Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
10 OKTOBER 1967. - GERECHTELIJK WETBOEK - Deel V : BEWAREND BESLAG, MIDDELEN TOT TENUITVOERLEGGING EN COLLECTIEVE SCHULDENREGELING. (art. 1386 tot 1675/27) <Opschrift vervangen door W1998-07-05/57, art. 2, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1999> (NOTA : art. 1675/17,§1 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij W2012-03-26/01, art. 7,1°, 074; Inwerkingtreding : onbepaald ) (NOTA : art. 1391 ; 1434 ; 1570 ; 1571 ; 1580 gewijzigd in de toekomst door W2024-05-15/03, art. 25-29, 138; Inwerkingtreding : 01-06-2026)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-03-1985 en tekstbijwerking tot 06-11-2025)
Titre
10 OCTOBRE 1967. - CODE JUDICIAIRE - Cinquième partie : [SAISIES CONSERVATOIRES, VOIES D'EXECUTION ET REGLEMENT COLLECTIF DE DETTES.] (art. 1386 à 1675/27) <Intitulé remplacé par L1998-07-05/57, art. 2, 024; En vigueur : 01-01-1999> (NOTE : art. 1675/17,§1 modifié avec effet à une date indéterminée par L2012-03-26/01, art. 7,1°, 074; En vigueur : indéterminée ) (NOTE : art. 1391 ; 1434 ; 1570 ; 1571 ; 1580 modifiés dans le futur par L2024-05-15/03, art. 25-29, 138; En vigueur : 01-06-2026)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 09-03-1985 et mise à jour au 06-11-2025)
Dokumentinformationen
Numac: 1967101056
Datum: 1967-10-10
Info du document
Numac: 1967101056
Date: 1967-10-10
Inhoud
EERSTE TITEL. _ VOORAFGAANDE REGELS.
HOOFDSTUK I. _ Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK Ibis. - [1 Centraal bestand van beric...
Afdeling I. - [1 Inrichting van een centraal be...
Afdeling II. - (Beheer en toezicht).
Afdeling III. - (Registratie, mededeling en raa...
HOOFDSTUK Ibis/1. [1 - Centraal register voor E...
HOOFDSTUK Iter. (Andere bepalingen)
HOOFDSTUK Iquater. - [1 Centraal bestand van vo...
HOOFDSTUK Iquinquies - [1 Invordering van onbet...
HOOFDSTUK II. - Beslagrechter.
HOOFDSTUK III. - Voorlopige tenuitvoerlegging.
HOOFDSTUK IV. - Kantonnement.
HOOFDSTUK V. - Goederen die niet in beslag kunn...
TITEL II. - BEWAREND BESLAG.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Bewarend beslag op roerend goed.
HOOFDSTUK III. - Bewarend beslag op onroerend g...
HOOFDSTUK IV. _ Bewarend beslag onder derden.
HOOFDSTUK V. _ Pandbeslag.
HOOFDSTUK VI. _ Beslag tot terugvordering.
HOOFDSTUK VII. _ Bewarend beslag op zeeschepen ...
HOOFDSTUK VIII. - Beslag inzake namaak.
HOOFDSTUK IX. - Rechtspleging tot omzetting van...
TITEL III. _ GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING.
EERSTE HOOFDSTUK. _ Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. _ Uitvoerend beslag op roerend goed.
HOOFDSTUK III. - Beslag op tak- en wortelvaste ...
HOOFDSTUK IV. _ Uitvoerend beslag onder derden.
HOOFDSTUK V. _ Uitvoerend beslag op zeeschepen ...
HOOFDSTUK VI. - Uitvoerend beslag op onroerend ...
HOOFDSTUK VII. _ Evenredige verdeling.
HOOFDSTUK VIII. _ Rangregeling.
HOOFDSTUK IX. _ Evenredige verdeling en rangreg...
TITEL IV. Collectieve schuldenregeling.
HOOFDSTUK I. - Procedure van collectieve schuld...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Inleiding van de procedure.
Afdeling 3. - Minnelijke aanzuiveringsregeling.
Afdeling 4. - Gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
Afdeling 4bis. - De totale kwijtschelding van d...
Afdeling 5. - Bepalingen gemeenschappelijk aan ...
HOOFDSTUK II. - De schuldbemiddelaar.
HOOFDSTUK III. [1 Het centraal register collect...
Inhoud
TITRE PREMIER. _ REGLES PRELIMINAIRES.
CHAPITRE Ier. _ Dispositions générales.
CHAPITRE Ibis. - [1 Fichier central des avis de...
Section I. - [1 Institution d'un fichier centra...
Section II. - (Gestion et surveillance).
Section III. - (Enregistrement, communication e...
CHAPITRE Ierbis/1. [1 - Registre central pour l...
CHAPITRE Ierter. (Autres dispositions)
CHAPITRE Ierquater. - [1 Fichier central des ju...
CHAPITRE Iquinquies. - [1 Du recouvrement de de...
CHAPITRE II. - Du juge des saisies.
CHAPITRE III. _ De l'exécution provisoire.
CHAPITRE IV. _ Du cantonnement.
CHAPITRE V. _ Des biens qui ne peuvent être sai...
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Art.1413. Tout créancier peut, dans les cas qui...
Art.1422. La requête tendant à saisir conservat...
Art.1429. Sauf les modalités énoncées dans le p...
Art.1445.Tout créancier peut, en vertu de titre...
Art.1461. Les propriétaires et principaux locat...
Art.1462. Dans les cas ou il y a lieu à revendi...
Art.1467.[1 La saisie conservatoire sur les nav...
Art.1481. (Abrogé)
Art.1489. Le juge des saisies est seul compéten...
CHAPITRE PREMIER. _ Dispositions générales.
Art.1494. Il ne sera procédé à aucune saisie-ex...
Art.1499. Toute saisie-exécution mobilière est...
Art.1529. La saisie-brandon ne peut être faite ...
Art.1539.Le créancier nanti d'un titre exécutoi...
Art.1545.[1 La saisie-exécution sur navires est...
Art.1560. Le créancier peut poursuivre l'exprop...
Art.1627. Quinze jours au plus tard après la ve...
Art.1639.[1 Les ventes mentionnées à l'article ...
CHAPITRE IX. _ De la distribution par contribut...
CHAPITRE I. - De la procédure de règlement coll...
CHAPITRE I. - De la procédure de règlement coll...
Tekst (462)
Texte (462)
EERSTE TITEL. _ VOORAFGAANDE REGELS.
TITRE PREMIER. _ REGLES PRELIMINAIRES.
HOOFDSTUK I. _ Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. _ Dispositions générales.
Art. 1386. Vonnissen en akten kunnen alleen ten uitvoer worden gelegd op overlegging van de uitgifte of van de minuut, voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging dat de Koning bepaalt.
Art. 1386. Nul jugement ni acte ne peuvent être mis à exécution que sur production de l'expédition ou de la minute revêtue de la formule exécutoire déterminée par le Roi.
Art.1387. Geen handeling van tenuitvoerlegging mag geschieden, hetzij tussen negen uur 's avonds en zes uur 's morgens, hetzij op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, behalve bij dringende noodzakelijkheid krachtens een verlof van de beslagrechter, verleend op verzoekschrift.
Art.1387. Aucun acte d'exécution ne peut avoir lieu entre neuf heures du soir et six heures du matin, ou un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, qu'en vertu de l'autorisation du juge des saisies accordée sur requête pour raison d'impérieuse nécessité.
Art.1388. <W 24-06-1970, art. 32> Beslissingen waarbij aan een derde opheffing, doorhaling van een hypothecaire inschrijving, betaling of enige prestatie wordt bevolen of opgelegd, zijn door of tegen hem enkel uitvoerbaar op een verklaring van de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft gewezen dat er bij zijn weten binnen de door de wet vastgestelde termijn geen verzet noch hoger beroep tegen de beslissing is ingesteld.
Deze verklaring is niet vereist wanneer de beslissing, voorafgaandelijk betekend of ter kennis gebracht indien de wet het voorschrijft, uitvoerbaar is niettegenstaande hoger beroep en, indien zij bij verstek gewezen is, niettegenstaande verzet, behoudens het bewijs, indien daartoe grond bestaat, dat de bij het vonnis opgelegde of bij de wet voorgeschreven formaliteiten vervuld zijn.
Deze verklaring is niet vereist wanneer de beslissing, voorafgaandelijk betekend of ter kennis gebracht indien de wet het voorschrijft, uitvoerbaar is niettegenstaande hoger beroep en, indien zij bij verstek gewezen is, niettegenstaande verzet, behoudens het bewijs, indien daartoe grond bestaat, dat de bij het vonnis opgelegde of bij de wet voorgeschreven formaliteiten vervuld zijn.
Art.1388. <L 24-6-1970, art. 32> Les décisions qui ordonnent ou imposent à un tiers une mainlevée, une radiation d'inscription hypothécaire, un paiement, ou quelque prestation ne sont exécutoires par ou contre lui que sur l'attestation du greffier de la juridiction qui a rendu la décision, qu'à sa connaissance il n'a été formé contre la décision ni opposition ni appel, dans les délais légaux.
Cette attestation n'est pas requise lorsque la décision, préalablement signifiée ou notifiée si la loi l'impose, est exécutoire nonobstant appel et, si elle a été rendue par défaut, nonobstant opposition, sauf la justification, s'il échet, de l'accomplissement des formalités qu'elle ordonne ou que la loi prescrit.
Cette attestation n'est pas requise lorsque la décision, préalablement signifiée ou notifiée si la loi l'impose, est exécutoire nonobstant appel et, si elle a été rendue par défaut, nonobstant opposition, sauf la justification, s'il échet, de l'accomplissement des formalités qu'elle ordonne ou que la loi prescrit.
Art.1389. Behalve de vermeldingen in artikel 43 voorgeschreven, bevat het beslagexploot op straffe van nietigheid :
1° de keuze van woonplaats van de beslaglegger in het arrondissement waar de rechter die in voorkomend geval kennis moet nemen van het beslag, zitting houdt, tenzij de beslaglegger daar woont;
2° de naam, de voornaam en de woonplaats van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt ;
3° de vermelding van het gevorderde bedrag en van de titel krachtens welke het beslag wordt gedaan ;
4° een korte beschrijving van de inbeslaggenomen goederen;
[1 5° [2 ...]2]1
1° de keuze van woonplaats van de beslaglegger in het arrondissement waar de rechter die in voorkomend geval kennis moet nemen van het beslag, zitting houdt, tenzij de beslaglegger daar woont;
2° de naam, de voornaam en de woonplaats van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt ;
3° de vermelding van het gevorderde bedrag en van de titel krachtens welke het beslag wordt gedaan ;
4° een korte beschrijving van de inbeslaggenomen goederen;
[1 5° [2 ...]2]1
Art.1389. A peine de nullité, l'exploit de saisie contient, outre les mentions prévues par l'article 43 :
1° l'élection de domicile du saisissant dans l'arrondissement où siège le juge qui doit le cas échéant connaître de la saisie à moins que le saisissant n'y demeure ;
2° les nom, prénom et domicile du débiteur saisi ;
3° l'indication de la somme réclamée et du titre en vertu duquel la saisie est faite ;
4° la description sommaire des biens saisis;
[1 5° [2 ...]2]1
1° l'élection de domicile du saisissant dans l'arrondissement où siège le juge qui doit le cas échéant connaître de la saisie à moins que le saisissant n'y demeure ;
2° les nom, prénom et domicile du débiteur saisi ;
3° l'indication de la somme réclamée et du titre en vertu duquel la saisie est faite ;
4° la description sommaire des biens saisis;
[1 5° [2 ...]2]1
HOOFDSTUK Ibis. - [1 Centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest]1
CHAPITRE Ibis. - [1 Fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt]1
Afdeling I. - [1 Inrichting van een centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest]1
Section I. - [1 Institution d'un fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt]1
Art. 1389bis /1.<INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling is de geïnformatiseerde gegevensbank waar de berichten van beslag, delegatie, overdracht [1 , collectieve schuldenregeling en protest]1 bedoeld in de artikelen 1390 tot 1390quinquies worden gecentraliseerd. Die gegevensbank wordt hierna " bestand van berichten " genoemd.
[2 Het doel van het bestand van berichten is de personen die daartoe wettelijk gemachtigd zijn, de mogelijkheid te bieden kennis te nemen van de staat van de procedures tot gedwongen tenuitvoerlegging jegens een persoon alsook van de staat van de schuldenlast van een persoon en de processen van schuldafbouw waarbij hij betrokken is.]2
[2 Het doel van het bestand van berichten is de personen die daartoe wettelijk gemachtigd zijn, de mogelijkheid te bieden kennis te nemen van de staat van de procedures tot gedwongen tenuitvoerlegging jegens een persoon alsook van de staat van de schuldenlast van een persoon en de processen van schuldafbouw waarbij hij betrokken is.]2
Art. 1389bis /1.<INGEVOEGD bij L 2000-05-29/36, art. 2; En vigueur : 29-01-2011> Le fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession [1 , de règlement collectif de dettes et de protêt]1 est la banque de données informatisée centralisant les avis de saisie, de délégation, de cession et de règlement collectif de dettes visés aux articles 1390 à 1390quinquies. Cette banque de données est ci-après dénommée " fichier des avis ".
[2 La finalité du fichier des avis est de permettre aux personnes qui y sont légalement habilitées de prendre connaissance de l'état des procédures d'exécution forcée à l'encontre d'une personne ainsi que de l'état d'endettement d'une personne et des processus de désendettement dans laquelle elle est intégrée.]2
[2 La finalité du fichier des avis est de permettre aux personnes qui y sont légalement habilitées de prendre connaissance de l'état des procédures d'exécution forcée à l'encontre d'une personne ainsi que de l'état d'endettement d'une personne et des processus de désendettement dans laquelle elle est intégrée.]2
Art. 1389bis /1 TOEKOMSTIG RECHT.
<INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling is de geïnformatiseerde gegevensbank [3 waar de berichten van beslag, delegatie, overdracht, vaststelling van niet-bevinding, controle van dreigende insolventie, minnelijke schuldbemiddeling, mogelijk fictief adres, gerechtelijke reorganisatie, overdracht onder gerechtelijk gezag, faillissement, protest en collectieve schuldenregeling bedoeld in de artikelen 1390 tot 1390quinquies/1 en 1390octies worden gecentraliseerd]3. Die gegevensbank wordt hierna " bestand van berichten " genoemd.
[2 Het doel van het bestand van berichten is de personen die daartoe wettelijk gemachtigd zijn, de mogelijkheid te bieden kennis te nemen van de staat van de procedures tot gedwongen tenuitvoerlegging jegens een persoon alsook van de staat van de schuldenlast van een persoon en de processen van schuldafbouw waarbij hij betrokken is.]2
<INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling is de geïnformatiseerde gegevensbank [3 waar de berichten van beslag, delegatie, overdracht, vaststelling van niet-bevinding, controle van dreigende insolventie, minnelijke schuldbemiddeling, mogelijk fictief adres, gerechtelijke reorganisatie, overdracht onder gerechtelijk gezag, faillissement, protest en collectieve schuldenregeling bedoeld in de artikelen 1390 tot 1390quinquies/1 en 1390octies worden gecentraliseerd]3. Die gegevensbank wordt hierna " bestand van berichten " genoemd.
[2 Het doel van het bestand van berichten is de personen die daartoe wettelijk gemachtigd zijn, de mogelijkheid te bieden kennis te nemen van de staat van de procedures tot gedwongen tenuitvoerlegging jegens een persoon alsook van de staat van de schuldenlast van een persoon en de processen van schuldafbouw waarbij hij betrokken is.]2
Art. 1389bis /1 DROIT FUTUR.
<INGEVOEGD bij L 2000-05-29/36, art. 2; En vigueur : 29-01-2011> Le fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession [1 , de règlement collectif de dettes et de protêt]1 est la banque de données informatisée [3 centralisant les avis de saisie, de délégation, de cession, de constat de carence, de contrôle de probabilité d'insolvabilité, de médiation de dettes amiable, d'adresse fictive probable, de réorganisation judiciaire, de transfert sous autorité judiciaire, de faillite, de protêt et de règlement collectif de dettes visés aux articles 1390 à 1390quinquies/1 et 1390octies]3. Cette banque de données est ci-après dénommée " fichier des avis ".
[2 La finalité du fichier des avis est de permettre aux personnes qui y sont légalement habilitées de prendre connaissance de l'état des procédures d'exécution forcée à l'encontre d'une personne ainsi que de l'état d'endettement d'une personne et des processus de désendettement dans laquelle elle est intégrée.]2
<INGEVOEGD bij L 2000-05-29/36, art. 2; En vigueur : 29-01-2011> Le fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession [1 , de règlement collectif de dettes et de protêt]1 est la banque de données informatisée [3 centralisant les avis de saisie, de délégation, de cession, de constat de carence, de contrôle de probabilité d'insolvabilité, de médiation de dettes amiable, d'adresse fictive probable, de réorganisation judiciaire, de transfert sous autorité judiciaire, de faillite, de protêt et de règlement collectif de dettes visés aux articles 1390 à 1390quinquies/1 et 1390octies]3. Cette banque de données est ci-après dénommée " fichier des avis ".
[2 La finalité du fichier des avis est de permettre aux personnes qui y sont légalement habilitées de prendre connaissance de l'état des procédures d'exécution forcée à l'encontre d'une personne ainsi que de l'état d'endettement d'une personne et des processus de désendettement dans laquelle elle est intégrée.]2
Art. 1389bis /2.[1 De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, bedoeld in artikel 555, in deze afdeling verder "Nationale Kamer" genoemd, wordt met betrekking tot het bestand van berichten beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
De Nationale Kamer en de door de Koning aangewezen instanties die de gebruikers bedoeld in artikel 1391 registreren, staan in voor de controle op het gebruik dat gemaakt wordt van het bestand van berichten. De Nationale Kamer centraliseert de desbetreffende informatie en communiceert deze aan het Beheers- en toezichtscomité.]1
De Nationale Kamer en de door de Koning aangewezen instanties die de gebruikers bedoeld in artikel 1391 registreren, staan in voor de controle op het gebruik dat gemaakt wordt van het bestand van berichten. De Nationale Kamer centraliseert de desbetreffende informatie en communiceert deze aan het Beheers- en toezichtscomité.]1
Art. 1389bis /2.[1 La Chambre nationale des huissiers de justice, visée à l'article 555, ci-après dénommée dans la présente section "Chambre nationale", est considérée, en ce qui concerne le fichier des avis, comme le responsable du traitement au sens de l'article 4, 7) du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
La Chambre nationale et les organismes désignés par le Roi pour l'enregistrement des utilisateurs visés à l'article 1391 sont responsables du contrôle de l'utilisation du fichier des avis. La Chambre nationale centralise les informations concernées et les communique au Comité de gestion et de surveillance.]1
La Chambre nationale et les organismes désignés par le Roi pour l'enregistrement des utilisateurs visés à l'article 1391 sont responsables du contrôle de l'utilisation du fichier des avis. La Chambre nationale centralise les informations concernées et les communique au Comité de gestion et de surveillance.]1
Änderungen
Art. 1389bis /3. <INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> De natuurlijke personen die de gegevens van het bestand van berichten rechtstreeks kunnen registreren, raadplegen, wijzigen, verwerken of vernietigen, worden met naam aangewezen in een geïnformatiseerd register, dat door de Nationale Kamer voortdurend wordt bijgewerkt.
Art. 1389bis /3. Les personnes physiques qui peuvent directement enregistrer, consulter, modifier, traiter ou détruire les données du fichier des avis sont désignées nominativement dans un registre informatisé tenu à jour constamment par la Chambre nationale.
Art. 1389bis /4. <INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in het bestand van berichten geregistreerde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk. De ministeriële ambtenaren die optreden ten laste van dezelfde schuldenaar zijn evenwel vrijgesteld van deze verplichting voor de uitwisseling onder hen van informatie betreffende deze debiteur of betreffende diegenen die met hem een gemeenschap of onverdeeldheid delen.
Art. 1389bis /4. Celui qui, à quelque titre que ce soit, participe à la collecte, au traitement ou à la communication des données enregistrées dans le fichier des avis ou a connaissance de telles données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable. Les officiers ministériels intervenant à charge d'un même débiteur sont toutefois libérés de cette obligation pour l'échange entre eux des informations concernant ce débiteur ou concernant ceux qui partagent une communauté ou une indivision avec lui.
Art. 1389bis /5.[1 Teneinde op een geautomatiseerde en beveiligde wijze de juistheid na te gaan van de gegevens die in het bestand van berichten worden ingevoerd, geeft het ingeven van elk nieuw bericht systematisch aanleiding tot een verificatie door de Nationale Kamer van het identificatienummer toegekend aan een natuurlijke persoon in uitvoering van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, of, bij gebreke hieraan, het identificatienummer in het bisregister, toegekend in uitvoering van artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, of, voor een rechtspersoon, zijn ondernemingsnummer bedoeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht.
De Nationale Kamer voert deze controle uit voor de berichten die betrekking hebben op een natuurlijke persoon door de in het bericht vermelde gegevens te vergelijken met de identificatiegegevens die zijn opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen of in het bisregister, te weten de namen, voornamen, geboortedatum en hoofdverblijfplaats. Het Rijksregisternummer of het identificatienummer in het bisregister worden door de Nationale Kamer gebruikt als zoekcriterium in het Rijksregister of het bisregister om te controleren of de in het bericht vermelde gegevens correct zijn. De Nationale Kamer mag deze nummers gebruiken, maar mag deze evenwel in geen enkele vorm aan derden meedelen.
Wanneer de gegevens met betrekking tot het Rijksregisternummer, het identificatienummer, de namen, de voornamen of de geboortedatum die in het bericht vermeld worden, verschillen van degene die in het rijksregister of het bisregister zijn opgenomen, weigert de Nationale Kamer de indiening van het bericht.
De Koning stelt de wijze vast waarop de identificatiegegevens aan de Nationale Kamer worden overgezonden. Hij kan eveneens nadere modaliteiten vaststellen in verband met het gebruik van de identificatienummers uit deze registers door de Nationale Kamer.]1
De Nationale Kamer voert deze controle uit voor de berichten die betrekking hebben op een natuurlijke persoon door de in het bericht vermelde gegevens te vergelijken met de identificatiegegevens die zijn opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen of in het bisregister, te weten de namen, voornamen, geboortedatum en hoofdverblijfplaats. Het Rijksregisternummer of het identificatienummer in het bisregister worden door de Nationale Kamer gebruikt als zoekcriterium in het Rijksregister of het bisregister om te controleren of de in het bericht vermelde gegevens correct zijn. De Nationale Kamer mag deze nummers gebruiken, maar mag deze evenwel in geen enkele vorm aan derden meedelen.
Wanneer de gegevens met betrekking tot het Rijksregisternummer, het identificatienummer, de namen, de voornamen of de geboortedatum die in het bericht vermeld worden, verschillen van degene die in het rijksregister of het bisregister zijn opgenomen, weigert de Nationale Kamer de indiening van het bericht.
De Koning stelt de wijze vast waarop de identificatiegegevens aan de Nationale Kamer worden overgezonden. Hij kan eveneens nadere modaliteiten vaststellen in verband met het gebruik van de identificatienummers uit deze registers door de Nationale Kamer.]1
Art. 1389bis /5.[1 Afin de contrôler l'exactitude des données introduites dans le fichier des avis de manière automatisée et sécurisée, chaque nouvelle introduction d'avis donne lieu à une vérification systématique par la Chambre nationale du numéro d'identification attribué à une personne physique en application de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques ou, à défaut, du numéro d'identification dans le registre bis, attribué en application de l'article 4 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ou, s'il s'agit d'une personne morale, de son numéro d'entreprise visé à l'article III.17 du Code de droit économique.
La Chambre nationale effectue cette vérification pour les avis concernant une personne physique en comparant les données mentionnées sur l'avis avec les données d'identification reprises au Registre national des personnes physiques ou au registre bis, à savoir les noms, prénoms, date de naissance et résidence principale. Le numéro de Registre national ou le numéro d'identification dans le registre bis sont utilisés comme critère de recherche au sein du Registre national ou du registre bis par la Chambre nationale pour vérifier l'exactitude des données mentionnées dans l'avis. La Chambre nationale peut utiliser ces numéros, mais ne peut les communiquer à des tiers sous quelque forme que ce soit.
Lorsque les données relatives au numéro de Registre national, au numéro d'identification, aux noms, aux prénoms ou à la date de naissance mentionnées dans l'avis diffèrent de celles reprises au registre national ou au registre bis, la Chambre nationale refuse le dépôt de l'avis.
Le Roi détermine la manière dont les numéros d'identification sont transmis à la Chambre nationale. Il peut également fixer d'autres modalités concernant l'utilisation des numéros d'identification de ces registres par la Chambre nationale.]1
La Chambre nationale effectue cette vérification pour les avis concernant une personne physique en comparant les données mentionnées sur l'avis avec les données d'identification reprises au Registre national des personnes physiques ou au registre bis, à savoir les noms, prénoms, date de naissance et résidence principale. Le numéro de Registre national ou le numéro d'identification dans le registre bis sont utilisés comme critère de recherche au sein du Registre national ou du registre bis par la Chambre nationale pour vérifier l'exactitude des données mentionnées dans l'avis. La Chambre nationale peut utiliser ces numéros, mais ne peut les communiquer à des tiers sous quelque forme que ce soit.
Lorsque les données relatives au numéro de Registre national, au numéro d'identification, aux noms, aux prénoms ou à la date de naissance mentionnées dans l'avis diffèrent de celles reprises au registre national ou au registre bis, la Chambre nationale refuse le dépôt de l'avis.
Le Roi détermine la manière dont les numéros d'identification sont transmis à la Chambre nationale. Il peut également fixer d'autres modalités concernant l'utilisation des numéros d'identification de ces registres par la Chambre nationale.]1
Änderungen
Art. 1389bis /6.<INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> De registratie van gegevens in het bestand van berichten is kosteloos.
Teneinde de kosten te dekken die veroorzaakt worden door het houden van het bestand van berichten en door de werking van het Beheers- en toezichtscomité bedoeld in artikel 1389bis/8 [2 en door elk ander bestand of register dat bij wet door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt opgericht]2, geeft de mededeling van gegevens geregistreerd in het bestand van berichten aan advocaten, gerechtsdeurwaarders, notarissen en schuldbemiddelaars, aanleiding tot de inning van een retributie waarvan de Minister van Justitie het bedrag, de voorwaarden en de modaliteiten van inning bepaalt na terzake het advies van het Beheers- en toezichtscomité en van de Nationale Kamer te hebben ingewonnen.
[1 In afwijking van het eerste en tweede lid stelt de Minister van Justitie voor de registratie van de in artikel 1390quater/1 bedoelde berichten een retributie vast na het advies van het Beheers- en toezichtscomité en van de Nationale Kamer te hebben ingewonnen. Enkel voor de mededeling van dergelijke gegevens, die zijn geregistreerd in het bestand van berichten, aan specifieke categorieën van personen zoals bedoeld in artikel 1391, § 2, derde lid, wordt door de minister van Justitie een retributie bepaald na het advies van het Beheers- en toezichtscomité en van de Nationale Kamer te hebben ingewonnen.]1
De retributies zijn betaalbaar aan en worden geïnd door de Nationale Kamer.
Het bedrag van de retributie bedoeld in het tweede lid wordt op 1 januari van ieder jaar aan de hand van de volgende formule van rechtswege aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het beginindexcijfer.
Het beginindexcijfer is dat van de maand december van het jaar gedurende hetwelk het bedrag van de retributie is vastgesteld. Het nieuwe indexcijfer is dat van de maand december van het jaar voorafgaand aan de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk de aanpassing plaatsvindt.
Het resultaat wordt op een eenheid naar boven afgerond.
[1 De minister kan de retributie diversifiëren na het advies van het Beheers- en toezichtscomité en van de Nationale Kamer te hebben ingewonnen.]1
Teneinde de kosten te dekken die veroorzaakt worden door het houden van het bestand van berichten en door de werking van het Beheers- en toezichtscomité bedoeld in artikel 1389bis/8 [2 en door elk ander bestand of register dat bij wet door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt opgericht]2, geeft de mededeling van gegevens geregistreerd in het bestand van berichten aan advocaten, gerechtsdeurwaarders, notarissen en schuldbemiddelaars, aanleiding tot de inning van een retributie waarvan de Minister van Justitie het bedrag, de voorwaarden en de modaliteiten van inning bepaalt na terzake het advies van het Beheers- en toezichtscomité en van de Nationale Kamer te hebben ingewonnen.
[1 In afwijking van het eerste en tweede lid stelt de Minister van Justitie voor de registratie van de in artikel 1390quater/1 bedoelde berichten een retributie vast na het advies van het Beheers- en toezichtscomité en van de Nationale Kamer te hebben ingewonnen. Enkel voor de mededeling van dergelijke gegevens, die zijn geregistreerd in het bestand van berichten, aan specifieke categorieën van personen zoals bedoeld in artikel 1391, § 2, derde lid, wordt door de minister van Justitie een retributie bepaald na het advies van het Beheers- en toezichtscomité en van de Nationale Kamer te hebben ingewonnen.]1
De retributies zijn betaalbaar aan en worden geïnd door de Nationale Kamer.
Het bedrag van de retributie bedoeld in het tweede lid wordt op 1 januari van ieder jaar aan de hand van de volgende formule van rechtswege aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het beginindexcijfer.
Het beginindexcijfer is dat van de maand december van het jaar gedurende hetwelk het bedrag van de retributie is vastgesteld. Het nieuwe indexcijfer is dat van de maand december van het jaar voorafgaand aan de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk de aanpassing plaatsvindt.
Het resultaat wordt op een eenheid naar boven afgerond.
[1 De minister kan de retributie diversifiëren na het advies van het Beheers- en toezichtscomité en van de Nationale Kamer te hebben ingewonnen.]1
Art. 1389bis /6. L'enregistrement de données dans le fichier des avis s'opère sans frais.
En vue de couvrir les coûts résultant de la tenue du fichier des avis et du fonctionnement du Comité de gestion et de surveillance visé à l'article 1389bis/8 [2 et de tout autre fichier ou registre créé par la Chambre nationale des huissiers de justice en vertu d'une loi]2, la communication des données enregistrées dans ce fichier aux avocats, aux huissiers de justice, aux notaires et aux médiateurs de dettes donne lieu à la perception d'une redevance dont le ministre de la Justice fixe le montant, les conditions et les modalités de perception après avoir pris l'avis du Comité de gestion et de surveillance et de la Chambre nationale.
[1 Par dérogation aux alinéas 1er et 2, le Ministre de la Justice fixe une redevance pour l'enregistrement des avis visés à l'article 1390quater/1, après avoir pris l'avis du Comité de gestion et de surveillance et de la Chambre nationale. Le Ministre de la Justice ne prévoit une redevance, après avoir pris l'avis du Comité de gestion et de surveillance et de la Chambre nationale, que pour la communication de telles données, enregistrées dans le fichier des avis, à des catégories spécifiques de personnes visées à l'article 1391, § 2, alinéa 3.]1
Les redevances sont payables à la Chambre nationale et perçues par celle-ci.
Le montant de la redevance visée à l'alinéa 2 est adapté de plein droit à l'évolution de l'indice des prix à la consommation, le 1er janvier de chaque année, selon la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
L'indice de départ est celui du mois de décembre de l'année au cours de laquelle le montant de la redevance visée a été arrêté. Le nouvel indice est celui du mois de décembre de l'année qui précède le premier janvier de l'année au cours de laquelle l'adaptation a lieu.
Le résultat est arrondi à l'unité supérieure.
[1 Le ministre peut diversifier la redevance après avoir pris l'avis du Comité de gestion et de surveillance et de la Chambre nationale.]1
En vue de couvrir les coûts résultant de la tenue du fichier des avis et du fonctionnement du Comité de gestion et de surveillance visé à l'article 1389bis/8 [2 et de tout autre fichier ou registre créé par la Chambre nationale des huissiers de justice en vertu d'une loi]2, la communication des données enregistrées dans ce fichier aux avocats, aux huissiers de justice, aux notaires et aux médiateurs de dettes donne lieu à la perception d'une redevance dont le ministre de la Justice fixe le montant, les conditions et les modalités de perception après avoir pris l'avis du Comité de gestion et de surveillance et de la Chambre nationale.
[1 Par dérogation aux alinéas 1er et 2, le Ministre de la Justice fixe une redevance pour l'enregistrement des avis visés à l'article 1390quater/1, après avoir pris l'avis du Comité de gestion et de surveillance et de la Chambre nationale. Le Ministre de la Justice ne prévoit une redevance, après avoir pris l'avis du Comité de gestion et de surveillance et de la Chambre nationale, que pour la communication de telles données, enregistrées dans le fichier des avis, à des catégories spécifiques de personnes visées à l'article 1391, § 2, alinéa 3.]1
Les redevances sont payables à la Chambre nationale et perçues par celle-ci.
Le montant de la redevance visée à l'alinéa 2 est adapté de plein droit à l'évolution de l'indice des prix à la consommation, le 1er janvier de chaque année, selon la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
L'indice de départ est celui du mois de décembre de l'année au cours de laquelle le montant de la redevance visée a été arrêté. Le nouvel indice est celui du mois de décembre de l'année qui précède le premier janvier de l'année au cours de laquelle l'adaptation a lieu.
Le résultat est arrondi à l'unité supérieure.
[1 Le ministre peut diversifier la redevance après avoir pris l'avis du Comité de gestion et de surveillance et de la Chambre nationale.]1
Art. 1389bis /7.<INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Op verzoek van de minister van Justitie, de ministers tot wier bevoegdheid de economie behoort, de wetgevende Kamers, (de Gemeenschaps- en Gewestparlementen) en het Planbureau, alsook, na [2 ...]2 advies van het Beheers- en toezichtscomité, van alle betrokken personen en organisaties, maakt de Nationale Kamer hen anonieme gegevens over, die nuttig zijn voor onderzoek [1 in verband met het bewarend beslag, de middelen tot tenuitvoerlegging, de collectieve schuldenregeling en het protest]1. Gecodeerde gegevens kunnen enkel worden overgemaakt overeenkomstig de toepasselijke regels tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. <W 2006-03-27/35, art. 5, 055; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
Art. 1389bis /7. A la demande du ministre de la Justice, des ministres ayant l'économie dans leurs attributions, des Chambres législatives, des (Parlements de communauté et derégion) et du Bureau du Plan ainsi que, après avis du Comité de gestion et de surveillance, de toute personne ou organisme intéressés, la Chambre nationale leur communique des données anonymes, utiles à la recherche [1 relative aux saisies conservatoires, aux voies d'exécution, au règlement collectif de dettes et au protêt]1. Des données codées ne peuvent être communiquées que conformément aux règles applicables relatives à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel. <L 2006-03-27/35, art. 5, 055; En vigueur : 21-04-2006>
Änderungen
Afdeling II. - (Beheer en toezicht).
Section II. - (Gestion et surveillance).
Art. 1389bis /8.<INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Bij [1 de Federale Overheidsdienst]1 Justitie wordt een Beheers- en toezichtscomité bij het centraal bestand van berichten, delegatie, overdracht [1 , collectieve schuldenregeling en protest]1 opgericht, hierna " Beheers- en toezichtscomité " genoemd.
[1 Het Beheers- en toezichtscomité wordt voorgezeten door een beslagrechter of door een magistraat of een emeritus-magistraat met ten minste twee jaar effectieve ervaring inzake beslag, die wordt aangewezen door de Minister van Justitie. Het Comité is voorts samengesteld uit een jurist en een informaticus die de Minister van Justitie vertegenwoordigen en door hem worden aangewezen, uit een griffier van een rechtbank van eerste aanleg of hof van beroep, afdeling beslag, en een griffier en magistraat van een arbeidsgerecht, die allen worden aangewezen door de minister van Justitie, [2 ...]2 uit een vertegenwoordiger van de Nationale Bank van België, die wordt aangewezen door de gouverneur ervan, uit een advocaat, die wordt aangewezen door de Orde van Vlaamse Balies, uit een advocaat, die wordt aangewezen door de Ordre des barreaux francophones et germanophone, uit een notaris, die wordt aangewezen door de Nationale Kamer van notarissen, uit een notaris aangewezen door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, uit een gerechtsdeurwaarder, die wordt aangewezen door de Nationale Kamer, uit een gerechtsdeurwaarder-secretaris, die wordt aangewezen door het directiecomité van de Nationale Kamer, uit een vertegenwoordiger van de Federale Overheidsdienst Financiën, die wordt aangewezen door de Minister van Financiën, uit een schuldbemiddelaar van de Nederlandse taalrol of die erkend wordt door de bevoegde Nederlandstalige overheid en een schuldbemiddelaar van de Franse taalrol of die erkend wordt door de bevoegde Franstalige overheid, die beiden ten minste twee jaar effectieve ervaring hebben, aangewezen door de Minister van Justitie, en uit een bedrijfsrevisor, die wordt aangewezen door de raad van het Instituut van de bedrijfsrevisoren.]1
Het Beheers- en toezichtscomité kan slechts op geldige wijze beraadslagen wanneer ten minste de helft van de leden aanwezig is.
De beslissingen van de Beheers- en toezichtscomité worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
De leden van het Comité worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van vier jaar.
Voor elk lid van het Comité wordt een plaatsvervanger aangewezen, op dezelfde wijze als de werkende leden.
Indien het mandaat van een werkend lid of een plaatsvervangend lid een einde neemt vóór het verstrijken van de termijn ervan, wordt in zijn opvolging voorzien. De opvolger voleindigt het mandaat van zijn voorganger.
Het Beheers- en toezichtscomité stelt zijn huishoudelijk reglement vast, dat door de minister van Justitie wordt goedgekeurd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
[1 De Federale Overheidsdienst Justitie organiseert de huisvesting en de personeelsondersteuning van het Beheers- en toezichtscomité.]1
[1 Het Beheers- en toezichtscomité wordt voorgezeten door een beslagrechter of door een magistraat of een emeritus-magistraat met ten minste twee jaar effectieve ervaring inzake beslag, die wordt aangewezen door de Minister van Justitie. Het Comité is voorts samengesteld uit een jurist en een informaticus die de Minister van Justitie vertegenwoordigen en door hem worden aangewezen, uit een griffier van een rechtbank van eerste aanleg of hof van beroep, afdeling beslag, en een griffier en magistraat van een arbeidsgerecht, die allen worden aangewezen door de minister van Justitie, [2 ...]2 uit een vertegenwoordiger van de Nationale Bank van België, die wordt aangewezen door de gouverneur ervan, uit een advocaat, die wordt aangewezen door de Orde van Vlaamse Balies, uit een advocaat, die wordt aangewezen door de Ordre des barreaux francophones et germanophone, uit een notaris, die wordt aangewezen door de Nationale Kamer van notarissen, uit een notaris aangewezen door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, uit een gerechtsdeurwaarder, die wordt aangewezen door de Nationale Kamer, uit een gerechtsdeurwaarder-secretaris, die wordt aangewezen door het directiecomité van de Nationale Kamer, uit een vertegenwoordiger van de Federale Overheidsdienst Financiën, die wordt aangewezen door de Minister van Financiën, uit een schuldbemiddelaar van de Nederlandse taalrol of die erkend wordt door de bevoegde Nederlandstalige overheid en een schuldbemiddelaar van de Franse taalrol of die erkend wordt door de bevoegde Franstalige overheid, die beiden ten minste twee jaar effectieve ervaring hebben, aangewezen door de Minister van Justitie, en uit een bedrijfsrevisor, die wordt aangewezen door de raad van het Instituut van de bedrijfsrevisoren.]1
Het Beheers- en toezichtscomité kan slechts op geldige wijze beraadslagen wanneer ten minste de helft van de leden aanwezig is.
De beslissingen van de Beheers- en toezichtscomité worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
De leden van het Comité worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van vier jaar.
Voor elk lid van het Comité wordt een plaatsvervanger aangewezen, op dezelfde wijze als de werkende leden.
Indien het mandaat van een werkend lid of een plaatsvervangend lid een einde neemt vóór het verstrijken van de termijn ervan, wordt in zijn opvolging voorzien. De opvolger voleindigt het mandaat van zijn voorganger.
Het Beheers- en toezichtscomité stelt zijn huishoudelijk reglement vast, dat door de minister van Justitie wordt goedgekeurd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
[1 De Federale Overheidsdienst Justitie organiseert de huisvesting en de personeelsondersteuning van het Beheers- en toezichtscomité.]1
Art. 1389bis /8. Il est institué auprès du [1 Service public fédéral]1 Justice un Comité de gestion et de surveillance du fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession [1 , de règlement collectif de dettes et de protêt]1, dénommé ci-après " Comité de gestion et de surveillance ".
[1 Le Comité de gestion et de surveillance est présidé par un juge des saisies ou un magistrat ou un magistrat émérite qui peut justifier d'une expérience effective d'au moins deux ans en matière de saisies, désigné par le Ministre de la Justice. Le Comité est en outre composé d'un juriste et d'un informaticien représentant le Ministre de la Justice et désignés par lui, d'un greffier d'un tribunal de première instance ou d'une cour d'appel, section saisies, et d'un greffier et d'un magistrat d'une juridiction du travail, tous désignés par le ministre de la Justice, [2 ...]2 d'un représentant de la Banque Nationale de Belgique désigné par son gouverneur, d'un avocat désigné par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, d'un avocat désigné par l'Orde van Vlaamse Balies, d'un notaire désigné par la Chambre nationale des notaires, d'un notaire désigné par la Fédération royale du notariat belge, d'un huissier de justice désigné par la Chambre nationale, d'un huissier de justice-secrétaire désigné par le comité de direction de la Chambre nationale, d'un représentant du Service public fédéral Finances désigné par le Ministre des Finances, d'un médiateur de dettes du rôle linguistique français ou reconnu par l'autorité francophone compétente et d'un médiateur du rôle linguistique néerlandais ou reconnu par l'autorité néerlandophone compétente ayant tous deux une expérience effective d'au moins deux ans, désignés par le Ministre de la Justice, et d'un réviseur d'entreprises désigné par le conseil de l'Institut des réviseurs d'entreprises.]1
Le Comité de gestion et de surveillance ne peut valablement délibérer que si la moitié au moins de ses membres sont présents.
Les décisions du Comité de gestion et de surveillance sont prises à la majorité des voix. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
Les membres du Comité sont nommés pour une période de quatre ans, renouvelable.
Pour chaque membre du Comité, il est désigné un suppléant, suivant les mêmes modalités que pour les membres effectifs.
Si le mandat d'un membre effectif ou d'un membre suppléant prend fin avant terme, il est pourvu à son remplacement. Le remplaçant achève le mandat de son prédécesseur.
Le comité de gestion et de surveillance établit et arrête son règlement d'ordre intérieur, lequel est approuvé par le ministre de la Justice et public au Moniteur belge.
[1 Le Service public fédéral Justice organise l'hébergement et l'appui en personnel du Comité de gestion et de surveillance.]1
[1 Le Comité de gestion et de surveillance est présidé par un juge des saisies ou un magistrat ou un magistrat émérite qui peut justifier d'une expérience effective d'au moins deux ans en matière de saisies, désigné par le Ministre de la Justice. Le Comité est en outre composé d'un juriste et d'un informaticien représentant le Ministre de la Justice et désignés par lui, d'un greffier d'un tribunal de première instance ou d'une cour d'appel, section saisies, et d'un greffier et d'un magistrat d'une juridiction du travail, tous désignés par le ministre de la Justice, [2 ...]2 d'un représentant de la Banque Nationale de Belgique désigné par son gouverneur, d'un avocat désigné par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, d'un avocat désigné par l'Orde van Vlaamse Balies, d'un notaire désigné par la Chambre nationale des notaires, d'un notaire désigné par la Fédération royale du notariat belge, d'un huissier de justice désigné par la Chambre nationale, d'un huissier de justice-secrétaire désigné par le comité de direction de la Chambre nationale, d'un représentant du Service public fédéral Finances désigné par le Ministre des Finances, d'un médiateur de dettes du rôle linguistique français ou reconnu par l'autorité francophone compétente et d'un médiateur du rôle linguistique néerlandais ou reconnu par l'autorité néerlandophone compétente ayant tous deux une expérience effective d'au moins deux ans, désignés par le Ministre de la Justice, et d'un réviseur d'entreprises désigné par le conseil de l'Institut des réviseurs d'entreprises.]1
Le Comité de gestion et de surveillance ne peut valablement délibérer que si la moitié au moins de ses membres sont présents.
Les décisions du Comité de gestion et de surveillance sont prises à la majorité des voix. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
Les membres du Comité sont nommés pour une période de quatre ans, renouvelable.
Pour chaque membre du Comité, il est désigné un suppléant, suivant les mêmes modalités que pour les membres effectifs.
Si le mandat d'un membre effectif ou d'un membre suppléant prend fin avant terme, il est pourvu à son remplacement. Le remplaçant achève le mandat de son prédécesseur.
Le comité de gestion et de surveillance établit et arrête son règlement d'ordre intérieur, lequel est approuvé par le ministre de la Justice et public au Moniteur belge.
[1 Le Service public fédéral Justice organise l'hébergement et l'appui en personnel du Comité de gestion et de surveillance.]1
Art. 1389bis /9.<INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> De minister van Justitie bepaalt voor de voorzitter en de leden van het Beheers- en toezichtscomité het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de presentiegelden, de vergoedingen van de verblijfskosten, alsook de voorwaarden inzake terugbetaling van reiskosten. Alle kosten [1 bedoeld in dit artikel]1 worden gedragen door de Nationale Kamer.
Art. 1389bis /9. Le ministre de la Justice fixe, pour le président et les membres du Comité de gestion et de surveillance, le montant et les conditions d'octroi des jetons de présence, des indemnités pour frais de séjour ainsi que les conditions de remboursement de leurs frais de déplacement. Tous les frais [1 visés au présent article]1 sont supportés par la Chambre nationale.
Änderungen
Art. 1389bis /10.<INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> § 1. Het Beheers- en toezichtscomité heeft de volgende opdrachten :
1° waken over en bijdragen tot de doeltreffende en veilige werking van het [1 bestand van berichten]1 overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk;
2° advies uitbrengen over de uitvoeringsbesluiten bedoeld in de artikelen 1389bis/6 en 1391, § 3, en over de verzoeken bedoeld in artikel 1389bis/7;
3° aan de minister van Justitie op zijn verzoek een advies uitbrengen inzake elke vraag betreffende het bestand van berichten;
4° advies verlenen, ambtshalve of na een verzoek overeenkomstig artikel 1389bis/13, over elke moeilijkheid of elk geschil dat kan rijzen betreffende de toepassing van dit hoofdstuk en de uitvoeringsmaatregelen ervan;
5° de Nationale Kamer ermee gelasten de [3 toegang tot het bestand van berichten af te sluiten]3 overeenkomstig artikel 1389bis/14;
[1 6° advies uitbrengen over de organisatie van het bestand van berichten en de invloed van de uitbatingsprocedures op de kosten ervan, alsook over het ontwerp van jaarlijks budget van het bestand van berichten en het jaarlijks opvolgingsrapport betreffende dit budget.]1
§ 2. [2 ...]2
1° waken over en bijdragen tot de doeltreffende en veilige werking van het [1 bestand van berichten]1 overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk;
2° advies uitbrengen over de uitvoeringsbesluiten bedoeld in de artikelen 1389bis/6 en 1391, § 3, en over de verzoeken bedoeld in artikel 1389bis/7;
3° aan de minister van Justitie op zijn verzoek een advies uitbrengen inzake elke vraag betreffende het bestand van berichten;
4° advies verlenen, ambtshalve of na een verzoek overeenkomstig artikel 1389bis/13, over elke moeilijkheid of elk geschil dat kan rijzen betreffende de toepassing van dit hoofdstuk en de uitvoeringsmaatregelen ervan;
5° de Nationale Kamer ermee gelasten de [3 toegang tot het bestand van berichten af te sluiten]3 overeenkomstig artikel 1389bis/14;
[1 6° advies uitbrengen over de organisatie van het bestand van berichten en de invloed van de uitbatingsprocedures op de kosten ervan, alsook over het ontwerp van jaarlijks budget van het bestand van berichten en het jaarlijks opvolgingsrapport betreffende dit budget.]1
§ 2. [2 ...]2
Art. 1389bis /10. § 1er. Le Comité de gestion et de surveillance a pour missions :
1° de veiller et de contribuer au fonctionnement efficace et sûr du [1 fichier des avis]1 conformément aux dispositions du présent chapitre;
2° de donner un avis sur les arrêtés d'exécution visés aux articles 1389bis/6 et 1391, § 3, et sur les demandes visées à l'article 1389bis/7;
3° de donner au ministre de la Justice et à sa demande, un avis au sujet de toute question relative au fichier des avis;
4° de donner un avis, d'office ou suite à une demande formulée conformément à l'article 1389bis/13, au sujet de toute difficulté ou de tout différend qui pourrait résulter de l'application du présent chapitre et de ses mesures d'exécution;
5° d'ordonner à la Chambre nationale de [3 couper l'accès au fichier des avis]3 conformément à l'article 1389bis/14;
[1 6° de formuler un avis concernant l'organisation du fichier des avis et l'impact des procédures d'exploitation sur son coût, ainsi que concernant le projet de budget annuel du fichier des avis et le rapport de suivi annuel y afférent.]1
§ 2. [2 ...]2
1° de veiller et de contribuer au fonctionnement efficace et sûr du [1 fichier des avis]1 conformément aux dispositions du présent chapitre;
2° de donner un avis sur les arrêtés d'exécution visés aux articles 1389bis/6 et 1391, § 3, et sur les demandes visées à l'article 1389bis/7;
3° de donner au ministre de la Justice et à sa demande, un avis au sujet de toute question relative au fichier des avis;
4° de donner un avis, d'office ou suite à une demande formulée conformément à l'article 1389bis/13, au sujet de toute difficulté ou de tout différend qui pourrait résulter de l'application du présent chapitre et de ses mesures d'exécution;
5° d'ordonner à la Chambre nationale de [3 couper l'accès au fichier des avis]3 conformément à l'article 1389bis/14;
[1 6° de formuler un avis concernant l'organisation du fichier des avis et l'impact des procédures d'exploitation sur son coût, ainsi que concernant le projet de budget annuel du fichier des avis et le rapport de suivi annuel y afférent.]1
§ 2. [2 ...]2
Art. 1389bis /11. <INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Ieder jaar brengt het Beheers- en toezichtscomité verslag uit over de vervulling van zijn opdrachten gedurende het afgelopen jaar. Dat verslag bevat suggesties met betrekking tot de wenselijkheid om wijzigingen aan te brengen in het stelsel van openbaarheid dat met het bestand van berichten wordt verwezenlijkt.
Het verslag bevat eveneens een analyse van de inkomsten en de uitgaven verbonden aan het bestand van berichten.
Het verslag wordt medegedeeld aan de wetgevende Kamers en aan de minister van Justitie.
Het verslag bevat eveneens een analyse van de inkomsten en de uitgaven verbonden aan het bestand van berichten.
Het verslag wordt medegedeeld aan de wetgevende Kamers en aan de minister van Justitie.
Art. 1389bis /11. Chaque année, le Comité de gestion et de surveillance fait un rapport sur l'exécution de ses missions au cours de l'année écoulée. Ce rapport contient des suggestions relativement à l'opportunité de modifier le système de publicité mis en place au moyen du fichier des avis.
Le rapport comporte également une analyse des revenus et des dépenses liés au fichier des avis.
Le rapport est communiqué aux Chambres législatives et au ministre de la Justice.
Le rapport comporte également une analyse des revenus et des dépenses liés au fichier des avis.
Le rapport est communiqué aux Chambres législatives et au ministre de la Justice.
Art. 1389bis /12. <INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> § 1. Het Beheers- en toezichtscomité kan alle inlichtingen verzamelen die nodig zijn voor de uitoefening van zijn taken bedoeld in artikel 1389bis/10, § 1. Het kan daartoe personen horen en pertinente documenten opvragen en heeft tevens toegang tot het bestand der berichten en tot alle gegevens met betrekking tot de werking ervan. De personen die worden gehoord of die documenten dienen mee te delen, zijn gemachtigd gegevens mee te delen die gedekt zijn door het beroepsgeheim.
§ 2. Indien het Beheers- en toezichtscomité dit nuttig acht voor de uitoefening van zijn taken bedoeld in artikel 1389bis/10, § 1, kan het de tuchtoverheid of de hiërarchische meerdere inlichten over nalatigheden en tekortkomingen vastgesteld ten laste van de personen bedoeld in artikel 1389bis/3. Het kan deze tevens belasten met een onderzoek terzake en met het uitbrengen van een schriftelijk verslag binnen de gevraagde termijn.
Indien het Beheers- en toezichtscomité in het kader van de uitoefening van zijn taken kennis heeft van een schending van de artikelen 1389bis/15 en 1389bis/16 of van enig ander misdrijf, geeft het hiervan kennis aan de bevoegde procureur des Konings.
§ 3. Artikel 1389bis/4 is van toepassing op de leden van het Beheers- en toezichtscomité voor alle gegevens waarvan zij bij de uitoefening van hun ambt kennis hebben gekregen alsook op de personen aan wie het Comité in de uitoefening van haar taken deze gegevens meedeelt.
§ 2. Indien het Beheers- en toezichtscomité dit nuttig acht voor de uitoefening van zijn taken bedoeld in artikel 1389bis/10, § 1, kan het de tuchtoverheid of de hiërarchische meerdere inlichten over nalatigheden en tekortkomingen vastgesteld ten laste van de personen bedoeld in artikel 1389bis/3. Het kan deze tevens belasten met een onderzoek terzake en met het uitbrengen van een schriftelijk verslag binnen de gevraagde termijn.
Indien het Beheers- en toezichtscomité in het kader van de uitoefening van zijn taken kennis heeft van een schending van de artikelen 1389bis/15 en 1389bis/16 of van enig ander misdrijf, geeft het hiervan kennis aan de bevoegde procureur des Konings.
§ 3. Artikel 1389bis/4 is van toepassing op de leden van het Beheers- en toezichtscomité voor alle gegevens waarvan zij bij de uitoefening van hun ambt kennis hebben gekregen alsook op de personen aan wie het Comité in de uitoefening van haar taken deze gegevens meedeelt.
Art. 1389bis /12. § 1er. Le Comité de gestion et de surveillance peut recueillir tous les renseignements nécessaires à l'exécution de ses missions visées à l'article 1389bis/10, § 1er. A cette fin, il peut procéder à des auditions et exiger la production de documents pertinents; il a en outre accès au fichier des avis et à toutes les données relatives à son fonctionnement. Les personnes entendues ou tenues de produire des documents sont habilitées à communiquer des données tombant sous le couvert du secret professionnel.
§ 2. Si le Comité de gestion et de surveillance le juge utile à l'exécution de ses missions visées à l'article 1389bis/10, § 1er, il peut informer l'autorité disciplinaire ou le supérieur hiérarchique des négligences et manquements constatés à charge des personnes visées à l'article 1389bis/3; il peut aussi le charger d'enquêter à ce sujet et de remettre un rapport écrit dans le délai imparti.
Si, dans le cadre de l'exécution de ses missions, le Comité de gestion et de surveillance a connaissance d'une violation des articles 1389bis/15 et 1389bis/16 ou de quelque autre délit, il en informe le procureur du Roi compétent.
§ 3. L'article 1389bis/4 est applicable aux membres du Comité de gestion et de surveillance pour toutes les données dont ils ont eu connaissance dans l'exercice de leur fonction, ainsi qu'aux personnes auxquelles le Comité communique ces données dans le cadre de l'exécution de ses missions.
§ 2. Si le Comité de gestion et de surveillance le juge utile à l'exécution de ses missions visées à l'article 1389bis/10, § 1er, il peut informer l'autorité disciplinaire ou le supérieur hiérarchique des négligences et manquements constatés à charge des personnes visées à l'article 1389bis/3; il peut aussi le charger d'enquêter à ce sujet et de remettre un rapport écrit dans le délai imparti.
Si, dans le cadre de l'exécution de ses missions, le Comité de gestion et de surveillance a connaissance d'une violation des articles 1389bis/15 et 1389bis/16 ou de quelque autre délit, il en informe le procureur du Roi compétent.
§ 3. L'article 1389bis/4 est applicable aux membres du Comité de gestion et de surveillance pour toutes les données dont ils ont eu connaissance dans l'exercice de leur fonction, ainsi qu'aux personnes auxquelles le Comité communique ces données dans le cadre de l'exécution de ses missions.
Art. 1389bis /13. <INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Eenieder kan zich schriftelijk tot het Beheers- en toezichtscomité wenden om het in kennis te stellen van feiten of toestanden die naar zijn oordeel het optreden van het Comité vereisen of om nuttige voorstellen te doen.
Tenzij de persoon die zich tot het Beheers- en toezichtscomité heeft gericht er uitdrukkelijk mee instemt, mag het Comité zijn identiteit niet bekend maken en evenmin de wijze waarop het is gevat.
Het Beheers- en toezichtscomité deelt aan de verzoeker bedoeld in het eerste lid de gegevens mee die het nuttig acht.
Tenzij de persoon die zich tot het Beheers- en toezichtscomité heeft gericht er uitdrukkelijk mee instemt, mag het Comité zijn identiteit niet bekend maken en evenmin de wijze waarop het is gevat.
Het Beheers- en toezichtscomité deelt aan de verzoeker bedoeld in het eerste lid de gegevens mee die het nuttig acht.
Art. 1389bis /13. Toute personne peut s'adresser par écrit au Comité de gestion et de surveillance pour lui signaler des faits ou des situations qui, à son estime, nécessitent l'intervention du Comité de surveillance ou lui faire toute suggestion utile.
Sauf accord exprès de la personne qui s'est adressée à lui, le Comité ne peut en révéler l'identité ni son mode de saisie.
Le Comité de gestion et de surveillance communique au requérant visé à l'alinéa premier les données qu'il juge utiles.
Sauf accord exprès de la personne qui s'est adressée à lui, le Comité ne peut en révéler l'identité ni son mode de saisie.
Le Comité de gestion et de surveillance communique au requérant visé à l'alinéa premier les données qu'il juge utiles.
Art. 1389bis /14.<INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> In afwachting van de resultaten van de maatregelen bedoeld in artikel 1389bis/12, kan het Beheers- en toezichtscomité de Nationale Kamer gelasten de [1 toegang]1 tot het bestand van berichten voor een eenmalig verlengbare maximum termijn van één jaar, [1 af te sluiten]1 wanneer redelijke aanwijzingen bestaan dat de houder ervan de artikelen 1389bis/4, 1391, § 4, of 1391, § 5, niet heeft nageleefd. Behoudens het geval van absolute noodzakelijkheid, wordt de betrokkene vooraf gehoord.
Wanneer de [1 toegang]1 van een gerechtsdeurwaarder overeenkomstig het eerste lid [1 werd afgesloten]1, kan deze laatste slechts toegang tot het bestand van berichten verkrijgen onder het toezicht en door tussenkomst van zijn syndicus of van een lid van de arrondissementskamer aangeduid door de syndicus.
Wanneer de [1 toegang]1 van een gerechtsdeurwaarder overeenkomstig het eerste lid [1 werd afgesloten]1, kan deze laatste slechts toegang tot het bestand van berichten verkrijgen onder het toezicht en door tussenkomst van zijn syndicus of van een lid van de arrondissementskamer aangeduid door de syndicus.
Art. 1389bis /14. Dans l'attente des résultats des mesures visées à l'article 1389bis/12, le Comité peut enjoindre à la Chambre nationale de [1 couper]1, pour une durée d'un an maximum, une seule fois prorogeable, [1 l'accès]1 au fichier des avis, lorsqu'il existe des indices raisonnables que le titulaire n'a pas respecté les articles 1389bis/4, 1391, § 4, ou 1391, § 5. Sauf en cas d'absolue nécessité, l'intéressé est préalablement entendu.
Lorsqu'en vertu de l'alinéa premier, [1 l'accès]1 d'un huissier de justice [1 a été coupé]1, celui-ci ne peut accéder au fichier des avis que sous le contrôle et à l'intervention de son syndic ou d'un membre du conseil de la chambre d'arrondissement désigné par le syndic.
Lorsqu'en vertu de l'alinéa premier, [1 l'accès]1 d'un huissier de justice [1 a été coupé]1, celui-ci ne peut accéder au fichier des avis que sous le contrôle et à l'intervention de son syndic ou d'un membre du conseil de la chambre d'arrondissement désigné par le syndic.
Änderungen
Art. 1389bis /15. <INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Worden gestraft met een geldboete van honderd tot vijfduizend frank, de organen of de aangestelden van de Nationale Kamer die :
1° niet alle maatregelen hebben genomen die het mogelijk maken de veiligheid en de vertrouwelijkheid van de verwerkte persoonsgegevens te waarborgen;
2° het individueel register bedoeld in artikel 1389bis/3 niet bijgewerkt hebben.
1° niet alle maatregelen hebben genomen die het mogelijk maken de veiligheid en de vertrouwelijkheid van de verwerkte persoonsgegevens te waarborgen;
2° het individueel register bedoeld in artikel 1389bis/3 niet bijgewerkt hebben.
Art. 1389bis /15. Sont punis d'une amende de cent à cinq mille francs, les organes ou préposés de la Chambre nationale qui :
1° n'ont pas pris toutes les mesures devant permettre de garantir la sécurité et la confidentialité des données à caractère personnel traitées;
2° n'ont pas tenu à jour le registre individuel visé à l'article 1389bis/3.
1° n'ont pas pris toutes les mesures devant permettre de garantir la sécurité et la confidentialité des données à caractère personnel traitées;
2° n'ont pas tenu à jour le registre individuel visé à l'article 1389bis/3.
Art. 1389bis /16.<INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van honderd tot vijfduizend frank of met een van deze straffen, de personen die :
1° [1 behalve in bij of krachtens de wet bepaalde gevallen, een derde bewust toegang hebben verschaft tot het bestand van berichten door hun authentificatiemiddelen te verstrekken;]1
2° in strijd met de bepalingen van artikel 1389bis/4 en met uitzondering van de gevallen bepaald bij of krachtens de wet, het vertrouwelijk karakter van de gegevens geregistreerd in het bestand van berichten niet hebben bewaard;
3° het bestand van berichten hebben geraadpleegd, zonder dat zij zich bevinden in een van de gevallen bedoeld in artikel 1391, § 1, of die gegevens verkregen uit dat bestand gebruiken voor een ander doel dan datgene dat de toegang tot het bestand kon wettigen.
1° [1 behalve in bij of krachtens de wet bepaalde gevallen, een derde bewust toegang hebben verschaft tot het bestand van berichten door hun authentificatiemiddelen te verstrekken;]1
2° in strijd met de bepalingen van artikel 1389bis/4 en met uitzondering van de gevallen bepaald bij of krachtens de wet, het vertrouwelijk karakter van de gegevens geregistreerd in het bestand van berichten niet hebben bewaard;
3° het bestand van berichten hebben geraadpleegd, zonder dat zij zich bevinden in een van de gevallen bedoeld in artikel 1391, § 1, of die gegevens verkregen uit dat bestand gebruiken voor een ander doel dan datgene dat de toegang tot het bestand kon wettigen.
Art. 1389bis /16. Sont punis d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de cent à cinq mille francs ou d'une de ces peines seulement, les personnes qui :
1° [1 hormis les cas prévus par ou en vertu de la loi, ont sciemment permis à un tiers d'accéder au fichier des avis en fournissant leurs moyens d'authentification;]1
2° contrairement aux dispositions de l'article 1389bis/4 et hormis les cas prévus par ou en vertu de la loi, n'ont pas respecté le caractère confidentiel des données enregistrées dans le fichier des avis;
3° ont consulté le fichier des avis, sans se trouver dans l'un des cas visés à l'article 1391, § 1er, ou ont utilisé les données issues au fichier à un fin autre que celle qui pouvait justifier l'accès au fichier.
1° [1 hormis les cas prévus par ou en vertu de la loi, ont sciemment permis à un tiers d'accéder au fichier des avis en fournissant leurs moyens d'authentification;]1
2° contrairement aux dispositions de l'article 1389bis/4 et hormis les cas prévus par ou en vertu de la loi, n'ont pas respecté le caractère confidentiel des données enregistrées dans le fichier des avis;
3° ont consulté le fichier des avis, sans se trouver dans l'un des cas visés à l'article 1391, § 1er, ou ont utilisé les données issues au fichier à un fin autre que celle qui pouvait justifier l'accès au fichier.
Änderungen
Art. 1389bis /17.<INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> [1 De rechter kan beslissen dat de toegang tot het bestand van berichten van een veroordeelde persoon voor ten hoogste vijf jaar wordt afgesloten.]1
Wanneer de [1 toegang]1 van een gerechtsdeurwaarder overeenkomstig het eerste lid [1 werd afgesloten]1, kan deze laatste slechts toegang tot het bestand van berichten verkrijgen onder het toezicht en door tussenkomst van zijn syndicus of van een lid van de arrondissementskamer door de syndicus aangeduid.
Wanneer de [1 toegang]1 van een gerechtsdeurwaarder overeenkomstig het eerste lid [1 werd afgesloten]1, kan deze laatste slechts toegang tot het bestand van berichten verkrijgen onder het toezicht en door tussenkomst van zijn syndicus of van een lid van de arrondissementskamer door de syndicus aangeduid.
Art. 1389bis /17. [1 Le juge peut décider que l'accès au fichier des avis d'une personne condamnée est coupé pour une période n'excédant pas cinq ans.]1
Lorsqu'en vertu de l'alinéa premier [1 l'accès]1 d'un huissier de justice [1 a été coupé]1, celui-ci ne peut accéder au fichier des avis que sous le contrôle et à l'intervention de son syndic ou d'un membre [1 ...]1 de la chambre d'arrondissement désigné par le syndic.
Lorsqu'en vertu de l'alinéa premier [1 l'accès]1 d'un huissier de justice [1 a été coupé]1, celui-ci ne peut accéder au fichier des avis que sous le contrôle et à l'intervention de son syndic ou d'un membre [1 ...]1 de la chambre d'arrondissement désigné par le syndic.
Änderungen
Art. 1389bis /18. <INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, doch met uitzondering van hoofdstuk V, zijn van toepassing op de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 1389bis/15 en 1389bis/16.
Art. 1389bis /18. Toutes les dispositions du livre premier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, mais le chapitre V excepté sont applicables aux infractions visées aux articles 1389bis/15 et 1389bis/16.
Afdeling III. - (Registratie, mededeling en raadpleging van de gegevens).
Section III. - (Enregistrement, communication et consultation des données).
Art.1390. <W 2000-05-29/36, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011> § 1. Wanneer een bevel voorafgaand aan uitvoerend beslag op onroerend goed wordt [4 betekend]4 (of wanneer een bevel voorafgaand aan het uitvoerend beslag op roerend goed wordt betekend) of wanneer beslag op roerende of onroerende goederen wordt gelegd of wanneer vaststelling van niet-bevinding werd gedaan, zendt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder op eigen verantwoordelijkheid aan het bestand van berichten ten laatste drie werkdagen volgend op de handeling, een bericht met de vermelding van : <W 2003-03-27/65, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
1° naam, voornamen, woonplaats, of naam, rechtsvorm en zetel, geboortedatum en/of [1 ondernemingsnummer]1 en gekozen woonplaats van de beslaglegger;
2° naam, voornamen, woonplaats of bij gebreke daarvan verblijfplaats, of naam, rechtsvorm, zetel, geboortedatum en/of [2 ...]2 [1 ondernemingsnummer]1 van de beslagen schuldenaar;
3° [4 datum waarop het bevel of beslag heeft plaatsgevonden, het type bericht, en in voorkomend geval het type en soort beslag, de plaats waar het beslag is verricht, de datum van betekening aan de beslagen schuldenaar;]4
4° in voorkomend geval, identiteit en woonplaats of zetel van de derde-beslagene;
5° aard en bedrag van de schuldvordering van de beslaglegger, alsook eventuele redenen van voorrang;
6° in voorkomend geval, een korte beschrijving van de aard van de inbeslaggenomen lichamelijke roerende goederen;
7° bij vaststelling van niet-bevinding, de vermelding dat de voor beslag vatbare goederen van de schuldenaar kennelijk ontoereikend zijn om de kosten van de procedure te dekken;
8° de identiteit van de gerechtsdeurwaarder verantwoordelijk voor de procedure van tenuitvoerlegging, en die daardoor, in voorkomend geval, belast zal zijn met de verdeling van de gelden;
[4 9° de datum waarop de openbare gerechtelijke verkoping heeft plaatsgevonden;"
10° de datum van kantonnement bedoeld in artikel 1404.]4
Het bericht van beslag bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld en gezonden door de griffier [3 , de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, in het kader van de uitoefening van hun ambt en de vervulling van hun missie, met het oog op de vestiging, de inning en de invordering van de fiscale schuldvorderingen en van de niet-fiscale schuldvorderingen die tot de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Financiën behoren,]3 of de ontvanger belast met de inning wanneer de procedure door hun toedoen wordt ingezet.
[2 Met " ontvanger " in het tweede lid worden [3 ...]3 de gewestelijke ontvangers, de personeelsleden van het Agentschap Vlaamse Belastingsdienst, de provinciale en gemeenteontvangers bedoeld.]2
(Het eerste lid is niet van toepassing op het beslag op zeeschepen en binnenschepen.) <W 2003-03-27/65, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
[4 § 1/1. Wanneer een bevel tot uithuiszetting wordt betekend, zendt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, onder zijn verantwoordelijkheid, uiterlijk binnen drie werkdagen na de akte, een bericht aan het bestand van berichten met de vermelding:
1° naam, voornamen, woonplaats of benaming, rechtsvorm en zetel, geboortedatum en/of ondernemingsnummer en gekozen woonplaats van de gebeurlijke verhuurder;
2° naam, voornamen, woonplaats of, indien er geen woonplaats is, verblijfplaats, of naam, rechtsvorm en zetel, geboortedatum en/of ondernemingsnummer van de persoon die uitgezet wordt;
3° de datum waarop het bevel is betekend;
4° het adres van de plaats waar de uithuiszetting moet plaatsvinden;
5° de identiteit van de gerechtsdeurwaarder die het bevel heeft betekend;
6° de datum waarop de uitspraak werd verleend die de uithuiszetting beveelt, en, in voorkomend geval, het aantal maanden huurachterstal en het totale bedrag daarvan;
7° de datum van het proces-verbaal van uitzetting;
8° het al dan niet nog verblijven van de betrokkene op het adres vermeld in de bepaling onder 4° op het ogenblik van de uithuiszetting.
De bepaling onder 7° is alleen van toepassing indien de uithuiszetting kon worden uitgevoerd, en moet binnen de drie dagen na de akte worden voltooid.]4
§ 2. Wanneer er reeds een [4 uitvoerend]4 beslag is gelegd, kan iedere schuldeiser van wie de schuldvordering overeenkomstig artikel 1628, eerste lid, in aanmerking komt voor de verdeling, door bemiddeling [4 ...]4 van een gerechtsdeurwaarder, in verzet komen, door aan het bestand van berichten een bericht te zenden dat de relevante gegevens omschreven in § 1 bevat alsmede de vermeldingen bedoeld in artikel 1629, lid 1, 1° en 2°.
(Een bericht van bevel of beslag geldt in alle omstandigheden als bericht van verzet.) <W 2003-03-27/65, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
1° naam, voornamen, woonplaats, of naam, rechtsvorm en zetel, geboortedatum en/of [1 ondernemingsnummer]1 en gekozen woonplaats van de beslaglegger;
2° naam, voornamen, woonplaats of bij gebreke daarvan verblijfplaats, of naam, rechtsvorm, zetel, geboortedatum en/of [2 ...]2 [1 ondernemingsnummer]1 van de beslagen schuldenaar;
3° [4 datum waarop het bevel of beslag heeft plaatsgevonden, het type bericht, en in voorkomend geval het type en soort beslag, de plaats waar het beslag is verricht, de datum van betekening aan de beslagen schuldenaar;]4
4° in voorkomend geval, identiteit en woonplaats of zetel van de derde-beslagene;
5° aard en bedrag van de schuldvordering van de beslaglegger, alsook eventuele redenen van voorrang;
6° in voorkomend geval, een korte beschrijving van de aard van de inbeslaggenomen lichamelijke roerende goederen;
7° bij vaststelling van niet-bevinding, de vermelding dat de voor beslag vatbare goederen van de schuldenaar kennelijk ontoereikend zijn om de kosten van de procedure te dekken;
8° de identiteit van de gerechtsdeurwaarder verantwoordelijk voor de procedure van tenuitvoerlegging, en die daardoor, in voorkomend geval, belast zal zijn met de verdeling van de gelden;
[4 9° de datum waarop de openbare gerechtelijke verkoping heeft plaatsgevonden;"
10° de datum van kantonnement bedoeld in artikel 1404.]4
Het bericht van beslag bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld en gezonden door de griffier [3 , de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, in het kader van de uitoefening van hun ambt en de vervulling van hun missie, met het oog op de vestiging, de inning en de invordering van de fiscale schuldvorderingen en van de niet-fiscale schuldvorderingen die tot de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Financiën behoren,]3 of de ontvanger belast met de inning wanneer de procedure door hun toedoen wordt ingezet.
[2 Met " ontvanger " in het tweede lid worden [3 ...]3 de gewestelijke ontvangers, de personeelsleden van het Agentschap Vlaamse Belastingsdienst, de provinciale en gemeenteontvangers bedoeld.]2
(Het eerste lid is niet van toepassing op het beslag op zeeschepen en binnenschepen.) <W 2003-03-27/65, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
[4 § 1/1. Wanneer een bevel tot uithuiszetting wordt betekend, zendt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, onder zijn verantwoordelijkheid, uiterlijk binnen drie werkdagen na de akte, een bericht aan het bestand van berichten met de vermelding:
1° naam, voornamen, woonplaats of benaming, rechtsvorm en zetel, geboortedatum en/of ondernemingsnummer en gekozen woonplaats van de gebeurlijke verhuurder;
2° naam, voornamen, woonplaats of, indien er geen woonplaats is, verblijfplaats, of naam, rechtsvorm en zetel, geboortedatum en/of ondernemingsnummer van de persoon die uitgezet wordt;
3° de datum waarop het bevel is betekend;
4° het adres van de plaats waar de uithuiszetting moet plaatsvinden;
5° de identiteit van de gerechtsdeurwaarder die het bevel heeft betekend;
6° de datum waarop de uitspraak werd verleend die de uithuiszetting beveelt, en, in voorkomend geval, het aantal maanden huurachterstal en het totale bedrag daarvan;
7° de datum van het proces-verbaal van uitzetting;
8° het al dan niet nog verblijven van de betrokkene op het adres vermeld in de bepaling onder 4° op het ogenblik van de uithuiszetting.
De bepaling onder 7° is alleen van toepassing indien de uithuiszetting kon worden uitgevoerd, en moet binnen de drie dagen na de akte worden voltooid.]4
§ 2. Wanneer er reeds een [4 uitvoerend]4 beslag is gelegd, kan iedere schuldeiser van wie de schuldvordering overeenkomstig artikel 1628, eerste lid, in aanmerking komt voor de verdeling, door bemiddeling [4 ...]4 van een gerechtsdeurwaarder, in verzet komen, door aan het bestand van berichten een bericht te zenden dat de relevante gegevens omschreven in § 1 bevat alsmede de vermeldingen bedoeld in artikel 1629, lid 1, 1° en 2°.
(Een bericht van bevel of beslag geldt in alle omstandigheden als bericht van verzet.) <W 2003-03-27/65, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
Art.1390. <L 2000-05-29/36, art. 2, 035; En vigueur : 29-01-2011> § 1er. Lorsqu'un commandement préalable à une saisie-exécution immobilière est [4 signifié]4 (ou lorsqu'un commandement préalable à la saisie-exécution mobilière est signifié,) ou lorsqu'une saisie de biens meubles ou immeubles est pratiquée ou lorsqu'il y eu constat de carence, l'huissier de justice instrumentant adresse, sous sa responsabilité au fichier des avis, au plus tard dans les trois jours ouvrables qui suivent l'acte, un avis relatant : <L 2003-03-27/65, art. 2, 043; En vigueur : 29-01-2011>
1° les nom, prénoms, domicile, ou dénomination, nature juridique et siège, la date de naissance et/ou le numéro [1 d'entreprise]1 et le domicile élu du saisissant;
2° les nom, prénoms, domicile, à défaut de domicile, la résidence, ou la dénomination, la nature juridique et le siège, la date de naissance et/ou [2 ...]2 le numéro [1 d'entreprise]1 du débiteur saisi;
3° [4 la date à laquelle le commandement ou la saisie a eu lieu, le type d'avis et, le cas échéant, le type et la nature de la saisie, le lieu où la saisie a été effectuée, la date de la signification au débiteur saisi;]4
4° s'il y a lieu, l'identité et le domicile ou siège du tiers saisi;
5° la nature et le montant de la créance du saisissant, ainsi que les causes éventuelles de préférence s'il échet;
6° le cas échéant, une brève description de la nature des meubles corporels saisis;
7° s'il y a eu constat de carence, la mention que les biens saisissables du débiteur sont d'une valeur manifestement insuffisante pour couvrir les frais de la procédure;
8° l'identité de l'huissier de justice portant la responsabilité de la procédure d'exécution et qui, de ce fait, sera, le cas échéant, chargé de répartir les montants;
[4 9° la date à laquelle la vente publique judiciaire a eu lieu;"
10° la date du cantonnement visée à l'article 1404.]4
L'avis de saisie, prévu à l'alinéa 1er, est établi et adressé par le greffier [3 , les agents du Service public fédéral Finances, dans le cadre de l'exercice de leurs fonctions et de la poursuite de leur mission, en vue de l'établissement, de la perception et du recouvrement des créances fiscales et des créances non-fiscales qui relèvent de la compétence du Service public fédéral Finances,]3 ou le receveur chargé du recouvrement lorsque la procédure est mise en oeuvre par leurs soins.
[2 Par " receveur ", on entend, à l'alinéa 2, [3 ...]3 les receveurs régionaux, les membres du personnel de l'Agentschap Vlaamse Belastingsdienst, les receveurs provinciaux et communaux.]2
(L'alinéa 1er ne s'applique pas aux saisies pratiquées sur des navires de mer ou des bateaux de navigation intérieure.) <L 2003-03-27/65, art. 2, 043; En vigueur : 29-01-2011>
[4 § 1er/1. Lorsqu'un commandement de déguerpir est signifié, l'huissier de justice instrumentant adresse, sous sa responsabilité au fichier des avis, au plus tard dans les trois jours ouvrables qui suivent l'acte, un avis relatant:
1° les nom, prénoms, domicile, ou dénomination, nature juridique et siège, la date de naissance et/ou le numéro d'entreprise et le domicile élu du bailleur éventuel;
2° les nom, prénoms, domicile, à défaut de domicile, la résidence, ou la dénomination, la nature juridique et le siège, la date de naissance et/ou le numéro d'entreprise de l'expulsé;
3° la date à laquelle le commandement a été signifié;
4° l'adresse de l'endroit où l'expulsion doit se faire;
5° l'identité de l'huissier de justice ayant signifié le commandement;
6° la date à laquelle le jugement ordonnant l'expulsion a été rendu et, le cas échéant, le nombre de mois d'arriérés de loyer et leur montant total;
7° la date du procès-verbal d'expulsion;
8° le fait que la personne concernée réside toujours ou non à l'adresse mentionnée au 4° au moment de l'expulsion;
Le 7° ne s'applique que si l'expulsion a pu être réalisée, et doit être complété dans les trois jours suivant l'acte.]4
§ 2. Lorsqu'une saisie[4 -exécution]4 a déjà été pratiquée, tout créancier dont la créance peut entrer en compte de répartition en vertu de l'article 1628, alinéa 1er, peut former opposition, par l'intermédiaire [4 ...]4 d'un huissier de justice, en adressant au fichier des avis, un avis reprenant les mentions utiles prévues au § 1er et contenant les mentions prévues à l'article 1629, alinéa 1er, 1° et 2°.
(Un avis de commandement ou de saisie a en toutes circonstances valeur d'avis d'opposition.) <L 2003-03-27/65, art. 2, 043; En vigueur : 29-01-2011>
1° les nom, prénoms, domicile, ou dénomination, nature juridique et siège, la date de naissance et/ou le numéro [1 d'entreprise]1 et le domicile élu du saisissant;
2° les nom, prénoms, domicile, à défaut de domicile, la résidence, ou la dénomination, la nature juridique et le siège, la date de naissance et/ou [2 ...]2 le numéro [1 d'entreprise]1 du débiteur saisi;
3° [4 la date à laquelle le commandement ou la saisie a eu lieu, le type d'avis et, le cas échéant, le type et la nature de la saisie, le lieu où la saisie a été effectuée, la date de la signification au débiteur saisi;]4
4° s'il y a lieu, l'identité et le domicile ou siège du tiers saisi;
5° la nature et le montant de la créance du saisissant, ainsi que les causes éventuelles de préférence s'il échet;
6° le cas échéant, une brève description de la nature des meubles corporels saisis;
7° s'il y a eu constat de carence, la mention que les biens saisissables du débiteur sont d'une valeur manifestement insuffisante pour couvrir les frais de la procédure;
8° l'identité de l'huissier de justice portant la responsabilité de la procédure d'exécution et qui, de ce fait, sera, le cas échéant, chargé de répartir les montants;
[4 9° la date à laquelle la vente publique judiciaire a eu lieu;"
10° la date du cantonnement visée à l'article 1404.]4
L'avis de saisie, prévu à l'alinéa 1er, est établi et adressé par le greffier [3 , les agents du Service public fédéral Finances, dans le cadre de l'exercice de leurs fonctions et de la poursuite de leur mission, en vue de l'établissement, de la perception et du recouvrement des créances fiscales et des créances non-fiscales qui relèvent de la compétence du Service public fédéral Finances,]3 ou le receveur chargé du recouvrement lorsque la procédure est mise en oeuvre par leurs soins.
[2 Par " receveur ", on entend, à l'alinéa 2, [3 ...]3 les receveurs régionaux, les membres du personnel de l'Agentschap Vlaamse Belastingsdienst, les receveurs provinciaux et communaux.]2
(L'alinéa 1er ne s'applique pas aux saisies pratiquées sur des navires de mer ou des bateaux de navigation intérieure.) <L 2003-03-27/65, art. 2, 043; En vigueur : 29-01-2011>
[4 § 1er/1. Lorsqu'un commandement de déguerpir est signifié, l'huissier de justice instrumentant adresse, sous sa responsabilité au fichier des avis, au plus tard dans les trois jours ouvrables qui suivent l'acte, un avis relatant:
1° les nom, prénoms, domicile, ou dénomination, nature juridique et siège, la date de naissance et/ou le numéro d'entreprise et le domicile élu du bailleur éventuel;
2° les nom, prénoms, domicile, à défaut de domicile, la résidence, ou la dénomination, la nature juridique et le siège, la date de naissance et/ou le numéro d'entreprise de l'expulsé;
3° la date à laquelle le commandement a été signifié;
4° l'adresse de l'endroit où l'expulsion doit se faire;
5° l'identité de l'huissier de justice ayant signifié le commandement;
6° la date à laquelle le jugement ordonnant l'expulsion a été rendu et, le cas échéant, le nombre de mois d'arriérés de loyer et leur montant total;
7° la date du procès-verbal d'expulsion;
8° le fait que la personne concernée réside toujours ou non à l'adresse mentionnée au 4° au moment de l'expulsion;
Le 7° ne s'applique que si l'expulsion a pu être réalisée, et doit être complété dans les trois jours suivant l'acte.]4
§ 2. Lorsqu'une saisie[4 -exécution]4 a déjà été pratiquée, tout créancier dont la créance peut entrer en compte de répartition en vertu de l'article 1628, alinéa 1er, peut former opposition, par l'intermédiaire [4 ...]4 d'un huissier de justice, en adressant au fichier des avis, un avis reprenant les mentions utiles prévues au § 1er et contenant les mentions prévues à l'article 1629, alinéa 1er, 1° et 2°.
(Un avis de commandement ou de saisie a en toutes circonstances valeur d'avis d'opposition.) <L 2003-03-27/65, art. 2, 043; En vigueur : 29-01-2011>
Art. 1390bis. <W 2000-05-29/36, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Wanneer krachtens de artikelen [2 203ter, 220, § 3, 221, 301, § 11, van het Burgerlijk Wetboek of artikel 1253ter/5, eerste lid, 6°]2, van dit Wetboek een delegatie wordt toegekend, [1 stelt naar gelang van het geval de griffier, de gerechtsdeurwaarder of de ambtenaar die toepassing maakt van artikel 15 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën]1 binnen drie werkdagen na de kennisgeving of de betekening, een bericht van delegatie op, dat aan het bestand van berichten wordt gezonden.
Het bericht van delegatie vermeldt :
1° naam, voornamen [3 ...]3, woonplaats en geboortedatum van de delegataris;
2° naam, voornamen, woonplaats of bij gebreke daarvan verblijfplaats en geboortedatum van de delegant;
3° identiteit, woonplaats of zetel en in voorkomend geval geboortedatum van de gedelegeerde derde;
4° het bedrag, de voorwaarden, de grenzen en de oorzaak van de delegatie.
Wanneer op grond van de artikelen [2 203ter, 220, § 3, 221, 301, § 11, van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 1253ter/5, eerste lid, 6°]2, van dit Wetboek een delegatie wordt gevorderd, raadpleegt de griffier van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt op de wijze bepaald in artikel 1391 kosteloos de berichten bedoeld in dit artikel. Indien er berichten bestaan, maakt hij de lijst ervan op en voegt deze bij het dossier.
Indien de inkomsten of de geldsommen waarop de vordering betrekking heeft reeds het voorwerp zijn van een delegatie of een beslag op grond van uitkeringen tot levensonderhoud, geeft de griffier aan de begunstigde van de delegatie of aan de beslaglegger, teneinde hem in geding te betrekken, bij gerechtsbrief kennis van een afschrift van een afschrift van het verzoekschrift of van de dagvaarding, met uitnodiging om te verschijnen.
De verweerder kan in het geding eveneens de schuldeisers betrekken jegens wie hij veroordeeld is om een uitkering tot levensonderhoud te betalen, maar die geen delegatie genieten, noch beslag gelegd hebben.
Na de partijen te hebben gehoord, bepaalt de rechter indien nodig de verdeling onder de gerechtigden van het levensonderhoud.
Het bericht van delegatie vermeldt :
1° naam, voornamen [3 ...]3, woonplaats en geboortedatum van de delegataris;
2° naam, voornamen, woonplaats of bij gebreke daarvan verblijfplaats en geboortedatum van de delegant;
3° identiteit, woonplaats of zetel en in voorkomend geval geboortedatum van de gedelegeerde derde;
4° het bedrag, de voorwaarden, de grenzen en de oorzaak van de delegatie.
Wanneer op grond van de artikelen [2 203ter, 220, § 3, 221, 301, § 11, van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 1253ter/5, eerste lid, 6°]2, van dit Wetboek een delegatie wordt gevorderd, raadpleegt de griffier van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt op de wijze bepaald in artikel 1391 kosteloos de berichten bedoeld in dit artikel. Indien er berichten bestaan, maakt hij de lijst ervan op en voegt deze bij het dossier.
Indien de inkomsten of de geldsommen waarop de vordering betrekking heeft reeds het voorwerp zijn van een delegatie of een beslag op grond van uitkeringen tot levensonderhoud, geeft de griffier aan de begunstigde van de delegatie of aan de beslaglegger, teneinde hem in geding te betrekken, bij gerechtsbrief kennis van een afschrift van een afschrift van het verzoekschrift of van de dagvaarding, met uitnodiging om te verschijnen.
De verweerder kan in het geding eveneens de schuldeisers betrekken jegens wie hij veroordeeld is om een uitkering tot levensonderhoud te betalen, maar die geen delegatie genieten, noch beslag gelegd hebben.
Na de partijen te hebben gehoord, bepaalt de rechter indien nodig de verdeling onder de gerechtigden van het levensonderhoud.
Art. 1390bis. <L 2000-05-29/36, art. 2, 035; En vigueur : 29-01-2011> Lorsqu'une délégation est accordée en vertu des articles [2 203ter, 220, § 3, 221, 301, § 11, du Code civil ou 1253ter/5, alinéa 1er, 6°]2, du présent Code, un avis de délégation est dans les trois jours ouvrables de la notification ou de la signification [1 établi, suivant les cas, par le greffier, l'huissier de justice ou l'officier qui fait application de l'article 15 de la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances]1 et adressé au fichier des avis.
L'avis de délégation relate :
1° les nom, prénoms [3 ...]3 et domicile et la date de naissance du délégataire;
2° les nom, prénoms et domicile, à défaut de domicile, la résidence et la date de naissance du délégant;
3° l'identité et le domicile ou siège et, le cas échéant, la date de naissance du tiers délégué;
4° le montant, les conditions, les limites et la cause de la délégation.
Lorsqu'une délégation est demandée en vertu des articles [2 203ter, 220, § 3, 221, 301, § 11, du Code civil ou 1253ter/5, alinéa 1er, 6°]2, du présent Code, le greffier de la juridiction saisie consulte, sans frais, selon les modalités fixées à l'article 1391, les avis prévus au présent article. S'il en existe, le greffier en établit le relevé qu'il joint au dossier.
Si les revenus ou les sommes sur lesquels porte la demande font déjà l'objet d'une délégation ou d'une saisie pour cause d'aliments, le greffier notifie sous pli judiciaire au bénéficiaire de la délégation ou au saisissant, pour le mettre à la cause, une copie de la requête ou de la citation avec invitation à comparaître.
Le défendeur peut également mettre à la cause les créanciers auxquels il a été condamné à payer des aliments mais qui ne bénéficient pas d'une délégation ou qui n'ont pas pratiqué une saisie.
Les parties entendues, le juge détermine, au besoin, la répartition à opérer entre les ayants droit d'aliments.
L'avis de délégation relate :
1° les nom, prénoms [3 ...]3 et domicile et la date de naissance du délégataire;
2° les nom, prénoms et domicile, à défaut de domicile, la résidence et la date de naissance du délégant;
3° l'identité et le domicile ou siège et, le cas échéant, la date de naissance du tiers délégué;
4° le montant, les conditions, les limites et la cause de la délégation.
Lorsqu'une délégation est demandée en vertu des articles [2 203ter, 220, § 3, 221, 301, § 11, du Code civil ou 1253ter/5, alinéa 1er, 6°]2, du présent Code, le greffier de la juridiction saisie consulte, sans frais, selon les modalités fixées à l'article 1391, les avis prévus au présent article. S'il en existe, le greffier en établit le relevé qu'il joint au dossier.
Si les revenus ou les sommes sur lesquels porte la demande font déjà l'objet d'une délégation ou d'une saisie pour cause d'aliments, le greffier notifie sous pli judiciaire au bénéficiaire de la délégation ou au saisissant, pour le mettre à la cause, une copie de la requête ou de la citation avec invitation à comparaître.
Le défendeur peut également mettre à la cause les créanciers auxquels il a été condamné à payer des aliments mais qui ne bénéficient pas d'une délégation ou qui n'ont pas pratiqué une saisie.
Les parties entendues, le juge détermine, au besoin, la répartition à opérer entre les ayants droit d'aliments.
Art. 1390ter. <W 2000-05-29/36, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Bij overdracht van loon zendt de aangezochte gerechtsdeurwaarder, die in het bezit is van een verklaring van de overnemer waaruit de achterstand in de betaling blijkt, op eigen verantwoordelijkheid en ten vroegste op de dag waarop aan de gecedeerde schuldenaar [4 de bevestiging werd gezonden dat het afschrift van de kennisgeving verzonden werd zoals bedoeld in artikel 28, 1° van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, aan het bestand van berichten een bericht van overdracht]4 waarin de volgende gegevens zijn vermeld :
1° naam, voornamen, woonplaats, of naam, rechtsvorm en maatschappelijke zetel, geboortedatum en/of [1 ondernemingsnummer]1 van de schuldeiser-overnemer;
2° [2 naam, voornamen, geboortedatum en woonplaats, of naam, rechtsvorm, maatschappelijke zetel en ondernemingsnummer van de overdrager;]2
3° identiteit en woonplaats, of bij gebreke daarvan verblijfplaats of naam, rechtsvorm en zetel, van de gecedeerde schuldenaar;
4° bedrag van het opeisbaar saldo van de schuldvordering van de overnemer;
5° in voorkomend geval, de vermelding dat de overdrager in verzet is gekomen en het beschikkend gedeelte van het vonnis dat daaruit voortvloeit.
Wanneer de overdracht van de geldsommen bedoeld in de artikelen 1409, 1409bis en 1410, § 1, overeenkomstig artikel [3 5.183]3 van het Burgerlijk Wetboek geschiedt, zendt de aangezochte gerechtsdeurwaarder, die in het bezit is van een verklaring van de overnemer waaruit de achterstand in de betaling blijkt, op eigen verantwoordelijkheid en ten vroegste op de dag van de betekening of de kennisgeving van de overdracht aan de gecedeerde schuldenaar of ten vroegste op de dag van de erkenning door deze laatste, aan het bestand van berichten een bericht toe waarin de in het eerste lid bedoelde gegevens zijn vermeld.
De overdracht bedoeld in lid 1 en 2 is slechts tegenstelbaar aan andere derden dan de gecedeerde schuldenaar vanaf het tijdstip waarop het bericht van overdracht bij het bestand van berichten is ontvangen.
1° naam, voornamen, woonplaats, of naam, rechtsvorm en maatschappelijke zetel, geboortedatum en/of [1 ondernemingsnummer]1 van de schuldeiser-overnemer;
2° [2 naam, voornamen, geboortedatum en woonplaats, of naam, rechtsvorm, maatschappelijke zetel en ondernemingsnummer van de overdrager;]2
3° identiteit en woonplaats, of bij gebreke daarvan verblijfplaats of naam, rechtsvorm en zetel, van de gecedeerde schuldenaar;
4° bedrag van het opeisbaar saldo van de schuldvordering van de overnemer;
5° in voorkomend geval, de vermelding dat de overdrager in verzet is gekomen en het beschikkend gedeelte van het vonnis dat daaruit voortvloeit.
Wanneer de overdracht van de geldsommen bedoeld in de artikelen 1409, 1409bis en 1410, § 1, overeenkomstig artikel [3 5.183]3 van het Burgerlijk Wetboek geschiedt, zendt de aangezochte gerechtsdeurwaarder, die in het bezit is van een verklaring van de overnemer waaruit de achterstand in de betaling blijkt, op eigen verantwoordelijkheid en ten vroegste op de dag van de betekening of de kennisgeving van de overdracht aan de gecedeerde schuldenaar of ten vroegste op de dag van de erkenning door deze laatste, aan het bestand van berichten een bericht toe waarin de in het eerste lid bedoelde gegevens zijn vermeld.
De overdracht bedoeld in lid 1 en 2 is slechts tegenstelbaar aan andere derden dan de gecedeerde schuldenaar vanaf het tijdstip waarop het bericht van overdracht bij het bestand van berichten is ontvangen.
Art. 1390ter. <L 2000-05-29/36, art. 2, 035; En vigueur : 29-01-2011> En cas de cession de rémunération, l'huissier de justice requis, muni d'une attestation de cessionnaire établissant l'existence de l'arriéré de paiement, adresse [4 au fichier des avis, sous sa responsabilité et au plus tôt le jour de l'envoi au débiteur cédé de la confirmation de l'envoi]4 de la copie de la notification visée à l'article 28, 1°, de la loi du 12 avril 1965 sur la protection de la rémunération des travailleurs, un avis de cession relatant :
1° les nom, prénoms, domicile ou dénomination, nature juridique et siège, la date de naissance et/ou le numéro [1 d'entreprise]1 du créancier cessionnaire;
2° [2 les nom, prénoms, date de naissance et domicile, ou dénomination, forme juridique, siège social et numéro d'entreprise du cédant;]2
3° l'identité et le domicile, à défaut de domicile, la résidence ou le nom, la forme juridique et le siège, du débiteur cédé;
4° le montant du solde exigible de la créance du cessionnaire;
5° le cas échéant, la mention de l'opposition du cédant et le dispositif du jugement qui y fait suite.
Lorsqu'une cession de sommes visées aux articles 1409, 1409bis et 1410, § 1er, est réalisée en vertu de l'article [3 5.183]3 du Code civil, l'huissier de justice requis, muni d'une attestation du cessionnaire établissant un arriéré de paiement, adresse au fichier des avis, sous sa responsabilité, au plus tôt le jour de la signification ou de la notification de la cession au débiteur cédé ou au plus tôt le jour de la reconnaissance par ce dernier, un avis reprenant les mentions prévues à l'alinéa 1.
La cession visée aux alinéas 1er et 2 n'est opposable aux tiers autres que le débiteur cédé qu'à partir du moment de la réception de l'avis de cession au fichier des avis.
1° les nom, prénoms, domicile ou dénomination, nature juridique et siège, la date de naissance et/ou le numéro [1 d'entreprise]1 du créancier cessionnaire;
2° [2 les nom, prénoms, date de naissance et domicile, ou dénomination, forme juridique, siège social et numéro d'entreprise du cédant;]2
3° l'identité et le domicile, à défaut de domicile, la résidence ou le nom, la forme juridique et le siège, du débiteur cédé;
4° le montant du solde exigible de la créance du cessionnaire;
5° le cas échéant, la mention de l'opposition du cédant et le dispositif du jugement qui y fait suite.
Lorsqu'une cession de sommes visées aux articles 1409, 1409bis et 1410, § 1er, est réalisée en vertu de l'article [3 5.183]3 du Code civil, l'huissier de justice requis, muni d'une attestation du cessionnaire établissant un arriéré de paiement, adresse au fichier des avis, sous sa responsabilité, au plus tôt le jour de la signification ou de la notification de la cession au débiteur cédé ou au plus tôt le jour de la reconnaissance par ce dernier, un avis reprenant les mentions prévues à l'alinéa 1.
La cession visée aux alinéas 1er et 2 n'est opposable aux tiers autres que le débiteur cédé qu'à partir du moment de la réception de l'avis de cession au fichier des avis.
Art. 1390quater. <W 2000-05-29/36, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011> § 1. Binnen vierentwintig uur na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid bedoeld in artikel 1675/6, zendt de griffier, aan het bestand van berichten een bericht van collectieve schuldenregeling met vermelding van :
1° naam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van de verzoeker;
2° naam, voornamen, beroep en woonplaats en/of kantoor, of benaming en zetel van de schuldbemiddelaar;
3° datum van de beslissing van toelaatbaarheid;
4° de territoriaal bevoegde (arbeidsrechtbank) en de referentie van de griffie. <W 2005-12-13/35, art. 26, 052; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
[2 Binnen vierentwintig uur na de beslissing tot vervanging van de schuldbemiddelaar, zendt de griffier middels het centraal register collectieve schuldenregeling bedoeld in artikel 1675/20 aan het bestand van berichten de vermelding van de datum van deze beslissing en van de identiteit van de vervangende schuldbemiddelaar zoals in lid 1, 2°.]2
§ 2. [1 De schuldbemiddelaar zendt binnen drie werkdagen volgend op de hierna vermelde data aan het bestand van berichten de volgende vermeldingen :]1
1° de datum van de herroeping van de beslissing van toelaatbaarheid;
2° [2 ...]2
3° in geval van minnelijke aanzuiveringsregeling, de datum van de beslissing waarbij akte wordt genomen van het gesloten akkoord, de datum waarop het proces-verbaal bedoeld in artikel 1675/11, § 1, lid 1 aan de rechter wordt bezorgd, de einddatum van de aanzuiveringsregeling [3 de datum van herroeping van de aanzuiveringsregeling, de datum waarop het vonnis tot beëindiging van de collectieve schuldenregeling werd uitgesproken en de reden hiervan]3;
4° in geval van gerechtelijke aanzuiveringsregeling de datum van de beslissing waarbij de aanzuiveringsregeling wordt opgelegd, de datum van de beslissing tot verwerping van de vordering, de einddatum van de aanzuiveringsregeling [3 , de datum van herroeping van de aanzuiveringsregeling, de datum waarop het vonnis tot beëindiging van de collectieve schuldenregeling werd uitgesproken en de reden hiervan]3;
[1 5° in geval van totale kwijtschelding van de schulden, de datum van de beslissing en de datum van de herroeping van die beslissing.]1
[3 ...]3
[3 § 3. Indien een bericht van collectieve schuldenregeling aan het bestand van berichten wordt gezonden, worden alle gebruikers die op dat moment titularis zijn van een op naam van de verzoeker neergelegd actief bericht in het bestand, hiervan in kennis gesteld.
Zolang deze gebruikers over een actief bericht beschikken op naam van de verzoeker in het bestand van berichten, worden zij vervolgens eveneens in kennis gesteld van alle wijzigingen van dit bericht bedoeld in paragraaf 2.]3
1° naam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van de verzoeker;
2° naam, voornamen, beroep en woonplaats en/of kantoor, of benaming en zetel van de schuldbemiddelaar;
3° datum van de beslissing van toelaatbaarheid;
4° de territoriaal bevoegde (arbeidsrechtbank) en de referentie van de griffie. <W 2005-12-13/35, art. 26, 052; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
[2 Binnen vierentwintig uur na de beslissing tot vervanging van de schuldbemiddelaar, zendt de griffier middels het centraal register collectieve schuldenregeling bedoeld in artikel 1675/20 aan het bestand van berichten de vermelding van de datum van deze beslissing en van de identiteit van de vervangende schuldbemiddelaar zoals in lid 1, 2°.]2
§ 2. [1 De schuldbemiddelaar zendt binnen drie werkdagen volgend op de hierna vermelde data aan het bestand van berichten de volgende vermeldingen :]1
1° de datum van de herroeping van de beslissing van toelaatbaarheid;
2° [2 ...]2
3° in geval van minnelijke aanzuiveringsregeling, de datum van de beslissing waarbij akte wordt genomen van het gesloten akkoord, de datum waarop het proces-verbaal bedoeld in artikel 1675/11, § 1, lid 1 aan de rechter wordt bezorgd, de einddatum van de aanzuiveringsregeling [3 de datum van herroeping van de aanzuiveringsregeling, de datum waarop het vonnis tot beëindiging van de collectieve schuldenregeling werd uitgesproken en de reden hiervan]3;
4° in geval van gerechtelijke aanzuiveringsregeling de datum van de beslissing waarbij de aanzuiveringsregeling wordt opgelegd, de datum van de beslissing tot verwerping van de vordering, de einddatum van de aanzuiveringsregeling [3 , de datum van herroeping van de aanzuiveringsregeling, de datum waarop het vonnis tot beëindiging van de collectieve schuldenregeling werd uitgesproken en de reden hiervan]3;
[1 5° in geval van totale kwijtschelding van de schulden, de datum van de beslissing en de datum van de herroeping van die beslissing.]1
[3 ...]3
[3 § 3. Indien een bericht van collectieve schuldenregeling aan het bestand van berichten wordt gezonden, worden alle gebruikers die op dat moment titularis zijn van een op naam van de verzoeker neergelegd actief bericht in het bestand, hiervan in kennis gesteld.
Zolang deze gebruikers over een actief bericht beschikken op naam van de verzoeker in het bestand van berichten, worden zij vervolgens eveneens in kennis gesteld van alle wijzigingen van dit bericht bedoeld in paragraaf 2.]3
Art. 1390quater. <L 2000-05-29/36, art. 2, 035; En vigueur : 29-01-2011> § 1er. Dans les vingt-quatre heures du prononcé de la décision d'admissibilité visée à l'article 1675/6, le greffier adresse au fichier des avis, un avis de règlement collectif de dettes relatant :
1° les nom, prénoms, date de naissance et domicile du requérant;
2° les nom, prénoms, profession et domicile et/ou bureau, ou la dénomination et le siège du médiateur de dettes;
3° la date de la décision d'admissibilité;
4° (le tribunal du travail) territorialement compétent et la référence du greffe. <L 2005-12-13/35, art. 26, 052; En vigueur : 31-12-2005>
[2 Dans les vingt-quatre heures de la décision de remplacement du médiateur de dettes, le greffier adresse au fichier des avis la mention de la date de cette décision et de l'identité du médiateur de dettes remplaçant au sens de l'alinéa 1er, 2°, au moyen du registre central des règlements collectifs de dettes prévu à l'article 1675/20.]2
§ 2. [1 Le médiateur de dettes adresse au fichier des avis, dans les trois jours ouvrables suivant les dates mentionnées ci-après, les mentions suivantes :]1
1° la date de la révocation de la décision d'admissibilité;
2° [2 ...]2
3° en cas de plan de règlement amiable, la date de la décision actant l'accord intervenu, la date à laquelle le procès-verbal visé à l'article 1675/11, § 1er, alinéa 1er, est transmis au juge, le terme du plan de règlement [3 , la date de révocation du plan de règlement, la date à laquelle le jugement mettant terme au règlement collectif de dettes a été prononcé et son motif]3;
4° en cas de plan de règlement judiciaire, la date de la décision imposant le plan de règlement [3 , la date de la décision de rejet de la demande, le terme du plan de règlement, la date de révocation du plan de règlement, la date à laquelle le jugement mettant terme au règlement collectif de dettes a été prononcé et le motif de celui-ci]3;
[1 5° en cas de remise totale des dettes, la date de la décision et la date de révocation de celle-ci.]1
[3 ...]3
[3 § 3. Lorsqu'un avis de règlement collectif de dettes est envoyé au fichier des avis, tous les utilisateurs qui sont à ce moment-là titulaires d'un avis actif déposé dans le fichier au nom du requérant en sont informés.
Tant que ces utilisateurs ont un avis actif au nom du requérant dans le fichier des avis, ils sont également informés de toute modification de cet avis, visé au paragraphe 2.]3
1° les nom, prénoms, date de naissance et domicile du requérant;
2° les nom, prénoms, profession et domicile et/ou bureau, ou la dénomination et le siège du médiateur de dettes;
3° la date de la décision d'admissibilité;
4° (le tribunal du travail) territorialement compétent et la référence du greffe. <L 2005-12-13/35, art. 26, 052; En vigueur : 31-12-2005>
[2 Dans les vingt-quatre heures de la décision de remplacement du médiateur de dettes, le greffier adresse au fichier des avis la mention de la date de cette décision et de l'identité du médiateur de dettes remplaçant au sens de l'alinéa 1er, 2°, au moyen du registre central des règlements collectifs de dettes prévu à l'article 1675/20.]2
§ 2. [1 Le médiateur de dettes adresse au fichier des avis, dans les trois jours ouvrables suivant les dates mentionnées ci-après, les mentions suivantes :]1
1° la date de la révocation de la décision d'admissibilité;
2° [2 ...]2
3° en cas de plan de règlement amiable, la date de la décision actant l'accord intervenu, la date à laquelle le procès-verbal visé à l'article 1675/11, § 1er, alinéa 1er, est transmis au juge, le terme du plan de règlement [3 , la date de révocation du plan de règlement, la date à laquelle le jugement mettant terme au règlement collectif de dettes a été prononcé et son motif]3;
4° en cas de plan de règlement judiciaire, la date de la décision imposant le plan de règlement [3 , la date de la décision de rejet de la demande, le terme du plan de règlement, la date de révocation du plan de règlement, la date à laquelle le jugement mettant terme au règlement collectif de dettes a été prononcé et le motif de celui-ci]3;
[1 5° en cas de remise totale des dettes, la date de la décision et la date de révocation de celle-ci.]1
[3 ...]3
[3 § 3. Lorsqu'un avis de règlement collectif de dettes est envoyé au fichier des avis, tous les utilisateurs qui sont à ce moment-là titulaires d'un avis actif déposé dans le fichier au nom du requérant en sont informés.
Tant que ces utilisateurs ont un avis actif au nom du requérant dans le fichier des avis, ils sont également informés de toute modification de cet avis, visé au paragraphe 2.]3
Art. 1390quater /1.[1 Binnen drie werkdagen na het opmaken van de protestakte zendt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder op eigen verantwoordelijkheid aan het bestand van berichten een bericht van protest met vermelding van :
1° de plaats, datum en aard van het protest;
2° het soort handelspapier waarop het protest betrekking heeft;
3° de naam en voornamen, rechtsvorm of bijzondere benaming van de begunstigde van het orderbriefje of van de trekker van de wisselbrief, alsook zijn woonplaats of indien het een koopman betreft, zijn hoofdinrichting of, indien het een rechtspersoon betreft, zijn maatschappelijke zetel en zijn ondernemingsnummer;
4° de naam en voornamen, rechtsvorm of bijzondere benaming van de ondertekenaar van het orderbriefje of van de betrokkene van de wisselbrief, alsook de vermelding of hij de wisselbrief al dan niet geaccepteerd heeft, zijn woonplaats of indien het een koopman betreft, zijn hoofdinrichting of, indien het een rechtspersoon betreft, zijn maatschappelijke zetel en zijn ondernemingsnummer;
5° de vervaldag;
6° het bedrag van het handelspapier en, indien dat zou verschillen, het bedrag waarvoor het protest werd opgemaakt;
7° de reden van de weigering die aanleiding geeft tot het protest;
8° de identiteit van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder;
9° de naam van de verzoeker.]1
[2 Indien de instrumenterende gerechtsdeurwaarder na de verzending van het bericht van protest een gedeeltelijke betaling ontvangt, vermeldt hij binnen de drie werkdagen na ontvangst ervan op het betreffend bericht de datum van de gedeeltelijke betaling.]2
1° de plaats, datum en aard van het protest;
2° het soort handelspapier waarop het protest betrekking heeft;
3° de naam en voornamen, rechtsvorm of bijzondere benaming van de begunstigde van het orderbriefje of van de trekker van de wisselbrief, alsook zijn woonplaats of indien het een koopman betreft, zijn hoofdinrichting of, indien het een rechtspersoon betreft, zijn maatschappelijke zetel en zijn ondernemingsnummer;
4° de naam en voornamen, rechtsvorm of bijzondere benaming van de ondertekenaar van het orderbriefje of van de betrokkene van de wisselbrief, alsook de vermelding of hij de wisselbrief al dan niet geaccepteerd heeft, zijn woonplaats of indien het een koopman betreft, zijn hoofdinrichting of, indien het een rechtspersoon betreft, zijn maatschappelijke zetel en zijn ondernemingsnummer;
5° de vervaldag;
6° het bedrag van het handelspapier en, indien dat zou verschillen, het bedrag waarvoor het protest werd opgemaakt;
7° de reden van de weigering die aanleiding geeft tot het protest;
8° de identiteit van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder;
9° de naam van de verzoeker.]1
[2 Indien de instrumenterende gerechtsdeurwaarder na de verzending van het bericht van protest een gedeeltelijke betaling ontvangt, vermeldt hij binnen de drie werkdagen na ontvangst ervan op het betreffend bericht de datum van de gedeeltelijke betaling.]2
Art. 1390quater /1.[1 Dans les trois jours ouvrables de l'établissement de l'acte de protêt, l'huissier de justice instrumentant adresse, sous sa responsabilité, au fichier des avis, un avis de protêt mentionnant :
1° les lieu, date et nature du protêt;
2° le type d'effet auquel l'acte de protêt se rapporte;
3° les nom et prénoms, forme juridique ou dénomination particulière du bénéficiaire du billet à ordre ou du tireur de la lettre de change, ainsi que son domicile ou, s'il s'agit d'un commerçant, son établissement principal ou, s'il s'agit d'une personne morale, son siège social et son numéro d'entreprise;
4° les nom et prénoms, forme juridique ou dénomination particulière du souscripteur du billet à ordre ou du tiré de la lettre de change, ainsi que son acceptation ou non par celui-ci, son domicile ou, s'il s'agit d'un commerçant, son établissement principal ou, s'il s'agit d'une personne morale, son siège social et son numéro d'entreprise;
5° la date de l'échéance;
6° le montant de l'effet et, s'il est différent, le montant pour lequel l'effet est protesté;
7° le motif du refus qui donne lieu au protêt;
8° l'identité de l'huissier de justice instrumentant;
9° le nom du requérant.]1
[2 Si l'huissier de justice instrumentant reçoit un paiement partiel après l'envoi de l'avis de protêt, il indique la date du paiement partiel sur l'avis correspondant dans les trois jours ouvrables suivant sa réception.]2
1° les lieu, date et nature du protêt;
2° le type d'effet auquel l'acte de protêt se rapporte;
3° les nom et prénoms, forme juridique ou dénomination particulière du bénéficiaire du billet à ordre ou du tireur de la lettre de change, ainsi que son domicile ou, s'il s'agit d'un commerçant, son établissement principal ou, s'il s'agit d'une personne morale, son siège social et son numéro d'entreprise;
4° les nom et prénoms, forme juridique ou dénomination particulière du souscripteur du billet à ordre ou du tiré de la lettre de change, ainsi que son acceptation ou non par celui-ci, son domicile ou, s'il s'agit d'un commerçant, son établissement principal ou, s'il s'agit d'une personne morale, son siège social et son numéro d'entreprise;
5° la date de l'échéance;
6° le montant de l'effet et, s'il est différent, le montant pour lequel l'effet est protesté;
7° le motif du refus qui donne lieu au protêt;
8° l'identité de l'huissier de justice instrumentant;
9° le nom du requérant.]1
[2 Si l'huissier de justice instrumentant reçoit un paiement partiel après l'envoi de l'avis de protêt, il indique la date du paiement partiel sur l'avis correspondant dans les trois jours ouvrables suivant sa réception.]2
Art. 1390quater /2. [1 § 1. De gerechtsdeurwaarder die tijdens de uitoefening van zijn ambt, gelet op de feitelijke omstandigheden die ter plaatse zijn geobserveerd, vermoedt dat een rechtspersoon het adres niet als maatschappelijke zetel heeft, laat een bericht daarvan achter in de brievenbus met de tekst van dit artikel en legt, onverminderd de toepassing van artikel 38, § 2, binnen de drie werkdagen een bericht van mogelijk fictief adres neer bij het bestand van berichten.
§ 2. Het bericht van mogelijk fictief adres vermeldt:
1° de naam van de rechtspersoon, de rechtsvorm en de maatschappelijke zetel en het ondernemingsnummer van de betrokken rechtspersoon;
2° de identiteit van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder;
3° de datum en de beschrijving van de omstandigheden die aanleiding gaven tot de melding.
§ 3. Uiterlijk vierentwintig uur na de neerlegging van het bericht van mogelijk fictief adres, zendt het bestand van berichten dit bericht:
- aan de procureur des Konings;
- aan de Kruispuntbank voor Ondernemingen;
- aan de kamers voor ondernemingen in moeilijkheden.
§ 4. Het bericht van vermoedelijk fictief adres wordt twaalf maanden na de neerlegging ervan automatisch geschrapt.
In afwijking van lid 1 kan de deurwaarder, op schriftelijk verzoek van een in paragraaf 3 bedoelde instantie of op een met redenen omkleed verzoek van de rechtspersoon op wie het bericht betrekking heeft, binnen drie dagen na ontvangst van het verzoek overgaan tot de schrapping van het bericht van vermoedelijk fictief adres, na beoordeling van de gegrondheid van het verzoek.]1
§ 2. Het bericht van mogelijk fictief adres vermeldt:
1° de naam van de rechtspersoon, de rechtsvorm en de maatschappelijke zetel en het ondernemingsnummer van de betrokken rechtspersoon;
2° de identiteit van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder;
3° de datum en de beschrijving van de omstandigheden die aanleiding gaven tot de melding.
§ 3. Uiterlijk vierentwintig uur na de neerlegging van het bericht van mogelijk fictief adres, zendt het bestand van berichten dit bericht:
- aan de procureur des Konings;
- aan de Kruispuntbank voor Ondernemingen;
- aan de kamers voor ondernemingen in moeilijkheden.
§ 4. Het bericht van vermoedelijk fictief adres wordt twaalf maanden na de neerlegging ervan automatisch geschrapt.
In afwijking van lid 1 kan de deurwaarder, op schriftelijk verzoek van een in paragraaf 3 bedoelde instantie of op een met redenen omkleed verzoek van de rechtspersoon op wie het bericht betrekking heeft, binnen drie dagen na ontvangst van het verzoek overgaan tot de schrapping van het bericht van vermoedelijk fictief adres, na beoordeling van de gegrondheid van het verzoek.]1
Art. 1390quater /2. [1 § 1er. L'huissier de justice qui, durant l'exercice de sa fonction et au vu des circonstances de fait observées sur place, présume qu'une personne morale n'occupe pas l'adresse correspondant à son siège social, en laisse avis dans la boîte aux lettres avec le texte du présent article et adresse, sans préjudice de l'application de l'article 38, § 2, au fichier des avis, au plus tard dans les trois jours ouvrables, un avis d'adresse fictive probable.
§ 2. L'avis d'adresse fictive probable contient:
1° la dénomination, la forme juridique et l'adresse du siège social, et le numéro d'entreprise de la personne morale visée;
2° l'identité de l'huissier de justice instrumentant;
3° la date et la description des circonstances ayant donné lieu au signalement.
§ 3. Dans les vingt-quatre heures suivant le dépôt de l'avis d'adresse fictive probable, le fichier des avis transmet cet avis:
- au procureur du Roi;
- à la Banque-Carrefour des Entreprises;
- aux chambres des entreprises en difficulté.
§ 4. L'avis d'adresse fictive probable est radié automatiquement douze mois après le dépôt.
Par dérogation à l'alinéa 1er, sur demande écrite d'une instance visée au paragraphe 3, ou sur demande motivée de la personne morale visée par l'avis, l'huissier de justice instrumentant peut procéder à la radiation de l'avis d'adresse fictive probable, dans les trois jours suivant la réception de la demande, après avoir apprécié le bien-fondé de la demande.]1
§ 2. L'avis d'adresse fictive probable contient:
1° la dénomination, la forme juridique et l'adresse du siège social, et le numéro d'entreprise de la personne morale visée;
2° l'identité de l'huissier de justice instrumentant;
3° la date et la description des circonstances ayant donné lieu au signalement.
§ 3. Dans les vingt-quatre heures suivant le dépôt de l'avis d'adresse fictive probable, le fichier des avis transmet cet avis:
- au procureur du Roi;
- à la Banque-Carrefour des Entreprises;
- aux chambres des entreprises en difficulté.
§ 4. L'avis d'adresse fictive probable est radié automatiquement douze mois après le dépôt.
Par dérogation à l'alinéa 1er, sur demande écrite d'une instance visée au paragraphe 3, ou sur demande motivée de la personne morale visée par l'avis, l'huissier de justice instrumentant peut procéder à la radiation de l'avis d'adresse fictive probable, dans les trois jours suivant la réception de la demande, après avoir apprécié le bien-fondé de la demande.]1
Art. 1390quinquies. [1 Geen overhandiging of verdeling van de gelden waarop beslag is gelegd, als gereed geld of als bedragen waarop beslag onder derden is gelegd, of die voortkomen van een verkoop van in beslag genomen roerende of onroerende goederen, kan plaatsvinden dan overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1627 tot 1654.
Wanneer de verdeling definitief is vastgesteld, zendt de gerechtsdeurwaarder of de notaris die het proces-verbaal van evenredige verdeling of van rangregeling heeft opgemaakt, deze informatie volgens de door de Koning bepaalde nadere regels toe aan het bestand van berichten.]1
Wanneer de verdeling definitief is vastgesteld, zendt de gerechtsdeurwaarder of de notaris die het proces-verbaal van evenredige verdeling of van rangregeling heeft opgemaakt, deze informatie volgens de door de Koning bepaalde nadere regels toe aan het bestand van berichten.]1
Art. 1390quinquies. [1 Aucune remise ou distribution des deniers saisis, comptants ou saisis-arrêtés, ou provenant de la vente de biens meubles ou immeubles saisis, ne peut avoir lieu que conformément aux dispositions des articles 1627 à 1654.
Lorsque la répartition est devenue définitive, l'huissier de justice ou le notaire qui a dressé le procès-verbal de distribution par contribution ou d'ordre transmet cette information au fichier des avis, selon les modalités déterminées par le Roi.]1
Lorsque la répartition est devenue définitive, l'huissier de justice ou le notaire qui a dressé le procès-verbal de distribution par contribution ou d'ordre transmet cette information au fichier des avis, selon les modalités déterminées par le Roi.]1
Änderungen
Art. 1390quinquies TOEKOMSTIG RECHT. [1 Geen overhandiging of verdeling van de gelden waarop beslag is gelegd, als gereed geld of als bedragen waarop beslag onder derden is gelegd, of die voortkomen van een verkoop van in beslag genomen roerende of onroerende goederen, kan plaatsvinden dan overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1627 tot 1654.
Wanneer de verdeling definitief is vastgesteld, zendt de gerechtsdeurwaarder of de notaris die het proces-verbaal van evenredige verdeling of van rangregeling heeft opgemaakt, deze informatie volgens de door de Koning bepaalde nadere regels toe aan het bestand van berichten.]1 [2 In voorkomend geval wordt het deficitair karakter vermeld.]2
Wanneer de verdeling definitief is vastgesteld, zendt de gerechtsdeurwaarder of de notaris die het proces-verbaal van evenredige verdeling of van rangregeling heeft opgemaakt, deze informatie volgens de door de Koning bepaalde nadere regels toe aan het bestand van berichten.]1 [2 In voorkomend geval wordt het deficitair karakter vermeld.]2
Art. 1390quinquies DROIT FUTUR. [1 Aucune remise ou distribution des deniers saisis, comptants ou saisis-arrêtés, ou provenant de la vente de biens meubles ou immeubles saisis, ne peut avoir lieu que conformément aux dispositions des articles 1627 à 1654.
Lorsque la répartition est devenue définitive, l'huissier de justice ou le notaire qui a dressé le procès-verbal de distribution par contribution ou d'ordre transmet cette information au fichier des avis, selon les modalités déterminées par le Roi.]1 [2 Le cas échéant, il est fait mention du caractère déficitaire.]2
Lorsque la répartition est devenue définitive, l'huissier de justice ou le notaire qui a dressé le procès-verbal de distribution par contribution ou d'ordre transmet cette information au fichier des avis, selon les modalités déterminées par le Roi.]1 [2 Le cas échéant, il est fait mention du caractère déficitaire.]2
Art. 1390quinquies /1 TOEKOMSTIG RECHT. [1 De ondernemingsrechtbanken bezorgen zo spoedig mogelijk aan het bestand van berichten via gepaste informaticatechnieken de volgende gegevens die overeenkomstig boek XX van het Wetboek van economisch recht in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt:
1° de datum van het vonnis dat de procedure van openbare gerechtelijke reorganisatie of van overdracht onder gerechtelijk gezag open verklaart;
2° de naam en voornamen van de gedelegeerd rechter en, in voorkomend geval, van de krachtens artikel XX.30 van het Wetboek van economisch recht aangestelde herstructureringsdeskundige of van de krachtens artikel XX.85 van het Wetboek van economisch recht aangestelde vereffeningsdeskundige;
3° de datum van de beslissing tot vervanging van de gedelegeerd rechter, van de aangestelde herstructureringsdeskundige of van de aangestelde vereffeningsdeskundige en de naam en voornamen van de gedelegeerd rechter, van de aangestelde herstructureringsdeskundige of de vereffeningsdeskundige die hem vervangt;
4° de datum van de beslissing die of het vonnis dat oordeelt over de homologatie van openbare gerechtelijke reorganisatie door minnelijk of collectief akkoord;
5° de datum van het vonnis tot sluiting van de procedure van overdracht onder gerechtelijk gezag overeenkomstig artikel XX.93/1 van het Wetboek van economisch recht;
6° de datum van de voortijdige beëindiging en sluiting van de procedure van openbare gerechtelijke reorganisatie of van overdracht onder gerechtelijk gezag overeenkomstig artikel XX.63 van het Wetboek van economisch recht;
7° de datum van het vonnis van faillietverklaring;
8° de naam en voornamen van de curator en de rechter-commissaris;
9° de datum van de beslissing tot vervanging van de curator of rechter-commissaris en de naam en voornamen van de vervangende curator of rechter-commissaris zoals bedoeld respectievelijk in artikel XX.20, § 6, en in artikel XX.129, derde lid, van het Wetboek van economisch recht;
10° de datum van de beslissing die de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk weigert overeenkomstig artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht;
11° de datum van het vonnis tot sluiting van het faillissement overeenkomstig artikel XX.172 van het Wetboek van economisch recht;
12° de datum van het vonnis tot intrekking van het faillissement overeenkomstig artikel XX.242 van het Wetboek van economisch recht.
In afwijking van artikel 1390septies, vierde lid, worden de berichten bedoeld in het eerste lid automatisch geschrapt na 10 jaar.]1
1° de datum van het vonnis dat de procedure van openbare gerechtelijke reorganisatie of van overdracht onder gerechtelijk gezag open verklaart;
2° de naam en voornamen van de gedelegeerd rechter en, in voorkomend geval, van de krachtens artikel XX.30 van het Wetboek van economisch recht aangestelde herstructureringsdeskundige of van de krachtens artikel XX.85 van het Wetboek van economisch recht aangestelde vereffeningsdeskundige;
3° de datum van de beslissing tot vervanging van de gedelegeerd rechter, van de aangestelde herstructureringsdeskundige of van de aangestelde vereffeningsdeskundige en de naam en voornamen van de gedelegeerd rechter, van de aangestelde herstructureringsdeskundige of de vereffeningsdeskundige die hem vervangt;
4° de datum van de beslissing die of het vonnis dat oordeelt over de homologatie van openbare gerechtelijke reorganisatie door minnelijk of collectief akkoord;
5° de datum van het vonnis tot sluiting van de procedure van overdracht onder gerechtelijk gezag overeenkomstig artikel XX.93/1 van het Wetboek van economisch recht;
6° de datum van de voortijdige beëindiging en sluiting van de procedure van openbare gerechtelijke reorganisatie of van overdracht onder gerechtelijk gezag overeenkomstig artikel XX.63 van het Wetboek van economisch recht;
7° de datum van het vonnis van faillietverklaring;
8° de naam en voornamen van de curator en de rechter-commissaris;
9° de datum van de beslissing tot vervanging van de curator of rechter-commissaris en de naam en voornamen van de vervangende curator of rechter-commissaris zoals bedoeld respectievelijk in artikel XX.20, § 6, en in artikel XX.129, derde lid, van het Wetboek van economisch recht;
10° de datum van de beslissing die de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk weigert overeenkomstig artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht;
11° de datum van het vonnis tot sluiting van het faillissement overeenkomstig artikel XX.172 van het Wetboek van economisch recht;
12° de datum van het vonnis tot intrekking van het faillissement overeenkomstig artikel XX.242 van het Wetboek van economisch recht.
In afwijking van artikel 1390septies, vierde lid, worden de berichten bedoeld in het eerste lid automatisch geschrapt na 10 jaar.]1
Art. 1390quinquies /1 DROIT FUTUR. [1 Les tribunaux de l'entreprise fournissent au fichier des avis, dans les meilleurs délais, par des techniques informatiques appropriées, les données suivantes, qui sont publiées au Moniteur belge conformément au livre XX du Code de droit économique:
1° la date du jugement qui déclare ouverte la procédure de réorganisation judiciaire publique ou de transfert sous autorité judiciaire;
2° les nom et prénoms du juge délégué et, le cas échéant, du praticien de la réorganisation désigné en vertu de l'article XX.30 du Code de droit économique ou du praticien de la liquidation désigné en vertu de l'article XX.85 du Code de droit économique;
3° la date de la décision de remplacement du juge-délégué, du praticien de la réorganisation ou du praticien de la liquidation désigné et les nom et prénoms du juge délégué, du praticien de la réorganisation désigné ou du praticien de la liquidation qui le remplace;
4° la date de la décision ou du jugement statuant sur l'homologation de la réorganisation judiciaire publique par accord amiable ou accord collectif;
5° la date du jugement qui clôture la procédure de transfert sous autorité judiciaire conformément à l'article XX.93/1 du Code de droit économique;
6° la date de fin anticipée et de clôture de la procédure de réorganisation judiciaire publique ou de transfert sous autorité judiciaire conformément à l'article XX.63 du Code de droit économique;
7° la date du jugement qui déclare la faillite;
8° les nom et prénoms du curateur et du juge- commissaire;
9° la date de la décision de remplacement du curateur ou du juge-commissaire et les nom et prénoms du curateur ou du juge-commissaire remplaçant désigné en vertu de l'article XX.20, § 6, et de l'article XX.129, alinéa 3, du Code de droit économique, respectivement;
10° la date de la décision refusant partiellement ou entièrement l'effacement conformément à l'article XX.173 du Code de droit économique;
11° la date du jugement de clôture de faillite conformément à l'article XX.172 du Code de droit économique;
12° la date du jugement qui rapporte la faillite conformément à l'article XX.242 du Code de droit économique.
Par dérogation à l'article 1390septies, alinéa 4, les avis visés à l'alinéa 1er sont automatiquement radiés après 10 ans.]1
1° la date du jugement qui déclare ouverte la procédure de réorganisation judiciaire publique ou de transfert sous autorité judiciaire;
2° les nom et prénoms du juge délégué et, le cas échéant, du praticien de la réorganisation désigné en vertu de l'article XX.30 du Code de droit économique ou du praticien de la liquidation désigné en vertu de l'article XX.85 du Code de droit économique;
3° la date de la décision de remplacement du juge-délégué, du praticien de la réorganisation ou du praticien de la liquidation désigné et les nom et prénoms du juge délégué, du praticien de la réorganisation désigné ou du praticien de la liquidation qui le remplace;
4° la date de la décision ou du jugement statuant sur l'homologation de la réorganisation judiciaire publique par accord amiable ou accord collectif;
5° la date du jugement qui clôture la procédure de transfert sous autorité judiciaire conformément à l'article XX.93/1 du Code de droit économique;
6° la date de fin anticipée et de clôture de la procédure de réorganisation judiciaire publique ou de transfert sous autorité judiciaire conformément à l'article XX.63 du Code de droit économique;
7° la date du jugement qui déclare la faillite;
8° les nom et prénoms du curateur et du juge- commissaire;
9° la date de la décision de remplacement du curateur ou du juge-commissaire et les nom et prénoms du curateur ou du juge-commissaire remplaçant désigné en vertu de l'article XX.20, § 6, et de l'article XX.129, alinéa 3, du Code de droit économique, respectivement;
10° la date de la décision refusant partiellement ou entièrement l'effacement conformément à l'article XX.173 du Code de droit économique;
11° la date du jugement de clôture de faillite conformément à l'article XX.172 du Code de droit économique;
12° la date du jugement qui rapporte la faillite conformément à l'article XX.242 du Code de droit économique.
Par dérogation à l'article 1390septies, alinéa 4, les avis visés à l'alinéa 1er sont automatiquement radiés après 10 ans.]1
Art. 1390sexies. <INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> De Koning bepaalt de modaliteiten van de verzending van alle berichten aan het bestand van berichten. De modellen van de berichten worden door de Koning opgemaakt.
Art. 1390sexies. Le Roi détermine les modalités de l'envoi de tout avis au fichier des avis. Les modèles des avis sont établis par le Roi.
Art. 1390septies. <INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Dag en uur van ontvangst van de gegevens bedoeld in de artikelen 1390 tot [3 1390quater/2]3 worden in het bestand van berichten vermeld.
[1 Wanneer het beslag of het verzet plaatsvindt ten aanzien van ondernemingen of van personen die een ondernemingsnummer hebben, zendt het bestand van berichten ten laatste de eerste dag volgend op de ontvangst, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en parameters, gestructureerde informatie van de daarop betrekking hebbende berichten toe aan de griffie van de [2 ondernemingsrechtbank]2 van het arrondissement waar ze zijn ingeschreven.
Wanneer er berichten worden verzonden overeenkomstig artikel 1390quater, zendt het bestand van berichten deze berichten alsook de verbeteringen en wijzigingen uiterlijk vierentwintig uur na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid of na de vermelding op het bericht aan de Nationale Bank van België en aan de Kansspelcommissie. Eenieder die het bestand van berichten op naam van een natuurlijke persoon heeft geraadpleegd, wordt door het bestand van berichten in voorkomend geval, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels, op de hoogte gesteld van de voormelde nieuwe informatie betreffende die persoon.]1
De berichten worden in het bestand van berichten bewaard gedurende een termijn van drie jaar (te rekenen van de verzending van het bericht), [1 tenzij in geval van]1 de eventuele voorafgaande schrapping ervan, hetzij op initiatief van de personen bedoeld in artikel 1391, § 1, in geval van betaling, hetzij in der minne, hetzij bij rechterlijke beslissing. Zij vervallen van rechtswege na het verstrijken van die termijn tenzij ten laatste tien dagen daarvóór aan het bestand van berichten een bericht van opschorting of hernieuwing wordt gezonden waarin de reden van de opschorting of van de hernieuwing is vermeld. (Schuldeisers zijn in alle omstandigheden en op straffe van schadevergoeding, indien daartoe grond bestaat, ertoe gehouden uiterlijk binnen drie werkdagen na ontvangst van het totale verschuldigde bedrag in hoofdsom, rente en kosten [3 over te gaan tot schrapping van het bericht, met uitzondering van de hypothese bedoeld in het vijfde lid voor wat het bericht van uitvoerend beslag op roerend goed betreft. Na de schrapping van een bericht worden alle schuldeisers voor wie het bestand van berichten een actief bericht vermeldt op naam van de betrokken schuldenaar op het moment van de schrapping, systematisch hiervan in kennis gesteld.]3) <W 2003-03-27/65, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
[3 Wanneer het bestand van berichten het verzet vermeldt van een andere schuldeiser in het bezit van een uitvoerbare titel, krachtens dewelke bevel tot betalen is betekend, vult de beslagleggende schuldeiser die voldoening bekwam zijn melding van integrale betaling binnen drie werkdagen na ontvangst van het totale verschuldigde bedrag in hoofdsom, rente en kosten aan op het bericht van uitvoerend beslag op roerend goed. Al deze verzetdoende schuldeisers worden automatisch in kennis gesteld van de melding van integrale betaling met de mededeling dat het beslagbericht blijft gelden voor een termijn van één maand, tenzij de opheffing ervan bevolen werd bij gerechtelijke beslissing. Deze termijn geldt niet voor het bericht van gemeengemaakt beslag. Indien er geen bericht van gemeengemaakt beslag wordt neergelegd door een verzetdoende schuldeiser na verloop van de termijn van een maand, wordt het bericht van beslag automatisch geschrapt. De verzetdoende schuldeiser die het oorspronkelijk gelegd beslag gemeen maakte, kan tevens de hernieuwing vragen van het beslagbericht.]3
[3 In afwijking van het vierde lid wordt het bericht bedoeld in artikel 1390quater bewaard in het bestand van berichten tot de schrapping van het bericht door de griffie ingevolge de beëindiging van de collectieve schuldenregeling door de arbeidsrechtbank.]3
[1 In afwijking van het vierde lid wordt het in artikel 1390quater/1 bedoelde bericht bewaard in het bestand van berichten tot de integrale betaling of de uitdoving van de wisselschuld om een andere reden. In beide gevallen schrapt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder het bericht binnen drie werkdagen na ontvangst van de integrale betaling of de vaststelling van de uitdoving.
[3 In afwijking van het vierde lid wordt het bericht bedoeld in artikel 1390, § 2, bewaard in het bestand van berichten tot het laatste bericht van uitvoerend beslag op naam van de schuldenaar wordt geschrapt.]3
[3 De instrumenterende gerechtsdeurwaarder]3 brengt hiertoe volgende vermeldingen aan op het betreffende bericht van protest :
1° de datum van de betaling of van de uitdoving van de wisselschuld;
2° het bedrag van de betaling of de reden van de uitdoving anders dan wegens betaling.]1
De Koning bepaalt de bewaartermijn van de gegevens betreffende de berichten van beslag, delegatie, cessie [1 , collectieve schuldenregeling en protest]1 na hun verwijdering uit het bestand van berichten en van de gegevens betreffende de operaties met betrekking tot die berichten.
[1 Wanneer het beslag of het verzet plaatsvindt ten aanzien van ondernemingen of van personen die een ondernemingsnummer hebben, zendt het bestand van berichten ten laatste de eerste dag volgend op de ontvangst, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en parameters, gestructureerde informatie van de daarop betrekking hebbende berichten toe aan de griffie van de [2 ondernemingsrechtbank]2 van het arrondissement waar ze zijn ingeschreven.
Wanneer er berichten worden verzonden overeenkomstig artikel 1390quater, zendt het bestand van berichten deze berichten alsook de verbeteringen en wijzigingen uiterlijk vierentwintig uur na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid of na de vermelding op het bericht aan de Nationale Bank van België en aan de Kansspelcommissie. Eenieder die het bestand van berichten op naam van een natuurlijke persoon heeft geraadpleegd, wordt door het bestand van berichten in voorkomend geval, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels, op de hoogte gesteld van de voormelde nieuwe informatie betreffende die persoon.]1
De berichten worden in het bestand van berichten bewaard gedurende een termijn van drie jaar (te rekenen van de verzending van het bericht), [1 tenzij in geval van]1 de eventuele voorafgaande schrapping ervan, hetzij op initiatief van de personen bedoeld in artikel 1391, § 1, in geval van betaling, hetzij in der minne, hetzij bij rechterlijke beslissing. Zij vervallen van rechtswege na het verstrijken van die termijn tenzij ten laatste tien dagen daarvóór aan het bestand van berichten een bericht van opschorting of hernieuwing wordt gezonden waarin de reden van de opschorting of van de hernieuwing is vermeld. (Schuldeisers zijn in alle omstandigheden en op straffe van schadevergoeding, indien daartoe grond bestaat, ertoe gehouden uiterlijk binnen drie werkdagen na ontvangst van het totale verschuldigde bedrag in hoofdsom, rente en kosten [3 over te gaan tot schrapping van het bericht, met uitzondering van de hypothese bedoeld in het vijfde lid voor wat het bericht van uitvoerend beslag op roerend goed betreft. Na de schrapping van een bericht worden alle schuldeisers voor wie het bestand van berichten een actief bericht vermeldt op naam van de betrokken schuldenaar op het moment van de schrapping, systematisch hiervan in kennis gesteld.]3) <W 2003-03-27/65, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
[3 Wanneer het bestand van berichten het verzet vermeldt van een andere schuldeiser in het bezit van een uitvoerbare titel, krachtens dewelke bevel tot betalen is betekend, vult de beslagleggende schuldeiser die voldoening bekwam zijn melding van integrale betaling binnen drie werkdagen na ontvangst van het totale verschuldigde bedrag in hoofdsom, rente en kosten aan op het bericht van uitvoerend beslag op roerend goed. Al deze verzetdoende schuldeisers worden automatisch in kennis gesteld van de melding van integrale betaling met de mededeling dat het beslagbericht blijft gelden voor een termijn van één maand, tenzij de opheffing ervan bevolen werd bij gerechtelijke beslissing. Deze termijn geldt niet voor het bericht van gemeengemaakt beslag. Indien er geen bericht van gemeengemaakt beslag wordt neergelegd door een verzetdoende schuldeiser na verloop van de termijn van een maand, wordt het bericht van beslag automatisch geschrapt. De verzetdoende schuldeiser die het oorspronkelijk gelegd beslag gemeen maakte, kan tevens de hernieuwing vragen van het beslagbericht.]3
[3 In afwijking van het vierde lid wordt het bericht bedoeld in artikel 1390quater bewaard in het bestand van berichten tot de schrapping van het bericht door de griffie ingevolge de beëindiging van de collectieve schuldenregeling door de arbeidsrechtbank.]3
[1 In afwijking van het vierde lid wordt het in artikel 1390quater/1 bedoelde bericht bewaard in het bestand van berichten tot de integrale betaling of de uitdoving van de wisselschuld om een andere reden. In beide gevallen schrapt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder het bericht binnen drie werkdagen na ontvangst van de integrale betaling of de vaststelling van de uitdoving.
[3 In afwijking van het vierde lid wordt het bericht bedoeld in artikel 1390, § 2, bewaard in het bestand van berichten tot het laatste bericht van uitvoerend beslag op naam van de schuldenaar wordt geschrapt.]3
[3 De instrumenterende gerechtsdeurwaarder]3 brengt hiertoe volgende vermeldingen aan op het betreffende bericht van protest :
1° de datum van de betaling of van de uitdoving van de wisselschuld;
2° het bedrag van de betaling of de reden van de uitdoving anders dan wegens betaling.]1
De Koning bepaalt de bewaartermijn van de gegevens betreffende de berichten van beslag, delegatie, cessie [1 , collectieve schuldenregeling en protest]1 na hun verwijdering uit het bestand van berichten en van de gegevens betreffende de operaties met betrekking tot die berichten.
Art. 1390septies. La date et l'heure de la réception des informations prévues aux articles 1390 à [3 1390quater/2]3 sont mentionnées au fichier des avis.
[1 Lorsque la saisie ou l'opposition est pratiquée à charge de sociétés ou personnes qui ont un numéro d'entreprise, une information structurée des avis y relatifs est adressée, selon les modalités et paramètres déterminés par le Roi, par le fichier des avis, au plus tard le premier jour qui suit leur réception, au greffe du [2 tribunal de l'entreprise]2 de l'arrondissement où elles sont inscrites.
Lorsque des avis sont envoyés conformément à l'article 1390quater, le fichier des avis les adresse, ainsi que les Corrections et modifications, à la Banque Nationale de Belgique et à la Commission des jeux de hasard, au plus tard dans les vingt-quatre heures du prononcé de l'ordonnance d'admissibilité ou de la mention sur l'avis. Toute personne ayant consulté le fichier des avis au nom d'une personne physique est, le cas échéant, avisée par le fichier des avis des nouvelles informations précitées concernant cette dernière, selon les modalités définies par le Roi.]1
Les avis sont conservés dans le fichier des avis pendant un délai de trois ans (à compter de l'envoi de l'avis), [1 sauf en cas de radiation]1 [3 préalable]3, soit à l'initiative des personnes visées à l'article 1391, § 1er en cas de paiement, soit amiablement, soit par décision du juge. Ils sont périmés de plein droit à l'expiration de ce délai à moins que, dix jours au plus tard avant cette expiration, un avis de suspension ou de renouvellement n'ait été adressé au fichier des avis en spécifiant le motif de la suspension ou du renouvellement. (Les créanciers sont [3 tenus, en toutes circonstances et sous peine de dommages-intérêts s'il y a lieu, de procéder, au plus tard dans les trois jours ouvrables suivant la réception de l'intégralité du montant dû en principal, intérêts et frais, à la radiation de l'avis, à l'exception de l'hypothèse visée à l'alinéa 5 en ce qui concerne l'avis de saisie-exécution mobilière. Après la radiation d'un avis, tous les créanciers pour lesquels un avis actif est inscrit dans le fichier des avis pour le compte du débiteur concerné au moment de la radiation seront systématiquement informés en conséquence.]3) <L 2003-03-27/65, art. 2, 043; En vigueur : 29-01-2011>
[3 Lorsque le fichier des avis mentionne qu'il existe une opposition d'un autre créancier muni d'un titre exécutoire, en vertu duquel un commandement de payer a été signifié, le créancier saisissant qui a obtenu satisfaction complète sa notification de paiement intégral dans l'avis de saisie mobilière dans les trois jours ouvrables de la réception du montant total dû en principal, intérêts et frais. La notification de paiement intégral est automatiquement notifiée à tous ces créanciers opposants, en précisant que l'avis de saisie continue de s'appliquer pendant une période d'un mois, sauf si sa levée a été ordonnée par une décision de justice. Ce délai ne s'applique pas à l'avis de saisie rendue commune. Si aucun avis de saisie rendue commune n'est déposé par un créancier opposant à l'expiration du délai d'un mois, l'avis de saisie est automatiquement radié. Le créancier opposant qui a initialement rendu la saisie commune peut également demander le renouvellement de l'avis de saisie.]3
[3 Par dérogation à l'alinéa 4, l'avis visé à l'article 1390quater est conservé dans le fichier des avis jusqu'à la radiation de l'avis par le greffe en application de la clôture du règlement collectif de dettes par le tribunal du travail.]3
[1 Par dérogation à l'alinéa 4, l'avis visé à l'article 1390quater/1 est conservé dans le fichier des avis jusqu'au paiement intégral ou jusqu'à l'extinction de la dette cambiaire pour une autre raison. Dans les deux cas, l'huissier de justice instrumentant radie l'avis dans les trois jours ouvrables de la réception du paiement intégral ou de la constatation de l'extinction.
[3 Par dérogation à l'alinéa 4, l'avis visé à l'article 1390, § 2, est conservé dans le fichier des avis jusqu'à ce que le dernier avis de saisie-exécution au nom du débiteur soit radié.]3
A cet effet, [3 l'huissier de justice instrumentant]3 fait figurer les mentions suivantes dans l'avis de protêt concerné :
1° la date du paiement ou de l'extinction de la dette cambiaire;
2° le montant du paiement ou la raison de l'extinction autre que par paiement.]1
Le Roi détermine la durée de conservation des données concernant les avis de saisie, délégation, cession [1 , règlement collectif de dettes et protêt]1 après leur effacement du fichier des avis et des données concernant les opérations ayant trait à ces avis.
[1 Lorsque la saisie ou l'opposition est pratiquée à charge de sociétés ou personnes qui ont un numéro d'entreprise, une information structurée des avis y relatifs est adressée, selon les modalités et paramètres déterminés par le Roi, par le fichier des avis, au plus tard le premier jour qui suit leur réception, au greffe du [2 tribunal de l'entreprise]2 de l'arrondissement où elles sont inscrites.
Lorsque des avis sont envoyés conformément à l'article 1390quater, le fichier des avis les adresse, ainsi que les Corrections et modifications, à la Banque Nationale de Belgique et à la Commission des jeux de hasard, au plus tard dans les vingt-quatre heures du prononcé de l'ordonnance d'admissibilité ou de la mention sur l'avis. Toute personne ayant consulté le fichier des avis au nom d'une personne physique est, le cas échéant, avisée par le fichier des avis des nouvelles informations précitées concernant cette dernière, selon les modalités définies par le Roi.]1
Les avis sont conservés dans le fichier des avis pendant un délai de trois ans (à compter de l'envoi de l'avis), [1 sauf en cas de radiation]1 [3 préalable]3, soit à l'initiative des personnes visées à l'article 1391, § 1er en cas de paiement, soit amiablement, soit par décision du juge. Ils sont périmés de plein droit à l'expiration de ce délai à moins que, dix jours au plus tard avant cette expiration, un avis de suspension ou de renouvellement n'ait été adressé au fichier des avis en spécifiant le motif de la suspension ou du renouvellement. (Les créanciers sont [3 tenus, en toutes circonstances et sous peine de dommages-intérêts s'il y a lieu, de procéder, au plus tard dans les trois jours ouvrables suivant la réception de l'intégralité du montant dû en principal, intérêts et frais, à la radiation de l'avis, à l'exception de l'hypothèse visée à l'alinéa 5 en ce qui concerne l'avis de saisie-exécution mobilière. Après la radiation d'un avis, tous les créanciers pour lesquels un avis actif est inscrit dans le fichier des avis pour le compte du débiteur concerné au moment de la radiation seront systématiquement informés en conséquence.]3) <L 2003-03-27/65, art. 2, 043; En vigueur : 29-01-2011>
[3 Lorsque le fichier des avis mentionne qu'il existe une opposition d'un autre créancier muni d'un titre exécutoire, en vertu duquel un commandement de payer a été signifié, le créancier saisissant qui a obtenu satisfaction complète sa notification de paiement intégral dans l'avis de saisie mobilière dans les trois jours ouvrables de la réception du montant total dû en principal, intérêts et frais. La notification de paiement intégral est automatiquement notifiée à tous ces créanciers opposants, en précisant que l'avis de saisie continue de s'appliquer pendant une période d'un mois, sauf si sa levée a été ordonnée par une décision de justice. Ce délai ne s'applique pas à l'avis de saisie rendue commune. Si aucun avis de saisie rendue commune n'est déposé par un créancier opposant à l'expiration du délai d'un mois, l'avis de saisie est automatiquement radié. Le créancier opposant qui a initialement rendu la saisie commune peut également demander le renouvellement de l'avis de saisie.]3
[3 Par dérogation à l'alinéa 4, l'avis visé à l'article 1390quater est conservé dans le fichier des avis jusqu'à la radiation de l'avis par le greffe en application de la clôture du règlement collectif de dettes par le tribunal du travail.]3
[1 Par dérogation à l'alinéa 4, l'avis visé à l'article 1390quater/1 est conservé dans le fichier des avis jusqu'au paiement intégral ou jusqu'à l'extinction de la dette cambiaire pour une autre raison. Dans les deux cas, l'huissier de justice instrumentant radie l'avis dans les trois jours ouvrables de la réception du paiement intégral ou de la constatation de l'extinction.
[3 Par dérogation à l'alinéa 4, l'avis visé à l'article 1390, § 2, est conservé dans le fichier des avis jusqu'à ce que le dernier avis de saisie-exécution au nom du débiteur soit radié.]3
A cet effet, [3 l'huissier de justice instrumentant]3 fait figurer les mentions suivantes dans l'avis de protêt concerné :
1° la date du paiement ou de l'extinction de la dette cambiaire;
2° le montant du paiement ou la raison de l'extinction autre que par paiement.]1
Le Roi détermine la durée de conservation des données concernant les avis de saisie, délégation, cession [1 , règlement collectif de dettes et protêt]1 après leur effacement du fichier des avis et des données concernant les opérations ayant trait à ces avis.
Art. 1390septies TOEKOMSTIG RECHT. <INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 2; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Dag en uur van ontvangst van de gegevens bedoeld in de artikelen 1390 tot [3 1390quater/2]3 [4 en in de artikelen 1390quinquies/1 en 1390octies]4 worden in het bestand van berichten vermeld.
[1 Wanneer het beslag of het verzet plaatsvindt ten aanzien van ondernemingen of van personen die een ondernemingsnummer hebben, zendt het bestand van berichten ten laatste de eerste dag volgend op de ontvangst, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en parameters, gestructureerde informatie van de daarop betrekking hebbende berichten toe aan de griffie van de [2 ondernemingsrechtbank]2 van het arrondissement waar ze zijn ingeschreven.
Wanneer er berichten worden verzonden overeenkomstig artikel 1390quater, zendt het bestand van berichten deze berichten alsook de verbeteringen en wijzigingen uiterlijk vierentwintig uur na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid of na de vermelding op het bericht aan de Nationale Bank van België en aan de Kansspelcommissie. Eenieder die het bestand van berichten op naam van een natuurlijke persoon heeft geraadpleegd, wordt door het bestand van berichten in voorkomend geval, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels, op de hoogte gesteld van de voormelde nieuwe informatie betreffende die persoon.]1
De berichten worden in het bestand van berichten bewaard gedurende een termijn van drie jaar (te rekenen van de verzending van het bericht), [1 tenzij in geval van]1 de eventuele voorafgaande schrapping ervan, hetzij op initiatief van de personen bedoeld in artikel 1391, § 1, in geval van betaling, hetzij in der minne, hetzij bij rechterlijke beslissing. Zij vervallen van rechtswege na het verstrijken van die termijn tenzij ten laatste tien dagen daarvóór aan het bestand van berichten een bericht van opschorting of hernieuwing wordt gezonden waarin de reden van de opschorting of van de hernieuwing is vermeld. (Schuldeisers zijn in alle omstandigheden en op straffe van schadevergoeding, indien daartoe grond bestaat, ertoe gehouden uiterlijk binnen drie werkdagen na ontvangst van het totale verschuldigde bedrag in hoofdsom, rente en kosten [3 over te gaan tot schrapping van het bericht, met uitzondering van de hypothese bedoeld in het vijfde lid voor wat het bericht van uitvoerend beslag op roerend goed betreft. Na de schrapping van een bericht worden alle schuldeisers voor wie het bestand van berichten een actief bericht vermeldt op naam van de betrokken schuldenaar op het moment van de schrapping, systematisch hiervan in kennis gesteld.]3) <W 2003-03-27/65, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
[3 Wanneer het bestand van berichten het verzet vermeldt van een andere schuldeiser in het bezit van een uitvoerbare titel, krachtens dewelke bevel tot betalen is betekend, vult de beslagleggende schuldeiser die voldoening bekwam zijn melding van integrale betaling binnen drie werkdagen na ontvangst van het totale verschuldigde bedrag in hoofdsom, rente en kosten aan op het bericht van uitvoerend beslag op roerend goed. Al deze verzetdoende schuldeisers worden automatisch in kennis gesteld van de melding van integrale betaling met de mededeling dat het beslagbericht blijft gelden voor een termijn van één maand, tenzij de opheffing ervan bevolen werd bij gerechtelijke beslissing. Deze termijn geldt niet voor het bericht van gemeengemaakt beslag. Indien er geen bericht van gemeengemaakt beslag wordt neergelegd door een verzetdoende schuldeiser na verloop van de termijn van een maand, wordt het bericht van beslag automatisch geschrapt. De verzetdoende schuldeiser die het oorspronkelijk gelegd beslag gemeen maakte, kan tevens de hernieuwing vragen van het beslagbericht.]3
[3 In afwijking van het vierde lid wordt het bericht bedoeld in artikel 1390quater bewaard in het bestand van berichten tot de schrapping van het bericht door de griffie ingevolge de beëindiging van de collectieve schuldenregeling door de arbeidsrechtbank.]3
[1 In afwijking van het vierde lid wordt het in artikel 1390quater/1 bedoelde bericht bewaard in het bestand van berichten tot de integrale betaling of de uitdoving van de wisselschuld om een andere reden. In beide gevallen schrapt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder het bericht binnen drie werkdagen na ontvangst van de integrale betaling of de vaststelling van de uitdoving.
[3 In afwijking van het vierde lid wordt het bericht bedoeld in artikel 1390, § 2, bewaard in het bestand van berichten tot het laatste bericht van uitvoerend beslag op naam van de schuldenaar wordt geschrapt.]3
[3 De instrumenterende gerechtsdeurwaarder]3 brengt hiertoe volgende vermeldingen aan op het betreffende bericht van protest :
1° de datum van de betaling of van de uitdoving van de wisselschuld;
2° het bedrag van de betaling of de reden van de uitdoving anders dan wegens betaling.]1
De Koning bepaalt de bewaartermijn van de gegevens betreffende de berichten van beslag, delegatie, cessie [1 , collectieve schuldenregeling en protest]1 na hun verwijdering uit het bestand van berichten en van de gegevens betreffende de operaties met betrekking tot die berichten.
[1 Wanneer het beslag of het verzet plaatsvindt ten aanzien van ondernemingen of van personen die een ondernemingsnummer hebben, zendt het bestand van berichten ten laatste de eerste dag volgend op de ontvangst, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en parameters, gestructureerde informatie van de daarop betrekking hebbende berichten toe aan de griffie van de [2 ondernemingsrechtbank]2 van het arrondissement waar ze zijn ingeschreven.
Wanneer er berichten worden verzonden overeenkomstig artikel 1390quater, zendt het bestand van berichten deze berichten alsook de verbeteringen en wijzigingen uiterlijk vierentwintig uur na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid of na de vermelding op het bericht aan de Nationale Bank van België en aan de Kansspelcommissie. Eenieder die het bestand van berichten op naam van een natuurlijke persoon heeft geraadpleegd, wordt door het bestand van berichten in voorkomend geval, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels, op de hoogte gesteld van de voormelde nieuwe informatie betreffende die persoon.]1
De berichten worden in het bestand van berichten bewaard gedurende een termijn van drie jaar (te rekenen van de verzending van het bericht), [1 tenzij in geval van]1 de eventuele voorafgaande schrapping ervan, hetzij op initiatief van de personen bedoeld in artikel 1391, § 1, in geval van betaling, hetzij in der minne, hetzij bij rechterlijke beslissing. Zij vervallen van rechtswege na het verstrijken van die termijn tenzij ten laatste tien dagen daarvóór aan het bestand van berichten een bericht van opschorting of hernieuwing wordt gezonden waarin de reden van de opschorting of van de hernieuwing is vermeld. (Schuldeisers zijn in alle omstandigheden en op straffe van schadevergoeding, indien daartoe grond bestaat, ertoe gehouden uiterlijk binnen drie werkdagen na ontvangst van het totale verschuldigde bedrag in hoofdsom, rente en kosten [3 over te gaan tot schrapping van het bericht, met uitzondering van de hypothese bedoeld in het vijfde lid voor wat het bericht van uitvoerend beslag op roerend goed betreft. Na de schrapping van een bericht worden alle schuldeisers voor wie het bestand van berichten een actief bericht vermeldt op naam van de betrokken schuldenaar op het moment van de schrapping, systematisch hiervan in kennis gesteld.]3) <W 2003-03-27/65, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
[3 Wanneer het bestand van berichten het verzet vermeldt van een andere schuldeiser in het bezit van een uitvoerbare titel, krachtens dewelke bevel tot betalen is betekend, vult de beslagleggende schuldeiser die voldoening bekwam zijn melding van integrale betaling binnen drie werkdagen na ontvangst van het totale verschuldigde bedrag in hoofdsom, rente en kosten aan op het bericht van uitvoerend beslag op roerend goed. Al deze verzetdoende schuldeisers worden automatisch in kennis gesteld van de melding van integrale betaling met de mededeling dat het beslagbericht blijft gelden voor een termijn van één maand, tenzij de opheffing ervan bevolen werd bij gerechtelijke beslissing. Deze termijn geldt niet voor het bericht van gemeengemaakt beslag. Indien er geen bericht van gemeengemaakt beslag wordt neergelegd door een verzetdoende schuldeiser na verloop van de termijn van een maand, wordt het bericht van beslag automatisch geschrapt. De verzetdoende schuldeiser die het oorspronkelijk gelegd beslag gemeen maakte, kan tevens de hernieuwing vragen van het beslagbericht.]3
[3 In afwijking van het vierde lid wordt het bericht bedoeld in artikel 1390quater bewaard in het bestand van berichten tot de schrapping van het bericht door de griffie ingevolge de beëindiging van de collectieve schuldenregeling door de arbeidsrechtbank.]3
[1 In afwijking van het vierde lid wordt het in artikel 1390quater/1 bedoelde bericht bewaard in het bestand van berichten tot de integrale betaling of de uitdoving van de wisselschuld om een andere reden. In beide gevallen schrapt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder het bericht binnen drie werkdagen na ontvangst van de integrale betaling of de vaststelling van de uitdoving.
[3 In afwijking van het vierde lid wordt het bericht bedoeld in artikel 1390, § 2, bewaard in het bestand van berichten tot het laatste bericht van uitvoerend beslag op naam van de schuldenaar wordt geschrapt.]3
[3 De instrumenterende gerechtsdeurwaarder]3 brengt hiertoe volgende vermeldingen aan op het betreffende bericht van protest :
1° de datum van de betaling of van de uitdoving van de wisselschuld;
2° het bedrag van de betaling of de reden van de uitdoving anders dan wegens betaling.]1
De Koning bepaalt de bewaartermijn van de gegevens betreffende de berichten van beslag, delegatie, cessie [1 , collectieve schuldenregeling en protest]1 na hun verwijdering uit het bestand van berichten en van de gegevens betreffende de operaties met betrekking tot die berichten.
Art. 1390septies DROIT FUTUR. La date et l'heure de la réception des informations prévues aux articles 1390 à [3 1390quater/2]3 [4 et aux articles 1390quinquies/1 et 1390octies]4 sont mentionnées au fichier des avis.
[1 Lorsque la saisie ou l'opposition est pratiquée à charge de sociétés ou personnes qui ont un numéro d'entreprise, une information structurée des avis y relatifs est adressée, selon les modalités et paramètres déterminés par le Roi, par le fichier des avis, au plus tard le premier jour qui suit leur réception, au greffe du [2 tribunal de l'entreprise]2 de l'arrondissement où elles sont inscrites.
Lorsque des avis sont envoyés conformément à l'article 1390quater, le fichier des avis les adresse, ainsi que les Corrections et modifications, à la Banque Nationale de Belgique et à la Commission des jeux de hasard, au plus tard dans les vingt-quatre heures du prononcé de l'ordonnance d'admissibilité ou de la mention sur l'avis. Toute personne ayant consulté le fichier des avis au nom d'une personne physique est, le cas échéant, avisée par le fichier des avis des nouvelles informations précitées concernant cette dernière, selon les modalités définies par le Roi.]1
Les avis sont conservés dans le fichier des avis pendant un délai de trois ans (à compter de l'envoi de l'avis), [1 sauf en cas de radiation]1 [3 préalable]3, soit à l'initiative des personnes visées à l'article 1391, § 1er en cas de paiement, soit amiablement, soit par décision du juge. Ils sont périmés de plein droit à l'expiration de ce délai à moins que, dix jours au plus tard avant cette expiration, un avis de suspension ou de renouvellement n'ait été adressé au fichier des avis en spécifiant le motif de la suspension ou du renouvellement. (Les créanciers sont [3 tenus, en toutes circonstances et sous peine de dommages-intérêts s'il y a lieu, de procéder, au plus tard dans les trois jours ouvrables suivant la réception de l'intégralité du montant dû en principal, intérêts et frais, à la radiation de l'avis, à l'exception de l'hypothèse visée à l'alinéa 5 en ce qui concerne l'avis de saisie-exécution mobilière. Après la radiation d'un avis, tous les créanciers pour lesquels un avis actif est inscrit dans le fichier des avis pour le compte du débiteur concerné au moment de la radiation seront systématiquement informés en conséquence.]3) <L 2003-03-27/65, art. 2, 043; En vigueur : 29-01-2011>
[3 Lorsque le fichier des avis mentionne qu'il existe une opposition d'un autre créancier muni d'un titre exécutoire, en vertu duquel un commandement de payer a été signifié, le créancier saisissant qui a obtenu satisfaction complète sa notification de paiement intégral dans l'avis de saisie mobilière dans les trois jours ouvrables de la réception du montant total dû en principal, intérêts et frais. La notification de paiement intégral est automatiquement notifiée à tous ces créanciers opposants, en précisant que l'avis de saisie continue de s'appliquer pendant une période d'un mois, sauf si sa levée a été ordonnée par une décision de justice. Ce délai ne s'applique pas à l'avis de saisie rendue commune. Si aucun avis de saisie rendue commune n'est déposé par un créancier opposant à l'expiration du délai d'un mois, l'avis de saisie est automatiquement radié. Le créancier opposant qui a initialement rendu la saisie commune peut également demander le renouvellement de l'avis de saisie.]3
[3 Par dérogation à l'alinéa 4, l'avis visé à l'article 1390quater est conservé dans le fichier des avis jusqu'à la radiation de l'avis par le greffe en application de la clôture du règlement collectif de dettes par le tribunal du travail.]3
[1 Par dérogation à l'alinéa 4, l'avis visé à l'article 1390quater/1 est conservé dans le fichier des avis jusqu'au paiement intégral ou jusqu'à l'extinction de la dette cambiaire pour une autre raison. Dans les deux cas, l'huissier de justice instrumentant radie l'avis dans les trois jours ouvrables de la réception du paiement intégral ou de la constatation de l'extinction.
[3 Par dérogation à l'alinéa 4, l'avis visé à l'article 1390, § 2, est conservé dans le fichier des avis jusqu'à ce que le dernier avis de saisie-exécution au nom du débiteur soit radié.]3
A cet effet, [3 l'huissier de justice instrumentant]3 fait figurer les mentions suivantes dans l'avis de protêt concerné :
1° la date du paiement ou de l'extinction de la dette cambiaire;
2° le montant du paiement ou la raison de l'extinction autre que par paiement.]1
Le Roi détermine la durée de conservation des données concernant les avis de saisie, délégation, cession [1 , règlement collectif de dettes et protêt]1 après leur effacement du fichier des avis et des données concernant les opérations ayant trait à ces avis.
[1 Lorsque la saisie ou l'opposition est pratiquée à charge de sociétés ou personnes qui ont un numéro d'entreprise, une information structurée des avis y relatifs est adressée, selon les modalités et paramètres déterminés par le Roi, par le fichier des avis, au plus tard le premier jour qui suit leur réception, au greffe du [2 tribunal de l'entreprise]2 de l'arrondissement où elles sont inscrites.
Lorsque des avis sont envoyés conformément à l'article 1390quater, le fichier des avis les adresse, ainsi que les Corrections et modifications, à la Banque Nationale de Belgique et à la Commission des jeux de hasard, au plus tard dans les vingt-quatre heures du prononcé de l'ordonnance d'admissibilité ou de la mention sur l'avis. Toute personne ayant consulté le fichier des avis au nom d'une personne physique est, le cas échéant, avisée par le fichier des avis des nouvelles informations précitées concernant cette dernière, selon les modalités définies par le Roi.]1
Les avis sont conservés dans le fichier des avis pendant un délai de trois ans (à compter de l'envoi de l'avis), [1 sauf en cas de radiation]1 [3 préalable]3, soit à l'initiative des personnes visées à l'article 1391, § 1er en cas de paiement, soit amiablement, soit par décision du juge. Ils sont périmés de plein droit à l'expiration de ce délai à moins que, dix jours au plus tard avant cette expiration, un avis de suspension ou de renouvellement n'ait été adressé au fichier des avis en spécifiant le motif de la suspension ou du renouvellement. (Les créanciers sont [3 tenus, en toutes circonstances et sous peine de dommages-intérêts s'il y a lieu, de procéder, au plus tard dans les trois jours ouvrables suivant la réception de l'intégralité du montant dû en principal, intérêts et frais, à la radiation de l'avis, à l'exception de l'hypothèse visée à l'alinéa 5 en ce qui concerne l'avis de saisie-exécution mobilière. Après la radiation d'un avis, tous les créanciers pour lesquels un avis actif est inscrit dans le fichier des avis pour le compte du débiteur concerné au moment de la radiation seront systématiquement informés en conséquence.]3) <L 2003-03-27/65, art. 2, 043; En vigueur : 29-01-2011>
[3 Lorsque le fichier des avis mentionne qu'il existe une opposition d'un autre créancier muni d'un titre exécutoire, en vertu duquel un commandement de payer a été signifié, le créancier saisissant qui a obtenu satisfaction complète sa notification de paiement intégral dans l'avis de saisie mobilière dans les trois jours ouvrables de la réception du montant total dû en principal, intérêts et frais. La notification de paiement intégral est automatiquement notifiée à tous ces créanciers opposants, en précisant que l'avis de saisie continue de s'appliquer pendant une période d'un mois, sauf si sa levée a été ordonnée par une décision de justice. Ce délai ne s'applique pas à l'avis de saisie rendue commune. Si aucun avis de saisie rendue commune n'est déposé par un créancier opposant à l'expiration du délai d'un mois, l'avis de saisie est automatiquement radié. Le créancier opposant qui a initialement rendu la saisie commune peut également demander le renouvellement de l'avis de saisie.]3
[3 Par dérogation à l'alinéa 4, l'avis visé à l'article 1390quater est conservé dans le fichier des avis jusqu'à la radiation de l'avis par le greffe en application de la clôture du règlement collectif de dettes par le tribunal du travail.]3
[1 Par dérogation à l'alinéa 4, l'avis visé à l'article 1390quater/1 est conservé dans le fichier des avis jusqu'au paiement intégral ou jusqu'à l'extinction de la dette cambiaire pour une autre raison. Dans les deux cas, l'huissier de justice instrumentant radie l'avis dans les trois jours ouvrables de la réception du paiement intégral ou de la constatation de l'extinction.
[3 Par dérogation à l'alinéa 4, l'avis visé à l'article 1390, § 2, est conservé dans le fichier des avis jusqu'à ce que le dernier avis de saisie-exécution au nom du débiteur soit radié.]3
A cet effet, [3 l'huissier de justice instrumentant]3 fait figurer les mentions suivantes dans l'avis de protêt concerné :
1° la date du paiement ou de l'extinction de la dette cambiaire;
2° le montant du paiement ou la raison de l'extinction autre que par paiement.]1
Le Roi détermine la durée de conservation des données concernant les avis de saisie, délégation, cession [1 , règlement collectif de dettes et protêt]1 après leur effacement du fichier des avis et des données concernant les opérations ayant trait à ces avis.
Art. 1390octies TOEKOMSTIG RECHT. 1 § 1. Wanneer de gerechtsdeurwaarder bij de uitoefening van zijn ambt, rekening houdend met de inlichtingen en gegevens waarover hij beschikt, kennis krijgt van een situatie die erop wijst dat de continuïteit van de activiteiten van de schuldenaar onderneming op korte of middellange termijn zou bedreigd zijn, legt hij een bericht van controle van dreigende insolventie neer in het bestand van berichten en brengt hij de betrokkene hiervan schriftelijk in kennis.
Binnen 24 uur volgend op de neerlegging van het bericht bedoeld in het eerste lid, zendt het bestand van berichten dit bericht, via door de Koning bepaalde informaticatechnieken, naar de bevoegde kamer voor ondernemingen in moeilijkheden.
§ 2. Wanneer een gerechtsdeurwaarder tijdens de uitoefening van zijn ambt ter plaatse een situatie als bedoeld in artikel 1390, § 1, eerste lid, 7°, vaststelt, legt hij een bericht van vaststelling van niet-bevinding neer in het bestand van berichten.
§ 3. Wanneer de schuldbemiddelaar zoals bedoeld in artikel VII.115 van het Wetboek van economisch recht een minnelijke schuldbemiddeling opstart, laat deze hiervan door een door hem aangewezen gerechtsdeurwaarder een bericht van minnelijke schuldbemiddeling neerleggen in het bestand van berichten bedoeld in artikel 1389bis/1. De schuldbemiddelaar die gerechtsdeurwaarder is, legt dit bericht zelf neer. Het bestand van berichten geeft de schuldbemiddelaar die het bericht heeft laten neerleggen daarvan een automatische melding via gepaste informaticatechnieken.
In afwijking van artikel 1390septies, vierde lid, wordt het bericht van minnelijke schuldbemiddeling geschrapt op vraag van de schuldbemiddelaar bij het einde van de schuldbemiddeling door een door hem aangewezen gerechtsdeurwaarder of automatisch na vijf jaar. De schuldbemiddelaar die gerechtsdeurwaarder is, schrapt dit bericht zelf.
Voor de neerlegging en de schrapping van dit bericht door de gerechtsdeurwaarder kunnen geen kosten worden aangerekend.
§ 4. De berichten bedoeld in de paragrafen 1 tot 3 vermelden:
1° de identiteit van de optredend gerechtsdeurwaarder;
2° wanneer het een schuldenaar natuurlijk persoon betreft, de naam, de voornamen, de woonplaats of, in voorkomend geval, de verblijfplaats, de geboortedatum, en, in voorkomend geval, het ondernemingsnummer;
3° wanneer het een schuldenaar rechtspersoon betreft, de benaming, de rechtsvorm, het adres van de zetel en het ondernemingsnummer.
Het bericht bedoeld in paragraaf 3 vermeldt ook de naam en contactgegevens van de schuldbemiddelaar.
§ 5. De berichten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 worden drie maanden na de neerlegging bij het bestand van berichten automatisch geschrapt.]1
Binnen 24 uur volgend op de neerlegging van het bericht bedoeld in het eerste lid, zendt het bestand van berichten dit bericht, via door de Koning bepaalde informaticatechnieken, naar de bevoegde kamer voor ondernemingen in moeilijkheden.
§ 2. Wanneer een gerechtsdeurwaarder tijdens de uitoefening van zijn ambt ter plaatse een situatie als bedoeld in artikel 1390, § 1, eerste lid, 7°, vaststelt, legt hij een bericht van vaststelling van niet-bevinding neer in het bestand van berichten.
§ 3. Wanneer de schuldbemiddelaar zoals bedoeld in artikel VII.115 van het Wetboek van economisch recht een minnelijke schuldbemiddeling opstart, laat deze hiervan door een door hem aangewezen gerechtsdeurwaarder een bericht van minnelijke schuldbemiddeling neerleggen in het bestand van berichten bedoeld in artikel 1389bis/1. De schuldbemiddelaar die gerechtsdeurwaarder is, legt dit bericht zelf neer. Het bestand van berichten geeft de schuldbemiddelaar die het bericht heeft laten neerleggen daarvan een automatische melding via gepaste informaticatechnieken.
In afwijking van artikel 1390septies, vierde lid, wordt het bericht van minnelijke schuldbemiddeling geschrapt op vraag van de schuldbemiddelaar bij het einde van de schuldbemiddeling door een door hem aangewezen gerechtsdeurwaarder of automatisch na vijf jaar. De schuldbemiddelaar die gerechtsdeurwaarder is, schrapt dit bericht zelf.
Voor de neerlegging en de schrapping van dit bericht door de gerechtsdeurwaarder kunnen geen kosten worden aangerekend.
§ 4. De berichten bedoeld in de paragrafen 1 tot 3 vermelden:
1° de identiteit van de optredend gerechtsdeurwaarder;
2° wanneer het een schuldenaar natuurlijk persoon betreft, de naam, de voornamen, de woonplaats of, in voorkomend geval, de verblijfplaats, de geboortedatum, en, in voorkomend geval, het ondernemingsnummer;
3° wanneer het een schuldenaar rechtspersoon betreft, de benaming, de rechtsvorm, het adres van de zetel en het ondernemingsnummer.
Het bericht bedoeld in paragraaf 3 vermeldt ook de naam en contactgegevens van de schuldbemiddelaar.
§ 5. De berichten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 worden drie maanden na de neerlegging bij het bestand van berichten automatisch geschrapt.]1
Art. 1390octies DROIT FUTUR. 1 § 1er. Lorsque l'huissier de justice, dans l'exercice de sa fonction, compte tenu des renseignements et données dont il dispose, prend connaissance d'une situation de laquelle il ressort que la continuité des activités de l'entreprise débitrice serait menacée à court ou moyen terme, il dépose un avis de contrôle de probabilité d'insolvabilité au fichier des avis et le notifie par écrit à l'intéressé.
Dans les 24 heures suivant le dépôt de l'avis visé à l'alinéa 1er, le fichier des avis transmet cet avis, par des techniques informatiques déterminées par le Roi, à la chambre des entreprises en difficulté compétente.
§ 2. Lorsqu'un huissier de justice constate sur place, dans l'exercice de ses fonctions une situation telle que visée à l'article 1390, § 1er, alinéa 1er, 7°, il dépose un avis de constat de carence dans le fichier des avis.
§ 3. Lorsque le médiateur de dettes tel que visé à l'article VII.115 du Code de droit économique entame une médiation de dettes amiable, il fait déposer par un huissier de justice qu'il désigne, un avis de médiation de dettes amiable dans le fichier des avis visé à l'article 1389bis/1. Le médiateur qui est huissier de justice dépose cet avis lui-même. Le fichier des avis envoie une notification automatique vers le médiateur de dettes qui a fait déposer l'avis par des techniques informatiques appropriées.
Par dérogation à l'article 1390septies, alinéa 4, l'avis de médiation de dettes amiable est radié à la demande du médiateur de dettes au terme de la médiation de dettes, par un huissier de justice qu'il désigne ou automatiquement après cinq ans. Le médiateur qui est huissier de justice radie cet avis lui-même.
Aucuns frais ne peuvent être facturés pour le dépôt et la radiation de cet avis, par l'huissier de justice.
§ 4. Les avis visés aux paragraphes 1er à 3 mentionnent:
1° l'identité de l'huissier de justice instrumentant;
2° si le débiteur est une personne physique, les nom, prénoms, date de naissance, domicile ou, le cas échéant, l'adresse de résidence, ainsi que, le cas échéant, le numéro d'entreprise;
3° si le débiteur est une personne morale, la dénomination, la forme juridique, l'adresse du siège et le numéro d'entreprise.
L'avis visé au paragraphe 3 mentionne également les nom et coordonnées du médiateur de dettes.
§ 5. Les avis visés aux paragraphes 1er et 2 sont automatiquement radiés, trois mois après le dépôt au fichier des avis.]1
Dans les 24 heures suivant le dépôt de l'avis visé à l'alinéa 1er, le fichier des avis transmet cet avis, par des techniques informatiques déterminées par le Roi, à la chambre des entreprises en difficulté compétente.
§ 2. Lorsqu'un huissier de justice constate sur place, dans l'exercice de ses fonctions une situation telle que visée à l'article 1390, § 1er, alinéa 1er, 7°, il dépose un avis de constat de carence dans le fichier des avis.
§ 3. Lorsque le médiateur de dettes tel que visé à l'article VII.115 du Code de droit économique entame une médiation de dettes amiable, il fait déposer par un huissier de justice qu'il désigne, un avis de médiation de dettes amiable dans le fichier des avis visé à l'article 1389bis/1. Le médiateur qui est huissier de justice dépose cet avis lui-même. Le fichier des avis envoie une notification automatique vers le médiateur de dettes qui a fait déposer l'avis par des techniques informatiques appropriées.
Par dérogation à l'article 1390septies, alinéa 4, l'avis de médiation de dettes amiable est radié à la demande du médiateur de dettes au terme de la médiation de dettes, par un huissier de justice qu'il désigne ou automatiquement après cinq ans. Le médiateur qui est huissier de justice radie cet avis lui-même.
Aucuns frais ne peuvent être facturés pour le dépôt et la radiation de cet avis, par l'huissier de justice.
§ 4. Les avis visés aux paragraphes 1er à 3 mentionnent:
1° l'identité de l'huissier de justice instrumentant;
2° si le débiteur est une personne physique, les nom, prénoms, date de naissance, domicile ou, le cas échéant, l'adresse de résidence, ainsi que, le cas échéant, le numéro d'entreprise;
3° si le débiteur est une personne morale, la dénomination, la forme juridique, l'adresse du siège et le numéro d'entreprise.
L'avis visé au paragraphe 3 mentionne également les nom et coordonnées du médiateur de dettes.
§ 5. Les avis visés aux paragraphes 1er et 2 sont automatiquement radiés, trois mois après le dépôt au fichier des avis.]1
Art.1391. <W 2000-05-29/36, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011> § 1. [2 [4 De volgende personen kunnen kennis nemen van de in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/1]6 bedoelde berichten :
a) de advocaten, door toedoen van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone [6 en die belast zijn met een opdracht bedoeld in artikel 444 en waarvoor zij worden vergoed, op grond van artikel 446ter of wegens een ambtshalve aanwijzing of een ambthalve aanstelling bedoeld in artikel 446]6;
b) de gerechtsdeurwaarders [6 die gelast zijn met een opdracht overeenkomstig artikel 519]6;
c) de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van hun ambt en hun missie, en met het oog op de vestiging, de inning en de invordering van de fiscale schuldvorderingen en van de niet-fiscale schuldvorderingen die tot de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Financiën behoren;
d) de gewestelijke ontvangers, de personeelsleden van het Agentschap Vlaamse Belastingdienst en de provinciale- en gemeenteontvangers die belast zijn met een invorderingsprocedure ten gronde of bij wijze van beslag tegen een bepaalde persoon betreffende de berichten die op diens naam zijn opgemaakt.]4
De notarissen, door toedoen van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, zijn gemachtigd de berichten te raadplegen die bedoeld worden in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/1]6 en die opgemaakt zijn op naam van de personen wier goederen het voorwerp moeten uitmaken van een handeling die tot hun ambt behoort.
De schuldbemiddelaars kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten kennis nemen van de in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/1]6 bedoelde berichten die zijn opgemaakt op naam van de verzoeker-schuldenaar en op naam van personen die met hem een gemeenschap of onverdeeldheid delen. De raadpleging geschiedt voor advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen op de in de het eerste en het tweede lid bepaalde wijze en, voor andere schuldbemiddelaars, door toedoen van de Nationale Kamer [6 van Gerechtsdeurwaarders]6.
Alle magistraten, griffiers en rechters in handelszaken en sociale zaken kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten in de artikelen 1390 tot 1390quater/1, bedoelde berichten raadplegen, die zijn gesteld op naam van één of meer van de betrokken partijen.
De [3 magistraten en griffiers van de [5 ondernemingsrechtbanken]5 en de rechters in handelszaken kunnen, onder toezicht van de voorzitter,]3 [6 voor de vervulling]6 van hun wettelijke opdrachten, bij wijze van algemene of globale opzoeking en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en parameters het bestand van berichten [3 en andere informatiebronnen die door de Koning, na advies van de [6 Gegevensbeschermingsautoriteit]6, worden aangewezen,]3 raadplegen.]2
[6 De door de Koning aangewezen instanties voor de registratie van de gebruikers, bedoeld in artikel 1389bis/2, tweede lid, zijn verantwoordelijk voor de registratie en het beheer van de gebruikers voor de groep van gebruikers waarvoor ze zijn aangewezen.]6
§ 2. Geen [6 betekening van een bevel tot betalen, geen]6 uitvoerend beslag, geen procedure van verdeling kan plaatsvinden zonder voorafgaande raadpleging door de ministeriële ambtenaar van de berichten opgesteld met toepassing van de artikelen 1390 tot 1390quater.
Te dien einde vermeldt het exploot van beslag of het proces-verbaal van evenredige verdeling of van rangregeling de dag en het uur waarop de ministeriële ambtenaar de berichten heeft geraadpleegd of bevat het als bijlage de verklaring die deze gegevens bevat en die is afgegeven door het bestand van berichten.
[2 De in artikel 1390quater/1 bedoelde berichten zijn elektronisch, door eenieder raadpleegbaar volgens de door de Koning bepaalde nadere regels. De Koning kan tevens specifieke categorieën van personen bepalen die voornoemde berichten kunnen raadplegen onder de door Hem vastgestelde voorwaarden.]2
§ 3. De raadpleging, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks van de berichten bedoeld in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/2]6, geschiedt op de wijze vastgesteld door de Koning.
§ 4. [6 Er wordt toegang verkregen tot de gegevens opgenomen in het bestand van berichten door middel van de elektronische identiteitskaart of een authentificatiemiddel dat evenwaardige garanties biedt. De gebruikers zijn persoonlijk verantwoordelijk voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt.]6
§ 5. [2 Ieder verzoek tot raadpleging van de in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/2]6 bedoelde berichten is slechts ontvankelijk indien het vermeldt :]2
1° [6 ...]6 de naam, voornamen en het beroepsadres van de verzoeker bedoeld in § 1;
2° in voorkomend geval, naam, voornamen, woonplaats of, naam, rechtsvorm en zetel van de schuldeiser;
3° naam, voornamen en woonplaats, bij gebreke daarvan verblijfplaats, of naam, rechtsvorm en zetel, geboortedatum en/of [1 ondernemingsnummer]1 van de persoon op wie de raadpleging betrekking heeft;
4° het voorwerp van het verzoek, verantwoord overeenkomstig § 1;
5° in voorkomend geval, de datum van de laatste akte opgesteld ten laste van de persoon op wie de procedure van invordering of beslag bedoeld in § 1, eerste lid betrekking heeft.
§ 6. Alle personen die zijn opgenomen in het bestand van berichten beschikken over een recht van toegang en een recht op verbetering overeenkomstig [7 de artikelen 15 en 16 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming)]7.
a) de advocaten, door toedoen van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone [6 en die belast zijn met een opdracht bedoeld in artikel 444 en waarvoor zij worden vergoed, op grond van artikel 446ter of wegens een ambtshalve aanwijzing of een ambthalve aanstelling bedoeld in artikel 446]6;
b) de gerechtsdeurwaarders [6 die gelast zijn met een opdracht overeenkomstig artikel 519]6;
c) de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van hun ambt en hun missie, en met het oog op de vestiging, de inning en de invordering van de fiscale schuldvorderingen en van de niet-fiscale schuldvorderingen die tot de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Financiën behoren;
d) de gewestelijke ontvangers, de personeelsleden van het Agentschap Vlaamse Belastingdienst en de provinciale- en gemeenteontvangers die belast zijn met een invorderingsprocedure ten gronde of bij wijze van beslag tegen een bepaalde persoon betreffende de berichten die op diens naam zijn opgemaakt.]4
De notarissen, door toedoen van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, zijn gemachtigd de berichten te raadplegen die bedoeld worden in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/1]6 en die opgemaakt zijn op naam van de personen wier goederen het voorwerp moeten uitmaken van een handeling die tot hun ambt behoort.
De schuldbemiddelaars kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten kennis nemen van de in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/1]6 bedoelde berichten die zijn opgemaakt op naam van de verzoeker-schuldenaar en op naam van personen die met hem een gemeenschap of onverdeeldheid delen. De raadpleging geschiedt voor advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen op de in de het eerste en het tweede lid bepaalde wijze en, voor andere schuldbemiddelaars, door toedoen van de Nationale Kamer [6 van Gerechtsdeurwaarders]6.
Alle magistraten, griffiers en rechters in handelszaken en sociale zaken kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten in de artikelen 1390 tot 1390quater/1, bedoelde berichten raadplegen, die zijn gesteld op naam van één of meer van de betrokken partijen.
De [3 magistraten en griffiers van de [5 ondernemingsrechtbanken]5 en de rechters in handelszaken kunnen, onder toezicht van de voorzitter,]3 [6 voor de vervulling]6 van hun wettelijke opdrachten, bij wijze van algemene of globale opzoeking en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en parameters het bestand van berichten [3 en andere informatiebronnen die door de Koning, na advies van de [6 Gegevensbeschermingsautoriteit]6, worden aangewezen,]3 raadplegen.]2
[6 De door de Koning aangewezen instanties voor de registratie van de gebruikers, bedoeld in artikel 1389bis/2, tweede lid, zijn verantwoordelijk voor de registratie en het beheer van de gebruikers voor de groep van gebruikers waarvoor ze zijn aangewezen.]6
§ 2. Geen [6 betekening van een bevel tot betalen, geen]6 uitvoerend beslag, geen procedure van verdeling kan plaatsvinden zonder voorafgaande raadpleging door de ministeriële ambtenaar van de berichten opgesteld met toepassing van de artikelen 1390 tot 1390quater.
Te dien einde vermeldt het exploot van beslag of het proces-verbaal van evenredige verdeling of van rangregeling de dag en het uur waarop de ministeriële ambtenaar de berichten heeft geraadpleegd of bevat het als bijlage de verklaring die deze gegevens bevat en die is afgegeven door het bestand van berichten.
[2 De in artikel 1390quater/1 bedoelde berichten zijn elektronisch, door eenieder raadpleegbaar volgens de door de Koning bepaalde nadere regels. De Koning kan tevens specifieke categorieën van personen bepalen die voornoemde berichten kunnen raadplegen onder de door Hem vastgestelde voorwaarden.]2
§ 3. De raadpleging, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks van de berichten bedoeld in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/2]6, geschiedt op de wijze vastgesteld door de Koning.
§ 4. [6 Er wordt toegang verkregen tot de gegevens opgenomen in het bestand van berichten door middel van de elektronische identiteitskaart of een authentificatiemiddel dat evenwaardige garanties biedt. De gebruikers zijn persoonlijk verantwoordelijk voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt.]6
§ 5. [2 Ieder verzoek tot raadpleging van de in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/2]6 bedoelde berichten is slechts ontvankelijk indien het vermeldt :]2
1° [6 ...]6 de naam, voornamen en het beroepsadres van de verzoeker bedoeld in § 1;
2° in voorkomend geval, naam, voornamen, woonplaats of, naam, rechtsvorm en zetel van de schuldeiser;
3° naam, voornamen en woonplaats, bij gebreke daarvan verblijfplaats, of naam, rechtsvorm en zetel, geboortedatum en/of [1 ondernemingsnummer]1 van de persoon op wie de raadpleging betrekking heeft;
4° het voorwerp van het verzoek, verantwoord overeenkomstig § 1;
5° in voorkomend geval, de datum van de laatste akte opgesteld ten laste van de persoon op wie de procedure van invordering of beslag bedoeld in § 1, eerste lid betrekking heeft.
§ 6. Alle personen die zijn opgenomen in het bestand van berichten beschikken over een recht van toegang en een recht op verbetering overeenkomstig [7 de artikelen 15 en 16 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming)]7.
Änderungen
Art.1391. <L 2000-05-29/36, art. 2, 035; En vigueur : 29-01-2011> § 1er. [2 [4 Les personnes suivantes peuvent prendre connaissance des avis [6 visés aux articles 1390 à 1390quater/1]6 :
a) les avocats, [6 agissant par l'intermédiaire de l'Orde van Vlaamse Balies et de l'Ordre des barreaux francophones et germanophones, chargés d'une mission visée à l'article 444 pour laquelle ils sont indemnisés en vertu de l'article 446ter ou en raison d'une désignation d'office ou d'une commission d'office visée à l'article 446]6;
b) les huissiers de justice [6 qui ont été mandatés conformément à l'article 519]6;
c) les agents du Service public fédéral Finances dans le cadre de l'exercice de leurs fonctions et de la poursuite de leur mission, et en vue de l'établissement, de la perception et du recouvrement des créances fiscales et des créances non-fiscales qui relèvent de la compétence du Service public fédéral Finances;
d) les receveurs régionaux, les membres du personnel de l'Agentschap Vlaamse Belastingdienst et les receveurs provinciaux et communaux chargés de diligenter une procédure de recouvrement au fond ou par voie de saisie contre une personne déterminée, en ce qui concerne les avis établis au nom de celle-ci.]4
Les notaires, à l'intervention de la Fédération royale du Notariat belge, sont autorisés à consulter les avis visés aux articles 1390 à [6 1390quater/1]6 établis au nom des personnes dont les biens doivent faire l'objet d'un acte relevant de leur ministère.
Les médiateurs de dettes peuvent prendre connaissance, pour l'accomplissement de leurs missions légales, des avis visés aux articles 1390 à [6 1390quater/1]6 établis au nom du requérant-débiteur et au nom des personnes qui partagent une communauté ou une indivision avec lui. La consultation s'opère, pour les avocats, huissiers de justice et notaires, selon les modalités déterminées aux alinéas 1er et 2 et, pour les autres médiateurs de dettes, [6 en agissant par l'intermédiaire]6 de la Chambre nationale [6 des huissiers de justice]6.
Tous les magistrats, greffiers et juges consulaires et sociaux peuvent consulter, pour l'accomplissement de leurs missions légales, les avis visés aux articles 1390 à 1390quater/1 établis au nom d'une ou de plusieurs des parties concernées.
Les [3 magistrats et greffiers des [5 tribunaux de l'entreprise]5 et les juges consulaires peuvent, sous le contrôle du président,]3 consulter le fichier des avis [3 et d'autres sources d'informations désignées par le Roi, après avis de [6 l'Autorité de protection des données]6]3 pour l'accomplissement de leurs missions légales, au moyen d'une recherche générale ou globale et selon les modalités et les paramètres déterminés par le Roi.]2
[6 Les organismes désignés par le Roi pour l'enregistrement des utilisateurs visés à l'article 1389bis/2, alinéa 2, sont responsables de l'enregistrement et de la gestion des utilisateurs du groupe d'utilisateurs pour lequel ils sont désignés.]6
§ 2. Aucune [6 signification d'un commandement de payer, aucune]6 saisie-exécution, aucune procédure de répartition ne peut être diligentée sans consultation préalable par l'officier ministériel des avis établis en application des articles 1390 à 1390quater.
A cette fin, l'exploit de saisie ou le procès-verbal de distribution par contribution ou d'ordre mentionne la date et l'heure auxquelles l'officier ministériel a consulté les avis ou reproduit en annexe l'attestation contenant ces mentions délivrée par le fichier des avis.
[2 Les avis visés à l'article 1390quater/1 sont électroniques et accessibles à toute personne selon les modalités fixées par le Roi. Le Roi peut également permettre à des catégories spécifiques de personnes, qu'Il définit, de consulter les avis précités aux conditions qu'Il détermine.]2
§ 3. La consultation directe ou indirecte des avis prévus aux articles 1390 à [6 1390quater/2]6, est effectuée selon les modalités déterminées par le Roi.
§ 4. [6 L'accès aux données contenues dans le fichier des avis est obtenu au moyen de la carte d'identité électronique ou d'un moyen d'authentification présentant des garanties équivalentes. Les utilisateurs sont personnellement responsables de leur utilisation.]6
§ 5. [2 Toute demande de consultation des avis visés aux articles 1390 à [6 1390quater/2]6 n'est recevable que si elle mentionne :]2
1° [6 ...]6 les nom, prénoms et l'adresse professionnelle du requérant visé au § 1er;
2° le cas échéant les nom, prénoms et domicile du créancier ou, sa dénomination, sa nature juridique et son siège;
3° les nom, prénoms, domicile, à défaut de domicile, la résidence ou la dénomination, la nature juridique et le siège, la date de naissance et/ou le numéro [1 d'entreprise]1 de la personne sur laquelle porte la consultation;
4° l'objet de la demande, justifiée conformément au § 1er;
5° le cas échéant, la date du dernier acte établi à charge de la personne qui fait l'objet de la procédure de recouvrement ou de la saisie visée au § 1er, alinéa 1.
§ 6. Toutes les personnes enregistrées dans le fichier des avis disposent d'un droit d'accès et d'un droit de rectification conformément [7 aux articles 15 et 16 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (Règlement général sur la protection des données)]7.
a) les avocats, [6 agissant par l'intermédiaire de l'Orde van Vlaamse Balies et de l'Ordre des barreaux francophones et germanophones, chargés d'une mission visée à l'article 444 pour laquelle ils sont indemnisés en vertu de l'article 446ter ou en raison d'une désignation d'office ou d'une commission d'office visée à l'article 446]6;
b) les huissiers de justice [6 qui ont été mandatés conformément à l'article 519]6;
c) les agents du Service public fédéral Finances dans le cadre de l'exercice de leurs fonctions et de la poursuite de leur mission, et en vue de l'établissement, de la perception et du recouvrement des créances fiscales et des créances non-fiscales qui relèvent de la compétence du Service public fédéral Finances;
d) les receveurs régionaux, les membres du personnel de l'Agentschap Vlaamse Belastingdienst et les receveurs provinciaux et communaux chargés de diligenter une procédure de recouvrement au fond ou par voie de saisie contre une personne déterminée, en ce qui concerne les avis établis au nom de celle-ci.]4
Les notaires, à l'intervention de la Fédération royale du Notariat belge, sont autorisés à consulter les avis visés aux articles 1390 à [6 1390quater/1]6 établis au nom des personnes dont les biens doivent faire l'objet d'un acte relevant de leur ministère.
Les médiateurs de dettes peuvent prendre connaissance, pour l'accomplissement de leurs missions légales, des avis visés aux articles 1390 à [6 1390quater/1]6 établis au nom du requérant-débiteur et au nom des personnes qui partagent une communauté ou une indivision avec lui. La consultation s'opère, pour les avocats, huissiers de justice et notaires, selon les modalités déterminées aux alinéas 1er et 2 et, pour les autres médiateurs de dettes, [6 en agissant par l'intermédiaire]6 de la Chambre nationale [6 des huissiers de justice]6.
Tous les magistrats, greffiers et juges consulaires et sociaux peuvent consulter, pour l'accomplissement de leurs missions légales, les avis visés aux articles 1390 à 1390quater/1 établis au nom d'une ou de plusieurs des parties concernées.
Les [3 magistrats et greffiers des [5 tribunaux de l'entreprise]5 et les juges consulaires peuvent, sous le contrôle du président,]3 consulter le fichier des avis [3 et d'autres sources d'informations désignées par le Roi, après avis de [6 l'Autorité de protection des données]6]3 pour l'accomplissement de leurs missions légales, au moyen d'une recherche générale ou globale et selon les modalités et les paramètres déterminés par le Roi.]2
[6 Les organismes désignés par le Roi pour l'enregistrement des utilisateurs visés à l'article 1389bis/2, alinéa 2, sont responsables de l'enregistrement et de la gestion des utilisateurs du groupe d'utilisateurs pour lequel ils sont désignés.]6
§ 2. Aucune [6 signification d'un commandement de payer, aucune]6 saisie-exécution, aucune procédure de répartition ne peut être diligentée sans consultation préalable par l'officier ministériel des avis établis en application des articles 1390 à 1390quater.
A cette fin, l'exploit de saisie ou le procès-verbal de distribution par contribution ou d'ordre mentionne la date et l'heure auxquelles l'officier ministériel a consulté les avis ou reproduit en annexe l'attestation contenant ces mentions délivrée par le fichier des avis.
[2 Les avis visés à l'article 1390quater/1 sont électroniques et accessibles à toute personne selon les modalités fixées par le Roi. Le Roi peut également permettre à des catégories spécifiques de personnes, qu'Il définit, de consulter les avis précités aux conditions qu'Il détermine.]2
§ 3. La consultation directe ou indirecte des avis prévus aux articles 1390 à [6 1390quater/2]6, est effectuée selon les modalités déterminées par le Roi.
§ 4. [6 L'accès aux données contenues dans le fichier des avis est obtenu au moyen de la carte d'identité électronique ou d'un moyen d'authentification présentant des garanties équivalentes. Les utilisateurs sont personnellement responsables de leur utilisation.]6
§ 5. [2 Toute demande de consultation des avis visés aux articles 1390 à [6 1390quater/2]6 n'est recevable que si elle mentionne :]2
1° [6 ...]6 les nom, prénoms et l'adresse professionnelle du requérant visé au § 1er;
2° le cas échéant les nom, prénoms et domicile du créancier ou, sa dénomination, sa nature juridique et son siège;
3° les nom, prénoms, domicile, à défaut de domicile, la résidence ou la dénomination, la nature juridique et le siège, la date de naissance et/ou le numéro [1 d'entreprise]1 de la personne sur laquelle porte la consultation;
4° l'objet de la demande, justifiée conformément au § 1er;
5° le cas échéant, la date du dernier acte établi à charge de la personne qui fait l'objet de la procédure de recouvrement ou de la saisie visée au § 1er, alinéa 1.
§ 6. Toutes les personnes enregistrées dans le fichier des avis disposent d'un droit d'accès et d'un droit de rectification conformément [7 aux articles 15 et 16 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (Règlement général sur la protection des données)]7.
Änderungen
Art. 1391 TOEKOMSTIG RECHT. <W 2000-05-29/36, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011> § 1. [2 [4 De volgende personen kunnen kennis nemen van de in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/1]6 [8 en in de artikelen 1390quater/2, 1390quinquies/1 en 1390octies, §§ 2 en 3]8 bedoelde berichten :
a) de advocaten, door toedoen van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone [6 en die belast zijn met een opdracht bedoeld in artikel 444 en waarvoor zij worden vergoed, op grond van artikel 446ter of wegens een ambtshalve aanwijzing of een ambthalve aanstelling bedoeld in artikel 446]6;
b) de gerechtsdeurwaarders [6 die gelast zijn met een opdracht overeenkomstig artikel 519]6;
c) de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van hun ambt en hun missie, en met het oog op de vestiging, de inning en de invordering van de fiscale schuldvorderingen en van de niet-fiscale schuldvorderingen die tot de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Financiën behoren;
d) de gewestelijke ontvangers, de personeelsleden van het Agentschap Vlaamse Belastingdienst en de provinciale- en gemeenteontvangers die belast zijn met een invorderingsprocedure ten gronde of bij wijze van beslag tegen een bepaalde persoon betreffende de berichten die op diens naam zijn opgemaakt.]4
De notarissen, door toedoen van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, zijn gemachtigd de berichten te raadplegen die bedoeld worden in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/1]6 [8 en in de artikelen 1390quinquies/1 en 1390octies, § 2,]8 en die opgemaakt zijn op naam van de personen wier goederen het voorwerp moeten uitmaken van een handeling die tot hun ambt behoort.
De schuldbemiddelaars kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten kennis nemen van de in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/1]6 [8 en in de artikelen 1390quinquies/1 en 1390octies, §§ 2 en 3,]8 bedoelde berichten die zijn opgemaakt op naam van de verzoeker-schuldenaar en op naam van personen die met hem een gemeenschap of onverdeeldheid delen. De raadpleging geschiedt voor advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen op de in de het eerste en het tweede lid bepaalde wijze en, voor andere schuldbemiddelaars, door toedoen van de Nationale Kamer [6 van Gerechtsdeurwaarders]6.
Alle magistraten, griffiers en rechters in handelszaken en sociale zaken kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten in de artikelen 1390 tot 1390quater/1 [8 en de artikelen 1390quinquies/1 en 1390octies, §§ 2 en 3]8, bedoelde berichten raadplegen, die zijn gesteld op naam van één of meer van de betrokken partijen.
De [3 magistraten en griffiers van de [5 ondernemingsrechtbanken]5 en de rechters in handelszaken kunnen, onder toezicht van de voorzitter,]3 [6 voor de vervulling]6 van hun wettelijke opdrachten, bij wijze van algemene of globale opzoeking en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en parameters het bestand van berichten [3 en andere informatiebronnen die door de Koning, na advies van de [6 Gegevensbeschermingsautoriteit]6, worden aangewezen,]3 raadplegen.]2
[6 De door de Koning aangewezen instanties voor de registratie van de gebruikers, bedoeld in artikel 1389bis/2, tweede lid, zijn verantwoordelijk voor de registratie en het beheer van de gebruikers voor de groep van gebruikers waarvoor ze zijn aangewezen.]6
[8 Alle personen die zijn opgenomen in het bestand van berichten hebben het recht om, hetzij op rechtstreekse wijze via een procedure waarbij door de Koning bepaalde informaticatechnieken worden gebruikt, hetzij met behulp van een gerechtsdeurwaarder, kennis te nemen van de eigen berichten.]8
§ 2. [8 Geen betekening van een vonnis dat een veroordeling tot betalen bevat, geen betekening van een bevel tot betalen, geen uitvoerend beslag, geen betekening van aanmaning tot betalen, geen dagvaarding tot betalen van een geldsom, geen procedure van verdeling kan plaatsvinden zonder voorafgaande raadpleging door de ministeriële ambtenaar van de berichten opgesteld met toepassing van de artikelen 1390 tot 1390quater en de artikelen 1390quater/2, 1390quinquies, 1390quinquies/1 en 1390octies, §§ 2 en 3.]8
Te dien einde vermeldt het exploot van beslag of het proces-verbaal van evenredige verdeling of van rangregeling de dag en het uur waarop de ministeriële ambtenaar de berichten heeft geraadpleegd of bevat het als bijlage de verklaring die deze gegevens bevat en die is afgegeven door het bestand van berichten.
[2 De in [8 de artikelen 1390quater/1 en 1390quinquies/1]8 bedoelde berichten zijn elektronisch, door eenieder raadpleegbaar volgens de door de Koning bepaalde nadere regels. De Koning kan tevens specifieke categorieën van personen bepalen die voornoemde berichten kunnen raadplegen onder de door Hem vastgestelde voorwaarden.]2
§ 3. De raadpleging, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks van de berichten bedoeld in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/2]6 [8 en in de artikelen 1390quinquies/1 en 1390octies]8, geschiedt op de wijze vastgesteld door de Koning.
§ 4. [6 Er wordt toegang verkregen tot de gegevens opgenomen in het bestand van berichten door middel van de elektronische identiteitskaart of een authentificatiemiddel dat evenwaardige garanties biedt. De gebruikers zijn persoonlijk verantwoordelijk voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt.]6
§ 5. [2 Ieder verzoek tot raadpleging van de in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/2]6 [8 en in de artikelen 1390quinquies/1 en 1390octies]8 bedoelde berichten is slechts ontvankelijk indien het vermeldt :]2
1° [6 ...]6 de naam, voornamen en het beroepsadres van de verzoeker bedoeld in § 1;
2° in voorkomend geval, naam, voornamen, woonplaats of, naam, rechtsvorm en zetel van de schuldeiser;
3° naam, voornamen en woonplaats, bij gebreke daarvan verblijfplaats, of naam, rechtsvorm en zetel, geboortedatum en/of [1 ondernemingsnummer]1 van de persoon op wie de raadpleging betrekking heeft;
4° het voorwerp van het verzoek, verantwoord overeenkomstig § 1;
5° in voorkomend geval, de datum van de laatste akte opgesteld ten laste van de persoon op wie de procedure van invordering of beslag bedoeld in § 1, eerste lid betrekking heeft.
§ 6. Alle personen die zijn opgenomen in het bestand van berichten beschikken over een recht van toegang en een recht op verbetering overeenkomstig [7 de artikelen 15 en 16 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming)]7.
a) de advocaten, door toedoen van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone [6 en die belast zijn met een opdracht bedoeld in artikel 444 en waarvoor zij worden vergoed, op grond van artikel 446ter of wegens een ambtshalve aanwijzing of een ambthalve aanstelling bedoeld in artikel 446]6;
b) de gerechtsdeurwaarders [6 die gelast zijn met een opdracht overeenkomstig artikel 519]6;
c) de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van hun ambt en hun missie, en met het oog op de vestiging, de inning en de invordering van de fiscale schuldvorderingen en van de niet-fiscale schuldvorderingen die tot de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Financiën behoren;
d) de gewestelijke ontvangers, de personeelsleden van het Agentschap Vlaamse Belastingdienst en de provinciale- en gemeenteontvangers die belast zijn met een invorderingsprocedure ten gronde of bij wijze van beslag tegen een bepaalde persoon betreffende de berichten die op diens naam zijn opgemaakt.]4
De notarissen, door toedoen van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, zijn gemachtigd de berichten te raadplegen die bedoeld worden in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/1]6 [8 en in de artikelen 1390quinquies/1 en 1390octies, § 2,]8 en die opgemaakt zijn op naam van de personen wier goederen het voorwerp moeten uitmaken van een handeling die tot hun ambt behoort.
De schuldbemiddelaars kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten kennis nemen van de in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/1]6 [8 en in de artikelen 1390quinquies/1 en 1390octies, §§ 2 en 3,]8 bedoelde berichten die zijn opgemaakt op naam van de verzoeker-schuldenaar en op naam van personen die met hem een gemeenschap of onverdeeldheid delen. De raadpleging geschiedt voor advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen op de in de het eerste en het tweede lid bepaalde wijze en, voor andere schuldbemiddelaars, door toedoen van de Nationale Kamer [6 van Gerechtsdeurwaarders]6.
Alle magistraten, griffiers en rechters in handelszaken en sociale zaken kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten in de artikelen 1390 tot 1390quater/1 [8 en de artikelen 1390quinquies/1 en 1390octies, §§ 2 en 3]8, bedoelde berichten raadplegen, die zijn gesteld op naam van één of meer van de betrokken partijen.
De [3 magistraten en griffiers van de [5 ondernemingsrechtbanken]5 en de rechters in handelszaken kunnen, onder toezicht van de voorzitter,]3 [6 voor de vervulling]6 van hun wettelijke opdrachten, bij wijze van algemene of globale opzoeking en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en parameters het bestand van berichten [3 en andere informatiebronnen die door de Koning, na advies van de [6 Gegevensbeschermingsautoriteit]6, worden aangewezen,]3 raadplegen.]2
[6 De door de Koning aangewezen instanties voor de registratie van de gebruikers, bedoeld in artikel 1389bis/2, tweede lid, zijn verantwoordelijk voor de registratie en het beheer van de gebruikers voor de groep van gebruikers waarvoor ze zijn aangewezen.]6
[8 Alle personen die zijn opgenomen in het bestand van berichten hebben het recht om, hetzij op rechtstreekse wijze via een procedure waarbij door de Koning bepaalde informaticatechnieken worden gebruikt, hetzij met behulp van een gerechtsdeurwaarder, kennis te nemen van de eigen berichten.]8
§ 2. [8 Geen betekening van een vonnis dat een veroordeling tot betalen bevat, geen betekening van een bevel tot betalen, geen uitvoerend beslag, geen betekening van aanmaning tot betalen, geen dagvaarding tot betalen van een geldsom, geen procedure van verdeling kan plaatsvinden zonder voorafgaande raadpleging door de ministeriële ambtenaar van de berichten opgesteld met toepassing van de artikelen 1390 tot 1390quater en de artikelen 1390quater/2, 1390quinquies, 1390quinquies/1 en 1390octies, §§ 2 en 3.]8
Te dien einde vermeldt het exploot van beslag of het proces-verbaal van evenredige verdeling of van rangregeling de dag en het uur waarop de ministeriële ambtenaar de berichten heeft geraadpleegd of bevat het als bijlage de verklaring die deze gegevens bevat en die is afgegeven door het bestand van berichten.
[2 De in [8 de artikelen 1390quater/1 en 1390quinquies/1]8 bedoelde berichten zijn elektronisch, door eenieder raadpleegbaar volgens de door de Koning bepaalde nadere regels. De Koning kan tevens specifieke categorieën van personen bepalen die voornoemde berichten kunnen raadplegen onder de door Hem vastgestelde voorwaarden.]2
§ 3. De raadpleging, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks van de berichten bedoeld in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/2]6 [8 en in de artikelen 1390quinquies/1 en 1390octies]8, geschiedt op de wijze vastgesteld door de Koning.
§ 4. [6 Er wordt toegang verkregen tot de gegevens opgenomen in het bestand van berichten door middel van de elektronische identiteitskaart of een authentificatiemiddel dat evenwaardige garanties biedt. De gebruikers zijn persoonlijk verantwoordelijk voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt.]6
§ 5. [2 Ieder verzoek tot raadpleging van de in de artikelen 1390 tot [6 1390quater/2]6 [8 en in de artikelen 1390quinquies/1 en 1390octies]8 bedoelde berichten is slechts ontvankelijk indien het vermeldt :]2
1° [6 ...]6 de naam, voornamen en het beroepsadres van de verzoeker bedoeld in § 1;
2° in voorkomend geval, naam, voornamen, woonplaats of, naam, rechtsvorm en zetel van de schuldeiser;
3° naam, voornamen en woonplaats, bij gebreke daarvan verblijfplaats, of naam, rechtsvorm en zetel, geboortedatum en/of [1 ondernemingsnummer]1 van de persoon op wie de raadpleging betrekking heeft;
4° het voorwerp van het verzoek, verantwoord overeenkomstig § 1;
5° in voorkomend geval, de datum van de laatste akte opgesteld ten laste van de persoon op wie de procedure van invordering of beslag bedoeld in § 1, eerste lid betrekking heeft.
§ 6. Alle personen die zijn opgenomen in het bestand van berichten beschikken over een recht van toegang en een recht op verbetering overeenkomstig [7 de artikelen 15 en 16 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming)]7.
Änderungen
Art. 1391 DROIT FUTUR. <L 2000-05-29/36, art. 2, 035; En vigueur : 29-01-2011> § 1er. [2 [4 Les personnes suivantes peuvent prendre connaissance des avis [6 visés aux articles 1390 à 1390quater/1]6 [8 et aux articles 1390quater/2, 1390quinquies/1 et 1390octies, §§ 2 et 3]8 :
a) les avocats, [6 agissant par l'intermédiaire de l'Orde van Vlaamse Balies et de l'Ordre des barreaux francophones et germanophones, chargés d'une mission visée à l'article 444 pour laquelle ils sont indemnisés en vertu de l'article 446ter ou en raison d'une désignation d'office ou d'une commission d'office visée à l'article 446]6;
b) les huissiers de justice [6 qui ont été mandatés conformément à l'article 519]6;
c) les agents du Service public fédéral Finances dans le cadre de l'exercice de leurs fonctions et de la poursuite de leur mission, et en vue de l'établissement, de la perception et du recouvrement des créances fiscales et des créances non-fiscales qui relèvent de la compétence du Service public fédéral Finances;
d) les receveurs régionaux, les membres du personnel de l'Agentschap Vlaamse Belastingdienst et les receveurs provinciaux et communaux chargés de diligenter une procédure de recouvrement au fond ou par voie de saisie contre une personne déterminée, en ce qui concerne les avis établis au nom de celle-ci.]4
Les notaires, à l'intervention de la Fédération royale du Notariat belge, sont autorisés à consulter les avis visés aux articles 1390 à [6 1390quater/1]6 [8 et aux articles 1390quinquies/1 et 1390octies, § 2,]8 établis au nom des personnes dont les biens doivent faire l'objet d'un acte relevant de leur ministère.
Les médiateurs de dettes peuvent prendre connaissance, pour l'accomplissement de leurs missions légales, des avis visés aux articles 1390 à [6 1390quater/1]6 [8 et aux articles 1390quinquies/1 et 1390octies, §§ 2 et 3,]8 établis au nom du requérant-débiteur et au nom des personnes qui partagent une communauté ou une indivision avec lui. La consultation s'opère, pour les avocats, huissiers de justice et notaires, selon les modalités déterminées aux alinéas 1er et 2 et, pour les autres médiateurs de dettes, [6 en agissant par l'intermédiaire]6 de la Chambre nationale [6 des huissiers de justice]6.
Tous les magistrats, greffiers et juges consulaires et sociaux peuvent consulter, pour l'accomplissement de leurs missions légales, les avis visés aux articles 1390 à 1390quater/1 [8 et aux articles 1390quinquies/1 et 1390octies, §§ 2 et 3,]8 établis au nom d'une ou de plusieurs des parties concernées.
Les [3 magistrats et greffiers des [5 tribunaux de l'entreprise]5 et les juges consulaires peuvent, sous le contrôle du président,]3 consulter le fichier des avis [3 et d'autres sources d'informations désignées par le Roi, après avis de [6 l'Autorité de protection des données]6]3 pour l'accomplissement de leurs missions légales, au moyen d'une recherche générale ou globale et selon les modalités et les paramètres déterminés par le Roi.]2
[6 Les organismes désignés par le Roi pour l'enregistrement des utilisateurs visés à l'article 1389bis/2, alinéa 2, sont responsables de l'enregistrement et de la gestion des utilisateurs du groupe d'utilisateurs pour lequel ils sont désignés.]6
[8 Toutes les personnes enregistrées au fichier des avis ont le droit, soit directement par une procédure utilisant les techniques informatiques déterminées par le Roi, soit avec l'assistance d'un huissier de justice, de prendre connaissance de leurs propres avis.]8
§ 2. [8 Aucune signification d'un jugement ordonnant un paiement, aucune signification d'un commandement de payer, aucune saisie-exécution, aucune signification de sommation de payer, aucune citation de payer une somme d'argent, aucune procédure de répartition ne peut être diligentée sans consultation préalable par l'officier ministériel des avis établis en application des articles 1390 à 1390quater et des articles 1390quater/2, 1390quinquies, 1390quinquies/1 et 1390octies, §§ 2 et 3.]8
A cette fin, l'exploit de saisie ou le procès-verbal de distribution par contribution ou d'ordre mentionne la date et l'heure auxquelles l'officier ministériel a consulté les avis ou reproduit en annexe l'attestation contenant ces mentions délivrée par le fichier des avis.
[2 Les avis visés [8 aux articles 1390quater/1 et 1390quinquies/1]8 sont électroniques et accessibles à toute personne selon les modalités fixées par le Roi. Le Roi peut également permettre à des catégories spécifiques de personnes, qu'Il définit, de consulter les avis précités aux conditions qu'Il détermine.]2
§ 3. La consultation directe ou indirecte des avis prévus aux articles 1390 à [6 1390quater/2]6 [8 et aux articles 1390quinquies/1 et 1390octies]8, est effectuée selon les modalités déterminées par le Roi.
§ 4. [6 L'accès aux données contenues dans le fichier des avis est obtenu au moyen de la carte d'identité électronique ou d'un moyen d'authentification présentant des garanties équivalentes. Les utilisateurs sont personnellement responsables de leur utilisation.]6
§ 5. [2 Toute demande de consultation des avis visés aux articles 1390 à [6 1390quater/2]6 [8 et aux articles 1390quinquies/1 et 1390octies]8 n'est recevable que si elle mentionne :]2
1° [6 ...]6 les nom, prénoms et l'adresse professionnelle du requérant visé au § 1er;
2° le cas échéant les nom, prénoms et domicile du créancier ou, sa dénomination, sa nature juridique et son siège;
3° les nom, prénoms, domicile, à défaut de domicile, la résidence ou la dénomination, la nature juridique et le siège, la date de naissance et/ou le numéro [1 d'entreprise]1 de la personne sur laquelle porte la consultation;
4° l'objet de la demande, justifiée conformément au § 1er;
5° le cas échéant, la date du dernier acte établi à charge de la personne qui fait l'objet de la procédure de recouvrement ou de la saisie visée au § 1er, alinéa 1.
§ 6. Toutes les personnes enregistrées dans le fichier des avis disposent d'un droit d'accès et d'un droit de rectification conformément [7 aux articles 15 et 16 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (Règlement général sur la protection des données)]7.
a) les avocats, [6 agissant par l'intermédiaire de l'Orde van Vlaamse Balies et de l'Ordre des barreaux francophones et germanophones, chargés d'une mission visée à l'article 444 pour laquelle ils sont indemnisés en vertu de l'article 446ter ou en raison d'une désignation d'office ou d'une commission d'office visée à l'article 446]6;
b) les huissiers de justice [6 qui ont été mandatés conformément à l'article 519]6;
c) les agents du Service public fédéral Finances dans le cadre de l'exercice de leurs fonctions et de la poursuite de leur mission, et en vue de l'établissement, de la perception et du recouvrement des créances fiscales et des créances non-fiscales qui relèvent de la compétence du Service public fédéral Finances;
d) les receveurs régionaux, les membres du personnel de l'Agentschap Vlaamse Belastingdienst et les receveurs provinciaux et communaux chargés de diligenter une procédure de recouvrement au fond ou par voie de saisie contre une personne déterminée, en ce qui concerne les avis établis au nom de celle-ci.]4
Les notaires, à l'intervention de la Fédération royale du Notariat belge, sont autorisés à consulter les avis visés aux articles 1390 à [6 1390quater/1]6 [8 et aux articles 1390quinquies/1 et 1390octies, § 2,]8 établis au nom des personnes dont les biens doivent faire l'objet d'un acte relevant de leur ministère.
Les médiateurs de dettes peuvent prendre connaissance, pour l'accomplissement de leurs missions légales, des avis visés aux articles 1390 à [6 1390quater/1]6 [8 et aux articles 1390quinquies/1 et 1390octies, §§ 2 et 3,]8 établis au nom du requérant-débiteur et au nom des personnes qui partagent une communauté ou une indivision avec lui. La consultation s'opère, pour les avocats, huissiers de justice et notaires, selon les modalités déterminées aux alinéas 1er et 2 et, pour les autres médiateurs de dettes, [6 en agissant par l'intermédiaire]6 de la Chambre nationale [6 des huissiers de justice]6.
Tous les magistrats, greffiers et juges consulaires et sociaux peuvent consulter, pour l'accomplissement de leurs missions légales, les avis visés aux articles 1390 à 1390quater/1 [8 et aux articles 1390quinquies/1 et 1390octies, §§ 2 et 3,]8 établis au nom d'une ou de plusieurs des parties concernées.
Les [3 magistrats et greffiers des [5 tribunaux de l'entreprise]5 et les juges consulaires peuvent, sous le contrôle du président,]3 consulter le fichier des avis [3 et d'autres sources d'informations désignées par le Roi, après avis de [6 l'Autorité de protection des données]6]3 pour l'accomplissement de leurs missions légales, au moyen d'une recherche générale ou globale et selon les modalités et les paramètres déterminés par le Roi.]2
[6 Les organismes désignés par le Roi pour l'enregistrement des utilisateurs visés à l'article 1389bis/2, alinéa 2, sont responsables de l'enregistrement et de la gestion des utilisateurs du groupe d'utilisateurs pour lequel ils sont désignés.]6
[8 Toutes les personnes enregistrées au fichier des avis ont le droit, soit directement par une procédure utilisant les techniques informatiques déterminées par le Roi, soit avec l'assistance d'un huissier de justice, de prendre connaissance de leurs propres avis.]8
§ 2. [8 Aucune signification d'un jugement ordonnant un paiement, aucune signification d'un commandement de payer, aucune saisie-exécution, aucune signification de sommation de payer, aucune citation de payer une somme d'argent, aucune procédure de répartition ne peut être diligentée sans consultation préalable par l'officier ministériel des avis établis en application des articles 1390 à 1390quater et des articles 1390quater/2, 1390quinquies, 1390quinquies/1 et 1390octies, §§ 2 et 3.]8
A cette fin, l'exploit de saisie ou le procès-verbal de distribution par contribution ou d'ordre mentionne la date et l'heure auxquelles l'officier ministériel a consulté les avis ou reproduit en annexe l'attestation contenant ces mentions délivrée par le fichier des avis.
[2 Les avis visés [8 aux articles 1390quater/1 et 1390quinquies/1]8 sont électroniques et accessibles à toute personne selon les modalités fixées par le Roi. Le Roi peut également permettre à des catégories spécifiques de personnes, qu'Il définit, de consulter les avis précités aux conditions qu'Il détermine.]2
§ 3. La consultation directe ou indirecte des avis prévus aux articles 1390 à [6 1390quater/2]6 [8 et aux articles 1390quinquies/1 et 1390octies]8, est effectuée selon les modalités déterminées par le Roi.
§ 4. [6 L'accès aux données contenues dans le fichier des avis est obtenu au moyen de la carte d'identité électronique ou d'un moyen d'authentification présentant des garanties équivalentes. Les utilisateurs sont personnellement responsables de leur utilisation.]6
§ 5. [2 Toute demande de consultation des avis visés aux articles 1390 à [6 1390quater/2]6 [8 et aux articles 1390quinquies/1 et 1390octies]8 n'est recevable que si elle mentionne :]2
1° [6 ...]6 les nom, prénoms et l'adresse professionnelle du requérant visé au § 1er;
2° le cas échéant les nom, prénoms et domicile du créancier ou, sa dénomination, sa nature juridique et son siège;
3° les nom, prénoms, domicile, à défaut de domicile, la résidence ou la dénomination, la nature juridique et le siège, la date de naissance et/ou le numéro [1 d'entreprise]1 de la personne sur laquelle porte la consultation;
4° l'objet de la demande, justifiée conformément au § 1er;
5° le cas échéant, la date du dernier acte établi à charge de la personne qui fait l'objet de la procédure de recouvrement ou de la saisie visée au § 1er, alinéa 1.
§ 6. Toutes les personnes enregistrées dans le fichier des avis disposent d'un droit d'accès et d'un droit de rectification conformément [7 aux articles 15 et 16 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (Règlement général sur la protection des données)]7.
Änderungen
Art. 1391bis TOEKOMSTIG RECHT. 1 § 1. Wanneer de gerechtsdeurwaarder vaststelt dat de schuldenaar het voorwerp is van een bericht van collectieve schuldenregeling overeenkomstig artikel 1390quater of van een bericht van minnelijke schuldbemiddeling overeenkomstig artikel 1390octies, § 3, informeert de gerechtsdeurwaarder de schuldbemiddelaar of de dienst voor schuldbemiddeling die de neerlegging van dit bericht heeft gevraagd of die hiertoe is aangewezen, van zijn opdracht en van het bedrag van de vordering, via gepaste informaticatechnieken of op enige andere wijze.
De minnelijke schuldbemiddelaar of de dienst voor schuldbemiddeling antwoordt de gerechtsdeurwaarder binnen een maand te rekenen vanaf de contactopname.
§ 2. De Koning kan de informaticatechnieken bedoeld in dit artikel nader bepalen.]1
De minnelijke schuldbemiddelaar of de dienst voor schuldbemiddeling antwoordt de gerechtsdeurwaarder binnen een maand te rekenen vanaf de contactopname.
§ 2. De Koning kan de informaticatechnieken bedoeld in dit artikel nader bepalen.]1
Art. 1391bis DROIT FUTUR. 1 § 1er. Quand l'huissier de justice constate que le débiteur fait l'objet d'un avis de règlement collectif de dettes conformément à l'article 1390quater ou d'un avis de médiation de dettes amiable conformément à l'article 1390octies, § 3, l'huissier de justice informe le médiateur de dettes ou le service de médiation de dettes qui a demandé le dépôt de cet avis ou qui a été désigné, de sa mission et du montant de la créance, par le biais de techniques informatiques ou par tout autre moyen.
Le médiateur de dettes amiable ou le service de médiation de dettes répond à l'huissier de justice dans un délai d'un mois à compter de la date de prise de contact.
§ 2. Le Roi peut fixer les techniques informatiques visées au présent article.]1
Le médiateur de dettes amiable ou le service de médiation de dettes répond à l'huissier de justice dans un délai d'un mois à compter de la date de prise de contact.
§ 2. Le Roi peut fixer les techniques informatiques visées au présent article.]1
HOOFDSTUK Ibis/1. [1 - Centraal register voor Europees conservatoir beslag op bankrekeningen.]1
CHAPITRE Ierbis/1. [1 - Registre central pour les saisies conservatoires européennes des comptes bancaires.]1
Art. 1391/1. [1 Bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, wordt een "Centraal register voor Europees conservatoir beslag op bankrekeningen" opgericht, hierna "Centraal Register EAPO" genoemd.
Het Centraal Register EAPO is een geïnformatiseerde gegevensbank waarin de gegevens worden verzameld die noodzakelijk zijn voor de doeleinden van het rechterlijk verzoek en om het juiste verloop na te gaan van de procedures betreffende het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie, bedoeld in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken, en in de artikelen [2 1447, tweede lid, 3°]2 en 1447/2.
In het Centraal register EAPO worden opgenomen:
1) De metadata en het elektronisch verzoek of de gedematerialiseerde kopieën van het niet-elektronisch verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie dat werd meegedeeld aan de Nationale Kamer, evenals van de bijlages van dat verzoek;
2) De metadata en de data betreffende de betaling van de vergoeding voor de behandeling van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie;
3) De gegevens noodzakelijk om de schuldenaar die het voorwerp uitmaakt van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie te kunnen identificeren;
4) De metadata en de elektronische correspondentie evenals de gedematerialiseerde kopieën van de niet-elektronische correspondentie van de Nationale Kamer gevoerd met het oog op het beantwoorden van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie;
5) De metadata en het elektronisch antwoord of de gedematerialiseerde kopieën van het niet-elektronisch antwoord van de Nationale Kamer op het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie.
De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de exacte gegevens opgenomen in het register.
Het register geldt als authentieke bron voor alle gegevens die erin zijn opgenomen.]1
Het Centraal Register EAPO is een geïnformatiseerde gegevensbank waarin de gegevens worden verzameld die noodzakelijk zijn voor de doeleinden van het rechterlijk verzoek en om het juiste verloop na te gaan van de procedures betreffende het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie, bedoeld in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken, en in de artikelen [2 1447, tweede lid, 3°]2 en 1447/2.
In het Centraal register EAPO worden opgenomen:
1) De metadata en het elektronisch verzoek of de gedematerialiseerde kopieën van het niet-elektronisch verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie dat werd meegedeeld aan de Nationale Kamer, evenals van de bijlages van dat verzoek;
2) De metadata en de data betreffende de betaling van de vergoeding voor de behandeling van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie;
3) De gegevens noodzakelijk om de schuldenaar die het voorwerp uitmaakt van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie te kunnen identificeren;
4) De metadata en de elektronische correspondentie evenals de gedematerialiseerde kopieën van de niet-elektronische correspondentie van de Nationale Kamer gevoerd met het oog op het beantwoorden van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie;
5) De metadata en het elektronisch antwoord of de gedematerialiseerde kopieën van het niet-elektronisch antwoord van de Nationale Kamer op het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie.
De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de exacte gegevens opgenomen in het register.
Het register geldt als authentieke bron voor alle gegevens die erin zijn opgenomen.]1
Art. 1391/1. [1 Il est institué, à la Chambre nationale des huissiers de justice, un "Registre central pour les saisies conservatoires européennes des comptes bancaires", ci-après dénommé "Registre central EAPO".
Le Registre central EAPO est une base de données informatisée dans laquelle sont collectées les données qui sont nécessaires pour atteindre les objectifs de la demande juridictionnelle et pour contrôler le bon déroulement des procédures concernant les demandes visant à obtenir des informations relatives aux comptes, telles que visées dans l'article 14 du Règlement (UE) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale, et dans les articles [2 1447, alinéa 2, 3°]2 et 1447/2.
Sont enregistrées dans le Registre central EAPO :
1) Les métadonnées et la demande électronique ou les copies dématérialisées de la demande non-électronique visant à obtenir des informations relatives aux comptes, qui a été transmise à la Chambre nationale, ainsi que les annexes de cette demande;
2) Les métadonnées et les données concernant le payement des frais pour le traitement de la demande visant à obtenir des informations relatives aux comptes;
3) Les données nécessaires afin de pouvoir identifier le débiteur qui fait l'objet de la demande visant à obtenir les informations relatives aux comptes;
4) Les métadonnées et la correspondance électronique ainsi que les copies dématérialisées de la corrrespondance non-électronique échangée par la Chambre nationale en vue de répondre à la demande visant à obtenir les informations relatives aux comptes;
5) Les métadonnées et la réponse électronique ou les copies dématérialisées de la réponse non-électronique de la Chambre nationale à la demande visant à obtenir les informations relatives aux comptes.
Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire du registre et de l'Autorité de protection des données formelles, les données exactes enregistrées dans le registre.
Le registre vaut comme source authentique pour tous les données qui y sont enregistrées.]1
Le Registre central EAPO est une base de données informatisée dans laquelle sont collectées les données qui sont nécessaires pour atteindre les objectifs de la demande juridictionnelle et pour contrôler le bon déroulement des procédures concernant les demandes visant à obtenir des informations relatives aux comptes, telles que visées dans l'article 14 du Règlement (UE) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale, et dans les articles [2 1447, alinéa 2, 3°]2 et 1447/2.
Sont enregistrées dans le Registre central EAPO :
1) Les métadonnées et la demande électronique ou les copies dématérialisées de la demande non-électronique visant à obtenir des informations relatives aux comptes, qui a été transmise à la Chambre nationale, ainsi que les annexes de cette demande;
2) Les métadonnées et les données concernant le payement des frais pour le traitement de la demande visant à obtenir des informations relatives aux comptes;
3) Les données nécessaires afin de pouvoir identifier le débiteur qui fait l'objet de la demande visant à obtenir les informations relatives aux comptes;
4) Les métadonnées et la correspondance électronique ainsi que les copies dématérialisées de la corrrespondance non-électronique échangée par la Chambre nationale en vue de répondre à la demande visant à obtenir les informations relatives aux comptes;
5) Les métadonnées et la réponse électronique ou les copies dématérialisées de la réponse non-électronique de la Chambre nationale à la demande visant à obtenir les informations relatives aux comptes.
Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire du registre et de l'Autorité de protection des données formelles, les données exactes enregistrées dans le registre.
Le registre vaut comme source authentique pour tous les données qui y sont enregistrées.]1
Art. 1391/2. [1 De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, hierna "de beheerder" genoemd staat in voor de inrichting en het beheer van het register. Zij staat in voor de controle op de werking en het gebruik ervan. In voorkomend geval is hoofdstuk VII van boek IV van het tweede deel van dit Wetboek van toepassing.
De Nationale Kamer wordt met betrekking tot het Centraal Register EAPO beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.]1
De Nationale Kamer wordt met betrekking tot het Centraal Register EAPO beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.]1
Art. 1391/2. [1 La Chambre nationale des huissiers de justice, ci-après dénommé "le gestionnaire", met en place et gère le fontionnement du registre. Elle assure le contrôle du fonctionnement et de l'utilisation du registre. Le cas échéant, le chapitre VII du livre IV de la deuxième partie du présent Code s'applique.
La Chambre nationale est considérée, pour ce qui concerne le Registre central EAPO, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE]1
La Chambre nationale est considérée, pour ce qui concerne le Registre central EAPO, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE]1
Art. 1391/3. [1 De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder van het register en van de Gegevensbeschermingsautoriteit :
1° onder de organen en werknemers van de Nationale Kamer en onder de organen en werknemers van de door haar opgerichte verenigingen, welke organen, welke natuurlijke personen of welke categorieën van personen, voor de toepassing van dit hoofdstuk, de gegevens bedoeld in artikel 1391/1 kunnen registreren in het Centraal Register EAPO en toegang kunnen hebben tot deze gegevens;
2° onder de organen en werknemers van de Nationale Kamer en onder de organen en werknemers van de door haar opgerichte verenigingen, welke organen, welke natuurlijke personen of welke categorieën van personen deze gegevens voor de toepassing van dit hoofdstuk kunnen raadplegen;
3° de modaliteiten van de in de bepalingen onder 1° en 2° bedoelde registratie, toegang en raadpleging.
Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de registratie van gegevens in het Centraal Register EAPO, of aan de verwerking of de mededeling van de erin geregistreerde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing.]1
1° onder de organen en werknemers van de Nationale Kamer en onder de organen en werknemers van de door haar opgerichte verenigingen, welke organen, welke natuurlijke personen of welke categorieën van personen, voor de toepassing van dit hoofdstuk, de gegevens bedoeld in artikel 1391/1 kunnen registreren in het Centraal Register EAPO en toegang kunnen hebben tot deze gegevens;
2° onder de organen en werknemers van de Nationale Kamer en onder de organen en werknemers van de door haar opgerichte verenigingen, welke organen, welke natuurlijke personen of welke categorieën van personen deze gegevens voor de toepassing van dit hoofdstuk kunnen raadplegen;
3° de modaliteiten van de in de bepalingen onder 1° en 2° bedoelde registratie, toegang en raadpleging.
Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de registratie van gegevens in het Centraal Register EAPO, of aan de verwerking of de mededeling van de erin geregistreerde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing.]1
Art. 1391/3. [1 Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire du registre et de l'Autorité de protection des données :
1° parmi les organes et employés de la Chambre nationale et parmi les organes et employés des associations qu'elle a créé, quels organes, quelles personnes physiques ou quelles catégories de personnes peuvent, pour l'application du présent chapitre, enregistrer les données visées à l'article 1391/1 dans le Registre central EAPO et accéder à ces données;
2° parmi les organes et employés de la Chambre nationale et parmi les organes et employés des associations qu'elle a créé, quels organes, quelles personnes physiques ou quelles catégories de personnes peuvent consulter ces données pour l'application du présent chapitre;
3° les modalités relatives à l'enregistrement, l'accès et la consultation visés aux 1° et 2°.
Celui qui, à quelque titre que ce soit, participe à la collecte ou à l'enregistrement des données dans le Registre central EAPO ou au traitement ou à la communication des données qui y sont enregistrées ou a connaissance de telles données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal s'applique.]1
1° parmi les organes et employés de la Chambre nationale et parmi les organes et employés des associations qu'elle a créé, quels organes, quelles personnes physiques ou quelles catégories de personnes peuvent, pour l'application du présent chapitre, enregistrer les données visées à l'article 1391/1 dans le Registre central EAPO et accéder à ces données;
2° parmi les organes et employés de la Chambre nationale et parmi les organes et employés des associations qu'elle a créé, quels organes, quelles personnes physiques ou quelles catégories de personnes peuvent consulter ces données pour l'application du présent chapitre;
3° les modalités relatives à l'enregistrement, l'accès et la consultation visés aux 1° et 2°.
Celui qui, à quelque titre que ce soit, participe à la collecte ou à l'enregistrement des données dans le Registre central EAPO ou au traitement ou à la communication des données qui y sont enregistrées ou a connaissance de telles données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal s'applique.]1
Art. 1391/4. [1 De beheerder stelt de schuldenaar die het voorwerp uitmaakt van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie op uitdrukkelijke vraag van de schuldenaar en niet voordat de in artikel 555/1, § 2, derde lid, bedoelde termijn is verstreken, in kennis van :
1° de gegevens van het register die hem betreffen;
2° de organen, natuurlijke personen en categorieën van personen die toegang hebben tot deze gegevens;
3° de bewaartermijn van deze gegevens;
4° de in artikel 1391/2, tweede lid, bedoelde verantwoordelijke voor de verwerking;
5° de wijze waarop hij inzage kan verkrijgen van deze gegevens;
6° de wijze waarop hij de verbetering van foutieve gegevens kan bekomen.]1
1° de gegevens van het register die hem betreffen;
2° de organen, natuurlijke personen en categorieën van personen die toegang hebben tot deze gegevens;
3° de bewaartermijn van deze gegevens;
4° de in artikel 1391/2, tweede lid, bedoelde verantwoordelijke voor de verwerking;
5° de wijze waarop hij inzage kan verkrijgen van deze gegevens;
6° de wijze waarop hij de verbetering van foutieve gegevens kan bekomen.]1
Art. 1391/4. [1 Le gestionnaire informe le débiteur qui fait l'objet de la demande visant à obtenir des informations relatives aux comptes bancaires, sur la demande explicite du débiteur et pas avant que le délai visé à l'article 555/1, § 2, alinéa 3, ait expiré :
1° des données du registre qui le concernent;
2° des organes, personnes physiques et catégories de personnes qui ont accès à ces données;
3° du délai de conservation de ces données;
4° du responsable du traitement visé à l'article 1391/2, alinéa 2;
5° de la manière dont il peut obtenir accès à ces données;
6° de la manière dont il peut obtenir la correction des données erronées.]1
1° des données du registre qui le concernent;
2° des organes, personnes physiques et catégories de personnes qui ont accès à ces données;
3° du délai de conservation de ces données;
4° du responsable du traitement visé à l'article 1391/2, alinéa 2;
5° de la manière dont il peut obtenir accès à ces données;
6° de la manière dont il peut obtenir la correction des données erronées.]1
Art. 1391/5. [1 De gegevens die zijn opgenomen in het Centraal Register EAPO worden ten hoogste zes maanden bewaard en dit vanaf het moment van registratie.]1
Art. 1391/5. [1 Les données contenues dans le Registre central EAPO sont conservées pendant six mois au plus, et ce, à partir du moment de l'enregistrement.]1
Art. 1391/6. [1 De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de nadere regels voor de inrichting en werking van het register.]1
Art. 1391/6. [1 Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire et de l'Autorité de protection des données, les modalités de mise en place et de fonctionnement du registre.]1
HOOFDSTUK Iter. (Andere bepalingen)
CHAPITRE Ierter. (Autres dispositions)
Art.1392. Alle betekeningen, zelfs van aanbod van gerede betaling, kunnen worden gedaan aan de gekozen woonplaats van de beslaglegger.
Art.1392. Toutes significations, même d'offres réelles, peuvent être faites au domicile élu du saisissant.
Art.1393. Overhandiging van de uitgifte van het vonnis of van de akte aan de gerechtsdeurwaarder geldt als volmacht voor alle tenuitvoerleggingen.
Art.1393. La remise de l'expédition du jugement ou de l'acte à l'huissier de justice vaut pouvoir pour toutes exécutions.
Art.1394. De gerechtsdeurwaarder die in de uitoefening van zijn ambt wordt beschimpt of die op weerspannigheid stuit, maakt proces-verbaal op ; en er wordt gehandeld met inachtneming van de regels van het Wetboek van Strafvordering.
Art.1394. L'huissier de justice insulté dans l'exercice de ses fonctions ou qui se heurte à une rébellion, dresse procès-verbal ; il est procédé suivant les règles établies par le Code d'instruction criminelle.
HOOFDSTUK Iquater. - [1 Centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering]1
CHAPITRE Ierquater. - [1 Fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire]1
Art. 1394/1. [1 Binnen de FOD Justitie wordt een register opgericht, "centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering" geheten.
Het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering is de geïnformatiseerde gegevensbank waar alle vonnissen, arresten en akten worden gecentraliseerd waarin een regeling wordt getroffen aangaande een uitkering tot levensonderhoud toegekend op basis van de artikelen 203, § 1, 203, § 3, 205, 205bis, 206, 301, 336 en 353.14 van het Burgerlijk Wetboek.
Dit register heeft tot doel om alle vonnissen, arresten en akten als bedoeld in het tweede lid op elektronische wijze te verzamelen met het oog op een betere invordering van achterstallige onderhoudsuitkeringen door de gerechtsdeurwaarders die optreden ten laste van een onderhoudsschuldenaar of door de Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën.
Het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering is belast met het opnemen, het bewaren, het beheren en het ter beschikking stellen van de vonnissen, arresten en akten als bedoeld in het tweede lid op elektronische wijze overeenkomstig de bepalingen van dat hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
Het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering is de geïnformatiseerde gegevensbank waar alle vonnissen, arresten en akten worden gecentraliseerd waarin een regeling wordt getroffen aangaande een uitkering tot levensonderhoud toegekend op basis van de artikelen 203, § 1, 203, § 3, 205, 205bis, 206, 301, 336 en 353.14 van het Burgerlijk Wetboek.
Dit register heeft tot doel om alle vonnissen, arresten en akten als bedoeld in het tweede lid op elektronische wijze te verzamelen met het oog op een betere invordering van achterstallige onderhoudsuitkeringen door de gerechtsdeurwaarders die optreden ten laste van een onderhoudsschuldenaar of door de Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën.
Het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering is belast met het opnemen, het bewaren, het beheren en het ter beschikking stellen van de vonnissen, arresten en akten als bedoeld in het tweede lid op elektronische wijze overeenkomstig de bepalingen van dat hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
Art. 1394/1. [1 Il est institué auprès du SPF Justice un registre dénommé "fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire".
Le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire est la base de données informatisée qui centralise tous les jugements, arrêts et actes portant sur les modalités d'octroi d'une pension alimentaire accordée sur la base des articles 203, § 1er, 203, § 3, 205, 205bis, 206, 301, 336 et 353.14 du Code civil.
L'objectif de ce registre est de centraliser, de manière électronique, tous les jugements, arrêts et actes visés à l'alinéa 2, en vue d'assurer un meilleur recouvrement des arriérés de pension alimentaire par les huissiers de justice mandatés par un créancier d'aliments ou par le Service des créances alimentaires du SPF Finances, visé par la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances.
Le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire est chargé de répertorier, conserver, gérer et mettre à disposition sous forme électronique les jugements, arrêts et actes visés à l'alinéa 2, dans le respect des dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution.]1
Le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire est la base de données informatisée qui centralise tous les jugements, arrêts et actes portant sur les modalités d'octroi d'une pension alimentaire accordée sur la base des articles 203, § 1er, 203, § 3, 205, 205bis, 206, 301, 336 et 353.14 du Code civil.
L'objectif de ce registre est de centraliser, de manière électronique, tous les jugements, arrêts et actes visés à l'alinéa 2, en vue d'assurer un meilleur recouvrement des arriérés de pension alimentaire par les huissiers de justice mandatés par un créancier d'aliments ou par le Service des créances alimentaires du SPF Finances, visé par la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances.
Le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire est chargé de répertorier, conserver, gérer et mettre à disposition sous forme électronique les jugements, arrêts et actes visés à l'alinéa 2, dans le respect des dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution.]1
Art. 1394/2. [1 De natuurlijke personen die de gegevens van het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering rechtstreeks kunnen registreren, raadplegen, wijzigen, verwerken of vernietigen, worden met naam aangewezen in een geïnformatiseerd register, dat door dit centraal bestand voortdurend wordt bijgewerkt.]1
Art. 1394/2. [1 Les personnes physiques qui peuvent directement enregistrer, consulter, modifier, traiter ou détruire les données du fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire sont désignées nominativement dans un registre informatisé, constamment tenu à jour par ledit fichier central.]1
Art. 1394/3. [1 Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in het centraal bestand geregistreerde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk.]1
Art. 1394/3. [1 Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données enregistrées dans le fichier central ou a connaissance de telles données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable.]1
Art. 1394/4. [1 Teneinde de juistheid na te gaan van de gegevens die in het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering worden ingevoerd en het voortdurend te kunnen bijwerken, hebben de aangestelden van de FOD Justitie belast met de verwerking van de gegevens toegang tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 5°, 6°, 7°, 8° en 13°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen en kunnen zij het identificatienummer van dat register gebruiken. Zij delen het nummer evenwel in geen enkele vorm aan derden mee.
De Koning stelt de wijze vast waarop de informatiegegevens van het rijksregister aan de ambtenaren aangesteld door de FOD Justitie voor de verwerking van de gegevens worden overgezonden.]1
De Koning stelt de wijze vast waarop de informatiegegevens van het rijksregister aan de ambtenaren aangesteld door de FOD Justitie voor de verwerking van de gegevens worden overgezonden.]1
Art. 1394/4. [1 En vue de contrôler l'exactitude des données introduites dans le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire et de le tenir constamment à jour, les préposés du SPF Justice chargés du traitement des données ont accès aux informations mentionnées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 5°, 6°, 7°, 8° et 13°, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques et peuvent utiliser le numéro d'identification de ce registre. Ils ne peuvent toutefois pas communiquer le numéro à des tiers, sous quelque forme que ce soit.
Le Roi détermine les modalités de transmission des informations informatiques du registre national aux fonctionnaires désignés par le SPF Justice pour le traitement des données.]1
Le Roi détermine les modalités de transmission des informations informatiques du registre national aux fonctionnaires désignés par le SPF Justice pour le traitement des données.]1
Art. 1394/5. [1 De registratie van vonnissen, arresten, akten en persoonsgegevens in het bestand is kosteloos.]1
Art. 1394/5. [1 L'enregistrement de jugements, d'arrêts, d'actes et de données à caractère personnel dans le fichier s'opère sans frais.]1
Art. 1394/6. [1 Op verzoek van de minister van Justitie, de ministers tot wier bevoegdheid de economie behoort, de wetgevende Kamers, de Gemeenschaps- en Gewestparlementen en het Planbureau, alsook, na eensluidend advies van het Beheers- en toezichtscomité, van alle betrokken personen en organisaties, maakt het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering hen de anonieme gegevens over die nuttig zijn voor onderzoek in verband met de gerechtelijke organisatie, de toekenning van onderhoudsuitkeringen en de invordering van achterstallige onderhoudsuitkeringen. Gecodeerde gegevens kunnen enkel worden overgemaakt overeenkomstig de toepasselijke regels tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.]1
Art. 1394/6. [1 A la demande du ministre de la Justice, des ministres ayant l'Economie dans leurs attributions, des Chambres législatives, des parlements de communauté et de région et du Bureau du plan, ainsi qu'après avis du Comité de gestion et de surveillance, de toute personne ou organisme intéressé, le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire leur communique les données anonymes utiles à la recherche relative à l'organisation judiciaire, à l'octroi de pensions alimentaires et au recouvrement d'arriérés de pension alimentaire. Des données codées ne peuvent être communiquées que conformément aux règles applicables à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.]1
Art. 1394/7. [1 Bij de FOD Justitie wordt een Beheers- en toezichtscomité bij het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering opgericht, hierna "Beheers- en toezichtscomité" genoemd.
Het Beheers- en toezichtscomité wordt voorgezeten door een rechter van de rechtbank van eerste aanleg of door een magistraat of een emeritus-magistraat met ten minste twee jaar effectieve ervaring inzake familierecht, aangewezen door de minister van Justitie. Het Comité is voorts samengesteld uit een jurist en een informaticus die de minister van Justitie vertegenwoordigen en door hem worden aangewezen, uit een griffier van een rechtbank van eerste aanleg aangewezen door de minister van Justitie, [2 ...]2 uit een vertegenwoordiger van de Dienst voor de alimentatievorderingen die door de minister van Financiën is aangewezen, uit een vertegenwoordiger van de Nationale Bank van België aangewezen door de gouverneur ervan, uit een advocaat aangewezen door de Orde van Vlaamse Balies, uit een advocaat aangewezen door de Ordre des barreaux francophones et germanophone, uit een notaris aangewezen door het college van voorzitters van de arrondissementskamers van notarissen, uit een gerechtsdeurwaarder aangewezen door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders en uit een bedrijfsrevisor aangewezen door de raad van het Instituut van de bedrijfsrevisoren.
Het Beheers- en toezichtscomité kan slechts op geldige wijze beraadslagen wanneer ten minste de helft van de leden aanwezig is.
De beslissingen van de Beheers- en toezichtscomité worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
De leden van het Comité worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van vier jaar.
Voor elk lid van het Comité wordt een plaatsvervanger aangewezen, op dezelfde wijze als de werkende leden.
Indien het mandaat van een werkend lid of een plaatsvervangend lid een einde neemt vóór het verstrijken van de termijn ervan, wordt in zijn opvolging voorzien. De opvolger voleindigt het mandaat van zijn voorganger.
Het Beheers- en toezichtscomité stelt zijn huishoudelijk reglement vast, dat door de minister van Justitie wordt goedgekeurd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]1
Het Beheers- en toezichtscomité wordt voorgezeten door een rechter van de rechtbank van eerste aanleg of door een magistraat of een emeritus-magistraat met ten minste twee jaar effectieve ervaring inzake familierecht, aangewezen door de minister van Justitie. Het Comité is voorts samengesteld uit een jurist en een informaticus die de minister van Justitie vertegenwoordigen en door hem worden aangewezen, uit een griffier van een rechtbank van eerste aanleg aangewezen door de minister van Justitie, [2 ...]2 uit een vertegenwoordiger van de Dienst voor de alimentatievorderingen die door de minister van Financiën is aangewezen, uit een vertegenwoordiger van de Nationale Bank van België aangewezen door de gouverneur ervan, uit een advocaat aangewezen door de Orde van Vlaamse Balies, uit een advocaat aangewezen door de Ordre des barreaux francophones et germanophone, uit een notaris aangewezen door het college van voorzitters van de arrondissementskamers van notarissen, uit een gerechtsdeurwaarder aangewezen door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders en uit een bedrijfsrevisor aangewezen door de raad van het Instituut van de bedrijfsrevisoren.
Het Beheers- en toezichtscomité kan slechts op geldige wijze beraadslagen wanneer ten minste de helft van de leden aanwezig is.
De beslissingen van de Beheers- en toezichtscomité worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
De leden van het Comité worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van vier jaar.
Voor elk lid van het Comité wordt een plaatsvervanger aangewezen, op dezelfde wijze als de werkende leden.
Indien het mandaat van een werkend lid of een plaatsvervangend lid een einde neemt vóór het verstrijken van de termijn ervan, wordt in zijn opvolging voorzien. De opvolger voleindigt het mandaat van zijn voorganger.
Het Beheers- en toezichtscomité stelt zijn huishoudelijk reglement vast, dat door de minister van Justitie wordt goedgekeurd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]1
Art. 1394/7. [1 Il est institué auprès du SPF Justice un Comité de gestion et de surveillance du fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire, dénommé ci-après "Comité de gestion et de surveillance".
Le Comité de gestion et de surveillance est présidé par un juge du tribunal de première instance ou par un magistrat ou un magistrat émérite qui peut justifier d'une expérience effective d'au moins deux ans en matière de droit de la famille, et qui est désigné par le ministre de la Justice. Le Comité est composé en outre d'un juriste et d'un informaticien représentant le ministre de la Justice et désignés par lui, d'un greffier d'un tribunal de première instance désigné par le ministre de la Justice, [2 ...]2 d'un représentant du Service des créances alimentaires désigné par le ministre des Finances, d'un représentant de la Banque nationale de Belgique désigné par le gouverneur de la banque, d'un avocat désigné par de Orde van Vlaamse balies, d'un avocat désigné par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, d'un notaire désigné par le collège des présidents des chambres arrondissementales des notaires, d'un huissier de justice désigné par la Chambre nationale des huissiers de justice et d'un réviseur d'entreprises désigné par le Conseil de l'Institut des réviseurs d'entreprises.
Le Comité de gestion et de surveillance ne peut délibérer valablement que si la moitié au moins de ses membres sont présents.
Les décisions du Comité de gestion et de surveillance sont prises à la majorité des voix. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
Les membres du Comité sont nommés pour un terme renouvelable de quatre ans.
Pour chaque membre du Comité, il est désigné un suppléant, selon les mêmes modalités que pour les membres effectifs.
Si le mandat d'un membre effectif ou d'un membre suppléant prend fin avant terme, il est pourvu à son remplacement. Le remplaçant achève le mandat de son prédécesseur.
Le Comité de gestion et de surveillance arrête son règlement d'ordre intérieur, lequel est approuvé par le ministre de la Justice et publié au Moniteur belge.]1
Le Comité de gestion et de surveillance est présidé par un juge du tribunal de première instance ou par un magistrat ou un magistrat émérite qui peut justifier d'une expérience effective d'au moins deux ans en matière de droit de la famille, et qui est désigné par le ministre de la Justice. Le Comité est composé en outre d'un juriste et d'un informaticien représentant le ministre de la Justice et désignés par lui, d'un greffier d'un tribunal de première instance désigné par le ministre de la Justice, [2 ...]2 d'un représentant du Service des créances alimentaires désigné par le ministre des Finances, d'un représentant de la Banque nationale de Belgique désigné par le gouverneur de la banque, d'un avocat désigné par de Orde van Vlaamse balies, d'un avocat désigné par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, d'un notaire désigné par le collège des présidents des chambres arrondissementales des notaires, d'un huissier de justice désigné par la Chambre nationale des huissiers de justice et d'un réviseur d'entreprises désigné par le Conseil de l'Institut des réviseurs d'entreprises.
Le Comité de gestion et de surveillance ne peut délibérer valablement que si la moitié au moins de ses membres sont présents.
Les décisions du Comité de gestion et de surveillance sont prises à la majorité des voix. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
Les membres du Comité sont nommés pour un terme renouvelable de quatre ans.
Pour chaque membre du Comité, il est désigné un suppléant, selon les mêmes modalités que pour les membres effectifs.
Si le mandat d'un membre effectif ou d'un membre suppléant prend fin avant terme, il est pourvu à son remplacement. Le remplaçant achève le mandat de son prédécesseur.
Le Comité de gestion et de surveillance arrête son règlement d'ordre intérieur, lequel est approuvé par le ministre de la Justice et publié au Moniteur belge.]1
Art. 1394/8. [1 De minister van Justitie bepaalt voor de voorzitter en de leden van het Beheers- en toezichtscomité het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de presentiegelden, de vergoedingen van de verblijfskosten, alsook de voorwaarden inzake terugbetaling van hun reiskosten. Alle kosten van het Comité vallen ten laste van de federale overheidsdienst Justitie.]1
Art. 1394/8. [1 Le ministre de la Justice fixe, pour le président et les membres du Comité de gestion et de surveillance, le montant et les conditions d'octroi des jetons de présence, des indemnités pour frais de séjour ainsi que les conditions de remboursement de leurs frais de déplacement. Tous les frais du Comité sont à charge du service public fédéral Justice.]1
Art. 1394/9. [1 § 1. Het Beheers- en toezichtscomité heeft de volgende opdrachten :
1° waken over en bijdragen tot de doeltreffende en veilige werking van het centraal bestand overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk;
2° advies uitbrengen over de uitvoeringsbesluiten bedoeld in de artikelen 1394/1 en 1394/4 en over de verzoeken bedoeld in artikel 1394/6;
3° aan de minister van Justitie op zijn verzoek een advies uitbrengen inzake elke vraag betreffende het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering;
4° advies verlenen, ambtshalve of na een verzoek overeenkomstig artikel 1394/12, over elke moeilijkheid of elk geschil dat kan rijzen betreffende de toepassing van dit hoofdstuk en de uitvoeringsmaatregelen ervan;
5° het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering ermee gelasten de individuele toegangscodes tot het centraal bestand van berichten onwerkzaam te maken overeenkomstig artikel 1394/13.
§ 2. [2 ...]2]1
1° waken over en bijdragen tot de doeltreffende en veilige werking van het centraal bestand overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk;
2° advies uitbrengen over de uitvoeringsbesluiten bedoeld in de artikelen 1394/1 en 1394/4 en over de verzoeken bedoeld in artikel 1394/6;
3° aan de minister van Justitie op zijn verzoek een advies uitbrengen inzake elke vraag betreffende het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering;
4° advies verlenen, ambtshalve of na een verzoek overeenkomstig artikel 1394/12, over elke moeilijkheid of elk geschil dat kan rijzen betreffende de toepassing van dit hoofdstuk en de uitvoeringsmaatregelen ervan;
5° het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering ermee gelasten de individuele toegangscodes tot het centraal bestand van berichten onwerkzaam te maken overeenkomstig artikel 1394/13.
§ 2. [2 ...]2]1
Art. 1394/9. [1 § 1er. Le Comité de gestion et de surveillance a pour missions :
1° de veiller et de contribuer au fonctionnement efficace et sûr du fichier central conformément aux dispositions du présent chapitre;
2° d'émettre un avis sur les arrêtés d'exécution visés aux articles 1394/1 et 1394/4, et sur les demandes visées à l'article 1394/6;
3° de donner au ministre de la Justice, à sa demande, un avis au sujet de toute question relative au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire;
4° de donner un avis, d'office ou à la suite d'une demande formulée conformément à l'article 1394/12, sur toute difficulté ou tout différend pouvant résulter de l'application du présent chapitre et de ses mesures d'exécution;
5° d'ordonner au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire de rendre inopérants les codes individuels d'accès au fichier central, conformément à l'article 1394/13.
§ 2. [2 ...]2]1
1° de veiller et de contribuer au fonctionnement efficace et sûr du fichier central conformément aux dispositions du présent chapitre;
2° d'émettre un avis sur les arrêtés d'exécution visés aux articles 1394/1 et 1394/4, et sur les demandes visées à l'article 1394/6;
3° de donner au ministre de la Justice, à sa demande, un avis au sujet de toute question relative au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire;
4° de donner un avis, d'office ou à la suite d'une demande formulée conformément à l'article 1394/12, sur toute difficulté ou tout différend pouvant résulter de l'application du présent chapitre et de ses mesures d'exécution;
5° d'ordonner au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire de rendre inopérants les codes individuels d'accès au fichier central, conformément à l'article 1394/13.
§ 2. [2 ...]2]1
Art. 1394/10. [1 Ieder jaar brengt het Beheers- en toezichtscomité verslag uit over de vervulling van zijn opdrachten gedurende het afgelopen jaar. Dat verslag bevat suggesties met betrekking tot de wenselijkheid om wijzigingen aan te brengen in het stelsel van openbaarheid dat met het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning een onderhoudsuitkering wordt verwezenlijkt.
Het verslag bevat eveneens een analyse van de inkomsten en de uitgaven verbonden aan het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering.
Het verslag wordt medegedeeld aan de wetgevende Kamers en aan de minister van Justitie.]1
Het verslag bevat eveneens een analyse van de inkomsten en de uitgaven verbonden aan het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering.
Het verslag wordt medegedeeld aan de wetgevende Kamers en aan de minister van Justitie.]1
Art. 1394/10. [1 Chaque année, le Comité de gestion et de surveillance fait un rapport sur l'exécution de ses missions au cours de l'année écoulée. Ce rapport contient des suggestions relatives à l'opportunité de modifier le système de publicité mis en place dans le cadre du fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire.
Le rapport comporte également une analyse des revenus et des dépenses liés au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire.
Le rapport est communiqué aux Chambres législatives et au ministre de la Justice.]1
Le rapport comporte également une analyse des revenus et des dépenses liés au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire.
Le rapport est communiqué aux Chambres législatives et au ministre de la Justice.]1
Art. 1394/11. [1 § 1. Het Beheers- en toezichtscomité kan alle inlichtingen verzamelen die nodig zijn voor de uitoefening van zijn taken bedoeld in artikel 1394/9, § 1. Het kan daartoe personen horen en pertinente documenten opvragen; het heeft tevens toegang tot het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering en tot alle gegevens met betrekking tot de werking ervan. De personen die worden gehoord of die documenten dienen mee te delen zijn gemachtigd gegevens mee te delen die gedekt zijn door het beroepsgeheim.
§ 2. Indien het Beheers- en toezichtscomité dit nuttig acht voor de uitoefening van zijn taken bedoeld in artikel 1394/9, § 1, kan het de tuchtoverheid of de hiërarchische meerdere inlichten over nalatigheden en tekortkomingen vastgesteld ten laste van de personen bedoeld in artikel 1394/2. Het kan deze tevens belasten met een onderzoek terzake en met het uitbrengen van een schriftelijk verslag binnen de gevraagde termijn.
Indien het Beheers- en toezichtscomité in het kader van de uitoefening van zijn taken kennis heeft van een schending van de artikelen 1394/14 en 1394/15 of van enig ander misdrijf, geeft het hiervan kennis aan de bevoegde procureur des Konings.
§ 3. Artikel 1394/3 is van toepassing op de leden van het Beheers- en toezichtscomité voor alle gegevens waarvan zij bij de uitoefening van hun ambt kennis hebben gekregen alsook op de personen aan wie het Comité in de uitoefening van haar taken deze gegevens meedeelt.]1
§ 2. Indien het Beheers- en toezichtscomité dit nuttig acht voor de uitoefening van zijn taken bedoeld in artikel 1394/9, § 1, kan het de tuchtoverheid of de hiërarchische meerdere inlichten over nalatigheden en tekortkomingen vastgesteld ten laste van de personen bedoeld in artikel 1394/2. Het kan deze tevens belasten met een onderzoek terzake en met het uitbrengen van een schriftelijk verslag binnen de gevraagde termijn.
Indien het Beheers- en toezichtscomité in het kader van de uitoefening van zijn taken kennis heeft van een schending van de artikelen 1394/14 en 1394/15 of van enig ander misdrijf, geeft het hiervan kennis aan de bevoegde procureur des Konings.
§ 3. Artikel 1394/3 is van toepassing op de leden van het Beheers- en toezichtscomité voor alle gegevens waarvan zij bij de uitoefening van hun ambt kennis hebben gekregen alsook op de personen aan wie het Comité in de uitoefening van haar taken deze gegevens meedeelt.]1
Art. 1394/11. [1 § 1er. Le Comité de gestion et de surveillance peut recueillir tous les renseignements nécessaires à l'exécution de ses missions visées à l'article 1394/9, § 1er. A cette fin, il peut procéder à des auditions et exiger la production de documents pertinents; il a en outre accès au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire ainsi qu'à toutes les données relatives à son fonctionnement. Les personnes entendues ou tenues de produire des documents sont habilitées à communiquer des données couvertes par le secret professionnel.
§ 2. Si le Comité de gestion et de surveillance le juge utile à l'exécution de ses missions visées à l'article 1394/9, § 1er, il peut informer l'autorité disciplinaire ou le supérieur hiérarchique des négligences et manquements constatés à charge des personnes visées à l'article 1394/2. Il peut aussi charger ce dernier d'enquêter à ce sujet et de remettre un rapport écrit dans le délai imparti.
Si, dans le cadre de l'exécution de ses missions, le Comité de gestion et de surveillance a connaissance d'une violation des articles 1394/14 et 1394/15 ou de quelque autre délit, il en informe le procureur du Roi compétent.
§ 3. L'article 1394/3 est applicable aux membres du Comité de gestion et de surveillance pour toutes les données dont ils ont eu connaissance dans l'exercice de leur fonction, ainsi qu'aux personnes auxquelles le Comité communique ces données dans le cadre de l'exercice de ses missions.]1
§ 2. Si le Comité de gestion et de surveillance le juge utile à l'exécution de ses missions visées à l'article 1394/9, § 1er, il peut informer l'autorité disciplinaire ou le supérieur hiérarchique des négligences et manquements constatés à charge des personnes visées à l'article 1394/2. Il peut aussi charger ce dernier d'enquêter à ce sujet et de remettre un rapport écrit dans le délai imparti.
Si, dans le cadre de l'exécution de ses missions, le Comité de gestion et de surveillance a connaissance d'une violation des articles 1394/14 et 1394/15 ou de quelque autre délit, il en informe le procureur du Roi compétent.
§ 3. L'article 1394/3 est applicable aux membres du Comité de gestion et de surveillance pour toutes les données dont ils ont eu connaissance dans l'exercice de leur fonction, ainsi qu'aux personnes auxquelles le Comité communique ces données dans le cadre de l'exercice de ses missions.]1
Art. 1394/12. [1 Eenieder kan zich schriftelijk tot het Beheers- en toezichtscomité wenden om het in kennis te stellen van feiten of toestanden die naar zijn oordeel het optreden van het Comité vereisen of om nuttige voorstellen te doen.
Tenzij de persoon die zich tot het Beheers- en toezichtscomité heeft gericht er uitdrukkelijk mee instemt, mag het Comité zijn identiteit niet bekend maken en evenmin de wijze waarop het is gevat.
Het Beheers- en toezichtscomité deelt aan de verzoeker bedoeld in het eerste lid de gegevens mee die het nuttig acht.]1
Tenzij de persoon die zich tot het Beheers- en toezichtscomité heeft gericht er uitdrukkelijk mee instemt, mag het Comité zijn identiteit niet bekend maken en evenmin de wijze waarop het is gevat.
Het Beheers- en toezichtscomité deelt aan de verzoeker bedoeld in het eerste lid de gegevens mee die het nuttig acht.]1
Art. 1394/12. [1 Toute personne peut s'adresser par écrit au Comité de gestion et de surveillance pour lui signaler des faits ou des situations qui, à son estime, nécessitent l'intervention du Comité ou lui faire des suggestions utiles.
Sauf accord exprès de la personne qui s'est adressée à lui, le Comité ne peut révéler ni l'identité de la personne en question, ni la manière dont il a été saisi.
Le Comité de gestion et de surveillance communique au requérant visé à l'alinéa 1er les données qu'il juge utiles.]1
Sauf accord exprès de la personne qui s'est adressée à lui, le Comité ne peut révéler ni l'identité de la personne en question, ni la manière dont il a été saisi.
Le Comité de gestion et de surveillance communique au requérant visé à l'alinéa 1er les données qu'il juge utiles.]1
Art. 1394/13. [1 In afwachting van de resultaten van de maatregelen bedoeld in artikel 1394/11 kan het Beheers- en toezichtscomité het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering gelasten de individuele toegangscode bedoeld in artikel 1391, § 4, tot het centraal bestand voor een eenmalig verlengbare maximum termijn van één jaar, onwerkzaam te maken wanneer redelijke aanwijzingen bestaan dat de houder ervan de artikelen 1394/3 en 1394/19, § § 2 en 3, niet heeft nageleefd. Behoudens het geval van absolute noodzakelijkheid, wordt de betrokkene vooraf gehoord.]1
Art. 1394/13. [1 Dans l'attente des résultats des mesures visées à l'article 1394/11, le Comité de gestion et de surveillance peut enjoindre au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire de rendre inopérant, pour une durée d'un an maximum, renouvelable une seule fois, le code individuel d'accès au fichier central visé à l'article 1391, § 4, lorsqu'il existe des indices raisonnables que le titulaire n'a pas respecté les articles 1394/3 et 1394/19, § § 2 et 3. Sauf en cas d'absolue nécessité, l'intéressé est préalablement entendu.]1
Art. 1394/14. [1 Worden gestraft met een geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro, de organen en aangestelden van het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering die :
1° niet alle maatregelen hebben genomen die het mogelijk maken de veiligheid en de vertrouwelijkheid van de verwerkte persoonsgegevens te waarborgen;
2° het individueel register bedoeld in artikel 1394/2 niet bijgewerkt hebben.]1
1° niet alle maatregelen hebben genomen die het mogelijk maken de veiligheid en de vertrouwelijkheid van de verwerkte persoonsgegevens te waarborgen;
2° het individueel register bedoeld in artikel 1394/2 niet bijgewerkt hebben.]1
Art. 1394/14. [1 Sont punis d'une amende de cent euros à cinq mille euros, les organes ou préposés du fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire qui :
1° n'ont pas pris toutes les mesures permettant de garantir la sécurité et la confidentialité des données à caractère personnel traitées;
2° n'ont pas tenu à jour le registre individuel visé à l'article 1394/2.]1
1° n'ont pas pris toutes les mesures permettant de garantir la sécurité et la confidentialité des données à caractère personnel traitées;
2° n'ont pas tenu à jour le registre individuel visé à l'article 1394/2.]1
Art. 1394/15. [1 Worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro of met een van deze straffen alleen, de personen die :
1° in strijd met de bepalingen van artikel 1394/19, § 2, en met uitzondering van de gevallen bepaald bij of krachtens de wet, wetens en willens hun individuele toegangscode hebben bekendgemaakt;
2° in strijd met de bepalingen van artikel 1394/3 en met uitzondering van de gevallen bepaald bij of krachtens de wet, het vertrouwelijk karakter van de gegevens geregistreerd in het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering niet hebben bewaard;
3° het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering hebben geraadpleegd, zonder dat zij zich bevinden in een van de gevallen bedoeld in artikel 1394/19, § 1, of die gegevens verkregen uit dat bestand gebruiken voor een ander doel dan datgene dat de toegang tot het bestand kon wettigen;
4° hun verplichtingen overeenkomstig de bepalingen van artikel 1394/18 niet nakomen.]1
1° in strijd met de bepalingen van artikel 1394/19, § 2, en met uitzondering van de gevallen bepaald bij of krachtens de wet, wetens en willens hun individuele toegangscode hebben bekendgemaakt;
2° in strijd met de bepalingen van artikel 1394/3 en met uitzondering van de gevallen bepaald bij of krachtens de wet, het vertrouwelijk karakter van de gegevens geregistreerd in het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering niet hebben bewaard;
3° het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering hebben geraadpleegd, zonder dat zij zich bevinden in een van de gevallen bedoeld in artikel 1394/19, § 1, of die gegevens verkregen uit dat bestand gebruiken voor een ander doel dan datgene dat de toegang tot het bestand kon wettigen;
4° hun verplichtingen overeenkomstig de bepalingen van artikel 1394/18 niet nakomen.]1
Art. 1394/15. [1 Sont punis d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de cent euros à cinq mille euros ou d'une de ces peines seulement, les personnes qui :
1° en infraction aux dispositions de l'article 1394/19, § 2, et hormis les cas prévus par ou en vertu de la loi, ont sciemment divulgué leur code d'accès individuel;
2° en violation des dispositions de l'article 1394/3 et hormis les cas prévus par ou en vertu de la loi, n'ont pas respecté le caractère confidentiel des données enregistrées dans le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire;
3° ont consulté le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire, sans se trouver dans l'un des cas visés à l'article 1394/19, § 1er, ou ont utilisé des données provenant de ce fichier à une fin autre que celle qui pouvait justifier l'accès au fichier;
4° ne respectent pas les obligations qui leur incombent en vertu des dispositions de l'article 1394/18.]1
1° en infraction aux dispositions de l'article 1394/19, § 2, et hormis les cas prévus par ou en vertu de la loi, ont sciemment divulgué leur code d'accès individuel;
2° en violation des dispositions de l'article 1394/3 et hormis les cas prévus par ou en vertu de la loi, n'ont pas respecté le caractère confidentiel des données enregistrées dans le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire;
3° ont consulté le fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire, sans se trouver dans l'un des cas visés à l'article 1394/19, § 1er, ou ont utilisé des données provenant de ce fichier à une fin autre que celle qui pouvait justifier l'accès au fichier;
4° ne respectent pas les obligations qui leur incombent en vertu des dispositions de l'article 1394/18.]1
Art. 1394/16. [1 De rechter kan beslissen dat de veroordeelde persoon het recht om zijn individuele toegangscode te gebruiken voor een termijn van ten hoogste vijf jaar wordt ontzegd.]1
Art. 1394/16. [1 Le juge peut décider de déchoir la personne condamnée du droit d'utiliser son code individuel d'accès pour une durée maximale de cinq ans.]1
Art. 1394/17. [1 Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, doch met uitzondering van hoofdstuk V, zijn van toepassing op de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 1394/14 en 1394/15.]1
Art. 1394/17. [1 Toutes les dispositions du livre premier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, mais le chapitre V excepté, sont applicables aux infractions visées aux articles 1394/14 et 1394/15.]1
Art. 1394/18. [1 De notarissen, door toedoen van de Koninklijke Federatie van Belgische notarissen, bezorgen binnen de dertig kalenderdagen na het verlijden van de akte als bedoel in artikel 1394/1 een voor eensluidend verklaarde kopie van deze akte aan het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering.
De griffiers van de vredegerechten, de griffiers van de rechtbanken van eerste aanleg en de griffiers van de hoven van beroep, bezorgen binnen de 30 kalenderdagen na het verlijden van het vonnis of arrest als bedoeld in artikel 1394/1 een voor eensluidend verklaarde kopie van dit vonnis of arrest aan het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering.]1
De griffiers van de vredegerechten, de griffiers van de rechtbanken van eerste aanleg en de griffiers van de hoven van beroep, bezorgen binnen de 30 kalenderdagen na het verlijden van het vonnis of arrest als bedoeld in artikel 1394/1 een voor eensluidend verklaarde kopie van dit vonnis of arrest aan het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering.]1
Art. 1394/18. [1 Dans les trente jours civils de la passation de l'acte prévu à l'article 1394/1, les notaires transmettent une copie certifiée conforme de cet acte au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire, par l'entremise de la Fédération royale des notaires belges.
Dans les trente jours civils de la passation du jugement ou de l'arrêt prévu à l'article 1394/1, les greffiers des justices de paix, des tribunaux de première instance et des cours d'appel font parvenir une copie certifiée conforme de ce jugement ou de cet arrêt au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire.]1
Dans les trente jours civils de la passation du jugement ou de l'arrêt prévu à l'article 1394/1, les greffiers des justices de paix, des tribunaux de première instance et des cours d'appel font parvenir une copie certifiée conforme de ce jugement ou de cet arrêt au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire.]1
Art. 1394/19. [1 § 1. De rechters en de griffiers kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten de vonnissen en akten bedoeld in het artikel 1394/1 raadplegen.
De aangestelden van de Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën als bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievordering bij de FOD Financiën kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten de vonnissen, arresten en akten bedoeld in het artikel 1394/1 raadplegen.
De gerechtsdeurwaarders als bedoeld in de artikelen 509 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten de vonnissen, arresten en akten bedoeld in het artikel 1394/1 raadplegen.
§ 2. Er wordt toegang verkregen tot de gegevens opgenomen in het bestand door middel van individuele toegangscodes. De houders van de codes mogen die niet aan derden bekendmaken en zijn persoonlijk verantwoordelijk voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt.
§ 3. Ieder verzoek tot raadpleging van het bestand is slechts ontvankelijk indien het vermeldt :
1° naast de toegangscode, de naam, de voornamen en het beroepsadres van de verzoeker bedoeld in paragraaf 1;
2° in voorkomend geval, de naam, de voornamen en de woonplaats of, de naam, de rechtsvorm en de zetel van de schuldeiser;
3° het voorwerp van het verzoek, verantwoord overeenkomstig paragraaf 1.
§ 4. Alle personen die in het bestand zijn opgenomen beschikken over een recht van toegang en een recht op verbetering van de persoonsgegevens opgenomen overeenkomstig de artikelen 10 tot 15 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, zonder dat dat recht betrekking kan hebben op afbreuk de inhoud van een vonnis, arrest of akte zelf als bedoeld in artikel 1394/1.]1
De aangestelden van de Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën als bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievordering bij de FOD Financiën kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten de vonnissen, arresten en akten bedoeld in het artikel 1394/1 raadplegen.
De gerechtsdeurwaarders als bedoeld in de artikelen 509 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek kunnen voor de vervulling van hun wettelijke opdrachten de vonnissen, arresten en akten bedoeld in het artikel 1394/1 raadplegen.
§ 2. Er wordt toegang verkregen tot de gegevens opgenomen in het bestand door middel van individuele toegangscodes. De houders van de codes mogen die niet aan derden bekendmaken en zijn persoonlijk verantwoordelijk voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt.
§ 3. Ieder verzoek tot raadpleging van het bestand is slechts ontvankelijk indien het vermeldt :
1° naast de toegangscode, de naam, de voornamen en het beroepsadres van de verzoeker bedoeld in paragraaf 1;
2° in voorkomend geval, de naam, de voornamen en de woonplaats of, de naam, de rechtsvorm en de zetel van de schuldeiser;
3° het voorwerp van het verzoek, verantwoord overeenkomstig paragraaf 1.
§ 4. Alle personen die in het bestand zijn opgenomen beschikken over een recht van toegang en een recht op verbetering van de persoonsgegevens opgenomen overeenkomstig de artikelen 10 tot 15 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, zonder dat dat recht betrekking kan hebben op afbreuk de inhoud van een vonnis, arrest of akte zelf als bedoeld in artikel 1394/1.]1
Art. 1394/19. [1 § 1er. Les juges et les greffiers peuvent consulter pour l'accomplissement de leurs missions légales les jugements, arrêts et actes visés à l'article 1394/1.
Les préposés du Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, visés par la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, peuvent, dans le cadre de l'accomplissement de leurs missions légales, consulter les jugements, arrêts et actes visés à l'article 1394/1.
Les huissiers de justice visés par les articles 509 et suivants du Code judiciaire peuvent, dans le cadre de l'accomplissement de leurs missions légales, consulter les jugements, arrêts et actes visés à l'article 1394/1.
§ 2. L'accès aux données enregistrées dans le fichier s'opère au moyen de codes d'accès individuels. Les titulaires de ces codes ne peuvent les divulguer à quiconque et sont personnellement responsables de l'usage qui en est fait.
§ 3. Toute demande de consultation du fichier n'est recevable que si elle mentionne :
1° outre le code d'accès, les nom, prénoms et l'adresse professionnelle du requérant visé au paragraphe 1er;
2° le cas échéant, les nom, prénoms et domicile du créancier ou sa dénomination, sa nature juridique et son siège;
3° l'objet de la demande, justifiée conformément au paragraphe 1er.
§ 4. Toutes les personnes enregistrées dans le fichier disposent d'un droit d'accès et d'un droit de rectification des données personnelles enregistrées, conformément aux articles 10 à 15 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, sans que ce droit puisse porter sur le contenu même d'un jugement, d'un arrêt ou d'un acte au sens de l'article 1394/1.]1
Les préposés du Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, visés par la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, peuvent, dans le cadre de l'accomplissement de leurs missions légales, consulter les jugements, arrêts et actes visés à l'article 1394/1.
Les huissiers de justice visés par les articles 509 et suivants du Code judiciaire peuvent, dans le cadre de l'accomplissement de leurs missions légales, consulter les jugements, arrêts et actes visés à l'article 1394/1.
§ 2. L'accès aux données enregistrées dans le fichier s'opère au moyen de codes d'accès individuels. Les titulaires de ces codes ne peuvent les divulguer à quiconque et sont personnellement responsables de l'usage qui en est fait.
§ 3. Toute demande de consultation du fichier n'est recevable que si elle mentionne :
1° outre le code d'accès, les nom, prénoms et l'adresse professionnelle du requérant visé au paragraphe 1er;
2° le cas échéant, les nom, prénoms et domicile du créancier ou sa dénomination, sa nature juridique et son siège;
3° l'objet de la demande, justifiée conformément au paragraphe 1er.
§ 4. Toutes les personnes enregistrées dans le fichier disposent d'un droit d'accès et d'un droit de rectification des données personnelles enregistrées, conformément aux articles 10 à 15 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, sans que ce droit puisse porter sur le contenu même d'un jugement, d'un arrêt ou d'un acte au sens de l'article 1394/1.]1
HOOFDSTUK Iquinquies - [1 Invordering van onbetwiste geldschulden]1
CHAPITRE Iquinquies. - [1 Du recouvrement de dettes d'argent non contestées]1
Art. 1394/20. [1 Elke onbetwiste schuld die een geldsom tot voorwerp heeft en die vaststaat en opeisbaar is op dag van de aanmaning bedoeld bij artikel 1394/21 kan, ongeacht het bedrag ervan, vermeerderd met de verhogingen waarin de wet voorziet en de invorderingskosten alsmede, in voorkomend geval en ten belope van ten hoogste 10 % van de hoofdsom van de schuld, alle interesten en [3 schadebedingen]3, in naam en voor rekening van de schuldeiser op verzoek van de advocaat van de schuldeiser door een gerechtsdeurwaarder worden ingevorderd, met uitzondering van schulden van of ten aanzien van:
1° publieke overheden bedoeld in artikel 1412bis, § 1;
2° schuldeisers of schuldenaren die niet zijn ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen [2 of in een van de ondernemingsdatabanken van de andere lidstaten van de Europese Unie in de zin van de Richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken, waarvan de gelijkwaardigheid met de Kruispuntbank van Ondernemingen door de Koning wordt vastgesteld]2;
3° handelingen die niet zijn verricht in het kader van de activiteiten van de onderneming;
4° een faillissement, een gerechtelijke reorganisatie, een collectieve schuldenregeling en andere vormen van wettelijke samenloop;
5° niet-contractuele verbintenissen, tenzij zij
a) het voorwerp uitmaken van een overeenkomst tussen de partijen of er een schuldbekentenis is,
of
b) betrekking hebben op schulden uit hoofde van gemeenschappelijke eigendom van goederen.]1
1° publieke overheden bedoeld in artikel 1412bis, § 1;
2° schuldeisers of schuldenaren die niet zijn ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen [2 of in een van de ondernemingsdatabanken van de andere lidstaten van de Europese Unie in de zin van de Richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken, waarvan de gelijkwaardigheid met de Kruispuntbank van Ondernemingen door de Koning wordt vastgesteld]2;
3° handelingen die niet zijn verricht in het kader van de activiteiten van de onderneming;
4° een faillissement, een gerechtelijke reorganisatie, een collectieve schuldenregeling en andere vormen van wettelijke samenloop;
5° niet-contractuele verbintenissen, tenzij zij
a) het voorwerp uitmaken van een overeenkomst tussen de partijen of er een schuldbekentenis is,
of
b) betrekking hebben op schulden uit hoofde van gemeenschappelijke eigendom van goederen.]1
Art. 1394/20. [1 Toute dette non contestée qui a pour objet une somme d'argent et qui est certaine et exigible à la date de la sommation visée à l'article 1394/21 peut, quel qu'en soit le montant, augmenté des majorations prévues par la loi et des frais du recouvrement ainsi que, le cas échéant et à concurrence de 10 % au maximum du montant principal de la créance, de tous les intérêts et [3 clauses indemnitaires]3, être recouvrée au nom et pour compte du créancier, à la demande de l'avocat du créancier, par un huissier de justice, à l'exception de dettes concernant:
1° des autorités publiques visées à l'article 1412bis, § 1;
2° des créanciers ou débiteurs qui ne sont pas inscrits dans la Banque Carrefour des Entreprises [2 ou dans une des banques de données d'entreprises des autres Etats membres de l'Union européenne au sens de la Directive 2009/101/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 tendant à coordonner, pour les rendre équivalentes, les garanties qui sont exigées, dans les Etats membres, des sociétés au sens de l'article 48, deuxième alinéa, du traité, pour protéger les intérêts tant des associés que des tiers dont l'équivalence avec la Banque carrefour des Entreprises est établie par le Roi]2;
3° des opérations qui ne sont pas exécutées dans le cadre des activités de l'entreprise;
4° une faillite, une réorganisation judiciaire, un règlement collectif de dettes et d'autres formes de concours légal;
5° des obligations non contractuelles, sauf si
a) elles font l'objet d'un accord entre les parties ou s'il y a une reconnaissance de dette,
ou
b) elles ont trait à des dettes découlant de la propriété commune de biens.]1
1° des autorités publiques visées à l'article 1412bis, § 1;
2° des créanciers ou débiteurs qui ne sont pas inscrits dans la Banque Carrefour des Entreprises [2 ou dans une des banques de données d'entreprises des autres Etats membres de l'Union européenne au sens de la Directive 2009/101/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 tendant à coordonner, pour les rendre équivalentes, les garanties qui sont exigées, dans les Etats membres, des sociétés au sens de l'article 48, deuxième alinéa, du traité, pour protéger les intérêts tant des associés que des tiers dont l'équivalence avec la Banque carrefour des Entreprises est établie par le Roi]2;
3° des opérations qui ne sont pas exécutées dans le cadre des activités de l'entreprise;
4° une faillite, une réorganisation judiciaire, un règlement collectif de dettes et d'autres formes de concours légal;
5° des obligations non contractuelles, sauf si
a) elles font l'objet d'un accord entre les parties ou s'il y a une reconnaissance de dette,
ou
b) elles ont trait à des dettes découlant de la propriété commune de biens.]1
Art. 1394/21. [1 Vooraleer tot invordering over te gaan betekent de gerechtsdeurwaarder aan de schuldenaar een aanmaning tot betalen.
De aanmaning bevat, op straffe van nietigheid, benevens de vermeldingen bedoeld bij artikel 43:
1° een duidelijke beschrijving van de verbintenis waaruit de schuld is ontstaan;
2° een duidelijke beschrijving en verantwoording van al de bedragen die van de schuldenaar geëist worden, met inbegrip van de kosten van de aanmaning en, in voorkomend geval, de wettelijke verhogingen, interesten en [3 schadebedingen]3;
3° de aanmaning om te betalen binnen de maand en de wijze waarop de betaling kan worden verricht;
4° de mogelijkheden waarover de schuldenaar beschikt om op de aanmaning te reageren overeenkomstig artikel 1394/22;
5° de inschrijving van de schuldeiser en de schuldenaar in de Kruispuntbank van Ondernemingen [2 of in een ondernemingsdatabank van andere Europese lidstaten die overeenkomstig artikel 1394/20, 2° met de Kruispuntbank van Ondernemingen gelijkwaardig is verklaard]2.
Bij de akte van aanmaning worden gevoegd:
1° een afschrift van de bewijsstukken waarover de schuldeiser beschikt;
2° het in artikel 1394/22 bedoelde antwoordformulier.]1
De aanmaning bevat, op straffe van nietigheid, benevens de vermeldingen bedoeld bij artikel 43:
1° een duidelijke beschrijving van de verbintenis waaruit de schuld is ontstaan;
2° een duidelijke beschrijving en verantwoording van al de bedragen die van de schuldenaar geëist worden, met inbegrip van de kosten van de aanmaning en, in voorkomend geval, de wettelijke verhogingen, interesten en [3 schadebedingen]3;
3° de aanmaning om te betalen binnen de maand en de wijze waarop de betaling kan worden verricht;
4° de mogelijkheden waarover de schuldenaar beschikt om op de aanmaning te reageren overeenkomstig artikel 1394/22;
5° de inschrijving van de schuldeiser en de schuldenaar in de Kruispuntbank van Ondernemingen [2 of in een ondernemingsdatabank van andere Europese lidstaten die overeenkomstig artikel 1394/20, 2° met de Kruispuntbank van Ondernemingen gelijkwaardig is verklaard]2.
Bij de akte van aanmaning worden gevoegd:
1° een afschrift van de bewijsstukken waarover de schuldeiser beschikt;
2° het in artikel 1394/22 bedoelde antwoordformulier.]1
Art. 1394/21. [1 Avant de procéder au recouvrement, l'huissier de justice signifie au débiteur une sommation de payer.
La sommation contient, à peine de nullité, outre les mentions prévues à l'article 43:
1° une description claire de l'obligation dont découle la dette;
2° une description et une justification claires de tous les montants réclamés au débiteur, y compris les frais de la sommation et, le cas échéant, les majorations légales, les intérêts et les [3 clauses indemnitaires]3;
3° la sommation de payer dans le mois et la manière dont le paiement peut être fait;
4° les possibilités dont dispose le débiteur pour réagir à la sommation, conformément à l'article 1394/22;
5° l'inscription du créancier et du débiteur à la Banque-Carrefour des Entreprises [2 ou dans une banque de données d'entreprise d'autres Etats membres européens qui a été déclarée équivalente à la Banque-Carrefour des Entreprises conformément à l'article 1394/20, 2°]2.
A l'acte de sommation, sont annexés:
1° une copie des pièces probantes dont dispose le créancier;
2° le formulaire de réponse visé à l'article 1394/22.]1
La sommation contient, à peine de nullité, outre les mentions prévues à l'article 43:
1° une description claire de l'obligation dont découle la dette;
2° une description et une justification claires de tous les montants réclamés au débiteur, y compris les frais de la sommation et, le cas échéant, les majorations légales, les intérêts et les [3 clauses indemnitaires]3;
3° la sommation de payer dans le mois et la manière dont le paiement peut être fait;
4° les possibilités dont dispose le débiteur pour réagir à la sommation, conformément à l'article 1394/22;
5° l'inscription du créancier et du débiteur à la Banque-Carrefour des Entreprises [2 ou dans une banque de données d'entreprise d'autres Etats membres européens qui a été déclarée équivalente à la Banque-Carrefour des Entreprises conformément à l'article 1394/20, 2°]2.
A l'acte de sommation, sont annexés:
1° une copie des pièces probantes dont dispose le créancier;
2° le formulaire de réponse visé à l'article 1394/22.]1
Art. 1394/22. [1 De schuldenaar die de bedragen die worden ingevorderd niet betaalt, kan binnen de termijn bedoeld in artikel 1394/21, tweede lid, 3°, betalingsfaciliteiten vragen of de redenen te kennen geven waarom hij de schuldvordering betwist, bij middel van het antwoordformulier dat gehecht wordt aan de akte van aanmaning.
Het antwoordformulier wordt, tegen ontvangstbewijs, aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder gestuurd, hem overhandigd in zijn studie of hem overgezonden op een andere wijze bepaald door de Koning. De gerechtsdeurwaarder geeft daarvan onverwijld kennis aan de schuldeiser evenals, in voorkomend geval, van het betalen van de schuld]1
Het antwoordformulier wordt, tegen ontvangstbewijs, aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder gestuurd, hem overhandigd in zijn studie of hem overgezonden op een andere wijze bepaald door de Koning. De gerechtsdeurwaarder geeft daarvan onverwijld kennis aan de schuldeiser evenals, in voorkomend geval, van het betalen van de schuld]1
Art. 1394/22. [1 Le débiteur qui ne paie pas les montants qui sont recouvrés peut, dans le délai visé à l'article 1394/21, alinéa 2, 3°, demander des facilités de paiement ou faire connaître les raisons pour lesquelles il conteste la dette, au moyen du formulaire de réponse qui est joint à l'acte de sommation.
Le formulaire de réponse est, contre accusé de réception, envoyé à l'huissier de justice instrumentant, lui est remis à son étude ou lui est transmis d'une autre manière qui est déterminée par le Roi. L'huissier de justice en donne connaissance sans délai au créancier ainsi que, le cas échéant, du paiement de la dette.]1
Le formulaire de réponse est, contre accusé de réception, envoyé à l'huissier de justice instrumentant, lui est remis à son étude ou lui est transmis d'une autre manière qui est déterminée par le Roi. L'huissier de justice en donne connaissance sans délai au créancier ainsi que, le cas échéant, du paiement de la dette.]1
Art. 1394/23. [1 In het geval de schuldenaar de schuld betaalt of de redenen te kennen geeft waarom hij de schuld betwist, wordt de invordering beëindigd, onverminderd het recht van de schuldeiser om, in geval van betwisting van de schuld, zijn rechtsvordering in rechte uit te oefenen.
In het geval de schuldeiser en de schuldenaar betalingsfaciliteiten overeenkomen wordt de invordering opgeschort.]1
In het geval de schuldeiser en de schuldenaar betalingsfaciliteiten overeenkomen wordt de invordering opgeschort.]1
Art. 1394/23. [1 Dans le cas où le débiteur paie la dette ou fait connaître les raisons pour lesquelles il conteste la dette, le recouvrement prend fin, sans préjudice du droit du créancier, en cas de contestation de la dette, d'exercer son action par voie judiciaire.
Dans le cas où le créancier et le débiteur conviennent de facilités de paiement, le recouvrement est suspendu.]1
Dans le cas où le créancier et le débiteur conviennent de facilités de paiement, le recouvrement est suspendu.]1
Art. 1394/24. [1 § 1. Ten vroegste acht dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 1394/21, tweede lid, 3°, stelt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, op verzoek van de schuldeiser, proces-verbaal van niet-betwisting op waarin wordt vastgesteld, naar gelang van het geval:
1° ofwel dat de schuldenaar de schuld niet of niet geheel heeft voldaan, noch betalingsfaciliteiten heeft gevraagd of gekregen, noch de redenen te kennen heeft gegeven waarom hij de schuld betwist;
2° ofwel dat de schuldeiser en de schuldenaar betalingsfaciliteiten zijn overeengekomen, die evenwel niet zijn nagekomen.
In het proces-verbaal worden tevens de vermeldingen van de akte van aanmaning en de geactualiseerde afrekening van de schuld in hoofdsom, schadebeding, intresten en kosten opgenomen.
§ 2. Het proces-verbaal wordt op verzoek van de gerechtsdeurwaarder uitvoerbaar verklaard door een magistraat van het Beheers- en toezichtscomité bij het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest bedoeld in artikel 1389bis/8.
Het wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging en maakt, in voorkomend geval pro rata van het saldo van de schuldvordering, een titel uit die overeenkomstig het vijfde deel van dit Wetboek ten uitvoer kan worden gelegd.
§ 3. Onverminderd de bevoegdheid van de beslagrechter in geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging wordt de uitvoering van het proces-verbaal van niet-betwisting alleen geschorst door een vordering in rechte, die wordt ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak [3 binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de betekening ervan]3. Titel Vbis van boek II van het vierde deel, met uitzondering van artikel 1034quater, is van toepassing. Op straffe van nietigheid wordt bij elk exemplaar van het verzoekschrift een afschrift van het proces-verbaal van niet-betwisting gevoegd.
§ 4. Een volledig uitgevoerde invordering geldt als dading voor de gehele schuld, met inbegrip van alle eventuele wettelijke verhogingen, interesten en [2 schadebedingen]2.]1
1° ofwel dat de schuldenaar de schuld niet of niet geheel heeft voldaan, noch betalingsfaciliteiten heeft gevraagd of gekregen, noch de redenen te kennen heeft gegeven waarom hij de schuld betwist;
2° ofwel dat de schuldeiser en de schuldenaar betalingsfaciliteiten zijn overeengekomen, die evenwel niet zijn nagekomen.
In het proces-verbaal worden tevens de vermeldingen van de akte van aanmaning en de geactualiseerde afrekening van de schuld in hoofdsom, schadebeding, intresten en kosten opgenomen.
§ 2. Het proces-verbaal wordt op verzoek van de gerechtsdeurwaarder uitvoerbaar verklaard door een magistraat van het Beheers- en toezichtscomité bij het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest bedoeld in artikel 1389bis/8.
Het wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging en maakt, in voorkomend geval pro rata van het saldo van de schuldvordering, een titel uit die overeenkomstig het vijfde deel van dit Wetboek ten uitvoer kan worden gelegd.
§ 3. Onverminderd de bevoegdheid van de beslagrechter in geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging wordt de uitvoering van het proces-verbaal van niet-betwisting alleen geschorst door een vordering in rechte, die wordt ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak [3 binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de betekening ervan]3. Titel Vbis van boek II van het vierde deel, met uitzondering van artikel 1034quater, is van toepassing. Op straffe van nietigheid wordt bij elk exemplaar van het verzoekschrift een afschrift van het proces-verbaal van niet-betwisting gevoegd.
§ 4. Een volledig uitgevoerde invordering geldt als dading voor de gehele schuld, met inbegrip van alle eventuele wettelijke verhogingen, interesten en [2 schadebedingen]2.]1
Art. 1394/24. [1 § 1er. Au plus tôt huit jours après l'expiration du délai visé à l'article 1394/21, alinéa 2, 3°, l'huissier de justice instrumentant établit, à la demande du créancier, un procès-verbal de non-contestation dans lequel il est constaté, selon le cas:
1° soit que le débiteur n'a pas payé tout ou partie de la dette, ni n'a demandé ou obtenu des facilités de paiement, ni n'a fait connaître les raisons pour lesquelles il conteste la dette;
2° soit que le créancier et le débiteur ont convenu de facilités de paiement qui n'ont cependant pas été respectées.
Dans le procès-verbal sont également repris les indications de l'acte de sommation et le décompte actualisé de la dette en principal, de la [2 clause indemnitaire]2, des intérêts et des frais.
§ 2. Le procès-verbal est rendu exécutoire sur requête de l'huissier de justice par un magistrat du Comité de gestion et de surveillance près du fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt visé à l'article 1389bis/8.
Il est revêtu de la formule exécutoire et constitue, le cas échéant au prorata du solde de la dette, un titre qui, conformément à la cinquième partie du présent Code, peut être mis à exécution.
§ 3. Sans préjudice de la compétence du juge des saisies en cas de difficultés d'exécution, l'exécution du procès-verbal de non-contestation n'est suspendue que par une action en justice, qui est introduite par requête contradictoire [3 dans un délai d'un mois à compter de la signification]3. Le titre Vbis du livre II de la quatrième partie s'applique, à l'exception de l'article 1034quater. Sous peine de nullité, chaque exemplaire de la requête est accompagné d'une copie du procès-verbal de non-contestation.
§ 4. Un recouvrement entièrement exécuté vaut transaction pour la dette intégrale en ce compris tous les majorations légales, intérêts et [2 clauses indemnitaires]2 éventuels.]1
1° soit que le débiteur n'a pas payé tout ou partie de la dette, ni n'a demandé ou obtenu des facilités de paiement, ni n'a fait connaître les raisons pour lesquelles il conteste la dette;
2° soit que le créancier et le débiteur ont convenu de facilités de paiement qui n'ont cependant pas été respectées.
Dans le procès-verbal sont également repris les indications de l'acte de sommation et le décompte actualisé de la dette en principal, de la [2 clause indemnitaire]2, des intérêts et des frais.
§ 2. Le procès-verbal est rendu exécutoire sur requête de l'huissier de justice par un magistrat du Comité de gestion et de surveillance près du fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt visé à l'article 1389bis/8.
Il est revêtu de la formule exécutoire et constitue, le cas échéant au prorata du solde de la dette, un titre qui, conformément à la cinquième partie du présent Code, peut être mis à exécution.
§ 3. Sans préjudice de la compétence du juge des saisies en cas de difficultés d'exécution, l'exécution du procès-verbal de non-contestation n'est suspendue que par une action en justice, qui est introduite par requête contradictoire [3 dans un délai d'un mois à compter de la signification]3. Le titre Vbis du livre II de la quatrième partie s'applique, à l'exception de l'article 1034quater. Sous peine de nullité, chaque exemplaire de la requête est accompagné d'une copie du procès-verbal de non-contestation.
§ 4. Un recouvrement entièrement exécuté vaut transaction pour la dette intégrale en ce compris tous les majorations légales, intérêts et [2 clauses indemnitaires]2 éventuels.]1
Art. 1394/25. [1 De Koning bepaalt het model van het antwoordformulier bedoeld in artikel 1394/22, het model van het proces-verbaal van niet-betwisting, de wijze waarop dat proces-verbaal uitvoerbaar wordt verklaard en het formulier van tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1394/24, § 2.]1
Art. 1394/25. [1 Le Roi fixe le modèle du formulaire de réponse visé à l'article 1394/22, le modèle du procès-verbal de non-contestation, la manière dont ce procès-verbal est déclaré exécutoire et la formule exécutoire visée à l'article 1394/24, § 2.]1
Art. 1394/26. [1 Artikel 38 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken is van overeenkomstige toepassing.]1
Art. 1394/26. [1 L'article 38 de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire s'applique par analogie.]1
Art. 1394/27. [1 § 1. Er wordt, bij de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders bedoeld in artikel 555, een "Centraal register voor de invordering van onbetwiste geldschulden" opgericht, hierna "Centraal register" genoemd. Het Centraal register is een geïnformatiseerde gegevensbank georganiseerd en beheerd door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders waarin gegevens verzameld worden die nodig zijn om het juiste verloop van de procedures voor de invordering van onbetwiste geldschulden na te gaan en het proces-verbaal van niet-betwisting uitvoerbaar te verklaren.
Te dien einde, onverminderd andere mededelingen of kennisgevingen, stuurt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder een afschrift van al de in dit hoofdstuk bedoelde exploten, betekeningen, kennisgevingen, mededelingen, betalingsfaciliteiten of processen-verbaal en, in voorkomend geval, van de bijlagen ervan binnen drie werkdagen aan het Centraal register.
§ 2. De Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders wordt met betrekking tot het Centraal register beschouwd als de [2 verwerkingsverantwoordelijke]2 in de zin van artikel [2 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming)]2.
De gegevens opgenomen in het Centraal register worden tien jaar bewaard.
§ 3. De gerechtsdeurwaarders kunnen de gegevens van het Centraal register rechtstreeks registreren en raadplegen per aangemaande partij of, in voorkomend geval, per schuldeiser. Deze gerechtsdeurwaarders worden bij naam aangewezen in een geïnformatiseerd register, dat door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders voortdurend wordt bijgewerkt.
Van zodra een proces-verbaal van niet-betwisting overeenkomstig artikel 1394/24 uitvoerbaar werd verklaard, kunnen de in het Centraal register opgenomen gegevens die hierop betrekking hebben enkel nog geraadpleegd worden door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders met het in paragraaf 6 bedoelde oogmerk.
§ 4. Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling of de registratie van gegevens in het Centraal register, of aan de verwerking of de mededeling van de erin geregistreerde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing.
§ 5. Om de juistheid na te gaan van de gegevens die in het Centraal register worden ingevoerd en het Centraal register voortdurend te kunnen bijwerken, heeft de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders toegang tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 5° en 7°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en kan zij het identificatienummer van dat register gebruiken. Zij mag het nummer evenwel in geen enkele vorm aan derden mededelen.
De Koning stelt de wijze vast waarop de informatiegegevens van het Rijksregister aan de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders worden overgezonden. Hij kan eveneens nadere regels vaststellen betreffende het gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders.
§ 6. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders staat in voor de controle op de werking en het gebruik van het Centraal register. In voorkomend geval is hoofdstuk VII van boek IV van deel II van dit Wetboek van toepassing.
§ 7. De Koning bepaalt de nadere regels voor de inrichting en werking van het Centraal register.]1
Te dien einde, onverminderd andere mededelingen of kennisgevingen, stuurt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder een afschrift van al de in dit hoofdstuk bedoelde exploten, betekeningen, kennisgevingen, mededelingen, betalingsfaciliteiten of processen-verbaal en, in voorkomend geval, van de bijlagen ervan binnen drie werkdagen aan het Centraal register.
§ 2. De Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders wordt met betrekking tot het Centraal register beschouwd als de [2 verwerkingsverantwoordelijke]2 in de zin van artikel [2 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming)]2.
De gegevens opgenomen in het Centraal register worden tien jaar bewaard.
§ 3. De gerechtsdeurwaarders kunnen de gegevens van het Centraal register rechtstreeks registreren en raadplegen per aangemaande partij of, in voorkomend geval, per schuldeiser. Deze gerechtsdeurwaarders worden bij naam aangewezen in een geïnformatiseerd register, dat door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders voortdurend wordt bijgewerkt.
Van zodra een proces-verbaal van niet-betwisting overeenkomstig artikel 1394/24 uitvoerbaar werd verklaard, kunnen de in het Centraal register opgenomen gegevens die hierop betrekking hebben enkel nog geraadpleegd worden door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders met het in paragraaf 6 bedoelde oogmerk.
§ 4. Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling of de registratie van gegevens in het Centraal register, of aan de verwerking of de mededeling van de erin geregistreerde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing.
§ 5. Om de juistheid na te gaan van de gegevens die in het Centraal register worden ingevoerd en het Centraal register voortdurend te kunnen bijwerken, heeft de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders toegang tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 5° en 7°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en kan zij het identificatienummer van dat register gebruiken. Zij mag het nummer evenwel in geen enkele vorm aan derden mededelen.
De Koning stelt de wijze vast waarop de informatiegegevens van het Rijksregister aan de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders worden overgezonden. Hij kan eveneens nadere regels vaststellen betreffende het gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders.
§ 6. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders staat in voor de controle op de werking en het gebruik van het Centraal register. In voorkomend geval is hoofdstuk VII van boek IV van deel II van dit Wetboek van toepassing.
§ 7. De Koning bepaalt de nadere regels voor de inrichting en werking van het Centraal register.]1
Art. 1394/27. [1 § 1er. Il est institué, à la Chambre nationale des huissiers de justice visée à l'article 555, un "Registre central pour le recouvrement de dettes d'argent non contestées", ci-après dénommé "Registre central". Le Registre central est une base de données informatisée organisée et gerée par la Chambre nationale des huissiers de justice dans laquelle sont collectées les données nécessaires pour contrôler le déroulement correct des procédures de recouvrement de dettes d'argent non contestées et pour rendre exécutoire le procès-verbal de non-contestation.
A cette fin, sans préjudice d'autres communications ou avis, l'huissier de justice instrumentant envoie au Registre central, dans les trois jours ouvrables une copie de tous les exploits, [2 significations]2, notifications, communications, facilités de paiement ou procès-verbaux et, le cas échéant, de leurs annexes, visés au présent chapitre.
§ 2. La Chambre nationale des huissiers de justice est considérée, pour ce qui concerne le Registre central, comme le responsable du traitement, au sens de l'article [3 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (Règlement général sur la protection des données)]3.
Les données contenues dans le Registre central sont conservées pendant dix ans.
§ 3. Les huissiers de justice peuvent enregistrer directement et consulter les données du Registre central par partie sommée ou, le cas échéant, par créancier. Ces huissiers de justice sont désignés nommément dans un registre informatisé qui est en permanence mis à jour par la Chambre nationale des huissiers de justice.
Dès lors qu'un procès-verbal de non-contestation a été déclaré exécutoire en vertu de l'article 1394/24, les informations contenues dans le Registre central qui s'y rapportent ne peuvent plus être consultées que par la Chambre nationale des huissiers de justice dans le but visé au paragraphe 6.
§ 4. Celui qui, à quelque titre que ce soit, participe à la collecte ou à l'enregistrement de données dans le Registre central ou au traitement ou à la communication des données qui y sont enregistrées ou a connaissance de telles données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal s'applique.
§ 5. Pour vérifier l'exactitude des données introduites dans le Registre central et pouvoir mettre à jour en permanence le Registre central, la Chambre nationale des huissiers de justice a accès aux données d'information visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 5° et 7° de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques et elle peut utiliser le numéro d'identification de ce registre. Elle ne peut toutefois divulguer le numéro à des tiers, sous quelque forme que ce soit.
Le Roi fixe la manière dont les données d'information du Registre national sont transmises à la Chambre nationale des huissiers de justice. Il peut également fixer des modalités concernant l'utilisation du numéro d'identification du Registre national par la Chambre nationale des huissiers de justice.
§ 6. La Chambre nationale des huissiers de justice est chargée de contrôler le fonctionnement et l'utilisation du Registre central. Le cas échéant, le chapitre VII du livre IV de la partie II du présent Code s'applique.
§ 7. Le Roi détermine les modalités de création et de fonctionnement du Registre central.]1
A cette fin, sans préjudice d'autres communications ou avis, l'huissier de justice instrumentant envoie au Registre central, dans les trois jours ouvrables une copie de tous les exploits, [2 significations]2, notifications, communications, facilités de paiement ou procès-verbaux et, le cas échéant, de leurs annexes, visés au présent chapitre.
§ 2. La Chambre nationale des huissiers de justice est considérée, pour ce qui concerne le Registre central, comme le responsable du traitement, au sens de l'article [3 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (Règlement général sur la protection des données)]3.
Les données contenues dans le Registre central sont conservées pendant dix ans.
§ 3. Les huissiers de justice peuvent enregistrer directement et consulter les données du Registre central par partie sommée ou, le cas échéant, par créancier. Ces huissiers de justice sont désignés nommément dans un registre informatisé qui est en permanence mis à jour par la Chambre nationale des huissiers de justice.
Dès lors qu'un procès-verbal de non-contestation a été déclaré exécutoire en vertu de l'article 1394/24, les informations contenues dans le Registre central qui s'y rapportent ne peuvent plus être consultées que par la Chambre nationale des huissiers de justice dans le but visé au paragraphe 6.
§ 4. Celui qui, à quelque titre que ce soit, participe à la collecte ou à l'enregistrement de données dans le Registre central ou au traitement ou à la communication des données qui y sont enregistrées ou a connaissance de telles données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal s'applique.
§ 5. Pour vérifier l'exactitude des données introduites dans le Registre central et pouvoir mettre à jour en permanence le Registre central, la Chambre nationale des huissiers de justice a accès aux données d'information visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 5° et 7° de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques et elle peut utiliser le numéro d'identification de ce registre. Elle ne peut toutefois divulguer le numéro à des tiers, sous quelque forme que ce soit.
Le Roi fixe la manière dont les données d'information du Registre national sont transmises à la Chambre nationale des huissiers de justice. Il peut également fixer des modalités concernant l'utilisation du numéro d'identification du Registre national par la Chambre nationale des huissiers de justice.
§ 6. La Chambre nationale des huissiers de justice est chargée de contrôler le fonctionnement et l'utilisation du Registre central. Le cas échéant, le chapitre VII du livre IV de la partie II du présent Code s'applique.
§ 7. Le Roi détermine les modalités de création et de fonctionnement du Registre central.]1
HOOFDSTUK II. - Beslagrechter.
CHAPITRE II. - Du juge des saisies.
Art.1395. Alle vorderingen betreffende bewarende beslagen (,middelen tot tenuitvoerlegging ((...) en tegemoetkomingen van de Dienst voor alimentatievorderingen bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën)) worden gebracht voor de beslagrechter. (De opheffing van een beslag gelegd vóór de toekenning van de opschorting van betaling kan daarentegen worden verleend door de rechtbank (bevoegd inzake de verzoekschriften tot gerechtelijke reorganisatie).) <W 1998-07-05/58, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <W 1997-07-17/65, art. 55, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <W 2003-03-17/32, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 01-09-2003> <W 2005-12-23/36, art. 9, 053; Inwerkingtreding : 01-09-2007> <W 2009-01-31/33, art. 75, 063; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
Deze vorderingen worden ingesteld en behandeld zoals in kort geding, behalve in die gevallen waarin de wet bepaalt dat zij worden ingesteld bij verzoekschrift.
[1 Onder voorbehoud van artikel 46 van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek worden alle vorderingen betreffende roerende zakelijke zekerheden en betreffende het pandregister voor de beslagrechter gebracht.]1
Deze vorderingen worden ingesteld en behandeld zoals in kort geding, behalve in die gevallen waarin de wet bepaalt dat zij worden ingesteld bij verzoekschrift.
[1 Onder voorbehoud van artikel 46 van titel XVII van boek III van het Burgerlijk Wetboek worden alle vorderingen betreffende roerende zakelijke zekerheden en betreffende het pandregister voor de beslagrechter gebracht.]1
Art.1395. Toutes les demandes qui ont trait aux saisies conservatoires (, aux voies d'exécution ((...) et aux interventions du Service des créances alimentaires visées par la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances)), sont portées devant le juge des saisies. (La mainlevée de la saisie pratiquée avant l'octroi du sursis de paiement peut par contre être accordée par le tribunal (compétent en matière de requêtes en réorganisation judiciaire).) <L 1998-07-05/58, art. 3, 025; En vigueur : 01-01-1999> <L 1997-07-17/65, art. 55, 019; En vigueur : 01-01-1998> <L 2003-03-17/32, art. 3, 041; En vigueur : 01-09-2003> <L 2005-12-23/36, art. 9, 053; En vigueur : 01-09-2007> <L 2009-01-31/33, art. 75, 063; En vigueur : 01-04-2009>
Ces demandes sont introduites et instruites selon les formes du référé, sauf dans les cas où la loi prévoit qu'elles sont formées par requête.
[1 Sous réserve de l'article 46 du titre XVII du livre III du Code civil, toutes les demandes qui ont trait à des sûretés réelles mobilières et au registre des gages sont portées devant le juge des saisies. ]1
Ces demandes sont introduites et instruites selon les formes du référé, sauf dans les cas où la loi prévoit qu'elles sont formées par requête.
[1 Sous réserve de l'article 46 du titre XVII du livre III du Code civil, toutes les demandes qui ont trait à des sûretés réelles mobilières et au registre des gages sont portées devant le juge des saisies. ]1
Änderungen
Art. 1395/1. [1 De beslagrechter doet uitspraak over verzoeken tot aanstelling van sekwesters in zaken die behoren tot zijn bevoegdheid. Het verzoek tot aanstelling van een sekwester wordt ingediend bij eenzijdig verzoekschrift.]1
Art. 1395/1. [1 Le juge des saisies statue sur les demandes de désignation de séquestres dans les affaires qui relèvent de sa compétence. La demande de désignation d'un séquestre est introduite par requête unilatérale.]1
Art. 1395/2. [1 De beslagrechter doet uitspraak over :
1° de verzoeken om een Europees bevel tot conservatoir beslag, bedoeld in Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken;
2° de rechtsmiddelen bedoeld in de artikelen 33, 34 en 35 van dezelfde Verordening.]1
1° de verzoeken om een Europees bevel tot conservatoir beslag, bedoeld in Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken;
2° de rechtsmiddelen bedoeld in de artikelen 33, 34 en 35 van dezelfde Verordening.]1
Art. 1395/2. [1 Le juge des saisies statue sur :
1° les demandes d'ordonnance européenne de saisie conservatoire, telles que visées par le Règlement (UE) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale;
2° les recours visés aux articles 33, 34 et 35 du même Règlement.]1
1° les demandes d'ordonnance européenne de saisie conservatoire, telles que visées par le Règlement (UE) n° 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale;
2° les recours visés aux articles 33, 34 et 35 du même Règlement.]1
Art.1396. Onverminderd de bij de wet bepaalde middelen van nietigheid, draagt de beslagrechter zorg dat de bepalingen inzake bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging worden nagekomen.
Hij kan, zelfs ambtshalve, zich een verslag over de stand van de rechtspleging door de optredende of aangestelde openbare of ministeriële ambtenaren doen overhandigen.
Stelt hij een verzuim vast, dan geeft hij daarvan kennis aan de procureur des Konings, die oordeelt welke tuchtrechtelijke gevolgen zulks medebrengen.
Hij kan, zelfs ambtshalve, zich een verslag over de stand van de rechtspleging door de optredende of aangestelde openbare of ministeriële ambtenaren doen overhandigen.
Stelt hij een verzuim vast, dan geeft hij daarvan kennis aan de procureur des Konings, die oordeelt welke tuchtrechtelijke gevolgen zulks medebrengen.
Art.1396. Sans préjudice des voies de nullité prévues par la loi, le juge des saisies veille au respect des dispositions en matière de saisies conservatoires et de voies d'exécution.
Il peut même d'office, se faire remettre un rapport sur l'état de la procédure par les officiers publics ou ministériels instrumentants ou commis.
S'il constate une négligence, il en informe le procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter.
Il peut même d'office, se faire remettre un rapport sur l'état de la procédure par les officiers publics ou ministériels instrumentants ou commis.
S'il constate une négligence, il en informe le procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter.
HOOFDSTUK III. - Voorlopige tenuitvoerlegging.
CHAPITRE III. _ De l'exécution provisoire.
Art.1397. [1 Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt, onverminderd artikel 1414, zijn de eindvonnissen uitvoerbaar bij voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep en zonder zekerheidsstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen.
Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt en onverminderd artikel 1414, schorsen verzet of hoger beroep van de versteklatende partij tegen eindvonnissen die bij verstek zijn gewezen daarvan de tenuitvoerlegging.
Vonnissen alvorens recht te doen, waartoe alle voorlopige maatregelen behoren, zijn van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.]1
Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt en onverminderd artikel 1414, schorsen verzet of hoger beroep van de versteklatende partij tegen eindvonnissen die bij verstek zijn gewezen daarvan de tenuitvoerlegging.
Vonnissen alvorens recht te doen, waartoe alle voorlopige maatregelen behoren, zijn van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.]1
Art.1397. [1 Sauf les exceptions prévues par la loi ou sauf si le juge, d'office ou à la demande d'une des parties, en décide autrement moyennant une décision spécialement motivée, sans préjudice de l'article 1414, les jugements définitifs sont exécutoires par provision nonobstant appel et sans garantie si le juge n'a pas ordonné qu'il en soit constitué une.
Sauf les exceptions prévues par la loi ou sauf si le juge, d'office ou à la demande d'une des parties, en décide autrement moyennant une décision spécialement motivée et sans préjudice de l'article 1414, l'opposition ou l'appel formé par la partie défaillante contre les jugements définitifs prononcés par défaut en suspendent l'exécution.
L'exécution par provision est de droit pour les jugements avant dire droit, ce qui englobe tous les types de mesures provisoires.]1
Sauf les exceptions prévues par la loi ou sauf si le juge, d'office ou à la demande d'une des parties, en décide autrement moyennant une décision spécialement motivée et sans préjudice de l'article 1414, l'opposition ou l'appel formé par la partie défaillante contre les jugements définitifs prononcés par défaut en suspendent l'exécution.
L'exécution par provision est de droit pour les jugements avant dire droit, ce qui englobe tous les types de mesures provisoires.]1
Art.1398. [1 De voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis geschiedt alleen op risico van de partij die daartoe last geeft.
Zij geschiedt zonder borgstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen en onverminderd de regels inzake kantonnement.]1
Zij geschiedt zonder borgstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen en onverminderd de regels inzake kantonnement.]1
Art.1398. [1 L'exécution provisoire du jugement n'a lieu qu'aux risques et périls de la partie qui la poursuit.
Elle se poursuit sans garantie si le juge ne l'a pas ordonnée et sans préjudice des règles du cantonnement.]1
Elle se poursuit sans garantie si le juge ne l'a pas ordonnée et sans préjudice des règles du cantonnement.]1
Art. 1398/1. [1 In afwijking van [3 artikel 1397, tweede lid]3, en behalve specifieke bepalingen [2 of tenzij de rechter, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt,]2 [3 schorsen verzet of hoger beroep van de versteklatende partij]3 tegen het eindvonnis gewezen door de rechter van de familierechtbank de tenuitvoerlegging daarvan niet.
[2 ...]2]1
[2 ...]2]1
Art. 1398/1. [1 Par dérogation à l'[3 article 1397, alinéa 2]3, et sauf dispositions spéciales [2 ou sauf si le juge, d'office ou à la demande d'une des parties, en décide autrement moyennant une décision spécialement motivée]2, [3 l'opposition ou l'appel de la partie défaillante contre le jugement définitif rendu par le juge du tribunal de la famille n'en suspendent pas l'exécution]3.
[2 ...]2]1
[2 ...]2]1
Art.1399. [1 Verzet en hoger beroep schorsen de tenuitvoerlegging:
1° van de eindvonnissen inzake de staat van personen;
2° de vonnissen uitgesproken door de rechter van de familierechtbank die zitting neemt in het kader van zaken die worden geacht spoedeisend te zijn of zaken waarvoor de spoedeisendheid wordt aangevoerd in de zin van artikel 1253ter/4, en die betrekking hebben op geschillen inzake formaliteiten betreffende de voltrekking van het huwelijk, de opheffing van het verbod op het huwelijk van minderjarigen en de toestemming daartoe;
[2 3° van de beslissingen in tuchtzaken.]2
[2 De tenuitvoerlegging van het vonnis wordt eveneens geschorst gedurende de termijn waarbinnen verzet of hoger beroep kan worden aangetekend.]2
De voorlopige tenuitvoerlegging van [2 de vonnissen bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°,]2 kan niet worden toegestaan.]1
1° van de eindvonnissen inzake de staat van personen;
2° de vonnissen uitgesproken door de rechter van de familierechtbank die zitting neemt in het kader van zaken die worden geacht spoedeisend te zijn of zaken waarvoor de spoedeisendheid wordt aangevoerd in de zin van artikel 1253ter/4, en die betrekking hebben op geschillen inzake formaliteiten betreffende de voltrekking van het huwelijk, de opheffing van het verbod op het huwelijk van minderjarigen en de toestemming daartoe;
[2 3° van de beslissingen in tuchtzaken.]2
[2 De tenuitvoerlegging van het vonnis wordt eveneens geschorst gedurende de termijn waarbinnen verzet of hoger beroep kan worden aangetekend.]2
De voorlopige tenuitvoerlegging van [2 de vonnissen bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°,]2 kan niet worden toegestaan.]1
Art.1399. [1 L'opposition et l'appel suspendent l'exécution:
1° des jugements définitifs concernant l'état des personnes;
2° des jugements rendus par le juge du tribunal de la famille, siégeant dans le cadre de l'urgence réputée ou invoquée au sens de l'article 1253ter/4, et qui concernent des litiges relatifs aux formalités relatives à la célébration du mariage, à la levée de la prohibition du mariage de mineurs et son autorisation;
[2 3° des décisions en matière disciplinaire.]2
[2 L'exécution du jugement est également suspendue pendant le délai dans lequel l'opposition ou l'appel peut être formé.]2
L'exécution provisoire [2 des jugements visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°,]2 ne peut être autorisée.]1
1° des jugements définitifs concernant l'état des personnes;
2° des jugements rendus par le juge du tribunal de la famille, siégeant dans le cadre de l'urgence réputée ou invoquée au sens de l'article 1253ter/4, et qui concernent des litiges relatifs aux formalités relatives à la célébration du mariage, à la levée de la prohibition du mariage de mineurs et son autorisation;
[2 3° des décisions en matière disciplinaire.]2
[2 L'exécution du jugement est également suspendue pendant le délai dans lequel l'opposition ou l'appel peut être formé.]2
L'exécution provisoire [2 des jugements visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°,]2 ne peut être autorisée.]1
Art.1400. § 1. [1 De rechter kan aan de voorlopige tenuitvoerlegging de voorwaarde verbinden dat een zekerheid wordt gesteld, die hij bepaalt en waarvoor hij, zo nodig, de modaliteiten vaststelt.]1
§ 2. De zekerheid is van rechtswege bevrijd wanneer de consignatie door de veroordeelde partij gedaan is overeenkomstig artikel 1404.
§ 2. De zekerheid is van rechtswege bevrijd wanneer de consignatie door de veroordeelde partij gedaan is overeenkomstig artikel 1404.
Art.1400. § 1er. [1 Le juge peut subordonner l'exécution provisoire à la constitution d'une garantie qu'il détermine et dont il fixe, s'il y a lieu, les modalités.]1
§ 2. La garantie est libérée de plein droit lorsque la partie condamnée a fait la consignation, conformément à l'article 1404.
§ 2. La garantie est libérée de plein droit lorsque la partie condamnée a fait la consignation, conformément à l'article 1404.
Art.1401. [1 Indien de eerste rechters de voorlopige tenuitvoerlegging hebben uitgesloten, kan deze altijd worden verzocht bij het hoger beroep.]1
[2 In elk geval wordt het aangevochten vonnis uitvoerbaar bij voorraad wanneer het rolrecht dat ten laste werd gelegd van de appellant ingevolge dit vonnis, niet werd betaald binnen een termijn van drie maanden die begint te lopen vanaf de beroepsakte. De griffier levert, op vraag van een partij, een attest af van de overschrijding van deze termijn.]2
[2 In elk geval wordt het aangevochten vonnis uitvoerbaar bij voorraad wanneer het rolrecht dat ten laste werd gelegd van de appellant ingevolge dit vonnis, niet werd betaald binnen een termijn van drie maanden die begint te lopen vanaf de beroepsakte. De griffier levert, op vraag van een partij, een attest af van de overschrijding van deze termijn.]2
Art.1401. [1 Si les premiers juges ont écarté l'exécution provisoire, celle-ci peut toujours être demandée lors de l'appel.]1
[2 Dans tous les cas, le jugement entrepris devient exécutoire par provision lorsque le droit de mise au rôle mis à charge de l'appelant par ce jugement n'a pas été payé dans un délai de trois mois qui court à partir de l'acte d'appel. Le greffier délivre, à la demande d'une partie, une attestation du dépassement de ce délai.]2
[2 Dans tous les cas, le jugement entrepris devient exécutoire par provision lorsque le droit de mise au rôle mis à charge de l'appelant par ce jugement n'a pas été payé dans un délai de trois mois qui court à partir de l'acte d'appel. Le greffier délivre, à la demande d'une partie, une attestation du dépassement de ce délai.]2
Art.1402. [1 Onverminderd de toepassing van artikel 1066, tweede lid, 6°, kunnen de rechters in hoger beroep]1 in geen geval de tenuitvoerlegging van de vonnissen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid.
Art.1402. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 1066, alinéa 2, 6°, les juges d'appel ne peuvent]1 en aucun cas, à peine de nullité, interdire l'exécution des jugements ou y faire surseoir.
HOOFDSTUK IV. - Kantonnement.
CHAPITRE IV. _ Du cantonnement.
Art.1403. De schuldenaar tegen wie bewarend beslag is gedaan of toegestaan, kan in elke stand van het geding het beslagene bevrijden of het beslag verhinderen door in de Deposito- en Consignatiekas of in handen van een erkende of aangestelde sekwester een bedrag in bewaring te geven, toereikend om tot waarborg te strekken voor de schuld in hoofdsom, intrest en kosten.
Is het beslag gedaan op geldsommen, dan kan deze bewaargeving geschieden met het in beslag genomen geld; is het op andere goederen gedaan, dan kan de bewaargeving geschieden met de opbrengst van de verkoop van al die goederen of van een deel ervan.
De schuldenaar wendt zich vooraf tot de beslagrechter, die bepaalt op welke wijze en onder welke voorwaarden de gelden in bewaring worden gegeven en, indien daartoe grond bestaat, de in beslag genomen goederen geheel of ten dele worden verkocht.
Is het beslag gedaan op geldsommen, dan kan deze bewaargeving geschieden met het in beslag genomen geld; is het op andere goederen gedaan, dan kan de bewaargeving geschieden met de opbrengst van de verkoop van al die goederen of van een deel ervan.
De schuldenaar wendt zich vooraf tot de beslagrechter, die bepaalt op welke wijze en onder welke voorwaarden de gelden in bewaring worden gegeven en, indien daartoe grond bestaat, de in beslag genomen goederen geheel of ten dele worden verkocht.
Art.1403. Le débiteur sur qui une saisie a été faite ou permise à titre conservatoire, peut, en tout état de cause, libérer les avoirs sur lesquels elle porte ou faire obstacle à la saisie, en déposant, soit à la Caisse des dépôts et consignations, soit aux mains d'un séquestre agréé ou commis, un montant suffisant pour répondre de la créance en principal, intérêts et frais.
Quand la saisie porte sur des sommes, ce dépôt peut être fait au moyen des fonds saisis; quand elle porte sur d'autres biens, il peut avoir lieu au moyen du produit de la vente de tout ou partie de ceux-ci.
Le débiteur se pourvoit préalablement devant le juge des saisies, lequel règle le mode et les conditions du dépôt des fonds et s'il échet, de la vente de tout ou partie des biens saisis.
Quand la saisie porte sur des sommes, ce dépôt peut être fait au moyen des fonds saisis; quand elle porte sur d'autres biens, il peut avoir lieu au moyen du produit de la vente de tout ou partie de ceux-ci.
Le débiteur se pourvoit préalablement devant le juge des saisies, lequel règle le mode et les conditions du dépôt des fonds et s'il échet, de la vente de tout ou partie des biens saisis.
Art.1404. Met uitzondering van schuldvorderingen tot levensonderhoud, komt hetzelfde recht op dezelfde wijzen, onder dezelfde voorwaarden, volgens dezelfde rechtspleging toe aan de schuldenaar die veroordeeld is bij een uitvoerbare rechterlijke beslissing waartegen verzet of hoger beroep is ingesteld, alsook wanneer schorsing van die vervolgingen is bevolen.
De storting heeft plaats met bijzondere bestemming van de som tot afdoening van de schuldvordering van de beslaglegger en geldt als betaling voor zover de beslagene erkent schuldenaar te zijn of als zodanig wordt erkend.
De storting heeft plaats met bijzondere bestemming van de som tot afdoening van de schuldvordering van de beslaglegger en geldt als betaling voor zover de beslagene erkent schuldenaar te zijn of als zodanig wordt erkend.
Art.1404. Sauf s'il s'agit d'une créance de caractère alimentaire, la même faculté de libération est, selon les mêmes modes, conditions et procédure, réservée au débiteur condamné en vertu d'une décision judiciaire exécutoire frappée d'opposition ou d'appel, comme aussi lorsqu'une surséance aux poursuites a été ordonnée.
Le versement est fait avec affectation spéciale de la somme à l'extinction de la créance du saisissant et vaut paiement dans la mesure où le saisi se reconnaît ou est reconnu débiteur.
Le versement est fait avec affectation spéciale de la somme à l'extinction de la créance du saisissant et vaut paiement dans la mesure où le saisi se reconnaît ou est reconnu débiteur.
Art.1405. In de gevallen van de artikelen 1403 en 1404, en met de eraan verbonden gevolgen, kan de schuldenaar in handen van de optredende gerechtsdeurwaarder een toereikend bedrag in consignatie geven om tot waarborg te strekken voor de oorzaken van het beslag in hoofdsom, interesten en kosten.
De deurwaarder maakt proces-verbaal op van de bewaargeving der gelden in zijn handen en overhandigt een afschrift ervan aan de schuldenaar.
Hij is ertoe gehouden deze gelden binnen drie dagen op een rekening te storten, die hij bij de Deposito- en Consignatiekas voor zich laat openen en waarop de naam van de beslagene wordt vermeld.
Van deze storting maakt de ambtenaar van de Deposito- en Consignatiekas melding op het origineel van het exploot houdend het proces-verbaal van de bewaargeving der gelden, waarvan de deurwaarder de minuut bewaart.
Opvraging van de gelden door de deurwaarder kan niet geschieden dan met toestemming van de schuldenaar tegen wie het beslag is gedaan of krachtens een beslissing die niet meer vatbaar is voor een gewoon rechtsmiddel.
De deurwaarder maakt proces-verbaal op van de bewaargeving der gelden in zijn handen en overhandigt een afschrift ervan aan de schuldenaar.
Hij is ertoe gehouden deze gelden binnen drie dagen op een rekening te storten, die hij bij de Deposito- en Consignatiekas voor zich laat openen en waarop de naam van de beslagene wordt vermeld.
Van deze storting maakt de ambtenaar van de Deposito- en Consignatiekas melding op het origineel van het exploot houdend het proces-verbaal van de bewaargeving der gelden, waarvan de deurwaarder de minuut bewaart.
Opvraging van de gelden door de deurwaarder kan niet geschieden dan met toestemming van de schuldenaar tegen wie het beslag is gedaan of krachtens een beslissing die niet meer vatbaar is voor een gewoon rechtsmiddel.
Art.1405. Dans les cas prévus aux articles 1403 et 1404, et avec les effets qui y sont attachés, le débiteur peut consigner entre les mains de l'huissier de justice instrumentant, une somme suffisante pour répondre des causes de la saisie en principal, intérêts et frais.
L'huissier dresse procès-verbal du dépôt des fonds entre ses mains et en remet une copie au débiteur.
Il est tenu de verser ces fonds dans les trois jours à un compte qu'il se fait ouvrir à la Caisse des dépôts et consignations et portant le nom de la partie saisie.
Mention de ce versement est faite par l'agent de la Caisse des dépôts et consignations sur l'original de l'exploit contenant le procès-verbal du dépôt des fonds dont l'huissier garde la minute.
Le retrait des fonds ne peut être fait par l'huissier que de l'accord du débiteur saisi ou en vertu d'une décision qui n'est plus susceptible de recours ordinaire.
L'huissier dresse procès-verbal du dépôt des fonds entre ses mains et en remet une copie au débiteur.
Il est tenu de verser ces fonds dans les trois jours à un compte qu'il se fait ouvrir à la Caisse des dépôts et consignations et portant le nom de la partie saisie.
Mention de ce versement est faite par l'agent de la Caisse des dépôts et consignations sur l'original de l'exploit contenant le procès-verbal du dépôt des fonds dont l'huissier garde la minute.
Le retrait des fonds ne peut être fait par l'huissier que de l'accord du débiteur saisi ou en vertu d'une décision qui n'est plus susceptible de recours ordinaire.
Art.1406. De rechter die uitspraak doet over de vordering zelf, kan beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor alle veroordelingen die hij uitspreekt of voor een deel ervan, indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt.
Art.1406. Le juge qui statue sur le fonds de la demande peut décider qu'il n'y a pas lieu à cantonnement pour tout ou partie des condamnations qu'il prononce, si le retard apporté au règlement expose le créancier à un préjudice grave.
Art.1407. In alle gevallen dat bewarend of uitvoerend beslag is gedaan op gelden of roerende goederen die in handen van een andere persoon dan de schuldenaar zijn, kunnen deze, de derde die ze onder zich heeft, en de schuldeiser die ze in beslag genomen heeft, zich wenden tot de beslagrechter om te doen bevelen dat de gelden of roerende goederen in bewaring zullen worden gegeven aan een erkende of aangestelde sekwester, dan wel, wanneer het vaststaande of te vervallen bedragen betreft, aan de Deposito- en Consignatiekas.
Art.1407. Dans tous les cas où une saisie, à titre conservatoire ou à titre exécutoire, frappe des fonds ou effets mobiliers qui se trouvent entre les mains d'une autre personne que le débiteur, celui-ci, le tiers qui les détient et le créancier qui les a saisis peuvent se pourvoir devant le juge des saisies, pour faire ordonner soit le dépôt des fonds ou effets mobiliers aux mains d'un séquestre agréé ou commis, soit, s'il s'agit d'espèces liquides ou à échoir, leur dépôt à la Caisse des dépôts et consignations.
Art. 1407bis. <INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 4; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Wanneer bij loonoverdracht tussen de schuldeisers-overnemers een rangconflict ontstaat, moet de gecedeerde schuldenaar hetzij op eigen initiatief, hetzij ten laatste op het eerste verzoek van de belanghebbende partijen, de overdraagbare gelden storten in de handen van een gerechtsdeurwaarder aangezocht krachtens artikel 1390ter of in de handen van een erkende of aangestelde sekwester.
Art. 1407bis. Lorsque en matière de cession de rémunération survient un conflit de rang entre créanciers cessionnaires, le débiteur cédé est tenu, soit d'initiative, soit au plus tard à la première réquisition des parties intéressées, de verser les deniers cessibles, ou bien entre les mains d'un huissier de justice requis en vertu de l'article 1390ter, ou bien entre les mains d'un séquestre agréé ou commis.
HOOFDSTUK V. - Goederen die niet in beslag kunnen worden genomen.
CHAPITRE V. _ Des biens qui ne peuvent être saisis.
Art.1408. <W 1993-01-14/34, art. 6, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
§ 1. Behalve op zaken, niet vatbaar voor beslag verklaard door bijzondere wetten, mag ook geen beslag worden gelegd :
1° op het nodige bed en beddegoed van de beslagene en van zijn gezin, de kleren en het linnengoed volstrekt noodzakelijk voor hun persoonlijk gebruik alsmede de meubelen nodig om deze op te bergen, [1 een wasmachine, een strijkijzer en een strijkplank]1 voor het onderhoud van het linnen, de toestellen die noodzakelijk zijn voor de verwarming van de gezinswoning, de tafel en de stoelen die voor de familie een gemeenschappelijke maaltijd mogelijk maken, alsook het vaatwerk en het huishoudgerei dat volstrekt noodzakelijk is voor het gezin, een meubel om het vaatwerk en het huishoudgerei op te bergen, een toestel om warme maaltijden te bereiden, een toestel om voedingsmiddelen te bewaren, één verlichtingstoestel per bewoonde kamer, de voorwerpen die noodzakelijk zijn voor de mindervalide gezinsleden, de voorwerpen die bestemd zijn om te worden gebruikt door de kinderen ten laste die onder hetzelfde dak wonen, de gezelschapsdieren, de voorwerpen en produkten die noodzakelijk zijn voor de lichaamsverzorging en voor het onderhoud van de vertrekken, het gereedschap dat nodig is voor het onderhoud van de tuin, een en ander met uitsluiting van de luxemeubelen en luxeartikelen;
2° [1 op de boeken en overige voorwerpen nodig voor de voortzetting van studies of voor de beroepsopleiding van de beslagene, zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende en de kinderen ten laste van de beslagene die onder hetzelfde dak wonen; in zoverre het om toestellen en benodigdheden voor toegang tot het internet gaat, geldt de onbeslagbaarheid niet voor de betaling van de prijs van die goederen;]1
3° [1 op de goederen die de beslagene, zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, daarin begrepen de toestellen en de benodigdheden voor toegang tot het internet, tot een totale waarde van 2500 euro, geraamd op het tijdstip van het beslag en naar keuze van de beslagene, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen;]1
4° op de voorwerpen die dienen voor de uitoefening van de eredienst;
5° op de levensmiddelen en brandstof die de beslagene en zijn gezin voor een maand nodig hebben;
6° [1 een computer met internetverbinding en een printer in zoverre er geen enkele computer en/of printer geviseerd wordt door de bepalingen onder 2° of 3°, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen;]1
[1 7° op de mobiele telefoon van de beslagene, zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende en de kinderen ten laste van de beslagene die onder hetzelfde dak wonen, tot een waarde van 500 euro per telefoon, geraamd op het tijdstip van het beslag, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen, en, indien voormeld bedrag wordt overschreden, wordt er in ieder geval ten minste één mobiele telefoon van inbeslagname vrijgesteld.]1
§ 2. De in § 1 bedoelde voorwerpen blijven voor beslag vatbaar indien zij zich op een andere plaats bevinden dan daar waar de beslagene gewoonlijk woont of werkt.
§ 3. De moeilijkheden inzake de toepassing van dit artikel worden beslecht door de beslagrechter op grond van het proces-verbaal van beslaglegging, waarin de opmerkingen van de beslagene, op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder mee te delen, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen [1 vijftien]1 dagen na de betekening van de eerste akte van beslag, worden aangetekend.
Bij de neerlegging ter griffie van een afschrift van het proces-verbaal van beslaglegging door de gerechtsdeurwaarder of door de meest gerede partij, binnen [1 vijfentwintig]1 dagen na de overhandiging van het afschrift van dat proces-verbaal of, indien daartoe grond bestaat, van de betekening van het beslag aan de schuldenaar, bepaalt de beslagrechter dag en uur van het onderzoek en de regeling van de moeilijkheden, de schuldeiser en de schuldenaar vooraf gehoord of opgeroepen. De griffier roept de partijen op en verwittigt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder.
De procedure kan niet worden voortgezet indien de in het vorige lid bedoelde neerlegging van het afschrift van het proces-verbaal niet heeft plaatsgehad.
De vordering schorst de [1 verdere procedure over de betwiste goederen]1, doch de goederen blijven onder beslag totdat uitspraak is gedaan.
De beslagrechter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken, zowel in aanwezigheid als bij ontstentenis van de partijen; zijn beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep; de rechtspleging kan onmiddellijk worden hervat.
§ 1. Behalve op zaken, niet vatbaar voor beslag verklaard door bijzondere wetten, mag ook geen beslag worden gelegd :
1° op het nodige bed en beddegoed van de beslagene en van zijn gezin, de kleren en het linnengoed volstrekt noodzakelijk voor hun persoonlijk gebruik alsmede de meubelen nodig om deze op te bergen, [1 een wasmachine, een strijkijzer en een strijkplank]1 voor het onderhoud van het linnen, de toestellen die noodzakelijk zijn voor de verwarming van de gezinswoning, de tafel en de stoelen die voor de familie een gemeenschappelijke maaltijd mogelijk maken, alsook het vaatwerk en het huishoudgerei dat volstrekt noodzakelijk is voor het gezin, een meubel om het vaatwerk en het huishoudgerei op te bergen, een toestel om warme maaltijden te bereiden, een toestel om voedingsmiddelen te bewaren, één verlichtingstoestel per bewoonde kamer, de voorwerpen die noodzakelijk zijn voor de mindervalide gezinsleden, de voorwerpen die bestemd zijn om te worden gebruikt door de kinderen ten laste die onder hetzelfde dak wonen, de gezelschapsdieren, de voorwerpen en produkten die noodzakelijk zijn voor de lichaamsverzorging en voor het onderhoud van de vertrekken, het gereedschap dat nodig is voor het onderhoud van de tuin, een en ander met uitsluiting van de luxemeubelen en luxeartikelen;
2° [1 op de boeken en overige voorwerpen nodig voor de voortzetting van studies of voor de beroepsopleiding van de beslagene, zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende en de kinderen ten laste van de beslagene die onder hetzelfde dak wonen; in zoverre het om toestellen en benodigdheden voor toegang tot het internet gaat, geldt de onbeslagbaarheid niet voor de betaling van de prijs van die goederen;]1
3° [1 op de goederen die de beslagene, zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, daarin begrepen de toestellen en de benodigdheden voor toegang tot het internet, tot een totale waarde van 2500 euro, geraamd op het tijdstip van het beslag en naar keuze van de beslagene, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen;]1
4° op de voorwerpen die dienen voor de uitoefening van de eredienst;
5° op de levensmiddelen en brandstof die de beslagene en zijn gezin voor een maand nodig hebben;
6° [1 een computer met internetverbinding en een printer in zoverre er geen enkele computer en/of printer geviseerd wordt door de bepalingen onder 2° of 3°, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen;]1
[1 7° op de mobiele telefoon van de beslagene, zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende en de kinderen ten laste van de beslagene die onder hetzelfde dak wonen, tot een waarde van 500 euro per telefoon, geraamd op het tijdstip van het beslag, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen, en, indien voormeld bedrag wordt overschreden, wordt er in ieder geval ten minste één mobiele telefoon van inbeslagname vrijgesteld.]1
§ 2. De in § 1 bedoelde voorwerpen blijven voor beslag vatbaar indien zij zich op een andere plaats bevinden dan daar waar de beslagene gewoonlijk woont of werkt.
§ 3. De moeilijkheden inzake de toepassing van dit artikel worden beslecht door de beslagrechter op grond van het proces-verbaal van beslaglegging, waarin de opmerkingen van de beslagene, op straffe van verval aan de gerechtsdeurwaarder mee te delen, hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen [1 vijftien]1 dagen na de betekening van de eerste akte van beslag, worden aangetekend.
Bij de neerlegging ter griffie van een afschrift van het proces-verbaal van beslaglegging door de gerechtsdeurwaarder of door de meest gerede partij, binnen [1 vijfentwintig]1 dagen na de overhandiging van het afschrift van dat proces-verbaal of, indien daartoe grond bestaat, van de betekening van het beslag aan de schuldenaar, bepaalt de beslagrechter dag en uur van het onderzoek en de regeling van de moeilijkheden, de schuldeiser en de schuldenaar vooraf gehoord of opgeroepen. De griffier roept de partijen op en verwittigt de instrumenterende gerechtsdeurwaarder.
De procedure kan niet worden voortgezet indien de in het vorige lid bedoelde neerlegging van het afschrift van het proces-verbaal niet heeft plaatsgehad.
De vordering schorst de [1 verdere procedure over de betwiste goederen]1, doch de goederen blijven onder beslag totdat uitspraak is gedaan.
De beslagrechter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken, zowel in aanwezigheid als bij ontstentenis van de partijen; zijn beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep; de rechtspleging kan onmiddellijk worden hervat.
Art.1408. <L 1993-01-14/34, art. 6, 011; En vigueur : 1993-03-02>
§ 1. Ne peuvent être saisis, outre les choses déclarées insaisissables par des lois particulières :
1° le coucher nécessaire du saisi et de sa famille, les vêtements et le linge indispensable à leur propre usage, ainsi que les meubles nécessaires pour les ranger, [1 une machine à laver le linge, un fer à repasser et une planche à repasser]1, les appareils nécessaires au chauffage du logement familial, les tables et chaises permettant à la famille de prendre les repas en commun ainsi que la vaiselle et les ustensiles de ménage indispensables à la famille, un meuble pour ranger la vaisselle et les ustensiles de ménage, un appareil pour la préparation des repas chauds, un appareil pour la conservation des aliments, un appareil d'éclairage par chambre habitée, les objets nécessaires aux membres handicapés de la famille, les objets affectés à l'usage des enfants à charge qui habitent sous le même toit, les animaux de compagnie, les objets et produits nécessaires aux soins corporels et à l'entretien des locaux, les outils nécessaires à l'entretien du jardin, le tout à l'exclusion des meubles et objets de luxe;
2° [1 les livres et autres objets nécessaires à la poursuite des études ou à la formation professionnelle du saisi, de son conjoint ou cohabitant légal et des enfants à charge du saisi qui habitent sous le même toit; pour autant qu'il s'agisse d'appareils et de matériel nécessaires pour accéder à l'internet, l'insaisissabilité ne s'applique pas au paiement du prix de ces biens;]1
3° [1 si ce n'est pour le paiement de leur prix, les biens indispensables à la profession du saisi, de son conjoint ou cohabitant légal, y compris les appareils et le matériel nécessaires pour accéder à l'internet, jusqu'à concurrence d'une valeur totale de 2500 euros estimée au moment de la saisie, et au choix du saisi;]1
4° les objets servant à l'exercice du culte;
5° les aliments et combustibles nécessaires au saisi et à sa famille pendant un mois;
6° [1 si ce n'est pour le paiement de leur prix, un ordinateur équipé d'une connexion à l'internet et une imprimante pour autant qu'aucun ordinateur et/ou aucune imprimante ne soit visé au 2° ou au 3° ;]1
[1 7° si ce n'est pour le paiement de leur prix, le téléphone mobile du saisi, de son conjoint ou cohabitant légal et des enfants à charge du saisi qui habitent sous le même toit, jusqu'à concurrence d'une valeur de 500 euros par téléphone estimée au moment de la saisie et, en cas de dépassement du montant précité, un téléphone mobile au moins est en tout cas exempté de la saisie.]1
§ 2. Les objets visés au § 1er restent saisissables s'ils se trouvent dans un lieu autre que celui où le saisi demeure ou travaille habituellement.
§ 3. Les difficultés d'application de cet article sont tranchées par le juge des saisies sur la base du procès-verbal de saisie actant les observations formulées par le saisi à l'huissier, à peine de déchéance, soit au moment de la saisie, soit dans les [1 quinze]1 jours de la signification du premier acte de saisie.
Sur le dépôt d'une copie du procès-verbal de saisie, effectué au greffe par l'huissier de justice ou par la partie la plus diligente, dans les [1 vingt-cinq]1 jours qui suivent la remise de la copie dudit procès-verbal ou, s'il échet, de la signification de la saisie au débiteur, le juge des saisies fixe jour et heure pour l'examen et le règlement des difficultés, le créancier et le débiteur préalablement entendus ou appelés. Le greffier convoque les parties et informe l'huissier de justice instrumentant.
La procédure ne peut être poursuivie si le dépôt de la copie du procès-verbal prévu à l'alinéa précédent n'a pas été effectué.
La demande est suspensive [1 de la suite de la procédure concernant les biens contestés]1 mais les biens demeurent frappés de saisie jusqu'à ce qu'il ait été statué.
Le juge des saisies statue toutes affaires cessantes, tant en présence qu'en l'absence des parties; son ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel; la procédure peut être reprise immédiatement.
§ 1. Ne peuvent être saisis, outre les choses déclarées insaisissables par des lois particulières :
1° le coucher nécessaire du saisi et de sa famille, les vêtements et le linge indispensable à leur propre usage, ainsi que les meubles nécessaires pour les ranger, [1 une machine à laver le linge, un fer à repasser et une planche à repasser]1, les appareils nécessaires au chauffage du logement familial, les tables et chaises permettant à la famille de prendre les repas en commun ainsi que la vaiselle et les ustensiles de ménage indispensables à la famille, un meuble pour ranger la vaisselle et les ustensiles de ménage, un appareil pour la préparation des repas chauds, un appareil pour la conservation des aliments, un appareil d'éclairage par chambre habitée, les objets nécessaires aux membres handicapés de la famille, les objets affectés à l'usage des enfants à charge qui habitent sous le même toit, les animaux de compagnie, les objets et produits nécessaires aux soins corporels et à l'entretien des locaux, les outils nécessaires à l'entretien du jardin, le tout à l'exclusion des meubles et objets de luxe;
2° [1 les livres et autres objets nécessaires à la poursuite des études ou à la formation professionnelle du saisi, de son conjoint ou cohabitant légal et des enfants à charge du saisi qui habitent sous le même toit; pour autant qu'il s'agisse d'appareils et de matériel nécessaires pour accéder à l'internet, l'insaisissabilité ne s'applique pas au paiement du prix de ces biens;]1
3° [1 si ce n'est pour le paiement de leur prix, les biens indispensables à la profession du saisi, de son conjoint ou cohabitant légal, y compris les appareils et le matériel nécessaires pour accéder à l'internet, jusqu'à concurrence d'une valeur totale de 2500 euros estimée au moment de la saisie, et au choix du saisi;]1
4° les objets servant à l'exercice du culte;
5° les aliments et combustibles nécessaires au saisi et à sa famille pendant un mois;
6° [1 si ce n'est pour le paiement de leur prix, un ordinateur équipé d'une connexion à l'internet et une imprimante pour autant qu'aucun ordinateur et/ou aucune imprimante ne soit visé au 2° ou au 3° ;]1
[1 7° si ce n'est pour le paiement de leur prix, le téléphone mobile du saisi, de son conjoint ou cohabitant légal et des enfants à charge du saisi qui habitent sous le même toit, jusqu'à concurrence d'une valeur de 500 euros par téléphone estimée au moment de la saisie et, en cas de dépassement du montant précité, un téléphone mobile au moins est en tout cas exempté de la saisie.]1
§ 2. Les objets visés au § 1er restent saisissables s'ils se trouvent dans un lieu autre que celui où le saisi demeure ou travaille habituellement.
§ 3. Les difficultés d'application de cet article sont tranchées par le juge des saisies sur la base du procès-verbal de saisie actant les observations formulées par le saisi à l'huissier, à peine de déchéance, soit au moment de la saisie, soit dans les [1 quinze]1 jours de la signification du premier acte de saisie.
Sur le dépôt d'une copie du procès-verbal de saisie, effectué au greffe par l'huissier de justice ou par la partie la plus diligente, dans les [1 vingt-cinq]1 jours qui suivent la remise de la copie dudit procès-verbal ou, s'il échet, de la signification de la saisie au débiteur, le juge des saisies fixe jour et heure pour l'examen et le règlement des difficultés, le créancier et le débiteur préalablement entendus ou appelés. Le greffier convoque les parties et informe l'huissier de justice instrumentant.
La procédure ne peut être poursuivie si le dépôt de la copie du procès-verbal prévu à l'alinéa précédent n'a pas été effectué.
La demande est suspensive [1 de la suite de la procédure concernant les biens contestés]1 mais les biens demeurent frappés de saisie jusqu'à ce qu'il ait été statué.
Le juge des saisies statue toutes affaires cessantes, tant en présence qu'en l'absence des parties; son ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel; la procédure peut être reprise immédiatement.
Änderungen
Art.1409. <KB 2000-12-06/32, art. 1-3, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2001> (Zie NOTA'S onder ARTIKEL) § 1. Bedragen uitgekeerd ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst, een leerovereenkomst, een statuut, een abonnement, alsmede die welke worden uitgekeerd aan personen die tegen loon onder het gezag van een ander persoon arbeid verrichten buiten een arbeidsovereenkomst, [en het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving op de jaarlijkse vakantie] kunnen onbeperkt overgedragen of in beslag genomen worden voor het gedeelte van hun totaal bedrag boven [2 1.706 euro]2 per kalendermaand. <W 2005-12-27/31, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
Het gedeelte van die bedragen boven [2 1.414 euro]2 en tot ten hoogste [2 1.560 euro]2 per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan 30 % in totaal, het gedeelte boven [2 1.560 euro]2 en tot ten hoogste [2 1.706 euro]2 per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan 40 % in totaal; het gedeelte boven [2 1.316 euro]2 en tot ten hoogste [2 1.414 euro]2 per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan een vijfde in totaal.
Het gedeelte van genoemde bedragen dat [2 1.316 euro]2 per kalendermaand niet te boven gaat, is niet vatbaar voor overdracht of beslag.
[Wanneer personen die inkomsten genieten bedoeld in het eerste lid één of meer kinderen ten laste hebben, wordt het voor beslag of overdracht vatbare bedrag, binnen de grenzen ervan, verminderd met [2 81 euro]2 per kind ten laste.] De Koning bepaalt [bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad] wat moet verstaan worden onder kind ten laste. <W 2003-12-22/42, art. 377, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2004> <W 2006-07-20/39, art. 15, 1°, 056; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29>
[Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad eveneens de regels voor de bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31 december 2004, wettelijke bepalingen uitvaardigen en wijzigen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt, met uitsluiting van de aangelegenheden waarvoor de meerderheid voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de Grondwet wordt vereist. Vóór 1 januari 2005 dient de Koning bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die vóór 1 januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben geen uitwerking.] <W 2003-12-22/42, art. 377, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
§ 1bis. Inkomsten uit andere activiteiten dan deze bedoeld in § 1, kunnen onbeperkt overgedragen of in beslag genomen worden, voor het gedeelte van hun totaal bedrag boven [2 1.706 euro]2 per kalendermaand.
Het gedeelte van die bedragen boven [2 1.414 euro]2 en tot ten hoogste [2 1.706 euro]2 per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan twee vijfde in totaal; het gedeelte boven [2 1.316 euro]2 en tot ten hoogste [2 1.414 euro]2 per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan een vijfde in totaal.
Het gedeelte van die bedragen dat [2 1.316 euro]2 per kalendermaand niet te boven gaat, is niet vatbaar voor overdracht of beslag.
[Wanneer personen die inkomsten genieten bedoeld in het eerste lid één of meer kinderen ten laste hebben, wordt het voor beslag of overdracht vatbare bedrag, binnen de grenzen ervan, verminderd met [2 81 euro]2 per kind ten laste.] De Koning bepaalt [bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit] wat moet verstaan worden onder kind ten laste. <W 2003-12-22/42, art. 377, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2004> <W 2006-07-20/39, art. 15, 2°, 056; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29>
[Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad eveneens de regels voor de bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31 december 2004 wettelijke bepalingen uitvaardigen en wijzigen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt met uitsluiting van de aangelegenheden waarvoor de meerderheid voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de Grondwet wordt vereist. Voor 1 januari 2005 dient de Koning bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die voor 1 januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben geen uitwerking.] <W 2003-12-22/42, art. 377, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
[1 § 1ter . De maaltijdcheques bedoeld in artikel 19bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn niet vatbaar voor beslag of overdracht indien zij beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 19bis , § § 2 en 3, van hetzelfde koninklijk besluit.
Deze maaltijdcheques vallen niet onder de samenvoeging waarin artikel 1411 voorziet, noch behoren zij tot de uitzonderingen bepaald in artikel 1412.]1
§ 2. Elk jaar [2 en onverminderd de toepassing van paragraaf 3]2 past de Koning de in § 1 en § 1bis bepaalde bedragen aan, rekening houdend met [2 de afgevlakte gezondheidsindex]2 van de maand november van elk jaar.
Voor de bedragen vermeld in de eerste drie leden van § 1 en § 1bis is het aanvangsindexcijfer dat van de maand [2 november 2022]2. Voor het bedrag vermeld in het vierde lid van § 1 en § 1bis is het aanvangsindexcijfer [2 dat van de maand november 2022]2.
Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer brengt een verhoging of verlaging van de bedragen met zich mee, overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer. Het resultaat wordt afgerond tot het hogere honderdtal.
Het aldus aangepaste laatste bedrag mag evenwel nooit lager zijn dan het bedrag bepaald bij [2 artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, dat van kracht zal zijn op 1 januari van het jaar volgend op de aanpassing, afgerond tot het hogere honderdtal]2.
[2 Voor 31]2 december van elk jaar, worden de nieuwe bedragen bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Zij worden van kracht vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun aanpassing.
[2 § 2bis. De Koning verricht de in paragraaf 2 bedoelde aanpassing eveneens indien de stijging of daling van het indexcijfer in de loop van het jaar meer dan 5 % bedraagt ten opzichte van de laatste aanpassing.
De nieuwe bedragen worden bekendgemaakt binnen de maand die volgt op de verhoging of verlaging. Ze treden in werking vanaf de eerste dag van de maand na die waarin ze zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]2
§ 3. De Koning kan bovendien de in § 1 en § 1bis bepaalde bedragen [2 bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad]2 aanpassen, rekening houdend met de economische toestand.
[2 De nieuwe bedragen treden in werking vanaf de eerste dag van de maand na die waarin ze zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treden uit werking op de door de Koning bepaalde datum of, bij gebreke daarvan, op 31 december van het jaar van hun inwerkingtreding en uiterlijk één jaar na hun inwerkingtreding.
Tijdens de laatste maand waarin zij van kracht zijn, verricht de Koning de in paragraaf 2 of in deze paragraaf bedoelde aanpassing. Indien de aanpassing geschiedt op basis van paragraaf 2, houdt hij rekening met het indexcijfer van de maand die aan de aanpassing voorafgaat. De nieuwe bedragen treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op hun aanpassing.]2
Het gedeelte van die bedragen boven [2 1.414 euro]2 en tot ten hoogste [2 1.560 euro]2 per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan 30 % in totaal, het gedeelte boven [2 1.560 euro]2 en tot ten hoogste [2 1.706 euro]2 per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan 40 % in totaal; het gedeelte boven [2 1.316 euro]2 en tot ten hoogste [2 1.414 euro]2 per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan een vijfde in totaal.
Het gedeelte van genoemde bedragen dat [2 1.316 euro]2 per kalendermaand niet te boven gaat, is niet vatbaar voor overdracht of beslag.
[Wanneer personen die inkomsten genieten bedoeld in het eerste lid één of meer kinderen ten laste hebben, wordt het voor beslag of overdracht vatbare bedrag, binnen de grenzen ervan, verminderd met [2 81 euro]2 per kind ten laste.] De Koning bepaalt [bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad] wat moet verstaan worden onder kind ten laste. <W 2003-12-22/42, art. 377, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2004> <W 2006-07-20/39, art. 15, 1°, 056; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29>
[Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad eveneens de regels voor de bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31 december 2004, wettelijke bepalingen uitvaardigen en wijzigen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt, met uitsluiting van de aangelegenheden waarvoor de meerderheid voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de Grondwet wordt vereist. Vóór 1 januari 2005 dient de Koning bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die vóór 1 januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben geen uitwerking.] <W 2003-12-22/42, art. 377, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
§ 1bis. Inkomsten uit andere activiteiten dan deze bedoeld in § 1, kunnen onbeperkt overgedragen of in beslag genomen worden, voor het gedeelte van hun totaal bedrag boven [2 1.706 euro]2 per kalendermaand.
Het gedeelte van die bedragen boven [2 1.414 euro]2 en tot ten hoogste [2 1.706 euro]2 per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan twee vijfde in totaal; het gedeelte boven [2 1.316 euro]2 en tot ten hoogste [2 1.414 euro]2 per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan een vijfde in totaal.
Het gedeelte van die bedragen dat [2 1.316 euro]2 per kalendermaand niet te boven gaat, is niet vatbaar voor overdracht of beslag.
[Wanneer personen die inkomsten genieten bedoeld in het eerste lid één of meer kinderen ten laste hebben, wordt het voor beslag of overdracht vatbare bedrag, binnen de grenzen ervan, verminderd met [2 81 euro]2 per kind ten laste.] De Koning bepaalt [bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit] wat moet verstaan worden onder kind ten laste. <W 2003-12-22/42, art. 377, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2004> <W 2006-07-20/39, art. 15, 2°, 056; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29>
[Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad eveneens de regels voor de bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31 december 2004 wettelijke bepalingen uitvaardigen en wijzigen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt met uitsluiting van de aangelegenheden waarvoor de meerderheid voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de Grondwet wordt vereist. Voor 1 januari 2005 dient de Koning bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die voor 1 januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben geen uitwerking.] <W 2003-12-22/42, art. 377, 044; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
[1 § 1ter . De maaltijdcheques bedoeld in artikel 19bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn niet vatbaar voor beslag of overdracht indien zij beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 19bis , § § 2 en 3, van hetzelfde koninklijk besluit.
Deze maaltijdcheques vallen niet onder de samenvoeging waarin artikel 1411 voorziet, noch behoren zij tot de uitzonderingen bepaald in artikel 1412.]1
§ 2. Elk jaar [2 en onverminderd de toepassing van paragraaf 3]2 past de Koning de in § 1 en § 1bis bepaalde bedragen aan, rekening houdend met [2 de afgevlakte gezondheidsindex]2 van de maand november van elk jaar.
Voor de bedragen vermeld in de eerste drie leden van § 1 en § 1bis is het aanvangsindexcijfer dat van de maand [2 november 2022]2. Voor het bedrag vermeld in het vierde lid van § 1 en § 1bis is het aanvangsindexcijfer [2 dat van de maand november 2022]2.
Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer brengt een verhoging of verlaging van de bedragen met zich mee, overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer. Het resultaat wordt afgerond tot het hogere honderdtal.
Het aldus aangepaste laatste bedrag mag evenwel nooit lager zijn dan het bedrag bepaald bij [2 artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, dat van kracht zal zijn op 1 januari van het jaar volgend op de aanpassing, afgerond tot het hogere honderdtal]2.
[2 Voor 31]2 december van elk jaar, worden de nieuwe bedragen bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Zij worden van kracht vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun aanpassing.
[2 § 2bis. De Koning verricht de in paragraaf 2 bedoelde aanpassing eveneens indien de stijging of daling van het indexcijfer in de loop van het jaar meer dan 5 % bedraagt ten opzichte van de laatste aanpassing.
De nieuwe bedragen worden bekendgemaakt binnen de maand die volgt op de verhoging of verlaging. Ze treden in werking vanaf de eerste dag van de maand na die waarin ze zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]2
§ 3. De Koning kan bovendien de in § 1 en § 1bis bepaalde bedragen [2 bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad]2 aanpassen, rekening houdend met de economische toestand.
[2 De nieuwe bedragen treden in werking vanaf de eerste dag van de maand na die waarin ze zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treden uit werking op de door de Koning bepaalde datum of, bij gebreke daarvan, op 31 december van het jaar van hun inwerkingtreding en uiterlijk één jaar na hun inwerkingtreding.
Tijdens de laatste maand waarin zij van kracht zijn, verricht de Koning de in paragraaf 2 of in deze paragraaf bedoelde aanpassing. Indien de aanpassing geschiedt op basis van paragraaf 2, houdt hij rekening met het indexcijfer van de maand die aan de aanpassing voorafgaat. De nieuwe bedragen treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op hun aanpassing.]2
Art.1409. <AR 2000-12-06/32, art. 1 à 3, 036; En vigueur : 01-01-2001> (Voir NOTE sous l'ARTICLE) § 1er. Les sommes payées en exécution d'un contrat de louage de travail, d'un contrat d'apprentissage, d'un statut, d'un abonnement ainsi que celles qui sont payées aux personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de louage de travail, fournissent contre rémunération des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne, [ainsi que le pécule de vacances payé en vertu de la législation relative aux vacances annuelles,] peuvent être cédées ou saisies sans limitation pour la partie du montant total de ces sommes qui dépassent [2 1.706 euros]2 par mois civil. <L 2005-12-27/31, art. 2, 054; En vigueur : 09-01-2006>
La partie de ces sommes supérieure à [2 1.414 euros]2 et n'excédant pas [2 1.560 euros]2 par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de 30 % au total, la partie supérieure à [2 1.560 euros]2 et n'excédant pas [2 1.706 euros]2 par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de 40 % au total; la partie supérieure à [2 1.316 euros]2 et n'excédant pas [2 1.414 euros]2 par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus d'un cinquième au total.
La part de ces sommes qui ne dépasse pas [2 1.316 euros]2 par mois civil ne peut être cédée ni saisie.
[Lorsque des personnes bénéficiant de revenus visés à l'alinéa 1er ont un ou plusieurs enfants à charge, la quotité saisissable ou cessible est, dans les limites de celle-ci, diminuée de [2 81 euros]2 par enfant à charge]. Le Roi détermine [par un arrêté délibéré en Conseil des ministres] ce qu'il y a lieu d'entendre par enfant à charge. <L 2003-12-22/42, art. 377, 044; En vigueur : 10-01-2004> <L 2006-07-20/39, art. 15, 1°, 056; En vigueur : 30-01-2007; voir aussi L 2006-07-20/39, art. 29>
[Il détermine également, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les règles gouvernant la charge de la preuve, en ce compris la force probante et la durée de validité des preuves, ainsi que les règles de la procédure. A cette fin, Il peut, jusqu'au 31 décembre 2004, établir et modifier des dispositions légales, même dans les matières qui sont expressément réservées à la loi par la Constitution, à l'exception des matières pour lesquelles la majorité prescrite à l'article 4, alinéa 3, de la Constitution est exigée. Avant le 1er janvier 2005 le Roi introduit à la Chambre des représentants un projet de loi de ratification des arrêtés établis par application de cet alinéa qui établissent ou modifient des dispositions légales. Les arrêtés qui ne sont pas ratifiés avant le 1er janvier 2006 sont sans effet.] <L 2003-12-22/42, art. 377, 044; En vigueur : 10-01-2004>
§ 1erbis. Les revenus d'autres activités que celles visées au § 1, peuvent être cédés ou saisis sans limitation pour la partie du montant total de ces sommes qui dépassent [2 1.706 euros]2 par mois civil.
La partie de ces sommes supérieure à [2 1.414 euros]2 et n'excédant pas [2 1.706 euros]2 par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de deux cinquièmes au total; la partie supérieure à [2 1.316 euros]2 et n'excédant pas [2 1.414 euros]2 par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus d'un cinquième au total.
La partie de ces sommes qui ne dépasse pas [2 1.316 euros]2 par mois civil ne peut être cédée ni saisie.
[Lorsque des personnes bénéficiant de revenus visés à l'alinéa 1er ont un ou plusieurs enfants à charge, la quotité saisissable ou cessible est, dans les limites de celle-ci, diminuée de [2 81 euros]2 par enfant à charge.] Le Roi détermine [par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres] ce qu'il y a lieu d'entendre par enfant à charge. <L 2003-12-22/42, art. 377, 044; En vigueur : 10-01-2004> <L 2006-07-20/39, art. 15, 2°, 056; En vigueur : 30-01-2007; voir aussi L 2006-07-20/39, art. 29>
[Il détermine également, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres les règles gouvernant la charge de la preuve, en ce compris la force probante et la durée de validité des preuves, ainsi que les règles de la procédure. A cette fin, Il peut, jusqu'au 31 décembre 2004, établir et modifier des dispositions légales, même dans les matières qui sont expressément réservées à la loi par la Constitution à l'exception des matières pour lesquels la majorité prescrite à l'article 4, alinéa 3, de la Constitution est exigée. Avant le 1er janvier 2005 le Roi introduit à la Chambre des représentants un projet de loi de ratification des arrêtés établis par application de cet alinéa qui établissent ou modifient des dispositions légales. Les arrêtés qui ne sont pas ratifiés avant le 1er janvier 2006 sont sans effet.] <L 2003-12-22/42, art. 377, 044; En vigueur : 10-01-2004>
[1 § 1erter. Les titres-repas visés à l'article 19bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ne peuvent pas être saisis ou cédés s'ils satisfont aux conditions de l'article 19bis , § § 2 et 3, du même arrêté.
Ces titres-repas ne tombent pas sous les cumuls prévus par l'article 1411, et n'appartiennent pas non plus aux exceptions prévues à l'article 1412.]1
§ 2. Chaque année, [2 et sans préjudice de l'application du paragraphe 3,]2 le Roi adapte les montants fixés aux § 1er et § 1erbis compte tenu de l'indice [2 santé lissé]2 du mois de novembre de chaque année.
L'indice de départ pour les montants visés aux trois premiers alinéas des § 1 et § 1bis est celui du mois [2 de novembre 2022]2. L'indice de départ pour le montant visé à l'alinéa 4 des § 1 et § 1bis est celui du mois [2 de novembre 2022]2.
Chaque augmentation ou diminution de l'indice entraîne une augmentation ou une diminution des montants, conformément à la formule suivante : le nouveau montant est egal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divise par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à la centaine supérieure.
Le montant minimal ainsi adapté ne peut jamais être inférieur au montant déterminé à [2 l'article 14, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, en vigueur au 1er janvier de l'année suivant celle de l'adaptation, arrondi au centième supérieur]2.
[2 Avant le 31]2 décembre de chaque année, les nouveaux montants sont publiés au Moniteur belge. Ils entrent en vigueur le 1er janvier de l'année suivant celle de leur adaptation.
[2 § 2bis. Le Roi procède également à l'adaptation prévue au paragraphe 2 si en cours d'année l'augmentation ou la diminution de l'indice dépasse 5 % par rapport à la dernière adaptation.
Les nouveaux montants sont publiés au cours du mois qui suit l'augmentation ou la diminution. Ils entrent en vigueur le premier jour du mois qui suit celui de leur publication au Moniteur belge.]2
§ 3. Le Roi peut, en outre, adapter les montants prévus aux § 1er et § 1erbis, [2 par arrêté délibéré en Conseil des ministres]2, en tenant compte de la situation économique.
[2 Les nouveaux montants entrent en vigueur le premier jour du mois qui suit celui de leur publication au Moniteur belge. Ils cessent d'être en vigueur à la date prévue par le Roi ou, à défaut, le 31 décembre de l'année de leur entrée en vigueur et au plus tard un an à compter de leur entrée en vigueur.
Au cours du dernier mois durant lequel ils sont en vigueur, le Roi procède à l'adaptation prévue au paragraphe 2 ou au présent paragraphe. Si l'adaptation a lieu sur la base du paragraphe 2, il prend en compte l'indice du mois qui précède l'adaptation. Les nouveaux montants entrent en vigueur le premier jour du mois qui suit leur adaptation.]2
La partie de ces sommes supérieure à [2 1.414 euros]2 et n'excédant pas [2 1.560 euros]2 par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de 30 % au total, la partie supérieure à [2 1.560 euros]2 et n'excédant pas [2 1.706 euros]2 par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de 40 % au total; la partie supérieure à [2 1.316 euros]2 et n'excédant pas [2 1.414 euros]2 par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus d'un cinquième au total.
La part de ces sommes qui ne dépasse pas [2 1.316 euros]2 par mois civil ne peut être cédée ni saisie.
[Lorsque des personnes bénéficiant de revenus visés à l'alinéa 1er ont un ou plusieurs enfants à charge, la quotité saisissable ou cessible est, dans les limites de celle-ci, diminuée de [2 81 euros]2 par enfant à charge]. Le Roi détermine [par un arrêté délibéré en Conseil des ministres] ce qu'il y a lieu d'entendre par enfant à charge. <L 2003-12-22/42, art. 377, 044; En vigueur : 10-01-2004> <L 2006-07-20/39, art. 15, 1°, 056; En vigueur : 30-01-2007; voir aussi L 2006-07-20/39, art. 29>
[Il détermine également, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les règles gouvernant la charge de la preuve, en ce compris la force probante et la durée de validité des preuves, ainsi que les règles de la procédure. A cette fin, Il peut, jusqu'au 31 décembre 2004, établir et modifier des dispositions légales, même dans les matières qui sont expressément réservées à la loi par la Constitution, à l'exception des matières pour lesquelles la majorité prescrite à l'article 4, alinéa 3, de la Constitution est exigée. Avant le 1er janvier 2005 le Roi introduit à la Chambre des représentants un projet de loi de ratification des arrêtés établis par application de cet alinéa qui établissent ou modifient des dispositions légales. Les arrêtés qui ne sont pas ratifiés avant le 1er janvier 2006 sont sans effet.] <L 2003-12-22/42, art. 377, 044; En vigueur : 10-01-2004>
§ 1erbis. Les revenus d'autres activités que celles visées au § 1, peuvent être cédés ou saisis sans limitation pour la partie du montant total de ces sommes qui dépassent [2 1.706 euros]2 par mois civil.
La partie de ces sommes supérieure à [2 1.414 euros]2 et n'excédant pas [2 1.706 euros]2 par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de deux cinquièmes au total; la partie supérieure à [2 1.316 euros]2 et n'excédant pas [2 1.414 euros]2 par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus d'un cinquième au total.
La partie de ces sommes qui ne dépasse pas [2 1.316 euros]2 par mois civil ne peut être cédée ni saisie.
[Lorsque des personnes bénéficiant de revenus visés à l'alinéa 1er ont un ou plusieurs enfants à charge, la quotité saisissable ou cessible est, dans les limites de celle-ci, diminuée de [2 81 euros]2 par enfant à charge.] Le Roi détermine [par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres] ce qu'il y a lieu d'entendre par enfant à charge. <L 2003-12-22/42, art. 377, 044; En vigueur : 10-01-2004> <L 2006-07-20/39, art. 15, 2°, 056; En vigueur : 30-01-2007; voir aussi L 2006-07-20/39, art. 29>
[Il détermine également, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres les règles gouvernant la charge de la preuve, en ce compris la force probante et la durée de validité des preuves, ainsi que les règles de la procédure. A cette fin, Il peut, jusqu'au 31 décembre 2004, établir et modifier des dispositions légales, même dans les matières qui sont expressément réservées à la loi par la Constitution à l'exception des matières pour lesquels la majorité prescrite à l'article 4, alinéa 3, de la Constitution est exigée. Avant le 1er janvier 2005 le Roi introduit à la Chambre des représentants un projet de loi de ratification des arrêtés établis par application de cet alinéa qui établissent ou modifient des dispositions légales. Les arrêtés qui ne sont pas ratifiés avant le 1er janvier 2006 sont sans effet.] <L 2003-12-22/42, art. 377, 044; En vigueur : 10-01-2004>
[1 § 1erter. Les titres-repas visés à l'article 19bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ne peuvent pas être saisis ou cédés s'ils satisfont aux conditions de l'article 19bis , § § 2 et 3, du même arrêté.
Ces titres-repas ne tombent pas sous les cumuls prévus par l'article 1411, et n'appartiennent pas non plus aux exceptions prévues à l'article 1412.]1
§ 2. Chaque année, [2 et sans préjudice de l'application du paragraphe 3,]2 le Roi adapte les montants fixés aux § 1er et § 1erbis compte tenu de l'indice [2 santé lissé]2 du mois de novembre de chaque année.
L'indice de départ pour les montants visés aux trois premiers alinéas des § 1 et § 1bis est celui du mois [2 de novembre 2022]2. L'indice de départ pour le montant visé à l'alinéa 4 des § 1 et § 1bis est celui du mois [2 de novembre 2022]2.
Chaque augmentation ou diminution de l'indice entraîne une augmentation ou une diminution des montants, conformément à la formule suivante : le nouveau montant est egal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divise par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à la centaine supérieure.
Le montant minimal ainsi adapté ne peut jamais être inférieur au montant déterminé à [2 l'article 14, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, en vigueur au 1er janvier de l'année suivant celle de l'adaptation, arrondi au centième supérieur]2.
[2 Avant le 31]2 décembre de chaque année, les nouveaux montants sont publiés au Moniteur belge. Ils entrent en vigueur le 1er janvier de l'année suivant celle de leur adaptation.
[2 § 2bis. Le Roi procède également à l'adaptation prévue au paragraphe 2 si en cours d'année l'augmentation ou la diminution de l'indice dépasse 5 % par rapport à la dernière adaptation.
Les nouveaux montants sont publiés au cours du mois qui suit l'augmentation ou la diminution. Ils entrent en vigueur le premier jour du mois qui suit celui de leur publication au Moniteur belge.]2
§ 3. Le Roi peut, en outre, adapter les montants prévus aux § 1er et § 1erbis, [2 par arrêté délibéré en Conseil des ministres]2, en tenant compte de la situation économique.
[2 Les nouveaux montants entrent en vigueur le premier jour du mois qui suit celui de leur publication au Moniteur belge. Ils cessent d'être en vigueur à la date prévue par le Roi ou, à défaut, le 31 décembre de l'année de leur entrée en vigueur et au plus tard un an à compter de leur entrée en vigueur.
Au cours du dernier mois durant lequel ils sont en vigueur, le Roi procède à l'adaptation prévue au paragraphe 2 ou au présent paragraphe. Si l'adaptation a lieu sur la base du paragraphe 2, il prend en compte l'indice du mois qui précède l'adaptation. Les nouveaux montants entrent en vigueur le premier jour du mois qui suit leur adaptation.]2
(NOTA 1 : Aanpassing der bedragen.
Voor de aanpassingen van de bedragen 27 000 F, 29 000 F en 35 000 F vóór 01-01-2001, zie gearchiveerde versie 035. Het bedrag 32.000 F werd niet vóór 01-01-2001 aangepast ; zie B.S. 20-10-2000, p. 35374.
De bedragen 27.000 F, 29.000 F, 32.000 F, 35.000 F en 2.000 F worden respetievelijk
vanaf 01-01-2001 : 33.400 F = 827,96 EUR, 35.800 F = 887,46 EUR, 39.500 F = 979,18 EUR, 43.200 F = 1070,90 EUR en 2.100 F = 52,06 EUR; KB 2000-12-06/32, art. 1-3; Inwerkingtreding : 01-01-2001; VARIA 2000-12-16/31, art. M.
Andere aanpassingen van bedragen vermeld in artikel 1409 :
<2001-12-07/31, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
<2002-12-10/33, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
<2003-12-04/30, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
<2004-12-09/30, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
<2005-12-07/32, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
<2006-12-05/31, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
<KB 2007-12-11/30, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
<KB 2008-12-08/30, art. 1 tot 3, Inwerkingtreding : 01-01-2009>
<KB 2009-12-03/14, art. 1 tot 3, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
<KB 2010-12-08/02, art. 1 et 2; Inwerkingtreding : 01-01-2011>
<KB 2011-12-12/07, art. 1, 2 en 3, 073; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
<KB 2012-12-13/01, art. 1, 2 en 3, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
<KB 2013-12-15/28, art. 1 en 2, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2014> )
<KB 2015-12-14/03, art. 1 en 2, 092; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
<KB 2016-12-11/02, art. 1, 2 en 3, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
<KB 2017-12-17/14, art. 1-3, 101; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
<KB 2018-12-16/06, art. 1-3, 111; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
<KB 2019-12-09/04, art. 1-3, 121; Inwerkingtreding : 01-01-2020>
<W 2020-12-20/02, art. 6, 124; Inwerkingtreding : 24-12-2020; Opheffing : 31-03-2021>
<KB 2021-12-17/06, art. 1-3, 127; Inwerkingtreding : 03-01-2022>
<KB 2023-12-12/05, art. 1, 136; Inwerkingtreding : 28-12-2023>
<KB 2024-12-05/09, art. 1, 140; Inwerkingtreding : 23-12-2024>
Voor de aanpassingen van de bedragen 27 000 F, 29 000 F en 35 000 F vóór 01-01-2001, zie gearchiveerde versie 035. Het bedrag 32.000 F werd niet vóór 01-01-2001 aangepast ; zie B.S. 20-10-2000, p. 35374.
De bedragen 27.000 F, 29.000 F, 32.000 F, 35.000 F en 2.000 F worden respetievelijk
vanaf 01-01-2001 : 33.400 F = 827,96 EUR, 35.800 F = 887,46 EUR, 39.500 F = 979,18 EUR, 43.200 F = 1070,90 EUR en 2.100 F = 52,06 EUR; KB 2000-12-06/32, art. 1-3; Inwerkingtreding : 01-01-2001; VARIA 2000-12-16/31, art. M.
Andere aanpassingen van bedragen vermeld in artikel 1409 :
<2001-12-07/31, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
<2002-12-10/33, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
<2003-12-04/30, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
<2004-12-09/30, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
<2005-12-07/32, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
<2006-12-05/31, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
<KB 2007-12-11/30, art. 1 tot 3; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
<KB 2008-12-08/30, art. 1 tot 3, Inwerkingtreding : 01-01-2009>
<KB 2009-12-03/14, art. 1 tot 3, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
<KB 2010-12-08/02, art. 1 et 2; Inwerkingtreding : 01-01-2011>
<KB 2011-12-12/07, art. 1, 2 en 3, 073; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
<KB 2012-12-13/01, art. 1, 2 en 3, 075; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
<KB 2013-12-15/28, art. 1 en 2, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2014> )
<KB 2015-12-14/03, art. 1 en 2, 092; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
<KB 2016-12-11/02, art. 1, 2 en 3, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
<KB 2017-12-17/14, art. 1-3, 101; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
<KB 2018-12-16/06, art. 1-3, 111; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
<KB 2019-12-09/04, art. 1-3, 121; Inwerkingtreding : 01-01-2020>
<W 2020-12-20/02, art. 6, 124; Inwerkingtreding : 24-12-2020; Opheffing : 31-03-2021>
<KB 2021-12-17/06, art. 1-3, 127; Inwerkingtreding : 03-01-2022>
<KB 2023-12-12/05, art. 1, 136; Inwerkingtreding : 28-12-2023>
<KB 2024-12-05/09, art. 1, 140; Inwerkingtreding : 23-12-2024>
(NOTE : Adaptation des montants.
Pour les adaptations des montants 27 000 F, 29 000 F et 35 000 F pour les années antérieures à 2001, voir version archivée 035.
Le montant de 32 000 F n'a pas été adapté pour les années antérieures à 2001; voir Avis dans le Moniteur Belge du 20 octobre 2000, p. 35374.
Les montants de 27.000 F, 29.000 F, 32.000 F, 35.000 F et 2.000 F ont été portés respectivement à : 33.400 F = 827,96 EUR, 35.800 F = 887,46 EUR, 39.500 F = 979,18 EUR, 43.200 F = 1070,90 EUR et 2.100 F = 52,06 EUR pour 2001; AR 2000-12-06/32, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2001; DIVERS 2000-12-16/31, art. M. pour la conversion en EURO.
Autres adaptations de montants mentionnés à l'article 1409 :
<AR 2001-12-07/31, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2002>
<AR 2002-12-10/33, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2003>
<AR 2003-12-04/30, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2004>
<AR 2004-12-09/30, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2005>
<AR 2005-12-07/32, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2006>
<AR 2006-12-05/31, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2007>
<AR 2007-12-11/30, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2008>
<AR 2008-12-08/30, art. 1 à 3, En vigueur : 01-01-2009>
<AR 2009-12-03/14, art. 1 à 3, 067; En vigueur : 01-01-2010>
<AR 2010-12-08/02, art. 1 et 2; En vigueur : 01-01-2011>
<AR 2011-12-12/07, art. 1, 2 et 3, 073; En vigueur : 01-01-2012>
<AR 2012-12-13/01, art. 1, 2 et 3, 075; En vigueur : 01-01-2013>
<AR 2013-12-15/28, art. 1 et 2, 078; En vigueur : 01-01-2014>)
<AR 2015-12-14/03, art. 1 et 2, 092; En vigueur : 01-01-2016>
<AR 2016-12-11/02, art. 1, 2 et 3, 098; En vigueur : 01-01-2017>
<AR 2017-12-17/14, art. 1-3, 101; En vigueur : 01-01-2018>
<AR 2018-12-16/06, art. 1-3, 111; En vigueur : 01-01-2019>
<AR 2019-12-09/04, art. 1-3, 121; En vigueur : 01-01-2020>
<L 2020-12-20/02, art. 6, 124; En vigueur : 24-12-2020; Abrogé : 31-03-2021>
<AR 2021-12-17/06, art. 1-3, 127; En vigueur : 03-01-2022>
<AR 2023-12-12/05, art. 1-2, 136; En vigueur : 28-12-2023>
<AR 2024-12-05/09, art. 1, 140; En vigueur : 23-12-2024>
Pour les adaptations des montants 27 000 F, 29 000 F et 35 000 F pour les années antérieures à 2001, voir version archivée 035.
Le montant de 32 000 F n'a pas été adapté pour les années antérieures à 2001; voir Avis dans le Moniteur Belge du 20 octobre 2000, p. 35374.
Les montants de 27.000 F, 29.000 F, 32.000 F, 35.000 F et 2.000 F ont été portés respectivement à : 33.400 F = 827,96 EUR, 35.800 F = 887,46 EUR, 39.500 F = 979,18 EUR, 43.200 F = 1070,90 EUR et 2.100 F = 52,06 EUR pour 2001; AR 2000-12-06/32, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2001; DIVERS 2000-12-16/31, art. M. pour la conversion en EURO.
Autres adaptations de montants mentionnés à l'article 1409 :
<AR 2001-12-07/31, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2002>
<AR 2002-12-10/33, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2003>
<AR 2003-12-04/30, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2004>
<AR 2004-12-09/30, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2005>
<AR 2005-12-07/32, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2006>
<AR 2006-12-05/31, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2007>
<AR 2007-12-11/30, art. 1 à 3; En vigueur : 01-01-2008>
<AR 2008-12-08/30, art. 1 à 3, En vigueur : 01-01-2009>
<AR 2009-12-03/14, art. 1 à 3, 067; En vigueur : 01-01-2010>
<AR 2010-12-08/02, art. 1 et 2; En vigueur : 01-01-2011>
<AR 2011-12-12/07, art. 1, 2 et 3, 073; En vigueur : 01-01-2012>
<AR 2012-12-13/01, art. 1, 2 et 3, 075; En vigueur : 01-01-2013>
<AR 2013-12-15/28, art. 1 et 2, 078; En vigueur : 01-01-2014>)
<AR 2015-12-14/03, art. 1 et 2, 092; En vigueur : 01-01-2016>
<AR 2016-12-11/02, art. 1, 2 et 3, 098; En vigueur : 01-01-2017>
<AR 2017-12-17/14, art. 1-3, 101; En vigueur : 01-01-2018>
<AR 2018-12-16/06, art. 1-3, 111; En vigueur : 01-01-2019>
<AR 2019-12-09/04, art. 1-3, 121; En vigueur : 01-01-2020>
<L 2020-12-20/02, art. 6, 124; En vigueur : 24-12-2020; Abrogé : 31-03-2021>
<AR 2021-12-17/06, art. 1-3, 127; En vigueur : 03-01-2022>
<AR 2023-12-12/05, art. 1-2, 136; En vigueur : 28-12-2023>
<AR 2024-12-05/09, art. 1, 140; En vigueur : 23-12-2024>
Art. 1409bis. <INGEVOEGD bij W 1993-01-14/34, art. 8, Inwerkingtreding : 1993-03-02> De schuldenaar die niet beschikt over inkomsten als bedoeld in artikel 1409, kan voor hem en zijn gezin de noodzakelijke inkomsten behouden welke berekend worden overeenkomstig de artikelen 1409 (, § 1,) en 1411. <W 2000-03-24/50, art. 3, 034; Inwerkingtreding : 14-05-2000>
Iedere aanspraak van de schuldenaar, steunend op het eerste lid, wordt aan de beslagrechter voorgelegd overeenkomstig artikel 1408, § 3. Deze kan de duur beperken tijdens welke deze inkomsten van de schuldenaar niet voor beslag vatbaar zijn.
Iedere aanspraak van de schuldenaar, steunend op het eerste lid, wordt aan de beslagrechter voorgelegd overeenkomstig artikel 1408, § 3. Deze kan de duur beperken tijdens welke deze inkomsten van de schuldenaar niet voor beslag vatbaar zijn.
Art. 1409bis. Le débiteur qui ne dispose pas de revenus visés à l'article 1409 peut conserver pour lui et sa famille les revenus nécessaires calculés conformément aux articles 1409 (, § 1er,) et 1411. <L 2000-03-24/50, art. 3, 034; En vigueur : 14-05-2000>
Toute prétention du débiteur fondée sur l'alinéa 1er est soumise au juge des saisies conformément à l'article 1408, § 3. Celui-ci peut limiter la durée pendant laquelle le débiteur bénéfice de cette insaisissabilité.
Toute prétention du débiteur fondée sur l'alinéa 1er est soumise au juge des saisies conformément à l'article 1408, § 3. Celui-ci peut limiter la durée pendant laquelle le débiteur bénéfice de cette insaisissabilité.
Art. 1409ter. <W 2006-07-20/39, art. 16, 056; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29> § 1. De beslagen schuldenaar die aanspraak kan maken op een verhoging van zijn inkomsten die niet vatbaar zijn voor beslag met toepassing van artikel 1409, § 1, vierde lid, of 1409, § 1bis, vierde lid, doet hiervan aangifte, afgegeven tegen ontvangstbewijs respectievelijk aan de derde-beslagene en, in afschrift, aan de beslaglegger of verzonden aan dezen bij aangetekende brief, door middel van een formulier waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie.
Per procedure is evenwel één enkele verklaring van kind ten laste vereist, ongeacht het aantal erbij betrokken schuldeisers in elk stadium ervan.
§ 2. De verklaring zal rechtskracht hebben vanaf de maand volgend op de ontvangst ervan door de derde-beslagene voor zover deze beschikt over een termijn van tien werkdagen vóór de gewone datum van de betaling, de hoedanigheid van kind ten laste wordt vastgesteld overeenkomstig het formulier en één van de bewijsmiddelen bedoeld in artikel 1409quater en de beslagen schuldenaar op erewoord verklaart dat het kind niet beschikt over inkomsten waarvan het bedrag hoger is dan door de Koning bepaald of dat zijn inkomsten het voorwerp zijn geweest van een gemeenschappelijke belastingsaangifte.
§ 3. Iedere betwisting wordt door de beslaglegger of de beslagen schuldenaar aan de beslagrechter voorgelegd door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden. De beslaglegger en de beslagen schuldenaar worden bij gerechtsbrief opgeroepen voor de voor de rechter vastgestelde zitting.
De derde-beslagene wordt, bij gerechtsbrief, in kennis gesteld van het tussengeschil en is verplicht om, vanaf de volgende vervaldag van de betaling, het bedrag van de toegepaste vermeerdering die aanleiding geeft tot betwisting in zijn handen onbeschikbaar te maken.
Onverminderd een overeenkomst tussen de beslagen schuldenaar en de beslaglegger loopt het gevolg van de onbeschikbaarheid verder tot de kennisgeving van de beschikking over de betwisting.
De rechter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Zij wordt onmiddellijk bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de beslaglegger, van de beslagen schuldenaar en van de derde-beslagene.
Indien de vermeerdering niet werd toegepast door de derde-beslagene, zal de beschikking die de hoedanigheid van kind ten laste erkent rechtskracht hebben vanaf de maand volgend op de ontvangst ervan door deze voor zover hij beschikt over een termijn van tien werkdagen vóor de gewone datum van de betaling.
Indien de vermeerdering werd toegepast door de derde-beslagene en in overeenstemming met het tweede lid in zijn handen onbeschikbaar werd gemaakt, wordt het bedrag van de onbeschikbaar geworden vermeerdering al naargelang het geval gestort aan de beslagen schuldenaar of aan de beslaglegger.
In geval van een invorderingsprocedure waarbij vanaf de aanvang of in de loop van de procedure meerdere schuldeisers betrokken zijn, wordt de beschikking geacht ten aanzien van alle schuldeisers op tegenspraak te zijn gewezen.
§ 4. In geval van veranderende omstandigheden wordt de vermeerdering voor kind ten laste aangepast overeenkomstig de paragrafen 2 en 3.
Indien de beslagen schuldenaar onrechtmatig en ten onrechte de vermeerdering geniet, worden de bedragen die daarmee overeenstemmen, op grond van een beschikking gewezen overeenkomstig paragraaf 3, zonder enige beperking gereïntegreerd in het voor beslag vatbare bedrag, onverminderd de toepassing van enige andere invorderingsmaatregel.
Per procedure is evenwel één enkele verklaring van kind ten laste vereist, ongeacht het aantal erbij betrokken schuldeisers in elk stadium ervan.
§ 2. De verklaring zal rechtskracht hebben vanaf de maand volgend op de ontvangst ervan door de derde-beslagene voor zover deze beschikt over een termijn van tien werkdagen vóór de gewone datum van de betaling, de hoedanigheid van kind ten laste wordt vastgesteld overeenkomstig het formulier en één van de bewijsmiddelen bedoeld in artikel 1409quater en de beslagen schuldenaar op erewoord verklaart dat het kind niet beschikt over inkomsten waarvan het bedrag hoger is dan door de Koning bepaald of dat zijn inkomsten het voorwerp zijn geweest van een gemeenschappelijke belastingsaangifte.
§ 3. Iedere betwisting wordt door de beslaglegger of de beslagen schuldenaar aan de beslagrechter voorgelegd door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden. De beslaglegger en de beslagen schuldenaar worden bij gerechtsbrief opgeroepen voor de voor de rechter vastgestelde zitting.
De derde-beslagene wordt, bij gerechtsbrief, in kennis gesteld van het tussengeschil en is verplicht om, vanaf de volgende vervaldag van de betaling, het bedrag van de toegepaste vermeerdering die aanleiding geeft tot betwisting in zijn handen onbeschikbaar te maken.
Onverminderd een overeenkomst tussen de beslagen schuldenaar en de beslaglegger loopt het gevolg van de onbeschikbaarheid verder tot de kennisgeving van de beschikking over de betwisting.
De rechter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Zij wordt onmiddellijk bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de beslaglegger, van de beslagen schuldenaar en van de derde-beslagene.
Indien de vermeerdering niet werd toegepast door de derde-beslagene, zal de beschikking die de hoedanigheid van kind ten laste erkent rechtskracht hebben vanaf de maand volgend op de ontvangst ervan door deze voor zover hij beschikt over een termijn van tien werkdagen vóor de gewone datum van de betaling.
Indien de vermeerdering werd toegepast door de derde-beslagene en in overeenstemming met het tweede lid in zijn handen onbeschikbaar werd gemaakt, wordt het bedrag van de onbeschikbaar geworden vermeerdering al naargelang het geval gestort aan de beslagen schuldenaar of aan de beslaglegger.
In geval van een invorderingsprocedure waarbij vanaf de aanvang of in de loop van de procedure meerdere schuldeisers betrokken zijn, wordt de beschikking geacht ten aanzien van alle schuldeisers op tegenspraak te zijn gewezen.
§ 4. In geval van veranderende omstandigheden wordt de vermeerdering voor kind ten laste aangepast overeenkomstig de paragrafen 2 en 3.
Indien de beslagen schuldenaar onrechtmatig en ten onrechte de vermeerdering geniet, worden de bedragen die daarmee overeenstemmen, op grond van een beschikking gewezen overeenkomstig paragraaf 3, zonder enige beperking gereïntegreerd in het voor beslag vatbare bedrag, onverminderd de toepassing van enige andere invorderingsmaatregel.
Art. 1409ter. <L 2006-07-20/39, art. 16, 056; En vigueur : 30-01-2007; voir aussi L 2006-07-20/39, art. 29> § 1er. Le débiteur saisi qui peut prétendre à la majoration de ses revenus insaisissables en application de l'article 1409, § 1er, alinéa 4, ou de l'article 1409, § 1erbis, alinéa 4, en fait la déclaration, remise contre récépissé respectivement au tiers saisi et, en copie, au saisissant ou adressée à ceux-ci par lettre recommandée, en utilisant le formulaire dont le modèle est arrête par le ministre de la Justice.
Toutefois, une seule déclaration d'enfant à charge est requise par procédure, quel que soit le nombre de créanciers y associés à tout stade de celle-ci.
§ 2. La déclaration porte effet dès le mois suivant sa réception par le tiers saisi pour autant que celui-ci dispose d'un délai de dix jours ouvrables avant la date habituelle du paiement, que la qualité d'enfant à charge soit établie conformément au formulaire et à un des modes de preuve prévus à l'article 1409quater et que le débiteur saisi déclare sur l'honneur que l'enfant ne dispose pas de revenus d'un montant supérieur à celui déterminé par le Roi ou que ses revenus ont fait l'objet d'une déclaration fiscale commune.
§ 3. Toute contestation est soumise par le saisissant ou le débiteur saisi au juge des saisies par simple déclaration écrite déposée ou adressée au greffe. Le saisissant et le débiteur saisi sont convoqués par pli judiciaire à l'audience fixée devant le juge.
Le tiers saisi est informé, par pli judiciaire, de l'incident avec obligation pour lui, dès l'échéance suivante de paiement, de rendre indisponible entre ses mains le montant de la majoration appliquée et donnant lieu à contestation.
Sans préjudice d'un accord entre le débiteur saisi et le saisissant, cet effet d'indisponibilité se prolonge jusqu'à la notification de décision sur la contestation.
Le juge statue toutes affaires cessantes. La décision n'est pas susceptible d'opposition ou d'appel. Elle est immédiatement notifiée par pli judiciaire au saisissant, au débiteur saisi et au tiers saisi.
Si la majoration n'a pas été appliquée par le tiers saisi, la décision qui reconnaît la qualité d'enfant à charge porte effet dès le mois suivant sa réception pour autant que le tiers saisi dispose d'un délai de dix jours ouvrables avant la date habituelle du paiement.
Si la majoration a été appliquée par le tiers-saisi et rendue indisponible entre ses mains conformément à l'alinéa 2, le montant de la majoration rendu indisponible est versé selon le cas au débiteur-saisi ou au saisissant.
En cas de procédure de recouvrement à laquelle sont associés dès l'origine ou en cours de procédure plusieurs créanciers, la décision est réputée contradictoire à l'égard de tous les créanciers.
§ 4. En cas de changement de circonstance, la majoration pour enfant à charge est adaptée conformément aux paragraphes 2 et 3.
Si le débiteur saisi a bénéficié fautivement et indûment de la majoration, les montants qui y correspondent sont, sur la base d'une décision rendue conformément au paragraphe 3, réintégrés, sans aucune limitation, dans la quotité saisissable, sans préjudice de la mise en oeuvre de toute autre mesure de recouvrement.
Toutefois, une seule déclaration d'enfant à charge est requise par procédure, quel que soit le nombre de créanciers y associés à tout stade de celle-ci.
§ 2. La déclaration porte effet dès le mois suivant sa réception par le tiers saisi pour autant que celui-ci dispose d'un délai de dix jours ouvrables avant la date habituelle du paiement, que la qualité d'enfant à charge soit établie conformément au formulaire et à un des modes de preuve prévus à l'article 1409quater et que le débiteur saisi déclare sur l'honneur que l'enfant ne dispose pas de revenus d'un montant supérieur à celui déterminé par le Roi ou que ses revenus ont fait l'objet d'une déclaration fiscale commune.
§ 3. Toute contestation est soumise par le saisissant ou le débiteur saisi au juge des saisies par simple déclaration écrite déposée ou adressée au greffe. Le saisissant et le débiteur saisi sont convoqués par pli judiciaire à l'audience fixée devant le juge.
Le tiers saisi est informé, par pli judiciaire, de l'incident avec obligation pour lui, dès l'échéance suivante de paiement, de rendre indisponible entre ses mains le montant de la majoration appliquée et donnant lieu à contestation.
Sans préjudice d'un accord entre le débiteur saisi et le saisissant, cet effet d'indisponibilité se prolonge jusqu'à la notification de décision sur la contestation.
Le juge statue toutes affaires cessantes. La décision n'est pas susceptible d'opposition ou d'appel. Elle est immédiatement notifiée par pli judiciaire au saisissant, au débiteur saisi et au tiers saisi.
Si la majoration n'a pas été appliquée par le tiers saisi, la décision qui reconnaît la qualité d'enfant à charge porte effet dès le mois suivant sa réception pour autant que le tiers saisi dispose d'un délai de dix jours ouvrables avant la date habituelle du paiement.
Si la majoration a été appliquée par le tiers-saisi et rendue indisponible entre ses mains conformément à l'alinéa 2, le montant de la majoration rendu indisponible est versé selon le cas au débiteur-saisi ou au saisissant.
En cas de procédure de recouvrement à laquelle sont associés dès l'origine ou en cours de procédure plusieurs créanciers, la décision est réputée contradictoire à l'égard de tous les créanciers.
§ 4. En cas de changement de circonstance, la majoration pour enfant à charge est adaptée conformément aux paragraphes 2 et 3.
Si le débiteur saisi a bénéficié fautivement et indûment de la majoration, les montants qui y correspondent sont, sur la base d'une décision rendue conformément au paragraphe 3, réintégrés, sans aucune limitation, dans la quotité saisissable, sans préjudice de la mise en oeuvre de toute autre mesure de recouvrement.
Art. 1409quater. <INGEVOEGD bij KB 2004-12-27/41, art. 2; Inwerkingtreding : 30-01-2007> Onverminderd andere mogelijks in te roepen bewijsmiddelen wordt de hoedanigheid van kind ten laste aangetoond ten genoege van recht op een of meer van de volgende wijzen :
een verklaring afgeleverd door een verzekeringsinstelling in het kader van de ziektekostenverzekering, waarin bepaald wordt dat het kind ten laste is van de titularis van de beslagen of overgedragen inkomsten, in de zin van de wetgeving inzake de ziektekostenverzekering;
het attest van gezinssamenstelling die de verblijfplaats van het kind vaststelt op de woonplaats van de genieter van de beslagen of overgedragen inkomsten;
de gerechtelijke beslissing of de overeenkomst die de gedeelde materiële bewaring vastelt, alsook een verklaring op erewoord dat de gerechtelijke beslissing of de overeenkomst wordt nagekomen;
de rekeninguittreksels die een geregelde storting aantonen van een bijdrage in het onderhoud voor een bedrag hoger dan de gevraagde verhoging van het niet voor beslag vatbare bedrag.
een verklaring afgeleverd door een verzekeringsinstelling in het kader van de ziektekostenverzekering, waarin bepaald wordt dat het kind ten laste is van de titularis van de beslagen of overgedragen inkomsten, in de zin van de wetgeving inzake de ziektekostenverzekering;
het attest van gezinssamenstelling die de verblijfplaats van het kind vaststelt op de woonplaats van de genieter van de beslagen of overgedragen inkomsten;
de gerechtelijke beslissing of de overeenkomst die de gedeelde materiële bewaring vastelt, alsook een verklaring op erewoord dat de gerechtelijke beslissing of de overeenkomst wordt nagekomen;
de rekeninguittreksels die een geregelde storting aantonen van een bijdrage in het onderhoud voor een bedrag hoger dan de gevraagde verhoging van het niet voor beslag vatbare bedrag.
Art. 1409quater. Sans préjudice des autres modes de preuve qui peuvent être invoqués, rapportent à suffisance de droit la qualité d'enfant à charge :
l'attestation délivrée par un organisme assureur dans le cadre de l'assurance soins de santé établissant que l'enfant est à charge du titulaire des revenus saisis ou cédés, au sens de la législation sur l'assurance soins de santé;
le certificat de composition de ménage établissant la résidence de l'enfant au domicile du bénéficiaire des revenus saisis ou cédés;
la décision judiciaire ou la convention établissant la garde partagée, ainsi qu'une déclaration sur l'honneur que ce jugement ou cet accord est respecté;
les extraits de compte établissant le versement régulier d'une part contributive d'un montant supérieur à la majoration du montant insaisissable postulé.
l'attestation délivrée par un organisme assureur dans le cadre de l'assurance soins de santé établissant que l'enfant est à charge du titulaire des revenus saisis ou cédés, au sens de la législation sur l'assurance soins de santé;
le certificat de composition de ménage établissant la résidence de l'enfant au domicile du bénéficiaire des revenus saisis ou cédés;
la décision judiciaire ou la convention établissant la garde partagée, ainsi qu'une déclaration sur l'honneur que ce jugement ou cet accord est respecté;
les extraits de compte établissant le versement régulier d'une part contributive d'un montant supérieur à la majoration du montant insaisissable postulé.
Art. 1409quinquies. (Opgeheven) <W 2006-07-20/39, art. 17, 056; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29>
Art. 1409quinquies. (Abrogé) <L 2006-07-20/39, art. 17, 056; En vigueur : 30-01-2007; voir aussi L 2006-07-20/39, art. 29>
Art.1410. § 1. Artikel 1409 (, § 1bis, § 2 en § 3,) vindt bovendien toepassing op: <W 2000-03-24/50, art. 4, 034; Inwerkingtreding : 14-05-2000>
1° (de al dan niet provisionele uitkeringen tot onderhoud, door de rechter toegewezen, alsmede de uitkeringen die na echtscheiding aan de niet schuldige echtgenoot worden toegekend; <W 09-07-1975, art. 3>
2° de (pensioenen, aanpassingsuitkeringen, [2 overgangsuitkeringen,]2 renten, rentebijslagen) of als pensioen geldende voordelen betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst; <W 12-05-1971, art. 9,1°>
(2°bis. het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;) <W 2004-07-09/30, art. 300, 046; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
3° de werkloosheidsuitkeringen en de uitkeringen betaald door fondsen voor bestaanszekerheid;
4° de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en de invaliditeitsuitkeringen betaald krachtens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering of de wet van 16 juni 1960 die onder meer de maatschappelijke prestaties waarborgt ten gunste van de gewezen werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi en de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
5° de (uitkeringen, renten en toelagen) betaald krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen of beroepsziekten, of de genoemde wet van 16 juni 1960 of verzekeringsovereenkomsten aangegaan bij toepassing van de wetgeving op de overzeese sociale zekerheid, met uitzondering van het gedeelte van de uitkering bedoeld in § 2, 4°, van dit artikel; <W 12-05-1971, art.9,2°>
6° (...) <W 2005-12-27/31, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
7° de militievergoedingen bedoeld bij de wet van 9 juli 1951;
(8° de uitkering toegekend bij onderbreking van de beroepsloopbaan.) <W 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
§ 2. (De volgende schuldvorderingen zijn niet vatbaar voor overdracht of beslag ten laste van de rechthebbende :) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
1° (de gezinsbijslagen, met inbegrip van deze betaald krachtens de wetgeving betreffende de soldijtrekkende militairen;) <W 12-05-1971, art.9,3°>
2° de wezenpensioenen of -renten betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst;
3° (de tegemoetkomingen aan minder-validen;) <W 27-06-1969, art. 31, §1>
4° het gedeelte van de vergoedingen uitgekeerd krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen die 100 pct. overschrijdt en toegekend wordt aan zwaar verminkten wier toestand de hulp van een andere persoon volstrekt en (normaal vergt, evenals de bedragen toegekend voor de behoefte aan andermans hulp krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994); <W 1999-12-24/36, art. 95, 033; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
5° (de bedragen uit te keren :
1. aan de rechthebbende van geneeskundige verstrekkingen als tegemoetkoming ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen of krachtens de wet van 16 juni 1960 of de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
2. als kosten voor geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen of als kosten voor prothesen en orthopedische toestellen aan een door een arbeidsongeval of een beroepsziekte getroffen persoon krachtens de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen of de beroepsziekten.) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
(6° de bedragen uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden of als inkomensgarantie voor ouderen.) <W 2001-03-22/31, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 01-06-2001>
7° (de bedragen uitgekeerd als bestaansminimum;) <W 07-08-1974, art. 21, §2>
(8° de bedragen uitgekeerd als maatschappelijke dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <W 1993-01-14/34, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
9° [11 de financiële uitkering voorzien in hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022]11;
(10° de al dan niet provisionele vergoedingen voor prothesen, medische hulpmiddelen en implantaten.) <W 2003-04-22/42, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 29-05-2003>
(11° de bedragen bepaald in artikel 120 van de programmawet (I) van 27 december 2006 uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers;) <W 2006-12-27/30, art. 130, 060; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[8 12° de kostenvergoedingen bedoeld in artikel 10 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers;]8
[10 13° de bedragen bepaald in de artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers;]10
[12 14° de terugbetalingen van medische zorg en de herstelpensioenen bedoeld in de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme.]12
[8 De begunstigde van de in de bepaling onder 12° bedoelde kostenvergoedingen kan afstand doen van de onvatbaarheid voor beslag en van de onoverdraagbaarheid van de kostenvergoedingen.]8
§ 3. In afwijking van § 1, kan twee derde van het pensioen en van de sociale uitkeringen der personen in een ziekenhuis opgenomen op kosten van de commissies van openbare onderstand en van het speciaal onderstandsfonds, aan die instellingen worden overgedragen.
(De Koning kan de in het eerste lid bepaalde verhouding wijzigen.) <W 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2, kunnen de prestaties die ten onrechte uitgekeerd zijn uit de middelen van [9 de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Federaal agentschap voor beroepsrisico's, of van openbare of particuliere instellingen belast met de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen, hetzij uit de middelen die ingeschreven zijn in de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid of uit die ingeschreven in de begroting van de pensioenen met het oog op de toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, hetzij uit middelen dienstig voor de toekenning van het bestaansminimum of een gelijkaardige uitkering ingeschreven in de begroting van de Programmatorische federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie ]9 of uit die ingeschreven in de begroting van de pensioenen met het oog op de toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, hetzij uit middelen dienstig voor de toekenning van het bestaansminimum of een gelijkaardige uitkering ingeschreven in de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en uit die ingeschreven in de begrotingen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [3 hetzij uit de financiële middelen die aan de gemeenschappen en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie ter beschikking staan voor de betaling van de gezinsbijslag vanaf 1 januari 2015]3 ambtshalve teruggevorderd worden ten belope van 10 % van iedere latere prestatie die aan de debiteur van het onverschuldigde bedrag of aan zijn rechthebbenden wordt uitgekeerd. [1 Hetzelfde geldt voor de intresten op die prestaties ingeval de onterechte betaling frauduleus werd uitgekeerd.]1
Voor het bepalen van deze 10 % wordt het bedrag van die prestatie desgevallend verhoogd met de overeenkomstige prestatie die krachtens één of meerdere buitenlandse regelingen wordt genoten.
Wanneer de in het eerste, derde en vierde lid, bedoelde terugvordering, niet meer kan worden uitgevoerd door de instelling of door de uitbetalingsdienst bij gebrek aan nog te betalen prestaties, kan die terugvordering op haar verzoek ambtshalve worden uitgevoerd door een instelling of dienst die één der prestaties bedoeld in § 1, 2°, 3°, 4°, 5° en 8° verschuldigd is, ten belope van 10 % van dat bedrag.
Werd de betaling ten onrechte bedrieglijk verkregen, dan kan de ambtshalve terugvordering [1 van de onverschuldigd betaalde prestaties en intresten op die bedragen]1 slaan op het geheel van de latere prestaties van éénzelfde aard of die door dezelfde instelling of dienst worden uitgekeerd.
Werden de gezinsbijslagen ten onrechte verkregen ingevolge een nalatigheid of een verzuim van de rechthebbende of van de bijslagtrekkende, dan kan de terugvordering slaan op het geheel van de gezinsbijslag die later verschuldigd is aan dezelfde bijslagtrekkende.
Indien de debiteur of zijn rechthebbenden het bewijs leveren dat het inkomen, zoals berekend volgens de principes vastgelegd in de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, lager ligt of komt te liggen ingevolge de ambtshalve terugvordering dan het bedrag van het bestaansminimum naargelang de onderscheiden categorieën vastgelegd in dezelfde wet, wordt de terugvordering naargelang het geval geschorst of beperkt.
Ter verificatie van de voorgelegde stukken beschikken de instellingen over de bevoegdheid om een onderzoek naar de bestaansmiddelen te voeren.
Alle federale overheidsdiensten, alle instellingen die belast zijn met de toepassing van een wetgeving betreffende de sociale zekerheid, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook de gerechtigden, hun lasthebbers, hun erfgenamen of rechtverkrijgenden zijn verplicht aan de instellingen en uitbetalingsdiensten, op eenvoudig verzoek, alle dienstige stukken voor te leggen.
De instelling of dienst die een voordeel uitbetaalt, voorzien in §§ 1 en 2, en met terugwerkende kracht verkregen, kan van de vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen het bedrag van de eerdere prestaties die niet samen met bedoelde voordelen mogen worden genoten, afhouden ten voordele van de instelling of dienst die ten onrechte uitbetaald heeft.
Indien een pensioengerechtigde, omwille van de toekenning van een rust- of overlevingspensioen lastens een Belgische sociale zekerheidsregeling, met terugwerkende kracht aan een met toepassing van artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders uitbetaald voordeel verzaakt, treedt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, van rechtswege en tot beloop van de ontvangen uitkeringen, in de rechten van de pensioengerechtigde op de hem verschuldigde pensioenbedragen.
Indien een gerechtigde op uitkeringen bedoeld in artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, omwille van de toekenning van die uitkeringen, met terugwerkende kracht verzaakt aan een rust- of overlevingspensioen, treedt de [4 de Federale Pensioendienst]4, van rechtswege en tot beloop van het ontvangen pensioen, in de rechten van de uitkeringsgerechtigde op de hem verschuldigde uitkeringsbedragen.) <W 1999-01-25/32, art. 223, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 5. De instelling of de dienst die § 4, tweede lid, toepast, brengt de debiteur hiervan op de hoogte, bij een ter post aangetekend schrijven. Deze brief vermeldt op straffe van nietigheid :
1° het terug te vorderen bedrag evenals de berekeningswijze van dat bedrag;
2° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de bevoegde rechtbank;
3° de instelling of de dienst waaraan de terugvordering gevraagd wordt, evenals de terugvorderingsmodaliteiten.
De instelling of de dienst bezorgt, bij gewone brief, aan de instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd :
1° de nodige gegevens ter identificering van de debiteur;
2° het bedrag van het terug te vorderen onverschuldigde bedrag en de terugvorderingsmodaliteiten;
3° de datum van de in voorgaand lid bedoelde notificatie;
4° elke wijziging van de hiervoor vermelde elementen.
De instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd, stelt de debiteur, bij gewone brief, in kennis van :
1° de naam van de instelling of de dienst die om de terugvordering heeft verzocht evenals het bedrag en de modaliteiten ervan;
2° de datum vanaf dewelke het onverschuldigde bedrag zal worden ingehouden.
De datum bedoeld in het derde lid, 2°, moet drie maanden later zijn dan de datum van de in het eerste lid bedoelde notificatie.
Het beroep bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt, op straffe van verval, binnen de drie maanden na de dag van aanbieding van het aangetekend schrijven ingediend bij de bevoegde arbeidsrechtbank.) <W 1999-01-25/32, art. 224, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 6. De instelling of de dienst die ambtshalve een terugvordering uitvoert krachtens § 4, eerste, derde of vierde lid, en waaraan een verzoek is gericht op grond van het tweede lid van dezelfde paragraaf, geeft hieraan gevolg nadat zij haar eigen schuld heeft teruggevorderd.
Wanneer meerdere instellingen of diensten bij éénzelfde instelling of dienst een verzoek indienen op grond van § 4, tweede lid, wordt de ambtshalve terugvordering eerst uitgevoerd ten gunste van de meest gerede instelling of dienst.) <W 1999-01-25/32, art. 225, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
1° (de al dan niet provisionele uitkeringen tot onderhoud, door de rechter toegewezen, alsmede de uitkeringen die na echtscheiding aan de niet schuldige echtgenoot worden toegekend; <W 09-07-1975, art. 3>
2° de (pensioenen, aanpassingsuitkeringen, [2 overgangsuitkeringen,]2 renten, rentebijslagen) of als pensioen geldende voordelen betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst; <W 12-05-1971, art. 9,1°>
(2°bis. het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;) <W 2004-07-09/30, art. 300, 046; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
3° de werkloosheidsuitkeringen en de uitkeringen betaald door fondsen voor bestaanszekerheid;
4° de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en de invaliditeitsuitkeringen betaald krachtens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering of de wet van 16 juni 1960 die onder meer de maatschappelijke prestaties waarborgt ten gunste van de gewezen werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi en de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
5° de (uitkeringen, renten en toelagen) betaald krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen of beroepsziekten, of de genoemde wet van 16 juni 1960 of verzekeringsovereenkomsten aangegaan bij toepassing van de wetgeving op de overzeese sociale zekerheid, met uitzondering van het gedeelte van de uitkering bedoeld in § 2, 4°, van dit artikel; <W 12-05-1971, art.9,2°>
6° (...) <W 2005-12-27/31, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
7° de militievergoedingen bedoeld bij de wet van 9 juli 1951;
(8° de uitkering toegekend bij onderbreking van de beroepsloopbaan.) <W 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
§ 2. (De volgende schuldvorderingen zijn niet vatbaar voor overdracht of beslag ten laste van de rechthebbende :) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
1° (de gezinsbijslagen, met inbegrip van deze betaald krachtens de wetgeving betreffende de soldijtrekkende militairen;) <W 12-05-1971, art.9,3°>
2° de wezenpensioenen of -renten betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst;
3° (de tegemoetkomingen aan minder-validen;) <W 27-06-1969, art. 31, §1>
4° het gedeelte van de vergoedingen uitgekeerd krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen die 100 pct. overschrijdt en toegekend wordt aan zwaar verminkten wier toestand de hulp van een andere persoon volstrekt en (normaal vergt, evenals de bedragen toegekend voor de behoefte aan andermans hulp krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994); <W 1999-12-24/36, art. 95, 033; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
5° (de bedragen uit te keren :
1. aan de rechthebbende van geneeskundige verstrekkingen als tegemoetkoming ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen of krachtens de wet van 16 juni 1960 of de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
2. als kosten voor geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen of als kosten voor prothesen en orthopedische toestellen aan een door een arbeidsongeval of een beroepsziekte getroffen persoon krachtens de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen of de beroepsziekten.) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
(6° de bedragen uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden of als inkomensgarantie voor ouderen.) <W 2001-03-22/31, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 01-06-2001>
7° (de bedragen uitgekeerd als bestaansminimum;) <W 07-08-1974, art. 21, §2>
(8° de bedragen uitgekeerd als maatschappelijke dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <W 1993-01-14/34, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
9° [11 de financiële uitkering voorzien in hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022]11;
(10° de al dan niet provisionele vergoedingen voor prothesen, medische hulpmiddelen en implantaten.) <W 2003-04-22/42, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 29-05-2003>
(11° de bedragen bepaald in artikel 120 van de programmawet (I) van 27 december 2006 uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers;) <W 2006-12-27/30, art. 130, 060; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[8 12° de kostenvergoedingen bedoeld in artikel 10 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers;]8
[10 13° de bedragen bepaald in de artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers;]10
[12 14° de terugbetalingen van medische zorg en de herstelpensioenen bedoeld in de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme.]12
[8 De begunstigde van de in de bepaling onder 12° bedoelde kostenvergoedingen kan afstand doen van de onvatbaarheid voor beslag en van de onoverdraagbaarheid van de kostenvergoedingen.]8
§ 3. In afwijking van § 1, kan twee derde van het pensioen en van de sociale uitkeringen der personen in een ziekenhuis opgenomen op kosten van de commissies van openbare onderstand en van het speciaal onderstandsfonds, aan die instellingen worden overgedragen.
(De Koning kan de in het eerste lid bepaalde verhouding wijzigen.) <W 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2, kunnen de prestaties die ten onrechte uitgekeerd zijn uit de middelen van [9 de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Federaal agentschap voor beroepsrisico's, of van openbare of particuliere instellingen belast met de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen, hetzij uit de middelen die ingeschreven zijn in de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid of uit die ingeschreven in de begroting van de pensioenen met het oog op de toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, hetzij uit middelen dienstig voor de toekenning van het bestaansminimum of een gelijkaardige uitkering ingeschreven in de begroting van de Programmatorische federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie ]9 of uit die ingeschreven in de begroting van de pensioenen met het oog op de toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, hetzij uit middelen dienstig voor de toekenning van het bestaansminimum of een gelijkaardige uitkering ingeschreven in de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en uit die ingeschreven in de begrotingen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [3 hetzij uit de financiële middelen die aan de gemeenschappen en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie ter beschikking staan voor de betaling van de gezinsbijslag vanaf 1 januari 2015]3 ambtshalve teruggevorderd worden ten belope van 10 % van iedere latere prestatie die aan de debiteur van het onverschuldigde bedrag of aan zijn rechthebbenden wordt uitgekeerd. [1 Hetzelfde geldt voor de intresten op die prestaties ingeval de onterechte betaling frauduleus werd uitgekeerd.]1
Voor het bepalen van deze 10 % wordt het bedrag van die prestatie desgevallend verhoogd met de overeenkomstige prestatie die krachtens één of meerdere buitenlandse regelingen wordt genoten.
Wanneer de in het eerste, derde en vierde lid, bedoelde terugvordering, niet meer kan worden uitgevoerd door de instelling of door de uitbetalingsdienst bij gebrek aan nog te betalen prestaties, kan die terugvordering op haar verzoek ambtshalve worden uitgevoerd door een instelling of dienst die één der prestaties bedoeld in § 1, 2°, 3°, 4°, 5° en 8° verschuldigd is, ten belope van 10 % van dat bedrag.
Werd de betaling ten onrechte bedrieglijk verkregen, dan kan de ambtshalve terugvordering [1 van de onverschuldigd betaalde prestaties en intresten op die bedragen]1 slaan op het geheel van de latere prestaties van éénzelfde aard of die door dezelfde instelling of dienst worden uitgekeerd.
Werden de gezinsbijslagen ten onrechte verkregen ingevolge een nalatigheid of een verzuim van de rechthebbende of van de bijslagtrekkende, dan kan de terugvordering slaan op het geheel van de gezinsbijslag die later verschuldigd is aan dezelfde bijslagtrekkende.
Indien de debiteur of zijn rechthebbenden het bewijs leveren dat het inkomen, zoals berekend volgens de principes vastgelegd in de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, lager ligt of komt te liggen ingevolge de ambtshalve terugvordering dan het bedrag van het bestaansminimum naargelang de onderscheiden categorieën vastgelegd in dezelfde wet, wordt de terugvordering naargelang het geval geschorst of beperkt.
Ter verificatie van de voorgelegde stukken beschikken de instellingen over de bevoegdheid om een onderzoek naar de bestaansmiddelen te voeren.
Alle federale overheidsdiensten, alle instellingen die belast zijn met de toepassing van een wetgeving betreffende de sociale zekerheid, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook de gerechtigden, hun lasthebbers, hun erfgenamen of rechtverkrijgenden zijn verplicht aan de instellingen en uitbetalingsdiensten, op eenvoudig verzoek, alle dienstige stukken voor te leggen.
De instelling of dienst die een voordeel uitbetaalt, voorzien in §§ 1 en 2, en met terugwerkende kracht verkregen, kan van de vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen het bedrag van de eerdere prestaties die niet samen met bedoelde voordelen mogen worden genoten, afhouden ten voordele van de instelling of dienst die ten onrechte uitbetaald heeft.
Indien een pensioengerechtigde, omwille van de toekenning van een rust- of overlevingspensioen lastens een Belgische sociale zekerheidsregeling, met terugwerkende kracht aan een met toepassing van artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders uitbetaald voordeel verzaakt, treedt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, van rechtswege en tot beloop van de ontvangen uitkeringen, in de rechten van de pensioengerechtigde op de hem verschuldigde pensioenbedragen.
Indien een gerechtigde op uitkeringen bedoeld in artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, omwille van de toekenning van die uitkeringen, met terugwerkende kracht verzaakt aan een rust- of overlevingspensioen, treedt de [4 de Federale Pensioendienst]4, van rechtswege en tot beloop van het ontvangen pensioen, in de rechten van de uitkeringsgerechtigde op de hem verschuldigde uitkeringsbedragen.) <W 1999-01-25/32, art. 223, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 5. De instelling of de dienst die § 4, tweede lid, toepast, brengt de debiteur hiervan op de hoogte, bij een ter post aangetekend schrijven. Deze brief vermeldt op straffe van nietigheid :
1° het terug te vorderen bedrag evenals de berekeningswijze van dat bedrag;
2° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de bevoegde rechtbank;
3° de instelling of de dienst waaraan de terugvordering gevraagd wordt, evenals de terugvorderingsmodaliteiten.
De instelling of de dienst bezorgt, bij gewone brief, aan de instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd :
1° de nodige gegevens ter identificering van de debiteur;
2° het bedrag van het terug te vorderen onverschuldigde bedrag en de terugvorderingsmodaliteiten;
3° de datum van de in voorgaand lid bedoelde notificatie;
4° elke wijziging van de hiervoor vermelde elementen.
De instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd, stelt de debiteur, bij gewone brief, in kennis van :
1° de naam van de instelling of de dienst die om de terugvordering heeft verzocht evenals het bedrag en de modaliteiten ervan;
2° de datum vanaf dewelke het onverschuldigde bedrag zal worden ingehouden.
De datum bedoeld in het derde lid, 2°, moet drie maanden later zijn dan de datum van de in het eerste lid bedoelde notificatie.
Het beroep bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt, op straffe van verval, binnen de drie maanden na de dag van aanbieding van het aangetekend schrijven ingediend bij de bevoegde arbeidsrechtbank.) <W 1999-01-25/32, art. 224, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 6. De instelling of de dienst die ambtshalve een terugvordering uitvoert krachtens § 4, eerste, derde of vierde lid, en waaraan een verzoek is gericht op grond van het tweede lid van dezelfde paragraaf, geeft hieraan gevolg nadat zij haar eigen schuld heeft teruggevorderd.
Wanneer meerdere instellingen of diensten bij éénzelfde instelling of dienst een verzoek indienen op grond van § 4, tweede lid, wordt de ambtshalve terugvordering eerst uitgevoerd ten gunste van de meest gerede instelling of dienst.) <W 1999-01-25/32, art. 225, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
Änderungen
Art.1410. § 1er. L'art. 1409 (, § 1erbis, § 2 et § 3,) est en outre applicable: <L 2000-03-24/50, art. 4, 034; En vigueur : 14-05-2000>
1° (aux provisions et pensions alimentaires, adjugées par justice, ainsi qu'aux pensions allouées après divorce à l'époux non coupable) <L 09-07-1975, art. 3>;
2° aux (pensions, indemnités d'adaptation, [2 allocations de transition,]2 rentes, majorations de rente) ou avantages tenant lieu de pension, payés en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat <L 12-05-1971, art. 9, 1°>;
(2°bis. au pécule de vacances et au pécule complémentaire au pécule de vacances payés en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;) <L 2004-07-09/30, art. 300, 046; En vigueur : 25-07-2004>
3° aux allocations de chômage et aux allocations payées par les fonds de sécurité d'existence;
4° aux indemnités pour incapacité de travail et aux allocations d'invalidité payées en vertu de la législation relative à l'assurance maladie-invalidité ou, de la loi du 16 juin 1960 portant notamment garantie des prestations sociales assurées en faveur des anciens employés du Congo belge et du Ruanda Urundi et de la législation relative à la sécurité sociale d'outre-mer;
5° aux (indemnités, rentes et allocations) payés en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail ou des maladies professionnelles, de la dite loi du 16 juin 1960 ou de contrats d'assurance souscrits en application des dispositions de la législation prévue au § 2, 4°, du présent article <L 12-05-1971, art 9, 2°>;
6° (...) <L 2005-12-27/31, art. 3, 054; En vigueur : 09-01-2006>
7° aux indemnités de milice prévues par la loi du 9 juillet 1951;
(8° à l'indemnité accordée en cas d'interruption de la carrière professionnelle.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
§ 2. (Ne sont ni cessibles ni saisissables à charge du bénéficiaire les créances suivantes :) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
1° (Les prestations familiales, y compris celles payées en vertu de la législation portant indemnité des militaires soldés) <L 12-05-1971, art. 9, 3°>
2° Les pensions et rentes d'orphelins payées en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat;
3° (Les allocations au profit des handicapés) <L 27-06-1969, art. 31, § 1er, 2°>
4° La partie de l'indemnité payée en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, qui dépasse 100 p.c. et qui est accordée aux grands blessés dont l'état nécessite absolument et normalement l'assistance (d'une autre personne, ainsi que les montants accordés au titre d'aide d'une tierce personne en vertu de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994); <L 1999-12-24/36, art. 95, 033; En vigueur : 10-01-2000>
5° (les sommes à payer :
1. au bénéficiaire de prestations de santé, à titre d'intervention à charge de l'assurance soins de santé et indemnités ou en vertu de la loi du 16 juin 1960 ou de la législation relative à la sécurité sociale d'outremer;
2. à titre de soins médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers ou de frais d'appareils de prothèse et d'orthopédie à une personne victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, conformément à la législation sur les accidents du travail ou les maladies professionnelles.) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
(6° les sommes payées à titre de revenu garanti ou de garantie de revenus aux personnes âgées.) <L 2001-03-22/31, art. 3, 038; En vigueur : 01-06-2001>
(7° les sommes payées à titre de minimum de moyens d'existence) <L 07-08-1974, art. 21, § 2>
(8° les sommes payées a titre d'aide sociale par les centres publics d'aide sociale.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 2°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
9° [11 à la prestation financière visée au chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022]11;
(10° les indemnités, provisionnelles ou non, afférentes à des prothèses, à des dispositifs médicaux et à des implants.) <L 2003-04-22/42, art. 2, 042; En vigueur : 29-05-2003>
(11° les sommes visées à l'article 120 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation des victimes de l'amiante;) <L 2006-12-27/30, art. 130, 060; En vigueur : 01-04-2007>
[8 12° les défraiements visés à l'article 10 de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires;]8
[10 13° les sommes visées aux articles 15 et 16 de l'arrêté royal n° 22 du 4 juin 2020 portant création d'un Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19;]10
[12 14° les remboursements de soins de santé et les pensions de dédommagement visés dans la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l'octroi d'une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d'actes de terrorisme.]12
[8 Le bénéficiaire de défraiements visés au 12° peut renoncer à l'insaisissabilité et à l'incessibilité de ces défraiements.]8
§ 3. Par dérogation au paragraphe premier, les deux tiers des pensions et allocations sociales auxquelles peuvent prétendre les personnes hospitalisées aux frais des commissions d'assistance publique et du fonds spécial d'assistance peuvent être cédés à ces institutions.
(Le Roi peut modifier la proportion fixée à l'alinéa 1er.) <L 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, les prestations payées indûment soit à l'aide des ressources [9 de l'Office national de sécurité sociale, de l'Agence fédérale des risques professionnels ou des organismes publics ou privés chargés de l'application de la législation relative au statut social des travailleurs indépendants, soit à l'aide des ressources inscrites au budget du Service public fédéral Sécurité sociale ou de celles inscrites au budget des pensions en vue de l'octroi de revenu garanti aux personnes âgées, soit à l'aide des ressources en vue de l'octroi du minimum de moyens d'existence ou d'une allocation de même nature inscrites au budget du Service public fédéral de programmation Intégration et économie sociales, Lutte contre la pauvreté ]9 et de celles inscrites aux budgets des centres publics d'aide sociale, [3 soit à l'aide des moyens financiers mis à disposition des communautés et de la Commission communautaire commune en vue du paiement des prestations familiales à dater du 1er janvier 2015]3 peuvent être récupérées d'office à concurrence de 10 % de chaque prestation ultérieure fournie au débiteur de l'indu ou à ses ayants-droit. [1 Il en est de même pour les intérêts afférents à ces prestations lorsque le paiement indû a été obtenu frauduleusement.]1
Pour la détermination de ces 10 %, le montant de cette prestation est augmenté, le cas échéant, de la prestation correspondante accordée en vertu d'une ou de plusieurs réglementations étrangères.
Lorsque la récupération visée aux alinéas 1er, 3 et 4, ne peut plus être effectuée par l'organisme ou le service créancier à défaut de prestation encore due par lui, elle peut être opérée d'office à la demande de celui-ci, par un organisme ou service versant l'une des prestations visées au § 1er, 2°, 3°, 4°, 5° et 8°, à concurrence de 10 % du montant de celle-ci.
Lorsque le paiement indu a été obtenu frauduleusement, la récupération d'office [1 des prestations indûment versées et des intérêts afférents à ces sommes]1 peut porter sur l'intégralité des prestations fournies ultérieurement qui sont de même nature ou qui sont versées par le même organisme ou service.
Lorsque les prestations familiales ont été obtenues indûment suite à une négligence ou à une omission de l'attributaire ou de l'allocataire, la récupération peut porter sur l'intégralité des prestations familiales dues ultérieurement au même allocataire.
Si le débiteur ou ses ayants-droit prouvent que le revenu, calculé selon les principes établis dans la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, est inférieur ou devient inférieur, suite à la récupération d'office, au montant du minimum de moyens d'existence selon les diverses catégories comme prévu dans la même loi, la récupération est selon le cas suspendue ou limitée.
Pour la vérification des pièces soumises, les organismes disposent de la compétence d'examen des moyens d'existence.
Toutes les administrations publiques fédérales, tous les organismes chargés de l'application d'une législation sur la sécurité sociale, les accidents du travail et les maladies professionnelles, les centres publics d'aide sociale, ainsi que les bénéficiaires, leurs mandataires, leurs héritiers ou ayants-droit sont tenus de communiquer aux organismes et services de paiement, sur simple réquisition, tout document utile.
L'organisme ou le service payeur d'un avantage prévu aux §§ 1er et 2, et obtenu avec effet rétroactif, peut déduire des sommes échues et non encore payées, au profit de l'organisme ou du service qui a payé indûment, le montant des prestations fournies antérieurement et qui ne peuvent être cumulées avec lesdits avantages.
Lorsqu'un bénéficiaire de pension a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi d'une pension de retraite ou de survie à charge d'un régime belge de sécurité sociale, aux allocations perçues en vertu de l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs, l'Office national de l'Emploi est subrogé d'office et pour le montant des allocations perçues, dans le droit du bénéficiaire de pension aux montants de pension qui lui sont dus.
Lorsqu'un bénéficiaire d'allocations visées à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi de ces allocations, à une pension de retraite ou de survie, [4 le Service fédéral des Pensions]4 est subrogé d'office et pour le montant de la pension perçue, dans le droit du bénéficiaire des allocations aux montants des allocations qui lui sont dus.) <L 1999-01-25/32, art. 223, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 5. L'organisme ou le service qui fait application du § 4, alinéa 2, le porte à la connaissance du débiteur par lettre recommandée a la poste. Cette lettre mentionne sous peine de nullité :
1° le montant à récupérer ainsi que le mode de calcul de ce montant;
2° la possibilité d'introduire un recours devant la juridiction compétente;
3° l'organisme ou le service auquel la récupération est demandée, ainsi que les modalités de récupération.
L'organisme ou le service fournit, par simple lettre, à l'organisme ou au service auquel la récupération est demandée :
1° les données nécessaires pour identifier le débiteur;
2° le montant de l'indu à récupérer et les modalités de récupération;
3° la date de la notification visée à l'alinéa précédent;
4° toute modification des éléments visés ci-dessus.
L'organisme ou le service auquel la récupération est demandée communique au débiteur, par envoi ordinaire :
1° le nom de l'organisme ou du service d'où provient la demande de récupération ainsi que le montant et les modalités de celle-ci;
2° la date à partir de laquelle l'indu sera récupéré.
La date visée à l'alinéa 3, 2°, doit être postérieure de trois mois à la date de la notification visée à l'alinéa 1er.
Le recours visé à l'alinéa 1er, 2°, est porté devant le Tribunal du travail compétent dans les trois mois de la date de présentation du pli recommandé, et ce, à peine de forclusion.) <L 1999-01-25/32, art. 224, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 6. L'organisme ou le service qui procède à une récupération d'office en vertu du § 4, alinéa 1er, 3 ou 4, et qui est saisi d'une demande fondée sur l'alinéa 2 du même paragraphe, donne suite à celle-ci après avoir récupéré sa propre créance.
Lorsque plusieurs organismes ou services introduisent auprès d'un même organisme ou service une demande fondée sur le § 4, alinéa 2, la récupération d'office s'opère d'abord en faveur de l'organisme ou du service le plus diligent.) <L 1999-01-25/32, art. 225, 029; En vigueur : 16-02-1999>
1° (aux provisions et pensions alimentaires, adjugées par justice, ainsi qu'aux pensions allouées après divorce à l'époux non coupable) <L 09-07-1975, art. 3>;
2° aux (pensions, indemnités d'adaptation, [2 allocations de transition,]2 rentes, majorations de rente) ou avantages tenant lieu de pension, payés en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat <L 12-05-1971, art. 9, 1°>;
(2°bis. au pécule de vacances et au pécule complémentaire au pécule de vacances payés en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;) <L 2004-07-09/30, art. 300, 046; En vigueur : 25-07-2004>
3° aux allocations de chômage et aux allocations payées par les fonds de sécurité d'existence;
4° aux indemnités pour incapacité de travail et aux allocations d'invalidité payées en vertu de la législation relative à l'assurance maladie-invalidité ou, de la loi du 16 juin 1960 portant notamment garantie des prestations sociales assurées en faveur des anciens employés du Congo belge et du Ruanda Urundi et de la législation relative à la sécurité sociale d'outre-mer;
5° aux (indemnités, rentes et allocations) payés en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail ou des maladies professionnelles, de la dite loi du 16 juin 1960 ou de contrats d'assurance souscrits en application des dispositions de la législation prévue au § 2, 4°, du présent article <L 12-05-1971, art 9, 2°>;
6° (...) <L 2005-12-27/31, art. 3, 054; En vigueur : 09-01-2006>
7° aux indemnités de milice prévues par la loi du 9 juillet 1951;
(8° à l'indemnité accordée en cas d'interruption de la carrière professionnelle.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
§ 2. (Ne sont ni cessibles ni saisissables à charge du bénéficiaire les créances suivantes :) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
1° (Les prestations familiales, y compris celles payées en vertu de la législation portant indemnité des militaires soldés) <L 12-05-1971, art. 9, 3°>
2° Les pensions et rentes d'orphelins payées en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat;
3° (Les allocations au profit des handicapés) <L 27-06-1969, art. 31, § 1er, 2°>
4° La partie de l'indemnité payée en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, qui dépasse 100 p.c. et qui est accordée aux grands blessés dont l'état nécessite absolument et normalement l'assistance (d'une autre personne, ainsi que les montants accordés au titre d'aide d'une tierce personne en vertu de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994); <L 1999-12-24/36, art. 95, 033; En vigueur : 10-01-2000>
5° (les sommes à payer :
1. au bénéficiaire de prestations de santé, à titre d'intervention à charge de l'assurance soins de santé et indemnités ou en vertu de la loi du 16 juin 1960 ou de la législation relative à la sécurité sociale d'outremer;
2. à titre de soins médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers ou de frais d'appareils de prothèse et d'orthopédie à une personne victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, conformément à la législation sur les accidents du travail ou les maladies professionnelles.) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
(6° les sommes payées à titre de revenu garanti ou de garantie de revenus aux personnes âgées.) <L 2001-03-22/31, art. 3, 038; En vigueur : 01-06-2001>
(7° les sommes payées à titre de minimum de moyens d'existence) <L 07-08-1974, art. 21, § 2>
(8° les sommes payées a titre d'aide sociale par les centres publics d'aide sociale.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 2°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
9° [11 à la prestation financière visée au chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022]11;
(10° les indemnités, provisionnelles ou non, afférentes à des prothèses, à des dispositifs médicaux et à des implants.) <L 2003-04-22/42, art. 2, 042; En vigueur : 29-05-2003>
(11° les sommes visées à l'article 120 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation des victimes de l'amiante;) <L 2006-12-27/30, art. 130, 060; En vigueur : 01-04-2007>
[8 12° les défraiements visés à l'article 10 de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires;]8
[10 13° les sommes visées aux articles 15 et 16 de l'arrêté royal n° 22 du 4 juin 2020 portant création d'un Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19;]10
[12 14° les remboursements de soins de santé et les pensions de dédommagement visés dans la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l'octroi d'une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d'actes de terrorisme.]12
[8 Le bénéficiaire de défraiements visés au 12° peut renoncer à l'insaisissabilité et à l'incessibilité de ces défraiements.]8
§ 3. Par dérogation au paragraphe premier, les deux tiers des pensions et allocations sociales auxquelles peuvent prétendre les personnes hospitalisées aux frais des commissions d'assistance publique et du fonds spécial d'assistance peuvent être cédés à ces institutions.
(Le Roi peut modifier la proportion fixée à l'alinéa 1er.) <L 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, les prestations payées indûment soit à l'aide des ressources [9 de l'Office national de sécurité sociale, de l'Agence fédérale des risques professionnels ou des organismes publics ou privés chargés de l'application de la législation relative au statut social des travailleurs indépendants, soit à l'aide des ressources inscrites au budget du Service public fédéral Sécurité sociale ou de celles inscrites au budget des pensions en vue de l'octroi de revenu garanti aux personnes âgées, soit à l'aide des ressources en vue de l'octroi du minimum de moyens d'existence ou d'une allocation de même nature inscrites au budget du Service public fédéral de programmation Intégration et économie sociales, Lutte contre la pauvreté ]9 et de celles inscrites aux budgets des centres publics d'aide sociale, [3 soit à l'aide des moyens financiers mis à disposition des communautés et de la Commission communautaire commune en vue du paiement des prestations familiales à dater du 1er janvier 2015]3 peuvent être récupérées d'office à concurrence de 10 % de chaque prestation ultérieure fournie au débiteur de l'indu ou à ses ayants-droit. [1 Il en est de même pour les intérêts afférents à ces prestations lorsque le paiement indû a été obtenu frauduleusement.]1
Pour la détermination de ces 10 %, le montant de cette prestation est augmenté, le cas échéant, de la prestation correspondante accordée en vertu d'une ou de plusieurs réglementations étrangères.
Lorsque la récupération visée aux alinéas 1er, 3 et 4, ne peut plus être effectuée par l'organisme ou le service créancier à défaut de prestation encore due par lui, elle peut être opérée d'office à la demande de celui-ci, par un organisme ou service versant l'une des prestations visées au § 1er, 2°, 3°, 4°, 5° et 8°, à concurrence de 10 % du montant de celle-ci.
Lorsque le paiement indu a été obtenu frauduleusement, la récupération d'office [1 des prestations indûment versées et des intérêts afférents à ces sommes]1 peut porter sur l'intégralité des prestations fournies ultérieurement qui sont de même nature ou qui sont versées par le même organisme ou service.
Lorsque les prestations familiales ont été obtenues indûment suite à une négligence ou à une omission de l'attributaire ou de l'allocataire, la récupération peut porter sur l'intégralité des prestations familiales dues ultérieurement au même allocataire.
Si le débiteur ou ses ayants-droit prouvent que le revenu, calculé selon les principes établis dans la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, est inférieur ou devient inférieur, suite à la récupération d'office, au montant du minimum de moyens d'existence selon les diverses catégories comme prévu dans la même loi, la récupération est selon le cas suspendue ou limitée.
Pour la vérification des pièces soumises, les organismes disposent de la compétence d'examen des moyens d'existence.
Toutes les administrations publiques fédérales, tous les organismes chargés de l'application d'une législation sur la sécurité sociale, les accidents du travail et les maladies professionnelles, les centres publics d'aide sociale, ainsi que les bénéficiaires, leurs mandataires, leurs héritiers ou ayants-droit sont tenus de communiquer aux organismes et services de paiement, sur simple réquisition, tout document utile.
L'organisme ou le service payeur d'un avantage prévu aux §§ 1er et 2, et obtenu avec effet rétroactif, peut déduire des sommes échues et non encore payées, au profit de l'organisme ou du service qui a payé indûment, le montant des prestations fournies antérieurement et qui ne peuvent être cumulées avec lesdits avantages.
Lorsqu'un bénéficiaire de pension a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi d'une pension de retraite ou de survie à charge d'un régime belge de sécurité sociale, aux allocations perçues en vertu de l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs, l'Office national de l'Emploi est subrogé d'office et pour le montant des allocations perçues, dans le droit du bénéficiaire de pension aux montants de pension qui lui sont dus.
Lorsqu'un bénéficiaire d'allocations visées à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi de ces allocations, à une pension de retraite ou de survie, [4 le Service fédéral des Pensions]4 est subrogé d'office et pour le montant de la pension perçue, dans le droit du bénéficiaire des allocations aux montants des allocations qui lui sont dus.) <L 1999-01-25/32, art. 223, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 5. L'organisme ou le service qui fait application du § 4, alinéa 2, le porte à la connaissance du débiteur par lettre recommandée a la poste. Cette lettre mentionne sous peine de nullité :
1° le montant à récupérer ainsi que le mode de calcul de ce montant;
2° la possibilité d'introduire un recours devant la juridiction compétente;
3° l'organisme ou le service auquel la récupération est demandée, ainsi que les modalités de récupération.
L'organisme ou le service fournit, par simple lettre, à l'organisme ou au service auquel la récupération est demandée :
1° les données nécessaires pour identifier le débiteur;
2° le montant de l'indu à récupérer et les modalités de récupération;
3° la date de la notification visée à l'alinéa précédent;
4° toute modification des éléments visés ci-dessus.
L'organisme ou le service auquel la récupération est demandée communique au débiteur, par envoi ordinaire :
1° le nom de l'organisme ou du service d'où provient la demande de récupération ainsi que le montant et les modalités de celle-ci;
2° la date à partir de laquelle l'indu sera récupéré.
La date visée à l'alinéa 3, 2°, doit être postérieure de trois mois à la date de la notification visée à l'alinéa 1er.
Le recours visé à l'alinéa 1er, 2°, est porté devant le Tribunal du travail compétent dans les trois mois de la date de présentation du pli recommandé, et ce, à peine de forclusion.) <L 1999-01-25/32, art. 224, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 6. L'organisme ou le service qui procède à une récupération d'office en vertu du § 4, alinéa 1er, 3 ou 4, et qui est saisi d'une demande fondée sur l'alinéa 2 du même paragraphe, donne suite à celle-ci après avoir récupéré sa propre créance.
Lorsque plusieurs organismes ou services introduisent auprès d'un même organisme ou service une demande fondée sur le § 4, alinéa 2, la récupération d'office s'opère d'abord en faveur de l'organisme ou du service le plus diligent.) <L 1999-01-25/32, art. 225, 029; En vigueur : 16-02-1999>
Änderungen
Art. 1410_WAALS_GEWEST. § 1. Artikel 1409 (, § 1bis, § 2 en § 3,) vindt bovendien toepassing op: <W 2000-03-24/50, art. 4, 034; Inwerkingtreding : 14-05-2000>
1° (de al dan niet provisionele uitkeringen tot onderhoud, door de rechter toegewezen, alsmede de uitkeringen die na echtscheiding aan de niet schuldige echtgenoot worden toegekend; <W 09-07-1975, art. 3>
2° de (pensioenen, aanpassingsuitkeringen, [2 overgangsuitkeringen,]2 renten, rentebijslagen) of als pensioen geldende voordelen betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst; <W 12-05-1971, art. 9,1°>
(2°bis. het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;) <W 2004-07-09/30, art. 300, 046; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
3° de werkloosheidsuitkeringen en de uitkeringen betaald door fondsen voor bestaanszekerheid;
4° de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en de invaliditeitsuitkeringen betaald krachtens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering of de wet van 16 juni 1960 die onder meer de maatschappelijke prestaties waarborgt ten gunste van de gewezen werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi en de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
5° de (uitkeringen, renten en toelagen) betaald krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen of beroepsziekten, of de genoemde wet van 16 juni 1960 of verzekeringsovereenkomsten aangegaan bij toepassing van de wetgeving op de overzeese sociale zekerheid, met uitzondering van het gedeelte van de uitkering bedoeld in § 2, 4°, van dit artikel; <W 12-05-1971, art.9,2°>
6° (...) <W 2005-12-27/31, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
7° de militievergoedingen bedoeld bij de wet van 9 juli 1951;
(8° de uitkering toegekend bij onderbreking van de beroepsloopbaan.) <W 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
§ 2. (De volgende schuldvorderingen zijn niet vatbaar voor overdracht of beslag ten laste van de rechthebbende :) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
1° (de gezinsbijslagen, met inbegrip van deze betaald krachtens de wetgeving betreffende de soldijtrekkende militairen;) <W 12-05-1971, art.9,3°>
2° de wezenpensioenen of -renten betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst;
3° (de tegemoetkomingen aan minder-validen;) <W 27-06-1969, art. 31, §1>
4° het gedeelte van de vergoedingen uitgekeerd krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen die 100 pct. overschrijdt en toegekend wordt aan zwaar verminkten wier toestand de hulp van een andere persoon volstrekt en (normaal vergt, evenals de bedragen toegekend voor de behoefte aan andermans hulp krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994); <W 1999-12-24/36, art. 95, 033; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
5° (de bedragen uit te keren :
1. aan de rechthebbende van geneeskundige verstrekkingen als tegemoetkoming ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen of krachtens de wet van 16 juni 1960 of de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
2. als kosten voor geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen of als kosten voor prothesen en orthopedische toestellen aan een door een arbeidsongeval of een beroepsziekte getroffen persoon krachtens de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen of de beroepsziekten.) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
(6° de bedragen uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden of als inkomensgarantie voor ouderen.) <W 2001-03-22/31, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 01-06-2001>
7° (de bedragen uitgekeerd als bestaansminimum;) <W 07-08-1974, art. 21, §2>
(8° de bedragen uitgekeerd als maatschappelijke dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <W 1993-01-14/34, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
9° [12 de financiële uitkering voorzien in hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022]12;
(10° de al dan niet provisionele vergoedingen voor prothesen, medische hulpmiddelen en implantaten.) <W 2003-04-22/42, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 29-05-2003>
(11° de bedragen bepaald in artikel 120 van de programmawet (I) van 27 december 2006 uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers;) <W 2006-12-27/30, art. 130, 060; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[8 12° de kostenvergoedingen bedoeld in artikel 10 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers;]8
[10 13° de bedragen bepaald in de artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers;]10
[13 14° de terugbetalingen van medische zorg en de herstelpensioenen bedoeld in de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme.]13
[8 De begunstigde van de in de bepaling onder 12° bedoelde kostenvergoedingen kan afstand doen van de onvatbaarheid voor beslag en van de onoverdraagbaarheid van de kostenvergoedingen.]8
§ 3. In afwijking van § 1, kan twee derde van het pensioen en van de sociale uitkeringen der personen in een ziekenhuis opgenomen op kosten van de commissies van openbare onderstand en van het speciaal onderstandsfonds, aan die instellingen worden overgedragen.
(De Koning kan de in het eerste lid bepaalde verhouding wijzigen.) <W 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2, kunnen de prestaties die ten onrechte uitgekeerd zijn uit de middelen van [9 de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Federaal agentschap voor beroepsrisico's, of van openbare of particuliere instellingen belast met de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen, hetzij uit de middelen die ingeschreven zijn in de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid of uit die ingeschreven in de begroting van de pensioenen met het oog op de toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, hetzij uit middelen dienstig voor de toekenning van het bestaansminimum of een gelijkaardige uitkering ingeschreven in de begroting van de Programmatorische federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie ]9 of uit die ingeschreven in de begroting van de pensioenen met het oog op de toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, hetzij uit middelen dienstig voor de toekenning van het bestaansminimum of een gelijkaardige uitkering ingeschreven in de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en uit die ingeschreven in de begrotingen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [3 hetzij uit de financiële middelen die aan de gemeenschappen en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie ter beschikking staan voor de betaling van de gezinsbijslag vanaf 1 januari 2015]3 [11 en voor de betaling van de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden]11 ambtshalve teruggevorderd worden ten belope van 10 % van iedere latere prestatie die aan de debiteur van het onverschuldigde bedrag of aan zijn rechthebbenden wordt uitgekeerd. [1 Hetzelfde geldt voor de intresten op die prestaties ingeval de onterechte betaling frauduleus werd uitgekeerd.]1
Voor het bepalen van deze 10 % wordt het bedrag van die prestatie desgevallend verhoogd met de overeenkomstige prestatie die krachtens één of meerdere buitenlandse regelingen wordt genoten.
Wanneer de in het eerste, derde en vierde lid, bedoelde terugvordering, niet meer kan worden uitgevoerd door de instelling of door de uitbetalingsdienst bij gebrek aan nog te betalen prestaties, kan die terugvordering op haar verzoek ambtshalve worden uitgevoerd door een instelling of dienst die één der prestaties bedoeld in § 1, 2°, 3°, 4°, 5° en 8° verschuldigd is, ten belope van 10 % van dat bedrag.
Werd de betaling ten onrechte bedrieglijk verkregen, dan kan de ambtshalve terugvordering [1 van de onverschuldigd betaalde prestaties en intresten op die bedragen]1 slaan op het geheel van de latere prestaties van éénzelfde aard of die door dezelfde instelling of dienst worden uitgekeerd.
Werden de gezinsbijslagen ten onrechte verkregen ingevolge een nalatigheid of een verzuim van de rechthebbende of van de bijslagtrekkende, dan kan de terugvordering slaan op het geheel van de gezinsbijslag die later verschuldigd is aan dezelfde bijslagtrekkende.
Indien de debiteur of zijn rechthebbenden het bewijs leveren dat het inkomen, zoals berekend volgens de principes vastgelegd in de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, lager ligt of komt te liggen ingevolge de ambtshalve terugvordering dan het bedrag van het bestaansminimum naargelang de onderscheiden categorieën vastgelegd in dezelfde wet, wordt de terugvordering naargelang het geval geschorst of beperkt.
Ter verificatie van de voorgelegde stukken beschikken de instellingen over de bevoegdheid om een onderzoek naar de bestaansmiddelen te voeren.
Alle federale overheidsdiensten, alle instellingen die belast zijn met de toepassing van een wetgeving betreffende de sociale zekerheid, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook de gerechtigden, hun lasthebbers, hun erfgenamen of rechtverkrijgenden zijn verplicht aan de instellingen en uitbetalingsdiensten, op eenvoudig verzoek, alle dienstige stukken voor te leggen.
De instelling of dienst die een voordeel uitbetaalt, voorzien in §§ 1 en 2, en met terugwerkende kracht verkregen, kan van de vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen het bedrag van de eerdere prestaties die niet samen met bedoelde voordelen mogen worden genoten, afhouden ten voordele van de instelling of dienst die ten onrechte uitbetaald heeft.
Indien een pensioengerechtigde, omwille van de toekenning van een rust- of overlevingspensioen lastens een Belgische sociale zekerheidsregeling, met terugwerkende kracht aan een met toepassing van artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders uitbetaald voordeel verzaakt, treedt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, van rechtswege en tot beloop van de ontvangen uitkeringen, in de rechten van de pensioengerechtigde op de hem verschuldigde pensioenbedragen.
Indien een gerechtigde op uitkeringen bedoeld in artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, omwille van de toekenning van die uitkeringen, met terugwerkende kracht verzaakt aan een rust- of overlevingspensioen, treedt de [4 de Federale Pensioendienst]4, van rechtswege en tot beloop van het ontvangen pensioen, in de rechten van de uitkeringsgerechtigde op de hem verschuldigde uitkeringsbedragen.) <W 1999-01-25/32, art. 223, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 5. De instelling of de dienst die § 4, tweede lid, toepast, brengt de debiteur hiervan op de hoogte, bij een ter post aangetekend schrijven. Deze brief vermeldt op straffe van nietigheid :
1° het terug te vorderen bedrag evenals de berekeningswijze van dat bedrag;
2° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de bevoegde rechtbank;
3° de instelling of de dienst waaraan de terugvordering gevraagd wordt, evenals de terugvorderingsmodaliteiten.
De instelling of de dienst bezorgt, bij gewone brief, aan de instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd :
1° de nodige gegevens ter identificering van de debiteur;
2° het bedrag van het terug te vorderen onverschuldigde bedrag en de terugvorderingsmodaliteiten;
3° de datum van de in voorgaand lid bedoelde notificatie;
4° elke wijziging van de hiervoor vermelde elementen.
De instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd, stelt de debiteur, bij gewone brief, in kennis van :
1° de naam van de instelling of de dienst die om de terugvordering heeft verzocht evenals het bedrag en de modaliteiten ervan;
2° de datum vanaf dewelke het onverschuldigde bedrag zal worden ingehouden.
De datum bedoeld in het derde lid, 2°, moet drie maanden later zijn dan de datum van de in het eerste lid bedoelde notificatie.
Het beroep bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt, op straffe van verval, binnen de drie maanden na de dag van aanbieding van het aangetekend schrijven ingediend bij de bevoegde arbeidsrechtbank.) <W 1999-01-25/32, art. 224, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 6. De instelling of de dienst die ambtshalve een terugvordering uitvoert krachtens § 4, eerste, derde of vierde lid, en waaraan een verzoek is gericht op grond van het tweede lid van dezelfde paragraaf, geeft hieraan gevolg nadat zij haar eigen schuld heeft teruggevorderd.
Wanneer meerdere instellingen of diensten bij éénzelfde instelling of dienst een verzoek indienen op grond van § 4, tweede lid, wordt de ambtshalve terugvordering eerst uitgevoerd ten gunste van de meest gerede instelling of dienst.) <W 1999-01-25/32, art. 225, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
1° (de al dan niet provisionele uitkeringen tot onderhoud, door de rechter toegewezen, alsmede de uitkeringen die na echtscheiding aan de niet schuldige echtgenoot worden toegekend; <W 09-07-1975, art. 3>
2° de (pensioenen, aanpassingsuitkeringen, [2 overgangsuitkeringen,]2 renten, rentebijslagen) of als pensioen geldende voordelen betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst; <W 12-05-1971, art. 9,1°>
(2°bis. het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;) <W 2004-07-09/30, art. 300, 046; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
3° de werkloosheidsuitkeringen en de uitkeringen betaald door fondsen voor bestaanszekerheid;
4° de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en de invaliditeitsuitkeringen betaald krachtens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering of de wet van 16 juni 1960 die onder meer de maatschappelijke prestaties waarborgt ten gunste van de gewezen werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi en de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
5° de (uitkeringen, renten en toelagen) betaald krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen of beroepsziekten, of de genoemde wet van 16 juni 1960 of verzekeringsovereenkomsten aangegaan bij toepassing van de wetgeving op de overzeese sociale zekerheid, met uitzondering van het gedeelte van de uitkering bedoeld in § 2, 4°, van dit artikel; <W 12-05-1971, art.9,2°>
6° (...) <W 2005-12-27/31, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
7° de militievergoedingen bedoeld bij de wet van 9 juli 1951;
(8° de uitkering toegekend bij onderbreking van de beroepsloopbaan.) <W 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
§ 2. (De volgende schuldvorderingen zijn niet vatbaar voor overdracht of beslag ten laste van de rechthebbende :) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
1° (de gezinsbijslagen, met inbegrip van deze betaald krachtens de wetgeving betreffende de soldijtrekkende militairen;) <W 12-05-1971, art.9,3°>
2° de wezenpensioenen of -renten betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst;
3° (de tegemoetkomingen aan minder-validen;) <W 27-06-1969, art. 31, §1>
4° het gedeelte van de vergoedingen uitgekeerd krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen die 100 pct. overschrijdt en toegekend wordt aan zwaar verminkten wier toestand de hulp van een andere persoon volstrekt en (normaal vergt, evenals de bedragen toegekend voor de behoefte aan andermans hulp krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994); <W 1999-12-24/36, art. 95, 033; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
5° (de bedragen uit te keren :
1. aan de rechthebbende van geneeskundige verstrekkingen als tegemoetkoming ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen of krachtens de wet van 16 juni 1960 of de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
2. als kosten voor geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen of als kosten voor prothesen en orthopedische toestellen aan een door een arbeidsongeval of een beroepsziekte getroffen persoon krachtens de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen of de beroepsziekten.) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
(6° de bedragen uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden of als inkomensgarantie voor ouderen.) <W 2001-03-22/31, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 01-06-2001>
7° (de bedragen uitgekeerd als bestaansminimum;) <W 07-08-1974, art. 21, §2>
(8° de bedragen uitgekeerd als maatschappelijke dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <W 1993-01-14/34, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
9° [12 de financiële uitkering voorzien in hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022]12;
(10° de al dan niet provisionele vergoedingen voor prothesen, medische hulpmiddelen en implantaten.) <W 2003-04-22/42, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 29-05-2003>
(11° de bedragen bepaald in artikel 120 van de programmawet (I) van 27 december 2006 uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers;) <W 2006-12-27/30, art. 130, 060; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[8 12° de kostenvergoedingen bedoeld in artikel 10 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers;]8
[10 13° de bedragen bepaald in de artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers;]10
[13 14° de terugbetalingen van medische zorg en de herstelpensioenen bedoeld in de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme.]13
[8 De begunstigde van de in de bepaling onder 12° bedoelde kostenvergoedingen kan afstand doen van de onvatbaarheid voor beslag en van de onoverdraagbaarheid van de kostenvergoedingen.]8
§ 3. In afwijking van § 1, kan twee derde van het pensioen en van de sociale uitkeringen der personen in een ziekenhuis opgenomen op kosten van de commissies van openbare onderstand en van het speciaal onderstandsfonds, aan die instellingen worden overgedragen.
(De Koning kan de in het eerste lid bepaalde verhouding wijzigen.) <W 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2, kunnen de prestaties die ten onrechte uitgekeerd zijn uit de middelen van [9 de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Federaal agentschap voor beroepsrisico's, of van openbare of particuliere instellingen belast met de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen, hetzij uit de middelen die ingeschreven zijn in de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid of uit die ingeschreven in de begroting van de pensioenen met het oog op de toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, hetzij uit middelen dienstig voor de toekenning van het bestaansminimum of een gelijkaardige uitkering ingeschreven in de begroting van de Programmatorische federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie ]9 of uit die ingeschreven in de begroting van de pensioenen met het oog op de toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, hetzij uit middelen dienstig voor de toekenning van het bestaansminimum of een gelijkaardige uitkering ingeschreven in de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en uit die ingeschreven in de begrotingen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [3 hetzij uit de financiële middelen die aan de gemeenschappen en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie ter beschikking staan voor de betaling van de gezinsbijslag vanaf 1 januari 2015]3 [11 en voor de betaling van de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden]11 ambtshalve teruggevorderd worden ten belope van 10 % van iedere latere prestatie die aan de debiteur van het onverschuldigde bedrag of aan zijn rechthebbenden wordt uitgekeerd. [1 Hetzelfde geldt voor de intresten op die prestaties ingeval de onterechte betaling frauduleus werd uitgekeerd.]1
Voor het bepalen van deze 10 % wordt het bedrag van die prestatie desgevallend verhoogd met de overeenkomstige prestatie die krachtens één of meerdere buitenlandse regelingen wordt genoten.
Wanneer de in het eerste, derde en vierde lid, bedoelde terugvordering, niet meer kan worden uitgevoerd door de instelling of door de uitbetalingsdienst bij gebrek aan nog te betalen prestaties, kan die terugvordering op haar verzoek ambtshalve worden uitgevoerd door een instelling of dienst die één der prestaties bedoeld in § 1, 2°, 3°, 4°, 5° en 8° verschuldigd is, ten belope van 10 % van dat bedrag.
Werd de betaling ten onrechte bedrieglijk verkregen, dan kan de ambtshalve terugvordering [1 van de onverschuldigd betaalde prestaties en intresten op die bedragen]1 slaan op het geheel van de latere prestaties van éénzelfde aard of die door dezelfde instelling of dienst worden uitgekeerd.
Werden de gezinsbijslagen ten onrechte verkregen ingevolge een nalatigheid of een verzuim van de rechthebbende of van de bijslagtrekkende, dan kan de terugvordering slaan op het geheel van de gezinsbijslag die later verschuldigd is aan dezelfde bijslagtrekkende.
Indien de debiteur of zijn rechthebbenden het bewijs leveren dat het inkomen, zoals berekend volgens de principes vastgelegd in de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, lager ligt of komt te liggen ingevolge de ambtshalve terugvordering dan het bedrag van het bestaansminimum naargelang de onderscheiden categorieën vastgelegd in dezelfde wet, wordt de terugvordering naargelang het geval geschorst of beperkt.
Ter verificatie van de voorgelegde stukken beschikken de instellingen over de bevoegdheid om een onderzoek naar de bestaansmiddelen te voeren.
Alle federale overheidsdiensten, alle instellingen die belast zijn met de toepassing van een wetgeving betreffende de sociale zekerheid, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook de gerechtigden, hun lasthebbers, hun erfgenamen of rechtverkrijgenden zijn verplicht aan de instellingen en uitbetalingsdiensten, op eenvoudig verzoek, alle dienstige stukken voor te leggen.
De instelling of dienst die een voordeel uitbetaalt, voorzien in §§ 1 en 2, en met terugwerkende kracht verkregen, kan van de vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen het bedrag van de eerdere prestaties die niet samen met bedoelde voordelen mogen worden genoten, afhouden ten voordele van de instelling of dienst die ten onrechte uitbetaald heeft.
Indien een pensioengerechtigde, omwille van de toekenning van een rust- of overlevingspensioen lastens een Belgische sociale zekerheidsregeling, met terugwerkende kracht aan een met toepassing van artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders uitbetaald voordeel verzaakt, treedt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, van rechtswege en tot beloop van de ontvangen uitkeringen, in de rechten van de pensioengerechtigde op de hem verschuldigde pensioenbedragen.
Indien een gerechtigde op uitkeringen bedoeld in artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, omwille van de toekenning van die uitkeringen, met terugwerkende kracht verzaakt aan een rust- of overlevingspensioen, treedt de [4 de Federale Pensioendienst]4, van rechtswege en tot beloop van het ontvangen pensioen, in de rechten van de uitkeringsgerechtigde op de hem verschuldigde uitkeringsbedragen.) <W 1999-01-25/32, art. 223, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 5. De instelling of de dienst die § 4, tweede lid, toepast, brengt de debiteur hiervan op de hoogte, bij een ter post aangetekend schrijven. Deze brief vermeldt op straffe van nietigheid :
1° het terug te vorderen bedrag evenals de berekeningswijze van dat bedrag;
2° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de bevoegde rechtbank;
3° de instelling of de dienst waaraan de terugvordering gevraagd wordt, evenals de terugvorderingsmodaliteiten.
De instelling of de dienst bezorgt, bij gewone brief, aan de instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd :
1° de nodige gegevens ter identificering van de debiteur;
2° het bedrag van het terug te vorderen onverschuldigde bedrag en de terugvorderingsmodaliteiten;
3° de datum van de in voorgaand lid bedoelde notificatie;
4° elke wijziging van de hiervoor vermelde elementen.
De instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd, stelt de debiteur, bij gewone brief, in kennis van :
1° de naam van de instelling of de dienst die om de terugvordering heeft verzocht evenals het bedrag en de modaliteiten ervan;
2° de datum vanaf dewelke het onverschuldigde bedrag zal worden ingehouden.
De datum bedoeld in het derde lid, 2°, moet drie maanden later zijn dan de datum van de in het eerste lid bedoelde notificatie.
Het beroep bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt, op straffe van verval, binnen de drie maanden na de dag van aanbieding van het aangetekend schrijven ingediend bij de bevoegde arbeidsrechtbank.) <W 1999-01-25/32, art. 224, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 6. De instelling of de dienst die ambtshalve een terugvordering uitvoert krachtens § 4, eerste, derde of vierde lid, en waaraan een verzoek is gericht op grond van het tweede lid van dezelfde paragraaf, geeft hieraan gevolg nadat zij haar eigen schuld heeft teruggevorderd.
Wanneer meerdere instellingen of diensten bij éénzelfde instelling of dienst een verzoek indienen op grond van § 4, tweede lid, wordt de ambtshalve terugvordering eerst uitgevoerd ten gunste van de meest gerede instelling of dienst.) <W 1999-01-25/32, art. 225, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
Änderungen
Art. 1410 _REGION_WALLONNE.
§ 1er. L'art. 1409 (, § 1erbis, § 2 et § 3,) est en outre applicable: <L 2000-03-24/50, art. 4, 034; En vigueur : 14-05-2000>
1° (aux provisions et pensions alimentaires, adjugées par justice, ainsi qu'aux pensions allouées après divorce à l'époux non coupable) <L 09-07-1975, art. 3>;
2° aux (pensions, indemnités d'adaptation, [2 allocations de transition,]2 rentes, majorations de rente) ou avantages tenant lieu de pension, payés en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat <L 12-05-1971, art. 9, 1°>;
(2°bis. au pécule de vacances et au pécule complémentaire au pécule de vacances payés en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;) <L 2004-07-09/30, art. 300, 046; En vigueur : 25-07-2004>
3° aux allocations de chômage et aux allocations payées par les fonds de sécurité d'existence;
4° aux indemnités pour incapacité de travail et aux allocations d'invalidité payées en vertu de la législation relative à l'assurance maladie-invalidité ou, de la loi du 16 juin 1960 portant notamment garantie des prestations sociales assurées en faveur des anciens employés du Congo belge et du Ruanda Urundi et de la législation relative à la sécurité sociale d'outre-mer;
5° aux (indemnités, rentes et allocations) payés en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail ou des maladies professionnelles, de la dite loi du 16 juin 1960 ou de contrats d'assurance souscrits en application des dispositions de la législation prévue au § 2, 4°, du présent article <L 12-05-1971, art 9, 2°>;
6° (...) <L 2005-12-27/31, art. 3, 054; En vigueur : 09-01-2006>
7° aux indemnités de milice prévues par la loi du 9 juillet 1951;
(8° à l'indemnité accordée en cas d'interruption de la carrière professionnelle.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
§ 2. (Ne sont ni cessibles ni saisissables à charge du bénéficiaire les créances suivantes :) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
1° (Les prestations familiales, y compris celles payées en vertu de la législation portant indemnité des militaires soldés) <L 12-05-1971, art. 9, 3°>
2° Les pensions et rentes d'orphelins payées en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat;
3° (Les allocations au profit des handicapés) <L 27-06-1969, art. 31, § 1er, 2°>
4° La partie de l'indemnité payée en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, qui dépasse 100 p.c. et qui est accordée aux grands blessés dont l'état nécessite absolument et normalement l'assistance (d'une autre personne, ainsi que les montants accordés au titre d'aide d'une tierce personne en vertu de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994); <L 1999-12-24/36, art. 95, 033; En vigueur : 10-01-2000>
5° (les sommes à payer :
1. au bénéficiaire de prestations de santé, à titre d'intervention à charge de l'assurance soins de santé et indemnités ou en vertu de la loi du 16 juin 1960 ou de la législation relative à la sécurité sociale d'outremer;
2. à titre de soins médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers ou de frais d'appareils de prothèse et d'orthopédie à une personne victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, conformément à la législation sur les accidents du travail ou les maladies professionnelles.) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
(6° les sommes payées à titre de revenu garanti ou de garantie de revenus aux personnes âgées.) <L 2001-03-22/31, art. 3, 038; En vigueur : 01-06-2001>
(7° les sommes payées à titre de minimum de moyens d'existence) <L 07-08-1974, art. 21, § 2>
(8° les sommes payées a titre d'aide sociale par les centres publics d'aide sociale.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 2°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
9° [12 à la prestation financière visée au chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022]12;
(10° les indemnités, provisionnelles ou non, afférentes à des prothèses, à des dispositifs médicaux et à des implants.) <L 2003-04-22/42, art. 2, 042; En vigueur : 29-05-2003>
(11° les sommes visées à l'article 120 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation des victimes de l'amiante;) <L 2006-12-27/30, art. 130, 060; En vigueur : 01-04-2007>
[8 12° les défraiements visés à l'article 10 de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires;]8
[10 13° les sommes visées aux articles 15 et 16 de l'arrêté royal n° 22 du 4 juin 2020 portant création d'un Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19;]10
[13 14° les remboursements de soins de santé et les pensions de dédommagement visés dans la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l'octroi d'une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d'actes de terrorisme.]13
[8 Le bénéficiaire de défraiements visés au 12° peut renoncer à l'insaisissabilité et à l'incessibilité de ces défraiements.]8
§ 3. Par dérogation au paragraphe premier, les deux tiers des pensions et allocations sociales auxquelles peuvent prétendre les personnes hospitalisées aux frais des commissions d'assistance publique et du fonds spécial d'assistance peuvent être cédés à ces institutions.
(Le Roi peut modifier la proportion fixée à l'alinéa 1er.) <L 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, les prestations payées indûment soit à l'aide des ressources [9 de l'Office national de sécurité sociale, de l'Agence fédérale des risques professionnels ou des organismes publics ou privés chargés de l'application de la législation relative au statut social des travailleurs indépendants, soit à l'aide des ressources inscrites au budget du Service public fédéral Sécurité sociale ou de celles inscrites au budget des pensions en vue de l'octroi de revenu garanti aux personnes âgées, soit à l'aide des ressources en vue de l'octroi du minimum de moyens d'existence ou d'une allocation de même nature inscrites au budget du Service public fédéral de programmation Intégration et économie sociales, Lutte contre la pauvreté ]9 et de celles inscrites aux budgets des centres publics d'aide sociale, [3 soit à l'aide des moyens financiers mis à disposition des communautés et de la Commission communautaire commune en vue du paiement des prestations familiales à dater du 1er janvier 2015]3 [11 et en vue du paiement des allocations pour l'aide aux personnes âgées à dater du 1er janvier 2021]11 peuvent être récupérées d'office à concurrence de 10 % de chaque prestation ultérieure fournie au débiteur de l'indu ou à ses ayants-droit. [1 Il en est de même pour les intérêts afférents à ces prestations lorsque le paiement indû a été obtenu frauduleusement.]1
Pour la détermination de ces 10 %, le montant de cette prestation est augmenté, le cas échéant, de la prestation correspondante accordée en vertu d'une ou de plusieurs réglementations étrangères.
Lorsque la récupération visée aux alinéas 1er, 3 et 4, ne peut plus être effectuée par l'organisme ou le service créancier à défaut de prestation encore due par lui, elle peut être opérée d'office à la demande de celui-ci, par un organisme ou service versant l'une des prestations visées au § 1er, 2°, 3°, 4°, 5° et 8°, à concurrence de 10 % du montant de celle-ci.
Lorsque le paiement indu a été obtenu frauduleusement, la récupération d'office [1 des prestations indûment versées et des intérêts afférents à ces sommes]1 peut porter sur l'intégralité des prestations fournies ultérieurement qui sont de même nature ou qui sont versées par le même organisme ou service.
Lorsque les prestations familiales ont été obtenues indûment suite à une négligence ou à une omission de l'attributaire ou de l'allocataire, la récupération peut porter sur l'intégralité des prestations familiales dues ultérieurement au même allocataire.
Si le débiteur ou ses ayants-droit prouvent que le revenu, calculé selon les principes établis dans la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, est inférieur ou devient inférieur, suite à la récupération d'office, au montant du minimum de moyens d'existence selon les diverses catégories comme prévu dans la même loi, la récupération est selon le cas suspendue ou limitée.
Pour la vérification des pièces soumises, les organismes disposent de la compétence d'examen des moyens d'existence.
Toutes les administrations publiques fédérales, tous les organismes chargés de l'application d'une législation sur la sécurité sociale, les accidents du travail et les maladies professionnelles, les centres publics d'aide sociale, ainsi que les bénéficiaires, leurs mandataires, leurs héritiers ou ayants-droit sont tenus de communiquer aux organismes et services de paiement, sur simple réquisition, tout document utile.
L'organisme ou le service payeur d'un avantage prévu aux §§ 1er et 2, et obtenu avec effet rétroactif, peut déduire des sommes échues et non encore payées, au profit de l'organisme ou du service qui a payé indûment, le montant des prestations fournies antérieurement et qui ne peuvent être cumulées avec lesdits avantages.
Lorsqu'un bénéficiaire de pension a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi d'une pension de retraite ou de survie à charge d'un régime belge de sécurité sociale, aux allocations perçues en vertu de l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs, l'Office national de l'Emploi est subrogé d'office et pour le montant des allocations perçues, dans le droit du bénéficiaire de pension aux montants de pension qui lui sont dus.
Lorsqu'un bénéficiaire d'allocations visées à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi de ces allocations, à une pension de retraite ou de survie, [4 le Service fédéral des Pensions]4 est subrogé d'office et pour le montant de la pension perçue, dans le droit du bénéficiaire des allocations aux montants des allocations qui lui sont dus.) <L 1999-01-25/32, art. 223, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 5. L'organisme ou le service qui fait application du § 4, alinéa 2, le porte à la connaissance du débiteur par lettre recommandée a la poste. Cette lettre mentionne sous peine de nullité :
1° le montant à récupérer ainsi que le mode de calcul de ce montant;
2° la possibilité d'introduire un recours devant la juridiction compétente;
3° l'organisme ou le service auquel la récupération est demandée, ainsi que les modalités de récupération.
L'organisme ou le service fournit, par simple lettre, à l'organisme ou au service auquel la récupération est demandée :
1° les données nécessaires pour identifier le débiteur;
2° le montant de l'indu à récupérer et les modalités de récupération;
3° la date de la notification visée à l'alinéa précédent;
4° toute modification des éléments visés ci-dessus.
L'organisme ou le service auquel la récupération est demandée communique au débiteur, par envoi ordinaire :
1° le nom de l'organisme ou du service d'où provient la demande de récupération ainsi que le montant et les modalités de celle-ci;
2° la date à partir de laquelle l'indu sera récupéré.
La date visée à l'alinéa 3, 2°, doit être postérieure de trois mois à la date de la notification visée à l'alinéa 1er.
Le recours visé à l'alinéa 1er, 2°, est porté devant le Tribunal du travail compétent dans les trois mois de la date de présentation du pli recommandé, et ce, à peine de forclusion.) <L 1999-01-25/32, art. 224, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 6. L'organisme ou le service qui procède à une récupération d'office en vertu du § 4, alinéa 1er, 3 ou 4, et qui est saisi d'une demande fondée sur l'alinéa 2 du même paragraphe, donne suite à celle-ci après avoir récupéré sa propre créance.
Lorsque plusieurs organismes ou services introduisent auprès d'un même organisme ou service une demande fondée sur le § 4, alinéa 2, la récupération d'office s'opère d'abord en faveur de l'organisme ou du service le plus diligent.) <L 1999-01-25/32, art. 225, 029; En vigueur : 16-02-1999>
§ 1er. L'art. 1409 (, § 1erbis, § 2 et § 3,) est en outre applicable: <L 2000-03-24/50, art. 4, 034; En vigueur : 14-05-2000>
1° (aux provisions et pensions alimentaires, adjugées par justice, ainsi qu'aux pensions allouées après divorce à l'époux non coupable) <L 09-07-1975, art. 3>;
2° aux (pensions, indemnités d'adaptation, [2 allocations de transition,]2 rentes, majorations de rente) ou avantages tenant lieu de pension, payés en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat <L 12-05-1971, art. 9, 1°>;
(2°bis. au pécule de vacances et au pécule complémentaire au pécule de vacances payés en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;) <L 2004-07-09/30, art. 300, 046; En vigueur : 25-07-2004>
3° aux allocations de chômage et aux allocations payées par les fonds de sécurité d'existence;
4° aux indemnités pour incapacité de travail et aux allocations d'invalidité payées en vertu de la législation relative à l'assurance maladie-invalidité ou, de la loi du 16 juin 1960 portant notamment garantie des prestations sociales assurées en faveur des anciens employés du Congo belge et du Ruanda Urundi et de la législation relative à la sécurité sociale d'outre-mer;
5° aux (indemnités, rentes et allocations) payés en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail ou des maladies professionnelles, de la dite loi du 16 juin 1960 ou de contrats d'assurance souscrits en application des dispositions de la législation prévue au § 2, 4°, du présent article <L 12-05-1971, art 9, 2°>;
6° (...) <L 2005-12-27/31, art. 3, 054; En vigueur : 09-01-2006>
7° aux indemnités de milice prévues par la loi du 9 juillet 1951;
(8° à l'indemnité accordée en cas d'interruption de la carrière professionnelle.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
§ 2. (Ne sont ni cessibles ni saisissables à charge du bénéficiaire les créances suivantes :) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
1° (Les prestations familiales, y compris celles payées en vertu de la législation portant indemnité des militaires soldés) <L 12-05-1971, art. 9, 3°>
2° Les pensions et rentes d'orphelins payées en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat;
3° (Les allocations au profit des handicapés) <L 27-06-1969, art. 31, § 1er, 2°>
4° La partie de l'indemnité payée en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, qui dépasse 100 p.c. et qui est accordée aux grands blessés dont l'état nécessite absolument et normalement l'assistance (d'une autre personne, ainsi que les montants accordés au titre d'aide d'une tierce personne en vertu de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994); <L 1999-12-24/36, art. 95, 033; En vigueur : 10-01-2000>
5° (les sommes à payer :
1. au bénéficiaire de prestations de santé, à titre d'intervention à charge de l'assurance soins de santé et indemnités ou en vertu de la loi du 16 juin 1960 ou de la législation relative à la sécurité sociale d'outremer;
2. à titre de soins médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers ou de frais d'appareils de prothèse et d'orthopédie à une personne victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, conformément à la législation sur les accidents du travail ou les maladies professionnelles.) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
(6° les sommes payées à titre de revenu garanti ou de garantie de revenus aux personnes âgées.) <L 2001-03-22/31, art. 3, 038; En vigueur : 01-06-2001>
(7° les sommes payées à titre de minimum de moyens d'existence) <L 07-08-1974, art. 21, § 2>
(8° les sommes payées a titre d'aide sociale par les centres publics d'aide sociale.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 2°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
9° [12 à la prestation financière visée au chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022]12;
(10° les indemnités, provisionnelles ou non, afférentes à des prothèses, à des dispositifs médicaux et à des implants.) <L 2003-04-22/42, art. 2, 042; En vigueur : 29-05-2003>
(11° les sommes visées à l'article 120 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation des victimes de l'amiante;) <L 2006-12-27/30, art. 130, 060; En vigueur : 01-04-2007>
[8 12° les défraiements visés à l'article 10 de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires;]8
[10 13° les sommes visées aux articles 15 et 16 de l'arrêté royal n° 22 du 4 juin 2020 portant création d'un Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19;]10
[13 14° les remboursements de soins de santé et les pensions de dédommagement visés dans la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l'octroi d'une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d'actes de terrorisme.]13
[8 Le bénéficiaire de défraiements visés au 12° peut renoncer à l'insaisissabilité et à l'incessibilité de ces défraiements.]8
§ 3. Par dérogation au paragraphe premier, les deux tiers des pensions et allocations sociales auxquelles peuvent prétendre les personnes hospitalisées aux frais des commissions d'assistance publique et du fonds spécial d'assistance peuvent être cédés à ces institutions.
(Le Roi peut modifier la proportion fixée à l'alinéa 1er.) <L 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, les prestations payées indûment soit à l'aide des ressources [9 de l'Office national de sécurité sociale, de l'Agence fédérale des risques professionnels ou des organismes publics ou privés chargés de l'application de la législation relative au statut social des travailleurs indépendants, soit à l'aide des ressources inscrites au budget du Service public fédéral Sécurité sociale ou de celles inscrites au budget des pensions en vue de l'octroi de revenu garanti aux personnes âgées, soit à l'aide des ressources en vue de l'octroi du minimum de moyens d'existence ou d'une allocation de même nature inscrites au budget du Service public fédéral de programmation Intégration et économie sociales, Lutte contre la pauvreté ]9 et de celles inscrites aux budgets des centres publics d'aide sociale, [3 soit à l'aide des moyens financiers mis à disposition des communautés et de la Commission communautaire commune en vue du paiement des prestations familiales à dater du 1er janvier 2015]3 [11 et en vue du paiement des allocations pour l'aide aux personnes âgées à dater du 1er janvier 2021]11 peuvent être récupérées d'office à concurrence de 10 % de chaque prestation ultérieure fournie au débiteur de l'indu ou à ses ayants-droit. [1 Il en est de même pour les intérêts afférents à ces prestations lorsque le paiement indû a été obtenu frauduleusement.]1
Pour la détermination de ces 10 %, le montant de cette prestation est augmenté, le cas échéant, de la prestation correspondante accordée en vertu d'une ou de plusieurs réglementations étrangères.
Lorsque la récupération visée aux alinéas 1er, 3 et 4, ne peut plus être effectuée par l'organisme ou le service créancier à défaut de prestation encore due par lui, elle peut être opérée d'office à la demande de celui-ci, par un organisme ou service versant l'une des prestations visées au § 1er, 2°, 3°, 4°, 5° et 8°, à concurrence de 10 % du montant de celle-ci.
Lorsque le paiement indu a été obtenu frauduleusement, la récupération d'office [1 des prestations indûment versées et des intérêts afférents à ces sommes]1 peut porter sur l'intégralité des prestations fournies ultérieurement qui sont de même nature ou qui sont versées par le même organisme ou service.
Lorsque les prestations familiales ont été obtenues indûment suite à une négligence ou à une omission de l'attributaire ou de l'allocataire, la récupération peut porter sur l'intégralité des prestations familiales dues ultérieurement au même allocataire.
Si le débiteur ou ses ayants-droit prouvent que le revenu, calculé selon les principes établis dans la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, est inférieur ou devient inférieur, suite à la récupération d'office, au montant du minimum de moyens d'existence selon les diverses catégories comme prévu dans la même loi, la récupération est selon le cas suspendue ou limitée.
Pour la vérification des pièces soumises, les organismes disposent de la compétence d'examen des moyens d'existence.
Toutes les administrations publiques fédérales, tous les organismes chargés de l'application d'une législation sur la sécurité sociale, les accidents du travail et les maladies professionnelles, les centres publics d'aide sociale, ainsi que les bénéficiaires, leurs mandataires, leurs héritiers ou ayants-droit sont tenus de communiquer aux organismes et services de paiement, sur simple réquisition, tout document utile.
L'organisme ou le service payeur d'un avantage prévu aux §§ 1er et 2, et obtenu avec effet rétroactif, peut déduire des sommes échues et non encore payées, au profit de l'organisme ou du service qui a payé indûment, le montant des prestations fournies antérieurement et qui ne peuvent être cumulées avec lesdits avantages.
Lorsqu'un bénéficiaire de pension a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi d'une pension de retraite ou de survie à charge d'un régime belge de sécurité sociale, aux allocations perçues en vertu de l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs, l'Office national de l'Emploi est subrogé d'office et pour le montant des allocations perçues, dans le droit du bénéficiaire de pension aux montants de pension qui lui sont dus.
Lorsqu'un bénéficiaire d'allocations visées à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi de ces allocations, à une pension de retraite ou de survie, [4 le Service fédéral des Pensions]4 est subrogé d'office et pour le montant de la pension perçue, dans le droit du bénéficiaire des allocations aux montants des allocations qui lui sont dus.) <L 1999-01-25/32, art. 223, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 5. L'organisme ou le service qui fait application du § 4, alinéa 2, le porte à la connaissance du débiteur par lettre recommandée a la poste. Cette lettre mentionne sous peine de nullité :
1° le montant à récupérer ainsi que le mode de calcul de ce montant;
2° la possibilité d'introduire un recours devant la juridiction compétente;
3° l'organisme ou le service auquel la récupération est demandée, ainsi que les modalités de récupération.
L'organisme ou le service fournit, par simple lettre, à l'organisme ou au service auquel la récupération est demandée :
1° les données nécessaires pour identifier le débiteur;
2° le montant de l'indu à récupérer et les modalités de récupération;
3° la date de la notification visée à l'alinéa précédent;
4° toute modification des éléments visés ci-dessus.
L'organisme ou le service auquel la récupération est demandée communique au débiteur, par envoi ordinaire :
1° le nom de l'organisme ou du service d'où provient la demande de récupération ainsi que le montant et les modalités de celle-ci;
2° la date à partir de laquelle l'indu sera récupéré.
La date visée à l'alinéa 3, 2°, doit être postérieure de trois mois à la date de la notification visée à l'alinéa 1er.
Le recours visé à l'alinéa 1er, 2°, est porté devant le Tribunal du travail compétent dans les trois mois de la date de présentation du pli recommandé, et ce, à peine de forclusion.) <L 1999-01-25/32, art. 224, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 6. L'organisme ou le service qui procède à une récupération d'office en vertu du § 4, alinéa 1er, 3 ou 4, et qui est saisi d'une demande fondée sur l'alinéa 2 du même paragraphe, donne suite à celle-ci après avoir récupéré sa propre créance.
Lorsque plusieurs organismes ou services introduisent auprès d'un même organisme ou service une demande fondée sur le § 4, alinéa 2, la récupération d'office s'opère d'abord en faveur de l'organisme ou du service le plus diligent.) <L 1999-01-25/32, art. 225, 029; En vigueur : 16-02-1999>
Änderungen
Art. 1410_VLAAMS_GEWEST. § 1. Artikel 1409 (, § 1bis, § 2 en § 3,) vindt bovendien toepassing op: <W 2000-03-24/50, art. 4, 034; Inwerkingtreding : 14-05-2000>
1° (de al dan niet provisionele uitkeringen tot onderhoud, door de rechter toegewezen, alsmede de uitkeringen die na echtscheiding aan de niet schuldige echtgenoot worden toegekend; <W 09-07-1975, art. 3>
2° de (pensioenen, aanpassingsuitkeringen, [2 overgangsuitkeringen,]2 renten, rentebijslagen) of als pensioen geldende voordelen betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst; <W 12-05-1971, art. 9,1°>
(2°bis. het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;) <W 2004-07-09/30, art. 300, 046; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
3° de werkloosheidsuitkeringen en de uitkeringen betaald door fondsen voor bestaanszekerheid;
4° de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en de invaliditeitsuitkeringen betaald krachtens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering of de wet van 16 juni 1960 die onder meer de maatschappelijke prestaties waarborgt ten gunste van de gewezen werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi en de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
5° de (uitkeringen, renten en toelagen) betaald krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen of beroepsziekten, of de genoemde wet van 16 juni 1960 of verzekeringsovereenkomsten aangegaan bij toepassing van de wetgeving op de overzeese sociale zekerheid, met uitzondering van het gedeelte van de uitkering bedoeld in § 2, 4°, van dit artikel; <W 12-05-1971, art.9,2°>
6° (...) <W 2005-12-27/31, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
7° de militievergoedingen bedoeld bij de wet van 9 juli 1951;
(8° de uitkering toegekend bij onderbreking van de beroepsloopbaan.) <W 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
§ 2. (De volgende schuldvorderingen zijn niet vatbaar voor overdracht of beslag ten laste van de rechthebbende [9 of de begunstigde, zoals gedefinieerd in artikel 3, § 3, 1°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid of de bijslagtrekkende zoals gedefinieerd in artikel 3, § 1, 8°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid]9:) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
1° [9 de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;]9
2° de wezenpensioenen of -renten betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst;
3° (de tegemoetkomingen aan minder-validen;) <W 27-06-1969, art. 31, §1>
4° het gedeelte van de vergoedingen uitgekeerd krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen die 100 pct. overschrijdt en toegekend wordt aan zwaar verminkten wier toestand de hulp van een andere persoon volstrekt en (normaal vergt, evenals de bedragen toegekend voor de behoefte aan andermans hulp krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994); <W 1999-12-24/36, art. 95, 033; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
5° (de bedragen uit te keren :
1. aan de rechthebbende van geneeskundige verstrekkingen als tegemoetkoming ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen of krachtens de wet van 16 juni 1960 of de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
2. als kosten voor geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen of als kosten voor prothesen en orthopedische toestellen aan een door een arbeidsongeval of een beroepsziekte getroffen persoon krachtens de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen of de beroepsziekten.) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
(6° de bedragen uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden of als inkomensgarantie voor ouderen.) <W 2001-03-22/31, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 01-06-2001>
7° (de bedragen uitgekeerd als bestaansminimum;) <W 07-08-1974, art. 21, §2>
(8° de bedragen uitgekeerd als maatschappelijke dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <W 1993-01-14/34, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
9° [14 de financiële uitkering voorzien in hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022]14;
(10° de al dan niet provisionele vergoedingen voor prothesen, medische hulpmiddelen en implantaten.) <W 2003-04-22/42, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 29-05-2003>
(11° de bedragen bepaald in artikel 120 van de programmawet (I) van 27 december 2006 uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers;) <W 2006-12-27/30, art. 130, 060; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[10 12° de bedragen uit te keren of uitgekeerd aan gebruikers als tegemoetkomingen als vermeld in het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming.]10
[11 12° [16 ...]16]11
[8 12° de kostenvergoedingen bedoeld in artikel 10 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers.]8
[12 13° de bedragen bepaald in de artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers;]12
[15 14° de terugbetalingen van medische zorg en de herstelpensioenen bedoeld in de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme.]15
[8 De begunstigde van de in de bepaling onder 12° bedoelde kostenvergoedingen kan afstand doen van de onvatbaarheid voor beslag en van de onoverdraagbaarheid van de kostenvergoedingen.]8
§ 3. In afwijking van § 1, kan twee derde van het pensioen en van de sociale uitkeringen der personen in een ziekenhuis opgenomen op kosten van de commissies van openbare onderstand en van het speciaal onderstandsfonds, aan die instellingen worden overgedragen.
(De Koning kan de in het eerste lid bepaalde verhouding wijzigen.) <W 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2, kunnen de prestaties die ten onrechte uitgekeerd zijn uit de middelen van [13 de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Federaal agentschap voor beroepsrisico's, of van openbare of particuliere instellingen belast met de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen, hetzij uit de middelen die ingeschreven zijn in de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid of uit die ingeschreven in de begroting van de pensioenen met het oog op de toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, hetzij uit middelen dienstig voor de toekenning van het bestaansminimum of een gelijkaardige uitkering ingeschreven in de begroting van de Programmatorische federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie]13 en uit die ingeschreven in de begrotingen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [3 hetzij uit de financiële middelen die aan de gemeenschappen en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie ter beschikking staan voor de betaling van de [9 toelagen in het kader van het gezinsbeleid]9 vanaf 1 januari 2015]3 ambtshalve teruggevorderd worden ten belope van 10 % van iedere latere prestatie die aan de debiteur van het onverschuldigde bedrag of aan zijn rechthebbenden wordt uitgekeerd. [1 Hetzelfde geldt voor de intresten op die prestaties ingeval de onterechte betaling frauduleus werd uitgekeerd.]1
Voor het bepalen van deze 10 % wordt het bedrag van die prestatie desgevallend verhoogd met de overeenkomstige prestatie die krachtens één of meerdere buitenlandse regelingen wordt genoten.
Wanneer de in het eerste, derde en vierde lid, bedoelde terugvordering [9 van andere prestaties dan toelagen in het kader van het gezinsbeleid]9, niet meer kan worden uitgevoerd door de instelling of door de uitbetalingsdienst bij gebrek aan nog te betalen prestaties, kan die terugvordering op haar verzoek ambtshalve worden uitgevoerd door een instelling of dienst die één der prestaties bedoeld in § 1, 2°, 3°, 4°, 5° en 8° verschuldigd is, ten belope van 10 % van dat bedrag.
Werd de betaling ten onrechte bedrieglijk verkregen, dan kan de ambtshalve terugvordering [1 van de onverschuldigd betaalde prestaties en intresten op die bedragen]1 slaan op het geheel van de latere prestaties van éénzelfde aard of die door dezelfde instelling of dienst worden uitgekeerd.
[9 Als toelagen in het kader van het gezinsbeleid ten onrechte zijn verkregen ingevolge een nalatigheid of een verzuim van de begunstigde, kan de terugvordering slaan op het geheel van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid die later verschuldigd zijn aan dezelfde begunstigde.]9
Indien de debiteur of zijn rechthebbenden het bewijs leveren dat het inkomen, zoals berekend volgens de principes vastgelegd in de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, lager ligt of komt te liggen ingevolge de ambtshalve terugvordering dan het bedrag van het bestaansminimum naargelang de onderscheiden categorieën vastgelegd in dezelfde wet, wordt de terugvordering naargelang het geval geschorst of beperkt.
Ter verificatie van de voorgelegde stukken beschikken de instellingen over de bevoegdheid om een onderzoek naar de bestaansmiddelen te voeren.
Alle federale overheidsdiensten, alle instellingen die belast zijn met de toepassing van een wetgeving betreffende de sociale zekerheid, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook de gerechtigden, hun lasthebbers, hun erfgenamen of rechtverkrijgenden zijn verplicht aan de instellingen en uitbetalingsdiensten, op eenvoudig verzoek, alle dienstige stukken voor te leggen.
De instelling of dienst die een voordeel uitbetaalt, voorzien in §§ 1 en 2, en met terugwerkende kracht verkregen, kan van de vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen het bedrag van de eerdere prestaties die niet samen met bedoelde voordelen mogen worden genoten, afhouden ten voordele van de instelling of dienst die ten onrechte uitbetaald heeft.
Indien een pensioengerechtigde, omwille van de toekenning van een rust- of overlevingspensioen lastens een Belgische sociale zekerheidsregeling, met terugwerkende kracht aan een met toepassing van artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders uitbetaald voordeel verzaakt, treedt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, van rechtswege en tot beloop van de ontvangen uitkeringen, in de rechten van de pensioengerechtigde op de hem verschuldigde pensioenbedragen.
Indien een gerechtigde op uitkeringen bedoeld in artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, omwille van de toekenning van die uitkeringen, met terugwerkende kracht verzaakt aan een rust- of overlevingspensioen, treedt de [4 de Federale Pensioendienst]4, van rechtswege en tot beloop van het ontvangen pensioen, in de rechten van de uitkeringsgerechtigde op de hem verschuldigde uitkeringsbedragen.) <W 1999-01-25/32, art. 223, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 5. De instelling of de dienst die § 4, tweede lid, toepast, brengt de debiteur hiervan op de hoogte, bij een ter post aangetekend schrijven. Deze brief vermeldt op straffe van nietigheid :
1° het terug te vorderen bedrag evenals de berekeningswijze van dat bedrag;
2° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de bevoegde rechtbank;
3° de instelling of de dienst waaraan de terugvordering gevraagd wordt, evenals de terugvorderingsmodaliteiten.
De instelling of de dienst bezorgt, bij gewone brief, aan de instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd :
1° de nodige gegevens ter identificering van de debiteur;
2° het bedrag van het terug te vorderen onverschuldigde bedrag en de terugvorderingsmodaliteiten;
3° de datum van de in voorgaand lid bedoelde notificatie;
4° elke wijziging van de hiervoor vermelde elementen.
De instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd, stelt de debiteur, bij gewone brief, in kennis van :
1° de naam van de instelling of de dienst die om de terugvordering heeft verzocht evenals het bedrag en de modaliteiten ervan;
2° de datum vanaf dewelke het onverschuldigde bedrag zal worden ingehouden.
De datum bedoeld in het derde lid, 2°, moet drie maanden later zijn dan de datum van de in het eerste lid bedoelde notificatie.
Het beroep bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt, op straffe van verval, binnen de drie maanden na de dag van aanbieding van het aangetekend schrijven ingediend bij de bevoegde arbeidsrechtbank.) <W 1999-01-25/32, art. 224, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 6. De instelling of de dienst die ambtshalve een terugvordering uitvoert krachtens § 4, eerste, derde of vierde lid, en waaraan een verzoek is gericht op grond van het tweede lid van dezelfde paragraaf, geeft hieraan gevolg nadat zij haar eigen schuld heeft teruggevorderd.
Wanneer meerdere instellingen of diensten bij éénzelfde instelling of dienst een verzoek indienen op grond van § 4, tweede lid, wordt de ambtshalve terugvordering eerst uitgevoerd ten gunste van de meest gerede instelling of dienst.) <W 1999-01-25/32, art. 225, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
1° (de al dan niet provisionele uitkeringen tot onderhoud, door de rechter toegewezen, alsmede de uitkeringen die na echtscheiding aan de niet schuldige echtgenoot worden toegekend; <W 09-07-1975, art. 3>
2° de (pensioenen, aanpassingsuitkeringen, [2 overgangsuitkeringen,]2 renten, rentebijslagen) of als pensioen geldende voordelen betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst; <W 12-05-1971, art. 9,1°>
(2°bis. het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;) <W 2004-07-09/30, art. 300, 046; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
3° de werkloosheidsuitkeringen en de uitkeringen betaald door fondsen voor bestaanszekerheid;
4° de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en de invaliditeitsuitkeringen betaald krachtens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering of de wet van 16 juni 1960 die onder meer de maatschappelijke prestaties waarborgt ten gunste van de gewezen werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi en de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
5° de (uitkeringen, renten en toelagen) betaald krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen of beroepsziekten, of de genoemde wet van 16 juni 1960 of verzekeringsovereenkomsten aangegaan bij toepassing van de wetgeving op de overzeese sociale zekerheid, met uitzondering van het gedeelte van de uitkering bedoeld in § 2, 4°, van dit artikel; <W 12-05-1971, art.9,2°>
6° (...) <W 2005-12-27/31, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
7° de militievergoedingen bedoeld bij de wet van 9 juli 1951;
(8° de uitkering toegekend bij onderbreking van de beroepsloopbaan.) <W 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
§ 2. (De volgende schuldvorderingen zijn niet vatbaar voor overdracht of beslag ten laste van de rechthebbende [9 of de begunstigde, zoals gedefinieerd in artikel 3, § 3, 1°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid of de bijslagtrekkende zoals gedefinieerd in artikel 3, § 1, 8°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid]9:) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
1° [9 de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;]9
2° de wezenpensioenen of -renten betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst;
3° (de tegemoetkomingen aan minder-validen;) <W 27-06-1969, art. 31, §1>
4° het gedeelte van de vergoedingen uitgekeerd krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen die 100 pct. overschrijdt en toegekend wordt aan zwaar verminkten wier toestand de hulp van een andere persoon volstrekt en (normaal vergt, evenals de bedragen toegekend voor de behoefte aan andermans hulp krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994); <W 1999-12-24/36, art. 95, 033; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
5° (de bedragen uit te keren :
1. aan de rechthebbende van geneeskundige verstrekkingen als tegemoetkoming ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen of krachtens de wet van 16 juni 1960 of de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
2. als kosten voor geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen of als kosten voor prothesen en orthopedische toestellen aan een door een arbeidsongeval of een beroepsziekte getroffen persoon krachtens de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen of de beroepsziekten.) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
(6° de bedragen uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden of als inkomensgarantie voor ouderen.) <W 2001-03-22/31, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 01-06-2001>
7° (de bedragen uitgekeerd als bestaansminimum;) <W 07-08-1974, art. 21, §2>
(8° de bedragen uitgekeerd als maatschappelijke dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <W 1993-01-14/34, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
9° [14 de financiële uitkering voorzien in hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022]14;
(10° de al dan niet provisionele vergoedingen voor prothesen, medische hulpmiddelen en implantaten.) <W 2003-04-22/42, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 29-05-2003>
(11° de bedragen bepaald in artikel 120 van de programmawet (I) van 27 december 2006 uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers;) <W 2006-12-27/30, art. 130, 060; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[10 12° de bedragen uit te keren of uitgekeerd aan gebruikers als tegemoetkomingen als vermeld in het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming.]10
[11 12° [16 ...]16]11
[8 12° de kostenvergoedingen bedoeld in artikel 10 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers.]8
[12 13° de bedragen bepaald in de artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers;]12
[15 14° de terugbetalingen van medische zorg en de herstelpensioenen bedoeld in de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme.]15
[8 De begunstigde van de in de bepaling onder 12° bedoelde kostenvergoedingen kan afstand doen van de onvatbaarheid voor beslag en van de onoverdraagbaarheid van de kostenvergoedingen.]8
§ 3. In afwijking van § 1, kan twee derde van het pensioen en van de sociale uitkeringen der personen in een ziekenhuis opgenomen op kosten van de commissies van openbare onderstand en van het speciaal onderstandsfonds, aan die instellingen worden overgedragen.
(De Koning kan de in het eerste lid bepaalde verhouding wijzigen.) <W 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2, kunnen de prestaties die ten onrechte uitgekeerd zijn uit de middelen van [13 de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Federaal agentschap voor beroepsrisico's, of van openbare of particuliere instellingen belast met de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen, hetzij uit de middelen die ingeschreven zijn in de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid of uit die ingeschreven in de begroting van de pensioenen met het oog op de toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, hetzij uit middelen dienstig voor de toekenning van het bestaansminimum of een gelijkaardige uitkering ingeschreven in de begroting van de Programmatorische federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie]13 en uit die ingeschreven in de begrotingen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [3 hetzij uit de financiële middelen die aan de gemeenschappen en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie ter beschikking staan voor de betaling van de [9 toelagen in het kader van het gezinsbeleid]9 vanaf 1 januari 2015]3 ambtshalve teruggevorderd worden ten belope van 10 % van iedere latere prestatie die aan de debiteur van het onverschuldigde bedrag of aan zijn rechthebbenden wordt uitgekeerd. [1 Hetzelfde geldt voor de intresten op die prestaties ingeval de onterechte betaling frauduleus werd uitgekeerd.]1
Voor het bepalen van deze 10 % wordt het bedrag van die prestatie desgevallend verhoogd met de overeenkomstige prestatie die krachtens één of meerdere buitenlandse regelingen wordt genoten.
Wanneer de in het eerste, derde en vierde lid, bedoelde terugvordering [9 van andere prestaties dan toelagen in het kader van het gezinsbeleid]9, niet meer kan worden uitgevoerd door de instelling of door de uitbetalingsdienst bij gebrek aan nog te betalen prestaties, kan die terugvordering op haar verzoek ambtshalve worden uitgevoerd door een instelling of dienst die één der prestaties bedoeld in § 1, 2°, 3°, 4°, 5° en 8° verschuldigd is, ten belope van 10 % van dat bedrag.
Werd de betaling ten onrechte bedrieglijk verkregen, dan kan de ambtshalve terugvordering [1 van de onverschuldigd betaalde prestaties en intresten op die bedragen]1 slaan op het geheel van de latere prestaties van éénzelfde aard of die door dezelfde instelling of dienst worden uitgekeerd.
[9 Als toelagen in het kader van het gezinsbeleid ten onrechte zijn verkregen ingevolge een nalatigheid of een verzuim van de begunstigde, kan de terugvordering slaan op het geheel van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid die later verschuldigd zijn aan dezelfde begunstigde.]9
Indien de debiteur of zijn rechthebbenden het bewijs leveren dat het inkomen, zoals berekend volgens de principes vastgelegd in de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, lager ligt of komt te liggen ingevolge de ambtshalve terugvordering dan het bedrag van het bestaansminimum naargelang de onderscheiden categorieën vastgelegd in dezelfde wet, wordt de terugvordering naargelang het geval geschorst of beperkt.
Ter verificatie van de voorgelegde stukken beschikken de instellingen over de bevoegdheid om een onderzoek naar de bestaansmiddelen te voeren.
Alle federale overheidsdiensten, alle instellingen die belast zijn met de toepassing van een wetgeving betreffende de sociale zekerheid, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook de gerechtigden, hun lasthebbers, hun erfgenamen of rechtverkrijgenden zijn verplicht aan de instellingen en uitbetalingsdiensten, op eenvoudig verzoek, alle dienstige stukken voor te leggen.
De instelling of dienst die een voordeel uitbetaalt, voorzien in §§ 1 en 2, en met terugwerkende kracht verkregen, kan van de vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen het bedrag van de eerdere prestaties die niet samen met bedoelde voordelen mogen worden genoten, afhouden ten voordele van de instelling of dienst die ten onrechte uitbetaald heeft.
Indien een pensioengerechtigde, omwille van de toekenning van een rust- of overlevingspensioen lastens een Belgische sociale zekerheidsregeling, met terugwerkende kracht aan een met toepassing van artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders uitbetaald voordeel verzaakt, treedt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, van rechtswege en tot beloop van de ontvangen uitkeringen, in de rechten van de pensioengerechtigde op de hem verschuldigde pensioenbedragen.
Indien een gerechtigde op uitkeringen bedoeld in artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, omwille van de toekenning van die uitkeringen, met terugwerkende kracht verzaakt aan een rust- of overlevingspensioen, treedt de [4 de Federale Pensioendienst]4, van rechtswege en tot beloop van het ontvangen pensioen, in de rechten van de uitkeringsgerechtigde op de hem verschuldigde uitkeringsbedragen.) <W 1999-01-25/32, art. 223, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 5. De instelling of de dienst die § 4, tweede lid, toepast, brengt de debiteur hiervan op de hoogte, bij een ter post aangetekend schrijven. Deze brief vermeldt op straffe van nietigheid :
1° het terug te vorderen bedrag evenals de berekeningswijze van dat bedrag;
2° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de bevoegde rechtbank;
3° de instelling of de dienst waaraan de terugvordering gevraagd wordt, evenals de terugvorderingsmodaliteiten.
De instelling of de dienst bezorgt, bij gewone brief, aan de instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd :
1° de nodige gegevens ter identificering van de debiteur;
2° het bedrag van het terug te vorderen onverschuldigde bedrag en de terugvorderingsmodaliteiten;
3° de datum van de in voorgaand lid bedoelde notificatie;
4° elke wijziging van de hiervoor vermelde elementen.
De instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd, stelt de debiteur, bij gewone brief, in kennis van :
1° de naam van de instelling of de dienst die om de terugvordering heeft verzocht evenals het bedrag en de modaliteiten ervan;
2° de datum vanaf dewelke het onverschuldigde bedrag zal worden ingehouden.
De datum bedoeld in het derde lid, 2°, moet drie maanden later zijn dan de datum van de in het eerste lid bedoelde notificatie.
Het beroep bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt, op straffe van verval, binnen de drie maanden na de dag van aanbieding van het aangetekend schrijven ingediend bij de bevoegde arbeidsrechtbank.) <W 1999-01-25/32, art. 224, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 6. De instelling of de dienst die ambtshalve een terugvordering uitvoert krachtens § 4, eerste, derde of vierde lid, en waaraan een verzoek is gericht op grond van het tweede lid van dezelfde paragraaf, geeft hieraan gevolg nadat zij haar eigen schuld heeft teruggevorderd.
Wanneer meerdere instellingen of diensten bij éénzelfde instelling of dienst een verzoek indienen op grond van § 4, tweede lid, wordt de ambtshalve terugvordering eerst uitgevoerd ten gunste van de meest gerede instelling of dienst.) <W 1999-01-25/32, art. 225, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
Änderungen
Art. 1410 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. L'art. 1409 (, § 1erbis, § 2 et § 3,) est en outre applicable: <L 2000-03-24/50, art. 4, 034; En vigueur : 14-05-2000>
1° (aux provisions et pensions alimentaires, adjugées par justice, ainsi qu'aux pensions allouées après divorce à l'époux non coupable) <L 09-07-1975, art. 3>;
2° aux (pensions, indemnités d'adaptation, [2 allocations de transition,]2 rentes, majorations de rente) ou avantages tenant lieu de pension, payés en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat <L 12-05-1971, art. 9, 1°>;
(2°bis. au pécule de vacances et au pécule complémentaire au pécule de vacances payés en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;) <L 2004-07-09/30, art. 300, 046; En vigueur : 25-07-2004>
3° aux allocations de chômage et aux allocations payées par les fonds de sécurité d'existence;
4° aux indemnités pour incapacité de travail et aux allocations d'invalidité payées en vertu de la législation relative à l'assurance maladie-invalidité ou, de la loi du 16 juin 1960 portant notamment garantie des prestations sociales assurées en faveur des anciens employés du Congo belge et du Ruanda Urundi et de la législation relative à la sécurité sociale d'outre-mer;
5° aux (indemnités, rentes et allocations) payés en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail ou des maladies professionnelles, de la dite loi du 16 juin 1960 ou de contrats d'assurance souscrits en application des dispositions de la législation prévue au § 2, 4°, du présent article <L 12-05-1971, art 9, 2°>;
6° (...) <L 2005-12-27/31, art. 3, 054; En vigueur : 09-01-2006>
7° aux indemnités de milice prévues par la loi du 9 juillet 1951;
(8° à l'indemnité accordée en cas d'interruption de la carrière professionnelle.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
§ 2. (Ne sont ni cessibles ni saisissables à charge du bénéficiaire [9 ou du bénéficiaire, tel que défini à l'article 3, § 3, 1°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, ou de l'allocataire tel que défini à l'article 3, § 1er, 8°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale,]9 les créances suivantes :) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
1° [9 les allocations dans le cadre de la politique familiale ;]9
2° Les pensions et rentes d'orphelins payées en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat;
3° (Les allocations au profit des handicapés) <L 27-06-1969, art. 31, § 1er, 2°>
4° La partie de l'indemnité payée en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, qui dépasse 100 p.c. et qui est accordée aux grands blessés dont l'état nécessite absolument et normalement l'assistance (d'une autre personne, ainsi que les montants accordés au titre d'aide d'une tierce personne en vertu de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994); <L 1999-12-24/36, art. 95, 033; En vigueur : 10-01-2000>
5° (les sommes à payer :
1. au bénéficiaire de prestations de santé, à titre d'intervention à charge de l'assurance soins de santé et indemnités ou en vertu de la loi du 16 juin 1960 ou de la législation relative à la sécurité sociale d'outremer;
2. à titre de soins médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers ou de frais d'appareils de prothèse et d'orthopédie à une personne victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, conformément à la législation sur les accidents du travail ou les maladies professionnelles.) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
(6° les sommes payées à titre de revenu garanti ou de garantie de revenus aux personnes âgées.) <L 2001-03-22/31, art. 3, 038; En vigueur : 01-06-2001>
(7° les sommes payées à titre de minimum de moyens d'existence) <L 07-08-1974, art. 21, § 2>
(8° les sommes payées a titre d'aide sociale par les centres publics d'aide sociale.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 2°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
9° [14 à la prestation financière visée au chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022]14;
(10° les indemnités, provisionnelles ou non, afférentes à des prothèses, à des dispositifs médicaux et à des implants.) <L 2003-04-22/42, art. 2, 042; En vigueur : 29-05-2003>
(11° les sommes visées à l'article 120 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation des victimes de l'amiante;) <L 2006-12-27/30, art. 130, 060; En vigueur : 01-04-2007>
[10 12° aux montants à payer ou payés à des usagers au titre d'interventions, telles que visées dans le décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande.]10
[11 12° [16 ...]16]11
[8 12° les défraiements visés à l'article 10 de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires.]8
[12 13° les sommes visées aux articles 15 et 16 de l'arrêté royal n° 22 du 4 juin 2020 portant création d'un Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19;]12
[15 14° les remboursements de soins de santé et les pensions de dédommagement visés dans la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l'octroi d'une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d'actes de terrorisme.]15
[8 Le bénéficiaire de défraiements visés au 12° peut renoncer à l'insaisissabilité et à l'incessibilité de ces défraiements.]8
§ 3. Par dérogation au paragraphe premier, les deux tiers des pensions et allocations sociales auxquelles peuvent prétendre les personnes hospitalisées aux frais des commissions d'assistance publique et du fonds spécial d'assistance peuvent être cédés à ces institutions.
(Le Roi peut modifier la proportion fixée à l'alinéa 1er.) <L 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, les prestations payées indûment soit à l'aide des ressources [13 de l'Office national de sécurité sociale, de l'Agence fédérale des risques professionnels ou des organismes publics ou privés chargés de l'application de la législation relative au statut social des travailleurs indépendants, soit à l'aide des ressources inscrites au budget du Service public fédéral Sécurité sociale ou de celles inscrites au budget des pensions en vue de l'octroi de revenu garanti aux personnes âgées, soit à l'aide des ressources en vue de l'octroi du minimum de moyens d'existence ou d'une allocation de même nature inscrites au budget du Service public fédéral de programmation Intégration et économie sociales, Lutte contre la pauvreté]13 et de celles inscrites aux budgets des centres publics d'aide sociale, [3 soit à l'aide des moyens financiers mis à disposition des communautés et de la Commission communautaire commune en vue du paiement des [9 allocations dans le cadre de la politique familiale]9 à dater du 1er janvier 2015]3 peuvent être récupérées d'office à concurrence de 10 % de chaque prestation ultérieure fournie au débiteur de l'indu ou à ses ayants-droit. [1 Il en est de même pour les intérêts afférents à ces prestations lorsque le paiement indû a été obtenu frauduleusement.]1
Pour la détermination de ces 10 %, le montant de cette prestation est augmenté, le cas échéant, de la prestation correspondante accordée en vertu d'une ou de plusieurs réglementations étrangères.
Lorsque la récupération [9 d'autres prestations que les allocations dans le cadre de la politique familiale,]9 visée aux alinéas 1er, 3 et 4, ne peut plus être effectuée par l'organisme ou le service créancier à défaut de prestation encore due par lui, elle peut être opérée d'office à la demande de celui-ci, par un organisme ou service versant l'une des prestations visées au § 1er, 2°, 3°, 4°, 5° et 8°, à concurrence de 10 % du montant de celle-ci.
Lorsque le paiement indu a été obtenu frauduleusement, la récupération d'office [1 des prestations indûment versées et des intérêts afférents à ces sommes]1 peut porter sur l'intégralité des prestations fournies ultérieurement qui sont de même nature ou qui sont versées par le même organisme ou service.
[9 Lorsque des allocations dans le cadre de la politique familiale ont été obtenues indûment suite à une négligence ou un manquement du bénéficiaire, la récupération peut porter sur l'intégralité des allocations dans le cadre de la politique familiale qui sont dues ultérieurement au même bénéficiaire.]9
Si le débiteur ou ses ayants-droit prouvent que le revenu, calculé selon les principes établis dans la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, est inférieur ou devient inférieur, suite à la récupération d'office, au montant du minimum de moyens d'existence selon les diverses catégories comme prévu dans la même loi, la récupération est selon le cas suspendue ou limitée.
Pour la vérification des pièces soumises, les organismes disposent de la compétence d'examen des moyens d'existence.
Toutes les administrations publiques fédérales, tous les organismes chargés de l'application d'une législation sur la sécurité sociale, les accidents du travail et les maladies professionnelles, les centres publics d'aide sociale, ainsi que les bénéficiaires, leurs mandataires, leurs héritiers ou ayants-droit sont tenus de communiquer aux organismes et services de paiement, sur simple réquisition, tout document utile.
L'organisme ou le service payeur d'un avantage prévu aux §§ 1er et 2, et obtenu avec effet rétroactif, peut déduire des sommes échues et non encore payées, au profit de l'organisme ou du service qui a payé indûment, le montant des prestations fournies antérieurement et qui ne peuvent être cumulées avec lesdits avantages.
Lorsqu'un bénéficiaire de pension a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi d'une pension de retraite ou de survie à charge d'un régime belge de sécurité sociale, aux allocations perçues en vertu de l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs, l'Office national de l'Emploi est subrogé d'office et pour le montant des allocations perçues, dans le droit du bénéficiaire de pension aux montants de pension qui lui sont dus.
Lorsqu'un bénéficiaire d'allocations visées à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi de ces allocations, à une pension de retraite ou de survie, [4 le Service fédéral des Pensions]4 est subrogé d'office et pour le montant de la pension perçue, dans le droit du bénéficiaire des allocations aux montants des allocations qui lui sont dus.) <L 1999-01-25/32, art. 223, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 5. L'organisme ou le service qui fait application du § 4, alinéa 2, le porte à la connaissance du débiteur par lettre recommandée a la poste. Cette lettre mentionne sous peine de nullité :
1° le montant à récupérer ainsi que le mode de calcul de ce montant;
2° la possibilité d'introduire un recours devant la juridiction compétente;
3° l'organisme ou le service auquel la récupération est demandée, ainsi que les modalités de récupération.
L'organisme ou le service fournit, par simple lettre, à l'organisme ou au service auquel la récupération est demandée :
1° les données nécessaires pour identifier le débiteur;
2° le montant de l'indu à récupérer et les modalités de récupération;
3° la date de la notification visée à l'alinéa précédent;
4° toute modification des éléments visés ci-dessus.
L'organisme ou le service auquel la récupération est demandée communique au débiteur, par envoi ordinaire :
1° le nom de l'organisme ou du service d'où provient la demande de récupération ainsi que le montant et les modalités de celle-ci;
2° la date à partir de laquelle l'indu sera récupéré.
La date visée à l'alinéa 3, 2°, doit être postérieure de trois mois à la date de la notification visée à l'alinéa 1er.
Le recours visé à l'alinéa 1er, 2°, est porté devant le Tribunal du travail compétent dans les trois mois de la date de présentation du pli recommandé, et ce, à peine de forclusion.) <L 1999-01-25/32, art. 224, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 6. L'organisme ou le service qui procède à une récupération d'office en vertu du § 4, alinéa 1er, 3 ou 4, et qui est saisi d'une demande fondée sur l'alinéa 2 du même paragraphe, donne suite à celle-ci après avoir récupéré sa propre créance.
Lorsque plusieurs organismes ou services introduisent auprès d'un même organisme ou service une demande fondée sur le § 4, alinéa 2, la récupération d'office s'opère d'abord en faveur de l'organisme ou du service le plus diligent.) <L 1999-01-25/32, art. 225, 029; En vigueur : 16-02-1999>
§ 1er. L'art. 1409 (, § 1erbis, § 2 et § 3,) est en outre applicable: <L 2000-03-24/50, art. 4, 034; En vigueur : 14-05-2000>
1° (aux provisions et pensions alimentaires, adjugées par justice, ainsi qu'aux pensions allouées après divorce à l'époux non coupable) <L 09-07-1975, art. 3>;
2° aux (pensions, indemnités d'adaptation, [2 allocations de transition,]2 rentes, majorations de rente) ou avantages tenant lieu de pension, payés en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat <L 12-05-1971, art. 9, 1°>;
(2°bis. au pécule de vacances et au pécule complémentaire au pécule de vacances payés en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;) <L 2004-07-09/30, art. 300, 046; En vigueur : 25-07-2004>
3° aux allocations de chômage et aux allocations payées par les fonds de sécurité d'existence;
4° aux indemnités pour incapacité de travail et aux allocations d'invalidité payées en vertu de la législation relative à l'assurance maladie-invalidité ou, de la loi du 16 juin 1960 portant notamment garantie des prestations sociales assurées en faveur des anciens employés du Congo belge et du Ruanda Urundi et de la législation relative à la sécurité sociale d'outre-mer;
5° aux (indemnités, rentes et allocations) payés en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail ou des maladies professionnelles, de la dite loi du 16 juin 1960 ou de contrats d'assurance souscrits en application des dispositions de la législation prévue au § 2, 4°, du présent article <L 12-05-1971, art 9, 2°>;
6° (...) <L 2005-12-27/31, art. 3, 054; En vigueur : 09-01-2006>
7° aux indemnités de milice prévues par la loi du 9 juillet 1951;
(8° à l'indemnité accordée en cas d'interruption de la carrière professionnelle.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
§ 2. (Ne sont ni cessibles ni saisissables à charge du bénéficiaire [9 ou du bénéficiaire, tel que défini à l'article 3, § 3, 1°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, ou de l'allocataire tel que défini à l'article 3, § 1er, 8°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale,]9 les créances suivantes :) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
1° [9 les allocations dans le cadre de la politique familiale ;]9
2° Les pensions et rentes d'orphelins payées en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat;
3° (Les allocations au profit des handicapés) <L 27-06-1969, art. 31, § 1er, 2°>
4° La partie de l'indemnité payée en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, qui dépasse 100 p.c. et qui est accordée aux grands blessés dont l'état nécessite absolument et normalement l'assistance (d'une autre personne, ainsi que les montants accordés au titre d'aide d'une tierce personne en vertu de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994); <L 1999-12-24/36, art. 95, 033; En vigueur : 10-01-2000>
5° (les sommes à payer :
1. au bénéficiaire de prestations de santé, à titre d'intervention à charge de l'assurance soins de santé et indemnités ou en vertu de la loi du 16 juin 1960 ou de la législation relative à la sécurité sociale d'outremer;
2. à titre de soins médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers ou de frais d'appareils de prothèse et d'orthopédie à une personne victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, conformément à la législation sur les accidents du travail ou les maladies professionnelles.) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
(6° les sommes payées à titre de revenu garanti ou de garantie de revenus aux personnes âgées.) <L 2001-03-22/31, art. 3, 038; En vigueur : 01-06-2001>
(7° les sommes payées à titre de minimum de moyens d'existence) <L 07-08-1974, art. 21, § 2>
(8° les sommes payées a titre d'aide sociale par les centres publics d'aide sociale.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 2°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
9° [14 à la prestation financière visée au chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022]14;
(10° les indemnités, provisionnelles ou non, afférentes à des prothèses, à des dispositifs médicaux et à des implants.) <L 2003-04-22/42, art. 2, 042; En vigueur : 29-05-2003>
(11° les sommes visées à l'article 120 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation des victimes de l'amiante;) <L 2006-12-27/30, art. 130, 060; En vigueur : 01-04-2007>
[10 12° aux montants à payer ou payés à des usagers au titre d'interventions, telles que visées dans le décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande.]10
[11 12° [16 ...]16]11
[8 12° les défraiements visés à l'article 10 de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires.]8
[12 13° les sommes visées aux articles 15 et 16 de l'arrêté royal n° 22 du 4 juin 2020 portant création d'un Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19;]12
[15 14° les remboursements de soins de santé et les pensions de dédommagement visés dans la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l'octroi d'une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d'actes de terrorisme.]15
[8 Le bénéficiaire de défraiements visés au 12° peut renoncer à l'insaisissabilité et à l'incessibilité de ces défraiements.]8
§ 3. Par dérogation au paragraphe premier, les deux tiers des pensions et allocations sociales auxquelles peuvent prétendre les personnes hospitalisées aux frais des commissions d'assistance publique et du fonds spécial d'assistance peuvent être cédés à ces institutions.
(Le Roi peut modifier la proportion fixée à l'alinéa 1er.) <L 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, les prestations payées indûment soit à l'aide des ressources [13 de l'Office national de sécurité sociale, de l'Agence fédérale des risques professionnels ou des organismes publics ou privés chargés de l'application de la législation relative au statut social des travailleurs indépendants, soit à l'aide des ressources inscrites au budget du Service public fédéral Sécurité sociale ou de celles inscrites au budget des pensions en vue de l'octroi de revenu garanti aux personnes âgées, soit à l'aide des ressources en vue de l'octroi du minimum de moyens d'existence ou d'une allocation de même nature inscrites au budget du Service public fédéral de programmation Intégration et économie sociales, Lutte contre la pauvreté]13 et de celles inscrites aux budgets des centres publics d'aide sociale, [3 soit à l'aide des moyens financiers mis à disposition des communautés et de la Commission communautaire commune en vue du paiement des [9 allocations dans le cadre de la politique familiale]9 à dater du 1er janvier 2015]3 peuvent être récupérées d'office à concurrence de 10 % de chaque prestation ultérieure fournie au débiteur de l'indu ou à ses ayants-droit. [1 Il en est de même pour les intérêts afférents à ces prestations lorsque le paiement indû a été obtenu frauduleusement.]1
Pour la détermination de ces 10 %, le montant de cette prestation est augmenté, le cas échéant, de la prestation correspondante accordée en vertu d'une ou de plusieurs réglementations étrangères.
Lorsque la récupération [9 d'autres prestations que les allocations dans le cadre de la politique familiale,]9 visée aux alinéas 1er, 3 et 4, ne peut plus être effectuée par l'organisme ou le service créancier à défaut de prestation encore due par lui, elle peut être opérée d'office à la demande de celui-ci, par un organisme ou service versant l'une des prestations visées au § 1er, 2°, 3°, 4°, 5° et 8°, à concurrence de 10 % du montant de celle-ci.
Lorsque le paiement indu a été obtenu frauduleusement, la récupération d'office [1 des prestations indûment versées et des intérêts afférents à ces sommes]1 peut porter sur l'intégralité des prestations fournies ultérieurement qui sont de même nature ou qui sont versées par le même organisme ou service.
[9 Lorsque des allocations dans le cadre de la politique familiale ont été obtenues indûment suite à une négligence ou un manquement du bénéficiaire, la récupération peut porter sur l'intégralité des allocations dans le cadre de la politique familiale qui sont dues ultérieurement au même bénéficiaire.]9
Si le débiteur ou ses ayants-droit prouvent que le revenu, calculé selon les principes établis dans la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, est inférieur ou devient inférieur, suite à la récupération d'office, au montant du minimum de moyens d'existence selon les diverses catégories comme prévu dans la même loi, la récupération est selon le cas suspendue ou limitée.
Pour la vérification des pièces soumises, les organismes disposent de la compétence d'examen des moyens d'existence.
Toutes les administrations publiques fédérales, tous les organismes chargés de l'application d'une législation sur la sécurité sociale, les accidents du travail et les maladies professionnelles, les centres publics d'aide sociale, ainsi que les bénéficiaires, leurs mandataires, leurs héritiers ou ayants-droit sont tenus de communiquer aux organismes et services de paiement, sur simple réquisition, tout document utile.
L'organisme ou le service payeur d'un avantage prévu aux §§ 1er et 2, et obtenu avec effet rétroactif, peut déduire des sommes échues et non encore payées, au profit de l'organisme ou du service qui a payé indûment, le montant des prestations fournies antérieurement et qui ne peuvent être cumulées avec lesdits avantages.
Lorsqu'un bénéficiaire de pension a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi d'une pension de retraite ou de survie à charge d'un régime belge de sécurité sociale, aux allocations perçues en vertu de l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs, l'Office national de l'Emploi est subrogé d'office et pour le montant des allocations perçues, dans le droit du bénéficiaire de pension aux montants de pension qui lui sont dus.
Lorsqu'un bénéficiaire d'allocations visées à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi de ces allocations, à une pension de retraite ou de survie, [4 le Service fédéral des Pensions]4 est subrogé d'office et pour le montant de la pension perçue, dans le droit du bénéficiaire des allocations aux montants des allocations qui lui sont dus.) <L 1999-01-25/32, art. 223, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 5. L'organisme ou le service qui fait application du § 4, alinéa 2, le porte à la connaissance du débiteur par lettre recommandée a la poste. Cette lettre mentionne sous peine de nullité :
1° le montant à récupérer ainsi que le mode de calcul de ce montant;
2° la possibilité d'introduire un recours devant la juridiction compétente;
3° l'organisme ou le service auquel la récupération est demandée, ainsi que les modalités de récupération.
L'organisme ou le service fournit, par simple lettre, à l'organisme ou au service auquel la récupération est demandée :
1° les données nécessaires pour identifier le débiteur;
2° le montant de l'indu à récupérer et les modalités de récupération;
3° la date de la notification visée à l'alinéa précédent;
4° toute modification des éléments visés ci-dessus.
L'organisme ou le service auquel la récupération est demandée communique au débiteur, par envoi ordinaire :
1° le nom de l'organisme ou du service d'où provient la demande de récupération ainsi que le montant et les modalités de celle-ci;
2° la date à partir de laquelle l'indu sera récupéré.
La date visée à l'alinéa 3, 2°, doit être postérieure de trois mois à la date de la notification visée à l'alinéa 1er.
Le recours visé à l'alinéa 1er, 2°, est porté devant le Tribunal du travail compétent dans les trois mois de la date de présentation du pli recommandé, et ce, à peine de forclusion.) <L 1999-01-25/32, art. 224, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 6. L'organisme ou le service qui procède à une récupération d'office en vertu du § 4, alinéa 1er, 3 ou 4, et qui est saisi d'une demande fondée sur l'alinéa 2 du même paragraphe, donne suite à celle-ci après avoir récupéré sa propre créance.
Lorsque plusieurs organismes ou services introduisent auprès d'un même organisme ou service une demande fondée sur le § 4, alinéa 2, la récupération d'office s'opère d'abord en faveur de l'organisme ou du service le plus diligent.) <L 1999-01-25/32, art. 225, 029; En vigueur : 16-02-1999>
Änderungen
Art. 1410_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. Artikel 1409 (, § 1bis, § 2 en § 3,) vindt bovendien toepassing op: <W 2000-03-24/50, art. 4, 034; Inwerkingtreding : 14-05-2000>
1° (de al dan niet provisionele uitkeringen tot onderhoud, door de rechter toegewezen, alsmede de uitkeringen die na echtscheiding aan de niet schuldige echtgenoot worden toegekend; <W 09-07-1975, art. 3>
2° de (pensioenen, aanpassingsuitkeringen, [2 overgangsuitkeringen,]2 renten, rentebijslagen) of als pensioen geldende voordelen betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst; <W 12-05-1971, art. 9,1°>
(2°bis. het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;) <W 2004-07-09/30, art. 300, 046; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
3° de werkloosheidsuitkeringen en de uitkeringen betaald door fondsen voor bestaanszekerheid;
4° de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en de invaliditeitsuitkeringen betaald krachtens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering of de wet van 16 juni 1960 die onder meer de maatschappelijke prestaties waarborgt ten gunste van de gewezen werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi en de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
5° de (uitkeringen, renten en toelagen) betaald krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen of beroepsziekten, of de genoemde wet van 16 juni 1960 of verzekeringsovereenkomsten aangegaan bij toepassing van de wetgeving op de overzeese sociale zekerheid, met uitzondering van het gedeelte van de uitkering bedoeld in § 2, 4°, van dit artikel; <W 12-05-1971, art.9,2°>
6° (...) <W 2005-12-27/31, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
7° de militievergoedingen bedoeld bij de wet van 9 juli 1951;
(8° de uitkering toegekend bij onderbreking van de beroepsloopbaan.) <W 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
§ 2. (De volgende schuldvorderingen zijn niet vatbaar voor overdracht of beslag ten laste van de rechthebbende :) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
1° (de gezinsbijslagen, met inbegrip van deze betaald krachtens de wetgeving betreffende de soldijtrekkende militairen;) <W 12-05-1971, art.9,3°>
2° de wezenpensioenen of -renten betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst;
3° (de tegemoetkomingen aan minder-validen;) <W 27-06-1969, art. 31, §1>
4° het gedeelte van de vergoedingen uitgekeerd krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen die 100 pct. overschrijdt en toegekend wordt aan zwaar verminkten wier toestand de hulp van een andere persoon volstrekt en (normaal vergt, evenals de bedragen toegekend voor de behoefte aan andermans hulp krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994); <W 1999-12-24/36, art. 95, 033; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
5° (de bedragen uit te keren :
1. aan de rechthebbende van geneeskundige verstrekkingen als tegemoetkoming ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen of krachtens de wet van 16 juni 1960 of de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
2. als kosten voor geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen of als kosten voor prothesen en orthopedische toestellen aan een door een arbeidsongeval of een beroepsziekte getroffen persoon krachtens de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen of de beroepsziekten.) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
(6° de bedragen uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden of als inkomensgarantie voor ouderen.) <W 2001-03-22/31, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 01-06-2001>
7° (de bedragen uitgekeerd als bestaansminimum;) <W 07-08-1974, art. 21, §2>
(8° de bedragen uitgekeerd als maatschappelijke dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <W 1993-01-14/34, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
(9° [12 de financiële uitkering voorzien in hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022]12;
(10° de al dan niet provisionele vergoedingen voor prothesen, medische hulpmiddelen en implantaten.) <W 2003-04-22/42, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 29-05-2003>
(11° de bedragen bepaald in artikel 120 van de programmawet (I) van 27 december 2006 uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers.) <W 2006-12-27/30, art. 130, 060; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[7 12° de bedragen uit te keren of uitgekeerd aan Brusselse verzekerden als tegemoetkomingen in de zin van de ordonnantie van 21 december 2018 betreffende de Brusselse verzekeringsinstellingen in het domein van de gezondheidszorg en de hulp aan personen.]7
[11 12° de kostenvergoedingen bedoeld in artikel 10 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers.]11
[8 13° de bedragen bepaald in de artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers;]8
[13 14° de terugbetalingen van medische zorg en de herstelpensioenen bedoeld in de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme.]13
[11 De begunstigde van de in de bepaling onder 12° bedoelde kostenvergoedingen kan afstand doen van de onvatbaarheid voor beslag en van de onoverdraagbaarheid van de kostenvergoedingen.]11
§ 3. In afwijking van § 1, kan twee derde van het pensioen en van de sociale uitkeringen der personen in een ziekenhuis opgenomen op kosten van de commissies van openbare onderstand en van het speciaal onderstandsfonds, aan die instellingen worden overgedragen.
(De Koning kan de in het eerste lid bepaalde verhouding wijzigen.) <W 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2, kunnen de prestaties die ten onrechte uitgekeerd zijn uit de middelen van [9 de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Federaal agentschap voor beroepsrisico's, of van openbare of particuliere instellingen belast met de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen, hetzij uit de middelen die ingeschreven zijn in de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid of uit die ingeschreven in de begroting van de pensioenen met het oog op de toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, hetzij uit middelen dienstig voor de toekenning van het bestaansminimum of een gelijkaardige uitkering ingeschreven in de begroting van de Programmatorische federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie]9 en uit die ingeschreven in de begrotingen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [3 hetzij uit de financiële middelen die aan de gemeenschappen en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie ter beschikking staan voor de betaling van de gezinsbijslag vanaf 1 januari 2015]3 ambtshalve teruggevorderd worden ten belope van 10 % van iedere latere prestatie die aan de debiteur van het onverschuldigde bedrag of aan zijn rechthebbenden wordt uitgekeerd. [1 Hetzelfde geldt voor de intresten op die prestaties ingeval de onterechte betaling frauduleus werd uitgekeerd.]1
Voor het bepalen van deze 10 % wordt het bedrag van die prestatie desgevallend verhoogd met de overeenkomstige prestatie die krachtens één of meerdere buitenlandse regelingen wordt genoten.
Wanneer de in het eerste, derde en vierde lid, bedoelde terugvordering, niet meer kan worden uitgevoerd door de instelling of door de uitbetalingsdienst bij gebrek aan nog te betalen prestaties, kan die terugvordering op haar verzoek ambtshalve worden uitgevoerd door een instelling of dienst die één der prestaties bedoeld in § 1, 2°, 3°, 4°, 5° en 8° verschuldigd is, ten belope van 10 % van dat bedrag.
Werd de betaling ten onrechte bedrieglijk verkregen, dan kan de ambtshalve terugvordering [1 van de onverschuldigd betaalde prestaties en intresten op die bedragen]1 slaan op het geheel van de latere prestaties van éénzelfde aard of die door dezelfde instelling of dienst worden uitgekeerd.
Werden de gezinsbijslagen ten onrechte verkregen ingevolge een nalatigheid of een verzuim van de rechthebbende of van de bijslagtrekkende, dan kan de terugvordering slaan op het geheel van de gezinsbijslag die later verschuldigd is aan dezelfde bijslagtrekkende.
Indien de debiteur of zijn rechthebbenden het bewijs leveren dat het inkomen, zoals berekend volgens de principes vastgelegd in de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, lager ligt of komt te liggen ingevolge de ambtshalve terugvordering dan het bedrag van het bestaansminimum naargelang de onderscheiden categorieën vastgelegd in dezelfde wet, wordt de terugvordering naargelang het geval geschorst of beperkt.
Ter verificatie van de voorgelegde stukken beschikken de instellingen over de bevoegdheid om een onderzoek naar de bestaansmiddelen te voeren.
Alle federale overheidsdiensten, alle instellingen die belast zijn met de toepassing van een wetgeving betreffende de sociale zekerheid, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook de gerechtigden, hun lasthebbers, hun erfgenamen of rechtverkrijgenden zijn verplicht aan de instellingen en uitbetalingsdiensten, op eenvoudig verzoek, alle dienstige stukken voor te leggen.
De instelling of dienst die een voordeel uitbetaalt, voorzien in §§ 1 en 2, en met terugwerkende kracht verkregen, kan van de vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen het bedrag van de eerdere prestaties die niet samen met bedoelde voordelen mogen worden genoten, afhouden ten voordele van de instelling of dienst die ten onrechte uitbetaald heeft.
Indien een pensioengerechtigde, omwille van de toekenning van een rust- of overlevingspensioen lastens een Belgische sociale zekerheidsregeling, met terugwerkende kracht aan een met toepassing van artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders uitbetaald voordeel verzaakt, treedt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, van rechtswege en tot beloop van de ontvangen uitkeringen, in de rechten van de pensioengerechtigde op de hem verschuldigde pensioenbedragen.
Indien een gerechtigde op uitkeringen bedoeld in artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, omwille van de toekenning van die uitkeringen, met terugwerkende kracht verzaakt aan een rust- of overlevingspensioen, treedt de [4 de Federale Pensioendienst]4, van rechtswege en tot beloop van het ontvangen pensioen, in de rechten van de uitkeringsgerechtigde op de hem verschuldigde uitkeringsbedragen.) <W 1999-01-25/32, art. 223, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 5. De instelling of de dienst die § 4, tweede lid, toepast, brengt de debiteur hiervan op de hoogte, bij een ter post aangetekend schrijven. Deze brief vermeldt op straffe van nietigheid :
1° het terug te vorderen bedrag evenals de berekeningswijze van dat bedrag;
2° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de bevoegde rechtbank;
3° de instelling of de dienst waaraan de terugvordering gevraagd wordt, evenals de terugvorderingsmodaliteiten.
De instelling of de dienst bezorgt, bij gewone brief, aan de instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd :
1° de nodige gegevens ter identificering van de debiteur;
2° het bedrag van het terug te vorderen onverschuldigde bedrag en de terugvorderingsmodaliteiten;
3° de datum van de in voorgaand lid bedoelde notificatie;
4° elke wijziging van de hiervoor vermelde elementen.
De instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd, stelt de debiteur, bij gewone brief, in kennis van :
1° de naam van de instelling of de dienst die om de terugvordering heeft verzocht evenals het bedrag en de modaliteiten ervan;
2° de datum vanaf dewelke het onverschuldigde bedrag zal worden ingehouden.
De datum bedoeld in het derde lid, 2°, moet drie maanden later zijn dan de datum van de in het eerste lid bedoelde notificatie.
Het beroep bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt, op straffe van verval, binnen de drie maanden na de dag van aanbieding van het aangetekend schrijven ingediend bij de bevoegde arbeidsrechtbank.) <W 1999-01-25/32, art. 224, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 6. De instelling of de dienst die ambtshalve een terugvordering uitvoert krachtens § 4, eerste, derde of vierde lid, en waaraan een verzoek is gericht op grond van het tweede lid van dezelfde paragraaf, geeft hieraan gevolg nadat zij haar eigen schuld heeft teruggevorderd.
Wanneer meerdere instellingen of diensten bij éénzelfde instelling of dienst een verzoek indienen op grond van § 4, tweede lid, wordt de ambtshalve terugvordering eerst uitgevoerd ten gunste van de meest gerede instelling of dienst.) <W 1999-01-25/32, art. 225, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
[14 15° onverminderd artikel 167 van de ordonnantie houdende de Codex van de openbare financiën van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de subsidies die worden toegekend door de diensten van de Regering of een autonome bestuursinstelling overeenkomstig artikel 165 van de ordonnantie houdende de Codex van de openbare financiën van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op voorwaarde dat de schuld die de oorzaak vormt van de inbeslagname, geen rechtstreeks verband houdt met de gesubsidieerde activiteit.]14
1° (de al dan niet provisionele uitkeringen tot onderhoud, door de rechter toegewezen, alsmede de uitkeringen die na echtscheiding aan de niet schuldige echtgenoot worden toegekend; <W 09-07-1975, art. 3>
2° de (pensioenen, aanpassingsuitkeringen, [2 overgangsuitkeringen,]2 renten, rentebijslagen) of als pensioen geldende voordelen betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst; <W 12-05-1971, art. 9,1°>
(2°bis. het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;) <W 2004-07-09/30, art. 300, 046; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
3° de werkloosheidsuitkeringen en de uitkeringen betaald door fondsen voor bestaanszekerheid;
4° de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en de invaliditeitsuitkeringen betaald krachtens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering of de wet van 16 juni 1960 die onder meer de maatschappelijke prestaties waarborgt ten gunste van de gewezen werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi en de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
5° de (uitkeringen, renten en toelagen) betaald krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen of beroepsziekten, of de genoemde wet van 16 juni 1960 of verzekeringsovereenkomsten aangegaan bij toepassing van de wetgeving op de overzeese sociale zekerheid, met uitzondering van het gedeelte van de uitkering bedoeld in § 2, 4°, van dit artikel; <W 12-05-1971, art.9,2°>
6° (...) <W 2005-12-27/31, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
7° de militievergoedingen bedoeld bij de wet van 9 juli 1951;
(8° de uitkering toegekend bij onderbreking van de beroepsloopbaan.) <W 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
§ 2. (De volgende schuldvorderingen zijn niet vatbaar voor overdracht of beslag ten laste van de rechthebbende :) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
1° (de gezinsbijslagen, met inbegrip van deze betaald krachtens de wetgeving betreffende de soldijtrekkende militairen;) <W 12-05-1971, art.9,3°>
2° de wezenpensioenen of -renten betaald krachtens een wet, een statuut of een overeenkomst;
3° (de tegemoetkomingen aan minder-validen;) <W 27-06-1969, art. 31, §1>
4° het gedeelte van de vergoedingen uitgekeerd krachtens de wetgeving op de vergoeding van schade uit arbeidsongevallen die 100 pct. overschrijdt en toegekend wordt aan zwaar verminkten wier toestand de hulp van een andere persoon volstrekt en (normaal vergt, evenals de bedragen toegekend voor de behoefte aan andermans hulp krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994); <W 1999-12-24/36, art. 95, 033; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
5° (de bedragen uit te keren :
1. aan de rechthebbende van geneeskundige verstrekkingen als tegemoetkoming ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen of krachtens de wet van 16 juni 1960 of de wetgeving betreffende de overzeese sociale zekerheid;
2. als kosten voor geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen of als kosten voor prothesen en orthopedische toestellen aan een door een arbeidsongeval of een beroepsziekte getroffen persoon krachtens de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen of de beroepsziekten.) <W 1999-03-18/36, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
(6° de bedragen uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden of als inkomensgarantie voor ouderen.) <W 2001-03-22/31, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 01-06-2001>
7° (de bedragen uitgekeerd als bestaansminimum;) <W 07-08-1974, art. 21, §2>
(8° de bedragen uitgekeerd als maatschappelijke dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <W 1993-01-14/34, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
(9° [12 de financiële uitkering voorzien in hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022]12;
(10° de al dan niet provisionele vergoedingen voor prothesen, medische hulpmiddelen en implantaten.) <W 2003-04-22/42, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 29-05-2003>
(11° de bedragen bepaald in artikel 120 van de programmawet (I) van 27 december 2006 uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers.) <W 2006-12-27/30, art. 130, 060; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[7 12° de bedragen uit te keren of uitgekeerd aan Brusselse verzekerden als tegemoetkomingen in de zin van de ordonnantie van 21 december 2018 betreffende de Brusselse verzekeringsinstellingen in het domein van de gezondheidszorg en de hulp aan personen.]7
[11 12° de kostenvergoedingen bedoeld in artikel 10 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers.]11
[8 13° de bedragen bepaald in de artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers uitgekeerd als tussenkomst van het Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers;]8
[13 14° de terugbetalingen van medische zorg en de herstelpensioenen bedoeld in de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme.]13
[11 De begunstigde van de in de bepaling onder 12° bedoelde kostenvergoedingen kan afstand doen van de onvatbaarheid voor beslag en van de onoverdraagbaarheid van de kostenvergoedingen.]11
§ 3. In afwijking van § 1, kan twee derde van het pensioen en van de sociale uitkeringen der personen in een ziekenhuis opgenomen op kosten van de commissies van openbare onderstand en van het speciaal onderstandsfonds, aan die instellingen worden overgedragen.
(De Koning kan de in het eerste lid bepaalde verhouding wijzigen.) <W 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2, kunnen de prestaties die ten onrechte uitgekeerd zijn uit de middelen van [9 de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Federaal agentschap voor beroepsrisico's, of van openbare of particuliere instellingen belast met de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen, hetzij uit de middelen die ingeschreven zijn in de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid of uit die ingeschreven in de begroting van de pensioenen met het oog op de toekenning van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, hetzij uit middelen dienstig voor de toekenning van het bestaansminimum of een gelijkaardige uitkering ingeschreven in de begroting van de Programmatorische federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie]9 en uit die ingeschreven in de begrotingen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [3 hetzij uit de financiële middelen die aan de gemeenschappen en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie ter beschikking staan voor de betaling van de gezinsbijslag vanaf 1 januari 2015]3 ambtshalve teruggevorderd worden ten belope van 10 % van iedere latere prestatie die aan de debiteur van het onverschuldigde bedrag of aan zijn rechthebbenden wordt uitgekeerd. [1 Hetzelfde geldt voor de intresten op die prestaties ingeval de onterechte betaling frauduleus werd uitgekeerd.]1
Voor het bepalen van deze 10 % wordt het bedrag van die prestatie desgevallend verhoogd met de overeenkomstige prestatie die krachtens één of meerdere buitenlandse regelingen wordt genoten.
Wanneer de in het eerste, derde en vierde lid, bedoelde terugvordering, niet meer kan worden uitgevoerd door de instelling of door de uitbetalingsdienst bij gebrek aan nog te betalen prestaties, kan die terugvordering op haar verzoek ambtshalve worden uitgevoerd door een instelling of dienst die één der prestaties bedoeld in § 1, 2°, 3°, 4°, 5° en 8° verschuldigd is, ten belope van 10 % van dat bedrag.
Werd de betaling ten onrechte bedrieglijk verkregen, dan kan de ambtshalve terugvordering [1 van de onverschuldigd betaalde prestaties en intresten op die bedragen]1 slaan op het geheel van de latere prestaties van éénzelfde aard of die door dezelfde instelling of dienst worden uitgekeerd.
Werden de gezinsbijslagen ten onrechte verkregen ingevolge een nalatigheid of een verzuim van de rechthebbende of van de bijslagtrekkende, dan kan de terugvordering slaan op het geheel van de gezinsbijslag die later verschuldigd is aan dezelfde bijslagtrekkende.
Indien de debiteur of zijn rechthebbenden het bewijs leveren dat het inkomen, zoals berekend volgens de principes vastgelegd in de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, lager ligt of komt te liggen ingevolge de ambtshalve terugvordering dan het bedrag van het bestaansminimum naargelang de onderscheiden categorieën vastgelegd in dezelfde wet, wordt de terugvordering naargelang het geval geschorst of beperkt.
Ter verificatie van de voorgelegde stukken beschikken de instellingen over de bevoegdheid om een onderzoek naar de bestaansmiddelen te voeren.
Alle federale overheidsdiensten, alle instellingen die belast zijn met de toepassing van een wetgeving betreffende de sociale zekerheid, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook de gerechtigden, hun lasthebbers, hun erfgenamen of rechtverkrijgenden zijn verplicht aan de instellingen en uitbetalingsdiensten, op eenvoudig verzoek, alle dienstige stukken voor te leggen.
De instelling of dienst die een voordeel uitbetaalt, voorzien in §§ 1 en 2, en met terugwerkende kracht verkregen, kan van de vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen het bedrag van de eerdere prestaties die niet samen met bedoelde voordelen mogen worden genoten, afhouden ten voordele van de instelling of dienst die ten onrechte uitbetaald heeft.
Indien een pensioengerechtigde, omwille van de toekenning van een rust- of overlevingspensioen lastens een Belgische sociale zekerheidsregeling, met terugwerkende kracht aan een met toepassing van artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders uitbetaald voordeel verzaakt, treedt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, van rechtswege en tot beloop van de ontvangen uitkeringen, in de rechten van de pensioengerechtigde op de hem verschuldigde pensioenbedragen.
Indien een gerechtigde op uitkeringen bedoeld in artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, omwille van de toekenning van die uitkeringen, met terugwerkende kracht verzaakt aan een rust- of overlevingspensioen, treedt de [4 de Federale Pensioendienst]4, van rechtswege en tot beloop van het ontvangen pensioen, in de rechten van de uitkeringsgerechtigde op de hem verschuldigde uitkeringsbedragen.) <W 1999-01-25/32, art. 223, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 5. De instelling of de dienst die § 4, tweede lid, toepast, brengt de debiteur hiervan op de hoogte, bij een ter post aangetekend schrijven. Deze brief vermeldt op straffe van nietigheid :
1° het terug te vorderen bedrag evenals de berekeningswijze van dat bedrag;
2° de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de bevoegde rechtbank;
3° de instelling of de dienst waaraan de terugvordering gevraagd wordt, evenals de terugvorderingsmodaliteiten.
De instelling of de dienst bezorgt, bij gewone brief, aan de instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd :
1° de nodige gegevens ter identificering van de debiteur;
2° het bedrag van het terug te vorderen onverschuldigde bedrag en de terugvorderingsmodaliteiten;
3° de datum van de in voorgaand lid bedoelde notificatie;
4° elke wijziging van de hiervoor vermelde elementen.
De instelling of de dienst waaraan de terugvordering wordt gevraagd, stelt de debiteur, bij gewone brief, in kennis van :
1° de naam van de instelling of de dienst die om de terugvordering heeft verzocht evenals het bedrag en de modaliteiten ervan;
2° de datum vanaf dewelke het onverschuldigde bedrag zal worden ingehouden.
De datum bedoeld in het derde lid, 2°, moet drie maanden later zijn dan de datum van de in het eerste lid bedoelde notificatie.
Het beroep bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt, op straffe van verval, binnen de drie maanden na de dag van aanbieding van het aangetekend schrijven ingediend bij de bevoegde arbeidsrechtbank.) <W 1999-01-25/32, art. 224, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
(§ 6. De instelling of de dienst die ambtshalve een terugvordering uitvoert krachtens § 4, eerste, derde of vierde lid, en waaraan een verzoek is gericht op grond van het tweede lid van dezelfde paragraaf, geeft hieraan gevolg nadat zij haar eigen schuld heeft teruggevorderd.
Wanneer meerdere instellingen of diensten bij éénzelfde instelling of dienst een verzoek indienen op grond van § 4, tweede lid, wordt de ambtshalve terugvordering eerst uitgevoerd ten gunste van de meest gerede instelling of dienst.) <W 1999-01-25/32, art. 225, 029; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
[14 15° onverminderd artikel 167 van de ordonnantie houdende de Codex van de openbare financiën van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de subsidies die worden toegekend door de diensten van de Regering of een autonome bestuursinstelling overeenkomstig artikel 165 van de ordonnantie houdende de Codex van de openbare financiën van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op voorwaarde dat de schuld die de oorzaak vormt van de inbeslagname, geen rechtstreeks verband houdt met de gesubsidieerde activiteit.]14
Änderungen
Art. 1410 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. L'art. 1409 (, § 1erbis, § 2 et § 3,) est en outre applicable: <L 2000-03-24/50, art. 4, 034; En vigueur : 14-05-2000>
1° (aux provisions et pensions alimentaires, adjugées par justice, ainsi qu'aux pensions allouées après divorce à l'époux non coupable) <L 09-07-1975, art. 3>;
2° aux (pensions, indemnités d'adaptation, [2 allocations de transition,]2 rentes, majorations de rente) ou avantages tenant lieu de pension, payés en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat <L 12-05-1971, art. 9, 1°>;
(2°bis. au pécule de vacances et au pécule complémentaire au pécule de vacances payés en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;) <L 2004-07-09/30, art. 300, 046; En vigueur : 25-07-2004>
3° aux allocations de chômage et aux allocations payées par les fonds de sécurité d'existence;
4° aux indemnités pour incapacité de travail et aux allocations d'invalidité payées en vertu de la législation relative à l'assurance maladie-invalidité ou, de la loi du 16 juin 1960 portant notamment garantie des prestations sociales assurées en faveur des anciens employés du Congo belge et du Ruanda Urundi et de la législation relative à la sécurité sociale d'outre-mer;
5° aux (indemnités, rentes et allocations) payés en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail ou des maladies professionnelles, de la dite loi du 16 juin 1960 ou de contrats d'assurance souscrits en application des dispositions de la législation prévue au § 2, 4°, du présent article <L 12-05-1971, art 9, 2°>;
6° (...) <L 2005-12-27/31, art. 3, 054; En vigueur : 09-01-2006>
7° aux indemnités de milice prévues par la loi du 9 juillet 1951;
(8° à l'indemnité accordée en cas d'interruption de la carrière professionnelle.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
§ 2. (Ne sont ni cessibles ni saisissables à charge du bénéficiaire les créances suivantes :) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
1° (Les prestations familiales, y compris celles payées en vertu de la législation portant indemnité des militaires soldés) <L 12-05-1971, art. 9, 3°>
2° Les pensions et rentes d'orphelins payées en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat;
3° (Les allocations au profit des handicapés) <L 27-06-1969, art. 31, § 1er, 2°>
4° La partie de l'indemnité payée en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, qui dépasse 100 p.c. et qui est accordée aux grands blessés dont l'état nécessite absolument et normalement l'assistance (d'une autre personne, ainsi que les montants accordés au titre d'aide d'une tierce personne en vertu de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994); <L 1999-12-24/36, art. 95, 033; En vigueur : 10-01-2000>
5° (les sommes à payer :
1. au bénéficiaire de prestations de santé, à titre d'intervention à charge de l'assurance soins de santé et indemnités ou en vertu de la loi du 16 juin 1960 ou de la législation relative à la sécurité sociale d'outremer;
2. à titre de soins médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers ou de frais d'appareils de prothèse et d'orthopédie à une personne victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, conformément à la législation sur les accidents du travail ou les maladies professionnelles.) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
(6° les sommes payées à titre de revenu garanti ou de garantie de revenus aux personnes âgées.) <L 2001-03-22/31, art. 3, 038; En vigueur : 01-06-2001>
(7° les sommes payées à titre de minimum de moyens d'existence) <L 07-08-1974, art. 21, § 2>
(8° les sommes payées a titre d'aide sociale par les centres publics d'aide sociale.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 2°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
(9° [12 à la prestation financière visée au chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022]12;
(10° les indemnités, provisionnelles ou non, afférentes à des prothèses, à des dispositifs médicaux et à des implants.) <L 2003-04-22/42, art. 2, 042; En vigueur : 29-05-2003>
(11° les sommes visées à l'article 120 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation des victimes de l'amiante.) <L 2006-12-27/30, art. 130, 060; En vigueur : 01-04-2007>
[7 12° les sommes à payer ou payées aux assurés bruxellois à titre d'interventions au sens de l'ordonnance du 21 décembre 2018 relative aux organismes assureurs bruxellois dans le domaine des soins de santé et de l'aide aux personnes.]7
[11 12° les défraiements visés à l'article 10 de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires.]11
[8 13° les sommes visées aux articles 15 et 16 de l'arrêté royal n° 22 du 4 juin 2020 portant création d'un Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19;]8
[13 14° les remboursements de soins de santé et les pensions de dédommagement visés dans la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l'octroi d'une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d'actes de terrorisme.]13
[11 Le bénéficiaire de défraiements visés au 12° peut renoncer à l'insaisissabilité et à l'incessibilité de ces défraiements.]11
§ 3. Par dérogation au paragraphe premier, les deux tiers des pensions et allocations sociales auxquelles peuvent prétendre les personnes hospitalisées aux frais des commissions d'assistance publique et du fonds spécial d'assistance peuvent être cédés à ces institutions.
(Le Roi peut modifier la proportion fixée à l'alinéa 1er.) <L 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, les prestations payées indûment soit à l'aide des ressources [9 de l'Office national de sécurité sociale, de l'Agence fédérale des risques professionnels ou des organismes publics ou privés chargés de l'application de la législation relative au statut social des travailleurs indépendants, soit à l'aide des ressources inscrites au budget du Service public fédéral Sécurité sociale ou de celles inscrites au budget des pensions en vue de l'octroi de revenu garanti aux personnes âgées, soit à l'aide des ressources en vue de l'octroi du minimum de moyens d'existence ou d'une allocation de même nature inscrites au budget du Service public fédéral de programmation Intégration et économie sociales, Lutte contre la pauvreté]9 et de celles inscrites aux budgets des centres publics d'aide sociale, [3 soit à l'aide des moyens financiers mis à disposition des communautés et de la Commission communautaire commune en vue du paiement des prestations familiales à dater du 1er janvier 2015]3 peuvent être récupérées d'office à concurrence de 10 % de chaque prestation ultérieure fournie au débiteur de l'indu ou à ses ayants-droit. [1 Il en est de même pour les intérêts afférents à ces prestations lorsque le paiement indû a été obtenu frauduleusement.]1
Pour la détermination de ces 10 %, le montant de cette prestation est augmenté, le cas échéant, de la prestation correspondante accordée en vertu d'une ou de plusieurs réglementations étrangères.
Lorsque la récupération visée aux alinéas 1er, 3 et 4, ne peut plus être effectuée par l'organisme ou le service créancier à défaut de prestation encore due par lui, elle peut être opérée d'office à la demande de celui-ci, par un organisme ou service versant l'une des prestations visées au § 1er, 2°, 3°, 4°, 5° et 8°, à concurrence de 10 % du montant de celle-ci.
Lorsque le paiement indu a été obtenu frauduleusement, la récupération d'office [1 des prestations indûment versées et des intérêts afférents à ces sommes]1 peut porter sur l'intégralité des prestations fournies ultérieurement qui sont de même nature ou qui sont versées par le même organisme ou service.
Lorsque les prestations familiales ont été obtenues indûment suite à une négligence ou à une omission de l'attributaire ou de l'allocataire, la récupération peut porter sur l'intégralité des prestations familiales dues ultérieurement au même allocataire.
Si le débiteur ou ses ayants-droit prouvent que le revenu, calculé selon les principes établis dans la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, est inférieur ou devient inférieur, suite à la récupération d'office, au montant du minimum de moyens d'existence selon les diverses catégories comme prévu dans la même loi, la récupération est selon le cas suspendue ou limitée.
Pour la vérification des pièces soumises, les organismes disposent de la compétence d'examen des moyens d'existence.
Toutes les administrations publiques fédérales, tous les organismes chargés de l'application d'une législation sur la sécurité sociale, les accidents du travail et les maladies professionnelles, les centres publics d'aide sociale, ainsi que les bénéficiaires, leurs mandataires, leurs héritiers ou ayants-droit sont tenus de communiquer aux organismes et services de paiement, sur simple réquisition, tout document utile.
L'organisme ou le service payeur d'un avantage prévu aux §§ 1er et 2, et obtenu avec effet rétroactif, peut déduire des sommes échues et non encore payées, au profit de l'organisme ou du service qui a payé indûment, le montant des prestations fournies antérieurement et qui ne peuvent être cumulées avec lesdits avantages.
Lorsqu'un bénéficiaire de pension a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi d'une pension de retraite ou de survie à charge d'un régime belge de sécurité sociale, aux allocations perçues en vertu de l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs, l'Office national de l'Emploi est subrogé d'office et pour le montant des allocations perçues, dans le droit du bénéficiaire de pension aux montants de pension qui lui sont dus.
Lorsqu'un bénéficiaire d'allocations visées à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi de ces allocations, à une pension de retraite ou de survie, [4 le Service fédéral des Pensions]4 est subrogé d'office et pour le montant de la pension perçue, dans le droit du bénéficiaire des allocations aux montants des allocations qui lui sont dus.) <L 1999-01-25/32, art. 223, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 5. L'organisme ou le service qui fait application du § 4, alinéa 2, le porte à la connaissance du débiteur par lettre recommandée a la poste. Cette lettre mentionne sous peine de nullité :
1° le montant à récupérer ainsi que le mode de calcul de ce montant;
2° la possibilité d'introduire un recours devant la juridiction compétente;
3° l'organisme ou le service auquel la récupération est demandée, ainsi que les modalités de récupération.
L'organisme ou le service fournit, par simple lettre, à l'organisme ou au service auquel la récupération est demandée :
1° les données nécessaires pour identifier le débiteur;
2° le montant de l'indu à récupérer et les modalités de récupération;
3° la date de la notification visée à l'alinéa précédent;
4° toute modification des éléments visés ci-dessus.
L'organisme ou le service auquel la récupération est demandée communique au débiteur, par envoi ordinaire :
1° le nom de l'organisme ou du service d'où provient la demande de récupération ainsi que le montant et les modalités de celle-ci;
2° la date à partir de laquelle l'indu sera récupéré.
La date visée à l'alinéa 3, 2°, doit être postérieure de trois mois à la date de la notification visée à l'alinéa 1er.
Le recours visé à l'alinéa 1er, 2°, est porté devant le Tribunal du travail compétent dans les trois mois de la date de présentation du pli recommandé, et ce, à peine de forclusion.) <L 1999-01-25/32, art. 224, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 6. L'organisme ou le service qui procède à une récupération d'office en vertu du § 4, alinéa 1er, 3 ou 4, et qui est saisi d'une demande fondée sur l'alinéa 2 du même paragraphe, donne suite à celle-ci après avoir récupéré sa propre créance.
Lorsque plusieurs organismes ou services introduisent auprès d'un même organisme ou service une demande fondée sur le § 4, alinéa 2, la récupération d'office s'opère d'abord en faveur de l'organisme ou du service le plus diligent.) <L 1999-01-25/32, art. 225, 029; En vigueur : 16-02-1999>
[14 15° sans préjudice de l'article 167 de l'ordonnance portant le Code des finances publiques de la Région de Bruxelles-Capitale, les subventions qui sont octroyées par les services du Gouvernement ou un organisme administratif autonome conformément à l'article 165 de l'ordonnance portant le Code des finances publiques de la Région de Bruxelles-Capitale pour autant que la dette à l'origine de la saisie n'ait aucun lien direct avec l'activité subventionnée.]14
§ 1er. L'art. 1409 (, § 1erbis, § 2 et § 3,) est en outre applicable: <L 2000-03-24/50, art. 4, 034; En vigueur : 14-05-2000>
1° (aux provisions et pensions alimentaires, adjugées par justice, ainsi qu'aux pensions allouées après divorce à l'époux non coupable) <L 09-07-1975, art. 3>;
2° aux (pensions, indemnités d'adaptation, [2 allocations de transition,]2 rentes, majorations de rente) ou avantages tenant lieu de pension, payés en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat <L 12-05-1971, art. 9, 1°>;
(2°bis. au pécule de vacances et au pécule complémentaire au pécule de vacances payés en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;) <L 2004-07-09/30, art. 300, 046; En vigueur : 25-07-2004>
3° aux allocations de chômage et aux allocations payées par les fonds de sécurité d'existence;
4° aux indemnités pour incapacité de travail et aux allocations d'invalidité payées en vertu de la législation relative à l'assurance maladie-invalidité ou, de la loi du 16 juin 1960 portant notamment garantie des prestations sociales assurées en faveur des anciens employés du Congo belge et du Ruanda Urundi et de la législation relative à la sécurité sociale d'outre-mer;
5° aux (indemnités, rentes et allocations) payés en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail ou des maladies professionnelles, de la dite loi du 16 juin 1960 ou de contrats d'assurance souscrits en application des dispositions de la législation prévue au § 2, 4°, du présent article <L 12-05-1971, art 9, 2°>;
6° (...) <L 2005-12-27/31, art. 3, 054; En vigueur : 09-01-2006>
7° aux indemnités de milice prévues par la loi du 9 juillet 1951;
(8° à l'indemnité accordée en cas d'interruption de la carrière professionnelle.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 1°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
§ 2. (Ne sont ni cessibles ni saisissables à charge du bénéficiaire les créances suivantes :) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
1° (Les prestations familiales, y compris celles payées en vertu de la législation portant indemnité des militaires soldés) <L 12-05-1971, art. 9, 3°>
2° Les pensions et rentes d'orphelins payées en vertu d'une loi, d'un statut ou d'un contrat;
3° (Les allocations au profit des handicapés) <L 27-06-1969, art. 31, § 1er, 2°>
4° La partie de l'indemnité payée en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, qui dépasse 100 p.c. et qui est accordée aux grands blessés dont l'état nécessite absolument et normalement l'assistance (d'une autre personne, ainsi que les montants accordés au titre d'aide d'une tierce personne en vertu de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994); <L 1999-12-24/36, art. 95, 033; En vigueur : 10-01-2000>
5° (les sommes à payer :
1. au bénéficiaire de prestations de santé, à titre d'intervention à charge de l'assurance soins de santé et indemnités ou en vertu de la loi du 16 juin 1960 ou de la législation relative à la sécurité sociale d'outremer;
2. à titre de soins médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers ou de frais d'appareils de prothèse et d'orthopédie à une personne victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, conformément à la législation sur les accidents du travail ou les maladies professionnelles.) <L 1999-03-18/36, art. 3, 030; En vigueur : 08-06-1999>
(6° les sommes payées à titre de revenu garanti ou de garantie de revenus aux personnes âgées.) <L 2001-03-22/31, art. 3, 038; En vigueur : 01-06-2001>
(7° les sommes payées à titre de minimum de moyens d'existence) <L 07-08-1974, art. 21, § 2>
(8° les sommes payées a titre d'aide sociale par les centres publics d'aide sociale.) <L 1993-01-14/34, art. 9, 2°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
(9° [12 à la prestation financière visée au chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022]12;
(10° les indemnités, provisionnelles ou non, afférentes à des prothèses, à des dispositifs médicaux et à des implants.) <L 2003-04-22/42, art. 2, 042; En vigueur : 29-05-2003>
(11° les sommes visées à l'article 120 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation des victimes de l'amiante.) <L 2006-12-27/30, art. 130, 060; En vigueur : 01-04-2007>
[7 12° les sommes à payer ou payées aux assurés bruxellois à titre d'interventions au sens de l'ordonnance du 21 décembre 2018 relative aux organismes assureurs bruxellois dans le domaine des soins de santé et de l'aide aux personnes.]7
[11 12° les défraiements visés à l'article 10 de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires.]11
[8 13° les sommes visées aux articles 15 et 16 de l'arrêté royal n° 22 du 4 juin 2020 portant création d'un Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19 payées à titre d'intervention du Fonds d'indemnisation pour les volontaires victimes du COVID-19;]8
[13 14° les remboursements de soins de santé et les pensions de dédommagement visés dans la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l'octroi d'une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d'actes de terrorisme.]13
[11 Le bénéficiaire de défraiements visés au 12° peut renoncer à l'insaisissabilité et à l'incessibilité de ces défraiements.]11
§ 3. Par dérogation au paragraphe premier, les deux tiers des pensions et allocations sociales auxquelles peuvent prétendre les personnes hospitalisées aux frais des commissions d'assistance publique et du fonds spécial d'assistance peuvent être cédés à ces institutions.
(Le Roi peut modifier la proportion fixée à l'alinéa 1er.) <L 12-05-1971, art. 9, 5°>
§ 4. (Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, les prestations payées indûment soit à l'aide des ressources [9 de l'Office national de sécurité sociale, de l'Agence fédérale des risques professionnels ou des organismes publics ou privés chargés de l'application de la législation relative au statut social des travailleurs indépendants, soit à l'aide des ressources inscrites au budget du Service public fédéral Sécurité sociale ou de celles inscrites au budget des pensions en vue de l'octroi de revenu garanti aux personnes âgées, soit à l'aide des ressources en vue de l'octroi du minimum de moyens d'existence ou d'une allocation de même nature inscrites au budget du Service public fédéral de programmation Intégration et économie sociales, Lutte contre la pauvreté]9 et de celles inscrites aux budgets des centres publics d'aide sociale, [3 soit à l'aide des moyens financiers mis à disposition des communautés et de la Commission communautaire commune en vue du paiement des prestations familiales à dater du 1er janvier 2015]3 peuvent être récupérées d'office à concurrence de 10 % de chaque prestation ultérieure fournie au débiteur de l'indu ou à ses ayants-droit. [1 Il en est de même pour les intérêts afférents à ces prestations lorsque le paiement indû a été obtenu frauduleusement.]1
Pour la détermination de ces 10 %, le montant de cette prestation est augmenté, le cas échéant, de la prestation correspondante accordée en vertu d'une ou de plusieurs réglementations étrangères.
Lorsque la récupération visée aux alinéas 1er, 3 et 4, ne peut plus être effectuée par l'organisme ou le service créancier à défaut de prestation encore due par lui, elle peut être opérée d'office à la demande de celui-ci, par un organisme ou service versant l'une des prestations visées au § 1er, 2°, 3°, 4°, 5° et 8°, à concurrence de 10 % du montant de celle-ci.
Lorsque le paiement indu a été obtenu frauduleusement, la récupération d'office [1 des prestations indûment versées et des intérêts afférents à ces sommes]1 peut porter sur l'intégralité des prestations fournies ultérieurement qui sont de même nature ou qui sont versées par le même organisme ou service.
Lorsque les prestations familiales ont été obtenues indûment suite à une négligence ou à une omission de l'attributaire ou de l'allocataire, la récupération peut porter sur l'intégralité des prestations familiales dues ultérieurement au même allocataire.
Si le débiteur ou ses ayants-droit prouvent que le revenu, calculé selon les principes établis dans la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, est inférieur ou devient inférieur, suite à la récupération d'office, au montant du minimum de moyens d'existence selon les diverses catégories comme prévu dans la même loi, la récupération est selon le cas suspendue ou limitée.
Pour la vérification des pièces soumises, les organismes disposent de la compétence d'examen des moyens d'existence.
Toutes les administrations publiques fédérales, tous les organismes chargés de l'application d'une législation sur la sécurité sociale, les accidents du travail et les maladies professionnelles, les centres publics d'aide sociale, ainsi que les bénéficiaires, leurs mandataires, leurs héritiers ou ayants-droit sont tenus de communiquer aux organismes et services de paiement, sur simple réquisition, tout document utile.
L'organisme ou le service payeur d'un avantage prévu aux §§ 1er et 2, et obtenu avec effet rétroactif, peut déduire des sommes échues et non encore payées, au profit de l'organisme ou du service qui a payé indûment, le montant des prestations fournies antérieurement et qui ne peuvent être cumulées avec lesdits avantages.
Lorsqu'un bénéficiaire de pension a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi d'une pension de retraite ou de survie à charge d'un régime belge de sécurité sociale, aux allocations perçues en vertu de l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs, l'Office national de l'Emploi est subrogé d'office et pour le montant des allocations perçues, dans le droit du bénéficiaire de pension aux montants de pension qui lui sont dus.
Lorsqu'un bénéficiaire d'allocations visées à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs a renoncé avec effet rétroactif, en raison de l'octroi de ces allocations, à une pension de retraite ou de survie, [4 le Service fédéral des Pensions]4 est subrogé d'office et pour le montant de la pension perçue, dans le droit du bénéficiaire des allocations aux montants des allocations qui lui sont dus.) <L 1999-01-25/32, art. 223, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 5. L'organisme ou le service qui fait application du § 4, alinéa 2, le porte à la connaissance du débiteur par lettre recommandée a la poste. Cette lettre mentionne sous peine de nullité :
1° le montant à récupérer ainsi que le mode de calcul de ce montant;
2° la possibilité d'introduire un recours devant la juridiction compétente;
3° l'organisme ou le service auquel la récupération est demandée, ainsi que les modalités de récupération.
L'organisme ou le service fournit, par simple lettre, à l'organisme ou au service auquel la récupération est demandée :
1° les données nécessaires pour identifier le débiteur;
2° le montant de l'indu à récupérer et les modalités de récupération;
3° la date de la notification visée à l'alinéa précédent;
4° toute modification des éléments visés ci-dessus.
L'organisme ou le service auquel la récupération est demandée communique au débiteur, par envoi ordinaire :
1° le nom de l'organisme ou du service d'où provient la demande de récupération ainsi que le montant et les modalités de celle-ci;
2° la date à partir de laquelle l'indu sera récupéré.
La date visée à l'alinéa 3, 2°, doit être postérieure de trois mois à la date de la notification visée à l'alinéa 1er.
Le recours visé à l'alinéa 1er, 2°, est porté devant le Tribunal du travail compétent dans les trois mois de la date de présentation du pli recommandé, et ce, à peine de forclusion.) <L 1999-01-25/32, art. 224, 029; En vigueur : 16-02-1999>
(§ 6. L'organisme ou le service qui procède à une récupération d'office en vertu du § 4, alinéa 1er, 3 ou 4, et qui est saisi d'une demande fondée sur l'alinéa 2 du même paragraphe, donne suite à celle-ci après avoir récupéré sa propre créance.
Lorsque plusieurs organismes ou services introduisent auprès d'un même organisme ou service une demande fondée sur le § 4, alinéa 2, la récupération d'office s'opère d'abord en faveur de l'organisme ou du service le plus diligent.) <L 1999-01-25/32, art. 225, 029; En vigueur : 16-02-1999>
[14 15° sans préjudice de l'article 167 de l'ordonnance portant le Code des finances publiques de la Région de Bruxelles-Capitale, les subventions qui sont octroyées par les services du Gouvernement ou un organisme administratif autonome conformément à l'article 165 de l'ordonnance portant le Code des finances publiques de la Région de Bruxelles-Capitale pour autant que la dette à l'origine de la saisie n'ait aucun lien direct avec l'activité subventionnée.]14
Änderungen
Art.1411. Komen iemand tegelijk de bedragen toe bedoeld ((in de artikel 1409 en 1409bis)) en pensioenen, gelden, uitkeringen, vergoedingen, (renten of rentebijslagen) als bedoeld in artikel 1410, § 1, dan worden die bedragen samengevoegd tot bepaling van het voor overdracht of beslag vatbare gedeelte (zoals bedoeld in artikel 1409, § 1). <W 12-05-1971, art. 10> <W 1993-01-14/34, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02> <W 2000-03-24/50, art. 5, 034; Inwerkingtreding : 14-05-2000>
Voor de bepaling van dat gedeelte komen genoemde bedragen eerst in aanmerking na aftrek van de afhoudingen krachtens de wettelijke bepalingen inzake belastingen en maatschappelijke zekerheid, en krachtens particuliere en collectieve overeenkomsten betreffende aanvullende voordelen van maatschappelijke zekerheid.
Voor de bepaling van dat gedeelte komen genoemde bedragen eerst in aanmerking na aftrek van de afhoudingen krachtens de wettelijke bepalingen inzake belastingen en maatschappelijke zekerheid, en krachtens particuliere en collectieve overeenkomsten betreffende aanvullende voordelen van maatschappelijke zekerheid.
Art.1411. Lorsqu'une personne bénéfice à la fois de sommes prévues à l'article 1409 ((à l'article 1409bis)) et de pensions, pécules, allocations, indemnités, (rentes ou majorations de rentes) prévues à l'article 1410, § 1er, les montants en sont cumulés pour déterminer la quotité cessible ou saisissable (telle que visée à l'article 1409, § 1er). <L 12-05-1971, art. 10> <L 1993-01-14/34, art. 10, 011; En vigueur : 1993-03-02> <L 2000-03-24/50, art. 5, 034; En vigueur : 14-05-2000>
Pour la détermination de ces quotités, les montants précités ne sont pris en considération que déduction préalablement faite des retenues effectuées en vertu des dispositions légales en matière d'impôt et de sécurité sociale et en vertu des conventions particulières ou collectives concernant les avantages complémentaires de sécurité sociale.
Pour la détermination de ces quotités, les montants précités ne sont pris en considération que déduction préalablement faite des retenues effectuées en vertu des dispositions légales en matière d'impôt et de sécurité sociale et en vertu des conventions particulières ou collectives concernant les avantages complémentaires de sécurité sociale.
Art. 1411bis. <INGEVOEGD bij W 2005-12-27/31, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De beperkingen en uitsluitingen waarin de artikelen 1409, 1409bis en 1410 voorzien, zijn eveneens van toepassing op de in die artikelen bedoelde bedragen indien ze worden gecrediteerd op een zichtrekening, geopend bij een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen.
§ 2. De schuldenaar mag met alle wettelijke middelen bewijzen dat overeenkomstig de artikelen 1409, 1409bis en 1410 niet voor beslag of overdracht vatbare bedragen gecrediteerd werden op een zichtrekening die het voorwerp uitmaakt van beslag of overdracht.
Bedragen die de werkgever van de schuldenaar stort op een zichtrekening van de schuldenaar worden vermoed, tot anders bewezen is, gedeeltelijk onvatbaar te zijn voor beslag of overdracht overeenkomstig artikel 1409, § 1. Dit vermoeden geldt alleen bij de verhoudingen tussen de schuldenaar en zijn schuldeisers.
§ 3. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels die het mogelijk maken een bijzondere code bij de in de artikelen 1409, 1409bis en 1410 bedoelde bedragen te vermelden op het ogenblik waarop deze bedragen ingeschreven worden op de creditzijde van de zichtrekening. Deze bijzondere code wordt vermeld op het uittreksel van de zichtrekening.
Deze laatste verplichting geldt niet voor inschrijvingen op de creditzijde van de zichtrekening ten gevolge van een storting in contanten, behalve in de door de Koning bepaalde gevallen en volgens de door Hem vastgelegde nadere regels.
§ 4. De opdrachtgever van de betaling op een zichtrekening van een bedrag als bedoeld in de artikelen 1409 en 1410, §§ 1, 2° tot 8°, en 2, deelt de in § 3 bedoelde code mee aan zijn financiële instelling, die hem op haar beurt meedeelt aan de kredietinstelling waarbij die zichtrekening aangehouden wordt.
§ 5. De opdrachtgever van een betaling bedoeld in § 4, die verzuimt een bijzondere code toe te kennen of die verzuimt deze mee te delen aan zijn financiële instelling waarvan sprake in § 4, wordt gestraft met geldboete van 200 euro tot 5.000 euro.
Het vorige lid is niet van toepassing op de opdrachtgevers van de bedragen als bedoeld bij de artikelen 1409bis en 1410, § 1, 1°.
De opdrachtgever van een betaling die frauduleus een bijzondere code toekent aan andere bedragen dan die bedoeld in de artikelen 1409, 1409bis of 1410, wordt gestraft met geldboete van 200 euro tot 5.000 euro.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de in dit artikel bedoelde inbreuken.
§ 6. De opdrachtgever van een betaling die frauduleus een bijzondere code toekent aan andere bedragen dan die bedoeld in de artikelen 1409, 1409bis of 1410, en die daartoe voor de beslagrechter wordt opgeroepen, kan geheel of ten dele schuldenaar worden verklaard van de oorzaken en de kosten van het beslag of de overdracht, onverminderd schadevergoeding ten aanzien van de partij, indien daartoe grond bestaat.
§ 2. De schuldenaar mag met alle wettelijke middelen bewijzen dat overeenkomstig de artikelen 1409, 1409bis en 1410 niet voor beslag of overdracht vatbare bedragen gecrediteerd werden op een zichtrekening die het voorwerp uitmaakt van beslag of overdracht.
Bedragen die de werkgever van de schuldenaar stort op een zichtrekening van de schuldenaar worden vermoed, tot anders bewezen is, gedeeltelijk onvatbaar te zijn voor beslag of overdracht overeenkomstig artikel 1409, § 1. Dit vermoeden geldt alleen bij de verhoudingen tussen de schuldenaar en zijn schuldeisers.
§ 3. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels die het mogelijk maken een bijzondere code bij de in de artikelen 1409, 1409bis en 1410 bedoelde bedragen te vermelden op het ogenblik waarop deze bedragen ingeschreven worden op de creditzijde van de zichtrekening. Deze bijzondere code wordt vermeld op het uittreksel van de zichtrekening.
Deze laatste verplichting geldt niet voor inschrijvingen op de creditzijde van de zichtrekening ten gevolge van een storting in contanten, behalve in de door de Koning bepaalde gevallen en volgens de door Hem vastgelegde nadere regels.
§ 4. De opdrachtgever van de betaling op een zichtrekening van een bedrag als bedoeld in de artikelen 1409 en 1410, §§ 1, 2° tot 8°, en 2, deelt de in § 3 bedoelde code mee aan zijn financiële instelling, die hem op haar beurt meedeelt aan de kredietinstelling waarbij die zichtrekening aangehouden wordt.
§ 5. De opdrachtgever van een betaling bedoeld in § 4, die verzuimt een bijzondere code toe te kennen of die verzuimt deze mee te delen aan zijn financiële instelling waarvan sprake in § 4, wordt gestraft met geldboete van 200 euro tot 5.000 euro.
Het vorige lid is niet van toepassing op de opdrachtgevers van de bedragen als bedoeld bij de artikelen 1409bis en 1410, § 1, 1°.
De opdrachtgever van een betaling die frauduleus een bijzondere code toekent aan andere bedragen dan die bedoeld in de artikelen 1409, 1409bis of 1410, wordt gestraft met geldboete van 200 euro tot 5.000 euro.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de in dit artikel bedoelde inbreuken.
§ 6. De opdrachtgever van een betaling die frauduleus een bijzondere code toekent aan andere bedragen dan die bedoeld in de artikelen 1409, 1409bis of 1410, en die daartoe voor de beslagrechter wordt opgeroepen, kan geheel of ten dele schuldenaar worden verklaard van de oorzaken en de kosten van het beslag of de overdracht, onverminderd schadevergoeding ten aanzien van de partij, indien daartoe grond bestaat.
Art. 1411bis. § 1er. Les restrictions et exclusions prévues aux articles 1409, 1409bis et 1410 sont également d'application si les montants visés par ces articles sont crédités sur un compte à vue ouvert auprès d'un établissement de crédit visé à l'article 1er de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit.
§ 2. Le débiteur peut prouver par toutes voies de droit que des montants insaisissables et incessibles en vertu des articles 1409, 1409bis et 1410 ont été crédités sur un compte à vue qui a fait l'objet d'une saisie ou d'une cession.
Les montants versés par l'employeur du débiteur sur un compte a vue de celui-ci sont, jusqu'à preuve du contraire, réputés partiellement insaisissables ou incessibles conformément à l'article 1409, § 1er. Cette présomption ne vaut que dans les rapports entre le débiteur et ses créanciers.
§ 3. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités qui permettent d'indiquer un code particulier en regard des montants visés aux articles 1409, 1409bis et 1410 au moment de l'inscription de ces montants au crédit du compte à vue. Ce code particulier est mentionné sur l'extrait du compte à vue.
Cette dernière obligation ne s'applique pas aux inscriptions au crédit d'un compte à vue faisant suite à un versement en espèces, sauf dans les cas et selon les modalités déterminées par le Roi.
§ 4. Le donneur d'ordre d'un paiement sur un compte à vue d'un montant visé aux articles 1409 et 1410, §§ 1er, 2° à 8°, et 2, communique le code visé au § 3 à son organisme financier, qui le communique à son tour à l'établissement de crédit auprès duquel ce compte à vue est ouvert.
§ 5. Le donneur d'ordre visé au § 4 qui néglige d'attribuer un code particulier ou qui néglige de communiquer ce code à son organisme financier, dont il est question au § 4, est puni d'une amende de 200 euros à 5.000 euros.
L'alinéa précédent ne s'applique pas aux donneurs d'ordre de sommes visées aux articles 1409bis et 1410, § 1er, 1°.
Le donneur d'ordre qui attribue frauduleusement un code particulier à des montants autres que ceux visés aux articles 1409, 1409bis ou 1410 est puni d'une amende de 200 euros à 5.000 euros.
Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris celles du chapitre VII et l'article 85 sont applicables aux infractions visées au présent article.
§ 6. Le donneur d'ordre qui attribue frauduleusement un code particulier à des montants autres que ceux visés aux articles 1409, 1409bis ou 1410, cité à cette fin devant le juge des saisies, peut être déclaré débiteur, en tout ou en partie, des causes de la saisie ou de la cession, ainsi que des frais de celle-ci, sans préjudice des dommages et intérêts envers la partie s'il y a lieu.
§ 2. Le débiteur peut prouver par toutes voies de droit que des montants insaisissables et incessibles en vertu des articles 1409, 1409bis et 1410 ont été crédités sur un compte à vue qui a fait l'objet d'une saisie ou d'une cession.
Les montants versés par l'employeur du débiteur sur un compte a vue de celui-ci sont, jusqu'à preuve du contraire, réputés partiellement insaisissables ou incessibles conformément à l'article 1409, § 1er. Cette présomption ne vaut que dans les rapports entre le débiteur et ses créanciers.
§ 3. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités qui permettent d'indiquer un code particulier en regard des montants visés aux articles 1409, 1409bis et 1410 au moment de l'inscription de ces montants au crédit du compte à vue. Ce code particulier est mentionné sur l'extrait du compte à vue.
Cette dernière obligation ne s'applique pas aux inscriptions au crédit d'un compte à vue faisant suite à un versement en espèces, sauf dans les cas et selon les modalités déterminées par le Roi.
§ 4. Le donneur d'ordre d'un paiement sur un compte à vue d'un montant visé aux articles 1409 et 1410, §§ 1er, 2° à 8°, et 2, communique le code visé au § 3 à son organisme financier, qui le communique à son tour à l'établissement de crédit auprès duquel ce compte à vue est ouvert.
§ 5. Le donneur d'ordre visé au § 4 qui néglige d'attribuer un code particulier ou qui néglige de communiquer ce code à son organisme financier, dont il est question au § 4, est puni d'une amende de 200 euros à 5.000 euros.
L'alinéa précédent ne s'applique pas aux donneurs d'ordre de sommes visées aux articles 1409bis et 1410, § 1er, 1°.
Le donneur d'ordre qui attribue frauduleusement un code particulier à des montants autres que ceux visés aux articles 1409, 1409bis ou 1410 est puni d'une amende de 200 euros à 5.000 euros.
Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris celles du chapitre VII et l'article 85 sont applicables aux infractions visées au présent article.
§ 6. Le donneur d'ordre qui attribue frauduleusement un code particulier à des montants autres que ceux visés aux articles 1409, 1409bis ou 1410, cité à cette fin devant le juge des saisies, peut être déclaré débiteur, en tout ou en partie, des causes de la saisie ou de la cession, ainsi que des frais de celle-ci, sans préjudice des dommages et intérêts envers la partie s'il y a lieu.
Art. 1411ter. <INGEVOEGD bij W 2005-12-27/31, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. In geval van beslag of overdracht van de in artikel 1411bis, § 1, bedoelde bedragen, gelden de beperkingen en uitsluitingen waarin de artikelen 1409, 1409bis en 1410 voorzien gedurende een periode van dertig dagen vanaf de inschrijving van deze bedragen op de creditzijde van de zichtrekening.
Wanneer niettemin de beschermde sommen het voorwerp zijn van een globale storting op een zichtrekening, terwijl ze betrekking hebben op een duur van meer dan één maand, is de bescherming van toepassing gedurende een overeenstemmende periode, vanaf de datum van inschrijving op de creditzijde van de zichtrekening. Voor de toepassing van dit lid telt een maand dertig dagen.
§ 2. De berekening van het niet voor beslag of overdracht vatbare gedeelte van het saldo op de zichtrekening gebeurt naar evenredigheid van de dagen van de in § 1 bedoelde periode die overblijven sinds de inschrijving van de niet voor beslag of overdracht vatbare bedragen op de creditzijde van de zichtrekening.
§ 3. Artikel 1411 wordt niet toegepast op de gevallen bedoeld in dit artikel.
Wanneer niettemin de beschermde sommen het voorwerp zijn van een globale storting op een zichtrekening, terwijl ze betrekking hebben op een duur van meer dan één maand, is de bescherming van toepassing gedurende een overeenstemmende periode, vanaf de datum van inschrijving op de creditzijde van de zichtrekening. Voor de toepassing van dit lid telt een maand dertig dagen.
§ 2. De berekening van het niet voor beslag of overdracht vatbare gedeelte van het saldo op de zichtrekening gebeurt naar evenredigheid van de dagen van de in § 1 bedoelde periode die overblijven sinds de inschrijving van de niet voor beslag of overdracht vatbare bedragen op de creditzijde van de zichtrekening.
§ 3. Artikel 1411 wordt niet toegepast op de gevallen bedoeld in dit artikel.
Art. 1411ter. § 1er. En cas de saisie ou de cession des montants visés à l'article 1411bis, § 1er, les restrictions et les exclusions visées aux articles 1409, 1409bis et 1410 sont d'application durant une période de trente jours à dater de l'inscription de ces sommes au crédit du compte à vue.
Néanmoins, lorsque des sommes protégées font l'objet d'un versement global sur un compte à vue alors qu'elles se rapportent à une durée supérieure à un mois, la protection est d'application durant une période correspondante, à dater de l'inscription de ces sommes au crédit du compte à vue. Pour l'application du présent alinéa, un mois compte trente jours.
§ 2. Le calcul de la partie du solde insaisissable ou incessible du compte à vue se fait au prorata du nombre de jours restants de la période visée au § 1er depuis l'inscription des montants insaisissables ou incessibles au crédit du compte à vue.
§ 3. L'article 1411 ne s'applique pas aux cas visés au présent article.
Néanmoins, lorsque des sommes protégées font l'objet d'un versement global sur un compte à vue alors qu'elles se rapportent à une durée supérieure à un mois, la protection est d'application durant une période correspondante, à dater de l'inscription de ces sommes au crédit du compte à vue. Pour l'application du présent alinéa, un mois compte trente jours.
§ 2. Le calcul de la partie du solde insaisissable ou incessible du compte à vue se fait au prorata du nombre de jours restants de la période visée au § 1er depuis l'inscription des montants insaisissables ou incessibles au crédit du compte à vue.
§ 3. L'article 1411 ne s'applique pas aux cas visés au présent article.
Art. 1411quater. <INGEVOEGD bij W 2005-12-27/31, art. 6; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. In geval van beslag op een zichtrekening, deelt de kredietinstelling in de in artikel 1452 bedoelde verklaring een lijst mee van de bedragen voorzien van een code die gecrediteerd zijn tijdens de periode van dertig dagen die aan de datum van het beslag voorafgaat.
In geval van overdracht van een bedrag dat op een zichtrekening gecrediteerd is, deelt de kredietinstelling bij ter post aangetekende brief aan de gerechtsdeurwaarder, de overnemer of de schuldeiser, binnen vijftien dagen vanaf de ontvangst van de kennisgeving de overdracht, het saldo op de zichtrekening mee evenals een lijst van de bedragen voorzien van een code die gecrediteerd zijn tijdens de periode van dertig dagen die de datum van de overdracht voorafgaat alsook de datum waarop die bedragen voorzien van een code gecrediteerd werden.
§ 2.
1. Indien het beslag of de overdracht werd betekend door een gerechtsdeurwaarder maakt deze de in artikel 1411ter, § 2, omschreven berekening.
Op straffe van nietigheid van het beslag of van de overdracht verstuurt de gerechtsdeurwaarder deze berekening aan de schuldenaar bij een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst, binnen acht dagen na de kennisgeving van de verklaring bedoeld in § 1.
Op straffe van nietigheid van het beslag of van de overdracht verstuurt hij een kopie van de berekening aan de kredietinstelling bij een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst, binnen acht dagen na de kennisgeving van de verklaring bedoeld in § 1. Na ontvangst ervan door de kredietinstelling kan de schuldenaar vrij beschikken over de in de berekening vermelde bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag of overdracht.
2. Indien het beslag of de overdracht niet werd betekend door een gerechtsdeurwaarder, maakt de overnemer of de schuldeiser de in artikel 1411ter, § 2, omschreven berekening.
Op straffe van nietigheid van het beslag of van de overdracht verstuurt hij deze berekening aan de schuldenaar bij een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst binnen acht dagen na de kennisgeving van de verklaring bedoeld in § 1.
Op straffe van nietigheid van het beslag of van de overdracht verstuurt hij een kopie van de berekening aan de kredietinstelling bij een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst binnen acht dagen na de kennisgeving van de verklaring bedoeld in § 1. Na ontvangst ervan door de kredietinstelling kan de schuldenaar vrij beschikken over de in de berekening vermelde bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag of overdracht.
3. Op straffe van nietigheid van het beslag of van de overdracht wordt bij de ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst aan de schuldenaar, een antwoordformulier gevoegd waarvan de Koning het model bepaalt.
4. Op straffe van verval deelt de schuldenaar, binnen acht dagen vanaf de aanbieding aan zijn woonplaats van de ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst, zijn opmerkingen op het antwoordformulier mee aan de afzender bij ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst.
5. Op straffe van verval legt de gerechtsdeurwaarder, de schuldeiser of de overnemer, binnen vijf dagen vanaf de aanbieding aan het op het antwoordformulier vermelde adres van de ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst die de opmerkingen van de schuldenaar bevat, ter griffie van de beslagrechter een afschrift van de berekening en van het gestandaardiseerd antwoordformulier met de opmerkingen van de schuldenaar neer.
De beslagrechter bepaalt dag en uur van het onderzoek en de regeling van de moeilijkheden, na de schuldeiser of de overnemer en de schuldenaar te hebben gehoord of opgeroepen.
De griffier roept de partijen op en verwittigt, in voorkomend geval, de instrumenterende gerechtsdeurwaarder.
De beslagrechter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken, zowel in aanwezigheid als bij ontstentenis van de partijen.
Zijn beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.
In geval van overdracht van een bedrag dat op een zichtrekening gecrediteerd is, deelt de kredietinstelling bij ter post aangetekende brief aan de gerechtsdeurwaarder, de overnemer of de schuldeiser, binnen vijftien dagen vanaf de ontvangst van de kennisgeving de overdracht, het saldo op de zichtrekening mee evenals een lijst van de bedragen voorzien van een code die gecrediteerd zijn tijdens de periode van dertig dagen die de datum van de overdracht voorafgaat alsook de datum waarop die bedragen voorzien van een code gecrediteerd werden.
§ 2.
1. Indien het beslag of de overdracht werd betekend door een gerechtsdeurwaarder maakt deze de in artikel 1411ter, § 2, omschreven berekening.
Op straffe van nietigheid van het beslag of van de overdracht verstuurt de gerechtsdeurwaarder deze berekening aan de schuldenaar bij een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst, binnen acht dagen na de kennisgeving van de verklaring bedoeld in § 1.
Op straffe van nietigheid van het beslag of van de overdracht verstuurt hij een kopie van de berekening aan de kredietinstelling bij een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst, binnen acht dagen na de kennisgeving van de verklaring bedoeld in § 1. Na ontvangst ervan door de kredietinstelling kan de schuldenaar vrij beschikken over de in de berekening vermelde bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag of overdracht.
2. Indien het beslag of de overdracht niet werd betekend door een gerechtsdeurwaarder, maakt de overnemer of de schuldeiser de in artikel 1411ter, § 2, omschreven berekening.
Op straffe van nietigheid van het beslag of van de overdracht verstuurt hij deze berekening aan de schuldenaar bij een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst binnen acht dagen na de kennisgeving van de verklaring bedoeld in § 1.
Op straffe van nietigheid van het beslag of van de overdracht verstuurt hij een kopie van de berekening aan de kredietinstelling bij een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst binnen acht dagen na de kennisgeving van de verklaring bedoeld in § 1. Na ontvangst ervan door de kredietinstelling kan de schuldenaar vrij beschikken over de in de berekening vermelde bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag of overdracht.
3. Op straffe van nietigheid van het beslag of van de overdracht wordt bij de ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst aan de schuldenaar, een antwoordformulier gevoegd waarvan de Koning het model bepaalt.
4. Op straffe van verval deelt de schuldenaar, binnen acht dagen vanaf de aanbieding aan zijn woonplaats van de ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst, zijn opmerkingen op het antwoordformulier mee aan de afzender bij ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst.
5. Op straffe van verval legt de gerechtsdeurwaarder, de schuldeiser of de overnemer, binnen vijf dagen vanaf de aanbieding aan het op het antwoordformulier vermelde adres van de ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst die de opmerkingen van de schuldenaar bevat, ter griffie van de beslagrechter een afschrift van de berekening en van het gestandaardiseerd antwoordformulier met de opmerkingen van de schuldenaar neer.
De beslagrechter bepaalt dag en uur van het onderzoek en de regeling van de moeilijkheden, na de schuldeiser of de overnemer en de schuldenaar te hebben gehoord of opgeroepen.
De griffier roept de partijen op en verwittigt, in voorkomend geval, de instrumenterende gerechtsdeurwaarder.
De beslagrechter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken, zowel in aanwezigheid als bij ontstentenis van de partijen.
Zijn beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.
Art. 1411quater. § 1er. En cas de saisie sur un compte à vue, l'établissement de crédit communique dans la déclaration visée à l'article 1452 une liste des montants munis d'un code crédités au cours de la période de trente jours qui précède la date de la saisie.
En cas de cession d'une somme créditée sur un compte à vue, l'établissement de crédit communique par lettre recommandée à la poste à l'huissier, au cessionnaire ou au créancier, dans les quinze jours de la réception de la modification de celle-ci, le solde du compte ainsi qu'une liste des montants munis d'un code crédités au cours de la période de trente jours qui précède la date de la cession et la date à laquelle ces montants munis d'un code ont été crédités.
§ 2.
1. Si la saisie ou la cession est signifiée par un huissier, celui-ci établit le décompte visé à l'article 1411ter, § 2.
A peine de nullité de la saisie ou de la cession, l'huissier envoie ce décompte au débiteur par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception dans les huit jours de la notification de la déclaration visée au § 1er.
A peine de nullité de la saisie ou de la cession, il envoie une copie du décompte à l'établissement de crédit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception dans les huit jours de la notification de la déclaration visée au § 1er. Après réception de la copie par l'établissement de crédit, le débiteur peut disposer librement des montants insaisissables ou incessibles qui sont mentionnés dans le décompte.
2. Si la saisie ou la cession n'a pas été signifiée par un huissier, le cessionnaire ou le créancier établit le décompte visé a l'article 1411ter, § 2.
A peine de nullité de la saisie ou de la cession, il envoie ce décompte au débiteur par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception dans les huit jours de la notification de la déclaration visée au § 1er.
A peine de nullité de la saisie ou de la cession, il envoie une copie du décompte à l'établissement de crédit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception dans les huit jours de la notification de la déclaration visée au § 1er. Après réception de la copie par l'établissement de crédit, le débiteur peut disposer librement des montants insaisissables ou incessibles qui sont mentionnés dans le décompte.
3. A peine de nullité de la saisie ou de la cession, la lettre recommandée à la poste avec accusé de réception envoyée au débiteur est accompagnée d'un formulaire de réponse dont le Roi détermine le modèle.
4. A peine de déchéance, le débiteur communique à l'expéditeur, par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, ses observations au moyen du formulaire de réponse dans les huit jours à dater de la présentation, à son domicile, de la lettre recommandée à la poste avec accusé de réception.
5. A peine de déchéance, l'huissier, le créancier ou le cessionnaire dépose au greffe du juge des saisies, dans les cinq jours à dater de la présentation, à l'adresse mentionnée sur le formulaire de réponse, de la lettre recommandée à la poste avec accuse de réception, contenant les observations du débiteur, une copie du décompte et du formulaire de réponse standardisé avec les observations du débiteur.
Le juge des saisies fixe le jour et l'heure pour l'examen et le règlement des difficultés, le créancier ou le cessionnaire et le débiteur préalablement entendus ou convoqués.
Le greffier convoque les parties et prévient, le cas échéant, l'huissier instrumentant.
Le juge des saisies statue toutes affaires cessantes, tant en présence qu'en l'absence des parties.
Son ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.
En cas de cession d'une somme créditée sur un compte à vue, l'établissement de crédit communique par lettre recommandée à la poste à l'huissier, au cessionnaire ou au créancier, dans les quinze jours de la réception de la modification de celle-ci, le solde du compte ainsi qu'une liste des montants munis d'un code crédités au cours de la période de trente jours qui précède la date de la cession et la date à laquelle ces montants munis d'un code ont été crédités.
§ 2.
1. Si la saisie ou la cession est signifiée par un huissier, celui-ci établit le décompte visé à l'article 1411ter, § 2.
A peine de nullité de la saisie ou de la cession, l'huissier envoie ce décompte au débiteur par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception dans les huit jours de la notification de la déclaration visée au § 1er.
A peine de nullité de la saisie ou de la cession, il envoie une copie du décompte à l'établissement de crédit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception dans les huit jours de la notification de la déclaration visée au § 1er. Après réception de la copie par l'établissement de crédit, le débiteur peut disposer librement des montants insaisissables ou incessibles qui sont mentionnés dans le décompte.
2. Si la saisie ou la cession n'a pas été signifiée par un huissier, le cessionnaire ou le créancier établit le décompte visé a l'article 1411ter, § 2.
A peine de nullité de la saisie ou de la cession, il envoie ce décompte au débiteur par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception dans les huit jours de la notification de la déclaration visée au § 1er.
A peine de nullité de la saisie ou de la cession, il envoie une copie du décompte à l'établissement de crédit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception dans les huit jours de la notification de la déclaration visée au § 1er. Après réception de la copie par l'établissement de crédit, le débiteur peut disposer librement des montants insaisissables ou incessibles qui sont mentionnés dans le décompte.
3. A peine de nullité de la saisie ou de la cession, la lettre recommandée à la poste avec accusé de réception envoyée au débiteur est accompagnée d'un formulaire de réponse dont le Roi détermine le modèle.
4. A peine de déchéance, le débiteur communique à l'expéditeur, par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, ses observations au moyen du formulaire de réponse dans les huit jours à dater de la présentation, à son domicile, de la lettre recommandée à la poste avec accusé de réception.
5. A peine de déchéance, l'huissier, le créancier ou le cessionnaire dépose au greffe du juge des saisies, dans les cinq jours à dater de la présentation, à l'adresse mentionnée sur le formulaire de réponse, de la lettre recommandée à la poste avec accuse de réception, contenant les observations du débiteur, une copie du décompte et du formulaire de réponse standardisé avec les observations du débiteur.
Le juge des saisies fixe le jour et l'heure pour l'examen et le règlement des difficultés, le créancier ou le cessionnaire et le débiteur préalablement entendus ou convoqués.
Le greffier convoque les parties et prévient, le cas échéant, l'huissier instrumentant.
Le juge des saisies statue toutes affaires cessantes, tant en présence qu'en l'absence des parties.
Son ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.
Art.1412. <W 1987-03-31/52, art. 87, 004; Inwerkingtreding : 06-06-1987> (De beperkingen uitsluiting waarin de artikelen 1409, 1409bis en 1410, § 1, § 2, 1° tot 7°, §3 en § 4 voorzien, zijn niet van toepassing:) <W 1993-01-14/34, art. 11, 1°, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
1° wanneer de overdracht of het beslag wordt verricht wegens de onderhoudsverplichtingen bedoeld in de artikelen 203, 203bis, 205, 206, 207, 213, 223, 301, 303, (...) 336 of 364 van het Burgerlijk Wetboek, in artikel 1280, eerste lid, van dit Wetboek of in een overeenkomst, gesloten krachtens artikel 1288 (...) van dit Wetboek; <W 2007-04-27/00, art. 39, 1°, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
2° wanneer het loon, het pensioen of de toelage moet worden uitgekeerd aan de echtgenoot of aan een andere uitkeringsgerechtigde bij toepassing van de artikelen 203ter, 221, (301, § 11) van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 1280, vijfde lid, van dit Wetboek; <W 2007-04-27/00, art. 39, 2°, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
(3° wanneer de rechter artikel 387ter, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft toegepast.) <W 2006-07-18/38, art. 5, 057; Inwerkingtreding : 14-09-2006>
Wanneer de bedragen die aan de (onderhoudsplichtige)verschuldigd zijn hem geheel of gedeeltelijk niet mogen worden uitgekeerd om een van de redenen in het eerste lid bedoeld, zijn die bedragen slechts vatbaar voor overdracht of beslag om een andere reden, tot beloop van het bedrag dat is vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, verminderd met de bedragen die zijn overgedragen, in beslag genomen of aan de echtgenoot of de uitkeringsgerechtigde betaald, krachtens de wetsbepalingen die in het eerste lid worden genoemd. <W 1993-01-14/34, art. 11, 2°, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
1° wanneer de overdracht of het beslag wordt verricht wegens de onderhoudsverplichtingen bedoeld in de artikelen 203, 203bis, 205, 206, 207, 213, 223, 301, 303, (...) 336 of 364 van het Burgerlijk Wetboek, in artikel 1280, eerste lid, van dit Wetboek of in een overeenkomst, gesloten krachtens artikel 1288 (...) van dit Wetboek; <W 2007-04-27/00, art. 39, 1°, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
2° wanneer het loon, het pensioen of de toelage moet worden uitgekeerd aan de echtgenoot of aan een andere uitkeringsgerechtigde bij toepassing van de artikelen 203ter, 221, (301, § 11) van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 1280, vijfde lid, van dit Wetboek; <W 2007-04-27/00, art. 39, 2°, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
(3° wanneer de rechter artikel 387ter, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft toegepast.) <W 2006-07-18/38, art. 5, 057; Inwerkingtreding : 14-09-2006>
Wanneer de bedragen die aan de (onderhoudsplichtige)verschuldigd zijn hem geheel of gedeeltelijk niet mogen worden uitgekeerd om een van de redenen in het eerste lid bedoeld, zijn die bedragen slechts vatbaar voor overdracht of beslag om een andere reden, tot beloop van het bedrag dat is vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, verminderd met de bedragen die zijn overgedragen, in beslag genomen of aan de echtgenoot of de uitkeringsgerechtigde betaald, krachtens de wetsbepalingen die in het eerste lid worden genoemd. <W 1993-01-14/34, art. 11, 2°, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02>
Art.1412. <L 1987-03-31/52, art. 87, 004; En vigueur : 06-06-1987> (Les limitations et exclusions prévues aux articles 1409, 1409bis et 1410, § 1er, § 2, 1° à 7°, § 3 et § 4 ne sont pas applicables :) <L 1993-01-14/34, art. 11, 1°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
1° lorsque la cession ou la saisie sont opérées en raison des obligations alimentaires prévues par les articles 203, 203bis, 205, 206, 207, 213, 223, 301, 303, (...), 336 ou 364 du Code civil, par l'article 1280, alinéa premier, du présent Code ou par une convention conclue en vertu de l'article 1288 (...) du présent Code; <L 2007-04-27/00, art. 39, 1°, 062; En vigueur : 01-09-2007>
2° lorsque la rémunération, la pension ou l'allocation doit être payée au conjoint ou à un autre créancier d'aliments en application des articles 203ter, 221, (301, § 11) du Code civil ou 1280, alinéa 5, du présent Code; <L 2007-04-27/00, art. 39, 2°, 062; En vigueur : 01-09-2007>
(3° lorsque le juge a fait application de l'article 387ter, alinéa 2, du Code civil.) <L 2006-07-18/38, art. 5, 057; En vigueur : 14-09-2006>
Lorsque tout ou partie des sommes dues au (débiteur d'aliments) ne peuvent lui être payées pour l'une des causes prévues à l'alinéa 1er, ces sommes ne sont saisissables ou cessibles d'un autre chef qu'à concurrence de la quotité déterminée conformément aux dispositions du présent chapitre, diminuée des montants cédés, saisis ou payés au conjoint ou au créancier d'aliments en vertu des dispositions légales indiquées au premier alinéa. <L 1993-01-14/34, art. 11, 2°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
1° lorsque la cession ou la saisie sont opérées en raison des obligations alimentaires prévues par les articles 203, 203bis, 205, 206, 207, 213, 223, 301, 303, (...), 336 ou 364 du Code civil, par l'article 1280, alinéa premier, du présent Code ou par une convention conclue en vertu de l'article 1288 (...) du présent Code; <L 2007-04-27/00, art. 39, 1°, 062; En vigueur : 01-09-2007>
2° lorsque la rémunération, la pension ou l'allocation doit être payée au conjoint ou à un autre créancier d'aliments en application des articles 203ter, 221, (301, § 11) du Code civil ou 1280, alinéa 5, du présent Code; <L 2007-04-27/00, art. 39, 2°, 062; En vigueur : 01-09-2007>
(3° lorsque le juge a fait application de l'article 387ter, alinéa 2, du Code civil.) <L 2006-07-18/38, art. 5, 057; En vigueur : 14-09-2006>
Lorsque tout ou partie des sommes dues au (débiteur d'aliments) ne peuvent lui être payées pour l'une des causes prévues à l'alinéa 1er, ces sommes ne sont saisissables ou cessibles d'un autre chef qu'à concurrence de la quotité déterminée conformément aux dispositions du présent chapitre, diminuée des montants cédés, saisis ou payés au conjoint ou au créancier d'aliments en vertu des dispositions légales indiquées au premier alinéa. <L 1993-01-14/34, art. 11, 2°, 011; En vigueur : 1993-03-02>
Art. 1412bis. <INGEVOEGD bij W 1994-06-30/32, art. 1, Inwerkingtreding : 21-01-1995> § 1. De goederen die toebehoren aan de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de provincies, de gemeenten, de instellingen van openbaar nut en, in het algemeen, aan alle publiekrechtelijke rechtspersonen, zijn niet vatbaar voor beslag.
§ 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige ecomomische overheidsbedrijven, zijn echter wel vatbaar voor beslag :
1° de goederen ten aanzien waarvan de in § 1 bedoelde publiekrechtelijke rechtspersonen verklaard hebben dat ze in beslag genomen kunnen worden. Deze verklaring moet uitgaan van de bevoegde organen. Ze moet worden neergelegd op de plaatsen die door artikel 42 zijn bepaald voor de betekening van de gerechtelijke akten.
De Koning bepaalt de wijze waarop deze neerlegging geschiedt;
2° bij gebreke van een dergelijke verklaring of wanneer de tegeldemaking van de erin opgenomen goederen niet volstaat tot voldoening van de schuldeiser, de goederen die voor deze rechtspersonen kennelijk niet nuttig zijn voor de uitoefening van hun taak of voor de continuïteit van de openbare dienst.
§ 3. De in § 1 bedoelde publiekrechtlijke rechtspersonen wier goederen overeenkomstig § 2, 2°, in beslag genomen worden, kunnen verzet doen. Ze kunnen aan de beslagleggende schuldeiser andere goederen ter beslagneming aanbieden. Het aanbod is bindend voor de beslagleggende schuldeiser indien het goed op het Belgisch grondgebied gelegen is en de tegeldemaking volstaat tot voldoening van de schuldeiser.
Indien de beslagleggende schuldeiser aanvoert dat niet is voldaan aan de in het vorige lid bedoelde voorwaarden inzake de vervanging van het in beslag genomen goed, wendt de meest gerede partij zich tot de rechter onder de in artikel 1395 gestelde voorwaarden.
§ 4. Verzet kan alleen worden gedaan bij exploot te betekenen aan de beslaglegger, samen met een dagvaarding om te verschijnen voor de beslagrechter. De eis schorst de tenuitvoerlegging en moet, op straffe van verval, worden ingesteld binnen een maand te rekenen van het beslagexploot betekend aan de schuldenaar.
Het vonnis kan niet bij voorraad ten uitvoer worden gelegd. Het is niet vatbaar voor verzet.
De termijn om hoger beroep in te stellen is een maand te rekenen van de betekening van het vonnis. De rechter in hoger beroep doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken. Tegen een bij verstek gewezen arrest kan geen verzet worden gedaan.
§ 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige ecomomische overheidsbedrijven, zijn echter wel vatbaar voor beslag :
1° de goederen ten aanzien waarvan de in § 1 bedoelde publiekrechtelijke rechtspersonen verklaard hebben dat ze in beslag genomen kunnen worden. Deze verklaring moet uitgaan van de bevoegde organen. Ze moet worden neergelegd op de plaatsen die door artikel 42 zijn bepaald voor de betekening van de gerechtelijke akten.
De Koning bepaalt de wijze waarop deze neerlegging geschiedt;
2° bij gebreke van een dergelijke verklaring of wanneer de tegeldemaking van de erin opgenomen goederen niet volstaat tot voldoening van de schuldeiser, de goederen die voor deze rechtspersonen kennelijk niet nuttig zijn voor de uitoefening van hun taak of voor de continuïteit van de openbare dienst.
§ 3. De in § 1 bedoelde publiekrechtlijke rechtspersonen wier goederen overeenkomstig § 2, 2°, in beslag genomen worden, kunnen verzet doen. Ze kunnen aan de beslagleggende schuldeiser andere goederen ter beslagneming aanbieden. Het aanbod is bindend voor de beslagleggende schuldeiser indien het goed op het Belgisch grondgebied gelegen is en de tegeldemaking volstaat tot voldoening van de schuldeiser.
Indien de beslagleggende schuldeiser aanvoert dat niet is voldaan aan de in het vorige lid bedoelde voorwaarden inzake de vervanging van het in beslag genomen goed, wendt de meest gerede partij zich tot de rechter onder de in artikel 1395 gestelde voorwaarden.
§ 4. Verzet kan alleen worden gedaan bij exploot te betekenen aan de beslaglegger, samen met een dagvaarding om te verschijnen voor de beslagrechter. De eis schorst de tenuitvoerlegging en moet, op straffe van verval, worden ingesteld binnen een maand te rekenen van het beslagexploot betekend aan de schuldenaar.
Het vonnis kan niet bij voorraad ten uitvoer worden gelegd. Het is niet vatbaar voor verzet.
De termijn om hoger beroep in te stellen is een maand te rekenen van de betekening van het vonnis. De rechter in hoger beroep doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken. Tegen een bij verstek gewezen arrest kan geen verzet worden gedaan.
Art. 1412bis. § 1. Les biens appartenant à l'Etat, aux Régions, aux Communautés, aux provinces, aux communes, aux organismes d'intérêt public et généralement à toutes personnes morales de droit public sont insaisissables.
§ 2. Toutefois, sans préjudice de l'article 8, alinéa 2, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, peuvent faire l'objet d'une saisie :
1° les biens dont les personnes morales de droit public visées au § 1er ont déclarés qu'ils pouvaient être saisis. Cette déclaration doit émaner des organes compétents. Elle sera déposée aux lieux prescrits par l'article 42 pour la signification des actes judiciaires.
Le Roi fixe les modalités de ce dépôt;
2° à défaut d'une telle déclaration ou lorsque la réalisation des biens qui y figurent ne suffit pas à désintéresser le créancier, les biens qui ne sont manifestement pas utiles à ces personnes morales pour l'exercice de leur mission ou pour la continuité du service public.
§ 3. Les personnes morales de droit public visées au § 1er, dont les biens font l'objet d'une saisie conformément au § 2, 2°, peuvent faire opposition. Elles peuvent faire offre au créancier saisissant d'exercer ses poursuites sur d'autres biens. L'offre lie le créancier saisissant si le bien est sis sur le territoire belge, et si sa réalisation est susceptible de le désintéresser.
Si le créancier saisissant allègue que les conditions du remplacement du bien saisi visées à l'alinéa précédent ne sont pas remplies, la partie la plus diligente saisit le juge dans les conditions fixées à l'article 1395.
§ 4. S'il y a opposition, elle ne peut résulter que d'un exploit signifié au saisissant avec citation à comparaître devant le juge des saisies. La demande, qui est suspensive de la poursuite, doit être formée, à peine de déchéance, dans le mois de l'exploit de saisie signifié au débiteur.
Le jugement ne peut être assorti de l'exécution provisoire. Il n'est pas susceptible d'opposition.
Le délai pour interjeter appel est d'un mois à partir de la signification du jugement. Le juge d'appel statue toutes affaires cessantes. L'arrêt rendu par défaut n'est pas susceptible d'opposition.
§ 2. Toutefois, sans préjudice de l'article 8, alinéa 2, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, peuvent faire l'objet d'une saisie :
1° les biens dont les personnes morales de droit public visées au § 1er ont déclarés qu'ils pouvaient être saisis. Cette déclaration doit émaner des organes compétents. Elle sera déposée aux lieux prescrits par l'article 42 pour la signification des actes judiciaires.
Le Roi fixe les modalités de ce dépôt;
2° à défaut d'une telle déclaration ou lorsque la réalisation des biens qui y figurent ne suffit pas à désintéresser le créancier, les biens qui ne sont manifestement pas utiles à ces personnes morales pour l'exercice de leur mission ou pour la continuité du service public.
§ 3. Les personnes morales de droit public visées au § 1er, dont les biens font l'objet d'une saisie conformément au § 2, 2°, peuvent faire opposition. Elles peuvent faire offre au créancier saisissant d'exercer ses poursuites sur d'autres biens. L'offre lie le créancier saisissant si le bien est sis sur le territoire belge, et si sa réalisation est susceptible de le désintéresser.
Si le créancier saisissant allègue que les conditions du remplacement du bien saisi visées à l'alinéa précédent ne sont pas remplies, la partie la plus diligente saisit le juge dans les conditions fixées à l'article 1395.
§ 4. S'il y a opposition, elle ne peut résulter que d'un exploit signifié au saisissant avec citation à comparaître devant le juge des saisies. La demande, qui est suspensive de la poursuite, doit être formée, à peine de déchéance, dans le mois de l'exploit de saisie signifié au débiteur.
Le jugement ne peut être assorti de l'exécution provisoire. Il n'est pas susceptible d'opposition.
Le délai pour interjeter appel est d'un mois à partir de la signification du jugement. Le juge d'appel statue toutes affaires cessantes. L'arrêt rendu par défaut n'est pas susceptible d'opposition.
Art. 1412ter. <INGEVOEGD bij W 2004-06-14/33, art. 2; Inwerkingtreding : 29-06-2004> § 1. Onverminderd dwingende supranationale bepalingen, zijn de cultuurgoederen die eigendom zijn van buitenlandse mogendheden niet vatbaar voor beslag wanneer die goederen zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk met het oog op een openbare en tijdelijke tentoonstelling op dit grondgebied.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel worden als cultuurgoederen beschouwd de voorwerpen die een artistiek, wetenschappelijk, cultureel of historisch belang hebben.
De cultuurgoederen die bestemd zijn voor een economische of commerciële privaatrechtelijke activiteit genieten niet van de in § 1, bedoelde immuniteit.
§ 3. De in § 1 bedoelde immuniteit is eveneens van toepassing op cultuurgoederen die eigendom zijn van een deelgebied van een buitenlandse mogendheid, zelfs wanneer dit deelgebied niet over internationale rechtspersoonlijkheid beschikt.
Zij is eveneens van toepassing op cultuurgoederen die eigendom zijn van een geleding van een buitenlandse mogendheid. Onder geleding van een buitenlandse mogendheid wordt begrepen een instelling die voor rekening van een buitenlandse mogendheid optreedt of van één van zijn deelgebieden, op voorwaarde dat deze instelling toebedeeld is met een deel van de soevereiniteit.
De in § 1 bedoelde immuniteit is eveneens van toepassing op cultuurgoederen die eigendom zijn van territoriaal gedecentraliseerde besturen of elke andere politieke opdeling van een buitenlandse mogendheid.
De in § 1 bedoelde immuniteit is eveneens van toepassing op cultuurgoederen die eigendom zijn van een publiekrechtelijke internationale organisatie.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel worden als cultuurgoederen beschouwd de voorwerpen die een artistiek, wetenschappelijk, cultureel of historisch belang hebben.
De cultuurgoederen die bestemd zijn voor een economische of commerciële privaatrechtelijke activiteit genieten niet van de in § 1, bedoelde immuniteit.
§ 3. De in § 1 bedoelde immuniteit is eveneens van toepassing op cultuurgoederen die eigendom zijn van een deelgebied van een buitenlandse mogendheid, zelfs wanneer dit deelgebied niet over internationale rechtspersoonlijkheid beschikt.
Zij is eveneens van toepassing op cultuurgoederen die eigendom zijn van een geleding van een buitenlandse mogendheid. Onder geleding van een buitenlandse mogendheid wordt begrepen een instelling die voor rekening van een buitenlandse mogendheid optreedt of van één van zijn deelgebieden, op voorwaarde dat deze instelling toebedeeld is met een deel van de soevereiniteit.
De in § 1 bedoelde immuniteit is eveneens van toepassing op cultuurgoederen die eigendom zijn van territoriaal gedecentraliseerde besturen of elke andere politieke opdeling van een buitenlandse mogendheid.
De in § 1 bedoelde immuniteit is eveneens van toepassing op cultuurgoederen die eigendom zijn van een publiekrechtelijke internationale organisatie.
Art. 1412ter. § 1er. Sous réserve de l'application des dispositions impératives d'un instrument supranational, les biens culturels qui sont la propriété de puissances étrangères sont insaisissables lorsque ces biens se trouvent sur le territoire du Royaume en vue d'y être exposés publiquement et temporairement.
§ 2. Pour l'application de cet article, sont considérés comme des biens culturels les objets qui présentent un intérêt artistique, scientifique, culturel ou historique.
Les biens culturels qui sont affectés à une activité économique ou commerciale de droit privé ne bénéficient pas de l'immunité visée au § 1er.
§ 3. L'immunité visée au § 1er s'applique également aux biens culturels qui sont propriété d'une entité fédérée d'une puissance étrangère, même si cette entité ne dispose pas de la personnalité juridique internationale.
Elle s'applique également aux biens culturels qui sont propriété d'un démembrement d'une puissance étrangère. Par démembrement d'une puissance étrangère, il faut entendre un organisme qui agit pour compte d'une puissance étrangère ou d'une des ses entités fédérées à la condition que cet organisme dispose d'une parcelle de souveraineté.
L'immunité visée au § 1er s'applique également aux biens culturels qui sont propriété des collectivités territoriales décentralisées ou d'autres divisions politiques d'une puissance étrangère.
L'immunité visée au § 1er s'applique également aux biens culturels qui sont propriété d'une organisation internationale de droit public.
§ 2. Pour l'application de cet article, sont considérés comme des biens culturels les objets qui présentent un intérêt artistique, scientifique, culturel ou historique.
Les biens culturels qui sont affectés à une activité économique ou commerciale de droit privé ne bénéficient pas de l'immunité visée au § 1er.
§ 3. L'immunité visée au § 1er s'applique également aux biens culturels qui sont propriété d'une entité fédérée d'une puissance étrangère, même si cette entité ne dispose pas de la personnalité juridique internationale.
Elle s'applique également aux biens culturels qui sont propriété d'un démembrement d'une puissance étrangère. Par démembrement d'une puissance étrangère, il faut entendre un organisme qui agit pour compte d'une puissance étrangère ou d'une des ses entités fédérées à la condition que cet organisme dispose d'une parcelle de souveraineté.
L'immunité visée au § 1er s'applique également aux biens culturels qui sont propriété des collectivités territoriales décentralisées ou d'autres divisions politiques d'une puissance étrangère.
L'immunité visée au § 1er s'applique également aux biens culturels qui sont propriété d'une organisation internationale de droit public.
Art. 1412quater. <W 2008-07-24/42, art. 2; Inwerkingtreding : 14-08-2008> § 1er. Onder voorbehoud van de toepassing van dwingende supranationale bepalingen, zijn de tegoeden van gelijk welke aard, waaronder wisselreserves, die buitenlandse centrale banken of internationale monetaire autoriteiten in België aanhouden of beheren voor eigen rekening of voor rekening van derden niet vatbaar voor beslag.
§ 2. In afwijking van § 1er kan de schuldeiser die over een uitvoerbare titel beschikt bij een verzoekschrift aan de beslagrechter toelating vragen om beslag te leggen op de in § 1er bedoelde tegoeden op voorwaarde dat hij aantoont dat deze tegoeden uitsluitend bestemd zijn voor een economische of commerciële privaatrechtelijke activiteit.
§ 2. In afwijking van § 1er kan de schuldeiser die over een uitvoerbare titel beschikt bij een verzoekschrift aan de beslagrechter toelating vragen om beslag te leggen op de in § 1er bedoelde tegoeden op voorwaarde dat hij aantoont dat deze tegoeden uitsluitend bestemd zijn voor een economische of commerciële privaatrechtelijke activiteit.
Art. 1412quater. § 1er. Sous réserve de l'application des dispositions impératives d'un instrument supranational, les avoirs de toute nature, dont les réserves de change, que des banques centrales étrangères ou des autorités monétaires internationales détiennent ou gèrent en Belgique pour leur propre compte ou pour compte de tiers sont insaisissables.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le créancier muni d'un titre exécutoire peut introduire une requête auprès du juge des saisies afin de demander l'autorisation de saisir les avoirs visés au § 1er à condition qu'il démontre que ceux-ci sont exclusivement affectés à une activité économique ou commerciale de droit privé.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le créancier muni d'un titre exécutoire peut introduire une requête auprès du juge des saisies afin de demander l'autorisation de saisir les avoirs visés au § 1er à condition qu'il démontre que ceux-ci sont exclusivement affectés à une activité économique ou commerciale de droit privé.
Art. 1412quinquies. [1 § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van dwingende supranationale en internationale bepalingen, zijn de eigendommen van een buitenlandse mogendheid die zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk, met inbegrip van banktegoeden die daar door die buitenlandse mogendheid worden aangehouden of beheerd, met name bij de uitoefening van de taken van diplomatieke vertegenwoordigingen van de buitenlandse mogendheid of haar consulaire posten, haar speciale zendingen, haar vertegenwoordigingen bij internationale organisaties of delegaties bij organen van internationale organisaties of bij internationale conferenties, niet vatbaar voor beslag.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de schuldeiser die beschikt over een uitvoerbare titel of authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag, bij een verzoekschrift aan de beslagrechter toelating vragen om beslag te leggen op de in paragraaf 1 bedoelde eigendommen van een buitenlandse mogendheid indien hij aantoont dat voldaan is aan één van de volgende voorwaarden:
1° indien de buitenlandse mogendheid op uitdrukkelijke en specifieke wijze heeft ingestemd met de beslagbaarheid van die eigendom;
2° indien de buitenlandse mogendheid die eigendommen heeft gereserveerd of aangewezen ter voldoening van de vordering die onderwerp is van de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag;
3° indien vastgesteld is dat die eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk, met dien verstande dat uitsluitend beslag kan worden gelegd op eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag, zich richt.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde immuniteit en de in paragraaf 2 bedoelde uitzonderingen op die immuniteit zijn eveneens van toepassing op de in die paragrafen bedoelde eigendommen indien zij niet het eigendom zijn van een buitenlandse mogendheid zelf, maar van een deelgebied van die buitenlandse mogendheid, zelfs wanneer dit niet over internationale rechtspersoonlijkheid beschikt, van een geleding van die buitenlandse mogendheid in de zin van artikel 1412ter, § 3, tweede lid, of van een territoriaal gedecentraliseerd bestuur of elke andere politieke opdeling van die buitenlandse mogendheid.
De in paragraaf 1 bedoelde immuniteit en de in paragraaf 2 bedoelde uitzonderingen op die immuniteit zijn eveneens van toepassing op de in die paragrafen bedoelde eigendommen indien zij niet het eigendom zijn van een buitenlandse mogendheid, maar van een publiekrechtelijke supranationale of internationale organisatie die ze gebruikt of beoogt te gebruiken voor aan niet-commerciële overheidsdoelen analoge doelen.]1
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de schuldeiser die beschikt over een uitvoerbare titel of authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag, bij een verzoekschrift aan de beslagrechter toelating vragen om beslag te leggen op de in paragraaf 1 bedoelde eigendommen van een buitenlandse mogendheid indien hij aantoont dat voldaan is aan één van de volgende voorwaarden:
1° indien de buitenlandse mogendheid op uitdrukkelijke en specifieke wijze heeft ingestemd met de beslagbaarheid van die eigendom;
2° indien de buitenlandse mogendheid die eigendommen heeft gereserveerd of aangewezen ter voldoening van de vordering die onderwerp is van de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag;
3° indien vastgesteld is dat die eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk, met dien verstande dat uitsluitend beslag kan worden gelegd op eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag, zich richt.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde immuniteit en de in paragraaf 2 bedoelde uitzonderingen op die immuniteit zijn eveneens van toepassing op de in die paragrafen bedoelde eigendommen indien zij niet het eigendom zijn van een buitenlandse mogendheid zelf, maar van een deelgebied van die buitenlandse mogendheid, zelfs wanneer dit niet over internationale rechtspersoonlijkheid beschikt, van een geleding van die buitenlandse mogendheid in de zin van artikel 1412ter, § 3, tweede lid, of van een territoriaal gedecentraliseerd bestuur of elke andere politieke opdeling van die buitenlandse mogendheid.
De in paragraaf 1 bedoelde immuniteit en de in paragraaf 2 bedoelde uitzonderingen op die immuniteit zijn eveneens van toepassing op de in die paragrafen bedoelde eigendommen indien zij niet het eigendom zijn van een buitenlandse mogendheid, maar van een publiekrechtelijke supranationale of internationale organisatie die ze gebruikt of beoogt te gebruiken voor aan niet-commerciële overheidsdoelen analoge doelen.]1
Art. 1412quinquies. [1 § 1er. Sous réserve de l'application des dispositions impératives supranationales et internationales, les biens appartenant à une puissance étrangère qui se trouvent sur le territoire du Royaume, y compris les comptes bancaires qui y sont détenus ou gérés par cette puissance étrangère, notamment dans l'exercice des fonctions de la mission diplomatique de la puissance étrangère ou de ses postes consulaires, de ses missions spéciales, de ses missions auprès des organisations internationales, ou de ses délégations dans les organes des organisations internationales ou aux conférences internationales, sont insaisissables.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le créancier muni d'un titre exécutoire ou d'un titre authentique ou privé qui, selon le cas, fonde la saisie, peut introduire une requête auprès du juge des saisies afin de demander l'autorisation de saisir les avoirs d'une puissance étrangère visés au paragraphe 1er à condition qu'il démontre qu'une des conditions suivantes est remplie:
1° si la puissance étrangère a expressément et spécifiquement consenti à la saisissabilité de ce bien;
2° si la puissance étrangère a réservé ou affecté ces biens à la satisfaction de la demande qui fait l'objet du titre exécutoire ou du titre authentique ou privé qui, selon le cas, fonde la saisie;
3° s'il a été établi que ces biens sont spécifiquement utilisés ou destinés à être utilisés par la puissance étrangère autrement qu'à des fins de service public non commerciales et sont situés sur le territoire du Royaume, à condition que la saisie ne porte que sur des biens qui ont un lien avec l'entité visée par le titre exécutoire ou le titre authentique ou privé qui, selon le cas, fonde la saisie.
§ 3. L'immunité visée au paragraphe 1er et les exceptions à cette immunité visées au paragraphe 2 s'appliquent également aux biens visés dans ces paragraphes s'ils n'appartiennent pas à la puissance étrangère même, mais bien à une entité fédérée de cette puissance étrangère, même si cette entité ne dispose pas de la personnalité juridique internationale, à un démembrement de cette puissance étrangère au sens de l'article 1412ter, § 3, alinéa 2, ou à une collectivité territoriale décentralisée ou toute autre division politique de cette puissance étrangère.
L'immunité visée au paragraphe 1er et les exceptions à cette immunité visées au paragraphe 2 s'appliquent également aux biens visés dans ces paragraphes s'ils n'appartiennent pas à une puissance étrangère, mais bien à une organisation supranationale ou internationale de droit public qui les utilise ou les destine à une utilisation à des fins analogues à des fins de service public non commerciales.]1
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le créancier muni d'un titre exécutoire ou d'un titre authentique ou privé qui, selon le cas, fonde la saisie, peut introduire une requête auprès du juge des saisies afin de demander l'autorisation de saisir les avoirs d'une puissance étrangère visés au paragraphe 1er à condition qu'il démontre qu'une des conditions suivantes est remplie:
1° si la puissance étrangère a expressément et spécifiquement consenti à la saisissabilité de ce bien;
2° si la puissance étrangère a réservé ou affecté ces biens à la satisfaction de la demande qui fait l'objet du titre exécutoire ou du titre authentique ou privé qui, selon le cas, fonde la saisie;
3° s'il a été établi que ces biens sont spécifiquement utilisés ou destinés à être utilisés par la puissance étrangère autrement qu'à des fins de service public non commerciales et sont situés sur le territoire du Royaume, à condition que la saisie ne porte que sur des biens qui ont un lien avec l'entité visée par le titre exécutoire ou le titre authentique ou privé qui, selon le cas, fonde la saisie.
§ 3. L'immunité visée au paragraphe 1er et les exceptions à cette immunité visées au paragraphe 2 s'appliquent également aux biens visés dans ces paragraphes s'ils n'appartiennent pas à la puissance étrangère même, mais bien à une entité fédérée de cette puissance étrangère, même si cette entité ne dispose pas de la personnalité juridique internationale, à un démembrement de cette puissance étrangère au sens de l'article 1412ter, § 3, alinéa 2, ou à une collectivité territoriale décentralisée ou toute autre division politique de cette puissance étrangère.
L'immunité visée au paragraphe 1er et les exceptions à cette immunité visées au paragraphe 2 s'appliquent également aux biens visés dans ces paragraphes s'ils n'appartiennent pas à une puissance étrangère, mais bien à une organisation supranationale ou internationale de droit public qui les utilise ou les destine à une utilisation à des fins analogues à des fins de service public non commerciales.]1
(NOTA : bij arrest nr 48/2017 van 27-04-2017 (B.St. 12-06-2017, p. 63571), heeft het Grondwettelijk Hof vernietigt de woorden « en specifieke » in artikel 1412quinquies, § 2, 1°, doch enkel in zoverre het wordt toegepast op het beslag met betrekking tot andere eigendommen dan de eigendommen, met inbegrip van banktegoeden, die worden gebruikt bij de uitoefening van de taken van diplomatieke vertegenwoordigingen van de buitenlandse mogendheid of haar consulaire posten, haar speciale zendingen, haar vertegenwoordigingen bij internationale organisaties of delegaties bij organen van internationale organisaties of bij internationale conferenties;)
(NOTE : par son arrêt n° 48/2017 du 27-04-2017 (M.B. 12-06-2017, p. 63563) la Cour constitutionnelle annule les mots "et spécifiquement" dans l'article 1412quinquies, §2, 1°, mais uniquement en ce quil est appliqué aux saisies visant des biens autres que les biens, en ce compris les comptes bancaires, utilisés dans lexercice des fonctions de la mission diplomatique de la puissance étrangère ou de ses postes consulaires, de ses missions spéciales, de ses missions auprès des organisations internationales ou de ses délégations dans les organes des organisations internationales ou aux conférences internationales;)
-
TITRE II. - DES SAISIES CONSERVATOIRES.
TITEL II. - BEWAREND BESLAG.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art.1413. Tout créancier peut, dans les cas qui requièrent célérité, demander au juge l'autorisation de saisir conservatoirement les biens saisissables qui appartiennent à son débiteur.
Art.1413. Iedere schuldeiser kan in spoedeisende gevallen aan de rechter toelating vragen om op de voor beslag vatbare goederen van zijn schuldenaar bewarend beslag te leggen.
Art.1414. Tout jugement, même non exécutoire nonobstant opposition ou appel, tient lieu d'autorisation de saisir conservatoirement pour les condamnations prononcées, à moins qu'il n'en ait été autrement décidé.
Art.1414. Elk vonnis, zelfs al is het niet uitvoerbaar niettegenstaande verzet of hoger beroep, geldt als toelating om bewarend beslag te leggen voor de uitgesproken veroordelingen, tenzij anders is beslist.
Art.1415. La saisie conservatoire ne peut être autorisée que pour une créance certaine et exigible, liquide ou susceptible d'une estimation provisoire.
La saisie conservatoire peut avoir lieu pour sûreté d'une créance de revenus périodiques à échoir, lorsque le règlement de ceux-ci est en péril.
La saisie conservatoire peut avoir lieu pour sûreté d'une créance de revenus périodiques à échoir, lorsque le règlement de ceux-ci est en péril.
Art.1415. Verlof om bewarend beslag te leggen mag niet worden verleend dan wegens een schuldvordering die zeker en opeisbaar is, en die vaststaande is of vatbaar voor een voorlopige raming.
Bewarend beslag kan geschieden tot zekerheid van een schuldvordering inzake te vervallen periodieke inkomsten, wanneer de vereffening daarvan gevaar loopt.
Bewarend beslag kan geschieden tot zekerheid van een schuldvordering inzake te vervallen periodieke inkomsten, wanneer de vereffening daarvan gevaar loopt.
Art. 1415. La saisie conservatoire ne peut être autorisée que pour une créance certaine et exigible, liquide ou susceptible d'une estimation provisoire.
La saisie conservatoire peut avoir lieu pour sûreté d'une créance de revenus périodiques à échoir, lorsque le règlement de ceux-ci est en péril.
La saisie conservatoire peut avoir lieu pour sûreté d'une créance de revenus périodiques à échoir, lorsque le règlement de ceux-ci est en péril.
Art.1416. Toekenning van uitstel van betaling verhindert niet dat bewarende beslagen worden toegelaten, hetzij door het vonnis, hetzij later op verzoekschrift door de beslagrechter, indien uit nieuwe omstandigheden blijkt van het gevaar dat ligt in het verwijl.
Art. 1416. L'octroi du terme de grâce ne fait pas obstacle à ce que les saisies conservatoires soient autorisées dans le jugement ou même ultérieurement, sur requête, par le juge des saisies si des circonstances nouvelles justifient le péril en la demeure.
Art.1417. De toelating die in artikel 1413 bepaald is, wordt gevraagd bij een verzoekschrift dat aan de rechter wordt gericht.
Het verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd of gezonden, op zijn datum voor gezien getekend door de griffier en ingeschreven in het register der verzoekschriften.
Het verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd of gezonden, op zijn datum voor gezien getekend door de griffier en ingeschreven in het register der verzoekschriften.
Art. 1417. L'autorisation prévue à l'article 1413 est demandée par requête adressée au juge.
La requête est déposée ou envoyée au greffe, visée à sa date par le greffier et inscrite au registre des requêtes.
La requête est déposée ou envoyée au greffe, visée à sa date par le greffier et inscrite au registre des requêtes.
Art.1418. Op het verzoekschrift wordt uiterlijk binnen acht dagen na de nederlegging beschikt.
De rechter bepaalt tot welk bedrag bewarend beslag wordt toegestaan.
De rechter bepaalt tot welk bedrag bewarend beslag wordt toegestaan.
Art.1419. L'ordonnance accordant ou refusant l'autorisation de pratiquer une saisie conservatoire et l'ordonnance accordant ou refusant la rétractation de cette autorisation sont soumises aux recours prévus aux articles 1031 à 1034 du présent code.
(Le saisi peut, en cas de changement de circonstances, requérir la modification ou la rétractation de l'ordonnance en citant à cette fin toutes les parties devant le juge des saisies.) <L 06-07-1979, art. unique>
L'ordonnance de rétractation vaut mainlevée.
(Le saisi peut, en cas de changement de circonstances, requérir la modification ou la rétractation de l'ordonnance en citant à cette fin toutes les parties devant le juge des saisies.) <L 06-07-1979, art. unique>
L'ordonnance de rétractation vaut mainlevée.
Art.1419. Tegen de beschikking waarbij toelating tot bewarend beslag wordt verleend of geweigerd, en tegen de beschikking waarbij de intrekking van die toelating wordt verleend of geweigerd, staat voorziening open, zoals bepaald in de artikelen 1031 tot 1034 van dit wetboek.
(De beslagene kan in geval van veranderde omstandigheden de wijziging of de intrekking van de beschikking vragen door dagvaarding hiertoe van alle partijen voor de beslagrechter.) <W 06-07-1979, enig art.>
De beschikking tot intrekking geldt als opheffing.
(De beslagene kan in geval van veranderde omstandigheden de wijziging of de intrekking van de beschikking vragen door dagvaarding hiertoe van alle partijen voor de beslagrechter.) <W 06-07-1979, enig art.>
De beschikking tot intrekking geldt als opheffing.
Art. 1419. L'ordonnance accordant ou refusant l'autorisation de pratiquer une saisie conservatoire et l'ordonnance accordant ou refusant la rétractation de cette autorisation sont soumises aux recours prévus aux articles 1031 à 1034 du présent code.
(Le saisi peut, en cas de changement de circonstances, requérir la modification ou la rétractation de l'ordonnance en citant à cette fin toutes les parties devant le juge des saisies.) <L 06-07-1979, art. unique>
L'ordonnance de rétractation vaut mainlevée.
(Le saisi peut, en cas de changement de circonstances, requérir la modification ou la rétractation de l'ordonnance en citant à cette fin toutes les parties devant le juge des saisies.) <L 06-07-1979, art. unique>
L'ordonnance de rétractation vaut mainlevée.
Art.1420. In de gevallen waarin beslag kan worden gelegd zonder voorafgaande beschikking van de rechter, kan de beslagene de beslaglegger dagvaarden vóór de beslagrechter, ten einde de opheffing van het beslag te doen gelasten.
Art.1421. Lorsque la saisie conservatoire a lieu sur des marchandises périssables ou sur des fruits et récoltes, il est procédé à leur vente sur permission du juge et selon les modalités qu'il ordonne. Le produit de la vente est versé à la Caisse des dépôts et consignations.
Art.1421. Wordt het bewarend beslag gelegd op bederfelijke goederen of op vruchten en oogsten, dan worden zij verkocht met verlof van de rechter en op de wijze die hij beveelt. De opbrengst van de verkoop wordt gestort in de Deposito- en Consignatiekas.
Art. 1421. Lorsque la saisie conservatoire a lieu sur des marchandises périssables ou sur des fruits et récoltes, il est procédé à leur vente sur permission du juge et selon les modalités qu'il ordonne. Le produit de la vente est versé à la Caisse des dépôts et consignations.
HOOFDSTUK II. - Bewarend beslag op roerend goed.
Art.1422. La requête tendant à saisir conservatoirement les biens meubles corporels et les fruits pendants par racine, contient, outre les mentions prévues à l'article 1026, l'indication :
Art.1422. Het verzoekschrift om bewarend beslag te leggen op lichamelijke roerende goederen en wortelvaste vruchten bevat, behalve de in artikel 1026 voorgeschreven vermeldingen:
1° opgave van de titel, de oorzaken en het bedrag of de raming van de schuldvordering;
2° de naam, de voornaam, en de woonplaats van de schuldenaar.
1° opgave van de titel, de oorzaken en het bedrag of de raming van de schuldvordering;
2° de naam, de voornaam, en de woonplaats van de schuldenaar.
Art. 1422. La requête tendant à saisir conservatoirement les biens meubles corporels et les fruits pendants par racine, contient, outre les mentions prévues à l'article 1026, l'indication :
1° du titre, des causes et du montant ou de l'évaluation de la créance;
2° des nom, prénom et domicile du débiteur.
1° du titre, des causes et du montant ou de l'évaluation de la créance;
2° des nom, prénom et domicile du débiteur.
Art.1423. De beschikking waarbij het beslag wordt toegestaan, vermeldt, op straffe van nietigheid, het bedrag in hoofdsom, interest en kosten, waarvoor het beslag is toegestaan.
Art.1424. Sauf les modalités ci-après énoncées, la saisie mobilière conservatoire a lieu selon les règles applicables en matière de saisie-exécution mobilière et, si elle porte sur des fruits pendants par racine, comme en matière de saisie-brandon :
1° la saisie mobilière conservatoire n'est précédée d'aucun commandement;
2° l'exploit de saisie contient, à peine de nullité : signification de la requête et de l'ordonnance qui a autorisé la saisie ou du jugement qui, ainsi qu'il est dit à l'article 1414, tient lieu d'autorisation; il ne contient pas les mentions prévues à l'article 1511;
3° (...) <L 2000-05-29/36, art. 5, 035; En vigueur : 01-07-2001>
1° la saisie mobilière conservatoire n'est précédée d'aucun commandement;
2° l'exploit de saisie contient, à peine de nullité : signification de la requête et de l'ordonnance qui a autorisé la saisie ou du jugement qui, ainsi qu'il est dit à l'article 1414, tient lieu d'autorisation; il ne contient pas les mentions prévues à l'article 1511;
3° (...) <L 2000-05-29/36, art. 5, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Art.1424. Behoudens de hierna gestelde regels, geschiedt het bewarend beslag op roerend goed volgens de regels inzake uitvoerend beslag op roerende goederen en, indien het wortelvaste vruchten betreft, zoals bij beslag op vruchten te velde:
1° aan het bewarend beslag op roerend goed gaat geen bevel vooraf;
2° het beslagexploot bevat, op straffe van nietigheid, betekening van het verzoekschrift en van de beschikking waarbij het beslag wordt toegestaan of van het vonnis dat als toelating geldt, zoals bepaald is in artikel 1414; het bevat niet de vermeldingen bedoeld in artikel 1511;
3° (...) <W 2000-05-29/36, art. 5, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
1° aan het bewarend beslag op roerend goed gaat geen bevel vooraf;
2° het beslagexploot bevat, op straffe van nietigheid, betekening van het verzoekschrift en van de beschikking waarbij het beslag wordt toegestaan of van het vonnis dat als toelating geldt, zoals bepaald is in artikel 1414; het bevat niet de vermeldingen bedoeld in artikel 1511;
3° (...) <W 2000-05-29/36, art. 5, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
Art. 1424. Sauf les modalités ci-après énoncées, la saisie mobilière conservatoire a lieu selon les règles applicables en matière de saisie-exécution mobilière et, si elle porte sur des fruits pendants par racine, comme en matière de saisie-brandon :
1° la saisie mobilière conservatoire n'est précédée d'aucun commandement;
2° l'exploit de saisie contient, à peine de nullité : signification de la requête et de l'ordonnance qui a autorisé la saisie ou du jugement qui, ainsi qu'il est dit à l'article 1414, tient lieu d'autorisation; il ne contient pas les mentions prévues à l'article 1511;
3° (...) <L 2000-05-29/36, art. 5, 035; En vigueur : 01-07-2001>
1° la saisie mobilière conservatoire n'est précédée d'aucun commandement;
2° l'exploit de saisie contient, à peine de nullité : signification de la requête et de l'ordonnance qui a autorisé la saisie ou du jugement qui, ainsi qu'il est dit à l'article 1414, tient lieu d'autorisation; il ne contient pas les mentions prévues à l'article 1511;
3° (...) <L 2000-05-29/36, art. 5, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Art.1425. Buiten het geval van schorsing, bedoeld in artikel 1493, geldt bewarend beslag gedurende drie jaren met ingang van de dagtekening van de beschikking en, indien er geen beschikking is verleend, met ingang van de datum van het exploot.
De rechter die het beslag toestaat, kan echter die termijn inkorten.
Bij het verstrijken van de driejarige termijn of van de krachtens het vorig lid ingekorte termijn, houdt het beslag van rechtswege op gevolg te hebben, tenzij het vernieuwd is.
De rechter die het beslag toestaat, kan echter die termijn inkorten.
Bij het verstrijken van de driejarige termijn of van de krachtens het vorig lid ingekorte termijn, houdt het beslag van rechtswege op gevolg te hebben, tenzij het vernieuwd is.
Art. 1425. Sauf le cas de suspension prévu à l'article 1493, la saisie conservatoire est valable pendant trois années prenant cours à la date de l'ordonnance, ou s'il n'y a pas d'ordonnance, à la date de l'exploit.
Il est toutefois permis au juge qui autorise la saisie, de réduire la durée de ce délai.
A l'expiration du délai de trois ans ou du délai réduit par application de l'alinéa précédent, la saisie cesse de plein droit de produire ses effets à moins qu'elle n'ait été renouvelée.
Il est toutefois permis au juge qui autorise la saisie, de réduire la durée de ce délai.
A l'expiration du délai de trois ans ou du délai réduit par application de l'alinéa précédent, la saisie cesse de plein droit de produire ses effets à moins qu'elle n'ait été renouvelée.
Art.1426. De schuldeiser die bewijst dat er gegronde redenen zijn om het beslag te handhaven, kan gemachtigd worden om het te vernieuwen.
De vernieuwing wordt gevraagd bij een met redenen omkleed verzoekschrift, in te dienen bij de rechter die het beslag heeft toegestaan, door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder, en door deze ondertekend.
Op dit verzoekschrift wordt beschikt binnen de in artikel 1418 bepaalde termijn.
De beschikking waarbij de vernieuwing geweigerd wordt, is niet vatbaar voor hoger beroep.
De vernieuwing wordt gevraagd bij een met redenen omkleed verzoekschrift, in te dienen bij de rechter die het beslag heeft toegestaan, door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder, en door deze ondertekend.
Op dit verzoekschrift wordt beschikt binnen de in artikel 1418 bepaalde termijn.
De beschikking waarbij de vernieuwing geweigerd wordt, is niet vatbaar voor hoger beroep.
Art. 1426. Le créancier, qui établit que pour de justes motifs la saisie doit être maintenue, peut obtenir l'autorisation de la renouveler.
Le renouvellement est demandé par requête motivée, présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice, au juge qui a autorisé la saisie.
Il est statué sur cette requête dans le délai prévu à l'article 1418.
L'ordonnance qui refuse le renouvellement n'est pas susceptible d'appel.
Le renouvellement est demandé par requête motivée, présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice, au juge qui a autorisé la saisie.
Il est statué sur cette requête dans le délai prévu à l'article 1418.
L'ordonnance qui refuse le renouvellement n'est pas susceptible d'appel.
Art.1427. De beschikking waarbij vernieuwing wordt toegestaan, wordt als niet bestaande beschouwd, indien zij aan de beslagene niet betekend is vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het vroegere beslag.
Art. 1427. L'ordonnance qui accorde le renouvellement est répute non avenue si elle n'est point signifiée à la partie saisie avant l'expiration du délai de validité de la saisie antérieure.
Art.1428. De duur van de vernieuwing wordt bepaald door de rechter die ze toestaat. De nieuwe termijn gaat in bij het verstrijken van de geldigheidstermijn van het beslag dat vernieuwd is.
Art. 1428. La durée du renouvellement est déterminée par le juge qui l'autorise. Le nouveau délai prend cours à l'expiration du délai de validité de la saisie qui a été renouvelée.
HOOFDSTUK III. - Bewarend beslag op onroerend goed.
Art.1429. Sauf les modalités énoncées dans le présent chapitre, la saisie immobilière conservatoire est soumise aux règles générales prévues pour la saisie-exécution immobilière.
Art.1429. Behoudens de regels in dit hoofdstuk gesteld, is het bewarend beslag op onroerend goed onderworpen aan de algemene regels van het uitvoerend beslag op onroerend goed.
Art.1430. La requête tendant à saisir conservatoirement les immeubles contient, outre les mentions prévues à l'article 1026, l'indication :
1° du titre, des causes, du montant ou de l'évaluation de la créance;
2° des biens sur lesquels doit porter la saisie;
3° des nom, prénoms et domicile du débiteur.
Sont joints à la requête :
1° un extrait de la matrice cadastrale relative aux biens sur lesquels doit porter la saisie;
2° un certificat [1 de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1s relatant, le cas échéant, toutes les inscriptions existantes et toutes les transcriptions de commandement et de saisie portant sur lesdits biens.
1° du titre, des causes, du montant ou de l'évaluation de la créance;
2° des biens sur lesquels doit porter la saisie;
3° des nom, prénoms et domicile du débiteur.
Sont joints à la requête :
1° un extrait de la matrice cadastrale relative aux biens sur lesquels doit porter la saisie;
2° un certificat [1 de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1s relatant, le cas échéant, toutes les inscriptions existantes et toutes les transcriptions de commandement et de saisie portant sur lesdits biens.
Änderungen
Art.1430. Het verzoekschrift om bewarend beslag te leggen op onroerende goederen bevat, behalve de in artikel 1026 voorgeschreven vermeldingen, een opgave:
1° van de titel, de oorzaken en het bedrag of de raming van de schuldvordering;
2° van de goederen waarop beslag moet worden gelegd;
3° de naam, voornamen, en woonplaats van de schuldenaar.
Bij het verzoekschrift worden gevoegd:
1° een uittreksel uit de kadastrale legger betreffende de goederen waarop beslag moet worden gelegd;
2° een getuigschrift van de[1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 met eventuele vermelding van alle bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende die goederen.
1° van de titel, de oorzaken en het bedrag of de raming van de schuldvordering;
2° van de goederen waarop beslag moet worden gelegd;
3° de naam, voornamen, en woonplaats van de schuldenaar.
Bij het verzoekschrift worden gevoegd:
1° een uittreksel uit de kadastrale legger betreffende de goederen waarop beslag moet worden gelegd;
2° een getuigschrift van de[1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 met eventuele vermelding van alle bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende die goederen.
Art. 1430. La requête tendant à saisir conservatoirement les immeubles contient, outre les mentions prévues à l'article 1026, l'indication :
1° du titre, des causes, du montant ou de l'évaluation de la créance;
2° des biens sur lesquels doit porter la saisie;
3° des nom, prénoms et domicile du débiteur.
Sont joints à la requête :
1° un extrait de la matrice cadastrale relative aux biens sur lesquels doit porter la saisie;
2° un certificat [1 de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1s relatant, le cas échéant, toutes les inscriptions existantes et toutes les transcriptions de commandement et de saisie portant sur lesdits biens.
1° du titre, des causes, du montant ou de l'évaluation de la créance;
2° des biens sur lesquels doit porter la saisie;
3° des nom, prénoms et domicile du débiteur.
Sont joints à la requête :
1° un extrait de la matrice cadastrale relative aux biens sur lesquels doit porter la saisie;
2° un certificat [1 de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1s relatant, le cas échéant, toutes les inscriptions existantes et toutes les transcriptions de commandement et de saisie portant sur lesdits biens.
Änderungen
Art.1431. De beschikking vermeldt, op straffe van nietigheid:
1° het bedrag waarvoor het beslag is toegestaan, in hoofdsom, interest en kosten;
2° de onroerende goederen waarop beslag mag worden gelegd, evenals hun kadastrale aanduiding.
1° het bedrag waarvoor het beslag is toegestaan, in hoofdsom, interest en kosten;
2° de onroerende goederen waarop beslag mag worden gelegd, evenals hun kadastrale aanduiding.
Art.1432. La saisie immobilière conservatoire ne doit être précédée d'aucun commandement.
Elle est faite par exploit d'huissier signifié au débiteur et contenant, à peine de nullité:
1° la copie de la requête et de l'ordonnance autorisant la saisie ou, s'il n'a pas été signifié précédemment, du jugement qui, ainsi qu'il est dit à l'article 1414 tient lieu d'autorisation;
2° mention de l'identité du débiteur par ses nom, prénoms [1 ...]1, domicile, lieu et date de naissance;
3° l'indication précise des biens saisis conformément à l'article 1568;
4° l'extrait de la matrice cadastrale.
Dans les vingt-quatre heures de l'acte de saisie, l'huissier de justice instrumentant adresse en double exemplaire, sous pli recommandé à la poste, un avis au receveur des contributions dans le ressort duquel le propriétaire ou l'usufruitier du bien a son domicile ou son principal établissement, et au receveur des contributions dans le ressort duquel le bien est situé. L'avis contient l'indication du bien saisi et de la somme à concurrence de laquelle la saisie a été pratiquée. S'il contrevient à la présente disposition, l'huissier de justice peut être personnellement tenu au paiement des impôts garantis, mais à concurrence seulement du montant pour lequel la saisie a été pratiquée.
Elle est faite par exploit d'huissier signifié au débiteur et contenant, à peine de nullité:
1° la copie de la requête et de l'ordonnance autorisant la saisie ou, s'il n'a pas été signifié précédemment, du jugement qui, ainsi qu'il est dit à l'article 1414 tient lieu d'autorisation;
2° mention de l'identité du débiteur par ses nom, prénoms [1 ...]1, domicile, lieu et date de naissance;
3° l'indication précise des biens saisis conformément à l'article 1568;
4° l'extrait de la matrice cadastrale.
Dans les vingt-quatre heures de l'acte de saisie, l'huissier de justice instrumentant adresse en double exemplaire, sous pli recommandé à la poste, un avis au receveur des contributions dans le ressort duquel le propriétaire ou l'usufruitier du bien a son domicile ou son principal établissement, et au receveur des contributions dans le ressort duquel le bien est situé. L'avis contient l'indication du bien saisi et de la somme à concurrence de laquelle la saisie a été pratiquée. S'il contrevient à la présente disposition, l'huissier de justice peut être personnellement tenu au paiement des impôts garantis, mais à concurrence seulement du montant pour lequel la saisie a été pratiquée.
Art.1432. Aan het bewarend beslag op onroerend goed moet geen bevel voorafgaan.
Het beslag wordt gedaan bij deurwaardersexploot, dat aan de schuldenaar wordt betekend en, op straffe van nietigheid, bevat:
1° een afschrift van het verzoekschrift en van de beschikking waarbij het beslag wordt toegestaan, of, indien het nog niet is betekend, van het vonnis dat als toelating geldt, zoals bepaald is in artikel 1414;
2° vermelding van de identiteit van de schuldenaar, met naam, voornamen [1 ...]1, woonplaats en geboorteplaats en datum;
3° nauwkeurige aanwijzing van de in beslag genomen goederen overeenkomstig artikel 1568;
4° het uittreksel uit de kadastrale legger.
Binnen vierentwintig uur na de handeling van beslag, zendt de optredende gerechtsdeurwaarder, bij ter post aangetekende brief, twee exemplaren van een bericht aan de ontvanger van belastingen in wiens ambtsgebied de eigenaar of de vruchtgebruiker van het goed zijn woonplaats heeft of zijn hoofdverblijfplaats, alsmede aan de ontvanger van belastingen van de plaats waar het goed gelegen is. Het bericht bevat aanduiding van het inbeslaggenomen goed en van de som ten belope waarvan beslag is gelegd. Bij niet-naleving van deze bepaling kan de gerechtsdeurwaarder er persoonlijk toe gehouden zijn de gewaarborgde belastingen te betalen, echter slechts tot beloop van het bedrag waarvoor beslag is gelegd.
Het beslag wordt gedaan bij deurwaardersexploot, dat aan de schuldenaar wordt betekend en, op straffe van nietigheid, bevat:
1° een afschrift van het verzoekschrift en van de beschikking waarbij het beslag wordt toegestaan, of, indien het nog niet is betekend, van het vonnis dat als toelating geldt, zoals bepaald is in artikel 1414;
2° vermelding van de identiteit van de schuldenaar, met naam, voornamen [1 ...]1, woonplaats en geboorteplaats en datum;
3° nauwkeurige aanwijzing van de in beslag genomen goederen overeenkomstig artikel 1568;
4° het uittreksel uit de kadastrale legger.
Binnen vierentwintig uur na de handeling van beslag, zendt de optredende gerechtsdeurwaarder, bij ter post aangetekende brief, twee exemplaren van een bericht aan de ontvanger van belastingen in wiens ambtsgebied de eigenaar of de vruchtgebruiker van het goed zijn woonplaats heeft of zijn hoofdverblijfplaats, alsmede aan de ontvanger van belastingen van de plaats waar het goed gelegen is. Het bericht bevat aanduiding van het inbeslaggenomen goed en van de som ten belope waarvan beslag is gelegd. Bij niet-naleving van deze bepaling kan de gerechtsdeurwaarder er persoonlijk toe gehouden zijn de gewaarborgde belastingen te betalen, echter slechts tot beloop van het bedrag waarvoor beslag is gelegd.
Art. 1432. La saisie immobilière conservatoire ne doit être précédée d'aucun commandement.
Elle est faite par exploit d'huissier signifié au débiteur et contenant, à peine de nullité:
1° la copie de la requête et de l'ordonnance autorisant la saisie ou, s'il n'a pas été signifié précédemment, du jugement qui, ainsi qu'il est dit à l'article 1414 tient lieu d'autorisation;
2° mention de l'identité du débiteur par ses nom, prénoms [1 ...]1, domicile, lieu et date de naissance;
3° l'indication précise des biens saisis conformément à l'article 1568;
4° l'extrait de la matrice cadastrale.
Dans les vingt-quatre heures de l'acte de saisie, l'huissier de justice instrumentant adresse en double exemplaire, sous pli recommandé à la poste, un avis au receveur des contributions dans le ressort duquel le propriétaire ou l'usufruitier du bien a son domicile ou son principal établissement, et au receveur des contributions dans le ressort duquel le bien est situé. L'avis contient l'indication du bien saisi et de la somme à concurrence de laquelle la saisie a été pratiquée. S'il contrevient à la présente disposition, l'huissier de justice peut être personnellement tenu au paiement des impôts garantis, mais à concurrence seulement du montant pour lequel la saisie a été pratiquée.
Elle est faite par exploit d'huissier signifié au débiteur et contenant, à peine de nullité:
1° la copie de la requête et de l'ordonnance autorisant la saisie ou, s'il n'a pas été signifié précédemment, du jugement qui, ainsi qu'il est dit à l'article 1414 tient lieu d'autorisation;
2° mention de l'identité du débiteur par ses nom, prénoms [1 ...]1, domicile, lieu et date de naissance;
3° l'indication précise des biens saisis conformément à l'article 1568;
4° l'extrait de la matrice cadastrale.
Dans les vingt-quatre heures de l'acte de saisie, l'huissier de justice instrumentant adresse en double exemplaire, sous pli recommandé à la poste, un avis au receveur des contributions dans le ressort duquel le propriétaire ou l'usufruitier du bien a son domicile ou son principal établissement, et au receveur des contributions dans le ressort duquel le bien est situé. L'avis contient l'indication du bien saisi et de la somme à concurrence de laquelle la saisie a été pratiquée. S'il contrevient à la présente disposition, l'huissier de justice peut être personnellement tenu au paiement des impôts garantis, mais à concurrence seulement du montant pour lequel la saisie a été pratiquée.
Art.1433. De beschikking waarbij bewarend beslag op onroerend goed wordt toegestaan, wordt als niet-bestaande beschouwd, indien binnen een maand na haar dagtekening niet een beslagexploot volgt, dat binnen de genoemde termijn behoorlijk ter overschrijving is aangeboden in het [1 bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 van de plaats waar de goederen gelegen zijn.
Art.1434. La transcription est faite par [1 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1, sous peine de dommages-intérêts, au plus tard dans les huit jours de la remise de l'exploit de saisie. Néanmoins, la transcription prend date du jour de la remise de cet exploit.
Si [1 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale ]1 ne peut procéder à la transcription de l'exploit de saisie à l'instant ou elle est requise, [1 elle]1 fait mention sur les exploits originaux qui lui sont laisses, du jour et de l'heure ou la remise lui en a été faite.
Si [1 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale ]1 ne peut procéder à la transcription de l'exploit de saisie à l'instant ou elle est requise, [1 elle]1 fait mention sur les exploits originaux qui lui sont laisses, du jour et de l'heure ou la remise lui en a été faite.
Änderungen
Art.1434. De overschrijving wordt door de [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1, op straffe van schadevergoeding, gedaan uiterlijk binnen acht dagen na de afgifte van het beslagexploot. Als dagtekening van de overschrijving geldt evenwel de dag van afgifte van het exploot.
Kan de [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 de overschrijving van het beslagexploot niet verrichten op het ogenblik dat zij wordt gevorderd, dan vermeldt [1 zij]1 op de originele exploten die [1 haar]1 worden gelaten de dag en het uur waarop zij [1 haar ]1 worden overhandigd.
Kan de [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 de overschrijving van het beslagexploot niet verrichten op het ogenblik dat zij wordt gevorderd, dan vermeldt [1 zij]1 op de originele exploten die [1 haar]1 worden gelaten de dag en het uur waarop zij [1 haar ]1 worden overhandigd.
Art. 1434. La transcription est faite par [1 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1, sous peine de dommages-intérêts, au plus tard dans les huit jours de la remise de l'exploit de saisie. Néanmoins, la transcription prend date du jour de la remise de cet exploit.
Si [1 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale ]1 ne peut procéder à la transcription de l'exploit de saisie à l'instant ou elle est requise, [1 elle]1 fait mention sur les exploits originaux qui lui sont laisses, du jour et de l'heure ou la remise lui en a été faite.
Si [1 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale ]1 ne peut procéder à la transcription de l'exploit de saisie à l'instant ou elle est requise, [1 elle]1 fait mention sur les exploits originaux qui lui sont laisses, du jour et de l'heure ou la remise lui en a été faite.
Änderungen
Art.1435. Een bewarend beslag op onroerend goed dat reeds ter overschrijving aangeboden of overgeschreven is, verhindert niet dat wegens andere oorzaken een nieuw bewarend beslag op hetzelfde onroerend goed wordt toegestaan, in welk geval er wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 1433 en 1434.
Evenzo kan bewarend beslag worden toegestaan en overgeschreven, niettegenstaande reeds een bevel is overgeschreven dat aan het uitvoerend beslag op onroerend goed is voorafgegaan, of een procedure tot beslag op onroerend goed aan de gang is met betrekking tot hetzelfde onroerend goed.
Evenzo kan bewarend beslag worden toegestaan en overgeschreven, niettegenstaande reeds een bevel is overgeschreven dat aan het uitvoerend beslag op onroerend goed is voorafgegaan, of een procedure tot beslag op onroerend goed aan de gang is met betrekking tot hetzelfde onroerend goed.
Art. 1435. Une saisie immobilière conservatoire déjà présentée à la transcription ou transcrite ne fait pas obstacle a ce que, pour d'autres causes, une nouvelle saisie conservatoire soit autorisée sur le même immeuble, auquel cas il sera procédé conformément aux articles 1433 et 1434.
De même, une saisie conservatoire peut être autorisée et transcrite, nonobstant la transcription déjà faite d'un commandement préalable a la saisie-exécution immobilière ou l'existence d'une procédure de saisie-exécution immobilière en cours relative au même immeuble.
De même, une saisie conservatoire peut être autorisée et transcrite, nonobstant la transcription déjà faite d'un commandement préalable a la saisie-exécution immobilière ou l'existence d'une procédure de saisie-exécution immobilière en cours relative au même immeuble.
Art.1436. Buiten het geval van schorsing, bedoeld in artikel 1493, geldt het bewarend beslag op onroerend goed gedurende drie jaren met ingang van de dagtekening der overschrijving.
Bij het verstrijken van deze termijn houdt het beslag van rechtswege op gevolg te hebben, en van dit beslag wordt in de hypothecaire getuigschriften geen melding meer gemaakt, tenzij de overschrijving vernieuwd is, zoals gezegd is in de artikelen 1439 en 1493.
Bij het verstrijken van deze termijn houdt het beslag van rechtswege op gevolg te hebben, en van dit beslag wordt in de hypothecaire getuigschriften geen melding meer gemaakt, tenzij de overschrijving vernieuwd is, zoals gezegd is in de artikelen 1439 en 1493.
Art.1437. Le créancier qui établit que pour de justes motifs la saisie doit être maintenue, peut obtenir l'autorisation de la renouveler, mais il est tenu d'en faire la demande quinze jours au moins avant l'expiration du délai de validité de cette saisie, à peine de déchéance.
Le renouvellement est demandé par requête motivée, présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice au juge qui a autorisé la saisie. La requête est accompagnée des pieces prévues à l'article 1430.
Il est statué sur cette requête dans le délai prévu à l'article 1418.
L'ordonnance qui refuse le renouvellement n'est pas susceptible d'appel.
Le renouvellement est demandé par requête motivée, présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice au juge qui a autorisé la saisie. La requête est accompagnée des pieces prévues à l'article 1430.
Il est statué sur cette requête dans le délai prévu à l'article 1418.
L'ordonnance qui refuse le renouvellement n'est pas susceptible d'appel.
Art.1437. De schuldeiser die bewijst dat er gegronde redenen zijn om het beslag te handhaven, kan gemachtigd worden om het te vernieuwen, maar moet de vernieuwing vragen ten minste vijftien dagen vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van dat beslag, op straffe van verval.
De vernieuwing wordt gevraagd bij een met redenen omkleed verzoekschrift, samen met de in artikel 1430 voorgeschreven stukken in te dienen bij de rechter die het beslag heeft toegestaan, door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder en door deze ondertekend.
Op dit verzoekschrift wordt beschikt binnen de in artikel 1418 bepaalde termijn.
De beschikking waarbij de vernieuwing geweigerd wordt, is niet vatbaar voor hoger beroep.
De vernieuwing wordt gevraagd bij een met redenen omkleed verzoekschrift, samen met de in artikel 1430 voorgeschreven stukken in te dienen bij de rechter die het beslag heeft toegestaan, door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder en door deze ondertekend.
Op dit verzoekschrift wordt beschikt binnen de in artikel 1418 bepaalde termijn.
De beschikking waarbij de vernieuwing geweigerd wordt, is niet vatbaar voor hoger beroep.
Art. 1437. Le créancier qui établit que pour de justes motifs la saisie doit être maintenue, peut obtenir l'autorisation de la renouveler, mais il est tenu d'en faire la demande quinze jours au moins avant l'expiration du délai de validité de cette saisie, à peine de déchéance.
Le renouvellement est demandé par requête motivée, présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice au juge qui a autorisé la saisie. La requête est accompagnée des pieces prévues à l'article 1430.
Il est statué sur cette requête dans le délai prévu à l'article 1418.
L'ordonnance qui refuse le renouvellement n'est pas susceptible d'appel.
Le renouvellement est demandé par requête motivée, présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice au juge qui a autorisé la saisie. La requête est accompagnée des pieces prévues à l'article 1430.
Il est statué sur cette requête dans le délai prévu à l'article 1418.
L'ordonnance qui refuse le renouvellement n'est pas susceptible d'appel.
Art.1438. De beschikking waarbij de vernieuwing van het beslag wordt toegestaan, bevat een nauwkeurige aanwijzing van de te vernieuwen overschrijving.
De vernieuwing geldt voor drie jaar. De nieuwe termijn gaat in de dag waarop de overschrijving wordt vernieuwd.
De vernieuwing geldt voor drie jaar. De nieuwe termijn gaat in de dag waarop de overschrijving wordt vernieuwd.
Art.1439. L'ordonnance est signifiée au débiteur. Elle est réputée non avenue si le renouvellement de la transcription n'a pas été demandé avant l'expiration du délai de validité de la saisie antérieure.
Le renouvellement de la transcription a lieu sur présentation [1 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 d'une requête en double exemplaire contenant l'indication précise de la transcription à renouveler, accompagnée de l'expédition de l'ordonnance et de l'exploit de signification, sans préjudice de l'application de l'article 90, alinéa 2, de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Le renouvellement de la transcription a lieu sur présentation [1 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 d'une requête en double exemplaire contenant l'indication précise de la transcription à renouveler, accompagnée de l'expédition de l'ordonnance et de l'exploit de signification, sans préjudice de l'application de l'article 90, alinéa 2, de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Änderungen
Art.1439. De beschikking wordt aan de schuldenaar betekend. Zij wordt als niet bestaande beschouwd, indien de vernieuwing van de overschrijving niet gevraagd is vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het vroegere beslag.
De vernieuwing heeft plaats op overlegging aan de [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 van twee exemplaren van een verzoekschrift met nauwkeurige opgave van de te vernieuwen overschrijving samen met de uitgifte van de beschikking en het exploot van betekening, onverminderd de toepassing van artikel 90, 2e lid, van de wet van 16 december 1851, zo daartoe grond bestaat.
De vernieuwing heeft plaats op overlegging aan de [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 van twee exemplaren van een verzoekschrift met nauwkeurige opgave van de te vernieuwen overschrijving samen met de uitgifte van de beschikking en het exploot van betekening, onverminderd de toepassing van artikel 90, 2e lid, van de wet van 16 december 1851, zo daartoe grond bestaat.
Art. 1439. L'ordonnance est signifiée au débiteur. Elle est réputée non avenue si le renouvellement de la transcription n'a pas été demandé avant l'expiration du délai de validité de la saisie antérieure.
Le renouvellement de la transcription a lieu sur présentation [1 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 d'une requête en double exemplaire contenant l'indication précise de la transcription à renouveler, accompagnée de l'expédition de l'ordonnance et de l'exploit de signification, sans préjudice de l'application de l'article 90, alinéa 2, de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Le renouvellement de la transcription a lieu sur présentation [1 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 d'une requête en double exemplaire contenant l'indication précise de la transcription à renouveler, accompagnée de l'expédition de l'ordonnance et de l'exploit de signification, sans préjudice de l'application de l'article 90, alinéa 2, de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Änderungen
Art.1440. Doorhaling van de overschrijvingen betreffende bewarende beslagen op onroerend goed of betreffende hun vernieuwing geschiedt overeenkomstig de artikelen 92 tot 94 van de hypotheekwet van 16 december 1851, waarvan artikel 92 gewijzigd is bij de wet van 10 oktober 1913.
Art.1441. En cas de mainlevée volontaire de la transcription, le créancier peut aussi signifier cette mainlevée, signée par lui, [1 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale ]1. Celui-ci opère la radiation sur la remise de l'exploit de signification auquel reste annexé l'acte de mainlevée.
Änderungen
Art.1441. In geval van vrijwillige opheffing van de overschrijving mag de schuldeiser de opheffing die hij ondertekend heeft aan [1 het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 betekenen. Deze verricht de doorhaling tegen afgifte van het exploot van betekening waaraan de akte van opheffing gehecht blijft.
Art. 1441. En cas de mainlevée volontaire de la transcription, le créancier peut aussi signifier cette mainlevée, signée par lui, [1 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale ]1. Celui-ci opère la radiation sur la remise de l'exploit de signification auquel reste annexé l'acte de mainlevée.
Änderungen
Art.1442. Bewarend beslag op onroerend goed doet geen voorrang ontstaan ten voordele van de beslagleggende schuldeiser. Het verhindert niet het beslag op onroerend goed.
Art.1443. Le débiteur reste en possession des biens saisis. Il peut en jouir en bon père de famille, accomplir à leur égard tous actes d'administration et disposer des fruits.
Lorsque la jouissance des biens saisis est de nature à en altérer la substance, tout intéressé peut demander la désignation d'un séquestre au juge des saisies.
Le saisi ne peut faire aucune coupe de bois, sans autorisation de ce juge. Cette autorisation n'est pas requise pour le séquestre.
Lorsque la jouissance des biens saisis est de nature à en altérer la substance, tout intéressé peut demander la désignation d'un séquestre au juge des saisies.
Le saisi ne peut faire aucune coupe de bois, sans autorisation de ce juge. Cette autorisation n'est pas requise pour le séquestre.
Art.1443. De schuldenaar blijft in het bezit van de in beslag genomen goederen. Hij mag het genot ervan hebben als een goed huisvader, alle daden van beheer dienaangaande verrichten en over de vruchten beschikken.
Wanneer het genot van de in beslag genomen goederen het wezen ervan kan veranderen, kan iedere belanghebbende aan de beslagrechter vragen een sekwester aan te wijzen.
De beslagene mag geen houtkapping doen dan met verlof van deze rechter. Dit verlof is niet vereist voor de sekwester.
Wanneer het genot van de in beslag genomen goederen het wezen ervan kan veranderen, kan iedere belanghebbende aan de beslagrechter vragen een sekwester aan te wijzen.
De beslagene mag geen houtkapping doen dan met verlof van deze rechter. Dit verlof is niet vereist voor de sekwester.
Art.1444. A compter du jour de la transcription de la saisie, aucun acte d'aliénation ou de constitution d'hypothèque relatif à l'immeuble saisi, n'est opposable au créancier saisissant à titre conservatoire.
Il en est de même des aliénations ou constitutions d'hypothèques antérieures à la transcription de la saisie, mais non encore transcrites ou inscrites à ce moment.
Néanmoins, les aliénations ou constitutions d'hypothèques prévues aux alinéas 1 et 2, seront opposables au créancier saisissant si l'acquéreur ou le créancier hypothécaire consigne une somme suffisante pour acquitter en principal et accessoires les causes de la saisie pour autant que les droits du saisissant soient ultérieurement reconnus. En cas de contestation, le montant de cette consignation est fixé par le juge.
La règle de l'alinéa 2 n'est pas applicable lorsqu'il s'agit:
1° du renouvellement d'une inscription hypothécaire antérieure non périmée;
2° de l'hypothèque légale garantissant le recouvrement des droits de succession, conformément aux dispositions du Code des droits de succession;
3° de l'hypothèque légale garantissant le recouvrement des impôts directs en principal et additionnels, des intérêts et des frais, pour autant qu'elle ait été inscrite dans les huit jours ouvrables du dépôt à la poste de l'avis prévu à l'article 1432.
Il en est de même des aliénations ou constitutions d'hypothèques antérieures à la transcription de la saisie, mais non encore transcrites ou inscrites à ce moment.
Néanmoins, les aliénations ou constitutions d'hypothèques prévues aux alinéas 1 et 2, seront opposables au créancier saisissant si l'acquéreur ou le créancier hypothécaire consigne une somme suffisante pour acquitter en principal et accessoires les causes de la saisie pour autant que les droits du saisissant soient ultérieurement reconnus. En cas de contestation, le montant de cette consignation est fixé par le juge.
La règle de l'alinéa 2 n'est pas applicable lorsqu'il s'agit:
1° du renouvellement d'une inscription hypothécaire antérieure non périmée;
2° de l'hypothèque légale garantissant le recouvrement des droits de succession, conformément aux dispositions du Code des droits de succession;
3° de l'hypothèque légale garantissant le recouvrement des impôts directs en principal et additionnels, des intérêts et des frais, pour autant qu'elle ait été inscrite dans les huit jours ouvrables du dépôt à la poste de l'avis prévu à l'article 1432.
Art.1444. Vanaf de dag waarop het beslag is overgeschreven, kan geen daad van vervreemding of vestiging van hypotheek betreffende het in beslag genomen onroerend goed worden ingeroepen tegen de schuldeiser die bewarend beslag heeft gelegd.
Hetzelfde geldt voor de vervreemdingen of vestigingen van hypotheek die aan de overschrijving van het beslag zijn voorafgegaan, maar op dat tijdstip nog niet overgeschreven of ingeschreven waren.
De in de eerste twee leden bedoelde vervreemdingen of vestigingen van hypotheek kunnen echter tegen de beslagleggende schuldeiser worden ingeroepen, indien de verkrijger of de hypothecaire schuldeiser een toereikend bedrag in consignatie geeft om de oorzaken van het beslag in hoofdsom en toebehoren te voldoen, voor zover de rechten van de beslaglegger nadien worden erkend. In geval van betwisting wordt het bedrag van deze consignatie bepaald door de beslagrechter.
De regel van het tweede lid vindt geen toepassing, wanneer het betreft:
1° de vernieuwing van een vorige niet vervallen hypothecaire inschrijving;
2° de wettelijke hypotheek die de invordering van successierechten waarborgt, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek der successierechten;
3° de wettelijke hypotheek die de invordering waarborgt van de directe belastingen in hoofdsom en opcentiemen en met bijvoeging van de intresten en kosten, voor zover ze ingeschreven is binnen acht werkdagen na de afgifte ter post van het bericht dat bedoeld is in artikel 1432.
Hetzelfde geldt voor de vervreemdingen of vestigingen van hypotheek die aan de overschrijving van het beslag zijn voorafgegaan, maar op dat tijdstip nog niet overgeschreven of ingeschreven waren.
De in de eerste twee leden bedoelde vervreemdingen of vestigingen van hypotheek kunnen echter tegen de beslagleggende schuldeiser worden ingeroepen, indien de verkrijger of de hypothecaire schuldeiser een toereikend bedrag in consignatie geeft om de oorzaken van het beslag in hoofdsom en toebehoren te voldoen, voor zover de rechten van de beslaglegger nadien worden erkend. In geval van betwisting wordt het bedrag van deze consignatie bepaald door de beslagrechter.
De regel van het tweede lid vindt geen toepassing, wanneer het betreft:
1° de vernieuwing van een vorige niet vervallen hypothecaire inschrijving;
2° de wettelijke hypotheek die de invordering van successierechten waarborgt, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek der successierechten;
3° de wettelijke hypotheek die de invordering waarborgt van de directe belastingen in hoofdsom en opcentiemen en met bijvoeging van de intresten en kosten, voor zover ze ingeschreven is binnen acht werkdagen na de afgifte ter post van het bericht dat bedoeld is in artikel 1432.
Art. 1444. A compter du jour de la transcription de la saisie, aucun acte d'aliénation ou de constitution d'hypothèque relatif à l'immeuble saisi, n'est opposable au créancier saisissant à titre conservatoire.
Il en est de même des aliénations ou constitutions d'hypothèques antérieures à la transcription de la saisie, mais non encore transcrites ou inscrites à ce moment.
Néanmoins, les aliénations ou constitutions d'hypothèques prévues aux alinéas 1 et 2, seront opposables au créancier saisissant si l'acquéreur ou le créancier hypothécaire consigne une somme suffisante pour acquitter en principal et accessoires les causes de la saisie pour autant que les droits du saisissant soient ultérieurement reconnus. En cas de contestation, le montant de cette consignation est fixé par le juge.
La règle de l'alinéa 2 n'est pas applicable lorsqu'il s'agit:
1° du renouvellement d'une inscription hypothécaire antérieure non périmée;
2° de l'hypothèque légale garantissant le recouvrement des droits de succession, conformément aux dispositions du Code des droits de succession;
3° de l'hypothèque légale garantissant le recouvrement des impôts directs en principal et additionnels, des intérêts et des frais, pour autant qu'elle ait été inscrite dans les huit jours ouvrables du dépôt à la poste de l'avis prévu à l'article 1432.
Il en est de même des aliénations ou constitutions d'hypothèques antérieures à la transcription de la saisie, mais non encore transcrites ou inscrites à ce moment.
Néanmoins, les aliénations ou constitutions d'hypothèques prévues aux alinéas 1 et 2, seront opposables au créancier saisissant si l'acquéreur ou le créancier hypothécaire consigne une somme suffisante pour acquitter en principal et accessoires les causes de la saisie pour autant que les droits du saisissant soient ultérieurement reconnus. En cas de contestation, le montant de cette consignation est fixé par le juge.
La règle de l'alinéa 2 n'est pas applicable lorsqu'il s'agit:
1° du renouvellement d'une inscription hypothécaire antérieure non périmée;
2° de l'hypothèque légale garantissant le recouvrement des droits de succession, conformément aux dispositions du Code des droits de succession;
3° de l'hypothèque légale garantissant le recouvrement des impôts directs en principal et additionnels, des intérêts et des frais, pour autant qu'elle ait été inscrite dans les huit jours ouvrables du dépôt à la poste de l'avis prévu à l'article 1432.
HOOFDSTUK IV. _ Bewarend beslag onder derden.
Art.1445.Tout créancier peut, en vertu de titres authentiques ou privés, saisir-arrêter par huissier de justice, à titre conservatoire, entre les mains d'un tiers, les sommes et effets que celui-ci doit à son débiteur.
Art.1445. Iedere schuldeiser kan, op grond van authentieke of onderhandse stukken, bij gerechtsdeurwaarder, onder een derde, bewarend beslag leggen op de bedragen of zaken die deze aan zijn schuldenaar verschuldigd is.
Bij stilzitten van zijn schuldenaar kan de schuldeiser, met toepassing van artikel [1 5.242]1 van het Burgerlijk Wetboek, dezelfde procedure voeren.
De akte van beslag bevat de tekst van de artikelen 1451 tot 1456 en de waarschuwing aan de derde-beslagene dat hij zich naar de bepalingen ervan moet gedragen.
Bij stilzitten van zijn schuldenaar kan de schuldeiser, met toepassing van artikel [1 5.242]1 van het Burgerlijk Wetboek, dezelfde procedure voeren.
De akte van beslag bevat de tekst van de artikelen 1451 tot 1456 en de waarschuwing aan de derde-beslagene dat hij zich naar de bepalingen ervan moet gedragen.
Art. 1445. Tout créancier peut, en vertu de titres authentiques ou privés, saisir-arrêter par huissier de justice, à titre conservatoire, entre les mains d'un tiers, les sommes et effets que celui-ci doit à son débiteur.
En cas d'inaction de son débiteur, le créancier peut, par application de l'article [1 5.242]1 du Code civil, former la même procédure.
L'acte de saisie contient le texte des articles 1451 à 1456 et l'avertissement au tiers saisi qu'il devra se conformer à ces dispositions.
En cas d'inaction de son débiteur, le créancier peut, par application de l'article [1 5.242]1 du Code civil, former la même procédure.
L'acte de saisie contient le texte des articles 1451 à 1456 et l'avertissement au tiers saisi qu'il devra se conformer à ces dispositions.
Änderungen
Art.1446. Bewarend beslag onder derden kan mede worden gelegd op schuldvorderingen met tijdsbepaling, onder een voorwaarde of in geschil, die aan de schuldenaar toebehoren.
Art.1447. Qu'il y ait titre ou non, le juge peut, sur requête, permettre la saisie-arrêt.
La requête, établie en trois exemplaires, contient, outre les mentions prévues à l'article 1026, l'indication:
1° des nom, prénoms, domicile, ou à défaut de domicile, résidence du débiteur et [1 , sauf le cas visé au 3°,]1 du tiers saisi;
2° des causes et du montant ou de l'évaluation de la créance;
[1 3° dans le cas d'une saisie-arrêt sur compte bancaire, lorsque le créancier n'a connaissance ni du nom ou de l'adresse de la banque, ni du code IBAN, BIC ou d'un autre numéro bancaire permettant d'identifier la banque, la demande d'obtenir les informations nécessaires auprès de l'autorité chargée de l'obtention d'informations visée à l'article 555/1, § 1er, alinéa 1er, 25°, pour permettre d'identifier la ou les banques et le ou les comptes du débiteur selon les modalités prévues à l'article 555/1, § 2.]1
La requête, établie en trois exemplaires, contient, outre les mentions prévues à l'article 1026, l'indication:
1° des nom, prénoms, domicile, ou à défaut de domicile, résidence du débiteur et [1 , sauf le cas visé au 3°,]1 du tiers saisi;
2° des causes et du montant ou de l'évaluation de la créance;
[1 3° dans le cas d'une saisie-arrêt sur compte bancaire, lorsque le créancier n'a connaissance ni du nom ou de l'adresse de la banque, ni du code IBAN, BIC ou d'un autre numéro bancaire permettant d'identifier la banque, la demande d'obtenir les informations nécessaires auprès de l'autorité chargée de l'obtention d'informations visée à l'article 555/1, § 1er, alinéa 1er, 25°, pour permettre d'identifier la ou les banques et le ou les comptes du débiteur selon les modalités prévues à l'article 555/1, § 2.]1
Änderungen
Art.1447. Zelfs wanneer er geen titel bestaat, kan de rechter, op verzoekschrift, derden-beslag toelaten.
Behalve de in artikel 1026 voorgeschreven vermeldingen, geeft het in drie exemplaren opgemaakt verzoekschrift ook aan:
1° de naam, de voornamen, de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de schuldenaar [1 , behalve in het geval bedoeld in de bepaling onder 3°, ]1 en de derde-beslagene;
2° de oorzaken en het bedrag of de raming van de schuldvordering.
[1 3° in het geval van een bankbeslag onder derden, waarbij de schuldeiser geen kennis heeft van de naam of het adres van de bank, noch het IBAN-nummer, de BIC-code, of een ander bankrekeningnummer aan de hand waarvan de bank kan worden geïdentificeerd, het verzoek om de nodige inlichtingen in te winnen bij de instantie belast met het inwinnen van de inlichtingen, bedoeld in artikel 555/1, § 1, eerste lid, 25°, teneinde de bank of de banken en de rekening of de rekeningen van de schuldenaar te kunnen identificeren overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 555/1, § 2.]1
Behalve de in artikel 1026 voorgeschreven vermeldingen, geeft het in drie exemplaren opgemaakt verzoekschrift ook aan:
1° de naam, de voornamen, de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de schuldenaar [1 , behalve in het geval bedoeld in de bepaling onder 3°, ]1 en de derde-beslagene;
2° de oorzaken en het bedrag of de raming van de schuldvordering.
[1 3° in het geval van een bankbeslag onder derden, waarbij de schuldeiser geen kennis heeft van de naam of het adres van de bank, noch het IBAN-nummer, de BIC-code, of een ander bankrekeningnummer aan de hand waarvan de bank kan worden geïdentificeerd, het verzoek om de nodige inlichtingen in te winnen bij de instantie belast met het inwinnen van de inlichtingen, bedoeld in artikel 555/1, § 1, eerste lid, 25°, teneinde de bank of de banken en de rekening of de rekeningen van de schuldenaar te kunnen identificeren overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 555/1, § 2.]1
Art. 1447. Qu'il y ait titre ou non, le juge peut, sur requête, permettre la saisie-arrêt.
La requête, établie en trois exemplaires, contient, outre les mentions prévues à l'article 1026, l'indication:
1° des nom, prénoms, domicile, ou à défaut de domicile, résidence du débiteur et [1 , sauf le cas visé au 3°,]1 du tiers saisi;
2° des causes et du montant ou de l'évaluation de la créance;
[1 3° dans le cas d'une saisie-arrêt sur compte bancaire, lorsque le créancier n'a connaissance ni du nom ou de l'adresse de la banque, ni du code IBAN, BIC ou d'un autre numéro bancaire permettant d'identifier la banque, la demande d'obtenir les informations nécessaires auprès de l'autorité chargée de l'obtention d'informations visée à l'article 555/1, § 1er, alinéa 1er, 25°, pour permettre d'identifier la ou les banques et le ou les comptes du débiteur selon les modalités prévues à l'article 555/1, § 2.]1
La requête, établie en trois exemplaires, contient, outre les mentions prévues à l'article 1026, l'indication:
1° des nom, prénoms, domicile, ou à défaut de domicile, résidence du débiteur et [1 , sauf le cas visé au 3°,]1 du tiers saisi;
2° des causes et du montant ou de l'évaluation de la créance;
[1 3° dans le cas d'une saisie-arrêt sur compte bancaire, lorsque le créancier n'a connaissance ni du nom ou de l'adresse de la banque, ni du code IBAN, BIC ou d'un autre numéro bancaire permettant d'identifier la banque, la demande d'obtenir les informations nécessaires auprès de l'autorité chargée de l'obtention d'informations visée à l'article 555/1, § 1er, alinéa 1er, 25°, pour permettre d'identifier la ou les banques et le ou les comptes du débiteur selon les modalités prévues à l'article 555/1, § 2.]1
Änderungen
Art. 1447/2. [1 § 1er. Dans l'hypothèse visée à l'article [2 1447, alinéa 2, 3°]2 le juge peut, avant d'autoriser la saisie-arrêt conservatoire et au plus tard à la fin du cinquième jour ouvrable suivant le dépôt de la requête, exiger du créancier qu'il constitue une garantie pour un montant suffisant afin de prévenir un recours abusif à la procédure pour l'obtention d'une saisie-ârret conservatoire et afin d'assurer la réparation de tous les dommages subi par le débiteur en raison de la saisie-arrêt conservatoire, dans la mesure où le créancier est responsable desdits dommages.
[2 ...]2
§ 2. Le juge détermine, le cas échéant, cette garantie, dont il fixe, s'il y a lieu, les modalités.
§ 3. Dès que le créancier a, le cas échéant, constitué la garantie requise et dès que le juge dispose des informations qu'il a demandées conformément à l'article [2 1447, alinéa 2, 3°]2, le juge rend sa décision sur la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire sans délai.
§ 4. Si, conformément au paragraphe 1er, une garantie a été constituée et la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire est rejetée dans son intégralité du fait de la non-disponibilité des informations relatives aux comptes, le juge qui a demandé les informations ordonne sans tarder la libération de cette garantie.]1
[2 ...]2
§ 2. Le juge détermine, le cas échéant, cette garantie, dont il fixe, s'il y a lieu, les modalités.
§ 3. Dès que le créancier a, le cas échéant, constitué la garantie requise et dès que le juge dispose des informations qu'il a demandées conformément à l'article [2 1447, alinéa 2, 3°]2, le juge rend sa décision sur la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire sans délai.
§ 4. Si, conformément au paragraphe 1er, une garantie a été constituée et la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire est rejetée dans son intégralité du fait de la non-disponibilité des informations relatives aux comptes, le juge qui a demandé les informations ordonne sans tarder la libération de cette garantie.]1
Art. 1447/2. [1 § 1. In het in artikel [2 1447, tweede lid, 3°]2, bedoelde geval kan de rechter, alvorens het bewarend beslag onder derden toe te staan en uiterlijk op de vijfde werkdag na neerlegging van het verzoekschrift, van de schuldeiser eisen dat hij een zekerheid stelt ten belope van een bedrag dat volstaat om misbruik te voorkomen van de procedure voor het verkrijgen van een bewarend beslag onder derden en om de door de schuldenaar als gevolg van dit beslag geleden schade te vergoeden, voor zover de schuldeiser voor die schade aansprakelijk is.
[2 ...]2
§ 2. De rechter bepaalt in voorkomend geval deze zekerheid, waarvoor hij zo nodig de nadere regels vaststelt.
§ 3. Zodra de schuldeiser, in voorkomend geval, de vereiste zekerheid heeft gesteld en zodra de rechter beschikt over de informatie die hij overeenkomstig artikel [2 1447, tweede lid, 3°]2 heeft gevraagd, beslist de rechter onverwijld over het verzoekschrift voor het verkrijgen van een bewarend beslag onder derden.
§ 4. Indien overeenkomstig paragraaf 1 een zekerheid werd gesteld en het verzoekschrift voor het verkrijgen van een bewarend beslag onder derden geheel wordt afgewezen omwille van het ontbreken van rekeninginformatie, dan beveelt de rechter die de informatie heeft opgevraagd de onmiddellijke vrijgave van die zekerheid.]1
[2 ...]2
§ 2. De rechter bepaalt in voorkomend geval deze zekerheid, waarvoor hij zo nodig de nadere regels vaststelt.
§ 3. Zodra de schuldeiser, in voorkomend geval, de vereiste zekerheid heeft gesteld en zodra de rechter beschikt over de informatie die hij overeenkomstig artikel [2 1447, tweede lid, 3°]2 heeft gevraagd, beslist de rechter onverwijld over het verzoekschrift voor het verkrijgen van een bewarend beslag onder derden.
§ 4. Indien overeenkomstig paragraaf 1 een zekerheid werd gesteld en het verzoekschrift voor het verkrijgen van een bewarend beslag onder derden geheel wordt afgewezen omwille van het ontbreken van rekeninginformatie, dan beveelt de rechter die de informatie heeft opgevraagd de onmiddellijke vrijgave van die zekerheid.]1
Art. 1447/2. [1 § 1er. Dans l'hypothèse visée à l'article [2 1447, alinéa 2, 3°]2 le juge peut, avant d'autoriser la saisie-arrêt conservatoire et au plus tard à la fin du cinquième jour ouvrable suivant le dépôt de la requête, exiger du créancier qu'il constitue une garantie pour un montant suffisant afin de prévenir un recours abusif à la procédure pour l'obtention d'une saisie-ârret conservatoire et afin d'assurer la réparation de tous les dommages subi par le débiteur en raison de la saisie-arrêt conservatoire, dans la mesure où le créancier est responsable desdits dommages.
[2 ...]2
§ 2. Le juge détermine, le cas échéant, cette garantie, dont il fixe, s'il y a lieu, les modalités.
§ 3. Dès que le créancier a, le cas échéant, constitué la garantie requise et dès que le juge dispose des informations qu'il a demandées conformément à l'article [2 1447, alinéa 2, 3°]2, le juge rend sa décision sur la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire sans délai.
§ 4. Si, conformément au paragraphe 1er, une garantie a été constituée et la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire est rejetée dans son intégralité du fait de la non-disponibilité des informations relatives aux comptes, le juge qui a demandé les informations ordonne sans tarder la libération de cette garantie.]1
[2 ...]2
§ 2. Le juge détermine, le cas échéant, cette garantie, dont il fixe, s'il y a lieu, les modalités.
§ 3. Dès que le créancier a, le cas échéant, constitué la garantie requise et dès que le juge dispose des informations qu'il a demandées conformément à l'article [2 1447, alinéa 2, 3°]2, le juge rend sa décision sur la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire sans délai.
§ 4. Si, conformément au paragraphe 1er, une garantie a été constituée et la requête pour l'obtention d'une saisie-arrêt conservatoire est rejetée dans son intégralité du fait de la non-disponibilité des informations relatives aux comptes, le juge qui a demandé les informations ordonne sans tarder la libération de cette garantie.]1
Art.1448. De beschikking vermeldt, op straffe van nietigheid, de bedragen waarvoor het beslag gedaan wordt.
Art.1449. Au premier jour ouvrable suivant la prononciation de l'ordonnance, le greffier notifie, sous pli judiciaire, au requérant et au tiers saisi, copie de celle-ci et de la requête.
Cette notification contient la reproduction des articles 1451 à 1456 et l'avertissement au tiers saisi qu'il devra se conformer à ces dispositions.
Cette notification contient la reproduction des articles 1451 à 1456 et l'avertissement au tiers saisi qu'il devra se conformer à ces dispositions.
Art.1449. Op de eerste werkdag na de uitspraak van de beschikking zendt de griffier bij gerechtsbrief aan de verzoeker en aan de derde-beslagene een afschrift van het verzoekschrift en van de beschikking.
Die kennisgeving bevat de tekst van de artikelen 1451 tot 1456 en de waarschuwing aan de derde-beslagene dat hij zich naar die bepalingen moet gedragen.
Die kennisgeving bevat de tekst van de artikelen 1451 tot 1456 en de waarschuwing aan de derde-beslagene dat hij zich naar die bepalingen moet gedragen.
Art. 1449. Au premier jour ouvrable suivant la prononciation de l'ordonnance, le greffier notifie, sous pli judiciaire, au requérant et au tiers saisi, copie de celle-ci et de la requête.
Cette notification contient la reproduction des articles 1451 à 1456 et l'avertissement au tiers saisi qu'il devra se conformer à ces dispositions.
Cette notification contient la reproduction des articles 1451 à 1456 et l'avertissement au tiers saisi qu'il devra se conformer à ces dispositions.
Art.1450. De verzoekende partij kan bovendien en zonder uitstel bij gerechtsdeurwaarder het afschrift van het verzoekschrift en van de beschikking, bedoeld in artikel 1449, laten betekenen.
Die betekening bevat de tekst van de artikelen 1451 tot 1456 en de waarschuwing aan de derde-beslagene dat hij zich naar die bepalingen moet gedragen.
Die betekening bevat de tekst van de artikelen 1451 tot 1456 en de waarschuwing aan de derde-beslagene dat hij zich naar die bepalingen moet gedragen.
Art. 1450. La partie requérante peut en outre et sans délai faire signifier par huissier de justice la copie de la requête et de l'ordonnance dont il est question à l'article 1449.
Cette signification contient la reproduction des articles 1451 à 1456 et l'avertissement au tiers saisi qu'il devra se conformer à ces dispositions.
Cette signification contient la reproduction des articles 1451 à 1456 et l'avertissement au tiers saisi qu'il devra se conformer à ces dispositions.
Art.1451. Vanaf de ontvangst van de akte houdende derden-beslag, mag de derde-beslagene de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag, niet meer uit handen geven, op straffe van gewoon schuldenaar te worden verklaard voor de oorzaken van het beslag, onverminderd schadevergoeding ten aanzien van de partij, indien daartoe grond bestaat.
Art.1452. Dans les quinze jours de la saisie-arrêt, le tiers saisi est tenu de faire la déclaration des sommes ou effets, objets de la saisie.
La déclaration doit énoncer avec exactitude tous les éléments utiles à la détermination des droits des parties et, selon le cas, spécialement:
1° les causes et le montant de la dette, la date de son exigibilité et, s'il échet, ses modalités;
2° l'affirmation du tiers saisi qu'il n'est pas ou n'est plus débiteur du saisi;
3° le relevé des saisies-arrêts déjà notifiées au tiers saisi.
(4° Le cas échéant, les montants munis d'un code qui ont été inscrits au crédit d'un compte à vue et la date de leur inscription s'ils l'ont été au cours des trente jours qui précèdent à la date de la saisie.) <L 2005-12-27/31, art. 7, 054; En vigueur : 01-01-2007>
Si la saisie-arrêt porte sur des effets mobiliers, le tiers saisi est tenu de joindre à sa déclaration un état détaillé desdits effets.
La déclaration doit énoncer avec exactitude tous les éléments utiles à la détermination des droits des parties et, selon le cas, spécialement:
1° les causes et le montant de la dette, la date de son exigibilité et, s'il échet, ses modalités;
2° l'affirmation du tiers saisi qu'il n'est pas ou n'est plus débiteur du saisi;
3° le relevé des saisies-arrêts déjà notifiées au tiers saisi.
(4° Le cas échéant, les montants munis d'un code qui ont été inscrits au crédit d'un compte à vue et la date de leur inscription s'ils l'ont été au cours des trente jours qui précèdent à la date de la saisie.) <L 2005-12-27/31, art. 7, 054; En vigueur : 01-01-2007>
Si la saisie-arrêt porte sur des effets mobiliers, le tiers saisi est tenu de joindre à sa déclaration un état détaillé desdits effets.
Art.1452. Binnen vijftien dagen na het derden-beslag, is de derde-beslagene gehouden verklaring te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag.
De verklaring moet nauwkeurig alle dienstige gegevens voor de vaststelling van de rechten van partijen vermelden en, naar gelang van de gevallen, inzonderheid:
1° de oorzaken en het bedrag van de schuld, de dag van haar opeisbaarheid en in voorkomend geval haar modaliteiten;
2° de bevestiging door de derde-beslagene dat hij niet of niet meer de schuldenaar is van de beslagene;
3° de opgave van de beslagnemingen onder derden waarvan aan de derde-beslagene reeds kennis is gegeven.
(4° In voorkomend geval, de bedragen voorzien van een code die op de creditzijde van een zichtrekening ingeschreven werden en de datum van de inschrijving ervan indien deze gebeurde tijdens de dertig dagen die de datum van het beslag voorafgaan.) <W 2005-12-27/31, art. 7, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Indien het derden-beslag op roerende goederen geschiedt, moet de derde-beslagene een omstandige staat van de bedoelde goederen bij zijn verklaring voegen.
De verklaring moet nauwkeurig alle dienstige gegevens voor de vaststelling van de rechten van partijen vermelden en, naar gelang van de gevallen, inzonderheid:
1° de oorzaken en het bedrag van de schuld, de dag van haar opeisbaarheid en in voorkomend geval haar modaliteiten;
2° de bevestiging door de derde-beslagene dat hij niet of niet meer de schuldenaar is van de beslagene;
3° de opgave van de beslagnemingen onder derden waarvan aan de derde-beslagene reeds kennis is gegeven.
(4° In voorkomend geval, de bedragen voorzien van een code die op de creditzijde van een zichtrekening ingeschreven werden en de datum van de inschrijving ervan indien deze gebeurde tijdens de dertig dagen die de datum van het beslag voorafgaan.) <W 2005-12-27/31, art. 7, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Indien het derden-beslag op roerende goederen geschiedt, moet de derde-beslagene een omstandige staat van de bedoelde goederen bij zijn verklaring voegen.
Art. 1452. Dans les quinze jours de la saisie-arrêt, le tiers saisi est tenu de faire la déclaration des sommes ou effets, objets de la saisie.
La déclaration doit énoncer avec exactitude tous les éléments utiles à la détermination des droits des parties et, selon le cas, spécialement:
1° les causes et le montant de la dette, la date de son exigibilité et, s'il échet, ses modalités;
2° l'affirmation du tiers saisi qu'il n'est pas ou n'est plus débiteur du saisi;
3° le relevé des saisies-arrêts déjà notifiées au tiers saisi.
(4° Le cas échéant, les montants munis d'un code qui ont été inscrits au crédit d'un compte à vue et la date de leur inscription s'ils l'ont été au cours des trente jours qui précèdent à la date de la saisie.) <L 2005-12-27/31, art. 7, 054; En vigueur : 01-01-2007>
Si la saisie-arrêt porte sur des effets mobiliers, le tiers saisi est tenu de joindre à sa déclaration un état détaillé desdits effets.
La déclaration doit énoncer avec exactitude tous les éléments utiles à la détermination des droits des parties et, selon le cas, spécialement:
1° les causes et le montant de la dette, la date de son exigibilité et, s'il échet, ses modalités;
2° l'affirmation du tiers saisi qu'il n'est pas ou n'est plus débiteur du saisi;
3° le relevé des saisies-arrêts déjà notifiées au tiers saisi.
(4° Le cas échéant, les montants munis d'un code qui ont été inscrits au crédit d'un compte à vue et la date de leur inscription s'ils l'ont été au cours des trente jours qui précèdent à la date de la saisie.) <L 2005-12-27/31, art. 7, 054; En vigueur : 01-01-2007>
Si la saisie-arrêt porte sur des effets mobiliers, le tiers saisi est tenu de joindre à sa déclaration un état détaillé desdits effets.
Art.1453. De verklaring van de derde-beslagene wordt verzonden bij ter post aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangbewijs, respectievelijk aan de beslaglegger of aan de gerechtsdeurwaarder die voor hem is opgetreden, en aan de beslagen schuldenaar.
Afschrift van de stukken tot staving wordt gevoegd bij de verklaring die aan de beslaglegger of aan de optredende gerechtsdeurwaarder wordt afgegeven.
Afschrift van de stukken tot staving wordt gevoegd bij de verklaring die aan de beslaglegger of aan de optredende gerechtsdeurwaarder wordt afgegeven.
Art. 1453. La déclaration du tiers saisi est adressée sous pli recommandé à la poste ou remise contre récépissé, respectivement au saisissant ou a l'huissier de justice qui a instrumenté pour lui, et au débiteur saisi.
La copie des pièces justificatives est annexée à la déclaration délivrée au saisissant ou à l'huissier de justice instrumentant.
La copie des pièces justificatives est annexée à la déclaration délivrée au saisissant ou à l'huissier de justice instrumentant.
Art.1454. De derde-beslagene is schuldeiser van de beslaglegger voor de kosten van de verklaring. Hij kan in voorkomend geval die kosten afhouden van de sommen waarvan hij schuldenaar is.
Bij gebreke van minnelijke regeling, worden de kosten begroot door de beslagrechter, op verzoek van de derde-beslagene, de partijen gehoord of opgeroepen.
Bij gebreke van minnelijke regeling, worden de kosten begroot door de beslagrechter, op verzoek van de derde-beslagene, de partijen gehoord of opgeroepen.
Art.1455. Si les avoirs dont le tiers saisi est débiteur viennent à être augmentés avant la mainlevée de la saisie, il est tenu d'en informer le saisissant et le débiteur saisi, à la demande de l'un d'eux, dans les formes prévues pour la première déclaration, à moins que la prévision de cette augmentation ne figure dans la déclaration initiale.
Art.1455. Indien de bezittingen waarvan de derde-beslagene schuldenaar is, vermeerderen voor de opheffing van het beslag, moet hij daarvan aan de beslaglegger en de beslagen schuldenaar kennis geven op verzoek van een van hen, in de vorm die voor de eerste verklaring is voorgeschreven, tenzij de vermeerdering in de eerste verklaring is voorzien.
Art.1456. A défaut d'avoir fait sa déclaration dans le délai légal ou de l'avoir faite avec exactitude, le tiers saisi, cité à ces fins devant le juge des saisies, peut être déclaré débiteur, en tout ou en partie, des causes de la saisie ainsi que des frais de celle-ci, sans préjudice des frais de la procédure formée contre lui qui, en ces cas, seront à sa charge.
Si le tiers saisi conteste la dette dont le saisissant entend obtenir le paiement à son profit, la cause est portée devant le juge compétent ou le cas échéant elle lui est renvoyée par le juge des saisies.
Si le tiers saisi conteste la dette dont le saisissant entend obtenir le paiement à son profit, la cause est portée devant le juge compétent ou le cas échéant elle lui est renvoyée par le juge des saisies.
Art.1456. Indien hij zijn verklaring niet heeft gedaan binnen de wettelijke termijn, of ze niet met nauwkeurigheid heeft gedaan, kan de derde-beslagene, die daartoe voor de beslagrechter wordt opgeroepen, geheel of ten dele schuldenaar worden verklaard van de oorzaken en de kosten van het beslag, onverminderd de kosten van de tegen hem ingestelde procedure, die in die gevallen te zijnen laste vallen.
Indien de derde-beslagene de schuld betwist waarvan de beslaglegger betaling wil bekomen, dan wordt de zaak voor de bevoegde rechter gebracht of wordt zij in voorkomend geval naar hem verzonden door de beslagrechter.
Indien de derde-beslagene de schuld betwist waarvan de beslaglegger betaling wil bekomen, dan wordt de zaak voor de bevoegde rechter gebracht of wordt zij in voorkomend geval naar hem verzonden door de beslagrechter.
Art.1457. <L 2006-07-20/39, art. 18, 056; En vigueur : 30-01-2007; voir aussi L 2006-07-20/39, art. 29> § 1er. L'acte de saisie-arrêt est dénoncé entièrement, dans les huit jours de sa réception par le tiers saisi. Cette dénonciation est faite par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception ou par exploit d'huissier, par le saisissant au débiteur saisi, faute de quoi la mainlevée de la saisie pourra être ordonnée par le juge des saisies.
Les frais de cette procédure seront en tout cas à charge du saisissant qui a fait une dénonciation tardive, sans préjudice des dommages-intérêts s'il échet.
§ 2. Lorsque la saisie porte sur des revenus visés aux articles 1409, § 1er et § 1erbis et 1410, la dénonciation contient, à peine de nullité, le formulaire de déclaration d'enfant à charge dont le modèle est arrêté par le ministre de la Justice.
Les frais de cette procédure seront en tout cas à charge du saisissant qui a fait une dénonciation tardive, sans préjudice des dommages-intérêts s'il échet.
§ 2. Lorsque la saisie porte sur des revenus visés aux articles 1409, § 1er et § 1erbis et 1410, la dénonciation contient, à peine de nullité, le formulaire de déclaration d'enfant à charge dont le modèle est arrêté par le ministre de la Justice.
Art.1457. <W 2006-07-20/39, art. 18, 056; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29> § 1. De akte van derdenbeslag wordt in haar geheel aangezegd binnen acht dagen na ontvangst ervan door de derde-beslagene. Deze aanzegging wordt verricht bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs of bij deurwaardersexploot, door de beslaglegger aan de beslagen schuldenaar, bij gebreke waarvan de beslagrechter de opheffing van het beslag kan gelasten.
De kosten van die rechtspleging zijn in ieder geval ten laste van de beslaglegger die een laattijdige aanzegging heeft gedaan, onverminderd schadevergoeding indien daartoe grond is.
§ 2. Wanneer het beslag slaat op inkomsten bedoeld in de artikelen 1409, §§ 1 en 1bis en 1410, bevat de aanzegging, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie.
De kosten van die rechtspleging zijn in ieder geval ten laste van de beslaglegger die een laattijdige aanzegging heeft gedaan, onverminderd schadevergoeding indien daartoe grond is.
§ 2. Wanneer het beslag slaat op inkomsten bedoeld in de artikelen 1409, §§ 1 en 1bis en 1410, bevat de aanzegging, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie.
Art. 1457. <L 2006-07-20/39, art. 18, 056; En vigueur : 30-01-2007; voir aussi L 2006-07-20/39, art. 29> § 1er. L'acte de saisie-arrêt est dénoncé entièrement, dans les huit jours de sa réception par le tiers saisi. Cette dénonciation est faite par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception ou par exploit d'huissier, par le saisissant au débiteur saisi, faute de quoi la mainlevée de la saisie pourra être ordonnée par le juge des saisies.
Les frais de cette procédure seront en tout cas à charge du saisissant qui a fait une dénonciation tardive, sans préjudice des dommages-intérêts s'il échet.
§ 2. Lorsque la saisie porte sur des revenus visés aux articles 1409, § 1er et § 1erbis et 1410, la dénonciation contient, à peine de nullité, le formulaire de déclaration d'enfant à charge dont le modèle est arrêté par le ministre de la Justice.
Les frais de cette procédure seront en tout cas à charge du saisissant qui a fait une dénonciation tardive, sans préjudice des dommages-intérêts s'il échet.
§ 2. Lorsque la saisie porte sur des revenus visés aux articles 1409, § 1er et § 1erbis et 1410, la dénonciation contient, à peine de nullité, le formulaire de déclaration d'enfant à charge dont le modèle est arrêté par le ministre de la Justice.
Art.1458. Buiten het geval van schorsing, voorzien in artikel 1493, geldt het bewarend beslag onder derden gedurende drie jaren met ingang van de dagtekening van de beschikking en, indien er geen beschikking is gegeven, te rekenen vanaf het exploot.
Bij het verstrijken van de driejarige termijn houdt het beslag van rechtswege op gevolg te hebben, tenzij het vernieuwd wordt.
Bij het verstrijken van de driejarige termijn houdt het beslag van rechtswege op gevolg te hebben, tenzij het vernieuwd wordt.
Art.1459. Le créancier qui établit que pour de justes motifs la saisie doit être maintenue peut obtenir l'autorisation de la renouveler.
Le renouvellement est demandé par requête motivée, présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice, au juge compétent pour autoriser la saisie.
Il est statué sur cette requête dans le délai prévu à l'article 1418.
La durée du renouvellement est déterminée par le juge qui l'autorise. Ce délai prend cours à l'expiration du délai de validité de la saisie qui a été renouvelée.
L'ordonnance qui refuse le renouvellement n'est pas susceptible d'appel.
Le renouvellement est demandé par requête motivée, présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice, au juge compétent pour autoriser la saisie.
Il est statué sur cette requête dans le délai prévu à l'article 1418.
La durée du renouvellement est déterminée par le juge qui l'autorise. Ce délai prend cours à l'expiration du délai de validité de la saisie qui a été renouvelée.
L'ordonnance qui refuse le renouvellement n'est pas susceptible d'appel.
Art.1459. De schuldeiser die bewijst dat er gegronde redenen zijn om het beslag te handhaven, kan gemachtigd worden om het te vernieuwen.
De vernieuwing wordt gevraagd bij een met redenen omkleed verzoekschrift, in te dienen bij de rechter die bevoegd is om het beslag toe te staan door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder en door deze ondertekend.
Op dit verzoekschrift wordt beschikt binnen de in artikel 1418 bepaalde termijn.
De rechter die de vernieuwing toestaat, bepaalt de duur ervan. De termijn gaat in bij het verstrijken van de geldigheidsduur van het beslag dat vernieuwd is.
De beschikking die vernieuwing weigert, is niet vatbaar voor hoger beroep.
De vernieuwing wordt gevraagd bij een met redenen omkleed verzoekschrift, in te dienen bij de rechter die bevoegd is om het beslag toe te staan door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder en door deze ondertekend.
Op dit verzoekschrift wordt beschikt binnen de in artikel 1418 bepaalde termijn.
De rechter die de vernieuwing toestaat, bepaalt de duur ervan. De termijn gaat in bij het verstrijken van de geldigheidsduur van het beslag dat vernieuwd is.
De beschikking die vernieuwing weigert, is niet vatbaar voor hoger beroep.
Art. 1459. Le créancier qui établit que pour de justes motifs la saisie doit être maintenue peut obtenir l'autorisation de la renouveler.
Le renouvellement est demandé par requête motivée, présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice, au juge compétent pour autoriser la saisie.
Il est statué sur cette requête dans le délai prévu à l'article 1418.
La durée du renouvellement est déterminée par le juge qui l'autorise. Ce délai prend cours à l'expiration du délai de validité de la saisie qui a été renouvelée.
L'ordonnance qui refuse le renouvellement n'est pas susceptible d'appel.
Le renouvellement est demandé par requête motivée, présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice, au juge compétent pour autoriser la saisie.
Il est statué sur cette requête dans le délai prévu à l'article 1418.
La durée du renouvellement est déterminée par le juge qui l'autorise. Ce délai prend cours à l'expiration du délai de validité de la saisie qui a été renouvelée.
L'ordonnance qui refuse le renouvellement n'est pas susceptible d'appel.
Art.1460. De beschikking wordt als niet bestaande beschouwd, indien zij niet bij deurwaardersexploot betekend is aan de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, en aan de derde-beslagene, en wel vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het vroegere beslag.
Art. 1460. L'ordonnance est réputée non avenue si elle n'est point signifiée par exploit d'huissier au débiteur saisi et au tiers saisi avant l'expiration du délai de validité de la saisie antérieure.
HOOFDSTUK V. _ Pandbeslag.
Art.1461. Les propriétaires et principaux locataires de maisons ou biens ruraux, qu'il y ait bail écrit ou verbal, peuvent faire saisir, sans permission du juge, un jour après le commandement, pour loyers et fermages échus, les effets et fruits qui garnissent les lieux et terres loués.
Art.1461. De eigenaars en hoofdhuurders van huizen of landeigendommen kunnen, onverschillig of er een schriftelijk of een mondeling huurceel bestaat, zonder verlof van de rechter, één dag na het bevel, wegens vervallen huur- of pachtgelden beslag doen leggen op de goederen en vruchten waarmee de verhuurde plaatsen zijn toegerust en die zich op de verhuurde gronden bevinden.
Ook op de goederen van de onderpachter of onderhuurders, waarmee de plaatsen die zij bewonen zijn toegerust, en op de vruchten van de grond die zij onderhuren, kan pandbeslag gelegd worden wegens vervallen huur- of pachtgelden die verschuldigd zijn door de huurder of pachter van wie zij huren; zij verkrijgen evenwel opheffing indien zij bewijzen dat zij betaald hebben zonder bedrog en zonder dat zij voorafbetalingen kunnen opwerpen.
Ook op de goederen van de onderpachter of onderhuurders, waarmee de plaatsen die zij bewonen zijn toegerust, en op de vruchten van de grond die zij onderhuren, kan pandbeslag gelegd worden wegens vervallen huur- of pachtgelden die verschuldigd zijn door de huurder of pachter van wie zij huren; zij verkrijgen evenwel opheffing indien zij bewijzen dat zij betaald hebben zonder bedrog en zonder dat zij voorafbetalingen kunnen opwerpen.
Art. 1461. Les propriétaires et principaux locataires de maisons ou biens ruraux, qu'il y ait bail écrit ou verbal, peuvent faire saisir, sans permission du juge, un jour après le commandement, pour loyers et fermages échus, les effets et fruits qui garnissent les lieux et terres loués.
Peuvent aussi les effets des sous-fermiers et sous-locataires, garnissant les lieux par eux occupés, et les fruits des terres qu'ils sous-louent, être saisis-gagés pour les loyers et fermages dus par le locataire ou fermier de qui ils tiennent; mais ils obtiendront mainlevée en justifiant qu'ils ont payé sans fraude, et sans qu'ils puissent opposer des paiements faits par anticipation.
Peuvent aussi les effets des sous-fermiers et sous-locataires, garnissant les lieux par eux occupés, et les fruits des terres qu'ils sous-louent, être saisis-gagés pour les loyers et fermages dus par le locataire ou fermier de qui ils tiennent; mais ils obtiendront mainlevée en justifiant qu'ils ont payé sans fraude, et sans qu'ils puissent opposer des paiements faits par anticipation.
HOOFDSTUK VI. _ Beslag tot terugvordering.
Art.1462. Dans les cas ou il y a lieu à revendication de la propriété, de la possession ou de la détention d'un objet mobilier, le revendiquant peut, moyennant l'autorisation du juge, saisir cet objet en quelques mains qu'il se trouve.
Art.1462. In de gevallen waarin er grond bestaat om de eigendom, het bezit of het houden van een roerend goed terug te vorderen, kan hij die terugvordert dit goed, onverschillig in wiens handen het zich bevindt, met toelating van de rechter in beslag nemen.
Art. 1462. Dans les cas ou il y a lieu à revendication de la propriété, de la possession ou de la détention d'un objet mobilier, le revendiquant peut, moyennant l'autorisation du juge, saisir cet objet en quelques mains qu'il se trouve.
Art.1463. Het beslag tot terugvordering wordt gedaan volgens de regels voor het bewarend beslag op roerend goed.
Art.1464. Toute requête à fin de saisie-revendication contient outre les mentions prévues à l'article 1026 la désignation sommaire des effets revendiqués.
Art.1464. Ieder verzoekschrift tot het doen van beslag tot terugvordering bevat, behalve de in artikel 1026 voorgeschreven vermeldingen, een beknopte aanwijzing van de teruggevorderde zaken.
Art. 1464. Toute requête à fin de saisie-revendication contient outre les mentions prévues à l'article 1026 la désignation sommaire des effets revendiqués.
Art.1465. De rechter kan beslag tot terugvordering toestaan, zelfs op wettelijke feestdagen.
Art.1466. Si celui chez lequel sont les effets qu'on veut revendiquer refuse les portes ou s'oppose à la saisie, il en sera référé au juge par voie de requête; et cependant il sera sursis à la saisie, sauf au requérant à établir gardien aux portes.
Art.1466. Indien degene bij wie de terug te vorderen zaken zich bevinden, geen toegang wil verlenen of zich tegen het beslag verzet, wendt men zich bij verzoekschrift tot de rechter: inmiddels wordt het beslag geschorst, met dien verstande dat de verzoeker een deurwachter kan aanstellen.
Art. 1466. Si celui chez lequel sont les effets qu'on veut revendiquer refuse les portes ou s'oppose à la saisie, il en sera référé au juge par voie de requête; et cependant il sera sursis à la saisie, sauf au requérant à établir gardien aux portes.
HOOFDSTUK VII. _ Bewarend beslag op zeeschepen en binnenschepen.
Art.1467.[1 La saisie conservatoire sur les navires est réglée en particulier dans le Code belge de la Navigation. ]1
Art.1467. [1 Het bewarend beslag op schepen wordt in het bijzonder geregeld in het Belgisch Scheepvaartwetboek.]1
Art. 1467. [1 La saisie conservatoire sur les navires est réglée en particulier dans le Code belge de la Navigation. ]1
Änderungen
HOOFDSTUK VIII. - Beslag inzake namaak.
Art.1481. (Abrogé)
Art.1481. (Opgeheven) <W 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
Art.1482. (Abrogé) <L 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; En vigueur : 01-11-2007>
Art.1482. (Opgeheven) <W 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
Art.1483. (Abroge) <L 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; En vigueur : 01-11-2007>
Art.1483. (Opgeheven) <W 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
Art.1484. (Abrogé) <L 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; En vigueur : 01-11-2007>
Art.1484. (Opgeheven) <W 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
Art.1485. (Abrogé) <L 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; En vigueur : 01-11-2007>
Art.1485. (Opgeheven) <W 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
Art.1486. (Abrogé) <L 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; En vigueur : 01-11-2007>
Art.1486. (Opgeheven) <W 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
Art.1487. (Abrogé) <L 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; En vigueur : 01-11-2007>
Art.1487. (Opgeheven) <W 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
Art.1488. (Abrogé) <L 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; En vigueur : 01-11-2007>
Art.1488. (Opgeheven) <W 2007-05-10/33, art. 33, 5°, 061; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
CHAPITRE IX. _ De la procédure de transformation de la saisie conservatoire en saisie-exécution.
HOOFDSTUK IX. - Rechtspleging tot omzetting van bewarend beslag in uitvoerend beslag.
Art.1489. Le juge des saisies est seul compétent pour vider les contestations sur la régularité de la procédure de saisie conservatoire.
Art.1489. Alleen de beslagrechter is bevoegd om de geschillen over de regelmatigheid van de rechtspleging van bewarend beslag te beslechten.
De beschikking van de beslagrechter brengt geen nadeel toe aan de zaak zelf.
De beschikking van de beslagrechter brengt geen nadeel toe aan de zaak zelf.
Art.1490. Le créancier qui fait saisir conservatoirement peut, dans le même exploit ou, s'il s'agit d'une saisie-arrêt, dans l'exploit dénonçant la saisie au débiteur saisi, faire citer ce dernier pour entendre statuer sur le fond de la demande.
Art.1490. De schuldeiser die bewarend beslag doet leggen kan, in hetzelfde exploot of, in geval van bewarend beslag onder derden, in het exploot waarin het beslag wordt aangezegd aan de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, deze doen dagvaarden ten einde te horen beschikken omtrent de zaak zelf.
Art.1491. Le jugement sur le fond de la demande constitue, le cas échéant, à concurrence des condamnations prononcées, le titre exécutoire qui, par sa seule signification, opère la transformation de la saisie conservatoire en saisie-exécution.
Cette disposition ne porte pas préjudice à l'effet suspensif des recours et aux droits qui appartiennent au propriétaire en cas de saisie-revendication.
Si la saisie fait l'objet d'une contestation portée devant le juge des saisies au moment de la signification de la décision définitive sur le fond du litige, la transformation de la saisie conservatoire en saisie-exécution n'a lieu que par la signification de la décision du juge des saisies qui reconnaît la régularité de la saisie.
Cette disposition ne porte pas préjudice à l'effet suspensif des recours et aux droits qui appartiennent au propriétaire en cas de saisie-revendication.
Si la saisie fait l'objet d'une contestation portée devant le juge des saisies au moment de la signification de la décision définitive sur le fond du litige, la transformation de la saisie conservatoire en saisie-exécution n'a lieu que par la signification de la décision du juge des saisies qui reconnaît la régularité de la saisie.
Art.1491. Het vonnis over de zaak zelf vormt, in voorkomend geval, ten aanzien van de uitgesproken veroordelingen, de uitvoerbare titel waarvan de enkele betekening het bewarend beslag in uitvoerend beslag doet overgaan.
Deze bepaling verhindert niet de schorsende uitwerking van de voorzieningen en het recht van de eigenaar in geval van beslag tot terugvordering.
Indien het beslag het voorwerp is van een betwisting die aanhangig is voor de beslagrechter op het ogenblik van de betekening van de eindbeslissing over de zaak zelf, heeft de omzetting van het bezwarend beslag in uitvoerend beslag enkel plaats door de betekening van de beslissing van de beslagrechter waarbij de regelmatigheid van het beslag wordt erkend.
Deze bepaling verhindert niet de schorsende uitwerking van de voorzieningen en het recht van de eigenaar in geval van beslag tot terugvordering.
Indien het beslag het voorwerp is van een betwisting die aanhangig is voor de beslagrechter op het ogenblik van de betekening van de eindbeslissing over de zaak zelf, heeft de omzetting van het bezwarend beslag in uitvoerend beslag enkel plaats door de betekening van de beslissing van de beslagrechter waarbij de regelmatigheid van het beslag wordt erkend.
Art. 1491. Le jugement sur le fond de la demande constitue, le cas échéant, à concurrence des condamnations prononcées, le titre exécutoire qui, par sa seule signification, opère la transformation de la saisie conservatoire en saisie-exécution.
Cette disposition ne porte pas préjudice à l'effet suspensif des recours et aux droits qui appartiennent au propriétaire en cas de saisie-revendication.
Si la saisie fait l'objet d'une contestation portée devant le juge des saisies au moment de la signification de la décision définitive sur le fond du litige, la transformation de la saisie conservatoire en saisie-exécution n'a lieu que par la signification de la décision du juge des saisies qui reconnaît la régularité de la saisie.
Cette disposition ne porte pas préjudice à l'effet suspensif des recours et aux droits qui appartiennent au propriétaire en cas de saisie-revendication.
Si la saisie fait l'objet d'une contestation portée devant le juge des saisies au moment de la signification de la décision définitive sur le fond du litige, la transformation de la saisie conservatoire en saisie-exécution n'a lieu que par la signification de la décision du juge des saisies qui reconnaît la régularité de la saisie.
Art.1492. Het vonnis over de zaak zelf waarbij de vordering wordt verworpen houdt de beslissing tot opheffing van het beslag in.
Art.1493. La demande au fond suspend jusqu'au jour où la décision définitive du juge ne sera plus susceptible de recours ordinaires, les délais prévus aux articles 1425, 1458 et 1459.
En matière de saisie immobilière conservatoire [3 ...]3, la suspension n'a lieu que si la demande au fond a été inscrite, avant l'expiration du délai de validité de la saisie, en marge de la transcription [3 ...]3 de l'exploit de saisie. Cette suspension prend fin à l'expiration d'un délai de trois ans à compter de l'inscription de la demande, à moins qu'avant l'expiration de ce délai ladite inscription n'ait été renouvelée pour un nouveau terme de trois ans.
Le renouvellement a lieu sur présentation [2 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 [1 ou au Registre naval belge]1 d'une requête, en double exemplaire, contenant l'indication précise de l'inscription à renouveler et de la cause de suspension du délai de validité de la saisie, sans préjudice de l'application de l'article 90, alinéa 2, de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Toute décision définitive, qui n'est plus susceptible de recours ordinaires, rendue sur la demande au fond est inscrite, à la requête de la partie la plus diligente, à la suite de l'inscription de cette demande.
En matière de saisie immobilière conservatoire [3 ...]3, la suspension n'a lieu que si la demande au fond a été inscrite, avant l'expiration du délai de validité de la saisie, en marge de la transcription [3 ...]3 de l'exploit de saisie. Cette suspension prend fin à l'expiration d'un délai de trois ans à compter de l'inscription de la demande, à moins qu'avant l'expiration de ce délai ladite inscription n'ait été renouvelée pour un nouveau terme de trois ans.
Le renouvellement a lieu sur présentation [2 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 [1 ou au Registre naval belge]1 d'une requête, en double exemplaire, contenant l'indication précise de l'inscription à renouveler et de la cause de suspension du délai de validité de la saisie, sans préjudice de l'application de l'article 90, alinéa 2, de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Toute décision définitive, qui n'est plus susceptible de recours ordinaires, rendue sur la demande au fond est inscrite, à la requête de la partie la plus diligente, à la suite de l'inscription de cette demande.
Änderungen
Art.1493. De vordering over de zaak zelf schorst de in de artikelen 1425, 1458 en 1459 gestelde termijnen tot de dag waarop de eindbeslissing van de rechter niet meer vatbaar is voor gewone rechtsmiddelen.
Inzake bewarend beslag op onroerend goed [3 ...]3n heeft deze schorsing slechts plaats wanneer de vordering over de zaak zelf, voor het verstrijken van de geldigheidstermijn van het beslag, ingeschreven is op de kant van de overschrijving [3 ...]3 van het beslagexploot. Deze schorsing loopt ten einde bij het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen van de inschrijving van de vordering, tenzij, vóór het verstrijken van die termijn, de inschrijving vernieuwd is voor een nieuwe termijn van drie jaar.
De vernieuwing geschiedt op voorlegging, aan de [2 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]2 [1 of het Belgisch Scheepsregister]1, van een verzoekschrift in twee exemplaren, houdende nauwkeurige aanduiding van de te vernieuwen inschrijving en van de oorzaak van de schorsing van de geldigheidsduur van het beslag, onverminderd de toepassing van artikel 90, tweede lid, van de wet van 16 december 1851, zo daartoe grond bestaat.
Elke eindbeslissing die niet meer vatbaar is voor de gewone rechtsmiddelen en gewezen is op de vordering over de zaak zelf, wordt op verzoek van de meest gerede partij ingeschreven na de inschrijving van de vordering.
Inzake bewarend beslag op onroerend goed [3 ...]3n heeft deze schorsing slechts plaats wanneer de vordering over de zaak zelf, voor het verstrijken van de geldigheidstermijn van het beslag, ingeschreven is op de kant van de overschrijving [3 ...]3 van het beslagexploot. Deze schorsing loopt ten einde bij het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen van de inschrijving van de vordering, tenzij, vóór het verstrijken van die termijn, de inschrijving vernieuwd is voor een nieuwe termijn van drie jaar.
De vernieuwing geschiedt op voorlegging, aan de [2 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]2 [1 of het Belgisch Scheepsregister]1, van een verzoekschrift in twee exemplaren, houdende nauwkeurige aanduiding van de te vernieuwen inschrijving en van de oorzaak van de schorsing van de geldigheidsduur van het beslag, onverminderd de toepassing van artikel 90, tweede lid, van de wet van 16 december 1851, zo daartoe grond bestaat.
Elke eindbeslissing die niet meer vatbaar is voor de gewone rechtsmiddelen en gewezen is op de vordering over de zaak zelf, wordt op verzoek van de meest gerede partij ingeschreven na de inschrijving van de vordering.
Änderungen
Art. 1493. La demande au fond suspend jusqu'au jour où la décision définitive du juge ne sera plus susceptible de recours ordinaires, les délais prévus aux articles 1425, 1458 et 1459.
En matière de saisie immobilière conservatoire [3 ...]3, la suspension n'a lieu que si la demande au fond a été inscrite, avant l'expiration du délai de validité de la saisie, en marge de la transcription [3 ...]3 de l'exploit de saisie. Cette suspension prend fin à l'expiration d'un délai de trois ans à compter de l'inscription de la demande, à moins qu'avant l'expiration de ce délai ladite inscription n'ait été renouvelée pour un nouveau terme de trois ans.
Le renouvellement a lieu sur présentation [2 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 [1 ou au Registre naval belge]1 d'une requête, en double exemplaire, contenant l'indication précise de l'inscription à renouveler et de la cause de suspension du délai de validité de la saisie, sans préjudice de l'application de l'article 90, alinéa 2, de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Toute décision définitive, qui n'est plus susceptible de recours ordinaires, rendue sur la demande au fond est inscrite, à la requête de la partie la plus diligente, à la suite de l'inscription de cette demande.
En matière de saisie immobilière conservatoire [3 ...]3, la suspension n'a lieu que si la demande au fond a été inscrite, avant l'expiration du délai de validité de la saisie, en marge de la transcription [3 ...]3 de l'exploit de saisie. Cette suspension prend fin à l'expiration d'un délai de trois ans à compter de l'inscription de la demande, à moins qu'avant l'expiration de ce délai ladite inscription n'ait été renouvelée pour un nouveau terme de trois ans.
Le renouvellement a lieu sur présentation [2 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 [1 ou au Registre naval belge]1 d'une requête, en double exemplaire, contenant l'indication précise de l'inscription à renouveler et de la cause de suspension du délai de validité de la saisie, sans préjudice de l'application de l'article 90, alinéa 2, de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Toute décision définitive, qui n'est plus susceptible de recours ordinaires, rendue sur la demande au fond est inscrite, à la requête de la partie la plus diligente, à la suite de l'inscription de cette demande.
Änderungen
TITEL III. _ GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING.
CHAPITRE PREMIER. _ Dispositions générales.
EERSTE HOOFDSTUK. _ Algemene bepalingen.
Art.1494. Il ne sera procédé à aucune saisie-exécution mobilière ou immobilière qu'en vertu d'un titre exécutoire et pour choses liquides et certaines
Art.1494. Geen uitvoerend beslag op roerend of onroerend goed mag worden gelegd dan krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande en zekere zaken.
(Wanneer voornoemd beslag echter gelegd wordt om de betaling te verkrijgen van vervallen termijnen van een schuldvordering betreffende periodieke inkomsten, kan het ook plaatsvinden om de betaling te verkrijgen van de nog te vervallen termijnen, naarmate die vervallen.) <W 2000-05-29/36, art. 6, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
(Wanneer voornoemd beslag echter gelegd wordt om de betaling te verkrijgen van vervallen termijnen van een schuldvordering betreffende periodieke inkomsten, kan het ook plaatsvinden om de betaling te verkrijgen van de nog te vervallen termijnen, naarmate die vervallen.) <W 2000-05-29/36, art. 6, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
Art.1495. Toute décision qui prononce une condamnation, ne peut être exécutée qu'après avoir été signifiée à la partie.
Sans préjudice de la saisie conservatoire prévue à l'article 1414, la condamnation au paiement d'une somme d'argent, qui fait l'objet d'une décision [1 encore [2 susceptible d'opposition ou d'appel par une partie défaillante]2]1, ne peut être exécutée avant l'échéance d'un mois suivant la signification de la décision, à moins que l'exécution provisoire de celle-ci n'ait été ordonnée.
Ces dispositions sont prescrites à peine de nullité des actes d'exécution.
Sans préjudice de la saisie conservatoire prévue à l'article 1414, la condamnation au paiement d'une somme d'argent, qui fait l'objet d'une décision [1 encore [2 susceptible d'opposition ou d'appel par une partie défaillante]2]1, ne peut être exécutée avant l'échéance d'un mois suivant la signification de la décision, à moins que l'exécution provisoire de celle-ci n'ait été ordonnée.
Ces dispositions sont prescrites à peine de nullité des actes d'exécution.
Art.1495. Geen veroordelende beslissing kan worden ten uitvoer gelegd dan nadat zij aan de partij is betekend.
Onverminderd het bewarend beslag bedoeld in artikel 1414, kan de veroordeling tot betaling van een som geld, die het voorwerp is van een beslissing [1 waartegen nog [2 verzet of hoger beroep door een versteklatende partij]2 openstaat]1, niet worden ten uitvoer gelegd voor het verstrijken van een maand na de betekening van de beslissing, tenzij voorlopige tenuitvoerlegging daarvan is gelast.
Die bepalingen gelden op straffe van nietigheid van de daden van tenuitvoerlegging.
Onverminderd het bewarend beslag bedoeld in artikel 1414, kan de veroordeling tot betaling van een som geld, die het voorwerp is van een beslissing [1 waartegen nog [2 verzet of hoger beroep door een versteklatende partij]2 openstaat]1, niet worden ten uitvoer gelegd voor het verstrijken van een maand na de betekening van de beslissing, tenzij voorlopige tenuitvoerlegging daarvan is gelast.
Die bepalingen gelden op straffe van nietigheid van de daden van tenuitvoerlegging.
Art.1496. [1 Pour autant qu'il soit respecté, tout plan de paiement établi par l'intervention d'un huissier de justice dans le cadre du recouvrement d'une somme d'argent entraîne la suspension des voies d'exécution qui tendent au paiement de cette somme d'argent.
Si le débiteur sollicite un plan de paiement, l'huissier de justice confirme par courrier simple ou par voie électronique, après accord du créancier, que le créancier et le débiteur ont convenu de facilités de paiement et en quoi elles consistent, avec mention expresse des montants et des délais de paiement.
En cas de non-respect du plan de paiement, l'huissier de justice demande par courrier de rappel ou par toute voie de communication appropriée, que le paiement des montants échus conformément au plan de paiement ou d'un montant à convenir avec l'huissier de justice soit effectué dans un délai de huit jours calendriers à compter du troisième jour ouvrable qui suit la date d'envoi du rappel, en précisant qu'en cas de non-respect, l'exécution se poursuit immédiatement. Si le rappel est envoyé par voie électronique, le délai de huit jours calendrier prend cours le jour calendrier qui suit celui où le rappel est envoyé au débiteur.]1
Si le débiteur sollicite un plan de paiement, l'huissier de justice confirme par courrier simple ou par voie électronique, après accord du créancier, que le créancier et le débiteur ont convenu de facilités de paiement et en quoi elles consistent, avec mention expresse des montants et des délais de paiement.
En cas de non-respect du plan de paiement, l'huissier de justice demande par courrier de rappel ou par toute voie de communication appropriée, que le paiement des montants échus conformément au plan de paiement ou d'un montant à convenir avec l'huissier de justice soit effectué dans un délai de huit jours calendriers à compter du troisième jour ouvrable qui suit la date d'envoi du rappel, en précisant qu'en cas de non-respect, l'exécution se poursuit immédiatement. Si le rappel est envoyé par voie électronique, le délai de huit jours calendrier prend cours le jour calendrier qui suit celui où le rappel est envoyé au débiteur.]1
Änderungen
Art.1496. [1 Voor zover het wordt nageleefd, zal elk afbetalingsplan dat door tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder in het kader van de invordering van een geldsom tot stand komt, de schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van deze geldsom tot gevolg hebben.
Als de schuldenaar om een afbetalingsregeling verzoekt dan wordt, na akkoord van de schuldeiser, door de gerechtsdeurwaarder via gewone brief of via elektronische weg bevestigd dat de schuldeiser en de schuldenaar betalingsfaciliteiten zijn overeengekomen en dewelke dat zijn, met uitdrukkelijk vermelding van de bedragen en termijnen.
Bij niet-naleving van het afbetalingsplan, vraagt de gerechtsdeurwaarder per herinneringsbrief of met alle passende communicatiemiddelen om binnen acht kalenderdagen te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van de herinnering de betaling van de overeenkomstig het afbetalingsplan vervallen bedragen of van een met de gerechtsdeurwaarder overeen te komen bedrag te verrichten, met vermelding dat wanneer hieraan niet voldaan wordt, de uitvoering onmiddellijk wordt voortgezet. Wanneer de herinnering langs elektronische weg wordt verzonden, vangt de termijn van acht kalenderdagen aan op de kalenderdag die volgt op de dag waarop de herinnering werd verzonden aan de schuldenaar.]1
Als de schuldenaar om een afbetalingsregeling verzoekt dan wordt, na akkoord van de schuldeiser, door de gerechtsdeurwaarder via gewone brief of via elektronische weg bevestigd dat de schuldeiser en de schuldenaar betalingsfaciliteiten zijn overeengekomen en dewelke dat zijn, met uitdrukkelijk vermelding van de bedragen en termijnen.
Bij niet-naleving van het afbetalingsplan, vraagt de gerechtsdeurwaarder per herinneringsbrief of met alle passende communicatiemiddelen om binnen acht kalenderdagen te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van de herinnering de betaling van de overeenkomstig het afbetalingsplan vervallen bedragen of van een met de gerechtsdeurwaarder overeen te komen bedrag te verrichten, met vermelding dat wanneer hieraan niet voldaan wordt, de uitvoering onmiddellijk wordt voortgezet. Wanneer de herinnering langs elektronische weg wordt verzonden, vangt de termijn van acht kalenderdagen aan op de kalenderdag die volgt op de dag waarop de herinnering werd verzonden aan de schuldenaar.]1
Art. 1496. [1 Pour autant qu'il soit respecté, tout plan de paiement établi par l'intervention d'un huissier de justice dans le cadre du recouvrement d'une somme d'argent entraîne la suspension des voies d'exécution qui tendent au paiement de cette somme d'argent.
Si le débiteur sollicite un plan de paiement, l'huissier de justice confirme par courrier simple ou par voie électronique, après accord du créancier, que le créancier et le débiteur ont convenu de facilités de paiement et en quoi elles consistent, avec mention expresse des montants et des délais de paiement.
En cas de non-respect du plan de paiement, l'huissier de justice demande par courrier de rappel ou par toute voie de communication appropriée, que le paiement des montants échus conformément au plan de paiement ou d'un montant à convenir avec l'huissier de justice soit effectué dans un délai de huit jours calendriers à compter du troisième jour ouvrable qui suit la date d'envoi du rappel, en précisant qu'en cas de non-respect, l'exécution se poursuit immédiatement. Si le rappel est envoyé par voie électronique, le délai de huit jours calendrier prend cours le jour calendrier qui suit celui où le rappel est envoyé au débiteur.]1
Si le débiteur sollicite un plan de paiement, l'huissier de justice confirme par courrier simple ou par voie électronique, après accord du créancier, que le créancier et le débiteur ont convenu de facilités de paiement et en quoi elles consistent, avec mention expresse des montants et des délais de paiement.
En cas de non-respect du plan de paiement, l'huissier de justice demande par courrier de rappel ou par toute voie de communication appropriée, que le paiement des montants échus conformément au plan de paiement ou d'un montant à convenir avec l'huissier de justice soit effectué dans un délai de huit jours calendriers à compter du troisième jour ouvrable qui suit la date d'envoi du rappel, en précisant qu'en cas de non-respect, l'exécution se poursuit immédiatement. Si le rappel est envoyé par voie électronique, le délai de huit jours calendrier prend cours le jour calendrier qui suit celui où le rappel est envoyé au débiteur.]1
Änderungen
Art.1497. In geval van bewarend beslag, is er geen grond tot nieuw beslag voorafgaand aan de tenuitvoerlegging. Er wordt daartoe, in voorkomend geval, overgegaan door middel van de uitvoerbare titel die de beslaglegger bezit of zal bezitten, en na bevel krachtens die titel.
[2 Wanneer bewarend beslag op onroerend goed omgezet wordt in uitvoerend beslag, geldt de overschrijving van het bevel voorafgaand aan de tenuitvoerlegging, voor de toepassing van hoofdstuk VI van deze titel, als overschrijving van het exploot van uitvoerend beslag. Dat bevel moet ten laatste binnen vijftien dagen worden overgeschreven op het bevoegde hypotheekkantoor en de nauwkeurige aanduiding bevatten van de overschrijving van het bewarend beslag dat in uitvoerend beslag is omgezet.]2
[2 Wanneer bewarend beslag op onroerend goed omgezet wordt in uitvoerend beslag, geldt de overschrijving van het bevel voorafgaand aan de tenuitvoerlegging, voor de toepassing van hoofdstuk VI van deze titel, als overschrijving van het exploot van uitvoerend beslag. Dat bevel moet ten laatste binnen vijftien dagen worden overgeschreven op het bevoegde hypotheekkantoor en de nauwkeurige aanduiding bevatten van de overschrijving van het bewarend beslag dat in uitvoerend beslag is omgezet.]2
Art. 1497. En cas de saisie conservatoire, il n'y a pas lieu à saisie nouvelle préalablement à l'exécution. Il est, le cas échéant, procédé à celle-ci au moyen du titre exécutoire, dont le saisissant est ou sera nanti, et après commandement en vertu de ce titre.
[2 Lorsqu'une saisie conservatoire sur un bien immobilier est convertie en saisie-exécution, le transfert de l'ordre précédent à la mise en oeuvre vaut, pour l'application du CHAPITRE VI du présent titre, comme transfert de l'exploit de la saisie- exécution. Cet ordre doit être transféré au plus tard endéans les quinze jours au bureau des hypothèques et doit contenir la désignation précise du transfert de la saisie conservatoire qui est transposée en saisie-exécution.]2
[2 Lorsqu'une saisie conservatoire sur un bien immobilier est convertie en saisie-exécution, le transfert de l'ordre précédent à la mise en oeuvre vaut, pour l'application du CHAPITRE VI du présent titre, comme transfert de l'exploit de la saisie- exécution. Cet ordre doit être transféré au plus tard endéans les quinze jours au bureau des hypothèques et doit contenir la désignation précise du transfert de la saisie conservatoire qui est transposée en saisie-exécution.]2
Art.1498. In geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging kan iedere belanghebbende partij zich wenden tot de beslagrechter, evenwel zonder dat het instellen van deze vordering schorsende kracht heeft.
De beslagrechter beveelt de opheffing van het beslag indien daartoe grond bestaat.
De beslagrechter beveelt de opheffing van het beslag indien daartoe grond bestaat.
Art. 1498. En cas de difficulté d'exécution, toute partie intéressée peut se pourvoir devant le juge des saisies, sans cependant que l'exercice de cette action ait un effet suspensif.
Le juge des saisies prononce, s'il y a lieu, la mainlevée de la saisie.
Le juge des saisies prononce, s'il y a lieu, la mainlevée de la saisie.
HOOFDSTUK II. _ Uitvoerend beslag op roerend goed.
Art.1499. Toute saisie-exécution mobilière est précédée d'un commandement au débiteur, fait au moins un jour avant la saisie et contenant, si le titre consiste en une décision judiciaire, la signification de celle-ci, si elle n'est pas encore intervenue.
Art.1499. <W 2000-05-29/36, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001> Aan elk uitvoerend beslag op roerend goed gaat een bevel aan de schuldenaar vooraf, dat ten minste een dag voor het beslag wordt gedaan en dat, indien de titel bestaat uit een rechterlijke beslissing, de betekening daarvan bevat indien dit nog niet gebeurd is.
Art.1500. [1 6 1er.]1 Le commandement contient élection de domicile dans le lieu ou siège le juge qui devra, le cas échéant, connaître de la saisie.
Le débiteur peut faire à ce domicile élu toutes significations, même d'offres réelles et d'appel.
[1 § 2. Le commandement reproduit, à peine de nullité, le texte de l'article 1506/1.]1
Le débiteur peut faire à ce domicile élu toutes significations, même d'offres réelles et d'appel.
[1 § 2. Le commandement reproduit, à peine de nullité, le texte de l'article 1506/1.]1
Art.1500. [1 § 1.]1 Het bevel bevat keuze van woonplaats, in de plaats waar de rechter zitting houdt die, in voorkomend geval, kennis moet nemen van het beslag.
De schuldenaar kan aan deze gekozen woonplaats alle betekeningen doen, zelfs van zakelijk aanbod en van hoger beroep.
[1 § 2. Het bevel bevat, op straffe van nietigheid, de tekst van artikel 1506/1.]1
De schuldenaar kan aan deze gekozen woonplaats alle betekeningen doen, zelfs van zakelijk aanbod en van hoger beroep.
[1 § 2. Het bevel bevat, op straffe van nietigheid, de tekst van artikel 1506/1.]1
Art.1501. L'huissier de justice doit, à peine de nullité de l'exploit de saisie, être assisté d'un témoin majeur, non parent ni allié des parties ou de lui-même, jusqu'au degré de cousin issu de germain inclusivement; il énonce sur le procès-verbal les nom [1 et prénom]1 de ce témoin, qui signe l'original et les copies. L'indication du témoin implique l'élection de domicile de celui-ci en l'étude de l'huissier instrumentant.
Il est permis à l'huissier d'être assiste, aux mêmes conditions, d'un second témoin.
La partie poursuivante ne peut être présente à la saisie.
Il est permis à l'huissier d'être assiste, aux mêmes conditions, d'un second témoin.
La partie poursuivante ne peut être présente à la saisie.
Art.1501. De gerechtsdeurwaarder moet, op straffe van nietigheid van het beslagexploot, worden bijgestaan door een meerderjarige getuige die geen bloedverwant of aanverwant is van de partijen of van hemzelf, tot en met de graad van achterneef; hij vermeldt in het proces-verbaal de naam [1 en de voornaam]1 van deze getuige, die het origineel en de afschriften ondertekent. De aanwijzing van de getuige sluit in dat deze woonplaats kiest ten kantore van de optredende deurwaarder.
Onder dezelfde voorwaarden kan de deurwaarder zich door een tweede getuige laten bijstaan.
De vervolgende partij mag bij het beslag niet tegenwoordig zijn.
Onder dezelfde voorwaarden kan de deurwaarder zich door een tweede getuige laten bijstaan.
De vervolgende partij mag bij het beslag niet tegenwoordig zijn.
Art. 1501. L'huissier de justice doit, à peine de nullité de l'exploit de saisie, être assisté d'un témoin majeur, non parent ni allié des parties ou de lui-même, jusqu'au degré de cousin issu de germain inclusivement; il énonce sur le procès-verbal les nom [1 et prénom]1 de ce témoin, qui signe l'original et les copies. L'indication du témoin implique l'élection de domicile de celui-ci en l'étude de l'huissier instrumentant.
Il est permis à l'huissier d'être assiste, aux mêmes conditions, d'un second témoin.
La partie poursuivante ne peut être présente à la saisie.
Il est permis à l'huissier d'être assiste, aux mêmes conditions, d'un second témoin.
La partie poursuivante ne peut être présente à la saisie.
Art.1502. <W 2000-05-29/36, art. 8, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001> In het exploot van uitvoerend beslag op roerend goed wordt op straffe van nietigheid de tekst van de artikelen 1408 [1 ...]1 en 1526bis, alsook die van de artikelen 490bis en 507 van het Strafwetboek opgenomen.
De akte dient in zeer duidelijke lettertekens de vermelding te bevatten van de termijnen die op straffe van verval zijn voorgeschreven bij artikel 1408, § 3, lid 1, en bij artikel 1526bis, tweede lid.
De akte dient in zeer duidelijke lettertekens de vermelding te bevatten van de termijnen die op straffe van verval zijn voorgeschreven bij artikel 1408, § 3, lid 1, en bij artikel 1526bis, tweede lid.
Art.1503. La saisie peut être faite hors du domicile du débiteur et chez un tiers. Cette saisie est subordonnée à l'autorisation du juge, accordée sur requête présentée et signée par un avocat ou un huissier de justice.
La requête contient dans la mesure du possible, outre les mentions prévues à l'article 1026, le relevé sommaire des meubles et effets mobiliers à saisir.
Le tiers est tenu d'indiquer à l'huissier de justice l'endroit ou se trouvent les objets à saisir ou, le cas échéant, de faciliter ses recherches.
La requête contient dans la mesure du possible, outre les mentions prévues à l'article 1026, le relevé sommaire des meubles et effets mobiliers à saisir.
Le tiers est tenu d'indiquer à l'huissier de justice l'endroit ou se trouvent les objets à saisir ou, le cas échéant, de faciliter ses recherches.
Art.1503. Het beslag kan worden gedaan buiten de woonplaats van de schuldenaar en bij een derde. Voor dit beslag is toelating van de rechter vereist, dewelke wordt gegeven op verzoekschrift, ingediend en ondertekend door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder.
Het verzoekschrift bevat zo mogelijk, behalve de vermeldingen bedoeld in artikel 1026, een korte opgave van de in beslag te nemen roerende goederen.
De derde moet aan de gerechtsdeurwaarder de plaats aanwijzen waar de in beslag te nemen voorwerpen zich bevinden of in voorkomend geval diens opsporingen vergemakkelijken.
Het verzoekschrift bevat zo mogelijk, behalve de vermeldingen bedoeld in artikel 1026, een korte opgave van de in beslag te nemen roerende goederen.
De derde moet aan de gerechtsdeurwaarder de plaats aanwijzen waar de in beslag te nemen voorwerpen zich bevinden of in voorkomend geval diens opsporingen vergemakkelijken.
Art.1504. Si les portes sont fermées ou si l'ouverture en est refusée, l'huissier de justice peut établir gardien aux portes; il se retire sur-le-champ, sans formalités, devant le commissaire de police ou, s'il n'en existe pas, devant le juge de paix ou le bourgmestre.
La personne à qui l'huissier a ainsi fait appel, celle qu'elle a déléguée ou qui la supplée, assiste à l'ouverture des portes, et même des meubles s'il échet, et ne dresse point de procès-verbal, mais elle signe celui de l'huissier, lequel ne peut dresser du tout qu'un seul acte.
Le commissaire de police peut désigner un agent pour le représenter.
La personne à qui l'huissier a ainsi fait appel, celle qu'elle a déléguée ou qui la supplée, assiste à l'ouverture des portes, et même des meubles s'il échet, et ne dresse point de procès-verbal, mais elle signe celui de l'huissier, lequel ne peut dresser du tout qu'un seul acte.
Le commissaire de police peut désigner un agent pour le représenter.
Art.1504. Zijn de deuren gesloten of wordt er geweigerd ze te openen, dan kan de gerechtsdeurwaarder een deurwachter aanstellen; hij wendt zich dadelijk zonder formaliteiten tot de politiecommissaris of, indien er geen is, tot de vrederechter of tot de burgemeester.
De persoon op wie de deurwaarder aldus een beroep heeft gedaan, degene aan wie deze persoon daartoe opdracht heeft gegeven of die hem vervangt, is tegenwoordig bij het openen van de deuren en zelfs van de meubelen indien daartoe grond bestaat en maakt geen proces-verbaal op, maar ondertekent het proces-verbaal van de deurwaarder, die van alles slechts een enkele akte mag opmaken.
De politiecommissaris kan een agent aanwijzen om hem te vertegenwoordigen.
De persoon op wie de deurwaarder aldus een beroep heeft gedaan, degene aan wie deze persoon daartoe opdracht heeft gegeven of die hem vervangt, is tegenwoordig bij het openen van de deuren en zelfs van de meubelen indien daartoe grond bestaat en maakt geen proces-verbaal op, maar ondertekent het proces-verbaal van de deurwaarder, die van alles slechts een enkele akte mag opmaken.
De politiecommissaris kan een agent aanwijzen om hem te vertegenwoordigen.
Art. 1504. Si les portes sont fermées ou si l'ouverture en est refusée, l'huissier de justice peut établir gardien aux portes; il se retire sur-le-champ, sans formalités, devant le commissaire de police ou, s'il n'en existe pas, devant le juge de paix ou le bourgmestre.
La personne à qui l'huissier a ainsi fait appel, celle qu'elle a déléguée ou qui la supplée, assiste à l'ouverture des portes, et même des meubles s'il échet, et ne dresse point de procès-verbal, mais elle signe celui de l'huissier, lequel ne peut dresser du tout qu'un seul acte.
Le commissaire de police peut désigner un agent pour le représenter.
La personne à qui l'huissier a ainsi fait appel, celle qu'elle a déléguée ou qui la supplée, assiste à l'ouverture des portes, et même des meubles s'il échet, et ne dresse point de procès-verbal, mais elle signe celui de l'huissier, lequel ne peut dresser du tout qu'un seul acte.
Le commissaire de police peut désigner un agent pour le représenter.
Art.1505. Moet een brandkast worden geopend, die gehuurd is bij enige natuurlijke of rechtspersoon die brandkasten pleegt te verhuren, en is de partij niet aanwezig bij de tenuitvoerlegging, dan verzegelt de gerechtsdeurwaarder de gehuurde brandkast en maant hij de partij aan om tegenwoordig te zijn bij de opening op dag en uur door hem aan te geven. De aanmaning geschiedt zo mogelijk in de akte waarbij de verzegeling wordt vastgesteld.
Indien de partij tegen wie het beslag geschiedt, zich niet aanmeldt op de gestelde dag en het gestelde uur, opent de deurwaarder de brandkast zoals in artikel 1504 is voorgeschreven.
Indien de partij tegen wie het beslag geschiedt, zich niet aanmeldt op de gestelde dag en het gestelde uur, opent de deurwaarder de brandkast zoals in artikel 1504 is voorgeschreven.
Art. 1505. S'il y a lieu d'ouvrir un coffre-fort tenu en location chez toute personne physique ou morale se livrant habituellement à la location de coffres-fort, et que la partie soit absente lors de l'exécution, l'huissier de justice appose les scellés sur le coffre-fort loué et somme la partie d'assister à l'ouverture, aux jour et heure qu'il indique. La sommation est faite, si cela est possible, dans l'acte d'apposition des scellés.
Si aux jour et heure prévus, la partie saisie ne se présente pas, l'huissier procède à l'ouverture du coffre, comme il est dit à l'article 1504.
Si aux jour et heure prévus, la partie saisie ne se présente pas, l'huissier procède à l'ouverture du coffre, comme il est dit à l'article 1504.
Art.1506. Het proces-verbaal van beslaglegging bevat een nauwkeurige en omstandige beschrijving van de in beslag genomen voorwerpen, onder meer en naar gelang van het geval, door er de voornaamste kenmerken, het gewicht, de maat of de inhoud van aan te geven.
Indien er gereed geld is, wordt het getal en de muntsoort vermeld; de gerechtsdeurwaarder geeft het in bewaring ter plaatse bestemd voor consignaties; tenzij de beslaglegger en de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, alsmede eventueel zij die verzet doen, omtrent een andere bewaarnemer overeenkomen.
Indien er gereed geld is, wordt het getal en de muntsoort vermeld; de gerechtsdeurwaarder geeft het in bewaring ter plaatse bestemd voor consignaties; tenzij de beslaglegger en de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, alsmede eventueel zij die verzet doen, omtrent een andere bewaarnemer overeenkomen.
Art. 1506/1. [1 § 1er. Si parmi les biens saisis se trouve un véhicule automoteur, celui-ci peut être immobilisé par l'huissier de justice, lorsque l'objet du titre exécutoire concerne, en tout ou en partie, une infraction en matière de taxe de mise en circulation, de taxe de circulation, d'assurance véhicule automoteur obligatoire, ou de la circulation routière.
En cas d'immobilisation sur place du véhicule saisi, l'huissier de justice veille à ne pas contrevenir aux règles générales de stationnement en vigueur. En outre, si l'huissier de justice ne rencontre pas la partie signifiée, il appose, de façon visible, un avis explicatif indiquant ses coordonnées. Le modèle est établi par le Roi.
S'il le juge utile, l'huissier de justice fait procéder immédiatement, et en tous les cas le jour de son intervention, à l'enlèvement du véhicule saisi.
L'huissier de justice peut également user de cette mesure d'exécution lorsqu'il signifie un nouveau jour de vente.
§ 2. Pour l'application du présent article, il est fait exception au principe de conservation de la jouissance du bien saisi, tel que visé à l'article 1443, alinéa 1er.
§ 3. En cas de recours à la mesure mentionnée au § 1er, outre les indications reprises à l'article 1506, le procès-verbal de saisie (ou, le cas échéant, l'acte de fixation d'un nouveau jour de vente) détaille, en caractères très apparents, le sort du véhicule saisi.
§ 4. Le véhicule est immobilisé aux frais du débiteur, qu'il soit propriétaire du véhicule ou titulaire de la plaque d'immatriculation du véhicule.
L'immobilisation du véhicule n'est levée par l'huissier de justice qu'en cas de paiement complet de la dette et des frais, en cas d'entente entre parties, ou sur décision du juge des saisies.
Au plus tard dans les deux jours ouvrables de la levée de l'immobilisation du véhicule, l'huissier de justice procède à la remise du véhicule et est libre de dresser, sans frais, un procès-verbal de levée d'immobilisation dont il délivre une copie au débiteur.]1
En cas d'immobilisation sur place du véhicule saisi, l'huissier de justice veille à ne pas contrevenir aux règles générales de stationnement en vigueur. En outre, si l'huissier de justice ne rencontre pas la partie signifiée, il appose, de façon visible, un avis explicatif indiquant ses coordonnées. Le modèle est établi par le Roi.
S'il le juge utile, l'huissier de justice fait procéder immédiatement, et en tous les cas le jour de son intervention, à l'enlèvement du véhicule saisi.
L'huissier de justice peut également user de cette mesure d'exécution lorsqu'il signifie un nouveau jour de vente.
§ 2. Pour l'application du présent article, il est fait exception au principe de conservation de la jouissance du bien saisi, tel que visé à l'article 1443, alinéa 1er.
§ 3. En cas de recours à la mesure mentionnée au § 1er, outre les indications reprises à l'article 1506, le procès-verbal de saisie (ou, le cas échéant, l'acte de fixation d'un nouveau jour de vente) détaille, en caractères très apparents, le sort du véhicule saisi.
§ 4. Le véhicule est immobilisé aux frais du débiteur, qu'il soit propriétaire du véhicule ou titulaire de la plaque d'immatriculation du véhicule.
L'immobilisation du véhicule n'est levée par l'huissier de justice qu'en cas de paiement complet de la dette et des frais, en cas d'entente entre parties, ou sur décision du juge des saisies.
Au plus tard dans les deux jours ouvrables de la levée de l'immobilisation du véhicule, l'huissier de justice procède à la remise du véhicule et est libre de dresser, sans frais, un procès-verbal de levée d'immobilisation dont il délivre une copie au débiteur.]1
Art. 1506/1. [1 § 1. Wanneer zich onder de in beslag genomen goederen een motorrijtuig bevindt, kan de gerechtsdeurwaarder dat voertuig immobiliseren wanneer het voorwerp van de uitvoerbare titel geheel of deels betrekking heeft op een misdrijf inzake de belasting op de inverkeerstelling, de verkeersbelasting, de verplichte verzekering voor motorrijtuigen of het wegverkeer.
Wanneer het in beslag genomen voertuig ter plaatse wordt geïmmobiliseerd, ziet de gerechtsdeurwaarder erop toe dat de vigerende algemene parkeerregels niet worden overtreden. Als de gerechtsdeurwaarder bovendien geen contact heeft met de betekende partij, brengt hij een zichtbare toelichting aan, met vermelding van zijn contactgegevens. De Koning bepaalt het model ervan.
Als de gerechtsdeurwaarder het nuttig acht, kan hij onmiddellijk en in elk geval op de dag van zijn optreden, overgaan tot het takelen van het in beslag genomen voertuig.
De gerechtsdeurwaarder kan deze uitvoeringsmaatregel tevens aanwenden bij het betekenen van de nieuwe verkoopdag.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt afgeweken van het principe dat de schuldenaar het bij artikel 1443, eerste lid, bedoelde genot van het in beslag genomen goed behoudt.
§ 3. Indien de in § 1 bedoelde maatregel wordt toegepast, vermeldt het proces-verbaal van beslaglegging (of in voorkomend geval de akte tot bepaling van een nieuwe verkoopdag) naast hetgeen in artikel 1506 wordt aangegeven, ook de bestemming van het in beslag genomen voertuig, in zeer duidelijk lettertype.
§ 4. Het voertuig wordt geïmmobiliseerd op kosten van de schuldenaar, ongeacht of hij de eigenaar is van het voertuig, dan wel de houder van de nummerplaat ervan.
De gerechtsdeurwaarder heft de immobilisering van het voertuig alleen op nadat de schulden en de kosten volledig zijn betaald, nadat de partijen een overeenkomst hebben bereikt dan wel nadat de beslagrechter tot die opheffing heeft beslist.
Uiterlijk binnen twee werkdagen na de opheffing van de immobilisering van het voertuig gaat de gerechtsdeurwaarder over tot de vrijgave van het voertuig en kan hij kosteloos een proces-verbaal van opheffing van immobilisering opstellen, waarvan hij een afschrift aan de schuldenaar bezorgt.]1
Wanneer het in beslag genomen voertuig ter plaatse wordt geïmmobiliseerd, ziet de gerechtsdeurwaarder erop toe dat de vigerende algemene parkeerregels niet worden overtreden. Als de gerechtsdeurwaarder bovendien geen contact heeft met de betekende partij, brengt hij een zichtbare toelichting aan, met vermelding van zijn contactgegevens. De Koning bepaalt het model ervan.
Als de gerechtsdeurwaarder het nuttig acht, kan hij onmiddellijk en in elk geval op de dag van zijn optreden, overgaan tot het takelen van het in beslag genomen voertuig.
De gerechtsdeurwaarder kan deze uitvoeringsmaatregel tevens aanwenden bij het betekenen van de nieuwe verkoopdag.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt afgeweken van het principe dat de schuldenaar het bij artikel 1443, eerste lid, bedoelde genot van het in beslag genomen goed behoudt.
§ 3. Indien de in § 1 bedoelde maatregel wordt toegepast, vermeldt het proces-verbaal van beslaglegging (of in voorkomend geval de akte tot bepaling van een nieuwe verkoopdag) naast hetgeen in artikel 1506 wordt aangegeven, ook de bestemming van het in beslag genomen voertuig, in zeer duidelijk lettertype.
§ 4. Het voertuig wordt geïmmobiliseerd op kosten van de schuldenaar, ongeacht of hij de eigenaar is van het voertuig, dan wel de houder van de nummerplaat ervan.
De gerechtsdeurwaarder heft de immobilisering van het voertuig alleen op nadat de schulden en de kosten volledig zijn betaald, nadat de partijen een overeenkomst hebben bereikt dan wel nadat de beslagrechter tot die opheffing heeft beslist.
Uiterlijk binnen twee werkdagen na de opheffing van de immobilisering van het voertuig gaat de gerechtsdeurwaarder over tot de vrijgave van het voertuig en kan hij kosteloos een proces-verbaal van opheffing van immobilisering opstellen, waarvan hij een afschrift aan de schuldenaar bezorgt.]1
Art. 1506/1. [1 § 1er. Si parmi les biens saisis se trouve un véhicule automoteur, celui-ci peut être immobilisé par l'huissier de justice, lorsque l'objet du titre exécutoire concerne, en tout ou en partie, une infraction en matière de taxe de mise en circulation, de taxe de circulation, d'assurance véhicule automoteur obligatoire, ou de la circulation routière.
En cas d'immobilisation sur place du véhicule saisi, l'huissier de justice veille à ne pas contrevenir aux règles générales de stationnement en vigueur. En outre, si l'huissier de justice ne rencontre pas la partie signifiée, il appose, de façon visible, un avis explicatif indiquant ses coordonnées. Le modèle est établi par le Roi.
S'il le juge utile, l'huissier de justice fait procéder immédiatement, et en tous les cas le jour de son intervention, à l'enlèvement du véhicule saisi.
L'huissier de justice peut également user de cette mesure d'exécution lorsqu'il signifie un nouveau jour de vente.
§ 2. Pour l'application du présent article, il est fait exception au principe de conservation de la jouissance du bien saisi, tel que visé à l'article 1443, alinéa 1er.
§ 3. En cas de recours à la mesure mentionnée au § 1er, outre les indications reprises à l'article 1506, le procès-verbal de saisie (ou, le cas échéant, l'acte de fixation d'un nouveau jour de vente) détaille, en caractères très apparents, le sort du véhicule saisi.
§ 4. Le véhicule est immobilisé aux frais du débiteur, qu'il soit propriétaire du véhicule ou titulaire de la plaque d'immatriculation du véhicule.
L'immobilisation du véhicule n'est levée par l'huissier de justice qu'en cas de paiement complet de la dette et des frais, en cas d'entente entre parties, ou sur décision du juge des saisies.
Au plus tard dans les deux jours ouvrables de la levée de l'immobilisation du véhicule, l'huissier de justice procède à la remise du véhicule et est libre de dresser, sans frais, un procès-verbal de levée d'immobilisation dont il délivre une copie au débiteur.]1
En cas d'immobilisation sur place du véhicule saisi, l'huissier de justice veille à ne pas contrevenir aux règles générales de stationnement en vigueur. En outre, si l'huissier de justice ne rencontre pas la partie signifiée, il appose, de façon visible, un avis explicatif indiquant ses coordonnées. Le modèle est établi par le Roi.
S'il le juge utile, l'huissier de justice fait procéder immédiatement, et en tous les cas le jour de son intervention, à l'enlèvement du véhicule saisi.
L'huissier de justice peut également user de cette mesure d'exécution lorsqu'il signifie un nouveau jour de vente.
§ 2. Pour l'application du présent article, il est fait exception au principe de conservation de la jouissance du bien saisi, tel que visé à l'article 1443, alinéa 1er.
§ 3. En cas de recours à la mesure mentionnée au § 1er, outre les indications reprises à l'article 1506, le procès-verbal de saisie (ou, le cas échéant, l'acte de fixation d'un nouveau jour de vente) détaille, en caractères très apparents, le sort du véhicule saisi.
§ 4. Le véhicule est immobilisé aux frais du débiteur, qu'il soit propriétaire du véhicule ou titulaire de la plaque d'immatriculation du véhicule.
L'immobilisation du véhicule n'est levée par l'huissier de justice qu'en cas de paiement complet de la dette et des frais, en cas d'entente entre parties, ou sur décision du juge des saisies.
Au plus tard dans les deux jours ouvrables de la levée de l'immobilisation du véhicule, l'huissier de justice procède à la remise du véhicule et est libre de dresser, sans frais, un procès-verbal de levée d'immobilisation dont il délivre une copie au débiteur.]1
Art.1507. Indien de beslagene afwezig is en een meubel moet worden opengebroken, kan de gerechtsdeurwaarder optreden zoals in artikel 1504 is voorgeschreven.
Art. 1507. Si le saisi est absent et que l'ouverture d'un meuble nécessite sa fracture, l'huissier de justice peut procéder ainsi qu'il est dit à l'article 1504.
Art.1508. De gerechtsdeurwaarder kan met een enkel proces-verbaal beslag leggen in verschillende plaatsen.
Art.1509. En cas de saisie d'animaux, ustensiles, outils et machines servant à l'exploitation des terres, d'une industrie ou d'un commerce, le juge peut, sur la demande du saisissant, établir un gérant à l'exploitation.
Art.1509. Indien beslag wordt gelegd op dieren, gereedschappen, werktuigen en machines die voor de landbouw, een nijverheids- of handelsonderneming dienen, kan de rechter, op verzoek van de beslaglegger, een zaakvoerder aanstellen voor het bedrijf.
Art.1510. L'huissier de justice peut vérifier, chaque fois qu'il le juge utile ou qu'il en est requis par le saisissant, l'existence des objets saisis et leur état.
L'huissier de justice constate le résultat de cette vérification au pied du procès-verbal de saisie, tant sur l'original que sur la copie. Si la copie n'est pas produite, il en est fait mention sur l'original.
L'huissier de justice constate le résultat de cette vérification au pied du procès-verbal de saisie, tant sur l'original que sur la copie. Si la copie n'est pas produite, il en est fait mention sur l'original.
Art.1510. Telkens als hij het dienstig acht of door de beslaglegger erom verzocht wordt, kan de gerechtsdeurwaarder zich van het bestaan der in beslag genomen voorwerpen en van hun staat vergewissen.
De gerechtsdeurwaarder stelt de uitslag van dit onderzoek vast onderaan op het proces-verbaal van beslaglegging, zowel op het origineel als op het afschrift. Wordt het afschrift niet overgelegd, dan wordt daarvan melding gemaakt op het origineel.
De gerechtsdeurwaarder stelt de uitslag van dit onderzoek vast onderaan op het proces-verbaal van beslaglegging, zowel op het origineel als op het afschrift. Wordt het afschrift niet overgelegd, dan wordt daarvan melding gemaakt op het origineel.
Art. 1510. L'huissier de justice peut vérifier, chaque fois qu'il le juge utile ou qu'il en est requis par le saisissant, l'existence des objets saisis et leur état.
L'huissier de justice constate le résultat de cette vérification au pied du procès-verbal de saisie, tant sur l'original que sur la copie. Si la copie n'est pas produite, il en est fait mention sur l'original.
L'huissier de justice constate le résultat de cette vérification au pied du procès-verbal de saisie, tant sur l'original que sur la copie. Si la copie n'est pas produite, il en est fait mention sur l'original.
Art.1511. In het proces-verbaal van beslaglegging worden plaats, dag en uur van de verkoop aangegeven.
[1 De verkoop vindt plaats ofwel op fysieke wijze, ofwel op elektronische wijze, ofwel middels een combinatie van beide, zoals bepaald in artikel 1522.]1
[1 De verkoop vindt plaats ofwel op fysieke wijze, ofwel op elektronische wijze, ofwel middels een combinatie van beide, zoals bepaald in artikel 1522.]1
Art.1512. (Si la saisie est faite au domicile du débiteur saisi ou en sa présence, la copie du procès-verbal lui est laissée sur-le-champ, signée des personnes qui ont signé l'original; si le débiteur saisi est absent, copie est remise ou déposée conformément aux articles 35 et 38; la personne à qui l'huissier de justice a fait appel conformément à l'article 1504 vise le procès-verbal sans frais.) <L 1985-05-24/30, art. 6, 003>
Si la saisie est faite hors du domicile et en l'absence du débiteur saisi, la copie du procès-verbal lui est signifiée; la saisie ne lui est opposable qu'à partir de cette signification, d'où court pareillement le délai pour la vente.
Si la saisie est faite hors du domicile et en l'absence du débiteur saisi, la copie du procès-verbal lui est signifiée; la saisie ne lui est opposable qu'à partir de cette signification, d'où court pareillement le délai pour la vente.
Art.1512. (Wordt het beslag gelegd in de woonplaats van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt of in zijn tegenwoordigheid, dan wordt hem terstond een afschrift van het proces-verbaal gelaten, ondertekend door hen die het origineel hebben ondertekend; is de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt afwezig, dan wordt een afschrift ter hand gesteld of achtergelaten overeenkomstig de artikelen 35 en 38; de persoon op wie de gerechtsdeurwaarder overeenkomstig artikel 1504 een beroep heeft gedaan, tekent het proces-verbaal kosteloos voor gezien.) <W 1985-05-24/30, art. 6, 003>
Wordt het beslag gelegd buiten de woonplaats en in afwezigheid van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, dan wordt hem een afschrift van het proces-verbaal betekend; het beslag kan tegen hem niet worden ingeroepen dan vanaf die betekening en de termijn voor de verkoop gaat eveneens dan in.
Wordt het beslag gelegd buiten de woonplaats en in afwezigheid van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, dan wordt hem een afschrift van het proces-verbaal betekend; het beslag kan tegen hem niet worden ingeroepen dan vanaf die betekening en de termijn voor de verkoop gaat eveneens dan in.
Art. 1512. (Si la saisie est faite au domicile du débiteur saisi ou en sa présence, la copie du procès-verbal lui est laissée sur-le-champ, signée des personnes qui ont signé l'original; si le débiteur saisi est absent, copie est remise ou déposée conformément aux articles 35 et 38; la personne à qui l'huissier de justice a fait appel conformément à l'article 1504 vise le procès-verbal sans frais.) <L 1985-05-24/30, art. 6, 003>
Si la saisie est faite hors du domicile et en l'absence du débiteur saisi, la copie du procès-verbal lui est signifiée; la saisie ne lui est opposable qu'à partir de cette signification, d'où court pareillement le délai pour la vente.
Si la saisie est faite hors du domicile et en l'absence du débiteur saisi, la copie du procès-verbal lui est signifiée; la saisie ne lui est opposable qu'à partir de cette signification, d'où court pareillement le délai pour la vente.
Art.1513. De vervolging wordt voortgezet ondanks alle bezwaren van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, en totdat de beslagrechter voor wie zij worden gebracht, heeft beschikt.
Art.1514. <L 2000-05-29/36, art. 9, 035; En vigueur : 29-01-2011> Celui qui se prétend propriétaire de tout ou partie des objets saisis peut s'opposer à la vente par exploit signifié au saisissant, au débiteur saisi et à l'huissier de justice et contenant citation du saisissant et du débiteur saisi, avec énonciation dans l'exploit des preuves de propriété, à peine de nullité. [1 Sont également mentionnés dans l'exploit, les autres saisissants ayant également pratiqué une saisie sur ces objets, y compris toutes les données pertinentes pour la convocation visée à l'alinéa 3.]1
La demande est suspensive de la poursuite (uniquement en ce qui concerne les biens revendiqués). Il y sera statué par le juge des saisies. <L 2003-03-27/65, art. 3, 043; En vigueur : 29-01-2011>
Le greffier notifiera sous pli judiciaire aux éventuels autres saisissants, [1 mentionnés dans la citation]1 pour les mettre à la cause, une copie de la citation avec invitation à comparaître. [1 Les personnes convoquées de cette façon par pli judiciaire deviennent ainsi parties à la cause, sauf si elles s'y opposent à l'audience. Le greffier en avise également les parties dans le pli judiciaire.]1
Le jugement est réputé contradictoire à l'égard de toutes les parties. Le réclamant qui succombe est condamné, s'il y a lieu, aux dommages et intérêts du saisissant.
L'huissier de justice auquel la revendication a été signifiée en informe, au plus tard le premier jour ouvrable suivant, le fichier des avis qui complète l'avis de saisie concerné en y mentionnant l'incident, l'identité de la partie revendiquante et, le cas échéant, celle de son conseil ainsi que le juge qui en est saisi.
Le greffe de la juridiction saisie adresse au fichier des avis, au plus tard le premier jour ouvrable suivant sa prononciation, le dispositif de tout jugement ou arrêt statuant sur la demande afin que le fichier des avis indique sur l'avis de saisie concerné le sort réservé à l'action en revendication.
La demande est suspensive de la poursuite (uniquement en ce qui concerne les biens revendiqués). Il y sera statué par le juge des saisies. <L 2003-03-27/65, art. 3, 043; En vigueur : 29-01-2011>
Le greffier notifiera sous pli judiciaire aux éventuels autres saisissants, [1 mentionnés dans la citation]1 pour les mettre à la cause, une copie de la citation avec invitation à comparaître. [1 Les personnes convoquées de cette façon par pli judiciaire deviennent ainsi parties à la cause, sauf si elles s'y opposent à l'audience. Le greffier en avise également les parties dans le pli judiciaire.]1
Le jugement est réputé contradictoire à l'égard de toutes les parties. Le réclamant qui succombe est condamné, s'il y a lieu, aux dommages et intérêts du saisissant.
L'huissier de justice auquel la revendication a été signifiée en informe, au plus tard le premier jour ouvrable suivant, le fichier des avis qui complète l'avis de saisie concerné en y mentionnant l'incident, l'identité de la partie revendiquante et, le cas échéant, celle de son conseil ainsi que le juge qui en est saisi.
Le greffe de la juridiction saisie adresse au fichier des avis, au plus tard le premier jour ouvrable suivant sa prononciation, le dispositif de tout jugement ou arrêt statuant sur la demande afin que le fichier des avis indique sur l'avis de saisie concerné le sort réservé à l'action en revendication.
Änderungen
Art.1514. <W 2000-05-29/36, art. 9, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011> Degene die beweert eigenaar te zijn van het geheel of een gedeelte van de in beslag genomen voorwerpen, kan tegen de verkoop verzet doen bij exploot, betekend aan de beslaglegger, aan de beslagen schuldenaar en aan de gerechtsdeurwaarder, en houdende dagvaarding van de beslaglegger en van de beslagen schuldenaar, met vermelding in het exploot van de bewijzen van eigendom, op straffe van nietigheid. [1 In het exploot worden ook de andere beslagleggers die eveneens op deze goederen beslag hebben gelegd, vermeld met alle relevante gegevens voor de in het derde lid bedoelde oproeping.]1
De vordering schorst de vervolging (enkel wat betreft de gerecidiveerde goederen). Er wordt uitspraak over gedaan door de beslagrechter. <W 2003-03-27/65, art. 3, 043; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
De griffier geeft de eventuele andere [1 in de dagvaarding vermelde]1 beslagleggers bij gerechtsbrief kennis van een afschrift van de dagvaarding, met uitnodiging om te verschijnen, teneinde hen in de zaak te betrekken.
Het vonnis wordt geacht ten aanzien van alle partijen op tegenspraak te zijn gewezen. De in het ongelijk gestelde eiser wordt indien daartoe grond bestaat, veroordeeld tot schadevergoeding aan de beslaglegger. [1 De personen die bij gerechtsbrief alzo worden opgeroepen, worden aldus partij in het geding, tenzij ze zich ter zitting hiertegen verzetten. Van deze bepaling geeft de griffier eveneens kennis in de gerechtsbrief.]1
De gerechtsdeurwaarder aan wie de revindicatie betekend werd, stelt het bestand van berichten daarvan ten laatste op de eerstvolgende werkdag in kennis, zodat het betrokken bericht van beslag kan worden vervolledigd met de vermelding van het tussengeschil, de identiteit van de revindicerende partij en in voorkomend geval haar raadsman, alsook van de rechter bij wie de revindicatie aanhangig is gemaakt.
De griffie van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, zendt ten laatste op de eerste werkdag volgend op de uitspraak aan het bestand van berichten het beschikkend gedeelte van elk vonnis of arrest dat uitspraak doet over de vordering opdat het bestand van berichten op het betrokken bericht van beslag zou vermelden welk gevolg gegeven is aan de vordering tot revindicatie.
De vordering schorst de vervolging (enkel wat betreft de gerecidiveerde goederen). Er wordt uitspraak over gedaan door de beslagrechter. <W 2003-03-27/65, art. 3, 043; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
De griffier geeft de eventuele andere [1 in de dagvaarding vermelde]1 beslagleggers bij gerechtsbrief kennis van een afschrift van de dagvaarding, met uitnodiging om te verschijnen, teneinde hen in de zaak te betrekken.
Het vonnis wordt geacht ten aanzien van alle partijen op tegenspraak te zijn gewezen. De in het ongelijk gestelde eiser wordt indien daartoe grond bestaat, veroordeeld tot schadevergoeding aan de beslaglegger. [1 De personen die bij gerechtsbrief alzo worden opgeroepen, worden aldus partij in het geding, tenzij ze zich ter zitting hiertegen verzetten. Van deze bepaling geeft de griffier eveneens kennis in de gerechtsbrief.]1
De gerechtsdeurwaarder aan wie de revindicatie betekend werd, stelt het bestand van berichten daarvan ten laatste op de eerstvolgende werkdag in kennis, zodat het betrokken bericht van beslag kan worden vervolledigd met de vermelding van het tussengeschil, de identiteit van de revindicerende partij en in voorkomend geval haar raadsman, alsook van de rechter bij wie de revindicatie aanhangig is gemaakt.
De griffie van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, zendt ten laatste op de eerste werkdag volgend op de uitspraak aan het bestand van berichten het beschikkend gedeelte van elk vonnis of arrest dat uitspraak doet over de vordering opdat het bestand van berichten op het betrokken bericht van beslag zou vermelden welk gevolg gegeven is aan de vordering tot revindicatie.
Art. 1514. <L 2000-05-29/36, art. 9, 035; En vigueur : 29-01-2011> Celui qui se prétend propriétaire de tout ou partie des objets saisis peut s'opposer à la vente par exploit signifié au saisissant, au débiteur saisi et à l'huissier de justice et contenant citation du saisissant et du débiteur saisi, avec énonciation dans l'exploit des preuves de propriété, à peine de nullité. [1 Sont également mentionnés dans l'exploit, les autres saisissants ayant également pratiqué une saisie sur ces objets, y compris toutes les données pertinentes pour la convocation visée à l'alinéa 3.]1
La demande est suspensive de la poursuite (uniquement en ce qui concerne les biens revendiqués). Il y sera statué par le juge des saisies. <L 2003-03-27/65, art. 3, 043; En vigueur : 29-01-2011>
Le greffier notifiera sous pli judiciaire aux éventuels autres saisissants, [1 mentionnés dans la citation]1 pour les mettre à la cause, une copie de la citation avec invitation à comparaître. [1 Les personnes convoquées de cette façon par pli judiciaire deviennent ainsi parties à la cause, sauf si elles s'y opposent à l'audience. Le greffier en avise également les parties dans le pli judiciaire.]1
Le jugement est réputé contradictoire à l'égard de toutes les parties. Le réclamant qui succombe est condamné, s'il y a lieu, aux dommages et intérêts du saisissant.
L'huissier de justice auquel la revendication a été signifiée en informe, au plus tard le premier jour ouvrable suivant, le fichier des avis qui complète l'avis de saisie concerné en y mentionnant l'incident, l'identité de la partie revendiquante et, le cas échéant, celle de son conseil ainsi que le juge qui en est saisi.
Le greffe de la juridiction saisie adresse au fichier des avis, au plus tard le premier jour ouvrable suivant sa prononciation, le dispositif de tout jugement ou arrêt statuant sur la demande afin que le fichier des avis indique sur l'avis de saisie concerné le sort réservé à l'action en revendication.
La demande est suspensive de la poursuite (uniquement en ce qui concerne les biens revendiqués). Il y sera statué par le juge des saisies. <L 2003-03-27/65, art. 3, 043; En vigueur : 29-01-2011>
Le greffier notifiera sous pli judiciaire aux éventuels autres saisissants, [1 mentionnés dans la citation]1 pour les mettre à la cause, une copie de la citation avec invitation à comparaître. [1 Les personnes convoquées de cette façon par pli judiciaire deviennent ainsi parties à la cause, sauf si elles s'y opposent à l'audience. Le greffier en avise également les parties dans le pli judiciaire.]1
Le jugement est réputé contradictoire à l'égard de toutes les parties. Le réclamant qui succombe est condamné, s'il y a lieu, aux dommages et intérêts du saisissant.
L'huissier de justice auquel la revendication a été signifiée en informe, au plus tard le premier jour ouvrable suivant, le fichier des avis qui complète l'avis de saisie concerné en y mentionnant l'incident, l'identité de la partie revendiquante et, le cas échéant, celle de son conseil ainsi que le juge qui en est saisi.
Le greffe de la juridiction saisie adresse au fichier des avis, au plus tard le premier jour ouvrable suivant sa prononciation, le dispositif de tout jugement ou arrêt statuant sur la demande afin que le fichier des avis indique sur l'avis de saisie concerné le sort réservé à l'action en revendication.
Änderungen
Art.1515. Zij die uit welken hoofde ook, zelfs wegens huurgelden, schuldeiser zijn van de beslagene, kunnen geen verzet doen dan tegen de afgifte van de verkoopprijs.
Zij die verzet doen worden niet voor de verkoop opgeroepen.
Zij die verzet doen worden niet voor de verkoop opgeroepen.
Art.1516. (La vente est annoncée au moins trois jours ouvrables auparavant par un placard, affiché de manière visible de l'extérieur, à l'endroit où aura lieu la vente. Dans le même délai, un exemplaire supplémentaire de ce placard est remis par l'huissier de justice au débiteur en personne ou, si ce n'est pas possible, déposé à son domicile sous enveloppe fermée portant les indications prévues à l'article 44, alinéa premier. Toutefois, cet exemplaire supplémentaire ne peut être signifié au débiteur.) <L 1999-05-07/56, art. 2, 032; En vigueur : 12-07-1999>
La vente est en outre annoncée [1 par la voie électronique ou]1 par la voie des journaux, dans les villes où il y en a. L'annonce ne peut être insérée que deux fois au plus dans le même journal, ou une fois dans deux journaux différents, à peine de ne point entrer en taxe au delà, sauf autorisation demandée au juge par requête présentée et signée par un avocat ou un huissier de justice.
[1 Le Roi détermine les modalités pour l'annonciation de la vente par voie électronique.]1
La vente est en outre annoncée [1 par la voie électronique ou]1 par la voie des journaux, dans les villes où il y en a. L'annonce ne peut être insérée que deux fois au plus dans le même journal, ou une fois dans deux journaux différents, à peine de ne point entrer en taxe au delà, sauf autorisation demandée au juge par requête présentée et signée par un avocat ou un huissier de justice.
[1 Le Roi détermine les modalités pour l'annonciation de la vente par voie électronique.]1
Art.1516. (De verkoop wordt ten minste drie werkdagen tevoren bekendgemaakt door middel van een aanplakbiljet, zo aangeslagen dat het van buiten zichtbaar is, op de plaats waar de verkoop zal worden gehouden. Een bijkomend exemplaar ervan wordt, met inachtneming van dezelfde termijn, afgegeven door de gerechtsdeurwaarder aan de persoon van de schuldenaar, of, indien dit niet mogelijk blijkt, aan diens woonplaats achtergelaten onder gesloten omslag, met de vermeldingen bepaald in artikel 44, eerste lid. Dit bijkomend exemplaar mag aan de schuldenaar evenwel niet worden betekend.) <W 1999-05-07/56, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 12-07-1999>
De verkoop wordt bovendien bekendgemaakt [1 op elektronische wijze of]1 door middel van de nieuwsbladen, in de steden waar er zijn. De bekendmaking mag ten hoogste tweemaal in hetzelfde blad of eenmaal in twee verschillende bladen worden opgenomen, op straffe van niet-opneming van het hogere bedrag in de begroting, behoudens toelating, aan de rechter aangevraagd bij een verzoekschrift ingediend en ondertekend door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder.
[1 De Koning bepaalt de modaliteiten voor de bekendmaking van de verkoop op elektronische wijze.]1
De verkoop wordt bovendien bekendgemaakt [1 op elektronische wijze of]1 door middel van de nieuwsbladen, in de steden waar er zijn. De bekendmaking mag ten hoogste tweemaal in hetzelfde blad of eenmaal in twee verschillende bladen worden opgenomen, op straffe van niet-opneming van het hogere bedrag in de begroting, behoudens toelating, aan de rechter aangevraagd bij een verzoekschrift ingediend en ondertekend door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder.
[1 De Koning bepaalt de modaliteiten voor de bekendmaking van de verkoop op elektronische wijze.]1
Art. 1516. (La vente est annoncée au moins trois jours ouvrables auparavant par un placard, affiché de manière visible de l'extérieur, à l'endroit où aura lieu la vente. Dans le même délai, un exemplaire supplémentaire de ce placard est remis par l'huissier de justice au débiteur en personne ou, si ce n'est pas possible, déposé à son domicile sous enveloppe fermée portant les indications prévues à l'article 44, alinéa premier. Toutefois, cet exemplaire supplémentaire ne peut être signifié au débiteur.) <L 1999-05-07/56, art. 2, 032; En vigueur : 12-07-1999>
La vente est en outre annoncée [1 par la voie électronique ou]1 par la voie des journaux, dans les villes où il y en a. L'annonce ne peut être insérée que deux fois au plus dans le même journal, ou une fois dans deux journaux différents, à peine de ne point entrer en taxe au delà, sauf autorisation demandée au juge par requête présentée et signée par un avocat ou un huissier de justice.
[1 Le Roi détermine les modalités pour l'annonciation de la vente par voie électronique.]1
La vente est en outre annoncée [1 par la voie électronique ou]1 par la voie des journaux, dans les villes où il y en a. L'annonce ne peut être insérée que deux fois au plus dans le même journal, ou une fois dans deux journaux différents, à peine de ne point entrer en taxe au delà, sauf autorisation demandée au juge par requête présentée et signée par un avocat ou un huissier de justice.
[1 Le Roi détermine les modalités pour l'annonciation de la vente par voie électronique.]1
Art.1517. (Het aanplakbiljet vermeldt) plaats, dag en uur van de verkoop, alsook de aard van de voorwerpen zonder vermelding van nadere bijzonderheden. <W 1999-05-07/56, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 12-07-1999>
(Noch het aanplakbiljet, noch de bekendmaking vermelden de identiteit van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt.) <W 1999-05-07/56, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 12-07-1999>
(Noch het aanplakbiljet, noch de bekendmaking vermelden de identiteit van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt.) <W 1999-05-07/56, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 12-07-1999>
Art. 1517. (Le placard indique) les lieu, jour et heure de la vente, et la nature des objets, sans détail particulier. <L 1999-05-07/56, art. 3, 032; En vigueur : 12-07-1999>
(Ni le placard, ni la publicité ne font mention de l'identité du débiteur saisi.) <L 1999-05-07/56, art. 3, 032; En vigueur : 12-07-1999>
(Ni le placard, ni la publicité ne font mention de l'identité du débiteur saisi.) <L 1999-05-07/56, art. 3, 032; En vigueur : 12-07-1999>
Art.1518. <W 1999-05-07/56, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 12-07-1999> De aanslag van het biljet en de afgifte of de achterlating van het bijkomend exemplaar ervan worden in één enkel proces-verbaal vastgesteld, wanneer deze aanslag en deze afgifte of deze achterlating in hetzelfde gerechtelijk arrondissement gebeuren.
Art.1519. Les objets d'art d'une valeur de (500 EUR) au moins ne peuvent être vendus [1 , physiquement ou électroniquement,]1 qu'après apposition (du placard) et publication dans les journaux, tel qu'il est prévu à l'article 1516, et une exposition préalable, soit à l'endroit où ils seront mis en vente, soit au lieu déterminé, sur requête présentée et signée par un avocat ou un huissier de justice, par le juge [1 , soit de manière électronique]1. <L 1999-05-07/56, art. 5, 032; En vigueur : 12-07-1999> <AR 2000-07-20/58, art. 2, 037; En vigueur : 01-01-2002>
Art.1519. Kunstvoorwerpen ter waarde van ten minste (500 EUR) mogen niet worden verkocht [1 , op fysieke of elektronische wijze,]1 dan na aanslag van (het biljet) en bekendmaking in de nieuwsbladen, zoals bepaald in artikel 1516, en na voorafgaande uitstalling, hetzij op de plaats waar zij zullen worden te koop gesteld, hetzij op de plaats die de rechter bepaalt, op verzoekschrift ingediend en ondertekend door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder [1 , hetzij op elektronische wijze]1. <W 1999-05-07/56, art. 5, 032; Inwerkingtreding : 12-07-1999> <KB 2000-07-20/58, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 1519. Les objets d'art d'une valeur de (500 EUR) au moins ne peuvent être vendus [1 , physiquement ou électroniquement,]1 qu'après apposition (du placard) et publication dans les journaux, tel qu'il est prévu à l'article 1516, et une exposition préalable, soit à l'endroit où ils seront mis en vente, soit au lieu déterminé, sur requête présentée et signée par un avocat ou un huissier de justice, par le juge [1 , soit de manière électronique]1. <L 1999-05-07/56, art. 5, 032; En vigueur : 12-07-1999> <AR 2000-07-20/58, art. 2, 037; En vigueur : 01-01-2002>
Art.1520. <W 1993-01-14/34, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02> Er moet ten minste één maand verlopen tussen de overhandiging van het afschrift van het proces-verbaal van beslaglegging of, in voorkomend geval, van de betekening van het beslag aan de schuldenaar en de verkoop.
In geval van omzetting van een bewarend beslag in een uitvoerend beslag, moet er ten minste één maand verlopen tussen het bevel dat bedoeld wordt in artikel 1497 en de verkoop.
In geval van omzetting van een bewarend beslag in een uitvoerend beslag, moet er ten minste één maand verlopen tussen het bevel dat bedoeld wordt in artikel 1497 en de verkoop.
Art. 1520. <L 1993-01-14/34, art. 13, 011; En vigueur : 1993-03-02> Il y aura au moins un mois entre la remise de la copie du procès-verbal de saisie ou, s'il échet, de la signification de la saisie au débiteur et la vente.
En cas de conversion de saisie conservatoire en saisie-exécution, il y aura au moins un mois entre le commandement visé à l'article 1497 et la vente.
En cas de conversion de saisie conservatoire en saisie-exécution, il y aura au moins un mois entre le commandement visé à l'article 1497 et la vente.
Art.1521. Indien de verkoop plaatsheeft op een andere dag dan in de betekening is vermeld, wordt de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, daartoe bij deurwaardersexploot of bij aangetekende brief ten minste [1 tien]1 werkdagen vóór de verkoop opgeroepen.
Art.1522. (La vente est faite en une salle de vente des huissiers de justice de l'arrondissement ou, à défaut d'existence d'une telle salle, dans un rayon à fixer par la chambre d'arrondissement des huissiers de justice, au marché public le plus voisin, aux jour et heure ordinaires des marchés ou un dimanche; pourra néanmoins le juge autoriser, sur requête présentée et signée par un avocat ou un huissier de justice, la vente des effets en un autre lieu plus avantageux [1 , ou sous forme électronique moyennant l'identification du candidat-acheteur]1. <L 28-06-1974, art. 1>
Les objets dont il est question à l'article 1519 ne peuvent être vendus au marché public.
[1 Le Roi détermine les modalités pour la vente par voie électronique.]1
Les objets dont il est question à l'article 1519 ne peuvent être vendus au marché public.
[1 Le Roi détermine les modalités pour la vente par voie électronique.]1
Art.1522. (De verkoop heeft plaats in een veilingzaal van de gerechtsdeurwaarders van het arrondissement of, wanneer zulk een zaal niet bestaat binnen een door de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders te bepalen straal, op de dichtsbijgelegen openbare markt, op de gewone dag en op het gewone uur van de markten of op een zondag [1 , of op elektronische wijze mits identificatie van de kandidaat-koper]1. De rechter kan evenwel op verzoekschrift, ingediend en ondertekend door een advokaat of een gerechtsdeurwaarder, toestemming verlenen de goederen op een geschikter plaats te verkopen.) <W 28-06-1974, art. 1>
De voorwerpen waarvan sprake is in artikel 1519 mogen niet op de openbare markt worden verkocht.
[1 De Koning bepaalt de modaliteiten voor de verkoop op elektronische wijze.]1
De voorwerpen waarvan sprake is in artikel 1519 mogen niet op de openbare markt worden verkocht.
[1 De Koning bepaalt de modaliteiten voor de verkoop op elektronische wijze.]1
Art. 1522. (La vente est faite en une salle de vente des huissiers de justice de l'arrondissement ou, à défaut d'existence d'une telle salle, dans un rayon à fixer par la chambre d'arrondissement des huissiers de justice, au marché public le plus voisin, aux jour et heure ordinaires des marchés ou un dimanche; pourra néanmoins le juge autoriser, sur requête présentée et signée par un avocat ou un huissier de justice, la vente des effets en un autre lieu plus avantageux [1 , ou sous forme électronique moyennant l'identification du candidat-acheteur]1. <L 28-06-1974, art. 1>
Les objets dont il est question à l'article 1519 ne peuvent être vendus au marché public.
[1 Le Roi détermine les modalités pour la vente par voie électronique.]1
Les objets dont il est question à l'article 1519 ne peuvent être vendus au marché public.
[1 Le Roi détermine les modalités pour la vente par voie électronique.]1
Art.1523. [1 In het geval van financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een handelsplatform of deviezen, is de gerechtsdeurwaarder gemachtigd om een verkooporder te geven aan de betrokken financiële tussenpersoon. Deze voert het order uit of geeft het door overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen.]1
Art.1524. [1 § 1er. S'il ressort de la consultation du fichier des avis, conformément à l'article 1391, § 2, que le débiteur a fait l'objet d'au moins une saisie-exécution mobilière, tout créancier en possession d'un titre exécutoire en vertu duquel un commandement de payer a été signifié, procède conformément au présent article, à défaut de quoi l'article 866 peut être invoqué.
Sans préjudice de la compétence du juge des saisies, la Chambre nationale assure le contrôle du présent article par l'intermédiaire du registre visé à l'article 32quater/2.
§ 2. L'huissier de justice désigné par le créancier interroge l'huissier de justice qui a pratiqué la saisie antérieure et requiert, le cas échéant, l'extrait de saisie-exécution mobilière antérieure.
Cet extrait est délivré dans un délai de cinq jours ouvrables à compter de la réception de la requête, par voie électronique, par l'huissier de justice qui a pratiqué la saisie.
L'extrait délivré contient les mentions suivantes:
1° la date à laquelle l'extrait a été établi;
2° les nom et prénoms de l'huissier de justice qui a procédé à la saisie et l'adresse de son étude;
3° la date à laquelle la saisie a été effectuée;
4° le lieu où la saisie a été effectuée;
5° la liste détaillée et complète des biens saisis;
6° les références du titre exécutoire pour lequel l'extrait a été délivré;
7° la signature de l'huissier de justice qui délivre l'extrait.
Les huissiers de justice qui ont signifié la saisie sont obligés de tenir un registre avec suite de numéros où sont consignés les extraits qu'ils délivrent conformément à l'alinéa 1er.
L'huissier de justice joint à chaque saisie-exécution mobilière une fiche informative dont le modèle est fixé par le Roi. La fiche informative mentionne les circonstances dans lesquelles la saisie a été effectuée et détaille la nature et l'étendue des biens saisis. Cette information est uniquement communiquée entre les huissiers de justice instrumentant.
L'huissier de justice joint à l'extrait la fiche informative visée à l'alinéa 5.
La communication visée au présent paragraphe est facilitée au moyen d'un canal sécurisé, créé et géré par la Chambre nationale.
§ 3. Muni de l'extrait transmis, conformément au paragraphe 2 et sous réserve de l'application du paragraphe 4, l'huissier de justice procède à l'exécution du titre en signifiant un nouveau jour de vente sous la forme d'un exploit de saisie rendue commune.
La saisie rendue commune est signifiée sur la base d'un extrait d'une saisie qui ne peut pas avoir plus de trois ans, qui ne peut pas avoir été levée ou attaquée en droit et dans le cadre de laquelle il n'a pas été recouru au cantonnement visé à l'article 1404. L'extrait ne peut être utilisé que pour l'exécution du titre pour lequel il est demandé.
Toutes les conditions visées à l'alinéa 2 doivent être remplies au moment de la délivrance de l'extrait. L'acte de saisie rendue commune doit mentionner, à peine de nullité, que le jour de la vente est déterminé sur la base d'un extrait d'une saisie antérieure, mentionnant les conditions visées à l'alinéa 2. L'huissier de justice est tenu de signifier l'extrait, à peine de nullité. Un délai d'au moins un mois doit s'écouler entre la signification de la saisie rendue commune et la date de vente.
Dans les trois jours ouvrables suivant la signification de la saisie rendue commune, l'huissier de justice envoie, sous sa propre responsabilité, un avis de saisie rendue commune au fichier des avis.
§ 4. Muni de l'extrait transmis, conformément au paragraphe 2, et moyennant une raison fondée qui ressort de la fiche informative visée au paragraphe 2 ou d'éléments nouveaux dont dispose l'huissier de justice et qu'il précise à son tour dans une fiche informative telle que visée au paragraphe 2, alinéa 5, l'huissier de justice peut procéder à l'exécution du titre en signifiant une saisie par récolement et extension.
La saisie par récolement et extension est signifiée sur la base d'un extrait d'une saisie non encore levée et non attaquée en droit. L'huissier de justice compare les biens meubles concernés par la saisie précédente et étend la saisie aux biens qui n'y avaient pas été inclus.
Toutes les conditions visées au paragraphe 3, alinéa 2, doivent être remplies au moment de la délivrance de l'extrait. Un délai d'au moins un mois doit s'écouler entre la signification de la saisie par récolement et extension et la date de la vente.
Dans les trois jours ouvrables suivant la signification de la saisie par récolement et extension, l'huissier de justice envoie, sous sa propre responsabilité, un avis de saisie visé à l'article 1390, § 1er, au fichier des avis.
§ 5. L'avis de saisie rendue commune et l'avis de saisie par récolement et extension produisent leurs effets jusqu'au moment de leur suppression, conformément à l'article 1390septies, alinéas 4 et 5, étant entendu que le juge règle les litiges, le cas échéant.]1
Sans préjudice de la compétence du juge des saisies, la Chambre nationale assure le contrôle du présent article par l'intermédiaire du registre visé à l'article 32quater/2.
§ 2. L'huissier de justice désigné par le créancier interroge l'huissier de justice qui a pratiqué la saisie antérieure et requiert, le cas échéant, l'extrait de saisie-exécution mobilière antérieure.
Cet extrait est délivré dans un délai de cinq jours ouvrables à compter de la réception de la requête, par voie électronique, par l'huissier de justice qui a pratiqué la saisie.
L'extrait délivré contient les mentions suivantes:
1° la date à laquelle l'extrait a été établi;
2° les nom et prénoms de l'huissier de justice qui a procédé à la saisie et l'adresse de son étude;
3° la date à laquelle la saisie a été effectuée;
4° le lieu où la saisie a été effectuée;
5° la liste détaillée et complète des biens saisis;
6° les références du titre exécutoire pour lequel l'extrait a été délivré;
7° la signature de l'huissier de justice qui délivre l'extrait.
Les huissiers de justice qui ont signifié la saisie sont obligés de tenir un registre avec suite de numéros où sont consignés les extraits qu'ils délivrent conformément à l'alinéa 1er.
L'huissier de justice joint à chaque saisie-exécution mobilière une fiche informative dont le modèle est fixé par le Roi. La fiche informative mentionne les circonstances dans lesquelles la saisie a été effectuée et détaille la nature et l'étendue des biens saisis. Cette information est uniquement communiquée entre les huissiers de justice instrumentant.
L'huissier de justice joint à l'extrait la fiche informative visée à l'alinéa 5.
La communication visée au présent paragraphe est facilitée au moyen d'un canal sécurisé, créé et géré par la Chambre nationale.
§ 3. Muni de l'extrait transmis, conformément au paragraphe 2 et sous réserve de l'application du paragraphe 4, l'huissier de justice procède à l'exécution du titre en signifiant un nouveau jour de vente sous la forme d'un exploit de saisie rendue commune.
La saisie rendue commune est signifiée sur la base d'un extrait d'une saisie qui ne peut pas avoir plus de trois ans, qui ne peut pas avoir été levée ou attaquée en droit et dans le cadre de laquelle il n'a pas été recouru au cantonnement visé à l'article 1404. L'extrait ne peut être utilisé que pour l'exécution du titre pour lequel il est demandé.
Toutes les conditions visées à l'alinéa 2 doivent être remplies au moment de la délivrance de l'extrait. L'acte de saisie rendue commune doit mentionner, à peine de nullité, que le jour de la vente est déterminé sur la base d'un extrait d'une saisie antérieure, mentionnant les conditions visées à l'alinéa 2. L'huissier de justice est tenu de signifier l'extrait, à peine de nullité. Un délai d'au moins un mois doit s'écouler entre la signification de la saisie rendue commune et la date de vente.
Dans les trois jours ouvrables suivant la signification de la saisie rendue commune, l'huissier de justice envoie, sous sa propre responsabilité, un avis de saisie rendue commune au fichier des avis.
§ 4. Muni de l'extrait transmis, conformément au paragraphe 2, et moyennant une raison fondée qui ressort de la fiche informative visée au paragraphe 2 ou d'éléments nouveaux dont dispose l'huissier de justice et qu'il précise à son tour dans une fiche informative telle que visée au paragraphe 2, alinéa 5, l'huissier de justice peut procéder à l'exécution du titre en signifiant une saisie par récolement et extension.
La saisie par récolement et extension est signifiée sur la base d'un extrait d'une saisie non encore levée et non attaquée en droit. L'huissier de justice compare les biens meubles concernés par la saisie précédente et étend la saisie aux biens qui n'y avaient pas été inclus.
Toutes les conditions visées au paragraphe 3, alinéa 2, doivent être remplies au moment de la délivrance de l'extrait. Un délai d'au moins un mois doit s'écouler entre la signification de la saisie par récolement et extension et la date de la vente.
Dans les trois jours ouvrables suivant la signification de la saisie par récolement et extension, l'huissier de justice envoie, sous sa propre responsabilité, un avis de saisie visé à l'article 1390, § 1er, au fichier des avis.
§ 5. L'avis de saisie rendue commune et l'avis de saisie par récolement et extension produisent leurs effets jusqu'au moment de leur suppression, conformément à l'article 1390septies, alinéas 4 et 5, étant entendu que le juge règle les litiges, le cas échéant.]1
Änderungen
Art.1524. [1 § 1. Indien uit de raadpleging van het bestand van berichten overeenkomstig artikel 1391, § 2, blijkt dat ten aanzien van de schuldenaar ten minste één uitvoerend roerend beslag is gelegd, gaat elke schuldeiser die in het bezit is van een uitvoerbare titel, krachtens dewelke bevel tot betalen is betekend, te werk overeenkomstig dit artikel, bij gebreke waarvan artikel 866 kan worden ingeroepen.
Onverminderd de bevoegdheid van de beslagrechter ziet de Nationale Kamer toe op de controle van dit artikel door middel van het register bedoeld in artikel 32quater/2.
§ 2. De door de schuldeiser aangezochte gerechtsdeurwaarder bevraagt de gerechtsdeurwaarder die de vorige inbeslagname heeft uitgevoerd en vraagt, in voorkomend geval, het uittreksel van het voorafgaand uitvoerend roerend beslag.
Dit uittreksel wordt binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek langs elektronische weg afgegeven door de gerechtsdeurwaarder die het beslag heeft uitgevoerd.
Het afgeleverde uittreksel bevat de volgende vermeldingen:
1° de datum waarop het uittreksel werd opgemaakt;
2° de naam en voornamen van de gerechtsdeurwaarder die het beslag gelegd heeft, en het adres van zijn kantoor;
3° de datum waarop het beslag is gelegd;
4° de plaats waar het beslag gelegd werd;
5° een gedetailleerde en volledige lijst van in beslag genomen goederen;
6° de verwijzingen naar de uitvoerbare titel waarvoor het uittreksel afgeleverd is;
7° de handtekening van de gerechtsdeurwaarder die het uittreksel aflevert.
De gerechtsdeurwaarders die beslag hebben gelegd zijn verplicht een register met volgnummer aan te leggen waarin de uittreksels worden opgetekend die zij overeenkomstig het eerste lid afgeven.
Bij elk uitvoerend roerend beslag voegt de gerechtsdeurwaarder een informatieblad waarvan het model door de Koning wordt bepaald. Het informatieblad vermeldt de omstandigheden waarin het beslag is gelegd en geeft toelichting bij de aard en omvang van de in beslag genomen goederen. Deze informatie wordt enkel tussen de instrumenterende gerechtsdeurwaarders uitgewisseld.
De gerechtsdeurwaarder voegt bij het uittreksel het informatieblad bedoeld in het vijfde lid.
De in dit paragraaf bedoelde communicatie wordt vergemakkelijkt via een door de Nationale Kamer gecreëerd en beheerd beveiligd kanaal.
§ 3. Met het uittreksel overeenkomstig paragraaf 2, en behoudens de toepassing van paragraaf 4 gaat de gerechtsdeurwaarder over tot de uitvoering van de titel door betekening van een nieuwe verkoopdag in de vorm van een exploot van gemeengemaakt beslag.
Het gemeengemaakt beslag wordt betekend op basis van een uittreksel van een beslag dat niet ouder mag zijn dan drie jaar, dat niet opgeheven of in rechte aangevochten mag zijn en in het kader waarvan geen beroep mag gedaan zijn op het kantonnement in de zin van artikel 1404. Het uittreksel kan slechts aangewend worden ter uitvoering van de titel waarvoor het is aangevraagd.
Alle voorwaarden bedoeld in het tweede lid moeten vervuld zijn op het moment van aflevering van het uittreksel. In de akte van gemeengemaakt beslag wordt op straffe van nietigheid opgenomen dat de verkoopdag wordt gesteld op basis van een uittreksel van een eerder gelegd beslag, met vermelding van de voorwaarden bedoeld in het tweede lid. De gerechtsdeurwaarder is ertoe gehouden het uittreksel op straffe van nietigheid mee te betekenen. Tussen het betekenen van het gemeengemaakt beslag en de datum van verkoop dient een termijn van minstens één maand te verlopen.
Binnen drie werkdagen na de betekening van het gemeengemaakt beslag zendt de gerechtsdeurwaarder op eigen verantwoordelijkheid een bericht van gemeengemaakt beslag aan het bestand van berichten.
§ 4. Met het uittreksel overeenkomstig paragraaf 2, en mits een gegronde reden die blijkt uit het informatieblad bedoeld in paragraaf 2 of uit nieuwe gegevens waarover de gerechtsdeurwaarder beschikt en die hij op zijn beurt in een informatieblad zoals bedoeld in paragraaf 2, vijfde lid, vermeldt, kan de gerechtsdeurwaarder overgaan tot de uitvoering van de titel door de betekening van een beslag bij vergelijking en uitbreiding.
Het beslag bij vergelijking en uitbreiding wordt betekend op basis van een uittreksel van een beslag dat niet opgeheven of in rechte aangevochten mag zijn. De gerechtsdeurwaarder vergelijkt de roerende goederen die getroffen werden door het voorafgaand beslag en breidt het beslag uit met goederen die er niet door getroffen werden.
Alle voorwaarden bedoeld in paragraaf 3, tweede lid, moeten vervuld zijn op het moment van de aflevering van het uittreksel. Tussen het betekenen van het beslag bij vergelijking en uitbreiding en de datum van verkoop dient een termijn van minstens één maand te verlopen.
Binnen drie werkdagen na de betekening van het beslag bij vergelijking en uitbreiding, zendt de gerechtsdeurwaarder, op eigen verantwoordelijkheid, een bericht van beslag bedoeld in artikel 1390, § 1, aan het bestand van berichten.
§ 5. Het bericht van gemeengemaakt beslag en het bericht van beslag bij vergelijking en uitbreiding heeft gevolg tot op het ogenblik waarop het geschrapt wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 1390septies, vierde en vijfde lid, met dien verstande dat de rechter zo nodig de betwistingen beslecht.]1
Onverminderd de bevoegdheid van de beslagrechter ziet de Nationale Kamer toe op de controle van dit artikel door middel van het register bedoeld in artikel 32quater/2.
§ 2. De door de schuldeiser aangezochte gerechtsdeurwaarder bevraagt de gerechtsdeurwaarder die de vorige inbeslagname heeft uitgevoerd en vraagt, in voorkomend geval, het uittreksel van het voorafgaand uitvoerend roerend beslag.
Dit uittreksel wordt binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek langs elektronische weg afgegeven door de gerechtsdeurwaarder die het beslag heeft uitgevoerd.
Het afgeleverde uittreksel bevat de volgende vermeldingen:
1° de datum waarop het uittreksel werd opgemaakt;
2° de naam en voornamen van de gerechtsdeurwaarder die het beslag gelegd heeft, en het adres van zijn kantoor;
3° de datum waarop het beslag is gelegd;
4° de plaats waar het beslag gelegd werd;
5° een gedetailleerde en volledige lijst van in beslag genomen goederen;
6° de verwijzingen naar de uitvoerbare titel waarvoor het uittreksel afgeleverd is;
7° de handtekening van de gerechtsdeurwaarder die het uittreksel aflevert.
De gerechtsdeurwaarders die beslag hebben gelegd zijn verplicht een register met volgnummer aan te leggen waarin de uittreksels worden opgetekend die zij overeenkomstig het eerste lid afgeven.
Bij elk uitvoerend roerend beslag voegt de gerechtsdeurwaarder een informatieblad waarvan het model door de Koning wordt bepaald. Het informatieblad vermeldt de omstandigheden waarin het beslag is gelegd en geeft toelichting bij de aard en omvang van de in beslag genomen goederen. Deze informatie wordt enkel tussen de instrumenterende gerechtsdeurwaarders uitgewisseld.
De gerechtsdeurwaarder voegt bij het uittreksel het informatieblad bedoeld in het vijfde lid.
De in dit paragraaf bedoelde communicatie wordt vergemakkelijkt via een door de Nationale Kamer gecreëerd en beheerd beveiligd kanaal.
§ 3. Met het uittreksel overeenkomstig paragraaf 2, en behoudens de toepassing van paragraaf 4 gaat de gerechtsdeurwaarder over tot de uitvoering van de titel door betekening van een nieuwe verkoopdag in de vorm van een exploot van gemeengemaakt beslag.
Het gemeengemaakt beslag wordt betekend op basis van een uittreksel van een beslag dat niet ouder mag zijn dan drie jaar, dat niet opgeheven of in rechte aangevochten mag zijn en in het kader waarvan geen beroep mag gedaan zijn op het kantonnement in de zin van artikel 1404. Het uittreksel kan slechts aangewend worden ter uitvoering van de titel waarvoor het is aangevraagd.
Alle voorwaarden bedoeld in het tweede lid moeten vervuld zijn op het moment van aflevering van het uittreksel. In de akte van gemeengemaakt beslag wordt op straffe van nietigheid opgenomen dat de verkoopdag wordt gesteld op basis van een uittreksel van een eerder gelegd beslag, met vermelding van de voorwaarden bedoeld in het tweede lid. De gerechtsdeurwaarder is ertoe gehouden het uittreksel op straffe van nietigheid mee te betekenen. Tussen het betekenen van het gemeengemaakt beslag en de datum van verkoop dient een termijn van minstens één maand te verlopen.
Binnen drie werkdagen na de betekening van het gemeengemaakt beslag zendt de gerechtsdeurwaarder op eigen verantwoordelijkheid een bericht van gemeengemaakt beslag aan het bestand van berichten.
§ 4. Met het uittreksel overeenkomstig paragraaf 2, en mits een gegronde reden die blijkt uit het informatieblad bedoeld in paragraaf 2 of uit nieuwe gegevens waarover de gerechtsdeurwaarder beschikt en die hij op zijn beurt in een informatieblad zoals bedoeld in paragraaf 2, vijfde lid, vermeldt, kan de gerechtsdeurwaarder overgaan tot de uitvoering van de titel door de betekening van een beslag bij vergelijking en uitbreiding.
Het beslag bij vergelijking en uitbreiding wordt betekend op basis van een uittreksel van een beslag dat niet opgeheven of in rechte aangevochten mag zijn. De gerechtsdeurwaarder vergelijkt de roerende goederen die getroffen werden door het voorafgaand beslag en breidt het beslag uit met goederen die er niet door getroffen werden.
Alle voorwaarden bedoeld in paragraaf 3, tweede lid, moeten vervuld zijn op het moment van de aflevering van het uittreksel. Tussen het betekenen van het beslag bij vergelijking en uitbreiding en de datum van verkoop dient een termijn van minstens één maand te verlopen.
Binnen drie werkdagen na de betekening van het beslag bij vergelijking en uitbreiding, zendt de gerechtsdeurwaarder, op eigen verantwoordelijkheid, een bericht van beslag bedoeld in artikel 1390, § 1, aan het bestand van berichten.
§ 5. Het bericht van gemeengemaakt beslag en het bericht van beslag bij vergelijking en uitbreiding heeft gevolg tot op het ogenblik waarop het geschrapt wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 1390septies, vierde en vijfde lid, met dien verstande dat de rechter zo nodig de betwistingen beslecht.]1
Art. 1524. [1 § 1er. S'il ressort de la consultation du fichier des avis, conformément à l'article 1391, § 2, que le débiteur a fait l'objet d'au moins une saisie-exécution mobilière, tout créancier en possession d'un titre exécutoire en vertu duquel un commandement de payer a été signifié, procède conformément au présent article, à défaut de quoi l'article 866 peut être invoqué.
Sans préjudice de la compétence du juge des saisies, la Chambre nationale assure le contrôle du présent article par l'intermédiaire du registre visé à l'article 32quater/2.
§ 2. L'huissier de justice désigné par le créancier interroge l'huissier de justice qui a pratiqué la saisie antérieure et requiert, le cas échéant, l'extrait de saisie-exécution mobilière antérieure.
Cet extrait est délivré dans un délai de cinq jours ouvrables à compter de la réception de la requête, par voie électronique, par l'huissier de justice qui a pratiqué la saisie.
L'extrait délivré contient les mentions suivantes:
1° la date à laquelle l'extrait a été établi;
2° les nom et prénoms de l'huissier de justice qui a procédé à la saisie et l'adresse de son étude;
3° la date à laquelle la saisie a été effectuée;
4° le lieu où la saisie a été effectuée;
5° la liste détaillée et complète des biens saisis;
6° les références du titre exécutoire pour lequel l'extrait a été délivré;
7° la signature de l'huissier de justice qui délivre l'extrait.
Les huissiers de justice qui ont signifié la saisie sont obligés de tenir un registre avec suite de numéros où sont consignés les extraits qu'ils délivrent conformément à l'alinéa 1er.
L'huissier de justice joint à chaque saisie-exécution mobilière une fiche informative dont le modèle est fixé par le Roi. La fiche informative mentionne les circonstances dans lesquelles la saisie a été effectuée et détaille la nature et l'étendue des biens saisis. Cette information est uniquement communiquée entre les huissiers de justice instrumentant.
L'huissier de justice joint à l'extrait la fiche informative visée à l'alinéa 5.
La communication visée au présent paragraphe est facilitée au moyen d'un canal sécurisé, créé et géré par la Chambre nationale.
§ 3. Muni de l'extrait transmis, conformément au paragraphe 2 et sous réserve de l'application du paragraphe 4, l'huissier de justice procède à l'exécution du titre en signifiant un nouveau jour de vente sous la forme d'un exploit de saisie rendue commune.
La saisie rendue commune est signifiée sur la base d'un extrait d'une saisie qui ne peut pas avoir plus de trois ans, qui ne peut pas avoir été levée ou attaquée en droit et dans le cadre de laquelle il n'a pas été recouru au cantonnement visé à l'article 1404. L'extrait ne peut être utilisé que pour l'exécution du titre pour lequel il est demandé.
Toutes les conditions visées à l'alinéa 2 doivent être remplies au moment de la délivrance de l'extrait. L'acte de saisie rendue commune doit mentionner, à peine de nullité, que le jour de la vente est déterminé sur la base d'un extrait d'une saisie antérieure, mentionnant les conditions visées à l'alinéa 2. L'huissier de justice est tenu de signifier l'extrait, à peine de nullité. Un délai d'au moins un mois doit s'écouler entre la signification de la saisie rendue commune et la date de vente.
Dans les trois jours ouvrables suivant la signification de la saisie rendue commune, l'huissier de justice envoie, sous sa propre responsabilité, un avis de saisie rendue commune au fichier des avis.
§ 4. Muni de l'extrait transmis, conformément au paragraphe 2, et moyennant une raison fondée qui ressort de la fiche informative visée au paragraphe 2 ou d'éléments nouveaux dont dispose l'huissier de justice et qu'il précise à son tour dans une fiche informative telle que visée au paragraphe 2, alinéa 5, l'huissier de justice peut procéder à l'exécution du titre en signifiant une saisie par récolement et extension.
La saisie par récolement et extension est signifiée sur la base d'un extrait d'une saisie non encore levée et non attaquée en droit. L'huissier de justice compare les biens meubles concernés par la saisie précédente et étend la saisie aux biens qui n'y avaient pas été inclus.
Toutes les conditions visées au paragraphe 3, alinéa 2, doivent être remplies au moment de la délivrance de l'extrait. Un délai d'au moins un mois doit s'écouler entre la signification de la saisie par récolement et extension et la date de la vente.
Dans les trois jours ouvrables suivant la signification de la saisie par récolement et extension, l'huissier de justice envoie, sous sa propre responsabilité, un avis de saisie visé à l'article 1390, § 1er, au fichier des avis.
§ 5. L'avis de saisie rendue commune et l'avis de saisie par récolement et extension produisent leurs effets jusqu'au moment de leur suppression, conformément à l'article 1390septies, alinéas 4 et 5, étant entendu que le juge règle les litiges, le cas échéant.]1
Sans préjudice de la compétence du juge des saisies, la Chambre nationale assure le contrôle du présent article par l'intermédiaire du registre visé à l'article 32quater/2.
§ 2. L'huissier de justice désigné par le créancier interroge l'huissier de justice qui a pratiqué la saisie antérieure et requiert, le cas échéant, l'extrait de saisie-exécution mobilière antérieure.
Cet extrait est délivré dans un délai de cinq jours ouvrables à compter de la réception de la requête, par voie électronique, par l'huissier de justice qui a pratiqué la saisie.
L'extrait délivré contient les mentions suivantes:
1° la date à laquelle l'extrait a été établi;
2° les nom et prénoms de l'huissier de justice qui a procédé à la saisie et l'adresse de son étude;
3° la date à laquelle la saisie a été effectuée;
4° le lieu où la saisie a été effectuée;
5° la liste détaillée et complète des biens saisis;
6° les références du titre exécutoire pour lequel l'extrait a été délivré;
7° la signature de l'huissier de justice qui délivre l'extrait.
Les huissiers de justice qui ont signifié la saisie sont obligés de tenir un registre avec suite de numéros où sont consignés les extraits qu'ils délivrent conformément à l'alinéa 1er.
L'huissier de justice joint à chaque saisie-exécution mobilière une fiche informative dont le modèle est fixé par le Roi. La fiche informative mentionne les circonstances dans lesquelles la saisie a été effectuée et détaille la nature et l'étendue des biens saisis. Cette information est uniquement communiquée entre les huissiers de justice instrumentant.
L'huissier de justice joint à l'extrait la fiche informative visée à l'alinéa 5.
La communication visée au présent paragraphe est facilitée au moyen d'un canal sécurisé, créé et géré par la Chambre nationale.
§ 3. Muni de l'extrait transmis, conformément au paragraphe 2 et sous réserve de l'application du paragraphe 4, l'huissier de justice procède à l'exécution du titre en signifiant un nouveau jour de vente sous la forme d'un exploit de saisie rendue commune.
La saisie rendue commune est signifiée sur la base d'un extrait d'une saisie qui ne peut pas avoir plus de trois ans, qui ne peut pas avoir été levée ou attaquée en droit et dans le cadre de laquelle il n'a pas été recouru au cantonnement visé à l'article 1404. L'extrait ne peut être utilisé que pour l'exécution du titre pour lequel il est demandé.
Toutes les conditions visées à l'alinéa 2 doivent être remplies au moment de la délivrance de l'extrait. L'acte de saisie rendue commune doit mentionner, à peine de nullité, que le jour de la vente est déterminé sur la base d'un extrait d'une saisie antérieure, mentionnant les conditions visées à l'alinéa 2. L'huissier de justice est tenu de signifier l'extrait, à peine de nullité. Un délai d'au moins un mois doit s'écouler entre la signification de la saisie rendue commune et la date de vente.
Dans les trois jours ouvrables suivant la signification de la saisie rendue commune, l'huissier de justice envoie, sous sa propre responsabilité, un avis de saisie rendue commune au fichier des avis.
§ 4. Muni de l'extrait transmis, conformément au paragraphe 2, et moyennant une raison fondée qui ressort de la fiche informative visée au paragraphe 2 ou d'éléments nouveaux dont dispose l'huissier de justice et qu'il précise à son tour dans une fiche informative telle que visée au paragraphe 2, alinéa 5, l'huissier de justice peut procéder à l'exécution du titre en signifiant une saisie par récolement et extension.
La saisie par récolement et extension est signifiée sur la base d'un extrait d'une saisie non encore levée et non attaquée en droit. L'huissier de justice compare les biens meubles concernés par la saisie précédente et étend la saisie aux biens qui n'y avaient pas été inclus.
Toutes les conditions visées au paragraphe 3, alinéa 2, doivent être remplies au moment de la délivrance de l'extrait. Un délai d'au moins un mois doit s'écouler entre la signification de la saisie par récolement et extension et la date de la vente.
Dans les trois jours ouvrables suivant la signification de la saisie par récolement et extension, l'huissier de justice envoie, sous sa propre responsabilité, un avis de saisie visé à l'article 1390, § 1er, au fichier des avis.
§ 5. L'avis de saisie rendue commune et l'avis de saisie par récolement et extension produisent leurs effets jusqu'au moment de leur suppression, conformément à l'article 1390septies, alinéas 4 et 5, étant entendu que le juge règle les litiges, le cas échéant.]1
Änderungen
Art.1525. Het proces-verbaal van de verkoop [1 op fysieke wijze, of op elektronische wijze, of middels een combinatie van beide]1 stelt vast dat de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, al dan niet verschenen is.
Art.1526. L'adjudication est faite au plus offrant, en payant comptant.
Faute de paiement, le bien est revendu sur-le-champ, à la folle enchère de l'adjudicataire.
[2 Le Roi désigne, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la plateforme électronique à travers laquelle la vente peut être effectuée. Il détermine également les modalités complémentaires relatives à l'adjudication et au paiement en cas de vente électronique ou combinée.]2
Faute de paiement, le bien est revendu sur-le-champ, à la folle enchère de l'adjudicataire.
[2 Le Roi désigne, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la plateforme électronique à travers laquelle la vente peut être effectuée. Il détermine également les modalités complémentaires relatives à l'adjudication et au paiement en cas de vente électronique ou combinée.]2
Art.1526. De toewijzing wordt gedaan aan de meestbiedende, tegen gerede betaling.
Bij gebreke van betaling wordt het goed dadelijk weder verkocht ten laste van hem aan wie het toegewezen is.
[1 De Koning duidt bij een in Ministerraad overlegd besluit aan via welk elektronisch platform de verkoop kan geschieden. Hij bepaalt tevens de bijkomende modaliteiten met betrekking tot de toewijzing en de betaling in geval van verkoop op elektronische of gecombineerde wijze.]1
Bij gebreke van betaling wordt het goed dadelijk weder verkocht ten laste van hem aan wie het toegewezen is.
[1 De Koning duidt bij een in Ministerraad overlegd besluit aan via welk elektronisch platform de verkoop kan geschieden. Hij bepaalt tevens de bijkomende modaliteiten met betrekking tot de toewijzing en de betaling in geval van verkoop op elektronische of gecombineerde wijze.]1
Art. 1526bis. Le débiteur [1 à l'encontre duquel est pratiquée une saisie-exécution mobilière ou une saisie rendue commune]1 peut vendre à l'amiable les biens saisis pour en affecter le prix au paiement des créanciers.
(A peine de déchéance), [1 le débiteur doit notifier à l'huissier de justice les propositions qui lui sont faites dans les dix jours suivant la signification de la saisie ou la fixation d'un nouveau jour de vente en cas de saisie rendue commune]1. <L 2000-05-29/36, art. 11, 1°, 035; En vigueur : 01-07-2001>
(Si l'huissier de justice estime ces propositions insuffisantes ou si le créancier établit qu'elles sont insuffisantes, il est passé outre à la demande de vente amiable.) <L 2000-05-29/36, art. 11, 2°, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Sauf si le refus d'autoriser la vente est inspiré par l'intention de nuire au débiteur, le créancier ne peut être tenu pour responsable.
Le transfert de propriété du bien est subordonné au versement de son prix entre les mains de l'huissier de justice dans les huit jours de l'acceptation de l'offre d'achat. En cas de non respect de ce délai, les biens peuvent être immédiatement exposés en vente publique.
Après paiement entre les mains de l'huissier de justice, ce dernier dresse procès-verbal de la vente à l'amiable, avec mention de l'identité de l'acheteur et du vendeur, du prix payé et de la description des biens vendus. Il tient une copie du procès-verbal à la disposition de l'acheteur.
(Le procès-verbal est adressé au fichier des avis sous la forme d'un avis visé à l'article 1390, § 1er.) <L 2000-05-29/36, art. 11, 3°, 035; En vigueur : 29-01-2011>
(A peine de déchéance), [1 le débiteur doit notifier à l'huissier de justice les propositions qui lui sont faites dans les dix jours suivant la signification de la saisie ou la fixation d'un nouveau jour de vente en cas de saisie rendue commune]1. <L 2000-05-29/36, art. 11, 1°, 035; En vigueur : 01-07-2001>
(Si l'huissier de justice estime ces propositions insuffisantes ou si le créancier établit qu'elles sont insuffisantes, il est passé outre à la demande de vente amiable.) <L 2000-05-29/36, art. 11, 2°, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Sauf si le refus d'autoriser la vente est inspiré par l'intention de nuire au débiteur, le créancier ne peut être tenu pour responsable.
Le transfert de propriété du bien est subordonné au versement de son prix entre les mains de l'huissier de justice dans les huit jours de l'acceptation de l'offre d'achat. En cas de non respect de ce délai, les biens peuvent être immédiatement exposés en vente publique.
Après paiement entre les mains de l'huissier de justice, ce dernier dresse procès-verbal de la vente à l'amiable, avec mention de l'identité de l'acheteur et du vendeur, du prix payé et de la description des biens vendus. Il tient une copie du procès-verbal à la disposition de l'acheteur.
(Le procès-verbal est adressé au fichier des avis sous la forme d'un avis visé à l'article 1390, § 1er.) <L 2000-05-29/36, art. 11, 3°, 035; En vigueur : 29-01-2011>
Änderungen
Art. 1526bis. <INGEVOEGD bij W 1993-01-14/34, art. 15, 011; Inwerkingtreding : 1993-03-02> De schuldenaar tegen wie een uitvoerend beslag op roerend goed [1 of een gemeengemaakt beslag]1 geschiedt, kan de in beslag genomen goederen in der minne verkopen [1 teneinde]1 de opbrengst ervan aan te wenden voor de betaling van de schuldeisers.
(Op straffe van verval) moet de schuldenaar binnen tien dagen na de betekening van de beslaglegging [1 of de vaststelling van een nieuwe verkoopdag in geval van een gemeengemaakt beslag,]1 de gerechtsdeurwaarder in kennis stellen van de hem gedane voorstellen. <W 2000-05-29/36, art. 11, 1°, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
(Wanneer de gerechtsdeurwaarder meent dat deze voorstellen ontoereikend zijn of wanneer de schuldeiser bewijst dat deze ontoereikend zijn, wordt met het verzoek tot verkoop in der minne geen rekening gehouden.) <W 2000-05-29/36, art. 11, 2°, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
Behalve indien de weigering om met de verkoop in te stemmen is ingegeven door de bedoeling om de schuldenaar te benadelen, kan de schuldeiser niet aansprakelijk worden gesteld.
De overdracht van de eigendom van het goed is afhankelijk van de betaling van de prijs ervan in handen van de gerechtsdeurwaarder binnen acht dagen na de aanvaarding van het aankoopbod. Bij niet-naleving van die termijn kunnen de goederen onverwijld openbaar te koop worden gesteld.
Na betaling van de prijs in handen van de gerechtsdeurwaarder, maakt deze een proces-verbaal op van verkoop in der minne met vermelding van de identiteit van de koper en verkoper, de betaalde prijs en de omschrijving van de verkochte goederen. Hij stelt hiervan een afschrift ter beschikking van de koper.
(Het proces-verbaal wordt aan het bestand van berichten gezonden in de vorm van een bericht als bedoeld in artikel 1390, § 1.) <W 2000-05-29/36, art. 11, 3°, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
(Op straffe van verval) moet de schuldenaar binnen tien dagen na de betekening van de beslaglegging [1 of de vaststelling van een nieuwe verkoopdag in geval van een gemeengemaakt beslag,]1 de gerechtsdeurwaarder in kennis stellen van de hem gedane voorstellen. <W 2000-05-29/36, art. 11, 1°, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
(Wanneer de gerechtsdeurwaarder meent dat deze voorstellen ontoereikend zijn of wanneer de schuldeiser bewijst dat deze ontoereikend zijn, wordt met het verzoek tot verkoop in der minne geen rekening gehouden.) <W 2000-05-29/36, art. 11, 2°, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
Behalve indien de weigering om met de verkoop in te stemmen is ingegeven door de bedoeling om de schuldenaar te benadelen, kan de schuldeiser niet aansprakelijk worden gesteld.
De overdracht van de eigendom van het goed is afhankelijk van de betaling van de prijs ervan in handen van de gerechtsdeurwaarder binnen acht dagen na de aanvaarding van het aankoopbod. Bij niet-naleving van die termijn kunnen de goederen onverwijld openbaar te koop worden gesteld.
Na betaling van de prijs in handen van de gerechtsdeurwaarder, maakt deze een proces-verbaal op van verkoop in der minne met vermelding van de identiteit van de koper en verkoper, de betaalde prijs en de omschrijving van de verkochte goederen. Hij stelt hiervan een afschrift ter beschikking van de koper.
(Het proces-verbaal wordt aan het bestand van berichten gezonden in de vorm van een bericht als bedoeld in artikel 1390, § 1.) <W 2000-05-29/36, art. 11, 3°, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
Art. 1526bis. Le débiteur [1 à l'encontre duquel est pratiquée une saisie-exécution mobilière ou une saisie rendue commune]1 peut vendre à l'amiable les biens saisis pour en affecter le prix au paiement des créanciers.
(A peine de déchéance), [1 le débiteur doit notifier à l'huissier de justice les propositions qui lui sont faites dans les dix jours suivant la signification de la saisie ou la fixation d'un nouveau jour de vente en cas de saisie rendue commune]1. <L 2000-05-29/36, art. 11, 1°, 035; En vigueur : 01-07-2001>
(Si l'huissier de justice estime ces propositions insuffisantes ou si le créancier établit qu'elles sont insuffisantes, il est passé outre à la demande de vente amiable.) <L 2000-05-29/36, art. 11, 2°, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Sauf si le refus d'autoriser la vente est inspiré par l'intention de nuire au débiteur, le créancier ne peut être tenu pour responsable.
Le transfert de propriété du bien est subordonné au versement de son prix entre les mains de l'huissier de justice dans les huit jours de l'acceptation de l'offre d'achat. En cas de non respect de ce délai, les biens peuvent être immédiatement exposés en vente publique.
Après paiement entre les mains de l'huissier de justice, ce dernier dresse procès-verbal de la vente à l'amiable, avec mention de l'identité de l'acheteur et du vendeur, du prix payé et de la description des biens vendus. Il tient une copie du procès-verbal à la disposition de l'acheteur.
(Le procès-verbal est adressé au fichier des avis sous la forme d'un avis visé à l'article 1390, § 1er.) <L 2000-05-29/36, art. 11, 3°, 035; En vigueur : 29-01-2011>
(A peine de déchéance), [1 le débiteur doit notifier à l'huissier de justice les propositions qui lui sont faites dans les dix jours suivant la signification de la saisie ou la fixation d'un nouveau jour de vente en cas de saisie rendue commune]1. <L 2000-05-29/36, art. 11, 1°, 035; En vigueur : 01-07-2001>
(Si l'huissier de justice estime ces propositions insuffisantes ou si le créancier établit qu'elles sont insuffisantes, il est passé outre à la demande de vente amiable.) <L 2000-05-29/36, art. 11, 2°, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Sauf si le refus d'autoriser la vente est inspiré par l'intention de nuire au débiteur, le créancier ne peut être tenu pour responsable.
Le transfert de propriété du bien est subordonné au versement de son prix entre les mains de l'huissier de justice dans les huit jours de l'acceptation de l'offre d'achat. En cas de non respect de ce délai, les biens peuvent être immédiatement exposés en vente publique.
Après paiement entre les mains de l'huissier de justice, ce dernier dresse procès-verbal de la vente à l'amiable, avec mention de l'identité de l'acheteur et du vendeur, du prix payé et de la description des biens vendus. Il tient une copie du procès-verbal à la disposition de l'acheteur.
(Le procès-verbal est adressé au fichier des avis sous la forme d'un avis visé à l'article 1390, § 1er.) <L 2000-05-29/36, art. 11, 3°, 035; En vigueur : 29-01-2011>
Änderungen
Art.1527. Wanneer de waarde van de in beslag genomen goederen het bedrag van de oorzaken van het beslag en van het verzet te boven gaat, worden slechts zoveel goederen verkocht als nodig is tot betaling van schuldvorderingen en kosten.
[1 De gerechtsdeurwaarder die oordeelt dat de verkoopwaarde van de in beslag genomen goederen kennelijk niet voldoende zou zijn om de kosten van de verkoop te voldoen, weigert de verkoop ervan, tenzij er gegronde redenen zijn die rechtvaardigen dat de verkoop plaatsvindt. Die redenen worden vermeld in het proces-verbaal van de verkoop bedoeld in artikel 1525.
Bij toepassing van het tweede lid legt de gerechtsdeurwaarder een bericht van vaststelling van niet-bevinding als bedoeld in artikel 1390octies, § 2, neer in het bestand van berichten.]1
[1 De gerechtsdeurwaarder die oordeelt dat de verkoopwaarde van de in beslag genomen goederen kennelijk niet voldoende zou zijn om de kosten van de verkoop te voldoen, weigert de verkoop ervan, tenzij er gegronde redenen zijn die rechtvaardigen dat de verkoop plaatsvindt. Die redenen worden vermeld in het proces-verbaal van de verkoop bedoeld in artikel 1525.
Bij toepassing van het tweede lid legt de gerechtsdeurwaarder een bericht van vaststelling van niet-bevinding als bedoeld in artikel 1390octies, § 2, neer in het bestand van berichten.]1
Art. 1527. Lorsque la valeur des biens saisis excède le montant de la cause de la saisie et des oppositions, il n'est procédé qu'à la vente des objets suffisant à fournir la somme nécessaire pour le payement des créances et frais.
[1 L'huissier de justice qui estime que la valeur de vente des biens saisis ne suffirait manifestement pas à couvrir les frais de la vente, refuse de les vendre, sauf s'il existe des motifs légitimes justifiant que la vente soit effectuée. Ces motifs sont mentionnés dans le procès-verbal de vente visé à l'article 1525.
Lorsqu'il fait application de l'alinéa 2, l'huissier de justice dépose au fichier des avis, un avis de constat de carence tel que visé à l'article 1390octies, § 2.]1
[1 L'huissier de justice qui estime que la valeur de vente des biens saisis ne suffirait manifestement pas à couvrir les frais de la vente, refuse de les vendre, sauf s'il existe des motifs légitimes justifiant que la vente soit effectuée. Ces motifs sont mentionnés dans le procès-verbal de vente visé à l'article 1525.
Lorsqu'il fait application de l'alinéa 2, l'huissier de justice dépose au fichier des avis, un avis de constat de carence tel que visé à l'article 1390octies, § 2.]1
Änderungen
Art.1528. De gerechtsdeurwaarders zijn persoonlijk aansprakelijk voor de koopsommen en vermelden in hun processen-verbaal de naam en de woonplaats van de kopers.
Art. 1528. Les huissiers de justice sont personnellement responsables du prix des adjudications, et font mention, dans leurs procès-verbaux, des nom et domicile des adjudicataires.
HOOFDSTUK III. - Beslag op tak- en wortelvaste vruchten.
Art.1529. La saisie-brandon ne peut être faite que dans les six semaines qui précèdent l'époque ordinaire de la maturité des fruits; elle est précédée d'un commandement, avec un jour d'intervalle.
Art.1529. Beslag op tak- en wortelvaste vruchten kan niet worden gedaan dan binnen zes weken voor het gewone tijdstip waarop de vruchten rijp zijn; het wordt voorafgegaan door een bevel, met een tussentijd van een dag.
Art. 1529. La saisie-brandon ne peut être faite que dans les six semaines qui précèdent l'époque ordinaire de la maturité des fruits; elle est précédée d'un commandement, avec un jour d'intervalle.
Art.1530. Het proces-verbaal van beslaglegging bevat de aanduiding van ieder perceel, zijn oppervlakte en ligging, ten minste twee belendingen en de aard van de vruchten.
Art.1531. Le garde champêtre est établi gardien; s'il n'est présent, la saisie lui est signifiée; il est aussi laissé copie au bourgmestre de la commune de la situation, et l'original est visé par lui (sans frais). <L 1985-05-24/30, art. 7, 003>
Si les communes sur lesquelles les biens sont situés sont contiguës ou voisines, il est établi un seul gardien, autre néanmoins qu'un garde champêtre; le visa est donné par le bourgmestre de la commune du chef-lieu de l'exploitation, et, le cas échéant, par le bourgmestre de la commune ou est située la majeure partie des biens.
Ne peuvent être établis gardiens, le saisissant, son conjoint, ses parents et alliés jusqu'au degré de cousin issu de germain inclusivement, et ses domestiques; mais le saisi, son conjoint, ses parents, alliés et domestiques peuvent être établis gardiens, de leur consentement et de celui du saisissant.
Si les communes sur lesquelles les biens sont situés sont contiguës ou voisines, il est établi un seul gardien, autre néanmoins qu'un garde champêtre; le visa est donné par le bourgmestre de la commune du chef-lieu de l'exploitation, et, le cas échéant, par le bourgmestre de la commune ou est située la majeure partie des biens.
Ne peuvent être établis gardiens, le saisissant, son conjoint, ses parents et alliés jusqu'au degré de cousin issu de germain inclusivement, et ses domestiques; mais le saisi, son conjoint, ses parents, alliés et domestiques peuvent être établis gardiens, de leur consentement et de celui du saisissant.
Art.1531. De veldwachter wordt tot bewaarder aangesteld; is hij niet aanwezig, dan wordt het beslag hem betekend; ook aan de burgemeester van de gemeente waar de goederen gelegen zijn, wordt een afschrift gelaten en het origineel wordt door hem (kosteloos) voor gezien getekend. <W 1985-05-24/30, art. 7, 003>
Indien de gemeenten waar de goederen gelegen zijn, aan elkaar grenzen of in elkaars nabijheid liggen, wordt een enkele bewaarder aangesteld die echter geen veldwachter mag zijn; het visum wordt verstrekt door de burgemeester van de gemeente waar de hoofdzetel van het bedrijf gelegen is en in voorkomend geval door de burgemeester van de gemeente waar het merendeel van de goederen gelegen is.
Tot bewaarder kunnen niet worden aangesteld de beslaglegger, zijn echtgenoot, zijn bloed- en aanverwanten tot en met de graad van achterneef en zijn dienstboden; maar de beslagene, zijn echtgenoot, zijn bloedverwanten, aanverwanten en dienstboden kunnen met hun toestemming en met die van de beslaglegger wel tot bewaarder worden aangesteld.beslagene en van de beslaglegger; het aantal hectaren en de aard van iedere vruchtensoort, de gemeente waar zij te velde staan, zonder andere aanduiding.
Indien de gemeenten waar de goederen gelegen zijn, aan elkaar grenzen of in elkaars nabijheid liggen, wordt een enkele bewaarder aangesteld die echter geen veldwachter mag zijn; het visum wordt verstrekt door de burgemeester van de gemeente waar de hoofdzetel van het bedrijf gelegen is en in voorkomend geval door de burgemeester van de gemeente waar het merendeel van de goederen gelegen is.
Tot bewaarder kunnen niet worden aangesteld de beslaglegger, zijn echtgenoot, zijn bloed- en aanverwanten tot en met de graad van achterneef en zijn dienstboden; maar de beslagene, zijn echtgenoot, zijn bloedverwanten, aanverwanten en dienstboden kunnen met hun toestemming en met die van de beslaglegger wel tot bewaarder worden aangesteld.beslagene en van de beslaglegger; het aantal hectaren en de aard van iedere vruchtensoort, de gemeente waar zij te velde staan, zonder andere aanduiding.
Art. 1531. Le garde champêtre est établi gardien; s'il n'est présent, la saisie lui est signifiée; il est aussi laissé copie au bourgmestre de la commune de la situation, et l'original est visé par lui (sans frais). <L 1985-05-24/30, art. 7, 003>
Si les communes sur lesquelles les biens sont situés sont contiguës ou voisines, il est établi un seul gardien, autre néanmoins qu'un garde champêtre; le visa est donné par le bourgmestre de la commune du chef-lieu de l'exploitation, et, le cas échéant, par le bourgmestre de la commune ou est située la majeure partie des biens.
Ne peuvent être établis gardiens, le saisissant, son conjoint, ses parents et alliés jusqu'au degré de cousin issu de germain inclusivement, et ses domestiques; mais le saisi, son conjoint, ses parents, alliés et domestiques peuvent être établis gardiens, de leur consentement et de celui du saisissant.
Si les communes sur lesquelles les biens sont situés sont contiguës ou voisines, il est établi un seul gardien, autre néanmoins qu'un garde champêtre; le visa est donné par le bourgmestre de la commune du chef-lieu de l'exploitation, et, le cas échéant, par le bourgmestre de la commune ou est située la majeure partie des biens.
Ne peuvent être établis gardiens, le saisissant, son conjoint, ses parents et alliés jusqu'au degré de cousin issu de germain inclusivement, et ses domestiques; mais le saisi, son conjoint, ses parents, alliés et domestiques peuvent être établis gardiens, de leur consentement et de celui du saisissant.
Art.1532. De verkoop wordt bekendgemaakt door middel van aanplakbiljetten die ten minste acht dagen vóór de verkoop worden aangeslagen aan de deur van de beslagene, aan de deur van het gemeentehuis of, indien er geen is, op de plaats waar de akten van de openbare overheid worden aangeslagen, op de voornaamste markt van de plaats of, zo er geen is, op de dichtstbij gelegen markt, en aan de deur van de gehoorzaal van het vredegerecht.
Art. 1532. La vente est annoncée par placards affichés, huitaine au moins avant la vente, à la porte du saisi, à celle de la maison communale ou, s'il n'y en a pas, au lieu ou s'apposent les actes de l'autorité publique, au principal marché du lieu ou, s'il n'y en a pas, au marché le plus voisin, et à la porte de l'auditoire de la justice de paix.
Art.1533. De aanplakbiljetten bepalen plaats, dag en uur van de verkoop; de naam en de woonplaats van de beslagene en van de beslaglegger; het aantal hectaren en de aard van iedere vruchtensoort, de gemeente waar zij te velde staan, zonder andere aanduiding.
Art. 1533. Les placards désignent les lieu, jour et heure de la vente, les nom et domicile du saisi et du saisissant, le nombre d'hectares et la nature de chaque espèce de fruits, la commune ou ils sont situés, sans autre désignation.
Art.1534. De aanslag van de biljetten wordt bewezen zoals bepaald is in het hoofdstuk over het uitvoerend beslag op roerend goed.
Art. 1534. L'apposition des placards est constatée ainsi qu'il est dit au chapitre des saisies-exécutions mobilières.
Art.1535. De verkoop wordt gehouden hetzij op een marktdag, hetzij op een zaterdag of een zondag.
Art.1536. Elle peut être faite sur les lieux ou sur la place de la commune ou est située la majeure partie des fruits saisis.
La vente peut aussi être faite sur le marché du lieu ou, s'il n'y en a pas, sur le marché le plus voisin.
La vente peut aussi être faite sur le marché du lieu ou, s'il n'y en a pas, sur le marché le plus voisin.
Art.1536. De verkoop kan geschieden ter plaatse of op het plein van de gemeente waar het merendeel van de in beslag genomen voorwerpen gelegen is.
Hij kan ook geschieden op de plaatselijke markt of, indien er geen is, op de dichtstbij gelegen markt.
Hij kan ook geschieden op de plaatselijke markt of, indien er geen is, op de dichtstbij gelegen markt.
Art. 1536. Elle peut être faite sur les lieux ou sur la place de la commune ou est située la majeure partie des fruits saisis.
La vente peut aussi être faite sur le marché du lieu ou, s'il n'y en a pas, sur le marché le plus voisin.
La vente peut aussi être faite sur le marché du lieu ou, s'il n'y en a pas, sur le marché le plus voisin.
Art.1537. Bovendien worden de formaliteiten, voorgeschreven in het hoofdstuk over het uitvoerend beslag op roerend goed, in acht genomen.
Art.1538. Il est procédé à la distribution du prix de la vente, ainsi qu'il est dit au chapitre "De la distribution par contribution".
Art.1538. De koopsom wordt verdeeld zoals bepaald is in de titel "Evenredige verdeling".
Art. 1538. Il est procédé à la distribution du prix de la vente, ainsi qu'il est dit au chapitre "De la distribution par contribution".
HOOFDSTUK IV. _ Uitvoerend beslag onder derden.
Art.1539.Le créancier nanti d'un titre exécutoire peut faire procéder par exploit d'huissier à une saisie-arrêt-exécution, entre les mains d'un tiers, sur les sommes et effets que celui-ci doit à son débiteur.
Art.1539. De schuldeiser die een uitvoerbare titel bezit, kan bij deurwaardersexploot uitvoerend beslag onder derden leggen, op de bedragen en zaken die deze aan zijn schuldenaar verschuldigd zijn.
Het beslag kan ook slaan op schuldvorderingen met tijdsbepaling, voorwaardelijke of betwistbare schuldvorderingen die de schuldenaar toebehoren.
Bij stilzitten van zijn schuldenaar, kan de schuldeiser, met toepassing van artikel [1 5.242]1 van het Burgerlijk Wetboek, dezelfde rechtspleging instellen.
De artikelen 1452 tot 1455 vinden toepassing op het uitvoerend beslag onder derden; de tekst van die artikelen evenals die van artikel 1543 wordt in de akte van beslag overgenomen.
(Het beslag wordt bij deurwaardersexploot binnen acht dagen aan de beslagen schuldenaar aangezegd. Wanneer het beslag slaat op inkomsten bedoeld in de artikelen 1409, §§ 1 en 1bis, en 1410, bevat de aanzegging, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie.) <W 2006-07-20/39, art. 19, 056; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29>
Het beslag kan ook slaan op schuldvorderingen met tijdsbepaling, voorwaardelijke of betwistbare schuldvorderingen die de schuldenaar toebehoren.
Bij stilzitten van zijn schuldenaar, kan de schuldeiser, met toepassing van artikel [1 5.242]1 van het Burgerlijk Wetboek, dezelfde rechtspleging instellen.
De artikelen 1452 tot 1455 vinden toepassing op het uitvoerend beslag onder derden; de tekst van die artikelen evenals die van artikel 1543 wordt in de akte van beslag overgenomen.
(Het beslag wordt bij deurwaardersexploot binnen acht dagen aan de beslagen schuldenaar aangezegd. Wanneer het beslag slaat op inkomsten bedoeld in de artikelen 1409, §§ 1 en 1bis, en 1410, bevat de aanzegging, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie.) <W 2006-07-20/39, art. 19, 056; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29>
Art. 1539. Le créancier nanti d'un titre exécutoire peut faire procéder par exploit d'huissier à une saisie-arrêt-exécution, entre les mains d'un tiers, sur les sommes et effets que celui-ci doit à son débiteur.
La saisie peut aussi porter sur des créances à terme, conditionnelles ou litigieuses, appartenant au débiteur.
En cas d'inaction de son débiteur, le créancier peut, par application de l'article [1 5.242]1 du Code civil, former la même procédure.
Les articles 1452 à 1455 sont applicables à la saisie-arrêt-exécution; le texte de ces articles ainsi que celui de l'article 1543 est reproduit dans l'acte de saisie.
(La saisie est dénoncée par exploit d'huissier dans les huit jours au débiteur saisi. Lorsque la saisie porte sur des revenus visés aux articles 1409, § 1er et § 1erbis, et 1410, la dénonciation contient, à peine de nullité, le formulaire de déclaration d'enfant à charge dont le modèle est arrête par le ministre de la Justice.) <L 2006-07-20/39, art. 19, 056; En vigueur : 30-01-2007; voir aussi L 2006-07-20/39, art. 29>
La saisie peut aussi porter sur des créances à terme, conditionnelles ou litigieuses, appartenant au débiteur.
En cas d'inaction de son débiteur, le créancier peut, par application de l'article [1 5.242]1 du Code civil, former la même procédure.
Les articles 1452 à 1455 sont applicables à la saisie-arrêt-exécution; le texte de ces articles ainsi que celui de l'article 1543 est reproduit dans l'acte de saisie.
(La saisie est dénoncée par exploit d'huissier dans les huit jours au débiteur saisi. Lorsque la saisie porte sur des revenus visés aux articles 1409, § 1er et § 1erbis, et 1410, la dénonciation contient, à peine de nullité, le formulaire de déclaration d'enfant à charge dont le modèle est arrête par le ministre de la Justice.) <L 2006-07-20/39, art. 19, 056; En vigueur : 30-01-2007; voir aussi L 2006-07-20/39, art. 29>
Änderungen
Art. 1539bis. [1 Voor de toepassing van artikel 1539, eerste lid, kan de gerechtsdeurwaarder inlichtingen opvragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België via de overeenkomstig artikel 6, tweede lid, van de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, aangewezen centraliserende organisatie.
De centraliserende organisatie verstrekt de gerechtsdeurwaarder de volgende gegevens:
1° de identificatie van de bank of de banken en van de bankrekening of de bankrekeningen van de schuldenaar;
2° in voorkomend geval:
a) indien het beschikbare saldo gelijk is aan of groter is dan het bedrag waarop beslag wordt gelegd: de informatie dat het beschikbare bedrag toereikend is;
b) indien het beschikbare saldo lager is dan het bedrag waarop beslag wordt gelegd: het beschikbare saldo.]1
De centraliserende organisatie verstrekt de gerechtsdeurwaarder de volgende gegevens:
1° de identificatie van de bank of de banken en van de bankrekening of de bankrekeningen van de schuldenaar;
2° in voorkomend geval:
a) indien het beschikbare saldo gelijk is aan of groter is dan het bedrag waarop beslag wordt gelegd: de informatie dat het beschikbare bedrag toereikend is;
b) indien het beschikbare saldo lager is dan het bedrag waarop beslag wordt gelegd: het beschikbare saldo.]1
Art. 1539bis. [1 En vue de l'application de l'article 1539, alinéa 1er, l'huissier de justice peut solliciter des informations auprès du point de contact central de la Banque nationale de Belgique via l'organisation centralisatrice désignée conformément à l'article 6, alinéa 2, de la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt.
L'organisation centralisatrice communique les informations suivantes à l'huissier de justice:
1° l'identification de la ou des banques et du ou des comptes du débiteur;
2° le cas échéant:
a) dans le cas où le solde disponible est égal ou supérieur au montant qui fait l'objet de la saisie: l'information que le montant disponible est suffisant;
b) dans le cas où le solde disponible est inférieur au montant qui fait l'objet de la saisie: le montant du solde disponible.]1
L'organisation centralisatrice communique les informations suivantes à l'huissier de justice:
1° l'identification de la ou des banques et du ou des comptes du débiteur;
2° le cas échéant:
a) dans le cas où le solde disponible est égal ou supérieur au montant qui fait l'objet de la saisie: l'information que le montant disponible est suffisant;
b) dans le cas où le solde disponible est inférieur au montant qui fait l'objet de la saisie: le montant du solde disponible.]1
Art.1540. Vanaf de ontvangst van de akte houdende derden-beslag, mag de derde-beslagene de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag niet meer uit handen geven, op straffe van gewoon schuldenaar te worden verklaard voor de oorzaken van het beslag, onverminderd schadevergoeding ten aanzien van de partij, indien daartoe grond bestaat.
De verplichting van de derde beslagene wordt vastgesteld, hetzij door zijn verklaring, hetzij, wanneer die verklaring betwist wordt, door de bevoegde rechter.
De verplichting van de derde beslagene wordt vastgesteld, hetzij door zijn verklaring, hetzij, wanneer die verklaring betwist wordt, door de bevoegde rechter.
Art. 1540. Dès la réception de l'acte contenant saisie-arrêt, le tiers saisi ne peut plus se dessaisir des sommes ou effets qui font l'objet de la saisie, à peine de pouvoir être déclaré débiteur pur et simple des causes de la saisie sans préjudice des dommages-intérêts envers la partie s'il y a lieu.
L'obligation du tiers saisi est fixée soit par sa déclaration, soit, si cette déclaration est contestée, par le juge compétent.
L'obligation du tiers saisi est fixée soit par sa déclaration, soit, si cette déclaration est contestée, par le juge compétent.
Art.1541. Het verzet van de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt wordt op zijn verzoek aan de beslaglegger betekend binnen vijftien dagen na de aanzegging van het beslag, met dagvaarding om te verschijnen vóór de beslagrechter. Het verzet wordt bij exploot aangezegd aan de derde-beslagene, wat in dezelfde akte kan gebeuren.
De beslissing die op dit verzet wordt gewezen wordt eveneens aan de derde-beslagene betekend, door de meest gerede partij.
De beslissing die op dit verzet wordt gewezen wordt eveneens aan de derde-beslagene betekend, door de meest gerede partij.
Art.1542. A défaut d'avoir fait sa déclaration dans les quinze jours de la saisie-arrêt ou de l'avoir faite avec exactitude, et comme il est dit à l'article 1452, le tiers saisi, cite à ces fins devant le juge des saisies, peut être déclaré débiteur, en tout ou en partie, des causes de la saisie, ainsi que des frais de celle-ci, sans préjudice des frais de la procédure formée contre lui, qui, en ces cas, seront à sa charge.
Si le tiers saisi conteste la dette dont le saisissant entend obtenir le paiement à son profit, la cause est portée devant le juge compétent ou, le cas échéant, elle lui est renvoyée par le juge des saisies.
Si la déclaration n'est pas contestée, il ne doit être fait aucune autre procédure, ni de la part du tiers saisi, ni contre lui.
Si le tiers saisi conteste la dette dont le saisissant entend obtenir le paiement à son profit, la cause est portée devant le juge compétent ou, le cas échéant, elle lui est renvoyée par le juge des saisies.
Si la déclaration n'est pas contestée, il ne doit être fait aucune autre procédure, ni de la part du tiers saisi, ni contre lui.
Art.1542. Indien hij zijn verklaring niet doet binnen vijftien dagen na het derden-beslag of ze niet met nauwkeurigheid heeft gedaan en zoals gezegd wordt in artikel 1452, kan de derde-beslagene die daartoe voor de beslagrechter wordt gedagvaard, schuldenaar verklaard worden, voor het geheel of voor een gedeelte van de oorzaken van het beslag, alsmede voor de kosten daarvan, onverminderd de kosten van de tegen hem ingestelde rechtspleging, die in die gevallen te zijnen laste zijn.
Betwist de derde-beslagene de schuld waarvan de beslaglegger voor zichzelf betaling wil bekomen, dan wordt de zaak gebracht voor de bevoegde rechter of wordt zij hem, in voorkomend geval, door de beslagrechter teruggezonden.
Wordt de verklaring niet betwist, dan moet er geen andere rechtspleging gevolgd worden, noch door de derde-beslagene, noch tegen hem.
Betwist de derde-beslagene de schuld waarvan de beslaglegger voor zichzelf betaling wil bekomen, dan wordt de zaak gebracht voor de bevoegde rechter of wordt zij hem, in voorkomend geval, door de beslagrechter teruggezonden.
Wordt de verklaring niet betwist, dan moet er geen andere rechtspleging gevolgd worden, noch door de derde-beslagene, noch tegen hem.
Art.1543. Deux jours, au plus tôt, après l'expiration du délai de quinze jours, à dater de la dénonciation de la saisie à la personne ou au domicile réel ou élu du débiteur saisi, le tiers saisi dont la dette est liquide et exigible est tenu sur la production de l'exploit de dénonciation et, conformément à sa déclaration, de vider ses mains en celles de l'huissier de justice, à concurrence du montant de la saisie, à défaut de quoi il y sera condamné sur la citation à lui donnée par le saisissant devant le juge des saisies. Si la saisie-arrêt porte sur des effets, la réalisation de ceux-ci est poursuivie comme en matière de saisie-exécution mobilière.
En cas d'opposition du débiteur saisi, l'obligation du tiers saisi prend cours, s'il y a lieu, à partir du jour ou la décision qui a statué sur l'opposition lui a été signifiée, sauf l'effet des recours qui seraient formés contre cette décision.
En cas d'opposition du débiteur saisi, l'obligation du tiers saisi prend cours, s'il y a lieu, à partir du jour ou la décision qui a statué sur l'opposition lui a été signifiée, sauf l'effet des recours qui seraient formés contre cette décision.
Art.1543. Ten vroegste twee dagen na het verstrijken van die termijn van vijftien dagen te rekenen van de aanzegging van het beslag aan de persoon of aan de werkelijke of gekozen woonplaats van de beslagen schuldenaar, is de derde beslagene wiens schuld vaststaande en eisbaar is, ertoe gehouden, overeenkomstig zijn verklaring, op overlegging van het exploot van aanzegging, afgifte te doen in handen van de gerechtsdeurwaarder, van het bedrag van het beslag, bij gebreke waarvan hij daartoe zal veroordeeld worden op dagvaarding door de beslaglegger, voor de beslagrechter. Slaat het derden-beslag op zaken dan worden deze te gelde gemaakt zoals in zake uitvoerend beslag op roerend goed.
In geval van verzet door de beslagen schuldenaar, neemt de verplichting van de derde beslagene een aanvang, in voorkomend geval, op de dag waarop de beslissing op het verzet hem is betekend, onverminderd de werking van de voorzieningen tegen die beslissing.
In geval van verzet door de beslagen schuldenaar, neemt de verplichting van de derde beslagene een aanvang, in voorkomend geval, op de dag waarop de beslissing op het verzet hem is betekend, onverminderd de werking van de voorzieningen tegen die beslissing.
Art. 1543. Deux jours, au plus tôt, après l'expiration du délai de quinze jours, à dater de la dénonciation de la saisie à la personne ou au domicile réel ou élu du débiteur saisi, le tiers saisi dont la dette est liquide et exigible est tenu sur la production de l'exploit de dénonciation et, conformément à sa déclaration, de vider ses mains en celles de l'huissier de justice, à concurrence du montant de la saisie, à défaut de quoi il y sera condamné sur la citation à lui donnée par le saisissant devant le juge des saisies. Si la saisie-arrêt porte sur des effets, la réalisation de ceux-ci est poursuivie comme en matière de saisie-exécution mobilière.
En cas d'opposition du débiteur saisi, l'obligation du tiers saisi prend cours, s'il y a lieu, à partir du jour ou la décision qui a statué sur l'opposition lui a été signifiée, sauf l'effet des recours qui seraient formés contre cette décision.
En cas d'opposition du débiteur saisi, l'obligation du tiers saisi prend cours, s'il y a lieu, à partir du jour ou la décision qui a statué sur l'opposition lui a été signifiée, sauf l'effet des recours qui seraient formés contre cette décision.
Art. 1543bis. <INGEVOEGD bij W 2000-05-29/36, art. 12; Inwerkingtreding : 29-01-2011> De verzetdoende schuldeiser die over een uitvoerbare titel beschikt, kan, na aanmaning aan de beslaglegger en zonder enige vordering tot indeplaatsstelling, doen overgaan door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder tot de afgifte door de derde-beslagene overeenkomstig artikel 1543.
Art. 1543bis. Le créancier opposant nanti d'un titre exécutoire, peut, sommation préalablement faite au saisissant et sans former aucune demande en subrogation, faire procéder, par l'huissier de justice instrumentant au dessaisissement du tiers saisi conformément à l'article 1543.
HOOFDSTUK V. _ Uitvoerend beslag op zeeschepen en binnenschepen.
Art.1545.[1 La saisie-exécution sur navires est réglée en particulier dans le Code belge de la Navigation.]1
Art.1545. [1 Het uitvoerend beslag op schepen wordt in het bijzonder geregeld in het Belgisch Scheepvaartwetboek.]1
Art. 1545. [1 La saisie-exécution sur navires est réglée en particulier dans le Code belge de la Navigation.]1
Änderungen
HOOFDSTUK VI. - Uitvoerend beslag op onroerend goed.
Art.1560. Le créancier peut poursuivre l'expropriation :
Art.1560. De schuldeiser kan de uitwinning vervolgen :
1° van de onroerende goederen en van hun als onroerend goed beschouwd toebehoren die eigendom zijn van zijn schuldenaar;
2° van de rechten van vruchtgebruik, erfpacht en opstal die aan de schuldenaar toebehoren op goederen van dezelfde aard.
1° van de onroerende goederen en van hun als onroerend goed beschouwd toebehoren die eigendom zijn van zijn schuldenaar;
2° van de rechten van vruchtgebruik, erfpacht en opstal die aan de schuldenaar toebehoren op goederen van dezelfde aard.
Art.1561. Néanmoins, la part indivise du débiteur ne peut être exécutée par ses créanciers personnels avant le partage ou la licitation, qu'ils peuvent provoquer ou dans lesquels ils ont le droit d'intervenir, sauf à respecter la convention d'indivision conclue antérieurement à la demande en partage ou à l'acte constitutif d'hypothèque. [1 Dans ces hypothèses, les articles 1207 et suivants s'appliquent.]1
En cas de licitation, et quel que soit l'acquéreur, autre que le colicitant, dont la part indivise se trouvait grevée d'hypothèque, le droit du créancier hypothécaire est reporté sur la part du débiteur dans le prix.
En cas de partage avec soulte, les sommes que le copartageant est tenu de payer sont affectées au paiement des créances privilégiées ou hypothécaires, qui perdraient ce caractère, et ce, d'après le rang que ces créances avaient au moment du partage.
En cas de licitation, et quel que soit l'acquéreur, autre que le colicitant, dont la part indivise se trouvait grevée d'hypothèque, le droit du créancier hypothécaire est reporté sur la part du débiteur dans le prix.
En cas de partage avec soulte, les sommes que le copartageant est tenu de payer sont affectées au paiement des créances privilégiées ou hypothécaires, qui perdraient ce caractère, et ce, d'après le rang que ces créances avaient au moment du partage.
Änderungen
Art.1561. Niettemin kan het beslag op het onverdeelde aandeel van de schuldenaar door zijn persoonlijke schuldeisers niet worden ten uitvoer gebracht vóór de verdeling of de veiling, die zij kunnen vorderen of waarin zij gerechtigd zijn tussen te komen, met dien verstande dat de overeenkomst van onverdeeldheid gesloten vóór de vordering tot verdeling of voor de akte tot vestiging van de hypotheek, moet worden in acht genomen. [1 In voormelde gevallen zijn de artikelen 1207 en volgende van toepassing.]1
In geval van veiling gaat het recht van de hypothecaire schuldeiser over op het aandeel van de schuldenaar in de prijs, onverschillig wie de verkrijger is, doch met uitzondering van de medeveiler wiens onverdeeld aandeel met hypotheek bezwaard was.
In geval van verdeling met opleg worden de sommen die de deelgenoot gehouden is uit te keren, aangewend tot voldoening van de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen die deze eigenschap zouden verliezen, en wel volgens de rang van die schuldvorderingen op het ogenblik van de verdeling.
In geval van veiling gaat het recht van de hypothecaire schuldeiser over op het aandeel van de schuldenaar in de prijs, onverschillig wie de verkrijger is, doch met uitzondering van de medeveiler wiens onverdeeld aandeel met hypotheek bezwaard was.
In geval van verdeling met opleg worden de sommen die de deelgenoot gehouden is uit te keren, aangewend tot voldoening van de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen die deze eigenschap zouden verliezen, en wel volgens de rang van die schuldvorderingen op het ogenblik van de verdeling.
Art. 1561. Néanmoins, la part indivise du débiteur ne peut être exécutée par ses créanciers personnels avant le partage ou la licitation, qu'ils peuvent provoquer ou dans lesquels ils ont le droit d'intervenir, sauf à respecter la convention d'indivision conclue antérieurement à la demande en partage ou à l'acte constitutif d'hypothèque. [1 Dans ces hypothèses, les articles 1207 et suivants s'appliquent.]1
En cas de licitation, et quel que soit l'acquéreur, autre que le colicitant, dont la part indivise se trouvait grevée d'hypothèque, le droit du créancier hypothécaire est reporté sur la part du débiteur dans le prix.
En cas de partage avec soulte, les sommes que le copartageant est tenu de payer sont affectées au paiement des créances privilégiées ou hypothécaires, qui perdraient ce caractère, et ce, d'après le rang que ces créances avaient au moment du partage.
En cas de licitation, et quel que soit l'acquéreur, autre que le colicitant, dont la part indivise se trouvait grevée d'hypothèque, le droit du créancier hypothécaire est reporté sur la part du débiteur dans le prix.
En cas de partage avec soulte, les sommes que le copartageant est tenu de payer sont affectées au paiement des créances privilégiées ou hypothécaires, qui perdraient ce caractère, et ce, d'après le rang que ces créances avaient au moment du partage.
Änderungen
Art.1562. <W 2000-05-29/36, art. 14, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001> In afwijking van het gemeen recht wordt de uitwinning van de onroerende goederen, met het oog op het verkrijgen van de betaling van een gemeenschappelijke schuld of van een eigen schuld die het gemeenschappelijk vermogen bezwaart, tegen de echtgenoot en de echtgenote voortgezet.
Art.1563. Le créancier ne peut commencer les poursuites en expropriation des immeubles qui ne lui sont pas hypothéqués, que dans le cas d'insuffisance des biens qui lui sont hypothéqués.
La valeur des biens est estimée, s'il s'agit de propriétés bâties, à raison de vingt fois, et s'il s'agit de propriétés non bâties, à raison de trente fois le revenu cadastral.
Le créancier qui veut user de cette faculté, présente requête cet effet au juge. Il joint à sa requête :
1° l'extrait de la matrice cadastrale;
2° le certificat [1 de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1, prévu à l'article 1430.
L'ordonnance du juge n'est susceptible d'aucun recours.
La valeur des biens est estimée, s'il s'agit de propriétés bâties, à raison de vingt fois, et s'il s'agit de propriétés non bâties, à raison de trente fois le revenu cadastral.
Le créancier qui veut user de cette faculté, présente requête cet effet au juge. Il joint à sa requête :
1° l'extrait de la matrice cadastrale;
2° le certificat [1 de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1, prévu à l'article 1430.
L'ordonnance du juge n'est susceptible d'aucun recours.
Änderungen
[1]pas en français
Art.1563. De schuldeiser kan de vervolgingen tot uitwinning van de onroerende goederen waarop het geen hypotheek heeft, niet beginnen dan ingeval de goederen waarop hij hypotheek heeft, ontoereikend zijn.
De waarde van de goederen wordt, indien het gebouwde eigendommen betreft, geschat op twintigmaal, en, indien het ongebouwde eigendommen betreft, op dertigmaal het kadastraal inkomen.
De schuldeiser die gebruik wil maken van dit recht, dient daartoe een [1 verzoekschrift]1 in bij de rechter. Hij legt daarbij over:
1° een uittreksel uit de kadastrale legger;
2° het getuigschrift van de [2 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]2, bedoeld in artikel 1430.
Tegen de beschikking van de rechter is generlei voorziening toegelaten.
De waarde van de goederen wordt, indien het gebouwde eigendommen betreft, geschat op twintigmaal, en, indien het ongebouwde eigendommen betreft, op dertigmaal het kadastraal inkomen.
De schuldeiser die gebruik wil maken van dit recht, dient daartoe een [1 verzoekschrift]1 in bij de rechter. Hij legt daarbij over:
1° een uittreksel uit de kadastrale legger;
2° het getuigschrift van de [2 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]2, bedoeld in artikel 1430.
Tegen de beschikking van de rechter is generlei voorziening toegelaten.
Art.1564. La saisie-exécution immobilière est précédée d'un commandement, signifié par exploit à personne ou au domicile réel ou élu dans le titre de la créance.
En tête de ce commandement, il est donné copie entière du titre, sauf si la signification en a été faite au débiteur dans les trois années qui précèdent le commandement ou s'il s'agit d'un acte authentique contenant une constitution d'hypothèque.
Le commandement contient élection de domicile dans l'arrondissement où siège le juge qui doit connaître de la saisie et le débiteur peut faire à ce domicile élu toutes significations, même d'opposition au commandement, d'offres réelles et d'appel.
Le commandement énonce que, faute de paiement, il sera procédé à la saisie des immeubles du débiteur, dont l'indication peut être donné conformément a l'article 1568, 2°.
Le commandement indique les nom, prénoms [1 ...]1, domicile, lieu et date de naissance du débiteur.
(Le commandement informe le débiteur qu'il peut transmettre au juge toute offre d'achat de gré à gré de son immeuble dans les huit jours de la signification de l'exploit de saisie.) <L 1998-07-05/57, art. 6, 024; En vigueur : 01-01-1999>
En tête de ce commandement, il est donné copie entière du titre, sauf si la signification en a été faite au débiteur dans les trois années qui précèdent le commandement ou s'il s'agit d'un acte authentique contenant une constitution d'hypothèque.
Le commandement contient élection de domicile dans l'arrondissement où siège le juge qui doit connaître de la saisie et le débiteur peut faire à ce domicile élu toutes significations, même d'opposition au commandement, d'offres réelles et d'appel.
Le commandement énonce que, faute de paiement, il sera procédé à la saisie des immeubles du débiteur, dont l'indication peut être donné conformément a l'article 1568, 2°.
Le commandement indique les nom, prénoms [1 ...]1, domicile, lieu et date de naissance du débiteur.
(Le commandement informe le débiteur qu'il peut transmettre au juge toute offre d'achat de gré à gré de son immeuble dans les huit jours de la signification de l'exploit de saisie.) <L 1998-07-05/57, art. 6, 024; En vigueur : 01-01-1999>
Art.1564. Het uitvoerend beslag op onroerend goed wordt voorafgegaan door een bevel bij exploot betekend aan de persoon dan wel aan de werkelijke of in de titel der schuldvordering gekozen woonplaats.
Bovenaan op dit bevel wordt volledig afschrift van de titel gegeven, indien hij niet reeds aan de schuldenaar betekend was binnen de drie jaren die aan het bevel voorafgaan of wanneer het gaat om een authentieke akte waarbij een hypotheek wordt gevestigd.
Het bevel bevat keuze van woonplaats in het arrondissement waar de rechter die van het beslag moet kennis nemen, zitting houdt, en de schuldenaar kan aan deze gekozen woonplaats alle betekeningen doen, zelfs van verzet tegen het bevel, aanbod van gerede betaling en hoger beroep.
Het bevel bepaalt dat bij gebreke van betaling beslag zal worden gelegd op de onroerende goederen van de schuldenaar, die overeenkomstig artikel 1568, 2°, kunnen worden aangeduid.
Het bevel vermeldt de naam, de voornamen [1 ...]1, de woonplaats, de plaats en datum van geboorte van de schuldenaar.
(Het bevel brengt ter kennis van de schuldenaar dat hij aan de rechter elk aankoopbod uit de hand van zijn onroerend goed kan overmaken binnen de acht dagen van het betekenen van het exploot van beslaglegging.) <W 1998-07-05/57, art. 6, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Bovenaan op dit bevel wordt volledig afschrift van de titel gegeven, indien hij niet reeds aan de schuldenaar betekend was binnen de drie jaren die aan het bevel voorafgaan of wanneer het gaat om een authentieke akte waarbij een hypotheek wordt gevestigd.
Het bevel bevat keuze van woonplaats in het arrondissement waar de rechter die van het beslag moet kennis nemen, zitting houdt, en de schuldenaar kan aan deze gekozen woonplaats alle betekeningen doen, zelfs van verzet tegen het bevel, aanbod van gerede betaling en hoger beroep.
Het bevel bepaalt dat bij gebreke van betaling beslag zal worden gelegd op de onroerende goederen van de schuldenaar, die overeenkomstig artikel 1568, 2°, kunnen worden aangeduid.
Het bevel vermeldt de naam, de voornamen [1 ...]1, de woonplaats, de plaats en datum van geboorte van de schuldenaar.
(Het bevel brengt ter kennis van de schuldenaar dat hij aan de rechter elk aankoopbod uit de hand van zijn onroerend goed kan overmaken binnen de acht dagen van het betekenen van het exploot van beslaglegging.) <W 1998-07-05/57, art. 6, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Art. 1564. La saisie-exécution immobilière est précédée d'un commandement, signifié par exploit à personne ou au domicile réel ou élu dans le titre de la créance.
En tête de ce commandement, il est donné copie entière du titre, sauf si la signification en a été faite au débiteur dans les trois années qui précèdent le commandement ou s'il s'agit d'un acte authentique contenant une constitution d'hypothèque.
Le commandement contient élection de domicile dans l'arrondissement où siège le juge qui doit connaître de la saisie et le débiteur peut faire à ce domicile élu toutes significations, même d'opposition au commandement, d'offres réelles et d'appel.
Le commandement énonce que, faute de paiement, il sera procédé à la saisie des immeubles du débiteur, dont l'indication peut être donné conformément a l'article 1568, 2°.
Le commandement indique les nom, prénoms [1 ...]1, domicile, lieu et date de naissance du débiteur.
(Le commandement informe le débiteur qu'il peut transmettre au juge toute offre d'achat de gré à gré de son immeuble dans les huit jours de la signification de l'exploit de saisie.) <L 1998-07-05/57, art. 6, 024; En vigueur : 01-01-1999>
En tête de ce commandement, il est donné copie entière du titre, sauf si la signification en a été faite au débiteur dans les trois années qui précèdent le commandement ou s'il s'agit d'un acte authentique contenant une constitution d'hypothèque.
Le commandement contient élection de domicile dans l'arrondissement où siège le juge qui doit connaître de la saisie et le débiteur peut faire à ce domicile élu toutes significations, même d'opposition au commandement, d'offres réelles et d'appel.
Le commandement énonce que, faute de paiement, il sera procédé à la saisie des immeubles du débiteur, dont l'indication peut être donné conformément a l'article 1568, 2°.
Le commandement indique les nom, prénoms [1 ...]1, domicile, lieu et date de naissance du débiteur.
(Le commandement informe le débiteur qu'il peut transmettre au juge toute offre d'achat de gré à gré de son immeuble dans les huit jours de la signification de l'exploit de saisie.) <L 1998-07-05/57, art. 6, 024; En vigueur : 01-01-1999>
Art.1565. Indien het bevel de bij artikel 1564, vierde lid, toegelaten aanduiding bevat, kan de schuldeiser het doen overschrijven op het [1 bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 van de plaats waar de goederen gelegen zijn.
Indien de waarde van de in de overschrijving aangewezen onroerende goederen meer dan toereikend is om de schuld te voldoen, kan de schuldenaar vragen dat de gevolgen van de overschrijving van het bevel niet voor alle onroerende goederen zullen gelden. Die eis wordt gebracht voor de rechter binnen wiens rechtsgebied de onroerende goederen met het grootste gezamenlijk kadastraal inkomen gelegen zijn; er wordt bij voorrang op beschikt, zonder verzet of hoger beroep.
(De overschrijving van het bevel is zes maanden geldig, te rekenen van de dag waarop zij verricht is.) <W 15-07-1970, art. 41>
Indien de waarde van de in de overschrijving aangewezen onroerende goederen meer dan toereikend is om de schuld te voldoen, kan de schuldenaar vragen dat de gevolgen van de overschrijving van het bevel niet voor alle onroerende goederen zullen gelden. Die eis wordt gebracht voor de rechter binnen wiens rechtsgebied de onroerende goederen met het grootste gezamenlijk kadastraal inkomen gelegen zijn; er wordt bij voorrang op beschikt, zonder verzet of hoger beroep.
(De overschrijving van het bevel is zes maanden geldig, te rekenen van de dag waarop zij verricht is.) <W 15-07-1970, art. 41>
Art. 1565. Si le commandement contient l'indication autorisé par l'alinéa 4 de l'article 1564, le créancier a la faculté de le faire transcrire au [1 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 de la situation des biens.
Si la valeur des immeubles désignés dans la transcription est plus que suffisante pour acquitter la dette, le débiteur peut demander que les effets de la transcription du commandement ne s'étendent pas sur tous les immeubles. Cette demande est portée devant le juge dans le ressort duquel sont situés les immeubles ayant ensemble le plus grand revenu cadastral; elle est jugée par priorité, sans opposition ni appel.
(La transcription du commandement vaut pour six mois, à partir de la date à laquelle elle a eu lieu.) <L 15-07-1970, art. 41>
Si la valeur des immeubles désignés dans la transcription est plus que suffisante pour acquitter la dette, le débiteur peut demander que les effets de la transcription du commandement ne s'étendent pas sur tous les immeubles. Cette demande est portée devant le juge dans le ressort duquel sont situés les immeubles ayant ensemble le plus grand revenu cadastral; elle est jugée par priorité, sans opposition ni appel.
(La transcription du commandement vaut pour six mois, à partir de la date à laquelle elle a eu lieu.) <L 15-07-1970, art. 41>
Änderungen
Art.1566. Uitvoerend beslag op onroerend goed kan niet worden gedaan dan vijftien dagen na het bevel.
Art.1567. Le commandement doit être suivi dans les six mois, nonobstant opposition du débiteur, d'un exploit de saisie, lequel sera transcrit comme il est dit a l'article 1569. A défaut d'accomplissement de ces formalités dans les délais prévus, le commandement cesse de plein droit de produire tout effet, et il n'est plus mentionné dans les certificats hypothécaires.
Lorsque les effets du commandement sont suspendus avant qu'il soit passé à la saisie, par suite soit d'une opposition au titre exécutoire servant de base à la poursuite, soit d'une demande de délais, (soit d'une procédure de règlement collectif de dettes,) le poursuivant peut requérir la transcription du commandement aussi longtemps que celui-ci reste valable comme premier acte de la poursuite en saisie-exécution immobilière. <L 1998-07-05/57, art. 7, 024; En vigueur : 01-01-1999>
Cette transcription ne vaut que pour six mois, sauf renouvellement avant l'expiration de ce délai; renouvelée après ledit délai, elle ne vaut qu'à sa date.
La même règle est applicable à la transcription qui aurait été requise avant la suspension des poursuites.
Le renouvellement a lieu sur requête adressée en double exemplaire[1 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 et présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice. La requête contient l'indication précise de la transcription à renouveler et de la cause de la suspension des poursuites. Le renouvellement a lieu sans préjudice de l'application de l'alinéa 2 de l'article 90 de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Dans tous les cas ou un exploit de commandement est présenté à la formalité de la transcription plus de six mois à compter de sa date, il est accompagné d'une réquisition à fin de transcription indiquant la cause de la suspension des poursuites.
Lorsque les effets du commandement sont suspendus avant qu'il soit passé à la saisie, par suite soit d'une opposition au titre exécutoire servant de base à la poursuite, soit d'une demande de délais, (soit d'une procédure de règlement collectif de dettes,) le poursuivant peut requérir la transcription du commandement aussi longtemps que celui-ci reste valable comme premier acte de la poursuite en saisie-exécution immobilière. <L 1998-07-05/57, art. 7, 024; En vigueur : 01-01-1999>
Cette transcription ne vaut que pour six mois, sauf renouvellement avant l'expiration de ce délai; renouvelée après ledit délai, elle ne vaut qu'à sa date.
La même règle est applicable à la transcription qui aurait été requise avant la suspension des poursuites.
Le renouvellement a lieu sur requête adressée en double exemplaire[1 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 et présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice. La requête contient l'indication précise de la transcription à renouveler et de la cause de la suspension des poursuites. Le renouvellement a lieu sans préjudice de l'application de l'alinéa 2 de l'article 90 de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Dans tous les cas ou un exploit de commandement est présenté à la formalité de la transcription plus de six mois à compter de sa date, il est accompagné d'une réquisition à fin de transcription indiquant la cause de la suspension des poursuites.
Änderungen
Art.1567. Het bevel moet binnen zes maanden, niettegenstaande verzet van de schuldenaar, gevolgd worden door een exploot van beslaglegging, dat wordt overgeschreven zoals bepaald is in artikel 1569. Zijn deze formaliteiten niet vervuld binnen de gestelde termijnen, dan houdt het bevel van rechtswege op enig gevolg te hebben en wordt het niet meer vermeld in de hypothecaire getuigschriften.
Wanneer de gevolgen van het bevel geschorst worden voordat het beslag is gelegd, hetzij uit hoofde van verzet tegen de uitvoerbare titel die als grondslag dient voor de vervolging, hetzij uit hoofde van een verzoek om uitstel, (hetzij uit hoofde van een procedure van collectieve schuldenregeling) kan de vervolger de overschrijving van het bevel vorderen zolang dit bevel als eerste akte van de vervolging tot uitvoerend beslag op onroerend goed geldig blijft. <W 1998-07-05/57, art. 7, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Die overschrijving is slechts zes maanden geldig, behoudens vernieuwing vóór het verstrijken van deze termijn. Zo zij na de bedoelde termijn wordt vernieuwd, geldt zij enkel op haar dagtekening.
Dezelfde regel is van toepassing op de overschrijving die vóór het schorsen van de vervolgingen mocht zijn gevorderd.
De vernieuwing geschiedt op verzoekschrift in twee exemplaren gericht aan de [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 en ingediend en ondertekend door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder. Het verzoekschrift bevat de nauwkeurige aanduiding van de te vernieuwen overschrijving en van de oorzaak van de schorsing van de vervolgingen. De vernieuwing geschiedt onverminderd de toepassing van artikel 90, 2° lid, van de wet van 16 december 1851, zo daartoe grond bestaat.
In alle gevallen waarin een exploot van bevel meer dan zes maanden na zijn dagtekening ter overschrijving wordt aangeboden, is het vergezeld van een vordering tot overschrijving met vermelding van de oorzaak van de schorsing van de vervolgingen.
Wanneer de gevolgen van het bevel geschorst worden voordat het beslag is gelegd, hetzij uit hoofde van verzet tegen de uitvoerbare titel die als grondslag dient voor de vervolging, hetzij uit hoofde van een verzoek om uitstel, (hetzij uit hoofde van een procedure van collectieve schuldenregeling) kan de vervolger de overschrijving van het bevel vorderen zolang dit bevel als eerste akte van de vervolging tot uitvoerend beslag op onroerend goed geldig blijft. <W 1998-07-05/57, art. 7, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Die overschrijving is slechts zes maanden geldig, behoudens vernieuwing vóór het verstrijken van deze termijn. Zo zij na de bedoelde termijn wordt vernieuwd, geldt zij enkel op haar dagtekening.
Dezelfde regel is van toepassing op de overschrijving die vóór het schorsen van de vervolgingen mocht zijn gevorderd.
De vernieuwing geschiedt op verzoekschrift in twee exemplaren gericht aan de [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 en ingediend en ondertekend door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder. Het verzoekschrift bevat de nauwkeurige aanduiding van de te vernieuwen overschrijving en van de oorzaak van de schorsing van de vervolgingen. De vernieuwing geschiedt onverminderd de toepassing van artikel 90, 2° lid, van de wet van 16 december 1851, zo daartoe grond bestaat.
In alle gevallen waarin een exploot van bevel meer dan zes maanden na zijn dagtekening ter overschrijving wordt aangeboden, is het vergezeld van een vordering tot overschrijving met vermelding van de oorzaak van de schorsing van de vervolgingen.
Art. 1567. Le commandement doit être suivi dans les six mois, nonobstant opposition du débiteur, d'un exploit de saisie, lequel sera transcrit comme il est dit a l'article 1569. A défaut d'accomplissement de ces formalités dans les délais prévus, le commandement cesse de plein droit de produire tout effet, et il n'est plus mentionné dans les certificats hypothécaires.
Lorsque les effets du commandement sont suspendus avant qu'il soit passé à la saisie, par suite soit d'une opposition au titre exécutoire servant de base à la poursuite, soit d'une demande de délais, (soit d'une procédure de règlement collectif de dettes,) le poursuivant peut requérir la transcription du commandement aussi longtemps que celui-ci reste valable comme premier acte de la poursuite en saisie-exécution immobilière. <L 1998-07-05/57, art. 7, 024; En vigueur : 01-01-1999>
Cette transcription ne vaut que pour six mois, sauf renouvellement avant l'expiration de ce délai; renouvelée après ledit délai, elle ne vaut qu'à sa date.
La même règle est applicable à la transcription qui aurait été requise avant la suspension des poursuites.
Le renouvellement a lieu sur requête adressée en double exemplaire[1 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 et présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice. La requête contient l'indication précise de la transcription à renouveler et de la cause de la suspension des poursuites. Le renouvellement a lieu sans préjudice de l'application de l'alinéa 2 de l'article 90 de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Dans tous les cas ou un exploit de commandement est présenté à la formalité de la transcription plus de six mois à compter de sa date, il est accompagné d'une réquisition à fin de transcription indiquant la cause de la suspension des poursuites.
Lorsque les effets du commandement sont suspendus avant qu'il soit passé à la saisie, par suite soit d'une opposition au titre exécutoire servant de base à la poursuite, soit d'une demande de délais, (soit d'une procédure de règlement collectif de dettes,) le poursuivant peut requérir la transcription du commandement aussi longtemps que celui-ci reste valable comme premier acte de la poursuite en saisie-exécution immobilière. <L 1998-07-05/57, art. 7, 024; En vigueur : 01-01-1999>
Cette transcription ne vaut que pour six mois, sauf renouvellement avant l'expiration de ce délai; renouvelée après ledit délai, elle ne vaut qu'à sa date.
La même règle est applicable à la transcription qui aurait été requise avant la suspension des poursuites.
Le renouvellement a lieu sur requête adressée en double exemplaire[1 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 et présentée, sous leur signature, par un avocat ou un huissier de justice. La requête contient l'indication précise de la transcription à renouveler et de la cause de la suspension des poursuites. Le renouvellement a lieu sans préjudice de l'application de l'alinéa 2 de l'article 90 de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Dans tous les cas ou un exploit de commandement est présenté à la formalité de la transcription plus de six mois à compter de sa date, il est accompagné d'une réquisition à fin de transcription indiquant la cause de la suspension des poursuites.
Änderungen
Art.1568. Het exploot waarbij de schuldeiser aan de schuldenaar het beslag op diens onroerende goederen betekent, bevat behalve de gewone vermeldingen:
1° aangifte van de uitvoerbare titel krachtens welke het beslag wordt gelegd:
2° (de vermelding van de in beslag genomen onroerende goederen op de wijze voorgeschreven bij artikel 141 van de hypotheekwet van 16 december 1851). <W 1995-02-09/35, art. 6, § 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
3° vermelding van de rechter die op het in artikel 1580 bedoelde verzoekschrift zal beschikken.
(4° de vermelding van de mogelijkheid die de schuldenaar geboden wordt, om binnen de acht dagen die volgen op het betekenen van het exploot van beslaglegging, op straffe van onontvankelijkheid, aan de rechter elk aankoopbod uit de hand van zijn onroerend goed over te maken.) <W 1998-07-05/57, art. 8, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
1° aangifte van de uitvoerbare titel krachtens welke het beslag wordt gelegd:
2° (de vermelding van de in beslag genomen onroerende goederen op de wijze voorgeschreven bij artikel 141 van de hypotheekwet van 16 december 1851). <W 1995-02-09/35, art. 6, § 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
3° vermelding van de rechter die op het in artikel 1580 bedoelde verzoekschrift zal beschikken.
(4° de vermelding van de mogelijkheid die de schuldenaar geboden wordt, om binnen de acht dagen die volgen op het betekenen van het exploot van beslaglegging, op straffe van onontvankelijkheid, aan de rechter elk aankoopbod uit de hand van zijn onroerend goed over te maken.) <W 1998-07-05/57, art. 8, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Art.1569. L'exploit de saisie doit être transcrit, au plus tard dans les quinze jours, sur le registre à ce destine, au [1 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 de la situation des biens, pour la partie des biens saisis qui se trouve dans l'arrondissement.
Cette transcription ne vaut que pour trois ans, sauf renouvellement; la saisie cesse de plein droit de produire tout effet, et n'est plus mentionnée dans les certificats hypothécaires si, dans les trois ans de la transcription ou de son renouvellement, les biens saisis n'ont pas été vendus, et si les formalités prescrites par le dernier alinéa de l'article 1598 n'ont pas été accomplies.
Le renouvellement a lieu sur la présentation [1 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 d'une requête en double, signée par un avocat ou un huissier de justice et contenant l'indication précise de la transcription à renouveler, sans préjudice de l'application de l'article 90, alinéa 2, de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Cette transcription ne vaut que pour trois ans, sauf renouvellement; la saisie cesse de plein droit de produire tout effet, et n'est plus mentionnée dans les certificats hypothécaires si, dans les trois ans de la transcription ou de son renouvellement, les biens saisis n'ont pas été vendus, et si les formalités prescrites par le dernier alinéa de l'article 1598 n'ont pas été accomplies.
Le renouvellement a lieu sur la présentation [1 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 d'une requête en double, signée par un avocat ou un huissier de justice et contenant l'indication précise de la transcription à renouveler, sans préjudice de l'application de l'article 90, alinéa 2, de la loi du 16 décembre 1851, s'il y a lieu.
Änderungen
Art.1569. Het beslagexploot moet uiterlijk binnen vijftien dagen in het daartoe bestemde register worden overgeschreven op het [1 bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 van de plaats waar de goederen gelegen zijn, voor het gedeelte van de in beslag genomen goederen dat in het arrondissement ligt.
Deze overschrijving geldt slechts voor drie jaar, behalve indien zij wordt vernieuwd; het beslag houdt van rechtswege op enig gevolg te hebben en wordt niet meer vermeld in de hypothecaire getuigschriften, indien de in beslag genomen goederen niet verkocht zijn binnen drie jaar na de overschrijving of na de vernieuwing ervan, en indien de formaliteiten voorgeschreven in artikel 1598, laatste lid, niet vervuld zijn.
De vernieuwing heeft plaats op vertoon, aan de [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1, van een in tweevoud opgemaakt en door een advokaat of een gerechtsdeurwaarder ondertekend verzoekschrift dat de te vernieuwen overschrijving nauwkeurig aangeeft, onverminderd de toepassing van artikel 90, 2° lid, van de wet van 16 december 1851, zo daartoe grond bestaat.
Deze overschrijving geldt slechts voor drie jaar, behalve indien zij wordt vernieuwd; het beslag houdt van rechtswege op enig gevolg te hebben en wordt niet meer vermeld in de hypothecaire getuigschriften, indien de in beslag genomen goederen niet verkocht zijn binnen drie jaar na de overschrijving of na de vernieuwing ervan, en indien de formaliteiten voorgeschreven in artikel 1598, laatste lid, niet vervuld zijn.
De vernieuwing heeft plaats op vertoon, aan de [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1, van een in tweevoud opgemaakt en door een advokaat of een gerechtsdeurwaarder ondertekend verzoekschrift dat de te vernieuwen overschrijving nauwkeurig aangeeft, onverminderd de toepassing van artikel 90, 2° lid, van de wet van 16 december 1851, zo daartoe grond bestaat.
Art.1570. La transcription est faite par [2 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2, sous peine de tous dommages-intérêts, au plus tard dans la huitaine de la remise de l'exploit de saisie. Néanmoins, la transcription prend date du jour de la remise de cet exploit.
Si [2 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 ne peut procéder à la transcription de l'exploit de saisie à l'instant ou elle est requise, [2 elle]2 fait mention sur les exploits originaux qui lui sont laissés, du jour et de l'heure ou la remise lui en a été faite. En cas de concurrence, l'exploit présenté en premier lieu est seul transcrit.
[1 Sous réserve de l'application de l'article 1653, la radiation des transcriptions relatives aux saisies immobilières exécutions ou à leur renouvellement est opérée soit conformément aux articles 92 à 94 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, soit sur remise d'un exploit de signification auquel est annexé l'acte de mainlevée signé par le créancier, le tout sans préjudice de l'article 1584 du Code judiciaire.]1
Si [2 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 ne peut procéder à la transcription de l'exploit de saisie à l'instant ou elle est requise, [2 elle]2 fait mention sur les exploits originaux qui lui sont laissés, du jour et de l'heure ou la remise lui en a été faite. En cas de concurrence, l'exploit présenté en premier lieu est seul transcrit.
[1 Sous réserve de l'application de l'article 1653, la radiation des transcriptions relatives aux saisies immobilières exécutions ou à leur renouvellement est opérée soit conformément aux articles 92 à 94 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, soit sur remise d'un exploit de signification auquel est annexé l'acte de mainlevée signé par le créancier, le tout sans préjudice de l'article 1584 du Code judiciaire.]1
Art.1570. De overschrijving wordt door de [2 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]2, op straffe van schadevergoeding, gedaan uiterlijk binnen acht dagen na de afgifte van het beslagexploot. Als dagtekening van de overschrijving geldt evenwel de dag van afgifte van het exploot.
Kan de [2 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie ]2 de overschrijving van het beslagexploot niet verrichten op het ogenblik dat zij wordt gevorderd, dan vermeldt [2 zij]2 op de originele exploten die [2 haar]2 worden gelaten de dag en het uur waarop ze [2 haar]2 worden overhandigd. In geval van samenloop wordt het eerst aangeboden exploot alleen overgeschreven.
[1 Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 1653, wordt de doorhaling van overschrijvingen betreffende uitvoerend beslag op onroerend goed of hun vernieuwing verkregen hetzij in overeenstemming met de artikelen 92 tot 94 van de hypotheekwet van 16 december 1851, hetzij op voorlegging van een exploot van betekening waarvan de akte van handlichting ondertekend door de schuldeiser gehecht is, onverminderd artikel 1584 van het Gerechtelijk Wetboek.]1
Kan de [2 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie ]2 de overschrijving van het beslagexploot niet verrichten op het ogenblik dat zij wordt gevorderd, dan vermeldt [2 zij]2 op de originele exploten die [2 haar]2 worden gelaten de dag en het uur waarop ze [2 haar]2 worden overhandigd. In geval van samenloop wordt het eerst aangeboden exploot alleen overgeschreven.
[1 Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 1653, wordt de doorhaling van overschrijvingen betreffende uitvoerend beslag op onroerend goed of hun vernieuwing verkregen hetzij in overeenstemming met de artikelen 92 tot 94 van de hypotheekwet van 16 december 1851, hetzij op voorlegging van een exploot van betekening waarvan de akte van handlichting ondertekend door de schuldeiser gehecht is, onverminderd artikel 1584 van het Gerechtelijk Wetboek.]1
Art. 1570. La transcription est faite par [2 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2, sous peine de tous dommages-intérêts, au plus tard dans la huitaine de la remise de l'exploit de saisie. Néanmoins, la transcription prend date du jour de la remise de cet exploit.
Si [2 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 ne peut procéder à la transcription de l'exploit de saisie à l'instant ou elle est requise, [2 elle]2 fait mention sur les exploits originaux qui lui sont laissés, du jour et de l'heure ou la remise lui en a été faite. En cas de concurrence, l'exploit présenté en premier lieu est seul transcrit.
[1 Sous réserve de l'application de l'article 1653, la radiation des transcriptions relatives aux saisies immobilières exécutions ou à leur renouvellement est opérée soit conformément aux articles 92 à 94 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, soit sur remise d'un exploit de signification auquel est annexé l'acte de mainlevée signé par le créancier, le tout sans préjudice de l'article 1584 du Code judiciaire.]1
Si [2 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 ne peut procéder à la transcription de l'exploit de saisie à l'instant ou elle est requise, [2 elle]2 fait mention sur les exploits originaux qui lui sont laissés, du jour et de l'heure ou la remise lui en a été faite. En cas de concurrence, l'exploit présenté en premier lieu est seul transcrit.
[1 Sous réserve de l'application de l'article 1653, la radiation des transcriptions relatives aux saisies immobilières exécutions ou à leur renouvellement est opérée soit conformément aux articles 92 à 94 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, soit sur remise d'un exploit de signification auquel est annexé l'acte de mainlevée signé par le créancier, le tout sans préjudice de l'article 1584 du Code judiciaire.]1
Art.1571. Indien er reeds vroeger een beslag is overgelegd en overgeschreven, vermeldt de [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 [1 haar]1 weigering op de kant van het tweede beslag alsmede de datum van het vroegere beslag, de naam, de voornaam [2 en de woonplaats]2 van de beslaglegger en van de beslagene en de datum van de overschrijving.
Art.1572. Si les immeubles saisis ne sont pas loués ou affermés, le saisi reste en possession jusqu'à la vente, comme séquestre judiciaire, à moins que, sur la demande d'un ou de plusieurs créanciers, il n'en soit autrement ordonné par le juge.
Ces créanciers peuvent néanmoins, après y avoir été autorisés par le juge, faire procéder à la coupe et à la vente, en tout ou en partie, des fruits pendants par racines.
Ces décisions ne sont susceptibles ni d'opposition ni d'appel.
Les fruits sont vendus aux enchères ou de toute autre manière ordonnée par le juge, dans le délai qu'il fixe, et le prix est déposé à la Caisse des dépôts et consignations, pour être distribué avec le prix des immeubles, par ordre d'hypothèques.
Ces créanciers peuvent néanmoins, après y avoir été autorisés par le juge, faire procéder à la coupe et à la vente, en tout ou en partie, des fruits pendants par racines.
Ces décisions ne sont susceptibles ni d'opposition ni d'appel.
Les fruits sont vendus aux enchères ou de toute autre manière ordonnée par le juge, dans le délai qu'il fixe, et le prix est déposé à la Caisse des dépôts et consignations, pour être distribué avec le prix des immeubles, par ordre d'hypothèques.
Art.1572. Indien de in beslag genomen onroerende goederen niet verhuurd of verpacht zijn, blijft de beslagene, als gerechtelijk sekwester, in het bezit tot bij de verkoop, tenzij de rechter, op verzoek van één of meer schuldeisers, anders beschikt.
Deze schuldeisers kunnen nochtans, nadat de rechter hen daartoe heeft gemachtigd, alle wortelvaste vruchten of een deel ervan doen inzamelen en verkopen.
Deze beslissingen zijn niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.
De vruchten worden bij opbod of op enige andere door de rechter bevolen wijze verkocht binnen de termijn die hij bepaalt, en de prijs wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort om met de prijs van de onroerende goederen te worden verdeeld volgens de rang der hypotheken.
Deze schuldeisers kunnen nochtans, nadat de rechter hen daartoe heeft gemachtigd, alle wortelvaste vruchten of een deel ervan doen inzamelen en verkopen.
Deze beslissingen zijn niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.
De vruchten worden bij opbod of op enige andere door de rechter bevolen wijze verkocht binnen de termijn die hij bepaalt, en de prijs wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort om met de prijs van de onroerende goederen te worden verdeeld volgens de rang der hypotheken.
Art. 1572. Si les immeubles saisis ne sont pas loués ou affermés, le saisi reste en possession jusqu'à la vente, comme séquestre judiciaire, à moins que, sur la demande d'un ou de plusieurs créanciers, il n'en soit autrement ordonné par le juge.
Ces créanciers peuvent néanmoins, après y avoir été autorisés par le juge, faire procéder à la coupe et à la vente, en tout ou en partie, des fruits pendants par racines.
Ces décisions ne sont susceptibles ni d'opposition ni d'appel.
Les fruits sont vendus aux enchères ou de toute autre manière ordonnée par le juge, dans le délai qu'il fixe, et le prix est déposé à la Caisse des dépôts et consignations, pour être distribué avec le prix des immeubles, par ordre d'hypothèques.
Ces créanciers peuvent néanmoins, après y avoir été autorisés par le juge, faire procéder à la coupe et à la vente, en tout ou en partie, des fruits pendants par racines.
Ces décisions ne sont susceptibles ni d'opposition ni d'appel.
Les fruits sont vendus aux enchères ou de toute autre manière ordonnée par le juge, dans le délai qu'il fixe, et le prix est déposé à la Caisse des dépôts et consignations, pour être distribué avec le prix des immeubles, par ordre d'hypothèques.
Art.1573. De natuurlijke vruchten en de vruchten van nijverheid, door de beslagene ingezameld na het beslagexploot, of de prijs die zij opbrengen, worden voor onroerend gehouden om samen met de prijs van de onroerende goederen te worden verdeeld overeenkomstig artikel 1572.
Art. 1573. Les fruits naturels et industriels recueillis par le saisi, postérieurement à l'exploit de saisie ou le prix qui en proviendra, sont immobilisés pour être distribués avec le prix de l'immeuble, conformément à l'article 1572.
Art.1574. De beslagene mag geen houtkap verrichten of geen beschadiging veroorzaken, op straffe van schadevergoeding.
Art.1575. Les baux qui n'ont pas de date certaine avant la transcription de l'exploit de saisie ne sont opposables ni aux créanciers inscrits ou à tout autre créancier qui aurait fait utilement la transcription prévue à l'article 1565, ni aux saisissants, ni à l'adjudicataire.
Ne sont également pas opposables à ces créanciers, aux saisissants ou à l'adjudicataire, les baux consentis par le saisi après la transcription du commandement ou de l'exploit de saisie, même s'ils ont date certaine, et les baux consentis après le commandement, même non transcrit, s'ils excèdent neuf ans ou contiennent quittance de trois années au moins de loyer.
Ne sont également pas opposables à ces créanciers, aux saisissants ou à l'adjudicataire, les baux consentis par le saisi après la transcription du commandement ou de l'exploit de saisie, même s'ils ont date certaine, et les baux consentis après le commandement, même non transcrit, s'ils excèdent neuf ans ou contiennent quittance de trois années au moins de loyer.
Art.1575. Huurcontracten die geen vaste dagtekening hebben voor de overschrijving van het beslagexploot kunnen niet worden ingeroepen tegen de ingeschreven schuldeisers, noch tegen enige andere schuldeiser die naar behoren de in artikel 1565 bedoelde overschrijving heeft gedaan, noch tegen de beslagleggers, noch tegen de koper.
Evenmin kunnen tegen deze schuldeisers, de beslagleggers of de koper huurcontracten worden ingeroepen, die de beslagene heeft toegestaan na de overschrijving van het bevel of van het exploot van beslaglegging, zelfs indien zij een vaste dagtekening hebben, en huurcontracten, toegestaan na het bevel, al werd dit niet overgeschreven, indien zij voor langer dan negen jaar zijn aangegaan of kwijting inhouden van ten minste drie jaar huur.
Evenmin kunnen tegen deze schuldeisers, de beslagleggers of de koper huurcontracten worden ingeroepen, die de beslagene heeft toegestaan na de overschrijving van het bevel of van het exploot van beslaglegging, zelfs indien zij een vaste dagtekening hebben, en huurcontracten, toegestaan na het bevel, al werd dit niet overgeschreven, indien zij voor langer dan negen jaar zijn aangegaan of kwijting inhouden van ten minste drie jaar huur.
Art.1576. Les loyers et fermages sont immobilisés à partir de l'exploit de saisie, pour être distribués, avec le prix de l'immeuble, par ordre d'hypothèques.
Un simple acte d'opposition, à la requête du poursuivant ou de tout autre créancier, entre les mains des fermiers et locataires, oblige ceux-ci à déclarer au poursuivant, dans les formes et délais prévus à l'article 1452, le montant de leurs loyers et fermages échus et à échoir. Ils ne pourront se libérer qu'en exécution de mandements de collocation ou par le versement des loyers et fermages à la Caisse des dépôts et consignations, au plus tard à la première réquisition.
A défaut d'opposition, les paiements faits au saisi sont valables, et celui-ci est comptable, comme séquestre judiciaire, des sommes qu'il a reçues.
Un simple acte d'opposition, à la requête du poursuivant ou de tout autre créancier, entre les mains des fermiers et locataires, oblige ceux-ci à déclarer au poursuivant, dans les formes et délais prévus à l'article 1452, le montant de leurs loyers et fermages échus et à échoir. Ils ne pourront se libérer qu'en exécution de mandements de collocation ou par le versement des loyers et fermages à la Caisse des dépôts et consignations, au plus tard à la première réquisition.
A défaut d'opposition, les paiements faits au saisi sont valables, et celui-ci est comptable, comme séquestre judiciaire, des sommes qu'il a reçues.
Art.1576. Huur- en pachtgelden worden vanaf het beslagexploot voor onroerend gehouden om, samen met de prijs van het onroerend goed, volgens de rang van de hypotheken te worden verdeeld.
Een gewone akte van verzet, op verzoek van de vervolgende partij of van enige andere schuldeiser gedaan in handen van de pachters en huurders, verplicht dezen, met inachtneming van de vormen en termijnen bepaald in artikel 1452, het bedrag van hun vervallen en te vervallen huur- en pachtgelden aan de vervolgende partij op te geven. Zij kunnen zich niet bevrijden dan krachtens bevelschriften tot uitbetaling of door storting van de huur- en pachtgelden in de Deposito- en Consignatiekas, uiterlijk op de eerste vordering.
Is er geen verzet gedaan, dan zijn de betalingen aan de beslagene geldig, en deze is als gerechtelijk sekwester gehouden rekening te doen van de sommen die hij ontvangen heeft.
Een gewone akte van verzet, op verzoek van de vervolgende partij of van enige andere schuldeiser gedaan in handen van de pachters en huurders, verplicht dezen, met inachtneming van de vormen en termijnen bepaald in artikel 1452, het bedrag van hun vervallen en te vervallen huur- en pachtgelden aan de vervolgende partij op te geven. Zij kunnen zich niet bevrijden dan krachtens bevelschriften tot uitbetaling of door storting van de huur- en pachtgelden in de Deposito- en Consignatiekas, uiterlijk op de eerste vordering.
Is er geen verzet gedaan, dan zijn de betalingen aan de beslagene geldig, en deze is als gerechtelijk sekwester gehouden rekening te doen van de sommen die hij ontvangen heeft.
Art. 1576. Les loyers et fermages sont immobilisés à partir de l'exploit de saisie, pour être distribués, avec le prix de l'immeuble, par ordre d'hypothèques.
Un simple acte d'opposition, à la requête du poursuivant ou de tout autre créancier, entre les mains des fermiers et locataires, oblige ceux-ci à déclarer au poursuivant, dans les formes et délais prévus à l'article 1452, le montant de leurs loyers et fermages échus et à échoir. Ils ne pourront se libérer qu'en exécution de mandements de collocation ou par le versement des loyers et fermages à la Caisse des dépôts et consignations, au plus tard à la première réquisition.
A défaut d'opposition, les paiements faits au saisi sont valables, et celui-ci est comptable, comme séquestre judiciaire, des sommes qu'il a reçues.
Un simple acte d'opposition, à la requête du poursuivant ou de tout autre créancier, entre les mains des fermiers et locataires, oblige ceux-ci à déclarer au poursuivant, dans les formes et délais prévus à l'article 1452, le montant de leurs loyers et fermages échus et à échoir. Ils ne pourront se libérer qu'en exécution de mandements de collocation ou par le versement des loyers et fermages à la Caisse des dépôts et consignations, au plus tard à la première réquisition.
A défaut d'opposition, les paiements faits au saisi sont valables, et celui-ci est comptable, comme séquestre judiciaire, des sommes qu'il a reçues.
Art.1577. Vanaf de dag van de overschrijving van het beslag of van het bevel, kunnen de handelingen van vervreemding of van vestiging van een hypotheek, verricht door de schuldenaar op de onroerende goederen waarop beslag is gelegd of die in het bevel zijn aangeduid, niet ingeroepen worden tegen de in artikel 1575 bedoelde derden.
Dit geldt eveneens voor de vervreemdingen of vestigingen van een hypotheek verricht vóór de overschrijving van het beslag of van het bevel, maar op dat ogenblik nog niet overgeschreven of ingeschreven.
Dit geldt eveneens voor de vervreemdingen of vestigingen van een hypotheek verricht vóór de overschrijving van het beslag of van het bevel, maar op dat ogenblik nog niet overgeschreven of ingeschreven.
Art.1578. Néanmoins, l'aliénation ou la constitution d'hypothèque ainsi faite est opposable aux tiers précités si, avant le jour fixé pour l'adjudication, l'acquéreur ou le créancier hypothécaire consigne les deniers suffisants pour acquitter, en principal et accessoires, les sommes exigibles dues aux créanciers inscrits, ainsi qu'aux saisissants et à tout autre créancier qui aurait fait utilement la transcription prévue à l'article 1565. Aucun délai ne peut être accordé pour cette consignation et il ne pourra être sursis à l'adjudication.
Si les deniers consignés ont été empruntés, les prêteurs n'auront d'hypothèque que postérieurement aux créanciers inscrits lors de l'aliénation.
Si les deniers consignés ont été empruntés, les prêteurs n'auront d'hypothèque que postérieurement aux créanciers inscrits lors de l'aliénation.
Art.1578. Een aldus gedane vervreemding of vestiging van een hypotheek kan evenwel tegen voornoemde derden worden ingeroepen, indien de verkrijger of de hypothecaire schuldeiser, vóór de dag bepaald voor de toewijzing, voldoende geld in consignatie geeft tot betaling in kapitaal en toebehoren van de opeisbare bedragen, verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers, alsook aan de beslagleggers en aan elke andere schuldeiser die naar behoren de in artikel 1565 bepaalde overschrijving heeft gedaan. Geen verder uitstel mag voor deze consignatie worden verleend en de veiling mag niet worden geschorst.
Indien het aldus in consignatie gegeven geld geleend is, hebben de uitleners slechts hypotheek na de schuldeisers die op het tijdstip van de vervreemding zijn ingeschreven.
Indien het aldus in consignatie gegeven geld geleend is, hebben de uitleners slechts hypotheek na de schuldeisers die op het tijdstip van de vervreemding zijn ingeschreven.
Art. 1578. Néanmoins, l'aliénation ou la constitution d'hypothèque ainsi faite est opposable aux tiers précités si, avant le jour fixé pour l'adjudication, l'acquéreur ou le créancier hypothécaire consigne les deniers suffisants pour acquitter, en principal et accessoires, les sommes exigibles dues aux créanciers inscrits, ainsi qu'aux saisissants et à tout autre créancier qui aurait fait utilement la transcription prévue à l'article 1565. Aucun délai ne peut être accordé pour cette consignation et il ne pourra être sursis à l'adjudication.
Si les deniers consignés ont été empruntés, les prêteurs n'auront d'hypothèque que postérieurement aux créanciers inscrits lors de l'aliénation.
Si les deniers consignés ont été empruntés, les prêteurs n'auront d'hypothèque que postérieurement aux créanciers inscrits lors de l'aliénation.
Art.1579. Zolang de vordering niet aan de ingeschreven schuldeisers gemeen is gemaakt overeenkomstig artikel 1584, mag de consignatie beperkt worden tot een bedrag dat toereikt om het verschuldigde te kwijten aan de schuldeiser die zijn bevel heeft doen overschrijven, en aan de beslagleggers.
Art.1580. (Dans le mois de la transcription de la saisie), le créancier présente requête au juge, aux fins de nomination d'un notaire chargé de procéder à l'adjudication (ou à la vente de gré à gré) des biens saisis et aux opérations d'ordre. <L 24-06-1970, art. 33> <L 1998-07-05/57, art. 9, 024; En vigueur : 01-01-1999>
Le poursuivant dépose au greffe, lors du dépôt de la requête, outre les originaux du commandement et l'exploit de saisie prévus aux articles 1564 et 1567, portant la mention de la transcription prescrite à l'article 1569, le titre en vertu duquel la procédure est poursuivie ainsi que les extraits de la matrice cadastrale relatifs aux biens saisis.
(Sans préjudice des dispositions de l'article 1498, en cas d'absence ou de résistance du saisi ou de l'occupant des biens immobiliers saisis, le notaire nommé est autorisé, aux frais du saisi, à avoir accès aux biens immobiliers saisis, au besoin avec le concours de la force publique, assistée, le cas échéant, par un serrurier, pour faire respecter les conditions de vente ou pour permettre la visite des lieux par les personnes intéressées.
L'occupant est informé de l'ordonnance et des jours et heures de visite prévus dans les conditions de vente.
Si la résistance est due à l'occupant des biens immobiliers saisis, le saisi est autorisé à récupérer ses frais auprès de l'occupant.
Les alinéas 3, 4 et 5 du présent article sont repris dans l'ordonnance de nomination du notaire.) <L 1998-05-18/42, art. 2, 023; En vigueur : 28-07-1998>
Le poursuivant dépose au greffe, lors du dépôt de la requête, outre les originaux du commandement et l'exploit de saisie prévus aux articles 1564 et 1567, portant la mention de la transcription prescrite à l'article 1569, le titre en vertu duquel la procédure est poursuivie ainsi que les extraits de la matrice cadastrale relatifs aux biens saisis.
(Sans préjudice des dispositions de l'article 1498, en cas d'absence ou de résistance du saisi ou de l'occupant des biens immobiliers saisis, le notaire nommé est autorisé, aux frais du saisi, à avoir accès aux biens immobiliers saisis, au besoin avec le concours de la force publique, assistée, le cas échéant, par un serrurier, pour faire respecter les conditions de vente ou pour permettre la visite des lieux par les personnes intéressées.
L'occupant est informé de l'ordonnance et des jours et heures de visite prévus dans les conditions de vente.
Si la résistance est due à l'occupant des biens immobiliers saisis, le saisi est autorisé à récupérer ses frais auprès de l'occupant.
Les alinéas 3, 4 et 5 du présent article sont repris dans l'ordonnance de nomination du notaire.) <L 1998-05-18/42, art. 2, 023; En vigueur : 28-07-1998>
Art.1580. (Binnen een maand na de overschrijving van het beslag) dient de schuldeiser bij de rechter een verzoekschrift in tot benoeming van een notaris belast met de veiling (of de verkoop uit de hand) van de in beslag genomen goederen en met de verrichtingen tot rangregeling. <W 24-06-1970, art. 33> <W 1998-07-05/57, art. 9, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Behalve de originelen van het bevel en van het exploot van beslaglegging houdende vermelding van de bij artikel 1569 verplicht gestelde overschrijving, die bedoeld zijn in de artikelen 1564 en 1567, worden bij het indienen van het verzoekschrift ook de titel krachtens welke de procedure wordt gevoerd, alsmede de uittreksels uit de kadastrale legger betreffende de in beslag genomen goederen, ter griffie neergelegd door de vervolgende partij.
(De benoemde notaris is gemachtigd, in geval van afwezigheid of tegenwerking van de beslagene of bewoner van de in beslag genomen onroerende goederen, op kosten van de beslagene toegang te krijgen tot de in beslag genomen onroerende goederen, indien nodig met behulp van de openbare macht, in voorkomend geval bijgestaan door een slotenmaker, met het oog op de naleving van de verkoopvoorwaarden of de bezichtiging door de belangstellenden, onverminderd de bepalingen van artikel 1498.
De bewoner wordt in kennis gesteld van de beschikking en van de bezichtigingsdagen en -uren als bepaald in de verkoopvoorwaarden.
Indien de tegenwerking te wijten is aan de bewoner van de in beslag genomen onroerende goederen, is de beslagene gerechtigd de kosten op hem te verhalen.
Het derde, vierde en vijfde lid van dit artikel worden opgenomen in de beschikking tot benoeming van de notaris.) <W 1998-05-18/42, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 28-07-1998>
Behalve de originelen van het bevel en van het exploot van beslaglegging houdende vermelding van de bij artikel 1569 verplicht gestelde overschrijving, die bedoeld zijn in de artikelen 1564 en 1567, worden bij het indienen van het verzoekschrift ook de titel krachtens welke de procedure wordt gevoerd, alsmede de uittreksels uit de kadastrale legger betreffende de in beslag genomen goederen, ter griffie neergelegd door de vervolgende partij.
(De benoemde notaris is gemachtigd, in geval van afwezigheid of tegenwerking van de beslagene of bewoner van de in beslag genomen onroerende goederen, op kosten van de beslagene toegang te krijgen tot de in beslag genomen onroerende goederen, indien nodig met behulp van de openbare macht, in voorkomend geval bijgestaan door een slotenmaker, met het oog op de naleving van de verkoopvoorwaarden of de bezichtiging door de belangstellenden, onverminderd de bepalingen van artikel 1498.
De bewoner wordt in kennis gesteld van de beschikking en van de bezichtigingsdagen en -uren als bepaald in de verkoopvoorwaarden.
Indien de tegenwerking te wijten is aan de bewoner van de in beslag genomen onroerende goederen, is de beslagene gerechtigd de kosten op hem te verhalen.
Het derde, vierde en vijfde lid van dit artikel worden opgenomen in de beschikking tot benoeming van de notaris.) <W 1998-05-18/42, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 28-07-1998>
Art. 1580bis. [1 Lorsque l'intérêt des parties le requiert, le juge peut ordonner la vente de gré à gré.
En cas de réalisation de l'immeuble servant d'habitation principale au débiteur, le juge peut en outre désigner comme acquéreur, la personne qui laisse au débiteur l'usage de son habitation.
Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers]2 qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2, le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience.
L'ordonnance doit indiquer les raisons pour lesquelles la vente de gré à gré et le cas échéant, la désignation de l'acquéreur conformément à l'alinéa 2, servent l'intérêt des créanciers, du débiteur et le cas échéant, du tiers détenteur. Elle mentionne expressément l'identité des créanciers dûment appelés à la procédure.
Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
La vente doit avoir lieu dans le délai fixé et par le ministère du notaire commis par l'ordonnance.
Toutes nullités qui entacheraient un acte de procédure antérieur sont couvertes par l'ordonnance.
L'ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
En cas de réalisation de l'immeuble servant d'habitation principale au débiteur, le juge peut en outre désigner comme acquéreur, la personne qui laisse au débiteur l'usage de son habitation.
Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers]2 qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2, le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience.
L'ordonnance doit indiquer les raisons pour lesquelles la vente de gré à gré et le cas échéant, la désignation de l'acquéreur conformément à l'alinéa 2, servent l'intérêt des créanciers, du débiteur et le cas échéant, du tiers détenteur. Elle mentionne expressément l'identité des créanciers dûment appelés à la procédure.
Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
La vente doit avoir lieu dans le délai fixé et par le ministère du notaire commis par l'ordonnance.
Toutes nullités qui entacheraient un acte de procédure antérieur sont couvertes par l'ordonnance.
L'ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
Art. 1580bis. [1 Indien het belang van de partijen zulks vereist, kan de rechter de verkoop uit de hand bevelen.
Bij tegeldemaking van het onroerend goed dat als hoofdverblijf van de schuldenaar dient, kan de rechter bovendien als verkrijger de persoon aanduiden die aan de schuldenaar het gebruik van zijn woning laat.
De ingeschreven hypothecaire [2 schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers]2 die een bevel of een exploot van beslaglegging hebben laten overschrijven [2 en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden]2, de beslagene en desgevallend de derde houder dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt.
De beschikking moet aangeven om welke redenen de verkoop uit de hand en, desgevallend, de aanduiding van de verkrijger overeenkomstig het tweede lid, het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en desgevallend van de derde houder, dienen. Zij vermeldt uitdrukkelijk de identiteit van de schuldeisers die naar behoren bij de procedure zijn opgeroepen.
Bij het aanwenden van deze verkoopsvorm kan een minimumprijs worden opgelegd.
De verkoop moet geschieden binnen de vastgestelde termijn en door het ambt van de notaris die bij de beschikking is benoemd.
Alle nietigheden die een voorgaande procedurehandeling zouden aantasten worden gedekt door de beschikking.
De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.]1
Bij tegeldemaking van het onroerend goed dat als hoofdverblijf van de schuldenaar dient, kan de rechter bovendien als verkrijger de persoon aanduiden die aan de schuldenaar het gebruik van zijn woning laat.
De ingeschreven hypothecaire [2 schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers]2 die een bevel of een exploot van beslaglegging hebben laten overschrijven [2 en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden]2, de beslagene en desgevallend de derde houder dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt.
De beschikking moet aangeven om welke redenen de verkoop uit de hand en, desgevallend, de aanduiding van de verkrijger overeenkomstig het tweede lid, het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en desgevallend van de derde houder, dienen. Zij vermeldt uitdrukkelijk de identiteit van de schuldeisers die naar behoren bij de procedure zijn opgeroepen.
Bij het aanwenden van deze verkoopsvorm kan een minimumprijs worden opgelegd.
De verkoop moet geschieden binnen de vastgestelde termijn en door het ambt van de notaris die bij de beschikking is benoemd.
Alle nietigheden die een voorgaande procedurehandeling zouden aantasten worden gedekt door de beschikking.
De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.]1
Art. 1580ter. [1 Dans le cas où le créancier saisissant sollicite l'autorisation de vente de gré à gré, il soumet au juge un projet d'acte de vente établi par un notaire, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s'impose. [2 Il y joint un rapport d'expertise établi par l'expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d'acte et un certificat de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale du Service Public Fédéral Finances relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus ainsi que, le cas échéant, le résultat des recherches après consultation du Registre des gages.]2
Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers]2 qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2, ainsi que le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience. L'autorisation est accordée si l'intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur le requiert.
L'ordonnance doit indiquer les raisons pour lesquelles la vente de gré à gré sert l'intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur. Elle mentionne expressément l'identité des créanciers dûment appelés à la procédure.
Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
La vente doit avoir lieu, dans le délai fixé par le ministère du notaire commis par l'ordonnance et conformément au projet d'acte de vente soumis au juge.
Toutes nullités qui entacheraient un acte de procédure antérieur sont couvertes par l'ordonnance.
L'ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers]2 qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2, ainsi que le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience. L'autorisation est accordée si l'intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur le requiert.
L'ordonnance doit indiquer les raisons pour lesquelles la vente de gré à gré sert l'intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur. Elle mentionne expressément l'identité des créanciers dûment appelés à la procédure.
Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
La vente doit avoir lieu, dans le délai fixé par le ministère du notaire commis par l'ordonnance et conformément au projet d'acte de vente soumis au juge.
Toutes nullités qui entacheraient un acte de procédure antérieur sont couvertes par l'ordonnance.
L'ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
Art. 1580ter. [1 Wanneer de beslag leggende schuldeiser machtiging vraagt om uit de hand te verkopen, legt hij de rechter een door een notaris opgesteld ontwerp van verkoopakte voor en zet de redenen uiteen waarom de verkoop uit de hand geboden is. [2 Hierbij voegt hij een schattingsverslag opgemaakt door een deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld en een getuigschrift van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende de te verkopen onroerende goederen evenals desgevallend het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister.]2
De ingeschreven hypothecaire [2 schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers]2 die een bevel of een beslag hebben laten overschrijven [2 en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden]2, de beslagene en desgevallend de derde houder dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. De machtiging wordt verleend indien het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en, desgevallend, van de derde houder zulks vereist.
De beschikking moet aangeven om welke redenen de verkoop uit de hand het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en, desgevallend, van de derde houder, dient. Zij vermeldt uitdrukkelijk de identiteit van de schuldeisers die naar behoren bij de procedure zijn opgeroepen.
Bij het aanwenden van deze verkoopsvorm kan een minimumprijs worden opgelegd.
De verkoop moet geschieden, binnen de vastgestelde termijn, door het ambt van de notaris die bij de beschikking is benoemd en overeenkomstig het ontwerp van verkoopakte dat aan de rechter is voorgelegd.
Alle nietigheden die een voorgaande procedurehandeling zouden aantasten worden gedekt door de beschikking.
De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.]1
De ingeschreven hypothecaire [2 schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers]2 die een bevel of een beslag hebben laten overschrijven [2 en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden]2, de beslagene en desgevallend de derde houder dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. De machtiging wordt verleend indien het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en, desgevallend, van de derde houder zulks vereist.
De beschikking moet aangeven om welke redenen de verkoop uit de hand het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en, desgevallend, van de derde houder, dient. Zij vermeldt uitdrukkelijk de identiteit van de schuldeisers die naar behoren bij de procedure zijn opgeroepen.
Bij het aanwenden van deze verkoopsvorm kan een minimumprijs worden opgelegd.
De verkoop moet geschieden, binnen de vastgestelde termijn, door het ambt van de notaris die bij de beschikking is benoemd en overeenkomstig het ontwerp van verkoopakte dat aan de rechter is voorgelegd.
Alle nietigheden die een voorgaande procedurehandeling zouden aantasten worden gedekt door de beschikking.
De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.]1
Art. 1580ter. [1 Dans le cas où le créancier saisissant sollicite l'autorisation de vente de gré à gré, il soumet au juge un projet d'acte de vente établi par un notaire, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s'impose. [2 Il y joint un rapport d'expertise établi par l'expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d'acte et un certificat de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale du Service Public Fédéral Finances relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus ainsi que, le cas échéant, le résultat des recherches après consultation du Registre des gages.]2
Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers]2 qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2, ainsi que le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience. L'autorisation est accordée si l'intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur le requiert.
L'ordonnance doit indiquer les raisons pour lesquelles la vente de gré à gré sert l'intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur. Elle mentionne expressément l'identité des créanciers dûment appelés à la procédure.
Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
La vente doit avoir lieu, dans le délai fixé par le ministère du notaire commis par l'ordonnance et conformément au projet d'acte de vente soumis au juge.
Toutes nullités qui entacheraient un acte de procédure antérieur sont couvertes par l'ordonnance.
L'ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers]2 qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2, ainsi que le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience. L'autorisation est accordée si l'intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur le requiert.
L'ordonnance doit indiquer les raisons pour lesquelles la vente de gré à gré sert l'intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur. Elle mentionne expressément l'identité des créanciers dûment appelés à la procédure.
Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
La vente doit avoir lieu, dans le délai fixé par le ministère du notaire commis par l'ordonnance et conformément au projet d'acte de vente soumis au juge.
Toutes nullités qui entacheraient un acte de procédure antérieur sont couvertes par l'ordonnance.
L'ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
Art. 1580quater. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 12, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1999> Wanneer artikel 1580bis of artikel 1580ter wordt toegepast, blijft de zaak ingeschreven op de rol tot het verlijden van de notariële akte. Bij moeilijkheden kan zij opnieuw voor de rechter gebracht worden door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden.
Bij weigering van toelating tot verkoop uit de hand of bij het niet plaats vinden ervan benoemt de rechter een notaris belast met de veiling van de goederen en met de verrichtingen tot rangregeling.
Bij weigering van toelating tot verkoop uit de hand of bij het niet plaats vinden ervan benoemt de rechter een notaris belast met de veiling van de goederen en met de verrichtingen tot rangregeling.
Art. 1580quater. Lorsqu'il est fait application de l'article 1580bis ou de l'article 1580ter, la cause reste inscrite au rôle jusqu'à la passation de l'acte notarié. En cas de difficultés, elle peut être ramenée devant le juge par simple déclaration écrite déposée ou adressée au greffe.
En cas de refus d'autorisation de vente de gré à gré ou de non réalisation de celle-ci, le juge nomme un notaire chargé de procéder à l'adjudication des biens et aux opérations d'ordre.
En cas de refus d'autorisation de vente de gré à gré ou de non réalisation de celle-ci, le juge nomme un notaire chargé de procéder à l'adjudication des biens et aux opérations d'ordre.
Art.1581. De uitgifte van de beschikking tot benoeming van de notaris die belast is met de veiling (of de verkoop uit de hand) van de in beslag genomen goederen, wordt hem (binnen de vijftien dagen na de uitspraak) tegen eenvoudig ontvangbewijs ter hand gesteld. <W 24-06-1970, art. 34> <W 1998-07-05/57, art. 13, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Bij verhindering van de notaris voorziet de rechter op verzoekschrift in zijn vervanging.
(De griffie doet de naam van de aangewezen notaris vermelden op het bericht van beslag.) <W 2000-05-29/36, art. 15, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
Bij verhindering van de notaris voorziet de rechter op verzoekschrift in zijn vervanging.
(De griffie doet de naam van de aangewezen notaris vermelden op het bericht van beslag.) <W 2000-05-29/36, art. 15, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
Art.1582. [1 Le cahier des charges, dressé par le notaire commis, indique le jour de la vente ou, en cas d'enchères dématérialisées, le jour du début et le jour de la clôture des enchères et mentionne la délégation du prix au profit des créanciers.
Il indique les mesures de publicité qui seront faites. Cette publicité ne fait pas mention du caractère forcé de la vente.
Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers]2 qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2 ainsi que le débiteur sont sommés un mois au moins avant l'émission de la première enchère, de prendre communication de ce cahier des charges et de suivre les opérations de vente.
Si le cahier des charges fait l'objet de contestations, celles-ci ne sont admissibles que si elles sont présentées au notaire dans les huit jours de la sommation. Le notaire en dresse procès-verbal et sursoit à toutes opérations.
Sur le dépôt d'une expédition du procès-verbal effectué au greffe par le notaire, le juge fixe jour et heure pour l'examen et le règlement des contestations, les parties préalablement entendues ou appelées sous pli judiciaire, à la diligence du greffier. Le cas échéant, le juge fixe un délai pour l'adjudication. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
Il indique les mesures de publicité qui seront faites. Cette publicité ne fait pas mention du caractère forcé de la vente.
Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers]2 qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2 ainsi que le débiteur sont sommés un mois au moins avant l'émission de la première enchère, de prendre communication de ce cahier des charges et de suivre les opérations de vente.
Si le cahier des charges fait l'objet de contestations, celles-ci ne sont admissibles que si elles sont présentées au notaire dans les huit jours de la sommation. Le notaire en dresse procès-verbal et sursoit à toutes opérations.
Sur le dépôt d'une expédition du procès-verbal effectué au greffe par le notaire, le juge fixe jour et heure pour l'examen et le règlement des contestations, les parties préalablement entendues ou appelées sous pli judiciaire, à la diligence du greffier. Le cas échéant, le juge fixe un délai pour l'adjudication. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
Art.1582. [1 De door de benoemde notaris opgemaakte verkoopsvoorwaarden vermelden de dag van de verkoop of, bij gedematerialiseerde biedingen, de dag van de aanvang en de dag van de sluiting van de biedingen, en bevatten overwijzing van de prijs ten behoeve van de schuldeisers.
Zij vermelden de maatregelen die voor de bekendmaking zullen worden genomen. Deze bekendmaking maakt geen melding van de gedwongen aard van de verkoping.
De ingeschreven hypothecaire [2 schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers]2 die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven [2 en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden]2 en de schuldenaar worden ten minste een maand vóór het eerste bod wordt uitgebracht aangemaand om inzage te nemen van die verkoopsvoorwaarden en om de verkoopsverrichtingen te volgen.
In geval van geschil over de verkoopsvoorwaarden, zijn de geschillen alleen toegelaten indien zij worden aangebracht bij de notaris binnen acht dagen na de aanmaning. De notaris maakt er proces-verbaal van op en schorst alle verrichtingen.
Na neerlegging van een uitgifte van het proces-verbaal door de notaris ter griffie, bepaalt de rechter de dag en het uur voor het onderzoek en de berechting van de geschillen, de partijen vooraf gehoord of bij gerechtsbrief opgeroepen door toedoen van de griffier. In voorkomend geval stelt de rechter een termijn voor de toewijzing. De beslissing is niet vatbaar voor verzet noch voor hoger beroep.]1
Zij vermelden de maatregelen die voor de bekendmaking zullen worden genomen. Deze bekendmaking maakt geen melding van de gedwongen aard van de verkoping.
De ingeschreven hypothecaire [2 schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers]2 die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven [2 en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden]2 en de schuldenaar worden ten minste een maand vóór het eerste bod wordt uitgebracht aangemaand om inzage te nemen van die verkoopsvoorwaarden en om de verkoopsverrichtingen te volgen.
In geval van geschil over de verkoopsvoorwaarden, zijn de geschillen alleen toegelaten indien zij worden aangebracht bij de notaris binnen acht dagen na de aanmaning. De notaris maakt er proces-verbaal van op en schorst alle verrichtingen.
Na neerlegging van een uitgifte van het proces-verbaal door de notaris ter griffie, bepaalt de rechter de dag en het uur voor het onderzoek en de berechting van de geschillen, de partijen vooraf gehoord of bij gerechtsbrief opgeroepen door toedoen van de griffier. In voorkomend geval stelt de rechter een termijn voor de toewijzing. De beslissing is niet vatbaar voor verzet noch voor hoger beroep.]1
Art. 1582. [1 Le cahier des charges, dressé par le notaire commis, indique le jour de la vente ou, en cas d'enchères dématérialisées, le jour du début et le jour de la clôture des enchères et mentionne la délégation du prix au profit des créanciers.
Il indique les mesures de publicité qui seront faites. Cette publicité ne fait pas mention du caractère forcé de la vente.
Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers]2 qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2 ainsi que le débiteur sont sommés un mois au moins avant l'émission de la première enchère, de prendre communication de ce cahier des charges et de suivre les opérations de vente.
Si le cahier des charges fait l'objet de contestations, celles-ci ne sont admissibles que si elles sont présentées au notaire dans les huit jours de la sommation. Le notaire en dresse procès-verbal et sursoit à toutes opérations.
Sur le dépôt d'une expédition du procès-verbal effectué au greffe par le notaire, le juge fixe jour et heure pour l'examen et le règlement des contestations, les parties préalablement entendues ou appelées sous pli judiciaire, à la diligence du greffier. Le cas échéant, le juge fixe un délai pour l'adjudication. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
Il indique les mesures de publicité qui seront faites. Cette publicité ne fait pas mention du caractère forcé de la vente.
Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers]2 qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2 ainsi que le débiteur sont sommés un mois au moins avant l'émission de la première enchère, de prendre communication de ce cahier des charges et de suivre les opérations de vente.
Si le cahier des charges fait l'objet de contestations, celles-ci ne sont admissibles que si elles sont présentées au notaire dans les huit jours de la sommation. Le notaire en dresse procès-verbal et sursoit à toutes opérations.
Sur le dépôt d'une expédition du procès-verbal effectué au greffe par le notaire, le juge fixe jour et heure pour l'examen et le règlement des contestations, les parties préalablement entendues ou appelées sous pli judiciaire, à la diligence du greffier. Le cas échéant, le juge fixe un délai pour l'adjudication. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
Art.1583. Indien zich onder de ingeschreven schuldeisers een verkoper van het in beslag genomen onroerend goed bevindt, die bevoorrecht is en die tevens een rechtsvordering tot ontbinding bezit, moet hij binnen vijftien dagen te rekenen van de hem krachtens artikel 1582 gedane aanmaning, tussen de twee rechten een keuze doen op straffe van verval van zijn rechtsvordering tot ontbinding, zodat hij alleen nog zijn voorrecht kan opeisen.
Indien hij de ontbinding van het contract verkiest, moet hij, op straffe van verval, zijn beslissing binnen die termijn betekenen aan de notaris die met de veiling van de in beslag genomen goederen belast is. Deze betekening moet binnen tien dagen worden gevolgd door het instellen van de eis tot ontbinding.
Te rekenen van de dag waarop de verkoper de rechtsvordering tot ontbinding verkozen heeft, wordt de vervolging tot uitwinning geschorst ten aanzien van het onroerend goed, voorwerp van de keuze, en zij kan eerst worden hervat nadat de verkoper afstand heeft gedaan van de rechtsvordering tot ontbinding of nadat deze eis is afgewezen. Ten aanzien van de andere onroerende goederen kan de vervolging eveneens geschorst worden, op aanvraag van de partijen en op beslissing van de rechter.
De vervolgende partij en de ingeschreven schuldeisers kunnen in het geding tot ontbinding tussenkomen.
De voorafgaande bepalingen zijn van toepassing op de ruiler en op de schenker.
Indien hij de ontbinding van het contract verkiest, moet hij, op straffe van verval, zijn beslissing binnen die termijn betekenen aan de notaris die met de veiling van de in beslag genomen goederen belast is. Deze betekening moet binnen tien dagen worden gevolgd door het instellen van de eis tot ontbinding.
Te rekenen van de dag waarop de verkoper de rechtsvordering tot ontbinding verkozen heeft, wordt de vervolging tot uitwinning geschorst ten aanzien van het onroerend goed, voorwerp van de keuze, en zij kan eerst worden hervat nadat de verkoper afstand heeft gedaan van de rechtsvordering tot ontbinding of nadat deze eis is afgewezen. Ten aanzien van de andere onroerende goederen kan de vervolging eveneens geschorst worden, op aanvraag van de partijen en op beslissing van de rechter.
De vervolgende partij en de ingeschreven schuldeisers kunnen in het geding tot ontbinding tussenkomen.
De voorafgaande bepalingen zijn van toepassing op de ruiler en op de schenker.
Art. 1583. Si parmi les créanciers inscrits se trouve un vendeur de l'immeuble saisi ayant à la fois le privilège et l'action résolutoire, il doit dans les quinze jours, à partir de la sommation à lui faite, en vertu de l'article 1582, opter entre ces deux droits, sous peine d'être déchu de l'action en résolution et de ne pouvoir plus réclamer que sont privilège.
S'il opte pour la résolution du contrat, il doit, à peine de déchéance, signifier sa décision dans ce délai au notaire chargé de procéder à l'adjudication des biens saisis. La signification doit être suivie dans les dix jours de la demande en résolution.
A partir du jour où le vendeur a opté pour l'action en résolution, la poursuite en expropriation est suspendue à l'égard de l'immeuble, objet de l'option, et ne peut être reprise qu'après la renonciation, de la part du vendeur, à l'action résolutoire ou après le rejet de cette demande. A l'égard des autres immeubles, la poursuite peut être également suspendue, à la demande des parties et sur la décision du juge.
Le poursuivant et les créanciers inscrits peuvent intervenir dans l'instance en résolution.
Les dispositions qui précèdent sont applicables au copermutant et au donateur.
S'il opte pour la résolution du contrat, il doit, à peine de déchéance, signifier sa décision dans ce délai au notaire chargé de procéder à l'adjudication des biens saisis. La signification doit être suivie dans les dix jours de la demande en résolution.
A partir du jour où le vendeur a opté pour l'action en résolution, la poursuite en expropriation est suspendue à l'égard de l'immeuble, objet de l'option, et ne peut être reprise qu'après la renonciation, de la part du vendeur, à l'action résolutoire ou après le rejet de cette demande. A l'égard des autres immeubles, la poursuite peut être également suspendue, à la demande des parties et sur la décision du juge.
Le poursuivant et les créanciers inscrits peuvent intervenir dans l'instance en résolution.
Les dispositions qui précèdent sont applicables au copermutant et au donateur.
Art.1584. Binnen acht dagen na de dag van het laatste exploot van betekening, wordt van de in artikel 1582 bedoelde aanmaning melding gemaakt op de kant van de overschrijving van het beslag op het [1 bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1.
Vanaf de dag van de vermelding is het beslag gemeen aan de ingeschreven schuldeisers, en kan het niet meer doorgehaald worden dan met hun toestemming en met toestemming van degenen die hun bevel hebben doen overschrijven of krachtens vonnissen tegen hen gewezen.
Vanaf de dag van de vermelding is het beslag gemeen aan de ingeschreven schuldeisers, en kan het niet meer doorgehaald worden dan met hun toestemming en met toestemming van degenen die hun bevel hebben doen overschrijven of krachtens vonnissen tegen hen gewezen.
Art. 1584. Mention de la sommation énoncée à l'article 1582 est faite, dans les huit jours de la date du dernier exploit de signification, en marge de la transcription de la saisie au [1 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1.
Du jour de cette mention, la saisie sera commune aux créanciers, inscrits, et elle ne pourra plus être rayée que de leur consentement et du consentement de ceux qui ont fait transcrire leur commandement ou en vertu de jugements rendus contre eux.
Du jour de cette mention, la saisie sera commune aux créanciers, inscrits, et elle ne pourra plus être rayée que de leur consentement et du consentement de ceux qui ont fait transcrire leur commandement ou en vertu de jugements rendus contre eux.
Änderungen
Art.1585. Het bedrag van de kosten die ten laste van de koper zullen vallen, wordt in het openbaar aangekondigd vóór de opening van de veiling en die aankondiging wordt in het proces-verbaal van toewijzing vermeld.
Art.1586. [1 Il est procédé à l'adjudication à la requête du poursuivant, et, à son défaut, à la requête d'un des créanciers inscrits ou d'un des créanciers dont le commandement a été transcrit.]1
Änderungen
Art.1586. [1 Tot toewijzing wordt overgegaan op verzoek van de vervolgende partij, en bij gebreke van deze, op verzoek van een der ingeschreven schuldeisers of van een der schuldeisers wier bevel is overgeschreven.]1
Art.1587. [1 L'adjudication se fait suivant le mode établi par l'usage des lieux. Elle a lieu dans les six mois de l'ordonnance prévue à l'article 1580.
[2 L'adjudication se fait en une seule séance aux enchères, dématérialisée ou non, à l'exclusion de toute faculté de surenchère.]2 Les articles 1589 et 1590 sont applicables à cette adjudication. Les enchères peuvent être émises sous forme physique ou sous forme dématérialisée. Les conditions de vente déterminent le mode, les conditions et le délai d'émission des enchères. Lors d'une vente publique dématérialisée, le notaire adjuge le bien dans une période de maximum dix jours ouvrables après le moment où les enchères dématérialisées ont été clôturées. L'adjudication se réalise en un même jour, d'une part, par la communication en ligne de l'enchère la plus élevée retenue et, d'autre part, par l'établissement d'un acte qui constate l'enchère la plus élevée retenue ainsi que le consentement du requérant et de l'adjudicataire.
Le cahier des charges peut prévoir que l'adjudication a lieu sous la condition suspensive d'obtention par l'adjudicataire d'un financement. Le cahier des charges fixe les modalités de cette condition. La personne qui a acheté sous cette condition suspensive supporte, en cas de défaillance de la condition, les frais exposés en vue de l'adjudication dans les limites fixées par le cahier des charges.
Préalablement à l'adjudication, le notaire instrumentant peut fixer le montant de la mise à prix, éventuellement après avis d'un expert désigné par lui.
L'enchérisseur qui, dès le début de la séance, propose comme première offre un montant égal ou supérieur à celui de la mise à prix, reçoit une indemnité égale à un pourcent de sa première offre. Cette prime n'est exigible que si le bien est adjugé définitivement à cet enchérisseur. Cette prime est à charge de la masse.
Si personne n'offre le montant de la mise à prix, le notaire provoquera une première offre par enchères dégressives, après quoi la vente se poursuivra par enchères.
Si le notaire instrumentant ne fixe pas de mise à prix, il peut octroyer une prime au premier enchérisseur. Cette prime s'élève à un pourcent du montant offert. Cette prime n'est exigible que si le bien est adjugé définitivement à cet enchérisseur. Cette prime est à charge de la masse.
Les primes visées aux alinéas 4 et 6 sont considérées comme des frais de justice au sens de l'article 17 de la loi hypothécaire.]1
[2 L'adjudication se fait en une seule séance aux enchères, dématérialisée ou non, à l'exclusion de toute faculté de surenchère.]2 Les articles 1589 et 1590 sont applicables à cette adjudication. Les enchères peuvent être émises sous forme physique ou sous forme dématérialisée. Les conditions de vente déterminent le mode, les conditions et le délai d'émission des enchères. Lors d'une vente publique dématérialisée, le notaire adjuge le bien dans une période de maximum dix jours ouvrables après le moment où les enchères dématérialisées ont été clôturées. L'adjudication se réalise en un même jour, d'une part, par la communication en ligne de l'enchère la plus élevée retenue et, d'autre part, par l'établissement d'un acte qui constate l'enchère la plus élevée retenue ainsi que le consentement du requérant et de l'adjudicataire.
Le cahier des charges peut prévoir que l'adjudication a lieu sous la condition suspensive d'obtention par l'adjudicataire d'un financement. Le cahier des charges fixe les modalités de cette condition. La personne qui a acheté sous cette condition suspensive supporte, en cas de défaillance de la condition, les frais exposés en vue de l'adjudication dans les limites fixées par le cahier des charges.
Préalablement à l'adjudication, le notaire instrumentant peut fixer le montant de la mise à prix, éventuellement après avis d'un expert désigné par lui.
L'enchérisseur qui, dès le début de la séance, propose comme première offre un montant égal ou supérieur à celui de la mise à prix, reçoit une indemnité égale à un pourcent de sa première offre. Cette prime n'est exigible que si le bien est adjugé définitivement à cet enchérisseur. Cette prime est à charge de la masse.
Si personne n'offre le montant de la mise à prix, le notaire provoquera une première offre par enchères dégressives, après quoi la vente se poursuivra par enchères.
Si le notaire instrumentant ne fixe pas de mise à prix, il peut octroyer une prime au premier enchérisseur. Cette prime s'élève à un pourcent du montant offert. Cette prime n'est exigible que si le bien est adjugé définitivement à cet enchérisseur. Cette prime est à charge de la masse.
Les primes visées aux alinéas 4 et 6 sont considérées comme des frais de justice au sens de l'article 17 de la loi hypothécaire.]1
Art.1587. [1 De toewijzing wordt gedaan op de wijze bepaald door het plaatselijk gebruik. Zij geschiedt binnen zes maanden na de beschikking bedoeld in artikel 1580.
[2 De toewijzing geschiedt in één enkele al dan niet gedematerialiseerde zitting, bij opbod, met uitsluiting van het recht van hoger bod.]2 De artikelen 1589 en 1590 zijn van toepassing op die toewijzing. De biedingen kunnen zowel fysieke als gedematerialiseerde biedingen zijn. De verkoopsvoorwaarden bepalen de wijze, de voorwaarden en de termijn voor het doen van de biedingen. Bij een gedematerialiseerde openbare verkoop wijst de notaris het goed toe binnen een periode van maximum tien werkdagen na het ogenblik waarop de gedematerialiseerde biedingen werden afgesloten. De toewijzing geschiedt op één en dezelfde dag, enerzijds door het online meedelen van het hoogste in aanmerking genomen bod en anderzijds door het opstellen van een akte waarin het hoogste in aanmerking genomen bod en de instemming van de verzoeker en van de koper worden vastgesteld.
De verkoopsvoorwaarden kunnen bepalen dat de toewijzing plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een financiering door de koper. De verkoopsvoorwaarden stellen de nadere regels van deze voorwaarde vast. Indien de voorwaarde zich niet vervult, staat de persoon die om de opschortende voorwaarde heeft verzocht in voor de kosten die zijn gemaakt met het oog op de toewijzing binnen de grenzen die zijn vastgelegd in de verkoopsvoorwaarden.
De instrumenterende notaris kan voorafgaand aan de toewijzing, eventueel na advies van een door hem aangestelde deskundige, de instelprijs bepalen.
De bieder die bij aanvang van de zitting als eerste bod een bedrag gelijk aan of hoger dan de instelprijs biedt, krijgt een vergoeding gelijk aan een procent van zijn eerste bod. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief aan deze bieder wordt toegewezen. Deze premie is ten laste van de verkoopsmassa.
Als niemand de instelprijs biedt, zal de notaris door afmijning een eerste bod uitlokken, waarna de verkoop wordt voortgezet bij opbod.
Wanneer de instrumenterende notaris geen instelprijs bepaalt, kan hij een premie toekennen aan de eerste bieder. Deze premie bedraagt een procent van het geboden bedrag. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief wordt toegewezen aan deze bieder. Deze premie is ten laste van de verkoopsmassa.
De in het vierde en zesde lid bepaalde premies worden beschouwd als een gerechtskost zoals bepaald in artikel 17 van de Hypotheekwet.]1
[2 De toewijzing geschiedt in één enkele al dan niet gedematerialiseerde zitting, bij opbod, met uitsluiting van het recht van hoger bod.]2 De artikelen 1589 en 1590 zijn van toepassing op die toewijzing. De biedingen kunnen zowel fysieke als gedematerialiseerde biedingen zijn. De verkoopsvoorwaarden bepalen de wijze, de voorwaarden en de termijn voor het doen van de biedingen. Bij een gedematerialiseerde openbare verkoop wijst de notaris het goed toe binnen een periode van maximum tien werkdagen na het ogenblik waarop de gedematerialiseerde biedingen werden afgesloten. De toewijzing geschiedt op één en dezelfde dag, enerzijds door het online meedelen van het hoogste in aanmerking genomen bod en anderzijds door het opstellen van een akte waarin het hoogste in aanmerking genomen bod en de instemming van de verzoeker en van de koper worden vastgesteld.
De verkoopsvoorwaarden kunnen bepalen dat de toewijzing plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een financiering door de koper. De verkoopsvoorwaarden stellen de nadere regels van deze voorwaarde vast. Indien de voorwaarde zich niet vervult, staat de persoon die om de opschortende voorwaarde heeft verzocht in voor de kosten die zijn gemaakt met het oog op de toewijzing binnen de grenzen die zijn vastgelegd in de verkoopsvoorwaarden.
De instrumenterende notaris kan voorafgaand aan de toewijzing, eventueel na advies van een door hem aangestelde deskundige, de instelprijs bepalen.
De bieder die bij aanvang van de zitting als eerste bod een bedrag gelijk aan of hoger dan de instelprijs biedt, krijgt een vergoeding gelijk aan een procent van zijn eerste bod. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief aan deze bieder wordt toegewezen. Deze premie is ten laste van de verkoopsmassa.
Als niemand de instelprijs biedt, zal de notaris door afmijning een eerste bod uitlokken, waarna de verkoop wordt voortgezet bij opbod.
Wanneer de instrumenterende notaris geen instelprijs bepaalt, kan hij een premie toekennen aan de eerste bieder. Deze premie bedraagt een procent van het geboden bedrag. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief wordt toegewezen aan deze bieder. Deze premie is ten laste van de verkoopsmassa.
De in het vierde en zesde lid bepaalde premies worden beschouwd als een gerechtskost zoals bepaald in artikel 17 van de Hypotheekwet.]1
Art. 1587. [1 L'adjudication se fait suivant le mode établi par l'usage des lieux. Elle a lieu dans les six mois de l'ordonnance prévue à l'article 1580.
[2 L'adjudication se fait en une seule séance aux enchères, dématérialisée ou non, à l'exclusion de toute faculté de surenchère.]2 Les articles 1589 et 1590 sont applicables à cette adjudication. Les enchères peuvent être émises sous forme physique ou sous forme dématérialisée. Les conditions de vente déterminent le mode, les conditions et le délai d'émission des enchères. Lors d'une vente publique dématérialisée, le notaire adjuge le bien dans une période de maximum dix jours ouvrables après le moment où les enchères dématérialisées ont été clôturées. L'adjudication se réalise en un même jour, d'une part, par la communication en ligne de l'enchère la plus élevée retenue et, d'autre part, par l'établissement d'un acte qui constate l'enchère la plus élevée retenue ainsi que le consentement du requérant et de l'adjudicataire.
Le cahier des charges peut prévoir que l'adjudication a lieu sous la condition suspensive d'obtention par l'adjudicataire d'un financement. Le cahier des charges fixe les modalités de cette condition. La personne qui a acheté sous cette condition suspensive supporte, en cas de défaillance de la condition, les frais exposés en vue de l'adjudication dans les limites fixées par le cahier des charges.
Préalablement à l'adjudication, le notaire instrumentant peut fixer le montant de la mise à prix, éventuellement après avis d'un expert désigné par lui.
L'enchérisseur qui, dès le début de la séance, propose comme première offre un montant égal ou supérieur à celui de la mise à prix, reçoit une indemnité égale à un pourcent de sa première offre. Cette prime n'est exigible que si le bien est adjugé définitivement à cet enchérisseur. Cette prime est à charge de la masse.
Si personne n'offre le montant de la mise à prix, le notaire provoquera une première offre par enchères dégressives, après quoi la vente se poursuivra par enchères.
Si le notaire instrumentant ne fixe pas de mise à prix, il peut octroyer une prime au premier enchérisseur. Cette prime s'élève à un pourcent du montant offert. Cette prime n'est exigible que si le bien est adjugé définitivement à cet enchérisseur. Cette prime est à charge de la masse.
Les primes visées aux alinéas 4 et 6 sont considérées comme des frais de justice au sens de l'article 17 de la loi hypothécaire.]1
[2 L'adjudication se fait en une seule séance aux enchères, dématérialisée ou non, à l'exclusion de toute faculté de surenchère.]2 Les articles 1589 et 1590 sont applicables à cette adjudication. Les enchères peuvent être émises sous forme physique ou sous forme dématérialisée. Les conditions de vente déterminent le mode, les conditions et le délai d'émission des enchères. Lors d'une vente publique dématérialisée, le notaire adjuge le bien dans une période de maximum dix jours ouvrables après le moment où les enchères dématérialisées ont été clôturées. L'adjudication se réalise en un même jour, d'une part, par la communication en ligne de l'enchère la plus élevée retenue et, d'autre part, par l'établissement d'un acte qui constate l'enchère la plus élevée retenue ainsi que le consentement du requérant et de l'adjudicataire.
Le cahier des charges peut prévoir que l'adjudication a lieu sous la condition suspensive d'obtention par l'adjudicataire d'un financement. Le cahier des charges fixe les modalités de cette condition. La personne qui a acheté sous cette condition suspensive supporte, en cas de défaillance de la condition, les frais exposés en vue de l'adjudication dans les limites fixées par le cahier des charges.
Préalablement à l'adjudication, le notaire instrumentant peut fixer le montant de la mise à prix, éventuellement après avis d'un expert désigné par lui.
L'enchérisseur qui, dès le début de la séance, propose comme première offre un montant égal ou supérieur à celui de la mise à prix, reçoit une indemnité égale à un pourcent de sa première offre. Cette prime n'est exigible que si le bien est adjugé définitivement à cet enchérisseur. Cette prime est à charge de la masse.
Si personne n'offre le montant de la mise à prix, le notaire provoquera une première offre par enchères dégressives, après quoi la vente se poursuivra par enchères.
Si le notaire instrumentant ne fixe pas de mise à prix, il peut octroyer une prime au premier enchérisseur. Cette prime s'élève à un pourcent du montant offert. Cette prime n'est exigible que si le bien est adjugé définitivement à cet enchérisseur. Cette prime est à charge de la masse.
Les primes visées aux alinéas 4 et 6 sont considérées comme des frais de justice au sens de l'article 17 de la loi hypothécaire.]1
Art.1589. Le notaire peut refuser les enchères des personnes qui lui sont inconnues ou dont l'identité ou la solvabilité ne lui paraissent pas justifiées.
Le notaire peut, dans tous les cas, requérir caution de l'adjudicataire. Si la caution n'a pas été exigée lors de la vente, le juge, sur la requête du saisissant, de l'un des créanciers inscrits ou ayant fait transcrire leur commandement ou même du saisi, peut, selon les circonstances, ordonner que caution sera fournie par l'adjudicataire jusqu'à concurrence de la somme déterminée par l'ordonnance.
Le notaire peut, dans tous les cas, requérir caution de l'adjudicataire. Si la caution n'a pas été exigée lors de la vente, le juge, sur la requête du saisissant, de l'un des créanciers inscrits ou ayant fait transcrire leur commandement ou même du saisi, peut, selon les circonstances, ordonner que caution sera fournie par l'adjudicataire jusqu'à concurrence de la somme déterminée par l'ordonnance.
Art.1589. De notaris kan het bod weigeren van personen die hem onbekend zijn of van wie de identiteit of de gegoedheid hem niet bewezen schijnen.
De notaris kan in alle gevallen eisen dat de koper borg stelt. Indien bij de verkoop geen borgstelling geëist is, kan de rechter, op verzoek van de beslaglegger, van een der ingeschreven schuldeisers, of van een der schuldeisers die hun bevel hebben doen overschrijven of zelfs van de beslagene, naar gelang van de omstandigheden bevelen dat de koper borg zal stellen tot het bedrag dat in de beschikking wordt bepaald.
De notaris kan in alle gevallen eisen dat de koper borg stelt. Indien bij de verkoop geen borgstelling geëist is, kan de rechter, op verzoek van de beslaglegger, van een der ingeschreven schuldeisers, of van een der schuldeisers die hun bevel hebben doen overschrijven of zelfs van de beslagene, naar gelang van de omstandigheden bevelen dat de koper borg zal stellen tot het bedrag dat in de beschikking wordt bepaald.
Art. 1589. Le notaire peut refuser les enchères des personnes qui lui sont inconnues ou dont l'identité ou la solvabilité ne lui paraissent pas justifiées.
Le notaire peut, dans tous les cas, requérir caution de l'adjudicataire. Si la caution n'a pas été exigée lors de la vente, le juge, sur la requête du saisissant, de l'un des créanciers inscrits ou ayant fait transcrire leur commandement ou même du saisi, peut, selon les circonstances, ordonner que caution sera fournie par l'adjudicataire jusqu'à concurrence de la somme déterminée par l'ordonnance.
Le notaire peut, dans tous les cas, requérir caution de l'adjudicataire. Si la caution n'a pas été exigée lors de la vente, le juge, sur la requête du saisissant, de l'un des créanciers inscrits ou ayant fait transcrire leur commandement ou même du saisi, peut, selon les circonstances, ordonner que caution sera fournie par l'adjudicataire jusqu'à concurrence de la somme déterminée par l'ordonnance.
Art.1590. De koper kan een lastgever aanwijzen, op voorwaarde dat hij deze aangeeft aan de benoemde notaris of hem die aangifte betekent uiterlijk [1 binnen de termijn waarbinnen de aanwijzing van lastgever met vrijstelling van het evenredig registratierecht kan gebeuren]1. Deze aangifte wordt onderaan op het proces-verbaal van toewijzing ingeschreven of vermeld.
De koper staat in voor de gegoedheid en de rechtsbekwaamheid van zijn lastgever.
De koper staat in voor de gegoedheid en de rechtsbekwaamheid van zijn lastgever.
Art. 1590. L'adjudicataire peut élire command à la condition d'en faire la déclaration devant le notaire commis ou de la lui signifier au plus tard [1 dans le délai dans lequel la déclaration de command peut être effectuée avec bénéfice de l'exemption du droit d'enregistrement proportionnel]1. Cette déclaration est inscrite ou mentionnée au pied du procès-verbal d'adjudication.
L'adjudicataire est garant de la solvabilité et de la capacité civile de son command.
L'adjudicataire est garant de la solvabilité et de la capacité civile de son command.
Art.1591. De notaris mag niet als bieders aannemen:
1° De rechters die hebben meegewerkt aan de vonnissen en beschikkingen op de vordering ter uitwinning gewezen, de ambtenaren van het openbaar ministerie die voor deze vonnissen conclusies hebben gegeven;
2° de beslagene;
3° de echtgenoot van de beslagene;
4° de voogd of de curator van de beslagene.
1° De rechters die hebben meegewerkt aan de vonnissen en beschikkingen op de vordering ter uitwinning gewezen, de ambtenaren van het openbaar ministerie die voor deze vonnissen conclusies hebben gegeven;
2° de beslagene;
3° de echtgenoot van de beslagene;
4° de voogd of de curator van de beslagene.
Art. 1591. Le notaire ne peut recevoir comme enchérisseurs:
1° les juges qui sont intervenus aux jugements et ordonnances rendus sur la poursuite en expropriation, les officiers du ministère public qui ont donné des conclusions pour ces jugements;
2° le saisi;
3° l'époux du saisi;
4° le tuteur ou le curateur du saisi.
1° les juges qui sont intervenus aux jugements et ordonnances rendus sur la poursuite en expropriation, les officiers du ministère public qui ont donné des conclusions pour ces jugements;
2° le saisi;
3° l'époux du saisi;
4° le tuteur ou le curateur du saisi.
Art.1595. Le titre de l'acquéreur se compose du cahier des charges et du procès-verbal de l'adjudication sans qu'il soit besoin d'y ajouter les dires, observations, ordonnances et autres pièces de la procédure.
Art.1595. De titel van de koper bestaat uit de verkoopsvoorwaarden en het proces-verbaal van toewijzing zonder dat daaraan de beweringen, opmerkingen, beschikkingen, en andere processtukken moeten worden toegevoegd.
Art.1596. Dans les délais prévus au cahier des charges, l'adjudicataire est tenu de payer au notaire les frais prévus à l'article 1585. Le notaire délivre quittance de ce payement et des pièces justificatives; il conserve celles-ci avec la minute du procès-verbal d'adjudication.
Art.1596. Binnen de termijn bepaald in de verkoopsvoorwaarden is de koper gehouden aan de notaris de kosten bedoeld in artikel 1585 te betalen. De notaris geeft kwijting voor die betaling en voor de bewijsstukken; hij bewaart deze laatste samen met de minuut van het proces-verbaal van toewijzing.
Art. 1596. Dans les délais prévus au cahier des charges, l'adjudicataire est tenu de payer au notaire les frais prévus à l'article 1585. Le notaire délivre quittance de ce payement et des pièces justificatives; il conserve celles-ci avec la minute du procès-verbal d'adjudication.
Art.1597. De buitengewone kosten van vervolging worden bij voorrecht op de prijs betaald, wanneer de rechter aldus heeft beschikt.
Art.1598. Un extrait de l'acte d'adjudication est signifié à la partie saisie à la requête du notaire commis.
Cette signification a lieu au plus tard quinze jours après l'expiration du délai fixe dans le cahier des charges pour le paiement des frais prévus à l'article 1585.
L'extrait contient les nom, prénom [2 ...]2 et domicile du saisissant, de la partie saisie et de l'adjudicataire, le jour de l'adjudication, le prix pour lequel elle a été faite et le nom du notaire qui l'a reçue.
[1 L'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 fait mention sommaire de l'adjudication en marge de la transcription de la saisie.
Cette signification a lieu au plus tard quinze jours après l'expiration du délai fixe dans le cahier des charges pour le paiement des frais prévus à l'article 1585.
L'extrait contient les nom, prénom [2 ...]2 et domicile du saisissant, de la partie saisie et de l'adjudicataire, le jour de l'adjudication, le prix pour lequel elle a été faite et le nom du notaire qui l'a reçue.
[1 L'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 fait mention sommaire de l'adjudication en marge de la transcription de la saisie.
Art.1598. Een uittreksel uit de akte van toewijzing wordt op verzoek van de aangewezen notaris aan de beslagene betekend.
Die betekening geschiedt ten laatste vijftien dagen na het verstrijken van de termijn die in de verkoopsvoorwaarden voor de betaling van de in artikel 1585 bedoelde kosten is gesteld.
Het uittreksel vermeldt de naam, de voornaam [2 ...]2 en de woonplaats van de beslaglegger, van de beslagene en van de koper, de dag van de toewijzing, de prijs waarvoor ze is gedaan en de naam van de notaris vóór wie de akte is verleden.
De [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 maakt beknopt melding van de toewijzing op de kant van de overschrijving van het beslag.
Die betekening geschiedt ten laatste vijftien dagen na het verstrijken van de termijn die in de verkoopsvoorwaarden voor de betaling van de in artikel 1585 bedoelde kosten is gesteld.
Het uittreksel vermeldt de naam, de voornaam [2 ...]2 en de woonplaats van de beslaglegger, van de beslagene en van de koper, de dag van de toewijzing, de prijs waarvoor ze is gedaan en de naam van de notaris vóór wie de akte is verleden.
De [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 maakt beknopt melding van de toewijzing op de kant van de overschrijving van het beslag.
Art. 1598. Un extrait de l'acte d'adjudication est signifié à la partie saisie à la requête du notaire commis.
Cette signification a lieu au plus tard quinze jours après l'expiration du délai fixe dans le cahier des charges pour le paiement des frais prévus à l'article 1585.
L'extrait contient les nom, prénom [2 ...]2 et domicile du saisissant, de la partie saisie et de l'adjudicataire, le jour de l'adjudication, le prix pour lequel elle a été faite et le nom du notaire qui l'a reçue.
[1 L'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 fait mention sommaire de l'adjudication en marge de la transcription de la saisie.
Cette signification a lieu au plus tard quinze jours après l'expiration du délai fixe dans le cahier des charges pour le paiement des frais prévus à l'article 1585.
L'extrait contient les nom, prénom [2 ...]2 et domicile du saisissant, de la partie saisie et de l'adjudicataire, le jour de l'adjudication, le prix pour lequel elle a été faite et le nom du notaire qui l'a reçue.
[1 L'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 fait mention sommaire de l'adjudication en marge de la transcription de la saisie.
Art.1599. De toewijzing doet op de koper geen andere rechten op de eigendom overgaan dan die welke aan de beslagene toebehoren.
Evenwel mag de koper niet worden gestoord door enige eis tot ontbinding die niet overeenkomstig artikel 1583 is ingesteld of niet berecht is vóór de toewijzing.
Evenwel mag de koper niet worden gestoord door enige eis tot ontbinding die niet overeenkomstig artikel 1583 is ingesteld of niet berecht is vóór de toewijzing.
Art. 1599. L'adjudication ne transmet à l'adjudicataire d'autres droits à la propriété que ceux qui appartiennent au saisi.
Néanmoins l'adjudicataire ne peut être troublé par aucune demande en résolution qui n'aurait pas été intentée conformément à l'article 1583 ou jugée avant l'adjudication.
Néanmoins l'adjudicataire ne peut être troublé par aucune demande en résolution qui n'aurait pas été intentée conformément à l'article 1583 ou jugée avant l'adjudication.
Art.1600. Blijft de koper in gebreke de in artikel 1596 voorgeschreven verplichtingen te vervullen of aan de verkoopsvoorwaarden te voldoen dan wordt het goed vóór dezelfde notaris of bij zijn ontstentenis vóór een notaris die de rechter aanwijst, verkocht ten laste van hem aan wie het toegewezen is, onverminderd de andere rechtsmiddelen.
Art.1601. [1 § 1er. Dès que le notaire en est requis par toute personne habilitée à poursuivre la folle enchère, il met en demeure, par exploit d'huissier ou par lettre recommandée avec accusé de réception, l'adjudicataire défaillant de remplir dans un délai de huit jours les obligations prévues à l'article 1596 ou d'exécuter les clauses de l'adjudication.
§ 2. En l'absence de réquisition préalable, à partir du lendemain du jour de l'échéance fixée dans le cahier des charges en vue de remplir les obligations prévues à l'article 1596 ou d'exécuter les clauses de l'adjudication, le notaire met en demeure dans un délai raisonnable, par exploit d'huissier ou par lettre recommandée avec accusé de réception, l'adjudicataire défaillant de remplir ses obligations dans un délai de huit jours.
A défaut du respect des obligations prévues à l'article 1596 ou des clauses de l'adjudication par l'adjudicataire à l'expiration du délai de huit jours visé à l'alinéa 1er, le notaire en informe immédiatement par courrier recommandé toutes les personnes habilitées à poursuivre la folle enchère.
Dans un délai de quinze jours à compter de la date du courrier recommandé visé à l'alinéa 2, le notaire doit être requis de poursuivre la folle enchère, à peine de forclusion. A défaut, seules les autres voies de droit demeurent possibles.
§ 3. Les délais de la présente disposition sont calculés conformément aux articles 52 et suivants.
§ 4. Dans tous les cas, les frais exposés par le notaire sont considérés comme des frais de justice privilégiés au sens de l'article 17 de la loi hypothécaire.]1
§ 2. En l'absence de réquisition préalable, à partir du lendemain du jour de l'échéance fixée dans le cahier des charges en vue de remplir les obligations prévues à l'article 1596 ou d'exécuter les clauses de l'adjudication, le notaire met en demeure dans un délai raisonnable, par exploit d'huissier ou par lettre recommandée avec accusé de réception, l'adjudicataire défaillant de remplir ses obligations dans un délai de huit jours.
A défaut du respect des obligations prévues à l'article 1596 ou des clauses de l'adjudication par l'adjudicataire à l'expiration du délai de huit jours visé à l'alinéa 1er, le notaire en informe immédiatement par courrier recommandé toutes les personnes habilitées à poursuivre la folle enchère.
Dans un délai de quinze jours à compter de la date du courrier recommandé visé à l'alinéa 2, le notaire doit être requis de poursuivre la folle enchère, à peine de forclusion. A défaut, seules les autres voies de droit demeurent possibles.
§ 3. Les délais de la présente disposition sont calculés conformément aux articles 52 et suivants.
§ 4. Dans tous les cas, les frais exposés par le notaire sont considérés comme des frais de justice privilégiés au sens de l'article 17 de la loi hypothécaire.]1
Änderungen
Art.1601. [1 § 1. Zodra de notaris ertoe verzocht wordt door enig persoon gerechtigd om de rouwkoop te vervolgen, maant hij, per gerechtsdeurwaardersexploot of per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, de in gebreke blijvende koper aan om binnen een termijn van acht dagen zijn verplichtingen, voorzien in artikel 1596, te voldoen of de clausules van de toewijzing uit te voeren.
§ 2. Bij gebrek aan voorafgaand verzoek, maant de notaris, vanaf de dag volgend op de in de verkoopsvoorwaarden vastgestelde vervaldag om te voldoen aan de verplichtingen voorzien in artikel 1596 of aan de clausules van de toewijzing, binnen een redelijke termijn de in gebreke blijvende koper aan, per gerechtsdeurwaardersexploot of per aangetekende zending met ontvangstbewijs, om zijn verplichtingen te voldoen binnen een termijn van acht dagen.
Bij niet-nakoming van de verplichtingen waarin artikel 1596 voorziet of de clausules van toewijzing door de koper bij het verstrijken van de termijn van acht dagen voorzien in het eerste lid, informeert de notaris onmiddellijk alle personen die gerechtigd zijn de rouwverkoop te vervolgen per aangetekende zending.
Binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van de aangetekende zending beoogd door het tweede lid, dient de notaris verzocht te worden om de rouwkoop te vervolgen, op straffe van verval. Bij gebrek hieraan, zijn slechts de andere rechtsmiddelen mogelijk.
§ 3. De termijnen van deze bepaling worden berekend overeenkomstig artikel 52 en volgende.
§ 4. In elk geval worden de kosten die de notaris heeft gemaakt, beschouwd als bevoorrechte gerechtskosten in de zin van artikel 17 van de hypotheekwet.]1
§ 2. Bij gebrek aan voorafgaand verzoek, maant de notaris, vanaf de dag volgend op de in de verkoopsvoorwaarden vastgestelde vervaldag om te voldoen aan de verplichtingen voorzien in artikel 1596 of aan de clausules van de toewijzing, binnen een redelijke termijn de in gebreke blijvende koper aan, per gerechtsdeurwaardersexploot of per aangetekende zending met ontvangstbewijs, om zijn verplichtingen te voldoen binnen een termijn van acht dagen.
Bij niet-nakoming van de verplichtingen waarin artikel 1596 voorziet of de clausules van toewijzing door de koper bij het verstrijken van de termijn van acht dagen voorzien in het eerste lid, informeert de notaris onmiddellijk alle personen die gerechtigd zijn de rouwverkoop te vervolgen per aangetekende zending.
Binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van de aangetekende zending beoogd door het tweede lid, dient de notaris verzocht te worden om de rouwkoop te vervolgen, op straffe van verval. Bij gebrek hieraan, zijn slechts de andere rechtsmiddelen mogelijk.
§ 3. De termijnen van deze bepaling worden berekend overeenkomstig artikel 52 en volgende.
§ 4. In elk geval worden de kosten die de notaris heeft gemaakt, beschouwd als bevoorrechte gerechtskosten in de zin van artikel 17 van de hypotheekwet.]1
Art. 1601. [1 § 1er. Dès que le notaire en est requis par toute personne habilitée à poursuivre la folle enchère, il met en demeure, par exploit d'huissier ou par lettre recommandée avec accusé de réception, l'adjudicataire défaillant de remplir dans un délai de huit jours les obligations prévues à l'article 1596 ou d'exécuter les clauses de l'adjudication.
§ 2. En l'absence de réquisition préalable, à partir du lendemain du jour de l'échéance fixée dans le cahier des charges en vue de remplir les obligations prévues à l'article 1596 ou d'exécuter les clauses de l'adjudication, le notaire met en demeure dans un délai raisonnable, par exploit d'huissier ou par lettre recommandée avec accusé de réception, l'adjudicataire défaillant de remplir ses obligations dans un délai de huit jours.
A défaut du respect des obligations prévues à l'article 1596 ou des clauses de l'adjudication par l'adjudicataire à l'expiration du délai de huit jours visé à l'alinéa 1er, le notaire en informe immédiatement par courrier recommandé toutes les personnes habilitées à poursuivre la folle enchère.
Dans un délai de quinze jours à compter de la date du courrier recommandé visé à l'alinéa 2, le notaire doit être requis de poursuivre la folle enchère, à peine de forclusion. A défaut, seules les autres voies de droit demeurent possibles.
§ 3. Les délais de la présente disposition sont calculés conformément aux articles 52 et suivants.
§ 4. Dans tous les cas, les frais exposés par le notaire sont considérés comme des frais de justice privilégiés au sens de l'article 17 de la loi hypothécaire.]1
§ 2. En l'absence de réquisition préalable, à partir du lendemain du jour de l'échéance fixée dans le cahier des charges en vue de remplir les obligations prévues à l'article 1596 ou d'exécuter les clauses de l'adjudication, le notaire met en demeure dans un délai raisonnable, par exploit d'huissier ou par lettre recommandée avec accusé de réception, l'adjudicataire défaillant de remplir ses obligations dans un délai de huit jours.
A défaut du respect des obligations prévues à l'article 1596 ou des clauses de l'adjudication par l'adjudicataire à l'expiration du délai de huit jours visé à l'alinéa 1er, le notaire en informe immédiatement par courrier recommandé toutes les personnes habilitées à poursuivre la folle enchère.
Dans un délai de quinze jours à compter de la date du courrier recommandé visé à l'alinéa 2, le notaire doit être requis de poursuivre la folle enchère, à peine de forclusion. A défaut, seules les autres voies de droit demeurent possibles.
§ 3. Les délais de la présente disposition sont calculés conformément aux articles 52 et suivants.
§ 4. Dans tous les cas, les frais exposés par le notaire sont considérés comme des frais de justice privilégiés au sens de l'article 17 de la loi hypothécaire.]1
Änderungen
Art.1602. [1 Eens de notaris hiertoe wordt verzocht, stelt hij de dag vast van de nieuwe toewijzing of, in geval van gedematerialiseerde biedingen, de dag van de aanvang en de dag van de sluiting van de biedingen. Er wordt overgegaan tot publiciteit volgens de vormen die werden bepaald in de verkoopsvoorwaarden. Deze publiciteit geeft de naam en de woonplaats van de rouwkoper aan, het bedrag van de toewijzing en de plaats, de dag en het uur waarop de nieuwe toewijzing zal plaatshebben, of in geval van gedematerialiseerde biedingen, de dag van de aanvang en de dag van de sluiting van de nieuwe biedingen. De toewijzing vindt plaats volgens dezelfde vormen en voorwaarden die werden voorzien in de voormalige verkoopsvoorwaarden. De termijn tussen de nieuwe publiciteit en de aanvang van de nieuwe biedingen bedraagt ten minste tien dagen.]1
Art. 1602. [1 Lorsqu'il est requis, le notaire fixe le jour de la nouvelle adjudication ou, en cas d'enchères dématérialisées, le jour du début et le jour de clôture des nouvelles enchères. Il est procédé à la publicité dans les formes prévues au cahier des charges. Cette publicité indique, en outre, les nom et domicile du fol enchérisseur, le montant de l'adjudication et les lieu, jour et heure auxquels aura lieu la nouvelle adjudication ou, en cas d'enchères dématérialisées, le jour du début et le jour de clôture des nouvelles enchères. L'adjudication a lieu dans les mêmes formes et les mêmes conditions que celles prévues dans l'ancien cahier des charges. Le délai entre la nouvelle publicité et le début des nouvelles enchères est de dix jours au moins.]1
Änderungen
Art.1603. [1 Ten minste vijftien dagen voor de aanvang van de biedingen zal de betekening van de plaats, de dag en het uur van de verkoop of, in geval van gedematerialiseerde biedingen, de dag van de aanvang en de dag van de sluiting van de biedingen, aan de koper, aan de ingeschreven schuldeisers, aan de schuldeisers die hun bevel hebben laten overschrijven en aan de beslagen partij gebeuren, en dit aan de persoon of aan de werkelijke of gekozen woonplaats in de inschrijvingen of bevelen, zonder dat deze termijn wordt verhoogd omwille van afstand.]1
Art. 1603. [1 Quinze jours au moins avant le début des enchères, signification sera faite des lieu, jour et heure de la vente ou, en cas d'enchères dématérialisées, le jour du début et le jour de clôture des enchères, à l'adjudicataire, aux créanciers inscrits, aux créanciers ayant fait transcrire leur commandement et à la partie saisie, à la personne ou aux domiciles réels ou élus dans les inscriptions ou commandements, sans que ce délai soit augmenté à raison des distances.]1
Änderungen
Art.1604. Indien de gebrekkige koper bewijst dat hij aan de verkoopsvoorwaarden heeft voldaan en een op verzoekschrift door de rechter bepaalde som in bewaring heeft gegeven voor de herveilingskosten, heeft de toewijzing niet plaats.
De rechter kan geen uitstel aan de gebrekkige koper verlenen.
De rechter kan geen uitstel aan de gebrekkige koper verlenen.
Art. 1604. Si le fol enchérisseur justifie de l'exécution des conditions de l'adjudication et de la consignation d'une somme, déterminée sur requête par le juge, pour les frais de folle enchère, il n'est pas procédé à l'adjudication.
Aucun délai de grâce ne peut être accordé par le juge au fol enchérisseur.
Aucun délai de grâce ne peut être accordé par le juge au fol enchérisseur.
Art.1605. De regels in zake uitvoerend beslag op onroerend goed zijn bovendien van toepassing op de toewijzing na herveiling.
Art.1606. Le fol enchérisseur est tenu de la différence entre son prix et celui de la revente sur folle enchère, sans pouvoir réclamer l'excédent s'il y en a. Cet excédent est payé aux créanciers ou si les créanciers sont désintéressés, à la partie saisie.
Art.1606. De gebrekige koper is gehouden tot betaling van het verschil tussen de prijs waarvoor hij heeft gekocht en die van de herveiling, zonder dat hij het eventuele overschot kan vorderen. Dat overschot wordt betaald aan de schuldeisers of, indien de schuldeisers voldaan zijn, aan de beslagene.
Art.1607. Si deux saisissants ont fait transcrire deux saisies de biens différents poursuivies devant le même juge, elles sont réunies et sont continuées par le premier saisissant. La demande est adressée au juge par voie de requête. La jonction sera ordonnée encore que l'une des saisies soit plus ample que l'autre, mais elle ne pourra en aucun cas être demandée ni prononcée après la sommation, prévue à l'article 1582, de prendre communication du cahier des charges de l'une ou l'autre saisie, si ce n'est du consentement de toutes les parties.
En cas de concurrence, la poursuite appartient au créancier dont le titre est le plus ancien, et, si les titres sont de la même date, au poursuivant dont la créance en principal est la plus importante.
En cas de concurrence, la poursuite appartient au créancier dont le titre est le plus ancien, et, si les titres sont de la même date, au poursuivant dont la créance en principal est la plus importante.
Art.1607. Indien twee beslagleggers twee voor dezelfde rechter vervolgde beslagleggingen op verschillende goederen hebben doen overschrijven, worden deze samengevoegd en door de eerste beslaglegger voortgezet. De vordering wordt tot de rechter gericht bij wege van verzoekschrift. De samenvoeging wordt bevolen, ook al is het ene beslag van grotere omvang dan het andere, maar in geen geval mag zij aangevraagd of uitgesproken worden na de in artikel 1582 bedoelde aanmaning om inzage te nemen van de verkoopsvoorwaarden van het ene beslag of van het andere, behalve met toestemming van alle partijen.
Zijn de beslagleggingen tegelijkertijd gedaan, dan wordt de vervolging ingesteld door de schuldeiser met de oudste titel en, indien de titels dezelfde dagtekening hebben, door de vervolgende partij wier schuldvordering in hoofdsom de belangrijkste is.
Zijn de beslagleggingen tegelijkertijd gedaan, dan wordt de vervolging ingesteld door de schuldeiser met de oudste titel en, indien de titels dezelfde dagtekening hebben, door de vervolgende partij wier schuldvordering in hoofdsom de belangrijkste is.
Art. 1607. Si deux saisissants ont fait transcrire deux saisies de biens différents poursuivies devant le même juge, elles sont réunies et sont continuées par le premier saisissant. La demande est adressée au juge par voie de requête. La jonction sera ordonnée encore que l'une des saisies soit plus ample que l'autre, mais elle ne pourra en aucun cas être demandée ni prononcée après la sommation, prévue à l'article 1582, de prendre communication du cahier des charges de l'une ou l'autre saisie, si ce n'est du consentement de toutes les parties.
En cas de concurrence, la poursuite appartient au créancier dont le titre est le plus ancien, et, si les titres sont de la même date, au poursuivant dont la créance en principal est la plus importante.
En cas de concurrence, la poursuite appartient au créancier dont le titre est le plus ancien, et, si les titres sont de la même date, au poursuivant dont la créance en principal est la plus importante.
Art.1608. Indien een tweede ter overschrijving aangeboden beslag van grotere omvang is dan het eerste, wordt het overgeschreven voor de goederen die niet in het eerste begrepen zijn. De tweede beslaglegger is gehouden het op zijn verzoek gedane beslag aan te zeggen aan de eerste beslaglegger, die beide beslagleggingen vervolgt indien zij in gelijke staat zijn; zo niet schorst hij het eerste beslag en vervolgt het tweede totdat het in gelijke staat is; zij worden dan in een enkele vervolging samengevoegd.
Art. 1608. Si une seconde saisie présentée à la transcription est plus ample que la première, elle est transcrite pour les biens non compris dans celle-ci. Le second saisissant est tenu de dénoncer la saisie faite à sa requête au premier saisissant, qui poursuivra sur les deux saisies, si elles sont au même état; sinon il surseoit à la première saisie et poursuit sur la seconde jusqu'à ce qu'elle soit au même degré; elles sont alors réunies en une seule poursuite.
Art.1609. Indien de beslagleggende schuldeiser in gebreke blijft het hem aangezegde tweede beslag te vervolgen overeenkomstig artikel 1608, kan de tweede beslaglegger bij de rechter een verzoekschrift indienen om in de plaats te worden gesteld.
Art.1610. La subrogation est aussi accordée sur requête, présentée au juge par tout autre créancier qui a pratiqué une saisie sur les mêmes biens, lorsque le poursuivant n'a pas rempli une formalité ou n'a pas fait un acte de procédure dans les délais prescrits ou s'il y a (fraude, collusion ou négligence,) et, en ce cas, sans préjudice de tous dommages-intérêts. <L 24-06-1970, art. 36>
Art.1610. De indeplaatsstelling wordt ook toegestaan op verzoekschrift, ingediend bij de rechter door enige andere schuldeiser die beslag heeft gelegd op dezelfde goederen, wanneer de vervolger een formaliteit niet heeft vervuld of een proceshandeling niet heeft verricht binnen de voorgeschreven termijnen of indien er (bedrog, verstandhouding of nalatigheid) bestaat, in dit geval onverminderd vergoeding van alle schade. <W 24-06-1970, art. 36>
Art. 1610. La subrogation est aussi accordée sur requête, présentée au juge par tout autre créancier qui a pratiqué une saisie sur les mêmes biens, lorsque le poursuivant n'a pas rempli une formalité ou n'a pas fait un acte de procédure dans les délais prescrits ou s'il y a (fraude, collusion ou négligence,) et, en ce cas, sans préjudice de tous dommages-intérêts. <L 24-06-1970, art. 36>
Art.1611. De partij die in de vordering tot indeplaatsstelling in het ongelijk wordt gesteld, wordt persoonlijk in de kosten verwezen.
De vervolgende partij tegen wie de indeplaatsstelling is uitgesproken, is gehouden de stukken van de vervolging tegen ontvangstbewijs af te geven aan de indeplaatsgestelde; zijn kosten van vervolging worden hem eerst na de toewijzing vergoed.
De vervolgende partij tegen wie de indeplaatsstelling is uitgesproken, is gehouden de stukken van de vervolging tegen ontvangstbewijs af te geven aan de indeplaatsgestelde; zijn kosten van vervolging worden hem eerst na de toewijzing vergoed.
Art. 1611. La partie qui succombe sur la demande en subrogation est condamnée personnellement aux dépens.
Le poursuivant contre qui la subrogation a été prononcée est tenu de remettre les pièces de la poursuite au subrogé, sur son récépissé; il n'est payé de ses frais de poursuite qu'après l'adjudication.
Le poursuivant contre qui la subrogation a été prononcée est tenu de remettre les pièces de la poursuite au subrogé, sur son récépissé; il n'est payé de ses frais de poursuite qu'après l'adjudication.
Art.1612. Wanneer een uitvoerend beslag op onroerend goed doorgehaald is, kan de meest gerede van de latere beslagleggers zijn beslag voortzetten, al heeft hij zich niet de eerste aangemeld voor de overschrijving.
Art.1613. La demande en distraction de tout ou partie des biens saisis est formée contre la partie saisie, contre le saisissant, contre le créancier premier inscrit et, si celui-ci est le poursuivant, contre le créancier dont l'inscription suit immédiatement.
Cette action est formée par exploit contre les créanciers au domicile élu lors de l'inscription.
Le jugement est réputé contradictoire à l'égard de toutes les parties et n'est susceptible d'aucun recours.
Cette action est formée par exploit contre les créanciers au domicile élu lors de l'inscription.
Le jugement est réputé contradictoire à l'égard de toutes les parties et n'est susceptible d'aucun recours.
Art.1613. De vordering om alle goederen of een gedeelte ervan aan het beslag te onttrekken wordt ingesteld tegen de beslagen partij, tegen de beslaglegger, tegen de eerst ingeschreven schuldeiser en, zo deze de vervolgende partij is, tegen de schuldeiser wiens inschrijving onmiddellijk volgt.
Die rechtsvordering wordt tegen de schuldeisers ingesteld bij exploot aan de bij de inschrijving gekozen woonplaats.
Het vonnis wordt voor alle partijen geacht op tegenspraak te zijn gewezen en is voor geen voorziening vatbaar.
Die rechtsvordering wordt tegen de schuldeisers ingesteld bij exploot aan de bij de inschrijving gekozen woonplaats.
Het vonnis wordt voor alle partijen geacht op tegenspraak te zijn gewezen en is voor geen voorziening vatbaar.
Art. 1613. La demande en distraction de tout ou partie des biens saisis est formée contre la partie saisie, contre le saisissant, contre le créancier premier inscrit et, si celui-ci est le poursuivant, contre le créancier dont l'inscription suit immédiatement.
Cette action est formée par exploit contre les créanciers au domicile élu lors de l'inscription.
Le jugement est réputé contradictoire à l'égard de toutes les parties et n'est susceptible d'aucun recours.
Cette action est formée par exploit contre les créanciers au domicile élu lors de l'inscription.
Le jugement est réputé contradictoire à l'égard de toutes les parties et n'est susceptible d'aucun recours.
Art.1614. Indien de vordering tot onttrekking wordt ingesteld na de beschikking tot aanwijzing van de notaris, wordt daarvan kennis gegeven of wordt zij aangezegd aan deze laatste, die alle verrichtingen schorst. In voorkomend geval hervat de notaris zijn verrichtingen zodra hem kennis is gegeven van de beslissing.
Art. 1614. Si la demande en distraction est postérieure à l'ordonnance qui désigne le notaire, elle est notifiée ou déclarée à celui-ci qui surseoit à toutes opérations. Le cas échéant le notaire reprend ses opérations dès la notification à lui faite de la décision intervenue.
Art.1615. De vordering tot onttrekking vermeldt de bewijsstukken, die ter griffie zullen worden neergelegd, alsmede de dagtekening van de akte van deze neerlegging.
Art.1616. Si la distraction demandée n'est que d'une partie des biens saisis, il est passé outre, nonobstant cette demande, à l'adjudication de surplus des biens saisis.
Peut néanmoins le juge, sur la demande de toute partie intéressée, ordonner le sursis pour le tout.
Peut néanmoins le juge, sur la demande de toute partie intéressée, ordonner le sursis pour le tout.
Art.1616. Indien alleen de onttrekking van een gedeelte der in beslag genomen goederen is gevorderd, worden de overige in beslag genomen goederen, ondanks die vordering, in veiling gebracht.
De rechter kan echter op vordering van iedere belanghebbende partij de schorsing voor het geheel bevelen.
De rechter kan echter op vordering van iedere belanghebbende partij de schorsing voor het geheel bevelen.
Art. 1616. Si la distraction demandée n'est que d'une partie des biens saisis, il est passé outre, nonobstant cette demande, à l'adjudication de surplus des biens saisis.
Peut néanmoins le juge, sur la demande de toute partie intéressée, ordonner le sursis pour le tout.
Peut néanmoins le juge, sur la demande de toute partie intéressée, ordonner le sursis pour le tout.
Art.1617. [1 Indien de toewijzing is vertraagd, wordt zij bekend gemaakt op de wijze zoals voorgeschreven in de veilingsvoorwaarden.]1
Art. 1617. [1 Si l'adjudication a été retardée, elle est annoncée dans la forme prescrite dans le cahier des charges.]1
Änderungen
Art.1618. Het overlijden of de verandering van staat van de vervolgende partij of van de beslagene sedert de beschikking tot benoeming van de notaris stuit niet de voortzetting van de verkoop.
Art.1619. Si une partie seulement des biens dépendant d'une même exploitation a été saisie, le débiteur peut demander que le surplus soit compris dans la même adjudication.
Art.1619. Indien slechts een gedeelte van de goederen die van een zelfde bedrijf afhangen, in beslag genomen is, kan de schuldenaar vragen dat het overige in dezelfde toewijzing wordt begrepen.
Art.1620. Peuvent former la même demande ou s'y adjoindre:
le tuteur du mineur [1 ...]1;
le mineur émancipé assisté de son curateur;
et généralement tous les administrateurs légaux des biens d'autrui.
le tuteur du mineur [1 ...]1;
le mineur émancipé assisté de son curateur;
et généralement tous les administrateurs légaux des biens d'autrui.
Art.1620. Dezelfde eis kunnen instellen of kunnen zich erbij aansluiten:
de voogd over de minderjarige [1 ...]1;
de ontvoogde minderjarige, bijgestaan door zijn curator;
en in het algemeen alle wettelijke bewindvoerders over andermans goederen.
de voogd over de minderjarige [1 ...]1;
de ontvoogde minderjarige, bijgestaan door zijn curator;
en in het algemeen alle wettelijke bewindvoerders over andermans goederen.
Art.1621. [1 § 1er. Lorsqu'il existe, antérieurement à la transcription de la saisie, un jugement ordonnant la vente des immeubles saisis soit en vertu des articles 1186 à 1191, soit dans tout autre cas où la vente des immeubles a lieu aux enchères en vertu de décisions judiciaires, le saisi peut, après cette transcription, appeler le saisissant devant le juge de la situation des biens, pour faire surseoir aux poursuites de saisie-exécution immobilière, pendant un terme qui est fixé par ce juge, toutes choses restant en état. Ce terme ne peut excéder deux mois.
§ 2. Il en est de même lorsque, antérieurement à la transcription de la saisie :
- soit l'accord des parties quant à la vente publique des immeubles saisis a été acté conformément aux articles 1209, § 3, et 1214, § 1er, alinéa 2;
- soit le délai laissé aux parties pour formuler des contredits à l'égard du cahier des charges de la vente publique des immeubles saisis dressé par le notaire-liquidateur en vertu de l'article 1224, § 1er, est échu sans que celles-ci aient formulé de tels contredits;
- soit un jugement ordonnant la vente publique des immeubles saisis a été prononcé conformément à l'article 1224, § 4.
§ 3. Si, à l'expiration du délai fixé par le juge, la vente n'a pas lieu, le saisissant peut reprendre les poursuites sans qu'il soit besoin d'une nouvelle décision.
§ 4. L'ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
§ 2. Il en est de même lorsque, antérieurement à la transcription de la saisie :
- soit l'accord des parties quant à la vente publique des immeubles saisis a été acté conformément aux articles 1209, § 3, et 1214, § 1er, alinéa 2;
- soit le délai laissé aux parties pour formuler des contredits à l'égard du cahier des charges de la vente publique des immeubles saisis dressé par le notaire-liquidateur en vertu de l'article 1224, § 1er, est échu sans que celles-ci aient formulé de tels contredits;
- soit un jugement ordonnant la vente publique des immeubles saisis a été prononcé conformément à l'article 1224, § 4.
§ 3. Si, à l'expiration du délai fixé par le juge, la vente n'a pas lieu, le saisissant peut reprendre les poursuites sans qu'il soit besoin d'une nouvelle décision.
§ 4. L'ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
Änderungen
Art.1621. [1 § 1. Wanneer er vóór de overschrijving van het beslag een vonnis bestaat dat de verkoop van de in beslag genomen onroerende goederen beveelt, hetzij krachtens de artikelen 1186 tot 1191, hetzij in elk ander geval waarbij de verkoop van de onroerende goederen bij opbod geschiedt krachtens rechterlijke beslissingen, kan de beslagene, na die overschrijving, de beslaglegger voor de rechter van de plaats waar de goederen gelegen zijn, oproepen om de vervolging van het uitvoerend beslag op onroerend goed gedurende een door deze rechter te bepalen termijn te schorsen, terwijl alles in dezelfde staat blijft. De termijn mag ten hoogste twee maanden bedragen.
§ 2. Hetzelfde geldt wanneer vóór de overschrijving van het beslag :
- hetzij het akkoord van de partijen betreffende de openbare verkoop van de in beslag genomen onroerende goederen is vastgesteld overeenkomstig de artikelen 1209, § 3, en 1214, § 1, tweede lid;
- hetzij de termijn voor de partijen om bezwaren te formuleren ten aanzien van de krachtens artikel 1224, § 1, door de notaris-vereffenaar opgestelde verkoopvoorwaarden voor de openbare verkoping van de in beslag genomen onroerende goederen verstreken is, zonder dat deze dergelijke bezwaren hebben geformuleerd;
- hetzij overeenkomstig artikel 1224, § 4, een vonnis is uitgesproken dat de openbare verkoop van de in beslag genomen onroerende goederen beveelt.
§ 3. Indien de verkoop bij het verstrijken van de door de rechter gestelde termijn niet geschiedt, kan de beslaglegger de vervolging hervatten zonder dat een nieuwe beslissing nodig is.
§ 4. Tegen de beschikking is geen verzet of hoger beroep toegelaten.]1
§ 2. Hetzelfde geldt wanneer vóór de overschrijving van het beslag :
- hetzij het akkoord van de partijen betreffende de openbare verkoop van de in beslag genomen onroerende goederen is vastgesteld overeenkomstig de artikelen 1209, § 3, en 1214, § 1, tweede lid;
- hetzij de termijn voor de partijen om bezwaren te formuleren ten aanzien van de krachtens artikel 1224, § 1, door de notaris-vereffenaar opgestelde verkoopvoorwaarden voor de openbare verkoping van de in beslag genomen onroerende goederen verstreken is, zonder dat deze dergelijke bezwaren hebben geformuleerd;
- hetzij overeenkomstig artikel 1224, § 4, een vonnis is uitgesproken dat de openbare verkoop van de in beslag genomen onroerende goederen beveelt.
§ 3. Indien de verkoop bij het verstrijken van de door de rechter gestelde termijn niet geschiedt, kan de beslaglegger de vervolging hervatten zonder dat een nieuwe beslissing nodig is.
§ 4. Tegen de beschikking is geen verzet of hoger beroep toegelaten.]1
Art. 1621. [1 § 1er. Lorsqu'il existe, antérieurement à la transcription de la saisie, un jugement ordonnant la vente des immeubles saisis soit en vertu des articles 1186 à 1191, soit dans tout autre cas où la vente des immeubles a lieu aux enchères en vertu de décisions judiciaires, le saisi peut, après cette transcription, appeler le saisissant devant le juge de la situation des biens, pour faire surseoir aux poursuites de saisie-exécution immobilière, pendant un terme qui est fixé par ce juge, toutes choses restant en état. Ce terme ne peut excéder deux mois.
§ 2. Il en est de même lorsque, antérieurement à la transcription de la saisie :
- soit l'accord des parties quant à la vente publique des immeubles saisis a été acté conformément aux articles 1209, § 3, et 1214, § 1er, alinéa 2;
- soit le délai laissé aux parties pour formuler des contredits à l'égard du cahier des charges de la vente publique des immeubles saisis dressé par le notaire-liquidateur en vertu de l'article 1224, § 1er, est échu sans que celles-ci aient formulé de tels contredits;
- soit un jugement ordonnant la vente publique des immeubles saisis a été prononcé conformément à l'article 1224, § 4.
§ 3. Si, à l'expiration du délai fixé par le juge, la vente n'a pas lieu, le saisissant peut reprendre les poursuites sans qu'il soit besoin d'une nouvelle décision.
§ 4. L'ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
§ 2. Il en est de même lorsque, antérieurement à la transcription de la saisie :
- soit l'accord des parties quant à la vente publique des immeubles saisis a été acté conformément aux articles 1209, § 3, et 1214, § 1er, alinéa 2;
- soit le délai laissé aux parties pour formuler des contredits à l'égard du cahier des charges de la vente publique des immeubles saisis dressé par le notaire-liquidateur en vertu de l'article 1224, § 1er, est échu sans que celles-ci aient formulé de tels contredits;
- soit un jugement ordonnant la vente publique des immeubles saisis a été prononcé conformément à l'article 1224, § 4.
§ 3. Si, à l'expiration du délai fixé par le juge, la vente n'a pas lieu, le saisissant peut reprendre les poursuites sans qu'il soit besoin d'une nouvelle décision.
§ 4. L'ordonnance n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel.]1
Änderungen
Art.1622. De bepalingen van de artikelen 1564, 1566, 1568, 1569, 1582, 1586, 1587 en 1591, gelden op straffe van nietigheid.
De nietigheid van de handelingen verricht vóór de toewijzing moet, op straffe van verval, worden opgeworpen ten laatste binnen acht dagen na de aanmaning bedoeld in het derde lid van artikel 1582. De rechter doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken. In voorkomend geval bepaalt hij een nieuwe datum voor de verkoop.
Iedere vordering tot nietigverklaring van de toewijzing moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen vijftien dagen na de betekening bedoeld in artikel 1598. Zij moet de optredende notaris worden aangezegd.
De nietigheid van de handelingen verricht vóór de toewijzing moet, op straffe van verval, worden opgeworpen ten laatste binnen acht dagen na de aanmaning bedoeld in het derde lid van artikel 1582. De rechter doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken. In voorkomend geval bepaalt hij een nieuwe datum voor de verkoop.
Iedere vordering tot nietigverklaring van de toewijzing moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen vijftien dagen na de betekening bedoeld in artikel 1598. Zij moet de optredende notaris worden aangezegd.
Art. 1622. Les dispositions des articles 1564, 1566, 1568, 1569, 1582, 1586, 1587 et 1591, sont prescrites à peine de nullité.
La nullité des actes accomplis avant l'adjudication doit être proposée, à peine de déchéance, au plus tard dans les huit jours de la sommation prévue à l'article 3 de l'article 1582. Le juge statue toutes affaires cessantes. Le cas échéant, il fixe une nouvelle date pour la vente.
Toute demande en nullité de l'adjudication doit être formée, à peine de déchéance, dans les quinze jours de la signification prévue à l'article 1598. Elle doit être dénoncée au notaire commis.
La nullité des actes accomplis avant l'adjudication doit être proposée, à peine de déchéance, au plus tard dans les huit jours de la sommation prévue à l'article 3 de l'article 1582. Le juge statue toutes affaires cessantes. Le cas échéant, il fixe une nouvelle date pour la vente.
Toute demande en nullité de l'adjudication doit être formée, à peine de déchéance, dans les quinze jours de la signification prévue à l'article 1598. Elle doit être dénoncée au notaire commis.
Art.1623. Indien na de beschikking tot benoeming van de notaris tussen partijen zwarigheden omtrent de tenuitvoerlegging rijzen, doet de rechter daarover uitspraak.
Art.1624. Aucune décision par défaut en matière de saisie-exécution immobilière n'est susceptible d'opposition.
Ne peuvent être attaqués par la voie de l'appel:
1° les jugements ou ordonnances qui statuent sur la demande en subrogation contre le poursuivant, à moins qu'elle n'ait été intentée pour collusion ou fraude;
2° les jugements ou ordonnances en tant qu'ils statuent sur des difficultés d'exécution.
Ne peuvent être attaqués par la voie de l'appel:
1° les jugements ou ordonnances qui statuent sur la demande en subrogation contre le poursuivant, à moins qu'elle n'ait été intentée pour collusion ou fraude;
2° les jugements ou ordonnances en tant qu'ils statuent sur des difficultés d'exécution.
Art.1624. Tegen een beslissing bij verstek inzake uitvoerend beslag op onroerend goed staat geen verzet open.
Hoger beroep kan niet worden ingesteld tegen:
1° vonnissen of beschikkingen, gewezen op de vordering tot indeplaatsstelling tegen de vervolgende partij, tenzij die vordering is ingesteld wegens verstandhouding of bedrog;
2° vonnissen of beschikkingen, voor zover zij uitspraak doen over zwarigheden omtrent de tenuitvoerlegging.
Hoger beroep kan niet worden ingesteld tegen:
1° vonnissen of beschikkingen, gewezen op de vordering tot indeplaatsstelling tegen de vervolgende partij, tenzij die vordering is ingesteld wegens verstandhouding of bedrog;
2° vonnissen of beschikkingen, voor zover zij uitspraak doen over zwarigheden omtrent de tenuitvoerlegging.
Art. 1624. Aucune décision par défaut en matière de saisie-exécution immobilière n'est susceptible d'opposition.
Ne peuvent être attaqués par la voie de l'appel:
1° les jugements ou ordonnances qui statuent sur la demande en subrogation contre le poursuivant, à moins qu'elle n'ait été intentée pour collusion ou fraude;
2° les jugements ou ordonnances en tant qu'ils statuent sur des difficultés d'exécution.
Ne peuvent être attaqués par la voie de l'appel:
1° les jugements ou ordonnances qui statuent sur la demande en subrogation contre le poursuivant, à moins qu'elle n'ait été intentée pour collusion ou fraude;
2° les jugements ou ordonnances en tant qu'ils statuent sur des difficultés d'exécution.
Art.1625. Het hoger beroep wordt betekend aan de partij of aan de gekozen woonplaats.
De beslagene kan in hoger beroep geen andere middelen voordragen dan die welke in eerste aanleg zijn aangevoerd. De akte van hoger beroep vermeldt de grieven, alles op straffe van nietigheid.
Tegen arresten bij verstek staat geen verzet open.
De beslagene kan in hoger beroep geen andere middelen voordragen dan die welke in eerste aanleg zijn aangevoerd. De akte van hoger beroep vermeldt de grieven, alles op straffe van nietigheid.
Tegen arresten bij verstek staat geen verzet open.
Art. 1625. L'appel est signifié à partie ou au domicile élu.
La partie saisie ne peut, sur l'appel, proposer des moyens autres que ceux qui ont été présentés en première instance. L'acte d'appel énonce les griefs, le tout à peine de nullité.
Les arrêts rendus par défaut ne sont pas susceptibles d'opposition.
La partie saisie ne peut, sur l'appel, proposer des moyens autres que ceux qui ont été présentés en première instance. L'acte d'appel énonce les griefs, le tout à peine de nullité.
Les arrêts rendus par défaut ne sont pas susceptibles d'opposition.
Art.1626. Het beding dat de schuldeiser, bij niet-nakoming van de jegens hem aangegane verbintenissen, het recht heeft de onroerende goederen van zijn schuldenaar te doen verkopen zonder inachtneming van de formaliteiten voorgeschreven voor het uitvoerend beslag op onroerend goed, wordt als niet bestaande beschouwd.
Art. 1626. La clause portant qu'à défaut d'exécution des engagements pris envers lui, le créancier aurait le droit de faire vendre les immeubles de son débiteur, sans remplir les formalités prescrites pour la saisie-exécution immobilière, est nulle et non avenue.
HOOFDSTUK VII. _ Evenredige verdeling.
Art.1627. Quinze jours au plus tard après la vente ou la saisie des deniers, l'huissier de justice invite les créanciers saisissants ou opposants à faire parvenir en ses bureaux, dans les quinze jours, la déclaration et la justification de la créance en principal, intérêts et frais, avec la mention, s'il y a lieu, du privilège auquel ils prétendent.
Art.1627. Uiterlijk vijftien dagen na de verkoop of na de inbeslagneming van de gelden, verzoekt de gerechtsdeurwaarder de schuldeisers die beslag of verzet gedaan hebben, de aangifte en het bewijs van hun schuldvordering in hoofdsom, interest en kosten binnen vijftien dagen op zijn kantoor te doen toekomen, met vermelding, indien daartoe grond bestaat, van het voorrecht waarop zij aanspraak maken.
Hij kan dit verzoek onder dezelfde voorwaarden richten aan iedere derde die beweert schuldeiser te zijn.
Het verzoek wordt aan de schuldeisers gericht hetzij bij ter post aangetekende brief aan hun woonplaats hetzij bij gewone brief aan de gekozen woonplaats, met ontvangstbewijs, gedagtekend en ondertekend door de partij of haar lasthebber.
Hij kan dit verzoek onder dezelfde voorwaarden richten aan iedere derde die beweert schuldeiser te zijn.
Het verzoek wordt aan de schuldeisers gericht hetzij bij ter post aangetekende brief aan hun woonplaats hetzij bij gewone brief aan de gekozen woonplaats, met ontvangstbewijs, gedagtekend en ondertekend door de partij of haar lasthebber.
Art. 1627. Quinze jours au plus tard après la vente ou la saisie des deniers, l'huissier de justice invite les créanciers saisissants ou opposants à faire parvenir en ses bureaux, dans les quinze jours, la déclaration et la justification de la créance en principal, intérêts et frais, avec la mention, s'il y a lieu, du privilège auquel ils prétendent.
Il peut, dans les mêmes conditions, adresser cette invitation à tout tiers se prétendant créancier.
L'invitation est donnée aux créanciers, soit par lettre recommandée à la poste à leur domicile, soit par simple lettre missive à domicile élu avec accusé de réception daté et signé par la partie ou son mandataire.
Il peut, dans les mêmes conditions, adresser cette invitation à tout tiers se prétendant créancier.
L'invitation est donnée aux créanciers, soit par lettre recommandée à la poste à leur domicile, soit par simple lettre missive à domicile élu avec accusé de réception daté et signé par la partie ou son mandataire.
Art.1628. Alleen de niet betwiste schuldvorderingen of die welke bij een titel, zelfs een onderhandse, zijn vastgesteld, komen voor gehele of gedeeltelijke verdeling in aanmerking ten belope van de aldus verantwoorde bedragen.
In geval van bewarend beslag, worden de rechten van de partijen bepaald, met inbegrip van het bedrag der schuldvordering voor de zekerheid waarvan bedoeld beslag is toegestaan, welk bedrag in consignatie gegeven, later in dezelfde vormen wordt verdeeld, indien daartoe grond bestaat.
In geval van bewarend beslag, worden de rechten van de partijen bepaald, met inbegrip van het bedrag der schuldvordering voor de zekerheid waarvan bedoeld beslag is toegestaan, welk bedrag in consignatie gegeven, later in dezelfde vormen wordt verdeeld, indien daartoe grond bestaat.
Art.1629. A l'expiration du délai prévu à l'article 1627, et au plus tard dans les quinze jours de l'invitation qui lui en est donnée par la partie la plus diligente, l'huissier de justice dresse un projet de répartition contenant:
1° l'indication des nom et prénom ainsi que du domicile des déclarants;
2° le montant des créances dont ils se déclarent nantis, les titres qu'ils invoquent et les privilèges auxquels ils prétendent;
3° le montant de la masse à répartir et les sommes attribuées aux déclarants.
Ce projet est adressé sur-le-champ par l'huissier de justice dans les formes prévues à l'article 1627 aux créanciers ayant été avertis ou ayant produit leur créance.
Tout contredit doit être fait dans les quinze jours soit par exploit d'huissier signifié à l'huissier de justice instrumentant, soit par déclaration devant celui-ci, à défaut de quoi il sera procédé à la répartition selon les dispositions du projet.
L'avis adressé aux créanciers et au débiteur contient l'indication du délai de quinze jours dans lequel le contredit doit être formé. Aucune opposition ne sera admise après l'échéance de ce délai, ni entre les mains de l'huissier de justice ni devant le juge.
1° l'indication des nom et prénom ainsi que du domicile des déclarants;
2° le montant des créances dont ils se déclarent nantis, les titres qu'ils invoquent et les privilèges auxquels ils prétendent;
3° le montant de la masse à répartir et les sommes attribuées aux déclarants.
Ce projet est adressé sur-le-champ par l'huissier de justice dans les formes prévues à l'article 1627 aux créanciers ayant été avertis ou ayant produit leur créance.
Tout contredit doit être fait dans les quinze jours soit par exploit d'huissier signifié à l'huissier de justice instrumentant, soit par déclaration devant celui-ci, à défaut de quoi il sera procédé à la répartition selon les dispositions du projet.
L'avis adressé aux créanciers et au débiteur contient l'indication du délai de quinze jours dans lequel le contredit doit être formé. Aucune opposition ne sera admise après l'échéance de ce délai, ni entre les mains de l'huissier de justice ni devant le juge.
Art.1629. Bij het verstrijken van de termijn bepaald in artikel 1627, en uiterlijk binnen vijftien dagen na het verzoek dat de meest gerede partij hem daartoe heeft gedaan, maakt de gerechtsdeurwaarder een ontwerp van verdeling op, bevattende:
1° de naam, voornaam en woonplaats van de aangevers;
2° het bedrag van de schuldvorderingen welke zij verklaren te bezitten, de titels waarop zij zich beroepen en de voorrechten waarop zij aanspraak maken;
3° het bedrag van de te verdelen massa en de sommen aan de aangevers toegekend.
De gerechtsdeurwaarder zendt dit ontwerp terstond in de vormen bepaald bij artikel 1627 aan de schuldeisers die daarvan verwittigd werden of hun schuldvordering hebben ingediend.
Iedere tegenspraak moet binnen vijftien dagen worden gedaan hetzij bij deurwaardersexploot betekend aan de optredende gerechtsdeurwaarder, hetzij bij verklaring vóór deze laatste, zoniet wordt de verdeling ter hand genomen overeenkomstig de voorzieningen van het ontwerp.
Het aan de schuldeisers en aan de schuldenaar gezonden bericht bevat opgave van de termijn van vijftien dagen waarbinnen de tegenspraak moet worden gevoerd. Na het verstrijken van die termijn wordt geen verzet meer aanvaard, noch in handen van de gerechtsdeurwaarder, noch voor de rechter.
1° de naam, voornaam en woonplaats van de aangevers;
2° het bedrag van de schuldvorderingen welke zij verklaren te bezitten, de titels waarop zij zich beroepen en de voorrechten waarop zij aanspraak maken;
3° het bedrag van de te verdelen massa en de sommen aan de aangevers toegekend.
De gerechtsdeurwaarder zendt dit ontwerp terstond in de vormen bepaald bij artikel 1627 aan de schuldeisers die daarvan verwittigd werden of hun schuldvordering hebben ingediend.
Iedere tegenspraak moet binnen vijftien dagen worden gedaan hetzij bij deurwaardersexploot betekend aan de optredende gerechtsdeurwaarder, hetzij bij verklaring vóór deze laatste, zoniet wordt de verdeling ter hand genomen overeenkomstig de voorzieningen van het ontwerp.
Het aan de schuldeisers en aan de schuldenaar gezonden bericht bevat opgave van de termijn van vijftien dagen waarbinnen de tegenspraak moet worden gevoerd. Na het verstrijken van die termijn wordt geen verzet meer aanvaard, noch in handen van de gerechtsdeurwaarder, noch voor de rechter.
Art. 1629. A l'expiration du délai prévu à l'article 1627, et au plus tard dans les quinze jours de l'invitation qui lui en est donnée par la partie la plus diligente, l'huissier de justice dresse un projet de répartition contenant:
1° l'indication des nom et prénom ainsi que du domicile des déclarants;
2° le montant des créances dont ils se déclarent nantis, les titres qu'ils invoquent et les privilèges auxquels ils prétendent;
3° le montant de la masse à répartir et les sommes attribuées aux déclarants.
Ce projet est adressé sur-le-champ par l'huissier de justice dans les formes prévues à l'article 1627 aux créanciers ayant été avertis ou ayant produit leur créance.
Tout contredit doit être fait dans les quinze jours soit par exploit d'huissier signifié à l'huissier de justice instrumentant, soit par déclaration devant celui-ci, à défaut de quoi il sera procédé à la répartition selon les dispositions du projet.
L'avis adressé aux créanciers et au débiteur contient l'indication du délai de quinze jours dans lequel le contredit doit être formé. Aucune opposition ne sera admise après l'échéance de ce délai, ni entre les mains de l'huissier de justice ni devant le juge.
1° l'indication des nom et prénom ainsi que du domicile des déclarants;
2° le montant des créances dont ils se déclarent nantis, les titres qu'ils invoquent et les privilèges auxquels ils prétendent;
3° le montant de la masse à répartir et les sommes attribuées aux déclarants.
Ce projet est adressé sur-le-champ par l'huissier de justice dans les formes prévues à l'article 1627 aux créanciers ayant été avertis ou ayant produit leur créance.
Tout contredit doit être fait dans les quinze jours soit par exploit d'huissier signifié à l'huissier de justice instrumentant, soit par déclaration devant celui-ci, à défaut de quoi il sera procédé à la répartition selon les dispositions du projet.
L'avis adressé aux créanciers et au débiteur contient l'indication du délai de quinze jours dans lequel le contredit doit être formé. Aucune opposition ne sera admise après l'échéance de ce délai, ni entre les mains de l'huissier de justice ni devant le juge.
Art.1630. Zodra de in artikel 1629 bepaalde termijn verstreken is, en indien geen tegenspraak is gevoerd, is de gerechtsdeurwaarder gehouden de gelden overeenkomstig het ontwerp te verdelen.
Art.1631. Si des contredits sont formés dans le délai et sauf le cas de règlement amiable sur ceux-ci, l'huissier de justice:
1° consigne sans retard à la Caisse des dépôts et consignations le montant des deniers, sous déduction des frais de saisie, de la vente et du projet de répartition;
2° dépose au greffe selon un inventaire dont il lui sera délivré récépissé, les déclarations et leurs annexes, le projet de répartition, les actes de contredits et le certificat de la Caisse des depôts et consignations.
1° consigne sans retard à la Caisse des dépôts et consignations le montant des deniers, sous déduction des frais de saisie, de la vente et du projet de répartition;
2° dépose au greffe selon un inventaire dont il lui sera délivré récépissé, les déclarations et leurs annexes, le projet de répartition, les actes de contredits et le certificat de la Caisse des depôts et consignations.
Art.1631. Indien binnen de termijn tegenspraak gevoerd is en deze niet bij minnelijke schikking geregeld is:
1° geeft de gerechtsdeurwaarder onverwijld de gelden in consignatie bij de Deposito- en Consignatiekas, na aftrek van de kosten van het beslag, van de verkoop en van het ontwerp van verdeling;
2° legt hij, volgens een inventaris waarvan hem een ontvangbewijs wordt gegeven, op de griffie neer de aangiften met hun bijlagen, het ontwerp van verdeling, de akten van tegenspraak en het bewijs van de Deposito- en Consignatiekas.
1° geeft de gerechtsdeurwaarder onverwijld de gelden in consignatie bij de Deposito- en Consignatiekas, na aftrek van de kosten van het beslag, van de verkoop en van het ontwerp van verdeling;
2° legt hij, volgens een inventaris waarvan hem een ontvangbewijs wordt gegeven, op de griffie neer de aangiften met hun bijlagen, het ontwerp van verdeling, de akten van tegenspraak en het bewijs van de Deposito- en Consignatiekas.
Art. 1631. Si des contredits sont formés dans le délai et sauf le cas de règlement amiable sur ceux-ci, l'huissier de justice:
1° consigne sans retard à la Caisse des dépôts et consignations le montant des deniers, sous déduction des frais de saisie, de la vente et du projet de répartition;
2° dépose au greffe selon un inventaire dont il lui sera délivré récépissé, les déclarations et leurs annexes, le projet de répartition, les actes de contredits et le certificat de la Caisse des depôts et consignations.
1° consigne sans retard à la Caisse des dépôts et consignations le montant des deniers, sous déduction des frais de saisie, de la vente et du projet de répartition;
2° dépose au greffe selon un inventaire dont il lui sera délivré récépissé, les déclarations et leurs annexes, le projet de répartition, les actes de contredits et le certificat de la Caisse des depôts et consignations.
Art.1632. Na de neerlegging van de stukken op de griffie, bepaalt de beslagrechter dag en uur voor het onderzoek en de regeling van de zwarigheden, de partijen vooraf gehoord of opgeroepen. Deze worden opgeroepen bij gerechtsbrief, welke de griffier hun doet toekomen.
Art. 1632. Sur le dépôt des pièces au greffe, le juge des saisies fixe jour et heure pour l'examen et le règlement des difficultés, les parties préalablement entendues ou appelées. Celles-ci sont convoquées par pli judiciaire à la diligence du greffier.
Art.1633. Partijen kunnen op de griffie kennis nemen van de aldaar neergelegde stukken.
Art.1634. Le juge des saisies statue sur les difficultés portées devant lui et arrête le tableau de la répartition des deniers.
Art.1634. De beslagrechter doet uitspraak over de vóór hem gemaakte zwarigheden en sluit de tabel van de verdeling der gelden af.
Art.1635. Le jugement est notifié à toutes les parties dans les quinze jours de sa prononciation, sous pli judiciaire par le greffier.
Ce jugement n'est pas susceptible d'opposition.
Ce jugement n'est pas susceptible d'opposition.
Art.1635. Binnen vijftien dagen na de uitspraak wordt van het vonnis aan alle partijen kennis gegeven bij gerechtsbrief, welke de griffier hun doet toekomen.
Tegen dit vonnis staat geen verzet open.
Tegen dit vonnis staat geen verzet open.
Art.1636. Si aucun appel n'a été forme dans le délai légal, le greffier envoie la copie certifiée conforme du tableau de répartition arrêté par le juge à la Caisse des dépôts et consignations.
Celle-ci délivre à chaque créancier admis définitivement au tableau et le cas échéant, à la partie saisie sur présentation de la notification du jugement qui lui a été faite, la somme qui lui a été attribuée par le juge.
En cas d'appel, le greffier de la cour procède aux notifications prévues à l'article 1635 et adresse à la Caisse des dépôts et consignations le tableau de répartition tel qu'il est définitivement fixé par l'arrêt de la cour.
Il est procédé de la même manière pour les demandes relatives aux créances dont le jugement a été réservé. Si elles sont rejetées, leur montant est reparti entre les créanciers définitivement admis conformément au tableau de répartition.
Celle-ci délivre à chaque créancier admis définitivement au tableau et le cas échéant, à la partie saisie sur présentation de la notification du jugement qui lui a été faite, la somme qui lui a été attribuée par le juge.
En cas d'appel, le greffier de la cour procède aux notifications prévues à l'article 1635 et adresse à la Caisse des dépôts et consignations le tableau de répartition tel qu'il est définitivement fixé par l'arrêt de la cour.
Il est procédé de la même manière pour les demandes relatives aux créances dont le jugement a été réservé. Si elles sont rejetées, leur montant est reparti entre les créanciers définitivement admis conformément au tableau de répartition.
Art.1636. Indien er binnen de wettelijke termijn geen hoger beroep is ingesteld, zendt de griffier aan de Deposito- en Consignatiekas het eensluidend verklaarde afschrift van de verdelingstabel die de rechter heeft afgesloten.
Voormelde kas geeft aan ieder schuldeiser die definitief in de tabel is opgenomen en, indien daartoe grond bestaat, aan de beslagene, onder overlegging van de akte waarbij hem van het vonnis is kennis gegeven, het bedrag af dat de rechter hem heeft toegekend.
In geval van hoger beroep doet de griffier van het hof de in artikel 1635 bedoelde kennisgevingen en zendt de verdelingstabel aan de Deposito- en Consignatiekas, zoals die in het arrest van het hof definitief is vastgesteld.
Op dezelfde wijze wordt gehandeld voor de vorderingen betreffende schuldvorderingen waarover het vonnis werd uitgesteld. Worden zij verworpen, dan wordt het bedrag ervan verdeeld onder de definitief opgenomen schuldeisers overeenkomstig de verdelingstabel.
Voormelde kas geeft aan ieder schuldeiser die definitief in de tabel is opgenomen en, indien daartoe grond bestaat, aan de beslagene, onder overlegging van de akte waarbij hem van het vonnis is kennis gegeven, het bedrag af dat de rechter hem heeft toegekend.
In geval van hoger beroep doet de griffier van het hof de in artikel 1635 bedoelde kennisgevingen en zendt de verdelingstabel aan de Deposito- en Consignatiekas, zoals die in het arrest van het hof definitief is vastgesteld.
Op dezelfde wijze wordt gehandeld voor de vorderingen betreffende schuldvorderingen waarover het vonnis werd uitgesteld. Worden zij verworpen, dan wordt het bedrag ervan verdeeld onder de definitief opgenomen schuldeisers overeenkomstig de verdelingstabel.
Art. 1636. Si aucun appel n'a été forme dans le délai légal, le greffier envoie la copie certifiée conforme du tableau de répartition arrêté par le juge à la Caisse des dépôts et consignations.
Celle-ci délivre à chaque créancier admis définitivement au tableau et le cas échéant, à la partie saisie sur présentation de la notification du jugement qui lui a été faite, la somme qui lui a été attribuée par le juge.
En cas d'appel, le greffier de la cour procède aux notifications prévues à l'article 1635 et adresse à la Caisse des dépôts et consignations le tableau de répartition tel qu'il est définitivement fixé par l'arrêt de la cour.
Il est procédé de la même manière pour les demandes relatives aux créances dont le jugement a été réservé. Si elles sont rejetées, leur montant est reparti entre les créanciers définitivement admis conformément au tableau de répartition.
Celle-ci délivre à chaque créancier admis définitivement au tableau et le cas échéant, à la partie saisie sur présentation de la notification du jugement qui lui a été faite, la somme qui lui a été attribuée par le juge.
En cas d'appel, le greffier de la cour procède aux notifications prévues à l'article 1635 et adresse à la Caisse des dépôts et consignations le tableau de répartition tel qu'il est définitivement fixé par l'arrêt de la cour.
Il est procédé de la même manière pour les demandes relatives aux créances dont le jugement a été réservé. Si elles sont rejetées, leur montant est reparti entre les créanciers définitivement admis conformément au tableau de répartition.
Art.1637. De interest van de in de verdeling opgenomen sommen houdt op te lopen bij het verstrijken van de termijn van vijftien dagen waarbinnen de tegenspraak moet worden gedaan, indien er geen geschil rijst; in geval van geschil, vanaf de dag van de kennisgeving van het vonnis waarbij uitspraak is gedaan; in geval van hoger beroep, met ingang van de dag waarop het arrest is gewezen.
Art. 1637. Les intérêts des sommes admises en distribution cessent à l'expiration du délai de quinze jours dans lequel le contredit doit être formé, s'il ne s'élève pas de contestation; en cas de contestation, du jour de la notification du jugement qui a statué; en cas d'appel, à compter de la prononciation de l'arrêt.
HOOFDSTUK VIII. _ Rangregeling.
Art.1639.[1 Les ventes mentionnées à l'article 1326, qui emportent de plein droit délégation du prix au profit des créanciers dans les conditions fixées par cette disposition, sont suivies d'un ordre.
Art.1639. [1 Alle verkopingen, vermeld in artikel 1326 die overwijzing meebrengen van de prijs ten behoeve van de schuldeisers met inachtneming van de in deze bepaling vastgestelde voorwaarden, worden gevolgd door een rangregeling.
De rangregeling geopend na de verkoop [2 van het onroerend goed toebehorend aan een schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, een gefailleerde, een schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde of een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap]2 beperkt zich, behoudens andersluidende modaliteiten, tot de betaling van de ingeschreven hypothecaire [2 schuldeisers, de bijzonder bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers]2. [2 De gelden die toekomen aan de schuldeiser die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort op een rubriekrekening in afwachting van een uitvoerbare beslissing of een akkoord tussen partijen.]2 Na betaling van voornoemde schuldeisers stort de instrumenterende ministerieel ambtenaar, desgevallend, het saldo van de verkoopprijs en de toebehoren aan de gerechtsmandataris of aan de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam. Deze storting is bevrijdend net zoals de storting gedaan door de koper overeenkomstig artikel 1641.]1
De rangregeling geopend na de verkoop [2 van het onroerend goed toebehorend aan een schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, een gefailleerde, een schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde of een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap]2 beperkt zich, behoudens andersluidende modaliteiten, tot de betaling van de ingeschreven hypothecaire [2 schuldeisers, de bijzonder bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers]2. [2 De gelden die toekomen aan de schuldeiser die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort op een rubriekrekening in afwachting van een uitvoerbare beslissing of een akkoord tussen partijen.]2 Na betaling van voornoemde schuldeisers stort de instrumenterende ministerieel ambtenaar, desgevallend, het saldo van de verkoopprijs en de toebehoren aan de gerechtsmandataris of aan de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam. Deze storting is bevrijdend net zoals de storting gedaan door de koper overeenkomstig artikel 1641.]1
Art. 1639/1. [1 Si l'une des ventes mentionnées à l'article 1326 concerne un immeuble indivis, un ordre par copropriétaire doit être établi en procédant comme suit:
1° un ordre complet pour la part revenant à un saisi, un mineur, un présumé absent, une personne protégée qui, en vertu de l'article 492/1 de l'ancien Code civil, a été déclarée incapable d'aliéner des immeubles ou aux parties dans le cadre d'une liquidation-partage judiciaire;
2° un ordre allégé, tel que prévu à l'article 1639, alinéa 2, pour la part revenant à un débiteur admis au règlement collectif de dettes, un failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, une personne morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge, une succession vacante ou une succession acceptée sous bénéfice d'inventaire;
3° un ordre semi-allégé pour la part revenant à un copropriétaire non mentionné aux 1° et 2°. Cet ordre se limite au payement des créanciers hypothécaires inscrits, des créanciers privilégiés spéciaux et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages ainsi qu'au payement des créanciers fiscaux et sociaux qui ont envoyé une notification à temps. Les fonds revenant au créancier ayant fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil, sont versés sur un compte rubriqué en attendant une décision exécutoire ou un accord entre les parties.
La créance qui peut être récupérée à l'encontre de plusieurs copropriétaires indivis, est imputée en proportion de la part de droits réels qui revient à chacun d'entre eux, sans porter préjudice au caractère indivisible de l'hypothèque.
Si l'immeuble fait partie d'une copropriété portant sur un ensemble juridique de biens, les dettes communes à cette copropriété sont reprises en premier lieu dans l'ordre. Ensuite, après la détermination de la part nette de chacun des indivisaires, les dettes propres sont prises en compte dans l'ordre tel que prévu à l'alinéa 1er. Si la copropriété portant sur l'ensemble juridique de biens a déjà été dissoute, cette dernière étape ne peut être entamée qu'après le règlement complet de cette copropriété.]1
1° un ordre complet pour la part revenant à un saisi, un mineur, un présumé absent, une personne protégée qui, en vertu de l'article 492/1 de l'ancien Code civil, a été déclarée incapable d'aliéner des immeubles ou aux parties dans le cadre d'une liquidation-partage judiciaire;
2° un ordre allégé, tel que prévu à l'article 1639, alinéa 2, pour la part revenant à un débiteur admis au règlement collectif de dettes, un failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, une personne morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge, une succession vacante ou une succession acceptée sous bénéfice d'inventaire;
3° un ordre semi-allégé pour la part revenant à un copropriétaire non mentionné aux 1° et 2°. Cet ordre se limite au payement des créanciers hypothécaires inscrits, des créanciers privilégiés spéciaux et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages ainsi qu'au payement des créanciers fiscaux et sociaux qui ont envoyé une notification à temps. Les fonds revenant au créancier ayant fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil, sont versés sur un compte rubriqué en attendant une décision exécutoire ou un accord entre les parties.
La créance qui peut être récupérée à l'encontre de plusieurs copropriétaires indivis, est imputée en proportion de la part de droits réels qui revient à chacun d'entre eux, sans porter préjudice au caractère indivisible de l'hypothèque.
Si l'immeuble fait partie d'une copropriété portant sur un ensemble juridique de biens, les dettes communes à cette copropriété sont reprises en premier lieu dans l'ordre. Ensuite, après la détermination de la part nette de chacun des indivisaires, les dettes propres sont prises en compte dans l'ordre tel que prévu à l'alinéa 1er. Si la copropriété portant sur l'ensemble juridique de biens a déjà été dissoute, cette dernière étape ne peut être entamée qu'après le règlement complet de cette copropriété.]1
Art. 1639/1. [1 Indien een van de verkopingen vermeld in artikel 1326 een onverdeeld onroerend goed betreft, moet er per mede-eigenaar een rangregeling worden opgemaakt als volgt:
1° een volledige rangregeling voor het aandeel toebehorend aan een beslagene, een minderjarige, een vermoedelijk afwezige, een beschermde persoon die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werd verklaard om onroerende goederen te vervreemden of aan de partijen in een gerechtelijke vereffening-verdeling;
2° een verkorte rangregeling zoals voorzien in artikel 1639, tweede lid, voor het aandeel toebehorend aan een schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, een gefailleerde, een schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde nalatenschap of een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving;
3° een semi-verkorte rangregeling voor het aandeel toebehorend aan een mede-eigenaar die niet vermeld wordt onder de bepalingen onder 1° en 2°. Deze rangregeling beperkt zich tot de betaling van de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de bijzonder bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, evenals tot de betaling van de sociale en fiscale schuldeisers die tijdig een kennisgeving hebben verstuurd. De gelden die toekomen aan de schuldeiser die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort op een rubriekrekening in afwachting van een uitvoerbare beslissing of een akkoord tussen partijen.
De schuldvordering die kan worden verhaald op meerdere onverdeelde eigenaars, wordt aangerekend naar verhouding met het zakenrechtelijk aandeel dat toekomt aan elk van hen, zonder afbreuk te doen aan het ondeelbare karakter van de hypotheek.
Indien het onroerend goed deel uitmaakt van een mede-eigendom die betrekking heeft op een juridisch geheel van goederen, worden eerst de gemeenschappelijke schulden van deze mede-eigendom in rekening genomen in de rangregeling. Nadat vervolgens het netto-aandeel van elk van de deelgenoten werd bepaald, worden de eigen schulden in rekening genomen in de rangregeling zoals voorzien in het eerste lid. Indien de mede-eigendom die betrekking heeft op het juridisch geheel van goederen reeds was ontbonden, kan deze laatste fase slechts aangevat worden na gehele afwikkeling van deze mede-eigendom.]1
1° een volledige rangregeling voor het aandeel toebehorend aan een beslagene, een minderjarige, een vermoedelijk afwezige, een beschermde persoon die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werd verklaard om onroerende goederen te vervreemden of aan de partijen in een gerechtelijke vereffening-verdeling;
2° een verkorte rangregeling zoals voorzien in artikel 1639, tweede lid, voor het aandeel toebehorend aan een schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, een gefailleerde, een schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde nalatenschap of een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving;
3° een semi-verkorte rangregeling voor het aandeel toebehorend aan een mede-eigenaar die niet vermeld wordt onder de bepalingen onder 1° en 2°. Deze rangregeling beperkt zich tot de betaling van de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de bijzonder bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, evenals tot de betaling van de sociale en fiscale schuldeisers die tijdig een kennisgeving hebben verstuurd. De gelden die toekomen aan de schuldeiser die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort op een rubriekrekening in afwachting van een uitvoerbare beslissing of een akkoord tussen partijen.
De schuldvordering die kan worden verhaald op meerdere onverdeelde eigenaars, wordt aangerekend naar verhouding met het zakenrechtelijk aandeel dat toekomt aan elk van hen, zonder afbreuk te doen aan het ondeelbare karakter van de hypotheek.
Indien het onroerend goed deel uitmaakt van een mede-eigendom die betrekking heeft op een juridisch geheel van goederen, worden eerst de gemeenschappelijke schulden van deze mede-eigendom in rekening genomen in de rangregeling. Nadat vervolgens het netto-aandeel van elk van de deelgenoten werd bepaald, worden de eigen schulden in rekening genomen in de rangregeling zoals voorzien in het eerste lid. Indien de mede-eigendom die betrekking heeft op het juridisch geheel van goederen reeds was ontbonden, kan deze laatste fase slechts aangevat worden na gehele afwikkeling van deze mede-eigendom.]1
Art. 1639/1. [1 Si l'une des ventes mentionnées à l'article 1326 concerne un immeuble indivis, un ordre par copropriétaire doit être établi en procédant comme suit:
1° un ordre complet pour la part revenant à un saisi, un mineur, un présumé absent, une personne protégée qui, en vertu de l'article 492/1 de l'ancien Code civil, a été déclarée incapable d'aliéner des immeubles ou aux parties dans le cadre d'une liquidation-partage judiciaire;
2° un ordre allégé, tel que prévu à l'article 1639, alinéa 2, pour la part revenant à un débiteur admis au règlement collectif de dettes, un failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, une personne morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge, une succession vacante ou une succession acceptée sous bénéfice d'inventaire;
3° un ordre semi-allégé pour la part revenant à un copropriétaire non mentionné aux 1° et 2°. Cet ordre se limite au payement des créanciers hypothécaires inscrits, des créanciers privilégiés spéciaux et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages ainsi qu'au payement des créanciers fiscaux et sociaux qui ont envoyé une notification à temps. Les fonds revenant au créancier ayant fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil, sont versés sur un compte rubriqué en attendant une décision exécutoire ou un accord entre les parties.
La créance qui peut être récupérée à l'encontre de plusieurs copropriétaires indivis, est imputée en proportion de la part de droits réels qui revient à chacun d'entre eux, sans porter préjudice au caractère indivisible de l'hypothèque.
Si l'immeuble fait partie d'une copropriété portant sur un ensemble juridique de biens, les dettes communes à cette copropriété sont reprises en premier lieu dans l'ordre. Ensuite, après la détermination de la part nette de chacun des indivisaires, les dettes propres sont prises en compte dans l'ordre tel que prévu à l'alinéa 1er. Si la copropriété portant sur l'ensemble juridique de biens a déjà été dissoute, cette dernière étape ne peut être entamée qu'après le règlement complet de cette copropriété.]1
1° un ordre complet pour la part revenant à un saisi, un mineur, un présumé absent, une personne protégée qui, en vertu de l'article 492/1 de l'ancien Code civil, a été déclarée incapable d'aliéner des immeubles ou aux parties dans le cadre d'une liquidation-partage judiciaire;
2° un ordre allégé, tel que prévu à l'article 1639, alinéa 2, pour la part revenant à un débiteur admis au règlement collectif de dettes, un failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, une personne morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge, une succession vacante ou une succession acceptée sous bénéfice d'inventaire;
3° un ordre semi-allégé pour la part revenant à un copropriétaire non mentionné aux 1° et 2°. Cet ordre se limite au payement des créanciers hypothécaires inscrits, des créanciers privilégiés spéciaux et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages ainsi qu'au payement des créanciers fiscaux et sociaux qui ont envoyé une notification à temps. Les fonds revenant au créancier ayant fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil, sont versés sur un compte rubriqué en attendant une décision exécutoire ou un accord entre les parties.
La créance qui peut être récupérée à l'encontre de plusieurs copropriétaires indivis, est imputée en proportion de la part de droits réels qui revient à chacun d'entre eux, sans porter préjudice au caractère indivisible de l'hypothèque.
Si l'immeuble fait partie d'une copropriété portant sur un ensemble juridique de biens, les dettes communes à cette copropriété sont reprises en premier lieu dans l'ordre. Ensuite, après la détermination de la part nette de chacun des indivisaires, les dettes propres sont prises en compte dans l'ordre tel que prévu à l'alinéa 1er. Si la copropriété portant sur l'ensemble juridique de biens a déjà été dissoute, cette dernière étape ne peut être entamée qu'après le règlement complet de cette copropriété.]1
Art.1640. De benoemde notaris geeft aan de koper een bewijs af, waarop de bedragen zijn vermeld die hij krachtens de veilingsvoorwaarden gehouden is te betalen, te weten:
1° de prijs;
2° de interest;
3° de kosten, rechten en erelonen;
4° alle andere bijkomende kosten.
1° de prijs;
2° de interest;
3° de kosten, rechten en erelonen;
4° alle andere bijkomende kosten.
Art.1641. L'adjudicataire doit verser entre les mains du notaire commis le montant des frais, droits et honoraires dont il est question à l'article 1640, 3°.
Nonobstant toutes clauses contraires ou oppositions, il peut verser (au notaire chargé de la procédure d'ordre ou à la Caisse des dépôts et consignations) les sommes dont il est question à l'article 1640, 1°, 2° et 4°. Le versement ne peut plus être effectué par l'adjudicataire après la signification qui lui est faite, soit du procès-verbal de distribution ou d'ordre, clôturé conformément à l'article 1646, soit de la décision irrévocable statuant sur les contestations qui ont trait à ce procès-verbal. <L 2000-05-29/36, art. 16, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Ces versements libèrent l'adjudicataire.
Nonobstant toutes clauses contraires ou oppositions, il peut verser (au notaire chargé de la procédure d'ordre ou à la Caisse des dépôts et consignations) les sommes dont il est question à l'article 1640, 1°, 2° et 4°. Le versement ne peut plus être effectué par l'adjudicataire après la signification qui lui est faite, soit du procès-verbal de distribution ou d'ordre, clôturé conformément à l'article 1646, soit de la décision irrévocable statuant sur les contestations qui ont trait à ce procès-verbal. <L 2000-05-29/36, art. 16, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Ces versements libèrent l'adjudicataire.
Art.1641. De koper moet het bedrag van de in artikel 1640, 3°, bedoelde kosten, rechten en erelonen in handen van de benoemde notaris storten.
Niettegenstaande elk hiermee strijdig beding of verzet, kan hij de sommen, bedoeld in artikel 1640, 1°, 2° en 4°, (in de handen van de notaris belast met de rangregeling of in de Deposito- en Consignatiekas) storten. De koper mag de storting niet meer verrichten nadat hem hetzij het proces-verbaal van verdeling of van rangregeling, afgesloten overeenkomstig artikel 1646, hetzij de onherroepelijke beslissing over de geschillen betreffende dat proces-verbaal is betekend. <W 2000-05-29/36, art. 16, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
Deze stortingen bevrijden de koper.
Niettegenstaande elk hiermee strijdig beding of verzet, kan hij de sommen, bedoeld in artikel 1640, 1°, 2° en 4°, (in de handen van de notaris belast met de rangregeling of in de Deposito- en Consignatiekas) storten. De koper mag de storting niet meer verrichten nadat hem hetzij het proces-verbaal van verdeling of van rangregeling, afgesloten overeenkomstig artikel 1646, hetzij de onherroepelijke beslissing over de geschillen betreffende dat proces-verbaal is betekend. <W 2000-05-29/36, art. 16, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
Deze stortingen bevrijden de koper.
Art. 1641. L'adjudicataire doit verser entre les mains du notaire commis le montant des frais, droits et honoraires dont il est question à l'article 1640, 3°.
Nonobstant toutes clauses contraires ou oppositions, il peut verser (au notaire chargé de la procédure d'ordre ou à la Caisse des dépôts et consignations) les sommes dont il est question à l'article 1640, 1°, 2° et 4°. Le versement ne peut plus être effectué par l'adjudicataire après la signification qui lui est faite, soit du procès-verbal de distribution ou d'ordre, clôturé conformément à l'article 1646, soit de la décision irrévocable statuant sur les contestations qui ont trait à ce procès-verbal. <L 2000-05-29/36, art. 16, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Ces versements libèrent l'adjudicataire.
Nonobstant toutes clauses contraires ou oppositions, il peut verser (au notaire chargé de la procédure d'ordre ou à la Caisse des dépôts et consignations) les sommes dont il est question à l'article 1640, 1°, 2° et 4°. Le versement ne peut plus être effectué par l'adjudicataire après la signification qui lui est faite, soit du procès-verbal de distribution ou d'ordre, clôturé conformément à l'article 1646, soit de la décision irrévocable statuant sur les contestations qui ont trait à ce procès-verbal. <L 2000-05-29/36, art. 16, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Ces versements libèrent l'adjudicataire.
Art.1642. <W 2000-05-29/36, art. 17, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001> Tot aan het verstrijken van de termijn voor het opmaken van het proces-verbaal van verdeling of van rangregeling, kunnen de schuldeisers die een uitvoerbare titel bezitten, verzet doen tegen de prijs.
Het verzet moet worden gedaan hetzij bij een deurwaarderexploot betekend aan de benoemde notaris, hetzij bij wege van een verklaring voor deze laatste.
De akte van verzet vermeldt de oorzaak van de schuldvordering en het bedrag ervan, alsook de keuze van woonplaats in het arrondissement waar de benoemde notaris zijn woonplaats heeft.
Het verzet moet worden gedaan hetzij bij een deurwaarderexploot betekend aan de benoemde notaris, hetzij bij wege van een verklaring voor deze laatste.
De akte van verzet vermeldt de oorzaak van de schuldvordering en het bedrag ervan, alsook de keuze van woonplaats in het arrondissement waar de benoemde notaris zijn woonplaats heeft.
Art.1643. Le notaire commis dresse, dans le mois, le procès-verbal de distribution du produit de la vente ou, s'il y a lieu, d'ordre de privilèges et d'hypothèques.
Ce délai prend cours:
1° à l'expiration du délai de quinze jours prévu à l'article 1622, si dans ce délai l'adjudication n'est pas attaquée;
2° à l'expiration du délai d'un mois après la prononciation du jugement qui a statué sur la demande en nullité;
3° en cas d'appel du jugement, à dater de la dénonciation de l'arrêt au notaire par la partie la plus diligente.
(Alinéa 3 abroge) <L 2000-05-29/36, art. 18, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Ce délai prend cours:
1° à l'expiration du délai de quinze jours prévu à l'article 1622, si dans ce délai l'adjudication n'est pas attaquée;
2° à l'expiration du délai d'un mois après la prononciation du jugement qui a statué sur la demande en nullité;
3° en cas d'appel du jugement, à dater de la dénonciation de l'arrêt au notaire par la partie la plus diligente.
(Alinéa 3 abroge) <L 2000-05-29/36, art. 18, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Art.1643. De benoemde notaris maakt binnen een maand het proces-verbaal op van verdeling van de opbrengst van de verkoop of, indien daartoe grond bestaat, van de rangregeling van voorrechten en hypotheken.
Deze termijn gaat in:
1° bij het verstrijken van de termijn van vijftien dagen, bepaald in artikel 1622, indien de toewijzing binnen die termijn niet bestreden wordt;
2° bij het verstrijken van de termijn van een maand na het wijzen van het vonnis waarbij op de eis tot nietigverklaring is beschikt;
3° ingeval tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld, te rekenen van de aanzegging van het arrest aan de notaris door de meest gerede partij.
(Lid 3 opgeheven) <W 2000-05-29/36, art. 18, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
Deze termijn gaat in:
1° bij het verstrijken van de termijn van vijftien dagen, bepaald in artikel 1622, indien de toewijzing binnen die termijn niet bestreden wordt;
2° bij het verstrijken van de termijn van een maand na het wijzen van het vonnis waarbij op de eis tot nietigverklaring is beschikt;
3° ingeval tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld, te rekenen van de aanzegging van het arrest aan de notaris door de meest gerede partij.
(Lid 3 opgeheven) <W 2000-05-29/36, art. 18, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
Art.1644. Dans les quinze jours du procès-verbal, le notaire fait sommer le débiteur saisi et les créanciers au domicile élu par eux dans l'inscription, la transcription ou l'opposition, de prendre connaissance du procès-verbal et d'y contredire, s'il échet, a peine de forclusion, dans le délai d'un mois.
(Les créanciers dont l'existence est révélée par la seule consultation des avis établis en application des articles 1390 à 1390quater, sont associés à la procédure si un dividende est susceptible de leur être attribué; dans le cas contraire, ils ne reçoivent la sommation visée à l'alinéa 1er que si, préalablement informés de cette situation par le notaire, ils exigent de celui-ci d'être associés à la procédure.) <L 2000-05-29/36, art. 19, 035; En vigueur : 01-07-2001>
La sommation indique les bases de la distribution du prix entre les créanciers. Elle reproduit le texte du présent article.
Le contredit est formé soit par exploit d'huissier signifié au notaire, soit par déclaration devant celui-ci. Il est transcrit à la suite du procès-verbal.
(Les créanciers dont l'existence est révélée par la seule consultation des avis établis en application des articles 1390 à 1390quater, sont associés à la procédure si un dividende est susceptible de leur être attribué; dans le cas contraire, ils ne reçoivent la sommation visée à l'alinéa 1er que si, préalablement informés de cette situation par le notaire, ils exigent de celui-ci d'être associés à la procédure.) <L 2000-05-29/36, art. 19, 035; En vigueur : 01-07-2001>
La sommation indique les bases de la distribution du prix entre les créanciers. Elle reproduit le texte du présent article.
Le contredit est formé soit par exploit d'huissier signifié au notaire, soit par déclaration devant celui-ci. Il est transcrit à la suite du procès-verbal.
Art.1644. Binnen vijftien dagen na het proces-verbaal doet de notaris de schuldenaar tegen wie het beslag is geschied en de schuldeisers, aan de woonplaats die zij hebben gekozen in de inschrijving, de overschrijving of het verzet, aanmanen om, op straffe van uitsluiting, binnen de termijn van een maand inzage te nemen van het proces-verbaal en, indien daartoe grond bestaat, daarop tegenspraak te doen.
(Schuldeisers van wie het bestaan blijkt uit de enkele raadpleging van de berichten opgemaakt met toepassing van de artikelen 1390 tot 1390quater, worden betrokken bij de procedure indien zij in aanmerking komen voor de toekenning van een dividend; in het andere geval ontvangen zij enkel de aanmaning bedoeld in het eerste lid wanneer zij, voorafgaandelijk ingelicht door de notaris over deze situatie, van deze laatste eisen dat zij worden betrokken bij de procedure.) <W 2000-05-29/36, art. 19, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
De aanmaning vermeldt de grondslagen van de verdeling van de prijs onder de schuldeisers. Zij neemt de tekst van dit artikel over.
De tegenspraak wordt gedaan hetzij bij een aan de notaris betekend deurwaardersexploot, hetzij bij verklaring, vóór hem af te leggen. Zij wordt achteraan op het proces-verbaal overgeschreven.
(Schuldeisers van wie het bestaan blijkt uit de enkele raadpleging van de berichten opgemaakt met toepassing van de artikelen 1390 tot 1390quater, worden betrokken bij de procedure indien zij in aanmerking komen voor de toekenning van een dividend; in het andere geval ontvangen zij enkel de aanmaning bedoeld in het eerste lid wanneer zij, voorafgaandelijk ingelicht door de notaris over deze situatie, van deze laatste eisen dat zij worden betrokken bij de procedure.) <W 2000-05-29/36, art. 19, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
De aanmaning vermeldt de grondslagen van de verdeling van de prijs onder de schuldeisers. Zij neemt de tekst van dit artikel over.
De tegenspraak wordt gedaan hetzij bij een aan de notaris betekend deurwaardersexploot, hetzij bij verklaring, vóór hem af te leggen. Zij wordt achteraan op het proces-verbaal overgeschreven.
Art. 1644. Dans les quinze jours du procès-verbal, le notaire fait sommer le débiteur saisi et les créanciers au domicile élu par eux dans l'inscription, la transcription ou l'opposition, de prendre connaissance du procès-verbal et d'y contredire, s'il échet, a peine de forclusion, dans le délai d'un mois.
(Les créanciers dont l'existence est révélée par la seule consultation des avis établis en application des articles 1390 à 1390quater, sont associés à la procédure si un dividende est susceptible de leur être attribué; dans le cas contraire, ils ne reçoivent la sommation visée à l'alinéa 1er que si, préalablement informés de cette situation par le notaire, ils exigent de celui-ci d'être associés à la procédure.) <L 2000-05-29/36, art. 19, 035; En vigueur : 01-07-2001>
La sommation indique les bases de la distribution du prix entre les créanciers. Elle reproduit le texte du présent article.
Le contredit est formé soit par exploit d'huissier signifié au notaire, soit par déclaration devant celui-ci. Il est transcrit à la suite du procès-verbal.
(Les créanciers dont l'existence est révélée par la seule consultation des avis établis en application des articles 1390 à 1390quater, sont associés à la procédure si un dividende est susceptible de leur être attribué; dans le cas contraire, ils ne reçoivent la sommation visée à l'alinéa 1er que si, préalablement informés de cette situation par le notaire, ils exigent de celui-ci d'être associés à la procédure.) <L 2000-05-29/36, art. 19, 035; En vigueur : 01-07-2001>
La sommation indique les bases de la distribution du prix entre les créanciers. Elle reproduit le texte du présent article.
Le contredit est formé soit par exploit d'huissier signifié au notaire, soit par déclaration devant celui-ci. Il est transcrit à la suite du procès-verbal.
Art.1645. Indien bij het verstrijken van de in artikel 1644 bepaalde termijn geen tegenspraak is gedaan, stelt de notaris dit vast in het proces-verbaal, sluit het proces-verbaal af en geeft aan de schuldeisers de borderellen van toewijzing in uitvoerbare vorm af.
Art.1646. En cas de contestation, et à moins de règlement amiable de son objet, le notaire dépose au greffe une expédition du procès-verbal. Il y joint ses observations.
Le dépôt doit avoir lieu dès qu'un créancier le requiert et dans la huitaine de cette demande.
Sous pli judiciaire, le greffier avise immédiatement de ce dépôt le débiteur saisi, ainsi que les créanciers et les invite à comparaître à l'audience fixée par le juge.
Si la contestation ne porte pas sur la régularité des opérations, le notaire détermine la distribution et l'ordre pour les créances dont le rang prime celui de la créance qui est contestée et délivre les bordereaux de collocation pour ces créances.
Si la contestation est réglée à l'amiable, le notaire en donne acte aux parties et clôture le procès-verbal conformément à l'article 1645.
Le dépôt doit avoir lieu dès qu'un créancier le requiert et dans la huitaine de cette demande.
Sous pli judiciaire, le greffier avise immédiatement de ce dépôt le débiteur saisi, ainsi que les créanciers et les invite à comparaître à l'audience fixée par le juge.
Si la contestation ne porte pas sur la régularité des opérations, le notaire détermine la distribution et l'ordre pour les créances dont le rang prime celui de la créance qui est contestée et délivre les bordereaux de collocation pour ces créances.
Si la contestation est réglée à l'amiable, le notaire en donne acte aux parties et clôture le procès-verbal conformément à l'article 1645.
Art.1646. In geval van betwisting, en behoudens minnelijke schikking legt de notaris een uitgifte van het proces-verbaal, met zijn opmerkingen, ter griffie neer.
De neerlegging moet geschieden zodra een schuldeiser het vraagt en binnen acht dagen na die vraag.
Bij gerechtsbrief geeft de griffier terstond kennis van deze neerlegging aan de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, alsook aan de schuldeisers, en verzoekt hen te verschijnen op de door de rechter vastgestelde zitting.
Loopt het geschil niet over de regelmatigheid van de verrichtingen, dan bepaalt de notaris de verdeling en de rangregeling voor de schuldvorderingen waarvan de rang hoger is dan die van de betwiste schuldvordering, en geeft de borderellen van toewijzing voor die schuldvorderingen af.
Indien het geschil in der minne wordt geregeld, verleent de notaris hiervan akte aan de partijen en sluit het proces-verbaal overeenkomstig artikel 1645.
De neerlegging moet geschieden zodra een schuldeiser het vraagt en binnen acht dagen na die vraag.
Bij gerechtsbrief geeft de griffier terstond kennis van deze neerlegging aan de schuldenaar tegen wie het beslag geschiedt, alsook aan de schuldeisers, en verzoekt hen te verschijnen op de door de rechter vastgestelde zitting.
Loopt het geschil niet over de regelmatigheid van de verrichtingen, dan bepaalt de notaris de verdeling en de rangregeling voor de schuldvorderingen waarvan de rang hoger is dan die van de betwiste schuldvordering, en geeft de borderellen van toewijzing voor die schuldvorderingen af.
Indien het geschil in der minne wordt geregeld, verleent de notaris hiervan akte aan de partijen en sluit het proces-verbaal overeenkomstig artikel 1645.
Art. 1646. En cas de contestation, et à moins de règlement amiable de son objet, le notaire dépose au greffe une expédition du procès-verbal. Il y joint ses observations.
Le dépôt doit avoir lieu dès qu'un créancier le requiert et dans la huitaine de cette demande.
Sous pli judiciaire, le greffier avise immédiatement de ce dépôt le débiteur saisi, ainsi que les créanciers et les invite à comparaître à l'audience fixée par le juge.
Si la contestation ne porte pas sur la régularité des opérations, le notaire détermine la distribution et l'ordre pour les créances dont le rang prime celui de la créance qui est contestée et délivre les bordereaux de collocation pour ces créances.
Si la contestation est réglée à l'amiable, le notaire en donne acte aux parties et clôture le procès-verbal conformément à l'article 1645.
Le dépôt doit avoir lieu dès qu'un créancier le requiert et dans la huitaine de cette demande.
Sous pli judiciaire, le greffier avise immédiatement de ce dépôt le débiteur saisi, ainsi que les créanciers et les invite à comparaître à l'audience fixée par le juge.
Si la contestation ne porte pas sur la régularité des opérations, le notaire détermine la distribution et l'ordre pour les créances dont le rang prime celui de la créance qui est contestée et délivre les bordereaux de collocation pour ces créances.
Si la contestation est réglée à l'amiable, le notaire en donne acte aux parties et clôture le procès-verbal conformément à l'article 1645.
Art.1647. De koper wordt eveneens bericht gegeven van de neerlegging van het proces-verbaal en van de zitting waarop de zaak zal opgeroepen worden.
(De rechter kan op eenzijdig verzoekschrift van de koper en voorzover de rechten van de gedingvoerende partijen niet in gevaar zijn, te allen tijde de doorhaling gelasten van alle bestaande inschrijvingen en overschrijvingen die het toegewezen onroerend goed bezwaren, onder verplichting voor de koper om zich vooraf te bevrijden overeenkomstig artikel 1641.) <W 2000-05-29/36, art. 20, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
De rechter doet uitspraak over die vordering met voorrang boven alle andere zaken; zijn beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande voorziening.
(De rechter kan op eenzijdig verzoekschrift van de koper en voorzover de rechten van de gedingvoerende partijen niet in gevaar zijn, te allen tijde de doorhaling gelasten van alle bestaande inschrijvingen en overschrijvingen die het toegewezen onroerend goed bezwaren, onder verplichting voor de koper om zich vooraf te bevrijden overeenkomstig artikel 1641.) <W 2000-05-29/36, art. 20, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
De rechter doet uitspraak over die vordering met voorrang boven alle andere zaken; zijn beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande voorziening.
Art. 1647. L'adjudicataire est pareillement avisé du dépôt du procès-verbal et de l'audience à laquelle l'affaire sera appelée.
(Le juge peut, à tout moment, sur requête unilatérale de l'adjudicataire et pour autant que les droits des parties litigantes ne soient pas en péril, ordonner la radiation de toutes les inscriptions et transcriptions existantes grevant l'immeuble adjugé, à charge pour l'adjudicataire de s'être préalablement libéré, conformément à l'article 1641.) <L 2000-05-29/36, art. 20, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Le juge statue sur cette demande toutes affaires cessantes; sa décision est exécutoire nonobstant tout recours.
(Le juge peut, à tout moment, sur requête unilatérale de l'adjudicataire et pour autant que les droits des parties litigantes ne soient pas en péril, ordonner la radiation de toutes les inscriptions et transcriptions existantes grevant l'immeuble adjugé, à charge pour l'adjudicataire de s'être préalablement libéré, conformément à l'article 1641.) <L 2000-05-29/36, art. 20, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Le juge statue sur cette demande toutes affaires cessantes; sa décision est exécutoire nonobstant tout recours.
Art.1648. De rechter doet uitspraak over de geschillen die voor hem gebracht zijn. Hij kan de notaris bevelen te verschijnen om diens opmerkingen te horen.
Binnen vijftien dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van het vonnis aan alle partijen en, voor tenuitvoerlegging, aan de notaris.
Tegen het vonnis staat geen verzet open.
Binnen vijftien dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van het vonnis aan alle partijen en, voor tenuitvoerlegging, aan de notaris.
Tegen het vonnis staat geen verzet open.
Art. 1648. Le juge statue sur les contestations portées devant lui. Il peut ordonner la comparution du notaire pour qu'il soit entendu en ses observations.
Dans les quinze jours de sa prononciation, le jugement est notifié, sous pli judiciaire, par le greffier, à toutes les parties et, pour exécution, au notaire.
Il n'est pas susceptible d'opposition.
Dans les quinze jours de sa prononciation, le jugement est notifié, sous pli judiciaire, par le greffier, à toutes les parties et, pour exécution, au notaire.
Il n'est pas susceptible d'opposition.
Art.1649. In geval van hoger beroep brengt de griffier van het hof zulks ter kennis van de notaris.
Hij geeft bij gerechtsbrief kennis van het arrest aan de partijen en, voor tenuitvoerlegging, aan de notaris.
Hij geeft bij gerechtsbrief kennis van het arrest aan de partijen en, voor tenuitvoerlegging, aan de notaris.
Art.1650. Dans les quinze jours qui suivent l'expiration du délai d'appel ou, le cas échéant dans les quinze jours qui suivent la notification de l'arrêt, le notaire établit le procès-verbal définitif de distribution ou d'ordre et délivre aux créanciers les bordereaux de collocation.
Les intérêts et arrérages dus aux créanciers colloqués cessent de courir à partir de la clôture du procès-verbal de distribution ou d'ordre.
(Les montants des créances, des privilèges et des hypothèques sont convertis en (euros) le jour du procès-verbal de distribution ou d'ordre.) <L 1991-07-12/30, art. 3, 008; En vigueur : 19-08-1991> <AR 2000-07-20/58, art. 4, 037; En vigueur : 01-01-2002>
Les intérêts et arrérages dus aux créanciers colloqués cessent de courir à partir de la clôture du procès-verbal de distribution ou d'ordre.
(Les montants des créances, des privilèges et des hypothèques sont convertis en (euros) le jour du procès-verbal de distribution ou d'ordre.) <L 1991-07-12/30, art. 3, 008; En vigueur : 19-08-1991> <AR 2000-07-20/58, art. 4, 037; En vigueur : 01-01-2002>
Art.1650. Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van hoger beroep of, indien daartoe grond bestaat, binnen vijftien dagen na de kennisgeving van het arrest, maakt de notaris het definitief proces-verbaal van verdeling of van rangregeling op en geeft aan de schuldeisers de borderellen van toewijzing af.
De interesten en rentetermijnen, verschuldigd aan de gerangschikte schuldeisers, houden op te lopen bij de afsluiting van het proces-verbaal van verdeling of van rangregeling.
(De bedragen van de schuldvorderingen, van de voorrechten en de hypotheken worden omgerekend in (euro) op de dag van het proces-verbaal van verdeling of van rangregeling.) <W 1991-07-12/30, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 19-08-1991> <KB 2000-07-20/58, art. 4, 037; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
De interesten en rentetermijnen, verschuldigd aan de gerangschikte schuldeisers, houden op te lopen bij de afsluiting van het proces-verbaal van verdeling of van rangregeling.
(De bedragen van de schuldvorderingen, van de voorrechten en de hypotheken worden omgerekend in (euro) op de dag van het proces-verbaal van verdeling of van rangregeling.) <W 1991-07-12/30, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 19-08-1991> <KB 2000-07-20/58, art. 4, 037; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 1650. Dans les quinze jours qui suivent l'expiration du délai d'appel ou, le cas échéant dans les quinze jours qui suivent la notification de l'arrêt, le notaire établit le procès-verbal définitif de distribution ou d'ordre et délivre aux créanciers les bordereaux de collocation.
Les intérêts et arrérages dus aux créanciers colloqués cessent de courir à partir de la clôture du procès-verbal de distribution ou d'ordre.
(Les montants des créances, des privilèges et des hypothèques sont convertis en (euros) le jour du procès-verbal de distribution ou d'ordre.) <L 1991-07-12/30, art. 3, 008; En vigueur : 19-08-1991> <AR 2000-07-20/58, art. 4, 037; En vigueur : 01-01-2002>
Les intérêts et arrérages dus aux créanciers colloqués cessent de courir à partir de la clôture du procès-verbal de distribution ou d'ordre.
(Les montants des créances, des privilèges et des hypothèques sont convertis en (euros) le jour du procès-verbal de distribution ou d'ordre.) <L 1991-07-12/30, art. 3, 008; En vigueur : 19-08-1991> <AR 2000-07-20/58, art. 4, 037; En vigueur : 01-01-2002>
Art.1651. (Opgeheven) <W 2000-05-29/36, art. 21, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
Art.1652. (Abrogé) <L 2000-05-29/36, art. 22, 035; En vigueur : 01-07-2001>
Art.1652. (Opgeheven) <W 2000-05-29/36, art. 22, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
Art.1653. <L 2000-05-29/36, art. 23, 035; En vigueur : 01-07-2001> A tout stade de la procédure, l'inscription prise d'office par [1 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 en vertu de l'article 35 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, est rayée entièrement à la diligence de l'adjudicataire qui justifie soit du paiement du prix aux créanciers, soit, à défaut de paiement, d'un versement libératoire de l'entièreté des sommes dont il est tenu.
Le notaire délivre à cette fin un certificat constatant le paiement ou le versement libératoire.
Sur production de ce certificat, toutes inscriptions et transcriptions existantes [2 à charge du propriétaire ou de tous les copropriétaires, sur le bien vendu, sont rayées d'office, pour autant que le notaire déclare que les conditions de l'article 1326 ont été respectées. Ce certificat permet également la radiation des inscriptions ou transcriptions existant encore à charge des titulaires précédents. Si une action est inscrite en marge en vertu de l'article 5.243 du Code civil, une nouvelle mention en marge est inscrite qui fait état de la vente purgeante et de ce certificat.]2.
Le notaire délivre à cette fin un certificat constatant le paiement ou le versement libératoire.
Sur production de ce certificat, toutes inscriptions et transcriptions existantes [2 à charge du propriétaire ou de tous les copropriétaires, sur le bien vendu, sont rayées d'office, pour autant que le notaire déclare que les conditions de l'article 1326 ont été respectées. Ce certificat permet également la radiation des inscriptions ou transcriptions existant encore à charge des titulaires précédents. Si une action est inscrite en marge en vertu de l'article 5.243 du Code civil, une nouvelle mention en marge est inscrite qui fait état de la vente purgeante et de ce certificat.]2.
Art.1653. <W 2000-05-29/36, art. 23, 035; Inwerkingtreding : 01-07-2001> In elke stand van de procedure wordt de inschrijving die de [1 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1 krachtens artikel 35 van de hypotheekwet van 16 december 1851 ambtshalve heeft gedaan, geheel doorgehaald op verzoek van de koper die bewijst, hetzij dat de prijs betaald is aan de schuldeisers, hetzij, bij gebreke van een dergelijke betaling, dat een betaling is verricht die hem bevrijdt voor het geheel van de sommen waartoe hij gehouden is.
De notaris geeft te dien einde een getuigschrift af, dat de betaling of de bevrijdende betaling vaststelt.
Op overlegging van dit getuigschrift worden alle bestaande inschrijvingen en overschrijvingen [2 ten laste van de eigenaar of van alle mede-eigenaars op het verkochte goed ambtshalve doorgehaald voor zover de notaris verklaart dat de bepalingen van artikel 1326 werden nageleefd. Dit getuigschrift laat eveneens de doorhaling toe van een nog bestaande inschrijving of overschrijving lastens de rechtsvoorgangers. Indien een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek werd gekantmeld, wordt er een nieuwe kantmelding verricht die melding maakt van de zuiverende verkoop en dit getuigschrift.]2.
De notaris geeft te dien einde een getuigschrift af, dat de betaling of de bevrijdende betaling vaststelt.
Op overlegging van dit getuigschrift worden alle bestaande inschrijvingen en overschrijvingen [2 ten laste van de eigenaar of van alle mede-eigenaars op het verkochte goed ambtshalve doorgehaald voor zover de notaris verklaart dat de bepalingen van artikel 1326 werden nageleefd. Dit getuigschrift laat eveneens de doorhaling toe van een nog bestaande inschrijving of overschrijving lastens de rechtsvoorgangers. Indien een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek werd gekantmeld, wordt er een nieuwe kantmelding verricht die melding maakt van de zuiverende verkoop en dit getuigschrift.]2.
Art. 1653. <L 2000-05-29/36, art. 23, 035; En vigueur : 01-07-2001> A tout stade de la procédure, l'inscription prise d'office par [1 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1 en vertu de l'article 35 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, est rayée entièrement à la diligence de l'adjudicataire qui justifie soit du paiement du prix aux créanciers, soit, à défaut de paiement, d'un versement libératoire de l'entièreté des sommes dont il est tenu.
Le notaire délivre à cette fin un certificat constatant le paiement ou le versement libératoire.
Sur production de ce certificat, toutes inscriptions et transcriptions existantes [2 à charge du propriétaire ou de tous les copropriétaires, sur le bien vendu, sont rayées d'office, pour autant que le notaire déclare que les conditions de l'article 1326 ont été respectées. Ce certificat permet également la radiation des inscriptions ou transcriptions existant encore à charge des titulaires précédents. Si une action est inscrite en marge en vertu de l'article 5.243 du Code civil, une nouvelle mention en marge est inscrite qui fait état de la vente purgeante et de ce certificat.]2.
Le notaire délivre à cette fin un certificat constatant le paiement ou le versement libératoire.
Sur production de ce certificat, toutes inscriptions et transcriptions existantes [2 à charge du propriétaire ou de tous les copropriétaires, sur le bien vendu, sont rayées d'office, pour autant que le notaire déclare que les conditions de l'article 1326 ont été respectées. Ce certificat permet également la radiation des inscriptions ou transcriptions existant encore à charge des titulaires précédents. Si une action est inscrite en marge en vertu de l'article 5.243 du Code civil, une nouvelle mention en marge est inscrite qui fait état de la vente purgeante et de ce certificat.]2.
Art.1654. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de rangregeling, geopend na een verkoop die van rechtswege overwijzing van de prijs ten behoeve van de ingeschreven schuldeisers medebrengt.
Art. 1654. Les dispositions du présent chapitre sont applicables à l'ordre ouvert ensuite d'une vente emportant de plein droit délégation du prix aux créanciers inscrits.
HOOFDSTUK IX. _ Evenredige verdeling en rangregeling in geval van beslag op zeeschepen en binnenschepen.
CHAPITRE IX. _ De la distribution par contribution et de l'ordre en cas de saisie de navires et bateaux.
TITRE IV. - Du règlement collectif de dettes.
TITEL IV. Collectieve schuldenregeling.
CHAPITRE I. - De la procédure de règlement collectif de dettes.
HOOFDSTUK I. - Procedure van collectieve schuldenregeling.
CHAPITRE I. - De la procédure de règlement collectif de dettes.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 1675/2. Toute personne physique (...), qui n'a pas la qualité de commerçant au sens de l'article 1er du Code de commerce, peut, si elle n'est pas en état, de manière durable, de payer ses dettes exigibles ou encore à échoir et dans la mesure où elle n'a pas manifestement organisé son insolvabilité, introduire devant le juge une requête visant à obtenir un règlement collectif de dettes.
Art. 1675/2. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> Elke natuurlijke persoon (...), die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel kan, indien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen. <L 2004-07-16/31, art. 136, 046; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
Indien de in het eerste lid bedoelde persoon vroeger koopman is geweest, kan hij dat verzoek slechts indienen ten minste zes maanden na het stopzetten van zijn handel of, zo hij failliet werd verklaard, na de sluiting van het faillissement.
De persoon waarvan de minnelijke of gerechtelijke [1 aanzuiveringsprocedure]1 werd herroepen bij toepassing van artikel 1675/15, § 1, [1 ...]1 kan gedurende een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis van herroeping geen verzoekschrift tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen.
Indien de in het eerste lid bedoelde persoon vroeger koopman is geweest, kan hij dat verzoek slechts indienen ten minste zes maanden na het stopzetten van zijn handel of, zo hij failliet werd verklaard, na de sluiting van het faillissement.
De persoon waarvan de minnelijke of gerechtelijke [1 aanzuiveringsprocedure]1 werd herroepen bij toepassing van artikel 1675/15, § 1, [1 ...]1 kan gedurende een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis van herroeping geen verzoekschrift tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen.
Art. 1675/2. Toute personne physique (...), qui n'a pas la qualité de commerçant au sens de l'article 1er du Code de commerce, peut, si elle n'est pas en état, de manière durable, de payer ses dettes exigibles ou encore à échoir et dans la mesure où elle n'a pas manifestement organisé son insolvabilité, introduire devant le juge une requête visant à obtenir un règlement collectif de dettes. <L 2004-07-16/31, art. 136, 046; En vigueur : 01-10-2004>
Si la personne visée à l'alinéa 1er a eu autrefois la qualité de commerçant, elle ne peut introduire cette requête que six mois au moins après la cessation de son commerce ou, si elle a été déclarée en faillite, après la clôture de la faillite.
La personne dont [1 la procédure de règlement amiable ou judiciaire a été révoquée]1 en application de l'article 1675/15, § 1er, [1 ...]1, ne peut introduire une requête visant à obtenir un règlement collectif de dettes, pendant une période de cinq ans à dater du jugement de révocation.
Si la personne visée à l'alinéa 1er a eu autrefois la qualité de commerçant, elle ne peut introduire cette requête que six mois au moins après la cessation de son commerce ou, si elle a été déclarée en faillite, après la clôture de la faillite.
La personne dont [1 la procédure de règlement amiable ou judiciaire a été révoquée]1 en application de l'article 1675/15, § 1er, [1 ...]1, ne peut introduire une requête visant à obtenir un règlement collectif de dettes, pendant une période de cinq ans à dater du jugement de révocation.
(NOTE : sur la notion de commerçant, voir l'article 254 de la loi du 15-04-2018 portant réforme du droit des entreprises, 2018-04-15/14)
Änderungen
Art. 1675/3. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> Bij wege van een collectieve schuldenregeling stelt de schuldenaar, onder toezicht van de rechter, aan zijn schuldeisers voor een minnelijke aanzuiveringsregeling te treffen.
Indien over deze minnelijke aanzuiveringsregeling geen akkoord wordt bereikt, kan de rechter een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen.
De aanzuiveringsregeling strekt ertoe de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen, met name hem in staat te stellen in de mate van het mogelijke zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden.
Indien over deze minnelijke aanzuiveringsregeling geen akkoord wordt bereikt, kan de rechter een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen.
De aanzuiveringsregeling strekt ertoe de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen, met name hem in staat te stellen in de mate van het mogelijke zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden.
Art. 1675/3. Le débiteur propose à ses créanciers de conclure un plan de règlement amiable par la voie d'un règlement collectif de dettes, sous le contrôle du juge.
Si aucun accord n'est atteint quant à ce plan de règlement amiable, le juge peut imposer un plan de règlement judiciaire.
Le plan de règlement a pour objet de rétablir la situation financière du débiteur, en lui permettant notamment dans la mesure du possible de payer ses dettes et en lui garantissant simultanément ainsi qu'à sa famille, qu'ils pourront mener une vie conforme à la dignité humaine.
Si aucun accord n'est atteint quant à ce plan de règlement amiable, le juge peut imposer un plan de règlement judiciaire.
Le plan de règlement a pour objet de rétablir la situation financière du débiteur, en lui permettant notamment dans la mesure du possible de payer ses dettes et en lui garantissant simultanément ainsi qu'à sa famille, qu'ils pourront mener une vie conforme à la dignité humaine.
Afdeling 2. - Inleiding van de procedure.
Art. 1675/4. § 1er. [5 La demande de règlement collectif de dettes est introduite par requête auprès du juge.
Art. 1675/4. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. [5 De vordering tot collectieve schuldenregeling wordt ingeleid bij verzoekschrift bij de rechter.
Het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie en behandeld overeenkomstig de bepalingen in deze titel.
De als bijlage toegevoegde stukken bij het verzoekschrift worden genummerd ter griffie neergelegd.]5
§ 2. Het verzoekschrift bevat de volgende vermeldingen :
1° de dag, de maand, en het jaar;
2° de naam, de voornamen, de geboortedatum [6 , het [7 rijksregisternummer of identificatienummer in het bisregister]7]6 en de woonplaats van de verzoeker en in voorkomend geval [2 zijn [7 rijksregisternummer of identificatienummer in het bisregister]7 en]2 de naam, de voornamen, de woonplaats [6 , het [7 rijksregisternummer of identificatienummer in het bisregister]7]6 en de hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers;
[5 2bis° in voorkomend geval het akkoord van de verzoeker voor het gebruik van het register bedoeld in artikel 1675/20 en de elektronische keuze van woonplaats;]5
3° het onderwerp en in het kort de gronden van de vordering;
4° de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen;
5° de identiteit van de eventueel voorgestelde schuldbemiddelaar;
6° naam, voornamen [4 ...]4, woonplaats en geboortedatum [6 , alsook [7 rijksregisternummer of identificatienummer in het bisregister]7]6 van de echtgenoot van de verzoeker of de met de verzoeker samenwonende(n), desgevallend hun huwelijksvermogensstelsel evenals de samenstelling van het gezin;
7° een gedetailleerde staat en raming van de baten en de lasten van het vermogen van de verzoeker, van het gemeenschappelijk vermogen indien hij gehuwd is onder een stelsel van gemeenschap van goederen en van het vermogen van de echtgenoot of de met de verzoeker samenwonende(n);
8° een gedetailleerde staat en raming van de, binnen de zes maanden voorafgaand aan de inleiding van het verzoekschrift, vervreemde goederen die deel uitmaakten van de vermogens bedoeld in 7°;
9° de naam, de voornamen en de woonplaats of, wanneer het een rechtspersoon betreft, de benaming [6 , het inschrijvingsnummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen]6 en de zetel van de schuldeisers van de verzoeker en in voorkomend geval van de schuldenaars van de verzoeker en van de personen die voor hem een persoonlijke zekerheid hebben gesteld :
10° in voorkomend geval de geheel of gedeeltelijk betwiste schulden en de gronden van betwisting;
11° de procedures tot het verkrijgen van uitstel van betaling, bedoeld in artikel 1334, en die tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten, bedoeld in artikel 1337bis en in artikel 59, § 1, tweede lid, van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, waarin de verzoeker betrokken is :
12° de redenen van de onmogelijkheid om zijn schulden terug te betalen;
13° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
[5 14° in voorkomend geval, de beslissing van het bureau voor juridische bijstand bedoeld in artikel 667;]5
[5 15° de inventaris van de genummerde als bijlage toegevoegde stukken.]5
§ 3. Als de vermeldingen onvolledig zijn, [5 deelt de rechter aan de verzoeker mee dat hij binnen de acht dagen zijn verzoekschrift dient aan te vullen volgens de nadere regels bedoeld in paragraaf 1]5.
[5 § 4. De Koning kan de vorm bepalen waarin het verzoekschrift bedoeld in dit artikel wordt opgesteld.]5
Het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie en behandeld overeenkomstig de bepalingen in deze titel.
De als bijlage toegevoegde stukken bij het verzoekschrift worden genummerd ter griffie neergelegd.]5
§ 2. Het verzoekschrift bevat de volgende vermeldingen :
1° de dag, de maand, en het jaar;
2° de naam, de voornamen, de geboortedatum [6 , het [7 rijksregisternummer of identificatienummer in het bisregister]7]6 en de woonplaats van de verzoeker en in voorkomend geval [2 zijn [7 rijksregisternummer of identificatienummer in het bisregister]7 en]2 de naam, de voornamen, de woonplaats [6 , het [7 rijksregisternummer of identificatienummer in het bisregister]7]6 en de hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers;
[5 2bis° in voorkomend geval het akkoord van de verzoeker voor het gebruik van het register bedoeld in artikel 1675/20 en de elektronische keuze van woonplaats;]5
3° het onderwerp en in het kort de gronden van de vordering;
4° de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen;
5° de identiteit van de eventueel voorgestelde schuldbemiddelaar;
6° naam, voornamen [4 ...]4, woonplaats en geboortedatum [6 , alsook [7 rijksregisternummer of identificatienummer in het bisregister]7]6 van de echtgenoot van de verzoeker of de met de verzoeker samenwonende(n), desgevallend hun huwelijksvermogensstelsel evenals de samenstelling van het gezin;
7° een gedetailleerde staat en raming van de baten en de lasten van het vermogen van de verzoeker, van het gemeenschappelijk vermogen indien hij gehuwd is onder een stelsel van gemeenschap van goederen en van het vermogen van de echtgenoot of de met de verzoeker samenwonende(n);
8° een gedetailleerde staat en raming van de, binnen de zes maanden voorafgaand aan de inleiding van het verzoekschrift, vervreemde goederen die deel uitmaakten van de vermogens bedoeld in 7°;
9° de naam, de voornamen en de woonplaats of, wanneer het een rechtspersoon betreft, de benaming [6 , het inschrijvingsnummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen]6 en de zetel van de schuldeisers van de verzoeker en in voorkomend geval van de schuldenaars van de verzoeker en van de personen die voor hem een persoonlijke zekerheid hebben gesteld :
10° in voorkomend geval de geheel of gedeeltelijk betwiste schulden en de gronden van betwisting;
11° de procedures tot het verkrijgen van uitstel van betaling, bedoeld in artikel 1334, en die tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten, bedoeld in artikel 1337bis en in artikel 59, § 1, tweede lid, van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, waarin de verzoeker betrokken is :
12° de redenen van de onmogelijkheid om zijn schulden terug te betalen;
13° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
[5 14° in voorkomend geval, de beslissing van het bureau voor juridische bijstand bedoeld in artikel 667;]5
[5 15° de inventaris van de genummerde als bijlage toegevoegde stukken.]5
§ 3. Als de vermeldingen onvolledig zijn, [5 deelt de rechter aan de verzoeker mee dat hij binnen de acht dagen zijn verzoekschrift dient aan te vullen volgens de nadere regels bedoeld in paragraaf 1]5.
[5 § 4. De Koning kan de vorm bepalen waarin het verzoekschrift bedoeld in dit artikel wordt opgesteld.]5
Änderungen
Art. 1675/4. § 1er. [5 La demande de règlement collectif de dettes est introduite par requête auprès du juge.
La requête est déposée au greffe et instruite conformément aux dispositions du présent titre.
Les pièces jointes en annexe à la requête sont numérotées et déposées au greffe.]5
§ 2. La requête contient les mentions suivantes :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° les nom, prénoms, date de naissance [6 [7 numéro de registre national ou numéro d'identification dans le registre bis]7,]6 et domicile du requérant, ainsi que, le cas échéant, [2 son [7 numéro de registre national ou numéro d'identification dans le registre bis]7 et]2 les nom, prénoms, domicile [7 numéro de registre national ou numéro d'identification dans le registre bis,]7 et qualité de ses représentants légaux;
[5 2bis° le cas échéant, l'accord du requérant pour l'utilisation du registre visé à l'article 1675/20 et l'indication d'une adresse d'élection de domicile électronique;]5
3° l'objet et l'indication sommaire des motifs de la demande;
4° la désignation du juge qui doit en connaître;
5° l'identité du médiateur de dettes éventuellement proposé;
6° les nom, prénoms [4 ...]4, domicile et date de naissance [6 et [7 numéro de registre national ou numéro d'identification dans le registre bis]7]6 du conjoint du requérant ou de la ou des personnes cohabitant avec le requérant, le cas échéant, leur régime matrimonial ainsi que la composition du ménage;
7° un état détaillé et estimatif des éléments actifs et passifs du patrimoine du requérant, du patrimoine commun s'il est marié sous un régime de communauté et du patrimoine du conjoint ou de la ou des personnes cohabitant avec lui;
8° un état détaillé et estimatif des biens faisant partie des patrimoines vises au 7°, aliénés au cours des six mois précédant l'introduction de la requête;
9° les nom, prénoms et domicile ou, s'il s'agit d'une personne morale, la dénomination [6 , le numéro d'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises]6 et le siège, des créanciers du requérant et le cas échéant, des débiteurs du requérant et des personnes qui ont constitué pour lui une sûreté personnelle;
10° le cas échéant, les dettes contestées en tout ou en partie ainsi que les motifs de contestation;
11° les procédures d'octroi de délais de grâce visées à l'article 1334, d'octroi de facilités de paiement visées à l'article 1337bis et à l'article 59, § 1er, alinéa 2, de la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire dans lesquelles le requérant est engagé;
12° les raisons de l'impossibilité de rembourser ses dettes;
13° la signature du requérant ou de son avocat.
[5 14° le cas échéant, la décision du bureau d'aide juridique visé à l'article 667;]5
[5 15° l'inventaire des pièces numérotées jointes en annexe à la requête.]5
§ 3. Si les mentions sont incomplètes, le juge [5 communique au requérant qu'il doit compléter sa requête dans les huit jours selon les modalités visées au paragraphe 1er]5.
[5 § 4. Le Roi peut déterminer la forme dans laquelle la requête visée au présent article doit être faite.]5
La requête est déposée au greffe et instruite conformément aux dispositions du présent titre.
Les pièces jointes en annexe à la requête sont numérotées et déposées au greffe.]5
§ 2. La requête contient les mentions suivantes :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° les nom, prénoms, date de naissance [6 [7 numéro de registre national ou numéro d'identification dans le registre bis]7,]6 et domicile du requérant, ainsi que, le cas échéant, [2 son [7 numéro de registre national ou numéro d'identification dans le registre bis]7 et]2 les nom, prénoms, domicile [7 numéro de registre national ou numéro d'identification dans le registre bis,]7 et qualité de ses représentants légaux;
[5 2bis° le cas échéant, l'accord du requérant pour l'utilisation du registre visé à l'article 1675/20 et l'indication d'une adresse d'élection de domicile électronique;]5
3° l'objet et l'indication sommaire des motifs de la demande;
4° la désignation du juge qui doit en connaître;
5° l'identité du médiateur de dettes éventuellement proposé;
6° les nom, prénoms [4 ...]4, domicile et date de naissance [6 et [7 numéro de registre national ou numéro d'identification dans le registre bis]7]6 du conjoint du requérant ou de la ou des personnes cohabitant avec le requérant, le cas échéant, leur régime matrimonial ainsi que la composition du ménage;
7° un état détaillé et estimatif des éléments actifs et passifs du patrimoine du requérant, du patrimoine commun s'il est marié sous un régime de communauté et du patrimoine du conjoint ou de la ou des personnes cohabitant avec lui;
8° un état détaillé et estimatif des biens faisant partie des patrimoines vises au 7°, aliénés au cours des six mois précédant l'introduction de la requête;
9° les nom, prénoms et domicile ou, s'il s'agit d'une personne morale, la dénomination [6 , le numéro d'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises]6 et le siège, des créanciers du requérant et le cas échéant, des débiteurs du requérant et des personnes qui ont constitué pour lui une sûreté personnelle;
10° le cas échéant, les dettes contestées en tout ou en partie ainsi que les motifs de contestation;
11° les procédures d'octroi de délais de grâce visées à l'article 1334, d'octroi de facilités de paiement visées à l'article 1337bis et à l'article 59, § 1er, alinéa 2, de la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire dans lesquelles le requérant est engagé;
12° les raisons de l'impossibilité de rembourser ses dettes;
13° la signature du requérant ou de son avocat.
[5 14° le cas échéant, la décision du bureau d'aide juridique visé à l'article 667;]5
[5 15° l'inventaire des pièces numérotées jointes en annexe à la requête.]5
§ 3. Si les mentions sont incomplètes, le juge [5 communique au requérant qu'il doit compléter sa requête dans les huit jours selon les modalités visées au paragraphe 1er]5.
[5 § 4. Le Roi peut déterminer la forme dans laquelle la requête visée au présent article doit être faite.]5
Änderungen
Art. 1675/5. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> De procedures bedoeld in artikel 1675/4, § 2, 11°, zijn geschorst, zolang geen uitspraak is gedaan over de toelaatbaarheid van de vordering tot het bekomen van een collectieve schuldenregeling.
[1 ...]1
[1 ...]1
Art. 1675/6. § 1er. [2 Le juge examine la demande. Il peut, à cet effet, convoquer le requérant en chambre du conseil.
Dans les huit jours du dépôt de la requête, de l'audition du requérant ou du dépôt de la requête complétée conformément à l'article 1675/4, § 3, le juge statue sur l'admissibilité de la demande.]2
§ 2. Lorsqu'il déclare la demande admissible, le juge nomme dans sa décision un médiateur de dettes, moyennant l'accord de celui-ci, et, le cas échéant, un huissier de justice et/ou un notaire.
§ 3. Dans sa décision, le juge statue d'office sur l'octroi éventuel, en tout ou en partie, de l'assistance judiciaire.
§ 4. [1 [2 Le greffe introduit sans délai la décision sur l'admissibilité dans le registre visé à l'article 1675/20, et notifie cette décision aux greffes [3 des tribunaux et des cours]3 près lesquelles les procédures visées à l'article 1675/5 sont pendantes.]2]1
Dans les huit jours du dépôt de la requête, de l'audition du requérant ou du dépôt de la requête complétée conformément à l'article 1675/4, § 3, le juge statue sur l'admissibilité de la demande.]2
§ 2. Lorsqu'il déclare la demande admissible, le juge nomme dans sa décision un médiateur de dettes, moyennant l'accord de celui-ci, et, le cas échéant, un huissier de justice et/ou un notaire.
§ 3. Dans sa décision, le juge statue d'office sur l'octroi éventuel, en tout ou en partie, de l'assistance judiciaire.
§ 4. [1 [2 Le greffe introduit sans délai la décision sur l'admissibilité dans le registre visé à l'article 1675/20, et notifie cette décision aux greffes [3 des tribunaux et des cours]3 près lesquelles les procédures visées à l'article 1675/5 sont pendantes.]2]1
Art. 1675/6. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. [2 De rechter onderzoekt de vordering. Hij kan te dien einde de verzoeker in raadkamer oproepen.
Binnen de acht dagen na de neerlegging van het verzoekschrift, na de zitting in raadkamer, of na neerlegging van het vervolledigde verzoekschrift overeenkomstig artikel 1675/4, § 3, doet de rechter uitspraak over de toelaatbaarheid van de vordering.]2
§ 2 Als de rechter het verzoek toelaatbaar acht, stelt hij in zijn beschikking, met diens akkoord, een schuldbemiddelaar aan en, in voorkomend geval, een gerechtsdeurwaarder en/of een notaris.
§ 3. In zijn beschikking doet de rechter ambtshalve uitspraak over de eventuele toekenning van volledige of gedeeltelijke rechtsbijstand.
§ 4. [1 [2 De griffie voert de beschikking van toelaatbaarheid in het register bedoeld in artikel 1675/20 in, en deelt deze beschikking mee aan de griffies [3 van de rechtbanken en van de hoven]3 waarbij de in artikel 1675/5 bedoelde procedures aanhangig zijn gemaakt.]2]1
Binnen de acht dagen na de neerlegging van het verzoekschrift, na de zitting in raadkamer, of na neerlegging van het vervolledigde verzoekschrift overeenkomstig artikel 1675/4, § 3, doet de rechter uitspraak over de toelaatbaarheid van de vordering.]2
§ 2 Als de rechter het verzoek toelaatbaar acht, stelt hij in zijn beschikking, met diens akkoord, een schuldbemiddelaar aan en, in voorkomend geval, een gerechtsdeurwaarder en/of een notaris.
§ 3. In zijn beschikking doet de rechter ambtshalve uitspraak over de eventuele toekenning van volledige of gedeeltelijke rechtsbijstand.
§ 4. [1 [2 De griffie voert de beschikking van toelaatbaarheid in het register bedoeld in artikel 1675/20 in, en deelt deze beschikking mee aan de griffies [3 van de rechtbanken en van de hoven]3 waarbij de in artikel 1675/5 bedoelde procedures aanhangig zijn gemaakt.]2]1
Art. 1675/7. § 1er. Sans préjudice de l'application du § 3, la décision d'admissibilité fait naître une situation de concours entre les créanciers et a pour conséquence la suspension du cours des intérêts et l'indisponibilité du patrimoine du requérant.
Font partie de la masse, tous les biens du requérant au moment de la décision, ainsi que les biens qu'il acquiert pendant l'exécution du règlement collectif de dettes.
(L'effet des cessions de créance est suspendu jusqu'au terme, au rejet ou à la révocation du plan de règlement. De même, et sauf en cas de réalisation du patrimoine, l'effet des sûretés réelles et des privilèges est suspendu jusqu'au terme, au rejet ou à la révocation du plan.) <L 2005-12-13/35, art. 7, 051; En vigueur : 31-12-2005>
§ 2. [2 Toutes les voies d'exécution qui tendent au paiement d'une somme d'argent sont suspendues. Il en est de même pour les saisies pratiquées antérieurement à la décision d'admissibilité. Ces dernières conservent cependant leur caractère conservatoire.
Toutefois, si antérieurement à cette décision, le jour de la vente forcée des meubles saisis a déjà été fixé et publié par les affiches, cette vente a lieu pour le compte de la masse. Si l'intérêt de la masse l'exige, le tribunal du travail peut, sur la demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire, autoriser la remise ou l'abandon de la vente.
De même, si antérieurement à cette décision d'amissibilité, l'ordonnance rendue conformément aux articles 1580, 1580bis et 1580ter, n'est plus susceptible d'être frappée par l'opposition visée aux articles 1033 et 1034, les opérations de vente sur saisie exécution immobilière peuvent se poursuivre pour le compte de la masse. Si l'intérêt de la masse l'exige, le tribunal du travail peut, sur la demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire et après avoir appelé les créanciers hypothécaires [4 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]4 à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience, autoriser la remise ou l'abandon de la vente. Le débiteur ou le médiateur doit immédiatement informer par écrit le notaire chargé de vendre le bien, de sa demande de remise ou abandon. Cette demande de remise ou d'abandon de vente n'est plus recevable à dater de la sommation faite au débiteur saisi conformément à l'article 1582.
En cas de saisie diligentée à l'encontre de plusieurs débiteurs dont un seul est admis au bénéfice du règlement collectif de dettes, la vente forcée des biens meubles ou immeubles se poursuit conformément aux règles de la saisie mobilière ou immobilière. Après règlement des créanciers hypothécaires et privilégiés spéciaux, le notaire verse le cas échéant au médiateur de dettes le solde de la part du prix de vente revenant au débiteur. Ce versement est libératoire tout comme l'est le versement fait par l'adjudicataire conformément à l'article 1641.
A l'égard de toute personne ayant consenti une sûreté personnelle pour garantir une dette du débiteur, les voies d`exécution sont suspendues jusqu'à l'homologation du plan amiable, jusqu'au dépôt du procès-verbal visé à l'article 1675/11, § 1er, ou jusqu'au rejet du plan. A l'égard des personnes ayant effectué la déclaration visée à l'article 1675/16bis, § 2, les voies d'exécution sont suspendues jusqu'à ce que le juge ait statué sur la décharge.]2
[3 § 2bis. La décision d'admissibilité emporte de plein droit radiation des demandes introduites sur la base des procédures visées à l'article 1675/5.]3
§ 3. La décision d'admissibilité entraîne l'interdiction pour le requérant, sauf autorisation du juge :
- d'accomplir tout acte étranger à la gestion normale du patrimoine;
- d'accomplir tout acte susceptible de favoriser un créancier, sauf le paiement d'une dette alimentaire mais à l'exception des arriérés de celle-ci;
- d'aggraver son insolvabilité.
§ 4. Les effets de la décision d'admissibilité se prolongent jusqu'au rejet, jusqu'au terme ou jusqu'à la révocation du règlement collectif de dettes, sous réserve des stipulations du plan de règlement.
§ 5. Sans préjudice de l'application de l'article 1675/15, tout acte accompli par le débiteur au mépris des effets attachés à la décision d'admissibilité est inopposable aux créanciers.
§ 6. Les effets de la décision d'admissibilité prennent cours le premier jour qui suit l'établissement de l'avis de règlement collectif de dettes visé à l'article [3 1390quater]3.
(NOTE : le § 6 sera rédigé comme suit à une date fixée par le Roi :
§ 6. (Les effets de la décision d'admissibilité prennent cours le premier jour qui suit la réception au fichier des avis de l'avis de règlement collectif de dettes visé à l'article 1390quater.) <L 2000-05-29/36, art. 24, 035; En vigueur : 29-01-2011>)
Font partie de la masse, tous les biens du requérant au moment de la décision, ainsi que les biens qu'il acquiert pendant l'exécution du règlement collectif de dettes.
(L'effet des cessions de créance est suspendu jusqu'au terme, au rejet ou à la révocation du plan de règlement. De même, et sauf en cas de réalisation du patrimoine, l'effet des sûretés réelles et des privilèges est suspendu jusqu'au terme, au rejet ou à la révocation du plan.) <L 2005-12-13/35, art. 7, 051; En vigueur : 31-12-2005>
§ 2. [2 Toutes les voies d'exécution qui tendent au paiement d'une somme d'argent sont suspendues. Il en est de même pour les saisies pratiquées antérieurement à la décision d'admissibilité. Ces dernières conservent cependant leur caractère conservatoire.
Toutefois, si antérieurement à cette décision, le jour de la vente forcée des meubles saisis a déjà été fixé et publié par les affiches, cette vente a lieu pour le compte de la masse. Si l'intérêt de la masse l'exige, le tribunal du travail peut, sur la demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire, autoriser la remise ou l'abandon de la vente.
De même, si antérieurement à cette décision d'amissibilité, l'ordonnance rendue conformément aux articles 1580, 1580bis et 1580ter, n'est plus susceptible d'être frappée par l'opposition visée aux articles 1033 et 1034, les opérations de vente sur saisie exécution immobilière peuvent se poursuivre pour le compte de la masse. Si l'intérêt de la masse l'exige, le tribunal du travail peut, sur la demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire et après avoir appelé les créanciers hypothécaires [4 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]4 à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience, autoriser la remise ou l'abandon de la vente. Le débiteur ou le médiateur doit immédiatement informer par écrit le notaire chargé de vendre le bien, de sa demande de remise ou abandon. Cette demande de remise ou d'abandon de vente n'est plus recevable à dater de la sommation faite au débiteur saisi conformément à l'article 1582.
En cas de saisie diligentée à l'encontre de plusieurs débiteurs dont un seul est admis au bénéfice du règlement collectif de dettes, la vente forcée des biens meubles ou immeubles se poursuit conformément aux règles de la saisie mobilière ou immobilière. Après règlement des créanciers hypothécaires et privilégiés spéciaux, le notaire verse le cas échéant au médiateur de dettes le solde de la part du prix de vente revenant au débiteur. Ce versement est libératoire tout comme l'est le versement fait par l'adjudicataire conformément à l'article 1641.
A l'égard de toute personne ayant consenti une sûreté personnelle pour garantir une dette du débiteur, les voies d`exécution sont suspendues jusqu'à l'homologation du plan amiable, jusqu'au dépôt du procès-verbal visé à l'article 1675/11, § 1er, ou jusqu'au rejet du plan. A l'égard des personnes ayant effectué la déclaration visée à l'article 1675/16bis, § 2, les voies d'exécution sont suspendues jusqu'à ce que le juge ait statué sur la décharge.]2
[3 § 2bis. La décision d'admissibilité emporte de plein droit radiation des demandes introduites sur la base des procédures visées à l'article 1675/5.]3
§ 3. La décision d'admissibilité entraîne l'interdiction pour le requérant, sauf autorisation du juge :
- d'accomplir tout acte étranger à la gestion normale du patrimoine;
- d'accomplir tout acte susceptible de favoriser un créancier, sauf le paiement d'une dette alimentaire mais à l'exception des arriérés de celle-ci;
- d'aggraver son insolvabilité.
§ 4. Les effets de la décision d'admissibilité se prolongent jusqu'au rejet, jusqu'au terme ou jusqu'à la révocation du règlement collectif de dettes, sous réserve des stipulations du plan de règlement.
§ 5. Sans préjudice de l'application de l'article 1675/15, tout acte accompli par le débiteur au mépris des effets attachés à la décision d'admissibilité est inopposable aux créanciers.
§ 6. Les effets de la décision d'admissibilité prennent cours le premier jour qui suit l'établissement de l'avis de règlement collectif de dettes visé à l'article [3 1390quater]3.
(NOTE : le § 6 sera rédigé comme suit à une date fixée par le Roi :
§ 6. (Les effets de la décision d'admissibilité prennent cours le premier jour qui suit la réception au fichier des avis de l'avis de règlement collectif de dettes visé à l'article 1390quater.) <L 2000-05-29/36, art. 24, 035; En vigueur : 29-01-2011>)
Art. 1675/7. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. Onverminderd de toepassing van § 3, doet de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft de opschorting van de loop van de interesten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg.
Tot de boedel behoren alle goederen van de verzoeker op het ogenblik van de beschikking, alsmede de goederen die hij tijdens de uitvoering van de collectieve aanzuiveringsregeling verkrijgt.
(De gevolgen van de overdrachten van schuldvordering worden geschorst tot het einde, de verwerping of de herroeping van de aanzuiveringsregeling. Op dezelfde wijze, behalve in geval van tegeldemaking van het vermogen, worden de gevolgen van de zakelijke zekerheden en van de voorrechten geschorst tot het einde, de verwerping of de herroeping van de aanzuiveringsregeling.) <W 2005-12-13/35, art. 7, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
§ 2. [2 Alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom worden geschorst. Hetzelfde geldt voor de beslagen die vóór de beschikking van toelaatbaarheid gelegd werden. Deze laatste behouden evenwel hun bewarend karakter.
Echter, indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende goederen reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel. Indien het belang van de boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar die handelt in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, uitstel of afstel van de verkoop toestaan.
Indien voorafgaand aan deze beschikking van toelaatbaarheid, de beschikking gewezen overeenkomstig de artikelen 1580, 1580bis en 1580ter, niet langer vatbaar is voor het verzet bedoeld in de artikelen 1033 en 1034, kunnen de verkoopverrichtingen na uitvoerend onroerend beslag eveneens voor rekening van de boedel worden voortgezet. Indien het belang van de boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar die handelt in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en na oproeping van de ingeschreven hypothecaire [4 schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden]4, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief, uitstel of afstel van de verkoop toestaan. De schuldenaar of de schuldbemiddelaar dient de notaris belast met de verkoop van het goed schriftelijk te informeren van zijn verzoek tot uitstel of afstel. Dit verzoek tot uitstel of afstel van de verkoop is niet langer ontvankelijk na aanmaning aan de schuldenaar die plaatsvindt overeenkomstig artikel 1582.
In geval van beslag gevoerd tegen meerdere schuldenaars waarvan slechts één tot de collectieve schuldenregeling werd toegelaten, wordt de gedwongen verkoop van de roerende of onroerende goederen voortgezet overeenkomstig de regels van het roerend of onroerend beslag. Na betaling van de hypothecaire en bijzonder bevoorrechte schuldeisers, stort de notaris desgevallend het saldo van het gedeelte van de verkoopprijs dat aan de schuldenaar toekomt, aan de schuldbemiddelaar. Deze storting is bevrijdend net zoals de storting gedaan door de koper overeenkomstig artikel 1641.
Ten aanzien van personen die zich persoonlijk [4 zeker]4 hebben gesteld voor een schuld van de schuldenaar, worden de middelen van tenuitvoerlegging geschorst tot de homologatie van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping van de aanzuiveringsregeling. Ten aanzien van personen die de in artikel 1675/16bis, § 2, bedoelde verklaring hebben neergelegd, worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de bevrijding.]2
[3 § 2bis. De beschikking van toelaatbaarheid brengt van rechtswege de schrapping [4 mee]4 van de vorderingen ingediend op basis van de procedure bedoeld in artikel 1675/5.]3
§ 3. De beschikking van toelaatbaarheid houdt voor de verzoeker het verbod in om, behoudens toestemming van de rechter :
- enige daad te stellen die een normaal vermogensbeheer te buiten gaat;
- enige daad te stellen die een schuldeiser zou bevoordelen, behoudens de betaling van een onderhoudsschuld voor zover deze geen achterstallen betreft;
- zijn onvermogen te vergroten.
§ 4. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid lopen verder, onder voorbehoud van de bepalingen van de aanzuiveringsregeling, tot de verwerping, het einde of de herroeping van de aanzuiveringsregeling.
§ 5. Onverminderd de toepassing van artikel 1675/15 is iedere daad gesteld door de schuldenaar in weerwil van de gevolgen verbonden aan de beschikking van toelaatbaarheid niet tegenwerpbaar aan de schuldeisers.
§ 6. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid vangen aan de eerste dag die volgt op het opmaken van het bericht van collectieve schuldenregeling bedoeld in [3 1390quater]3.
(NOTA : op een datum vastgesteld door de Koning zal § 6 zo zijn :
§ 6. (De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid vangen aan de eerste dag die volgt op de ontvangst in het bestand van berichten van het bericht van collectieve schuldenregeling als bedoeld in artikel 1390quater.) <W 2000-05-29/36, art. 24, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011>)
Tot de boedel behoren alle goederen van de verzoeker op het ogenblik van de beschikking, alsmede de goederen die hij tijdens de uitvoering van de collectieve aanzuiveringsregeling verkrijgt.
(De gevolgen van de overdrachten van schuldvordering worden geschorst tot het einde, de verwerping of de herroeping van de aanzuiveringsregeling. Op dezelfde wijze, behalve in geval van tegeldemaking van het vermogen, worden de gevolgen van de zakelijke zekerheden en van de voorrechten geschorst tot het einde, de verwerping of de herroeping van de aanzuiveringsregeling.) <W 2005-12-13/35, art. 7, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
§ 2. [2 Alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom worden geschorst. Hetzelfde geldt voor de beslagen die vóór de beschikking van toelaatbaarheid gelegd werden. Deze laatste behouden evenwel hun bewarend karakter.
Echter, indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende goederen reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel. Indien het belang van de boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar die handelt in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, uitstel of afstel van de verkoop toestaan.
Indien voorafgaand aan deze beschikking van toelaatbaarheid, de beschikking gewezen overeenkomstig de artikelen 1580, 1580bis en 1580ter, niet langer vatbaar is voor het verzet bedoeld in de artikelen 1033 en 1034, kunnen de verkoopverrichtingen na uitvoerend onroerend beslag eveneens voor rekening van de boedel worden voortgezet. Indien het belang van de boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar die handelt in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en na oproeping van de ingeschreven hypothecaire [4 schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden]4, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief, uitstel of afstel van de verkoop toestaan. De schuldenaar of de schuldbemiddelaar dient de notaris belast met de verkoop van het goed schriftelijk te informeren van zijn verzoek tot uitstel of afstel. Dit verzoek tot uitstel of afstel van de verkoop is niet langer ontvankelijk na aanmaning aan de schuldenaar die plaatsvindt overeenkomstig artikel 1582.
In geval van beslag gevoerd tegen meerdere schuldenaars waarvan slechts één tot de collectieve schuldenregeling werd toegelaten, wordt de gedwongen verkoop van de roerende of onroerende goederen voortgezet overeenkomstig de regels van het roerend of onroerend beslag. Na betaling van de hypothecaire en bijzonder bevoorrechte schuldeisers, stort de notaris desgevallend het saldo van het gedeelte van de verkoopprijs dat aan de schuldenaar toekomt, aan de schuldbemiddelaar. Deze storting is bevrijdend net zoals de storting gedaan door de koper overeenkomstig artikel 1641.
Ten aanzien van personen die zich persoonlijk [4 zeker]4 hebben gesteld voor een schuld van de schuldenaar, worden de middelen van tenuitvoerlegging geschorst tot de homologatie van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping van de aanzuiveringsregeling. Ten aanzien van personen die de in artikel 1675/16bis, § 2, bedoelde verklaring hebben neergelegd, worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de bevrijding.]2
[3 § 2bis. De beschikking van toelaatbaarheid brengt van rechtswege de schrapping [4 mee]4 van de vorderingen ingediend op basis van de procedure bedoeld in artikel 1675/5.]3
§ 3. De beschikking van toelaatbaarheid houdt voor de verzoeker het verbod in om, behoudens toestemming van de rechter :
- enige daad te stellen die een normaal vermogensbeheer te buiten gaat;
- enige daad te stellen die een schuldeiser zou bevoordelen, behoudens de betaling van een onderhoudsschuld voor zover deze geen achterstallen betreft;
- zijn onvermogen te vergroten.
§ 4. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid lopen verder, onder voorbehoud van de bepalingen van de aanzuiveringsregeling, tot de verwerping, het einde of de herroeping van de aanzuiveringsregeling.
§ 5. Onverminderd de toepassing van artikel 1675/15 is iedere daad gesteld door de schuldenaar in weerwil van de gevolgen verbonden aan de beschikking van toelaatbaarheid niet tegenwerpbaar aan de schuldeisers.
§ 6. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid vangen aan de eerste dag die volgt op het opmaken van het bericht van collectieve schuldenregeling bedoeld in [3 1390quater]3.
(NOTA : op een datum vastgesteld door de Koning zal § 6 zo zijn :
§ 6. (De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid vangen aan de eerste dag die volgt op de ontvangst in het bestand van berichten van het bericht van collectieve schuldenregeling als bedoeld in artikel 1390quater.) <W 2000-05-29/36, art. 24, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011>)
Art. 1675/7. § 1er. Sans préjudice de l'application du § 3, la décision d'admissibilité fait naître une situation de concours entre les créanciers et a pour conséquence la suspension du cours des intérêts et l'indisponibilité du patrimoine du requérant.
Font partie de la masse, tous les biens du requérant au moment de la décision, ainsi que les biens qu'il acquiert pendant l'exécution du règlement collectif de dettes.
(L'effet des cessions de créance est suspendu jusqu'au terme, au rejet ou à la révocation du plan de règlement. De même, et sauf en cas de réalisation du patrimoine, l'effet des sûretés réelles et des privilèges est suspendu jusqu'au terme, au rejet ou à la révocation du plan.) <L 2005-12-13/35, art. 7, 051; En vigueur : 31-12-2005>
§ 2. [2 Toutes les voies d'exécution qui tendent au paiement d'une somme d'argent sont suspendues. Il en est de même pour les saisies pratiquées antérieurement à la décision d'admissibilité. Ces dernières conservent cependant leur caractère conservatoire.
Toutefois, si antérieurement à cette décision, le jour de la vente forcée des meubles saisis a déjà été fixé et publié par les affiches, cette vente a lieu pour le compte de la masse. Si l'intérêt de la masse l'exige, le tribunal du travail peut, sur la demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire, autoriser la remise ou l'abandon de la vente.
De même, si antérieurement à cette décision d'amissibilité, l'ordonnance rendue conformément aux articles 1580, 1580bis et 1580ter, n'est plus susceptible d'être frappée par l'opposition visée aux articles 1033 et 1034, les opérations de vente sur saisie exécution immobilière peuvent se poursuivre pour le compte de la masse. Si l'intérêt de la masse l'exige, le tribunal du travail peut, sur la demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire et après avoir appelé les créanciers hypothécaires [4 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]4 à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience, autoriser la remise ou l'abandon de la vente. Le débiteur ou le médiateur doit immédiatement informer par écrit le notaire chargé de vendre le bien, de sa demande de remise ou abandon. Cette demande de remise ou d'abandon de vente n'est plus recevable à dater de la sommation faite au débiteur saisi conformément à l'article 1582.
En cas de saisie diligentée à l'encontre de plusieurs débiteurs dont un seul est admis au bénéfice du règlement collectif de dettes, la vente forcée des biens meubles ou immeubles se poursuit conformément aux règles de la saisie mobilière ou immobilière. Après règlement des créanciers hypothécaires et privilégiés spéciaux, le notaire verse le cas échéant au médiateur de dettes le solde de la part du prix de vente revenant au débiteur. Ce versement est libératoire tout comme l'est le versement fait par l'adjudicataire conformément à l'article 1641.
A l'égard de toute personne ayant consenti une sûreté personnelle pour garantir une dette du débiteur, les voies d`exécution sont suspendues jusqu'à l'homologation du plan amiable, jusqu'au dépôt du procès-verbal visé à l'article 1675/11, § 1er, ou jusqu'au rejet du plan. A l'égard des personnes ayant effectué la déclaration visée à l'article 1675/16bis, § 2, les voies d'exécution sont suspendues jusqu'à ce que le juge ait statué sur la décharge.]2
[3 § 2bis. La décision d'admissibilité emporte de plein droit radiation des demandes introduites sur la base des procédures visées à l'article 1675/5.]3
§ 3. La décision d'admissibilité entraîne l'interdiction pour le requérant, sauf autorisation du juge :
- d'accomplir tout acte étranger à la gestion normale du patrimoine;
- d'accomplir tout acte susceptible de favoriser un créancier, sauf le paiement d'une dette alimentaire mais à l'exception des arriérés de celle-ci;
- d'aggraver son insolvabilité.
§ 4. Les effets de la décision d'admissibilité se prolongent jusqu'au rejet, jusqu'au terme ou jusqu'à la révocation du règlement collectif de dettes, sous réserve des stipulations du plan de règlement.
§ 5. Sans préjudice de l'application de l'article 1675/15, tout acte accompli par le débiteur au mépris des effets attachés à la décision d'admissibilité est inopposable aux créanciers.
§ 6. Les effets de la décision d'admissibilité prennent cours le premier jour qui suit l'établissement de l'avis de règlement collectif de dettes visé à l'article [3 1390quater]3.
(NOTE : le § 6 sera rédigé comme suit à une date fixée par le Roi :
§ 6. (Les effets de la décision d'admissibilité prennent cours le premier jour qui suit la réception au fichier des avis de l'avis de règlement collectif de dettes visé à l'article 1390quater.) <L 2000-05-29/36, art. 24, 035; En vigueur : 29-01-2011>)
Font partie de la masse, tous les biens du requérant au moment de la décision, ainsi que les biens qu'il acquiert pendant l'exécution du règlement collectif de dettes.
(L'effet des cessions de créance est suspendu jusqu'au terme, au rejet ou à la révocation du plan de règlement. De même, et sauf en cas de réalisation du patrimoine, l'effet des sûretés réelles et des privilèges est suspendu jusqu'au terme, au rejet ou à la révocation du plan.) <L 2005-12-13/35, art. 7, 051; En vigueur : 31-12-2005>
§ 2. [2 Toutes les voies d'exécution qui tendent au paiement d'une somme d'argent sont suspendues. Il en est de même pour les saisies pratiquées antérieurement à la décision d'admissibilité. Ces dernières conservent cependant leur caractère conservatoire.
Toutefois, si antérieurement à cette décision, le jour de la vente forcée des meubles saisis a déjà été fixé et publié par les affiches, cette vente a lieu pour le compte de la masse. Si l'intérêt de la masse l'exige, le tribunal du travail peut, sur la demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire, autoriser la remise ou l'abandon de la vente.
De même, si antérieurement à cette décision d'amissibilité, l'ordonnance rendue conformément aux articles 1580, 1580bis et 1580ter, n'est plus susceptible d'être frappée par l'opposition visée aux articles 1033 et 1034, les opérations de vente sur saisie exécution immobilière peuvent se poursuivre pour le compte de la masse. Si l'intérêt de la masse l'exige, le tribunal du travail peut, sur la demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire et après avoir appelé les créanciers hypothécaires [4 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]4 à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience, autoriser la remise ou l'abandon de la vente. Le débiteur ou le médiateur doit immédiatement informer par écrit le notaire chargé de vendre le bien, de sa demande de remise ou abandon. Cette demande de remise ou d'abandon de vente n'est plus recevable à dater de la sommation faite au débiteur saisi conformément à l'article 1582.
En cas de saisie diligentée à l'encontre de plusieurs débiteurs dont un seul est admis au bénéfice du règlement collectif de dettes, la vente forcée des biens meubles ou immeubles se poursuit conformément aux règles de la saisie mobilière ou immobilière. Après règlement des créanciers hypothécaires et privilégiés spéciaux, le notaire verse le cas échéant au médiateur de dettes le solde de la part du prix de vente revenant au débiteur. Ce versement est libératoire tout comme l'est le versement fait par l'adjudicataire conformément à l'article 1641.
A l'égard de toute personne ayant consenti une sûreté personnelle pour garantir une dette du débiteur, les voies d`exécution sont suspendues jusqu'à l'homologation du plan amiable, jusqu'au dépôt du procès-verbal visé à l'article 1675/11, § 1er, ou jusqu'au rejet du plan. A l'égard des personnes ayant effectué la déclaration visée à l'article 1675/16bis, § 2, les voies d'exécution sont suspendues jusqu'à ce que le juge ait statué sur la décharge.]2
[3 § 2bis. La décision d'admissibilité emporte de plein droit radiation des demandes introduites sur la base des procédures visées à l'article 1675/5.]3
§ 3. La décision d'admissibilité entraîne l'interdiction pour le requérant, sauf autorisation du juge :
- d'accomplir tout acte étranger à la gestion normale du patrimoine;
- d'accomplir tout acte susceptible de favoriser un créancier, sauf le paiement d'une dette alimentaire mais à l'exception des arriérés de celle-ci;
- d'aggraver son insolvabilité.
§ 4. Les effets de la décision d'admissibilité se prolongent jusqu'au rejet, jusqu'au terme ou jusqu'à la révocation du règlement collectif de dettes, sous réserve des stipulations du plan de règlement.
§ 5. Sans préjudice de l'application de l'article 1675/15, tout acte accompli par le débiteur au mépris des effets attachés à la décision d'admissibilité est inopposable aux créanciers.
§ 6. Les effets de la décision d'admissibilité prennent cours le premier jour qui suit l'établissement de l'avis de règlement collectif de dettes visé à l'article [3 1390quater]3.
(NOTE : le § 6 sera rédigé comme suit à une date fixée par le Roi :
§ 6. (Les effets de la décision d'admissibilité prennent cours le premier jour qui suit la réception au fichier des avis de l'avis de règlement collectif de dettes visé à l'article 1390quater.) <L 2000-05-29/36, art. 24, 035; En vigueur : 29-01-2011>)
Art. 1675/8. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> [2 De schuldenaar en de derden [3 delen de schuldbemiddelaar die is belast met een procedure van minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling, op diens verzoek, alle noodzakelijke inlichtingen over door de schuldenaar uitgevoerde verrichtingen en over de samenstelling en de vindplaats van diens vermogen mee]3. De schuldenaar of de derde kan zich, door middel van een eenvoudige schriftelijke verklaring die wordt neergelegd ter of [3 meegedeeld]3 aan de griffie, verzetten tegen het verzoek bij de rechter bij wie de rechtspleging voor de collectieve schuldenregeling aanhangig is.]2
(Ingeval de schuldbemiddelaar het nodig acht aanvullende inlichtingen over de vermogenstoestand van de verzoeker in te winnen, kan hij de rechter vragen dat de derden die aan het beroepsgeheim of aan de discretieplicht zijn onderworpen, daarvan worden ontheven en dat hen wordt bevolen de gevraagde inlichtingen te verstrekken, onverminderd hun recht om aan de rechter hun opmerkingen schriftelijk of in de raadkamer [3 mee te delen]3.
Zo nodig, [3 geeft de rechter, zodra hij het verzoek van de bemiddelaar ontvangt, daarvan kennis aan de orde of het tuchtcollege waarvan de derde afhangt]3 bij [1 gewone brief]1. Die instantie beschikt over dertig dagen om de rechter [3 een advies mee te delen]3 over het verzoek van de bemiddelaar. Verstrekt ze geen advies, dan wordt het advies geacht gunstig te zijn. Indien de rechter van het advies afwijkt, preciseert hij de redenen daarvoor in zijn beschikking.) <W 2005-12-13/35, art. 8, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
(NOTA : bij arrest nr 129/2006 van 28-07-2006 (B.St. 07-08-2006, p. 38702-38704), heeft het Arbitragehof, in zoverre het van toepassing is op advocaten, artikel 1675/8, tweede en derde lid, zoals vervangen bij artikel 8 van de wet van 13 december 2005 " houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldregeling, vernietigd)
(Ingeval de schuldbemiddelaar het nodig acht aanvullende inlichtingen over de vermogenstoestand van de verzoeker in te winnen, kan hij de rechter vragen dat de derden die aan het beroepsgeheim of aan de discretieplicht zijn onderworpen, daarvan worden ontheven en dat hen wordt bevolen de gevraagde inlichtingen te verstrekken, onverminderd hun recht om aan de rechter hun opmerkingen schriftelijk of in de raadkamer [3 mee te delen]3.
Zo nodig, [3 geeft de rechter, zodra hij het verzoek van de bemiddelaar ontvangt, daarvan kennis aan de orde of het tuchtcollege waarvan de derde afhangt]3 bij [1 gewone brief]1. Die instantie beschikt over dertig dagen om de rechter [3 een advies mee te delen]3 over het verzoek van de bemiddelaar. Verstrekt ze geen advies, dan wordt het advies geacht gunstig te zijn. Indien de rechter van het advies afwijkt, preciseert hij de redenen daarvoor in zijn beschikking.) <W 2005-12-13/35, art. 8, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
(NOTA : bij arrest nr 129/2006 van 28-07-2006 (B.St. 07-08-2006, p. 38702-38704), heeft het Arbitragehof, in zoverre het van toepassing is op advocaten, artikel 1675/8, tweede en derde lid, zoals vervangen bij artikel 8 van de wet van 13 december 2005 " houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldregeling, vernietigd)
Art. 1675/8. [2 Le débiteur et les tiers [3 communiquent]3 au médiateur de dettes chargé d'une procédure de règlement amiable ou judiciaire, à sa demande, tous renseignements nécessaires sur des opérations accomplies par le débiteur et sur la composition et la localisation du patrimoine de celui-ci. Le débiteur ou le tiers peut, par simple déclaration écrite déposée ou [3 communiquée]3 au greffe, s'opposer à la demande auprès du juge saisi de la procédure de règlement collectif de dettes.]2
(Lorsque le médiateur de dettes estime nécessaire de recueillir des informations complémentaires sur la situation patrimoniale du requérant, il peut solliciter du juge que les tiers soumis au secret professionnel ou au devoir de discrétion en soient déliés et qu'il leur soit ordonné de fournir les renseignements demandés, sauf pour eux à [3 communiquer]3 leurs observations au juge par écrit ou en chambre du conseil.
Le cas échéant, dès réception de la demande du médiateur, le juge [3 la notifie à]3 l'autorité ordinale ou disciplinaire dont dépend le tiers. Celle-ci dispose d'un délai de trente jours pour [3 communiquer]3 au juge un avis sur la demande du médiateur. A défaut d'avis, celui-ci est présumé favorable. Si le juge s'écarte de l'avis, il en précise les raisons dans sa décision.) <L 2005-12-13/35, art. 8, 051; En vigueur : 31-12-2005>
(NOTE : par son arrêt n° 129/2006 du 28-07-2006 (M.B. 07-08-2006, p. 38704-38706), la Cour d'Arbitrage a annulé, en tant qu'il s'applique aux avocats, l'article 1675/8, alinéas 2 et 3, tel qu'il a été remplacé par l'article 8 de la loi du 13 décembre 2005 portant des dispositions diverses relatives aux délais, à la requête contradictoire et a la procédure en règlement collectif de dettes)
(Lorsque le médiateur de dettes estime nécessaire de recueillir des informations complémentaires sur la situation patrimoniale du requérant, il peut solliciter du juge que les tiers soumis au secret professionnel ou au devoir de discrétion en soient déliés et qu'il leur soit ordonné de fournir les renseignements demandés, sauf pour eux à [3 communiquer]3 leurs observations au juge par écrit ou en chambre du conseil.
Le cas échéant, dès réception de la demande du médiateur, le juge [3 la notifie à]3 l'autorité ordinale ou disciplinaire dont dépend le tiers. Celle-ci dispose d'un délai de trente jours pour [3 communiquer]3 au juge un avis sur la demande du médiateur. A défaut d'avis, celui-ci est présumé favorable. Si le juge s'écarte de l'avis, il en précise les raisons dans sa décision.) <L 2005-12-13/35, art. 8, 051; En vigueur : 31-12-2005>
(NOTE : par son arrêt n° 129/2006 du 28-07-2006 (M.B. 07-08-2006, p. 38704-38706), la Cour d'Arbitrage a annulé, en tant qu'il s'applique aux avocats, l'article 1675/8, alinéas 2 et 3, tel qu'il a été remplacé par l'article 8 de la loi du 13 décembre 2005 portant des dispositions diverses relatives aux délais, à la requête contradictoire et a la procédure en règlement collectif de dettes)
Art. 1675/8bis. [1 In geval van niet-toelaatbaarheid, geeft de griffier binnen de drie dagen [2 na de uitspraak]2 kennis van de beschikking aan de verzoeker en aan zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/16ter en, in voorkomend geval, aan zijn raadsman.]1
Art. 1675/9. § 1er. [6 Dans les cinq jours du prononcé de la décision d'admissibilité, celle-ci est notifiée par le greffier:
1° au requérant et à son conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le texte de l'article 1675/7, et le cas échéant, à son conseil;
2° aux créanciers et aux personnes qui ont constitué une sûreté personnelle en y joignant le texte du paragraphe 2 du présent article ainsi que le texte de l'article 1675/7 et, le cas échéant, un formulaire de déclaration de créance;
3° au médiateur de dettes;
4° aux débiteurs concernés en y joignant le texte de l'article 1675/7, et en les informant que dès la réception de la décision, tout paiement doit être versé sur un compte, ouvert à cet effet par le médiateur de dettes et sur lequel sont versés tous les paiements faits au requérant. Le médiateur de dettes met le requérant en mesure d'être informé continuellement relativement au compte, aux opérations effectuées sur ce compte et au solde de ce compte.
Le greffe communique les modalités d'inscription dans le registre visé à l'article 1675/20 ainsi que le texte de l'article 1675/15bis, § 1er.]6
§ 1bis.[6 ...]6
§ 2. [4 La déclaration de créance doit être communiquée au médiateur de dettes dans le mois de la notification de la décision d'admissibilité [7 ...]7.]4 [5 Lorsque le débiteur et le créancier résident dans deux Etats différents de l'Union européenne, ce délai est de trois mois; lorsqu'ils résident dans deux Etats différents hors de l'Union européenne, ce délai est de cinq mois.]5
Elle indique la nature de la créance, sa justification, son montant en principal, intérêts et frais, les causes éventuelles de préférence ainsi que les procédures auxquelles elle donnerait lieu.
(§ 3. [4 Si un créancier ne communique pas de déclaration de créance dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 1er, le médiateur de dettes lui communique qu'il dispose d'un dernier délai de quinze jours, à compter de la réception de cette communication, pour faire cette déclaration. [5 Lorsque le débiteur et le créancier résident dans deux Etats différents de l'Union européenne, ce délai est de trente jours; lorsqu'ils résident dans deux Etats différents hors de l'Union européenne, ce délai est de cinquante-cinq jours.]5 Si la déclaration n'est pas communiquée dans ce délai, le créancier concerné est réputé renoncer à sa créance. Dans ce cas, le créancier perd le droit d'agir contre le débiteur et les personnes qui ont constitué pour lui une sûreté personnelle. Il récupère ce droit en cas de rejet ou de révocation du plan.
Copie du présent article et de la communication visée au § 1erbis est jointe à la communication visée à l'alinéa 1er.]4
§ 4. [2 Le médiateur de dettes prélève sur les montants qu'il perçoit en application du § 1er, 4°, un pécule qui est mis à la disposition du requérant et qui est au moins égal au montant protégé en application des articles 1409 à 1412. Ce pécule peut être réduit pour une période limitée moyennant l'autorisation expresse écrite du requérant, mais il doit toujours être supérieur, tant dans le cadre du plan de règlement amiable que dans le cadre du plan de règlement judiciaire, aux montants visés à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, majorés de la somme des montants visés à l'article 1410, § 2, 1°.]2
1° au requérant et à son conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le texte de l'article 1675/7, et le cas échéant, à son conseil;
2° aux créanciers et aux personnes qui ont constitué une sûreté personnelle en y joignant le texte du paragraphe 2 du présent article ainsi que le texte de l'article 1675/7 et, le cas échéant, un formulaire de déclaration de créance;
3° au médiateur de dettes;
4° aux débiteurs concernés en y joignant le texte de l'article 1675/7, et en les informant que dès la réception de la décision, tout paiement doit être versé sur un compte, ouvert à cet effet par le médiateur de dettes et sur lequel sont versés tous les paiements faits au requérant. Le médiateur de dettes met le requérant en mesure d'être informé continuellement relativement au compte, aux opérations effectuées sur ce compte et au solde de ce compte.
Le greffe communique les modalités d'inscription dans le registre visé à l'article 1675/20 ainsi que le texte de l'article 1675/15bis, § 1er.]6
§ 1bis.[6 ...]6
§ 2. [4 La déclaration de créance doit être communiquée au médiateur de dettes dans le mois de la notification de la décision d'admissibilité [7 ...]7.]4 [5 Lorsque le débiteur et le créancier résident dans deux Etats différents de l'Union européenne, ce délai est de trois mois; lorsqu'ils résident dans deux Etats différents hors de l'Union européenne, ce délai est de cinq mois.]5
Elle indique la nature de la créance, sa justification, son montant en principal, intérêts et frais, les causes éventuelles de préférence ainsi que les procédures auxquelles elle donnerait lieu.
(§ 3. [4 Si un créancier ne communique pas de déclaration de créance dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 1er, le médiateur de dettes lui communique qu'il dispose d'un dernier délai de quinze jours, à compter de la réception de cette communication, pour faire cette déclaration. [5 Lorsque le débiteur et le créancier résident dans deux Etats différents de l'Union européenne, ce délai est de trente jours; lorsqu'ils résident dans deux Etats différents hors de l'Union européenne, ce délai est de cinquante-cinq jours.]5 Si la déclaration n'est pas communiquée dans ce délai, le créancier concerné est réputé renoncer à sa créance. Dans ce cas, le créancier perd le droit d'agir contre le débiteur et les personnes qui ont constitué pour lui une sûreté personnelle. Il récupère ce droit en cas de rejet ou de révocation du plan.
Copie du présent article et de la communication visée au § 1erbis est jointe à la communication visée à l'alinéa 1er.]4
§ 4. [2 Le médiateur de dettes prélève sur les montants qu'il perçoit en application du § 1er, 4°, un pécule qui est mis à la disposition du requérant et qui est au moins égal au montant protégé en application des articles 1409 à 1412. Ce pécule peut être réduit pour une période limitée moyennant l'autorisation expresse écrite du requérant, mais il doit toujours être supérieur, tant dans le cadre du plan de règlement amiable que dans le cadre du plan de règlement judiciaire, aux montants visés à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, majorés de la somme des montants visés à l'article 1410, § 2, 1°.]2
Änderungen
Art. 1675/9. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. [7 Uiterlijk vijf dagen na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid moet de griffier deze ter kennis brengen van:
1° de verzoeker en zijn echtgenoot of de wettelijk samenwonende, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7 en, in voorkomend geval, aan zijn raadsman;
2° de schuldeisers en de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld onder toevoeging van de tekst van paragraaf 2 van dit artikel, alsook van de tekst van artikel 1675/7 en, in voorkomend geval, van een formulier van aangifte van schuldvordering;
3° de schuldbemiddelaar;
4° de betrokken schuldenaars onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7. Zij worden ervan op de hoogte gebracht dat iedere betaling, vanaf ontvangst van de beschikking, op een door de schuldbemiddelaar daartoe geopende rekening moet worden gestort, waarop alle betalingen aan de verzoeker worden gestort. De schuldbemiddelaar stelt de verzoeker in staat doorlopend te worden geïnformeerd over de rekening, de verrichtingen erop en het saldo ervan.
De griffie deelt zowel de nadere regels van inschrijving in het register bedoeld in artikel 1675/20 als de tekst van artikel 1675/15bis, § 1, mee.]7
[4 § 1bis. [7 ...]7]4
§ 2. [4 De aangifte van schuldvordering moet uiterlijk een maand na kennisgeving van de beschikking van toelaatbaarheid aan de schuldbemiddelaar worden meegedeeld [8 ...]8.]4 [5 Indien de schuldenaar en de schuldeiser in twee verschillende Staten binnen de Europese Unie verblijven is deze termijn drie maanden; verblijven zij in twee verschillende Staten buiten de Europese Unie, dan is de termijn vijf maanden.]5
Die aangifte omschrijft de aard van de schuldvordering alsmede de verantwoording ervan, het bedrag ervan in hoofdsom, interesten en kosten, de eventuele redenen van voorrang, alsook de procedures waartoe ze aanleiding kan geven.
(§ 3. [4 Wanneer een schuldeiser geen aangifte van schuldvordering doet binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, deelt de schuldbemiddelaar hem mee dat hij over een laatste termijn van vijftien dagen beschikt, te rekenen vanaf ontvangst van deze mededeling, om alsnog aangifte te doen. [5 Indien de schuldenaar en de schuldeiser in twee verschillende Staten binnen de Europese Unie verblijven, is deze termijn dertig dagen; verblijven zij in twee verschillende Staten buiten de Europese Unie, dan is deze termijn vijfenvijftig dagen.]5 Wanneer de aangifte niet wordt meegedeeld binnen deze termijn, wordt de betreffende schuldeiser geacht afstand te doen van zijn schuldvordering. In dat geval verliest de schuldeiser zijn recht om zich te verhalen op de schuldenaar en de personen die voor hem een persoonlijke zekerheid hebben gesteld. Hij herwint dit recht in geval van afwijzing of herroeping van de aanzuiveringsregeling.
De tekst van dit artikel en van de mededeling bedoeld in paragraaf 1bis wordt gevoegd bij de mededeling bedoeld in het eerste lid.]4) <W 2005-12-13/35, art. 9, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
§ 4. [2 De schuldbemiddelaar stelt, uit de bedragen die hij met toepassing van § 1, 4°, ontvangt, een leefgeld ter beschikking van de verzoeker dat [6 tenminste]6 gelijk is aan het bedrag dat met toepassing van de artikelen [7 1409 tot 1412]7 wordt beschermd. Met de uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de verzoeker mag dit leefgeld tijdelijk worden verminderd, maar moet het altijd hoger zijn, zowel in de minnelijke als in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, dan de in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie bedoelde bedragen, vermeerderd met de som van de in artikel 1410, § 2, 1°, bedoelde bedragen.]2
1° de verzoeker en zijn echtgenoot of de wettelijk samenwonende, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7 en, in voorkomend geval, aan zijn raadsman;
2° de schuldeisers en de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld onder toevoeging van de tekst van paragraaf 2 van dit artikel, alsook van de tekst van artikel 1675/7 en, in voorkomend geval, van een formulier van aangifte van schuldvordering;
3° de schuldbemiddelaar;
4° de betrokken schuldenaars onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7. Zij worden ervan op de hoogte gebracht dat iedere betaling, vanaf ontvangst van de beschikking, op een door de schuldbemiddelaar daartoe geopende rekening moet worden gestort, waarop alle betalingen aan de verzoeker worden gestort. De schuldbemiddelaar stelt de verzoeker in staat doorlopend te worden geïnformeerd over de rekening, de verrichtingen erop en het saldo ervan.
De griffie deelt zowel de nadere regels van inschrijving in het register bedoeld in artikel 1675/20 als de tekst van artikel 1675/15bis, § 1, mee.]7
[4 § 1bis. [7 ...]7]4
§ 2. [4 De aangifte van schuldvordering moet uiterlijk een maand na kennisgeving van de beschikking van toelaatbaarheid aan de schuldbemiddelaar worden meegedeeld [8 ...]8.]4 [5 Indien de schuldenaar en de schuldeiser in twee verschillende Staten binnen de Europese Unie verblijven is deze termijn drie maanden; verblijven zij in twee verschillende Staten buiten de Europese Unie, dan is de termijn vijf maanden.]5
Die aangifte omschrijft de aard van de schuldvordering alsmede de verantwoording ervan, het bedrag ervan in hoofdsom, interesten en kosten, de eventuele redenen van voorrang, alsook de procedures waartoe ze aanleiding kan geven.
(§ 3. [4 Wanneer een schuldeiser geen aangifte van schuldvordering doet binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, deelt de schuldbemiddelaar hem mee dat hij over een laatste termijn van vijftien dagen beschikt, te rekenen vanaf ontvangst van deze mededeling, om alsnog aangifte te doen. [5 Indien de schuldenaar en de schuldeiser in twee verschillende Staten binnen de Europese Unie verblijven, is deze termijn dertig dagen; verblijven zij in twee verschillende Staten buiten de Europese Unie, dan is deze termijn vijfenvijftig dagen.]5 Wanneer de aangifte niet wordt meegedeeld binnen deze termijn, wordt de betreffende schuldeiser geacht afstand te doen van zijn schuldvordering. In dat geval verliest de schuldeiser zijn recht om zich te verhalen op de schuldenaar en de personen die voor hem een persoonlijke zekerheid hebben gesteld. Hij herwint dit recht in geval van afwijzing of herroeping van de aanzuiveringsregeling.
De tekst van dit artikel en van de mededeling bedoeld in paragraaf 1bis wordt gevoegd bij de mededeling bedoeld in het eerste lid.]4) <W 2005-12-13/35, art. 9, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
§ 4. [2 De schuldbemiddelaar stelt, uit de bedragen die hij met toepassing van § 1, 4°, ontvangt, een leefgeld ter beschikking van de verzoeker dat [6 tenminste]6 gelijk is aan het bedrag dat met toepassing van de artikelen [7 1409 tot 1412]7 wordt beschermd. Met de uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de verzoeker mag dit leefgeld tijdelijk worden verminderd, maar moet het altijd hoger zijn, zowel in de minnelijke als in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, dan de in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie bedoelde bedragen, vermeerderd met de som van de in artikel 1410, § 2, 1°, bedoelde bedragen.]2
Änderungen
Art. 1675/9. § 1er. [6 Dans les cinq jours du prononcé de la décision d'admissibilité, celle-ci est notifiée par le greffier:
1° au requérant et à son conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le texte de l'article 1675/7, et le cas échéant, à son conseil;
2° aux créanciers et aux personnes qui ont constitué une sûreté personnelle en y joignant le texte du paragraphe 2 du présent article ainsi que le texte de l'article 1675/7 et, le cas échéant, un formulaire de déclaration de créance;
3° au médiateur de dettes;
4° aux débiteurs concernés en y joignant le texte de l'article 1675/7, et en les informant que dès la réception de la décision, tout paiement doit être versé sur un compte, ouvert à cet effet par le médiateur de dettes et sur lequel sont versés tous les paiements faits au requérant. Le médiateur de dettes met le requérant en mesure d'être informé continuellement relativement au compte, aux opérations effectuées sur ce compte et au solde de ce compte.
Le greffe communique les modalités d'inscription dans le registre visé à l'article 1675/20 ainsi que le texte de l'article 1675/15bis, § 1er.]6
§ 1bis.[6 ...]6
§ 2. [4 La déclaration de créance doit être communiquée au médiateur de dettes dans le mois de la notification de la décision d'admissibilité [7 ...]7.]4 [5 Lorsque le débiteur et le créancier résident dans deux Etats différents de l'Union européenne, ce délai est de trois mois; lorsqu'ils résident dans deux Etats différents hors de l'Union européenne, ce délai est de cinq mois.]5
Elle indique la nature de la créance, sa justification, son montant en principal, intérêts et frais, les causes éventuelles de préférence ainsi que les procédures auxquelles elle donnerait lieu.
(§ 3. [4 Si un créancier ne communique pas de déclaration de créance dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 1er, le médiateur de dettes lui communique qu'il dispose d'un dernier délai de quinze jours, à compter de la réception de cette communication, pour faire cette déclaration. [5 Lorsque le débiteur et le créancier résident dans deux Etats différents de l'Union européenne, ce délai est de trente jours; lorsqu'ils résident dans deux Etats différents hors de l'Union européenne, ce délai est de cinquante-cinq jours.]5 Si la déclaration n'est pas communiquée dans ce délai, le créancier concerné est réputé renoncer à sa créance. Dans ce cas, le créancier perd le droit d'agir contre le débiteur et les personnes qui ont constitué pour lui une sûreté personnelle. Il récupère ce droit en cas de rejet ou de révocation du plan.
Copie du présent article et de la communication visée au § 1erbis est jointe à la communication visée à l'alinéa 1er.]4
§ 4. [2 Le médiateur de dettes prélève sur les montants qu'il perçoit en application du § 1er, 4°, un pécule qui est mis à la disposition du requérant et qui est au moins égal au montant protégé en application des articles 1409 à 1412. Ce pécule peut être réduit pour une période limitée moyennant l'autorisation expresse écrite du requérant, mais il doit toujours être supérieur, tant dans le cadre du plan de règlement amiable que dans le cadre du plan de règlement judiciaire, aux montants visés à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, majorés de la somme des montants visés à l'article 1410, § 2, 1°.]2
1° au requérant et à son conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le texte de l'article 1675/7, et le cas échéant, à son conseil;
2° aux créanciers et aux personnes qui ont constitué une sûreté personnelle en y joignant le texte du paragraphe 2 du présent article ainsi que le texte de l'article 1675/7 et, le cas échéant, un formulaire de déclaration de créance;
3° au médiateur de dettes;
4° aux débiteurs concernés en y joignant le texte de l'article 1675/7, et en les informant que dès la réception de la décision, tout paiement doit être versé sur un compte, ouvert à cet effet par le médiateur de dettes et sur lequel sont versés tous les paiements faits au requérant. Le médiateur de dettes met le requérant en mesure d'être informé continuellement relativement au compte, aux opérations effectuées sur ce compte et au solde de ce compte.
Le greffe communique les modalités d'inscription dans le registre visé à l'article 1675/20 ainsi que le texte de l'article 1675/15bis, § 1er.]6
§ 1bis.[6 ...]6
§ 2. [4 La déclaration de créance doit être communiquée au médiateur de dettes dans le mois de la notification de la décision d'admissibilité [7 ...]7.]4 [5 Lorsque le débiteur et le créancier résident dans deux Etats différents de l'Union européenne, ce délai est de trois mois; lorsqu'ils résident dans deux Etats différents hors de l'Union européenne, ce délai est de cinq mois.]5
Elle indique la nature de la créance, sa justification, son montant en principal, intérêts et frais, les causes éventuelles de préférence ainsi que les procédures auxquelles elle donnerait lieu.
(§ 3. [4 Si un créancier ne communique pas de déclaration de créance dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 1er, le médiateur de dettes lui communique qu'il dispose d'un dernier délai de quinze jours, à compter de la réception de cette communication, pour faire cette déclaration. [5 Lorsque le débiteur et le créancier résident dans deux Etats différents de l'Union européenne, ce délai est de trente jours; lorsqu'ils résident dans deux Etats différents hors de l'Union européenne, ce délai est de cinquante-cinq jours.]5 Si la déclaration n'est pas communiquée dans ce délai, le créancier concerné est réputé renoncer à sa créance. Dans ce cas, le créancier perd le droit d'agir contre le débiteur et les personnes qui ont constitué pour lui une sûreté personnelle. Il récupère ce droit en cas de rejet ou de révocation du plan.
Copie du présent article et de la communication visée au § 1erbis est jointe à la communication visée à l'alinéa 1er.]4
§ 4. [2 Le médiateur de dettes prélève sur les montants qu'il perçoit en application du § 1er, 4°, un pécule qui est mis à la disposition du requérant et qui est au moins égal au montant protégé en application des articles 1409 à 1412. Ce pécule peut être réduit pour une période limitée moyennant l'autorisation expresse écrite du requérant, mais il doit toujours être supérieur, tant dans le cadre du plan de règlement amiable que dans le cadre du plan de règlement judiciaire, aux montants visés à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, majorés de la somme des montants visés à l'article 1410, § 2, 1°.]2
Änderungen
Afdeling 3. - Minnelijke aanzuiveringsregeling.
Art. 1675/10. § 1er. (Le médiateur de dettes prend connaissance conformément à l'article 1391, des avis de saisie, de délégation, de cession et de règlement collectif de dettes établis au nom du débiteur.
Art. 1675/10. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. (De schuldbemiddelaar neemt overeenkomstig artikel 1391 kennis van de op naam van de schuldenaar opgestelde berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling.
Hij raadpleegt onverwijld, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde nadere regels, de gegevens die op naam van de schuldenaar geregistreerd zijn in de Centrale voor kredieten aan particulieren van de Nationale Bank van België.) <W 2000-03-24/50, art. 26, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
§ 2. De schuldbemiddelaar stelt een ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling op dat de noodzakelijke maatregelen bevat voor de verwezenlijking van de in artikel 1675/3, derde lid, bedoelde doelstelling.
[1 § 2/1. In de minnelijke aanzuiveringsregeling wordt de gedetailleerde en [4 geactualiseerde]4 staat van de inkomsten en de beschikbare middelen van het gezin opgenomen. De bijlage bij het plan, dat enkel wordt bezorgd aan de rechter, bevat een gedetailleerde staat van de lasten en de tegoeden van de schuldenaar en, in voorkomend geval, van de lasten en tegoeden van zijn gezin.]1
[1 § 2/2. De minnelijke aanzuiveringsregeling bepaalt de manier waarop de schuldenaar de in artikel 1675/9, § 1, 4°, bedoelde informatie ontvangt.]1
§ 3. Alleen de niet betwiste schuldvorderingen of die welke bij een titel, zelfs een onderhandse, zijn vastgesteld, kunnen in het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling worden opgenomen ten belope van de aldus verantwoorde bedragen.
(§ 3bis. Iedere schuldeiser, hetzij overheid of particulier, kan een volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van schuld aan de verzoeker toestaan, en dit ongeacht de aard van de schuld.
In het bijzonder :
1° de ambtenaren die belast zijn met de inning van fiscale schuldvorderingen en aangesteld zijn door de bevoegde overheden worden gemachtigd om in het kader van een minnelijke aanzuiveringsregeling een volledige of gedeeltelijke kwijtschelding in hoofdsom en toebehoren van fiscale schulden te aanvaarden.
2° de organen die belast zijn met het innen van de bijdragen voor de sociale zekerheid en de instellingen die de sociale uitkeringen toekennen worden gemachtigd om in het kader van een minnelijke aanzuiveringsregeling een gedeeltelijke of volledige kwijtschelding van de bedragen die hen verschuldigd zijn te aanvaarden wanneer deze kwijtschelding is voorgesteld door de schuldbemiddelaar, voorzover voldaan is aan de voorwaarden die bedoeld worden in artikel 31bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
3° de sociale verzekeringskassen worden gemachtigd om, in het kader van een minnelijke aanzuiveringsregeling, een volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van schulden te aanvaarden die betrekking hebben op achterstallige sociale bijdragen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de procedure die de sociale verzekeringskassen moeten volgen.) <L 2005-12-13/35, art. 10, 2°, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 4. De schuldbemiddelaar [3 deelt het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling mee aan]3 de schuldenaar, in voorkomend geval diens echtgenoot [4 of wettelijk samenwonende]4, en de schuldeisers. (In het kader van die regeling ziet de schuldbemiddelaar toe op de prioritaire betaling van de schulden die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen.) <W 2005-12-13/35, art. 10, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
De regeling moet door alle belanghebbende partijen goedgekeurd worden. Ieder bezwaar moet [3 uiterlijk twee maanden na toezending van het ontwerp worden meegedeeld aan de schuldbemiddelaar]3. Bij ontstentenis van bezwaar onder die voorwaarden en binnen die termijn, worden de partijen geacht met de regeling in te stemmen.
Artikel 51 is niet van toepassing.
Het bericht gezonden naar de belanghebbende partijen neemt de tekst over van het tweede lid van deze paragraaf.
§ 5. Bij instemming [3 deelt de schuldbemiddelaar de minnelijke aanzuiveringsregeling, het verslag van zijn werkzaamheden en de dossierstukken aan de rechter mee]3.
De rechter doet uitspraak op stukken en neemt akte van het gesloten akkoord. Artikel 1043, tweede lid, is van toepassing.
[1 De minnelijke aanzuiveringsregeling begint te lopen op de datum van de beschikking van toelaatbaarheid. De rechter kan hiervan afwijken bij een met redenen omklede beslissing.]1
[1 § 6. Het ontwerp geeft de looptijd van de minnelijke aanzuiveringsregeling aan die niet langer mag zijn dan zeven jaar, tenzij de schuldenaar uitdrukkelijk en met opgave van redenen vraagt om de verlenging met het doel bepaalde elementen van zijn vermogen te beschermen en de eerbiediging van de menselijke waardigheid te verzekeren. De rechter beslist over deze aanvraag. In voorkomend geval neemt hij akte van het gesloten akkoord.]1
Hij raadpleegt onverwijld, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde nadere regels, de gegevens die op naam van de schuldenaar geregistreerd zijn in de Centrale voor kredieten aan particulieren van de Nationale Bank van België.) <W 2000-03-24/50, art. 26, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
§ 2. De schuldbemiddelaar stelt een ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling op dat de noodzakelijke maatregelen bevat voor de verwezenlijking van de in artikel 1675/3, derde lid, bedoelde doelstelling.
[1 § 2/1. In de minnelijke aanzuiveringsregeling wordt de gedetailleerde en [4 geactualiseerde]4 staat van de inkomsten en de beschikbare middelen van het gezin opgenomen. De bijlage bij het plan, dat enkel wordt bezorgd aan de rechter, bevat een gedetailleerde staat van de lasten en de tegoeden van de schuldenaar en, in voorkomend geval, van de lasten en tegoeden van zijn gezin.]1
[1 § 2/2. De minnelijke aanzuiveringsregeling bepaalt de manier waarop de schuldenaar de in artikel 1675/9, § 1, 4°, bedoelde informatie ontvangt.]1
§ 3. Alleen de niet betwiste schuldvorderingen of die welke bij een titel, zelfs een onderhandse, zijn vastgesteld, kunnen in het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling worden opgenomen ten belope van de aldus verantwoorde bedragen.
(§ 3bis. Iedere schuldeiser, hetzij overheid of particulier, kan een volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van schuld aan de verzoeker toestaan, en dit ongeacht de aard van de schuld.
In het bijzonder :
1° de ambtenaren die belast zijn met de inning van fiscale schuldvorderingen en aangesteld zijn door de bevoegde overheden worden gemachtigd om in het kader van een minnelijke aanzuiveringsregeling een volledige of gedeeltelijke kwijtschelding in hoofdsom en toebehoren van fiscale schulden te aanvaarden.
2° de organen die belast zijn met het innen van de bijdragen voor de sociale zekerheid en de instellingen die de sociale uitkeringen toekennen worden gemachtigd om in het kader van een minnelijke aanzuiveringsregeling een gedeeltelijke of volledige kwijtschelding van de bedragen die hen verschuldigd zijn te aanvaarden wanneer deze kwijtschelding is voorgesteld door de schuldbemiddelaar, voorzover voldaan is aan de voorwaarden die bedoeld worden in artikel 31bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
3° de sociale verzekeringskassen worden gemachtigd om, in het kader van een minnelijke aanzuiveringsregeling, een volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van schulden te aanvaarden die betrekking hebben op achterstallige sociale bijdragen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de procedure die de sociale verzekeringskassen moeten volgen.) <L 2005-12-13/35, art. 10, 2°, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 4. De schuldbemiddelaar [3 deelt het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling mee aan]3 de schuldenaar, in voorkomend geval diens echtgenoot [4 of wettelijk samenwonende]4, en de schuldeisers. (In het kader van die regeling ziet de schuldbemiddelaar toe op de prioritaire betaling van de schulden die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen.) <W 2005-12-13/35, art. 10, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
De regeling moet door alle belanghebbende partijen goedgekeurd worden. Ieder bezwaar moet [3 uiterlijk twee maanden na toezending van het ontwerp worden meegedeeld aan de schuldbemiddelaar]3. Bij ontstentenis van bezwaar onder die voorwaarden en binnen die termijn, worden de partijen geacht met de regeling in te stemmen.
Artikel 51 is niet van toepassing.
Het bericht gezonden naar de belanghebbende partijen neemt de tekst over van het tweede lid van deze paragraaf.
§ 5. Bij instemming [3 deelt de schuldbemiddelaar de minnelijke aanzuiveringsregeling, het verslag van zijn werkzaamheden en de dossierstukken aan de rechter mee]3.
De rechter doet uitspraak op stukken en neemt akte van het gesloten akkoord. Artikel 1043, tweede lid, is van toepassing.
[1 De minnelijke aanzuiveringsregeling begint te lopen op de datum van de beschikking van toelaatbaarheid. De rechter kan hiervan afwijken bij een met redenen omklede beslissing.]1
[1 § 6. Het ontwerp geeft de looptijd van de minnelijke aanzuiveringsregeling aan die niet langer mag zijn dan zeven jaar, tenzij de schuldenaar uitdrukkelijk en met opgave van redenen vraagt om de verlenging met het doel bepaalde elementen van zijn vermogen te beschermen en de eerbiediging van de menselijke waardigheid te verzekeren. De rechter beslist over deze aanvraag. In voorkomend geval neemt hij akte van het gesloten akkoord.]1
Art. 1675/10. § 1er. (Le médiateur de dettes prend connaissance conformément à l'article 1391, des avis de saisie, de délégation, de cession et de règlement collectif de dettes établis au nom du débiteur.
Il consulte sans délai, conformément aux modalités fixées par le Roi, les données enregistrées au nom du débiteur dans la Centrale des crédits aux particuliers de la Banque Nationale de Belgique.) <L 2000-05-29/36, art. 26, 035; En vigueur : 29-01-2011>
§ 2. Le médiateur de dettes dresse un projet de plan de règlement amiable contenant les mesures nécessaires à la réalisation de l'objectif visé à l'article 1675/3, alinéa 3.
[1 § 2/1. Le plan de règlement amiable reprend l'état détaillé et actualisé des revenus et des moyens disponibles du ménage. L'annexe au plan, qui est uniquement communiquée au juge, comporte un état détaillé des charges et avoirs du débiteur et, le cas échéant, des charges et avoirs de son ménage.]1
[1 § 2/2. Le plan de règlement amiable indique de quelle façon le débiteur reçoit les informations visées à l'article 1675/9, § 1er, 4°.]1
§ 3. Seules peuvent être reprises dans le plan de règlement amiable, les créances non contestées ou établies par un titre, même privé, à concurrence des sommes qui sont ainsi justifiées.
(§ 3bis. Tout créancier, public ou privé, peut accorder une remise de dette totale ou partielle au requérant et ce, quelle que soit la nature de la dette.
Notamment :
1° les fonctionnaires chargés de la perception des créances fiscales et désignés par les autorités compétentes sont autorisés à accepter, dans le cadre d'un plan de règlement amiable, une remise totale ou partielle de dettes fiscales en principal et accessoire;
2° les organismes de perception des cotisations sociales et les organismes octroyant des prestations sociales sont autorisés à accepter, dans le cadre d'un plan de règlement amiable, une remise totale ou partielle des montants qui leur sont dus lorsque cette remise est proposée par le médiateur de dettes, pour autant que les conditions visées à l'article 31bis de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés soient réunies;
3° les caisses d'assurances sociales sont autorisées à accepter, dans le cadre d'un plan de règlement amiable, une remise totale ou partielle de dettes relatives à des arriérés de cotisations sociales. Le Roi détermine les conditions et les modalités de la procédure à suivre par les caisses d'assurances sociales.) <L 2005-12-13/35, art. 10, 2°, 051; En vigueur : 01-01-2007>
§ 4. Le médiateur de dettes [3 communique]3 le projet de plan de règlement amiable par lettre recommandée à la poste [2 ...]2 au requérant, le cas échéant à son conjoint [4 ou son cohabitant légal]4, et aux créanciers. (Le médiateur veille, dans ce plan, au remboursement prioritaire des dettes qui mettent en péril le respect de la dignité humaine du requérant et de sa famille.) <L 2005-12-13/35, art. 10, 051; En vigueur : 31-12-2005>
Le plan doit être approuvé par toutes les parties intéressées. Tout contredit doit être [3 communiqué au]3 médiateur de dettes, dans les deux mois de l'envoi du projet. A défaut de contredit formé dans les conditions et délai précités, les parties sont présumées consentir au plan.
L'article 51 n'est pas d'application.
L'avis adressé aux parties intéressées reproduit le texte de l'alinéa 2 du présent paragraphe.
§ 5. En cas d'approbation, le médiateur de dettes [3 communique]3 au juge le plan de règlement amiable, le rapport de ses activités et les pièces du dossier.
Le juge statue sur pièces par une décision actant l'accord intervenu. L'article 1043, alinéa 2, est applicable.
[1 Le plan de règlement amiable prend cours à la date de la décision d'admissibilité. Le juge peut déroger à ce principe par décision motivée.]1
[1 § 6. Le projet indique la durée du plan de règlement amiable qui ne peut dépasser sept ans, à moins que le débiteur n'en sollicite la prolongation de manière expresse et motivée, en vue de sauvegarder certains éléments de son patrimoine et afin d'assurer le respect de la dignité humaine. Le juge statue sur cette demande. Le cas échéant, il prend acte de l'accord conclu.]1
Il consulte sans délai, conformément aux modalités fixées par le Roi, les données enregistrées au nom du débiteur dans la Centrale des crédits aux particuliers de la Banque Nationale de Belgique.) <L 2000-05-29/36, art. 26, 035; En vigueur : 29-01-2011>
§ 2. Le médiateur de dettes dresse un projet de plan de règlement amiable contenant les mesures nécessaires à la réalisation de l'objectif visé à l'article 1675/3, alinéa 3.
[1 § 2/1. Le plan de règlement amiable reprend l'état détaillé et actualisé des revenus et des moyens disponibles du ménage. L'annexe au plan, qui est uniquement communiquée au juge, comporte un état détaillé des charges et avoirs du débiteur et, le cas échéant, des charges et avoirs de son ménage.]1
[1 § 2/2. Le plan de règlement amiable indique de quelle façon le débiteur reçoit les informations visées à l'article 1675/9, § 1er, 4°.]1
§ 3. Seules peuvent être reprises dans le plan de règlement amiable, les créances non contestées ou établies par un titre, même privé, à concurrence des sommes qui sont ainsi justifiées.
(§ 3bis. Tout créancier, public ou privé, peut accorder une remise de dette totale ou partielle au requérant et ce, quelle que soit la nature de la dette.
Notamment :
1° les fonctionnaires chargés de la perception des créances fiscales et désignés par les autorités compétentes sont autorisés à accepter, dans le cadre d'un plan de règlement amiable, une remise totale ou partielle de dettes fiscales en principal et accessoire;
2° les organismes de perception des cotisations sociales et les organismes octroyant des prestations sociales sont autorisés à accepter, dans le cadre d'un plan de règlement amiable, une remise totale ou partielle des montants qui leur sont dus lorsque cette remise est proposée par le médiateur de dettes, pour autant que les conditions visées à l'article 31bis de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés soient réunies;
3° les caisses d'assurances sociales sont autorisées à accepter, dans le cadre d'un plan de règlement amiable, une remise totale ou partielle de dettes relatives à des arriérés de cotisations sociales. Le Roi détermine les conditions et les modalités de la procédure à suivre par les caisses d'assurances sociales.) <L 2005-12-13/35, art. 10, 2°, 051; En vigueur : 01-01-2007>
§ 4. Le médiateur de dettes [3 communique]3 le projet de plan de règlement amiable par lettre recommandée à la poste [2 ...]2 au requérant, le cas échéant à son conjoint [4 ou son cohabitant légal]4, et aux créanciers. (Le médiateur veille, dans ce plan, au remboursement prioritaire des dettes qui mettent en péril le respect de la dignité humaine du requérant et de sa famille.) <L 2005-12-13/35, art. 10, 051; En vigueur : 31-12-2005>
Le plan doit être approuvé par toutes les parties intéressées. Tout contredit doit être [3 communiqué au]3 médiateur de dettes, dans les deux mois de l'envoi du projet. A défaut de contredit formé dans les conditions et délai précités, les parties sont présumées consentir au plan.
L'article 51 n'est pas d'application.
L'avis adressé aux parties intéressées reproduit le texte de l'alinéa 2 du présent paragraphe.
§ 5. En cas d'approbation, le médiateur de dettes [3 communique]3 au juge le plan de règlement amiable, le rapport de ses activités et les pièces du dossier.
Le juge statue sur pièces par une décision actant l'accord intervenu. L'article 1043, alinéa 2, est applicable.
[1 Le plan de règlement amiable prend cours à la date de la décision d'admissibilité. Le juge peut déroger à ce principe par décision motivée.]1
[1 § 6. Le projet indique la durée du plan de règlement amiable qui ne peut dépasser sept ans, à moins que le débiteur n'en sollicite la prolongation de manière expresse et motivée, en vue de sauvegarder certains éléments de son patrimoine et afin d'assurer le respect de la dignité humaine. Le juge statue sur cette demande. Le cas échéant, il prend acte de l'accord conclu.]1
Afdeling 4. - Gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
Art. 1675/11. § 1er. Lorsque le médiateur constate qu'il n'est pas possible de conclure un accord sur un plan de règlement amiable et, en tout cas, lorsqu'il n'a pas été possible d'aboutir à un accord (dans les six mois) suivant sa désignation, il le consigne dans un procès-verbal qu'il [3 communique]3 au juge en vue d'un éventuel plan de règlement judiciaire.
Art. 1675/11. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. Wanneer de schuldbemiddelaar vaststelt dat geen overeenkomst over een minnelijke aanzuiveringsregeling kan worden bereikt en in ieder geval wanneer (binnen zes maanden) te rekenen van zijn aanwijzing geen overeenkomst kon worden bereikt, maakt hij een proces-verbaal in die zin op dat hij, met het oog op een eventuele gerechtelijke aanzuiveringsregeling, aan de rechter [3 meedeelt]3. <W 2005-12-13/35, art. 11, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
De schuldbemiddelaar legt het dossier van de procedure van minnelijke aanzuiveringsregeling, met toevoeging van zijn opmerkingen, ter griffie neer.
[2 In afwijking van artikel 51 kan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden slechts eenmaal worden verlengd met een maximumtermijn van zes maanden.]2
§ 2. De rechter bepaalt op een nabije datum een rechtsdag. De griffier roept de partijen en de schuldbemiddelaar op [1 [3 ...]3]1 . De schuldbemiddelaar brengt verslag uit. De rechter doet uitspraak uiterlijk vijftien dagen volgend op het sluiten van de debatten.
§ 3. Wanneer het bestaan of het bedrag van een schuldvordering betwist wordt, stelt de rechter, totdat daarover uitspraak zal zijn gedaan, voorlopig vast welk gedeelte van het betwist bedrag in consignatie moet worden gegeven, rekening ook gehouden, in voorkomend geval, met het dividend dat op grond van de aanzuiveringsregeling wordt toegewezen. In voorkomend geval, zijn de artikelen 661 en 662 van toepassing.
§ 4. In afwijking van de artikelen 2028 tot 2032 en 2039 van het Burgerlijk Wetboek, hebben de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld slechts verhaal op de schuldenaar in de mate dat zij deelnemen aan de aanzuiveringsregeling en mits eerbiediging ervan.
De schuldbemiddelaar legt het dossier van de procedure van minnelijke aanzuiveringsregeling, met toevoeging van zijn opmerkingen, ter griffie neer.
[2 In afwijking van artikel 51 kan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden slechts eenmaal worden verlengd met een maximumtermijn van zes maanden.]2
§ 2. De rechter bepaalt op een nabije datum een rechtsdag. De griffier roept de partijen en de schuldbemiddelaar op [1 [3 ...]3]1 . De schuldbemiddelaar brengt verslag uit. De rechter doet uitspraak uiterlijk vijftien dagen volgend op het sluiten van de debatten.
§ 3. Wanneer het bestaan of het bedrag van een schuldvordering betwist wordt, stelt de rechter, totdat daarover uitspraak zal zijn gedaan, voorlopig vast welk gedeelte van het betwist bedrag in consignatie moet worden gegeven, rekening ook gehouden, in voorkomend geval, met het dividend dat op grond van de aanzuiveringsregeling wordt toegewezen. In voorkomend geval, zijn de artikelen 661 en 662 van toepassing.
§ 4. In afwijking van de artikelen 2028 tot 2032 en 2039 van het Burgerlijk Wetboek, hebben de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld slechts verhaal op de schuldenaar in de mate dat zij deelnemen aan de aanzuiveringsregeling en mits eerbiediging ervan.
Art. 1675/12. § 1er. Tout en respectant l'égalité des créanciers. le juge peut imposer un plan de règlement judiciaire pouvant comporter les mesures suivantes :
1° le report ou le rééchelonnement du paiement des dettes en principal, intérêts et frais;
2° la réduction des taux d'intérêt conventionnels au taux d'intérêt légal;
3° (abroge) <L 2005-12-13/35, art. 12, 051; En vigueur : 31-12-2005>
4° la remise de dettes totale ou partielle des intérêts moratoires, indemnités et frais.
§ 2. Le jugement mentionne la durée du plan de règlement judiciaire qui ne peut excéder cinq ans. (L'article 51 n'est pas d'application, à moins que le débiteur n'en sollicite l'application de manière expresse et motivée, en vue de sauvegarder certains éléments de son patrimoine et afin d'assurer le respect de la dignité humaine du débiteur [2 et de sa famille]2. Le juge statue sur cette demande, par une décision spécialement motivée, le cas échéant dans la décision par laquelle il accorde le plan de règlement judiciaire.) <L 2005-12-13/35, art. 12, 051; En vigueur : 31-12-2005>
Le délai de remboursement des contrats de crédit peut être allongé. Dans ce cas, le nouveau délai de remboursement ne peut excéder la durée du plan de règlement, fixée par le juge, augmentée de la moitié de la durée restant à courir de ces contrats de crédit.
§ 3. Le juge subordonne ces mesures à l'accomplissement par le débiteur d'actes propres à faciliter ou à garantir le paiement de la dette. Il les subordonne également à l'abstention, par le débiteur, d'actes qui aggraveraient son insolvabilité.
§ 4. (Dans le respect de l'article 1675/3, alinéa 3, le juge peut, lorsqu'il établit le plan, déroger aux articles 1409 à 1412 par décision spécialement motivée, [1 mais les revenus dont dispose le requérant doivent toujours être supérieurs aux montants prévus à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, majorés de la somme des montants visés à l'article 1410, § 2, 1°]1.) <L 2005-12-13/35, art. 12, 051; En vigueur : 31-12-2005>
(§ 5. Le juge doit veiller au remboursement prioritaire des dettes qui mettent en péril le respect de la dignité humaine du requérant et de sa famille.) <L 2005-12-13/35, art. 12, 051; En vigueur : 31-12-2005>
1° le report ou le rééchelonnement du paiement des dettes en principal, intérêts et frais;
2° la réduction des taux d'intérêt conventionnels au taux d'intérêt légal;
3° (abroge) <L 2005-12-13/35, art. 12, 051; En vigueur : 31-12-2005>
4° la remise de dettes totale ou partielle des intérêts moratoires, indemnités et frais.
§ 2. Le jugement mentionne la durée du plan de règlement judiciaire qui ne peut excéder cinq ans. (L'article 51 n'est pas d'application, à moins que le débiteur n'en sollicite l'application de manière expresse et motivée, en vue de sauvegarder certains éléments de son patrimoine et afin d'assurer le respect de la dignité humaine du débiteur [2 et de sa famille]2. Le juge statue sur cette demande, par une décision spécialement motivée, le cas échéant dans la décision par laquelle il accorde le plan de règlement judiciaire.) <L 2005-12-13/35, art. 12, 051; En vigueur : 31-12-2005>
Le délai de remboursement des contrats de crédit peut être allongé. Dans ce cas, le nouveau délai de remboursement ne peut excéder la durée du plan de règlement, fixée par le juge, augmentée de la moitié de la durée restant à courir de ces contrats de crédit.
§ 3. Le juge subordonne ces mesures à l'accomplissement par le débiteur d'actes propres à faciliter ou à garantir le paiement de la dette. Il les subordonne également à l'abstention, par le débiteur, d'actes qui aggraveraient son insolvabilité.
§ 4. (Dans le respect de l'article 1675/3, alinéa 3, le juge peut, lorsqu'il établit le plan, déroger aux articles 1409 à 1412 par décision spécialement motivée, [1 mais les revenus dont dispose le requérant doivent toujours être supérieurs aux montants prévus à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, majorés de la somme des montants visés à l'article 1410, § 2, 1°]1.) <L 2005-12-13/35, art. 12, 051; En vigueur : 31-12-2005>
(§ 5. Le juge doit veiller au remboursement prioritaire des dettes qui mettent en péril le respect de la dignité humaine du requérant et de sa famille.) <L 2005-12-13/35, art. 12, 051; En vigueur : 31-12-2005>
Art. 1675/12. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De rechter, kan, mits eerbiediging van de gelijkheid onder schuldeisers, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen die de volgende maatregelen kan bevatten :
1° uitstel of herschikking van betaling van de schulden in hoofdsom, interesten en kosten;
2° vermindering van de conventionele rentevoet tot de wettelijke rentevoet;
3° (opgeheven) <W 2005-12-13/35, art. 12, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
4° gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire interesten, vergoedingen en kosten.
§ 2. Het vonnis geeft de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die de vijf jaar niet mag overschrijden. (Tenzij de schuldenaar uitdrukkelijk en met opgave van redenen om de toepassing ervan verzoekt, met het doel bepaalde elementen van zijn vermogen te beschermen, en de eerbiediging van de menselijke waardigheid van de schuldenaar [2 en zijn gezin]2 te verzekeren, is artikel 51 niet van toepassing. De rechter beslist over deze aanvraag, bij een bijzonder gemotiveerde beslissing, in voorkomend geval in het vonnis waarbij hij de gerechtelijke aanzuiveringsregeling toestaat.) <W 2005-12-13/35, art. 12, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
De terugbetalingstermijn van de kredietovereenkomsten kan worden verlengd. De verlengde terugbetalingstermijn van deze kredietovereenkomsten mag de duurtijd van de aanzuiveringsregeling, zoals vastgesteld door de rechter, vermeerderd met de helft van de resterende looptijd van deze kredietovereenkomsten niet overschrijden.
§ 3. De rechter maakt die maatregelen afhankelijk van de vervulling door de schuldenaar van passende handelingen om de betaling van de schuld te vergemakkelijken of te waarborgen. Hij maakt ze ook afhankelijk van het zich onthouden door de schuldenaar van daden die zijn onvermogen zouden doen toenemen.
§ 4. (Met inachtneming van artikel 1675/3, derde lid, kan de rechter, wanneer hij de regeling opstelt, bij bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot 1412, [1 waarbij de inkomsten waarover de verzoeker beschikt echter te allen tijde hoger moeten liggen dan de in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op de maatschappelijke integratie bedoelde bedragen, vermeerderd met de som van de in artikel 1410, § 2, 1°, bedoelde bedragen]1.) <W 2005-12-13/35, art. 12, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
(§ 5. De rechter moet toezien op de prioritaire betaling van de schulden die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen.) <W 2005-12-13/35, art. 12, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
1° uitstel of herschikking van betaling van de schulden in hoofdsom, interesten en kosten;
2° vermindering van de conventionele rentevoet tot de wettelijke rentevoet;
3° (opgeheven) <W 2005-12-13/35, art. 12, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
4° gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire interesten, vergoedingen en kosten.
§ 2. Het vonnis geeft de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die de vijf jaar niet mag overschrijden. (Tenzij de schuldenaar uitdrukkelijk en met opgave van redenen om de toepassing ervan verzoekt, met het doel bepaalde elementen van zijn vermogen te beschermen, en de eerbiediging van de menselijke waardigheid van de schuldenaar [2 en zijn gezin]2 te verzekeren, is artikel 51 niet van toepassing. De rechter beslist over deze aanvraag, bij een bijzonder gemotiveerde beslissing, in voorkomend geval in het vonnis waarbij hij de gerechtelijke aanzuiveringsregeling toestaat.) <W 2005-12-13/35, art. 12, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
De terugbetalingstermijn van de kredietovereenkomsten kan worden verlengd. De verlengde terugbetalingstermijn van deze kredietovereenkomsten mag de duurtijd van de aanzuiveringsregeling, zoals vastgesteld door de rechter, vermeerderd met de helft van de resterende looptijd van deze kredietovereenkomsten niet overschrijden.
§ 3. De rechter maakt die maatregelen afhankelijk van de vervulling door de schuldenaar van passende handelingen om de betaling van de schuld te vergemakkelijken of te waarborgen. Hij maakt ze ook afhankelijk van het zich onthouden door de schuldenaar van daden die zijn onvermogen zouden doen toenemen.
§ 4. (Met inachtneming van artikel 1675/3, derde lid, kan de rechter, wanneer hij de regeling opstelt, bij bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot 1412, [1 waarbij de inkomsten waarover de verzoeker beschikt echter te allen tijde hoger moeten liggen dan de in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op de maatschappelijke integratie bedoelde bedragen, vermeerderd met de som van de in artikel 1410, § 2, 1°, bedoelde bedragen]1.) <W 2005-12-13/35, art. 12, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
(§ 5. De rechter moet toezien op de prioritaire betaling van de schulden die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen.) <W 2005-12-13/35, art. 12, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
Art. 1675/13. § 1er. Si les mesures prévues à l'article 1675/12, § 1er, ne permettent pas d'atteindre l'objectif visé à l'article 1673/3, alinéa 3, à la demande du débiteur, le juge peut décider toute autre remise partielle de dettes, même en capital, aux conditions suivantes :
- tous les biens saisissables sont réalisés à l'initiative du médiateur de dettes (...). La répartition a lieu dans le respect de l'égalité des créanciers, sans préjudice des causes légitimes de préférence; <L 2005-12-13/35, art. 13, 051; En vigueur : 31-12-2005>
- après réalisation des biens saisissables, le solde restant dû par le débiteur fait l'objet d'un plan de règlement dans le respect de l'égalité des créanciers, sauf en ce qui concerne les obligations alimentaires en cours visées à l'article 1412, alinéa 1er.
Sans préjudice de l'article 1675/15, § 2, la remise de dettes n'est acquise que lorsque le débiteur aura respecté le plan de règlement imposé par le juge et sauf retour à meilleure fortune du débiteur avant la fin du plan de règlement judiciaire.
§ 2. Le jugement mentionne la durée du plan de règlement judiciaire qui est comprise entre trois et cinq ans. L'article 51 n'est pas d'application.
§ 3. Le juge ne peut accorder de remise pour les dettes suivantes :
- les dettes alimentaires [1 ...]1;
- les dettes constituées d'indemnités accordées pour la réparation d'un préjudice corporel, causé par une infraction;
- les dettes d'un failli subsistant après la clôture de la faillite.
§ 4. Par dérogation au paragraphe précédent, le juge peut accorder la remise pour les dettes d'un failli, subsistant après une faillite dont la clôture a été prononcée en application de la loi du 18 avril 1851 sur les faillites, banqueroutes et sursis de paiement (...). Cette remise ne peut être accordée au failli qui a été condamné pour banqueroute simple ou frauduleuse. <L 2002-04-19/39, art. 5, 040; En vigueur : 17-06-2002>
§ 5. (Dans le respect de l'article 1675/3, alinéa 3, le juge peut, lorsqu'il établit le plan, déroger aux articles 1409 à 1412 par décision spécialement motivée, sans que les revenus dont dispose le requérant puissent être inférieurs aux montants prévus à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.) <L 2005-12-13/35, art. 13, 051; En vigueur : 31-12-2005>
(§ 6. Lorsqu'il établit le plan, le juge doit veiller au remboursement prioritaire des dettes qui mettent en péril le respect de la dignité humaine du requérant et de sa famille.) <L 2005-12-13/35, art. 13, 051; En vigueur : 31-12-2005>
- tous les biens saisissables sont réalisés à l'initiative du médiateur de dettes (...). La répartition a lieu dans le respect de l'égalité des créanciers, sans préjudice des causes légitimes de préférence; <L 2005-12-13/35, art. 13, 051; En vigueur : 31-12-2005>
- après réalisation des biens saisissables, le solde restant dû par le débiteur fait l'objet d'un plan de règlement dans le respect de l'égalité des créanciers, sauf en ce qui concerne les obligations alimentaires en cours visées à l'article 1412, alinéa 1er.
Sans préjudice de l'article 1675/15, § 2, la remise de dettes n'est acquise que lorsque le débiteur aura respecté le plan de règlement imposé par le juge et sauf retour à meilleure fortune du débiteur avant la fin du plan de règlement judiciaire.
§ 2. Le jugement mentionne la durée du plan de règlement judiciaire qui est comprise entre trois et cinq ans. L'article 51 n'est pas d'application.
§ 3. Le juge ne peut accorder de remise pour les dettes suivantes :
- les dettes alimentaires [1 ...]1;
- les dettes constituées d'indemnités accordées pour la réparation d'un préjudice corporel, causé par une infraction;
- les dettes d'un failli subsistant après la clôture de la faillite.
§ 4. Par dérogation au paragraphe précédent, le juge peut accorder la remise pour les dettes d'un failli, subsistant après une faillite dont la clôture a été prononcée en application de la loi du 18 avril 1851 sur les faillites, banqueroutes et sursis de paiement (...). Cette remise ne peut être accordée au failli qui a été condamné pour banqueroute simple ou frauduleuse. <L 2002-04-19/39, art. 5, 040; En vigueur : 17-06-2002>
§ 5. (Dans le respect de l'article 1675/3, alinéa 3, le juge peut, lorsqu'il établit le plan, déroger aux articles 1409 à 1412 par décision spécialement motivée, sans que les revenus dont dispose le requérant puissent être inférieurs aux montants prévus à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.) <L 2005-12-13/35, art. 13, 051; En vigueur : 31-12-2005>
(§ 6. Lorsqu'il établit le plan, le juge doit veiller au remboursement prioritaire des dettes qui mettent en péril le respect de la dignité humaine du requérant et de sa famille.) <L 2005-12-13/35, art. 13, 051; En vigueur : 31-12-2005>
Änderungen
Art. 1675/13. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. Indien de maatregelen voorzien in artikel 1675/12, § 1, niet volstaan om de in artikel 1675/3, derde lid, genoemde doelstelling te bereiken, kan de rechter, op vraag van de schuldenaar, besluiten tot elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal onder de volgende voorwaarden :
- alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde gemaakt op initiatief van de schuldbemiddelaar (...). De verdeling heeft plaats met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers onverminderd de wettige redenen van voorrang; <W 2005-12-13/35, art. 13, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
- na de tegeldemaking van de voor beslag vatbare goederen maakt het saldo, nog verschuldigd door de schuldenaar, het voorwerp uit van een aanzuiveringsregeling met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers, behalve wat de lopende onderhoudsverplichtingen betreft, bedoeld in artikel 1412, eerste lid.
Onverminderd artikel 1675/15, § 2, kan de kwijtschelding van schulden maar verkregen worden als de schuldenaar de door de rechter opgelegde aanzuiveringsregeling heeft nageleefd, en behoudens terugkeer van de schuldenaar tot beter fortuin vóór het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
§ 2. Het vonnis duidt de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die ligt tussen drie en vijf jaar. Artikel 51 is niet van toepassing.
§ 3. De rechter kan geen kwijtschelding verlenen voor volgende schulden :
- de onderhoudsgelden [1 ...]1;
- de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf;
- de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van het faillissement.
§ 4. In afwijking van de voorgaande paragraaf kan de rechter kwijtschelding verlenen voor de schulden van een gefailleerde die overblijven na een faillissement waarvan de sluiting is uitgesproken met toepassing van de wet van 18 april 1851 op het faillissement, de bankbreuk en de opschorting van betaling (...). Deze kwijtschelding kan niet worden verleend aan de gefailleerde die veroordeeld werd wegens eenvoudige of bedrieglijke bankbreuk. <W 2002-04-19/39, art. 5, 040; Inwerkingtreding : 17-06-2002>
§ 5. (Met inachtneming van artikel 1675/3, derde lid, kan de rechter wanneer hij de regeling opstelt, bij bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot 1412, zonder dat de inkomsten waarover de verzoeker beschikt minder kunnen bedragen dan de bedragen bedoeld in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.) <W 2005-12-13/35, art. 13, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
(§ 6. Wanneer de rechter de regeling opstelt, moet hij toezien op de prioritaire betaling van de schulden, die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen.) <W 2005-12-13/35, art. 13, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
- alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde gemaakt op initiatief van de schuldbemiddelaar (...). De verdeling heeft plaats met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers onverminderd de wettige redenen van voorrang; <W 2005-12-13/35, art. 13, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
- na de tegeldemaking van de voor beslag vatbare goederen maakt het saldo, nog verschuldigd door de schuldenaar, het voorwerp uit van een aanzuiveringsregeling met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers, behalve wat de lopende onderhoudsverplichtingen betreft, bedoeld in artikel 1412, eerste lid.
Onverminderd artikel 1675/15, § 2, kan de kwijtschelding van schulden maar verkregen worden als de schuldenaar de door de rechter opgelegde aanzuiveringsregeling heeft nageleefd, en behoudens terugkeer van de schuldenaar tot beter fortuin vóór het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
§ 2. Het vonnis duidt de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die ligt tussen drie en vijf jaar. Artikel 51 is niet van toepassing.
§ 3. De rechter kan geen kwijtschelding verlenen voor volgende schulden :
- de onderhoudsgelden [1 ...]1;
- de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf;
- de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van het faillissement.
§ 4. In afwijking van de voorgaande paragraaf kan de rechter kwijtschelding verlenen voor de schulden van een gefailleerde die overblijven na een faillissement waarvan de sluiting is uitgesproken met toepassing van de wet van 18 april 1851 op het faillissement, de bankbreuk en de opschorting van betaling (...). Deze kwijtschelding kan niet worden verleend aan de gefailleerde die veroordeeld werd wegens eenvoudige of bedrieglijke bankbreuk. <W 2002-04-19/39, art. 5, 040; Inwerkingtreding : 17-06-2002>
§ 5. (Met inachtneming van artikel 1675/3, derde lid, kan de rechter wanneer hij de regeling opstelt, bij bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot 1412, zonder dat de inkomsten waarover de verzoeker beschikt minder kunnen bedragen dan de bedragen bedoeld in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.) <W 2005-12-13/35, art. 13, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
(§ 6. Wanneer de rechter de regeling opstelt, moet hij toezien op de prioritaire betaling van de schulden, die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen.) <W 2005-12-13/35, art. 13, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
Art. 1675/13. § 1er. Si les mesures prévues à l'article 1675/12, § 1er, ne permettent pas d'atteindre l'objectif visé à l'article 1673/3, alinéa 3, à la demande du débiteur, le juge peut décider toute autre remise partielle de dettes, même en capital, aux conditions suivantes :
- tous les biens saisissables sont réalisés à l'initiative du médiateur de dettes (...). La répartition a lieu dans le respect de l'égalité des créanciers, sans préjudice des causes légitimes de préférence; <L 2005-12-13/35, art. 13, 051; En vigueur : 31-12-2005>
- après réalisation des biens saisissables, le solde restant dû par le débiteur fait l'objet d'un plan de règlement dans le respect de l'égalité des créanciers, sauf en ce qui concerne les obligations alimentaires en cours visées à l'article 1412, alinéa 1er.
Sans préjudice de l'article 1675/15, § 2, la remise de dettes n'est acquise que lorsque le débiteur aura respecté le plan de règlement imposé par le juge et sauf retour à meilleure fortune du débiteur avant la fin du plan de règlement judiciaire.
§ 2. Le jugement mentionne la durée du plan de règlement judiciaire qui est comprise entre trois et cinq ans. L'article 51 n'est pas d'application.
§ 3. Le juge ne peut accorder de remise pour les dettes suivantes :
- les dettes alimentaires [1 ...]1;
- les dettes constituées d'indemnités accordées pour la réparation d'un préjudice corporel, causé par une infraction;
- les dettes d'un failli subsistant après la clôture de la faillite.
§ 4. Par dérogation au paragraphe précédent, le juge peut accorder la remise pour les dettes d'un failli, subsistant après une faillite dont la clôture a été prononcée en application de la loi du 18 avril 1851 sur les faillites, banqueroutes et sursis de paiement (...). Cette remise ne peut être accordée au failli qui a été condamné pour banqueroute simple ou frauduleuse. <L 2002-04-19/39, art. 5, 040; En vigueur : 17-06-2002>
§ 5. (Dans le respect de l'article 1675/3, alinéa 3, le juge peut, lorsqu'il établit le plan, déroger aux articles 1409 à 1412 par décision spécialement motivée, sans que les revenus dont dispose le requérant puissent être inférieurs aux montants prévus à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.) <L 2005-12-13/35, art. 13, 051; En vigueur : 31-12-2005>
(§ 6. Lorsqu'il établit le plan, le juge doit veiller au remboursement prioritaire des dettes qui mettent en péril le respect de la dignité humaine du requérant et de sa famille.) <L 2005-12-13/35, art. 13, 051; En vigueur : 31-12-2005>
- tous les biens saisissables sont réalisés à l'initiative du médiateur de dettes (...). La répartition a lieu dans le respect de l'égalité des créanciers, sans préjudice des causes légitimes de préférence; <L 2005-12-13/35, art. 13, 051; En vigueur : 31-12-2005>
- après réalisation des biens saisissables, le solde restant dû par le débiteur fait l'objet d'un plan de règlement dans le respect de l'égalité des créanciers, sauf en ce qui concerne les obligations alimentaires en cours visées à l'article 1412, alinéa 1er.
Sans préjudice de l'article 1675/15, § 2, la remise de dettes n'est acquise que lorsque le débiteur aura respecté le plan de règlement imposé par le juge et sauf retour à meilleure fortune du débiteur avant la fin du plan de règlement judiciaire.
§ 2. Le jugement mentionne la durée du plan de règlement judiciaire qui est comprise entre trois et cinq ans. L'article 51 n'est pas d'application.
§ 3. Le juge ne peut accorder de remise pour les dettes suivantes :
- les dettes alimentaires [1 ...]1;
- les dettes constituées d'indemnités accordées pour la réparation d'un préjudice corporel, causé par une infraction;
- les dettes d'un failli subsistant après la clôture de la faillite.
§ 4. Par dérogation au paragraphe précédent, le juge peut accorder la remise pour les dettes d'un failli, subsistant après une faillite dont la clôture a été prononcée en application de la loi du 18 avril 1851 sur les faillites, banqueroutes et sursis de paiement (...). Cette remise ne peut être accordée au failli qui a été condamné pour banqueroute simple ou frauduleuse. <L 2002-04-19/39, art. 5, 040; En vigueur : 17-06-2002>
§ 5. (Dans le respect de l'article 1675/3, alinéa 3, le juge peut, lorsqu'il établit le plan, déroger aux articles 1409 à 1412 par décision spécialement motivée, sans que les revenus dont dispose le requérant puissent être inférieurs aux montants prévus à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.) <L 2005-12-13/35, art. 13, 051; En vigueur : 31-12-2005>
(§ 6. Lorsqu'il établit le plan, le juge doit veiller au remboursement prioritaire des dettes qui mettent en péril le respect de la dignité humaine du requérant et de sa famille.) <L 2005-12-13/35, art. 13, 051; En vigueur : 31-12-2005>
Änderungen
Afdeling 4bis. - De totale kwijtschelding van de schulden.
Art. 1675/13bis. § 1er. S'il apparaît qu'aucun plan amiable ou judiciaire n'est possible en raison de l'insuffisance des ressources du requérant, le médiateur consigne cette constatation dans le procès-verbal visé à l'article 1675/11, § 1er, avec une proposition motivée justifiant l'octroi d'une remise totale des dettes et les éventuelles mesures dont elle devrait, à son estime, être accompagnée.
Art. 1675/13bis. <INGEVOEGD bij W 2005-12-13/35, art. 14; Inwerkingtreding : 31-12-2005> § 1. Als blijkt dat geen enkele minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling mogelijk is omdat de verzoeker over onvoldoende middelen beschikt, neemt de bemiddelaar deze vaststelling op in het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde procesverbaal, met een met redenen omkleed voorstel dat de toekenning van een totale kwijtschelding van de schulden en de eventuele maatregelen die er naar zijn mening mee gepaard moeten gaan, rechtvaardigt.
§ 2. De rechter kan in dergelijk geval de totale kwijtschelding van de schulden toestaan zonder aanzuiveringsregeling en onverminderd de toepassing van artikel 1675/13, § 1, eerste lid, eerste streepje, 3 en 4.
§ 3. Deze beslissing kan gepaard gaan met begeleidingsmaatregelen, waarvan de duur vijf jaar niet mag overschrijden.
Artikel 51 is niet van toepassing.
§ 4. De kwijtschelding van de schulden is verworven, behoudens terugkeer tot beter fortuin binnen vijf jaar die volgen op de beslissing.
§ 5. De beslissing kan gedurende vijf jaar herroepen worden onder de in artikel 1675/15 bedoelde voorwaarden.
§ 2. De rechter kan in dergelijk geval de totale kwijtschelding van de schulden toestaan zonder aanzuiveringsregeling en onverminderd de toepassing van artikel 1675/13, § 1, eerste lid, eerste streepje, 3 en 4.
§ 3. Deze beslissing kan gepaard gaan met begeleidingsmaatregelen, waarvan de duur vijf jaar niet mag overschrijden.
Artikel 51 is niet van toepassing.
§ 4. De kwijtschelding van de schulden is verworven, behoudens terugkeer tot beter fortuin binnen vijf jaar die volgen op de beslissing.
§ 5. De beslissing kan gedurende vijf jaar herroepen worden onder de in artikel 1675/15 bedoelde voorwaarden.
Art. 1675/13bis. § 1er. S'il apparaît qu'aucun plan amiable ou judiciaire n'est possible en raison de l'insuffisance des ressources du requérant, le médiateur consigne cette constatation dans le procès-verbal visé à l'article 1675/11, § 1er, avec une proposition motivée justifiant l'octroi d'une remise totale des dettes et les éventuelles mesures dont elle devrait, à son estime, être accompagnée.
§ 2. Le juge peut, en pareil cas, accorder la remise totale des dettes sans plan de règlement et sans préjudice de l'application de l'article 1675/13, § 1er, alinéa 1er, premier tiret, 3 et 4.
§ 3. Cette décision peut être assortie de mesures d'accompagnement, dont la durée ne peut être supérieure à cinq ans.
L'article 51 n'est pas d'application.
§ 4. La remise de dettes est acquise, sauf retour à meilleure fortune dans les cinq années qui suivent la décision.
§ 5. La décision peut être révoquée pendant cinq ans, dans les conditions visées à l'article 1675/15.
§ 2. Le juge peut, en pareil cas, accorder la remise totale des dettes sans plan de règlement et sans préjudice de l'application de l'article 1675/13, § 1er, alinéa 1er, premier tiret, 3 et 4.
§ 3. Cette décision peut être assortie de mesures d'accompagnement, dont la durée ne peut être supérieure à cinq ans.
L'article 51 n'est pas d'application.
§ 4. La remise de dettes est acquise, sauf retour à meilleure fortune dans les cinq années qui suivent la décision.
§ 5. La décision peut être révoquée pendant cinq ans, dans les conditions visées à l'article 1675/15.
Afdeling 5. - Bepalingen gemeenschappelijk aan beide procedures.
Art. 1675/13ter. [1 Le médiateur de dettes répond du paiement du pécule dans les délais, aux dates convenues avec le requérant ou fixées dans le règlement amiable ou judiciaire.]1
Art. 1675/13ter. [1 De schuldbemiddelaar staat in voor een tijdige uitbetaling van het leefgeld, op de data die werden overeengekomen met de verzoeker of die werden bepaald in de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling.]1
Art. 1675/14. § 1er. Le médiateur de dettes est chargé de suivre et de contrôler l'exécution des mesures prévues dans le plan de règlement amiable ou judiciaire.
Le débiteur [3 communique sans délai au médiateur de dettes]3 tout changement intervenu dans sa situation patrimoniale après l'introduction de la requête visée à l'article 1675/4.
§ 2. La cause reste inscrite au rôle (du tribunal du travail), y compris en cas de décision d'admissibilité rendue en degré d'appel, jusqu'au terme ou la révocation du plan. <L 2005-12-13/35, art. 15, 051; En vigueur : 31-12-2005>
L'article 730, § 2, a, alinéa 1er, n'est pas d'application.
(Si des difficultés entravent l'élaboration ou l'exécution du plan ou si des faits nouveaux surviennent dans la phase d'établissement du plan ou justifient l'adaptation ou la révision du plan, le médiateur de dettes, l'auditeur du travail, le débiteur ou tout créancier intéressé fait ramener la cause devant le juge par simple déclaration écrite déposée ou [3 communiquée]3 au greffe.) <L 2005-12-13/35, art. 15, 051; En vigueur : 31-12-2005>
[3 Le greffier notifie au débiteur et aux créanciers la date à laquelle la cause sera fixée devant le juge.]3
§ 3. (Le médiateur de dettes fait mentionner [2 dans les trois jours]2 sur l'avis de règlement collectif de dettes les mentions visées à l'article 1390quater, § 2.) <L 2000-05-29/36, art. 27, 035; En vigueur : 29-01-2011>
Le débiteur [3 communique sans délai au médiateur de dettes]3 tout changement intervenu dans sa situation patrimoniale après l'introduction de la requête visée à l'article 1675/4.
§ 2. La cause reste inscrite au rôle (du tribunal du travail), y compris en cas de décision d'admissibilité rendue en degré d'appel, jusqu'au terme ou la révocation du plan. <L 2005-12-13/35, art. 15, 051; En vigueur : 31-12-2005>
L'article 730, § 2, a, alinéa 1er, n'est pas d'application.
(Si des difficultés entravent l'élaboration ou l'exécution du plan ou si des faits nouveaux surviennent dans la phase d'établissement du plan ou justifient l'adaptation ou la révision du plan, le médiateur de dettes, l'auditeur du travail, le débiteur ou tout créancier intéressé fait ramener la cause devant le juge par simple déclaration écrite déposée ou [3 communiquée]3 au greffe.) <L 2005-12-13/35, art. 15, 051; En vigueur : 31-12-2005>
[3 Le greffier notifie au débiteur et aux créanciers la date à laquelle la cause sera fixée devant le juge.]3
§ 3. (Le médiateur de dettes fait mentionner [2 dans les trois jours]2 sur l'avis de règlement collectif de dettes les mentions visées à l'article 1390quater, § 2.) <L 2000-05-29/36, art. 27, 035; En vigueur : 29-01-2011>
Art. 1675/14. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De schuldbemiddelaar wordt belast met de opvolging en de controle van de in de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling bepaalde maatregelen.
De schuldenaar [3 deelt onverwijld iedere wijziging van zijn vermogenstoestand die optrad na de indiening van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4 mee aan de schuldbemiddelaar]3.
§ 2. De zaak blijft ingeschreven op de rol (van de arbeidsrechtbank), ook in geval van beschikking van toelaatbaarheid in hoger beroep, tot het einde of de herroeping van de regeling. <W 2005-12-13/35, art. 15, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
Artikel 730, § 2, a, eerste lid, is niet van toepassing.
(Bij moeilijkheden die de uitwerking of de uitvoering van de regeling belemmeren of wanneer nieuwe feiten zich voordoen terwijl de regeling opgesteld wordt of die feiten de aanpassing of de herziening van de regeling rechtvaardigen, laat de schuldbemiddelaar, de arbeidsauditeur, de schuldenaar of elke belanghebbende schuldeiser, door een eenvoudige schriftelijke verklaring, die ter griffie neergelegd wordt of aan de griffie [3 meegedeeld]3 wordt, de zaak opnieuw voor de rechter brengen.) <W 2005-12-13/35, art. 15, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
[3 De griffier geeft kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt aan de schuldenaar en de schuldeisers.]3
§ 3. (De schuldbemiddelaar doet [2 binnen drie dagen]2 op het bericht van collectieve schuldenregeling de vermeldingen aanbrengen als bedoeld in artikel 1390quater, § 2.) <W 2000-05-29/36, art. 27, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
De schuldenaar [3 deelt onverwijld iedere wijziging van zijn vermogenstoestand die optrad na de indiening van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4 mee aan de schuldbemiddelaar]3.
§ 2. De zaak blijft ingeschreven op de rol (van de arbeidsrechtbank), ook in geval van beschikking van toelaatbaarheid in hoger beroep, tot het einde of de herroeping van de regeling. <W 2005-12-13/35, art. 15, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
Artikel 730, § 2, a, eerste lid, is niet van toepassing.
(Bij moeilijkheden die de uitwerking of de uitvoering van de regeling belemmeren of wanneer nieuwe feiten zich voordoen terwijl de regeling opgesteld wordt of die feiten de aanpassing of de herziening van de regeling rechtvaardigen, laat de schuldbemiddelaar, de arbeidsauditeur, de schuldenaar of elke belanghebbende schuldeiser, door een eenvoudige schriftelijke verklaring, die ter griffie neergelegd wordt of aan de griffie [3 meegedeeld]3 wordt, de zaak opnieuw voor de rechter brengen.) <W 2005-12-13/35, art. 15, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
[3 De griffier geeft kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt aan de schuldenaar en de schuldeisers.]3
§ 3. (De schuldbemiddelaar doet [2 binnen drie dagen]2 op het bericht van collectieve schuldenregeling de vermeldingen aanbrengen als bedoeld in artikel 1390quater, § 2.) <W 2000-05-29/36, art. 27, 035; Inwerkingtreding : 29-01-2011>
Art. 1675/14bis. [1 § 1er. Lorsqu'au cours de l'élaboration ou de l'exécution du plan, des biens meubles ou immeubles doivent être réalisés, sur la base de l'article 1675/7, § 3, ou sur la base du plan de règlement amiable ou judiciaire, la vente, publique ou de gré à gré, a lieu conformément aux règles de l'exécution forcée sans signification préalable d'un commandement ou d'une saisie. En cas de vente publique immobilière, celle-ci a lieu conformément aux articles 1580, 1582 et suivants. En cas de vente de gré à gré, elle a lieu conformément à l'article 1580bis ou 1580ter.
§ 2. Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété au débiteur et à d'autres personnes, le tribunal du travail peut, sur demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire, ordonner la vente des immeubles indivis. Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages]2, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2 ainsi que les autres copropriétaires doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience. Il en est de même du débiteur en cas de plan de règlement judiciaire. En ce cas, la vente se fait à la requête du médiateur de dettes seul.
En cas d'accord de tous les copropriétaires quant à la vente de l'immeuble indivis, le tribunal du travail peut autoriser celle-ci, sur demande conjointe du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire et des autres copropriétaires, après avoir appelé les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages]2 ainsi que les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2 doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours à l'avance. Il en est de même du débiteur en cas de plan de règlement judiciaire.
§ 3. Dans tous les cas, l'ordonnance mentionne l'identité des créanciers et des copropriétaires dûment appelés à la procédure.]1
§ 2. Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété au débiteur et à d'autres personnes, le tribunal du travail peut, sur demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire, ordonner la vente des immeubles indivis. Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages]2, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2 ainsi que les autres copropriétaires doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience. Il en est de même du débiteur en cas de plan de règlement judiciaire. En ce cas, la vente se fait à la requête du médiateur de dettes seul.
En cas d'accord de tous les copropriétaires quant à la vente de l'immeuble indivis, le tribunal du travail peut autoriser celle-ci, sur demande conjointe du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire et des autres copropriétaires, après avoir appelé les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages]2 ainsi que les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2 doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours à l'avance. Il en est de même du débiteur en cas de plan de règlement judiciaire.
§ 3. Dans tous les cas, l'ordonnance mentionne l'identité des créanciers et des copropriétaires dûment appelés à la procédure.]1
Art. 1675/14bis. [1 § 1. Wanneer tijdens de uitwerking of de uitvoering van de regeling roerende of onroerende goederen te gelde moeten worden gemaakt, hetzij op grond van artikel 1675/7, § 3, hetzij op grond van de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling, heeft de verkoop, die openbaar of uit de hand gebeurt, plaats overeenkomstig de regels van de gedwongen uitvoering, zonder voorafgaande betekening van een bevelschrift of beslag. In geval van openbare verkoop van onroerende goederen, vindt deze plaats overeenkomstig de artikelen 1580, 1582 en volgende. In geval van verkoop uit de hand, vindt deze plaats overeenkomstig artikel 1580bis of 1580ter.
§ 2. [2 Wanneer onroerende goederen in mede-eigendom toebehoren aan de schuldenaar en aan andere personen, dan kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, de verkoop van de onverdeelde onroerende goederen bevelen. De ingeschreven hypothecaire [3 schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers]3, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven [3 en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden]3, alsook de andere mede-eigenaars dienen ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief bij de machtigingsprocedure te worden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsprocedure. In dat geval geschiedt de verkoop op verzoek van de schuldbemiddelaar alleen.
In geval van akkoord van alle mede-eigenaars aangaande de verkoop van het onverdeeld onroerend goed, kan de arbeidsrechtbank de verkoop machtigen, op gezamenlijk verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en de andere mede-eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire [3 schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers]3 evenals de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven [3 en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden]3, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de machtigingsprocedure werden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsregeling.]2
§ 3. De beschikking vermeldt steeds de identiteit van de schuldeisers en mede-eigenaars die bij de procedure behoorlijk zijn opgeroepen.]1
§ 2. [2 Wanneer onroerende goederen in mede-eigendom toebehoren aan de schuldenaar en aan andere personen, dan kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, de verkoop van de onverdeelde onroerende goederen bevelen. De ingeschreven hypothecaire [3 schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers]3, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven [3 en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden]3, alsook de andere mede-eigenaars dienen ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief bij de machtigingsprocedure te worden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsprocedure. In dat geval geschiedt de verkoop op verzoek van de schuldbemiddelaar alleen.
In geval van akkoord van alle mede-eigenaars aangaande de verkoop van het onverdeeld onroerend goed, kan de arbeidsrechtbank de verkoop machtigen, op gezamenlijk verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en de andere mede-eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire [3 schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers]3 evenals de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven [3 en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden]3, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de machtigingsprocedure werden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsregeling.]2
§ 3. De beschikking vermeldt steeds de identiteit van de schuldeisers en mede-eigenaars die bij de procedure behoorlijk zijn opgeroepen.]1
Art. 1675/14bis. [1 § 1er. Lorsqu'au cours de l'élaboration ou de l'exécution du plan, des biens meubles ou immeubles doivent être réalisés, sur la base de l'article 1675/7, § 3, ou sur la base du plan de règlement amiable ou judiciaire, la vente, publique ou de gré à gré, a lieu conformément aux règles de l'exécution forcée sans signification préalable d'un commandement ou d'une saisie. En cas de vente publique immobilière, celle-ci a lieu conformément aux articles 1580, 1582 et suivants. En cas de vente de gré à gré, elle a lieu conformément à l'article 1580bis ou 1580ter.
§ 2. Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété au débiteur et à d'autres personnes, le tribunal du travail peut, sur demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire, ordonner la vente des immeubles indivis. Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages]2, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2 ainsi que les autres copropriétaires doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience. Il en est de même du débiteur en cas de plan de règlement judiciaire. En ce cas, la vente se fait à la requête du médiateur de dettes seul.
En cas d'accord de tous les copropriétaires quant à la vente de l'immeuble indivis, le tribunal du travail peut autoriser celle-ci, sur demande conjointe du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire et des autres copropriétaires, après avoir appelé les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages]2 ainsi que les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2 doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours à l'avance. Il en est de même du débiteur en cas de plan de règlement judiciaire.
§ 3. Dans tous les cas, l'ordonnance mentionne l'identité des créanciers et des copropriétaires dûment appelés à la procédure.]1
§ 2. Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété au débiteur et à d'autres personnes, le tribunal du travail peut, sur demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire, ordonner la vente des immeubles indivis. Les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages]2, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2 ainsi que les autres copropriétaires doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience. Il en est de même du débiteur en cas de plan de règlement judiciaire. En ce cas, la vente se fait à la requête du médiateur de dettes seul.
En cas d'accord de tous les copropriétaires quant à la vente de l'immeuble indivis, le tribunal du travail peut autoriser celle-ci, sur demande conjointe du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d'un plan de règlement judiciaire et des autres copropriétaires, après avoir appelé les créanciers hypothécaires [2 inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages]2 ainsi que les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie [2 et ceux qui ont fait mention en marge d'une action intentée sur la base de l'article 5.243 du Code civil]2 doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours à l'avance. Il en est de même du débiteur en cas de plan de règlement judiciaire.
§ 3. Dans tous les cas, l'ordonnance mentionne l'identité des créanciers et des copropriétaires dûment appelés à la procédure.]1
Art. 1675/15. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of van de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan worden uitgesproken door de rechter, aan wie de zaak, door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie [3 meegedeeld]3, opnieuw wordt voorgelegd, op verzoek van de schuldbemiddelaar of van een belanghebbende schuldeiser wanneer de schuldenaar :
1° hetzij onjuiste stukken heeft afgegeven met de bedoeling aanspraak te maken op de procedure van gezamenlijke schuldenregeling of deze te behouden;
2° (hetzij zijn verplichtingen niet nakomt, zonder dat zich nieuwe feiten voordoen die de aanpassing of herziening van de regeling rechtvaardigen.) <W 2005-12-13/35, art. 17, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
3° hetzij onrechtmatig zijn lasten heeft verhoogd of zijn baten heeft verminderd;
4° hetzij zijn onvermogen heeft bewerkt;
5° hetzij bewust valse verklaringen heeft afgelegd.
[3 De griffier geeft kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt aan de schuldenaar en de schuldeisers.]3
[2 § 1/1. Het einde van de minnelijke of de gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan worden uitgesproken door de rechter aan wie de zaak op verzoek van de schuldenaar opnieuw wordt voorgelegd, door een eenvoudige schriftelijke verklaring die wordt neergelegd ter griffie of [3 meegedeeld]3 aan de griffie.]2
§ 2. Elke schuldeiser kan vanaf het einde van de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling die een kwijtschelding van schulden in hoofdsom inhoudt, gedurende een periode van vijf jaar [3 een verzoek tot herroeping van de regeling meedelen]3 omwille van een bedrieglijke handeling in zijn nadeel gesteld door de schuldenaar.
[2 § 2/1. In geval van herroeping overeenkomstig § 1, of in het geval dat de collectieve schuldenregeling wordt beëindigd overeenkomstig § 1/1, beslist de rechter gelijktijdig over de verdeling en de bestemming van de bedragen die beschikbaar zijn op de bemiddelingsrekening.]2
§ 3. In geval van herroeping [2 of in het geval dat de collectieve schuldenregeling wordt beëindigd]2 [2 en onverminderd § 2/1]2 herwinnen de schuldeisers individueel het recht hun vordering uit te oefenen op de goederen van de schuldenaar voor de inning van het niet betaalde deel van hun schuldvorderingen.
1° hetzij onjuiste stukken heeft afgegeven met de bedoeling aanspraak te maken op de procedure van gezamenlijke schuldenregeling of deze te behouden;
2° (hetzij zijn verplichtingen niet nakomt, zonder dat zich nieuwe feiten voordoen die de aanpassing of herziening van de regeling rechtvaardigen.) <W 2005-12-13/35, art. 17, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
3° hetzij onrechtmatig zijn lasten heeft verhoogd of zijn baten heeft verminderd;
4° hetzij zijn onvermogen heeft bewerkt;
5° hetzij bewust valse verklaringen heeft afgelegd.
[3 De griffier geeft kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt aan de schuldenaar en de schuldeisers.]3
[2 § 1/1. Het einde van de minnelijke of de gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan worden uitgesproken door de rechter aan wie de zaak op verzoek van de schuldenaar opnieuw wordt voorgelegd, door een eenvoudige schriftelijke verklaring die wordt neergelegd ter griffie of [3 meegedeeld]3 aan de griffie.]2
§ 2. Elke schuldeiser kan vanaf het einde van de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling die een kwijtschelding van schulden in hoofdsom inhoudt, gedurende een periode van vijf jaar [3 een verzoek tot herroeping van de regeling meedelen]3 omwille van een bedrieglijke handeling in zijn nadeel gesteld door de schuldenaar.
[2 § 2/1. In geval van herroeping overeenkomstig § 1, of in het geval dat de collectieve schuldenregeling wordt beëindigd overeenkomstig § 1/1, beslist de rechter gelijktijdig over de verdeling en de bestemming van de bedragen die beschikbaar zijn op de bemiddelingsrekening.]2
§ 3. In geval van herroeping [2 of in het geval dat de collectieve schuldenregeling wordt beëindigd]2 [2 en onverminderd § 2/1]2 herwinnen de schuldeisers individueel het recht hun vordering uit te oefenen op de goederen van de schuldenaar voor de inning van het niet betaalde deel van hun schuldvorderingen.
Art. 1675/15bis. [1 § 1er. Toute notification, toute communication ou tout dépôt prévu par le présent titre et par l'article 20, § 2, de la loi de 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis, s'effectue au moyen du registre visé à l'article 1675/20 entre les catégories de personnes suivantes :
1° le [2 tribunal ou la cour, en ce compris leurs greffes]2;
2° le médiateur de dettes;
3° les avocats;
4° les tiers qui fournissent l'assistance judiciaire à titre professionnel;
5° le SPF Economie;
6° les personnes morales établies en Belgique;
7° pour autant qu'elles se soient inscrites dans le registre, les personnes morales établies à l'étranger;
8° pour autant qu'elles se soient inscrites dans le registre, les personnes physiques, étant entendu qu'elles disposent du droit de renoncer à leur inscription au registre à tout moment.
A l'égard des personnes visées à l'alinéa 1er, 6°, 7° et 8° qui ont été inscrites dans le registre à l'occasion d'une procédure antérieure mais qui ne sont pas encore inscrites pour la procédure concernée, le médiateur de dettes effectue la première communication au moyen du registre en demandant confirmation de cette inscription dans les trois jours ouvrables. La confirmation intervenue dans ce délai vaut inscription dans le registre pour la procédure concernée. A défaut de confirmation dans le délai, la communication ou notification électronique est réputée non avenue et le médiateur de dettes procède à la communication conformément à l'article 1675/16, § 4.
Toute communication, toute notification ou tout dépôt intervenu en violation des alinéas 1 et 2 est considéré comme non-avenu.
Le texte du présent paragraphe est reproduit dans toute communication ou notification émanant du tribunal ou du médiateur de dettes.
§ 2. Le greffier et le médiateur convertissent sous format électronique, déclarent conformes et chargent dans le registre visé à l'article 1675/20 les pièces en papier émises par eux et les pièces qui leur sont communiquées ou déposées par d'autres voies que le registre, lorsque ces voies sont autorisées en vertu du présent livre.]1
1° le [2 tribunal ou la cour, en ce compris leurs greffes]2;
2° le médiateur de dettes;
3° les avocats;
4° les tiers qui fournissent l'assistance judiciaire à titre professionnel;
5° le SPF Economie;
6° les personnes morales établies en Belgique;
7° pour autant qu'elles se soient inscrites dans le registre, les personnes morales établies à l'étranger;
8° pour autant qu'elles se soient inscrites dans le registre, les personnes physiques, étant entendu qu'elles disposent du droit de renoncer à leur inscription au registre à tout moment.
A l'égard des personnes visées à l'alinéa 1er, 6°, 7° et 8° qui ont été inscrites dans le registre à l'occasion d'une procédure antérieure mais qui ne sont pas encore inscrites pour la procédure concernée, le médiateur de dettes effectue la première communication au moyen du registre en demandant confirmation de cette inscription dans les trois jours ouvrables. La confirmation intervenue dans ce délai vaut inscription dans le registre pour la procédure concernée. A défaut de confirmation dans le délai, la communication ou notification électronique est réputée non avenue et le médiateur de dettes procède à la communication conformément à l'article 1675/16, § 4.
Toute communication, toute notification ou tout dépôt intervenu en violation des alinéas 1 et 2 est considéré comme non-avenu.
Le texte du présent paragraphe est reproduit dans toute communication ou notification émanant du tribunal ou du médiateur de dettes.
§ 2. Le greffier et le médiateur convertissent sous format électronique, déclarent conformes et chargent dans le registre visé à l'article 1675/20 les pièces en papier émises par eux et les pièces qui leur sont communiquées ou déposées par d'autres voies que le registre, lorsque ces voies sont autorisées en vertu du présent livre.]1
Art. 1675/15bis. [1 § 1. De kennisgevingen, mededelingen en neerleggingen vermeld in deze titel en in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, tussen de volgende categorieën van personen gebeuren middels het register bedoeld in artikel 1675/20 :
1° de [2 rechtbank of het hof, met inbegrip van hun griffies]2;
2° de schuldbemiddelaar;
3° de advocaten;
4° derden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen;
5° de FOD Economie;
6° de rechtspersonen die in België gevestigd zijn;
7° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het register, de rechtspersonen die in het buitenland gevestigd zijn;
8° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het register, de natuurlijke personen, met dien verstande dat zij het recht hebben zich eender wanneer uit het register uit te schrijven.
Ten aanzien van de personen bedoeld in het eerste lid, 6°, 7° en 8° die in het register zijn ingeschreven ter gelegenheid van een eerdere procedure, maar nog niet voor de betrokken procedure zijn ingeschreven, doet de schuldbemiddelaar de eerste mededeling door middel van het register, met de vraag om de inschrijving binnen drie werkdagen te bevestigen. De bevestiging die binnen die termijn wordt gegeven, geldt als inschrijving in het register voor de betrokken procedure. Bij gebreke van bevestiging binnen de termijn, wordt de elektronische mededeling of kennisgeving als ongedaan beschouwd en gaat de schuldbemiddelaar over tot de mededeling overeenkomstig artikel 1675/16, § 4.
Elke mededeling, kennisgeving of neerlegging die niet wordt gedaan zoals bepaald in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd niet te hebben plaatsgevonden.
De tekst van deze paragraaf wordt weergegeven in elke mededeling of kennisgeving uitgaande van de rechtbank of de schuldbemiddelaar.
§ 2. De papieren stukken uitgaande van de griffier en de schuldbemiddelaar, alsook de stukken die aan hen worden meegedeeld of bij hen worden neergelegd op andere wijzen dan via het register, worden, wanneer die wijzen zijn toegelaten krachtens dit wetboek, door hen omgezet naar elektronische vorm, gelijkvormig verklaard en opgeladen in het register bedoeld in artikel 1675/20 wanneer die wijzen van mededeling en neerlegging zijn toegelaten krachtens het huidige artikel.]1
1° de [2 rechtbank of het hof, met inbegrip van hun griffies]2;
2° de schuldbemiddelaar;
3° de advocaten;
4° derden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen;
5° de FOD Economie;
6° de rechtspersonen die in België gevestigd zijn;
7° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het register, de rechtspersonen die in het buitenland gevestigd zijn;
8° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het register, de natuurlijke personen, met dien verstande dat zij het recht hebben zich eender wanneer uit het register uit te schrijven.
Ten aanzien van de personen bedoeld in het eerste lid, 6°, 7° en 8° die in het register zijn ingeschreven ter gelegenheid van een eerdere procedure, maar nog niet voor de betrokken procedure zijn ingeschreven, doet de schuldbemiddelaar de eerste mededeling door middel van het register, met de vraag om de inschrijving binnen drie werkdagen te bevestigen. De bevestiging die binnen die termijn wordt gegeven, geldt als inschrijving in het register voor de betrokken procedure. Bij gebreke van bevestiging binnen de termijn, wordt de elektronische mededeling of kennisgeving als ongedaan beschouwd en gaat de schuldbemiddelaar over tot de mededeling overeenkomstig artikel 1675/16, § 4.
Elke mededeling, kennisgeving of neerlegging die niet wordt gedaan zoals bepaald in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd niet te hebben plaatsgevonden.
De tekst van deze paragraaf wordt weergegeven in elke mededeling of kennisgeving uitgaande van de rechtbank of de schuldbemiddelaar.
§ 2. De papieren stukken uitgaande van de griffier en de schuldbemiddelaar, alsook de stukken die aan hen worden meegedeeld of bij hen worden neergelegd op andere wijzen dan via het register, worden, wanneer die wijzen zijn toegelaten krachtens dit wetboek, door hen omgezet naar elektronische vorm, gelijkvormig verklaard en opgeladen in het register bedoeld in artikel 1675/20 wanneer die wijzen van mededeling en neerlegging zijn toegelaten krachtens het huidige artikel.]1
Art. 1675/15bis. [1 § 1er. Toute notification, toute communication ou tout dépôt prévu par le présent titre et par l'article 20, § 2, de la loi de 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis, s'effectue au moyen du registre visé à l'article 1675/20 entre les catégories de personnes suivantes :
1° le [2 tribunal ou la cour, en ce compris leurs greffes]2;
2° le médiateur de dettes;
3° les avocats;
4° les tiers qui fournissent l'assistance judiciaire à titre professionnel;
5° le SPF Economie;
6° les personnes morales établies en Belgique;
7° pour autant qu'elles se soient inscrites dans le registre, les personnes morales établies à l'étranger;
8° pour autant qu'elles se soient inscrites dans le registre, les personnes physiques, étant entendu qu'elles disposent du droit de renoncer à leur inscription au registre à tout moment.
A l'égard des personnes visées à l'alinéa 1er, 6°, 7° et 8° qui ont été inscrites dans le registre à l'occasion d'une procédure antérieure mais qui ne sont pas encore inscrites pour la procédure concernée, le médiateur de dettes effectue la première communication au moyen du registre en demandant confirmation de cette inscription dans les trois jours ouvrables. La confirmation intervenue dans ce délai vaut inscription dans le registre pour la procédure concernée. A défaut de confirmation dans le délai, la communication ou notification électronique est réputée non avenue et le médiateur de dettes procède à la communication conformément à l'article 1675/16, § 4.
Toute communication, toute notification ou tout dépôt intervenu en violation des alinéas 1 et 2 est considéré comme non-avenu.
Le texte du présent paragraphe est reproduit dans toute communication ou notification émanant du tribunal ou du médiateur de dettes.
§ 2. Le greffier et le médiateur convertissent sous format électronique, déclarent conformes et chargent dans le registre visé à l'article 1675/20 les pièces en papier émises par eux et les pièces qui leur sont communiquées ou déposées par d'autres voies que le registre, lorsque ces voies sont autorisées en vertu du présent livre.]1
1° le [2 tribunal ou la cour, en ce compris leurs greffes]2;
2° le médiateur de dettes;
3° les avocats;
4° les tiers qui fournissent l'assistance judiciaire à titre professionnel;
5° le SPF Economie;
6° les personnes morales établies en Belgique;
7° pour autant qu'elles se soient inscrites dans le registre, les personnes morales établies à l'étranger;
8° pour autant qu'elles se soient inscrites dans le registre, les personnes physiques, étant entendu qu'elles disposent du droit de renoncer à leur inscription au registre à tout moment.
A l'égard des personnes visées à l'alinéa 1er, 6°, 7° et 8° qui ont été inscrites dans le registre à l'occasion d'une procédure antérieure mais qui ne sont pas encore inscrites pour la procédure concernée, le médiateur de dettes effectue la première communication au moyen du registre en demandant confirmation de cette inscription dans les trois jours ouvrables. La confirmation intervenue dans ce délai vaut inscription dans le registre pour la procédure concernée. A défaut de confirmation dans le délai, la communication ou notification électronique est réputée non avenue et le médiateur de dettes procède à la communication conformément à l'article 1675/16, § 4.
Toute communication, toute notification ou tout dépôt intervenu en violation des alinéas 1 et 2 est considéré comme non-avenu.
Le texte du présent paragraphe est reproduit dans toute communication ou notification émanant du tribunal ou du médiateur de dettes.
§ 2. Le greffier et le médiateur convertissent sous format électronique, déclarent conformes et chargent dans le registre visé à l'article 1675/20 les pièces en papier émises par eux et les pièces qui leur sont communiquées ou déposées par d'autres voies que le registre, lorsque ces voies sont autorisées en vertu du présent livre.]1
Art. 1675/16. [1 § 1. [3 Elke kennisgeving of mededeling die niet plaatsvindt middels het register, wordt gedaan zoals bepaald in dit artikel.]3
§ 2. De volgende uitspraken worden door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht :
1° [3 De beschikking van niet-toelaatbaarheid bedoeld in artikel 1675/8bis;]3
2° alle uitspraken die de collectieve schuldenregeling beëindigen of herroepen;
3° de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid, bedoeld in artikel 1675/15;
4° de uitspraken inzake het derdenverzet tegen de beschikking van toelaatbaarheid, bedoeld in artikel 1675/6.
[2 § 2/1. [3 De griffier geeft bij een ter post aangetekende brief kennis van de beschikking van vervanging bedoeld in artikel 1675/17, § 4, aan de vervangen schuldbemiddelaar, en aan de schuldenaar. Vervolgens deelt de vervangende schuldbemiddelaar de beschikking mee bij een ter post aangetekende brief aan de schuldeisers en aan de schuldenaars van inkomsten]3]2
§ 3. Alle overige uitspraken worden door de griffier bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht. [2 [3 ...]3]2
§ 4. [3 De mededelingen bedoeld in artikel 1675/9, § 1bis, 1°, 2° en 4°, en § 3, in artikel 1675/10, § 4, en in artikel 16bis, § 2, tweede lid, gebeuren bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.]3]1
[3 § 5. De mededelingen bedoeld in artikel 1675/9, § 2, gebeuren hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, hetzij bij aangifte op het kantoor van de schuldbemiddelaar met ontvangstbericht gedagtekend en ondertekend door de bemiddelaar of zijn gemachtigde.]3
[3 § 6. Alle overige kennisgevingen of mededelingen gebeuren bij gewone brief.]3
§ 2. De volgende uitspraken worden door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht :
1° [3 De beschikking van niet-toelaatbaarheid bedoeld in artikel 1675/8bis;]3
2° alle uitspraken die de collectieve schuldenregeling beëindigen of herroepen;
3° de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid, bedoeld in artikel 1675/15;
4° de uitspraken inzake het derdenverzet tegen de beschikking van toelaatbaarheid, bedoeld in artikel 1675/6.
[2 § 2/1. [3 De griffier geeft bij een ter post aangetekende brief kennis van de beschikking van vervanging bedoeld in artikel 1675/17, § 4, aan de vervangen schuldbemiddelaar, en aan de schuldenaar. Vervolgens deelt de vervangende schuldbemiddelaar de beschikking mee bij een ter post aangetekende brief aan de schuldeisers en aan de schuldenaars van inkomsten]3]2
§ 3. Alle overige uitspraken worden door de griffier bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht. [2 [3 ...]3]2
§ 4. [3 De mededelingen bedoeld in artikel 1675/9, § 1bis, 1°, 2° en 4°, en § 3, in artikel 1675/10, § 4, en in artikel 16bis, § 2, tweede lid, gebeuren bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.]3]1
[3 § 5. De mededelingen bedoeld in artikel 1675/9, § 2, gebeuren hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, hetzij bij aangifte op het kantoor van de schuldbemiddelaar met ontvangstbericht gedagtekend en ondertekend door de bemiddelaar of zijn gemachtigde.]3
[3 § 6. Alle overige kennisgevingen of mededelingen gebeuren bij gewone brief.]3
Art. 1675/16bis. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article [4 5.251]4 du Code civil, et sauf en cas d'organisation frauduleuse d'insolvabilité, les personnes physiques qui, à titre gratuit, se sont constituées sûreté personnelle du requérant, peuvent être déchargées en tout ou en partie de leur engagement si le juge constate que leur obligation est disproportionnée à leurs revenus et à leur patrimoine.
§ 2. Pour bénéficier de la décharge visée au § 1er, la personne physique qui s'est constituée à titre gratuit sûreté personnelle du requérant, dépose au greffe de la juridiction saisie de la demande en règlement collectif de dettes une déclaration attestant que son obligation est disproportionnée à ses revenus et à son patrimoine.
[3 Le médiateur de dettes communique à cette personne, dès qu'elle est connue, la possibilité d'effectuer la déclaration visée à l'alinéa 1er en y joignant les modalités d'inscription dans le registre visé à l'article 1675/20 ainsi que le texte du présent article et des articles 1675/15bis, § 1er, et 1675/16, § 4.]3
§ 3. La déclaration visée au § 2 mentionne l'identité de la personne [2 ...]2 et son domicile [3 et, le cas échéant, son accord pour l'utilisation du registre visé à l'article 1675/20 et l'indication d'une adresse d'élection de domicile électronique]3.
La personne joint à sa déclaration :
1° la copie de sa dernière déclaration à l'impôt des personnes physiques;
2° le relevé de l'ensemble des éléments actifs ou passifs qui composent son patrimoine;
3° toute autre pièce de nature à établir avec précision l'état de ses ressources et les charges qui sont siennes.
La déclaration est versée au dossier du règlement collectif de dettes.
Si la déclaration ou ses annexes sont incomplètes, le juge invite dans les huit jours la personne à apporter les précisions requises ou à déposer les pièces nécessaires.
§ 4. Le juge statue sur la décharge de la personne ayant fait la déclaration visée au § 2 lorsqu'il rend la décision par laquelle il homologue un plan de règlement amiable ou ordonne un plan de règlement judiciaire.
Il peut également statuer par une décision ultérieure, si le traitement de cette question est de nature à retarder le jugement de la demande en règlement collectif de dettes.
En tout état de cause, le juge entend préalablement le requérant, la personne ayant fait la déclaration visée au § 2 ainsi que les créanciers concernés, [3 dont la convocation est notifiée par le greffe]3.
§ 5. Si la personne pour qui la personne visée au § 1er s'est constituée sûreté personnelle se trouve dans les conditions pour introduire une demande en règlement collectif de dettes mais s'abstient de le faire, la décharge peut également être sollicitée du juge compétent en matière de règlement collectif de dettes.
La demande est dirigée contre le débiteur principal et le créancier de l'obligation que garantit la personne visée au § 1er.
La décharge est accordée si le juge constate que l'obligation de la personne visée au § 1er est disproportionnée à ses revenus et à son patrimoine.
A l'appui de sa demande, le demandeur dépose, à peine de surséance :
1° la copie de sa dernière déclaration à l'impôt des personnes physiques;
2° le relevé de l'ensemble des éléments actifs ou passifs qui composent son patrimoine;
3° toute autre pièce de nature à établir avec précision l'état de ses ressources et les charges qui sont siennes.
L'introduction de la demande suspend les voies d'exécution à charge de la personne ayant constitué une sûreté personnelle au profit du débiteur principal, et ce, jusqu'à ce qu'une décision passée en force de chose jugée soit rendue sur la demande.
§ 2. Pour bénéficier de la décharge visée au § 1er, la personne physique qui s'est constituée à titre gratuit sûreté personnelle du requérant, dépose au greffe de la juridiction saisie de la demande en règlement collectif de dettes une déclaration attestant que son obligation est disproportionnée à ses revenus et à son patrimoine.
[3 Le médiateur de dettes communique à cette personne, dès qu'elle est connue, la possibilité d'effectuer la déclaration visée à l'alinéa 1er en y joignant les modalités d'inscription dans le registre visé à l'article 1675/20 ainsi que le texte du présent article et des articles 1675/15bis, § 1er, et 1675/16, § 4.]3
§ 3. La déclaration visée au § 2 mentionne l'identité de la personne [2 ...]2 et son domicile [3 et, le cas échéant, son accord pour l'utilisation du registre visé à l'article 1675/20 et l'indication d'une adresse d'élection de domicile électronique]3.
La personne joint à sa déclaration :
1° la copie de sa dernière déclaration à l'impôt des personnes physiques;
2° le relevé de l'ensemble des éléments actifs ou passifs qui composent son patrimoine;
3° toute autre pièce de nature à établir avec précision l'état de ses ressources et les charges qui sont siennes.
La déclaration est versée au dossier du règlement collectif de dettes.
Si la déclaration ou ses annexes sont incomplètes, le juge invite dans les huit jours la personne à apporter les précisions requises ou à déposer les pièces nécessaires.
§ 4. Le juge statue sur la décharge de la personne ayant fait la déclaration visée au § 2 lorsqu'il rend la décision par laquelle il homologue un plan de règlement amiable ou ordonne un plan de règlement judiciaire.
Il peut également statuer par une décision ultérieure, si le traitement de cette question est de nature à retarder le jugement de la demande en règlement collectif de dettes.
En tout état de cause, le juge entend préalablement le requérant, la personne ayant fait la déclaration visée au § 2 ainsi que les créanciers concernés, [3 dont la convocation est notifiée par le greffe]3.
§ 5. Si la personne pour qui la personne visée au § 1er s'est constituée sûreté personnelle se trouve dans les conditions pour introduire une demande en règlement collectif de dettes mais s'abstient de le faire, la décharge peut également être sollicitée du juge compétent en matière de règlement collectif de dettes.
La demande est dirigée contre le débiteur principal et le créancier de l'obligation que garantit la personne visée au § 1er.
La décharge est accordée si le juge constate que l'obligation de la personne visée au § 1er est disproportionnée à ses revenus et à son patrimoine.
A l'appui de sa demande, le demandeur dépose, à peine de surséance :
1° la copie de sa dernière déclaration à l'impôt des personnes physiques;
2° le relevé de l'ensemble des éléments actifs ou passifs qui composent son patrimoine;
3° toute autre pièce de nature à établir avec précision l'état de ses ressources et les charges qui sont siennes.
L'introduction de la demande suspend les voies d'exécution à charge de la personne ayant constitué une sûreté personnelle au profit du débiteur principal, et ce, jusqu'à ce qu'une décision passée en force de chose jugée soit rendue sur la demande.
Art. 1675/16bis. <INGEVOEGD bij W 2005-12-13/35, art. 19; Inwerkingtreding : 31-12-2005> Art. 1675/16bis. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel [4 5.251]4 van het Burgerlijk Wetboek en behalve in geval van het organiseren van bedrieglijk onvermogen, kunnen natuurlijke personen die kosteloos een persoonlijke zekerheid hebben gesteld ten behoeve van de verzoeker, volledig of gedeeltelijk van hun verbintenis worden bevrijd indien de rechter vaststelt dat hun verbintenis onevenredig is met hun inkomsten en met hun vermogen.
§ 2. Om de in § 1 bedoelde bevrijding te genieten, legt de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid ten behoeve van de verzoeker heeft gesteld, ter griffie van het gerecht waarbij het verzoek tot collectieve schuldenregeling is ingediend, een verklaring neer waaruit blijkt dat zijn verbintenis onevenredig is met zijn inkomsten en met zijn vermogen.
[3 De schuldbemiddelaar deelt aan die persoon, van zodra deze bekend is, de mogelijkheid om de in het eerste lid bedoelde verklaring neer te leggen mee. Deze mededeling bevat zowel de nadere regels van inschrijving in het register bedoeld in artikel 1675/20 als de tekst van dit artikel en van de artikelen 1675/15bis, § 1, en 1675/16, § 4.]3
§ 3. De in § 2 bedoelde verklaring vermeldt de identiteit van de persoon [2 ...]2 en zijn woonplaats [3 en, in voorkomend geval, zijn akkoord voor het gebruik van het register bedoeld in artikel 1675/20 en de elektronische keuze van woonplaats.]3.
De persoon voegt bij zijn verklaring :
1° het afschrift van zijn laatste aangifte in de personenbelasting;
2° de lijst van alle activa en passiva die behoren tot zijn vermogen;
3° alle andere stukken aan de hand waarvan de staat van zijn middelen en zijn lasten nauwkeurig kan worden opgemaakt.
De verklaring wordt bij het dossier van collectieve schuldenregeling gevoegd.
Ingeval de verklaring of de bijlagen erbij onvolledig zijn, verzoekt de rechter de persoon binnen acht dagen de vereiste nadere gegevens te verstrekken of de nodige stukken neer te leggen.
§ 4. De rechter doet uitspraak over de bevrijding van de persoon die de in § 2 bedoelde verklaring heeft neergelegd wanneer hij de beslissing neemt waarmee hij een minnelijke aanzuiveringsregeling homologeert of een gerechtelijke aanzuiveringsregeling beveelt.
Hij kan tevens uitspraak doen op een later tijdstip, indien de behandeling van de bevrijding de beoordeling van het verzoek tot collectieve schuldenregeling kan vertragen.
De rechter hoort in elk geval vooraf de verzoeker, de persoon die de in § 2 bedoelde verklaring heeft neergelegd of de betrokken schuldeisers, die [3 door de griffie worden opgeroepen bij kennisgeving]3.
§ 5. Indien de persoon voor wie de persoon bedoeld in § 1 een persoonlijke zekerheid heeft gesteld, voldoet aan de voorwaarden om een verzoek tot collectieve schuldenregeling in te dienen, doch nalaat zulks te doen, kan tevens om bevrijding worden verzocht bij de rechter die bevoegd is inzake collectieve schuldenregeling.
Het verzoek is gericht tegen de hoofdschuldenaar en de schuldeiser van de verbintenis die door de in § 1 bedoelde persoon wordt gewaarborgd.
Bevrijding wordt verleend indien de rechter vaststelt dat de verbintenis van de in § 1 bedoelde persoon onevenredig is met diens inkomsten en met diens vermogen.
De persoon die om bevrijding verzoekt, legt tot staving van zijn verzoek, op straffe van schorsing, volgende stukken neer :
1° het afschrift van zijn laatste aangifte in de personenbelasting;
2° de lijst van alle activa of passiva die behoren tot zijn vermogen;
3° alle andere stukken aan de hand waarvan de staat van zijn middelen en zijn lasten nauwkeurig kan worden opgemaakt.
De indiening van het verzoek schorst de middelen van tenuitvoerlegging ten laste van de persoon die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld ten voordele van de hoofdschuldenaar, zulks tot over het verzoek een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt genomen.
§ 2. Om de in § 1 bedoelde bevrijding te genieten, legt de natuurlijke persoon die kosteloos een persoonlijke zekerheid ten behoeve van de verzoeker heeft gesteld, ter griffie van het gerecht waarbij het verzoek tot collectieve schuldenregeling is ingediend, een verklaring neer waaruit blijkt dat zijn verbintenis onevenredig is met zijn inkomsten en met zijn vermogen.
[3 De schuldbemiddelaar deelt aan die persoon, van zodra deze bekend is, de mogelijkheid om de in het eerste lid bedoelde verklaring neer te leggen mee. Deze mededeling bevat zowel de nadere regels van inschrijving in het register bedoeld in artikel 1675/20 als de tekst van dit artikel en van de artikelen 1675/15bis, § 1, en 1675/16, § 4.]3
§ 3. De in § 2 bedoelde verklaring vermeldt de identiteit van de persoon [2 ...]2 en zijn woonplaats [3 en, in voorkomend geval, zijn akkoord voor het gebruik van het register bedoeld in artikel 1675/20 en de elektronische keuze van woonplaats.]3.
De persoon voegt bij zijn verklaring :
1° het afschrift van zijn laatste aangifte in de personenbelasting;
2° de lijst van alle activa en passiva die behoren tot zijn vermogen;
3° alle andere stukken aan de hand waarvan de staat van zijn middelen en zijn lasten nauwkeurig kan worden opgemaakt.
De verklaring wordt bij het dossier van collectieve schuldenregeling gevoegd.
Ingeval de verklaring of de bijlagen erbij onvolledig zijn, verzoekt de rechter de persoon binnen acht dagen de vereiste nadere gegevens te verstrekken of de nodige stukken neer te leggen.
§ 4. De rechter doet uitspraak over de bevrijding van de persoon die de in § 2 bedoelde verklaring heeft neergelegd wanneer hij de beslissing neemt waarmee hij een minnelijke aanzuiveringsregeling homologeert of een gerechtelijke aanzuiveringsregeling beveelt.
Hij kan tevens uitspraak doen op een later tijdstip, indien de behandeling van de bevrijding de beoordeling van het verzoek tot collectieve schuldenregeling kan vertragen.
De rechter hoort in elk geval vooraf de verzoeker, de persoon die de in § 2 bedoelde verklaring heeft neergelegd of de betrokken schuldeisers, die [3 door de griffie worden opgeroepen bij kennisgeving]3.
§ 5. Indien de persoon voor wie de persoon bedoeld in § 1 een persoonlijke zekerheid heeft gesteld, voldoet aan de voorwaarden om een verzoek tot collectieve schuldenregeling in te dienen, doch nalaat zulks te doen, kan tevens om bevrijding worden verzocht bij de rechter die bevoegd is inzake collectieve schuldenregeling.
Het verzoek is gericht tegen de hoofdschuldenaar en de schuldeiser van de verbintenis die door de in § 1 bedoelde persoon wordt gewaarborgd.
Bevrijding wordt verleend indien de rechter vaststelt dat de verbintenis van de in § 1 bedoelde persoon onevenredig is met diens inkomsten en met diens vermogen.
De persoon die om bevrijding verzoekt, legt tot staving van zijn verzoek, op straffe van schorsing, volgende stukken neer :
1° het afschrift van zijn laatste aangifte in de personenbelasting;
2° de lijst van alle activa of passiva die behoren tot zijn vermogen;
3° alle andere stukken aan de hand waarvan de staat van zijn middelen en zijn lasten nauwkeurig kan worden opgemaakt.
De indiening van het verzoek schorst de middelen van tenuitvoerlegging ten laste van de persoon die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld ten voordele van de hoofdschuldenaar, zulks tot over het verzoek een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt genomen.
Art. 1675/16bis. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article [4 5.251]4 du Code civil, et sauf en cas d'organisation frauduleuse d'insolvabilité, les personnes physiques qui, à titre gratuit, se sont constituées sûreté personnelle du requérant, peuvent être déchargées en tout ou en partie de leur engagement si le juge constate que leur obligation est disproportionnée à leurs revenus et à leur patrimoine.
§ 2. Pour bénéficier de la décharge visée au § 1er, la personne physique qui s'est constituée à titre gratuit sûreté personnelle du requérant, dépose au greffe de la juridiction saisie de la demande en règlement collectif de dettes une déclaration attestant que son obligation est disproportionnée à ses revenus et à son patrimoine.
[3 Le médiateur de dettes communique à cette personne, dès qu'elle est connue, la possibilité d'effectuer la déclaration visée à l'alinéa 1er en y joignant les modalités d'inscription dans le registre visé à l'article 1675/20 ainsi que le texte du présent article et des articles 1675/15bis, § 1er, et 1675/16, § 4.]3
§ 3. La déclaration visée au § 2 mentionne l'identité de la personne [2 ...]2 et son domicile [3 et, le cas échéant, son accord pour l'utilisation du registre visé à l'article 1675/20 et l'indication d'une adresse d'élection de domicile électronique]3.
La personne joint à sa déclaration :
1° la copie de sa dernière déclaration à l'impôt des personnes physiques;
2° le relevé de l'ensemble des éléments actifs ou passifs qui composent son patrimoine;
3° toute autre pièce de nature à établir avec précision l'état de ses ressources et les charges qui sont siennes.
La déclaration est versée au dossier du règlement collectif de dettes.
Si la déclaration ou ses annexes sont incomplètes, le juge invite dans les huit jours la personne à apporter les précisions requises ou à déposer les pièces nécessaires.
§ 4. Le juge statue sur la décharge de la personne ayant fait la déclaration visée au § 2 lorsqu'il rend la décision par laquelle il homologue un plan de règlement amiable ou ordonne un plan de règlement judiciaire.
Il peut également statuer par une décision ultérieure, si le traitement de cette question est de nature à retarder le jugement de la demande en règlement collectif de dettes.
En tout état de cause, le juge entend préalablement le requérant, la personne ayant fait la déclaration visée au § 2 ainsi que les créanciers concernés, [3 dont la convocation est notifiée par le greffe]3.
§ 5. Si la personne pour qui la personne visée au § 1er s'est constituée sûreté personnelle se trouve dans les conditions pour introduire une demande en règlement collectif de dettes mais s'abstient de le faire, la décharge peut également être sollicitée du juge compétent en matière de règlement collectif de dettes.
La demande est dirigée contre le débiteur principal et le créancier de l'obligation que garantit la personne visée au § 1er.
La décharge est accordée si le juge constate que l'obligation de la personne visée au § 1er est disproportionnée à ses revenus et à son patrimoine.
A l'appui de sa demande, le demandeur dépose, à peine de surséance :
1° la copie de sa dernière déclaration à l'impôt des personnes physiques;
2° le relevé de l'ensemble des éléments actifs ou passifs qui composent son patrimoine;
3° toute autre pièce de nature à établir avec précision l'état de ses ressources et les charges qui sont siennes.
L'introduction de la demande suspend les voies d'exécution à charge de la personne ayant constitué une sûreté personnelle au profit du débiteur principal, et ce, jusqu'à ce qu'une décision passée en force de chose jugée soit rendue sur la demande.
§ 2. Pour bénéficier de la décharge visée au § 1er, la personne physique qui s'est constituée à titre gratuit sûreté personnelle du requérant, dépose au greffe de la juridiction saisie de la demande en règlement collectif de dettes une déclaration attestant que son obligation est disproportionnée à ses revenus et à son patrimoine.
[3 Le médiateur de dettes communique à cette personne, dès qu'elle est connue, la possibilité d'effectuer la déclaration visée à l'alinéa 1er en y joignant les modalités d'inscription dans le registre visé à l'article 1675/20 ainsi que le texte du présent article et des articles 1675/15bis, § 1er, et 1675/16, § 4.]3
§ 3. La déclaration visée au § 2 mentionne l'identité de la personne [2 ...]2 et son domicile [3 et, le cas échéant, son accord pour l'utilisation du registre visé à l'article 1675/20 et l'indication d'une adresse d'élection de domicile électronique]3.
La personne joint à sa déclaration :
1° la copie de sa dernière déclaration à l'impôt des personnes physiques;
2° le relevé de l'ensemble des éléments actifs ou passifs qui composent son patrimoine;
3° toute autre pièce de nature à établir avec précision l'état de ses ressources et les charges qui sont siennes.
La déclaration est versée au dossier du règlement collectif de dettes.
Si la déclaration ou ses annexes sont incomplètes, le juge invite dans les huit jours la personne à apporter les précisions requises ou à déposer les pièces nécessaires.
§ 4. Le juge statue sur la décharge de la personne ayant fait la déclaration visée au § 2 lorsqu'il rend la décision par laquelle il homologue un plan de règlement amiable ou ordonne un plan de règlement judiciaire.
Il peut également statuer par une décision ultérieure, si le traitement de cette question est de nature à retarder le jugement de la demande en règlement collectif de dettes.
En tout état de cause, le juge entend préalablement le requérant, la personne ayant fait la déclaration visée au § 2 ainsi que les créanciers concernés, [3 dont la convocation est notifiée par le greffe]3.
§ 5. Si la personne pour qui la personne visée au § 1er s'est constituée sûreté personnelle se trouve dans les conditions pour introduire une demande en règlement collectif de dettes mais s'abstient de le faire, la décharge peut également être sollicitée du juge compétent en matière de règlement collectif de dettes.
La demande est dirigée contre le débiteur principal et le créancier de l'obligation que garantit la personne visée au § 1er.
La décharge est accordée si le juge constate que l'obligation de la personne visée au § 1er est disproportionnée à ses revenus et à son patrimoine.
A l'appui de sa demande, le demandeur dépose, à peine de surséance :
1° la copie de sa dernière déclaration à l'impôt des personnes physiques;
2° le relevé de l'ensemble des éléments actifs ou passifs qui composent son patrimoine;
3° toute autre pièce de nature à établir avec précision l'état de ses ressources et les charges qui sont siennes.
L'introduction de la demande suspend les voies d'exécution à charge de la personne ayant constitué une sûreté personnelle au profit du débiteur principal, et ce, jusqu'à ce qu'une décision passée en force de chose jugée soit rendue sur la demande.
Art. 1675/16ter. [1 De uitspraken zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling.
Behalve wat de in artikel 1675/6 bedoelde beschikking van toelaatbaarheid betreft en zonder dat, in deze veronderstelling, artikel 1122, tweede lid, 3°, kan worden ingeroepen, zijn die uitspraken niet vatbaar voor derdenverzet.
De vonnissen en arresten die bij verstek werden gewezen zijn niet vatbaar voor verzet.
Hoger beroep tegen de uitspraken door de verzoeker of een partij, wordt binnen een maand na de kennisgeving ingesteld bij een verzoekschrift dat voldoet aan de bepalingen van artikel 1675/4, § 2, 1° tot 4° en 13°, en wordt neergelegd op de griffie van het gerecht in hoger beroep.
De kennisgeving van de uitspraken geldt als betekening.]1
Behalve wat de in artikel 1675/6 bedoelde beschikking van toelaatbaarheid betreft en zonder dat, in deze veronderstelling, artikel 1122, tweede lid, 3°, kan worden ingeroepen, zijn die uitspraken niet vatbaar voor derdenverzet.
De vonnissen en arresten die bij verstek werden gewezen zijn niet vatbaar voor verzet.
Hoger beroep tegen de uitspraken door de verzoeker of een partij, wordt binnen een maand na de kennisgeving ingesteld bij een verzoekschrift dat voldoet aan de bepalingen van artikel 1675/4, § 2, 1° tot 4° en 13°, en wordt neergelegd op de griffie van het gerecht in hoger beroep.
De kennisgeving van de uitspraken geldt als betekening.]1
Art. 1675/16ter. [1 Les décisions sont exécutoires par provision nonobstant appel et sans caution.
Sauf en ce qui concerne la décision d'admissibilité visée à l'article 1675/6 et sans que, dans cette hypothèse, l'article 1122, alinéa 2, 3°, puisse être invoqué, ces décisions ne sont pas susceptibles de tierce opposition.
Les jugements et arrêts rendus par défaut ne sont pas susceptibles d'opposition.
L'appel des décisions par le requérant ou par toute partie est formé dans le mois à partir de la notification, par une requête, conforme aux dispositions de l'article 1675/4, § 2, 1° à 4° et 13°, et déposée au greffe de la juridiction d'appel.
La notification des décisions vaut signification.]1
Sauf en ce qui concerne la décision d'admissibilité visée à l'article 1675/6 et sans que, dans cette hypothèse, l'article 1122, alinéa 2, 3°, puisse être invoqué, ces décisions ne sont pas susceptibles de tierce opposition.
Les jugements et arrêts rendus par défaut ne sont pas susceptibles d'opposition.
L'appel des décisions par le requérant ou par toute partie est formé dans le mois à partir de la notification, par une requête, conforme aux dispositions de l'article 1675/4, § 2, 1° à 4° et 13°, et déposée au greffe de la juridiction d'appel.
La notification des décisions vaut signification.]1
HOOFDSTUK II. - De schuldbemiddelaar.
Art. 1675/17. § 1er. Peuvent seuls être désignés comme médiateurs de dettes :
Art. 1675/17. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1.[4 Als schuldbemiddelaar kunnen alleen worden aangesteld :
- de advocaten, de ministeriële ambtenaren of de gerechtelijke mandatarissen, op voorwaarde dat ze zijn erkend. De Koning bepaalt de nadere regels van die erkenning. De erkenning wordt slechts verleend indien de schuldbemiddelaar de daartoe door de bevoegde overheid georganiseerde opleiding heeft gevolgd;
- de overheidsinstellingen of de particuliere instellingen, die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend. Deze instellingen doen hiervoor een beroep op natuurlijke personen die aan de door de bevoegde overheid bepaalde voorwaarden voldoen.]4
§ 2. De schuldbemiddelaar moet onafhankelijk en onpartijdig zijn tegenover de betrokken partijen.
De schuldbemiddelaar kan worden gewraakt indien er wettige redenen zijn om te twijfelen aan zijn onpartijdigheid of zijn onafhankelijkheid. Een partij kan de door haar voorgedragen schuldbemiddelaar alleen wraken om een reden of een feit waarvan ze pas in kennis werd gesteld nadat de schuldbemiddelaar was aangewezen. Geen wraking kan nog worden voorgedragen na het verstrijken van de in artikel 1675/9, § 2, bedoelde termijn voor aangifte van de schuldvordering, tenzij de partij slechts na verloop van deze termijn kennis heeft gekregen van de reden van wraking. De wrakingsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 970 en 971 [3 , onverminderd de bepalingen van artikel 1675/15bis]3. (In afwijking van artikel 971, laatste lid, stelt de rechter in het vonnis dat de wraking toestaat ambtshalve een nieuwe schuldbemiddelaar aan.) <W 2005-12-13/35, art. 20, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
§ 3. De rechter ziet toe op de naleving van de bepalingen inzake de collectieve schuldenregeling. [1 Hij ziet er inzonderheid op toe dat alle posten die onontbeerlijk zijn voor het behoud van de menselijke waardigheid worden ingeschreven in de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling en ziet eveneens toe op de aanpassing van het leefgeld aan de gezondheidsindex.]1 Stelt hij een verzuim vast in hoofde van de schuldbemiddelaar, dan geeft hij hiervan kennis aan de procureur des Konings, die oordeelt welke tuchtrechtelijke gevolgen zulks kan meebrengen of aan de in § 1, tweede streepje, van dit artikel, bedoelde bevoegde overheid.
[1 Elk jaar, te rekenen van de beschikking van toelaatbaarheid of telkens wanneer de rechter er om verzoekt en bij het verstrijken van de aanzuiveringsregeling, [3 deelt de schuldbemiddelaar aan de rechter een verslag over de stand en de evolutie van de procedure mee]3.Het verslag beschrijft de stad van de procedure de verrichtingen van de schuldbemiddelaar, de redenen voor de verlenging van de termijnen, de geactualiseerde sociale en financiële toestand en de toekomstperspectieven van de persoon, de stand van de bemiddelingsrekening en alle inlichtingen die de bemiddelaar dienstig acht. Daarbij wordt ofwel het overzicht van de bewegingen op de bemiddelingsrekening, ofwel het dubbel van de rekeninguittreksels gevoegd.]1
De staat van kosten, ereloon of emolumenten bedoeld in artikel 1675/19, wordt opgenomen op het einde van het verslag.
[1 [3 [4 De schuldbemiddelaar bezorgt een afschrift van het verslag aan de schuldenaar. De schuldeisers kunnen ter plaatse of op de griffie van dat verslag kennisnemen]4]3]1.
§ 4. In geval van verhindering van de schuldbemiddelaar voorziet de rechter ambtshalve in diens vervanging. De rechter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van iedere belanghebbende, te allen tijde en zo dit volstrekt noodzakelijk blijkt, de schuldbemiddelaar vervangen. De schuldbemiddelaar [2 kan vooraf worden]2 opgeroepen om in raadkamer te worden gehoord.
- de advocaten, de ministeriële ambtenaren of de gerechtelijke mandatarissen, op voorwaarde dat ze zijn erkend. De Koning bepaalt de nadere regels van die erkenning. De erkenning wordt slechts verleend indien de schuldbemiddelaar de daartoe door de bevoegde overheid georganiseerde opleiding heeft gevolgd;
- de overheidsinstellingen of de particuliere instellingen, die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend. Deze instellingen doen hiervoor een beroep op natuurlijke personen die aan de door de bevoegde overheid bepaalde voorwaarden voldoen.]4
§ 2. De schuldbemiddelaar moet onafhankelijk en onpartijdig zijn tegenover de betrokken partijen.
De schuldbemiddelaar kan worden gewraakt indien er wettige redenen zijn om te twijfelen aan zijn onpartijdigheid of zijn onafhankelijkheid. Een partij kan de door haar voorgedragen schuldbemiddelaar alleen wraken om een reden of een feit waarvan ze pas in kennis werd gesteld nadat de schuldbemiddelaar was aangewezen. Geen wraking kan nog worden voorgedragen na het verstrijken van de in artikel 1675/9, § 2, bedoelde termijn voor aangifte van de schuldvordering, tenzij de partij slechts na verloop van deze termijn kennis heeft gekregen van de reden van wraking. De wrakingsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 970 en 971 [3 , onverminderd de bepalingen van artikel 1675/15bis]3. (In afwijking van artikel 971, laatste lid, stelt de rechter in het vonnis dat de wraking toestaat ambtshalve een nieuwe schuldbemiddelaar aan.) <W 2005-12-13/35, art. 20, 051; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
§ 3. De rechter ziet toe op de naleving van de bepalingen inzake de collectieve schuldenregeling. [1 Hij ziet er inzonderheid op toe dat alle posten die onontbeerlijk zijn voor het behoud van de menselijke waardigheid worden ingeschreven in de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling en ziet eveneens toe op de aanpassing van het leefgeld aan de gezondheidsindex.]1 Stelt hij een verzuim vast in hoofde van de schuldbemiddelaar, dan geeft hij hiervan kennis aan de procureur des Konings, die oordeelt welke tuchtrechtelijke gevolgen zulks kan meebrengen of aan de in § 1, tweede streepje, van dit artikel, bedoelde bevoegde overheid.
[1 Elk jaar, te rekenen van de beschikking van toelaatbaarheid of telkens wanneer de rechter er om verzoekt en bij het verstrijken van de aanzuiveringsregeling, [3 deelt de schuldbemiddelaar aan de rechter een verslag over de stand en de evolutie van de procedure mee]3.Het verslag beschrijft de stad van de procedure de verrichtingen van de schuldbemiddelaar, de redenen voor de verlenging van de termijnen, de geactualiseerde sociale en financiële toestand en de toekomstperspectieven van de persoon, de stand van de bemiddelingsrekening en alle inlichtingen die de bemiddelaar dienstig acht. Daarbij wordt ofwel het overzicht van de bewegingen op de bemiddelingsrekening, ofwel het dubbel van de rekeninguittreksels gevoegd.]1
De staat van kosten, ereloon of emolumenten bedoeld in artikel 1675/19, wordt opgenomen op het einde van het verslag.
[1 [3 [4 De schuldbemiddelaar bezorgt een afschrift van het verslag aan de schuldenaar. De schuldeisers kunnen ter plaatse of op de griffie van dat verslag kennisnemen]4]3]1.
§ 4. In geval van verhindering van de schuldbemiddelaar voorziet de rechter ambtshalve in diens vervanging. De rechter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van iedere belanghebbende, te allen tijde en zo dit volstrekt noodzakelijk blijkt, de schuldbemiddelaar vervangen. De schuldbemiddelaar [2 kan vooraf worden]2 opgeroepen om in raadkamer te worden gehoord.
Art. 1675/17. § 1er. Peuvent seuls être désignés comme médiateurs de dettes :
- les avocats, les officiers ministériels ou les mandataires de justice dans l'exercice de leur profession ou de leur fonction;
- les institutions publiques ou les institutions privées agréées à cet effet par l'autorité compétente. Ces institutions font appel dans ce cadre à des personnes physiques répondant aux conditions fixées par l'autorité compétente.
§ 2. Le médiateur de dettes doit être indépendant et impartial à l'égard des parties concernées.
Le médiateur de dettes peut être récusé s'il existe des raisons légitimes de douter de son impartialité ou de son indépendance. Une partie ne peut récuser le médiateur de dettes proposé par elle que pour une cause ou un fait dont elle a eu connaissance après la désignation du médiateur de dettes. Aucune récusation ne peut être proposée après l'expiration du délai de déclaration de créance visé à l'article 1675/9, § 2, à moins que la cause de la récusation n'ait été révélée à la partie après ce délai. La procédure de récusation se déroule conformément aux articles 970 et 971 [3 sans préjudice des dispositions de l'article 1675/15bis]3. (Par dérogation à l'article 971, dernier alinéa, le juge désigne d'office un nouveau médiateur de dettes dans le jugement accordant la récusation.) <L 2005-12-13/35, art. 20, 051; En vigueur : 31-12-2005>
§ 3. Le juge veille au respect des dispositions en matière de règlement collectif de dettes. [1 Il veille notamment à l'inscription de tous les postes indispensables au maintien de la dignité humaine dans le plan de règlement amiable ou judiciaire et veille également à l'indexation du pécule de médiation sur base de l'indice santé.]1 S'il constate une négligence dans le chef du médiateur de dettes, il [3 le notifie au procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter, ou à l'autorité]3 compétente visée au § 1er, 2e tiret, du présent article.
[1 Tous les ans à dater de la décision d'admissibilité ou chaque fois que le juge le demande et au terme du plan de règlement, le médiateur de dettes [3 communique]3 au juge un rapport sur l'état de la procédure et son évolution. Le rapport décrit l'état de la procédure, les devoirs effectués par le médiateur de dettes, les motifs de la prolongation de délais, la situation sociale et financière actualisée et les perspectives d'avenir de la personne, l'état du compte de la médiation et toute information que le médiateur estime utile. Y sera joint soit l'historique des mouvements du compte de médiation, soit le double des extraits de compte.]1
L'état des frais, honoraires ou émoluments, visés à l'article 1675/19, est inscrit au bas du rapport.
[3 [4 Le médiateur de dettes remet une copie du rapport au débiteur. Les créanciers peuvent prendre connaissance de ce rapport sur place ou au greffe]4]3.
§ 4. En cas d'empêchement du médiateur de dettes, le juge pourvoit d'office à son remplacement. Le juge peut, soit d'office, soit à la demande de tout intéressé, procéder à tout moment au remplacement du médiateur de dettes, pour autant que cela s'avère absolument nécessaire. Le médiateur de dettes [2 peut être]2 préalablement convoque en chambre du conseil pour y être entendu.
- les avocats, les officiers ministériels ou les mandataires de justice dans l'exercice de leur profession ou de leur fonction;
- les institutions publiques ou les institutions privées agréées à cet effet par l'autorité compétente. Ces institutions font appel dans ce cadre à des personnes physiques répondant aux conditions fixées par l'autorité compétente.
§ 2. Le médiateur de dettes doit être indépendant et impartial à l'égard des parties concernées.
Le médiateur de dettes peut être récusé s'il existe des raisons légitimes de douter de son impartialité ou de son indépendance. Une partie ne peut récuser le médiateur de dettes proposé par elle que pour une cause ou un fait dont elle a eu connaissance après la désignation du médiateur de dettes. Aucune récusation ne peut être proposée après l'expiration du délai de déclaration de créance visé à l'article 1675/9, § 2, à moins que la cause de la récusation n'ait été révélée à la partie après ce délai. La procédure de récusation se déroule conformément aux articles 970 et 971 [3 sans préjudice des dispositions de l'article 1675/15bis]3. (Par dérogation à l'article 971, dernier alinéa, le juge désigne d'office un nouveau médiateur de dettes dans le jugement accordant la récusation.) <L 2005-12-13/35, art. 20, 051; En vigueur : 31-12-2005>
§ 3. Le juge veille au respect des dispositions en matière de règlement collectif de dettes. [1 Il veille notamment à l'inscription de tous les postes indispensables au maintien de la dignité humaine dans le plan de règlement amiable ou judiciaire et veille également à l'indexation du pécule de médiation sur base de l'indice santé.]1 S'il constate une négligence dans le chef du médiateur de dettes, il [3 le notifie au procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter, ou à l'autorité]3 compétente visée au § 1er, 2e tiret, du présent article.
[1 Tous les ans à dater de la décision d'admissibilité ou chaque fois que le juge le demande et au terme du plan de règlement, le médiateur de dettes [3 communique]3 au juge un rapport sur l'état de la procédure et son évolution. Le rapport décrit l'état de la procédure, les devoirs effectués par le médiateur de dettes, les motifs de la prolongation de délais, la situation sociale et financière actualisée et les perspectives d'avenir de la personne, l'état du compte de la médiation et toute information que le médiateur estime utile. Y sera joint soit l'historique des mouvements du compte de médiation, soit le double des extraits de compte.]1
L'état des frais, honoraires ou émoluments, visés à l'article 1675/19, est inscrit au bas du rapport.
[3 [4 Le médiateur de dettes remet une copie du rapport au débiteur. Les créanciers peuvent prendre connaissance de ce rapport sur place ou au greffe]4]3.
§ 4. En cas d'empêchement du médiateur de dettes, le juge pourvoit d'office à son remplacement. Le juge peut, soit d'office, soit à la demande de tout intéressé, procéder à tout moment au remplacement du médiateur de dettes, pour autant que cela s'avère absolument nécessaire. Le médiateur de dettes [2 peut être]2 préalablement convoque en chambre du conseil pour y être entendu.
Art. 1675/18. <INGEVOEGD bij W 1998-07-05/57, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-1999> Onverminderd de verplichtingen die hem door de wet worden opgelegd en behalve wanneer hij wordt opgeroepen om in rechte te getuigen, mag de schuldbemiddelaar geen feiten bekend maken waarvan hij kennis had uit hoofde van zijn functie. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.
Art. 1675/19. <L 2006-12-27/32, art. 34, 059; En vigueur : 28-12-2006> § 1er. Les règles et tarifs fixant les honoraires, émoluments et frais du médiateur de dettes sont déterminés par le Roi. Le Roi exerce ses pouvoirs sur la proposition conjointe des ministres ayant la Justice et les Affaires économiques dans leurs attributions.
§ 2. L'état d'honoraires, émoluments et frais du médiateur de dettes est à charge du débiteur et est payé par préférence.
Sans préjudice de l'article 1675/9, § 4, pendant l'élaboration du plan, le médiateur retient sur les actifs du débiteur une réserve pour le paiement des honoraires émoluments et frais.
En cas de remise totale de dettes, le juge met à charge du [2 du SPF Economie]2 visé à l'article 20 de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis tout ou partie des honoraires impayés du médiateur.
Si le plan prévoit une remise de dettes en capital et seulement dans la mesure où il est justifié de l'impossibilité pour le requérant de payer les honoraires dans un délai raisonnable, le juge peut mettre à charge [2 du SPF Economie]2 tout ou partie des honoraires impayés du médiateur.
Dans sa demande, le médiateur indique les raisons pour lesquelles la réserve constituée est insuffisante et pour lesquelles le disponible du débiteur est insuffisant pour payer les honoraires.
Le juge indique les raisons qui justifient l'intervention [2 du SPF Economie]2. [1 Le montant des honoraires et frais du médiateur de dettes ne peut dépasser 1.200 euros par dossier, à moins que le juge n'en décide autrement par une décision spécialement motivée.]1
Le projet de plan amiable, visé à l'article1675/10, § 2, et le plan de règlement judiciaire indiquent la manière dont les honoraires, échus et à échoir, sont acquittés par le débiteur.
§ 3. A moins que ces mesures n'aient été arrêtées par la décision visée à l'article 1675/10, § 5, à l'article 1675/12 ou à l'article 1675/13, le juge, sur requête du médiateur de dettes, délivre un titre exécutoire pour la provision qu'il détermine ou pour le montant des honoraires, émoluments et frais qu'il fixe. S'il échet, il entend au préalable en chambre du conseil, les observations du débiteur, des créanciers et du médiateur de dettes. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel. A chaque demande du médiateur de dettes est joint un décompte détaillé des prestations à rémunérer et des frais exposés ou à exposer.
§ 2. L'état d'honoraires, émoluments et frais du médiateur de dettes est à charge du débiteur et est payé par préférence.
Sans préjudice de l'article 1675/9, § 4, pendant l'élaboration du plan, le médiateur retient sur les actifs du débiteur une réserve pour le paiement des honoraires émoluments et frais.
En cas de remise totale de dettes, le juge met à charge du [2 du SPF Economie]2 visé à l'article 20 de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis tout ou partie des honoraires impayés du médiateur.
Si le plan prévoit une remise de dettes en capital et seulement dans la mesure où il est justifié de l'impossibilité pour le requérant de payer les honoraires dans un délai raisonnable, le juge peut mettre à charge [2 du SPF Economie]2 tout ou partie des honoraires impayés du médiateur.
Dans sa demande, le médiateur indique les raisons pour lesquelles la réserve constituée est insuffisante et pour lesquelles le disponible du débiteur est insuffisant pour payer les honoraires.
Le juge indique les raisons qui justifient l'intervention [2 du SPF Economie]2. [1 Le montant des honoraires et frais du médiateur de dettes ne peut dépasser 1.200 euros par dossier, à moins que le juge n'en décide autrement par une décision spécialement motivée.]1
Le projet de plan amiable, visé à l'article1675/10, § 2, et le plan de règlement judiciaire indiquent la manière dont les honoraires, échus et à échoir, sont acquittés par le débiteur.
§ 3. A moins que ces mesures n'aient été arrêtées par la décision visée à l'article 1675/10, § 5, à l'article 1675/12 ou à l'article 1675/13, le juge, sur requête du médiateur de dettes, délivre un titre exécutoire pour la provision qu'il détermine ou pour le montant des honoraires, émoluments et frais qu'il fixe. S'il échet, il entend au préalable en chambre du conseil, les observations du débiteur, des créanciers et du médiateur de dettes. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel. A chaque demande du médiateur de dettes est joint un décompte détaillé des prestations à rémunérer et des frais exposés ou à exposer.
Art. 1675/19. <W 2006-12-27/32, art. 34, 059; Inwerkingtreding : 28-12-2006> § 1er. De regels en barema's tot vaststelling van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar worden door de Koning bepaald. De Koning oefent deze bevoegdheden uit op de gezamenlijke voordracht van de ministers tot wier bevoegdheid Justitie en Economische Zaken behoren.
§ 2. De staat van ereloon, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar komt ten laste van de schuldenaar en wordt bij voorrang betaald.
Onverminderd artikel 1675/9, § 4, houdt de schuldbemiddelaar tijdens de opmaak van de regeling van de baten van het vermogen van de schuldenaar een reserve af voor de betaling van ereloon, emolumenten en kosten.
In geval van totale kwijtschelding van schulden legt de rechter de totale of gedeeltelijke onbetaalde honoraria van de schuldbemiddelaar ten laste van [2 de FOD Economie]2 bedoeld in artikel 20 van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen.
Indien de regeling voorziet in een kwijtschelding van schulden in kapitaal en enkel mits wordt gerechtvaardigd dat de verzoeker in de onmogelijkheid verkeert de honoraria binnen een redelijke termijn te betalen, kan de rechter de totale of gedeeltelijke onbetaalde honoraria van de schuldbemiddelaar ten laste leggen van [2 de FOD Economie]2.
De schuldbemiddelaar duidt in zijn verzoek de redenen aan waarom de aangelegde reserve onvoldoende is en waarom de beschikbare middelen van de schuldenaar ontoereikend zijn om het ereloon te betalen.
De rechter geeft de redenen aan die de interventie van [2 de FOD Economie]2 rechtvaardigen. [1 Het bedrag van de honoraria en de kosten van de schuldbemiddelaar mag per dossier niet hoger liggen dan 1.200 euro, tenzij de rechter er anders over beslist middels een bijzondere gemotiveerde beslissing.]1
In het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling, bedoeld in artikel 1675/10, § 2, en in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling wordt aangegeven hoe de vervallen en te vervallen honoraria worden betaald door de schuldenaar.
§ 3. Tenzij deze maatregelen getroffen werden door de beschikking bedoeld in artikel 1675/10, § 5, in artikel 1675/12 of in artikel 1675/13, geeft de rechter, op verzoek van de schuldbemiddelaar, een bevel tot tenuitvoerlegging voor het voorschot dat hij bepaalt of ten belope van het bedrag van de erelonen, emolumenten en kosten dat hij vaststelt. Zo nodig hoort hij voorafgaandelijk in raadkamer de opmerkingen van de schuldenaar, van de schuldeisers en van de schuldbemiddelaar. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Bij elk verzoek van de schuldbemiddelaar wordt een gedetailleerd overzicht van de te vergoeden prestaties en van de gedragen of te dragen kosten gevoegd.
§ 2. De staat van ereloon, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar komt ten laste van de schuldenaar en wordt bij voorrang betaald.
Onverminderd artikel 1675/9, § 4, houdt de schuldbemiddelaar tijdens de opmaak van de regeling van de baten van het vermogen van de schuldenaar een reserve af voor de betaling van ereloon, emolumenten en kosten.
In geval van totale kwijtschelding van schulden legt de rechter de totale of gedeeltelijke onbetaalde honoraria van de schuldbemiddelaar ten laste van [2 de FOD Economie]2 bedoeld in artikel 20 van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen.
Indien de regeling voorziet in een kwijtschelding van schulden in kapitaal en enkel mits wordt gerechtvaardigd dat de verzoeker in de onmogelijkheid verkeert de honoraria binnen een redelijke termijn te betalen, kan de rechter de totale of gedeeltelijke onbetaalde honoraria van de schuldbemiddelaar ten laste leggen van [2 de FOD Economie]2.
De schuldbemiddelaar duidt in zijn verzoek de redenen aan waarom de aangelegde reserve onvoldoende is en waarom de beschikbare middelen van de schuldenaar ontoereikend zijn om het ereloon te betalen.
De rechter geeft de redenen aan die de interventie van [2 de FOD Economie]2 rechtvaardigen. [1 Het bedrag van de honoraria en de kosten van de schuldbemiddelaar mag per dossier niet hoger liggen dan 1.200 euro, tenzij de rechter er anders over beslist middels een bijzondere gemotiveerde beslissing.]1
In het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling, bedoeld in artikel 1675/10, § 2, en in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling wordt aangegeven hoe de vervallen en te vervallen honoraria worden betaald door de schuldenaar.
§ 3. Tenzij deze maatregelen getroffen werden door de beschikking bedoeld in artikel 1675/10, § 5, in artikel 1675/12 of in artikel 1675/13, geeft de rechter, op verzoek van de schuldbemiddelaar, een bevel tot tenuitvoerlegging voor het voorschot dat hij bepaalt of ten belope van het bedrag van de erelonen, emolumenten en kosten dat hij vaststelt. Zo nodig hoort hij voorafgaandelijk in raadkamer de opmerkingen van de schuldenaar, van de schuldeisers en van de schuldbemiddelaar. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Bij elk verzoek van de schuldbemiddelaar wordt een gedetailleerd overzicht van de te vergoeden prestaties en van de gedragen of te dragen kosten gevoegd.
Art. 1675/19. <L 2006-12-27/32, art. 34, 059; En vigueur : 28-12-2006> § 1er. Les règles et tarifs fixant les honoraires, émoluments et frais du médiateur de dettes sont déterminés par le Roi. Le Roi exerce ses pouvoirs sur la proposition conjointe des ministres ayant la Justice et les Affaires économiques dans leurs attributions.
§ 2. L'état d'honoraires, émoluments et frais du médiateur de dettes est à charge du débiteur et est payé par préférence.
Sans préjudice de l'article 1675/9, § 4, pendant l'élaboration du plan, le médiateur retient sur les actifs du débiteur une réserve pour le paiement des honoraires émoluments et frais.
En cas de remise totale de dettes, le juge met à charge du [2 du SPF Economie]2 visé à l'article 20 de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis tout ou partie des honoraires impayés du médiateur.
Si le plan prévoit une remise de dettes en capital et seulement dans la mesure où il est justifié de l'impossibilité pour le requérant de payer les honoraires dans un délai raisonnable, le juge peut mettre à charge [2 du SPF Economie]2 tout ou partie des honoraires impayés du médiateur.
Dans sa demande, le médiateur indique les raisons pour lesquelles la réserve constituée est insuffisante et pour lesquelles le disponible du débiteur est insuffisant pour payer les honoraires.
Le juge indique les raisons qui justifient l'intervention [2 du SPF Economie]2. [1 Le montant des honoraires et frais du médiateur de dettes ne peut dépasser 1.200 euros par dossier, à moins que le juge n'en décide autrement par une décision spécialement motivée.]1
Le projet de plan amiable, visé à l'article1675/10, § 2, et le plan de règlement judiciaire indiquent la manière dont les honoraires, échus et à échoir, sont acquittés par le débiteur.
§ 3. A moins que ces mesures n'aient été arrêtées par la décision visée à l'article 1675/10, § 5, à l'article 1675/12 ou à l'article 1675/13, le juge, sur requête du médiateur de dettes, délivre un titre exécutoire pour la provision qu'il détermine ou pour le montant des honoraires, émoluments et frais qu'il fixe. S'il échet, il entend au préalable en chambre du conseil, les observations du débiteur, des créanciers et du médiateur de dettes. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel. A chaque demande du médiateur de dettes est joint un décompte détaillé des prestations à rémunérer et des frais exposés ou à exposer.
§ 2. L'état d'honoraires, émoluments et frais du médiateur de dettes est à charge du débiteur et est payé par préférence.
Sans préjudice de l'article 1675/9, § 4, pendant l'élaboration du plan, le médiateur retient sur les actifs du débiteur une réserve pour le paiement des honoraires émoluments et frais.
En cas de remise totale de dettes, le juge met à charge du [2 du SPF Economie]2 visé à l'article 20 de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis tout ou partie des honoraires impayés du médiateur.
Si le plan prévoit une remise de dettes en capital et seulement dans la mesure où il est justifié de l'impossibilité pour le requérant de payer les honoraires dans un délai raisonnable, le juge peut mettre à charge [2 du SPF Economie]2 tout ou partie des honoraires impayés du médiateur.
Dans sa demande, le médiateur indique les raisons pour lesquelles la réserve constituée est insuffisante et pour lesquelles le disponible du débiteur est insuffisant pour payer les honoraires.
Le juge indique les raisons qui justifient l'intervention [2 du SPF Economie]2. [1 Le montant des honoraires et frais du médiateur de dettes ne peut dépasser 1.200 euros par dossier, à moins que le juge n'en décide autrement par une décision spécialement motivée.]1
Le projet de plan amiable, visé à l'article1675/10, § 2, et le plan de règlement judiciaire indiquent la manière dont les honoraires, échus et à échoir, sont acquittés par le débiteur.
§ 3. A moins que ces mesures n'aient été arrêtées par la décision visée à l'article 1675/10, § 5, à l'article 1675/12 ou à l'article 1675/13, le juge, sur requête du médiateur de dettes, délivre un titre exécutoire pour la provision qu'il détermine ou pour le montant des honoraires, émoluments et frais qu'il fixe. S'il échet, il entend au préalable en chambre du conseil, les observations du débiteur, des créanciers et du médiateur de dettes. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel. A chaque demande du médiateur de dettes est joint un décompte détaillé des prestations à rémunérer et des frais exposés ou à exposer.
HOOFDSTUK III. [1 Het centraal register collectieve schuldenregelingen]1
Art. 1675/20. [1 Le registre central des règlements collectifs de dettes, ci-après dénommé "registre", est la banque de données informatisée qui permet la gestion, le suivi et le traitement des procédures de règlement collectif de dettes.
Art. 1675/20. [1 Het centraal register collectieve schuldenregelingen, hierna "register" genoemd, is de geïnformatiseerde gegevensbank voor het beheer, de opvolging en de behandeling van de procedures van collectieve schuldenregeling.
Het register verzamelt alle stukken en gegevens betreffende een procedure van collectieve schuldenregeling, overeenkomstig de artikelen 1675/2 tot 1675/19.
Het register geldt als authentieke bron voor alle akten en gegevens die erin zijn opgenomen.]1
Het register verzamelt alle stukken en gegevens betreffende een procedure van collectieve schuldenregeling, overeenkomstig de artikelen 1675/2 tot 1675/19.
Het register geldt als authentieke bron voor alle akten en gegevens die erin zijn opgenomen.]1
Art. 1675/21. [1 § 1er. L'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies visés à l'article 488 alinéa 1er et alinéa 2, ci-après dénommés "le gestionnaire", mettent en place et gèrent le registre conjointement.
§ 2. En ce qui concerne le fichier visé à l'article 1675/20, le gestionnaire est considéré comme le responsable du traitement au sens de [3 l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données)]3.
§ 3. Le gestionnaire désigne un [2 délégué]2 à la protection des données.
Celui-ci est plus particulièrement chargé :
1° de la remise d'avis qualifiés en matière de protection de la vie privée et de sécurisation des données à caractère personnel et des informations et de leur traitement;
2° d'informer et conseiller le gestionnaire traitant les données à caractère personnel de ses obligations en vertu de la présente loi et du cadre général de la protection des données et de la vie privée;
3° de l'établissement, de la mise en oeuvre, de la mise à jour et du contrôle d'une politique de sécurisation et de protection de la vie privée;
4° d'être le point de contact pour [3 l'Autorité de protection des données]3;
5° de l'exécution des autres missions relatives à la protection de la vie privée et à la sécurisation qui sont déterminées par le Roi, après avis de [3 l'Autorité de protection des données]3.
Dans l'exercice de ses missions, le [2 délégué]2 à la protection des données agit en toute indépendance et rend compte directement au gestionnaire.
Le Roi détermine, après avis de [3 l'Autorité de protection des données]3, les règles selon lesquelles le [2 délégué]2 à la protection des données exerce ses missions.]1
§ 2. En ce qui concerne le fichier visé à l'article 1675/20, le gestionnaire est considéré comme le responsable du traitement au sens de [3 l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données)]3.
§ 3. Le gestionnaire désigne un [2 délégué]2 à la protection des données.
Celui-ci est plus particulièrement chargé :
1° de la remise d'avis qualifiés en matière de protection de la vie privée et de sécurisation des données à caractère personnel et des informations et de leur traitement;
2° d'informer et conseiller le gestionnaire traitant les données à caractère personnel de ses obligations en vertu de la présente loi et du cadre général de la protection des données et de la vie privée;
3° de l'établissement, de la mise en oeuvre, de la mise à jour et du contrôle d'une politique de sécurisation et de protection de la vie privée;
4° d'être le point de contact pour [3 l'Autorité de protection des données]3;
5° de l'exécution des autres missions relatives à la protection de la vie privée et à la sécurisation qui sont déterminées par le Roi, après avis de [3 l'Autorité de protection des données]3.
Dans l'exercice de ses missions, le [2 délégué]2 à la protection des données agit en toute indépendance et rend compte directement au gestionnaire.
Le Roi détermine, après avis de [3 l'Autorité de protection des données]3, les règles selon lesquelles le [2 délégué]2 à la protection des données exerce ses missions.]1
Art. 1675/21. [1 § 1. De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, bedoeld in artikel 488, eerste en tweede lid, hierna "de beheerder" genoemd, staan gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van het register.
§ 2. De beheerder wordt met betrekking tot het in artikel 1675/20 bedoelde bestand beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van [3 artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)]3.
§ 3. De beheerder stelt een [2 functionaris]2 voor de gegevensbescherming aan.
Deze is meer bepaald belast met :
1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;
2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsgegevens behandelt over zijn verplichtingen krachtens deze wet en het algemeen kader van de bescherming van de gegevens en de persoonlijke levenssfeer.
3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
4° het functioneren als contactpunt voor de [3 Gegevensbeschermingsautoriteit]3;
5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de [3 Gegevensbeschermingsautoriteit]3.
Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de [2 functionaris]2 voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt rechtstreeks verslag uit aan de beheerder.
De Koning bepaalt, na advies van de [3 Gegevensbeschermingsautoriteit]3, de nadere regels volgens dewelke de [2 functionaris]2 voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert.]1
§ 2. De beheerder wordt met betrekking tot het in artikel 1675/20 bedoelde bestand beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van [3 artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)]3.
§ 3. De beheerder stelt een [2 functionaris]2 voor de gegevensbescherming aan.
Deze is meer bepaald belast met :
1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;
2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsgegevens behandelt over zijn verplichtingen krachtens deze wet en het algemeen kader van de bescherming van de gegevens en de persoonlijke levenssfeer.
3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
4° het functioneren als contactpunt voor de [3 Gegevensbeschermingsautoriteit]3;
5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de [3 Gegevensbeschermingsautoriteit]3.
Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de [2 functionaris]2 voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt rechtstreeks verslag uit aan de beheerder.
De Koning bepaalt, na advies van de [3 Gegevensbeschermingsautoriteit]3, de nadere regels volgens dewelke de [2 functionaris]2 voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert.]1
Art. 1675/21. [1 § 1er. L'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies visés à l'article 488 alinéa 1er et alinéa 2, ci-après dénommés "le gestionnaire", mettent en place et gèrent le registre conjointement.
§ 2. En ce qui concerne le fichier visé à l'article 1675/20, le gestionnaire est considéré comme le responsable du traitement au sens de [3 l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données)]3.
§ 3. Le gestionnaire désigne un [2 délégué]2 à la protection des données.
Celui-ci est plus particulièrement chargé :
1° de la remise d'avis qualifiés en matière de protection de la vie privée et de sécurisation des données à caractère personnel et des informations et de leur traitement;
2° d'informer et conseiller le gestionnaire traitant les données à caractère personnel de ses obligations en vertu de la présente loi et du cadre général de la protection des données et de la vie privée;
3° de l'établissement, de la mise en oeuvre, de la mise à jour et du contrôle d'une politique de sécurisation et de protection de la vie privée;
4° d'être le point de contact pour [3 l'Autorité de protection des données]3;
5° de l'exécution des autres missions relatives à la protection de la vie privée et à la sécurisation qui sont déterminées par le Roi, après avis de [3 l'Autorité de protection des données]3.
Dans l'exercice de ses missions, le [2 délégué]2 à la protection des données agit en toute indépendance et rend compte directement au gestionnaire.
Le Roi détermine, après avis de [3 l'Autorité de protection des données]3, les règles selon lesquelles le [2 délégué]2 à la protection des données exerce ses missions.]1
§ 2. En ce qui concerne le fichier visé à l'article 1675/20, le gestionnaire est considéré comme le responsable du traitement au sens de [3 l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données)]3.
§ 3. Le gestionnaire désigne un [2 délégué]2 à la protection des données.
Celui-ci est plus particulièrement chargé :
1° de la remise d'avis qualifiés en matière de protection de la vie privée et de sécurisation des données à caractère personnel et des informations et de leur traitement;
2° d'informer et conseiller le gestionnaire traitant les données à caractère personnel de ses obligations en vertu de la présente loi et du cadre général de la protection des données et de la vie privée;
3° de l'établissement, de la mise en oeuvre, de la mise à jour et du contrôle d'une politique de sécurisation et de protection de la vie privée;
4° d'être le point de contact pour [3 l'Autorité de protection des données]3;
5° de l'exécution des autres missions relatives à la protection de la vie privée et à la sécurisation qui sont déterminées par le Roi, après avis de [3 l'Autorité de protection des données]3.
Dans l'exercice de ses missions, le [2 délégué]2 à la protection des données agit en toute indépendance et rend compte directement au gestionnaire.
Le Roi détermine, après avis de [3 l'Autorité de protection des données]3, les règles selon lesquelles le [2 délégué]2 à la protection des données exerce ses missions.]1
Art. 1675/22. [1 § 1. De magistraten van de rechterlijke orde bedoeld in artikel 58bis, [3 de FOD Economie,]3 de griffiers [4 , in voorkomend geval de betrokken notaris(sen) en gerechtsdeurwaarder,]4 en de schuldbemiddelaars, in het kader van de vervulling van hun wettelijke opdrachten, alsook de schuldenaar, de schuldeisers [4 , de derden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, alsook de wettelijke vertegenwoordiger of gerechtelijk mandataris, de derden bedoeld in artikel 1675/8, eerste lid,]4 en de beheerder hebben toegang tot de voor hen relevante in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, na advies van de [5 Gegevensbeschermingsautoriteit]5.
De Koning kan, na advies van de [5 Gegevensbeschermingsautoriteit]5, andere categorieën van personen de toestemming geven om die gegevens te raadplegen onder de voorwaarden die Hij bepaalt.
[2 De Koning bepaalt, na advies van de [5 Gegevensbeschermingsautoriteit]5, de nadere regels voor de toegang tot het register voor de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie die belast zijn met de betaling van de staten van erelonen, kosten en emolumenten van de schuldbemiddelaar.]2
§ 2. Het is de beheerder verboden om de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens te verstrekken aan andere dan de in paragraaf 1 bedoelde personen.
Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen.
Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.]1
De Koning kan, na advies van de [5 Gegevensbeschermingsautoriteit]5, andere categorieën van personen de toestemming geven om die gegevens te raadplegen onder de voorwaarden die Hij bepaalt.
[2 De Koning bepaalt, na advies van de [5 Gegevensbeschermingsautoriteit]5, de nadere regels voor de toegang tot het register voor de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie die belast zijn met de betaling van de staten van erelonen, kosten en emolumenten van de schuldbemiddelaar.]2
§ 2. Het is de beheerder verboden om de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens te verstrekken aan andere dan de in paragraaf 1 bedoelde personen.
Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen.
Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.]1
Änderungen
Art. 1675/22. [1 § 1er. Les magistrats de l'ordre judiciaire visés à l'article 58bis, [3 le SPF Economie,]3 les greffiers [4 , le cas échéant le(s) notaire(s) et l'huissier de justice concernés,]4 et les médiateurs de dettes, dans le cadre de l'accomplissement de leurs missions légales, ainsi que le débiteur, les créanciers [4 , les tiers qui fournissent l'assistance judiciaire à titre professionnel ainsi que le représentant légal ou mandataire judiciaire, les tiers visés à l'article 1675/8, alinéa 1er,]4 et le gestionnaire ont accès aux données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, qui sont pertinentes pour eux, selon les modalités fixées par le Roi, après avis de [5 l'Autorité de protection des données]5.
Le Roi peut, après avis de [5 l'Autorité de protection des données]5, permettre à d'autres catégories de personnes de consulter ces données dans les conditions qu'Il détermine.
[2 Le Roi détermine, après avis de l'Autorité de protection des données, les modalités d'accès au registre pour les fonctionnaires du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, chargés du paiement d'états d'honoraires, des émoluments et des frais du médiateur de dettes.]2
§ 2. Le gestionnaire n'est pas autorisé à communiquer les données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, à d'autres personnes que celles visées au paragraphe 1er.
Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, ou a connaissance de telles données est tenu d'en respecter le caractère confidentiel.
L'article 458 du Code pénal lui est applicable.]1
Le Roi peut, après avis de [5 l'Autorité de protection des données]5, permettre à d'autres catégories de personnes de consulter ces données dans les conditions qu'Il détermine.
[2 Le Roi détermine, après avis de l'Autorité de protection des données, les modalités d'accès au registre pour les fonctionnaires du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, chargés du paiement d'états d'honoraires, des émoluments et des frais du médiateur de dettes.]2
§ 2. Le gestionnaire n'est pas autorisé à communiquer les données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, à d'autres personnes que celles visées au paragraphe 1er.
Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, ou a connaissance de telles données est tenu d'en respecter le caractère confidentiel.
L'article 458 du Code pénal lui est applicable.]1
Änderungen
Art. 1675/23. [1 De beheerder stelt, op de door de Koning, na advies van de [2 Gegevensbeschermingsautoriteit]2, bepaalde wijze, de schuldenaar in kennis van :
1° de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens die hem betreffen;
2° de categorieën van personen die toegang hebben tot de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens;
3° de bewaartermijn van de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens;
4° de in artikel 1675/21, § 2, bedoelde verantwoordelijke voor de verwerking;
5° de wijze waarop hij inzage kan verkrijgen van de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens.]1
1° de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens die hem betreffen;
2° de categorieën van personen die toegang hebben tot de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens;
3° de bewaartermijn van de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens;
4° de in artikel 1675/21, § 2, bedoelde verantwoordelijke voor de verwerking;
5° de wijze waarop hij inzage kan verkrijgen van de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens.]1
Art. 1675/23. [1 Le gestionnaire informe le débiteur, selon les modalités fixées par le Roi après avis de [2 l'Autorité de protection des données]2 :
1° des données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, qui le concernent;
2° des catégories de personnes qui ont accès aux données visées au 1° ;
3° du délai de conservation des données visées au 1° ;
4° du responsable du traitement visé à l'article 1675/21, § 2;
5° de la manière dont il peut obtenir accès aux données visées au 1°.]1
1° des données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, qui le concernent;
2° des catégories de personnes qui ont accès aux données visées au 1° ;
3° du délai de conservation des données visées au 1° ;
4° du responsable du traitement visé à l'article 1675/21, § 2;
5° de la manière dont il peut obtenir accès aux données visées au 1°.]1
Art. 1675/24. [1 De gegevens bedoeld in artikel 1675/20, tweede lid, worden bewaard gedurende de vijf jaren die volgen op het einde van de slotverrichtingen van de procedure van collectieve schuldenregeling.
Na afloop van deze termijn worden de gegevens naar het Rijksarchief overgebracht.]1
Na afloop van deze termijn worden de gegevens naar het Rijksarchief overgebracht.]1
Art. 1675/24. [1 Les données visées à l'article 1675/20, alinéa 2, sont conservées pendant les cinq années qui suivent la fin des opérations de clôture de la procédure en règlement collectif de dettes.
A l'expiration de ce délai, les données sont déposées aux Archives de l'Etat.]1
A l'expiration de ce délai, les données sont déposées aux Archives de l'Etat.]1
Art. 1675/25. [1 De beheerder staat in voor de controle op de werking en het gebruik van het register.]1
Art. 1675/26. [1 Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire et de [2 l'Autorité de protection des données]2, les données du registre ainsi que les modalités de mise en place et de fonctionnement du registre.]1
Art. 1675/26. [1 De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder en de [2 Gegevensbeschermingsautoriteit]2, de gegevens van en de nadere regels voor de inrichting en werking van het register.]1
Art. 1675/27. [1 § 1er. Les frais de mise en place du registre sont financés par le Service Public Fédéral Justice. Le Roi détermine le montant, les conditions d'octroi, les modalités de paiement, la gestion et le contrôle des subventions relatives à la mise en place du registre.
§ 2. L'enregistrement, la consultation, la modification, le renouvellement et la suppression des données dans le registre ainsi que la gestion d'un dossier de règlement collectif de dettes peuvent donner lieu à la perception d'une redevance annuelle afin de couvrir les coûts engendrés par la gestion du registre. Cette redevance ne doit en aucun cas être supportée par le débiteur [2 et est à charge du compte de médiation visé à l'article 1675/9, § 1er, alinéa 1er, 4°]2.
Les redevances sont payables au gestionnaire et perçues par ce dernier.
Le montant, les conditions et les modalités de perception de la redevance sont déterminés par le Roi après avis du gestionnaire.
Le gestionnaire fait rapport chaque année avant fin mai aux ministres ayant la Justice et l'Economie dans leurs attributions en ce qui concerne les revenus et les dépenses du registre.
§ 3. Le montant de la redevance visée au paragraphe 2 est adapté de plein droit à l'évolution de l'indice des prix à la consommation, le premier janvier de chaque année, selon la formule suivante: le nouveau montant est égal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
L'indice de départ est celui du mois de décembre de l'année au cours de laquelle le montant de la redevance visée a été arrêté. Le nouvel indice est celui du mois de décembre de l'année qui précède le premier janvier de l'année au cours de laquelle l'adaptation a lieu.
Le résultat est arrondi à l'unité supérieure.]1
§ 2. L'enregistrement, la consultation, la modification, le renouvellement et la suppression des données dans le registre ainsi que la gestion d'un dossier de règlement collectif de dettes peuvent donner lieu à la perception d'une redevance annuelle afin de couvrir les coûts engendrés par la gestion du registre. Cette redevance ne doit en aucun cas être supportée par le débiteur [2 et est à charge du compte de médiation visé à l'article 1675/9, § 1er, alinéa 1er, 4°]2.
Les redevances sont payables au gestionnaire et perçues par ce dernier.
Le montant, les conditions et les modalités de perception de la redevance sont déterminés par le Roi après avis du gestionnaire.
Le gestionnaire fait rapport chaque année avant fin mai aux ministres ayant la Justice et l'Economie dans leurs attributions en ce qui concerne les revenus et les dépenses du registre.
§ 3. Le montant de la redevance visée au paragraphe 2 est adapté de plein droit à l'évolution de l'indice des prix à la consommation, le premier janvier de chaque année, selon la formule suivante: le nouveau montant est égal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
L'indice de départ est celui du mois de décembre de l'année au cours de laquelle le montant de la redevance visée a été arrêté. Le nouvel indice est celui du mois de décembre de l'année qui précède le premier janvier de l'année au cours de laquelle l'adaptation a lieu.
Le résultat est arrondi à l'unité supérieure.]1
Art. 1675/27. [1 § 1. De oprichtingskosten van het register worden gefinancierd door de Federale Overheidsdienst Justitie. De Koning bepaalt het bedrag, de toekenningsvoorwaarden, de betalingsmodaliteiten en het beheer van en de controle op de toelagen voor de oprichting van het register.
§ 2. De registratie, de raadpleging, de wijziging, de hernieuwing en de verwijdering van gegevens in het register alsook het beheer van een dossier van collectieve schuldenregeling kunnen aanleiding geven tot de inning van een jaarlijkse retributie teneinde de kosten te dekken die veroorzaakt worden door het beheer van het register. Deze retributie mag in geen geval door de schuldenaar worden gedragen [2 en komt ten laste van de in artikel 1675/9, § 1, eerste lid, 4°, bedoelde bemiddelingsrekening]2.
De retributies zijn betaalbaar aan en worden geïnd door de beheerder.
Het bedrag, de voorwaarden en de nadere regels van de inning van de retributie worden door de Koning na advies van de beheerder bepaald.
De beheerder brengt elk jaar voor einde mei verslag uit aan de ministers bevoegd voor Justitie en voor Economie met betrekking tot de inkomsten en uitgaven van het register.
§ 3. Het bedrag van de retributie bedoeld in paragraaf 2 wordt op de eerste januari van ieder jaar aan de hand van de volgende formule van rechtswege aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het beginindexcijfer.
Het beginindexcijfer is dat van de maand december van het jaar gedurende hetwelk het bedrag van de retributie is vastgesteld. Het nieuwe indexcijfer is dat van de maand december van het jaar voorafgaand aan de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk de aanpassing gebeurt.
Het resultaat wordt op een eenheid naar boven afgerond.]1
§ 2. De registratie, de raadpleging, de wijziging, de hernieuwing en de verwijdering van gegevens in het register alsook het beheer van een dossier van collectieve schuldenregeling kunnen aanleiding geven tot de inning van een jaarlijkse retributie teneinde de kosten te dekken die veroorzaakt worden door het beheer van het register. Deze retributie mag in geen geval door de schuldenaar worden gedragen [2 en komt ten laste van de in artikel 1675/9, § 1, eerste lid, 4°, bedoelde bemiddelingsrekening]2.
De retributies zijn betaalbaar aan en worden geïnd door de beheerder.
Het bedrag, de voorwaarden en de nadere regels van de inning van de retributie worden door de Koning na advies van de beheerder bepaald.
De beheerder brengt elk jaar voor einde mei verslag uit aan de ministers bevoegd voor Justitie en voor Economie met betrekking tot de inkomsten en uitgaven van het register.
§ 3. Het bedrag van de retributie bedoeld in paragraaf 2 wordt op de eerste januari van ieder jaar aan de hand van de volgende formule van rechtswege aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het beginindexcijfer.
Het beginindexcijfer is dat van de maand december van het jaar gedurende hetwelk het bedrag van de retributie is vastgesteld. Het nieuwe indexcijfer is dat van de maand december van het jaar voorafgaand aan de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk de aanpassing gebeurt.
Het resultaat wordt op een eenheid naar boven afgerond.]1
Art. 1675/27. [1 § 1er. Les frais de mise en place du registre sont financés par le Service Public Fédéral Justice. Le Roi détermine le montant, les conditions d'octroi, les modalités de paiement, la gestion et le contrôle des subventions relatives à la mise en place du registre.
§ 2. L'enregistrement, la consultation, la modification, le renouvellement et la suppression des données dans le registre ainsi que la gestion d'un dossier de règlement collectif de dettes peuvent donner lieu à la perception d'une redevance annuelle afin de couvrir les coûts engendrés par la gestion du registre. Cette redevance ne doit en aucun cas être supportée par le débiteur [2 et est à charge du compte de médiation visé à l'article 1675/9, § 1er, alinéa 1er, 4°]2.
Les redevances sont payables au gestionnaire et perçues par ce dernier.
Le montant, les conditions et les modalités de perception de la redevance sont déterminés par le Roi après avis du gestionnaire.
Le gestionnaire fait rapport chaque année avant fin mai aux ministres ayant la Justice et l'Economie dans leurs attributions en ce qui concerne les revenus et les dépenses du registre.
§ 3. Le montant de la redevance visée au paragraphe 2 est adapté de plein droit à l'évolution de l'indice des prix à la consommation, le premier janvier de chaque année, selon la formule suivante: le nouveau montant est égal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
L'indice de départ est celui du mois de décembre de l'année au cours de laquelle le montant de la redevance visée a été arrêté. Le nouvel indice est celui du mois de décembre de l'année qui précède le premier janvier de l'année au cours de laquelle l'adaptation a lieu.
Le résultat est arrondi à l'unité supérieure.]1
§ 2. L'enregistrement, la consultation, la modification, le renouvellement et la suppression des données dans le registre ainsi que la gestion d'un dossier de règlement collectif de dettes peuvent donner lieu à la perception d'une redevance annuelle afin de couvrir les coûts engendrés par la gestion du registre. Cette redevance ne doit en aucun cas être supportée par le débiteur [2 et est à charge du compte de médiation visé à l'article 1675/9, § 1er, alinéa 1er, 4°]2.
Les redevances sont payables au gestionnaire et perçues par ce dernier.
Le montant, les conditions et les modalités de perception de la redevance sont déterminés par le Roi après avis du gestionnaire.
Le gestionnaire fait rapport chaque année avant fin mai aux ministres ayant la Justice et l'Economie dans leurs attributions en ce qui concerne les revenus et les dépenses du registre.
§ 3. Le montant de la redevance visée au paragraphe 2 est adapté de plein droit à l'évolution de l'indice des prix à la consommation, le premier janvier de chaque année, selon la formule suivante: le nouveau montant est égal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
L'indice de départ est celui du mois de décembre de l'année au cours de laquelle le montant de la redevance visée a été arrêté. Le nouvel indice est celui du mois de décembre de l'année qui précède le premier janvier de l'année au cours de laquelle l'adaptation a lieu.
Le résultat est arrondi à l'unité supérieure.]1