37nonies. [1 Het aanvullend vakantiegeld komt in mindering van de uitbetaling van het vakantiegeld van het jaar volgend op het opnemen van deze aanvullende vakantie, ten belope van maximum 50 pct. van het bedrag bedoeld in artikel 14.]1
Art. 37novies. [1 La déduction du pécule de vacances supplémentaires se fait sur le paiement du pécule de l'année qui suit la prise de ces vacances supplémentaires, à concurrence maximum de 50 p.c. du montant visé à l'article 14.]1
Art. 37decies. [1 Artikelen 22, 23, § 3 en § 4, 24, 33 en 34 zijn van toepassing op aanvullende vakantie.]1
Art. 37decies. [1 Les articles 22, 23, § 3 et § 4, 24, 33 et 34 s'appliquent aux vacances supplémentaires.]1
Afdeling 2. [1 Duur van de aanvullende vakantie.]1
Section 2. [1 Durée des vacances supplémentaires.]1
Art. 37undecies. [1 De duur van de aanvullende vakantie van een werknemer wordt bepaald overeenkomstig artikel 35, verminderd met de vakantiedagen bedoeld in artikel 3.]1
Art. 37undecies. [1 La durée des vacances supplémentaires d'un travailleur est déterminée conformément à l'article 35, diminuée des jours de vacances visés à l'article 3.]1
Art. 37duodecies. [1 Voor de berekening van de duur van de aanvullende vakantie worden als arbeidsdagen beschouwd :
Art. 37duodecies. [1 Pour le calcul de la durée des vacances supplémentaires sont considérées comme des journées de travail :
TITEL III- BEDIENDEN EN LEERLING-BEDIENDEN.
TITRE III_ EMPLOYES ET APPRENTIS EMPLOYES.
HOOFDSTUK I- Vakantiegeld.
CHAPITRE Ier- Pécule de vacances.
Afdeling I- Gewone vakantie.
Section Ière- Vacances ordinaires.
Art.38. De werkgever betaalt aan de bediende (en aan de leerling-bediende) die vakantie neemt : <KB 1995-05-15/48, art. 4, 019; Inwerkingtreding : 10-12-1995>
1° de normale bezoldiging in overeenkomst met de vakantiedagen;
2° per maand in de loop van het vakantiedienstjaar gepresteerde of daarmede gelijkgestelde dienst, een toeslag die gelijk is aan (1/12 van 92 pct.) van de brutowedde der maand waarin de vakantie ingaat. <KB 2001-06-13/32, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
1° de normale bezoldiging in overeenkomst met de vakantiedagen;
2° per maand in de loop van het vakantiedienstjaar gepresteerde of daarmede gelijkgestelde dienst, een toeslag die gelijk is aan (1/12 van 92 pct.) van de brutowedde der maand waarin de vakantie ingaat. <KB 2001-06-13/32, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.38. L'employeur paie à l'employé (et à l'apprenti employé) qui prend ses vacances : <AR 1995-05-15/48, art. 4, 019; En vigueur : 10-12-1995>
1° la rémunération normale afférente aux jours de vacances;
2° un supplément égal, par mois de service presté ou assimilé à du travail effectif, au cours de l'exercice de vacances, à (1/12 de 92 p.c.) de la rémunération brute du mois pendant lequel les vacances prennent cours. <AR 2001-06-13/32, art. 4, 032; En vigueur : 01-01-2001>
1° la rémunération normale afférente aux jours de vacances;
2° un supplément égal, par mois de service presté ou assimilé à du travail effectif, au cours de l'exercice de vacances, à (1/12 de 92 p.c.) de la rémunération brute du mois pendant lequel les vacances prennent cours. <AR 2001-06-13/32, art. 4, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art. 38bis. <INGEVOEGD bij KB 2003-02-18/35, art. 1 ; Inwerkingtreding : 16-03-2003> Voor de toepassing van deze afdeling wordt het deel van de bezoldiging dat niet als basis dient voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen bedoeld in artikel 38, § 2 of § 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers niet in aanmerking genomen voor het berekenen van het bedrag van het vakantiegeld [1 evenals de loontoeslag voorzien bij de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten krachtens artikel 353bis /4 van de programmawet van 24 december 2002 gedurende de periodes van tijdelijke aanpassing van de crisisarbeidsduur]1.
Art. 38bis. Pour l'application de cette section, la partie de la rémunération ne servant pas de base au calcul des cotisations de sécurité sociale visées à l'article 38, § 2 ou § 3, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés n'est pas prise en compte pour le calcul du montant du pécule de vacances [1 ainsi que le complément salarial prévu par la convention collective du travail conclue en vertu de l'article 353bis /4 de la loi-programme du 24 décembre 2002 durant les périodes d'adaptation temporaire du temps de travail de crise]1.
Änderungen
Art.39. De bedienden wier wedde geheel veranderlijk is (provisies, premiën, percenten, kortingen, enz.) hebben per vakantiedag, recht op een vakantiegeld dat gelijk is aan het dagelijks gemiddelde der brutobezoldigingen die verdiend werden gedurende elk der twaalf maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt voorafgaan of in voorkomend geval gedurende het gedeelte van die twaalf maanden dat zij in dienst geweest zijn, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking.
(Het maximum aantal (dagen) per maand, de met effectieve arbeid gelijkgestelde dagen inbegrepen, wordt vastgesteld op vijfentwintig voor de bedienden die tewerkgesteld zijn in het arbeidsstelsel van zes dagen per week, en op een breuk van vijfentwintig, in verhouding tot het arbeidsstelsel voor de bedienden die tewerkgesteld zijn in een arbeidsstelsel van minder dan zes dagen per week. Voor elke tewerkstelling gedurende een maandgedeelte, wordt rekening gehouden met het aantal (dagen normale werkelijke arbeid) alsook met de dagen van arbeidsonderbreking die met (dagen normale werkelijke arbeid) zijn gelijkgesteld, zonder dat het vastgestelde maximum aantal arbeidsdagen per maand kan worden overschreden.) <KB 1990-03-14/34, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 20-05-1990>
De in artikel 38, 2°, bedoelde toeslag, waarop de bedienden bovendien recht hebben, wordt berekend op basis van de gemiddelde maandwedde van dezelfde bezoldigingen.
Ingeval de vakantie gespreid wordt, is de in aanmerking te nemen periode van twaalf maanden die welke de maand voorafgaat waarin de bediende zijn hoofdvakantie neemt.
[1 Voor de bedienden wier wedde slechts voor een gedeelte veranderlijk is, worden voor het vast gedeelte de bepalingen van artikel 38 toegepast en voor het veranderlijk gedeelte de bepalingen van de vorige alinea's van dit artikel onder voorbehoud van andere beschikkingen die bij sectorale collectieve overeenkomst worden getroffen.]1
(Worden eveneens in aanmerking genomen als een veranderlijke wedde in de zin van het eerste lid, de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan zijn productiviteit, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt, ongeacht de periodiciteit of het ogenblik van de betaling van deze premies.) <KB 1999-04-28/33, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 01-12-1998>
(Het maximum aantal (dagen) per maand, de met effectieve arbeid gelijkgestelde dagen inbegrepen, wordt vastgesteld op vijfentwintig voor de bedienden die tewerkgesteld zijn in het arbeidsstelsel van zes dagen per week, en op een breuk van vijfentwintig, in verhouding tot het arbeidsstelsel voor de bedienden die tewerkgesteld zijn in een arbeidsstelsel van minder dan zes dagen per week. Voor elke tewerkstelling gedurende een maandgedeelte, wordt rekening gehouden met het aantal (dagen normale werkelijke arbeid) alsook met de dagen van arbeidsonderbreking die met (dagen normale werkelijke arbeid) zijn gelijkgesteld, zonder dat het vastgestelde maximum aantal arbeidsdagen per maand kan worden overschreden.) <KB 1990-03-14/34, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 20-05-1990>
De in artikel 38, 2°, bedoelde toeslag, waarop de bedienden bovendien recht hebben, wordt berekend op basis van de gemiddelde maandwedde van dezelfde bezoldigingen.
Ingeval de vakantie gespreid wordt, is de in aanmerking te nemen periode van twaalf maanden die welke de maand voorafgaat waarin de bediende zijn hoofdvakantie neemt.
[1 Voor de bedienden wier wedde slechts voor een gedeelte veranderlijk is, worden voor het vast gedeelte de bepalingen van artikel 38 toegepast en voor het veranderlijk gedeelte de bepalingen van de vorige alinea's van dit artikel onder voorbehoud van andere beschikkingen die bij sectorale collectieve overeenkomst worden getroffen.]1
(Worden eveneens in aanmerking genomen als een veranderlijke wedde in de zin van het eerste lid, de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan zijn productiviteit, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt, ongeacht de periodiciteit of het ogenblik van de betaling van deze premies.) <KB 1999-04-28/33, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 01-12-1998>
Art.39. Les employés dont la rémunération est totalement variable (commissions, primes, pourcentages, remises, etc.) ont droit, par journée de vacances à un pécule égal à la moyenne quotidienne des rémunérations brutes gagnées pour chacun des douze mois qui précèdent le mois au cours duquel les vacances sont prises ou, le cas échéant, pour la partie de ces douze mois au cours de laquelle ils ont été en service, augmentées éventuellement d'une rémunération fictive pour les journées d'interruption de travail assimilées à des (jours de travail effectif normal).
(Le nombre maximum (de jours) par mois, les journées assimilées à des (jours de travail effectif normal) y comprises, est fixé à vingt-cinq pour les employés occupés en régime de travail de six jours par semaine, et à une fraction de vingt-cinq proportionnelle au régime de travail, pour les employés occupés selon un régime de travail de moins de six jours par semaine. Pour toute occupation au cours d'une fraction de mois, il est tenu compte du nombre de (jours de travail effectif normal) ainsi que des journées d'interruption du travail assimilées à des (jours de travail effectif normal), sans que le maximum fixé de (jours mensuels) puisse être dépassé.) <AR 1990-03-14/34, art. 1, 012; En vigueur : 20-05-1990> <AR 2001-06-10/60, art. 21, 034; En vigueur : 01-01-2003>
Le supplément visé à l'article 38, 2°, auquel ces employés ont, en outre, droit, est calculé sur base de la moyenne mensuelle des mêmes rémunérations.
En cas de fractionnement des vacances, la période de douze mois à prendre en considération est celle qui précède le mois au cours duquel le travailleur prend ses vacances principales.
[1 Pour les employés dont la rémunération n'est que partiellement variable, les dispositions de l'article 38 sont applicables pour la partie fixe et les dispositions des alinéas précédents du présent article sont applicables pour la partie variable, sous réserve d'autres décisions prises sous forme de convention collective sectorielle.]1
(Sont également considérées comme rémunération variable au sens de l'alinéa 1er, pour l'application de cet article, les primes variables dont l'octroi est lié à l'évaluation des prestations de l'employé, à sa productivité, au résultat de l'entreprise ou d'une section de celle-ci ou à tout critère rendant le paiement incertain et variable, quelle que soit la périodicité ou l'époque du paiement de ces primes.) <AR 1999-04-28/33, art. 1, 030; En vigueur : 01-12-1998>
(Le nombre maximum (de jours) par mois, les journées assimilées à des (jours de travail effectif normal) y comprises, est fixé à vingt-cinq pour les employés occupés en régime de travail de six jours par semaine, et à une fraction de vingt-cinq proportionnelle au régime de travail, pour les employés occupés selon un régime de travail de moins de six jours par semaine. Pour toute occupation au cours d'une fraction de mois, il est tenu compte du nombre de (jours de travail effectif normal) ainsi que des journées d'interruption du travail assimilées à des (jours de travail effectif normal), sans que le maximum fixé de (jours mensuels) puisse être dépassé.) <AR 1990-03-14/34, art. 1, 012; En vigueur : 20-05-1990> <AR 2001-06-10/60, art. 21, 034; En vigueur : 01-01-2003>
Le supplément visé à l'article 38, 2°, auquel ces employés ont, en outre, droit, est calculé sur base de la moyenne mensuelle des mêmes rémunérations.
En cas de fractionnement des vacances, la période de douze mois à prendre en considération est celle qui précède le mois au cours duquel le travailleur prend ses vacances principales.
[1 Pour les employés dont la rémunération n'est que partiellement variable, les dispositions de l'article 38 sont applicables pour la partie fixe et les dispositions des alinéas précédents du présent article sont applicables pour la partie variable, sous réserve d'autres décisions prises sous forme de convention collective sectorielle.]1
(Sont également considérées comme rémunération variable au sens de l'alinéa 1er, pour l'application de cet article, les primes variables dont l'octroi est lié à l'évaluation des prestations de l'employé, à sa productivité, au résultat de l'entreprise ou d'une section de celle-ci ou à tout critère rendant le paiement incertain et variable, quelle que soit la périodicité ou l'époque du paiement de ces primes.) <AR 1999-04-28/33, art. 1, 030; En vigueur : 01-12-1998>
Änderungen
Art.40. Op advies van het bevoegd paritair comité, kunnen voor sommige bedienden wier wedde hetzij geheel, hetzij voor een deel veranderlijk is, andere wijzen van berekening van het vakantiegeld dan in de artikelen 38 en 39 bepaald is, door Ons worden toegestaan.
Art.40. Sur avis de la commission paritaire compétente, il peut être permis par Nous, pour certains employés dont le traitement est soit totalement, soit partiellement variable, de recourir à d'autres modes de calcul du pécule de vacances que ceux prévus aux articles 38 et 39.
Art.41. <KB 2004-06-22/31, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2003; zie ook KB 2004-06-22/31, art. 25, eerste streepje> Voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld worden met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgesteld, de dagen arbeidsonderbreking ingevolge :
1° een arbeidsongeval of beroepsziekte, aanleiding gevend tot schadeloosstelling;
2° een ongeval of ziekte niet bedoeld sub 1°;
3° de moederschapsrust;
4° het vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971;
5° het vervullen van militieverplichtingen.
Het voordeel van de gelijkstelling wordt ook toegekend aan de werknemer van vreemde nationaliteit, onderdaan van één der Lid-Staten van de Europese Unie, die in zijn land opgeroepen wordt in vredestijd;
6° het vervullen van burgerplichten zonder behoud van loon;
7° het vervullen van een openbaar mandaat;
8° de uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
9° het vervullen van een syndicale opdracht;
10° de deelneming aan cursussen of studiedagen gewijd aan sociale promotie;
11° de deelname aan een staking die zich voordoet in de schoot van de onderneming;
12° een lock-out;
13° een profylactisch verlof;
14° de volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming;
15° een vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [6 ...]6 (...); <KB 2006-02-14/39, art. 5, 1°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(16° een adoptieverlof.) <KB 2006-02-14/39, art. 5, 2°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(17° de vakantiedagen die reeds gedekt worden door het enkel vertrekvakantiegeld met toepassing van artikel 46 op het ogenblik dat die vakantiedagen opgenomen worden.) <W 2006-12-27/30, art. 177, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2007, voor wat het vertrekvakantiegeld uitbetaald na 31 december 2006 betreft, zie W 2006-12-27/30, art. 187>
[1 18° de periodes van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur met een vierde of een vijfde, voorzien bij artikel 353bis /3 van de programmawet van 24 december 2002;
19° de periodes van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/5e of 1/2, bedoeld in artikel 15 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis;
20° de periodes van gehele of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 23 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.]1
[3 20°bis de periodes van gehele of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, [4 bedoeld in hoofdstuk II/1 van Titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten]4;]3
[2 21° het verlof voor pleegzorg en bedoeld bij artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]2
[5 22° het gecumuleerde totaal van de borstvoedingspauzes zoals voorzien bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 80 van 27 november 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad en bindend verklaard bij koninklijk besluit van 21 januari 2002, die een recht op borstvoedingspauzes invoert;]5
[7 23° pleegouderverlof bedoeld in artikel 30sexies van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]7
1° een arbeidsongeval of beroepsziekte, aanleiding gevend tot schadeloosstelling;
2° een ongeval of ziekte niet bedoeld sub 1°;
3° de moederschapsrust;
4° het vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971;
5° het vervullen van militieverplichtingen.
Het voordeel van de gelijkstelling wordt ook toegekend aan de werknemer van vreemde nationaliteit, onderdaan van één der Lid-Staten van de Europese Unie, die in zijn land opgeroepen wordt in vredestijd;
6° het vervullen van burgerplichten zonder behoud van loon;
7° het vervullen van een openbaar mandaat;
8° de uitoefening van de functie van rechter in sociale zaken;
9° het vervullen van een syndicale opdracht;
10° de deelneming aan cursussen of studiedagen gewijd aan sociale promotie;
11° de deelname aan een staking die zich voordoet in de schoot van de onderneming;
12° een lock-out;
13° een profylactisch verlof;
14° de volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming;
15° een vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [6 ...]6 (...); <KB 2006-02-14/39, art. 5, 1°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(16° een adoptieverlof.) <KB 2006-02-14/39, art. 5, 2°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(17° de vakantiedagen die reeds gedekt worden door het enkel vertrekvakantiegeld met toepassing van artikel 46 op het ogenblik dat die vakantiedagen opgenomen worden.) <W 2006-12-27/30, art. 177, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2007, voor wat het vertrekvakantiegeld uitbetaald na 31 december 2006 betreft, zie W 2006-12-27/30, art. 187>
[1 18° de periodes van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur met een vierde of een vijfde, voorzien bij artikel 353bis /3 van de programmawet van 24 december 2002;
19° de periodes van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/5e of 1/2, bedoeld in artikel 15 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis;
20° de periodes van gehele of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 23 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.]1
[3 20°bis de periodes van gehele of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, [4 bedoeld in hoofdstuk II/1 van Titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten]4;]3
[2 21° het verlof voor pleegzorg en bedoeld bij artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]2
[5 22° het gecumuleerde totaal van de borstvoedingspauzes zoals voorzien bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 80 van 27 november 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad en bindend verklaard bij koninklijk besluit van 21 januari 2002, die een recht op borstvoedingspauzes invoert;]5
[7 23° pleegouderverlof bedoeld in artikel 30sexies van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]7
Änderungen
Art.41. <AR 2004-06-22/31, art. 6, 039; En vigueur : 01-01-2003; voir aussi AR 2004-06-22/31, art. 25, premier tiret> Pour le calcul du montant du pécule de vacances, sont assimilées aux jours de travail effectif normal, les journées d'interruption de travail résultant :
1° d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle donnant lieu à réparation;
2° d'un accident ou d'une maladie non visés au 1°;
3° du repos de maternité;
4° du congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
5° de l'accomplissement d'obligations de milice.
Le bénéfice de l'assimilation est reconnu également au travailleur de nationalité étrangère ressortissant de l'un des Etats membres de l'Union européenne, appelé dans son pays d'origine en temps de paix;
6° de l'accomplissement de devoirs civiques, sans maintien de la rémunération;
7° de l'accomplissement d'un mandat public;
8° de l'exercice de la fonction de juge social;
9° de l'accomplissement d'une mission syndicale;
10° de la participation à des cours ou à des journées d'études consacrés à la promotion sociale;
11° de la participation à une grève survenue au sein de l'entreprise;
12° d'un lock-out;
13° d'un congé prophylactique;
14° de l'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité;
15° d'un congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [6 ...]6 (...); <AR 2006-02-14/39, art. 5, 1°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
(16° d'un congé d'adoption.) <AR 2006-02-14/39, art. 5, 2°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
(17° des jours de vacances déjà couverts par un pécule simple de sortie en application de l'article 46 au moment où ces jours de vacances sont pris.) <L 2006-12-27/30, art. 177, 043; En vigueur : 01-01-2007, en ce qui concerne le pécule de sortie payé après le 31 décembre 2006, voir L 2006-12-27/30, art. 187>
[1 18° des périodes d'adaptation temporaire de la durée du travail d'un quart ou d'un cinquième prévues à l'article 353bis /3 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
19° des périodes de réduction des prestations de travail d'un 1/5e ou d'un 1/2, visées à l'article 15 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;
20° des périodes de suspension totale ou partielle de l'exécution du contrat de travail visées à l'article 23 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;]1
[3 20°bis des périodes de suspension totale ou partielle de l'exécution du contrat de travail, [4 telles que visées au chapitre II/1 du Titre III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail]4;]3
[2 21° du congé pour soins d'accueil visé par l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]2
[5 22° du total cumulé des pauses d'allaitement telles que prévues par la convention collective de travail n° 80 du 27 novembre 2001, conclue au sein du Conseil national du Travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 21 janvier 2002, instaurant un droit aux pauses d'allaitement;]5
[7 23° du congé parental d'accueil visé par l'article 30sexies de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.]7
1° d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle donnant lieu à réparation;
2° d'un accident ou d'une maladie non visés au 1°;
3° du repos de maternité;
4° du congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
5° de l'accomplissement d'obligations de milice.
Le bénéfice de l'assimilation est reconnu également au travailleur de nationalité étrangère ressortissant de l'un des Etats membres de l'Union européenne, appelé dans son pays d'origine en temps de paix;
6° de l'accomplissement de devoirs civiques, sans maintien de la rémunération;
7° de l'accomplissement d'un mandat public;
8° de l'exercice de la fonction de juge social;
9° de l'accomplissement d'une mission syndicale;
10° de la participation à des cours ou à des journées d'études consacrés à la promotion sociale;
11° de la participation à une grève survenue au sein de l'entreprise;
12° d'un lock-out;
13° d'un congé prophylactique;
14° de l'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité;
15° d'un congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [6 ...]6 (...); <AR 2006-02-14/39, art. 5, 1°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
(16° d'un congé d'adoption.) <AR 2006-02-14/39, art. 5, 2°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
(17° des jours de vacances déjà couverts par un pécule simple de sortie en application de l'article 46 au moment où ces jours de vacances sont pris.) <L 2006-12-27/30, art. 177, 043; En vigueur : 01-01-2007, en ce qui concerne le pécule de sortie payé après le 31 décembre 2006, voir L 2006-12-27/30, art. 187>
[1 18° des périodes d'adaptation temporaire de la durée du travail d'un quart ou d'un cinquième prévues à l'article 353bis /3 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
19° des périodes de réduction des prestations de travail d'un 1/5e ou d'un 1/2, visées à l'article 15 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;
20° des périodes de suspension totale ou partielle de l'exécution du contrat de travail visées à l'article 23 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;]1
[3 20°bis des périodes de suspension totale ou partielle de l'exécution du contrat de travail, [4 telles que visées au chapitre II/1 du Titre III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail]4;]3
[2 21° du congé pour soins d'accueil visé par l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]2
[5 22° du total cumulé des pauses d'allaitement telles que prévues par la convention collective de travail n° 80 du 27 novembre 2001, conclue au sein du Conseil national du Travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 21 janvier 2002, instaurant un droit aux pauses d'allaitement;]5
[7 23° du congé parental d'accueil visé par l'article 30sexies de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.]7
Änderungen
Art.42. <KB 2001-06-10/60, art. 23, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2003> De in artikel 41 opgesomde dagen van arbeidsonderbreking worden, voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld, niet als gelijkgestelde doch als dagen normale werkelijke arbeid behandeld, zo de werkgever verplicht is hun bezoldiging aan te geven voor de berekening van de bijdragen.
(In afwijking van het vorige lid, worden de in artikel 41, 17°, bedoelde dagen van arbeidsonderbreking als dagen van normale werkelijke arbeid behandeld voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld.) <W 2006-12-27/30, art. 178, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2007, voor wat het vertrekvakantiegeld uitbetaald na 31 december 2006 betreft, zie W 2006-12-27/30, art. 187>
(In afwijking van het vorige lid, worden de in artikel 41, 17°, bedoelde dagen van arbeidsonderbreking als dagen van normale werkelijke arbeid behandeld voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld.) <W 2006-12-27/30, art. 178, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2007, voor wat het vertrekvakantiegeld uitbetaald na 31 december 2006 betreft, zie W 2006-12-27/30, art. 187>
Art.42. <AR 2001-06-10/60, art. 23, 034; En vigueur : 01-01-2003> Les journées d'interruption de travail énumérées à l'article 41, ne sont pas traitées, pour le calcul du montant du pécule de vacances, comme des journées assimilées mais comme des journées de travail effectif normal, lorsque l'employeur est tenu de déclarer leur rémunération pour le calcul du montant des cotisations.
(Par dérogation à l'alinéa précédent, les journées d'interruption visées à l'article 41, 17°, sont traitées, pour le calcul du montant du pécule de vacances, comme des journées de travail effectif normal.) <L 2006-12-27/30, art. 178, 043; En vigueur : 01-01-2007, en ce qui concerne le pécule de sortie payé après le 31 décembre 2006, voir L 2006-12-27/30, art. 187>
(Par dérogation à l'alinéa précédent, les journées d'interruption visées à l'article 41, 17°, sont traitées, pour le calcul du montant du pécule de vacances, comme des journées de travail effectif normal.) <L 2006-12-27/30, art. 178, 043; En vigueur : 01-01-2007, en ce qui concerne le pécule de sortie payé après le 31 décembre 2006, voir L 2006-12-27/30, art. 187>
Art.43. <KB 2004-06-22/31, art. 7, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2003; zie ook KB 2004-06-22/31, art. 25, eerste streepje> De duur van de gelijkstelling wordt beperkt :
1° bij arbeidsongeval of beroepsziekte aanleiding gevend tot schadeloosstelling;
a) tot de periode van tijdelijke algehele ongeschiktheid;
b) tot de eerste twaalf maanden der periode van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid volgend op een tijdelijke algehele ongeschiktheid op voorwaarde dat het erkende percentage van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid minstens 66 pct. weze [7 in geval van toepassing van artikel 34 van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970 voor wat betreft de beroepsziekten en van artikel 23 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 voor wat betreft de arbeidsongevallen is de voorwaarde van het percentage van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid van 66 % niet van toepassing]7;
2° bij ongeval niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ongeval voordoet, na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt, wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
3° bij ziekte niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ziekte voordoet, na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt, wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
4° bij moederschapsrust of vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971 : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
5° in het geval voorzien bij artikel 41, 5° : tot de laatste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking. Wat echter de werknemers betreft wier normale diensttijd minder dan twaalf maanden beloopt en die, wegens tuchtredenen, voor een langere termijn onder de wapens worden gehouden, wordt de gelijkstelling beperkt tot de periode die de terugzending naar hun haardstede voorafgaat en die overeenstemt met de normale duur van hun diensttijd;
6° in geval van borstvoeding zoals voorzien bij artikel 41, 14° : tot de periode waarover de gerechtigde die borstvoeding geeft kan aanspraak maken op de moederschapsuitkering, bedoeld in artikel 219bis, tweede lid van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
7° in geval van vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [6 ...]6 (...) : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30, § 2 (...) van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [6 ...]6; <KB 2006-02-14/39, art. 6, 1°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(8° in geval van adoptieverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [6 ...]6 : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30ter, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [6 ...]6.) <KB 2006-02-14/39, art. 6, 2°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
[1 9° tot de periodes van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur met een vierde of een vijfde, voorzien bij artikel 353bis /3 van de programmawet van 24 december 2002;
10° tot de periodes van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/5e of 1/2, bedoeld in artikel 15 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis;
11° tot de periodes van gehele of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 23 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis;]1
[3 11°bis tot de periodes van gehele of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, [4 bedoeld in hoofdstuk II/1 van Titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten]4;]3
[2 12° in geval van verlof voor pleegzorg bedoeld bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30quater van de voormelde wet van 3 juli 1978;]2
[5 13° in geval van borstvoedingspauze zoals voorzien bij artikel 41, 22° : tot de periode voorzien in artikel 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 80 van 27 november 2001, die een recht op borstvoedingspauzes invoert;]5
[8 14° in geval van pleegouderverlof bedoeld bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30sexies van de voormelde wet van 3 juli 1978.]8
1° bij arbeidsongeval of beroepsziekte aanleiding gevend tot schadeloosstelling;
a) tot de periode van tijdelijke algehele ongeschiktheid;
b) tot de eerste twaalf maanden der periode van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid volgend op een tijdelijke algehele ongeschiktheid op voorwaarde dat het erkende percentage van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid minstens 66 pct. weze [7 in geval van toepassing van artikel 34 van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970 voor wat betreft de beroepsziekten en van artikel 23 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 voor wat betreft de arbeidsongevallen is de voorwaarde van het percentage van tijdelijke gedeeltelijke ongeschiktheid van 66 % niet van toepassing]7;
2° bij ongeval niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ongeval voordoet, na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt, wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
3° bij ziekte niet bedoeld sub 1° : tot de eerste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking.
Elke nieuwe arbeidsonderbreking welke zich wegens ziekte voordoet, na een werkhervatting waarvan de duur geen veertien dagen bereikt, wordt aangezien als de voortzetting van de vorige arbeidsonderbreking;
4° bij moederschapsrust of vaderschapsverlof bedoeld in de arbeidswet van 16 maart 1971 : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
5° in het geval voorzien bij artikel 41, 5° : tot de laatste twaalf maanden van de arbeidsonderbreking. Wat echter de werknemers betreft wier normale diensttijd minder dan twaalf maanden beloopt en die, wegens tuchtredenen, voor een langere termijn onder de wapens worden gehouden, wordt de gelijkstelling beperkt tot de periode die de terugzending naar hun haardstede voorafgaat en die overeenstemt met de normale duur van hun diensttijd;
6° in geval van borstvoeding zoals voorzien bij artikel 41, 14° : tot de periode waarover de gerechtigde die borstvoeding geeft kan aanspraak maken op de moederschapsuitkering, bedoeld in artikel 219bis, tweede lid van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
7° in geval van vaderschapsverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [6 ...]6 (...) : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30, § 2 (...) van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [6 ...]6; <KB 2006-02-14/39, art. 6, 1°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(8° in geval van adoptieverlof bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [6 ...]6 : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30ter, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [6 ...]6.) <KB 2006-02-14/39, art. 6, 2°, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
[1 9° tot de periodes van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur met een vierde of een vijfde, voorzien bij artikel 353bis /3 van de programmawet van 24 december 2002;
10° tot de periodes van vermindering van de arbeidsprestaties met 1/5e of 1/2, bedoeld in artikel 15 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis;
11° tot de periodes van gehele of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 23 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis;]1
[3 11°bis tot de periodes van gehele of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, [4 bedoeld in hoofdstuk II/1 van Titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten]4;]3
[2 12° in geval van verlof voor pleegzorg bedoeld bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30quater van de voormelde wet van 3 juli 1978;]2
[5 13° in geval van borstvoedingspauze zoals voorzien bij artikel 41, 22° : tot de periode voorzien in artikel 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 80 van 27 november 2001, die een recht op borstvoedingspauzes invoert;]5
[8 14° in geval van pleegouderverlof bedoeld bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten : tot de periodes van arbeidsonderbreking bij toepassing van artikel 30sexies van de voormelde wet van 3 juli 1978.]8
Änderungen
Art.43. <AR 2004-06-22/31, art. 7, 039; En vigueur : 01-01-2003; voir aussi AR 2004-06-22/31, art. 25, premier tiret> La durée de l'assimilation est limitée :
1° en cas d'accident de travail ou de maladie professionnelle donnant lieu à réparation :
a) à la période d'incapacité temporaire totale;
b) aux douze premiers mois de la période d'incapacité temporaire partielle consécutive à une incapacité temporaire totale, à condition que le pourcentage de l'incapacité temporaire partielle reconnu, soit au moins égal à 66 p.c. [7 en cas d'application de l'article 34 des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci coordonnées le 3 juin 1970 en ce qui concerne les maladies professionnelles et de l'article 23 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents de travail en ce qui concerne les accidents du travail, la condition relative au pourcentage de l'incapacité temporaire partielle de 66 % n'est pas d'application]7;
2° en cas d'accident non visé au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
Toute nouvelle interruption de travail qui survient, pour cause d'accident, après une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
3° en cas de maladie non visée au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
Toute nouvelle interruption de travail qui survient, pour cause de maladie, après une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours, est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
4° en cas de repos de maternité ou de congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail : les périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
5° dans le cas prévu à l'article 41, 5° : aux douze derniers mois de l'interruption de travail. Toutefois, en ce qui concerne les travailleurs dont le terme normal de service est inférieur à douze mois et qui sont maintenus sous les drapeaux au delà de ce terme, pour des raisons d'ordre disciplinaire, l'assimilation est limitée à la période précédant le montant de leur renvoi dans leur foyer, qui correspond à la durée de leur terme normal de service;
6° en cas d'allaitement tel que prévu à l'article 41, 14° : à la période pendant laquelle la titulaire allaitante peut prétendre à l'indemnité de maternité visée à l'article 219bis, alinéa 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
7° en cas de congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [6 ...]6 (...) : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30, § 2 (...), de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [6 ...]6; <AR 2006-02-14/39, art. 6, 1°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
(8° en cas de congé d'adoption visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [6 ...]6 : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30ter, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [6 ...]6.) <AR 2006-02-14/39, art. 6, 2°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
[1 9° aux périodes d'adaptation temporaire de la durée du travail d'un quart ou d'un cinquième, prévues à l'article 353bis /3 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
10° aux périodes de réduction des prestations de travail d'un 1/5e ou d'un 1/2, visées à l'article 15 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;
11° aux périodes de suspension totale ou partielle de l'exécution du contrat de travail visées à l'article 23 la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;]1
[3 11°bis aux périodes de suspension totale ou partielle de l'exécution du contrat de travail, [4 telles que visées à l'article 6, § 1er de la loi du 1er février 2011 portant la prolongation de mesures de crise et l'exécution de l'accord interprofessionnel;" sont remplacés par les mots "telles que visées au chapitre II/1 du Titre III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail]4;]3
[2 12° en cas de congé pour soins d'accueil visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 précitée;]2
[5 13° en cas de pause d'allaitement, telle que prévue à l'article 41, 22° : à la période prévue à l'article 6, de la convention collective de travail n° 80 du 27 novembre 2001 instaurant un droit aux pauses d'allaitement;]5
[8 14° en cas de [9 congé parental d'accueil]9 visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30sexies de la loi du 3 juillet 1978 précitée;]8
1° en cas d'accident de travail ou de maladie professionnelle donnant lieu à réparation :
a) à la période d'incapacité temporaire totale;
b) aux douze premiers mois de la période d'incapacité temporaire partielle consécutive à une incapacité temporaire totale, à condition que le pourcentage de l'incapacité temporaire partielle reconnu, soit au moins égal à 66 p.c. [7 en cas d'application de l'article 34 des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci coordonnées le 3 juin 1970 en ce qui concerne les maladies professionnelles et de l'article 23 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents de travail en ce qui concerne les accidents du travail, la condition relative au pourcentage de l'incapacité temporaire partielle de 66 % n'est pas d'application]7;
2° en cas d'accident non visé au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
Toute nouvelle interruption de travail qui survient, pour cause d'accident, après une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
3° en cas de maladie non visée au 1° : aux douze premiers mois de l'interruption de travail.
Toute nouvelle interruption de travail qui survient, pour cause de maladie, après une reprise de travail dont la durée n'atteint pas quatorze jours, est considérée comme la continuation de l'interruption de travail précédente;
4° en cas de repos de maternité ou de congé de paternité visé par la loi du 16 mars 1971 sur le travail : les périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
5° dans le cas prévu à l'article 41, 5° : aux douze derniers mois de l'interruption de travail. Toutefois, en ce qui concerne les travailleurs dont le terme normal de service est inférieur à douze mois et qui sont maintenus sous les drapeaux au delà de ce terme, pour des raisons d'ordre disciplinaire, l'assimilation est limitée à la période précédant le montant de leur renvoi dans leur foyer, qui correspond à la durée de leur terme normal de service;
6° en cas d'allaitement tel que prévu à l'article 41, 14° : à la période pendant laquelle la titulaire allaitante peut prétendre à l'indemnité de maternité visée à l'article 219bis, alinéa 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
7° en cas de congé de paternité visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [6 ...]6 (...) : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30, § 2 (...), de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [6 ...]6; <AR 2006-02-14/39, art. 6, 1°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
(8° en cas de congé d'adoption visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [6 ...]6 : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30ter, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [6 ...]6.) <AR 2006-02-14/39, art. 6, 2°, 041; En vigueur : 25-07-2004>
[1 9° aux périodes d'adaptation temporaire de la durée du travail d'un quart ou d'un cinquième, prévues à l'article 353bis /3 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
10° aux périodes de réduction des prestations de travail d'un 1/5e ou d'un 1/2, visées à l'article 15 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;
11° aux périodes de suspension totale ou partielle de l'exécution du contrat de travail visées à l'article 23 la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise;]1
[3 11°bis aux périodes de suspension totale ou partielle de l'exécution du contrat de travail, [4 telles que visées à l'article 6, § 1er de la loi du 1er février 2011 portant la prolongation de mesures de crise et l'exécution de l'accord interprofessionnel;" sont remplacés par les mots "telles que visées au chapitre II/1 du Titre III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail]4;]3
[2 12° en cas de congé pour soins d'accueil visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 précitée;]2
[5 13° en cas de pause d'allaitement, telle que prévue à l'article 41, 22° : à la période prévue à l'article 6, de la convention collective de travail n° 80 du 27 novembre 2001 instaurant un droit aux pauses d'allaitement;]5
[8 14° en cas de [9 congé parental d'accueil]9 visé par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail : aux périodes d'interruption de travail en vertu de l'article 30sexies de la loi du 3 juillet 1978 précitée;]8
Änderungen
Art.44. <KB 17-7-1979, art. 6> De bediende (of de leerling-bediende) kan alleen genieten van de gelijkstellingen voorzien bij (artikel 41, 6° tot 11°), 14° en 15°, zo hij zijn werkgever een bewijsstuk voorlegt, dat werd afgeleverd door het secretariaat of de griffie van het organisme, de instelling, het rechtscollege of van de betrokken vakvereniging. <KB 1995-05-15/48, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 10-12-1995> <KB 2001-06-10/60, art. 25, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.44. <AR 17-7-1979, art. 6> L'employé (ou l'apprenti employé) ne peut bénéficier des assimilations prévues à l'(article 41, 6° a 11°), que s'il présente à son employeur un document justificatif émanant du secrétariat ou du greffe de l'organisme, de l'institution, de la juridiction ou du syndicat intéressé. <AR 1995-05-15/48, art. 6, 019; En vigueur : 10-12-1995> <AR 2001-06-10/60, art. 24, 034; En vigueur : 01-01-2003>
Art.45. Behalve in de gevallen bedoeld bij de artikelen 46 en 47, betaalt de werkgever aan zijn bediende (of aan zijn leerling-bediende) : <KB 1995-05-15/48, art. 7, 019; Inwerkingtreding : 10-12-1995>
op de gewone datum het deel van het vakantiegeld beoogd bij artikel 38, 1°, en/of met de andere commissiegelden der maand waarin de hoofdvakantie ingaat, het deel bedoeld bij artikel 39, eerste lid;
wanneer de hoofdvakantie wordt verleend, het deel van het vakantiegeld bedoeld bij artikel 38, 2°, (en/of artikel 39, derde lid.) <KB 1993-12-23/46, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 20-05-1990>
op de gewone datum het deel van het vakantiegeld beoogd bij artikel 38, 1°, en/of met de andere commissiegelden der maand waarin de hoofdvakantie ingaat, het deel bedoeld bij artikel 39, eerste lid;
wanneer de hoofdvakantie wordt verleend, het deel van het vakantiegeld bedoeld bij artikel 38, 2°, (en/of artikel 39, derde lid.) <KB 1993-12-23/46, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 20-05-1990>
Art.45. Sauf dans les cas prévus aux articles 46 et 67, l'employeur paie à son employé (ou à son apprenti employé) : <AR 1995-05-15/48, art. 7, 019; En vigueur : 10-12-1995>
à la date habituelle, la part du pécule visée à l'article 38, 1°, et/ou avec les autres commissions du mois pendant lequel il prend ses vacances principales, celle visée à l'article 39, alinéa 1er;
lors de l'octroi des vacances principales, la part du pécule visée à l'article 38, 2°, (et/ou à l'article 39, alinéa 3.) <AR 1993-12-23/46, art. 2, 017; En vigueur : 20-05-1990>
à la date habituelle, la part du pécule visée à l'article 38, 1°, et/ou avec les autres commissions du mois pendant lequel il prend ses vacances principales, celle visée à l'article 39, alinéa 1er;
lors de l'octroi des vacances principales, la part du pécule visée à l'article 38, 2°, (et/ou à l'article 39, alinéa 3.) <AR 1993-12-23/46, art. 2, 017; En vigueur : 20-05-1990>
Art.46. <W 2006-12-27/30, art. 179, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2007, voor wat het vertrekvakantiegeld uitbetaald na 31 december 2006 betreft, zie W 2006-12-27/30, art. 187> § 1. Wanneer een bediende of de leerling-bediende onder de wapens geroepen wordt of wanneer de beroepsloopbaanonderbreking zoals bepaald bij artikel 100 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen een aanvang neemt, of wanneer een periode van tijdskrediet zoals bepaald in artikel 3, § 1, 1°, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis van 19 december 2001 in vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr 77 van 14 februari 2001 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, zoals beoogd in artikel 103bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen een aanvang neemt of wanneer zijn contract een einde neemt, betaalt zijn werkgever hem, bij zijn vertrek, 15,34 pct. der bij hem tijdens het lopend vakantiedienstjaar verdiende brutowedde, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking.
Heeft de bediende of de leerling-bediende de op vorig dienstjaar betrekking hebbende vakantie nog niet genoten, dan betaalt de werkgever hem bovendien 15,34 pct. der bij hem tijdens dat vakantiedienstjaar verdiende brutowedden, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking.
De vorige leden zijn ook van toepassing op de bedienden tewerkgesteld in het kader van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.
[6 § 1/1. Voor de betaalde voetbalspelers die gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst volgens de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars wordt het enkel vertrekvakantiegeld en het dubbel vertrekvakantiegeld als volgt berekend:
1° Het enkel vertrekvakantiegeld is gelijk aan de helft van:
- Voor het vast gedeelte van de wedde: per werkelijk gepresteerde of ermee gelijkgestelde maand in de loop van het vakantiejaar bij de huidige werkgever een toeslag gelijk aan 1/12 van 100 pct. van de normaal verdiende vaste brutowedde van de maand van vertrek;
- Voor het veranderlijk gedeelte van de wedde: per gepresteerde of daarmee gelijkgestelde maand tijdens het vakantiejaar bij de huidige werkgever een toeslag van 1/12 van de volledige contractuele of overeengekomen bruto winstpremie van de eerste ploeg in de Belgische nationale competitie van toepassing op de eerste competitiewedstrijd van het nieuwe seizoen in het vakantiedienstjaar, ongeacht het feit of de speler effectief aan deze wedstrijd heeft deelgenomen. In geval de betaalde voetbalspeler op dat ogenblik niet in dienst was van de huidige werkgever dient de berekening te gebeuren op de eerste normale verschuldigde winstpremie.
Het enkel vertrekvakantiegeld bedraagt echter minimum 1/12 van het minimumloon voor betaalde voetbalspelers.
In geval van onvolledige prestaties tijdens een maand gebeurt de berekening pro rata de werkelijke gepresteerde of gelijkgestelde dagen in de loop van die maand.
2° Het bedrag van het dubbel vertrekvakantiegeld is gelijk aan het bedrag van het enkel vertrekvakantiegeld.]6
§ 2. In de in § 1 bedoelde gevallen overhandigt de werkgever aan de bediende of aan de leerling-bediende voor elk dezer vakantiedienstjaren een attest, met vermelding van :
1° de periode gedurende welke de bediende of de leerling-bediende bij hem in dienst was en eventueel de gelijkgestelde periode;
2° de overeengekomen arbeidsduur en, in voorkomend geval zowel de wijziging(en), zoals bedoeld in § 3;
3° de brutobedragen van het uitgekeerde enkel en dubbel vakantiegeld en, in voorkomend geval de periodes waarop deze bedragen betrekking hebben;
4° de bijdragen betaald door de werkgever op de aangegeven bedragen in toepassing van artikel 23bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
5° in voorkomend geval het aantal vakantiedagen die door de bediende reeds werden opgenomen en het regime waarin hij deze vakantiedagen heeft opgenomen.
[3 6° de brutobedragen van het uitbetaald aanvullend vakantiegeld;
7° het aantal dagen aanvullende vakantie reeds opgenomen door de bediende en het arbeidsstelsel waarin deze vakantiedagen werden opgenomen;]3
[7 8° het aantal overgedragen vakantiedagen krachtens artikel 64, 1°/1;]7
[8 9° het gedeelte van het vakantiegeld dat overeenkomt met het normale loon van de vakantiedagen is een voorafbetaling voor bij een andere werkgever op te nemen vakantie. De op basis van het vakantieattest bij de nieuwe werkgever opgenomen vakantiedagen zullen bij hem worden betaald, met aftrek van een forfaitair bedrag van 90 % van het bruto dagloon voor de maand waarin hij zijn vakantiedagen zal opnemen. In de maand december van het vakantiejaar of ten vroegste op het einde van de arbeidsovereenkomst zal de werkgever eventuele correcties aanbrengen die voortvloeien uit het verschil tussen het enkel vakantiegeld van 10 % dat tijdens het vakantiejaar door de werkgever werd betaald, de bij de vorige werkgever verworven vakantiedagen en het effectief door de nieuwe werkgever verschuldigde enkel vakantiegeld, waarvan het reeds door de vorige werkgever betaalde enkel vakantiegeld werd afgetrokken. De werkgever brengt de werknemer als gevolg van de aangebrachte correcties. door middel van de loonfiche op de hoogte van het ingehouden/uitbetaalde bedrag.]8
Wat de bediende interimaris betreft bedoeld bij artikel 3, 3°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, dient het attest met betrekking tot de jaarlijkse vakantie slechts afgeleverd bij het einde van het vakantiedienstjaar; indien zijn laatste tewerkstelling in hoedanigheid van interimaris echter voorkomt voor het einde van het vakantiedienstjaar, dient het attest hem afgeleverd bij het einde van deze tewerkstelling.
§ 3. [5 Wanneer een bediende, die tewerkgesteld is bij een zelfde werkgever, zijn gemiddeld aantal te presteren uren per week verlaagt, behandelt deze werkgever, met de uitbetaling van de maand december van het vakantiejaar, de betaling van het vakantiegeld zoals vermeld in de volgende leden.
De werkgever betaalt de bediende het enkel vakantiegeld met betrekking tot de niet opgenomen vakantiedagen. Dit enkel vakantiegeld is gelijk aan 7,67 pct. van de bij deze werkgever gedurende het vakantiedienstjaar verdiende brutowedden, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking, verminderd met het enkel vakantiegeld dat de bediende reeds ontvangen heeft en dat berekend werd op basis van het arbeidsregime waarin de bediende is tewerkgesteld op het ogenblik dat hij zijn vakantie opneemt.
De werkgever betaalt eveneens met de uitbetaling van de maand december van het vakantiejaar, het dubbel vakantiegeld. Dit dubbel vakantiegeld is gelijk aan 7,67 pct. van de bij deze werkgever gedurende het vakantiedienstjaar verdiende brutowedden, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde dagen, verminderd met het dubbel vakantiegeld dat de bediende reeds ontvangen heeft en dat berekend werd op basis van het arbeidsregime waarin de bediende is tewerkgesteld op het ogenblik dat hij zijn vakantie opneemt.]5
De vaste eindejaarpremies worden niet in aanmerking genomen, dit wil zeggen de premies waarvan de toekenning niet gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan zijn productiviteit, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt.
[1 De vorige leden zijn niet van toepassing op de maatregelen voor arbeidsduurverkorting vermeld in de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis [2 en op de maatregelen inzake arbeidsduurvermindering zoals [4 bedoeld in hoofdstuk II/1 van Titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten]4.]2]1
Heeft de bediende of de leerling-bediende de op vorig dienstjaar betrekking hebbende vakantie nog niet genoten, dan betaalt de werkgever hem bovendien 15,34 pct. der bij hem tijdens dat vakantiedienstjaar verdiende brutowedden, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking.
De vorige leden zijn ook van toepassing op de bedienden tewerkgesteld in het kader van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.
[6 § 1/1. Voor de betaalde voetbalspelers die gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst volgens de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars wordt het enkel vertrekvakantiegeld en het dubbel vertrekvakantiegeld als volgt berekend:
1° Het enkel vertrekvakantiegeld is gelijk aan de helft van:
- Voor het vast gedeelte van de wedde: per werkelijk gepresteerde of ermee gelijkgestelde maand in de loop van het vakantiejaar bij de huidige werkgever een toeslag gelijk aan 1/12 van 100 pct. van de normaal verdiende vaste brutowedde van de maand van vertrek;
- Voor het veranderlijk gedeelte van de wedde: per gepresteerde of daarmee gelijkgestelde maand tijdens het vakantiejaar bij de huidige werkgever een toeslag van 1/12 van de volledige contractuele of overeengekomen bruto winstpremie van de eerste ploeg in de Belgische nationale competitie van toepassing op de eerste competitiewedstrijd van het nieuwe seizoen in het vakantiedienstjaar, ongeacht het feit of de speler effectief aan deze wedstrijd heeft deelgenomen. In geval de betaalde voetbalspeler op dat ogenblik niet in dienst was van de huidige werkgever dient de berekening te gebeuren op de eerste normale verschuldigde winstpremie.
Het enkel vertrekvakantiegeld bedraagt echter minimum 1/12 van het minimumloon voor betaalde voetbalspelers.
In geval van onvolledige prestaties tijdens een maand gebeurt de berekening pro rata de werkelijke gepresteerde of gelijkgestelde dagen in de loop van die maand.
2° Het bedrag van het dubbel vertrekvakantiegeld is gelijk aan het bedrag van het enkel vertrekvakantiegeld.]6
§ 2. In de in § 1 bedoelde gevallen overhandigt de werkgever aan de bediende of aan de leerling-bediende voor elk dezer vakantiedienstjaren een attest, met vermelding van :
1° de periode gedurende welke de bediende of de leerling-bediende bij hem in dienst was en eventueel de gelijkgestelde periode;
2° de overeengekomen arbeidsduur en, in voorkomend geval zowel de wijziging(en), zoals bedoeld in § 3;
3° de brutobedragen van het uitgekeerde enkel en dubbel vakantiegeld en, in voorkomend geval de periodes waarop deze bedragen betrekking hebben;
4° de bijdragen betaald door de werkgever op de aangegeven bedragen in toepassing van artikel 23bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
5° in voorkomend geval het aantal vakantiedagen die door de bediende reeds werden opgenomen en het regime waarin hij deze vakantiedagen heeft opgenomen.
[3 6° de brutobedragen van het uitbetaald aanvullend vakantiegeld;
7° het aantal dagen aanvullende vakantie reeds opgenomen door de bediende en het arbeidsstelsel waarin deze vakantiedagen werden opgenomen;]3
[7 8° het aantal overgedragen vakantiedagen krachtens artikel 64, 1°/1;]7
[8 9° het gedeelte van het vakantiegeld dat overeenkomt met het normale loon van de vakantiedagen is een voorafbetaling voor bij een andere werkgever op te nemen vakantie. De op basis van het vakantieattest bij de nieuwe werkgever opgenomen vakantiedagen zullen bij hem worden betaald, met aftrek van een forfaitair bedrag van 90 % van het bruto dagloon voor de maand waarin hij zijn vakantiedagen zal opnemen. In de maand december van het vakantiejaar of ten vroegste op het einde van de arbeidsovereenkomst zal de werkgever eventuele correcties aanbrengen die voortvloeien uit het verschil tussen het enkel vakantiegeld van 10 % dat tijdens het vakantiejaar door de werkgever werd betaald, de bij de vorige werkgever verworven vakantiedagen en het effectief door de nieuwe werkgever verschuldigde enkel vakantiegeld, waarvan het reeds door de vorige werkgever betaalde enkel vakantiegeld werd afgetrokken. De werkgever brengt de werknemer als gevolg van de aangebrachte correcties. door middel van de loonfiche op de hoogte van het ingehouden/uitbetaalde bedrag.]8
Wat de bediende interimaris betreft bedoeld bij artikel 3, 3°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, dient het attest met betrekking tot de jaarlijkse vakantie slechts afgeleverd bij het einde van het vakantiedienstjaar; indien zijn laatste tewerkstelling in hoedanigheid van interimaris echter voorkomt voor het einde van het vakantiedienstjaar, dient het attest hem afgeleverd bij het einde van deze tewerkstelling.
§ 3. [5 Wanneer een bediende, die tewerkgesteld is bij een zelfde werkgever, zijn gemiddeld aantal te presteren uren per week verlaagt, behandelt deze werkgever, met de uitbetaling van de maand december van het vakantiejaar, de betaling van het vakantiegeld zoals vermeld in de volgende leden.
De werkgever betaalt de bediende het enkel vakantiegeld met betrekking tot de niet opgenomen vakantiedagen. Dit enkel vakantiegeld is gelijk aan 7,67 pct. van de bij deze werkgever gedurende het vakantiedienstjaar verdiende brutowedden, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking, verminderd met het enkel vakantiegeld dat de bediende reeds ontvangen heeft en dat berekend werd op basis van het arbeidsregime waarin de bediende is tewerkgesteld op het ogenblik dat hij zijn vakantie opneemt.
De werkgever betaalt eveneens met de uitbetaling van de maand december van het vakantiejaar, het dubbel vakantiegeld. Dit dubbel vakantiegeld is gelijk aan 7,67 pct. van de bij deze werkgever gedurende het vakantiedienstjaar verdiende brutowedden, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde dagen, verminderd met het dubbel vakantiegeld dat de bediende reeds ontvangen heeft en dat berekend werd op basis van het arbeidsregime waarin de bediende is tewerkgesteld op het ogenblik dat hij zijn vakantie opneemt.]5
De vaste eindejaarpremies worden niet in aanmerking genomen, dit wil zeggen de premies waarvan de toekenning niet gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan zijn productiviteit, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt.
[1 De vorige leden zijn niet van toepassing op de maatregelen voor arbeidsduurverkorting vermeld in de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis [2 en op de maatregelen inzake arbeidsduurvermindering zoals [4 bedoeld in hoofdstuk II/1 van Titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten]4.]2]1
Änderungen
Art.46. <L 2006-12-27/30, art. 179, 043; En vigueur : 01-01-2007, en ce qui concerne le pécule de sortie payé après le 31 décembre 2006, voir L 2006-12-27/30, art. 187> § 1er. Lorsqu'un employé ou un apprenti employé est appelé sous les armes ou lorsque l'interruption de la carrière professionnelle comme déterminée à l'article 100 de la loi de redressement contenant des dispositions sociales du 22 janvier 1985 prend cours, ou lorsqu'une période de crédit-temps comme déterminée à l'article 3, § 1er, 1°, de la convention collective de travail n° 77bis du 19 décembre 2001 remplaçant la convention collective de travail n° 77 du 14 février 2001 instaurant un système de crédit-temps, de diminution de carrière et de réduction des prestations de travail à mi-temps, visée à l'article 103bis de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, prend cours ou lorsque son contrat prend fin, son employeur lui paie, au moment de son départ 15,34 p.c. des rémunérations brutes gagnées chez lui pendant l'exercice de vacances en cours, majorées éventuellement d'une rémunération fictive afférente aux journées d'interruption de travail assimilées à des journées de travail effectif normal.
Si l'employé ou l'apprenti employé n'a pas encore pris les vacances afférentes a l'exercice précédent, l'employeur lui paie en outre 15,34 p.c. des rémunérations brutes gagnées chez lui pendant cet exercice de vacances, majorées éventuellement d'une rémunération fictive afférente aux journées d'interruption de travail assimilées à des journées de travail effectif normal.
Les alinéas précédents s'appliquent également aux employés occupés dans le cadre d'un contrat de travail visé par la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise à disposition d'utilisateurs.
[6 § 1er/1. Pour les footballeurs rémunérés qui sont liés par un contrat de travail en vertu de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré le pécule simple de vacances de sortie et le pécule double de sortie sont calculés comme suit :
1° Le simple pécule de vacances de sortie est égal à la moitié de:
- Pour la partie fixe du salaire : par mois réellement presté ou assimilé au cours de l'année de vacances auprès de l'employeur actuel, un supplément égal à 1/12 de 100 p.c. du salaire brut fixe complet gagné normalement du mois de départ ;
- Pour la partie variable du salaire : par mois presté ou assimilé au cours de l'année de vacances auprès de l'employeur actuel, un supplément égal à 1/12 de la prime de bénéfice brute complète contractuelle ou convenue de la première équipe dans la compétition nationale belge d'application au premier match de compétition de la nouvelle saison dans de l'exercice de vacances, indépendamment du fait si le joueur a participé effectivement à ce match. Au cas où le footballeur rémunéré n'était pas en service de l'employeur actuel à ce moment-là, le calcul doit se faire sur la première prime normale de bénéfice due.
Le simple pécule de vacances de sortie s'élève toutefois au minimum à 1/12 du salaire minimum pour les footballeurs rémunérés.
En cas de prestations incomplètes au cours d'un mois, le calcul se fait au prorata des jours réellement prestés ou assimilés au cours du mois en question.
2° Le montant du double pécule de vacances de sortie est égal au montant du simple pécule de vacances de sortie.]6
§ 2. Dans les cas visés par le § 1er, l'employeur remet à l'employé ou à l'apprenti employé, pour chacun de ces exercices de vacances, une attestation indiquant :
1° la période pendant laquelle l'employé ou l'apprenti employé a été occupé à son service et éventuellement les périodes assimilées;
2° le temps de travail convenu dans le contrat et, le cas échéant, la (les) modification(s), intervenues, conformément au § 3;
3° les montants bruts des pécules de vacances simple et double qui ont été payés et, le cas échéant, les périodes auxquels ces montants correspondent;
4° les cotisations payées par l'employeur sur les montants déclarés en application de l'article 23bis de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
5° le cas échéant, le nombre de jours de congés déjà pris par l'employé et le régime de travail dans lequel ces jours de congés ont été pris.
[3 6° les montants bruts du pécule de vacances supplémentaires qui a été payé;
7° le nombre de jours de congés supplémentaires déjà pris par l'employé et le régime de travail dans lequel ces jours de congés ont été pris;]3
[7 8° le nombre de jours de vacances reportés en vertu de l'article 64, 1°/1;]7
[8 9° la partie du pécule de vacances qui correspond à la rémunération normale des jours de vacances constitue un paiement anticipé pour les vacances à prendre chez un autre employeur. Les jours de vacances pris chez le nouvel employeur sur la base de l'attestation de vacances seront payés chez celui-ci sous déduction d'un montant forfaitaire correspondant à 90 % du salaire journalier brut de l'employé du mois durant lequel l'employé prendra ses jours de vacances. Au mois de décembre de l'année de vacances ou au plus tôt à la fin du contrat de travail, l'employeur procèdera aux corrections éventuelles résultant de la différence entre le simple pécule de vacances de 10% qui a été versé par l'employeur pendant l'année de vacances, les jours de vacances promérités chez le précédent employeur et le pécule de vacances effectivement dû par l'employeur, duquel a été déduit le simple pécule de vacances déjà versé par le précédent employeur. L'employeur informe l'employé via la fiche salariale du montant retenu/versé suite aux corrections effectuées.]8
En ce qui concerne l'employé intérimaire visé à l'article 3, 3°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, l'attestation afférente au pécule de vacances ne doit lui être remise qu'à la fin de l'exercice de vacances; si toutefois sa dernière occupation en tant qu'intérimaire survient avant la fin de l'exercice de vacances, l'attestation doit lui être remise au terme de cette occupation.
§ 3. [5 Lorsqu'un employé occupé chez un même employeur diminue le nombre moyen d'heures hebdomadaires prestées, cet employeur procède, avec le paiement de la rémunération afférente au mois de décembre de l'année de vacances, à la liquidation du pécule de vacances comme indiqué aux alinéas suivants.
L'employeur paie à l'employé le simple pécule de vacances correspondant aux jours de vacances non pris. Ce simple pécule de vacances est égal à 7,67 pc. des rémunérations brutes gagnées chez cet employeur durant l'exercice de vacances, éventuellement augmentées d'une rémunération fictive pour les jours d'interruption de travail assimilés à des journées de prestations effectives de travail, diminuées du simple pécule de vacances que l'employé a déjà reçu et qui a été calculé sur base du régime de travail de l'employé au moment où il a pris ses vacances.
L'employeur paie également avec le paiement de la rémunération du mois de décembre de l'année de vacances le double pécule de vacances. Ce double pécule de vacances est égal à 7,67 pc. des rémunérations brutes gagnées chez cet employeur durant l'exercice de vacances, éventuellement augmenté d'une rémunération fictive pour les jours d'interruption de travail assimilés à des jours de prestations effectives, diminuées du double pécule de vacances que l'employé a déjà reçu et qui a été calculé sur base du régime de travail de l'employé au moment où il a pris ses vacances]5
Il n'est cependant pas tenu compte des primes de fin d'année qui ont un caractère fixe, c'est-à-dire de celles dont l'octroi n'est pas lié à l'évaluation des prestations de l'employé, à sa productivité, au résultat de l'entreprise ou d'une section de celle-ci ou à tout critère rendant le paiement incertain et variable.
[1 Les alinéas précédents ne s'appliquent pas aux mesures de réduction du temps de travail mentionnées dans la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise [2 ainsi qu'aux mesures de réduction du temps de travail [4 telles que visées au chapitre II/1 du Titre III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail]4.]2]1
Si l'employé ou l'apprenti employé n'a pas encore pris les vacances afférentes a l'exercice précédent, l'employeur lui paie en outre 15,34 p.c. des rémunérations brutes gagnées chez lui pendant cet exercice de vacances, majorées éventuellement d'une rémunération fictive afférente aux journées d'interruption de travail assimilées à des journées de travail effectif normal.
Les alinéas précédents s'appliquent également aux employés occupés dans le cadre d'un contrat de travail visé par la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise à disposition d'utilisateurs.
[6 § 1er/1. Pour les footballeurs rémunérés qui sont liés par un contrat de travail en vertu de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré le pécule simple de vacances de sortie et le pécule double de sortie sont calculés comme suit :
1° Le simple pécule de vacances de sortie est égal à la moitié de:
- Pour la partie fixe du salaire : par mois réellement presté ou assimilé au cours de l'année de vacances auprès de l'employeur actuel, un supplément égal à 1/12 de 100 p.c. du salaire brut fixe complet gagné normalement du mois de départ ;
- Pour la partie variable du salaire : par mois presté ou assimilé au cours de l'année de vacances auprès de l'employeur actuel, un supplément égal à 1/12 de la prime de bénéfice brute complète contractuelle ou convenue de la première équipe dans la compétition nationale belge d'application au premier match de compétition de la nouvelle saison dans de l'exercice de vacances, indépendamment du fait si le joueur a participé effectivement à ce match. Au cas où le footballeur rémunéré n'était pas en service de l'employeur actuel à ce moment-là, le calcul doit se faire sur la première prime normale de bénéfice due.
Le simple pécule de vacances de sortie s'élève toutefois au minimum à 1/12 du salaire minimum pour les footballeurs rémunérés.
En cas de prestations incomplètes au cours d'un mois, le calcul se fait au prorata des jours réellement prestés ou assimilés au cours du mois en question.
2° Le montant du double pécule de vacances de sortie est égal au montant du simple pécule de vacances de sortie.]6
§ 2. Dans les cas visés par le § 1er, l'employeur remet à l'employé ou à l'apprenti employé, pour chacun de ces exercices de vacances, une attestation indiquant :
1° la période pendant laquelle l'employé ou l'apprenti employé a été occupé à son service et éventuellement les périodes assimilées;
2° le temps de travail convenu dans le contrat et, le cas échéant, la (les) modification(s), intervenues, conformément au § 3;
3° les montants bruts des pécules de vacances simple et double qui ont été payés et, le cas échéant, les périodes auxquels ces montants correspondent;
4° les cotisations payées par l'employeur sur les montants déclarés en application de l'article 23bis de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
5° le cas échéant, le nombre de jours de congés déjà pris par l'employé et le régime de travail dans lequel ces jours de congés ont été pris.
[3 6° les montants bruts du pécule de vacances supplémentaires qui a été payé;
7° le nombre de jours de congés supplémentaires déjà pris par l'employé et le régime de travail dans lequel ces jours de congés ont été pris;]3
[7 8° le nombre de jours de vacances reportés en vertu de l'article 64, 1°/1;]7
[8 9° la partie du pécule de vacances qui correspond à la rémunération normale des jours de vacances constitue un paiement anticipé pour les vacances à prendre chez un autre employeur. Les jours de vacances pris chez le nouvel employeur sur la base de l'attestation de vacances seront payés chez celui-ci sous déduction d'un montant forfaitaire correspondant à 90 % du salaire journalier brut de l'employé du mois durant lequel l'employé prendra ses jours de vacances. Au mois de décembre de l'année de vacances ou au plus tôt à la fin du contrat de travail, l'employeur procèdera aux corrections éventuelles résultant de la différence entre le simple pécule de vacances de 10% qui a été versé par l'employeur pendant l'année de vacances, les jours de vacances promérités chez le précédent employeur et le pécule de vacances effectivement dû par l'employeur, duquel a été déduit le simple pécule de vacances déjà versé par le précédent employeur. L'employeur informe l'employé via la fiche salariale du montant retenu/versé suite aux corrections effectuées.]8
En ce qui concerne l'employé intérimaire visé à l'article 3, 3°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, l'attestation afférente au pécule de vacances ne doit lui être remise qu'à la fin de l'exercice de vacances; si toutefois sa dernière occupation en tant qu'intérimaire survient avant la fin de l'exercice de vacances, l'attestation doit lui être remise au terme de cette occupation.
§ 3. [5 Lorsqu'un employé occupé chez un même employeur diminue le nombre moyen d'heures hebdomadaires prestées, cet employeur procède, avec le paiement de la rémunération afférente au mois de décembre de l'année de vacances, à la liquidation du pécule de vacances comme indiqué aux alinéas suivants.
L'employeur paie à l'employé le simple pécule de vacances correspondant aux jours de vacances non pris. Ce simple pécule de vacances est égal à 7,67 pc. des rémunérations brutes gagnées chez cet employeur durant l'exercice de vacances, éventuellement augmentées d'une rémunération fictive pour les jours d'interruption de travail assimilés à des journées de prestations effectives de travail, diminuées du simple pécule de vacances que l'employé a déjà reçu et qui a été calculé sur base du régime de travail de l'employé au moment où il a pris ses vacances.
L'employeur paie également avec le paiement de la rémunération du mois de décembre de l'année de vacances le double pécule de vacances. Ce double pécule de vacances est égal à 7,67 pc. des rémunérations brutes gagnées chez cet employeur durant l'exercice de vacances, éventuellement augmenté d'une rémunération fictive pour les jours d'interruption de travail assimilés à des jours de prestations effectives, diminuées du double pécule de vacances que l'employé a déjà reçu et qui a été calculé sur base du régime de travail de l'employé au moment où il a pris ses vacances]5
Il n'est cependant pas tenu compte des primes de fin d'année qui ont un caractère fixe, c'est-à-dire de celles dont l'octroi n'est pas lié à l'évaluation des prestations de l'employé, à sa productivité, au résultat de l'entreprise ou d'une section de celle-ci ou à tout critère rendant le paiement incertain et variable.
[1 Les alinéas précédents ne s'appliquent pas aux mesures de réduction du temps de travail mentionnées dans la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise [2 ainsi qu'aux mesures de réduction du temps de travail [4 telles que visées au chapitre II/1 du Titre III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail]4.]2]1
Änderungen
Art.47. Het dagelijks bedrag der fictieve wedde voor met (dagen normale werkelijke arbeid) gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking is gelijk aan de aan de bediende (of aan de leerling-bediende) verschuldigde dagelijkse wedde op het ogenblik dat de tot gelijkstelling aanleiding gevende gebeurtenis zich voordoet. <KB 1995-05-15/48, art. 9, 019; Inwerkingtreding : 10-12-1995> <KB 2001-06-10/60, art. 27, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Voor de bedienden wier wedde evenwel volledig veranderlijk is (provisies, premiën, percenten, kortingen, enz.), is de fictieve dagelijkse wedde gelijk aan de gemiddelde dagelijkse wedde die effectief verdiend werd in de loop der twaalf maanden die voorafgaan aan de maand waarin de gebeurtenis die tot gelijkstelling aanleiding geeft, zich voordoet. <KB 1995-05-15/48, art. 9, 019; Inwerkingtreding : 10-12-1995>
Is de bediende minder dan twaalf maanden werkzaam geweest bij de werkgever die hem op het ogenblik van de tot gelijkstelling aanleiding gevende gebeurtenis in dienst heeft, dan is de fictieve dagelijkse wedde gelijk aan de gemiddelde dagelijkse wedde bij deze werkgever verdiend gedurende de maanden die de maand voorafgaan waarin de tot gelijkstelling aanleiding gevende gebeurtenis zich voorgedaan heeft.
Voor de bedienden wier wedde slechts voor een gedeelte veranderlijk is, worden voor het vast gedeelte de bepalingen van het eerste lid van dit artikel toegepast en voor het veranderlijk gedeelte de bepalingen van het tweede en het derde lid, onder voorbehoud van andere bepalingen die bij collectieve overeenkomst worden getroffen.
Voor de bedienden wier wedde evenwel volledig veranderlijk is (provisies, premiën, percenten, kortingen, enz.), is de fictieve dagelijkse wedde gelijk aan de gemiddelde dagelijkse wedde die effectief verdiend werd in de loop der twaalf maanden die voorafgaan aan de maand waarin de gebeurtenis die tot gelijkstelling aanleiding geeft, zich voordoet. <KB 1995-05-15/48, art. 9, 019; Inwerkingtreding : 10-12-1995>
Is de bediende minder dan twaalf maanden werkzaam geweest bij de werkgever die hem op het ogenblik van de tot gelijkstelling aanleiding gevende gebeurtenis in dienst heeft, dan is de fictieve dagelijkse wedde gelijk aan de gemiddelde dagelijkse wedde bij deze werkgever verdiend gedurende de maanden die de maand voorafgaan waarin de tot gelijkstelling aanleiding gevende gebeurtenis zich voorgedaan heeft.
Voor de bedienden wier wedde slechts voor een gedeelte veranderlijk is, worden voor het vast gedeelte de bepalingen van het eerste lid van dit artikel toegepast en voor het veranderlijk gedeelte de bepalingen van het tweede en het derde lid, onder voorbehoud van andere bepalingen die bij collectieve overeenkomst worden getroffen.
Art.47. Le montant journalier de la rémunération fictive afférente aux journées d'interruption de travail assimilées à des (jours de travail effectif normal) est égal à la rémunération journalière due à l'employé (ou à l'apprenti employé) au moment où survient l'événement donnant lieu à assimilation. <AR 1995-05-15/48, art. 9, 019; En vigueur : 10-12-1995> <AR 2001-06-10/60, art. 27, 034; En vigueur : 01-01-2003>
Toutefois, pour les employés dont la rémunération est totalement variable (commissions, primes, pourcentages, remises, etc.), la rémunération journalière fictive est égale à la rémunération quotidienne moyenne effectivement gagnée au cours des douze mois précédant le mois au cours duquel survient l'événement donnant lieu à assimilation. <AR 1995-05-15/48, art. 9, 019; En vigueur : 10-12-1995>
Si l'employé a été occupé moins de douze mois par l'employeur donnant lieu à assimilation, la rémunération journalière fictive est égale à la rémunération quotidienne moyenne gagnée chez cet employeur au cours des mois qui précèdent celui pendant lequel est survenu l'événement donnant lieu à assimilation.
Pour les employés dont la rémunération n'est que partiellement variable, les dispositions de l'alinéa 1er du présent article sont applicables pour la partie fixe et les dispositions des alinéas 2 et 3 sont applicables pour la partie variable, sous réserve d'autres décisions prises sous forme de convention collective.
Toutefois, pour les employés dont la rémunération est totalement variable (commissions, primes, pourcentages, remises, etc.), la rémunération journalière fictive est égale à la rémunération quotidienne moyenne effectivement gagnée au cours des douze mois précédant le mois au cours duquel survient l'événement donnant lieu à assimilation. <AR 1995-05-15/48, art. 9, 019; En vigueur : 10-12-1995>
Si l'employé a été occupé moins de douze mois par l'employeur donnant lieu à assimilation, la rémunération journalière fictive est égale à la rémunération quotidienne moyenne gagnée chez cet employeur au cours des mois qui précèdent celui pendant lequel est survenu l'événement donnant lieu à assimilation.
Pour les employés dont la rémunération n'est que partiellement variable, les dispositions de l'alinéa 1er du présent article sont applicables pour la partie fixe et les dispositions des alinéas 2 et 3 sont applicables pour la partie variable, sous réserve d'autres décisions prises sous forme de convention collective.
Art.48. [1 Op het ogenblik dat de bij artikel 46 bedoelde bediende of leerling-bediende op basis van een vakantieattest zijn eerder verworven vakantiedagen opneemt, levert hij de attesten ontvangen bij toepassing van dit artikel af aan de werkgever die hem alsdan te werk te stelt.
Deze werkgever betaalt het enkel vakantiegeld met aftrek van een forfaitair bedrag van 90 % van het brutodagloon van de maand waarin de bediende zijn vakantie opneemt.
De werkgever betaalt overeenkomstig de artikelen 38 of 39 berekende eveneens een dubbel vakantiegeld uit bij het nemen van de hoofdvakantie, na aftrek van voor het vakantiedienstjaar bij toepassing van artikel 46, § 1, van het reeds uitbetaalde dubbel vakantiegeld.
In de maand december van het vakantiejaar of ten vroegste op het einde van de arbeidsovereenkomst brengt de werkgever eventuele correcties aan die voortvloeien uit het verschil tussen het enkel vakantiegeld van 10 % dat tijdens het vakantiejaar door de werkgever werd betaald, de bij de vorige werkgever verworven vakantiedagen en het effectief door de nieuwe werkgever verschuldigde enkel vakantiegeld, waarvan het reeds door de vorige werkgever betaalde enkel vakantiegeld werd afgetrokken. De werkgever brengt de werknemer als gevolg van de aangebrachte correcties. door middel van de loonfiche op de hoogte van het ingehouden/uitbetaalde bedrag.
Deze uitgevoerde aftrekken mogen evenwel niet meer bedragen dan het vakantiegeld dat door de werkgever, die de bediende of de leerling-bediende te werk stelt op het ogenblik van de vakantie, verschuldigd zijn voor de arbeid die hij bij andere werkgevers in de loop van het vakantiedienstjaar heeft verricht, zo deze arbeid in zijn dienst ware geweest.
De bovenstaande berekeningswijze laat het recht van de werkgever om een werkelijke inhouding per verlofdag toe te passen onverlet.
De werkgever stelt de bediende, op diens verzoek, via het meest geschikte kanaal in een begrijpelijk overzicht uitvoerig in kennis van de toegepaste berekeningswijze en de verrekeningsregels.
Het eventueel door de werkgever te veel betaalde enkel vakantiegeld wordt beschouwd als een voorschot in geld in de zin van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]1
Deze werkgever betaalt het enkel vakantiegeld met aftrek van een forfaitair bedrag van 90 % van het brutodagloon van de maand waarin de bediende zijn vakantie opneemt.
De werkgever betaalt overeenkomstig de artikelen 38 of 39 berekende eveneens een dubbel vakantiegeld uit bij het nemen van de hoofdvakantie, na aftrek van voor het vakantiedienstjaar bij toepassing van artikel 46, § 1, van het reeds uitbetaalde dubbel vakantiegeld.
In de maand december van het vakantiejaar of ten vroegste op het einde van de arbeidsovereenkomst brengt de werkgever eventuele correcties aan die voortvloeien uit het verschil tussen het enkel vakantiegeld van 10 % dat tijdens het vakantiejaar door de werkgever werd betaald, de bij de vorige werkgever verworven vakantiedagen en het effectief door de nieuwe werkgever verschuldigde enkel vakantiegeld, waarvan het reeds door de vorige werkgever betaalde enkel vakantiegeld werd afgetrokken. De werkgever brengt de werknemer als gevolg van de aangebrachte correcties. door middel van de loonfiche op de hoogte van het ingehouden/uitbetaalde bedrag.
Deze uitgevoerde aftrekken mogen evenwel niet meer bedragen dan het vakantiegeld dat door de werkgever, die de bediende of de leerling-bediende te werk stelt op het ogenblik van de vakantie, verschuldigd zijn voor de arbeid die hij bij andere werkgevers in de loop van het vakantiedienstjaar heeft verricht, zo deze arbeid in zijn dienst ware geweest.
De bovenstaande berekeningswijze laat het recht van de werkgever om een werkelijke inhouding per verlofdag toe te passen onverlet.
De werkgever stelt de bediende, op diens verzoek, via het meest geschikte kanaal in een begrijpelijk overzicht uitvoerig in kennis van de toegepaste berekeningswijze en de verrekeningsregels.
Het eventueel door de werkgever te veel betaalde enkel vakantiegeld wordt beschouwd als een voorschot in geld in de zin van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]1
Art.48. [1 Au moment où l'employé ou l'apprenti employé visé à l'article 46 prend ses vacances proméritées sur la base d'une attestation de vacances, il remet les attestations reçues en application de cet article à l'employeur qui l'occupe à ce moment.
Cet employeur paie le simple pécule de vacances en retenant un montant forfaitaire de 90 % du salaire journalier brut du mois au cours duquel l'employé prend ses vacances.
L'employeur verse également un double pécule de vacances calculé conformément aux dispositions des articles 38 ou 39 lors de la prise du congé principal, sous déduction pour l'année d'exercice de vacances du double pécule de vacances qui a déjà été payé en application de l'article 46, § 1er.
Au mois de décembre de l'année de vacances ou au plus tôt à la fin du contrat de travail, l'employeur procède aux corrections éventuelles résultant de la différence entre le simple pécule de vacances de 10% qui a été versé par l'employeur pendant l'année de vacances, les jours de vacances promérités chez le précédent employeur et le pécule de vacances effectivement dû par l'employeur, duquel a été déduit le simple pécule de vacances déjà versé par le précédent employeur. L'employeur informe l'employé via la fiche de salaire du montant retenu/versé suite aux corrections effectuées.
Ces déductions opérées ne peuvent toutefois pas dépasser le pécule de vacances qui aurait été dû par l'employeur qui occupe l'employé ou l'apprenti employé au moment des vacances pour les prestations que celui-ci a effectuées chez d'autres employeurs au cours de l'exercice de vacances précédent, si ces prestations avaient été effectuées à son service.
Le mode de calcul mentionné ci-dessus est sans préjudice de la prérogative pour l'employeur de procéder à une déduction effective par jour de congé.
L'employeur doit, à la demande du travailleur, l'informer de manière détaillée du mode de calcul appliqué et des modalités du décompte dans un aperçu compréhensible par le canal le plus approprié.
L'excédent éventuel du simple pécule de vacances versé par l'employeur est considéré comme une avance en argent au sens de l'article 23 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.]1
Cet employeur paie le simple pécule de vacances en retenant un montant forfaitaire de 90 % du salaire journalier brut du mois au cours duquel l'employé prend ses vacances.
L'employeur verse également un double pécule de vacances calculé conformément aux dispositions des articles 38 ou 39 lors de la prise du congé principal, sous déduction pour l'année d'exercice de vacances du double pécule de vacances qui a déjà été payé en application de l'article 46, § 1er.
Au mois de décembre de l'année de vacances ou au plus tôt à la fin du contrat de travail, l'employeur procède aux corrections éventuelles résultant de la différence entre le simple pécule de vacances de 10% qui a été versé par l'employeur pendant l'année de vacances, les jours de vacances promérités chez le précédent employeur et le pécule de vacances effectivement dû par l'employeur, duquel a été déduit le simple pécule de vacances déjà versé par le précédent employeur. L'employeur informe l'employé via la fiche de salaire du montant retenu/versé suite aux corrections effectuées.
Ces déductions opérées ne peuvent toutefois pas dépasser le pécule de vacances qui aurait été dû par l'employeur qui occupe l'employé ou l'apprenti employé au moment des vacances pour les prestations que celui-ci a effectuées chez d'autres employeurs au cours de l'exercice de vacances précédent, si ces prestations avaient été effectuées à son service.
Le mode de calcul mentionné ci-dessus est sans préjudice de la prérogative pour l'employeur de procéder à une déduction effective par jour de congé.
L'employeur doit, à la demande du travailleur, l'informer de manière détaillée du mode de calcul appliqué et des modalités du décompte dans un aperçu compréhensible par le canal le plus approprié.
L'excédent éventuel du simple pécule de vacances versé par l'employeur est considéré comme une avance en argent au sens de l'article 23 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.]1
Änderungen
Art.49. [1 De werkgever betaalt de bediende of een leerling-bediende die in de loop van het vakantiedienstjaar werd tewerkgesteld in de hoedanigheid van arbeider of leerling-arbeider het enkel vakantiegeld uit met aftrek van een forfaitair bedrag van 90 % van het brutodagloon van de maand waarin de bediende zijn vakantie opneemt en na de afhouding voorzien bij artikel 15 te hebben gedaan.
Wanneer een bediende of een leerling-bediende in hoedanigheid van arbeider of leerling-arbeider in de loop van het vakantiedienstjaar werd te werk gesteld, betaalt zijn werkgever hem het dubbel vakantiegeld, berekend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 38 of 39, na aftrek van het brutobedrag van het dubbel vakantiegeld dat aan de arbeider door het vakantiefonds betaald werd, na de afhouding voorzien bij artikel 15 te hebben gedaan.
Deze aftrek mag niet meer bedragen dan het vakantiegeld dat door de werkgever die de bediende of de leerling-bediende op het ogenblik van de vakantie in dienst heeft zou verschuldigd geweest zijn indien de arbeider in zijn dienst gewerkt had in hoedanigheid van bediende of van leerling-bediende.
In de maand december van het vakantiejaar of ten vroegste op het einde van de arbeidsovereenkomst brengt de werkgever eventuele correcties aan die voortvloeien uit het verschil tussen het enkel vakantiegeld van 10 % dat tijdens het vakantiejaar door de werkgever werd betaald, de bij het vakantiefonds verworven vakantiedagen en het effectief door de nieuwe werkgever verschuldigde enkel vakantiegeld, waarvan het reeds door het vakantiefonds betaalde enkel vakantiegeld werd afgetrokken en na de inhouding voorzien bij artikel 15 te hebben gedaan. De werkgever brengt de werknemer als gevolg van de aangebrachte correcties. door middel van de loonfiche op de hoogte van het ingehouden/uitbetaalde bedrag.
De bovenstaande berekeningswijze laat het recht van de werkgever om een werkelijke inhouding per verlofdag toe te passen onverlet.
De werkgever stelt de bediende, op diens verzoek, via het meest geschikte kanaal in een begrijpelijk overzicht uitvoerig in kennis van de toegepaste berekeningswijze en de verrekeningsregels.
Het eventueel door de werkgever te veel betaalde enkel vakantiegeld wordt beschouwd als een voorschot in geld in de zin van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]1
Wanneer een bediende of een leerling-bediende in hoedanigheid van arbeider of leerling-arbeider in de loop van het vakantiedienstjaar werd te werk gesteld, betaalt zijn werkgever hem het dubbel vakantiegeld, berekend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 38 of 39, na aftrek van het brutobedrag van het dubbel vakantiegeld dat aan de arbeider door het vakantiefonds betaald werd, na de afhouding voorzien bij artikel 15 te hebben gedaan.
Deze aftrek mag niet meer bedragen dan het vakantiegeld dat door de werkgever die de bediende of de leerling-bediende op het ogenblik van de vakantie in dienst heeft zou verschuldigd geweest zijn indien de arbeider in zijn dienst gewerkt had in hoedanigheid van bediende of van leerling-bediende.
In de maand december van het vakantiejaar of ten vroegste op het einde van de arbeidsovereenkomst brengt de werkgever eventuele correcties aan die voortvloeien uit het verschil tussen het enkel vakantiegeld van 10 % dat tijdens het vakantiejaar door de werkgever werd betaald, de bij het vakantiefonds verworven vakantiedagen en het effectief door de nieuwe werkgever verschuldigde enkel vakantiegeld, waarvan het reeds door het vakantiefonds betaalde enkel vakantiegeld werd afgetrokken en na de inhouding voorzien bij artikel 15 te hebben gedaan. De werkgever brengt de werknemer als gevolg van de aangebrachte correcties. door middel van de loonfiche op de hoogte van het ingehouden/uitbetaalde bedrag.
De bovenstaande berekeningswijze laat het recht van de werkgever om een werkelijke inhouding per verlofdag toe te passen onverlet.
De werkgever stelt de bediende, op diens verzoek, via het meest geschikte kanaal in een begrijpelijk overzicht uitvoerig in kennis van de toegepaste berekeningswijze en de verrekeningsregels.
Het eventueel door de werkgever te veel betaalde enkel vakantiegeld wordt beschouwd als een voorschot in geld in de zin van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]1
Art.49. [1 L'employeur paie à l'employé ou à l'apprenti employé qui a été occupé en qualité d'ouvrier ou d'apprenti ouvrier, au cours de l'exercice de vacances, son simple pécule de vacances en retenant un montant forfaitaire de 90 % du salaire journalier brut du mois au cours duquel l'employé prend ses vacances et après avoir effectué la retenue visée à l'article 15.
Lorsqu'un employé ou un apprenti employé a été occupé en qualité d'ouvrier ou d'apprenti ouvrier au cours de l'exercice de vacances, son employeur lui paie au moment des vacances principales, le double pécule de vacances calculé conformément aux dispositions des articles 38 ou 39, sous déduction du montant brut du double pécule de vacances que la Caisse de vacances a attribué à l'ouvrier après avoir effectué la retenue visée à l'article 15.
Cette déduction ne peut dépasser le pécule de vacances qui aurait été dû par l'employeur qui occupe l'employé ou l'apprenti employé au moment des vacances si l'ouvrier avait été occupé à son service en qualité d'employé ou d'apprenti employé.
Au mois de décembre de l'année de vacances ou au plus tôt à la fin du contrat de travail, l'employeur procède aux corrections éventuelles résultant de la différence entre le simple pécule de vacances de 10% qui a été versé par l'employeur pendant l'année de vacances, les jours de vacances promérités chez le précédent employeur et le pécule de vacances effectivement dû par l'employeur, dont a été déduit le simple pécule de vacances de départ déjà versé par la Caisse de vacances et après avoir effectué la retenue visée à l'article 15. L'employeur informe l'employé via la fiche de salaire du montant retenu/versé suite aux corrections effectuées.
Le mode de calcul mentionné ci-dessus est sans préjudice de la prérogative pour l'employeur de procéder à une déduction effective par jour de congé.
L'employeur doit, à la demande de l'employé, l'informer de manière détaillée du mode de calcul appliqué et des modalités du décompte dans un aperçu compréhensible par le canal le plus approprié.
L'excédent éventuel du simple pécule de vacances versé par l'employeur est considéré comme une avance en argent au sens de l'article 23 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.]1
Lorsqu'un employé ou un apprenti employé a été occupé en qualité d'ouvrier ou d'apprenti ouvrier au cours de l'exercice de vacances, son employeur lui paie au moment des vacances principales, le double pécule de vacances calculé conformément aux dispositions des articles 38 ou 39, sous déduction du montant brut du double pécule de vacances que la Caisse de vacances a attribué à l'ouvrier après avoir effectué la retenue visée à l'article 15.
Cette déduction ne peut dépasser le pécule de vacances qui aurait été dû par l'employeur qui occupe l'employé ou l'apprenti employé au moment des vacances si l'ouvrier avait été occupé à son service en qualité d'employé ou d'apprenti employé.
Au mois de décembre de l'année de vacances ou au plus tôt à la fin du contrat de travail, l'employeur procède aux corrections éventuelles résultant de la différence entre le simple pécule de vacances de 10% qui a été versé par l'employeur pendant l'année de vacances, les jours de vacances promérités chez le précédent employeur et le pécule de vacances effectivement dû par l'employeur, dont a été déduit le simple pécule de vacances de départ déjà versé par la Caisse de vacances et après avoir effectué la retenue visée à l'article 15. L'employeur informe l'employé via la fiche de salaire du montant retenu/versé suite aux corrections effectuées.
Le mode de calcul mentionné ci-dessus est sans préjudice de la prérogative pour l'employeur de procéder à une déduction effective par jour de congé.
L'employeur doit, à la demande de l'employé, l'informer de manière détaillée du mode de calcul appliqué et des modalités du décompte dans un aperçu compréhensible par le canal le plus approprié.
L'excédent éventuel du simple pécule de vacances versé par l'employeur est considéré comme une avance en argent au sens de l'article 23 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.]1
Änderungen
Afdeling II- Aanvullende vakantie der jeugdige bedienden.
Section II- Vacances supplémentaires des jeunes employés.
Art.50. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.50. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.51. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.51. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.52. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
(NOTA : de wijziging van dit artikel door KB 2001-06-10/60, art. 28 is niet kunnen verwerkt worden ; de wetgever heeft geen rekening gehouden met de opheffing van art. 52 door KB 2001-06-13/32 : zie de gearchiveerde versie nr. 031. Art. 28 van KB 2001-06-10/60 werd trouwens ingetrokken bij KB 2003-03-12/42, art. 1.)
(NOTA : de wijziging van dit artikel door KB 2001-06-10/60, art. 28 is niet kunnen verwerkt worden ; de wetgever heeft geen rekening gehouden met de opheffing van art. 52 door KB 2001-06-13/32 : zie de gearchiveerde versie nr. 031. Art. 28 van KB 2001-06-10/60 werd trouwens ingetrokken bij KB 2003-03-12/42, art. 1.)
Art.52. (Abroge) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
(NOTE : La modification de cet article par AR 2001-06-10/60, art. 28, n'a pu être intégrée, le législateur n'ayant pas tenu compte de l'abrogation de celui-ci par AR 2001-06-13/32, art. 10 : voir version archivée n° 31. L'article 28 de l'AR 2001-06-10/60 a d'ailleurs été rapporté par AR 2003-03-12/42, art. 1.)
(NOTE : La modification de cet article par AR 2001-06-10/60, art. 28, n'a pu être intégrée, le législateur n'ayant pas tenu compte de l'abrogation de celui-ci par AR 2001-06-13/32, art. 10 : voir version archivée n° 31. L'article 28 de l'AR 2001-06-10/60 a d'ailleurs été rapporté par AR 2003-03-12/42, art. 1.)
Art.53. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.53. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art. 53bis. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
(NOTA : de wijziging van dit artikel door KB 2001-06-10/60, art. 29, Inwerkingtreding : 01-01-203, is niet kunnen verwerkt worden ; de wetgever heeft geen rekening gehouden met de opheffing van art. 53bis door KB 2001-06-13/32, ED 01-01-2001 : zie de gearchiveerde versie nr. 031. Art. 29 van KB 2001-06-10/60 werd trouwens ingetrokken bij KB 2003-03-12/42, art. 1.)
(NOTA : de wijziging van dit artikel door KB 2001-06-10/60, art. 29, Inwerkingtreding : 01-01-203, is niet kunnen verwerkt worden ; de wetgever heeft geen rekening gehouden met de opheffing van art. 53bis door KB 2001-06-13/32, ED 01-01-2001 : zie de gearchiveerde versie nr. 031. Art. 29 van KB 2001-06-10/60 werd trouwens ingetrokken bij KB 2003-03-12/42, art. 1.)
Art. 53bis. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
(NOTE : La modification de cet article par AR 2001-06-10/60, art. 29 n'a pu être intégrée, le législateur n'ayant pas tenu compte de la dernière modification de celui-ci par AR 2001-06-13/32 : voir version archivée n° 31. L'art. 29 de l'AR 2001-06-10/60, art. 29, a d'ailleurs été rapporté par AR 2003-03-12/42, art. 1.)
(NOTE : La modification de cet article par AR 2001-06-10/60, art. 29 n'a pu être intégrée, le législateur n'ayant pas tenu compte de la dernière modification de celui-ci par AR 2001-06-13/32 : voir version archivée n° 31. L'art. 29 de l'AR 2001-06-10/60, art. 29, a d'ailleurs été rapporté par AR 2003-03-12/42, art. 1.)
Art. 53ter. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 53ter. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.54. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.54. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.55. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.55. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.56. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
(NOTA : de wijziging van dit artikel door KB 2001-06-10/60, art. 30, ED 01-01-2003, is niet kunnen verwerkt worden ; de wetgever heeft geen rekening gehouden met de opheffing van art. 56 door KB 2001-06-13/32 met ingang vanaf 01-01-2001: zie de gearchiveerde versie nr. 031. Art. 30 van KB 2001-06-10/60 werd trouwens ingetrokken bij KB 2003-03-12/42, art. 1.)
(NOTA : de wijziging van dit artikel door KB 2001-06-10/60, art. 30, ED 01-01-2003, is niet kunnen verwerkt worden ; de wetgever heeft geen rekening gehouden met de opheffing van art. 56 door KB 2001-06-13/32 met ingang vanaf 01-01-2001: zie de gearchiveerde versie nr. 031. Art. 30 van KB 2001-06-10/60 werd trouwens ingetrokken bij KB 2003-03-12/42, art. 1.)
Art.56. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
(NOTE : La modification de cet article par AR 2001-06-10/60, art. 30, ED 01-01-2003, n'a pu être intégrée, le législateur n'ayant pas tenu compte de l'abrogation de celui-ci par AR 2001-06-13/32 avec effet au 01-01-2001: voir version archivée n° 31. L'art. 30 de l'AR 2001-06-10/60 a d'ailleurs été rapporté par AR 2003-03-12/42, art. 1.)
(NOTE : La modification de cet article par AR 2001-06-10/60, art. 30, ED 01-01-2003, n'a pu être intégrée, le législateur n'ayant pas tenu compte de l'abrogation de celui-ci par AR 2001-06-13/32 avec effet au 01-01-2001: voir version archivée n° 31. L'art. 30 de l'AR 2001-06-10/60 a d'ailleurs été rapporté par AR 2003-03-12/42, art. 1.)
Art.57. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.57. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.58. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.58. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
Art.59. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.59. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
HOOFDSTUK II- Duur van de vakantie.
CHAPITRE II- Durée des vacances.
Afdeling I- Gewone vakantie.
Section Ière- Vacances ordinaires.
Art.60. <KB 9-4-1975, art.6> De vakantieduur wordt vastgesteld op twee dagen per maand arbeid of met arbeid gelijkgestelde onderbreking, in dienst van een of meer werkgevers in de loop van het vakantiedienstjaar.
[1 De wettelijke vakantie mag geen vier weken overstijgen [2 , behalve in de gevallen van de overdracht voorzien bij artikel 64, 1°/1]2.]1
[1 De wettelijke vakantie mag geen vier weken overstijgen [2 , behalve in de gevallen van de overdracht voorzien bij artikel 64, 1°/1]2.]1
Art.60. <AR 9-4-1975, art. 6> La durée des vacances est déterminée à raison de deux jours par mois de prestations effectives ou d'interruption de travail assimilée à du travail effectif chez un ou plusieurs employeurs au cours de l'exercice de vacances.
[1 Les vacances légales ne peuvent excéder quatre semaines [2 , sauf dans les cas du report prévu à l'article 64, 1°/1]2.]1
[1 Les vacances légales ne peuvent excéder quatre semaines [2 , sauf dans les cas du report prévu à l'article 64, 1°/1]2.]1
Art.61. Voor de berekening van de duur van de vakantie worden met effectief gewerkte dagen gelijkgesteld, de dagen van arbeidsonderbreking die voor de berekening van het vakantiegeld met effectieve dagen worden gelijkgesteld, bij toepassing van artikel 41 tot 44, alsmede de dagen waarmee rekening moet worden gehouden op grond van de wetgeving op het toekennen van loon aan de werknemers gedurende een zeker aantal feestdagen per jaar [1 , de dagen van aanvullende vakantie bedoeld in artikelen 37undecies en 62quinquies]1 en de dagen van de jaarlijkse vakantie.
Art.61. Pour le calcul de la durée des vacances, sont assimilées à des journées de travail effectif, les journées d'interruption de travail assimilées à des journées de travail effectif pour le calcul du pécule de vacances en application des articles 41 à 44 ainsi que les journées à prendre en considération en vertu de la législation sur l'octroi de salaires aux travailleurs pendant un certain nombre de jours fériés par an [1 , les jours de vacances supplémentaires visés aux articles 37undecies et 62quinquies]1 et les jours de vacances annuelles.
Änderungen
Afdeling II- Aanvullende vakantie der jeugdige bedienden.
Section II- Vacances supplémentaires des jeunes employés.
Art.62. (Opgeheven) <KB 2001-06-13/32, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.62. (Abrogé) <AR 2001-06-13/32, art. 10, 032; En vigueur : 01-01-2001>
HOOFDSTUK III. - [1 Aanvullende vakantie.]1
CHAPITRE III. - [1 Vacances supplémentaires.]1
Afdeling 1. [1 Aanvullend vakantiegeld.]1
Section 1re. [1 Pécule de vacances supplémentaires.]1
Art. 62bis. [1 Overeenkomstig de bepalingen van artikel 38, 1° betaalt de werkgever aan de werknemer op de gewone datum voor uitbetaling van het loon een bedrag gelijk aan zijn normaal loon voor de dagen aanvullende vakantie.]1
Art. 62bis. [1 Conformément aux dispositions de l'article 38, 1°, l'employeur paie au travailleur, à la date habituelle du paiement du salaire, un montant équivalent à sa rémunération normale afférente aux jours de vacances supplémentaires.]1
Art. 62ter. [1 Het vakantiegeld bedoeld in artikel 62bis komt in mindering van latere uitbetalingen van vakantiegeld bedoeld in artikel 38, 2°.
Art. 62ter. [1 Le pécule visé à l'article 62bis vient en déduction des paiements ultérieurs du pécule de vacances visé à l'article 38, 2°.
Art. 62quater. [1 Voor de berekening van het bedrag van het aanvullend vakantiegeld, worden beschouwd als arbeidsdagen :
1° de dagen arbeidsonderbreking bedoeld in artikel 41 volgens de modaliteiten, bedoeld in artikelen 42 tot en met 44;
2° de jaarlijkse vakantiedagen bedoeld in artikel 3 alsook de aanvullende vakantie.]1
1° de dagen arbeidsonderbreking bedoeld in artikel 41 volgens de modaliteiten, bedoeld in artikelen 42 tot en met 44;
2° de jaarlijkse vakantiedagen bedoeld in artikel 3 alsook de aanvullende vakantie.]1
Art. 62quater. [1 Pour le calcul du montant du pécule supplémentaire sont considérées comme des journées de travail :
1° les journées d'interruption de travail visées à l'article 41, selon les modalités fixées par les articles 42 à 44 inclus;
2° les journées de vacances annuelles visées à l'article 3 ainsi que les vacances supplémentaires.]1
1° les journées d'interruption de travail visées à l'article 41, selon les modalités fixées par les articles 42 à 44 inclus;
2° les journées de vacances annuelles visées à l'article 3 ainsi que les vacances supplémentaires.]1
Afdeling 2. [1 Duur van de aanvullende vakantie.]1
Section 2. [1 Durée des vacances supplémentaires.]1
Art. 62quinquies. [1 Vanaf de laatste week van de aanloopperiode heeft de werknemer die de voorwaarden bepaald in artikel 3bis vervult, recht op maximum zes vakantiedagen in een arbeidsstelsel van zes dagen per week. Indien de werknemer is tewerkgesteld volgens een ander arbeidsstelsel, heeft hij recht op vakantiedagen naar verhouding van zijn arbeidsstelsel tijdens zijn aanloopperiode.
Art. 62quinquies. [1 Dès la dernière semaine de la période d'amorçage, le travailleur qui remplit les conditions fixées à l'article 3bis a le droit de prendre un maximum de six jours de vacances dans un régime de travail de six jours par semaine. Si le travailleur est occupé dans un autre régime de travail, il a droit à des jours de vacances proportionnellement au régime de travail qui est le sien durant sa période d'amorçage.
Art. 62sexies. [1 Voor de berekening van de duur van de aanvullende vakantie, worden beschouwd als. dagen van normale werkelijke arbeid :
Art. 62sexies. [1 Pour le calcul de la durée des vacances supplémentaires sont considérées comme des journées de travail effectif :
TITEL IV- GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN.
TITRE IV- DISPOSITIONS COMMUNES.
Art.63. De paritaire comités kunnen beslissingen treffen omtrent de datum van de vakantie en de eventuele verdeling ervan. De Minister van Sociale Voorzorg moet ten laatste op 31 december van het jaar dat datgene voorafgaat waarin de vakantie moet worden genomen, over deze beslissingen worden ingelicht.
Indien het paritair comité zijn beslissing op genoemde datum niet heeft meegedeeld, mag de ondernemingsraad omtrent ditzelfde object beslissingen treffen. Bij ontstentenis van ondernemingsraad of indien de ondernemingsraad geen beslissing heeft getroffen mogen de regelingen op het vlak van de onderneming getroffen worden tussen de werkgever eendeels en de syndicale afvaardiging anderdeels of bij ontstentenis van deze laatste, de werknemers. Indien op deze verschillende vlakken geen beslissing wordt genomen, worden de regelingen getroffen bij individueel akkoord tussen de werkgever en de werknemer.
Indien het paritair comité zijn beslissing op genoemde datum niet heeft meegedeeld, mag de ondernemingsraad omtrent ditzelfde object beslissingen treffen. Bij ontstentenis van ondernemingsraad of indien de ondernemingsraad geen beslissing heeft getroffen mogen de regelingen op het vlak van de onderneming getroffen worden tussen de werkgever eendeels en de syndicale afvaardiging anderdeels of bij ontstentenis van deze laatste, de werknemers. Indien op deze verschillende vlakken geen beslissing wordt genomen, worden de regelingen getroffen bij individueel akkoord tussen de werkgever en de werknemer.
Art.63. Les commissions paritaires peuvent prendre des décisions quant à la date des vacances et à leur fractionnement éventuel. Le Ministre de la Prévoyance sociale doit être informé de ces décisions au plus tard le 31 décembre de l'année précédant celle au cours de laquelle les vacances doivent être prises.
Si la commission paritaire n'a pas communiqué sa décision pour la date précitée, le conseil d'entreprise peut prendre des décisions sur le même objet. A défaut de conseil d'entreprise ou de décision prise par lui, les dispositions peuvent résulter d'accords d'entreprise entre, d'une part, l'employeur et, d'autre part, la délégation syndicale, ou à défaut de cette dernière, les travailleurs. En l'absence de décision prise à ces divers niveaux, les dispositions résulteront d'un accord individuel entre l'employeur et le travailleur.
Si la commission paritaire n'a pas communiqué sa décision pour la date précitée, le conseil d'entreprise peut prendre des décisions sur le même objet. A défaut de conseil d'entreprise ou de décision prise par lui, les dispositions peuvent résulter d'accords d'entreprise entre, d'une part, l'employeur et, d'autre part, la délégation syndicale, ou à défaut de cette dernière, les travailleurs. En l'absence de décision prise à ces divers niveaux, les dispositions résulteront d'un accord individuel entre l'employeur et le travailleur.
Art.64. Navolgende regels zijn van toepassing zowel voor de collectieve maatregelen als voor de individuele akkoorden :
1° de vakantie moet worden toegekend binnen de twaalf maanden die op het einde van het vakantiedienstjaar volgen;
[2 1°/1 onverminderd de bepaling onder 1°, moet de nog op te nemen vakantie ingevolge één der oorzaken van de schorsingen voorzien in de artikelen 16, 1°, 2°, 3°, 4°, 15°, 18°, 19°, 22° en 24°, en 41, 1°, 2°, 3°, 4°, 13°, 15°, 16°, 21° en 23°, worden opgenomen in de vierentwintig maanden die volgen op het einde van het vakantiejaar waarop deze nog te nemen vakantiedagen betrekking hebben;]2
2° wanneer het om gezinshoofden gaat, wordt de vakantie bij voorkeur toegekend tijdens de schoolvakantie;
3° een ononderbroken vakantieperiode van een week moet in elk geval worden gewaarborgd;
4° een ononderbroken periode van drie weken en van twee weken vakantie, moet tussen 1 mei en 31 oktober worden gewaarborgd respectievelijk aan de werknemers die geen 18 jaar oud zijn bij het verstrijken van het vakantiedienstjaar en aan de andere werknemers, behoudens andersluidend verzoek van de betrokkenen;
5° (met betrekking tot de vakantieperiode buiten de eerste twee of drie weken, naargelang de werknemers bij het verstrijken van het vakantiedienstjaar ten minste 18 jaar zijn of jonger, dienen de toekenningsmodaliteiten van dien aard te zijn dat de globale aan de produktie bestede tijd maximaal wordt gevrijwaard; indien mogelijk dienen deze vakantiedagen opgenomen te worden tijdens de periodes van afnemende aktiviteit, of naar aanleiding van gewestelijke, plaatselijke of andere feestdagen;) <KB 9-4-1975, art. 8>
6° (onverminderd de bepalingen bedoeld sub 3° en 4° mag de vakantie niet bij halve dagen genomen worden behoudens wat betreft :
a) de halve dagen vakantie die met een halve dag gewone inactiviteit aangevuld worden [1 of met een halve dag aanvullende vakantie]1;
[1 a/1 de halve dagen aanvullende vakantie die worden aangevuld ofwel met een halve dag gewone inactiviteit, ofwel met een halve dag gewone vakantie;]1
b) de verdeling in halve dagen van drie dagen van de vierde vakantieweek, op aanvraag van de werknemer. De werkgever mag zich echter tegen deze verdeling verzetten, indien dit van aard is om het werk in de onderneming te storen). <KB 17-7-1979, art. 7>
1° de vakantie moet worden toegekend binnen de twaalf maanden die op het einde van het vakantiedienstjaar volgen;
[2 1°/1 onverminderd de bepaling onder 1°, moet de nog op te nemen vakantie ingevolge één der oorzaken van de schorsingen voorzien in de artikelen 16, 1°, 2°, 3°, 4°, 15°, 18°, 19°, 22° en 24°, en 41, 1°, 2°, 3°, 4°, 13°, 15°, 16°, 21° en 23°, worden opgenomen in de vierentwintig maanden die volgen op het einde van het vakantiejaar waarop deze nog te nemen vakantiedagen betrekking hebben;]2
2° wanneer het om gezinshoofden gaat, wordt de vakantie bij voorkeur toegekend tijdens de schoolvakantie;
3° een ononderbroken vakantieperiode van een week moet in elk geval worden gewaarborgd;
4° een ononderbroken periode van drie weken en van twee weken vakantie, moet tussen 1 mei en 31 oktober worden gewaarborgd respectievelijk aan de werknemers die geen 18 jaar oud zijn bij het verstrijken van het vakantiedienstjaar en aan de andere werknemers, behoudens andersluidend verzoek van de betrokkenen;
5° (met betrekking tot de vakantieperiode buiten de eerste twee of drie weken, naargelang de werknemers bij het verstrijken van het vakantiedienstjaar ten minste 18 jaar zijn of jonger, dienen de toekenningsmodaliteiten van dien aard te zijn dat de globale aan de produktie bestede tijd maximaal wordt gevrijwaard; indien mogelijk dienen deze vakantiedagen opgenomen te worden tijdens de periodes van afnemende aktiviteit, of naar aanleiding van gewestelijke, plaatselijke of andere feestdagen;) <KB 9-4-1975, art. 8>
6° (onverminderd de bepalingen bedoeld sub 3° en 4° mag de vakantie niet bij halve dagen genomen worden behoudens wat betreft :
a) de halve dagen vakantie die met een halve dag gewone inactiviteit aangevuld worden [1 of met een halve dag aanvullende vakantie]1;
[1 a/1 de halve dagen aanvullende vakantie die worden aangevuld ofwel met een halve dag gewone inactiviteit, ofwel met een halve dag gewone vakantie;]1
b) de verdeling in halve dagen van drie dagen van de vierde vakantieweek, op aanvraag van de werknemer. De werkgever mag zich echter tegen deze verdeling verzetten, indien dit van aard is om het werk in de onderneming te storen). <KB 17-7-1979, art. 7>
Art.64. Les règles suivantes sont d'application tant pour les mesures collectives que pour les accords individuels :
1° les vacances doivent être octroyées dans les douze mois qui suivent la fin de l'exercice de vacances;
[2 1°/1 sans préjudice du 1°, les vacances qui restent encore à prendre suite à l'une des causes de suspensions prévues aux articles 16, 1°, 2°, 3°, 4° 15°, 18°, 19°, 22° et 24°, et 41, 1°, 2°, 3°, 4°, 13°, 15°, 16°, 21° et 23°, doivent être prises dans les vingt-quatre mois qui suivent la fin de l'année de vacances pour laquelle ces journées de vacances restent encore à prendre;]2
2° lorsqu'ils s'agit de chefs de famille, les vacances octroyées de préférence pendant la période des vacances scolaires;
3° une période continue de vacances d'une semaine doit être en tout cas assurée;
4° sauf demande contraire des travailleurs intéressés, une période continue de trois semaines et de deux semaines de vacances doit être assurée entre le 1er mai et le 31 octobre, respectivement aux travailleurs âgés de moins de 18 ans à la fin de l'exercice de vacances et aux autres travailleurs;
5° (en ce qui concerne la période se situant au-delà des deux ou des trois premières semaines, selon qu'ils s'agit de travailleurs âgés de 18 ans au moins ou de 18 ans à l'expiration de l'exercice de vacances, les modalités d'octroi seront telles qu'elles sauvegardent au maximum le temps global consacré à la production; dans la mesure du possible, ces journées de vacances seront prises dans des périodes de moindre activité ou à l'occasion de fêtes régionales, locales ou autres;) <AR 9-4-1975, art. 8>
6° (sans préjudice des dispositions visées sub 3° et 4°, la prise de demi-jours de vacances est interdite sauf en ce qui concerne :
a) les demi-jours de vacances qui sont complétés par un demi-jour de repos habituel [1 ou par un demi-jour de vacances supplémentaires;]1;
[1 a/1) les demi-jours de vacances supplémentaires qui sont complétés soit par un demi-jour de repos habituel, soit par un demi-jour de vacances ordinaires;]1
b) le fractionnement en demi-jours de trois journées de la quatrième semaine de vacances, sur demande du travailleur. L'employeur peut cependant s'opposer à ce fractionnement si cela est de nature à désorganiser le travail dans l'entreprise.) <AR 17-7-1979, art. 7>
1° les vacances doivent être octroyées dans les douze mois qui suivent la fin de l'exercice de vacances;
[2 1°/1 sans préjudice du 1°, les vacances qui restent encore à prendre suite à l'une des causes de suspensions prévues aux articles 16, 1°, 2°, 3°, 4° 15°, 18°, 19°, 22° et 24°, et 41, 1°, 2°, 3°, 4°, 13°, 15°, 16°, 21° et 23°, doivent être prises dans les vingt-quatre mois qui suivent la fin de l'année de vacances pour laquelle ces journées de vacances restent encore à prendre;]2
2° lorsqu'ils s'agit de chefs de famille, les vacances octroyées de préférence pendant la période des vacances scolaires;
3° une période continue de vacances d'une semaine doit être en tout cas assurée;
4° sauf demande contraire des travailleurs intéressés, une période continue de trois semaines et de deux semaines de vacances doit être assurée entre le 1er mai et le 31 octobre, respectivement aux travailleurs âgés de moins de 18 ans à la fin de l'exercice de vacances et aux autres travailleurs;
5° (en ce qui concerne la période se situant au-delà des deux ou des trois premières semaines, selon qu'ils s'agit de travailleurs âgés de 18 ans au moins ou de 18 ans à l'expiration de l'exercice de vacances, les modalités d'octroi seront telles qu'elles sauvegardent au maximum le temps global consacré à la production; dans la mesure du possible, ces journées de vacances seront prises dans des périodes de moindre activité ou à l'occasion de fêtes régionales, locales ou autres;) <AR 9-4-1975, art. 8>
6° (sans préjudice des dispositions visées sub 3° et 4°, la prise de demi-jours de vacances est interdite sauf en ce qui concerne :
a) les demi-jours de vacances qui sont complétés par un demi-jour de repos habituel [1 ou par un demi-jour de vacances supplémentaires;]1;
[1 a/1) les demi-jours de vacances supplémentaires qui sont complétés soit par un demi-jour de repos habituel, soit par un demi-jour de vacances ordinaires;]1
b) le fractionnement en demi-jours de trois journées de la quatrième semaine de vacances, sur demande du travailleur. L'employeur peut cependant s'opposer à ce fractionnement si cela est de nature à désorganiser le travail dans l'entreprise.) <AR 17-7-1979, art. 7>
Art.65. Bij ontstentenis van beslissing of van collectief akkoord omtrent de data van de vakantie en de eventuele verdeling ervan, kan de werknemer die 18 jaar oud is bij het verstrijken van het vakantiedienstjaar vragen dat de derde vakantieweek bij de eerste twee wordt gevoegd; de werkgever kan zich hiertegen evenwel verzetten, indien zulks de organisatie van het werk zou kunnen verstoren.
(De vierde week kan op dezelfde wijze bij de andere vakantieweken gevoegd worden, ongeacht de leeftijd van de werknemer.) <KB 9-4-1975, art. 9>
(De vierde week kan op dezelfde wijze bij de andere vakantieweken gevoegd worden, ongeacht de leeftijd van de werknemer.) <KB 9-4-1975, art. 9>
Art.65. A défaut de décision ou d'accord de caractère collectif, sur les dates de vacances et leur fractionnement éventuel, le travailleur âgé de 18 ans à la fin de l'exercice de vacances peut demander l'adjonction de la troisième semaine de vacances aux deux premières; l'employeur peut cependant s'y opposer si cela est de nature a désorganiser le travail dans l'entreprise.
(La quatrième semaine peut pareillement être adjointe aux autres semaines de vacances, quel que soit l'âge du travailleur.) <AR 9-4-1975, art. 9>
(La quatrième semaine peut pareillement être adjointe aux autres semaines de vacances, quel que soit l'âge du travailleur.) <AR 9-4-1975, art. 9>
Art.66. [1 Onverminderd de bepalingen van artikel 68, 2°, de werknemer, die in de onmogelijkheid verkeert zijn vakantie te nemen om één der redenen vermeld:
a) in de artikelen 16, 5° tot en met 10°, 12° en 16°, en 41, 5° tot en met 10°, 12° en 14°, behoudt zijn recht, zelfs in geval van collectieve vakantie, op de vakantiedagen tot bij het verstrijken van de twaalf maanden die op het einde van het vakantiedienstjaar volgen;
b) in de artikelen 16, 1°, 2°, 3°, 4°, 15°, 18°, 19°, 22° en 24°, en 41, 1°, 2°, 3°, 4°, 13°, 15°, 16°, 21° en 23°, behoudt zijn recht, zelfs in geval van collectieve vakantie, op de vakantiedagen tot bij het verstrijken van de vierentwintig maanden die volgen tot op het einde het vakantiejaar waarop deze nog op te nemen vakantiedagen betrekking hebben.]1
a) in de artikelen 16, 5° tot en met 10°, 12° en 16°, en 41, 5° tot en met 10°, 12° en 14°, behoudt zijn recht, zelfs in geval van collectieve vakantie, op de vakantiedagen tot bij het verstrijken van de twaalf maanden die op het einde van het vakantiedienstjaar volgen;
b) in de artikelen 16, 1°, 2°, 3°, 4°, 15°, 18°, 19°, 22° en 24°, en 41, 1°, 2°, 3°, 4°, 13°, 15°, 16°, 21° en 23°, behoudt zijn recht, zelfs in geval van collectieve vakantie, op de vakantiedagen tot bij het verstrijken van de vierentwintig maanden die volgen tot op het einde het vakantiejaar waarop deze nog op te nemen vakantiedagen betrekking hebben.]1
Art.66. [1 Sans préjudice des dispositions de l'article 68, 2°, le travailleur qui est dans l'impossibilité de prendre ses vacances pour l'une des raisons citées :
a) aux articles 16, 5° à 10° inclus, 12° et 16°, et 41, 5° à 10° inclus, 12° et 14°, conserve, même en cas de vacances collectives, le droit aux jours de vacances jusqu'à l'expiration des douze mois qui suivent l'exercice de vacances;
b) aux articles 16, 1°, 2°, 3°, 4°, 15°, 18°, 19°, 22° et 24°, et 41, 1°, 2°, 3°, 4° 13°, 15°, 16°, 21° et 23°, conserve, même en cas de vacances collectives, le droit aux jours de vacances jusqu'à l'expiration des vingt-quatre mois qui suivent la fin de l'année de vacances pour laquelle ces jours de vacances restent encore à prendre;]1
a) aux articles 16, 5° à 10° inclus, 12° et 16°, et 41, 5° à 10° inclus, 12° et 14°, conserve, même en cas de vacances collectives, le droit aux jours de vacances jusqu'à l'expiration des douze mois qui suivent l'exercice de vacances;
b) aux articles 16, 1°, 2°, 3°, 4°, 15°, 18°, 19°, 22° et 24°, et 41, 1°, 2°, 3°, 4° 13°, 15°, 16°, 21° et 23°, conserve, même en cas de vacances collectives, le droit aux jours de vacances jusqu'à l'expiration des vingt-quatre mois qui suivent la fin de l'année de vacances pour laquelle ces jours de vacances restent encore à prendre;]1
Änderungen
Art.67. <W 2006-12-27/30, art. 180, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2007, voor wat het vertrekvakantiegeld uitbetaald na 31 december 2006 betreft, zie W 2006-12-27/30, art. 187> De bepalingen van dit artikel zijn toepasselijk indien op het einde van het vakantiejaar :
1° het onmogelijk is voor de bediende zijn vakantie geheel of gedeeltelijk te nemen;
2° ingevolge een niet in artikel 46 voorziene schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, het voor de bediende onmogelijk is geweest om alle of een gedeelte van de verworven vakantiedagen op te nemen.
De werkgever dient de bediende, ten laatste op 31 december van het vakantiejaar, het vakantiegeld met betrekking tot deze niet opgenomen vakantiedagen te betalen, zoals hierna vermeld :
1° het normale loon met betrekking tot deze nog niet opgenomen vakantiedagen, op basis van het loon van de maand december;
2° indien het dubbel vakantiegeld niet of niet volledig aan de bediende werd betaald, een toeslag gelijk aan 92 pct. van de wedde van december, gedeeld door respectievelijk 24, 20, 16, 12, 8, 4, wanneer de bediende is tewerkgesteld volgens een regeling van respectievelijk 6, 5, 4, 3, 2 en 1 arbeidsdagen per week en vermenigvuldigd met het aantal niet opgenomen dagen.
1° het onmogelijk is voor de bediende zijn vakantie geheel of gedeeltelijk te nemen;
2° ingevolge een niet in artikel 46 voorziene schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, het voor de bediende onmogelijk is geweest om alle of een gedeelte van de verworven vakantiedagen op te nemen.
De werkgever dient de bediende, ten laatste op 31 december van het vakantiejaar, het vakantiegeld met betrekking tot deze niet opgenomen vakantiedagen te betalen, zoals hierna vermeld :
1° het normale loon met betrekking tot deze nog niet opgenomen vakantiedagen, op basis van het loon van de maand december;
2° indien het dubbel vakantiegeld niet of niet volledig aan de bediende werd betaald, een toeslag gelijk aan 92 pct. van de wedde van december, gedeeld door respectievelijk 24, 20, 16, 12, 8, 4, wanneer de bediende is tewerkgesteld volgens een regeling van respectievelijk 6, 5, 4, 3, 2 en 1 arbeidsdagen per week en vermenigvuldigd met het aantal niet opgenomen dagen.
Art.67. <L 2006-12-27/30, art. 180, 043; En vigueur : 01-01-2007, en ce qui concerne le pécule de sortie payé après le 31 décembre 2006, voir L 2006-12-27/30, art. 187> Les dispositions du présent article s'appliquent lorsque, à la fin de l'année de vacances :
1° l'employé se trouve dans l'impossibilité de prendre tout ou partie de ses vacances;
2° suite à une suspension de l'exécution du contrat de travail non prévue par l'article 46, l'employé a été dans l'impossibilité de prendre tout ou partie du nombre de jours de vacances promérités.
L'employeur est tenu de payer à l'employé, au plus tard le 31 décembre de l'année de vacances, le pécule de vacances afférent aux jours de vacances non pris, comme indiqué ci-après :
1° la rémunération normale afférente aux jours de vacances non encore pris sur base de la rémunération du mois de décembre;
2° si le double pécule de vacances n'a pas été payé ou pas totalement payé à l'employé, un supplément égal à 92 p.c. de la rémunération de décembre divisé par respectivement 24, 20, 16, 12, 8, 4, lorsque l'employé est occupé respectivement dans les régimes de 6, 5, 4, 3, 2 et 1 jours de travail par semaine et multiplié par le nombre de jours non pris.
1° l'employé se trouve dans l'impossibilité de prendre tout ou partie de ses vacances;
2° suite à une suspension de l'exécution du contrat de travail non prévue par l'article 46, l'employé a été dans l'impossibilité de prendre tout ou partie du nombre de jours de vacances promérités.
L'employeur est tenu de payer à l'employé, au plus tard le 31 décembre de l'année de vacances, le pécule de vacances afférent aux jours de vacances non pris, comme indiqué ci-après :
1° la rémunération normale afférente aux jours de vacances non encore pris sur base de la rémunération du mois de décembre;
2° si le double pécule de vacances n'a pas été payé ou pas totalement payé à l'employé, un supplément égal à 92 p.c. de la rémunération de décembre divisé par respectivement 24, 20, 16, 12, 8, 4, lorsque l'employé est occupé respectivement dans les régimes de 6, 5, 4, 3, 2 et 1 jours de travail par semaine et multiplié par le nombre de jours non pris.
Art. 67bis. [1 De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing wanneer, op het einde van het vakantiejaar, de bediende zich in de onmogelijkheid bevindt om zijn vakantie te nemen in de gevallen voorzien bij het artikel 64, 1°/1.
De werkgever dient de bediende, ten laatste op 31 december van het vakantiejaar, het vakantiegeld met betrekking tot de nog binnen de vierentwintig maanden op te nemen vakantiedagen te betalen, zoals bepaald in artikel 67, tweede lid.]1
De werkgever dient de bediende, ten laatste op 31 december van het vakantiejaar, het vakantiegeld met betrekking tot de nog binnen de vierentwintig maanden op te nemen vakantiedagen te betalen, zoals bepaald in artikel 67, tweede lid.]1
Art.67bis. [1 Les dispositions de cet article sont applicables lorsqu'au terme de l'année de vacances, l'employé se trouve dans l'impossibilité de prendre ses vacances dans les cas prévus à l'article 64, 1°/1.
L'employeur doit payer à l'employé, au plus tard le 31 décembre de l'année de vacances, le pécule de vacances relatif aux jours de vacances encore à prendre dans les vingt-quatre mois, comme indiqué à l'article 67, alinéa 2.]1
L'employeur doit payer à l'employé, au plus tard le 31 décembre de l'année de vacances, le pécule de vacances relatif aux jours de vacances encore à prendre dans les vingt-quatre mois, comme indiqué à l'article 67, alinéa 2.]1
Art.68. Mogen niet als jaarlijkse vakantiedagen worden aangerekend :
1° de dagen waarmee rekening moet worden gehouden op grond van de wetgeving op het toekennen van loon aan de werknemers gedurende een zeker aantal feestdagen per jaar;
2° [3 a) de dagen van arbeidsonderbreking in het geval bedoeld in de artikelen 16, 1° tot en met 4°, 10°, 15°, 18°, 19°, 22° en 24°, en 41, 1° tot en met 4°, 10°, 13°, 15°, 16°, 21° en 23°;
b) de dagen van arbeidsonderbreking in het geval bedoeld in de artikelen 16, 5° tot en met 9°, 12°, 16° en 23°, en 41, 5° tot en met 9°, 12°, 14° en 22°, tenzij deze oorzaak zich voordoet tijdens de vakantie;]3
3° de bij de wetten en besluiten tot reglementering van de arbeidsduur en de zondagrust opgelegde rustdagen;
4° de gewone inactiviteitsdag wanneer de wekelijkse arbeid over vijf dagen verdeeld is en elke andere gewone inactiviteitsdag die voortvloeit uit de vermindering van de arbeidsduur beneden de wekelijkse limiet, vastgesteld door de wetten op de arbeidsduur en hun uitvoeringsbesluiten; een gewone inactiviteitsdag mag evenwel per schijf van zes, al dan niet opeenvolgende vakantiedagen, als vakantiedag aangerekend worden, onder voorbehoud echter van andere beschikkingen die in paritair comité worden getroffen.
1° de dagen waarmee rekening moet worden gehouden op grond van de wetgeving op het toekennen van loon aan de werknemers gedurende een zeker aantal feestdagen per jaar;
2° [3 a) de dagen van arbeidsonderbreking in het geval bedoeld in de artikelen 16, 1° tot en met 4°, 10°, 15°, 18°, 19°, 22° en 24°, en 41, 1° tot en met 4°, 10°, 13°, 15°, 16°, 21° en 23°;
b) de dagen van arbeidsonderbreking in het geval bedoeld in de artikelen 16, 5° tot en met 9°, 12°, 16° en 23°, en 41, 5° tot en met 9°, 12°, 14° en 22°, tenzij deze oorzaak zich voordoet tijdens de vakantie;]3
3° de bij de wetten en besluiten tot reglementering van de arbeidsduur en de zondagrust opgelegde rustdagen;
4° de gewone inactiviteitsdag wanneer de wekelijkse arbeid over vijf dagen verdeeld is en elke andere gewone inactiviteitsdag die voortvloeit uit de vermindering van de arbeidsduur beneden de wekelijkse limiet, vastgesteld door de wetten op de arbeidsduur en hun uitvoeringsbesluiten; een gewone inactiviteitsdag mag evenwel per schijf van zes, al dan niet opeenvolgende vakantiedagen, als vakantiedag aangerekend worden, onder voorbehoud echter van andere beschikkingen die in paritair comité worden getroffen.
Art.68. Ne peuvent être imputés sur les jours de vacances annuelles :
1° les journées à prendre en considération en vertu de la législation relative à l'octroi des salaires aux travailleurs pendant un certain nombre de jours fériés par an;
2° [3 a) les jours d'interruption de travail visés aux articles 16, 1° à 4° inclus, 10°, 15°, 18°, 19°, 22° et 24°, et 41, 1° à 4° inclus, 10°,13°, 15°,16°, 21° et 23°;
b) les jours d'interruption de travail dans le cas visé aux articles 16, 5° à 9° inclus, 12°, 16° et 23°, et 41, 5° à 9° inclus, 12°, 14° et 22°, à moins que ceux-ci ne surgissent aux cours des vacances;]3
3° les jours de repos imposés par les lois et arrêtés réglementant la durée du travail et le repos du dimanche;
4° le jour habituel d'inactivité lorsque le travail hebdomadaire est réparti sur cinq jours et tout autre jour habituel d'inactivité résultant de la réduction de la durée du travail en dessous de la limite hebdomadaire fixée par les lois sur la durée du travail et leurs arrêtés d'exécution; toutefois un jour habituel d'inactivité peut être imputé sur les journées de vacances par tranche complète de six jours de vacances successifs ou non, sous réserve d'autres dispositions prises en commission paritaire.
1° les journées à prendre en considération en vertu de la législation relative à l'octroi des salaires aux travailleurs pendant un certain nombre de jours fériés par an;
2° [3 a) les jours d'interruption de travail visés aux articles 16, 1° à 4° inclus, 10°, 15°, 18°, 19°, 22° et 24°, et 41, 1° à 4° inclus, 10°,13°, 15°,16°, 21° et 23°;
b) les jours d'interruption de travail dans le cas visé aux articles 16, 5° à 9° inclus, 12°, 16° et 23°, et 41, 5° à 9° inclus, 12°, 14° et 22°, à moins que ceux-ci ne surgissent aux cours des vacances;]3
3° les jours de repos imposés par les lois et arrêtés réglementant la durée du travail et le repos du dimanche;
4° le jour habituel d'inactivité lorsque le travail hebdomadaire est réparti sur cinq jours et tout autre jour habituel d'inactivité résultant de la réduction de la durée du travail en dessous de la limite hebdomadaire fixée par les lois sur la durée du travail et leurs arrêtés d'exécution; toutefois un jour habituel d'inactivité peut être imputé sur les journées de vacances par tranche complète de six jours de vacances successifs ou non, sous réserve d'autres dispositions prises en commission paritaire.
Art.69. Bij ontstentenis van een vaststelling van de vakantiedata overeenkomstig de procedure, voorzien in artikel 63, mag de Minister van Sociale Voorzorg, wanneer de organisatie van het arbeidsproces het vereist, een of meer ondernemingen toelating geven de vakantie te spreiden, op voorwaarde echter dat de in artikel 64, 3° en 4°, voorziene bepalingen worden geëerbiedigd.
Art.69. A défaut d'une fixation des dates de vacances conformément à la procédure prévue à l'article 63, le Ministre de la Prévoyance sociale peut, quand l'organisation du travail l'exige, autoriser une ou plusieurs entreprises à fractionner les vacances à condition de respecter les dispositions de l'article 64, 3° et 4°.
Art.70. <KB 29-5-1973, art. 1> Indien geen overeenkomst wordt bereikt omtrent de datum van de vakantie en de verdeling ervan, wordt het geschil beslecht door de arbeidsrechtbanken.
Art.70. <AR 29-5-1973, art. 1> En cas de désaccord sur les dates des vacances et sur leur fractionnement, le différend est tranché par les juridiction du travail.
TITEL V_ CONTROLE EN SANCTIES.
TITRE V_ CONTROLE ET SANCTIONS.
Art.71. Onverminderd de plichten van de officieren van gerechtelijke politie, worden de sociale inspecteurs [1 van de Administratie Toezicht op de Sociale wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg]1 belast met het toezicht over de toepassing van de geordende wetten betreffende de jaarlijkse vakantie der loonarbeiders en van de krachtens deze wetten genomen besluiten.
De ondernemingshoofden zijn verplicht op hun verzoek en ter plaatse, alle documenten inzake jaarlijkse vakantie voor te leggen waarvan het bijhouden wordt opgelegd door de wetgeving en reglementering inzake de vereenvoudiging van documenten waarvan het bijhouden wordt opgelegd door de sociale wetgeving.
De ondernemingshoofden zijn verplicht op hun verzoek en ter plaatse, alle documenten inzake jaarlijkse vakantie voor te leggen waarvan het bijhouden wordt opgelegd door de wetgeving en reglementering inzake de vereenvoudiging van documenten waarvan het bijhouden wordt opgelegd door de sociale wetgeving.
Art.71. Sans préjudice des devoirs qui incombent aux officiers de police judiciaire, les inspecteurs [1 de l'administration Contrôle des lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale]1 sont chargés de surveiller l'application des lois coordonnées sur les vacances annuelles des travailleurs salariés et des arrêtés pris en vertu de celles-ci.
Les chefs d'entreprises sont tenus de leur communiquer à leur demande et sans déplacement, les documents dont la tenue et sans déplacement, les documents dont la tenue est exigée en matière de vacances annuelles par la législation et la réglementation relative à la simplification de documents, dont la tenue est imposée par la législation sociale.
Les chefs d'entreprises sont tenus de leur communiquer à leur demande et sans déplacement, les documents dont la tenue et sans déplacement, les documents dont la tenue est exigée en matière de vacances annuelles par la législation et la réglementation relative à la simplification de documents, dont la tenue est imposée par la législation sociale.
Änderungen
Art.72. De werkgever is verplicht in zijn arbeidsreglement de benaming van het vakantiefonds waarbij hij aangesloten is te vermelden.
Art.72. L'employeur est tenu d'indiquer dans son règlement de travail, la dénomination de la caisse de vacances à laquelle il est affilié.
Art.73. <KB 5-8-1971, art. 10> De inbreuken op het bepaalde in dit besluit worden bestraft overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 54 tot 61 van de gecoördineerde wetten.
Art.73. <AR 5-8-1971, art. 10> Les infractions aux dispositions du présent arrêté sont punies conformément aux dispositions des articles 54 à 61 des lois coordonnées.
TITEL VI_ OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.
TITRE VI_ DISPOSITIONS TRANSITOIRES ET FINALES.
Art.74.
Art.74.
Art.75. Voor de toepassing van de wettelijke en verordenende bepalingen en van de beslissingen van de paritaire comités, die de datum van de bekendmaking van dit besluit voorafgaan en naar het begrip staking verwijzen zoals dat bepaald is door de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie van de loonarbeiders, wordt als staking aangezien, de staking welke :
a) voorafgegaan is door een poging tot verzoening door een bemiddelaar die gekozen werd door de partijen of, op verzoek van een dezer, door de Minister tot wiens bevoegdheid de tewerkstelling behoort;
b) slechts ingegaan is na het verstrijken van een collectieve stakingsaanzegging, betekend door een vakorganisatie die vertegenwoordigd is in het paritair comité waaronder de onderneming ressorteert.
De stakingsaanzegging wordt betekend hetzij bij een ter post aangetekende en aan ieder individueel werkgever gerichte brief, hetzij door inlassing in de notulen van een verzoeningsvergadering. De betekening kan ten vroegste geschieden de zevende dag en voor bedienden de vijftiende dag volgend op de eerste vergadering welke door de gekozen of aangewezen bemiddelaar gehouden wordt.
De stakingsaanzegging begint te lopen vanaf de dag volgende op die van de betekening. De duur is ten minste zeven dagen en voor bedienden ten minste veertien dagen.
a) voorafgegaan is door een poging tot verzoening door een bemiddelaar die gekozen werd door de partijen of, op verzoek van een dezer, door de Minister tot wiens bevoegdheid de tewerkstelling behoort;
b) slechts ingegaan is na het verstrijken van een collectieve stakingsaanzegging, betekend door een vakorganisatie die vertegenwoordigd is in het paritair comité waaronder de onderneming ressorteert.
De stakingsaanzegging wordt betekend hetzij bij een ter post aangetekende en aan ieder individueel werkgever gerichte brief, hetzij door inlassing in de notulen van een verzoeningsvergadering. De betekening kan ten vroegste geschieden de zevende dag en voor bedienden de vijftiende dag volgend op de eerste vergadering welke door de gekozen of aangewezen bemiddelaar gehouden wordt.
De stakingsaanzegging begint te lopen vanaf de dag volgende op die van de betekening. De duur is ten minste zeven dagen en voor bedienden ten minste veertien dagen.
Art.75. Pour l'application des dispositions légales et réglementaires ainsi que des décisions de commissions paritaires, antérieures à la date de la publication du présent arrêté et qui se réfèrent à la notion de grève telle qu'elle est définie par la législation relative aux vacances annuelles des travailleurs salariés, est considérée comme grève, la grève qui :
a) a été précédée d'une tentative de conciliation faite par un conciliateur choisi par les parties ou, à la demande de l'une d'elles, par le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions;
b) n'est intervenue qu'à l'expiration d'un préavis collectif de grève, notifié par une organisation syndicale représentée à la commission paritaire dont relève l'entreprise.
Le préavis est notifié, soit par une lettre recommandée à la poste adressée à chaque employeur individuellement, soit par l'insertion dans le procès-verbal d'une réunion de conciliation. La notification peut au plus tôt être donnée le septième et, s'il s'agit d'employés, le quinzième jour qui suit la première réunion tenue par le conciliateur choisi ou désigné.
Le préavis prend cours le jour qui suit celui au cours duquel il est notifié. Sa durée est d'au moins sept jours et, s'il s'agit d'employés, d'au moins quatorze jours.
a) a été précédée d'une tentative de conciliation faite par un conciliateur choisi par les parties ou, à la demande de l'une d'elles, par le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions;
b) n'est intervenue qu'à l'expiration d'un préavis collectif de grève, notifié par une organisation syndicale représentée à la commission paritaire dont relève l'entreprise.
Le préavis est notifié, soit par une lettre recommandée à la poste adressée à chaque employeur individuellement, soit par l'insertion dans le procès-verbal d'une réunion de conciliation. La notification peut au plus tôt être donnée le septième et, s'il s'agit d'employés, le quinzième jour qui suit la première réunion tenue par le conciliateur choisi ou désigné.
Le préavis prend cours le jour qui suit celui au cours duquel il est notifié. Sa durée est d'au moins sept jours et, s'il s'agit d'employés, d'au moins quatorze jours.
Art.76. Het koninklijk besluit van 5 april 1958 tot vaststelling van de algemene modaliteiten van uitvoering van de wetten betreffende het jaarlijks verlof der loonarbeiders, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 april 1959, 4 december 1963, 15 juni 1964 en 8 juli 1964, wordt opgeheven.
Art.76. L'arrêté royal du 5 avril 1958 déterminant les modalités générales d'exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, modifié par les arrêtés royaux des 6 avril 1959, 4 septembre 1963, 15 juin 1964 et 8 juillet 1964, est abrogé.
Art.77. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1967 en zal voor het eerst van toepassing zijn op de vakantie in 1967 te nemen.
Art.77. Le présent arrêté qui entre en vigueur le 1er janvier 1967 s'appliquera pour la première fois aux vacances à prendre en 1967.
Art. 78. Onze Minister van Sociale Voorzorg is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 78. Notre Ministre de la Prévoyance sociale est chargé de l'exécution du présent arrêté.