Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
27 JULI 1967. - Koninklijk besluit nr 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-04-1981 en tekstbijwerking tot 29-07-2025)
Titre
27 JUILLET 1967. - Arrêté royal n° 38 organisant le statut social des travailleurs indépendants (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-04-1981 et mise à jour au 29-07-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (90)
Texte (90)
Artikel 1. Dit besluit richt het sociaal statuut in ten voordele van de zelfstandigen en de helpers.
  Dit sociaal statuut strekt zich uit tot:
  1° de familiale uitkeringen;
  2° de uitkeringen inzake rust- en overlevingspensioen;
  3° de uitkeringen [1 in geval van ziekte, invaliditeit of moederschap.]1
  (4° de uitkeringen van [2 het overbruggingsrecht.]2) <KB 1996-11-18/38, art. 11, 030; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  
Article 1. Le présent arrêté organise le statut social en faveur des travailleurs indépendants et des aidants.
  Ce statut social s'étend:
  1° aux prestations familiales;
  2° aux prestations de retraite et de survie;
  3° aux prestations [1 en cas de maladie, d'invalidité ou de maternité.]1
  (4° aux prestations [2 du droit passerelle]2.) <AR 1996-11-18/38, art. 11, 030; En vigueur : 01-07-1997>
  
HOOFDSTUK I- Het toepassingsgebied.
CHAPITRE Ier- Le champ d'application.
Art.2. Aan dit besluit zijn onderworpen en, in die hoedanigheid, gehouden tot het nakomen van de verplichtingen die het oplegt: de zelfstandigen en de helpers.
Art.2. Sont assujettis au présent arrêté et doivent, à ce titre, accomplir les obligations qu'il impose: les travailleurs indépendants et les aidants.
a) De zelfstandigen.
a) Les travailleurs indépendants.
Art.3. § 1. Dit besluit verstaat onder zelfstandige ieder natuurlijk persoon, die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is.
  Wordt geacht, tot bewijs van het tegendeel, zich in de in het vorig lid bedoelde voorwaarden tot onderwerping te bevinden, ieder persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent, die inkomsten kan opleveren bedoeld in (artikel 23, § 1, 1° of 2°, of in (artikel 30, 2°) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992). <W 1994-03-30/31, art. 113, 025; Inwerkingtreding : 01-01-1994> <W 2001-12-30/30, art. 14, 035; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  (Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een beroepsbezigheid geacht uitgeoefend te zijn krachtens een arbeidsovereenkomst, wanneer de belanghebbende, voor de toepassing van een der stelsels inzake de maatschappelijke zekerheid der loontrekkenden, vermoed wordt uit dien hoofde door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden)
  [1 Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 5bis en 13, § 3, worden personen die aangesteld zijn tot mandataris in een vereniging of vennootschap naar rechte of in feite die zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt of die, zonder aangesteld te zijn, een mandaat uitoefenen in een dergelijke vereniging of vennootschap, op weerlegbare wijze geacht een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen.
   De zelfstandige beroepsbezigheid als mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belas-ting der niet-inwoners onderworpen vereniging of vennootschap, wordt op weerlegbare wijze geacht plaats te vinden in België.]1

  § 2. [1 De Koning kan de wijze waarop de vermoedens, bedoeld in paragraaf 1, vierde en vijfde lid, kunnen worden weerlegd, vaststellen.]1
  § 3. (opgeheven) <W 6-02-1976, art. 1>
  
Art.3. § 1er. Le présent arrêté entend par travailleur indépendant toute personne physique, qui exerce en Belgique une activité professionnelle en raison de laquelle elle n'est pas engagée dans les liens d'un contrat de louage de travail ou d'un statut.
  Est présumée, jusqu'à preuve du contraire, se trouver dans les conditions d'assujettissement visées à l'alinéa précédent, toute personne qui exerce en Belgique une activité professionnelle susceptible de produire des revenus visés à (l'article 23, § 1er, 1° ou 2°, ou à (l'article 30, 2°), du Code des impôts sur les revenus 1992). <L 1994-03-30/31, art. 113, 025; En vigueur : 01-01-1994> <L 2001-12-30/30, art. 14, 035; En vigueur : 01-01-1998>
  (Pour l'application du présent paragraphe, une activité professionnelle est censée être exercée en vertu d'un contrat de louage de travail lorsque, pour l'application de l'un des régimes de sécurité sociale en faveur des travailleurs salariés, l'intéressé est présumé être engagé, de ce chef, dans les liens d'un contrat de louage de travail.)
  [1 Sous réserve de l'application des articles 5bis et 13, § 3, les personnes qui sont désignées comme mandataires dans une association ou une société de droit ou de fait qui se livre à une exploitation ou à des opérations de caractère lucratif, ou qui, sans être désignées, exercent un mandat dans une telle association ou société, sont présumées, de manière réfragable, exercer une activité professionnelle de travailleur indépendant.
   L'activité professionnelle de travailleur indépendant, comme mandataire au sein d'une association ou une société assujettie à l'impôt belge des sociétés ou à l'impôt belge des non-résidents, est présumée, de manière réfragable, avoir lieu en Belgique.]1

  § 2. [1 Le Roi peut déterminer la manière dont les présomptions visées au paragraphe 1er, alinéas 4 et 5, peuvent être renversées.]1
  § 3. (abrogé) <L 6-02-1976, art. 1>
  
Art.4. (opgeheven) <W 6-02-1976, art. 2>
Art.4. (abrogé) <L 6-02-1976, art. 2>
Art.5. De journalisten, de perscorrespondenten en de personen die auteursrechten genieten zijn aan dit besluit niet onderworpen, indien ze reeds, in welke hoedanigheid ook, genieten van een sociaal statuut dat minstens gelijkwaardig is aan datgene dat door dit besluit wordt ingericht.
Art.5. Les journalistes, les correspondants de presse et les personnes qui jouissent de droits d'auteur ne sont pas assujettis au présent arrêté, s'ils bénéficient déjà, à quelque titre que ce soit, d'un statut social au moins équivalent à celui organisé par le présent arrêté.
Art. 5bis. [1 Personen die belast zijn met een mandaat in een openbare of private instelling, of die met raadgevende stem lid zijn van een bestuursorgaan van een openbare of private instelling, hetzij uit hoofde van de functie die zij uitoefenen bij een administratie van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie, van een gemeente of van een openbare instelling, hetzij als vertegenwoordiger van een werknemers-, werkgevers- of zelfstandigenorganisatie, hetzij als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie, van een gemeente of van een openbare instelling, zijn, uit dien hoofde, niet onderworpen aan dit besluit.]1
  
Art. 5bis. [1 Les personnes chargées d'un mandat dans un organisme public ou privé ou qui sont membres avec voix consultative d'un organe de gestion d'un organisme public ou privé, soit en raison des fonctions qu'elles exercent auprès d'une administration de l'Etat, d'une communauté, d'une région, d'une province, d'une commune ou d'un établissement public, soit en qualité de représentant d'une organisation de travailleurs, d'employeurs ou de travailleurs indépendants, soit en qualité de représentant de l'Etat, d'une communauté, d'une région, d'une province, d'une commune ou d'un établissement public, ne sont pas de ce chef assujetties au présent arrêté.]1
  
Art. 5ter. [1 De personen die in België een activiteit uitoefenen die de inkomsten zoals bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 genereren, zijn niet onderworpen aan dit besluit voor de activiteit verbonden met die inkomsten, voor zover die inkomsten het bedrag zoals bedoeld in artikel 37bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet overschrijden.
   Een aandeel van 25 % van de belasting zoals bedoeld in artikel 171, 3° bis, a) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen wordt aangewend voor het globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
   De Koning bepaalt de modaliteiten van overdracht van dit aandeel voor het globaal financieel beheer.]1

  
Art. 5ter. [1 Les personnes qui exercent, en Belgique, une activité produisant des revenus visés à l'article 90, alinéa 1, 1° bis, du Code des impôts sur les revenus 1992 ne sont pas assujetties au présent arrêté pour l'activité liée à ces revenus, pour autant que ces revenus ne dépassent pas le montant visé à l'article 37bis, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992.
   Une quote-part équivalente à 25 % de l'impôt visé à l'article 171, 3° bis, a) du Code d'impôt sur les revenus est affecté à la gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre I du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
   Le Roi détermine les modalités de transfert de cette quote-part à la gestion financière globale.]1

  
Art. 5quater. [1 § 1. Dit besluit verstaat onder student-zelfstandige, de onderworpene die ertoe een aanvraag indient en die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet :
   1° hij is minstens 18 jaar en hoogstens 25 jaar;
   2° hij is, voor het betrokken school- of academiejaar, in hoofdzaak ingeschreven om regelmatig lessen te volgen in een Belgische of een buitenlandse onderwijsinstelling, met het oog op het behalen van een diploma dat erkend wordt door een bevoegde overheid in België;
   3° hij oefent een beroepsbezigheid uit, uit hoofde waarvan hij onderworpen is aan het sociaal statuut der zelfstandigen krachtens dit besluit.
   § 2. Voor de toepassing van dit artikel bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad :
   1° de nadere regels voor het indienen van de aanvraag, bedoeld in § 1;
   2° het begin en het einde van de onderwerping in toepassing van § 1;
   3° wat er moet worden verstaan onder een in hoofdzaak ingeschreven student, bedoeld in § 1, 2° ;
   4° wat er moet worden verstaan onder een onderwijsinstelling in België of in het buitenland en onder regelmatig lessen volgen, bedoeld in § 1, 2°.
   § 3. Voor de toepassing van dit artikel kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad :
   1° de gevallen waarin de leeftijd van de student-zelfstandige hoger kan zijn dan bepaald in § 1, 1° ;
   2° de uitgesloten vormen van onderwijs, opleiding of vorming;
   3° in welke mate een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, als bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, de toepassing van § 1 verhindert.
   § 4. De student-zelfstandige die een bijdrage verschuldigd is in toepassing van artikel 12bis, § 1, van dit besluit is enkel onderworpen aan de regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, overeenkomstig de regels en voorwaarden vastgesteld door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad.
   § 5. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing ten gunste van de meewerkende echtgenoot bedoeld in artikel 7bis, § 1, van dit besluit.]1

  
Art. 5quater. [1 § 1er. Le présent arrêté entend par étudiant-indépendant, l'assujetti qui en fait la demande et qui répond aux conditions cumulatives suivantes :
   1° il est âgé de 18 ans au moins et de 25 ans au plus;
   2° il est inscrit à titre principal pour suivre régulièrement des cours dans un établissement d'enseignement en Belgique ou à l'étranger, pour l'année scolaire ou académique considérée, en vue d'obtenir un diplôme reconnu par une autorité compétente en Belgique;
   3° il exerce une activité professionnelle en raison de laquelle il est assujetti au statut social des travailleurs indépendants en vertu du présent arrêté.
   § 2. Pour l'application du présent article, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres :
   1° les modalités d'introduction de la demande visée au § 1er;
   2° le début et la fin de l'assujettissement en application du § 1er;
   3° ce qu'il faut entendre par un étudiant inscrit à titre principal, visé au § 1er, 2° ;
   4° ce qu'il faut entendre par établissement d'enseignement en Belgique et à l'étranger et par suivre régulièrement des cours, visé au § 1er, 2°.
   § 3. Pour l'application du présent article, le Roi peut déterminer ce qui suit, par arrêté délibéré en Conseil des ministres :
   1° les cas pour lesquels l'âge de l'étudiant-indépendant peut être supérieur à celui fixé au § 1er, 1° ;
   2° les formes d'enseignement, d'éducation ou de formation exclues;
   3° dans quelle mesure un contrat d'occupation d'étudiant tel que visé au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, fait obstacle à l'application du § 1er.
   § 4. L'étudiant-indépendant qui est redevable d'une cotisation en application de l'article 12bis, § 1er, du présent arrêté est uniquement assujetti au régime de l'assurance contre la maladie et l'invalidité, conformément aux règles et conditions fixées par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
   § 5. Les dispositions du présent article ne sont pas applicables en faveur du conjoint-aidant visé à l'article 7bis, § 1er, du présent arrêté.]1

  
Art. 5quinquies. [1 Personen die prestaties verrichten met toepassing van de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk, vallen niet onder de toepassing van dit besluit, voor zover is voldaan aan de voorwaarden van artikel 42 van voormelde wet.]1
  
Art. 5quinquies. [1 Les personnes qui fournissent des prestations en application de la loi du 24 décembre 2020 relative au travail associatif, ne relèvent pas de l'application du présent arrêté, dans la mesure où les conditions imposées par l'article 42 de la loi précitée sont remplies.]1
  
b) De helpers.
b) Les aidants.
Art.6. <W 6-02-1976, art. 3> Dit besluit verstaat onder helper ieder persoon die in België een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep bijstaat of vervangt, zonder tegenover hem door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden.
Art.6. <L 6-02-1976, art. 3> Le présent arrêté entend par aidant toute personne qui, en Belgique, assiste ou supplée un travailleur indépendant dans l'exercice de sa profession sans être engagée envers lui par un contrat de louage de travail.
Art.7. <W 6-02-1976, art. 4> Zijn als helpers niet aan dit besluit onderworpen:
  (1° de echtgenoot of echtgenote van een zelfstandige behoudens wanneer deze echtgenoot of echtgenote onder toepassing valt van artikel 7bis;) <W 2003-12-22/42, art. 96, 040; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (2° de helpers en helpsters vóór de 1ste januari van het jaar in de loop waarvan zij de leeftijd van 20 jaar bereiken, tenzij zij gehuwd zijn voor deze datum. In dit last geval zijn de betrokkenen onderworpen vanaf het kalenderkwartaal tijdens hetwelk het huwelijk werd gesloten;) <W 1985-06-13/32, art. 1, 009>
  3° (opgeheven) <W 1985-06-13/32, art. 1, 009>
  4° de personen die slechts toevallig een bedrijvigheid uitoefenen als helper. De Koning bepaalt wat dient verstaan onder een toevallige bedrijvigheid.
Art.7. <L 6-02-1976, art. 4> Ne sont pas assujettis au présent arrêté en tant qu'aidants:
  (1° l'époux ou l'épouse d'un travailleur indépendant, sauf lorsque cet époux ou cette épouse tombe sous l'application de l'article 7bis;) <L 2003-12-22/42, art. 96, 040; En vigueur : 01-01-2003>
  (2° les aidants et les aidantes avant le 1er janvier de l'année au cours de laquelle ils atteignent l'âge de 20 ans, sauf s'ils se sont mariés avant cette date. Dans ce dernier cas les intéressés sont assujettis à partir du trimestre civil au cours duquel ce mariage a été contracté.) <L 1985-06-13/32, art. 1, 009>
  3° (Abrogé) <L 1985-06-13/32, art. 1, 009>
  4° les personnes qui n'exercent qu'occasionnellement une activité en qualité d'aidant. Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par une activité occasionnelle.
Art. 7bis. <INGEVOEGD bij W 2003-04-08/33, art. 42; Inwerkingtreding : 01-01-2003. NOTA : een eerste vorm van art. 7bis was ingevoegd bij W 2002-12-24/31, art. 11, ook met inwerkingtreding op 01-01-2003. Daar deze eerst vorm in feite nooit in werking trad heeft Justel deze niet gearchiveerd. Ze kan in W 2002-12-24/31, art. 11, geraadpleegd worden.>
  § 1. De echtgenoot of echtgenote van een zelfstandige bedoeld in artikel 2, die, (in de loop van een bepaald kwartaal), geen beroepsactiviteit uitoefent die voor hem eigen rechten opent op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering, die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut der zelfstandigen, noch een uitkering geniet in het raam van de sociale zekerheid die voor hem dergelijke eigen rechten opent, wordt vermoed, (voor datzelfde kwartaal), met uitzondering van de kwartalen tijdens dewelke de geholpen zelfstandige geen activiteit uitoefent die de onderwerping aan dit besluit met zich meebrengt, meewerkende echtgenoot te zijn en bijgevolg onderworpen te zijn aan dit besluit als helper in de zin van artikel 6. <W 2004-07-09/30, art. 229, 041; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [1 Een eigen zelfstandige activiteit van de meewerkende echtgenote belet evenwel niet het behoud van het statuut van meewerkende echtgenote als bepaald in het vorige lid, voor zover de inkomsten uit die eigen zelfstandige activiteit het bedrag van 3 .000 euro per jaar niet overschrijden.]1
  [1 Het eerste lid]1 is niet van toepassing op de echtgenoot of de echtgenote van een zelfstandig bedrijfsleider zoals bedoeld in artikel 32 WIB 1992.
  Personen bedoeld in het eerste lid, die niet voldoen aan de omschrijving van artikel 6, dienen een verklaring op erewoord, waarvan de toepassingsmodaliteiten door de Koning worden bepaald, af te leggen om dit vermoeden te weerleggen. Bij niet-naleving van deze verplichting is er verval van recht op uitkeringen, onverminderd de mogelijkheid voor de Koning om een administratieve boete van maximaal 500 euro op te leggen.
  Het toepassingsgebied van dit artikel wordt verruimd tot de ongehuwde helper van een zelfstandige die met die zelfstandige, die geen bedrijfsleider is zoals bedoeld in [1 het derde lid]1, verbonden is door een verklaring van wettelijke samenwoning. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing ten aanzien van de betrokken personen.
  § 2. In afwijking van § 1 is de meewerkende echtgenoot (voor de jaren 2003 en 2004 en voor de eerste twee kwartalen van 2005) enkel onderworpen aan de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sectoren der uitkerings- en moederschapsverzekering, overeenkomstig de door de Koning te bepalen regelen en voorwaarden. <W 2004-12-27/30, art. 175, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  Niettemin kan de meewerkende echtgenoot zich (voor de jaren 2003 en 2004 en voor de eerste twee kwartalen van 2005) vrijwillig onderwerpen aan dit besluit, overeenkomstig de door de Koning te bepalen regelen en voorwaarden. <W 2004-12-27/30, art. 175, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  § 3. In afwijking van § 1 is de meewerkende echtgenoot wiens geboortedatum gelegen is voor 1 januari 1956 enkel onderworpen aan de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sectoren der uitkerings- en moederschapsverzekering. Hij kan zich vrijwillig onderwerpen aan dit besluit overeenkomstig de door de Koning te bepalen regelen en voorwaarden.
  Niettemin kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, situaties bepalen waarin de meewerkende echtgenoot wiens geboortedatum gelegen is voor 1 januari 1956 toch onderworpen is aan de bepalingen van § 1.
  
Art. 7bis.
  § 1er. L'époux ou l'épouse d'un travailleur indépendant visé à l'article 2, qui, (au cours d'un trimestre civil déterminé), n'exerce pas d'activité professionnelle lui ouvrant des droits propres à des prestations dans un régime obligatoire de pension et d'allocations familiales et d'assurance contre la maladie et l'invalidité, au moins égales à celles du statut social des travailleurs indépendants, ni ne bénéficie d'une prestation dans le cadre du régime de la sécurité sociale lui ouvrant de tels droits propres, est présumé, (pour ce même trimestre civil), à l'exception des trimestres au cours desquels l'indépendant aidé n'exerce pas d'activité entraînant l'assujettissement au présent arrêté, être un conjoint aidant et par conséquent être assujetti à cet arrêté en tant qu'aidant au sens de l'article 6. <L 2004-07-09/30, art. 229, 041; En vigueur : 01-01-2003>
  [1 Une activité indépendante propre du conjoint aidant n'empêche toutefois pas le maintien du statut de conjoint aidant tel que déterminé à l'alinéa précédent, pour autant que les revenus provenant de cette activité indépendante propre ne dépassent pas le montant de 3 .000 euros par an.]1
  [1 L'alinéa 1er]1 ne s'applique pas au conjoint d'un dirigeant d'entreprise indépendant visé à l'article 32 du CIR 1992.
  Les personnes visées à l'alinéa 1er qui ne satisfont pas à la description de l'article 6 doivent souscrire une déclaration sur l'honneur pour le renversement de cette présomption, déclaration dont le Roi fixe les modalités d'application. En cas de non respect de cette obligation, il y a perte du droit aux allocations, sans préjudice de la possibilité pour le Roi d'infliger une amende administrative de 500 euros maximum.
  Le champ d'application de cet article est étendu à l'aidant non marié d'un travailleur indépendant qui est lié à ce travailleur indépendant, non dirigeant d'entreprise au sens de [1 l'alinéa 3]1, par une déclaration de cohabitation légale. Le Roi fixe les modalités d'application relatives aux personnes concernées.
  § 2. Par dérogation au § 1er, le conjoint aidant est, (pour les années 2003 et 2004 et pour les deux premiers trimestres de 2005), uniquement assujetti au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteurs des indemnités et assurance maternité, conformément aux règles et conditions fixées par le Roi. <L 2004-12-27/30, art. 175, 042; En vigueur : 10-01-2005>
  Toutefois, le conjoint aidant peut, (pour les années 2003 et 2004 et pour les deux premiers trimestres de 2005), s'assujettir volontairement à cet arrêté, conformément aux règles et conditions fixées par le Roi. <L 2004-12-27/30, art. 175, 042; En vigueur : 10-01-2005>
  § 3. Par dérogation au § 1er, le conjoint aidant dont la date de naissance est antérieure au 1er janvier 1956 est uniquement assujetti au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteurs des indemnités et assurance maternité. Il peut s'assujettir volontairement à cet arrêté conformément aux règles et conditions fixées par le Roi.
  Toutefois, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer des situations dans lesquelles le conjoint aidant dont la date de naissance est antérieure au 1er janvier 1956 est quand même assujetti aux dispositions du § 1er.
  
c) Algemene bepalingen.
c) Dispositions générales.
Art.8. <W 6-02-1976, art. 6> De Koning kan de modaliteiten van onderwerping van de echtgenoten vaststellen wanneer één of meerdere beroepsbezigheden door de echtgenoten samen worden uitgeoefend, en de gevallen bepalen waarin de echtgenoten vermoed worden onderscheiden activiteiten uit te oefenen.
Art.8. <L 6-02-1976, art. 6> Le Roi peut fixer les modalités d'assujettissement des conjoints lorsqu'une ou plusieurs activités professionnelles sont exercées conjointement par les époux et déterminer les cas dans lesquels les conjoints sont présumés exercer des activités professionnelles distinctes.
Art.9. In de volgende artikelen van dit besluit wordt, behoudens andersluidende bepaling, met het woord "zelfstandige" zowel de zelfstandige als de helper bedoeld.
Art.9. Dans les articles suivants du présent arrêté, il y a lieu de considérer, sauf disposition contraire, que les mots "Travailleur indépendant", visent et le travailleur indépendant et l'aidant.
HOOFDSTUK II- De verplichtingen.
CHAPITRE II- Les obligations.
a) De aansluiting bij een sociale verzekeringskas.
a) L'affiliation à une caisse d'assurances sociales.
Art.10. § 1. (Behalve in de gevallen bedoeld in §2,5°, is ieder persoon die aan dit besluit is onderworpen, ertoe gehouden [1 [2 vóór de aanvang]2 van de zelfstandige beroepsactiviteit]1aan te sluiten bij één der sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen waarvan sprake in artikel 20,§1 of bij de Nationale Hulpkas bedoeld in artikel 20,§3.) <W 1989-12-14/32, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
  § 2. De Koning bepaalt:
  1° hoe [1 ...]1 de in § 1 bedoelde aansluiting plaatsgrijpt;
  2° de modaliteiten volgens dewelke de onderworpene van kas kan veranderen;
  3° onder welke voorwaarden de onderworpenen, die nagelaten hebben een kas te kiezen binnen de gestelde termijn, ambtshalve bij de Nationale Hulpkas worden aangesloten;
  4° (de weerslag op de aansluiting van de leden van de fusie van sociale verzekeringskassen, de opslorping van de ene kas door een andere, de ontbinding of het intrekken van de erkenning van een sociale verzekeringskas.) <W 6-02-1976, art. 7>
  5° (de gevallen waarin, ingevolge het niet bestaan van de bijdrageplicht, geen verplichting tot aansluiting bestaat of waarin, ingevolge insolvabiliteit, kan worden afgezien van ambtshalve aansluiting bij de Nationale Hulpkas bedoeld bij artikel 20, § 3.) <W 1995-12-20/32, art. 102, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (6° onder welke voorwaarden de in artikel 7bis bedoelde helpers ambtshalve worden aangesloten bij de kas waarbij de zelfstandige echtgenoot is aangesloten.) <W 2003-12-22/42, art. 97, 040; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (7° de gevallen waarin het sociaal verzekeringsfonds, teneinde misbruiken te voorkomen, een aansluiting kan of moet weigeren evenals de modaliteiten aangaande het toezicht terzake.) <W 2004-12-27/30, art. 176, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  
Art.10. § 1er. (Sauf dans les cas visés au §2,5°, toute personne assujettie au présent arrêté, est tenue [1 [2 avant le début de]2 son activité professionnelle indépendante]1 de s'affilier à une des caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants dont question à l'article 20,§1er ou à la Caisse nationale auxiliaire visée à l'article 20,§3.) <L 1989-12-14/32, art. 2, 014; En vigueur : 01-01-1990>
  § 2. Le Roi détermine:
  1° comment [1 ...]1 doit se faire l'affiliation visée au § 1er;
  2° les modalités suivant lesquelles l'assujetti peut changer de caisse;
  3° dans quelles conditions sont affiliés d'office à la Caisse nationale auxiliaire, les assujettis qui auront négligé de faire choix d'une caisse dans le délai imparti;
  4° (l'incidence qu'ont sur l'affiliation des membres la fusion de caisses d'assurances sociales, l'absorption d'une caisse par une autre, la dissolution ou le retrait d'agréation d'une caisse d'assurances sociales.) <L 6-02-1976, art. 6>
  5° (les cas dans lesquels, l'obligation de cotiser n'existant pas, il n'est pas obligatoire de s'affilier ou dans lesquels, pour cause d'insolvabilité, il peut être renoncé à l'affiliation d'office à la Caisse nationale auxiliaire visée à l'article 20, § 3.) <L 1995-12-20/32, art. 102, 027; En vigueur : 01-01-1996>
  (6° dans quelles conditions les aidants visés à l'article 7bis sont affiliés d'office à la caisse à laquelle le conjoint travailleur indépendant est affilié.) <L 2003-12-22/42, art. 97, 040; En vigueur : 01-01-2003>
  (7° les cas dans lesquels la caisse d'assurances sociales peut ou doit, afin de prévenir des abus, refuser une affiliation ainsi que les modalités relatives au contrôle en la matière.) <L 2004-12-27/30, art. 176, 042; En vigueur : 10-01-2005>
  
b) De bijdragen.
b) Les cotisations.
Art.11. [1 § 1. De bijdragen van de onderworpenen worden uitgedrukt in een percentage van de beroepsinkomsten.
   § 2. Onder beroepsinkomsten in de zin van § 1 dient te worden verstaan de brutoberoepsinkomsten, verminderd met de beroepskosten, en eventueel met de beroepsverliezen, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving betreffende de inkomstenbelasting, die de onderworpene als zelfstandige heeft genoten tijdens de periode dat hij aan dit koninklijk besluit was onderworpen.
  [3 De tussenkomst als bedoeld in artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 2012 tot oprichting van een Impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde en tot vaststelling van de werkingsregels ervan wordt niet beschouwd als een beroepsinkomst.]3
   De winsten en baten bedoeld in artikel 23, § 1, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, evenals de vergoedingen bedoeld in artikel 32, tweede lid, 2°, juncto, artikel 31, tweede lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, die betrekking hebben op een voorheen door de onderworpene uitgeoefende bezigheid, worden beschouwd als beroepsinkomsten in de zin van het eerste lid en worden geacht te vallen onder het aanslagjaar waarin zij worden belast.
   De berekening van de voor een bepaald jaar - hierna het bijdragejaar genoemd - verschuldigde bijdragen geschiedt op basis van de beroepsinkomsten in de zin van [6 het eerste en het derde lid]6, die betrekking hebben op het aanslagjaar waarvan het jaartal verwijst naar het kalenderjaar dat onmiddellijk volgt op datgene waarvoor de bijdragen verschuldigd zijn.
   In afwijking van [6 het eerste, derde en vierde lid]6 worden de inkomsten bedoeld in artikel 28, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 niet beschouwd als beroepsinkomsten op voorwaarde dat de zelfstandige :
   - ofwel niet meer onderworpen is aan dit koninklijk besluit valt, uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op datgene waarin de genoemde inkomsten werden verkregen;
   - ofwel uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op datgene waarin de genoemde inkomsten werden verkregen effectief een rustpensioen geniet.
   Voor de toepassing van deze paragraaf worden de aan de meewerkende echtgenoot overeenkomstig de fiscale wetgeving toebedeelde beroepsinkomsten gevoegd bij de beroepsinkomsten van de geholpen zelfstandige in het geval waarin de meewerkende echtgenoot enkel onderworpen is aan de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen.
   De beroepsinkomsten in de zin van [6 het eerste tot het zesde lid]6 zijn de beroepsinkomsten zoals meegedeeld door de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit van de Federale Overheidsdienst Financiën.
   De Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit van de Federale Overheidsdienst Financiën is verplicht het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen de nodige inlichtingen te verstrekken om het bedrag vast te stellen van de krachtens dit koninklijk besluit verschuldigde bijdragen.
   § 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 13bis betaalt de zelfstandige in het bijdragejaar zelf voorlopig bijdragen, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 12 en 13, berekend op basis van de beroepsinkomsten, zoals bekend op 1 januari van het bijdragejaar, die betrekking hebben op het aanslagjaar waarvan het jaartal verwijst naar het tweede kalenderjaar dat onmiddellijk aan het bijdragejaar voorafgaat.
   Indien de beroepsinkomsten van het in het eerste lid bedoelde aanslagjaar nog niet bekend zijn op 1 januari van het bijdragejaar, gebeurt de berekening van de voorlopige bijdragen voor dat bijdragejaar op basis van de beroepsinkomsten van het recentste aanslagjaar dat aan het in het eerste lid genoemde aanslagjaar voorafgaat en waarvoor de beroepsinkomsten bekend zijn op 1 januari van het bijdragejaar. In dit geval wordt met deze laatste beroepsinkomsten rekening gehouden, zelfs als de beroepsinkomsten van het in het eerste lid bedoelde aanslagjaar nog tijdens het bijdragejaar bekend zouden worden.
   Met het oog op de vaststelling van het bedrag van de voorlopige bijdragen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, worden de betreffende beroepsinkomsten vermenigvuldigd met een breuk, die in het begin van elk kalenderjaar door de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen wordt vastgesteld. De noemer van deze breuk is het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van het aanslagjaar bedoeld in het eerste en het tweede lid; de teller staat voor het gemiddelde van de vermoede indexcijfers der consumptieprijzen voor het jaar waarvoor de bijdragen verschuldigd zijn.
   Wanneer het in het eerste tot het derde lid bedoelde aanslagjaar minder dan vier kalenderkwartalen van onderwerping telt, worden de beroepsinkomsten van dat onvolledige kalenderjaar omgezet in een jaarinkomen. Daartoe worden de beroepsinkomsten vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan vier en de noemer gelijk is aan het aantal kalenderkwartalen van onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen tijdens het betreffende aanslagjaar. De voorlopig verschuldigde bijdrage wordt vervolgens vastgesteld a rato van het aantal kalenderkwartalen van onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen tijdens het bijdragejaar.
   De zelfstandige kan in voorkomend geval voor een bepaald bijdragejaar voorlopige bijdragen betalen die hoger zijn dan deze waarin het eerste lid voorziet op voorwaarde dat op het moment van betaling geen niet-betwiste, opeisbare bijdrageschulden en aanhorigheden onbetaald zijn, en voor zover de maximumbijdrage niet wordt overschreden. De Koning kan nadere regels bepalen inzake de wijze waarop deze betalingen worden verwerkt met het oog op de latere regularisatie ervan of de eventuele aanrekening ervan op andere opeisbare bijdrageschulden en aanhorigheden.
   [9 Op basis van objectieve elementen mag het sociaal verzekeringsfonds waarbij de zelfstandige aangesloten is, hem, op zijn aanvraag, toestemming verlenen om in het bijdragejaar zelf voorlopig bijdragen te betalen gelijk aan deze die verschuldigd zouden zijn op basis van een inkomen zoals hierna vastgesteld :
   a) voor alle zelfstandigen die deel uitmaken van de [11 bijdragecategorieën bedoeld in artikel 12, § 1 en artikel 13, § 2, eerste en tweede lid]1
1 : ofwel een bijdrage te betalen gelijk aan deze die verschuldigd is op basis van een inkomen vermeld in het tweede lid van artikel 12, § 1, indien ze aannemelijk maken dat hun inkomen van het bijdragejaar dit bedrag niet zal overschrijden ofwel een bijdrage te betalen gelijk aan deze die verschuldigd is op basis van een door de zelfstandige geschat inkomen dat hoger is dan het inkomen vermeld in het tweede lid van artikel 12, § 1, indien ze aannemelijk maken dat hun inkomen van het bijdragejaar het geschatte inkomen niet zal overschrijden;
   b) voor de meewerkende echtgenoten die deel uitmaken van de [11 bijdragecategorieën bedoeld in artikel 12, § 1ter en artikel 13, § 2, eerste en derde lid]11 : ofwel een bijdrage te betalen gelijk aan deze die op basis van een inkomen vermeld in het eerste lid van artikel 12, § 1ter verschuldigd is, indien ze aannemelijk maken dat hun inkomen van het bijdragejaar dit bedrag niet zal overschrijden ofwel een bijdrage te betalen gelijk aan deze die verschuldigd is op basis van een door de zelfstandige geschat inkomen dat hoger is dan het inkomen vermeld in het eerste lid van artikel 12, § 1ter indien ze aannemelijk maken dat hun inkomen van het bijdragejaar het geschatte inkomen niet zal overschrijden;
   c) voor de zelfstandigen die deel uitmaken van de bijdragecategorie bedoeld in artikel 12, § 2, en de zelfstandigen bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen : een bijdrage te betalen gelijk aan deze die op basis van een door de zelfstandige geschat inkomen verschuldigd is indien ze aannemelijk maken dat hun inkomen van het bijdragejaar het geschatte inkomen niet zal overschrijden;
   d) voor de zelfstandigen die deel uitmaken van de [11 bijdragecategorie bedoeld in artikel 13, § 1 en artikel 13, § 3]11 : een bijdrage te betalen gelijk aan deze die op basis van een door de zelfstandige geschat inkomen verschuldigd is, indien ze aannemelijk maken dat hun inkomen van het bijdragejaar het geschatte inkomen niet zal overschrijden;
   e) voor de student-zelfstandigen die deel uitmaken van de bijdragecategorie bedoeld in artikel 12bis : een bijdrage te betalen gelijk aan deze die op basis van een door de zelfstandige geschat inkomen verschuldigd is, indien zij aannemelijk kunnen maken dat hun inkomen van het bijdragejaar het geschatte inkomen niet zal overschrijden;
   f) [10 voor de zelfstandigen die deel uitmaken van de [11 bijdragecategorie bedoeld in artikel 12, § 1bis en artikel 13, § 2, eerste en vijfde lid]11, voor de eerste vier kalenderkwartalen onderwerping of voor de eerste acht kalenderkwartalen onderwerping voor de zelfstandige artiesten: ofwel een bijdrage te betalen gelijk aan deze die verschuldigd is op basis van een inkomen vermeld in het eerste lid van artikel 12, § 1bis, indien ze aannemelijk maken dat hun inkomen van het bijdragejaar waarin één of meerdere van deze eerste vier of acht kalenderkwartalen gelegen zijn dit bedrag niet zal overschrijden ofwel een bijdrage te betalen gelijk aan deze die verschuldigd is op basis van een door de zelfstandige geschat inkomen dat hoger is dan het inkomen vermeld in het eerste lid van artikel 12, § 1bis, indien ze aannemelijk maken dat hun inkomen van het bijdragejaar waarin één of meerdere van deze eerste vier of acht kalenderkwartalen gelegen zijn, het geschatte inkomen niet zal overschrijden.]10]9
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen wat onder `objectieve elementen' wordt verstaan, met dien verstande dat het enkel kan gaan om elementen die een rechtstreekse impact hebben op het bedrag van de beroepsinkomsten.
   De toelating kan niet tot gevolg hebben dat reeds uitgevoerde bijdragebetalingen worden terugbetaald aan de zelfstandige.
   De Koning kan de termijn waarbinnen, op straffe van verval, de aanvraag bedoeld in het zesde lid wordt ingediend, de wijze waarop deze aanvraag dient te gebeuren, alsook de wijze waarop het sociaal verzekeringsfonds het dossier bijhoudt, de beslissing neemt en deze meedeelt aan de zelfstandige, bepalen.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in overleg met en na advies van het Algemeen beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen, opgericht krachtens artikel 107 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, en [12 onverminderd de toepassing van de artikelen 12, § 1, tweede lid, 12, § 1bis, eerste lid, 12, § 1ter, eerste lid, en 13, § 2, tweede, derde en vijfde lid]12, de bedragen bedoeld in het zesde lid aanpassen, dan wel bedragen toevoegen of opheffen, dan wel bepalen dat de zelfstandige, onder dezelfde voorwaarden als bepaald in het zesde tot het negende lid, zelf het bedrag van het inkomen op basis waarvan hij voorlopige bijdragen wenst te betalen, kan voorstellen aan zijn sociaal verzekeringsfonds. Met de woorden "in overleg met en na advies van het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen" wordt bedoeld dat de hier beoogde evoluties niet kunnen worden ingevoerd vóór de evaluatie van het systeem door het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen waarin artikel 16 van de wet van 22 november 2013 houdende hervorming van de berekening van de sociale bijdragen voor zelfstandigen voorziet.
   § 4. Het sociaal verzekeringsfonds moet de onderworpene duidelijk en schriftelijk informeren :
   1° over het voorlopig en opeisbaar karakter van de bijdrage zoals bedoeld in paragraaf 3 en in artikel 13bis;
   2° over de manier waarop deze bijdrage achteraf zal worden geregulariseerd;
   3° over de gevolgen die deze regularisatie met zich kan brengen.
   § 5. Zodra de beroepsinkomsten van het bijdragejaar worden meegedeeld door de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit van de Federale Overheidsdienst Financiën, wordt op deze basis overgegaan tot de vaststelling van het definitieve bedrag van de voor het betrokken bijdragejaar verschuldigde bijdragen. Dit wordt de regularisatie genoemd. De Koning bepaalt de wijze waarop deze regularisatie wordt doorgevoerd en de manier waarop de jaarlijkse bijdrageafrekening aan de betrokkene wordt verstuurd.
   Op deze beroepsinkomsten wordt het bijdragepercentage toegepast dat van toepassing was tijdens de te regulariseren periode.
   Wanneer het bijdragejaar minder dan vier kalenderkwartalen van onderwerping telt, worden de beroepsinkomsten van dat onvolledige kalenderjaar omgezet in een jaarinkomen. Daartoe worden de beroepsinkomsten vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan vier en de noemer gelijk aan het aantal kalenderkwartalen van onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen tijdens het bijdragejaar. De verschuldigde bijdrage wordt vervolgens vastgesteld a rato van het aantal kalenderkwartalen van onderwerping van de betrokkene aan het sociaal statuut der zelfstandigen tijdens het bijdragejaar.
   De zelfstandige kan er evenwel voor kiezen dat de regularisatie, bedoeld in het eerste tot het derde lid, van de hieronder bedoelde bijdragejaren niet wordt doorgevoerd. Hij kan dit aanvragen en verkrijgen indien wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden :
   - de aanvraag gebeurt uiterlijk op de ingangsdatum van het [4 eigen rustpensioen]4;
   - de ingangsdatum van het [4 eigen rustpensioen]4 valt uiterlijk op 1 januari 2019;
   - de zelfstandige zet elke zelfstandige beroepsactiviteit stop op de ingangsdatum van het [4 eigen rustpensioen]4;
   - het betreft de regularisaties van alle bijdragejaren in de periode gaande van het jaar waarin het [4 eigen rustpensioen]4 ingaat tot en met het derde kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin het [4 eigen rustpensioen]4 ingaat, met uitzondering van de bijdragejaren waarvoor al een regularisatie werd doorgevoerd [2 op de ingangsdatum van het [4 eigen rustpensioen]4]2;
   - in en voor alle in aanmerking te nemen bijdragejaren geniet de zelfstandige geen toepassing van artikel 11, § 3, zesde lid.
   De Koning bepaalt hoe de aanvraag bedoeld in het vierde lid dient te worden ingediend.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de hierboven vermelde datum van 1 januari 2019 aanpassen.]1
  
Art.11. [1 § 1er. Les cotisations des assujettis sont exprimées par un pourcentage des revenus professionnels.
   § 2. Par revenus professionnels au sens du § 1er, il y a lieu d'entendre les revenus professionnels bruts, diminués des frais professionnels et, le cas échéant, des pertes professionnelles, fixés conformément à la législation relative à l'impôt sur les revenus, dont l'assujetti a bénéficié en qualité de travailleur indépendant durant la période au cours de laquelle il était assujetti au présent arrêté royal.
  [3 L'intervention visée à l'article 4, § 1er, de l'arrêté royal du 23 mars 2012 portant création d'un Fonds d'Impulsion pour la médecine générale et fixant ses modalités de fonctionnement n'est pas considérée comme un revenu professionnel.]3
   Les bénéfices et profits visés à l'article 23, § 1er, 3°, du Code des impôts sur les revenus 1992, ainsi que les indemnités visées à l'article 32, alinéa 2, 2°, juncto, l'article 31, alinéa 2, 3°, du même Code, qui se rattachent à une activité antérieurement exercée par l'assujetti, sont considérés être des revenus professionnels au sens de l'alinéa premier et sont censés relever de l'exercice d'imposition dans lequel ils sont taxés.
   Le calcul des cotisations dues pour une année déterminée - ci-après dénommée année de cotisation - se fait sur la base des revenus professionnels, au sens [6 des alinéas 1er et 3]6, afférents à l'exercice d'imposition dont le millésime désigne l'année civile suivant immédiatement celle pour laquelle les cotisations sont dues.
   Par dérogation [6 aux alinéas 1er, 3 et 4]6, les revenus visés à l'article 28, alinéa 1er, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992, ne sont pas considérés être des revenus professionnels, à condition que le travailleur indépendant :
   - soit, n'est plus assujetti au présent arrêté royal au plus tard le 31 décembre de l'année suivant celle au cours de laquelle lesdits revenus ont été recueillis;
   - soit bénéficie effectivement d'une pension de retraite au plus tard le 31 décembre de l'année suivant celle au cours de laquelle lesdits revenus ont été recueillis.
   Pour l'application du présent paragraphe, les revenus professionnels attribués au conjoint aidant conformément à la législation fiscale sont ajoutés aux revenus professionnels de l'indépendant aidé dans le cas où le conjoint aidant est uniquement assujetti au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des indemnités.
   Les revenus professionnels au sens [6 des alinéas 1er à 6]6 sont les revenus professionnels tels que communiqués par l'Administration de la fiscalité des entreprises et des revenus du Service public fédéral Finances.
   L'Administration de la fiscalité des entreprises et des revenus du Service public fédéral Finances est tenue de fournir à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants les renseignements nécessaires en vue de la fixation du montant des cotisations dues en vertu du présent arrêté royal.
   § 3. Sans préjudice des dispositions de l'article 13bis, le travailleur indépendant paie provisoirement des cotisations dans l'année de cotisation même, conformément aux dispositions des articles 12 et 13, calculées sur la base des revenus professionnels, tels que connus le 1er janvier de l'année de cotisation, afférents à l'exercice d'imposition dont le millésime désigne la deuxième année civile précédant immédiatement l'année de cotisation.
   Si les revenus professionnels de l'exercice d'imposition visé à l'alinéa 1er ne sont pas encore connus le 1er janvier de l'année de cotisation, le calcul des cotisations provisoires pour cette année de cotisation se fait sur la base des revenus professionnels de l'exercice d'imposition le plus récent précédant l'exercice d'imposition visé à l'alinéa 1er et pour lequel les revenus professionnels sont connus le 1er janvier de l'année de cotisation. Dans ce cas, il est tenu compte de ces derniers revenus professionnels, même si les revenus professionnels de l'exercice d'imposition visé à l'alinéa 1er seraient encore connus au cours de l'année de cotisation.
   En vue de la détermination du montant des cotisations provisoires visées aux alinéas 1er et 2, les revenus professionnels concernés sont multipliés par une fraction fixée au début de chaque année civile par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions. Le dénominateur de cette fraction est la moyenne des indices des prix à la consommation de l'exercice d'imposition visé aux alinéas 1er et 2; le numérateur indique la moyenne des indices des prix à la consommation présumés pour l'année pour laquelle les cotisations sont dues.
   Lorsque l'exercice d'imposition visé aux alinéas 1er à 3 compte moins de quatre trimestres civils d'assujettissement, les revenus professionnels de cette année civile incomplète sont convertis en un revenu annuel. A cet effet, les revenus professionnels sont multipliés par une fraction dont le numérateur est égal à quatre et le dénominateur est égal au nombre de trimestres civils d'assujettissement au statut social des travailleurs indépendants pendant l'exercice d'imposition en question. La cotisation provisoirement due est ensuite fixée au prorata du nombre de trimestres civils d'assujettissement au statut social des travailleurs indépendants pendant l'année de cotisation.
   Le travailleur indépendant peut le cas échéant payer pour une année de cotisation déterminée des cotisations provisoires supérieures à celles prévues à l'alinéa 1er, à condition qu'au moment du paiement, il n'y ait pas de dettes non contestées de cotisations sociales ou d'accessoires exigibles qui soient impayées, et pour autant que la cotisation maximale ne soit pas dépassée. Le Roi peut fixer les modalités quant à la manière dont ces paiements sont traités en vue de leur régularisation ultérieure ou de leur éventuelle imputation sur d'autres dettes de cotisations ou accessoires exigibles.
   [9 Sur la base d'éléments objectifs, la caisse d'assurances sociales à laquelle est affilié le travailleur indépendant peut, sur demande, l'autoriser à payer provisoirement pendant l'année de cotisation elle-même des cotisations égales à celles qui seraient dues sur la base d'un revenu tel que défini ci-après :
   a) pour tous les travailleurs indépendants qui appartiennent [11 aux catégories de cotisations visées à l'article 12, § 1er et à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 2]1
1 : soit payer une cotisation égale à celle due sur la base d'un revenu mentionné à l'alinéa 2 de l'article 12, § 1er, s'ils peuvent prouver que leurs revenus pour l'année de cotisation ne dépasseront pas ce montant, soit payer une cotisation égale à celle due sur la base d'un revenu estimé par le travailleur indépendant et dépassant le revenu mentionné à l'alinéa 2 de l'article 12, § 1er, s'ils peuvent prouver que leurs revenus pour l'année de cotisation ne dépasseront pas le revenu estimé;
   b) pour les conjoints aidants qui appartiennent [11 aux catégories de cotisations visées à l'article 12, § 1erter et à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 3]11 : soit payer une cotisation égale à celle due sur la base d'un revenu mentionné à l'alinéa 1er de l'article 12, § 1erter s'ils peuvent démontrer que leur revenu pour l'année de cotisation ne dépassera pas ce montant, soit payer une cotisation égale à celle due sur la base d'un revenu estimé par le travailleur indépendant qui est supérieur au revenu mentionné à l'alinéa 1er de l'article 12, § 1erter s'ils peuvent démontrer que leur revenu pour l'année de cotisation ne dépassera pas le revenu estimé;
   c) pour les travailleurs indépendants qui appartiennent à la catégorie de cotisants visée à l'article 12, § 2, et les travailleurs indépendants visés à l'article 37 de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants : payer une cotisation égale à celle due sur la base d'un revenu estimé par le travailleur indépendant s'ils peuvent démontrer que leur revenu pour l'année de cotisation ne dépassera pas le revenu estimé;
   d) pour les travailleurs indépendants qui appartiennent [11 aux catégories de cotisations visées à l'article 13, § 1er et à l'article 13, § 3]11 : payer une cotisation égale à celle due sur la base d'un revenu estimé par le travailleur indépendant, s'ils peuvent démontrer que leur revenu pour l'année de cotisation ne dépassera pas le revenu estimé;
   e) pour les étudiants indépendants qui appartiennent à la catégorie de cotisants visée à l'article 12bis : payer une cotisation égale à celle due sur la base d'un revenu estimé par le travailleur indépendant, s'ils peuvent démontrer que leur revenu pour l'année de cotisation ne dépassera pas le revenu estimé;
   f) [10 pour les travailleurs indépendants qui appartiennent [11 aux catégories de cotisations visées à l'article 12, § 1erbis et à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 5]11, pour les quatre premiers trimestres civils d'assujettissement ou pour les huit premiers trimestres civils d'assujettissement pour les indépendants artistes: soit payer une cotisation égale à celle due sur la base d'un revenu mentionné à l'alinéa 1er de l'article 12, § 1erbis s'ils peuvent démontrer que leur revenu pour l'année de cotisation dans laquelle se situent un ou plusieurs de ces quatre ou huit premiers trimestres civils ne dépassera pas ce montant, soit payer une cotisation égale à celle due sur la base d'un revenu estimé par le travailleur indépendant qui est supérieur au revenu mentionné à l'alinéa 1er de l'article 12, § 1erbis s'ils peuvent démontrer que leur revenu de l'année de cotisation dans laquelle se situent un ou plusieurs de ces quatre ou huit premiers trimestres civils, ne dépassera pas le revenu estimé.]10]9
   Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer ce qu'il faut entendre par `éléments objectifs', étant entendu qu'il ne peut s'agir que d'éléments qui ont un impact direct sur le niveau des revenus professionnels.
   L'autorisation ne peut pas avoir pour effet que des payements de cotisations déjà effectués soient remboursés au travailleur indépendant.
   Le Roi peut déterminer le délai dans lequel, sous peine de nullité, la demande visée à l'alinéa 6 est introduite, la manière dont cette demande doit se faire, ainsi que la manière dont la caisse d'assurances sociales tient le dossier, prend la décision et la communique au travailleur indépendant.
   Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, en concertation avec et après avis du Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants, créé en vertu de l'article 107 de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, [12 et sans préjudice de l'application des articles 12, § 1er, alinéa 2, 12, § 1erbis, alinéa 1er, 12, § 1erter, alinéa 1er, et 13, § 2, alinéas 2, 3 et 5]12, adapter les montants visés à l'alinéa 6, en ajouter, en supprimer, ou déterminer que l'indépendant puisse lui-même proposer à sa caisse d'assurances sociales, dans les mêmes conditions que celles définies aux alinéas 6 à 9, le montant du revenu sur la base duquel il souhaite payer les cotisations provisoires. Par les mots "en concertation avec et après avis du Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants", il est entendu que les évolutions ici visées ne peuvent être mises en oeuvre antérieurement à l'évaluation du système par le Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants prévue à l'article 16 de la loi du 22 novembre 2013 portant réforme du calcul des cotisations sociales pour les travailleurs indépendants.
   § 4. La caisse d'assurances sociales doit informer, clairement et par écrit, l'assujetti :
   1° du caractère provisoire et exigible de la cotisation visée au paragraphe 3 et à l'article 13bis;
   2° de la manière dont cette cotisation sera régularisée ultérieurement;
   3° des conséquences que pourrait entraîner cette régularisation .
   § 5. Dès que les revenus professionnels de l'année de cotisation sont communiqués par l'Administration de la fiscalité des entreprises et des revenus du Service public fédéral Finances, il est procédé sur cette base à la fixation du montant définitif des cotisations dues pour l'année de cotisation concernée. Ceci est dénommé la régularisation. Le Roi détermine la manière dont s'effectue cette régularisation et la manière dont est adressé à l'intéressé le décompte annuel de ses cotisations.
   Le pourcentage utilisé pour calculer les cotisations dues sur ces revenus professionnels est celui qui s'appliquait au cours de la période à régulariser.
   Lorsque l'année de cotisation compte moins de quatre trimestres civils d'assujettissement, les revenus professionnels de cette année civile incomplète sont convertis en un revenu annuel. A cet effet, les revenus professionnels sont multipliés par une fraction dont le numérateur est égal à quatre et le dénominateur est égal au nombre de trimestres civils d'assujettissement au statut social des travailleurs indépendants pendant l'année de cotisation. La cotisation due est ensuite calculée au prorata du nombre de trimestres civils durant lesquels l'intéressé a été assujetti au statut social des travailleurs indépendants pendant l'année de cotisation.
   Cependant, le travailleur indépendant peut opter pour que la régularisation, visée aux alinéas 1er à 3, des années de cotisation visées ci-dessous ne soit pas appliquée. Il peut le demander et l'obtenir s'il est satisfait à toutes les conditions suivantes :
   - la demande doit être introduite au plus tard à la date de prise de cours de la [4 propre pension de retraite]4;
   - la date de prise de [4 la propre pension de retraite]4 doit intervenir au plus tard le 1er janvier 2019;
   - le travailleur indépendant cesse toute activité professionnelle indépendante à la date de la prise de cours de la [4 propre pension de retraite]4;
   - cela concerne les régularisations de toutes les années de cotisation situées dans la période allant de l'année au cours de laquelle la pension prend cours jusques et y compris la troisième année civile précédant l'année au cours de laquelle la [4 propre pension de retraite]4 prend cours, à l'exception des années de cotisation pour lesquelles une régularisation a déjà été effectuée [2 à la date de prise de cours de la [4 propre pension de retraite]4]2;
   - pendant et pour toutes les années de cotisation à prendre en considération, le travailleur indépendant ne bénéficie pas de l'application de l'article 11, § 3, alinéa 6.
   Le Roi détermine la manière dont la demande visée à l'alinéa 4 doit être introduite.
   Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier la date du 1er janvier 2019 mentionnée ci-dessus.]1
  
Art. 11bis. [1 § 1. Indien op het moment van de regularisatie, bedoeld in artikel 11, § 5, blijkt dat de zelfstandige, die in het bijdragejaar de toepassing van artikel 11, § 3, zesde lid genoot, op 31 december van het bijdragejaar niet volledig de voor het bijdragejaar verschuldigde bijdrage heeft betaald, is er een verhoging verschuldigd bovenop de voor het bijdragejaar verschuldigde bijdrage.
   Deze verhoging bedraagt 3 % van het gedeelte van de voor het bijdragejaar verschuldigde bijdrage dat het bedrag overschrijdt van de bijdrage die hij ten voorlopigen titel verschuldigd was voor datzelfde jaar, en dat op voormelde datum onbetaald bleef, en zij wordt voor de eerste keer aangerekend na diezelfde datum. Indien het bedrag van de voor het bijdragejaar verschuldigde bijdrage echter hoger is dan het bedrag van de voorlopige bijdrage, bedoeld in artikel 11, § 3, eerste lid, vastgesteld in het bijdragejaar, wordt met dit laatste bedrag rekening gehouden voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde verhogingen.
   De verhoging wordt vervolgens telkens in rekening gebracht op het nog onbetaald gebleven gedeelte van de bijdrage bij het verstrijken van elk volgend kalenderkwartaal en dit tot en met het verstrijken van het kalenderkwartaal dat voorafgaat aan datgene waarin het onbetaalde gedeelte betaald werd, dan wel tot en met het kalenderkwartaal dat voorafgaat aan datgene waarin het sociaal verzekeringsfonds de regularisatie bedoeld in artikel 11, § 5, aan de zelfstandige meedeelt.
   Daarenboven wordt in het geval bedoeld in het eerste lid op het moment van de regularisatie, bedoeld in artikel 11, § 5, een eenmalige verhoging van 7 % aangerekend op het deel van de bijdrage van het bijdragejaar dat op 31 december van datzelfde bijdragejaar onbetaald was gebleven.
   § 2. De Koning kan, na advies van het Algemeen beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen, opgericht krachtens artikel 107 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een systeem van eenmalige specifieke verhoging van de bijdragen, alsook een systeem van eenmalige specifieke bonificatie uitwerken, bovenop het systeem van verhogingen bedoeld in § 1, onder de volgende voorwaarden :
   - Hij doet dit ten vroegste na de evaluatie bedoeld in artikel 16 van de wet van 22 november 2013. houdende hervorming van de berekening van de sociale bijdragen voor zelfstandigen;
   - de rentevoet van de specifieke verhoging en die van de specifieke bonificatie zijn dezelfde en bedragen tweemaal het rentetarief van de marginale beleningsfaciliteit van de Europese Centrale Bank op 1 januari van het bijdragejaar. Indien het product van deze vermenigvuldiging geen heel getal is, wordt het afgerond op de naasthogere eenheid indien de eerste decimaal ten minste vijf bedraagt. Zo niet wordt met de decimaal geen rekening gehouden;
   - de specifieke verhoging wordt enkel toegepast wanneer de regularisatie, bedoeld in artikel 11, § 5, betrekking heeft op een totaal bedrag dat het bedrag van de bijdragen dat voor dat bijdragejaar betaald werd in datzelfde jaar, in hoge mate overschrijdt en die specifieke verhoging wordt enkel toegepast op het bedrag van die overschrijding;
   - de specifieke bonificatie wordt toegepast wanneer op het moment van de regularisatie, bedoeld in artikel 11, § 5, blijkt dat de voorlopig voor dat bijdragejaar verschuldigde bijdrage, vastgesteld overeenkomstig artikel 11, § 3, eerste of zesde lid, hoger is dan de uiteindelijk voor dat bijdragejaar verschuldigde bijdrage die specifieke bonificatie en wordt toegepast op het positieve verschil tussen de op 31 december van het bijdragejaar overeenkomstig artikel 11, § 3, eerste of zesde lid, betaalde bijdragen en de uiteindelijk voor dat bijdragejaar verschuldigde bijdragen.]1

  
Art. 11bis. [1 § 1er. Si au moment de la régularisation, visée à l'article 11, § 5, il s'avère que le travailleur indépendant, qui bénéficiait de l'application de l'article 11, § 3, alinéa 6 au cours de l'année de cotisation, n'a pas totalement payé la cotisation due pour l'année de cotisation au 31 décembre de l'année de cotisation, une majoration est due outre la cotisation due pour l'année de cotisation.
   Cette majoration s'élève à 3 % de la partie de la cotisation due pour l'année de cotisation qui excède le montant de la cotisation dont le travailleur indépendnant était redevable à titre provisoire pour cette même année et qui n'a pas été payée à la date précitée, et elle est appliquée pour la première fois après cette même date. Toutefois, si le montant de la cotisation due pour l'année de cotisation est plus élevé que le montant de la cotisation provisoire, visée à l'article 11, § 3, alinéa 1er, fixée dans l'année de cotisation, il est tenu compte de ce dernier montant pour le calcul des majorations visées à l'alinéa 1er.
   Ensuite, la majoration est chaque fois portée en compte sur la partie de la cotisation qui n'a pas été payée à l'expiration de chaque trimestre civil suivant, et ce jusqu'à l'expiration du trimestre civil précédant celui au cours duquel la partie impayée a été payée, ou jusque et y compris le trimestre civil précédant celui au cours duquel la caisse d'assurances sociales communique la régularisation visée à l'article 11, § 5, au travailleur indépendant.
   En outre, dans le cas visé à l'alinéa 1er, lors de la régularisation visée à l'article 11, § 5, une majoration unique de 7 % est appliquée sur la partie de la cotisation de l'année de cotisation qui restait impayée au 31 décembre de cette même année de cotisation.
   § 2. Le Roi peut, après avis du Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants, créé en vertu de l'article 107 de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, mettre en oeuvre un système de majoration unique spéciale de cotisations, ainsi qu'un régime de bonification spéciale unique, en plus du système de majorations visé au § 1er, dans les conditions suivantes :
   - Il le fait au plus tôt après l'évaluation prévue à l'article 16 de la loi du 22 novembre 2013 portant réforme du calcul des cotisations sociales pour les travailleurs indépendants;
   - le taux d'intérêt de la majoration spéciale et celui de la bonification spéciale sont identiques et s'élèvent à deux fois le taux d'intérêt de la facilité marginale de prêt de la Banque centrale européenne en vigueur au 1er janvier de l'année de cotisation. Si le produit de cette multiplication ne donne pas un nombre entier, il est alors arrondi à l'unité supérieure si la première décimale s'élève au moins à 5. A défaut, il n'est pas tenu compte de la partie décimale;
   - la majoration spéciale n'est appliquée que lorsque la régularisation, visée à l'article 11, § 5, porte sur un montant total de cotisations qui dépasse de manière excessive le montant de cotisations payé pour l'année de cotisations concernée au cours de cette même année et ladite majoration spéciale n'est appliquée que sur le montant de ce dépassement;
   - la bonification spéciale est appliquée lorsqu'au moment de la régularisation, visée à l'article 11, § 5, il s'avère que la cotisation due provisoirement pour cette année de cotisation, déterminée conformément à l'article 11, § 3, alinéa 1er ou 6, est plus élevée que la cotisation finalement due pour cette année de cotisation, et ladite bonification spéciale est appliquée à la différence positive entre les cotisations payées au 31 décembre de l'année de cotisation conformément à l'article 11, § 3, alinéa 1er ou 6, et les cotisations finalement dues pour cette année de cotisation.]1

  
Bedrag der bijdragen.
Montant des cotisations.
A. (Vóór de pensioenleeftijd)
(A. Avant l'âge de la pension) L 12-07-1972, art. 11&gt;
Art.12. § 1. (Onverminderd de uitzonderingen [3 bedoeld in de §§ 1ter, en 2, en in artikel 12bis]3 zijn de onderworpenen de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd :
  1° [2 20,50 pct.]2 op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.831,12 EUR niet te boven gaat;
  2° 14,16 pct. op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.831,12 EUR te boven gaat, maar 23.330,06 EUR niet overschrijdt.) <W 2007-12-21/32, art. 4, 1°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (Voor de berekening van de onder 1° bedoelde bijdragen worden de beroepsinkomsten van de onderworpene geacht (3.666,15 EUR) te bereiken wanneer [1 deze dit bedrag niet bereiken]1. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs zo geen winsten werden verwezenlijkt voor het in artikel 11, § 2, bedoelde [1 bijdragejaar]1.) <KB 1996-11-18/34, art. 4, 029; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <W 2002-12-24/31, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 10-01-2003> <W 2007-12-21/32, art. 4, 2°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag bedoeld in het eerste lid, 1 °, verhogen tot het niveau van het jaarbedrag bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aangepast overeenkomstig het laatste lid van hetzelfde artikel.) <KB 1997-01-30/36, art. 20, 031; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  § 1bis. [4 In afwijking van § 1, tweede lid, worden, voor de berekening van de onder § 1, eerste lid, 1° bedoelde bijdragen, de beroepsinkomsten van onderworpenen die vallen onder de in het volgende lid omschreven zelfstandigen, geacht volgend bedrag te bereiken wanneer deze inkomsten dat bedrag niet bereiken:
   - 1.893,22 EUR voor de eerste vier kalenderkwartalen onderwerping.
   De in het eerste lid vastgestelde bijdrageberekening geldt voor de eerste vier opeenvolgende kalenderkwartalen van onderwerping als zelfstandige in hoofdberoep van zelfstandigen die tijdens de twintig kalenderkwartalen vóór aanvang of herneming van hun zelfstandige activiteit op geen enkel ogenblik onderworpen waren noch als zelfstandige in hoofdberoep noch als zelfstandige gelijkgesteld met de in artikel 12, § 2, eerste lid, bedoelde zelfstandigen krachtens het vierde lid van voornoemde paragraaf. Onder zelfstandige in hoofdberoep dient te worden verstaan de onderworpene die gewoonlijk en hoofdzakelijk een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent en daarbij deel uitmaakt van een categorie bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 1, 1bis of 1ter. [5 Voor het eerste van de genoemde kalenderkwartalen van onderwerping als zelfstandige in hoofdberoep geldt een vermindering van de kwartaalbijdrage met 25,01 euro. Deze korting wordt meteen verrekend met de verschuldigde voorlopige bijdrage voor dat eerste kalenderkwartaal van onderwerping als zelfstandige in hoofdberoep.]5
  [6 De in het eerste lid vastgestelde bijdrageberekening geldt ook voor de eerste vier opeenvolgende kalenderkwartalen van onderwerping als zelfstandige in hoofdberoep van zelfstandigen die een beroepsbezigheid hervatten tijdens of na een periode van ziekte of invaliditeit en minstens twee opeenvolgende kwartalen een gelijkstelling wegens ziekte overeenkomstig artikel 29, § 1, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen bekomen hebben.]6
   De overeenkomstig het eerste lid vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs zo geen winsten werden verwezenlijkt voor het in artikel 11, § 2 bedoelde bijdragejaar.
   De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van deze paragraaf verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in § 1, tweede lid.]4

  [7 In afwijking van de eerste twee leden van deze paragraaf gelden deze bepalingen voor de eerste acht opeenvolgende kalenderkwartalen. voor zelfstandige artiesten, met name zelfstandigen met een artistieke beroepsactiviteit die in het bezit zijn van een geldige zelfstandigheidsverklaring afgeleverd door de Commissie Kunstenaars voor de betrokken kwartalen of een geldig kunstwerkattest afgeleverd door de Kunstwerkcommissie voor de betrokken kwartalen.]7
  (§ 1ter. [1 In afwijking van § 1, tweede lid, worden voor de berekening van de onder § 1, 1°, bedoelde bijdragen, de beroepsinkomsten van de overeenkomstig artikel 7bis aan dit koninklijk besluit onderworpen meewerkende echtgenoot geacht de helft van 3.221,08 euro te bereiken wanneer deze de helft van dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs zo geen winsten werden verwezenlijkt voor het in artikel 11, § 2, bedoelde bijdragejaar.]1
  De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het eerste lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in § 1, tweede lid.) <W 2002-12-24/31, art. 13, 037; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 2. (De onderworpene die, naast de bezigheid die aanleiding geeft tot onderwerping aan dit besluit, gewoonlijk en hoofdzakelijk een andere beroepsbezigheid uitoefent, is geen bijdrage verschuldigd indien zijn [1 beroepsinkomsten als zelfstandige, voor het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, § 2, minder dan 405,60 euro bedragen]1.) <KB 1996-11-18/34, art. 4, 029; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <W 2002-12-24/31, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  (Wanneer genoemde inkomsten minstens 405,60 EUR bedragen, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd :
  1° [2 20,50 pct.]2 op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.831,12 EUR niet te boven gaat;
  2° 14,16 pct. op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.831,12 EUR te boven gaat, maar 23.330,06 EUR niet overschrijdt.) <W 2007-12-21/32, art. 4, 4°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (Derde lid opgeheven) <W 2002-12-24/31, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  De Koning bepaalt wat, voor de toepassing van deze paragraaf dient verstaan onder gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling en wat daarmee kan gelijkgesteld worden.
  De Koning kan, onder de voorwaarden en binnen de grenzen die hij vaststelt, de toepassing van de bepalingen van deze paragraaf uitbreiden (tot bepaalde categorieen onderworpenen) die niet voldoen aan de voorwaarden betreffende de uitoefening van een andere beroepsbezigheid. <W 1985-06-13/32, art. 2, 009>
  (§ 3. opgeheven) <W 2002-12-24/31, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  
Art.12. (§ 1er. (Sans préjudice des exceptions [3 visées aux §§ 1erter, et 2, et à l'article 12bis]3, les assujettis sont redevables des cotisations annuelles suivantes :
  1° [2 20,50 p.c.]2 sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 EUR;
  2° 14,16 p.c. sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 EUR mais n'excède pas 23.330,06 EUR.) <L 2007-12-21/32, art. 4, 1°, 050; En vigueur : 01-01-2008>
  (Pour le calcul des cotisations visées au 1°, les revenus professionnels de l'assujetti sont présumés atteindre (3.666,15 EUR), [1 s'ils n'atteignent pas ce montant]1. Les cotisations ainsi établies sont dues, même s'il n'a pas été réalisé de bénéfices pour [1 l'année de cotisation]1 visée à l'article 11, § 2.) <AR 1996-11-18/34, art. 4, 029; En vigueur : 01-01-1997> <L 2002-12-24/31, art. 3, 038; En vigueur : 10-01-2003> <L 2007-12-21/32, art. 4, 2°, 050; En vigueur : 01-01-2008>
  (Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, augmenter le montant visé à l'alinéa 1er, 1°, jusqu'au niveau du montant annuel visé à l'article 7, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et adapté conformément au dernier alinéa du même article.) <AR 1997-01-30/36, art. 20, 031; En vigueur : 01-07-1997>
  § 1erbis. [4 Par dérogation au § 1er, alinéa 2, pour le calcul des cotisations visées au § 1er, alinéa 1er, 1°, les revenus professionnels des assujettis qui correspondent aux travailleurs indépendants définis à l'alinéa suivant sont présumés atteindre le montant suivant si ces revenus n' atteignent pas ce montant:
   - 1.893,22 EUR pour les quatre premiers trimestres civils d'assujettissement.
   Le calcul des cotisations défini à l'alinéa 1er vaut pour les quatre premiers trimestres civils consécutifs d'assujettissement comme travailleur indépendant à titre principal des travailleurs indépendants qui, durant les vingt trimestres civils qui précèdent le début ou la reprise de leur activité indépendante, n'ont été à aucun moment assujettis comme indépendant à titre principal, ni comme travailleur indépendant assimilé avec les travailleurs indépendants visés à l'article 12, § 2, alinéa 1er, en vertu de l'alinéa 4 dudit paragraphe. Par indépendant à titre principal, il faut entendre l'assujetti qui exerce habituellement et en ordre principal une activité professionnelle indépendante et qui, par ailleurs, fait partie d'une catégorie de cotisants visée à l'article 12, § 1er, 1erbis ou 1erter. [5 Pour le premier desdits trimestres civils d'assujettissement comme travailleur indépendant à titre principal, il y a une réduction de la cotisation trimestrielle de 25,01 euros. Cette réduction est immédiatement imputée sur la cotisation provisoire due pour ce premier trimestre civil d'assujettissement comme travailleur indépendant à titre principal.]5
  [6 Le calcul des cotisations, défini à l'alinéa 1er, vaut également pour les quatre premiers trimestres civils consécutifs d'assujettissement comme travailleur indépendant à titre principal des travailleurs indépendants qui reprennent une activité professionnelle pendant ou après une période de maladie ou d'invalidité et dont au moins deux trimestres consécutifs ont été assimilés pour cause de maladie conformément à l'article 29, § 1er, de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants.]6
   Les cotisations établies conformément à l'alinéa premier sont dues même s'il n'a pas été réalisé de bénéfices pour l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2.
   L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application du présent paragraphe, est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée au § 1er, alinéa 2.]4

  [7 Par dérogation aux deux premiers alinéas du présent paragraphe, ces dispositions valent pour les huit premiers trimestres civils consécutifs pour les artistes indépendants, à savoir les travailleurs indépendants qui ont une activité professionnelle artistique et qui sont en possession d'une déclaration valable d'activité indépendante délivrée par la Commission Artistes pour les trimestres concernés ou d'une attestation valable du travail des arts délivrée par la Commission du travail des arts pour les trimestres concernés.]7
  (§ 1erter. [1 Par dérogation au § 1er, alinéa 2, pour le calcul des cotisations visées au § 1er, 1°, les revenus professionnels du conjoint aidant assujetti à cet arrêté royal en vertu de l'article 7bis sont censés atteindre la moitié de 3.221,08 euros lorsque ceux-ci n'atteignent pas la moitié de ce montant. Les cotisations ainsi fixées sont dues même s'il n'a pas été réalisé de bénéfices pour l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2.]1
  L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application de l'alinéa 1er est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée au § 1er, alinéa 2.) <L 2002-12-24/31, art. 13, 037; En vigueur : 01-01-2003>
  § 2. (L'assujetti qui, en dehors de l'activité donnant lieu à l'assujettissement au présent arrêté, exerce habituellement et en ordre principal une autre activité professionnelle, n'est redevable d'aucune cotisation si [1 ses revenus professionnels en qualité de travailleur indépendant, acquis au cours de l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2, n'atteignent pas 405,60 euros.]1) <AR 1996-11-18/34, art. 4, 029; En vigueur : 01-01-1997> <L 2002-12-24/31, art. 3, 038; En vigueur : 10-01-2003>
  (Lorsque lesdits revenus atteignent au moins 405,60 EUR, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes :
  1° [2 20,50 p.c.]2 sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 EUR;
  2° 14,16 p.c. sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 EUR mais n'excède pas 23.330,06 EUR.) <L 2002-12-24/31, art. 3, 038; En vigueur : 10-01-2003>
  (alinéa supprimé) <L 2007-12-21/32, art. 4, 4°, 050; En vigueur : 01-01-2008>
  Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre, pour l'application du présent paragraphe, par une occupation habituelle et en ordre principal et ce qui peut y être assimilé.
  Le Roi peut, dans les conditions et limites qu'il fixe, étendre l'application des dispositions du présent paragraphe (à certaines catégories d'assujettis) qui ne remplissent pas la condition relative à l'exercice d'une autre activité professionnelle. <L 1985-06-13/32, art. 2, 009>
  (§ 3. supprimé) <L 2002-12-24/31, art. 3, 038; En vigueur : 10-01-2003>
  
Art. 12bis. [1 § 1. In afwijking van artikel 12, § 1, is de student-zelfstandige bedoeld in artikel 5quater van dit besluit :
   1. geen enkele bijdrage verschuldigd op het gedeelte van zijn beroepsinkomsten verworven tijdens het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, § 2, dat niet de helft van het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, bedraagt;
   2. de jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, verschuldigd wanneer zijn beroepsinkomsten minstens de helft van het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, bedragen, zonder dat inkomen te evenaren. De bijdrage wordt dan berekend op het gedeelte van zijn beroepsinkomsten vanaf de helft van het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid.
   § 2. Wanneer de student-zelfstandige beroepsinkomsten ontvangt die minstens gelijk zijn aan het bedrag van het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, voor het betreffende jaar, is hij bijdragen verschuldigd in toepassing van artikel 12, § 1.]1

  
Art. 12bis. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 12, § 1er, l'étudiant-indépendant visé à l'article 5quater du présent arrêté :
   1. n'est redevable d'aucune cotisation sur la partie de ses revenus professionnels acquis au cours de l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2, qui n'atteint pas la moitié du revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2;
   2. est redevable de la cotisation annuelle visée à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 1°, lorsque ses revenus professionnels atteignent au moins la moitié du revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, sans atteindre ce revenu. La cotisation est alors calculée sur la partie de ses revenus professionnels à partir de la moitié du revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2.
   § 2. Lorsque l'étudiant-indépendant recueille des revenus professionnels qui atteignent le montant du revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, pour l'année concernée, il est redevable des cotisations en application de l'article 12, § 1er.]1

  
B. (Na de pensioenleeftijd)
(B. Après l'âge de la pension)
Art.13. [1 § 1. Vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij ofwel de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en de betaling van een rustpensioen effectief verkrijgt ofwel de betaling van een vervroegd rustpensioen als zelfstandige of als werknemer effectief verkrijgt, is de onderworpene geen bijdrage verschuldigd indien zijn beroepsinkomsten als zelfstandige, verworven tijdens het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, § 2, niet ten minste 811,20 euro bereiken.
   Voor de toepassing van dit artikel dient onder wettelijke pensioenleeftijd te worden begrepen, de pensioenleeftijd zoals bepaald in artikel 3, § 1, 1bis of 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
   Wanneer bedoelde inkomsten minstens 811,20 euro bereiken, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
   1° 14,70 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
   2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
   § 2. Vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zonder effectief de betaling van een rustpensioen of een overlevingspensioen te verkrijgen of tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en enkel een overlevingspensioen effectief verkrijgt, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
   1° 20,50 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
   2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
   Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid worden de beroepsinkomsten van de onderworpene geacht het bedrag te bereiken bedoeld bij artikel 12, § 1, tweede lid, wanneer deze dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs wanneer er geen winst werd gemaakt tijdens het in artikel 11, § 2, bedoelde bijdragejaar.
   Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid, worden de beroepsinkomsten van de meewerkende echtgenoot die onderworpen is aan artikel 7bis, § 1, van dit besluit geacht de helft te bereiken van 3.221,08 euro, wanneer deze de helft van dit bedrag niet bereiken. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs wanneer er geen winst werd gemaakt tijdens het in artikel 11, § 2, bedoelde bijdragejaar.
   De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het derde lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in het tweede lid.
   Voor de berekening van de bijdragen bedoeld in het eerste lid worden de beroepsinkomsten van de onderworpene die vóór het kwartaal waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt onder toepassing viel van artikel 12, § 1bis geacht het bedrag vermeld in artikel 12, § 1bis, eerste lid, te bereiken wanneer deze inkomsten dat bedrag niet bereiken en dit voor het resterende aantal kwartalen, zoals bedoeld in artikel 12, § 1bis.
   De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het vijfde lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in het tweede lid.
   § 3. De onderworpene is voor de kwartalen tijdens dewelke zijn vervroegd rustpensioen als zelfstandige of als werknemer volledig geschorst wordt wegens de overschrijding van de toegelaten grenzen geen bijdrage verschuldigd indien zijn beroepsinkomsten als zelfstandige, verworven tijdens het bijdragejaar bedoeld in artikel 11, § 2, niet ten minste 811,20 euro bereiken.
   Wanneer bedoelde inkomsten minstens 811,20 euro bereiken, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten, bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3:
   1° 20,50 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro niet te boven gaat;
   2° 14,16 procent op het gedeelte van de beroepsinkomsten dat 15.831,12 euro te boven gaat, maar 23.330,06 euro niet overschrijdt.
   § 4. In afwijking van de bijdrageregeling vermeld onder § 2, kan de onderworpene vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zonder effectief de betaling van een rustpensioen te verkrijgen evenwel vragen om onder de bijdrageregeling van § 3 te vallen.
   In afwijking van de bijdrageregeling vermeld onder § 2, kan de onderworpene vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt en enkel de betaling van een overlevingspensioen effectief verkrijgt evenwel vragen om onder de bijdrageregeling van paragraaf 1 te vallen.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de volgende nadere regels bepalen:
   1° de aanvraagprocedure;
   2° de uitwerking in de tijd van de aanvraag;
   3° de wijze waarop bijdragen kunnen worden terugbetaald;
   4° de voorwaarden waaronder een verzaking aan de aanvraag kan gebeuren.
   § 5. De Koning bepaalt in welke gevallen de in dit artikel bedoelde personen geacht worden alle beroepsbezigheid te hebben gestaakt.]1

  
Art.13. [1 § 1er. A partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et obtient le paiement effectif d'une pension de retraite ou au cours duquel il obtient le paiement effectif d'une pension de retraite anticipée en qualité de travailleur indépendant ou de travailleur salarié, l'assujetti n'est redevable d'aucune cotisation si ses revenus professionnels en qualité de travailleur indépendant, acquis au cours de l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2, n'atteignent pas 811,20 euros au moins.
   Pour l'application du présent article, l'âge légal de la pension doit être compris tel que déterminé dans l'article 3, § 1er, 1erbis ou 1erter, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne.
   Lorsque lesdits revenus atteignent au moins 811,20 euros, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
   1° 14,70 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
   2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros, mais qui n'excède pas 23.330,06 euros.
   § 2. A partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension sans obtenir le paiement effectif d'une pension de retraite ou d'une pension de survie ou au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et obtient effectivement uniquement une pension de survie, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
   1° 20,50 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
   2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros, mais qui n'excède pas 23.330,06 euros.
   Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels de l'assujetti sont présumés atteindre le montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, s'ils n'atteignent pas ce montant. Les cotisations ainsi établies sont dues, même si des bénéfices n'ont pas été réalisés pour l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2.
   Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels du conjoint aidant assujetti à l'article 7bis, § 1er, du présent arrêté sont censés atteindre la moitié de 3.221,08 euros, lorsque ceux-ci n'atteignent pas la moitié de ce montant. Les cotisations ainsi établies sont dues même si des bénéfices n'ont pas été réalisés pour l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2.
   L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application de l'alinéa 3 est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée à l'alinéa 2.
   Pour le calcul des cotisations visées à l'alinéa 1er, les revenus professionnels de l'assujetti qui relevait de l'article 12, § 1erbis avant le trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la retraite, sont présumés atteindre le montant visé à l'article 12, § 1erbis, alinéa 1er, si ces revenus n'atteignent pas ce montant et ce pour le nombre de trimestres restants visés à l'article 12, § 1erbis.
   L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application de l'alinéa 5 est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée à l'alinéa 2.
   § 3. L'assujetti n'est pas redevable de cotisation pour les trimestres au cours desquels sa pension de retraite anticipée en qualité de travailleur indépendant ou de travailleur salarié est totalement suspendue en raison du dépassement des plafonds autorisés si ses revenus professionnels d'indépendant, acquis au cours de l'année de cotisation visée à l'article 11, § 2, n'atteignent pas 811,20 euros au moins.
   Lorsque lesdits revenus atteignent au moins 811,20 euros, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3:
   1° 20,50 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.831,12 euros;
   2° 14,16 pour cent sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.831,12 euros mais n'excède pas 23.330,06 euros.
   § 4. Par dérogation au régime de cotisation mentionné au § 2, l'assujetti peut, à partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension sans obtenir le paiement effectif d'une pension de retraite, demander à tomber sous le régime de cotisation du § 3.
   Par dérogation au régime de cotisation mentionné au § 2, l'assujetti peut, à partir du trimestre au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension et n'obtient effectivement que le paiement d'une pension de survie, demander à tomber sous le régime de cotisation du paragraphe 1er.
   Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer les modalités suivantes:
   1° la procédure de demande;
   2° l'effet dans le temps de la demande;
   3° la manière dont des cotisations peuvent être remboursées;
   4° les conditions dans lesquelles une renonciation à la demande peut être faite.
   § 5. Le Roi détermine les cas dans lesquels les personnes visées par le présent article sont censées avoir cessé toute activité professionnelle.]1

  
C. Begin van bezigheid.
(C. Début d'activité.)
Art. 13bis. <INGEVOEGD bij W 2007-12-21/32, art. 7; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. De Koning bepaalt, met het oog op de bijdrageberekening bij aanvang of hervatting van beroepsbezigheid, wat dient te worden verstaan onder aanvang of hervatting van beroepsbezigheid. De Koning bepaalt eveneens de uitvoeringsmodaliteiten van de bijdrageberekening bij aanvang of hervatting van beroepsbezigheid voor zover deze niet bij wet werden vastgesteld.
  § 2. [6 In geval van begin van bezigheid zoals door de Koning bepaald, betaalt de onderworpene voor het eerste kalenderkwartaal van onderwerping tot en met het laatste kalenderkwartaal van het derde volledige kalenderjaar van onderwerping en desgevallend, voor elk van de volgende kalenderkwartalen onderwerping waarvoor geen refertejaar is in de zin van artikel 11, § 3, eerste lid, voorlopig:
   1° 20,50 procent op een inkomen van 3.666,15 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 1;
   2° 20,50 procent op een inkomen van 3.666,15 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 1bis;
   3° 20,50 procent op een inkomen van de helft van 3.221,08 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 1ter;
   4° 20,50 procent op een inkomen van 405,60 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12, § 2;
   5° 20,50 procent op een inkomen van 405,60 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 12bis;
   6° 14,70 procent op een inkomen van 811,20 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 1;
   7° 20,50 procent op een inkomen van 3.666,15 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en tweede lid;
   8° 20,50 procent op een inkomen van de helft van 3.221,08 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en derde lid;
   9° 20,50 procent op een inkomen van 3.666,15 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en vijfde lid;
   10° 20,50 procent op een inkomen van 811,20 euro wanneer hij behoort tot de groep bijdrageplichtigen bedoeld in artikel 13, § 3]6
.
  [2 § 3. De voorlopige bijdragen, geïnd overeenkomstig § 2, worden geregulariseerd overeenkomstig artikel 11, § 5.]2
  
Art. 13bis. § 1er. Le Roi détermine, en vue du calcul des cotisations en cas de début ou de reprise d'activité professionnelle, ce qu'il y a lieu d'entendre par début ou reprise d'activité professionnelle. Le Roi détermine également les modalités d'exécution du calcul des cotisations en cas de début ou de reprise d'activité professionnelle pour autant que celles-ci ne soient pas fixées par la loi.
  § 2. [6 En cas de début d'activité au sens déterminé par le Roi, l'assujetti paie provisoirement pour le premier trimestre civil d'assujettissement jusque et y compris le dernier trimestre civil de la troisième année civile complète d'assujettissement et, le cas échéant, pour chacun des trimestres civils d'assujettissement suivants pour lesquels il n'y a pas d'année de référence au sens de l'article 11, § 3, alinéa 1er:
   1° 20,50 pour cent sur un revenu de 3.666,15 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12, § 1er;
   2° 20,50 pour cent sur un revenu de 3.666,15 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12, § 1erbis;
   3° 20,50 pour cent sur un revenu de la moitié de 3.221,08 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12, § 1erter;
   4° 20,50 pour cent sur un revenu de 405,60 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12, § 2;
   5° 20,50 pour cent sur un revenu de 405,60 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 12bis;
   6° 14,70 pour cent sur un revenu de 811,20 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 1er;
   7° 20,50 pour cent sur un revenu de 3.666,15 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 2;
   8° 20,50 pour cent sur un revenu de la moitié de 3.221,08 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 2, alinéas 1er et 3;
   9° 20,50 pour cent sur un revenu de 3.666,15 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 2, alinéa 1er et 5;
   10° 20,50 pour cent sur un revenu de 811,20 euros lorsqu'il appartient à la catégorie de cotisants visés à l'article 13, § 3.]6

  [2 § 3. Les cotisations provisoires, perçues conformément au § 2, sont régularisées conformément à l'article 11, § 5.]2
  
(D. Gemeenschappelijke bepalingen.)
(D. Dispositions communes.)
Art.14. § 1. (De inkomstenbedragen (vermeld [1 in de artikelen 11, 12, 13 en 13bis]1) [2 en het bedrag van 25,01 euro vermeld in artikel 12, § 1bis]2 zijn gebonden aan het indexcijfer der consumptieprijzen 142,75. Met het oog op het innen der bijdragen voor een bepaald jaar, worden zij vermenigvuldigd met een breuk, die in het begin van elk jaar door de Koning wordt vastgesteld. De noemer van deze breuk is 142,75; de teller geeft het gemiddelde aan van de vermoede indexcijfers der consumptieprijzen (basis 1971 = 100) voor het betrokken jaar.) <W 1994-03-30/31, art. 117, 025; Inwerkingtreding : 01-01-1994> <W 2007-12-21/32, art. 10, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 2. [1 ...]1.
  § 3. (...). <KB 1996-11-18/34, art. 6, 029; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  
Art.14. § 1er. (Les montants des revenus (repris [1 aux articles 11, 12, 13 et 13bis]1) [2 et le montant de 25,01 euros repris à l'article 12, § 1erbis]2 sont liés à l'indice des prix à la consommation 142,75. En vue de la perception des cotisations pour une année déterminée, ils sont multipliés par une fraction déterminée par le Roi au début de chaque année. Le dénominateur de cette fraction est 142,75; le numérateur indique la moyenne des indices des prix à la consommation (base 1971 = 100) présumés pour l'année en cause.) <L 1994-03-30/31, art. 117, 025; En vigueur : 01-01-1994> <L 2007-12-21/32, art. 10, 050; En vigueur : 01-01-2008>
  § 2. [1 ...]1.
  § 3. (Abrogé) <AR 1996-11-18/34, art. 6, 029; En vigueur : 01-01-1997>
  
Algemene bepalingen van toepassing op alle door of krachtens dit besluit voorziene bijdragen
Dispositions générales applicables à toutes les cotisations prévues par ou en vertu du présent arrêté.
Art.15. § 1. § 1. (De bijdragen zijn verschuldigd bij vierden in de loop van ieder kalenderkwartaal; ze worden geind door de sociale verzekeringskas bedoeld in artikel 20, § 1, of § 3, waarbij de onderworpene is aangesloten.
  De Koning bepaalt de wijze waarop de driemaandelijkse bijdragen worden geind.
  De zelfstandige is, samen met de helper, hoofdelijk gehouden tot de betaling van [5 de door deze laatste verschuldigde bijdragen en administratieve geldboeten, bedoeld in artikel 17bis]5. Hetzelfde geldt voor de rechtspersonen voor de bijdragen [2 en de administratieve geldboete bedoeld in artikel 17bis]2 verschuldigd door hun vennoten of mandatarissen.
  Wanneer de echtgenoot-helper is onderworpen in de plaats van zijn echtgenote, is deze laatste hoofdelijk gehouden tot betaling van de bijdragen welke haar man verschuldigd is.
  In de gevallen voorzien in de twee voorgaande [4 leden]4 kunnen de bijdragen gevorderd worden van de hoofdelijk aansprakelijke personen, [8 behalve indien de onderworpene vrijstelling van de betaling van bijdragen heeft bekomen in toepassing van artikel 17]8.) <W 6-02-1976, art. 12>
  § 2. [4 De driemaandelijkse bijdrage is verschuldigd voor de vier kwartalen van het kalenderjaar waarin de beroepsbezigheid gelegen is die de onderwerping aan dit koninklijk besluit meebrengt.
   Deze bijdrage is nochtans niet verschuldigd :
   1° vóór het kwartaal tijdens hetwelk de bezigheid als zelfstandige een aanvang nam, noch na het kwartaal tijdens hetwelk aan deze bezigheid een einde werd gesteld, op voorwaarde dat deze normaal het volgend jaar niet wordt hervat;
   2° [9 voor het kwartaal waarin de onderworpene, hetzij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, hetzij als zelfstandige een vervroegd rustpensioen verkrijgt, hetzij als zelfstandige een rustpensioen verkrijgt na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd, telkens op voorwaarde dat de betrokkene in de loop van dat kwartaal, aan zijn beroepsbezigheid een einde stelt;]9
   3° voor het kwartaal waarin de onderworpene overlijdt.]4

  [6 § 2bis. De Koning bepaalt de gevallen waarin de vrouwelijke zelfstandige die haar activiteit moet onderbreken als gevolg van haar bevalling, van bijdrage is vrijgesteld.
   Met het oog op de toekenning van de uitkeringen bedoeld in artikel 18 van dit besluit, worden de op grond van het eerste lid vrijgestelde bijdragen als betaald beschouwd.]6

  § 3. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden de zelfstandige, die wegens ziekte of invaliditeit zijn activiteit heeft moeten onderbreken, [10 of die zijn activiteit gedwongen heeft onderbroken in de zin van afdeling 2 van hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022]10 van bijdrage vrijgesteld is.
  § 4. De Koning bepaalt:
  1° onder welke voorwaarden de bijdragen verhoogd worden met een forfaitair bedrag, met een bepaald percentage of volgens deze twee wijzen samen, wanneer de onderworpene de door of krachtens dit besluit opgelegde verplichtingen niet of met vertraging nakomt, alsmede de gevallen waarin de toepassing van deze verhogingen kan verzaakt worden;
  2° de bestemming van de opbrengst van deze verhogingen;
  3° de weerslag op de uitkeringen van de laattijdige of gedeeltelijke bijdragebetaling;
  4° [4 ...]4;
  [1 5° de gevallen waarin de zelfstandige van het betalen van bijdragen vrijgesteld is met het oog op een betere verzoening tussen het professionele leven en het privé-leven van de zelfstandigen; Hij bepaalt hiervoor de toekenningsmodaliteiten van deze vrijstelling.]1
  § 5. (Wanneer de invordering van de aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen verschuldigde bijdragen en aanhorigheden al te onzeker of te bezwarend blijkt in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen, kunnen de fondsen, binnen de perken bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, afzien van de invordering van de bijdragen en aanhorigheden.
  Tevens bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad binnen welke perken de fondsen niet moeten overgaan tot de terugbetaling van bijdragen en aanhorigheden of tot de betaling van moratoriumintresten.
  De kostprijs die voortvloeit uit de verzaking aan de invordering is ten laste van het stelsel van het sociaal statuut der zelfstandigen. De opbrengst die voortvloeit uit de verzaking aan de terugbetaling is verworven voor dit stelsel.) <W 2002-08-02/45, art. 64, 036 ; Inwerkingtreding : 29-08-2002>
  
Art.15. § 1er. (Les cotisations sont dues par quart dans le courant de chaque trimestre civil; elles sont perçues par la caisse d'assurances sociales, visée à l'article 20, § 1er ou § 3, à laquelle l'assujetti est affilié.
  Le Roi fixe le mode de perception des cotisations trimestrielles.
  Le travailleur indépendant est tenu, solidairement avec l'aidant, au paiement [5 des cotisations et des amendes administratives visées à l'article 17bis, dont ce dernier est redevable]5; il en est de même des personnes morales, en ce qui concerne les cotisations [2 et l'amende administrative visée à l'article 17bis]2 dues par leurs associés ou mandataires.
  Lorsque le mari-aidant est assujetti en lieu et place de son épouse, cette dernière est tenue solidairement au paiement des cotisations dont son mari est redevable.
  Dans les cas visés aux deux alinéas précédents, les cotisations peuvent être réclamées aux personnes solidairement responsables, [8 sauf si l'assujetti a obtenu dispense du paiement des cotisations en vertu de l'article 17]8.) <L 6-2-1976, art. 12>
  § 2. [4 La cotisation trimestrielle est due pour les quatre trimestres de l'année civile au cours de laquelle se situe l'activité professionnelle entraînant l'assujettissement au présent arrêté royal.
   Toutefois, cette cotisation n'est pas due :
   1° avant le trimestre au cours duquel a débuté l'activité en qualité de travailleur indépendant, ni après le trimestre au cours duquel il a été mis fin à cette activité, à condition que celle-ci ne reprenne pas normalement l'année suivante;
   2° [9 pour le trimestre au cours duquel l'assujetti, soit atteint l'âge légal de la pension, soit obtient une pension de retraite anticipée en qualité de travailleur indépendant, soit obtient une pension de retraite en qualité de travailleur indépendant après avoir atteint l'âge légal de la pension, chaque fois à condition que l'intéressé mette fin à son activité professionnelle dans le courant de ce trimestre;]9
   3° pour le trimestre au cours duquel s'est produit le décès de l'assujetti]4

  [6 § 2bis. Le Roi détermine les cas dans lesquels la travailleuse indépendante qui doit interrompre son activité suite à son accouchement est dispensée de cotiser.
  En vue de l'octroi des prestations visées à l'article 18 du présent arrêté, les cotisations dispensées sur base de l'alinéa premier sont censées avoir été payées.]6

  § 3. Le Roi détermine dans quelles conditions est dispensé de cotiser le travailleur indépendant qui a dû suspendre son activité par suite de maladie ou d'invalidité [10 ou qui est forcé d'interrompre son activité, au sens de la section 2 du chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022]10.
  § 4. Le Roi détermine:
  1° dans quelles conditions les cotisations sont majorées d'un montant forfaitaire, d'un certain pourcentage ou suivant ces deux modes cumulés, lorsque l'assujetti n'accomplit pas ou accomplit avec retard les obligations imposées par ou en vertu du présent arrêté, ainsi que les cas dans lesquels il peut être renoncé à l'application de ces majorations;
  2° la destination du produit de ces majorations;
  3° l'incidence du paiement tardif ou partiel des cotisations sur l'octroi des prestations.
  4° [4 ...]4.
  [1 5° les cas dans lesquels le travailleur indépendant est dispensé de cotiser, en vue de favoriser la conciliation entre vie professionnelle et vie privée des travailleurs indépendants; Il fixe à cet effet les modalités d'octroi de cette dispense.]1
  § 5. (Lorsque le recouvrement des cotisations et accessoires dus aux caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants s'avère trop aléatoire ou trop onéreux par rapport au montant des sommes à recouvrer, les caisses peuvent, dans les limites déterminées par le Roi, par arrêté délibérer en Conseil des ministres, renoncer au recouvrement de ces cotisations et accessoires.
  Par ailleurs, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans quelles limites les caisses ne doivent pas procéder au remboursement de cotisations et accessoires ou au paiement d'intérêts moratoires.
  Le coût qui découle de la renonciation au recouvrement est à charge du régime du statut social des indépendants. Le produit qui découle de la renonciation au remboursement est acquis à ce régime.) <L 2002-08-02/45, art. 64, 036; En vigueur : 29-08-2002>
  
Art.15/1. [1 § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
   1° werken: de werkzaamheden bedoeld in artikel 30bis, § 1, 1°, a), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
   2° opdrachtgever: eenieder die opdracht geeft om tegen een prijs werken uit te voeren of te laten uitvoeren;
   3° aannemer:
   - eenieder die er zich toe verbindt om tegen een prijs voor een opdrachtgever werken uit te voeren of te laten uitvoeren;
   - iedere onderaannemer ten overstaan van de na hem komende onderaannemers;
   4° onderaannemer: eenieder die er zich toe verbindt, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks, in welk stadium ook, tegen een prijs het aan de aannemer toevertrouwde werk of een onderdeel ervan, uit te voeren of te laten uitvoeren of daartoe werknemers ter beschikking te stellen;
   5° sociale schulden:
   - de opeisbare sociale bijdragen in hoofdsom en de aanhorigheden en administratieve geldboeten zoals bedoeld in dit besluit of in zijn uitvoeringsbesluit;
   - de bedragen verschuldigd in de hoedanigheid van hoofdelijke aansprakelijke zoals bedoeld in artikel 15, § 1, derde lid;
   - de jaarlijkse forfaitaire bijdrage bedoeld in artikel 91 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, de verhogingen bedoeld in artikel 93 van dezelfde wet, alsook de door de vennootschap verschuldigde aanhorigheden.
   Worden niet beschouwd als sociale schulden in de zin van dit artikel:
   - de bedragen bedoeld in het vorige lid, voor zover de som van deze bedragen niet meer bedraagt dan 558,55 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer bedoeld in artikel 14, § 1, en wordt op 1 januari van ieder jaar aangepast;
   - de bedragen bedoeld in het vorige lid, voor zover de betalingstermijn ervan nog niet vervallen is op het moment waarop het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, overeenkomstig paragraaf 2 nagaat of er sociale schulden zijn;
   - de bedragen bedoeld in het vorige lid, voor zover zij het voorwerp uitmaken van een correct nageleefd afbetalingsplan bij het sociaal verzekeringsfonds of bij de gerechtsdeurwaarder;
   - de bedragen bedoeld in het vorige lid, voor zover er in hoofde van de schuldenaar reeds een schuld bestaat zoals bedoeld in de artikelen 30bis of 30ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en zoals bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag bedoeld in 5°, verhogen tot maximaal 5.000 euro.
   Het toepassingsgebied kan worden uitgebreid tot zelfstandigen die activiteiten uitoefenen in andere sectoren, na het advies te hebben ingewonnen van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O., die zijn advies uitbrengt na raadpleging van de betrokken sectoren en beroepen en als er een bestaat, de beroepsorde die of het beroepsinstituut dat voor het betrokken beroep door de wet is aangesteld. Het advies wordt gegeven binnen vier maanden nadat het verzoek werd gedaan door de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
   § 2. Met het oog op het bestrijden van sociale fraude en een betere inning van de sociale zekerheidsbijdragen, beheert het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen een gegevensbank, waarin de in dit artikel bedoelde sociale schulden worden opgenomen van de eveneens in dit artikel bedoelde aannemers en onderaannemers. Daartoe kan het Rijksinstituut een beroep doen op de gegevensbank betreffende de aangifte van werken bedoeld in artikel 30bis, § 7, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders teneinde de daarin beschikbare gegevens over de aangifte van werken te gebruiken om de aannemers en onderaannemers bedoeld in dit artikel te vatten.
   Deze gegevens worden maximaal vijf jaar bewaard in de gegevensbank.
   § 3. Overeenkomstig artikel 20, § 1, vierde lid, c) delen de sociale verzekeringsfondsen de gegevens inzake de openstaande sociale schulden van hun aangeslotenen, hierbij een onderscheid makend tussen de hoofdsom en de aanhorigheden, ten laatste binnen de vijf werkdagen volgend op elke wijziging, mee aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen.
   § 4. Wanneer het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen vaststelt dat een aannemer of onderaannemer sociale schulden heeft, wordt de aannemer of onderaannemer hiervan in kennis gesteld met een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum en de verzekerde aflevering van de zending waarborgt. De aannemer of onderaannemer die binnen een termijn van vijftien kalenderdagen volgend op de kennisgeving de sociale schulden niet vereffend heeft noch een afbetalingsplan bij het sociaal verzekeringsfonds voor de sociale schulden heeft afgesloten, wordt als schuldenaar van sociale schulden opgenomen in de voor het publiek toegankelijke gegevensbank bedoeld in paragraaf 2.
   Van zodra de aannemer of onderaannemer geen sociale schulden meer heeft, wordt deze niet langer als schuldenaar van sociale schulden aangeduid in de voor het publiek toegankelijke gegevensbank bedoeld in paragraaf 2.
   § 5. Teneinde aan elke opdrachtgever of aannemer de mogelijkheid te geven te voldoen aan de in § 4 bedoelde verplichting, kan de opdrachtgever of aannemer aan de hand van de gegevens bedoeld in paragraaf 2, op elk moment nagaan of de aannemer of onderaannemer sociale schulden heeft in de zin van dit artikel.
   § 6. De opdrachtgever die voor de in § 1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een aannemer van wie, op het ogenblik van de betaling, werd vastgesteld, op basis van de voor het publiek toegankelijke gegevensbank bedoeld in paragraaf 2, dat hij sociale schulden heeft, is verplicht bij die betaling 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, volgens de door de Koning bepaalde regels.
   De aannemer die voor de in § 1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een onderaannemer van wie, op het ogenblik van de betaling, werd vastgesteld, op basis van een voor het publiek toegankelijke gegevensbank, dat hij sociale schulden heeft, is verplicht bij die betaling 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan het Rijksinstituut, volgens de door de Koning bepaalde regels.
   De Koning bepaalt binnen welke termijn dit bedrag wordt aangerekend op het bedrag van de sociale schulden, alsook de termijn en de nadere regels van terugbetaling van het eventueel saldo in de mate dat de stortingen het bedrag van de sociale schulden overschrijden.
   De Koning bepaalt de nadere regelen volgens welke de in toepassing van het eerste en tweede lid gestorte bedragen doorgestort worden naar het sociaal verzekeringsfonds of desgevallend verdeeld worden onder verschillende sociale verzekeringsfondsen.
   § 7. Dit artikel is niet van toepassing op de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de in § 1 vermelde werken uitsluitend voor privédoeleinden laat uitvoeren.
   § 8. Dit artikel blijft van toepassing in geval van faillissement of elke andere samenloop van schuldeisers alsook bij cessie, beslag onder derden, inpandgeving, inbetalinggeving of in artikel 5.110 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtstreekse vordering.]1

  
Art.15/1. [1 § 1er. Pour l'application du présent article, il faut entendre par:
   1° travaux: les activités visées à l'article 30bis, § 1, 1°, a), de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
   2° donneur d'ordre: quiconque donne ordre d'exécuter ou de faire exécuter des travaux pour un prix;
   3° entrepreneur:
   - quiconque s'engage, pour un prix, à exécuter ou à faire exécuter des travaux pour un donneur d'ordre;
   - chaque sous-traitant par rapport aux sous-traitants suivants;
   4° sous-traitant: quiconque s'engage, soit directement, soit indirectement, à quelque stade que ce soit, à exécuter ou à faire exécuter pour un prix, le travail ou une partie du travail confié à l'entrepreneur ou à mettre des travailleurs à disposition à cet effet;
   5° dettes sociales:
   - les cotisations sociales exigibles en principal et accessoires et les amendes administratives visées par le présent arrêté ou son arrêté d'exécution;
   - les montants dus en qualité de responsable solidaire en vertu de l'article 15, § 1er, alinéa 3;
   - la cotisation annuelle forfaitaire visée à l'article 91 de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, les majorations visées à l'article 93 de la même loi ainsi que les accessoires dont la société est redevable.
   Ne sont pas considérées comme dettes sociales au sens du présent article :
   - les montants visés à l'alinéa précédent, dans la mesure où la somme de ces montants ne dépasse pas le montant de 558,55 euros. Ce montant est lié à l'indice visé à l'article 14, § 1er, et est adapté au 1er janvier de chaque année;
   - les montants visés à l'alinéa précédent, dans la mesure où le délai de paiement n'est pas encore venu à échéance au moment où l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants vérifie, conformément au paragraphe 2, s'il y a des dettes sociales;
   - les montants visés à l'alinéa précédent, dans la mesure où ces montants font l'objet d'un plan d'apurement dûment respecté auprès de la caisse d'assurances sociales ou auprès de l'huissier de justice;
   - les montants visés à l'alinéa précédent, dans la mesure où il existe déjà une dette dans le chef du débiteur, telle que visée aux articles 30bis ou 30ter de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et telle que visée à l'article 55 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales.
   Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, porter le montant visé au 5° à maximum 5.000 euros.
   Le champ d'application peut être élargi aux travailleurs indépendants qui exercent des activités dans d'autres secteurs, après avis du Conseil supérieur des Indépendants et des PME, qui ne rend son avis qu'après avoir consulté les secteurs et professions concernés, et s'il existe, l'ordre ou l'institut professionnel établi par la loi pour la profession concernée. L'avis est rendu dans un délai de quatre mois après la demande faite par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.
   § 2. En vue de lutter contre la fraude sociale et d'améliorer le recouvrement des cotisations sociales, l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants gère une banque de données dans laquelle sont enregistrées les dettes sociales visées au présent article des entrepreneurs et sous-traitants également visés au présent article. Pour ce faire, l'Institut national peut avoir recours à la banque de données relative à la déclaration des travaux visée à l'article 30bis, § 7, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs afin d'utiliser les informations disponibles relatives à la déclaration des travaux pour identifier les entrepreneurs et sous-traitants visés au présent article.
   Ces données seront conservées dans la banque de données pour une durée maximale de cinq ans.
   § 3. Conformément à l'article 20, § 1er, alinéa 4, c), les caisses d'assurances sociales communiquent les données relatives au dettes sociales impayées de leurs affiliés en distinguant le principal de l'accessoire à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants au plus tard, dans les cinq jours ouvrables suivant chaque modification.
   § 4. Dès que l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants constate qu'un entrepreneur ou sous-traitant a des dettes sociales, l'entrepreneur ou le sous-traitant en est informé par envoi recommandé ou tout autre moyen garantissant la date et l'assurance de la délivrance de cet envoi. L'entrepreneur ou le sous-traitant qui n'a pas réglé les dettes sociales ou qui n'a pas conclu de plan d'apurement relatif à ces dettes sociales avec la caisse d'assurances sociales dans un délai de quinze jours civils suivant la notification, est repris dans la banque de données accessible au public visée au paragraphe 2 en tant que débiteur de dettes sociales.
   Dès que l'entrepreneur ou le sous-traitant n'a plus de dettes sociales, il n'est plus indiqué comme débiteur de dettes sociales dans la banque de données accessible au public visée au paragraphe 2.
   § 5. Afin de permettre à tout donneur d'ordre ou entrepreneur de respecter l'obligation visée au § 4, le donneur d'ordre ou l'entrepreneur peut vérifier à tout moment, sur base des données visées au paragraphe 2, si l'entrepreneur ou le sous-traitant a des dettes sociales au sens du présent article.
   § 6. Le donneur d'ordre qui effectue le paiement de tout ou partie du prix des travaux visés au § 1er, à un entrepreneur pour lequel, au moment du paiement, sur base de la banque de données accessible au public visée au paragraphe 2, des dettes sociales ont été établies, est tenu, lors du paiement, de retenir et de verser 15 p.c. du montant dont il est redevable, non compris la taxe sur la valeur ajoutée, à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, selon les modalités déterminées par le Roi.
   L'entrepreneur qui effectue le paiement de tout ou partie du prix des travaux visés au § 1er, à un sous-traitant pour lequel, au moment du paiement, sur base de la banque de données accessible au public, des dettes sociales ont été établies, est tenu, lors du paiement, de retenir et de verser 15 p.c. du montant dont il est redevable, non compris la taxe sur la valeur ajoutée, à l'Institut national, selon les modalités déterminées par le Roi.
   Le Roi détermine le délai dans lequel ce montant est imputé sur le montant des dettes sociales, ainsi que le délai et les modalités de remboursement du solde éventuel dans la mesure où les versements dépasseraient le montant des dettes sociales.
   Le Roi détermine les modalités selon lesquelles les montants versés en application des alinéas 1er et 2 sont versés à la caisse d'assurances sociales ou répartis, le cas échéant, entre diverses caisses d'assurances sociales.
   § 7. Le présent article n'est pas applicable au donneur d'ordre-personne physique qui fait exécuter des travaux visés au § 1er, à des fins strictement privées.
   § 8. Le présent article reste applicable en cas de faillite ou de tout autre concours de créanciers de même qu'en cas de cession, saisie-arrêt, nantissement, dation en paiement ou d'action directe visée à l'article 5.110 du Code Civil.]1

  
Art.16. <KB 1984-12-03/30, art. 2, 007> § 1. De inningsorganismen zijn belast met de invordering van de bijdragen [2 en van de administratieve geldboeten, bedoeld in artikel 17bis]2, zo nodig langs gerechtelijke weg.
  § 2. [1 De vordering van de bijdragen waarin dit koninklijk besluit voorziet, verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari volgend op het jaar waarvoor zij verschuldigd zijn.
   In afwijking van het eerste lid verjaart de vordering van de in artikel 11, § 5, bedoelde regularisatiebijdragen na vijf jaar, te rekenen vanaf 1 januari van het derde jaar volgend op het bijdragejaar.
  [2 De invordering van de administratieve geldboete, bedoeld in artikel 17bis, verjaart na vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop er geen beroep meer kan worden aangetekend tegen de beslissing van de bevoegde administratie tot het opleggen van een administratieve geldboete.]2
   De verjaring wordt gestuit :
   1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek;
   2° [2 met een aangetekende brief waarbij het organisme, dat belast is met de invordering, de door de betrokkene verschuldigde bijdragen of administratieve geldboeten vordert;]2;
   3° met een aangetekende brief door het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen verzonden in het kader van de in artikel 21, § 2, 1°, aan dat Instituut toevertrouwde opdracht en waarbij de betrokkene aangemaand wordt aan te sluiten bij een sociaal verzekeringsfonds.
   Deze aangetekende brief stuit in voorkomend geval eveneens de verjaring van de vordering van de bijdragen [2 of van de administratieve geldboeten]2 die verschuldigd zijn door de in artikel 7bis bedoelde meewerkende echtgenote.]1

  § 3. [2 De vorderingen tot terugbetaling van ten onrechte betaalde bijdragen of administratieve geldboeten, bedoeld in artikel 17bis, verjaren na vijf jaar te rekenen vanaf de 1ste januari van het jaar dat volgt op datgene waarin de onverschuldigde bijdragen of administratieve geldboeten werden betaald.]2
  [1 De vordering tot terugbetaling van de voorlopige bijdragen die na een in artikel 11, § 5, bedoelde regularisatie onverschuldigd blijken te zijn, verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het derde jaar volgend op het bijdragejaar.]1
  De verjaring wordt gestuit :
  1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek;
  2° met een aangetekende brief door de betrokkene gericht aan het organisme dat de bijdragen heeft ge nd en waarbij hij de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bijdragen vordert.
  [2 3° met een aangetekende brief door de betrokkene gericht aan het organisme dat de administratieve geldboete heeft geïnd en waarbij hij de terugbetaling van de ten onrechte betaalde administratieve geldboete vordert.]2
  [1 ...]1.
  (De Koning kan uitzonderingen op de verjaringstermijn vaststellen voor vorderingen tot terugbetaling van na 30 juni 1983 onverschuldigd betaalde bijdragen wanneer het laattijdig karakter van de vordering tot terugbetaling niet te wijten is aan de zelfstandige.) <W 2002-08-02/45, art. 65, 036 ; Inwerkingtreding : 29-08-2002>
  
Art.16. <AR 1984-12-03/30, art. 2, 007> § 1er. Les organismes percepteurs sont chargés du recouvrement des cotisations [2 et des amendes administratives visées à l'article 17bis]2, au besoin par la voie judiciaire.
  § 2. [1 Le recouvrement des cotisations prévues par le présent arrêté royal se prescrit par cinq ans à compter du 1er janvier qui suit l'année pour laquelle elles sont dues.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le recouvrement des cotisations de régularisation visées à l'article 11, § 5, se prescrit par cinq ans à compter du 1er janvier de la troisième année qui suit l'année de cotisation.
  [2 Le recouvrement de l'amende administrative, visée à l'article 17bis, se prescrit par cinq ans à compter du jour où la décision de l'administration compétente d'infliger une amende administrative n'est plus susceptible de recours.]2
   La prescription est interrompue :
   1° de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil;
   2° [2 par une lettre recommandée de l'organisme chargé du recouvrement, réclamant les cotisations ou les amendes administratives dont l'intéressé est redevable;]2
   3° par une lettre recommandée envoyée par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants dans le cadre de la mission qui lui est dévolue par l'article 21, § 2, 1°, et mettant l'intéressé en demeure de s'affilier à une caisse d'assurances sociales.
   Ladite lettre recommandée interrompt également, le cas échéant, la prescription du recouvrement des cotisations [2 ou des amendes administratives]2 dues par le conjoint aidant de l'intéressé, visé à l'article 7bis.]1

  § 3. [2 Les actions en répétition de cotisations ou d'amendes administratives visées à l'article 17bis payées indûment se prescrivent par cinq ans à compter du 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle les cotisations ou les amendes administratives indues ont été payées.]2
  [1 L'action en répétition de cotisations provisoires qui s'avèrent être indues suite à une régularisation visée à l'article 11, § 5, se prescrit par cinq ans à compter du 1er janvier de la troisième année qui suit l'année de cotisation.]1
  La prescription est interrompue :
  1° de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil;
  2° par une lettre recommandée adressée par l'intéressé à l'organisme qui a perçu les cotisations et réclamant le remboursement des cotisations payées indûment.
  [2 3° par une lettre recommandée adressée par l'intéressé à l'organisme qui a perçu l'amende administrative et réclamant le remboursement de l'amende administrative payée indûment.]2
  [1 ...]1.
  (Le Roi peut prévoir des exceptions au délai de prescription des actions en répétition des cotisations payées indûment après le 30 juin 1983 lorsque le caractère tardif de la demande de remboursement n'est pas imputable au travailleur indépendant.) <L 2002-08-02/45, art. 65, 036; En vigueur : 29-08-2002>
  
Art. 16bis. <INGEVOEGD bij W 2005-07-20/41, art. 112 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006> § 1. Elke schuldvordering van de inninginstelling van de bijdragen die het voorwerp heeft uitgemaakt van een uitvoerbare titel of die (kan aanleiding geven) tot een bewarend beslag of die het voorwerp heeft uitgemaakt van een beschikking waarbij het bewarend beslag wordt toegestaan, wordt gewaarborgd door een wettelijke hypotheek op al de (goederen waarvan de schuldenaar eigenaar (of naakte eigenaar) is alsook op de goederen op welke hij over een recht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal beschikt), die in België gelegen en daarvoor vatbaar zijn. <W 2005-12-27/31, art. 67, 046; Inwerkingtreding : 09-01-2006> <W 2006-07-20/39, art. 165, 1°, 047; Inwerkingtreding : 07-08-2006> <W 2006-12-27/32, art. 95, 048; Inwerkingtreding : 01-03-2007>
  § 2. De wettelijke hypotheek doet geen afbreuk aan de vorige voorrechten en hypotheken; zij neemt slechts rang op het moment van de inschrijving ervan.
  § 3. De wettelijke hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de inninginstelling van de bijdragen.
  Artikel [2 XX.113 van het Wetboek van economisch recht]2 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek wat de schuldvorderingen betreft bedoeld in § 1 en die dateren van vóór het vonnis van faillissementverklaring.
  § 4. De inschrijving heeft plaats op voorlegging van de titel die hierop recht geeft, overeenkomstig de bepalingen (van § 1) en met inachtneming van de bepalingen vervat in artikel 89 van de hypotheekwet van 16 december 1851. <W 2006-07-20/39, art. 165, 2°, 047; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  § 5. De inninginstelling van de bijdragen verleent opheffing in de administratieve vorm zonder dat zij, tegenover de [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1, gehouden is verantwoording te verstrekken van de betaling van de verschuldigde sommen.
  § 6. Indien de schuldenaars, alvorens de bedragen vereffend te hebben die door de wettelijke hypotheek gewaarborgd zijn, alle of een deel van de bezwaarde goederen vrij wensen te maken van hypotheek, dienen zij daartoe een verzoek in bij de inninginstelling van de bijdragen. Dit verzoek zal worden ingewilligd indien de instelling reeds voldoende zekerheid bezit, of indien deze haar wordt gegeven, voor het bedrag van hetgeen haar verschuldigd is.
  § 7. De kosten voor hypothecaire formaliteiten met betrekking tot de wettelijke hypotheek zijn ten laste van de schuldenaar.
  
Art. 16bis. § 1er. Toute créance de l'organisme percepteur des cotisations ayant fait l'objet d'un titre exécutoire ou (pouvant donner lieu) à saisie conservatoire ou qui a fait l'objet d'une ordonnance autorisant la saisie conservatoire est garantie par une hypothèque légale sur tous les biens (dont le débiteur est propriétaire (ou nu-propriétaire) ainsi qu'à l'égard des biens sur lesquels il dispose d'un droit d'usufruit, d'emphytéose ou de superficie) situés en Belgique et qui en sont susceptibles. <L 2005-12-27/31, art. 67, 046; En vigueur : 09-01-2006> <L 2006-07-20/39, art. 165, 1°, 047; En vigueur : 07-08-2006> <L 2006-12-27/32, art. 95, 048; En vigueur : 01-03-2007>
  § 2. L'hypothèque légale ne préjudicie pas aux privilèges et hypothèques antérieurs; elle ne prend rang qu'à partir de son inscription.
  § 3. L'hypothèque légale est inscrite à la requête de l'organisme percepteur des cotisations.
  L'article [2 XX.113 du Code de droit économique]2 n'est pas applicable à l'hypothèque legale concernant les créances visées au § 1er et qui sont antérieures au jugement déclaratif de faillite.
  § 4. L'inscription a lieu sur présentation du titre y donnant droit conformément aux dispositions (du § 1er) et dans le respect du prescrit de l'article 89 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851. <L 2006-07-20/39, art. 165, 2°, 047; En vigueur : 07-08-2006>
  § 5. L'organisme percepteur des cotisations donne mainlevée dans la forme administrative, sans être tenu, vis-à-vis [1 de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1, de fournir la justification du paiement des sommes dues.
  § 6. Si avant d'avoir acquitté les sommes garanties par l'hypothèque légale, les débiteurs désirent en affranchir tout ou une partie des biens grevés, ils en font la demande à l'organisme percepteur des cotisations. Cette demande sera admise si l'organisme a déjà ou s'il lui est donné sûreté suffisante pour le montant de ce qui lui est dû.
  § 7. Les frais de formalités hypothécaires relatives a l'hypothèque légale sont à charge du débiteur.
  
Art. 16ter. <INGEVOEGD bij W 2005-07-20/41, art. 113 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006> § 1. De overdracht, in eigendom of in vruchtgebruik, van een geheel van goederen, samengesteld uit onder meer elementen die het behoud van de klandizie mogelijk maken, die voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt of post of een industrieel, handels- of landbouwbedrijf worden aangewend, evenals de vestiging van een vruchtgebruik op dezelfde goederen zijn slechts tegenstelbaar aan de inninginstelling van de bijdragen na verloop van de maand die volgt op die waarin een (eensluidend verklaard afschrift of een door alle contractspartijen voor volledig, echt en waar verklaard afschrift) van de akte van overdracht of vestiging ter kennis is gebracht van de inninginstelling van de bijdragen. <W 2005-12-27/31, art. 68, 046; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  § 2. De overnemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van iedere in artikel 16bis bedoelde schuldvordering verschuldigd door de overdrager na verloop van de in § 1 vermelde termijn, tot beloop van het bedrag dat reeds door hem gestort is of verstrekt, of van een bedrag dat overeenstemt met de nominale waarde van de aandelen die in ruil voor de overdracht zijn toegekend vóór de afloop van de voornoemde termijn.
  § 3. De §§ 1 en 2 van dit artikel zijn niet van toepassing indien de overdrager bij de akte van overdracht een certificaat voegt dat uitsluitend met dit doel is opgemaakt door de inninginstellingen van de bijdragen binnen dertig dagen die de kennisgeving van de overeenkomst voorafgaan.
  De uitreiking van dit certificaat is afhankelijk van een door de overdrager ingediende aanvraag in tweevoud bij de inninginstelling van de bijdragen.
  Het certificaat wordt geweigerd door de inninginstelling van de bijdragen indien op de dag van de aanvraag de overdrager een zekere en vaststaande schuld heeft ten aanzien van de instelling of indien de aanvraag van de overdrager ingediend is na de aankondiging van of tijdens een controle door een sociaal inspecteur.
  Het certificaat wordt ofwel uitgereikt ofwel geweigerd binnen een termijn van dertig dagen na de indiening van de vraag van de overdrager.
  § 4. Niet onderworpen aan de bepalingen van dit artikel zijn de overdrachten die worden uitgevoerd door een curator, een commissaris inzake opschorting of in geval van fusie, splitsing, inbreng van de algemeenheid van goederen of van een tak van werkzaamheid verricht overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen.
  § 5. De in dit artikel bedoelde aanvraag en het in dit artikel bedoelde certificaat worden opgemaakt overeenkomstig de door [1 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]1 vastgestelde modellen.
  
Art. 16ter. § 1er. La cession, en propriété ou en usufruit, d'un ensemble de biens, composés entre autres d'éléments qui permettent de retenir la clientèle, affectés à l'exercice d'une profession libérale, charge ou office, ou d'une exploitation industrielle, commerciale ou agricole ainsi que la constitution d'un usufruit sur les mêmes biens, n'est opposable à l'organisme percepteur des cotisations qu'à l'expiration du mois qui suit celui au cours duquel une (copie certifiée conforme ou une copie certifiée complète, exacte et véritable par toutes les parties contractantes) de l'acte translatif ou constitutif a été notifiée à l'organisme percepteur des cotisations. <L 2005-12-27/31, art. 68, 046; En vigueur : 09-01-2006>
  § 2. Le cessionnaire est solidairement responsable du paiement de toute créance visée à l'article 16bis due par le cédant à l'expiration du délai visé au § 1er, à concurrence du montant déjà versé ou fourni par lui ou d'un montant correspondant à la valeur nominale des actions qui ont été attribuées en échange du transfert avant l'expiration du délai précité.
  § 3. Les §§ 1er et 2 du présent article ne sont pas applicables si le cédant joint à l'acte de cession un certificat établi exclusivement à cette fin par les organismes percepteurs de cotisations dans les trente jours qui précèdent la notification de la convention.
  La délivrance de ce certificat est subordonnée à une demande introduite en double exemplaire par le cédant auprès de l'organisme percepteur des cotisations.
  Le certificat est refusé par l'organisme percepteur des cotisations si, au jour de la demande, le cédant a une dette liquide et certaine à l'égard de l'organisme ou si la demande est introduite après l'annonce de ou au cours d'un contrôle par un contrôleur social.
  Le certificat est soit délivré soit refusé dans un délai de 30 jours à dater de l'introduction de la demande par le cédant.
  § 4. Ne sont pas soumises aux dispositions du présent article les cessions réalisées par un curateur, un commissaire du sursis ou dans le cadre d'une opération de fusion, de scission, d'apport d'une universalité de biens ou d'une branche d'activité réalisée conformément aux dispositions du Code des Sociétés.
  § 5. La demande et le certificat visés au présent article sont établis conformément aux modèles arrêtés par [1 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]1.
  
Art.17. [1 § 1. De zelfstandigen die menen zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie te bevinden, waardoor zij niet in staat zijn om hun bijdragen te betalen, kunnen vrijstelling vragen van de betaling van de in de tweede paragraaf bedoelde bijdragen door zich te wenden tot het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, hierna "Rijksinstituut" genoemd.
   De zelfstandigen die een vrijstelling van de bij dit artikel bedoelde bijdragen vragen, moeten bewijzen dat zij zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevinden waardoor zij bij de opvordering van de verschuldigde bijdragen door het sociaal verzekeringsfonds niet in staat zijn om deze te betalen.
   Het Rijksinstituut beoordeelt de situatie van de zelfstandige aan de hand van de elementen ingeroepen bij het indienen van zijn aanvraag.
   § 2. De aanvraag tot vrijstelling kan enkel ingediend worden voor de voorlopige bijdragen, bedoeld in de artikelen 11, § 3, en 13bis, § 2, en het bijdragesupplement ingevolge de regularisatie bedoeld in artikel 11, § 5, eerste lid, verschuldigd door de zelfstandige die behoort tot de categorie van bijdrageplichtigen bedoeld in de [2 artikelen 12, § 1, 12, § 1bis, 12, § 1ter, 12bis, § 2, en 13, §§ 1, 2 en 3]2.
   § 3. Bij de beoordeling of de zelfstandige zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevindt, houdt het Rijksinstituut inzonderheid rekening met de beroepsinkomsten en - lasten van de zelfstandige of de omzet en de daaraan verbonden kosten van de onderneming of de vennootschap waarbinnen hij actief is en de uitzonderlijke omstandigheden die de aanvraag rechtvaardigen. De Koning kan bijkomende voorwaarden en criteria bepalen die het mogelijk maken te beoordelen of de zelfstandige zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie bevindt die hem niet toelaat zijn bijdragen te betalen.
   § 4. De zelfstandige die aantoont dat hij zich in één van de hierna vermelde situaties bevindt, wordt vermoed zich in een moeilijke financiële of economische situatie te bevinden zoals bedoeld in de eerste paragraaf:
   1° wanneer hij in het genot is van een leefloon in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie gedurende de kwartalen die het voorwerp uitmaken van de aanvraag of binnen de 6 maanden na de stopzetting van de zelfstandige activiteit;
   2° wanneer hij in het genot is van een inkomensgarantie voor ouderen in toepassing van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen gedurende de kwartalen die het voorwerp uitmaken van de aanvraag of binnen de 6 maanden na de stopzetting van de zelfstandige activiteit;
   3° wanneer hij als gefailleerde de schuldkwijtschelding heeft bekomen in de zin van hoofdstuk 6, titel VI, boek XX van het Wetboek van economisch recht;
   4° wanneer hij in het kader van een collectieve schuldenregeling van de rechter de homologatie van een minnelijke aanzuiveringsregeling verkregen heeft, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opgelegd werd of een aanpassing of herziening van de regeling verkregen heeft, in de zin van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen;
   5° wanneer hij de opschorting heeft bekomen in het kader van een procedure tot gerechtelijke reorganisatie, in de zin van titel V, boek XX van het wetboek van economisch recht;
   6° het slachtoffer is van een natuurramp, een brand, een vernieling of een allergie, in de zin van artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 januari 2017 tot uitvoering van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen.
   § 5. Het Rijksinstituut kan beslissen om de aanvragen niet in overweging te nemen ingeval:
   1° de zelfstandige voor de voorlopige bijdragen die het voorwerp uitmaken van de aanvraag zich in de voorwaarden bevindt om een aanvraag tot vermindering van de voorlopige bijdragen in toepassing van artikel 11, § 3, 6de lid in te dienen doch hiervan voorafgaandelijk geen gebruik heeft gemaakt;
   2° het Rijksinstituut in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag tot vrijstelling in toepassing van artikel 17bis aan de zelfstandige een administratieve geldboete zonder uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling en zonder toepassing van verzachtende omstandigheden heeft opgelegd;
   3° de zelfstandige aan wie in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag een sanctie in toepassing van het sociaal strafwetboek werd opgelegd ingevolge inbreuken op de bepalingen van hoofdstuk VIII van titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006 en de inbreuken opgesomd in artikel 25 en 25bis;
   4° de zelfstandige die in de in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag een beslissing tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling heeft bekomen:
   a) ingevolge verklaringen waarvan achteraf blijkt dat deze onjuist of onvolledig zijn;
   b) ingevolge het nalaten van het verstrekken van inlichtingen waartoe hij gehouden was en dewelke determinerend waren voor het nemen van de vorige beslissing.
   § 6. De Koning bepaalt de termijn en de wijze waarop de aanvragen tot vrijstelling van de bijdragen moeten worden ingediend.
   De aanvragen worden behandeld door het Rijksinstituut volgens de procedure vastgesteld door de Koning.
   § 7. Wanneer de vrijstelling wordt toegekend voor de voorlopige bijdrage met betrekking tot een bepaald kalenderkwartaal, geldt die vrijstelling voor het bedrag van de definitieve kwartaalbijdrage, zoals vastgesteld naar aanleiding van de daarmee verband houdende regularisatie.
   § 8. Met het oog op de toekenning van de uitkeringen in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen, met uitzondering van de pensioen- en overlevingsuitkeringen en onder voorbehoud van de toepassing van het hiernavolgend lid, worden de bijdragen waarvoor het Rijksinstituut of de beroepscommissie vrijstelling heeft verleend geacht betaald te zijn.
   Voor de toepassing van artikel 28, § 2, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen worden de bijdragen waarvoor een vrijstelling werd verkregen, geacht betaald te zijn.
   § 9. De geholpen zelfstandige die hoofdelijk aansprakelijk is krachtens artikel 15, § 1, en die meent zich in een tijdelijke moeilijke financiële of economische situatie te bevinden zoals bedoeld in paragraaf 1 en aangesproken wordt in betaling van de door de helper verschuldigde bijdragen, beoogd in dit koninklijk besluit, kan vragen ontheven te worden van zijn aansprakelijkheid.
   Wanneer de ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid wordt toegekend voor de voorlopige bijdrage met betrekking tot een bepaald kalenderkwartaal, geldt die ontheffing voor het bedrag van de kwartaalbijdragen met betrekking tot dat kwartaal zoals vastgesteld ingevolge een eventuele regularisatie.
   § 10. De beslissingen tot toekenning of weigering van de vrijstelling hebben betrekking op de bijdragen die verschuldigd zijn op het ogenblik van de aanvraag en dit voor zover ze uitdrukkelijk bedoeld zijn in de aanvraag.
   De kennisgeving van de beslissing geschiedt met een aangetekende zending of via elk ander middel dat een vaste datum en een verzekerde ontvangst waarborgt van de zending.
   § 11. De zelfstandige of de persoon bedoeld in artikel 17, paragraaf 9 van het koninklijk besluit nr. 38 kan tegen een door het Rijksinstituut genomen beslissing inzake de vrijstelling van de bijdragen een bezwaar ten gronde indienen bij de in artikel 21ter bedoelde Beroepscommissie binnen de termijn en volgens de procedure en modaliteiten vastgesteld door de Koning.
   Het bezwaarschrift schorst de invordering van de bijdragen die het voorwerp uitmaken van het bezwaar.]1

  
Art.17. [1 § 1er. Les travailleurs indépendants, qui estiment se trouver temporairement dans une situation financière ou économique difficile en raison de laquelle ils ne sont pas en mesure de payer leurs cotisations, peuvent demander dispense des cotisations visées au paragraphe 2 en s'adressant à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, ci-après dénommé "Institut national".
   Les travailleurs indépendants qui demandent une dispense des cotisations visées dans le présent article doivent prouver qu'ils se trouvent temporairement dans une situation financière ou économique difficile qui ne leur permet pas de payer leurs cotisations lors de la réclamation desdites cotisations par la caisse d'assurances sociales.
   L'Institut national apprécie la situation du travailleur indépendant en se basant sur les éléments invoqués lors de l'introduction de sa demande.
   § 2. La demande de dispense ne peut être introduite que pour les cotisations provisoires visées aux articles 11, § 3, et 13bis, § 2, et pour le supplément de cotisations résultant d'une régularisation visée à l'article 11, § 5, alinéa 1er, dus par le travailleur indépendant qui appartient à la catégorie de cotisants visée aux [2 articles 12, § 1er, 12, § 1erbis, 12, § 1erter, 12bis, § 2 et 13, §§ 1er, 2 et 3]2.
   § 3. Pour apprécier si le travailleur indépendant se trouve temporairement dans une situation financière ou économique difficile, l'Institut national tient notamment compte des revenus professionnels et des charges professionnelles du travailleur indépendant ou du chiffre d'affaires et des coûts qui s'y rapportent de l'entreprise ou de la société au sein de laquelle il exerce son activité, ainsi que des circonstances exceptionnelles justifiant la demande. Le Roi peut définir des conditions et des critères supplémentaires permettant d'apprécier si le travailleur indépendant se trouve temporairement dans une situation financière et économique difficile qui l'empêche de payer ses cotisations.
   § 4. Le travailleur indépendant qui démontre qu'il se trouve dans l'une des situations ci-dessous, est présumé se trouver dans une situation financière ou économique difficile, comme indiqué dans le premier paragraphe:
   1° s'il bénéficie d'un revenu d'intégration en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale durant les trimestres qui font l'objet de la demande ou, dans les 6 mois suivant la cessation de l'activité indépendante;
   2° s'il bénéficie d'une garantie de revenus aux personnes âgées en application de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées durant les trimestres qui font l'objet de la demande ou dans les 6 mois suivant la cessation de l'activité indépendante;
   3° s'il a en tant que failli obtenu l'effacement des dettes au sens du chapitre 6, titre VI, livre XX du Code de droit économique;
   4° si, dans le cadre d'un règlement collectif de dettes, il a obtenu du juge l'homologation d'un plan de règlement amiable, un plan de règlement judiciaire lui a été imposé ou il a obtenu une adaptation ou une révision du règlement, au sens de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis;
   5° s'il a obtenu le sursis dans le cadre d'une procédure de réorganisation judiciaire au sens du titre V, livre XX du code de droit économique;
   6° s'il est victime d'une calamité naturelle, d'incendie, d'une destruction ou d'une allergie au sens de l'article 2 de l'arrêté royal du 8 janvier 2017 portant exécution de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants.
   § 5. L'Institut national peut décider de ne pas prendre les demandes en considération, dans le cas où:
   1° le travailleur indépendant n'a pas introduit au préalable une demande de réduction des cotisations provisoires faisant l'objet de la demande alors qu'il entre dans les conditions pour le faire, en application de l'article 11, § 3, alinéa 6;
   2° l'Institut national a, dans les deux années précédant la demande de dispense, infligé à l'indépendant une amende administrative sans sursis de paiement et sans application de circonstances atténuantes en application de l'article 17bis;
   3° le travailleur indépendant qui dans les deux années précédant la demande de dispense, s'est vu infliger une sanction en application du Code pénal social suite à des infractions aux dispositions du chapitre VIII du titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 et des infractions énumérées aux articles 25 et 25bis;
   4° le travailleur indépendant qui dans les 5 années précédant la demande a obtenu une décision de dispense totale ou partielle:
   a) par le biais de déclarations qui par la suite se sont avérées fausses ou incomplètes;
   b) par le fait d'avoir omis de fournir des informations obligatoires et déterminantes dans la prise de la décision précédente.
   § 6. Le Roi fixe le délai et les modalités d'introduction de la demande de dispense des cotisations.
   Les demandes sont traitées par l'Institut national suivant une procédure déterminée par le Roi.
   § 7. Lorsque la dispense est accordée pour la cotisation provisoire relative à un trimestre civil déterminé, cette dispense vaut pour le montant de la cotisation trimestrielle définitive, telle que fixée suite à la régularisation qui s'y rapporte.
   § 8. En vue de l'octroi des prestations dans le cadre du statut social des travailleurs indépendants, à l'exception des prestations de retraite et de survie et sous réserve de l'application de l'alinéa suivant, les cotisations pour lesquelles l'Institut national ou la Commission de recours a accordé dispense, sont réputées avoir été payées.
   Pour l'application de l'article 28, § 2, de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, les cotisations pour lesquelles une dispense a été obtenue, sont réputées avoir été payées.
   § 9. Le travailleur indépendant aidé, tenu solidairement en vertu de l'article 15, § 1er, qui estime se trouver temporairement dans une situation financière ou économique difficile au sens du paragraphe 1er et est invité à payer les cotisations dues par l'aidant, selon les termes du présent arrêté royal, peut demander la levée de la responsabilité solidaire.
   Lorsque la levée de responsabilité solidaire est accordée pour la cotisation provisoire relative à un trimestre civil déterminé, cette levée vaut pour le montant de la cotisation trimestrielle relative à ce trimestre, telle que fixée suite à une éventuelle régularisation.
   § 10. Les décisions d'octroi ou de refus de la dispense portent sur les cotisations qui sont dues au moment de la demande, et ce pour autant qu'elles soient expressément visées par la demande.
   La décision est notifiée par un envoi recommandé ou tout autre moyen conférant une date certaine et l'assurance de la réception de l'envoi.
   § 11. Le travailleur indépendant ou la personne visée à l'article 17, paragraphe 9, de l'arrêté royal n° 38 peut s'opposer à une décision de l'Institut national concernant la dispense des cotisations en introduisant un recours sur le fond auprès de la Commission de recours visée à l'article 21ter dans le délai et selon la procédure et les modalités définis par le Roi.
   Le recours suspend le recouvrement des cotisations qui en font l'objet.]1

  
c) [1 Sancties.]1
c) [1 Sanctions.]1
Art. 17bis. [1 § 1. Loopt een administratieve geldboete van 500 tot 2.000 euro per vastgestelde inbreuk op, iedere zelfstandige :
   1° waarvan vastgesteld wordt door een bevoegde ambtenaar van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of door de persoon bedoeld in artikel 23bis dat hij een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent of uitgeoefend heeft uit hoofde waarvan hij gehouden was zich aan te sluiten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen zoals bedoeld in artikel 20, § 1, of bij de Nationale Hulpkas bedoeld in artikel 20, § 3, zonder effectief te zijn aangesloten overeenkomstig artikel 10, § 1, eerste lid;
   2° waarvan vastgesteld wordt door een persoon bedoeld in artikel 23bis dat hij een andere zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent dan deze vermeld in de Kruispuntbank van ondernemingen krachtens artikel 6 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, en die niet reeds ten gevolge van deze genoemde feiten aan een administratieve of strafrechtelijke sanctie onderworpen wordt krachtens de artikelen 25 of 62 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen;
   3° waarvan het inkomen, bedoeld in artikel 11, § 2, naar boven toe werd aangepast ingevolge de vaststelling, gedaan door de administratie der belastingen, van een geval van fiscale fraude.
  § 1bis. [4 Loopt een administratieve geldboete op gelijk aan tweemaal het bedrag van de voorlopige kwartaalbijdrage bedoeld in [6 artikel 13bis, § 2, 1°]6, elke persoon die een attest van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen vraagt om een verblijfstitel van langer dan 3 maanden te bekomen en voor wie wordt vastgesteld door een bevoegd ambtenaar van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen of door een persoon bedoeld in artikel 23bis, dat hij zich bij dat fonds heeft aangesloten zonder een beroepsactiviteit aan te vatten.
   Zijn hoofdelijk gehouden tot de betaling van die administratieve geldboete :
   1° de natuurlijke persoon die valselijk verklaard heeft door de pleger van de inbreuk geholpen te worden, in de zin van artikel 6;
   2° de rechtspersoon die valselijk verklaard heeft dat de pleger van de inbreuk in zijn schoot een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent als werkend vennoot of als mandataris.]4

  [5 § 1ter. Loopt een administratieve geldboete van 500 tot 4.000 euro op per vastgestelde inbreuk, de vennootschap die de formaliteiten betreffende de werkend vennoot voorzien in artikel 23bis/1 niet of niet correct heeft vervuld binnen de in hetzelfde artikel bepaalde termijnen en wanneer deze inbreuk vastgesteld is door een bevoegde ambtenaar van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of door een persoon bedoeld in artikel 23bis.
   Zijn hoofdelijk gehouden tot de betaling van die administratieve geldboete, elke bestuurder of zaakvoerder van de vennootschap die de formaliteiten betreffende de werkend vennoot, waarvan sprake in het eerste lid, niet of niet correct heeft uitgevoerd.]5

  [5 § 1quater. Loopt een administratieve geldboete van 500 tot 4.000 euro op per vastgestelde inbreuk, de zelfstandige die de formaliteiten betreffende de helper voorzien in artikel 23bis/2 niet of niet correct heeft vervuld binnen de in hetzelfde artikel bepaalde termijnen en wanneer deze inbreuk vastgesteld is door een bevoegde ambtenaar van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of door een persoon bedoeld in artikel 23bis.]5
  [5 § 1quinquies. Loopt een administratieve geldboete ten bedrage van het bedrag bedoeld in artikel 15/1, § 6, op per vastgestelde inbreuk, doch evenwel begrensd tot een bedrag van 2.232,14 euro, de opdrachtgever of aannemer die de in artikel 15/1, § 6, bedoelde storting niet verricht heeft en wanneer deze inbreuk vastgesteld is door een bevoegde ambtenaar van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen. Het bedrag van 2.232,14 euro is gekoppeld aan het indexcijfer bedoeld in artikel 14, § 1, en wordt op 1 januari van ieder jaar aangepast.]5
   § 2. [5 De ambtenaar bedoeld bij artikel 17ter kan, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete onder het in § 1, § 1ter en § 1quater vermelde minimumbedrag of onder het in § 1quinquies vermelde bedrag opleggen zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40 pct. van dat bedrag.]5
   In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde ambtenaar kunnen de arbeidsgerechten, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, het bedrag van een opgelegde administratieve geldboete onder het in het artikel 17bis vermelde minimumbedrag verminderen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40 pct. van het minimum van het in artikel 17bis bepaalde bedrag.
   In dezelfde beslissing waarin hij een administratieve geldboete oplegt, kan de bevoegde ambtenaar geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van die geldboete toekennen.
   Het uitstel is enkel mogelijk indien de bevoegde ambtenaar in de referteperiode geen andere administratieve geldboete heeft opgelegd aan de betrokkene.
   De referteperiode is de periode van [4 vijf jaar]4 voorafgaand aan de datum waarop de inbreuk gepleegd wordt die achteraf aanleiding geeft tot de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete waarin de bevoegde ambtenaar het uitstel toekent.
   Het uitstel geldt voor een proefperiode van [4 vijf jaar]4. De proefperiode gaat in vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete.
   Het uitstel wordt van rechtswege herroepen wanneer een nieuwe inbreuk wordt gepleegd binnen de proefperiode en deze nieuwe inbreuk leidt tot een beslissing tot de oplegging van een nieuwe administratieve geldboete.
   Het uitstel wordt herroepen in dezelfde beslissing waarin een administratieve geldboete wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk gepleegd gedurende de proefperiode.
   De administratieve geldboete waarvan de betaling uitvoerbaar wordt door de herroeping van het uitstel, wordt zonder beperking samengevoegd met deze die wordt opgelegd voor de nieuwe inbreuk.
   In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde ambtenaar hebben de arbeidsgerechten dezelfde bevoegdheden als deze ambtenaar wat betreft het uitstel. Alle voornoemde nadere regels betreffende het uitstel zijn van toepassing.
  [5 § 2/1. Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete bedoeld in § 1, kan een administratieve geldboete van 1.000 tot 4.000 euro worden opgelegd.
   Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete bedoeld in § 1bis, kan een administratieve geldboete van het dubbele van het bedrag bedoeld in § 1bis worden opgelegd.
   Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete bedoeld in de §§ 1ter en 1quater, kan een administratieve geldboete van 1000 tot 8000 euro worden opgelegd.
   Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete bedoeld in § 1quinquies, kan een administratieve geldboete van het dubbele van het bedrag bedoeld in artikel 15/1, § 6, worden opgelegd.]5

   § 3. Voor de toepassing van § 1, 3°, bepaalt de Koning wat dient te worden verstaan onder " vaststelling van een geval van fiscale fraude ".
   § 4. De sanctie bedoeld in § 1, 2° en 3°, is niet van toepassing op de zelfstandigen die tegelijk een vervangingsinkomen ontvangen en die ten gevolge van deze genoemde feiten tijdelijk het recht op dit vervangingsinkomen verliezen of om die reden aan een andere administratieve of strafrechtelijke sanctie onderworpen zijn.]1

  
Art. 17bis. [1 § 1er. Encourt une amende administrative de 500 à 2.000 euros par infraction constatée, tout travailleur indépendant :
   1° dont il est constaté par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou par une personne visée à l'article 23bis qu'il exerce ou a exercé une activité professionnelle indépendante du chef de laquelle il était tenu de s'affilier à une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants dont question à l'article 20, § 1er, ou à la Caisse nationale auxiliaire visée à l'article 20, § 3, sans être effectivement affilié conformément à l'article 10, § 1er, alinéa 1er;
   2° dont il est constaté par une personne visée à l'article 23bis qu'il exerce une autre activité professionnelle indépendante que celle mentionnée dans la Banque-Carrefour des entreprises en vertu de l'article 6 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions et qui, à la suite des faits précités n'est pas déjà soumis pour ce motif à une sanction administrative ou pénale en vertu des articles 25 ou 62 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des entreprises, modernisation du registre du commerce, création de guichets d'entreprises agréés et portant diverses dispositions;
   3° dont les revenus visés à l'article 11, § 2, ont été revus à la hausse après constatation, faite par l'administration des contributions, d'un cas de fraude fiscale.
  § 1erbis. [4 Encourt une amende administrative d'un montant équivalent à deux fois le montant de la cotisation trimestrielle provisoire visée à l'[6 article 13bis, § 2, 1°]6, toute personne qui demande une attestation d'affiliation à une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants en vue d'obtenir un titre de séjour de plus de trois mois et pour laquelle il est constaté, par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou par une personne visée à l'article 23bis, qu'elle s'est affiliée à cette caisse sans démarrer une activité professionnelle.
   Sont tenues solidairement au paiement de cette amende administrative :
   1° la personne physique ayant déclaré faussement être aidée, au sens de l'article 6, par l'auteur de l'infraction;
   2° la personne morale ayant déclaré faussement l'exercice en son sein d'une activité professionnelle indépendante, en tant qu'associé actif ou mandataire, par l'auteur de l'infraction.]4

  [5 § 1erter. Encourt une amende administrative de 500 à 4.000 euros par infraction constatée, la société qui n'a pas ou pas correctement procédé aux formalités concernant l'associé actif prévues à l'article 23bis/1 dans les délais fixés dans ce même article et lorsque cette infraction est constatée par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou par une personne visée à l'article 23bis.
   Sont tenus solidairement au paiement de cette amende administrative, tout administrateur ou gérant de la société qui n'a pas ou pas correctement accompli les formalités concernant l'associé actif dont question à l'alinéa 1er.]5

  [5 § 1erquater. Encourt une amende administrative de 500 euros à 4.000 euros par infraction constatée, le travailleur indépendant qui n'a pas ou pas correctement procédé aux formalités concernant l'aidant prévues à l'article 23bis/2 dans les délais fixés dans ce même article et lorsque cette infraction est constatée par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou par une personne visée à l'article 23bis.]5
  [5 § 1erquinquies. Encourt une amende administrative égale au montant visé à l'article 15/1, § 6, par infraction constatée, tout en étant limitée à un montant de 2.232,14 euros, le donneur d'ordre ou l'entrepreneur n'ayant pas effectué le versement visé à l'article 15/1, § 6, et lorsque cette infraction est constatée par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants. Le montant de 2.232,14 euros est lié à l'indice visé à l'article 14, § 1er, et est adapté au 1er janvier de chaque année.]5
   § 2. [5 Le fonctionnaire visé à l'article 17ter peut, s'il existe des circonstances atténuantes, infliger une amende administrative inférieure au montant minimum visé au § 1er et au § 1erter et 1erquater ou inférieure au montant visé au § 1erquinquies, sans que l'amende puisse être inférieure à 40 p.c. de ce montant.]5
   En cas de recours contre la décision du fonctionnaire compétent, les juridictions du travail peuvent, s'il existe des circonstances atténuantes, diminuer le montant d'une amende administrative infligée sous le montant minimum visé à l'article 17bis, sans que l'amende puisse être inférieure à 40 p.c. du minimum du montant visé à l'article 17bis.
   Par la même décision que celle par laquelle il inflige l'amende administrative, le fonctionnaire compétent peut accorder, en tout ou en partie, le sursis à l'exécution du paiement de cette amende.
   Le sursis n'est possible que si le fonctionnaire compétent n'a pas infligé d'autre amende administrative à l'intéressé pendant la période de référence.
   La période de référence est la période [4 de cinq ans]4 qui précède la date de la commission de l'infraction qui a donné lieu ultérieurement à la décision infligeant une amende administrative dans laquelle le fonctionnaire compétent accorde le sursis.
   Le sursis vaut pendant un délai d'épreuve [4 de cinq ans]4. Le délai d'épreuve commence à courir à partir de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative.
   Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu'une nouvelle infraction est commise pendant le délai d'épreuve et que cette nouvelle infraction entraîne une décision infligeant une nouvelle amende administrative.
   Le sursis est révoqué par la même décision que celle par laquelle est infligée l'amende administrative pour la nouvelle infraction commise dans le délai d'épreuve.
   L'amende administrative dont le paiement devient exécutoire suite à la révocation du sursis est cumulée sans limite avec celle infligée du chef de la nouvelle infraction.
   En cas de recours contre la décision du fonctionnaire compétent, les juridictions du travail ont les mêmes pouvoirs que ce fonctionnaire en matière de sursis. Toutes les modalités précitées relatives au sursis sont d'application.
  [5 § 2/1. En cas de récidive dans l'année à dater de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative visée au § 1er, une amende administrative de 1.000 euros à 4.000 euros peut être infligée.
   En cas de récidive dans l'année à dater de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative visée au § 1erbis, une amende administrative équivalente au double du montant visé au § 1erbis, peut être infligée.
   En cas de récidive dans l'année à dater de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative visée aux §§ 1erter et 1erquater, une amende administrative de 1000 euros à 8000 euros peut être infligée.
   En cas de récidive dans l'année à dater de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative visée au § 1erquinquies, une amende administrative équivalente au double du montant visé à l'article 15/1, § 6, peut être infligée.]5

   § 3. Pour l'application du § 1er, 3°, le Roi détermine ce qu'il convient d'entendre par " constatation d'un cas de fraude fiscale ".
   § 4. La sanction visée au paragraphe 1er, 2° et 3°, n'est pas applicable aux travailleurs indépendants qui perçoivent en même temps un revenu de remplacement et qui à la suite des faits précités perdent temporairement le droit à ce revenu de remplacement ou qui sont soumis pour ce motif à une autre sanction administrative ou pénale.]1

  
Art. 17ter. [1 De administratieve geldboete waarvan sprake in het vorige artikel wordt opgelegd door de houder van de managementfunctie van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, bedoeld in artikel 21, § 5, belast met het dagelijks beheer van het Rijksinstituut, of daartoe door hem aangewezen ambtenaren van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen.
   De beslissing wordt genomen nadat de betrokkene de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voren te brengen. [3 Deze verweermiddelen moeten worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen vanaf de datum van de kennisgeving beoogd in het vierde lid.]3
   Deze beslissing vermeldt het bedrag van de geldboete en is met redenen omkleed. Deze beslissing wordt bij een ter post aangetekend schrijven meegedeeld aan de betrokken zelfstandige [5 of, in geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, §§ 1ter of 1quinquies, desgevallend aan de betrokken vennootschap]5. Deze mededeling bevat eveneens een afschrift van de stukken die de toepassing van de administratieve geldboete staven, alsmede een verzoek tot betaling van de administratieve geldboete.
  [5 De kennisgeving van de mogelijkheid tot het opleggen van de administratieve geldboete dient te gebeuren uiterlijk binnen een termijn van twaalf maanden na:
   - de effectieve aansluiting bij een sociale verzekeringsfonds voor zelfstandigen in de gevallen bedoeld in artikel 17bis, § 1, 1° ;
   - de kennisname van het feit door het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 17bis, § 1, 2° en 3° en § 1bis;
   - de vaststelling van de inbreuk, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 17bis, §§ 1ter, 1quater of 1quinquies.]5

   De erkende sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen worden belast met de inning en de invordering van de administratieve geldboete.
  [5 In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1, 1°, 2° en 3°, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de zelfstandige aangesloten is of was voor de periode van de inbreuk, bevoegd.
   In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1bis, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de betrokkene fictief aangesloten was voor de periode van de inbreuk, bevoegd.
   In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1ter, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de vennootschap, in toepassing van artikel 89, § 1, van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen aangesloten is, op het ogenblik waarop de beslissing tot oplegging van de geldboete betekend wordt of het laatst aangesloten was, bevoegd.
   In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1quater, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de zelfstandige aangesloten is op het ogenblik waarop de beslissing tot oplegging van de geldboete betekend wordt, of het laatst aangesloten was, bevoegd.
   In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1quinquies, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de opdrachtgever of aannemer aangesloten is op het ogenblik waarop de beslissing tot oplegging van de geldboete betekend wordt, of het laatst aangesloten was, bevoegd.]5

  [2 In de gevallen bedoeld in het artikel 17bis, § 1bis, [3 wordt het bedrag van de ten onrechte betaalde bijdragen door het betrokken fonds aangewend, na aftrek van de bedragen bijkomend ontvangen]3 voor beheerskosten, voor de betaling van de boete die door de betrokken persoon verschuldigd is.]2
  [4 Vanaf de datum waarop het fonds een administratieve geldboete vordert, wordt elke daaropvolgende betaling, in afwijking van de artikelen 1253 en 1256 van het Burgerlijk Wetboek, prioritair door het betrokken fonds aangewend voor de betaling van die administratieve geldboete.]4
   Voor wat betreft de inning en de invordering ervan worden deze administratieve geldboeten gelijkgesteld met verschuldigde sociale bijdragen.]1

  
Art. 17ter. [1 L'amende administrative dont il est question dans l'article précédent, est imposée par le titulaire de la fonction de management de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, visé à l'article 21, § 5, chargé de la gestion journalière de l'Institut ou par des fonctionnaires au sein de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, désignés à cet effet par lui.
   La décision est prise après avoir mis l'intéressé en mesure de présenter ses moyens de défense. [3 Ces moyens de défense doivent être introduits dans un délai de trente jours à partir de la date de la notification, visée à l'alinéa 4.]3
   Cette décision mentionne le montant de l'amende et est assortie d'une motivation. Cette décision est envoyée au travailleur indépendant intéressé [5 ou, en cas de sanction visée à l'article 17bis, §§ 1erter ou 1erquinquies, le cas échéant, à la société concernée]5 sous pli recommandé à la poste. Cet envoi renfermera également une copie des pièces qui justifient l'application de l'amende administrative, ainsi qu'une invitation à payer l'amende administrative.
  [5 La notification de la possibilité d'infliger l'amende administrative doit avoir lieu au plus tard dans un délai de douze mois qui suivent:
   - l'affiliation effective auprès d'une caisse d'assurances sociales des indépendants dans les cas visés à l'article 17bis, § 1er, 1° ;
   - la prise en considération du fait par l'Institut national pour les assurances sociales des travailleurs indépendants, pour ce qui concerne les cas visés à l'article 17bis, § 1er, 2° et 3°, et § 1erbis;
   - la constatation de l'infraction, pour ce qui concerne les cas visés à l'article 17bis, §§ 1erter, 1erquater et 1erquinquies.]5

   Les caisses agréées d'assurances sociales pour travailleurs indépendants sont chargées d'encaisser et de percevoir l'amende administrative.
  [5 En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1, 1°, 2° et 3°, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où le travailleur indépendant est affilié ou l'était pour la période de l'infraction.
   En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1erbis, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où l'intéressé était affilié fictivement pour la période de l'infraction.
   En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1erter, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où la société est affiliée ou l'était en dernier lieu, en application de l'article 89, § 1er, de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, au moment où la décision d'infliger l'amende est notifiée.
   En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1erquater, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où le travailleur indépendant est affilié, ou l'était en dernier lieu, au moment où la décision d'infliger l'amende est notifiée.
   En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1erquinquies, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où le donneur d'ordre ou l'entrepreneur est affilié, ou l'était en dernier lieu, au moment où la décision d'infliger l'amende est notifiée.]5

  [2 Dans les cas visés à l'article 17bis, § 1er bis, [3 le montant des cotisations payées indûment est affecté par la caisse concernée, après avoir retenu les montants perçus]3 en plus au titre de frais de gestion, au paiement de l'amende due par la personne concernée.]2
  [4 A partir de la date à laquelle la caisse réclame une amende administrative, tout paiement subséquent est, en dérogation aux articles 1253 et 1256 du Code civil, affecté prioritairement par la caisse concernée au paiement de cette amende administrative.]4
   Ces amendes administratives sont assimilées, en ce qui concerne leur perception et leur recouvrement, aux cotisations sociales dues.]1

  
Art. 17quater. [1 De zelfstandige [2 of, in geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, §§ 1ter of 1quinquies, desgevallend de betrokken vennootschap]2 die de beslissing, waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd, betwist, kan op straffe van verval binnen een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift beroep instellen bij de arbeidsrechtbank. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.
   De bepaling van het eerste lid wordt vermeld in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.]1

  
Art. 17quater. [1 Le travailleur indépendant [2 ou, en cas de sanction visée à l'article 17bis, §§ 1erter ou 1erquinquies, le cas échéant, la société concernée]2 qui conteste la décision imposant l'amende administrative, peut, dans les deux mois de la notification et à peine de déchéance, saisir le tribunal du travail d'un recours sous forme de requête. Ce recours suspend l'exécution de la décision imposant l'amende administrative.
   La disposition faisant l'objet du premier alinéa est mentionnée dans la décision imposant l'amende administrative.]1

  
Art. 17quinquies. [1 De administratieve geldboete, bedoeld in artikel 17bis, kan niet meer opgelegd worden vijf jaar na de feiten.
   De daden van onderzoek of van vervolging, met inbegrip van de kennisgeving van de mogelijkheid tot het opleggen van de administratieve geldboete, waarbij betrokkene uitgenodigd werd zijn verweermiddelen in te dienen, verricht binnen de in het eerste lid gestelde termijn, stuiten evenwel de loop ervan. Met die daden vangt een nieuwe termijn van gelijke duur aan, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.]1

  
Art. 17quinquies. [1 L'amende administrative, visée à l'article 17bis, ne peut plus être infligée cinq ans après les faits.
   Toutefois, les actes d'instruction ou de poursuites, y compris la notification de la possibilité d'infliger une amende administrative par laquelle le contrevenant est invité à présenter des moyens de défense, accomplis dans le délai déterminé à l'alinéa 1er, en interrompent le cours. Ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée, même à l'égard des personnes qui n'y sont pas impliquées.]1

  
HOOFDSTUK III- De uitkeringen.
CHAPITRE III- Les prestations.
Art.18. § 1. (Het stelsel van de uitkeringen inzake rust- en overlevingspensioen ten voordele van de zelfstandigen wordt ingericht door het koninklijk besluit nr 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.)
  § 2. (Het stelsel van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen wordt geregeld [4 door de algemene kinderbijslagwet (AKBW) van 19 december 1939]4. <KB 18-10-1978, art. 1>
  § 3. Het stelsel der uitkeringen inzake [2 ziekte-, invaliditeits- en moederschapsverzekering]2 ten voordele van de zelfstandigen wordt ingericht in het raam van (de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994). <W 2007-12-21/32, art. 13, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  Deze uitkeringen worden verstrekt door bemiddeling van de instellingen die functioneren in het raam van deze laatste wet.
  [3 § 3bis. [6 Het stelsel van het overbruggingsrecht wordt geregeld door hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022.]6]3
  § 4. (...) <W 2007-12-21/32, art. 13, 2° 050; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [2 § 5. De prestaties die de verzoening van het professionele leven en het privéleven van de zelfstandigen bevorderen, worden geregeld [5 door de artikelen 18bis en 18ter van dit besluit]5.]2
  
Art.18. § 1er (Le régime des prestations de retraite et de survie en faveur des travailleurs indépendants est organisé par l'arrêté royal no 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants.)
  § 2. (Le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants est organisé [4 par la loi générale relative aux allocations familiales (LGAF) du 19 décembre 1939]4.) <AR 18-10-1978, art. 1>
  § 3. Le régime des prestations [2 d'assurance contre la maladie et l'invalidité et d'assurance maternité]2 en faveur des travailleurs indépendants est organisé dans le cadre de (la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994). <L 2007-12-21/32, art. 13, 050; En vigueur : 01-01-2008>
  Ces prestations sont servies par l'intermédiaire des instituts fonctionnant dans le cadre de cette dernière loi.
  [3 § 3bis. [6 Le régime du droit passerelle est réglé par le chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022]6]3
  § 4. (...) <L 2007-12-21/32, art. 13, 2° 050; En vigueur : 01-01-2008>
  [2 § 5. Les prestations favorisant la conciliation entre la vie professionnelle et la vie privée des travailleurs indépendants sont réglées [5 par les articles 18bis et 18ter du présent arrêté]5.]2
  
Art. 18bis. [1 § 1. Een stelsel van moederschapshulp wordt ingericht ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen om hen te helpen een beroepsactiviteit te hernemen na hun bevalling. Het betreft een uitkering om de vrouwelijke zelfstandige toe te laten thuishulp van huishoudelijke aard te bekomen.
   Worden beoogd door deze moederschapshulp, de vrouwelijke zelfstandigen die de voorwaarden vervullen om de moederschapsverzekering te genieten voorzien voor de vrouwelijke zelfstandigen, de helpers en de meewerkende echtgenotes.
   De vordering tot uitbetaling of tot terugbetaling van de moederschapshulp verjaart na vijf jaar.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de aard van de moederschapshulp wijzigen en de toekenningsregels van deze moederschapshulp bepalen:
   1) de toekenningsvoorwaarden;
   2) de instellingen en organen bevoegd voor de toekenning en het beheer;
   3) de aanvraagprocedure;
   4) de termijn waarbinnen de aanvraag moet worden ingediend;
   5) de betalingswijze;
   6) de ingangsdata van de verjaringstermijnen;
   7) de gevallen waarin er kan verzaakt worden aan de terugvordering van de onterecht uitbetaalde moederschapshulp.
   § 2. Een adoptie-uitkering wordt toegekend ten gunste van zelfstandigen naar aanleiding van de adoptie van één of meerdere kinderen.
   Worden beoogd door deze adoptie-uitkering, de zelfstandigen die de hoedanigheid van gerechtigde hebben in de uitkeringsverzekering voorzien voor de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten.
   De vordering tot uitbetaling of tot terugbetaling van de adoptie-uitkering verjaart na twee jaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 174 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toekenningsregels van deze adoptie-uitkering bepalen:
   1) de toekenningsvoorwaarden;
   2) de instellingen en organen bevoegd voor de toekenning en het beheer;
   3) de aanvraagprocedure;
   4) de toekenningsperiode, het bedrag en de betalingswijze.
   § 3. Een uitkering wordt toegekend ten gunste van zelfstandigen die tijdelijk hun beroepsactiviteit onderbreken om zorgen te geven aan een persoon wanneer deze laatste getroffen is door een ernstige ziekte, palliatieve zorgen geniet of het gehandicapt kind is van de zelfstandige.
   De onderbreking van de beroepsactiviteit kan geheel of gedeeltelijk zijn.
   Worden beoogd door deze uitkering, de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, die als zelfstandige in hoofdberoep onderworpen zijn aan dit besluit.
   De vordering tot uitbetaling of tot terugbetaling van deze uitkering verjaart na drie jaar.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het persoonlijk en materieel toepassingsgebied van de uitkering uitbreiden en de toekenningsregels van deze uitkering bepalen:
   1) de toekenningsvoorwaarden;
   2) het begrip van gehele of gedeeltelijke onderbreking;
   3) de instellingen en organen bevoegd voor de toekenning en het beheer;
   4) de personen die verzorgd kunnen worden;
   5) de aard van de door de zelfstandige gegeven zorgen;
   6) de aanvraagprocedure;
   7) het bedrag en de betalingswijze;
   8) de maximale toekenningsperiode;
   9) de ingangsdata van de verjaringstermijnen;
   10) de gevallen waarin er kan verzaakt worden aan de terugvordering van de onterecht uitbetaalde uitkeringen en door wie er kan verzaakt worden.]1

  [2 § 4. Een uitkering wegens pleegouderverlof wordt toegekend ten gunste van zelfstandigen die een minderjarig kind in hun gezin onthalen naar aanleiding van langdurige pleegzorg.
   Worden beoogd door deze uitkering wegens pleegouderverlof, de zelfstandigen die de hoedanigheid van gerechtigde hebben in de uitkeringsverzekering voorzien voor de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten.
   De vordering tot uitbetaling of tot terugbetaling van de uitkering wegens pleegouderverlof verjaart na twee jaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 174 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toekenningsregels van deze uitkering wegens pleegouderverlof bepalen :
   1) de toekenningsvoorwaarden;
   2) de instellingen en organen bevoegd voor de toekenning en het beheer;
   3) de aanvraagprocedure;
   4) de toekenningsperiode, het bedrag en de betalingswijze.]2

  [3 § 5. Een vaderschaps- en geboorte-uitkering wordt toegekend ten gunste van zelfstandigen die tijdelijk hun beroepsactiviteit onderbreken naar aanleiding van de geboorte van één of meerdere kinderen.
   Worden beoogd door deze uitkeringen, de mannelijke zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die als zelfstandige in hoofdberoep onderworpen zijn aan dit besluit en voor wie een wettelijke afstamming vaststaat ten aanzien van het kind waarvoor de uitkering aangevraagd wordt.
   Bij ontstentenis van een zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot bedoeld in het vorige lid, komt hetzelfde recht toe aan de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die, op het ogenblik van de geboorte:
   a) hetzij gehuwd is met diegene ten aanzien van wie de afstamming vaststaat;
   b) hetzij wettelijk samenwoont met diegene ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, en die niet is verbonden door een band van bloedverwantschap die leidt tot een huwelijksverbod waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen;
   c) hetzij sedert een onafgebroken periode van drie jaar voorafgaand aan de geboorte op permanente en affectieve wijze samenwoont met diegene ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, en niet is verbonden door een band van bloedverwantschap die leidt tot een huwelijksverbod waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen. Het bewijs van samenwoning en hoofdverblijf wordt geleverd aan de hand van een uittreksel uit het bevolkingsregister.
  [4 Het bedrag van de vaderschaps- en geboorte-uitkering wordt vastgesteld in functie van een periode van onderbreking van maximaal tien dagen die kunnen worden opgesplitst in halve dagen. In dat geval omvat de totale duur van de onderbreking maximum twintig halve dagen. De periode van onderbreking wordt opgetrokken als volgt:
   1° tot maximaal vijftien volledige dagen (of maximaal dertig halve dagen) voor de geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021;
   2° tot maximaal twintig volledige dagen (of maximaal veertig halve dagen) voor de geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023.]4

   Tijdens de uitkeringsgerechtigde periode moet de onderbreking volledig zijn en plaatsvinden in de periode die aanvangt op de dag van de geboorte en eindigt op de laatste dag van het vierde maand volgend op de dag van de geboorte. [5 Voor de uitkeringen van de dagen van de maanden mei en juni 2021 bedraagt de dagelijkse uitkering 84,09 euro]5
  [6 Het dagelijks bedrag van de uitkering bedraagt [7 86,63 euro]7. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 109,34 (basis 2013 = 100).]6
   De vordering tot uitbetaling of tot terugbetaling van deze uitkering verjaart na drie jaar.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de toekenning van deze uitkeringen bepalen:
   1) de voorwaarden van aansluiting en betaling van sociale bijdragen;
   2) de instellingen en organen bevoegd voor de toekenning en het beheer;
   3) de aanvraagprocedure;
   4) de termijn waarbinnen de aanvraag moet worden ingediend;
   5) de betalingswijze;
   6) de ingangsdatum van de verjaringstermijn;
   7) de gevallen waarin er kan verzaakt worden aan de terugvordering van de onterecht uitbetaalde uitkering.
   De begunstigden van de vaderschaps- en geboorte-uitkering die tijdelijk hun beroepsactiviteit onderbreken voor een duur van maximum acht dagen, kunnen daarenboven vijftien dienstencheques toegekend krijgen.
   De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de toekenning van deze prestaties.]3

  [6 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag bedoeld in het zesde lid van deze paragraaf aanpassen.]6
  
Art. 18bis. [1 § 1er. Un régime d'aide à la maternité est organisé en faveur des travailleuses indépendantes pour les aider à reprendre une activité professionnelle après leur accouchement. Il s'agit d'une prestation pour permettre à la travailleuse indépendante d'obtenir une aide à domicile de nature ménagère.
   Sont visées par cette aide à la maternité, les travailleuses indépendantes qui remplissent les conditions pour bénéficier de l'assurance maternité telle que prévue pour les travailleuses indépendantes, les aidantes et les conjointes aidantes.
   L'action en paiement ou en répétition de l'aide à la maternité se prescrit par cinq ans.
   Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, modifier la nature de l'aide à la maternité et déterminer les modalités d'octroi de cette aide à la maternité:
   1) les conditions d'octroi;
   2) les institutions et organismes compétents pour l'octroi et la gestion;
   3) la procédure de demande;
   4) le délai dans lequel la demande doit être introduite;
   5) les modalités de paiement;
   6) les dates de prise de cours des délais de prescription;
   7) les cas dans lesquels il peut être renoncé à la récupération de l'aide à la maternité payée indûment.
   § 2. Une allocation d'adoption est accordée en faveur des travailleurs indépendants à l'occasion de l'adoption d'un ou plusieurs enfant(s).
   Sont visés par cette allocation d'adoption, les travailleurs indépendants qui ont la qualité de titulaire en matière d'assurance indemnités telle que prévue pour les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants.
   L'action en paiement ou en récupération de l'allocation d'adoption se prescrit par deux ans conformément aux dispositions de l'article 174 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.
   Le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'octroi de cette allocation d'adoption:
   1) les conditions d'octroi;
   2) les institutions et organismes compétents pour l'octroi et la gestion;
   3) la procédure de demande;
   4) la période d'octroi, le montant et les modalités de paiement.
   § 3. Une allocation est accordée en faveur des travailleurs indépendants qui interrompent temporairement leur activité professionnelle pour donner des soins à une personne lorsque cette dernière est atteinte d'une maladie grave ou bénéficie de soins palliatifs ou est l'enfant handicapé du travailleur indépendant.
   L'interruption d'activité professionnelle peut être totale ou partielle.
   Sont visés par cette allocation, les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants, qui sont assujettis comme travailleur indépendant à titre principal au présent arrêté.
   L'action en paiement ou en répétition de l'allocation se prescrit par trois ans.
   Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, étendre le champ d'application personnel et matériel de l'allocation, et déterminer les modalités d'octroi de cette allocation:
   1) les conditions d'octroi;
   2) la notion d'interruption totale ou partielle;
   3) les institutions et organismes compétents pour l'octroi et la gestion;
   4) les personnes pouvant être soignées;
   5) la nature des soins apportés par le travailleur indépendant;
   6) la procédure de demande;
   7) le montant et les modalités de paiement;
   8) la période maximum d'octroi;
   9) les dates de prise de cours des délais de prescription;
   10) les cas dans lesquels il peut être renoncé à la récupération des allocations payées indûment et qui peut renoncer.]1

  [2 § 4. Une allocation de congé parental d'accueil est accordée en faveur des travailleurs indépendants qui accueillent un enfant mineur dans leur famille à l'occasion d'un placement de longue durée.
   Sont visés par cette allocation de congé parental d'accueil, les travailleurs indépendants qui ont la qualité de titulaire en matière d'assurance indemnités telle que prévue pour les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants.
   L'action en paiement ou en récupération de l'allocation de congé parental d'accueil se prescrit par deux ans conformément aux dispositions de l'article 174 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.
   Le Roi peut déterminer, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'octroi de cette allocation de congé parental d'accueil :
   1) les conditions d'octroi;
   2) les institutions et organismes compétents pour l'octroi et la gestion;
   3) la procédure de demande;
   4) la période d'octroi, le montant et les modalités de paiement.]2

  [3 § 5. Une allocation de paternité et de naissance est accordée en faveur des travailleurs indépendants qui interrompent temporairement leur activité professionnelle à l'occasion de la naissance d'un ou plusieurs enfant(s).
   Cette allocation vise les travailleurs indépendants masculins, aidants et conjoints aidants qui sont assujettis au présent arrêté comme travailleur indépendant à titre principal et pour qui un lien de filiation légal est établi à l'égard de l'enfant vis-à-vis duquel l'allocation est demandée.
   A défaut d'un travailleur indépendant, aidant ou conjoint aidant visé à l'alinéa précédent, le même droit revient au travailleur indépendant, aidant ou conjoint aidant qui, au moment de la naissance :
   a) soit est marié avec la personne à l'égard de laquelle la filiation est établie ;
   b) soit cohabite légalement avec la personne à l'égard de laquelle la filiation est établie et chez laquelle l'enfant a sa résidence principale, et qui n'est pas uni par un lien de parenté entraînant une prohibition de mariage dont ils ne peuvent être dispensés par le Roi ;
   c) soit depuis une période ininterrompue de trois ans précédant la naissance, cohabite de manière permanente et affective avec la personne à l'égard de laquelle la filiation est établie et chez laquelle l'enfant a sa résidence principale, et qui n'est pas uni par un lien de parenté entraînant une prohibition de mariage dont ils ne peuvent être dispensés par le Roi. La preuve de la cohabitation et de la résidence principale est fournie au moyen d'un extrait du registre de la population.
  [4 Le montant de l'allocation de paternité et de naissance est fixé en fonction d'une période d'interruption de maximum dix jours qui peuvent être fractionnés en demi-jours. Dans ce cas, la durée totale de l'interruption comprend au maximum vingt demi-jours. La période d'interruption est allongée de la manière suivante:
   1° jusqu'à un maximum de quinze jours complets (ou maximum trente demi-jours) pour les naissances qui ont lieu à partir du 1er janvier 2021;
   2° jusqu'à un maximum de vingt jours complets (ou maximum quarante demi-jours) pour les naissances qui ont lieu à partir du 1er janvier 2023.]4

   Pendant la période indemnisée, l'interruption doit être totale et avoir lieu au cours de la période qui débute le jour de la naissance et prend fin le dernier jour du quatrième mois après le jour de la naissance. [5 Pour les allocations des jours des mois de mai et de juin de l'année 2021, le montant de l'allocation journalière s'élève à 84,09 euros.]5
  [6 Le montant journalier de l'allocation s'élève à [7 86,63 euros]7. Ce montant est rattaché à l'indice-pivot 109,34 (base 2013 = 100).]6
   L'action en paiement ou en récupération de ces allocations se prescrit par trois ans.
   Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer les modalités d'octroi de ces allocations :
   1) les conditions d'assujettissement et de paiement des cotisations sociales ;
   2) les institutions et organismes compétents pour l'octroi et la gestion ;
   3) la procédure de demande ;
   4) le délai dans lequel la demande doit être introduite ;
   5) les modalités de paiement ;
   6) la date de prise de cours du délai de prescription ;
   7) les cas dans lesquels il peut être renoncé à la récupération de l'allocation payée indûment.
   Les bénéficiaires de l'allocation de paternité et de naissance qui interrompent temporairement leur activité professionnelle pour une durée de huit jours au maximum, peuvent en outre se voir octroyer quinze titres-services.
   Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'octroi de ces prestations.]3

  [6 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, adapter le montant visé à l'alinéa 6 du présent paragraphe.]6
  
Art. 18ter. [1 Een uitkering wordt toegekend ten gunste van de zelfstandigen die tijdelijk hun beroepsactiviteit onderbreken vanwege het overlijden van hun echtgenoot of samenwonende partner, het overlijden van hun natuurlijk kind of adoptiekind of het natuurlijk kind of adoptiekind van hun echtgenoot of samenwonende partner of het overlijden van een pleegkind waarbij in het kader van een langdurige pleegzorg zoals omschreven in artikel 30sexies, § 6, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, de zelfstandige of zijn echtgeno(o)t(e) of samenwonende partner is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming en dat het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft is ingeschreven op het moment van het overlijden of in het verleden. Het bedrag van de uitkering wordt vastgesteld op basis van een periode van werkonderbreking van tien dagen.
   Worden beoogd door deze uitkering, de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, die als zelfstandige in hoofdberoep onderworpen zijn aan dit besluit. De vordering tot uitbetaling of tot terugbetaling van deze uitkering verjaart na één jaar.
  [2 Het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen kan beslissen om volledig of gedeeltelijk te verzaken aan de terugvordering van de uitkering. Een dergelijke verzaking is slechts mogelijk :
   a) indien de schuldenaar zich in staat van behoefte bevindt of in een toestand die de staat van behoefte benadert;
   b) wanneer de geringheid van het terug te vorderen bedrag niet verantwoordt dat er kosten worden gemaakt;
   c) wanneer de terugvordering voortvloeit uit het herstel van een fout begaan door het bevoegde sociale verzekeringsfonds.]2

   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het persoonlijk en materieel toepassingsgebied van de uitkering uitbreiden en de toekenningsregels van deze uitkering bepalen, aangaande :
   1° de toekenningsvoorwaarden;
   2° de instellingen en organen bevoegd voor de toekenning en het beheer;
   3° de aanvraagprocedure;
   4° het bedrag en de betalingswijze;]1

  [2 5° de ingangsdatum van de verjaringstermijn bedoeld in het tweede lid.]2
  
Art. 18ter. [1 Une allocation est accordée aux travailleurs indépendants qui interrompent temporairement leur activité professionnelle en raison du décès de leur conjoint ou leur partenaire cohabitant, du décès de leur enfant naturel ou adoptif ou de l'enfant naturel ou adoptif de leur conjoint ou partenaire cohabitant ou du décès d'un enfant pour lequel, dans le cadre d'un placement familial de longue durée défini à l'article 30sexies, § 6, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, le travailleur indépendant, son conjoint ou partenaire cohabitant a été désigné comme parent d'accueil par le tribunal, par un service de placement agréé par la communauté compétente, par les services régionaux de l'Aide à la Jeunesse et qui, au moment du décès ou précédemment, était inscrit au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune dans laquelle il a sa résidence comme faisant partie de son ménage. Le montant de l'allocation est fixé en fonction d'une période d'interruption de dix jours.
   Sont visés par cette allocation, les travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants, qui sont assujettis comme travailleur indépendant à titre principal au présent arrêté. L'action en paiement ou en répétition de cette allocation se prescrit après un an.
  [2 L'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants peut décider de renoncer, en tout ou en partie, à la récupération de l'allocation. Pareille renonciation n'est possible que :
   a) si le débiteur se trouve en état de besoin ou dans une situation voisine de l'état de besoin;
   b) lorsque la modicité de la somme à récupérer ne justifie pas que des frais soient exposés;
   c) lorsque la récupération résulte du redressement d'une erreur commise par la caisse d'assurances sociales compétente.]2

   Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, étendre le champ d'application personnel et matériel de l'allocation et en fixer les règles d'octroi, à savoir :
   1° les conditions d'octroi;
   2° les institutions et organismes compétents pour l'octroi et la gestion;
   3° la procédure de demande;
   4° le montant et le mode de paiement;]1

  [2 5° la date de prise de cours du délai de prescription visé à l'alinéa 2.]2
  
HOOFDSTUK IV_ De Rijkstegemoetkoming.
CHAPITRE IV- L'intervention de l'Etat.
HOOFDSTUK V- De administratieve strukturen.
CHAPITRE V- Les structures administratives.
a) De sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen.
a) Les caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
Art.20. § 1. Binnen het raam van dit besluit wordt overgegaan tot de erkenning van vrije sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen.
  De Koning bepaalt de voorwaarden voor de erkenning en voor de intrekking van de erkenning van deze kassen.
  Deze kassen nemen de juridische vorm aan van een vereniging zonder winstoogmerk die valt onder toepassing van de wet van 27 juni 1921.
  (Onverminderd de taken die hun opgedragen worden door of in uitvoering van de wetten bedoeld in artikel 18, §§ 1 en 2 (of andere wetten), hebben deze kassen tot opdracht: <W 1992-06-26/30, art. 84, 021; Inwerkingtreding : 01-07-1992; Opheffing : 31-12-1992>
  a) van hun aangeslotenen de bijdragen te innen, verschuldigd krachtens dit besluit en in voorkomend geval, de gerechtelijke invordering ervan te vervolgen;
  b) (hen informatie en bijstand te verlenen betreffende hun verplichtingen en rechten in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen, en aanverwante voorzieningen.) <W 1987-03-31/48, enig art. , 011; Inwerkingtreding : 03-05-1987>
  c) (op verzoek van het (Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid) of van [4 het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen bedoeld in artikel 21, § 1, hierna "het Rijksinstituut" genoemd]4, alle in hun bezit zijnde gegevens te verstrekken die nodig zijn voor de toepassing van de wetgeving inzake het sociaal statuut van de zelfstandigen en voor de controle op de naleving ervan;)
  [5 d) hun aangeslotenen te sensibiliseren en te ondersteunen om hun mentaal welzijn op het werk te bevorderen.]5 <W 1992-12-30/40, art. 84, 022; Inwerkingtreding : 19-01-1993> <W 2004-12-27/30, art. 180, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  (Volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning dragen zij de bijdragen, verhogingen en intresten [2 , evenals de bedragen van de geïnde administratieve geldboetes bedoeld in artikel 17bis,]2 over aan [4 het Rijksinstituut]4.) <W 1994-03-30/31, art. 120, 025; Inwerkingtreding : 01-07-1994>
  § 2. (De controle op de Nationale Hulpkas wordt uitgeoefend door [4 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]4. De modaliteiten ervan worden bepaald door de Koning.
  De controle op de in § 1 bedoelde kassen wordt uitgeoefend door de Minister van Middenstand.
  [4 Bij de uitoefening van deze controle doet de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft een beroep op de dienst Externe Audit bedoeld in artikel 21, § 9 en het Toezichtscomité bedoeld in artikel 21, § 10.]4
  De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit :
  1° de modaliteiten volgens welke deze controle wordt uitgevoerd;
  2° [4 ...]4
  3° in welke gevallen en hoe de kassen de financiële weerslag van fouten die zij hebben begaan bij de uitvoering van de hen opgelegde taak, te hunnen laste moeten nemen;
  4° (...) <W 1992-12-30/40, art. 84, 022; Inwerkingtreding : 19-01-1993>
  § 2bis. ((Teneinde de inning en de invordering van de bijdragen te verbeteren kan [4 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]4 aan de in § 1 bedoelde kassen algemene richtlijnen geven. Deze richtlijnen worden vastgesteld op basis van performantiecriteria bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Wanneer uit de controle op de in § 1 bedoelde kassen blijkt :
  a) dat, wat betreft de bijdragen die in de loop van een bepaald jaar voor het eerst worden opgevorderd en die betrekking hebben op datzelfde jaar, bij een kas, de verhouding tussen de geïnde bedragen en de opgevorderde bedragen lager is dan het overeenkomstig algemeen inningspercentage, of,
  b) dat het globaal volume van de door een kas op het einde van een bepaald jaar nog te innen bijdragen hoger ligt dan een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad vastgesteld percentage van de bijdragen gevorderd over dat jaar, met een minimum van 25 pct.,
  kan [4 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]4 [4 een ambtenaar van de dienst Externe Audit bedoeld in artikel 21, § 9]4 bij de bedoelde kas afvaardigen. Deze ambtenaar kan namens de minister concrete richtlijnen geven, op basis van de in het eerste lid bedoelde performantiecriteria.
  De concrete richtlijnen waarvan sprake in het voorgaand lid bepalen het door de betrokken kas te bereiken doel, inzonderheid in functie van het aantal prestaties, van de kwaliteit van de prestaties en van de opvolging van de inning.) <W 2004-12-27/30, art. 180, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2005> Deze ambtenaar kan namens de minister concrete richtlijnen geven, op basis van de algemene richtlijnen vastgesteld door het voormeld Algemeen Beheercscomité, om de inning en de invordering van de bijdragen te verbeteren.
  Wanneer blijkt dat de kas de richtlijnen binnen de periode opgelegd door de in het vorige lid bedoelde ambtenaar niet of in onvoldoende mate heeft opgevolgd, kan [4 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]4 haar de betaling van een geldsom opleggen.
  In het onder a) bedoelde geval is deze som gelijk aan het verschil tussen de opgevorderde en de geïnde bijdragen vermenigvuldigd met het verschil tussen voormeld algemeen inningspercentage en het overeenkomstige inningspercentage van de betrokken kas. In het onder b) bedoelde geval wordt de betaling uitgedrukt door een percentage, vastgesteld door de Koning, van het bedrag dat de afwijking weergeeft. Hiervoor worden als basis genomen, de gegevens met betrekking tot het jaar bedoeld in het eerste lid.
  De kosten verbonden aan de tussenkomst van deze ambtenaar vallen ten laste van de kas.
  De Koning bepaalt de nadere toepassingsregelen van deze paragraaf.) <W 1993-08-06/30, art. 46, 023; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  [5 § 2bis/1. Teneinde het mentaal welzijn van hun aangeslotenen bij het uitoefenen van hun beroepsactiviteit te bevorderen, dienen een aantal diensten te worden ingevuld door de in § 1 bedoelde kassen en de in § 3 bedoelde Nationale Hulpkas.
   Deze diensten omvatten:
   1° sensibilisering en promotie;
   2° vroege detectie en screening;
   3° secundaire preventie;
   4° begeleiding naar aangepaste hulp of ondersteuning;
   5° opleiding van de medewerkers van hun eerstelijns-- dienstverlening.
   De diensten bedoeld in het tweede lid, 1°, 4° en 5° zijn verplicht.
   De Koning kan het aantal verplichte diensten uitbreiden met de diensten vermeld in het tweede lid, 2° en/of 3°.
   De in het tweede lid bedoelde diensten beantwoorden aan de volgende criteria:
   1° ze zijn vraaggestuurd en gedifferentieerd op basis van de noden op het terrein, rekening houdend met de verschillende beroepscategorieën en fases binnen de loopbaan van de zelfstandige;
   2° ze zijn gericht op de ondersteuning van de individuele zelfstandige of ze stimuleren de interactie en uitwisseling tussen zelfstandigen op lokaal, regionaal en/of nationaal niveau;
   3° ze houden rekening met de werk- en/of privé-- omgeving;
   4° ze kaderen binnen een gebundelde aanpak waarbij er samenwerking is met andere actoren;
   5° ze zijn kwaliteitsvol met aandacht voor toegankelijkheid, lage financiële drempels, wetenschappelijk onderbouwd karakter en efficiënt inzetten van middelen en de klanttevredenheid.
   De uitvoering door de kassen van de in het tweede lid vermelde diensten wordt begeleid, opgevolgd en geëvalueerd door de dienst Externe Audit bedoeld in artikel 21, § 9, onder toezicht van het Toezichtcomité Externe Audit, bedoeld in artikel 21, § 10, overeenkomstig de bepalingen van artikel 20, § 2. De evaluatie gebeurt op basis van de in het vijfde lid vernoemde criteria.
   De Koning kan de indicatoren bepalen waaruit deze criteria bestaan.
   Met het oog op de jaarlijkse evaluatie van de tijdens het vorige kalenderjaar uitgevoerde diensten bezorgt de kas een activiteitenverslag met betrekking tot de uitvoering van de verschillende diensten aan het Rijksinstituut. De Koning bepaalt de nadere regels van de begeleiding, de opvolging en evaluatie.
   Het Rijksinstituut maakt deze jaarlijkse evaluatie over aan het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen en, na advies van dit comité, aan de minister voor Zelfstandigen.
   Ter financiering van de uitvoering van de diensten bedoeld in deze paragraaf, wordt de specifieke toelage bedoeld in artikel 22/1 van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid jaarlijks in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar gestort aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen zoals bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
   De verdeling gebeurt als volgt:
   1° een vast bedrag voor elk sociaal verzekeringsfonds;
   2° een variabel bedrag per sociaal verzekeringsfonds dat afhangt van het aantal aangesloten zelfstandigen bedoeld in artikel 12, § 1, § 1bis of § 1ter van voormeld koninklijk besluit nr. 38. De situatie op 31 december van het voorgaande jaar wordt hiertoe in aanmerking genomen. Vanaf 2026 hangt het variabel bedrag tevens af van het resultaat van de in het zesde lid bedoelde evaluatie van de diensten uitgevoerd in het voorgaande jaar.
   De verdeelsleutel wordt bepaald door de Koning bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]5

  (§ 2ter.[4 Onverminderd de toepassing van § 2, vierde lid, 3°, kan de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft de sociale verzekeringskassen bij wijze van sanctie de betaling van een geldsom opleggen in volgende gevallen:
   1° wanneer een sociale verzekeringskas manifest geen of onvoldoende gevolg geeft aan de richtlijnen, aanbevelingen, nota's of opdrachten, die geformuleerd worden in toepassing van dit besluit door ofwel de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft, ofwel de Directie-generaal Zelfstandigen van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, ofwel de dienst Externe Audit bedoeld in artikel 21, § 9, ofwel het Rijksinstituut;
   2° wanneer een sociale verzekeringskas manifest geen of onvoldoende gevolg geeft aan opmerkingen, die naar aanleiding van het onderzoek van individuele gevallen werden geformuleerd in toepassing van dit besluit door ofwel de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft, ofwel de Directie-Generaal Zelfstandigen van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, ofwel de dienst Externe Audit bedoeld in artikel 21, § 9, ofwel het Rijksinstituut.
   De in het eerste lid bedoelde sanctie bedraagt:
   1° in de in het eerste lid, 1°, bedoelde gevallen, 0,5 % van de werkingskosten die de betrokken sociale verzekeringkas heeft ontvangen in de loop van het kalenderjaar voorafgaand aan datgene in de loop waarvan het te sanctioneren feit werd vastgesteld;
   2° in de in het eerste lid, 2° bedoelde gevallen, 0,05 % van de werkingskosten die de betrokken sociale verzekeringkas heeft ontvangen in de loop van het kalenderjaar voorafgaand aan datgene in de loop waarvan het te sanctioneren feit werd vastgesteld.
   Deze sommen dienen door de sociale verzekeringskas betaald te worden met de opbrengst van de bijdragen die bestemd zijn om de werkingkosten te dekken.
   De opbrengst van deze sancties wordt toegewezen aan de beheersontvangsten van het Rijksinstituut.
   De Koning bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van deze paragraaf.]4

   § 3. Een Nationale Hulpkas voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, opgericht in de schoot (van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen), voert dezelfde opdrachten uit als de vrije sociale verzekeringskassen, voor wat de onderworpenen betreft die zich erbij vrijwillig aansluiten of die nagelaten hebben een vrije sociale verzekeringskas te kiezen, binnen de termijn die bepaald wordt in uitvoering van artikel 10, § 2, van dit besluit. <KB 13-01-1971, art. 1, 2°>
  Deze kas bezit geen rechtspersoonlijkheid onderscheiden van deze (van bedoeld Rijksinstituut), maar haar beheer, onderworpen aan dezelfde controle als het algemeen beheer (van dit Rijksinstituut), maakt het voorwerp uit van een afzonderlijke boekhouding. <KB 13-01-1971, art. 1, 2°>
  (lid 3 opgeheven) <W 21-12-1970, art. 3, 2°>
  § 4. (De werkingskosten van de in dit artikel bedoelde kassen worden gedragen door de aangeslotenen. [1 Deze stemmen overeen met de kosten gemaakt door de kas om de wettelijke taken die haar krachtens dit artikel zijn toevertrouwd, uit te voeren en hangen af van de kwaliteit van de dienstverlening die de kas biedt aan zijn aangeslotenen. Het niveau van kwaliteit wordt bepaald in functie van de wettelijke verplichtingen van de kassen ten opzichte van hun aangeslotenen en van de Staat.]1
  De bijdrage van de aangeslotenen van de kassen, bedoeld in § 1, die hun deelname vertegenwoordigt in de werkingskosten, wordt jaarlijks voor elke kas door [4 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft], na advies van de betrokken kas, vastgesteld.
  Bij het nemen van deze beslissing houdt [5 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]5 inzonderheid rekening met het feit of de sociale verzekeringskas al dan niet overgaat tot de deconcentratie van haar diensten.
  (De Koning kan de voorwaarden en modaliteiten vaststellen volgens dewelke het de sociale verzekeringskassen en de Nationale Hulpkas toegestaan is de werkingskosten die zij van hun aangeslotenen vorderen te verminderen ingeval de sociale bijdragen worden betaald middels een bankdomiciliëring.) <W 2004-12-27/30, art. 180, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  De bijdrage welke de Nationale Hulpkas, bedoeld in § 3, mag vragen van haar leden is gelijk aan het hoogste bedrag dat is toegestaan aan de kassen bedoeld in § 1.
  [1 Bij begin van bezigheid in de zin van artikel 13bis, § 1, moet de sociale verzekeringskas schriftelijk de aangeslotene informeren over de bijdragen, bedoeld in het tweede lid, die hem zullen worden aangerekend, de wijze waarop deze worden berekend en de diensten waarop deze recht geven. Tezelfdertijd zal de kas de aangeslotene vragen een formulier te ondertekenen waarbij hij erkent bovenvermelde inlichtingen te hebben verkregen.
   Ieder jaar in de loop van de eerste maand van het eerste kalenderkwartaal laat de sociale verzekeringskas door middel van een uitdrukkelijke vermelding op het vervaldagbericht, aan de aangeslotene zowel het bedrag van de bijdrage bedoeld in het tweede lid, verschuldigd voor dit kalenderkwartaal, als de berekeningswijze ervan en de diensten waarop deze recht geeft, kennen.
   Ieder jaar in de loop van de eerste maand van het tweede, derde en vierde kalenderkwartaal laat de sociale verzekeringskas door middel van een uitdrukkelijke vermelding op het vervaldagbericht, aan de aangeslotene het bedrag van de bijdrage bedoeld in het tweede lid kennen die hij voor dat kwartaal verschuldigd is.
   Wanneer de kas de in drie voorgaande leden vermelde verplichtingen niet naleeft, kan zij onderworpen worden aan de sancties zoals bepaald in § 2ter.
   De Koning bepaalt de wijze waarop de sociale verzekeringskassen voldoen aan de verplichtingen bedoeld in het zesde tot het achtste lid.]1

  De bijdragen bedoeld in deze paragraaf worden geind en ingevorderd zoals de in hoofdstuk II bedoelde bijdragen. De verhogingen en intresten toegepast op deze laatste bijdragen krachtens het koninklijk besluit genomen in toepassing van artikel 15, § 4, 1°, zijn eveneens toepasselijk op de in deze paragraaf bedoelde bijdragen.
  Wanneer de opbrengst van de overeenkomstig deze paragraaf gevorderde bijdrage niet volstaat om de werkingskosten van de Nationale Hulpkas te dekken, wordt het saldo verdeeld onder het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen en het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen en het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, volgens de modaliteiten gezamenlijk vastgesteld door [4 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]4
en [4 de minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft" ]4.
  De opbrengst van de bijdragen bedoeld in deze paragraaf mag slechts gebruikt worden om de werkingskosten van de kas te dekken. De kassen kunnen een reservefonds aanleggen. Wanneer dit fonds een bedrag bereikt, bepaald door de Koning, kan de Minister van Middenstand, na advies van de betrokken kas, het bedrag der bijdragen verminderen welke genoemde kas aan haar aangeslotenen mag vragen.
  De kassen mogen geen onroerende goederen verwerven, tenzij met voorafgaande toelating [4 van de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]4.)
  (§ 4bis. De Minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft, bepaalt jaarlijks het bedrag per aangeslotene dat de in § 1 bedoelde kassen, evenals de in § 3 bedoelde Nationale Hulpkas, ten laste van hun werkingskosten moeten doorstorten aan het in § 2ter bedoelde Rijksinstituut, tot vergoeding van de informaticakosten die dit Instituut voor hen heeft gemaakt.) <W 1995-12-20/32, art. 104, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  § 5. (De door dit artikel beoogde kassen mogen van de betrokken aangeslotenen de terugbetaling vorderen van de kosten, die veroorzaakt worden door de rappelbrieven die ze, eventueel langs gerechtsdeurwaarder, moeten richten aan hun aangeslotenen, die achterstaan met de betaling van hun bijdragen, alsmede de kosten van rappelbrieven of opzoekingen waartoe ze moeten overgaan wanneer hun aangeslotenen de inlichtingen niet verstrekken die nodig zijn om het recht op uitkeringen vast te stellen.
  [4 De minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]4 kan forfaitaire bedragen bepalen welke de kassen uit dien hoofde mogen vragen.
  De onkosten voorzien in deze paragraaf worden ingevorderd zoals de bijdragen bedoeld in hoofdstuk 2.
  Deze paragraaf beoogt niet de kosten met betrekking tot het gerechtelijk contentieux waarvan de regeling gebeurt overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek.) <W 12-07-1972, art. 13>
  (§ 6. Wanneer in artikel 1, tweede lid, 2°, bedoelde uitkeringen werden betaald op basis van onjuiste of onvolledige gegevens die werden verstrekt door een sociale verzekeringskas, kan [4 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]4 genoemde kas de betaling van een geldsom ten bedrage van 2 500 EUR per individueel geval opleggen. Deze geldsom wordt ten laste gelegd van de opbrengst der bijdragen die bestemd zijn om de werkingskosten van de betrokken kas te dekken.) <W 2004-12-27/30, art. 180, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  (§ 7. Onverminderd hun recht om voor de rechter te dagvaarden kunnen de door dit artikel beoogde kassen als inninginstellingen van de bijdragen de bedragen die hen verschuldigd zijn [3 alsmede de administratieve geldboete bedoeld in artikel 17bis,]3 eveneens bij wijze van dwangbevel invorderen.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten van vervolging door middel van een dwangbevel evenals de kosten die eruit voortvloeien en hun tenlastelegging.) <W 2005-07-20/41, art. 114, 044 ; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
  
Art.20. § 1er. Il est procédé dans le cadre du présent arrêté à l'agréation de caisses libres d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
  Le Roi fixe les conditions d'agréation et de retrait d'agréation de ces caisses.
  Ces caisses adoptent la forme juridique d'une association sans but lucratif régie par les dispositions de la loi du 27 juin 1921.
  (Sans préjudice des tâches qui leur sont imparties par ou en exécution des lois visées à l'article 18, §§ 1 et 2 (ou d'autres lois), ces caisses ont pour mission: <L 1992-06-26/30, art. 84, 021; En vigueur : 01-07-1992; Abrogé : 31-12-1992>
  a) de percevoir auprès de leurs affiliés les cotisations dues en vertu du présent arrêté et, le cas échéant, d'en poursuivre le recouvrement judiciaire;
  b) (de les informer et de leur prêter assistance en ce qui concerne leurs obligations et leurs droits dans le cadre du statut social des travailleurs indépendants, et les réglementations connexes.) <L 1987-03-31/48, art. unique, 011; En vigueur : 03-05-1987>
  c) (de fournir, à la demande du (Service public fédéral Sécurité sociale) ou de [4 l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visé à l'article 21, § 1er, ci-après dénommé "Institut national"]4, tous les éléments en leur possession et indispensables pour appliquer la législation relative au statut social des travailleurs indépendants et pour en vérifier le respect;)
  [5 d) de sensibiliser et soutenir leurs affiliés afin de promouvoir leur bien-être mental au travail.]5 <L 1992-12-30/40, art. 84, 022; En vigueur : 19-01-1993> <L 2004-12-27/30, art. 180, 042; En vigueur : 10-01-2005>
  (Elles transfèrent, suivant les modalités déterminées par le Roi, les cotisations, majorations et intérêts [2 ainsi que les montants résultant de la perception des amendes administratives visées à l'article 17bis]2 à [4 l'Institut national ]4.) <L 1994-03-30/31, art. 120, 025; En vigueur : 01-07-1994>
  § 2. (Le contrôle de la Caisse nationale auxiliaire est exercé par[4 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]4. Les modalités de ce contrôle sont fixées par le Roi.
  Le contrôle des caisses visées au § 1er est exercé par le Ministre des Classes moyennes.
  [4 Dans l'exercice de ce contrôle, le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions fait appel au service d'Audit externe visé à l'article 21, § 9 et au Comité de supervision visé à l'article 21, § 10.]4
  Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres :
  1° les modalités suivant lesquelles ce contrôle est effectué;
  2° [4 ...]4
  3° dans quels cas et de quelle manière les caisses doivent prendre à leur charge l'incidence financière de fautes commises dans l'exécution de la mission qui leur est dévolue;
  4° (...) <L 1992-12-30/40, art. 84, 022; En vigueur : 19-01-1993>
  § 2bis. ((Afin d'améliorer la perception et le recouvrement des cotisations, [4 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]4 peut donner des directives générales aux caisses visées au § 1er. Ces directives sont établies sur base de critères de performance fixés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
  Lorsque le contrôle des caisses visées au § 1er fait apparaître :
  a) que, en ce qui concerne les cotisations réclamées pour la première fois dans le courant d'une année déterminée et se rapportant à cette même année, pour une caisse, le rapport entre les montants perçus et les montants réclamés est inférieur au pourcentage de perception général y correspondant, ou,
  b) que le volume global des cotisations qui restent à percevoir par une caisse en fin d'année est supérieur à un pourcentage, déterminé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, des cotisations réclamées au cours de cette année, avec un minimum de 25 p.c.,
  [4 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]4 peut déléguer auprès de cette caisse [4 un fonctionnaire du service d'Audit Externe visé à l'article 21, § 9]4. Celui-ci peut donner au nom du ministre des directives concrètes, basées sur les critères de performance visés à l'alinéa 1er.
  Les directives concrètes dont question à l'alinéa précédent déterminent l'objectif à atteindre par la caisse concernée en fonction notamment de la quantité de prestations, de la qualité des prestations et du suivi de la perception.) <L 2004-12-27/30, art. 180, 042; En vigueur : 10-01-2005>
  S'il s'avère que a caisse n'a pas ou n'a qu'insuffisamment suivi les directives durant la période imposée par le fonctionnaire visé à l'alinéa précédent, [4 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]4 peut lui imposer le paiement d'une somme d'argent.
  Dans le cas vise sous a), cette somme est égale à la différence entre les cotisations réclamées et perçues, multipliée par la différence entre le pourcentage de perception général précité et le pourcentage de perception correspondant de la caisse en cause. Dans le cas visé sous b), le paiement est exprimé par un pourcentage, fixé par le Roi, du montant représentant la distorsion. Servent de base, à cet égard, les données relatives à l'année visée à l'alinéa 1er.
  Les frais liés à l'intervention de ce fonctionnaire sont à charge de la caisse.
  Le Roi détermine les modalités d'application du présent paragraphe.) <L 1993-08-06/30, art. 46, 023; En vigueur : 01-01-1993>
  [5 § 2bis/1. Afin de promouvoir le bien-être mental de leurs affiliés dans l'exercice de leur activité professionnelle, un certain nombre de services doivent être garantis par les caisses visées au § 1er et la Caisse nationale auxiliaire visée au § 3.
   Ces services comprennent:
   1° la sensibilisation et la promotion;
   2° la détection précoce et le dépistage;
   3° la prévention secondaire;
   4° l'orientation vers une aide ou un soutien adapté;
   5° la formation des collaborateurs de leur service de première ligne.
   Les services visés à l'alinéa 2, 1°, 4° et 5° sont obligatoires.
   Le Roi peut étendre le nombre de services obligatoires aux services mentionnés au deuxième alinéa, 2° et/ou 3°.
   Les services visés à l'alinéa 2 répondent aux critères suivants:
   1° ils sont axés sur la demande et différenciés en fonction des besoins sur le terrain, en tenant compte des différentes catégories professionnelles et phases de la carrière du travailleur indépendant;
   2° ils visent à soutenir le travailleur indépendant à titre individuel ou à stimuler l'interaction et l'échange entre les travailleurs indépendants au niveau local, régional et/ou national;
   3° ils tiennent compte de l'environnement professionnel et/ou privé;
   4° ils s'inscrivent dans une approche groupée impliquant une coopération avec d'autres acteurs;
   5° ils sont de haute qualité avec une attention particulière à l'accessibilité, à de faibles obstacles financiers, à un caractère scientifiquement étayé, à l'utilisation efficace des ressources et à la satisfaction du client.
   La mise en oeuvre par les caisses des services visés à l'alinéa 2 est accompagnée, suivie et contrôlée par le service d'Audit externe visé à l'article 21, § 9, sous la supervision du Comité de supervision visé à l'article 21, § 10. L'évaluation se fait sur base des critères visés à l'alinéa 5.
   Le Roi peut déterminer les indicateurs qui composent ces critères.
   En vue de l'évaluation annuelle des services effectués au cours de l'année civile précédente, la caisse fournit à l'Institut national un rapport d'activités relatif à la prestation des différents services. Le Roi détermine les modalités de l'accompagnement, du suivi et de l'évaluation.
   L'Institut national transmet cette évaluation annuelle au Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants et, après avis de ce comité, au ministre des Indépendants.
   Afin de financer les services visés dans ce paragraphe, la subvention spécifique visée à l'article 22/1 de la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale est versée annuellement au cours du premier trimestre de l'année civile aux caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visées à l'article 20 de l'arrêté royal n° 38 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
   La répartition se fait comme suit:
   1° un montant fixe pour chaque caisse d'assurances sociales;
   2° un montant variable par caisse d'assurances sociales qui dépend du nombre de travailleurs indépendants affiliés visés à l'article 12, § 1, § 1bis ou § 1ter de l'arrêté royal n° 38 précité. Il est tenu compte à cet effet de la situation au 31 décembre de l'année précédente. A partir de 2026 le montant variable dépend également de l'évaluation visée à l'alinéa 6 relative aux services prestés dans l'année précédente.
   La clé de répartition est déterminée par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]5

  (§ 2ter. [4 Sans préjudice de l'application du § 2, alinéa 4, 3°, le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions peut imposer aux caisses d'assurances sociales à titre de sanction le paiement d'une somme d'argent dans les cas suivants:
   1° lorsqu'une caisse d'assurances sociales ne donne manifestement pas suite ou donne une suite insuffisante aux directives, recommandations, notes ou missions formulées en application de cet arrêté, soit par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions, soit par la Direction générale Indépendants auprès du Service public fédéral Sécurité sociale, soit par le service d'Audit externe visé à l'article 21, § 9, soit par l'Institut national;
   2° lorsqu'une caisse d'assurances sociales ne donne manifestement pas suite ou donne une suite insuffisante aux remarques formulées en application du présent arrêté à l'occasion de l'examen de cas individuels, soit par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions, soit par la Direction générale Indépendants auprès du Service public fédéral Sécurité sociale, soit par le service d'Audit externe visé à l'article 21, § 9, soit par l'Institut national.
   La sanction visée à l'alinéa 1er s'élève:
   1° dans les cas visés à l'alinéa 1er, 1°, à 0,5 % des frais de gestion recueillis par la caisse d'assurances sociales concernée au cours de l'année civile précédant celle au cours de laquelle le fait sanctionnable a été constaté;
   2° dans les cas visés à l'alinéa 1er, 2°, à 0,05 % des frais de gestion recueillis par la caisse d'assurances sociales concernée au cours de l'année civile précédant celle au cours de laquelle le fait sanctionnable a été constaté.
   Ces sommes doivent être acquittées par la caisse d'assurances sociales au moyen du produit des cotisations destinées à couvrir ses frais de gestion.
   Le produit de ces sanctions est attribué aux recettes de gestion de l'Institut national.
   Le Roi détermine les modalités d'exécution du présent paragraphe]4
.
  § 3. Une Caisse nationale auxiliaire d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, constituée au sein (de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants), exerce les mêmes missions que les caisses d'assurances sociales libres, en ce qui concerne les assujettis, qui s'y sont volontairement affiliés ou qui ont omis de faire choix d'une caisse d'assurances sociales, dans le délai qui est fixé en exécution de l'article 10, § 2 du présent arrêté. <AR 13-1-1971, art. 1, 2°>
  Cette caisse n'a pas de personnalité juridique distincte de celle (de l'Institut national susvisé) mais sa gestion, soumise au même contrôle que la gestion générale (de cet Institut national), fait l'objet d'une compatibilité distincte. <AR 13-1-1971, art. 1, 2°>
  (alinéa 3 abrogé) <L 21-12-1970, art. 3, 2°>
  § 4. (Les frais de gestion des caisses visées au présent article sont à charge des affiliés. [1 Ils correspondent aux frais encourus par la caisse pour accomplir les missions légales qui lui sont confiées par le présent article et dépendent de la qualité des services offerts par la caisse à ses affiliés. Le niveau de qualité est déterminé en fonction des obligations légales des caisses à l'égard de leurs affiliés et de l'Etat.]1
  La cotisation des affiliés des caisses visées par le § 1er, qui représente leur participation dans les frais de gestion, est fixée, pour chaque caisse, tous les ans, par [4 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attribution]4, après avis de la caisse intéressée.
  En prenant sa décision, [4 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attribution]4 tient compte notamment de ce que la caisse d'assurances sociales procède ou non à une déconcentration de ses services.
  (Le Roi peut déterminer les conditions et modalités suivant lesquelles les caisses d'assurances sociales et la caisse nationale auxiliaire sont autorisées à réduire les frais de gestion qu'elles réclament à leurs affiliés lorsque les cotisations sociales sont payées au moyen d'une domiciliation bancaire.) <L 2004-12-27/30, art. 180, 042; En vigueur : 10-01-2005>
  La cotisation que la Caisse nationale auxiliaire visée au § 3 peut réclamer à ses affiliés est égale au plus élevé des taux admis pour les caisses visées au § 1er.
  [1 En cas de début d'activité au sens de l'article 13bis, § 1er, la caisse d'assurances sociales informe l'assujetti par écrit de la cotisation visée à l'alinéa 2 qui lui sera imputée, du mode de calcul de celle-ci et des services auxquels elle donne droit. La caisse invitera en même temps l'assujetti à signer un formulaire par lequel il reconnaitra avoir reçu ces informations.
   Chaque année, dans le courant du premier mois du premier trimestre civil, la caisse d'assurances sociales fait connaitre à l'assujetti au moyen d'une mention explicite sur l'avis d'échéance, tant le montant de la cotisation visée à l'alinéa 2 dont il lui est redevable pour ce trimestre que le mode de calcul de celle-ci et les services auxquels elle donne droit.
   Chaque année, dans le courant du premier mois des deuxième, troisième et quatrième trimestres civils, la caisse d'assurances sociales fait connaitre à l'assujetti au moyen d'une mention explicite sur l'avis d'échéance le montant de la cotisation visée à l'alinéa 2 dont il lui est redevable pour ce trimestre.
   Lorsque la caisse ne respecte pas les obligations mentionnées dans les trois alinéas précédents, elle peut être soumise aux sanctions telles que déterminées dans le § 2ter.
   Le Roi détermine la manière dont les caisses d'assurances sociales satisfont aux obligations visées aux alinéas 6 à 8.]1

  Les cotisations visées au présent paragraphe sont perçues et recouvrées comme les cotisations visées au chapitre II. Les majorations et intérêts appliqués à ces dernières cotisations, en vertu de l'arrêté royal pris en exécution de l'article 15, § 4, 1°, sont également applicables aux cotisations visées par le présent paragraphe.
  Lorsque le produit de la cotisation réclamée en vertu du présent paragraphe ne suffit pas pour couvrir les frais de gestion de la Caisse nationale auxiliaire, le solde est réparti entre l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants et l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, suivant des modalités fixées conjointement par [4 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attribution]4 et par le[4 ,le ministre de la Prévoyance sociale]4.
  Le produit des cotisations visées par le présent paragraphe ne peut être affecté qu'à la couverture des frais de gestion de la caisse. Les caisses peuvent constituer un fonds de réserve. Lorsque ce Fonds atteint un montant déterminé par le Roi, [4 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]4 peut, après avis de la caisse intéressée, réduire le taux de la cotisation que ladite caisse peut réclamer à ses affiliés.
  Les caisses ne peuvent acquérir des biens immobiliers qu'après autorisation [4 du ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]4.) <L 6-02-1976, art. 14, 2°>
  (§ 4bis. Le Ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions détermine chaque année le montant, par affilié, que les caisses visées au § 1er et que la caisse nationale auxiliaire visée au § 3 doivent transférer à l'Institut national, dont question au § 2ter, à charge de leurs frais de gestion, afin de couvrir les frais informatiques exposés pour elles par cet Institut national.) <L 1995-12-20/32, art. 104, 027; En vigueur : 01-01-1996>
  § 5. (Les caisses visées par le présent article peuvent réclamer aux affiliés en cause le remboursement des frais qui sont occasionnés par les rappels qu'elles sont amenées à adresser, le cas échéant, par huissier de justice, à leurs affiliés en retard de paiement de leurs cotisations ainsi que des frais des rappels ou des investigations auxquels elles doivent procéder lorsque leurs affiliés ne fournissent pas les renseignements nécessaires pour établir les droits aux prestations.
  [4 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]4 peut fixer des montants forfaitaires que les caisses peuvent réclamer à ce titre.
  Les frais visés par le présent paragraphe sont recouvrés comme les cotisations visées au chapitre 2.
  Le présent paragraphe ne vise pas les frais afférents au contentieux judiciaire dont le règlement se fait conformément au Code judiciaire.) <L 12-7-1972, art. 13>
  (§ 6. Lorsque des prestations visées à l'article 1er, alinéa 2, 2°, ont été payées sur base de données inexactes ou incomplètes, fournies par une caisse d'assurances sociales, [4 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]4 peut imposer à ladite caisse le paiement d'une somme d'argent s'élevant à 2 500 EUR par cas individuel. Cette somme d'argent est mise à charge du produit des cotisations destinées à couvrir les frais d'administration de la caisse en cause.) <L 2004-12-27/30, art. 180, 042; En vigueur : 10-01-2005>
  [§ 7. Sans préjudice de leur droit de citer devant le juge, les caisses visées par le présent article peuvent, en tant qu'organismes percepteurs des cotisations, également procéder au recouvrement des sommes qui leur sont dues [3 , ainsi que de l'amende administrative visée à l'article 17bis,]3 par voie de contrainte.
   Le Roi règle les conditions et les modalités de poursuite par voie de contrainte ainsi que les frais résultant de la poursuite et leur mise à charge.] <L 2005-07-20/41, art. 114, 044; En vigueur : 01-10-2005>
  
b) Het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen.
b) L'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
Art.21. <W 21-12-1970, art. 1> § 1. Er wordt, bij [1 de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]1, een Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen opgericht, hierna "Rijksinstituut" genoemd.
  Dit Rijksinstituut is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid.
  Het neemt de rechten, bevoegdheden en verplichtingen over en verkrijgt het actief en het passief van:
  1° de Rijksdienst voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, openbare instelling opgericht door het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
  2° de Rijksdienst voor kinderbijslag voor zelfstandigen, openbare instelling opgericht door de wet van 26 juli 1960 tot herinrichting van de instellingen voor kinderbijslag.
  § 2. Onverminderd de taken die hem toevertrouwd worden door of krachtens de wetten bedoeld in artikel 18, heeft het Rijksinstituut inzonderheid tot opdracht:
  1° na te gaan of de personen, die onderworpen zijn aan dit besluit, bij een sociale verzekeringskas aangesloten zijn;
  2° het algemeen repertorium van de onderworpenen bij te houden;
  3° de Nationale Hulpkas voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen te beheren;
  4° statistische gegevens over de onderworpenen en rechthebbenden te verstrekken;
  5° in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen studieopdrachten te vervullen die hem door de bevoegde Minister worden toevertrouwd.
  (6° het gedeelte van de bijdragen, verhogingen en intresten dat bestemd is voor het stelsel der verzekering tegen ziekte- en invaliditeit over te dragen aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.) <W 1994-03-30/31, art. 121, 025; Inwerkingtreding : 01-07-1994>
  [1 7° te beslissen over de aanvragen tot volledige of gedeeltelijke vrijstelling van bijdragen, volgens de modaliteiten bepaald door en krachtens dit besluit.]1
  [1 8° in te staan voor de controle van de vrije sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen en de Nationale Hulpkas in naam van de minister die het sociaal statuut onder zijn bevoegdheid heeft, door de dienst Externe Audit bedoeld in § 9.]1
   De Koning wijst het organisme aan dat belast is met het bijhouden van de individuele rekeningen van de aan dit besluit onderworpen personen. Hij bepaalt welke inlichtingen op deze individuele rekeningen moeten voorkomen.
  (§ 2bis. In het kader van de grensoverschrijdende invordering van sociale bijdragen verschuldigd door zelfstandigen, kan het Rijksinstituut, op vraag van de vorderende Staat, door middel van een dwangbevel overgaan tot de invordering van de verschuldigde sommen.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten van vervolging door middel van een dwangbevel evenals de kosten die eruit voortvloeien en hun tenlastelegging.) <W 2004-12-27/30, art. 181, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  § 3. [1 Het Rijksinstituut wordt beheerd door een raad van beheer, die omvat:
   1° een voorzitter;
   2° achttien leden onder wie drie de landbouwers en vijftien de andere zelfstandigen vertegenwoordigen;
   3° twee leden die de vrije sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen vertegenwoordigen;
   4° twee leden die de gezinsorganisaties vertegenwoordigen;
   5° twee leden die de ministers vertegenwoordigen die respectievelijk de Sociale Zaken en de Landbouw onder hun bevoegdheid hebben;
   6° de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van het Rijksinstituut en zijn adjunct.
   De in het eerste lid, 5° en 6°, bedoelde leden hebben geen beslissende stem.
   De voorzitter en leden van de raad van beheer, bedoeld in het eerste lid, 2° tot 5°, worden door de Koning benoemd voor een hernieuwbare termijn van zes jaar.
   De in het eerste lid, 2°, bedoelde leden worden gekozen op dubbele lijsten van kandidaten, voorgedragen door de professionele en interprofessionele organisaties van zelfstandigen die voldoen aan de door de Koning gestelde voorwaarden om als representatief te worden aangemerkt.
   De leden bedoeld in het eerste lid, 4°, worden gekozen op dubbele lijsten van kandidaten, voorgedragen door de gezinsorganisaties die voldoen aan de door de Koning gestelde voorwaarden om als representatief te worden aangemerkt.
   De Koning benoemt twee ondervoorzitters van de raad waarvan de ene wordt gekozen onder de leden bedoeld in het eerste lid, 2°, en de andere onder de leden bedoeld in het eerste lid, 4°.
   In de schoot van de raad van beheer wordt opgericht:
   1° een beheerscomité waarvan de samenstelling bepaald wordt door de Koning, die de leden van dit comité benoemt;
   2° een Auditcomité dat de raad van beheer bijstaat in zijn toezichtsfunctie om de effectiviteit, de efficiëntie en de kwaliteit van de interne controlesystemen te monitoren en begeleiden. De missie, de werking en de rapportering van dit auditcomité zijn beschreven in een auditcharter en een huishoudelijk reglement die worden goedgekeurd door de raad van beheer. Het auditcomité is samengesteld uit drie leden van de raad van beheer en uit twee onafhankelijke experten inzake audit die worden aangesteld door de leden van de raad van beheer voor een periode van 6 jaar; deze termijn kan worden verlengd.]1

  § 4. Onverminderd de bepalingen van de §§ 5 en 6 van dit artikel en van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, beschikt de raad van beheer over alle bevoegdheden die vereist zijn voor het beheer van het Rijksinstituut, voor de organisatie van zijn diensten en voor de uitvoering van de opdracht die hem is toevertrouwd.
  (Onverminderd de bepalingen van de §§ 5 en 6 van dit artikel en met uitzondering van de houders van de managementfuncties andere dan deze belast met het dagelijks beheer van het Rijksinstituut en zijn adjunct, wordt het personeel van het Rijksinstituut benoemd door de Raad van Beheer die, te zijnen opzichte, eveneens het gezag inzake tuchtmaatregelen uitoefent. De Koning stelt de houders van de managementfuncties, andere dan deze belast met het dagelijks beheer van het Rijksinstituut en zijn adjunct, aan, op voorstel van de minister van wie het Rijksinstituut afhangt en de Raad van Beheer van het Rijksinstituut, na voordracht van de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van het Rijksinstituut. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling.) <W 2003-04-08/33, art. 30, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  De Koning bepaalt:
  1° de verdeling van de in de eerste twee leden van deze paragraaf bedoelde bevoegdheid onder de raad van beheer en het beheercomité;
  2° onder welke voorwaarden en binnen welke grenzen de raad van beheer en het beheerscomité hun bevoegdheden kunnen overdragen;
  3° de organisatie van het secretariaat van de raad van beheer en van het beheerscomité.
  § 5. (Het Rijksinstituut wordt geleid door de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van de instelling, aangesteld door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister van wie de instelling afhangt en de Raad van Beheer van de instelling.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, zijn statuut en de procedure van aanstelling.
  De houder van deze managementfunctie heeft de hoge leiding van het Rijksinstituut.
  Hij leidt de zaken in bij de Raad van Beheer en bij het Beheerscomité. Hij doet aan die instanties alle voorstellen die hij nuttig acht met het oog op de verbetering van de werking en de organisatie van het Rijksinstituut.
  Hij zorgt voor de uitvoering van de beslissingen genomen door de Raad van Beheer en door het Beheerscomité.
  Hij neemt de vertegenwoordiging van het Rijksinstituut op zich in de gerechtelijke en buitengerechtelijke akten.
  Binnen de door de Raad van Beheer gestelde perken mag hij bepaalde bevoegdheden overdragen aan ambtenaren van het Rijksinstituut.) <W 2003-04-08/33, art. 30, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  § 6. (De houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van de instelling wordt bijgestaan en, in geval van afwezigheid of belet, vervangen door een adjunct-houder van een managementfunctie.
  Deze adjunct wordt aangesteld door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister van wie de instelling afhangt en de Raad van Beheer van de instelling.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, zijn statuut en de procedure van aanstelling.) <W 2003-04-08/33, art. 30, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  § 7. De Koning bepaalt de algemene organisatie van het Rijksinstituut en voorziet inzonderheid in de oprichting van gewestelijke burelen.
  § 8. Bij de vaststelling van de regelen betreffende de algemene organisatie van het Rijksinstituut neemt de Koning de maatregelen die nodig zijn opdat precies zou blijken op welke sector van het sociaal statuut der zelfstandigen de financiële verrichtingen van dit Instituut betrekking hebben.
  [1 § 9. Binnen het Rijksinstituut wordt er een dienst Externe Audit opgericht.
   Overeenkomstig artikel 20, § 2, derde lid, voert deze dienst Externe Audit in opdracht van de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft de controle uit op de sociale verzekeringskassen.
   De opdrachten, de werking en de rapportering van de dienst Externe Audit worden nader omschreven in een Auditcharter dat wordt goedgekeurd door de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft.]1

  [1 § 10. Binnen het Rijksinstituut wordt er een Toezichtscomité Externe Audit opgericht, hierna Toezichtscomité genoemd.
   Het Toezichtscomité waakt over de onafhankelijkheid, de objectiviteit en de kwaliteit van de dienst Externe Audit bedoeld in § 9.
   De wijze waarop het Toezichtscomité deze opdrachtinvult en hierover rapporteert, evenals zijn werking, worden omschreven in een auditcharter en een huishoudelijk reglement, die worden goedgekeurd door de minister die het sociaal statuut onder zijn bevoegheid heeft.
   Het Toezichtscomité is, om deze opdracht te kunnen vervullen, gemachtigd om zich alle documenten en informatie die het nodig acht, van welke aard ook, te laten verstrekken.
   Het Toezichtscomité is samengesteld uit 4 leden:
   1° de regeringscommissaris die de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft, vertegenwoordigt bij het Rijksinstituut;
   2° de regeringscommissaris die de minister van begroting vertegenwoordigt bij het Rijksinstituut;
   3° de twee onafhankelijke experten inzake audit aangesteld in het Auditcomité, bedoeld in § 3.]1

  
Art.21. <L 21-12-1970, art. 1> § 1. Il est créé, auprès [1 du Service public fédéral Sécurité sociale]1, un Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, ci-après dénommé "Institut national"
  Cet Institut national est un établissement public doté de la personnalité civile.
  Il succède aux droits, attributions et obligations et recueille l'actif et le passif de:
  1° l'Office national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, établissement public créé par l'arrêté royal no 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
  2° l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs indépendants, établissement public créé par la loi du 26 juillet 1960 portant réorganisation des organismes d'allocations familiales.
  § 2. Sans préjudice des tâches qui lui sont confiées par ou en vertu des lois visées a l'article 18, l'Institut national a notamment pour mission;
  1° de vérifier si les personnes assujetties au présent arrêté sont affiliées à une caisse d'assurances sociales;
  2° de tenir le répertoire général des assujettis;
  3° de gérer la Caisse nationale auxiliaire d'assurances sociales pour travailleurs indépendants;
  4° de fournir des renseignements statistiques relatifs aux assujettis et aux bénéficiaires;
  5° de procéder, dans le cadre du statut social des travailleurs indépendants, à des études qui lui sont confiées par le Ministre compétent;
  (6° de transférer la part des cotisations, majorations et intérêts destinée au régime de l'assurance contre la maladie et l'invalidité à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.) <L 1994-03-30/31, art. 121, 025; En vigueur : 01-07-1994>
  [1 7° de statuer sur les demandes de dispense totale ou partielle de cotisations, selon les modalités fixées par et en vertu du présent arrêté;]1
  [1 8° de se porter garant du contrôle des caisses libres d'assurances sociales pour travailleurs indépendants et de la Caisse nationale auxiliaire au nom du ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions, au moyen du service d'Audit externe visé au § 9. ]1
  Le Roi désigne l'organisme chargé de la tenue des comptes individuels des personnes assujetties au présent arrêté. Il détermine les renseignements que doivent contenir lesdits comptes individuels.
  (§ 2bis. Dans le cadre du recouvrement transfrontalier des cotisations sociales dues par des travailleurs indépendants, l'Institut national peut, à la demande de l'Etat requérant, procéder par voie de contrainte au recouvrement des sommes dues.
  Le Roi règle les conditions et les modalités de poursuite par voie de contrainte ainsi que les frais résultant de la poursuite et leur mise à charge.) <L 2004-12-27/30, art. 181, 042; En vigueur : 10-01-2005>
  § 3. [1 L'Institut national est administré par un conseil d'administration comprenant:
   1° un président;
   2° dix-huit membres dont trois représentent les agriculteurs et quinze les autres travailleurs indépendants;
   3° deux membres qui représentent les caisses libres d'assurances sociales pour travailleurs indépendants;
   4° deux membres qui représentent les organisations familiales;
   5° deux membres qui représentent respectivement les ministres ayant les Affaires sociales et l'Agriculture dans leurs attributions;
   6° le titulaire de la fonction de management chargé de la gestion journalière de l'Institut national et son adjoint.
   Les membres visés à l'alinéa 1er, 5° et 6°, n'ont pas voix délibérative.
   Les président et membres du conseil d'administration visés à l'alinéa 1er, 2° à 5°, sont nommés par le Roi pour un terme renouvelable de six ans.
   Les membres visés à l'alinéa 1er, 2°, sont choisis sur des listes doubles de candidats présentées par les organisations professionnelles et interprofessionnelles de travailleurs indépendants qui réunissent les conditions fixées par le Roi pour être considérées comme représentatives.
   Les membres visés à l'alinéa 1er, 4°, sont choisis sur des listes doubles de candidats présentées par les organisations familiales qui réunissent les conditions fixées par le Roi pour être considérées comme représentatives.
   Le Roi nomme deux vice-présidents du conseil dont l'un est choisi parmi les membres visés à l'alinéa 1er, 2°, l'autre parmi les membres visés à l'alinéa 1er, 4°.
   Il est créé au sein du conseil d'administration:
   1° un comité de gestion dont la composition est déterminée par le Roi qui nomme les membres de ce comité;
   2° un comité d'audit qui assiste le conseil d'administration dans sa fonction de monitoring et de guidance de l'effectivité, de l'efficience et de la qualité des systèmes de contrôle interne. La mission, le fonctionnement et le rapportage de ce comité d'audit sont décrits dans une charte d'audit et un règlement d'ordre intérieur qui sont approuvés par le conseil d'administration. Le comité d'audit est composé de trois membres du conseil d'administration et de deux experts indépendants en matière d'audit qui sont désignés par les membres du conseil d'administration pour une période de 6 ans; ce délai peut être prolongé]1
.
  § 4. Sans préjudice des dispositions des §§ 5 et 6 du présent article et de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, le conseil d'administration dispose de tous les pouvoirs nécessaires à l'administration de l'Institut national, à l'organisation de ses services et à l'exécution de la mission qui lui est confiée.
  (Sans préjudice des dispositions des §§ 5 et 6 du présent article et à l'exception des titulaires des fonctions de management autres que le titulaire chargé de la gestion journalière de l'Institut national et son adjoint, le personnel de l'Institut national est nommé par le Conseil d'administration qui, à son égard, exerce également l'autorité en matière de mesures disciplinaires. Le Roi désigne les titulaires des fonctions de management autres que celui chargé de la gestion journalière de l'Institut national et son adjoint, sur la proposition du ministre dont dépend l'Institut national et le Conseil d'administration de l'Institut national, apres présentation du titulaire de la fonction de management chargé de la gestion journalière de l'Institut national. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, leur statut et la procédure de désignation.) <L 2003-04-08/33, art. 30, 039; En vigueur : 01-02-2003>
  Le Roi détermine:
  1° la répartition de la compétence visée par les deux premiers alinéas du présent paragraphe entre le conseil d'administration et le comité de gestion;
  2° dans quelles conditions et limites le conseil d'administration et le comité de gestion peuvent déléguer leurs pouvoirs;
  3° l'organisation du secrétariat du conseil d'administration et du comité de gestion.
  § 5. ( L'Institut national est dirigé par le titulaire de la fonction de management chargé de la gestion journalière de l'institution, designé par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur la proposition du ministre dont dépend l'institution et du Conseil d'administration de l'institution.
  Le Roi fixe le statut et la procédure de désignation par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  Le titulaire de la fonction de management a la haute direction de l'Institut national.
  Il introduit les affaires devant le Conseil d'administration et le Comité de gestion. Il fait à ces instances toutes les propositions qu'il juge utiles en vue d'améliorer le fonctionnement et l'organisation de l'Institut national.
  Il veille à l'exécution des décisions prises par le Conseil d'administration et par le Comité de gestion.
  Il assure la représentation de l'Institut national dans les actes judiciaires et extrajudiciaires.
  Dans les limites tracées par le Conseil d'administration, il peut déléguer certains pouvoirs à des fonctionnaires de l'Institut national.) <L 2003-04-08/33, art. 30, 039; En vigueur : 01-02-2003>
  § 6. (Le titulaire de la fonction de management chargé de la gestion journalière de l'institution est assisté et, en cas d'absence ou d'empêchement, remplacé par un adjoint-titulaire d'une fonction de management.
  Cet adjoint est nommé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur la proposition du ministre dont dépend l'institution et du Conseil d'administration de l'institution.
  Le Roi fixe le statut et la procédure de désignation par arrête délibéré en Conseil des Ministres.) <L 2003-04-08/33, art. 30, 039; En vigueur : 01-02-2003>
  § 7. Le Roi détermine l'organisation générale de l'Institut national en prévoyant notamment la création de bureaux régionaux.
  § 8. En fixant les règles concernant l'organisation générale de l'Institut national, le Roi prend les mesures nécessaires afin qu'apparaisse d'une façon précise a quel secteur du statut social des travailleurs indépendants se rapportent les opérations financières de cet Institut.
  [1 § 9. Il est institué au sein de l'Institut national un service d'Audit externe.
   Conformément à l'article 20, § 2, alinéa 3, le service d'Audit externe exerce le contrôle sur les caisses d'assurances sociales au nom du ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.
   Les tâches, le fonctionnement et le rapportage du service d'Audit externe sont précisés dans une charte d'Audit qui est approuvée par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.]1

   [1 § 10. Il est institué au sein de l'Institut national un Comité de supervision Audit externe, ci-après dénommé Comité de supervision.
   Le Comité de supervision veille à l'indépendance, l'objectivité et la qualité du service d'Audit externe visé au § 9.
   La manière dont le Comité de supervision remplit cette tâche et en fait le rapportage, de même que son fonctionnement, sont décrits dans une charte d'audit et un règlement d'ordre intérieur qui sont approuvés par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.
   Le Comité de supervision est habilité pour remplir cette tâche à se faire communiquer tous les documents et informations, de quelque nature qu'ils soient, qu'il estime nécessaires.
   Le Comité de supervision est composé de quatre membres:
   1° le commissaire du Gouvernement qui représente le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions auprès de l'Institut national;
   2° le commissaire du Gouvernement qui représente le ministre du Budget auprès de l'Institut national;
   3° les deux experts indépendants en matière d'audit désignés dans le comité d'audit visé au § 3.]1

  
Art. 21bis. <INGEVOEGD bij W 1993-08-06/30, art. 44; Inwerkingtreding : 19-08-1993> § 1. Bij het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen wordt een Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen opgericht.
  Het Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen heeft tot doel, uitsluitend door middel van de daaraan toegewezen inkomsten, bij te dragen tot het financieel evenwicht (van het globaal financieel beheer van het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI, van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels). Het wordt gestijfd door inkomsten die daaraan bij of krachtens een wet worden toegewezen. <W 1999-01-25/32, art. 198, 1°, 033; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 2. (...) <W 1999-01-25/32, art. 198, 2°, 033; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 3. Het Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, wordt gestijfd met middelen afkomstig uit de opbrengst van de bij artikel 22 van de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen ingevoerde aanvullende crisisbijdrage.
  Voor het jaar 1994 worden de betrokken toegewezen middelen vastgesteld op 2 miljard frank.
  (§ 4. Het Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, wordt gestijfd met de besparingen gerealiseerd in de " inkomensgarantie voor ouderen " en het " gewaarborgd inkomen " ten gevolge van de verhoging van het minimumpensioen van de zelfstandigen, nadat de kost van de verhoging van de " inkomensgarantie voor ouderen " bij de zelfstandigen in mindering is gebracht.
  Voor 2004 wordt het bedrag in uitvoering van het vorige lid vastgelegd op 1 270 000 EUR; voor de volgende jaren, en tot 2007, past de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag aan in functie van de vastgestelde nettobesparing in uitvoering van het vorige lid.) <W 2004-07-09/30, art. 137, 041; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
Art. 21bis. § 1. Il est institué un Fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants auprès de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
  Le Fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants a pour but, exclusivement au moyen des revenus qui lui sont attribués, de contribuer à l'équilibre financier (de la gestion financière globale du statut social des travailleurs indépendants, visée à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du Chapitre Ier du Titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions). Il est alimenté par des revenus qui lui sont attribués par ou en vertu d'une loi. <L 1999-01-25/32, art. 199, 1°, 033; En vigueur : 01-01-1997>
  § 2. (...) <L 1999-01-25/32, art. 199, 2°, 033; En vigueur : 01-01-1997>
  § 3. Le Fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants, est alimenté par des moyens provenant du produit de la contribution complémentaire de crise instaurée par l'article 22 de la loi du 22 juillet 1993 portant des mesures fiscales et financières.
  Pour l'année 1994, les moyens attribués concernés sont fixés à 2 milliards de francs.
  (§ 4. Le fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants est alimenté par les économies réalisées dans la " garantie de revenus aux personnes âgées " et le " revenu garanti " suite à l'augmentation des pensions minimums indépendants après déduction du coût de l'augmentation de la " garantie de revenus aux personnes âgées " chez les indépendants.
  Pour 2004, en exécution de l'alinéa précédent, le montant est fixé à 1 270 000 EUR; pour les années suivantes et ce jusqu'en 2007, le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapte ce montant en fonction de l'économie nette constatée en exécution de l'alinéa précédent.) <L 2004-07-09/30, art. 137, 041; En vigueur : 25-07-2004>
Art. 21ter. [1 § 1. Er wordt bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen een Beroepscommissie voor de Vrijstelling van Bijdragen ingesteld.
   § 2. De Beroepscommissie neemt met volle rechtsmacht kennis van de bezwaren tegen de beslissingen van het Rijksinstituut.
   § 3. De Beroepscommissie bestaat uit een voorzitter en een lid dat de minister die het Sociaal Statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft vertegenwoordigt.
   § 4. De Koning benoemt, op voorstel van de minister die het Sociaal Statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft de voorzitter, evenals een of meerdere plaatsvervangers.
   Kunnen alleen tot voorzitter benoemd worden, doctors, licentiaten of masters in de rechten die gedurende ten minste drie jaar rechterlijke functies uitgeoefend hebben.
   De voorzitter levert het bewijs van de kennis van het Nederlands en het Frans. De kennis van de andere taal dan die waarin de examens van doctor of licentiaat in de rechten werden afgelegd, wordt bewezen volgens het voorschrift van artikel 43quinquies, § 1, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De voorzitter of één van zijn plaatsvervangers moet kennis hebben van het Duits.
   § 5. Het lid dat de minister die het Sociaal Statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft, vertegenwoordigt, wordt door deze minister benoemd onder de ambtenaren van het Rijksinstituut. Voor elk lid worden een of meer plaatsvervangers aangewezen.
   § 6. De effectieve en plaatsvervangende voorzitter en leden worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Ze kunnen herbenoemd worden.
   De ambtenaren, effectieve en plaatsvervangende leden, maken niet langer deel uit van de Beroepscommissie wanneer hun administratief ambt een einde neemt.
   De effectieve en plaatsvervangende voorzitter en de leden die een overleden, ontslagnemend of niet langer van de Beroepscommissie deel uitmakend effectief of plaatsvervangend voorzitter of lid vervangen, beëindigen het mandaat van diegene die zij vervangen.
   § 7. De effectieve en plaatsvervangende leden leggen, alvorens in functie te treden, in de handen van de voorzitter de eed af die voorgeschreven is door het decreet van 20 juli 1831.
   § 8. Het bedrag van de vergoedingen en van de zitpenningen, waarop de effectieve en plaatsvervangende voorzitter aanspraak kunnen maken, wordt door de Koning vastgesteld.
   § 9. De Beroepscommissie zetelt te Brussel in de lokalen van het Rijksinstituut. De beroepscommissie wordt bijgestaan door een secretariaat dat wordt waargenomen door ambtenaren van het Rijksinstituut.
   § 10. De Koning bepaalt de werkingregels van de Beroepscommissie en de procedure volgens dewelke de bezwaren worden behandeld.
   § 11. De Beroepscommissie beraadslaagt geldig indien de voorzitter en het lid bedoeld in paragraaf 5 aanwezig zijn. Bij staking van stemmen wordt een beslissing genomen in het voordeel van de zelfstandige.
   § 12. De Beroepscommissie doet uitspraak bij een met redenen omklede beslissing nopens de bezwaren ten gronde aangevoerd door de zelfstandige tegen een beslissing tot gehele of gedeeltelijke weigering van de vrijstelling genomen door het Rijksinstituut.
   § 13. Zij beslist op basis van de elementen ingeroepen bij het indienen van de aanvraag en die als grondslag dienden van de door het Rijksinstituut genomen beslissing waartegen het bezwaar wordt gericht.
   De beslissingen hebben betrekking op de bijdragen die het voorwerp uitmaken van de beslissing van het Rijksinstituut waartegen bezwaar werd ingediend.
   § 14. De kennisgeving van de beslissing van de Beroepscommissie geschiedt met een aangetekende zending of via elk ander middel dat een vaste datum en een verzekerde ontvangst waarborgt van de zending.
   § 15. De voorzitter wordt ermee belast:
   1° te waken over de eenheid van rechtspraak;
   2° op regelmatige tijdstippen en in elk geval bij het einde van zijn mandaat een evaluatieverslag van de activiteiten van de Beroepscommissie over te maken aan de minister die het Sociaal Statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft en aan het Algemeen Beheerscomité.
   § 16. De zelfstandige of de persoon bedoeld in artikel 17, § 9 die van zijn solidaire verantwoordelijkheid wenst ontheven te worden, kunnen de wettigheid van de hen betreffende beslissing bij de arbeidsrechtbank betwisten, met toepassing van artikel 581, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek.
   De zaak wordt bij de arbeidsrechtbank aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig artikel 704, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. Het verzoekschrift wordt, op straffe van verval, ingediend binnen de twee maanden na de kennisgeving van de beslissing.
   Voor alle betwistingen met betrekking tot een beslissing genomen door het Rijksinstituut, kan de verschijning in persoon in naam van het Rijksinstituut gedaan worden door elke ambtenaar van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen.]1

  
Art. 21ter. [1 § 1er. Une Commission de recours en matière de dispense de cotisations est créée auprès de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
   § 2. La Commission de recours a une compétence de pleine juridiction pour connaître des recours contre les décisions de l'Institut national.
   § 3. La Commission de recours, est composée d'un président et d'un membre représentant le ministre qui a le Statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.
   § 4. Le Roi nomme, sur la proposition du ministre qui a le Statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions, un président, ainsi qu'un ou plusieurs suppléants.
   Seuls peuvent être nommés président les docteurs, licenciés ou maîtres en droit qui ont exercé des fonctions judiciaires pendant une période de trois ans au moins.
   Le président justifie de la connaissance de la langue française et de la langue néerlandaise. La connaissance de la langue autre que celle dans laquelle ont été subis les examens du doctorat ou de la licence en droit est vérifiée selon le prescrit de l'article 43quinquies, § 1er, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire. Le président ou un de ses suppléants doit connaître l'allemand.
   § 5. Le membre représentant le ministre qui a le Statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions, est nommé par ce ministre parmi les fonctionnaires de l'Institut national. Il est désigné un ou plusieurs suppléants pour chaque membre.
   § 6. Les présidents et membres effectifs et suppléants sont nommés pour un terme de six ans. Ils peuvent être renommés.
   Les fonctionnaires, membres effectifs et suppléants, cessent de faire partie de la Commission de recours lors de la cessation de leurs fonctions administratives.
   Les présidents et les membres effectifs et suppléants qui remplacent un président ou membre effectif ou suppléant, décédé, démissionnaire ou qui cesse de faire partie de la Commission de recours, achèvent le mandat de celui qu'ils remplacent.
   § 7. Avant d'entrer en fonctions, les membres effectifs et suppléants prêtent, entre les mains du président le serment prescrit par le décret du 20 juillet 1831.
   § 8. Le montant des indemnités et des jetons de présence, auxquels peuvent prétendre les présidents effectifs et suppléants, est déterminé par le Roi.
   § 9. La Commission de recours siège à Bruxelles dans les locaux de l'Institut national. La Commission de recours est assistée par un secrétariat assuré par les fonctionnaires de l'Institut national.
   § 10. Le Roi détermine les modalités de fonctionnement de la Commission de recours et la procédure suivant laquelle les recours sont instruits.
   § 11. La Commission de recours délibère valablement si le président et le membre visé au paragraphe 5 sont présents. En cas d'égalité des votes, la décision est prise en faveur de l'indépendant.
   § 12. La Commission de recours se prononce par décision motivée sur les griefs sur le fond que formulent les travailleurs indépendants contre les décisions de l'Institut national portant refus total ou partiel de la dispense.
   § 13. Elle statue en se basant sur les éléments invoqués lors de l'introduction de la demande et dont l'Institut national s'est servi pour prendre la décision faisant l'objet du recours.
   Les décisions portent sur les cotisations qui font l'objet de la décision de l'Institut national contre laquelle une réclamation a été introduite.
   § 14. La décision de la Commission de recours est notifiée par un envoi recommandé ou tout autre moyen conférant une date certaine et l'assurance de la réception de l'envoi.
   § 15. Le président est chargé:
   1° de veiller à l'unité de la jurisprudence;
   2° de transmettre, régulièrement et en tout cas à la fin de son mandat au ministre qui a le Statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions et au Comité général de gestion, un rapport d'évaluation des activités de la Commission de recours.
   § 16. Le travailleur indépendant ou la personne visée à l'article 17, § 9, qui désire que soit levée sa responsabilité solidaire, peuvent contester la légalité de la décision les concernant auprès du tribunal du travail, en application de l'article 581, 1°, du Code judiciaire.
   Le tribunal du travail est saisi par voie de requête contradictoire conformément à l'article 704, § 1er, du Code judiciaire. La requête est, sous peine de déchéance, introduite dans les deux mois de la notification de la décision.
   Pour toutes contestations relatives à une décision prise par l'Institut national, la comparution en personne au nom de l'Institut national peut être assurée par tout fonctionnaire de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.]1

  
c) De Commissie voor vrijstelling van bijdragen.
c) La Commission des dispenses de cotisations.
HOOFDSTUK VI- Algemene bepalingen.
CHAPITRE VI- Dispositions générales.
Art.23. De openbare besturen, inzonderheid de besturen die afhangen van het departement van Financiën alsmede de gemeentebesturen, zijn verplicht aan de openbare diensten en instellingen, aan hun behoorlijk gemachtigde agenten, aan de private instellingen en aan de rechtscolleges de inlichtingen te verstrekken welke zij nodig hebben met het oog op de toepassing van dit besluit en van de stelsel bedoeld in artikel 18 van dit besluit.
  (Deze openbare besturen zijn ertoe gehouden aan de behoorlijk gemachtigde agenten van de openbare diensten en instellingen, zonder verplaatsing, inzage te verlenen van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden, en hen alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen die ze nodig zouden achten voor de toepassing van dit besluit en van de stelsels bedoeld in artikel 18 van dit besluit.) <W 12-07-1972, art. 14>
  Behoudens door de Koning bepaalde uitzondering, mogen deze openbare besturen geen enkele betaling eisen, als retributie of anderszins, voor het afleveren en versturen van akten opgemaakt in het raam van de verplichting opgelegd door het eerste lid, noch voor de bij deze gelegenheid verstrekte inlichtingen.
  (Dezelfde besturen mogen, bij het uitvoeren van de verplichting die hun door dit artikel is opgelegd, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks lasten opleggen aan de personen, diensten, instellingen of rechtscolleges voor wie de akten die genoemde besturen afleveren of de inlichtingen welke ze verstrekken bestemd zijn.) <W 9-06-1976, art. 9>
  (De Koning bepaalt het bedrag van de vergoeding die aan de ambtenaren van het departement van Financiën wordt toegekend wegens de prestaties verricht naar aanleiding van het onderzoek naar de bestaansmiddelen, dat voorafgaat aan de toekenning van het pensioen van zelfstandige. Deze vergoeding komt ten laste van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen.) <W 1983-06-15/33, art. 2, 003>
Art.23. Les administrations publiques, notamment les administrations relevant du département des Finances ainsi que les administrations communales, sont tenues de fournir aux services et établissements publics, à leurs agents dûment mandatés, aux institutions privées et aux juridictions les renseignements qui leur sont necessaires en vue de l'application du présent arrêté et des régimes visés à l'article 18 du présent arrêté.
  (Ces administrations publiques sont tenues de communiquer, sans déplacement, aux agents dûment mandatés des services et établissements publics, tous actes, pièces, registres et documents quelconques qu'elles détiennent et de leur laisser prendre tous renseignements, copies ou extraits qu'ils jugeraient nécessaires en vue de l'application du présent arrêté et des régimes visés à l'article 18 du présent arrêté.) <L 12-7-1972, art. 14>
  Sauf dérogation prévue par le Roi, les dites administrations publiques ne peuvent exiger le paiement d'aucune somme à titre de rétribution ou autre, pour la délivrance et la transmission d'actes dressés dans le cadre de l'obligation qui leur est faite par l'alinéa 1er, ni pour les renseignements donnés a cette occasion.
  (Les mêmes administrations ne peuvent, en exécutant l'obligation qui leur est faite par le présent article, imposer directement ou indirectement des charges aux personnes, services, institutions ou juridictions auxquels sont destinés les actes que délivrent ou les renseignements que fournissent lesdites administrations.) <L 9-6-1970, art. 9>
  (Le Roi fixe le montant de l'indemnité qui est accordée aux fonctionnaires du département des Finances en raison des prestations effectuées à l'occasion de l'enquête sur les ressources préalable à l'octroi de la pension de travailleur independant. Cette indemnité est à charge de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.) <L 1983-06-15/33, art. 2, 003>
Art. 23bis. <W 2008-12-22/32, art. 201, 052; Inwerkingtreding : 08-01-2009> § 1. De openbare en private instellingen evenals natuurlijke personen en rechtspersonen, zijn verplicht aan de behoorlijk gemachtigde ambtenaren van het Rijksinstituut en van [4 de Directie-generaal Zelfstandigen van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid]4 alle nodige inlichtingen mede te delen, en inzage te verlenen in boeken, registers, documenten, banden of gelijk welke andere informatiedragers met het oog op de toepassing van het sociaal statuut der zelfstandigen.
  De door deze ambtenaren opgestelde stukken hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen. Het bewijs van het tegendeel kan met alle rechtsmiddelen worden geleverd.
  [1 De vaststellingen gedaan door de sociale inspecteurs van de andere sociale inspectiediensten, bedoeld in [3 het Sociaal Strafwetboek]3, de officieren van gerechtelijke politie of door de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van andere wetgevingen kunnen met hun bewijskracht gebruikt worden door de ambtenaren van het Rijksinstituut.]1
  § 2. [2 De sociaal inspecteurs en de sociaal controleurs van het Rijksinstituut]2 zien toe op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van dit besluit en van de stelsels bedoeld in artikel 18. Onder meer vergewissen zij zich ervan of de zelfstandigen die gehouden zijn zich aan te sluiten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen deze verplichting naleven.
  [2 De sociaal inspecteurs en de sociaal controleurs van het Rijksinstituut oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van [3 het Sociaal Strafwetboek]3.]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  
Art. 23bis. <L 2008-12-22/32, art. 201, 052; En vigueur : 08-01-2009> § 1er. Les institutions publiques et privées, ainsi que les personnes physiques et les personnes morales sont obligées de communiquer aux fonctionnaires dûment mandatés de l'Institut national et[4 de la Direction générale Indépendants auprès du Service public fédéral Sécurité sociale]4, toutes informations utiles et doivent leur permettre de consulter livres, registres, documents, bandes ou tout autre support d'information, en vue de l'application du statut social des travailleurs indépendants.
  Les pièces redigées par lesdits fonctionnaires font foi jusqu'à preuve du contraire. La preuve contraire peut être apportée par toute voie de droit.
  [1 Les constatations faites par les inspecteurs sociaux des autres services d'inspection sociale, visés dans [3 le Code pénal social]3, les officiers de police judiciaire ou par les fonctionnaires chargés de la surveillance du respect d'autres législations peuvent être utilisées, avec leur force probante, par les fonctionnaires de l'Institut national.]1
  § 2. [2 Les inspecteurs sociaux et les contrôleurs sociaux de l'Institut national]2 surveillent l'exécution des obligations résultant de l'application du présent arrêté et des regimes visés à l'article 18. Ils s'assurent notamment que tous les travailleurs independants qui sont tenus de s'affilier à une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants s'acquittent de cette obligation.
  [2 Les inspecteurs sociaux et les contrôleurs sociaux de l'Institut national exercent cette surveillance conformément aux dispositions [3 du Code pénal social]3.]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  
Art.23bis /1. [1 De vennootschappen die onderworpen zijn aan de Belgische vennootschapsbelasting of de Belgische belasting der niet-inwoners die werken uitoefenen zoals bedoeld in artikel 30bis, § 1, 1°, a), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zijn gehouden de exacte inlichtingen betreffende hun werkende vennoten in te schrijven en bij te werken in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Deze inlichtingen zijn de identificatiegegevens van de werkend vennoot, namelijk de naam, de voornaam, het rijksregisternummer of bis-nummer van de werkend vennoot, alsook de begin- en einddatum van zijn activiteit als werkend vennoot in de vennootschap.
   Het toepassingsgebied kan worden uitgebreid tot zelfstandigen die activiteiten uitoefenen in andere sectoren, na het advies te hebben ingewonnen van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O., die zijn advies uitbrengt na raadpleging van de betrokken sectoren en beroepen en als er een bestaat, de beroepsorde die of het beroepsinstituut dat voor het betrokken beroep door de wet is aangesteld. Het advies wordt gegeven binnen vier maanden nadat het verzoek werd gedaan door de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
   Vóór het ogenblik waarop de werkend vennoot zijn activiteiten in de vennootschap begint als werkend vennoot en, in geval van het einde van deze activiteit, ten laatste binnen vijftien dagen volgend op de datum van dit einde, delen de vennootschappen via elektronische weg de in het eerste lid bedoelde inlichtingen mee aan de Kruispuntbank van Ondernemingen.
   Voor de toepassing van dit artikel dient beschouwd te worden als werkend vennoot, iedere houder van minstens één aandeel in een vennootschap bedoeld in het eerste lid, die in België persoonlijk een reële activiteit uitoefent binnen die vennootschap zonder dat hij, voor deze activiteit, aangegeven wordt in het stelsel van de loontrekkenden op het ogenblik waarop deze activiteit wordt uitgeoefend.]1

  
Art.23bis /1. [1 Les sociétés assujetties à l'impôt belge des sociétés ou à l'impôt belge des non-résidents qui effectuent des travaux tels que visés à l'article 30bis, § 1, 1°, a), de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, sont tenues d'inscrire et de mettre à jour, au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises, les informations exactes relatives à leurs associés actifs. Ces informations sont les données d'identification de l'associé actif à savoir le nom, le prénom, le numéro de registre national ou le numéro bis de l'associé actif, ainsi que la date de début et de fin de son activité en tant qu'associé actif dans la société.
   Le champ d'application peut être élargi aux travailleurs indépendants qui exercent des activités dans d'autres secteurs, après avis du Conseil supérieur des Indépendants et des PME, qui ne rend son avis qu'après avoir consulté les secteurs et professions concernés, et s'il existe, l'ordre ou l'institut professionnel établi par la loi pour la profession concernée. L'avis est rendu dans un délai de quatre mois après la demande faite par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.
   Les sociétés communiquent par voie électronique à la Banque-Carrefour des Entreprises les informations visées à l'alinéa 1er avant le moment où l'associé actif commence à prester ses activités en tant qu'associé actif dans la société et, en cas de fin de cette activité, au plus tard dans les quinze jours qui suivent la date de cette fin.
   Pour l'application du présent article, il faut entendre par associé actif tout détenteur d'au moins une part dans une société visée à l'alinéa 1er, qui exerce en Belgique à titre personnel une activité réelle au sein de cette société sans qu'il soit, pour cette activité, déclaré dans le régime des travailleurs salariés au moment où cette activité est exercée.]1

  
Art.23bis /2. [1 De zelfstandigen die werken uitoefenen zoals bedoeld in artikel 30bis, § 1, 1°, a), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zijn gehouden de exacte inlichtingen betreffende hun helpers in te schrijven en bij te werken in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Deze inlichtingen zijn de identificatiegegevens van de helper, namelijk de naam, de voornaam, het rijksregisternummer of bis-nummer van de helper, alsook de begin- en einddatum van zijn activiteit als helper.
   Het toepassingsgebied kan worden uitgebreid tot zelfstandigen die activiteiten uitoefenen in andere sectoren, na het advies te hebben ingewonnen van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O., die zijn advies uitbrengt na raadpleging van de betrokken sectoren en beroepen en als er een bestaat, de beroepsorde die of het beroepsinstituut dat voor het betrokken beroep door de wet is aangesteld. Het advies wordt gegeven binnen vier maanden nadat het verzoek werd gedaan door de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
   Voor de toepassing van dit artikel dient beschouwd te worden als helper, de personen bedoeld in artikel 6, met uitzondering van de personen bedoeld in de artikelen 7 en 7bis.
   Vóór het ogenblik waarop de helper zijn activiteiten begint als helper en, in geval van het einde van deze activiteit, ten laatste binnen vijftien dagen volgend op de datum van dit einde, delen de zelfstandigen via elektronische weg de in het eerste lid bedoelde inlichtingen mee aan de Kruispuntbank van Ondernemingen.]1

  
Art.23bis /2. [1 Les travailleurs indépendants qui effectuent des travaux tels que visés à l'article 30bis, § 1er, 1°, a), de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, sont tenues d'inscrire et de mettre à jour, au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises, les informations exactes relatives à leurs aidants. Ces informations sont les données d'identification de l'aidant à savoir le nom, le prénom, le numéro de registre national ou le numéro bis de l'aidant, ainsi que la date de début et de fin de son activité en tant qu'aidant.
   Le champ d'application peut être élargi aux travailleurs indépendants qui exercent des activités dans d'autres secteurs, après avis du Conseil supérieur des Indépendants et des PME, qui ne rend son avis qu'après avoir consulté les secteurs et professions concernés, et s'il existe, l'ordre ou l'institut professionnel établi par la loi pour la profession concernée. L'avis est rendu dans un délai de quatre mois après la demande faite par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.
   Pour l'application du présent article, il faut entendre par aidant, les personnes visées à l'article 6 à l'exclusion de celles visées aux articles 7 et 7bis.
   Les travailleurs indépendants communiquent par voie électronique à la Banque-Carrefour des Entreprises les informations visées à l'alinéa 1er avant le moment où l'aidant commence à prester ses activités en tant qu'aidant et, en cas de fin de cette activité, au plus tard dans les quinze jours qui suivent la date de cette fin.]1

  
Art.23bis /3. [1 Met het oog op de preventie, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de inbreuken op de wetgeving die tot haar respectieve bevoegdheid behoort, heeft het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 23bis/1 en 23bis/2 van dit besluit en artikel III.29 van het Wetboek van economisch recht en kan het deze gegevens en informatie kruisen met andere gegevens.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en toepassingsmodaliteiten van dit artikel.]1

  
Art.23bis /3. [1 En vue d'assurer la prévention, la constatation, la poursuite et la répression des infractions aux lois et règlements qui relèvent de sa compétence, l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants a accès aux informations visées aux articles 23bis/1 et 23bis/2 du présent arrêté et à l'article III.29 du Code de droit économique et peut croiser ces données avec d'autres données.
   Le Roi détermine les conditions et les modalités d'application du présent article.]1

  
Art. 23ter. <W 2006-12-27/32, art. 96, 048; Inwerkingtreding : 01-03-2007> § 1. De notarissen die gevorderd zijn om een akte op te maken die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed, een schip of een vaartuig tot voorwerp heeft, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de in artikel 16bis bedoelde schuldvorderingen die aanleiding kunnen geven tot een hypothecaire inschrijving, indien zij de inninginstellingen van de socialezekerheidsbijdragen daarvan niet op de hoogte stellen :
  1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  2° door elk ander middel waardoor het bericht kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer het bericht niet overeenkomstig 1° kan worden verzonden.
  Indien de bedoelde akte niet wordt verleden binnen de drie maanden vanaf de verzending van het bericht, wordt hij beschouwd als van generlei waarde.
  § 2. Indien het belang van inninginstelling van de socialezekerheidsbijdragen zulks vereist, stelt ze de notaris op de hoogte, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de verzending van het in § 1 bedoelde bericht en door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van het bedrag van de schuldvorderingen die aanleiding kunnen geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek op de goederen welke het voorwerp van de akte zijn.
  Wanneer de kennisgeving niet kan worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, gaan de inninginstellingen van de sociale-zekerheidbijdragen over tot de kennisgeving door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
  § 3. (Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde akte verleden is, geldt de in § 2 bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de schuldenaar van de inninginstelling van socialezekerheidsbijdragen en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is deze bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen.
  Onverminderd de rechten van derden, is de notaris, wanneer de in § 1 bedoelde akte verleden is, gehouden, onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de schuldenaar van de inninginstelling in handen van de inninginstelling van de socialezekerheidsbijdragen te storten, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, ten belope van het bedrag van de schuldvorderingen waarvan hij in kennis werd gesteld in uitvoering van § 2.
  Daarenboven, indien de aldus voor beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal der sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, de inninginstellingen van de bijdragen daarover inlichten, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte :
  1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
  2° door elk ander middel waardoor de informatie kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer de informatie niet overeenkomstig 1° kan worden verzonden.
  Onverminderd de rechten van derden, kan de overschrijving of de inschrijving van de akte niet tegen de inninginstellingen van socialezekerheidsbijdragen ingeroepen worden, indien de inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen na de verzending van de in het vorige lid bedoelde inlichting.
  Zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen van de inninginstellingen van socialezekerheidsbijdragen die ter uitvoering van § 2 ter kennis werden gegeven, alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in het tweede lid voorziene termijn beslag wordt gelegd of verzet wordt aangetekend.) <W 2008-06-08/31, art. 58, 051; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  § 4. De inschrijvingen genomen na (de in § 3,vierde lid bedoelde termijn) of tot zekerheid van de schuldvorderingen die niet ter kennis werden gegeven overeenkomstig § 2, kunnen niet worden ingeroepen tegen de hypothecaire schuldeiser, noch tegen de verkrijger die de opheffing ervan zal kunnen vorderen. <W 2008-06-08/31, art. 58, 051; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  § 5. De aansprakelijkheid door de notaris opgelopen krachtens §§ 1 en 3 kan, naargelang van het geval, de waarde van het vervreemde goed of het bedrag van de hypothecaire inschrijving, na aftrek van de sommen en waarden waarop in zijn handen beslag onder derden werd gelegd, niet te boven gaan.
  § 6. De §§ 1 tot 5 zijn van toepassing op elke persoon die gemachtigd is om de authenticiteit te verlenen aan de in § 1 bedoelde akten.
  § 7. Geen enkele akte die in het buitenland verleden is en die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed, een schip of een vaartuig tot voorwerp heeft, wordt in België tot overschrijving of inschrijving in de registers van [1 de hypothecaire openbaarmaking]1 toegelaten, indien hij niet vergezeld is van een attest van de inninginstelling van de bijdragen.
  Dit attest moet aantonen dat de eigenaar of de vruchtgebruiker geen schuldenaar is ten aanzien van de inninginstelling van de bijdragen of dat de wettelijke hypotheek die de verschuldigde bedragen waarborgt, ingeschreven werd.
  § 8. Openbare ambtenaren of ministeriële officieren belast met de openbare verkoping van roerende goederen waarvan de waarde ten minste 250 euro bedraagt, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de bedragen verschuldigd op het ogenblik van de verkoping aan de inninginstellingen van de sociale-zekerheidsbijdragen door de schuldenaar betrokken bij het beslag, indien zij niet uiterlijk binnen twee werkdagen volgend op de verkoping de inninginstellingen van de sociale-zekerheidbijdragen ervan verwittigen :
  1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  2° door elk ander middel waardoor het bericht kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer het bericht niet overeenkomstig 1° kan worden verzonden.
  De openbare ambtenaren of ministeriële officieren belast met het overgaan tot de evenredige verdeling van gelden die onder derdenbeslag gelegd zijn, in de zin van artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de op het moment van de evenredige verdeling door de schuldenaar verschuldigde bedragen aan de inninginstelling van de bijdragen, als ze, vóór ze ertoe overgaan, de inninginstellingen van de socialezekerheidsbijdragen daarvan niet in kennis stellen :
  1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  2° door elk ander middel waardoor het bericht kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer het bericht niet overeenkomstig 1° kan worden verzonden.
  De kennisgeving van het bedrag van de verschuldigde bedragen, die uitgevoerd wordt door de inninginstelling van de bijdragen door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden, ten laatste vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag die volgt op de verzendingsdatum van het bericht dat voorzien is in de vorige leden, brengt beslag onder derden in handen van de openbare ambtenaren of ministeriële officieren vermeld in het eerste lid, met zich mee.
  Wanneer de kennisgeving niet kan worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, gaan de inninginstellingen van de socialezekerheidsbijdragen over tot de kennisgeving door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
  De bepalingen voorzien in deze paragraaf zijn van toepassing op de openbare ambtenaren of ministeriële officieren belast met de verkoping van roerende goederen, overeenkomstig artikel 1526bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 9. Met het akkoord van de schuldenaar zijn de banken onderworpen aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de ondernemingen onderworpen aan het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen, alsook de hypotheekondernemingen onderworpen aan de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, gemachtigd het in § 1 bedoelde bericht uitsluitend bij ter post aangetekende brief toe te sturen en zijn bekwaam om de in § 2 bedoelde kennisgeving te ontvangen.
  De afgifte van een attest door deze instellingen aan de notaris betreffende de verzending van het bericht en het gevolg dat daaraan door de inninginstelling of inninginstellingen van de bijdragen wordt gegeven, stelt de aansprakelijkheid van de in het eerste lid bedoelde instellingen in de plaats van die van de notaris.
  § 10. In de gevallen waarin het in §§ 1 en 8 bedoeld bericht wordt verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, wordt onder de datum van verzending van bedoeld bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding meegedeeld door de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, na ontvangst door haar van de ontvangstmelding afkomstig van de inninginstelling van socialezekerheidsbijdragen of van de dienst die voor het ontvangen en doorzenden van deze berichten bevoegd is.
  In de gevallen waarin de in § 3 bedoelde inlichtingen en de in §§ 2 en 8 bedoelde kennisgevingen worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, is de datum van deze inlichtingen en kennisgevingen de datum van verzending ervan.
  § 11. De informatie in de berichten, inlichtingen en kennisgevingen is dezelfde, ongeacht ze worden medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
  Wanneer ze worden verzonden met elk ander middel dat een vaste dagtekening verleent aan de verzending ervan en dat toelaat ze te ondertekenen, moeten deze berichten, inlichtingen en kennisgevingen worden opgemaakt overeenkomstig de modellen vastgesteld door [3 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]3 of zijn afgevaardigde, die in voorkomend geval de diensten aanwijst die voor het ontvangen en doorzenden van deze berichten, inlichtingen en kennisgevingen bevoegd zijn.
  Bij de verzending van voormelde berichten, inlichtingen en kennisgevingen, gericht tot of afkomstig van de inninginstelling, worden de betrokken personen geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, en van het identificatienummer bedoeld in artikel 5 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.
  De Koning regelt de toepassing van §§ 7 en 9.
  § 12. Wanneer het in §§ 1 en 8 bedoeld bericht niet wordt medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, mogen de inlichtingen en kennisgevingen naar aanleiding van dit bericht niet door middel van deze procedure worden verzonden maar enkel door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
  Wanneer de in §§ 2 en 8 bedoelde kennisgeving niet wordt medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, mogen de inlichtingen naar aanleiding van deze kennisgeving niet door middel van deze procedure worden verzonden maar enkel door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
  Wanneer een ander middel wordt gebruikt, is het bericht, de inlichting of de kennisgeving verzonden met dit ander middel doorslaggevend ten opzichte van de eventuele verzending van hetzelfde bericht, dezelfde inlichting of dezelfde kennisgeving door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt wanneer de datum van de informaticaverzending verschilt ten opzichte van de datum van de verzending door elk ander middel zoals bedoeld in het vorige lid.
  § 13. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de in §§ 1, 2, 3 en 8 bedoelde berichten, inlichtingen en kennisgevingen dienen, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, te worden verzekerd door middel van aangepaste beveiligingstechnieken.
  § 14. [2 Opdat de in paragrafen 2 en 8 bedoelde kennisgevingen op geldige wijze als beslag onder derden zouden gelden wanneer ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze een geavanceerde elektronische handtekening dragen in de zin van artikel 3.11. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van dezelfde verordening.]2
  Ongeacht de toegepaste techniek, wordt gewaarborgd dat enkel de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd.
  De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld.
  Deze gegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd.
  
Art. 23ter. <L 2006-12-27/32, art. 96, 048; En vigueur : 01-03-2007> § 1er. Les notaires requis de dresser un acte ayant pour objet l'aliénation ou l'affectation hypothécaire d'un immeuble, d'un navire ou d'un bateau, sont personnellement responsables du paiement des créances visées à l'article 16bis pouvant donner lieu à l'inscription hypothécaire, s'ils n'en avisent pas les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale :
  1° au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque-Carrefour de la sécurité sociale;
  2° par tout autre moyen permettant de signer l'avis et de conférer date certaine à son envoi, lorsque l'envoi ne peut être effectue conformément au 1°.
  Si l'acte envisagé n'est pas passé dans les trois mois à compter de l'expédition de l'avis, celui-ci sera considéré comme non avenu.
  § 2. Si l'intérêt de l'organisme percepteur des cotisations l'exige, il notifie au notaire avant l'expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d'expédition de l'avis prévu au § 1er et au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque-Carrefour de la sécurité sociale, le montant des créances pouvant donner lieu à inscription de l'hypothèque légale sur les biens faisant l'objet de l'acte.
  Lorsque l'envoi de la notification ne peut être effectué au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale procèdent à la notification par tout autre moyen conférant date certaine à son envoi et permettant de la signer.
  § 3. (Lorsque l'acte visé au § 1er est passé, la notification visée au § 2 emporte saisie-arrêt entre les mains du notaire sur les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du débiteur de l'organisme percepteur de cotisations de sécurité sociale et vaut opposition sur le prix au sens de l'article 1642 du Code judiciaire dans les cas où le notaire est tenu de répartir ces sommes et valeurs conformément aux articles 1639 à 1654 du Code judiciaire.
  Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l'acte visé au § 1er est passé, le notaire est tenu, sous réserve de l'application des articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de verser entre les mains de l'organisme percepteur de cotisations de sécurité sociale, au plus tard le huitième jour ouvrable qui suit la passation de l'acte, les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du débiteur de l'organisme percepteur, à concurrence du montant des créances qui lui a été notifié en exécution du § 2.
  En outre, si les sommes et valeurs ainsi saisies-arrêtées sont inférieures à l'ensemble des sommes dues aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, le notaire doit, sous peine d'être personnellement responsable de l'excédent, en informer les organismes percepteurs des cotisations, au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la passation de l'acte :
  1° au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque-Carrefour de la Sécurite sociale;
  2° par tout autre moyen permettant de signer l'information et de conférer date certaine à son envoi, lorsque l'envoi ne peut être effectué conformément au 1°.
  Sans préjudice des droits des tiers, la transcription ou l'inscription de l'acte n'est pas opposable aux organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale, si l'inscription de l'hypothèque légale a lieu dans les huit jours ouvrables qui suivent l'envoi de l'information prévue à l'alinéa précédent.
  Sont inopérantes au regard des créances des organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale notifiées en exécution du § 2, toutes les créances non inscrites pour lesquelles saisie ou opposition n'est pratiquée qu'après l'expiration du délai prévu à l'alinéa 2.
  § 4. Les inscriptions prises après le (délai prévu au § 3, alinéa 4) ou pour sûreté de créances qui n'ont pas été notifiées, conformément au § 2, ne sont pas opposables au créancier hypothécaire, ni à l'acquéreur qui pourra en requérir la mainlevée. <L 2008-06-08/31, art. 58, 2°, 051; En vigueur : 26-06-2008>
  § 5. La responsabilité encourue par le notaire, en vertu des §§ 1er et 3, ne peut excéder, suivant le cas, la valeur du bien aliéné ou le montant de l'inscription hypothécaire, déduction faite des sommes et valeurs saisies-arrêtées entre ses mains.
  § 6. Les §§ 1er à 5 sont applicables à toute personne habilitée à donner l'authenticité aux actes visés au § 1er.
  § 7. Aucun acte passé à l'étranger et ayant pour objet l'aliénation ou l'affectation hypothécaire d'un immeuble, d'un navire ou d'un bateau ne sera admis en Belgique, à la transcription ou à l'inscription dans les registres [1 de la publicité hypothécaire]1, s'il n'est accompagné d'un certificat de l'organisme percepteur des cotisations.
  Ce certificat doit attester que le propriétaire ou l'usufruitier n'est pas débiteur auprès de l'organisme percepteur des cotisations ou que l'hypothèque légale garantissant les sommes dues a été inscrite.
  § 8. Les fonctionnaires publics ou les officiers ministériels chargés de vendre publiquement des meubles dont la valeur atteint au moins 250 euros, sont personnellement responsables du paiement des sommes dues au moment de la vente aux organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale par le débiteur concerné par la saisie, s'ils n'en avisent pas les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale, au plus tard dans les deux jours ouvrables qui suivent la vente :
  1° au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque-Carrefour de la sécurité sociale;
  2° par tout autre moyen permettant de signer l'avis et de conférer date certaine à son envoi, lorsque l'envoi ne peut être effectué conformément au 1°.
  Les fonctionnaires publics ou les officiers ministériels chargés de procéder à la distribution par contribution des deniers saisis-arrêtés, au sens de l'article 1627 du Code judiciaire, sont personnellement responsables du paiement des sommes dues a l'organisme percepteur des cotisations par le débiteur au moment de la distribution par contribution, si, avant d'y procéder, ils n'en avisent pas les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale :
  1° au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque-Carrefour de la sécurité sociale;
  2° par tout autre moyen permettant de signer l'avis et de conférer date certaine à son envoi, lorsque l'envoi ne peut être effectué conformément au 1°.
  La notification du montant des sommes dues faite par l'organisme percepteur des cotisations, au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, au plus tard avant l'expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d'expédition de l'avis prévu aux alinéas précédents, emporte saisie-arrêt entre les mains des fonctionnaires publics ou officiers ministériels mentionnés à l'alinéa 1er.
  Lorsque l'envoi de la notification ne peut être effectué au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale procèdent à la notification par tout autre moyen conférant date certaine à son envoi et permettant de la signer.
  Les dispositions prévues dans le présent paragraphe sont applicables aux fonctionnaires publics ou officiers ministériels chargés de vendre des meubles conformément aux articles 1526bis et suivants du Code judiciaire.
  § 9. Moyennant l'accord du débiteur, les banques soumises à la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, les entreprises soumises à l'arrêté royal n° 225 du 7 janvier 1936 réglementant les prêts hypothécaires et organisant le controle des entreprises de prêts hypothécaires, ainsi que les entreprises hypothecaires soumises à la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire, sont autorisées à adresser uniquement par lettre recommandée à la poste, l'avis prévu au § 1er et qualifiées pour recevoir la notification visée au § 2.
  La remise d'une attestation par ces organismes au notaire relativement à l'envoi de l'avis et à la suite y donnée par le ou les organismes percepteurs des cotisations, substitue la responsabilité des organismes visés à l'alinéa 1er à celle du notaire.
  § 10. Dans les cas où l'avis visé aux §§ 1er et 8 est envoye au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, la date d'envoi dudit avis s'entend comme etant la date de l'accusé de réception communiqué par la Banque-Carrefour de la sécurité sociale, après réception par celle-ci de l'accusé de réception émanant de l'organisme percepteur de cotisations de sécurité sociale ou du service competent pour recevoir et transmettre cet avis.
  Dans les cas où les informations visées au § 3 et les notifications visées aux §§ 2 et 8 sont envoyées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, la date de ces informations et notifications est celle de leur envoi.
  § 11. Les renseignements que contiennent les avis, informations et notifications sont identiques qu'ils soient transmis au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ou par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi et permettant de les signer.
  Lorsqu'ils sont envoyés par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi et permettant de les signer, ces avis, informations et notifications sont établis conformément aux modèles arrêtés par [3 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]3 ou son délégué qui, le cas échéant, désigne les services compétents pour recevoir et transmettre ces avis, informations et notifications.
  Lors de l'envoi des avis, informations et notifications mentionnés ci-dessus, adressés à ou émanant de l'organisme percepteur, les personnes concernées sont identifiées au moyen du numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, ainsi que du numero d'identification visé à l'article 5 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.
  Le Roi règle l'application des §§ 7 et 9.
  § 12. Lorsque l'avis visé aux §§ 1er et 8 n'est pas introduit par une procédure utilisant les techniques de l'informatique, les informations et notifications consécutives à cet avis ne peuvent être envoyées selon cette procédure mais exclusivement par tout autre moyen conférant date certaine à leur envoi et permettant de les signer.
  Lorsque la notification visée aux §§ 2 et 8 n'est pas introduite par une procédure utilisant les techniques de l'informatique, les informations consécutives à cette notification ne peuvent être envoyées selon cette procédure mais exclusivement par tout autre moyen conférant date certaine à son envoi et permettant de la signer.
  Lorsque l'usage d'un autre moyen est mis en oeuvre, l'avis, l'information ou la notification envoyé par cet autre moyen prévaut sur l'envoi éventuel du même avis, de la même information ou de la même notification par une procédure utilisant les techniques de l'informatique dès lors que la date de l'envoi informatique diffère de la date de l'envoi par tout autre moyen tel que visé à l'alinéa précédent.
  § 13. L'origine et l'intégrité du contenu des avis, informations et notifications visés aux §§ 1er, 2, 3 et 8, en cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, doivent être assurées au moyen des techniques de protection adaptées.
  § 14. [2 Pour que les notifications visées aux paragraphes 2 et 8 emportent valablement saisie-arrêt lorsqu'elles sont envoyées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, elles doivent être revêtues d'une signature électronique avancée au sens de l'article 3.11. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE ou d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. de ce même règlement.]2
  Quelle que soit la technique appliquee, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens avec lesquels la signature est créée.
  Les procédures suivies doivent par ailleurs permettre à la personne physique responsable de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi que d'identifier correctement le moment de l'envoi.
  Ces données doivent être conservées par l'expéditeur pendant une période de dix ans et, en cas de litige, elles doivent être produites dans un délai raisonnable.
  
Art. 23quater. [1 § 1. De notarissen die gevorderd zijn om de akte of het attest van erfopvolging, bedoeld in artikel [5 4.59, § 4, derde lid,]5 van het Burgerlijk Wetboek op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de schulden, waarvan kennis kan worden gegeven overeenkomstig § 2, van de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld staat in de akte of het attest, of van de begunstigden van een contractuele erfstelling waarmee de overledene heeft ingestemd, indien zij de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen daarvan niet op de hoogte stellen :
   1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
   2° door elk ander middel waardoor het bericht kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer het bericht niet overeenkomstig het 1° kan worden verzonden.
   Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap.
   Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld.
   Indien de bedoelde akte of attest niet wordt opgesteld binnen de drie maanden vanaf de verzending van het bericht, wordt dit laatste beschouwd als van generlei waarde.
   Het bericht vermeldt de identiteit van de overledene, van zijn erfgenamen of legatarissen en van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling.
   § 2. Indien het belang van de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen zulks vereist, stelt ze de notaris die gevorderd is om de akte of het attest op te stellen op de hoogte, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de verzending van het in § 1 bedoelde bericht en door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, van het bedrag van de schulden lastens de overledene of een ander persoon vermeld in het bericht.
   Wanneer de kennisgeving niet kan worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, gaan de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen over tot de kennisgeving door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
   De schulden waarvan in toepassing van het eerste lid kennis kan worden gegeven zijn alle schulden in hoofdsom en bijbehoren ten opzichte van de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen waarvoor er een titel bestaat.
   § 3. In het attest van erfopvolging of onderaan het afschrift [5 of het uittreksel]5 van de akte van erfopvolging wordt vermeld, hetzij dat er geen kennisgeving van schulden bij toepassing van § 2 werd gedaan en dit zowel in hoofde van de overledene als in hoofde van de personen die vermeld zijn in het bericht en die bestemmeling zijn van het attest [5 , het afschrift of het uittreksel]5, hetzij dat de schulden waarvan bij toepassing van § 2 kennis werd gegeven zijn betaald, in voorkomend geval met de tegoeden gehouden door de schuldenaar.
   In voorkomend geval wordt in het attest van erfopvolging of onderaan het afschrift [5 of het uittreksel]5 van de akte van erfopvolging de vermelding van de gedane of van de nog te verrichten betaling toegevoegd of vervolledigd door de notaris.
   De notaris die een attest van erfopvolging [5 , een afschrift of een uittreksel]5 van een akte van erfopvolging aflevert waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende het ontbreken van de kennisgeving of betreffende de betaling van schulden waarvan van het bestaan kennis werd gegeven overeenkomstig § 2, loopt dezelfde aansprakelijkheid op als de notaris die de verplichting bepaald in § 1 niet naleeft. Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet kon worden ingevorderd.
   § 4. Op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor de betaling van de schulden aan de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen waarvan kennis is gegeven overeenkomstig § 2, kan diegene die overeenkomstig artikel [5 4.59, § 4, derde lid,]5 van het Burgerlijk Wetboek tegoeden vrijgeeft van een overledene, dat slechts bevrijdend doen op voorwaarde dat uit de akte of het attest duidelijk blijkt dat geen enkele kennisgeving in de zin van § 2 is gedaan.
   In afwijking op de vorige alinea, kunnen de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel [5 4.59, § 4, derde lid,]5 van het Burgerlijk Wetboek bevrijdend worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling die de akte [5 , het afschrift, het uittreksel]5 of het attest [5 ...]5 voorlegt waarin is vermeld :
   1° dat alle op naam van de overledene en alle op naam van de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling bestaande schulden waarvan bij toepassing van § 2 in voorkomend geval kennis werd gegeven, werden betaald of;
   2° dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling na betaling, door middel van de door de schuldenaar gehouden fondsen, van zijn schulden waarvan werd kennisgegeven.
   § 5. De in § 4 bedoelde aansprakelijkheid is beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in de in § 2 bedoelde kennisgeving.
   § 6. In de gevallen waarin het in § 1 bedoeld bericht wordt verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, wordt onder de datum van verzending van bedoeld bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding meegedeeld door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, na ontvangst door haar van de ontvangstmelding afkomstig van de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen of van de dienst die voor het ontvangen en doorzenden van deze berichten bevoegd is.
   In de gevallen waarin de in § 2 bedoelde kennisgevingen worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, is de datum van deze kennisgevingen de datum van verzending ervan.
   § 7. De informatie in de berichten en kennisgevingen is dezelfde, ongeacht of ze worden medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
   Wanneer ze worden verzonden met elk ander middel dat een vaste dagtekening verleent aan de verzending ervan en dat toelaat ze te ondertekenen, moeten deze berichten en kennisgevingen worden opgemaakt overeenkomstig de modellen vastgesteld door [3 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]3 of zijn afgevaardigde, die in voorkomend geval de diensten aanwijst die voor het ontvangen en doorzenden van deze berichten en kennisgevingen bevoegd zijn.
   Bij de verzending van voormelde berichten en kennisgevingen, gericht tot of afkomstig van de inningsinstelling, worden de betrokken personen geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, en van het identificatienummer bedoeld in artikel 5 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.
   § 8. Wanneer het in § 1 bedoeld bericht niet wordt medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, mogen de kennisgevingen naar aanleiding van dit bericht niet door middel van deze procedure worden verzonden maar enkel door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend.
   Wanneer een ander middel wordt gebruikt, is het bericht of de kennisgeving verzonden met dit ander middel doorslaggevend ten opzichte van de eventuele verzending van hetzelfde bericht of dezelfde kennisgeving door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt wanneer de datum van de informaticaverzending verschilt ten opzichte van de datum van de verzending door elk ander middel zoals bedoeld in het vorige lid.
   § 9. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de in §§ 1 en 2, bedoelde berichten en kennisgevingen dienen, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, te worden verzekerd door middel van aangepaste beveiligingstechnieken.
   § 10. [2 Opdat de in paragraaf 2 bedoelde kennisgevingen geldig zouden zijn wanneer ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze een geavanceerde elektronische handtekening dragen in de zin van artikel 3.11. van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van dezelfde verordening.]2
   Ongeacht de toegepaste techniek, wordt gewaarborgd dat enkel de bevoegde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd.
   De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld.
   Deze gegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd.
   § 11. De paragrafen 1 tot 10 zijn van overeenkomstige toepassing op elke persoon of dienst die bevoegd is om een in artikel [5 4.59, § 4, derde lid,]5 van het Burgerlijk Wetboek [5 bedoelde akte of]5 attest van erfopvolging op te maken.]1

  
Art. 23quater. [1 § 1er. Les notaires requis de rédiger l'acte ou certificat d'hérédité visé à l'article [5 4.59, § 4, alinéa 3,]5 du Code civil sont personnellement responsables du paiement des dettes, susceptibles d'être notifiées conformément au § 2, du défunt, de ses héritiers et légataires dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou des bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le défunt s'ils n'en avisent pas les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale :
   1° au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque-Carrefour de la sécurité sociale;
   2° par tout autre moyen permettant de signer l'avis et de conférer une date certaine à son envoi, lorsque l'envoi ne peut être effectué conformément au 1°.
   S'agissant de dettes dans le chef du défunt, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession.
   S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée.
   Si l'acte ou certificat envisagé n'est pas dressé dans les trois mois à compter de l'expédition de l'avis, celui-ci sera considéré comme non avenu.
   L'avis mentionne l'identité du défunt, de ses héritiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle.
   § 2. Si l'intérêt de l'organisme percepteur des cotisations l'exige, il notifie au notaire requis de dresser l'acte ou le certificat, avant l'expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d'expédition de l'avis prévu au § 1er et au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, le montant des dettes à charge du défunt ou d'une autre personne mentionnée dans l'avis.
   Lorsque l'envoi de la notification ne peut être effectué au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale procèdent à la notification par tout autre moyen conférant une date certaine à son envoi et permettant de la signer.
   Les dettes qui sont susceptibles d'être notifiées en application de l'alinéa 1er sont toutes les dettes en principal et accessoires à l'égard de l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale qui sont couvertes par un titre.
   § 3. Dans le certificat d'hérédité ou au pied de l'expédition [5 ou de l'extrait]5 de l'acte d'hérédité, il est fait mention, soit de l'absence de notification de dettes en vertu du § 2, tant dans le chef du défunt que dans le chef d'une ou plusieurs personnes mentionnées dans l'avis et destinataires du certificat [5 , de l'expédition ou de l'extrait]5, soit du paiement des dettes notifiées en vertu du § 2, le cas échéant à intervenir au moyen des fonds détenus auprès du débiteur.
   Le cas échéant, la mention du paiement intervenu ou à intervenir est ajoutée ou complétée par le notaire dans le certificat d'hérédité ou au pied de l'expédition [5 ou de l'extrait]5 de l'acte d'hérédité.
   Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité [5 , une expédition ou un extrait]5 de l'acte d'hérédité portant des mentions inexactes relatives à l'absence de notification ou au paiement des dettes dont l'existence a été notifiée en vertu du § 2, encourt la même responsabilité que le notaire qui contrevient à l'obligation visée au § 1er. Cette responsabilité est toutefois limitée au montant non recouvré du fait de ces inexactitudes.
   § 4. Sous peine d'être personnellement responsable du paiement des dettes aux organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale, notifiées en vertu du § 2, celui qui libère des avoirs d'un défunt conformément à l'article [5 4.59, § 4, alinéa 3,]5 du Code civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement de l'acte ou du certificat qu'aucune notification au sens du § 2 n'a été faite.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article [5 4.59, § 4, alinéa 3,]5 du Code civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier, au légataire ou au bénéficiaire d'une institution contractuelle qui présente l'acte [5 , l'expédition, l'extrait]5 ou le certificat [5 ...]5 mentionnant :
   1° que toutes les dettes éventuellement notifiées conformément au § 2 au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle ont été payées ou;
   2° que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle, après paiement de ses dettes notifiées, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur.
   § 5. La responsabilité visée au § 4 est limitée à la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs mentionnés dans la notification visée au § 2.
   § 6. Dans les cas où l'avis visé au § 1er est envoyé au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, la date d'envoi dudit avis s'entend comme étant la date de l'accusé de réception communiqué par la Banque-Carrefour de la sécurité sociale, après réception par celle-ci de l'accusé de réception émanant de l'organisme percepteur de cotisations de sécurité sociale ou du service compétent pour recevoir et transmettre cet avis.
   Dans les cas où les notifications visées au § 2 sont envoyées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, la date de ces notifications est celle de leur envoi.
   § 7. Les renseignements que contiennent les avis et notifications sont identiques qu'ils soient transmis au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ou par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi et permettant de les signer.
   Lorsqu'ils sont envoyés par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi et permettant de les signer, ces avis et notifications sont établis conformément aux modèles arrêtés par [3 le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]3 ou son délégué qui, le cas échéant, désigne les services compétents pour recevoir et transmettre ces avis et notifications.
   Lors de l'envoi des avis et notifications mentionnés ci-dessus, adressés à ou émanant de l'organisme percepteur, les personnes concernées sont identifiées au moyen du numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, ainsi que du numéro d'identification visé à l'article 5 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.
   § 8. Lorsque l'avis visé au § 1er n'est pas communiqué par une procédure utilisant les techniques de l'informatique, les notifications consécutives à cet avis ne peuvent être envoyées selon cette procédure mais exclusivement par tout autre moyen conférant une date certaine à leur envoi et permettant de les signer.
   Lorsque l'usage d'un autre moyen est mis en oeuvre, l'avis ou la notification envoyé par cet autre moyen prévaut sur l'envoi éventuel du même avis ou de la même notification par une procédure utilisant les techniques de l'informatique dès lors que la date de l'envoi informatique diffère de la date de l'envoi par tout autre moyen tel que visé à l'alinéa précédent.
   § 9. L'origine et l'intégrité du contenu des avis et notifications visés aux §§ 1er et 2, en cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, doivent être assurées au moyen des techniques de protection adaptées.
   § 10. [2 Pour que les notifications visées au paragraphe 2 soient valables lorsqu'elles sont envoyées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, elles doivent être revêtues d'une signature électronique avancée au sens de l'article 3.11. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE ou d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. de ce même règlement.]2
   Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens avec lesquels la signature est créée.
   Les procédures suivies doivent par ailleurs permettre à la personne physique responsable de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi que d'identifier correctement le moment de l'envoi.
   Ces données doivent être conservées par l'expéditeur pendant une période de dix ans et, en cas de litige, elles doivent être produites dans un délai raisonnable.
   § 11. Les paragraphes 1er à 10 sont applicables de la même manière à toute personne ou service habilité à établir [5 un acte ou]5 un certificat d'hérédité visé à l'article [5 4.59, § 4, alinéa 3,]5 du Code civil.]1

  
Art.24. Alwie, in welke hoedanigheid ook, deelneemt aan de toepassing van dit besluit en van de stelsels bedoeld in artikel 18 van dit besluit, is verplicht, buiten de uitoefening van zijn ambt, het beroepsgeheim te bewaren wat betreft de feiten, documenten of beslissingen waarvan hij bij deze gelegenheid kennis nam.
  De artikelen 66, 67 en 458 van het Strafwetboek zijn van toepassing op de schending van het in voorgaand lid bedoeld geheim.
Art.24. Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à l'application du présent arrêté et des régimes visés a l'article 18 du présent arrêté, est tenu de garder, en dehors de l'exercice de ses fonctions, le secret le plus absolu au sujet des faits, documents ou décisions dont il a eu connaissance à cette occasion.
  Les articles 66, 67 et 458 du Code pénal sont applicables à la violation du secret visé à l'alinéa précédent.
Art.25. [1 De artikelen 230, 1°, 231, 232, 233 en 235 van het Sociaal Strafwetboek zijn van toepassing wat betreft de uitkeringen waarin de in artikel 18 bedoelde stelsels voorzien.]1
  
Art.25. [1 Les articles 230, 1°, 231, 232, 233 et 235 du Code pénal social s'appliquent en ce qui concerne les prestations prévues par les régimes visés à l'article 18.]1
  
Art. 25bis. [1 De artikelen 230, 2°, 231, 232, 234 en 235 van het Sociaal Strafwetboek zijn van toepassing wat betreft de sociale bijdragen die bestemd zijn voor het sociaal statuut der zelfstandigen en onder de bevoegdheid van de arbeidsgerechten vallen.]1
  
Art. 25bis. [1 Les articles 230, 2°, 231, 232, 234 et 235 du Code pénal social s'appliquent en ce qui concerne les cotisations sociales destinées au statut social des travailleurs indépendants et de la compétence des juridictions du travail.]1
  
Art.26. <wijzigingsbepaling>
Art.26.
Art.27. <wijzigingsbepaling>
Art.27.
Art.28. De wet van 10 juni 1937 houdende uitbreiding van de kinderbijslag tot de werkgevers en de niet-loontrekkenden alsmede de wet van 31 augustus 1963 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen worden opgeheven in de mate waarin ze verplichtingen opleggen aan de personen die eraan onderworpen zijn.
Art.28. La loi du 10 juin 1937 étendant les allocations familiales aux employeurs et aux non-salariés ainsi que la loi du 31 août 1963 relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants sont abrogées dans la mesure ou elles imposent des obligations aux personnes qui y sont assujetties.
Art.29. (opgeheven) <W 21-12-1970, art. 2, 1°>
Art.29. (abrogé) <L 21-12-1970>
Art.30. [1 De koninklijke besluiten voorzien door de Hoofdstukken I en II van dit besluit worden getroffen op de gezamenlijke voordracht van de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft en van de minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft.
   De andere, in uitvoering van dit besluit te nemen koninklijke besluiten, worden betroffen op de voordracht van de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]1
.
  
Art.30. [1 Les arrêtés royaux prévus par les chapitres Ier et II du présent arrêté sont pris sur la proposition conjointe du ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions et du ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions.
   Les autres arrêtés royaux à prendre en vertu du présent arrêté le sont sur la proposition du ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]1
.
  
HOOFDSTUK VII- Overgangsbepalingen.
CHAPITRE VII- Dispositions transitoires.
Art.31. § 1. De pensioenkas voor zelfstandigen, opgericht in de schoot van het organisme bedoeld in artikel 5, § 1, 1° van de wet van 31 augustus 1963 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, wordt in vereffening gesteld met ingang van 1 januari 1968.
  De Koning bepaalt de modaliteiten van deze vereffening.
  § 2. Wordt ingetrokken, op de door de Koning te bepalen datum, de erkenning:
  1° van de vrije pensioenkassen voor zelfstandigen;
  2° van de vrije onderlinge kassen voor kinderbijslag.
  § 3. (Op de datum van intrekking der erkenning, worden de waarden, die wiskundige reserves en het reservefonds vertegenwoordigen van de vrije pensioenkassen voor zelfstandigen, overgemaakt aan de sociale verzekeringskas aan de oprichting waarvan de pensioenkas heeft deelgenomen.
  De Koning bepaalt de bestemming van het voorzorgsfonds gevestigd door de vrije onderlinge kassen voor kinderbijslag op het ogenblik dat hun erkenning wordt ingetrokken, alsmede de wijze waarop deze kassen vereffend worden.)
  § 4. (De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, maatregelen treffen met het oog op de herklassering van de werknemers die ontslagen werden tengevolge van de intrekking der erkenning van de vrije pensioenkassen of van de vrije onderlinge kassen voor kinderbijslag.
  Hij kan ondermeer de voorwaarden bepalen waaronder, ten laste van de Rijksdienst, aan deze werknemers of aan de werkgevers, die hen weder tewerkstellen, een toelage wordt verleend.)
Art.31. § 1er. La caisse de pension pour travailleurs indépendants, créée au sein de l'organisme visé à l'article 5, § 1er, 1° de la loi du 31 août 1963 relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, est mise en liquidation avec effet au 1er janvier 1968.
  Le Roi détermine les modalites de cette liquidation.
  § 2. Est retiree, à la date qui sera fixée par le Roi, l'agréation:
  1° des caisses libres de pension pour travailleurs indépendants;
  2° des caisses mutuelles libres d'allocations familiales.
  § 3. (A la date du retrait d'agréation, les valeurs représentatives des réserves mathématiques et du fonds de réserve des caisses libres de pension pour travailleurs indépendants, sont transférées à la caisse d'assurances sociales à la création de laquelle a participé la caisse de pension.
  Le Roi détermine la destination du fonds de prévision constitué par les caisses mutuelles libres d'allocations familiales au moment ou l'agreation leur est retirée, ainsi que le mode de liquidation desdites caisses.)
  § 4. (Le Roi peut, dans les conditions qu'Il détermine, prendre des dispositions en vue du reclassement de travailleurs qui ont été licenciés par suite du retrait de l'agréation des caisses libres de pension ou des caisses mutuelles libres d'allocations familiales.
  Il peut notamment fixer les conditions dans lesquelles des allocations, à charge de Office national sont accordées à ces travailleurs ou aux employeurs qui les rengagent)
Art.32. § 1. Bij afwijking op de bepalingen van artikel 20, § 1, tweede lid, kunnen alleen als vrije sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen erkend worden, om vanaf 1 januari 1968 te functioneren in het raam van dit besluit:
  1° de verenigingen zonder winstoogmerk, opgericht overeenkomstig de wet van 27 juni 1921, die aan de hiernavolgende voorwaarden voldoen:
  a) tot voorwerp hebben het vervullen van de opdrachten toevertrouwd aan de sociale verzekeringskassen in het raam van het sociaal statuut der zelfstandigen;
  b) een erkenningsaanvraag gericht hebben aan de Minister van Middenstand, bij een ter post aangetekend schrijven, uiterlijk op 30 september 1967;
  c) bij hun aanvraag een document voegen waaruit blijkt dat minstens een der pensioenkassen, bedoeld in artikel 31, § 2, 1°, en minstens een der onderlinge kassen voor kinderbijslag, bedoeld in artikel 31, § 2, 2°, aan de oprichting van de sociale verzekeringskas hebben deelgenomen en, ten aanzien van hun leden, deze kas hebben aangewezen voor de toepassing van artikel 34 van dit besluit.
  2° de verenigingen zonder winstoogmerk, opgericht overeenkomstig de wet van 27 juni 1921, die voldoen aan de voorwaarden bedoeld onder 1°, a en b, en bovendien:
  a) opgericht zijn op initiatief van een organisatie van zelfstandigen, die voldoet aan de voorwaarden om vertegenwoordigd te zijn in de Nationale Professionele Kamer of in de Nationale Interprofessionele Kamer voor de middenstand voorzien door de wet van 6 maart 1964 tot organisatie van de middenstand, of op initiatief van een representatieve landbouworganisatie;
  b) bij hun aanvraag een document voegen waaruit blijkt dat minstens een der onderlinge kassen voor kinderbijslag, bedoeld in artikel 31, § 2, waarvan minstens 5 000 leden, onderworpen op 30 september 1967, door toedoen van de betrokken kas, aangesloten zijn bij de pensioenkas voor zelfstandigen van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas, aan de oprichting van de sociale verzekeringskas heeft deelgenomen en, ten aanzien van haar leden, deze laatste kas heeft aangewezen voor de toepassing van artikel 34 van dit besluit.
  § 2. De verenigingen die voldoen aan de in § 1, 1° of 2° bedoelde voorwaarden, worden erkend door de Koning.
  § 3. De Koning bepaalt in welke voorwaarden de erkenning van de in § 1 bedoelde kassen kan ingetrokken worden.
  § 4. Elke aanvraag tot erkenning die niet beantwoordt aan de in § 1 bedoelde voorwaarden, wordt onderzocht in het raam van de beschikkingen genomen door de Koning krachtens artikel 20, § 1 van dit besluit en heeft ten vroegste uitwerking op 1 januari 1969.
Art.32. § 1er. Par dérogation aux dispositions de l'article 20, § 1er, deuxième alinéa, peuvent seules être agréées en tant que caisses libres d'assurance sociales pour travailleurs indépendants pouvant fonctionner dans le cadre du présent arrêté à partir du 1er janvier 1968:
  1° les associations sans but lucratif, créées conformément à la loi du 27 juin 1921, qui réunissent les conditions suivantes:
  a) avoir pour objet l'accomplissement des missions confiées aux caisses d'assurances sociales dans le cadre du statut social des travailleurs indépendants;
  b) avoir adressé une demande d'agréation au Ministre des Classes moyennes, sous pli recommandé à la poste, au plus tard le 30 septembre 1967;
  c) joindre à leur demande un document, dont résulte qu'au moins une des caisses de pension, visées à l'article 31, § 2, 1° et au moins une des caisses mutuelles d'allocations familiales, visées à l'article 31, § 2, 2°, ont participé à la création de la caisse d'assurances sociales et ont, à l'égard de leurs membres, désigné cette caisse en vue de l'application de l'article 34 du présent arrêté.
  2° les associations sans but lucratif, créées conformément à la loi du 27 juin 1921, qui réunissent les conditions visées au 1°, a et b, et qui doivent en outre:
  a) être créées à l'initiative d'une organisation de travailleurs indépendants qui satisfait aux conditions requises pour être représentée au sein de la Chambre nationale professionnelle ou de la Chambre nationale interprofessionnelle des classes moyennes, prévues par la loi du 6 mars 1964 portant organisation des classes moyennes, ou à l'initiative d'une organisation agricole représentative;
  b) joindre à leur demande un document dont resulte qu'au moins une des caisses mutuelles d'allocations familiales, visées à l'article 31, § 2, dont 5 000 membres au moins, assujettis au 30 septembre 1967, sont affiliés, par l'intermédiaire de la caisse intéressée, auprès de la caisse de pension pour travailleurs indépendants de la Caisse générale d'Epargne et de Retraite, a participé à la création de la caisse d'assurances sociales et a, à l'égard de ses membres, désigné cette dernière caisse en vue de l'application de l'article 34 du présent arrete.
  § 2. Les associations qui réunissent les conditions visées au § 1er, 1° ou 2°, sont agréées par le Roi.
  § 3. Le Roi détermine dans quelles conditions il peut être procédé au retrait de l'agréation des caisses visées au § 1er.
  § 4. Toute demande d'agréation, qui ne répond pas aux conditions visées au § 1er, est examinée dans le cadre des dispositions qui sont prises par le Roi en vertu de l'article 20, § 1er du présent arrêté et sort ses effets au plus tôt le 1er janvier 1969.
Art. 32bis. § 1. Indien na 30 september 1967 blijkt dat geen enkele sociale verzekeringskas kon opgericht worden in een der taalgebieden van het land, kan de Koning, in afwijking op artikel 32, als vrije sociale verzekeringskas voor zelfstandigen erkennen, om vanaf 1 januari 1968 te functioneren in het raam van dit besluit, de verenigingen zonder winstoogmerk, opgericht overeenkomstig de wet van 27 juni 1921, die aan de hiernavolgende voorwaarden voldoen:
  1° hun zetel hebben in het betrokken taalgebied;
  2° tot voorwerp hebben het vervullen van de opdrachten toevertrouwd aan de sociale verzekeringskassen in het raam van het sociaal statuut der zelfstandigen;
  3° opgericht zijn op initiatief van een vereniging bedoeld in artikel 32, § 1, 2°, a);
  4° bij hun aanvraag een document voegen waaruit blijkt dat minstens een der onderlinge kassen voor kinderbijslag, bedoeld in artikel 31, § 2, 2°, die minstens 30 000 leden telt onderworpen op 30 september 1967, waarvan minstens 5 000 aangesloten bij de pensioenkas voor zelfstandigen van de Algemene spaar- en lijfrentekas, heeft deelgenomen aan de oprichting van de sociale verzekeringskas en deze laatste kas heeft aangewezen voor de toepassing van artikel 34 van dit besluit.
  § 2. De erkenningsaanvragen gesteund op de bepalingen van dit artikel moeten, op straffe van verval, ingediend worden bij ter post aangetekend schrijven, gericht aan de Minister van Middenstand, uiterlijk op 30 november 1967.
  De bepalingen van artikel 32, § 3 zijn van toepassing op de sociale verzekeringskassen erkend bij toepassing van dit artikel.
Art. 32bis. § 1er. S'il apparaît, après le 30 septembre 1967, qu'aucune caisse d'assurances sociales n'a pu être constituée dans une des régions linguistiques du pays, le Roi peut, par dérogation à l'article 32, agréer en tant que caisse libre d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, pouvant fonctionner dans le cadre du présent arrêté du 1er janvier 1968, les associations sans but lucratif constituées conformément à la loi du 27 juin 1921, qui réunissent les conditions suivantes:
  1° avoir leur siège dans la région linguistique en cause;
  2° avoir pour objet l'accomplissement des missions confiées aux caisses d'assurances sociales dans le cadre du statut social des travailleurs indépendants;
  3° être créées à l'initiative d'une organisation visée à l'article 32, § 1er, 2°, a);
  4° joindre à leur demande un document dont résulte qu'au moins une des caisses mutuelles d'allocations familiales visées à l'article 31, § 2, 2°, comptant au moins 30 000 membres assujettis au 30 septembre 1967, dont 5 000 au moins sont affiliés auprès de la caisse de pension pour travailleurs indépendants de la Caisse génerale d'épargne et de retraite, a participé a la création de la caisse d'assurances sociales et a désigné cette dernière caisse en vue de l'application de l'article 34 du présent arrêté.
  § 2. Les demandes d'agréation fondées sur les dispositions du présent article doivent, sous peine de forclusion, être introduites par lettre recommandée adressée au Ministre des Classes moyennes au plus tard le 30 novembre 1967.
  Les dispositions de l'article 32, § 3 sont applicables aux caisses d'assurances sociales agréées par application du présent article.
Art.33. Vanaf de datum van de bekendmaking van dit besluit, blijven de personen, die aangesloten zijn bij een vrije pensioenkas of bij de pensioenkas voor zelfstandigen van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas, aangesloten bij deze pensioenkas.
  Evenzo, blijven de personen die aangesloten zijn bij een vrije of speciale onderlinge kas voor kinderbijslag of bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor zelfstandigen, aangesloten bij deze kas of bij deze Rijkskas, naar gelang van het geval.
  (Nochtans wordt de zelfstandige, voor de toepassing van artikel 34, geacht aangesloten te zijn bij de pensioenkas of bij de onderlinge kas voor kinderbijslag, naargelang van het geval, waarbij hij vanaf 1 januari 1968 zou aangesloten geweest zijn krachtens een verzoek om mutatie dat, vóór de in het eerste lid bedoelde datum, geldig betekend werd aan de instelling die hij wenste te verlaten.)
Art.33. A partir de la date de la publication du présent arrêté, les personnes, affiliées à une caisse libre de pension pour travailleurs indépendants ou à la caisse de pension pour travailleurs indépendants de la Caisse générale d'Epargne et de Retraite, restent affiliées à cette caisse de pension.
  De même, les personnes affiliées à une caisse mutuelle libre ou spéciale d'allocation familiales ou à l'Office national d'allocations familiales, restent affiliées à cette caisse ou à cet Office national, suivant le cas.
  (Toutefois, pour l'application de l'article 34, le travailleur indépendant est censé être affilié à la caisse de pension ou à la caisse mutuelle d'allocations familiales suivant le cas, auprès de laquelle il aurait été affilié à partir du 1er janvier 1968 en vertu d'une demande de mutation dûment notifiée, avant la date visée à l'alinéa 1er, à l'organisme qu'il entendait quitter.)
Art.34. § 1. De onderworpenen die op 31 december 1967 aangesloten zijn bij een vrije pensioenkas voor zelfstandigen worden ambtshalve aangesloten bij de sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, aan wier oprichting hun pensioenkas heeft deelgenomen.
  § 2. De onderworpenen die op 31 december 1967 aangesloten zijn bij de pensioenkas voor zelfstandigen van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas of bij een pensioenkas, die niet heeft deelgenomen aan de oprichting van een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, die hun pensioenfonds vestigen door de aanwending van een onroerend goed of van een levensverzekeringscontract of die niet als onderworpenen gekend zijn in het pensioenstelsel der zelfstandigen, worden ambtshalve aangesloten, naar gelang van het geval:
  1° bij de sociale verzekeringskas voor zelfstandigen aan wier oprichting deelgenomen werd door de vrije onderlinge kas voor kinderbijslag waarbij zij aangesloten zijn;
  2° bij de Nationale Hulpkas bedoeld in artikel 20, § 3, indien zij aangesloten zijn bij een speciale onderlinge kas voor kinderbijslag of bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor zelfstandigen, indien zij niet als onderworpenen gekend zijn in het stelsel van kinderbijslag voor niet-loontrekkenden, of indien zij aangesloten zijn bij een onderlinge kas voor kinderbijslag die niet heeft deelgenomen aan de oprichting van een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen.
  (Nochtans worden de onderworpenen bedoeld in 2° van deze paragraaf, die aangesloten zijn bij de Onderlinge Speciale Kas voor gezinsvergoedingen van de binnenscheepvaart en van het slepen, ambtshalve aangesloten bij de sociale verzekeringskas aan wier oprichting werd deelgenomen door de Vrije Onderlinge Kas voor kinderbijslag die gevestigd is op hetzelfde adres als bovenbedoelde speciale onderlinge kas.)
Art.34. § 1er. Les assujettis qui sont au 31 décembre 1967 affiliés a une caisse libre de pension pour travailleurs indépendants sont affiliés d'office à la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants a la création de laquelle a participé leur caisse de pension.
  § 2. Les assujettis qui sont au 31 décembre 1967 affiliés à la caisse de pension pour travailleurs indépendants de la Caisse générale d'Epargne et de Retraite ou à une caisse de pension, qui n'a pas participé à la création d'une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, qui constituent leur fonds de pension par l'affectation d'un immeuble ou d'un contrat d'assurance sur la vie ou qui ne sont pas connus comme étant assujettis au régime de pension des travailleurs indépendants, sont affiliés d'office, suivant le cas:
  1° à la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants à la création de laquelle a participé la caisse mutuelle libre d'allocations familiales à laquelle ils sont affiliés;
  2° à la Caisse nationale auxiliaire visée à l'article 20, § 3, s'ils sont affiliés à une caisse mutuelle spéciale d'allocations familiales ou à l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs indépendants, s'ils ne sont pas connus comme étant assujettis dans le régime des allocations familiales pour non-salariés ou s'ils sont affiliés à une caisse mutuelle d'allocations familiales qui n'a pas participé à la création d'une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.
  (Toutefois, les assujettis visés au 2° du présent paragraphe, affiliés à la Caisse mutuelle spéciale d'allocations familiales pour la batellerie et le remorquage, sont affiliés d'office à la caisse d'assurances sociales à la création de laquelle a participé la Caisse mutuelle libre d'allocations familiales établie à la même adresse que la caisse mutuelle spéciale susvisée.)
Art.35. De Koning bepaalt:
  1° de modaliteiten van aansluiting bij een sociale verzekeringskas van de onderworpenen die niet bedoeld zijn in artikel 34;
  2° de modaliteiten volgens dewelke de toestand geregulariseerd wordt van de personen die hun verplichtingen niet hebben nagekomen op het stuk van pensioen of op het stuk van kinderbijslag voor de periode gelegen voor 1 januari 1968.
  (De Koning wijst inzonderheid het organisme aan dat bevoegd is om de bijdragen te innen en er de gerechtelijke invordering van te vervolgen en om de achterstallige uitkeringen te betalen.)
Art.35. Le Roi determine:
  1° les modalités d'affiliation à une caisse d'assurances sociales des assujettis qui ne sont pas visés à l'article 34;
  2° les modalités suivant lesquelles est régularisée la situation des personnes qui n'ont pas accompli leurs obligations en matière de pension ou en matière d'allocations familiales pour la période qui se situe avant le 1er janvier 1968.
  (Le Roi indique notamment l'organisme compétent pour percevoir les cotisations et en poursuivre le recouvrement judiciaire et pour payer les prestations arriérées.)
Art.36. § 1. De Commissie voor vrijstelling van bijdragen, bedoeld in artikel 22, is eveneens bevoegd om volledige of gedeeltelijke vrijstelling te verlenen van de bijdragen verschuldigd in het raam van de verzekering-gezondheidszorgen van de zelfstandigen voor de periode gelegen vóór 1 januari 1968.
  De Koning bepaalt de weerslag van de beslissing tot volledige of gedeeltelijke vrijstelling op de toekenning van de uitkeringen.
  § 2. De commissie waarvan sprake in § 1, beslist omtrent de aanvragen tot volledige of gedeeltelijke vrijstelling die, op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, aanhangig zijn bij de Commissie der invorderingen of bij het Beperkt Comité ingericht bij de Commissie van Advies inzake controle en betwiste zaken.
  Bij de commissie bedoeld in § 1, worden ook de aanvragen aanhangig gemaakt, die ingediend worden na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, die betrekking hebben op pensioenbijdragen of bijdragen voor de kinderbijslag, die vóór die datum vervallen waren.
  § 3. (De Koning kan de bevoegdheid van de in dit artikel beoogde Commissie voor vrijstelling van bijdragen uitbreiden tot bijdragen die, zonder een verplichtend karakter te hebben, bestemd zijn om het recht op uitkeringen te doen ontstaan of te behouden.) <W 9-06-1970, art. 10>
Art.36. § 1er. La Commission des dispenses de cotisations, visée à l'article 22, est également habilitée à accorder dispense totale ou partielle des cotisations dues dans le cadre de l'assurance-soins de santé des travailleurs indépendants et se rapportant à la période antérieure au 1er janvier 1968.
  Le Roi détermine l'incidence d'une décision de dispense totale ou partielle sur l'octroi des prestations.
  § 2. La commission dont question au § 1er statue sur les demandes de dispense totale ou partielle qui sont pendantes, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, devant la Commission des recouvrements ou devant le Comité restreint institue auprès de la Commission consultative du contrôle et du contentieux.
  La commission visée au § 1er est également saisie des demandes introduites après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, qui se rapportent à des cotisations de pension ou d'allocations familiales qui étaient échues avant cette date.
  § 3. (Le Roi peut étendre la compétence de la Commission des dispenses de cotisations, visée par le présent article, à des cotisations qui, sans avoir un caractère obligatoire, sont destinées à faire naître ou à maintenir le droit aux prestations.) <L 9-6-1970, art. 10>
Art.37. § 1. De Koning benoemt tot een der in artikel 21, §§ 5 en 6 voorziene functies, de ambtenaren bedoeld in artikel 48, §§ 2 en 3 van de wet van 31 augustus 1963 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.
  Deze ambtenaren behouden minstens de voordelen die ze genieten krachtens het statuut dat op hen van toepassing is op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  § 2. Bij afwijking op artikel 21, § 7 van dit besluit, benoemt de Minister van Middenstand bij de Rijksdienst voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen tot een pecuniair minstens gelijkwaardige graad, de leden van het personeel van de Rijksdienst voor de pensioenen der zelfstandigen.
  Hun anciënniteit blijft verworven wat rechtstreeks of onrechtstreeks hun geldelijk statuut betreft.
  (In dezelfde voorwaarden en uiterlijk tot 31 december 1968, kunnen de Minister van Middenstand en de Minister van Sociale Voorzorg gezamenlijk personeelsleden van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor zelfstandigen of van de Speciale Onderlinge Kas voor kinderbijslag van de diamantnijverheid en de diamanthandel benoemen bij de Rijksdienst voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen.)
  § 3. Indien, overeenkomstig artikel 38, de inwerkingtreding van artikel 21, § 7 van dit besluit wordt vastgesteld op een datum die 1 januari 1968 voorafgaat, mogen de maatregelen, die erin voorzien zijn, getroffen worden zonder dat het advies van de raad van beheer van de Rijksdienst vereist is.
Art.37. § 1er. Le Roi nomme à l'une des fonctions visées à l'article 21, §§ 5 et 6, les fonctionnaires visés à l'article 48, §§ 2 et 3, de la loi du 31 août 1963 relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants.
  Ces fonctionnaires maintiennent au moins les avantages dont ils bénéficient en vertu du statut qui leur est applicable à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
  § 2. Par dérogation à l'article 21, § 7 du présent arrêté, le Ministre des Classes moyennes nomme auprès de l'Office national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, à un grade pécuniairement au moins équivalent, les membres du personnel de l'Office national des pensions pour travailleurs indépendants.
  Leur ancienneté reste acquise en ce qui concerne directement ou indirectement leur statut pécuniaire.
  (Dans les mêmes conditions et au plus tard jusqu'au 31 décembre 1968, le Ministre des Classes moyennes et le Ministre de la Prévoyance sociale peuvent conjointement nommer auprès de l'Office national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, des membres du personnel de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs indépendants et de la Caisse mutuelle spéciale pour allocations familiales de l'industrie et du commerce diamantaires.)
  § 3. Si, conformément à l'article 38, l'entrée en vigueur de l'article 21, § 7 du présent arrêté est fixée à une date antérieure au 1er janvier 1968, les mesures, qui y sont visées, peuvent être prises sans que soit requis l'avis du conseil d'administration de l'Office national.
Art. 38. De bepalingen van dit besluit treden in werking op de door de Koning vastgestelde data en uiterlijk op 1 januari 1968.
Art. 38. Les dispositions du présent arrêté entrent en vigueur aux dates fixées par le Roi et au plus tard le 1er janvier 1968.