Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
10 OKTOBER 1967. - Gerechtelijk Wetboek. - ZEVENDE DEEL : Bemiddeling (art. 1723/1 tot 1737) <Ingevoegd bij W 2005-02-21/36, art. 8 tot 21; Inwerkingtreding : 30-09-2005, uitgezonderd art. 11; Inwerkingtreding : 22-03-2005>. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-03-2005 en tekstbijwerking tot 28-05-2024)
Titre
10 OCTOBRE 1967. - CODE JUDICIAIRE. - Septième partie : LA MEDIATION (art. 1723/1 à 1737) <Inséré par L 2005-02-21/36, art. 8 à 21; En vigueur : 30-09-2005, sauf art. 11; En vigueur : 22-03-2005>. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-03-2005 et mise à jour au 28-05-2024)
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (25)
Texte (25)
HOOFDSTUK I. - Algemene beginselen. .
CHAPITRE PREMIER. - Principes généraux. .
Art. 1723/1. [1 De bemiddeling is een vertrouwelijk en gestructureerd proces van vrijwillig overleg tussen conflicterende partijen met de medewerking van een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige derde die de communicatie vergemakkelijkt en poogt de partijen ertoe te brengen zelf een oplossing uit te werken.]1
  
Art. 1723/1. [1 La médiation est un processus confidentiel et structuré de concertation volontaire entre parties en conflit qui se déroule avec le concours d'un tiers indépendant, neutre et impartial qui facilite la communication et tente de conduire les parties à élaborer elles-mêmes une solution.]1
  
Artikel1724. [1 Kunnen het voorwerp van een bemiddeling uitmaken:
   1° de al dan niet grensoverschrijdende geschillen van vermogensrechtelijke aard, met inbegrip van de geschillen waarbij een publiekrechtelijke rechtspersoon is betrokken;
   2° de niet-vermogensrechtelijke geschillen die vatbaar zijn voor dading, met inbegrip van de geschillen waarbij een publiekrechtelijke rechtspersoon is betrokken;
   3° de geschillen bedoeld in artikel 572bis, 3°, 4°, 6° tot 10° en 12° tot 15°, en de geschillen voortvloeiend uit de feitelijke samenwoning.]1

  
Article1724. [1 Peuvent faire l'objet d'une médiation:
   1° les différends de nature patrimoniale, transfrontaliers ou non, en ce compris les différends impliquant une personne morale de droit public;
   2° les différends de nature non patrimoniale susceptibles d'être réglés par transaction, en ce compris les différends impliquant une personne morale de droit public;
   3° les différends visés à l'article 572bis, 3°, 4°, 6° à 10° et 12 à 15°, et les différends découlant de la cohabitation de fait.]1

  
Art.1725. <INGEVOEGD bij W 2005-02-21/36, art. 9; Inwerkingtreding : 30-09-2005> § 1. Elke overeenkomst kan een bemiddelingsbeding bevatten, waarbij de partijen zich ertoe verbinden voor eventuele geschillen in verband met de geldigheid, totstandkoming, uitlegging, uitvoering of verbreking van de overeenkomst eerst een beroep te doen op bemiddeling en pas dan op elke andere vorm van geschillenbeslechting.
  § 2. De rechter of de arbiter bij wie een aan een bemiddelingsbeding onderworpen geschil aanhangig is gemaakt, schort, op verzoek van een partij, de behandeling van de zaak op, tenzij er ten aanzien van dat geschil geen geldig beding is of dit is geëindigd. De exceptie moet vóór enige andere exceptie of verweer worden voorgedragen. De behandeling van de zaak wordt voortgezet zodra de partijen of een van hen aan de griffie en aan de andere partijen hebben meegedeeld dat de bemiddeling beëindigd is.
  § 3. Het bemiddelingsbeding vormt geen beletsel voor verzoeken tot het treffen van voorlopige of bewarende maatregelen. De indiening van dergelijke verzoeken brengt niet mee dat men van de bemiddeling afziet. "
Art.1725. § 1er. Tout contrat peut contenir une clause de médiation, par laquelle les parties s'engagent à recourir à la médiation préalablement à tout autre mode de résolution des éventuels différends que la validité, la formation, l'interprétation, l'exécution ou la rupture du contrat pourrait susciter.
  § 2. Le juge ou l'arbitre saisi d'un différend faisant l'objet d'une clause de médiation suspend l'examen de la cause à la demande d'une partie, à moins qu'en ce qui concerne ce différend, la clause ne soit pas valable ou ait pris fin. L'exception doit être proposée avant tout autre moyen de défense et exception. L'examen de la cause est poursuivi dès que les parties ou l'une d'elles, ont notifié au greffe et aux autres parties que la médiation a pris fin.
  § 3. La clause de médiation ne fait pas obstacle aux demandes de mesures provisoires et conservatoires. L'introduction de telles demandes n'entraîne pas renonciation à la médiation.
Art.1726. <INGEVOEGD bij W 2005-02-21/36, art. 10; Inwerkingtreding : 30-09-2005> § 1. Door de in artikel 1727 bedoelde commissie kunnen worden erkend de bemiddelaars die minstens voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° [1 ...]1
  2° [1 het gevolgd hebben van een theoretische opleiding, met inzonderheid een juridische component, en praktische vorming in bemiddelingsvaardigheid en het bemiddelingsproces, waarbij de focus ligt op de algemene en specifieke kennis en competenties eigen aan een bijzonder domein van de bemiddelingspraktijk in de zin van dit Wetboek en geslaagd zijn voor de desbetreffende evaluatieproeven;]1
  3° [1 de noodzakelijke waarborgen inzake onafhankelijkheid, neutraliteit en onpartijdigheid bieden voor de uitoefening van het beroep van erkend bemiddelaar;]1
  4° niet het voorwerp zijn geweest van een in het strafregister opgenomen veroordeling die onverenigbaar is met de uitoefening van de functie van erkend bemiddelaar;
  5° geen tuchtsanctie of administratieve sanctie hebben opgelopen die onverenigbaar is met de uitoefening van de functie van erkend bemiddelaar noch het voorwerp zijn geweest van een intrekking van een erkenning;
  [1 6° schriftelijk verklaren in te stemmen met de deontologische code opgesteld door de federale bemiddelingscommissie, en haar na te leven voor de hele duur van de erkenning.]1
  [1 § 1/1. Voor de toepassing van dit Wetboek wordt onder bemiddelaar een erkend bemiddelaar verstaan.
   § 1/2. Een bemiddelaar wiens erkenning werd ingetrokken met toepassing van artikel 1727/5, § 4, mag, onder voorbehoud van een rehabilitatie door de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling, pas een nieuwe erkenningsaanvraag indienen na een periode van tien jaar vanaf de betekening van de intrekkingsbeslissing.]1

  § 2. De erkende bemiddelaars volgen een permanente vorming waarvan het programma erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie.
  § 3. Dit artikel is eveneens van toepassing ingeval [1 van cobemiddeling]1.
  [1 § 4. Niemand mag de titel van "erkend bemiddelaar" gebruiken, alleen of in combinatie met andere termen, zonder dat hij is opgenomen op de lijst van erkende bemiddelaars bedoeld in artikel 1727.]1
  
Art.1726. § 1er. Peuvent être agréés par la commission visée à l'article 1727 les médiateurs qui répondent au moins aux conditions suivantes :
  1° [1 ...]1
  2° [1 avoir suivi une formation théorique, comprenant notamment un volet juridique, et pratique, relative à l'aptitude à la médiation et au processus, portant sur les connaissances et compétences générales et spécifiques à un domaine particulier de pratique de la médiation au sens du présent Code et avoir réussi les épreuves d'évaluation y attachées;]1
  3°[1 présenter les garanties d'indépendance, de neutralité et d'impartialité nécessaires à l'exercice de la profession de médiateur agréé;]1
  4° ne pas avoir fait l'objet d'une condamnation inscrite au casier judiciaire et incompatible avec l'exercice de la fonction de médiateur agréé;
  5° ne pas avoir encouru de sanction disciplinaire ou administrative, incompatible avec l'exercice de la fonction de médiateur agréé, ni avoir fait l'objet de retrait d'agrément;
  [1 6° déclarer par écrit adhérer au code de déontologie établi par la Commission fédérale de médiation et le respecter pendant toute la durée de l'agrément.]1
  [1 § 1er/1. Pour l'application du présent Code, on entend par médiateur, le médiateur agréé.
   § 1er/2. Sous réserve de la situation d'une réhabilitation par la commission disciplinaire et de traitement des plaintes, un médiateur dont l'agrément a été retiré en application de l'article 1727/5, § 4, ne peut introduire une nouvelle demande d'agrément qu'après une période de dix ans à dater de la notification de la décision de retrait.]1

  § 2. Les médiateurs agréés se soumettent à une formation continue dont le programme est agréé par la commission visée à l'article 1727.
  § 3. Cet article s'applique également [1 en cas de co-médiation.]1
  [1 § 4. Nul ne peut utiliser le titre de "médiateur agréé", seul ou en combinaison avec d'autres termes, sans figurer sur la liste des médiateurs agréés visée à l'article 1727.]1
  
Art.1727. [1 § 1. Er wordt een Federale bemiddelingscommissie ingesteld, hierna genoemd, de Commissie, samengesteld uit [3 dertig]3 leden.
   De Commissie bestaat uit een algemene vergadering en uit volgende organen : een bureau, een vaste commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars, een vaste commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming, een commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling en bijzondere commissies.
   Onder voorbehoud van de permanente commissies, telt de Commissie evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden in haar organen.
   Om rechtsgeldig te beraadslagen en te beslissen, moet de meerderheid van de leden van elk orgaan en van elke taalgroep aanwezig zijn. Indien een vast lid afwezig of verhinderd is, vervangt zijn plaatsvervanger hem. De beslissingen worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of van de ondervoorzitter die hem vervangt, doorslaggevend.
   § 2. De opdrachten van de Commissie zijn de volgende:
   1° de instanties voor de opleiding van bemiddelaars en de opleiding die zij organiseren, erkennen of de erkenning ervan intrekken;
   2° de minimumprogramma's inzake theoretische en praktische opleiding bepalen [2 die de kandidaten-bemiddelaars moeten volgen en die daadwerkelijk door de opleidingsinstantie moeten worden beoordeeld;]2
  [2 2° /1 de voorwaarden en de procedure voor de erkenning van bemiddelaars bepalen;]2
   3° de bemiddelaars erkennen naargelang de bijzondere domeinen van de bemiddelingspraktijk;
   4° beslissen over de inschrijving op de lijst van bemiddelaars gevestigd in landen van zowel de Europese Unie als daarbuiten, die een erkenning verkregen hebben van een daartoe gemachtigde instantie in dat land;
   5° een deontologische code opstellen;
   6° behandelen van de klachten tegen bemiddelaars of tegen de instellingen die de opleidingen verschaffen; advies verlenen in geval van betwisting van het honorarium van bemiddelaars en sancties opleggen jegens bemiddelaars die niet meer zouden voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 1726 of aan de bepalingen van de deontologische code opgesteld door de Commissie;
   7° zorgen voor de periodieke publicatie van alle reglementaire beslissingen van de Commissie in het Belgisch Staatsblad;
   8° de sanctieprocedure ten aanzien van de bemiddelaars bepalen;
   9° [3 een met redenen omkleed advies verlenen aan de minister van Justitie met betrekking tot de voorwaarden waaraan een representatieve instantie voor de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat noch dat van notaris noch dat van gerechtsdeurwaarder noch dat van magistraat uitoefenen en die geen emeritus- of eremagistraat zijn, moet voldoen om als representatief te gelden;]3
   10° [2 de lijst van bemiddelaars opstellen volgens de bijzondere domeinen van de bemiddelingspraktijk en deze lijst verspreiden]2 bij de hoven en rechtbanken, bij de federale, gemeenschaps-, gewestelijke en lokale overheden;
   11° het publiek inlichten over de mogelijkheden geboden door bemiddeling;
   12° alle nodige maatregelen nemen om de behoorlijke uitoefening van de bemiddeling te bevorderen, en inzonderheid nieuwe methodes en praktijken van bemiddeling en andere vormen van geschillenoplossing te onderzoeken en te ondersteunen;
   13° een jaarverslag over de uitvoering van haar wettelijke opdrachten, bedoeld in artikel 1727/1, vijfde lid, opmaken en bekendmaken op haar website;
   14° waken over de goede organisatie van haar bureau en van haar commissies.
  [3 § 2/1. De algemene vergadering en het bureau kunnen deskundigen raadplegen en hen uitnodigen om deel te nemen aan hun vergaderingen. Zij hebben een raadgevende stem.]3
  § 3. De minister van Justitie stelt aan de federale bemiddelingscommissie het personeel alsook de middelen ter beschikking die nodig zijn voor haar werking. De Koning bepaalt welk presentiegeld aan de leden van de federale bemiddelingscommissie en aan de leden van de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling kan worden toegekend alsook de vergoedingen die hen kunnen worden toegekend als terugbetaling van hun reis- en verblijfkosten.]1

  
Art.1727. [1 § 1er. Il est institué une Commission fédérale de médiation, ci-après dénommée la Commission, composée de [3 trente]3 membres.
   La Commission est composée d'une assemblée générale et des organes suivants : un bureau, une commission permanente pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers, une commission permanente pour l'agrément des formations et le suivi de la formation permanente, une commission disciplinaire et de traitement des plaintes et des commissions spéciales.
   Sous réserve des commissions permanentes, la Commission compte au sein de ses organes autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise.
   Pour délibérer et prendre des décisions valablement, la majorité des membres de chaque organe et de chaque groupe linguistique doit être présente. En cas d'absence ou d'empêchement d'un membre effectif, son suppléant le remplace. Les décisions sont prises à la majorité simple des voix. En cas de parité des voix, la voix du président ou du vice-président qui le remplace est prépondérante.
   § 2. Les missions de la Commission sont les suivantes :
   1° agréer les organes de formation des médiateurs et les formations qu'ils organisent ou retirer cet agrément;
   2° déterminer les programmes minimaux de formation théorique et pratique devant être suivis [2 par les candidats médiateurs et devant faire l'objet d'une évaluation effective organisée par l'organe de formation;]2
  [2 2° /1 déterminer les conditions et la procédure d'agrément des médiateurs;]2
   3° agréer les médiateurs en fonction des domaines particuliers de pratique de la médiation;
   4° décider de l'inscription sur la liste des médiateurs établis dans un pays membre ou non membre de l'Union européenne, qui ont été agréés par une instance habilitée à cet effet dans ce pays;
   5° établir un code de déontologie;
   6° traiter les plaintes à l'encontre des médiateurs ou des organismes qui dispensent les formations, donner des avis en cas de contestation des honoraires des médiateurs et imposer des sanctions à l'encontre des médiateurs qui ne satisferaient plus aux conditions prévues à l'article 1726 ou aux dispositions du code de déontologie établi par la Commission;
   7° publier périodiquement au Moniteur belge l'ensemble des décisions réglementaires de la Commission;
   8° déterminer la procédure de sanction à l'égard des médiateurs;
   9° [3 rendre des avis motivés au ministre de la Justice sur les conditions auxquelles une instance représentative pour les médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire, ni celle d'huissier de justice, ni celle de magistrat, et qui ne sont ni magistrats émérites ou honoraires doit répondre pour pouvoir être représentative;]3
   10° [2 dresser la liste des médiateurs en fonction des domaines particuliers de pratique de la médiation et la diffuser]2 auprès des cours et tribunaux, des autorités fédérales, communautaires et régionales et des pouvoirs locaux;
   11° informer le public des possibilités offertes par la médiation;
   12° prendre toutes les mesures nécessaires pour promouvoir le bon exercice de la médiation, et en particulier examiner et soutenir de nouvelles méthodes et pratiques de médiation et d'autres modes de résolution des litiges;
   13° rédiger et publier, sur son site internet, un rapport annuel portant sur l'exécution de ses missions légales comme prévu à l'article 1727/1, alinéa 5;
   14° veiller à la bonne organisation de son bureau et de ses commissions.
  [3 § 2/1. L'assemblée générale et le bureau peuvent consulter des experts et les inviter à participer à leurs réunions. Ils ont une voix consultative.]3
  § 3. Le ministre de la Justice met à disposition de la commission fédérale de médiation le personnel et les moyens nécessaires à son fonctionnement. Le Roi détermine le jeton de présence qui peut être alloué aux membres de la commission fédérale de médiation et aux membres de la commission disciplinaire et de traitement des plaintes ainsi que les indemnités qui peuvent leur être allouées en remboursement de leurs frais de parcours et de séjour.]]1

  
Art. 1727/1. [1 De algemene vergadering bestaat uit de vaste en plaatsvervangende leden van het bureau en van de vaste commissies, met uitzondering van de assessoren van de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling en van de leden van de bijzondere commissies.
   De algemene vergadering hecht haar goedkeuring met een meerderheid van haar leden [2 ...]2, aan alle beslissingen, adviezen en andere maatregelen gerealiseerd in uitvoering van artikel 1727, § 2, met uitzondering van de aangelegenheden die volgens een uitdrukkelijke bepaling van het zevende deel exclusief onder het bureau vallen, en van de opdrachten die vallen onder de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling.
   Zij bepaalt, na goedkeuring van de minister van Justitie, welke bijzondere commissies moeten worden opgericht alsook de samenstelling en opdrachten ervan. Zij beslist ook, na goedkeuring van de minister van Justitie, over de opheffing van zulke commissies. De algemene vergadering wijst de vaste en plaatsvervangende leden van de bijzondere commissies aan.
   Elke bevoegdheid die niet uitdrukkelijk bij wet is toegewezen aan een orgaan van de Commissie valt onder de opdrachten van de algemene vergadering.
  [2 Elk jaar keurt de algemene vergadering het verslag goed bedoeld in artikel 1727, § 2, 13°, opgesteld door het bureau, met uitzondering van dat bedoeld in artikel 1727/5, § 5. Dat verslag wordt meegedeeld aan de minister van Justitie.]2]1

  
Art. 1727/1. [1 L'assemblée générale est composée des membres effectifs et suppléants du bureau et des commissions permanentes, à l'exception des assesseurs de la commission disciplinaire et de traitement des plaintes et des membres des commissions spéciales.
   L'assemblée générale approuve, à la majorité de ses membres [2 ...]2, toutes les décisions, avis et autres mesures prises en exécution de l'article 1727, § 2, à l'exception des matières relevant, selon une disposition expresse de la septième partie, exclusivement du bureau et des missions relevant de la commission disciplinaire et de traitement des plaintes.
   Elle détermine, après approbation du ministre de la Justice, les commissions spéciales devant être constituées ainsi que leurs compositions et leurs missions. Elle décide également, après approbation du ministre de la Justice, de la suppression de telles commissions. L'assemblée générale désigne les membres effectifs et suppléants des commissions spéciales.
   Toute compétence non expressément attribuée par la loi à un organe de la Commission relève des missions de l'assemblée générale.
  [2 L'assemblée générale approuve chaque année le rapport visé à l'article 1727, § 2, 13°, rédigé par le bureau, à l'exception de celui visé à l'article 1727/5, § 5. Ce rapport est communiqué au ministre de la Justice.]2]1

  
Art. 1727/2. [1 § 1. Het bureau bestaat uit negen vaste leden en negen plaatsvervangende leden die doen blijken van relevante competenties in het domein van de bemiddeling of op het stuk van praktijkervaring of opleiding inzake bemiddeling.
   Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen.
   De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen en voor de voordracht van de leden.
   De vaste en plaatsvervangende leden worden door de Koning aangewezen, op met redenen omklede voordracht:
   1° van twee leden, door de Ordre des barreaux francophones et germanophone voor de advocaten die tot die Orde behoren;
   2° van twee leden, door de Orde van Vlaamse balies voor de advocaten die tot die Orde behoren;
   3° van vier leden, twee voor elke taalrol, door de Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat voor de notarissen;
   4° van zes leden, drie van elke taalrol, door de representatieve instanties voor de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat noch dat van notaris noch dat van gerechtsdeurwaarder noch dat van magistraat uitoefenen en die geen emeritus of eremagistraat zijn, en door andere beroepsorganisaties dan die van voormelde beroepen en die in hun midden erkende bemiddelaars tellen;
   5° van twee leden, elk van een verschillende taalrol, die magistraat, emeritus-magistraat of eremagistraat zijn, door de Hoge Raad voor de Justitie;
   6° van twee leden, elk van een verschillende taalrol, door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders voor de gerechtsdeurwaarders.
   Na advies van de Commissie, overeenkomstig artikel 1727, § 2, 9°, stelt de minister van Justitie een lijst op van instanties die geacht worden representatief te zijn voor de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat noch dat van notaris noch dat van gerechtsdeurwaarder noch dat van magistraat uitoefenen en die geen emeritus- of eremagistraat zijn.
   Voor de toepassing van dit artikel wordt de kandidaat-notaris gelijkgesteld met een notaris en wordt de kandidaat-gerechtsdeurwaarder gelijkgesteld met een gerechtsdeurwaarder.
   § 2. De leden worden benoemd voor een periode van drie jaar. Een volledig voltooid mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. De termijn van het mandaat vangt aan vanaf de dag van de bekendmaking van hun benoeming in het Belgisch Staatsblad. Een lid dat reeds twee mandaten heeft uitgeoefend, kan zich kandidaat stellen voor een derde mandaat indien er zich bij een oproep tot kandidaatstelling in het Belgisch Staatsblad geen of onvoldoende kandidaten melden om de vacante mandaten te hernieuwen.
   Het mandaat van een lid kan voortijdig beëindigd worden door het ontslag van het lid, door een beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau of op vraag van drie vierden van de leden van de algemene vergadering. Er wordt vervolgens gehandeld overeenkomstig paragraaf 1.
   § 3. Een aangevangen doch onderbroken mandaat wordt voltooid door de ter vervanging benoemde personen van dezelfde beroepsgroep en taalrol.
   De leden van het bureau, met inbegrip van de voorzitter en de ondervoorzitter bedoeld in paragraaf 4, oefenen hun ambt uit tot zij vervangen zijn.
   § 4. De algemene vergadering wijst te midden de leden van het bureau en voor een niet verlengbare periode van drie jaar een voorzitter aan en een ondervoorzitter die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretaris. De ambten van voorzitter en ondervoorzitter worden afwisselend toegekend aan een Franstalig lid en een Nederlandstalig lid. Het voorzitterschap en het ondervoorzitterschap worden bovendien bij voorkeur afwisselend uitgeoefend door notarissen, advocaten, magistraten, gerechtsdeurwaarders en door bemiddelaars die geen van voornoemde beroepen uitoefenen.
   De voorzitter van het bureau is tevens voorzitter van de Federale bemiddelingscommissie.]1

  
Art. 1727/2. [1 § 1er. Le bureau est composé de neuf membres effectifs et de neuf membres suppléants qui justifient de compétences pertinentes dans le domaine de la médiation ou dans la pratique ou la formation à la médiation.
   Pour chaque membre effectif, il est désigné un membre suppléant.
   Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures et de la présentation des membres.
   Les membres effectifs et suppléants sont désignés par le Roi, sur présentation motivée:
   1° de deux membres par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone pour les avocats appartenant à cet Ordre;
   2° de deux membres par l'Orde van Vlaamse balies pour les avocats appartenant à cet Ordre;
   3° de quatre membres, deux par rôle linguistique, par la Fédération royale du notariat belge pour les notaires;
   4° de six membres, trois par rôle linguistique, par les instances représentatives pour les médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire, ni celle d'huissier de justice, ni celle de magistrat, et qui ne sont ni magistrats émérites ou honoraires et par d'autres organisations professionnelles que celles concernant les professions précitées et qui comptent en leur sein des médiateurs agréés;
   5° de deux membres, chacun d'un rôle linguistique distinct, qui sont magistrats, ou magistrats émérites ou honoraires, par le Conseil supérieur de la justice;
   6° de deux membres, chacun d'un rôle linguistique distinct, par la Chambre nationale des huissiers de justice pour les huissiers de justice.
   Le ministre de la Justice établit, sur avis de la Commission, conformément à l'article 1727, § 2, 9°, une liste d'instances présumées être représentatives des médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire, ni celle d'huissier de justice, ni celle de magistrat, et qui ne sont ni magistrats émérites ou honoraires.
   Pour l'application du présent article, le candidat-notaire est assimilé à un notaire et le candidat-huissier de justice est assimilé à un huissier de justice.
   § 2. Les membres sont nommés pour une période de trois ans. Un mandat complet ne peut être renouvelé qu'une fois. Le mandat prend cours à dater de la publication de leur nomination au Moniteur belge. Un membre, ayant déjà exercé deux mandats, peut se porter candidat à un troisième mandat si, lors d'un appel à candidatures au Moniteur belge, il n'y a pas de candidatures ou insuffisamment de candidatures pour renouveler les mandats vacants.
   Il peut être mis prématurément fin au mandat d'un membre par la démission du membre, par une décision prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau ou à la demande des trois-quarts des membres de l'assemblée générale. Il est ensuite procédé conformément au paragraphe 1er.
   § 3. Un mandat entamé mais interrompu est achevé par une personne nommée en remplacement et appartenant au même groupe professionnel et rôle linguistique.
   Les membres du bureau, y compris le président et le vice-président visés au paragraphe 4, exercent leurs fonctions jusqu'à leur remplacement.
   § 4. L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau et pour une période de trois ans non renouvelable un président et un vice-président qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un secrétaire. Les fonctions de président et de vice-président sont attribuées alternativement à un membre francophone et à un membre néerlandophone. La présidence et la vice-présidence sont, en outre, par préférence, exercées alternativement par des notaires, des avocats, des magistrats, des huissiers de justice et par des médiateurs qui n'exercent aucune des professions précitées.
   Le président du bureau est également président de la Commission fédérale de médiation.]1

  
Art. 1727/2/1. [1 § 1er. Het bureau coördineert de activiteiten van de Commissie, waakt over de uitvoering van de beslissingen genomen door haar organen en is belast met het dagelijks beheer.
   Het bureau keurt de beslissingen of adviezen van de commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en van de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming goed op grond van artikel 1727/4, § 3.
   Het bureau is belast met de aangelegenheden bedoeld in artikel 1727, § 2, 10°, 11° en 12°, en legt aan de algemene vergadering voorstellen voor in het kader van de aangelegenheid bedoeld in artikel 1727, § 2, 9°.
   Het bureau stelt een huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de algemene vergadering. Zodra dit reglement door de algemene vergadering is goedgekeurd, wordt het op de website van de Commissie gepubliceerd.
   § 2. Het bureau wijst te midden van de vaste leden of plaatsvervangende leden van het bureau, voor elke vaste commissie een voorzitter en ondervoorzitter van verschillende taalrollen aan.
   De aanstelling wordt bevestigd of ongedaan gemaakt op de eerste vergadering van de algemene vergadering volgend op de hernieuwing van het bureau. De algemene vergadering benoemt een ander lid van het bureau als het een door het bureau gedane benoeming niet bevestigt. De beslissingen genomen door de voorzitter en de ondervoorzitter waarvan de benoemingen niet zouden bevestigd worden, blijven evenwel hun gevolgen hebben.
   De aanstelling geldt voor een duur van drie jaar beginnend op de dag van de eerste vergadering van het nieuw samengestelde bureau of in voorkomend geval van de aanstelling door de algemene vergadering.
   Voor het voorzitterschap en ondervoorzitterschap van elke commissie wordt een toerbeurt in acht genomen tussen de leden van de Franstalige of Nederlandstalige taalrol.]1

  
Art. 1727/2/1. [1 § 1er. Le bureau coordonne les activités de la Commission, veille à l'exécution des décisions prises par ses organes et est chargé de la gestion journalière.
   Le bureau approuve les décisions ou avis émis par la commission pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers et par la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation permanente en vertu de l'article 1727/4, § 3.
   Le bureau est chargé des matières visées à l'article 1727, § 2, 10°, 11° et 12°, et soumet des propositions à l'assemblée générale dans la matière visée à l'article 1727, § 2, 9°.
   Le bureau établit un règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'assemblée générale pour approbation. Une fois approuvé par l'assemblée générale, ce règlement est publié sur le site internet de la Commission.
   § 2. Le bureau désigne parmi ses membres effectifs ou membres suppléants pour chacune des commissions permanentes un président et un vice-président d'un rôle linguistique différent.
   La désignation est confirmée ou infirmée à la première réunion de l'assemblée générale tenue lors du renouvellement du bureau. L'assemblée générale désigne un autre membre du bureau si elle ne confirme pas la désignation faite par le bureau. Les décisions prises par le président ou le vice-président dont la désignation n'a pas été confirmée continuent à sortir leurs effets.
   La désignation vaut pour une période de trois ans à dater de la première réunion du bureau nouvellement constitué ou, le cas échéant, à dater de la désignation par l'assemblée générale.
   Pour la présidence et la vice-présidence, la désignation observe un régime d'alternance entre le groupe francophone et le groupe néerlandophone.]1

  
Art. 1727/3. [2 § 1.]2 [1 Er worden drie vaste commissies opgericht:
   - de commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars;
   - de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming;
   - de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling.]1

  [2 § 2. De leden van de commissies voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming worden benoemd door de Koning voor een periode van drie jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. Hun mandaat vangt aan op de dag van de publicatie van hun benoeming in het Belgisch Staatsblad. Het eindigt na verloop van drie jaar of, indien de drie jaar nog niet verstreken zijn, op de dag van de eerste algemene vergadering gehouden na de hernieuwing van de mandaten van de leden van het bureau. Een lid dat reeds twee mandaten heeft uitgeoefend, kan zich kandidaat stellen voor een derde mandaat indien er zich bij een oproep tot kandidaatstelling in het Belgisch Staatsblad geen of onvoldoende kandidaten melden om de vacante mandaten te vernieuwen.
   De leden van de vaste commissies oefenen hun opdracht uit tot hun vervanging.]2

  
Art. 1727/3. [2 § 1er.]2 [1 Trois commissions permanentes sont créées :
   - la commission pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers;
   - la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation continue;
   - la commission disciplinaire et de traitement des plaintes.]1

  [2 § 2. Les membres des commissions pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers et pour l'agrément des formations et le suivi de la formation continue sont nommés par le Roi pour une durée de trois ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu'une seule fois. Leur mandat prend cours le jour de la publication de leur nomination au Moniteur belge. Il se termine à l'issue des trois années ou, si les trois années ne sont pas encore écoulées, le jour de la première assemblée générale tenue après le renouvellement des mandats des membres du bureau. Un membre, ayant déjà exercé deux mandats, peut se porter candidat à un troisième mandat si, lors d'un appel à candidatures au Moniteur belge, il n'y a pas de candidatures ou insuffisamment de candidatures pour renouveler les mandats vacants.
   Les membres des commissions permanentes exercent leurs fonctions jusqu'à leur remplacement.]2

  
Art. 1727/4. [1 § 1. [3 De commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming bestaan elk uit een voorzitter of een ondervoorzitter en vier vaste leden. Er worden ook twee plaatsvervangende leden aangeduid. Met uitzondering van de voorzitter of de ondervoorzitter, telt elke commissie evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
   Bij afwezigheid wordt de voorzitter vervangen door de ondervoorzitter of, zo nodig, door een ander lid van de betrokken vaste commissie van dezelfde taalgroep als de voorzitter.
   § 1/1. Een oproep tot kandidaten wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De leden worden benoemd door de Koning op voordracht van een lijst opgesteld door het bureau, en waarin een met redenen omkleed advies is opgenomen met betrekking tot maximaal vierentwintig kandidaten, die in volgorde van voorkeur zijn gerangschikt. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en kan de criteria voor de kandidaatstelling bepalen.
   Het mandaat van een lid kan voortijdig beëindigd worden door het ontslag van het lid, door een beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau of op vraag van drie vierden van de leden van de algemene vergadering. De als vervanger aangewezen persoon wordt door het bureau gekozen uit de in het eerste lid bedoelde lijst. Indien op deze lijst geen vervanger kan worden gevonden, wordt er vervolgens gehandeld overeenkomstig het eerste lid. In alle gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger.]3

   § 2. De commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming kunnen deskundigen raadplegen die geen lid zijn van de commissie en hen uitnodigen om deel te nemen aan hun vergaderingen. Zij hebben een raadgevende stem.
   § 3. De commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming moeten, voor hun respectieve opdrachten, een advies of een beslissing ter goedkeuring aan het bureau voorleggen betreffende de opdrachten bedoeld in artikel 1727, § 2, 1°, 2°, 3° en 4°.
   § 4. De commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming stellen een huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de algemene vergadering. Nadat dit reglement door de algemene vergadering is goedgekeurd, wordt het op de website van de Commissie bekendgemaakt.]1

  
Art. 1727/4. [1 § 1er. [3 La commission pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers et la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation continue sont chacune composées, outre d'un président ou un vice-président, de quatre membres effectifs. Deux membres suppléants sont également désignés. A l'exception du président ou du vice-président, chaque commission comporte autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise.
   En cas d'absence du président, le vice-président ou, si nécessaire, un autre membre de la commission permanente concernée appartenant au même groupe linguistique que le président, le remplace.
   § 1/1. Un appel aux candidats est publié au Moniteur belge. Les membres sont nommés par le Roi sur la base de la présentation d'une liste rédigée par le bureau de maximum vingt-quatre candidats classés par ordre de préférence, contenant un avis motivé pour chaque candidat. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres et peut fixer les critères requis pour poser sa candidature.
   Il peut être mis fin prématurément au mandat d'un membre par la démission du membre, par une décision prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau ou à la demande de trois quarts des membres de l'assemblée générale. La personne nommée en remplacement doit être choisie par le bureau sur la liste visée à l'alinéa 1er. Dans l'hypothèse où aucun remplaçant ne peut être trouvé sur cette liste, il sera procédé conformément à l'alinéa 1er. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur.]3

   § 2. La commission pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers et la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation continue peuvent consulter des experts qui ne sont pas membres de la commission et les inviter à participer à leurs réunions. Ils disposent d'une voix consultative.
   § 3. La commission pour l'agrément de médiateurs belges et étrangers et la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation permanente sont chargées, pour leurs missions respectives, de soumettre un avis ou une décision pour approbation au bureau en ce qui concerne les missions visées à l'article 1727, § 2, 1°, 2°, 3° et 4°.
   § 4. La commission pour l'agrément de médiateurs belges et étrangers et la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation permanente établissent un règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'assemblée générale pour approbation. Une fois approuvé par l'assemblée générale, ce règlement est publié sur le site internet de la Commission.]1

  
Art. 1727/5. [1 § 1. [3 De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling is samengesteld uit vijf leden, een voorzitter of een ondervoorzitter en vier effectieve assessoren. Er worden tevens vier plaatsvervangende assessoren aangeduid. De ondervoorzitter vervangt de voorzitter bij afwezigheid of verhindering. Met uitzondering van de voorzitter of de ondervoorzitter, telt de commissie evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. De commissie bestaat uit een Nederlandstalig en een Franstalig college met elk twee effectieve assessoren, en de voorzitter of de ondervoorzitter. De commissie wordt voorgezeten door een lid van het Bureau dat, vanaf zijn aanwijzing, geen zitting meer heeft in een andere vaste of bijzondere commissie. De voorzitter en de ondervoorzitter moeten het bewijs leveren van voldoende kennis van de andere landstaal.]3
  Ten minste een lid van het Nederlandstalig college of het Franstalig college moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits.
  De assessoren, die geen lid mogen zijn van de federale bemiddelingscommissie, worden voorgedragen door de algemene vergadering en benoemd door de minister van Justitie bij een met redenen omklede beslissing. De voordracht wordt met redenen omkleed op grond van hun vaardigheid in het tuchtrecht en in het oplossen van geschillen. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling.
  [2 § 1/1. [3 De assessoren worden benoemd voor een periode van drie jaar. Hun mandaat kan slechts tweemaal worden verlengd. Het mandaat van een assessor kan voortijdig beëindigd worden door diens ontslag of door een met redenen omklede beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau of op vraag van drie vierden van de leden van de algemene vergadering. Er wordt vervolgens gehandeld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid. In alle gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger. Indien het gaat om een eerste mandaat, kan het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon tweemaal worden verlengd. Een lid dat reeds drie volledige mandaten heeft uitgeoefend, kan zich kandidaat stellen voor een vierde mandaat indien er zich bij een oproep tot kandidaatstelling in het Belgisch Staatsblad geen of onvoldoende kandidaten melden om de vacante mandaten te hernieuwen.]3]2
   § 2. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling is, door toedoen van het Nederlandstalig of Franstalig college, belast met de tucht van bemiddelaars overeenkomstig artikel 1727, § 2, [2 ]2, en met de behandeling van klachten tegen bemiddelaars [3 ...]3 en verstrekt advies bij betwisting van het honorarium van bemiddelaars. [3 Deze laatste is ook belast met het ontvangen van klachten tegen instellingen die opleidingen in bemiddeling verschaffen en informeert de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming hiervan in voorkomend geval.]3
   De keuze van het college, Franstalig of Nederlandstalig, wordt gemaakt door de bemiddelaar of de instelling die het voorwerp uitmaakt van de procedure.
   De commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling is ook belast met het formuleren van voorstellen overeenkomstig [2 artikel 1727, § 2, 5° en 8°,]2 die ter goedkeuring worden voorgelegd aan de algemene vergadering.
  [3 § 2/1. De commissie houdt zitting in verenigde colleges bij het formuleren van de in paragraaf 2 bedoelde voorstellen, evenals bij het opstellen van het in paragraaf 3 bedoelde reglement van procesvoering en van het in paragraaf 5 bedoelde verslag.]3
   § 3. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling stelt haar reglement van procesvoering op. Het reglement wordt door de algemene vergadering bekrachtigd. Na goedkeuring ervan door de algemene vergadering wordt het reglement op de website van de Commissie bekendgemaakt.
   § 4. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling kan, door toedoen van het Nederlandstalig of Franstalig college, de volgende sancties opleggen ten aanzien van een erkend bemiddelaar :
   - de verwittiging;
   - de berisping;
   - de verplichting om een stage te voldoen gedurende de periode en volgens de nadere regels bepaald door de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling;
   - de verplichting om het beroep uitsluitend in co-bemiddeling uit te oefenen voor de duur en volgens de nadere regels bepaald door de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling;
   - de schorsing voor een periode die niet meer dan één jaar mag bedragen;
   - de intrekking van de erkenning.
   § 5. Ieder jaar maakt de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling een verslag op van de uitvoering van haar opdrachten gedurende het afgelopen jaar. Dat verslag bevat suggesties met betrekking tot de wenselijkheid om wijzigingen aan te brengen in de tuchtprocedure of in de klachtenbehandeling evenals in de deontologische code. Dat verslag wordt meegedeeld aan de minister van Justitie.]1

  
Art. 1727/5. [1 § 1er. [3 La commission disciplinaire et de traitement des plaintes est composée de cinq membres, un président ou un vice-président et quatre assesseurs effectifs. Il y a également quatre assesseurs suppléants qui sont désignés. Le vice-président remplace le président en cas d'absence ou d'empêchement. A l'exception du président ou du vice-président, la commission comporte autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise. La commission se compose d'un collège francophone et d'un collège néerlandophone, composés chacun de deux assesseurs effectifs, et du président ou du vice-président. La commission est présidée par un membre du bureau qui, dès désignation, ne siègera plus dans une autre commission permanente ou spéciale. Le président et le vice-président justifient d'une connaissance suffisante de l'autre langue nationale.]3
  Au moins un membre du collège francophone ou du collège néerlandophone doit justifier de la connaissance de l'allemand.
  Les assesseurs, qui ne peuvent pas être membres de la commission fédérale de médiation, sont présentés par l'assemblée générale et nommés par le ministre de la Justice par décision motivée. La présentation est motivée sur la base de leur expertise en droit disciplinaire et en résolution de litiges. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature.
  [2 § 1er/1. [3 Les assesseurs sont nommés pour une période de trois ans. Leur mandat ne peut être renouvelé que deux fois. Il peut être mis fin prématurément au mandat d'un assesseur par la démission de celui-ci, par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau ou à la demande des trois-quarts des membres de l'assemblée générale. Il est ensuite procédé conformément au paragraphe 1er, alinéa 3. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S'il s'agit d'un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut être renouvelé deux fois. Un membre, ayant déjà exercé trois mandats complets, peut se porter candidat à un quatrième mandat si, lors d'un appel à candidatures au Moniteur belge, il n'y a pas de candidatures ou insuffisamment de candidatures pour renouveler les mandats vacants.]3]2
   § 2. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes, par l'intermédiaire du collège néerlandophone ou francophone, est chargée de la discipline des médiateurs en vertu de l'article 1727, § 2, [2 ]2, et du traitement des plaintes contre les médiateurs [3 ...]3 et de donner des avis en cas de contestation des honoraires des médiateurs. [3 Cette dernière est également chargée de recevoir les plaintes contre les organismes qui dispensent des formations en médiation et en informe, le cas échéant, la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation continue.]3
   Le choix du collège, francophone ou néerlandophone, est effectué par le médiateur ou l'organisme qui fait l'objet de la procédure.
   La commission disciplinaire et de traitement des plaintes est également chargée de faire des propositions en vertu de [2 l'article 1727, § 2, 5° et 8°,]2 qui sont soumises, pour approbation, à l'assemblée générale.
  [3 § 2/1. La commission siège en collèges réunis lorsqu'elle formule des avis visés au paragraphe 2, rédige le règlement prévu au paragraphe 3 ainsi que le rapport prévu au paragraphe 5.]3
   § 3. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes établit son règlement de procédure. Le règlement est validé par l'assemblée générale. Une fois approuvé par l'Assemblée générale, ce règlement est publié sur le site internet de la Commission.
   § 4. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes par l'intermédiaire du collège néerlandophone ou francophone peut imposer les sanctions suivantes à l'égard d'un médiateur agréé :
   - l'avertissement;
   - la réprimande;
   - l'obligation d'accomplir un stage pendant la durée et selon les modalités fixées par la commission disciplinaire et de traitement des plaintes;
   - l'obligation d'exercer sa profession exclusivement en co-médiation pendant la durée et selon les modalités fixées par la commission disciplinaire et de traitement des plaintes;
   - la suspension pour une période qui ne peut exéder un an;
   - le retrait de l'agrément.
   § 5. Chaque année, la commission disciplinaire et de traitement des plaintes fait un rapport sur l'exécution de ses missions au cours de l'année écoulée. Ce rapport contient des suggestions relatives à l'opportunité de modifier la procédure disciplinaire ou le traitement des plaintes ainsi que le Code de déontologie. Ce rapport est communiqué au ministre de la Justice.]1

  
Art. 1727/6. [1 De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State doet op verzoekschrift uitspraak over beroepen tot schorsing en nietigverklaring van griefhoudende beslissingen gewezen door de federale bemiddelingscommissie bedoeld in artikel 1727/5, § 4.
   De termijn voor indiening van het verzoekschrift bedoeld in het eerste lid, bedraagt een maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing van de federale bemiddelingscommissie.]1

  
Art. 1727/6. [1 La section du contentieux administratif du Conseil d'Etat, saisie par voie de requête, statue sur les recours en suspension et annulation de décisions faisant grief rendues par la commission fédérale de médiation visées à l'article 1727/5, § 4.
   Le délai pour introduire la requête visée à l'alinéa 1er est d'un mois à dater de la notification de la décision de la commission fédérale de médiation.]1

  
Art.1728. [1 § 1. De documenten opgemaakt en de mededelingen gedaan in de loop van en ten behoeve van een bemiddelingsprocedure zijn vertrouwelijk. Zij mogen niet worden aangevoerd in enige gerechtelijke, administratieve of arbitrale procedure of in enige andere procedure voor de oplossing van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis.
   Behoudens schriftelijk uitgedrukte andersluidende wil van de partijen, vallen het bemiddelingsprotocol en het (de) door de partijen ondertekende bemiddelingsakkoord(en) alsook het eventuele document opgesteld door de bemiddelaar dat het feit van de mislukking van de bemiddeling vaststelt, niet onder deze vertrouwelijkheidsplicht.
   Daarnaast kan de vertrouwelijkheidsplicht, met schriftelijke instemming van de partijen, en binnen de grenzen die zij bepalen, worden opgeheven. Omgekeerd kunnen de partijen, in onderling akkoord en op schriftelijke wijze, documenten of mededelingen daterend van vóór de aanvang van het bemiddelingsproces vertrouwelijk maken.
   § 2. Onverminderd zijn wettelijke verplichtingen, mag de bemiddelaar de feiten waarvan hij uit hoofde van zijn ambt kennis krijgt, niet openbaar maken. Hij mag door de partijen niet worden opgeroepen als getuige in een burgerrechtelijke, administratieve of arbitrale procedure met betrekking tot de feiten waarvan hij kennis heeft genomen in de loop van zijn bemiddeling. Hij mag evenmin de reden van de mislukking van deze vorm van minnelijke conflictoplossing onthullen, ook niet aan de rechter of arbiter bij wie een geschil tussen de partijen van de bemiddeling aanhangig is gemaakt.
   Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bemiddelaar.
   § 3. In het kader van en ten behoeve van zijn opdracht kan de bemiddelaar, met instemming van de partijen, de derden horen die daarmee instemmen of, wanneer de complexiteit van de zaak zulks vereist, een beroep doen op de diensten van een deskundige in het desbetreffende domein. Zij zijn gehouden tot de vertrouwelijkheidsplicht bedoeld in paragraaf 1, eerste lid. Paragraaf 2 is van toepassing op de deskundige.
   § 4. Bij schending van de vertrouwelijkheids- of geheimhoudingsplicht door degenen die daartoe gehouden zijn krachtens deze bepaling, doet de rechter of arbiter in billijkheid uitspraak over de eventuele toekenning van schadevergoeding, en over de omvang ervan.
   Vertrouwelijke documenten en mededelingen die desondanks zijn meegedeeld of waarop een partij steunt in strijd met de vertrouwelijkheidsplicht, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.]1

  
Art.1728. [1 § 1er. Les documents établis et les communications faites au cours du processus de médiation et pour les besoins de celui-ci sont confidentiels. Ils ne peuvent être utilisés dans aucune procédure judiciaire, administrative ou arbitrale ni dans toute autre procédure de résolution des conflits et ne sont jamais admissibles comme preuve, même comme aveu extrajudiciaire.
   Sauf volonté contraire des parties exprimée par écrit, ne sont pas visés par la présente obligation de confidentialité le protocole de médiation et le ou les accords de médiation signés par les parties, ainsi que l'éventuel document établi par le médiateur qui constate l'échec de la médiation.
   L'obligation de confidentialité peut, par ailleurs, avec le consentement écrit des parties, et dans les limites qu'elles déterminent, être levée. A l'inverse, les parties peuvent, de commun accord et par écrit, rendre confidentiels des documents ou communications antérieurs à l'entame du processus de médiation.
   § 2. Sans préjudice des obligations que la loi lui impose, le médiateur ne peut rendre publics les faits dont il prend connaissance du fait de sa fonction. Il ne peut être appelé comme témoin par les parties dans une procédure civile, administrative ou arbitrale relative aux faits dont il a pris connaissance au cours de la médiation. Il ne peut davantage révéler, en ce compris au juge ou à l'arbitre saisi d'un différend entre les parties médiées, le motif de l'échec de ce mode amiable de règlement des conflits.
   L'article 458 du Code pénal lui est applicable.
   § 3. Dans le cadre de sa mission et pour les besoins de celle-ci, le médiateur peut, avec l'accord des parties, entendre les tiers qui y consentent ou lorsque la complexité de l'affaire l'exige, recourir aux services d'un expert, spécialiste du domaine traité. Ceux-ci sont tenus à l'obligation de confidentialité visée au paragraphe 1er, alinéa 1er. Le paragraphe 2 s'applique à l'expert.
   § 4. En cas de violation de l'obligation de confidentialité ou de secret par les personnes qui y sont tenues en vertu de la présente disposition, le juge ou l'arbitre se prononce en équité sur l'octroi éventuel de dommages et intérêts, et sur la hauteur de ceux-ci.
   Les documents et communications confidentiels qui sont malgré tout communiqués ou sur lesquels une partie se base en violation de l'obligation de confidentialité sont d'office écartés des débats.]1

  
Art.1729. <INGEVOEGD bij W 2005-02-21/36, art. 13; Inwerkingtreding : 30-09-2005> Elke partij kan te allen tijde een einde maken aan de bemiddeling, zonder dat dit tot haar nadeel kan strekken.
Art.1729. Chacune des parties peut à tout moment mettre fin à la médiation, sans que cela puisse lui porter préjudice.
HOOFDSTUK II. [1 - De buitengerechtelijke bemiddeling.]1
CHAPITRE II. [1 - La médiation extrajudiciaire.]1
Art.1730. <INGEVOEGD bij W 2005-02-21/36, art. 14; Inwerkingtreding : 30-09-2005> § 1. Elke partij mag, onverminderd elke gerechtelijke of arbitrale procedure, voor, tijdens of na een rechtspleging aan de andere partijen voorstellen om een beroep te doen op de bemiddelingsprocedure. De partijen wijzen in onderlinge overeenstemming de bemiddelaar aan of belasten een derde met die aanwijzing.
  § 2. Zo het voorstel bij aangetekende brief wordt verzonden en een aanspraak bevat op een recht, wordt het gelijkgesteld met de ingebrekestelling bedoeld in artikel [1 5.240]1 van het Burgerlijk Wetboek.
  § 3. In dezelfde omstandigheden schorst het voorstel gedurende een maand de verjaring van de aan dat recht verbonden vordering.
  
Art.1730. § 1er. Toute partie peut proposer aux autres parties, indépendamment de toute procédure judiciaire ou arbitrale, avant, pendant ou après le déroulement d'une procédure judiciaire, de recourir au processus de médiation. Les parties désignent le médiateur de commun accord ou chargent un tiers de cette désignation.
  § 2. Si la proposition est adressée par envoi recommandé et qu'elle contient la réclamation d'un droit, elle est assimilée à la mise en demeure visée à l'article [1 5.240]1 du Code civil.
  § 3. Dans les mêmes conditions, la proposition suspend le cours de la prescription de l'action attachée à ce droit pendant un mois. "
  
Art.1731. <INGEVOEGD bij W 2005-02-21/36, art. 15; Inwerkingtreding : 30-09-2005> § 1. De partijen bepalen onderling, in samenspraak met de bemiddelaar, de nadere regels van het verloop van de bemiddeling, alsmede de duur ervan. Die overeenkomst wordt schriftelijk vastgelegd in een bemiddelingsprotocol dat wordt ondertekend door de partijen en de bemiddelaar. De bemiddelingskosten en erelonen komen gelijkelijk ten laste van de partijen, tenzij die er anders over beslissen.
  § 2. Het bemiddelingsprotocol bevat :
  1° de naam en de woonplaats van de partijen en hun raadslieden;
  2° de naam, de hoedanigheid en het adres van de bemiddelaar, en in voorkomend geval de vermelding dat de bemiddelaar erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie;
  3° de herinnering aan het principe dat bemiddeling op vrijwillige basis geschiedt;
  4° een beknopt overzicht van het geschil;
  5° [1 de vertrouwelijkheid die wordt gehecht aan de documenten en de mededelingen in het kader van bemiddeling;]1
  6° de wijze waarop het ereloon van de bemiddelaar, het tarief ervan, alsook de betalingsvoorwaarden worden bepaald;
  7° de datum;
  8° de ondertekening door de partijen en de bemiddelaar.
  § 3. De ondertekening van het protocol schorst de verjaringstermijn voor de duur van de bemiddeling.
  § 4. Behoudens uitdrukkelijk akkoord van de partijen, eindigt de schorsing van de verjaringstermijn één maand na kennisgeving door een van de partijen, of door de bemiddelaar aan de andere partij of partijen, van hun wil om een einde te maken aan de bemiddeling. Deze kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief.
  
Art.1731. § 1er. Les parties définissent entre elles, avec l'aide du médiateur, les modalités d'organisation de la médiation et la durée du processus. Cette convention est consignée par écrit dans un protocole de médiation signé par les parties et par le médiateur. Les frais et honoraires de la médiation sont à charge des parties par parts égales, sauf si elles en décident autrement.
  § 2. Le protocole de médiation contient :
  1° le nom et le domicile des parties et de leurs conseils;
  2° le nom, la qualité et l'adresse du médiateur, et le cas échéant, la mention que le médiateur est agréé par la commission visée à l'article 1727;
  3° le rappel du principe volontaire de la médiation;
  4° un exposé succinct du différend;
  5° [1 la confidentialité qui s'attache aux documents et aux communications dans le cadre de la médiation;]1
  6° le mode de fixation et le taux des honoraires du médiateur, ainsi que les modalités de leur paiement;
  7° la date;
  8° la signature des parties et du médiateur.
  § 3. La signature du protocole suspend le cours de la prescription durant la médiation.
  § 4. Sauf accord exprès des parties, la suspension de la prescription prend fin un mois après la notification faite par l'une des parties ou par le médiateur à l'autre ou aux autres parties de leur volonté de mettre fin à la médiation. Cette notification a lieu par lettre recommandée.
  
Art.1732. <INGEVOEGD bij W 2005-02-21/36, art. 16; Inwerkingtreding : 30-09-2005> Wanneer de partijen tot een bemiddelingsakkoord komen, wordt dat in een gedateerd en door hen en de bemiddelaar ondertekend geschrift vastgelegd. In voorkomend geval wordt melding gemaakt van de erkenning van de bemiddelaar.
  Die akte bevat de precieze verbintenissen van elk van de partijen.
Art.1732. Lorsque les parties parviennent à un accord de médiation, celui-ci fait l'objet d'un écrit daté et signé par elles et le médiateur. Le cas échéant, il est fait mention de l'agrément du médiateur.
  Cet écrit contient les engagements précis pris par chacune d'elles.
Art.1733. <INGEVOEGD bij W 2005-02-21/36, art. 17; Inwerkingtreding : 30-09-2005> In geval van akkoord en indien de bemiddelaar die de bemiddeling leidde erkend is door de commissie bedoeld in artikel 1727, kunnen de partijen of één van hen het bemiddelingsakkoord dat tot stand kwam overeenkomstig de artikelen 1731 en 1732 ter homologatie voorleggen aan de bevoegde rechter. Dit gebeurt overeenkomstig de artikelen 1025 tot 1034. Het verzoek kan echter ondertekend worden door de partijen zelf, indien het uitgaat van alle bij de bemiddeling betrokken partijen. Het bemiddelingsprotocol wordt bij het verzoek gevoegd.
  [1 Indien de bemiddeling betrekking heeft op aangelegenheden bedoeld in artikel 1004/1 vermeldt het bemiddelingsakkoord dat de bemiddelaar de aandacht van de partijen heeft gevestigd op het belang van het kind en verduidelijkt het op welke wijze rekening werd gehouden met dat belang.]1
  De rechter kan de homologatie van het akkoord alleen weigeren indien het strijdig is met de openbare orde of indien het akkoord dat werd bereikt na een bemiddeling in familiezaken strijdig is met de belangen van de minderjarige kinderen. [1 Indien het akkoord de in het tweede lid bedoelde informatie niet bevat, vraagt de rechter de partijen hun akkoord op dit punt aan te vullen en schorst hij de behandeling van het verzoek totdat de partijen het akkoord hebben aangevuld.]1
  De homologatiebeschikking heeft de gevolgen van een vonnis, in de zin van artikel 1043.
  
Art.1733. En cas d'accord, et si le médiateur qui a mené la médiation est agréé par la commission visée à l'article 1727, les parties ou l'une d'elles peuvent soumettre l'accord de médiation obtenu conformément aux articles 1731 et 1732 pour homologation au juge compétent. Il est procédé conformément aux articles 1025 à 1034. La requête peut cependant être signée par les parties elles-mêmes si celle-ci émane de toutes les parties à la médiation. Le protocole de médiation est joint à la requête.
  [1 Si la médiation porte sur des matières visées à l'article 1004/1, l'accord de médiation mentionne que le médiateur a attiré l'attention des parties sur l'intérêt de l'enfant et précise de quelle manière cet intérêt a été pris en compte.]1
  Le juge ne peut refuser l'homologation de l'accord que si celui-ci est contraire à l'ordre public ou si l'accord obtenu à l'issue d'une médiation familiale est contraire à l'intérêt des enfants mineurs. [1 Si l'accord ne contient pas la mention visée à l'alinéa 2, le juge invite les parties à compléter leur accord sur ce point et sursoit à la demande tant que les parties n'ont pas complété l'accord.]1
  L'ordonnance d'homologation a les effets d'un jugement au sens de l'article 1043. "
  
HOOFDSTUK III. - De gerechtelijke bemiddeling. .
CHAPITRE III. - La médiation judiciaire. .
Art.1734. <INGEVOEGD bij W 2005-02-21/36, art. 18; Inwerkingtreding : 30-09-2005> § 1. [2 In elke stand van het geding, alsook in kort geding, behalve voor het Hof van Cassatie en voor de arrondissementsrechtbank, kan de rechter voor wie een zaak hangende is, op gezamenlijk verzoek van de partijen of op eigen initiatief maar met instemming van de partijen, een bemiddeling bevelen, zolang de zaak niet in beraad is genomen.
   Wanneer de rechter van mening is dat een verzoening tussen de partijen mogelijk is, [5 en voor zover de redelijke termijn om tot een gerechtelijke beslissing te bekomen niet in het gedrang komt,]5 kan hij, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, [5 ...]5 na de partijen gehoord te hebben, een bemiddeling bevelen. Indien alle partijen daartegen gekant zijn, kan de rechter geen bemiddeling bevelen.]2

  [3 Indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, dan mag de rechter geen bemiddeling bevelen zonder zich ervan te vergewissen dat die laatste partij daar vrij in toestemt. Daartoe verzoekt hij om de mondelinge toestemming van die laatste partij, in afwezigheid van de andere partij.]3
  [2 § 1/1. De partijen of, in afwezigheid van partijen, hun advocaat kunnen de rechter gezamenlijk vragen om de bemiddelaar of de bemiddelaars die zij voordragen aan te wijzen. Tenzij de door de partijen voorgedragen bemiddelaar of bemiddelaars niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1726, willigt de rechter dit verzoek in.
  [4 Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de aan te wijzen bemiddelaar of bemiddelaars, gaat de rechter over tot de aanwijzing van een of meerdere bemiddelaars, die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727, § 2, bij voorkeur op basis van een lijst met alle bemiddelaars die is opgesteld door de Federale bemiddelingscommissie overeenkomstig artikel 1727, § 2, 10°. De rechter kiest een of meerdere bemiddelaars die geschikt zijn in het licht van de aard van het geschil tussen de partijen en die, voor zover mogelijk, gevestigd zijn in de buurt van de woonplaats van de partijen.]4]2

  § 2. [2 De beslissing die de partijen beveelt om het geschil te trachten op te lossen door een bemiddeling bedoeld in paragraaf 1, vermeldt de naam en de hoedanigheid van de erkende bemiddelaar of erkende bemiddelaars, legt de duur vast van hun opdracht, zonder dat die de termijn van zes maanden mag overschrijden en stelt de zaak vast op de eerst nuttige datum na het verstrijken van deze termijn is.]2
  § 3. Uiterlijk tijdens de in § 2 bedoelde zitting informeren de partijen de rechter over de afloop van de bemiddeling. Indien ze niet tot een akkoord zijn gekomen, kunnen ze [2 in onderlinge overeenstemming]2 om een nieuwe termijn verzoeken of vragen dat de procedure wordt voortgezet.
  § 4. De partijen kunnen om een bemiddeling verzoeken, hetzij in de akte van rechtsingang, hetzij tijdens de zitting, hetzij bij een eenvoudig schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie. In dat laatste geval wordt de rechtsdag bepaald binnen vijftien dagen na het verzoek.
  De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op en in voorkomend geval hun raadsman bij gewone brief. Indien het over een gezamenlijk verzoek van de partijen gaat, worden zij, en in voorkomend geval hun raadsman, bij gewone brief opgeroepen.
  § 5. Wanneer de partijen er gezamenlijk om verzoeken dat een bemiddeling wordt bevolen, worden de proceduretermijnen die hen werden verleend geschorst vanaf de dag dat zij dat verzoek doen.
  In voorkomend geval kunnen de partijen of één van hen om nieuwe termijnen verzoeken voor de instaatstelling van de zaak tijdens de in § 2 of in artikel 1735, § 5, bedoelde zitting.
  
Art.1734. § 1er. [2 Sauf devant la Cour de cassation et le tribunal d'arrondissement, en tout état de la procédure et ainsi qu'en référé, le juge saisi d'un litige peut, à la demande conjointe des parties ou de sa propre initiative mais avec l'accord de celles-ci, ordonner une médiation, tant que la cause n'a pas été prise en délibéré.
   Lorsqu'il estime qu'un rapprochement entre les parties est possible [5 et dans la mesure où le délai raisonnable pour obtenir une décision judiciaire n'est pas compromis,]5 le juge, peut, d'office ou à la demande de l'une des parties, ordonner une médiation, après avoir entendu les parties [5 ...]5. Si toutes les parties s'y opposent, le juge ne peut ordonner une médiation.]2

  [3 S'il existe des indices sérieux que des violences, des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont été exercées par une partie à l'encontre de l'autre partie, le juge ne peut ordonner une médiation sans s'assurer que cette dernière y consent librement. A cette fin, il recueille le consentement oral de celle-ci en l'absence de l'autre partie.]3
  [2 § 1er/1. Les parties, ou en l'absence des parties, leur avocat, peuvent demander conjointement au juge de désigner le médiateur ou les médiateurs qu'elles présentent. Le juge accède à cette demande, sauf si le médiateur ou les médiateurs proposés par les parties ne satisfont pas aux conditions visées à l'article 1726.
  [4 Si les parties ne s'accordent pas sur le médiateur ou les médiateurs à désigner, le juge désigne un médiateur ou des médiateurs agréés selon l'article 1727, § 2, de préférence sur la base d'une liste de tous les médiateurs établie par la Commission fédérale de médiation conformément à l'article 1727, § 2, 10°. Le juge choisit un ou des médiateurs compétents au regard de la nature du différend entre les parties et, dans la mesure du possible, établis à proximité du domicile des parties.]4]2

  § 2. [2 La décision ordonnant aux parties de tenter de résoudre le litige par une médiation visée au paragraphe 1er mentionne le nom et la qualité du médiateur agréé ou des médiateurs agréés, fixe la durée de la mission, sans que celle-ci puisse excéder six mois, et fixe la cause à la première date utile suivant l'expiration du délai.]2
  § 3. Au plus tard lors de l'audience visée au § 2, les parties informent le juge de l'issue de la médiation. Si elles ne sont pas parvenues à un accord, elles peuvent solliciter [2 d'un commun accord]2 un nouveau délai ou demander que la procédure soit poursuivie.
  § 4. Les parties peuvent solliciter une médiation soit dans l'acte introductif d'instance, soit à l'audience, soit par simple demande écrite déposée ou adressée au greffe. Dans cette dernière hypothèse, la cause est fixée dans les quinze jours de la demande.
  Le greffier convoque les parties par pli judiciaire, et, le cas échéant, leur conseil par simple pli. S'il s'agit d'une demande conjointe des parties, celles-ci et, le cas échéant, leur conseil, sont convoqués par simple pli.
  § 5. Lorsque les parties sollicitent conjointement qu'une médiation soit ordonnée, les délais de procédure qui leur sont impartis sont suspendus à dater du jour où elles formulent cette demande.
  Le cas échéant, les parties ou l'une d'elle peuvent solliciter de nouveaux délais pour la mise en état de la cause à l'audience visée au § 2 ou à l'article 1735, § 5.
  
Art.1735. <INGEVOEGD bij W 2005-02-21/36, art. 19; Inwerkingtreding : 30-09-2005> § 1. Binnen acht dagen na uitspraak van de beslissing bezorgt de griffie de bemiddelaar bij gerechtsbrief een voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis. Binnen acht dagen brengt de bemiddelaar de rechter en de partijen bij brief op de hoogte van de plaats, de dag en het uur waarop hij zijn opdracht zal aanvatten.
  § 2. De bemiddeling kan betrekking hebben op het hele geschil of op een gedeelte ervan.
  § 3. Gedurende de bemiddeling blijft de rechter geadieerd en kan hij op elk ogenblik elke door hem noodzakelijk geachte maatregel treffen. Op verzoek van de bemiddelaar of van een van de partijen kan hij ook vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn een einde maken aan de bemiddeling.
  § 4. Op elk ogenblik van de procedure kan de aangewezen bemiddelaar door een andere erkende bemiddelaar worden vervangen, bij overeenkomst tussen de partijen, die door hen ondertekend wordt en bij het dossier van de procedure wordt gevoegd.
  § 5. De zaak kan vóór de vastgestelde dag weer voor de rechter worden gebracht bij eenvoudige, schriftelijke en ter griffie neergelegde of aan de griffie gerichte verklaring door de partijen of door een van hen. De rechtsdag wordt bepaald binnen vijftien dagen na het verzoek.
  De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op en in voorkomend geval hun raadsman bij gewone brief. Indien het over een gezamenlijk verzoek van de partijen gaat, worden zij, en in voorkomend geval hun raadsman, bij gewone brief opgeroepen.
  [1 § 6. De maatregelen bevolen overeenkomstig de artikelen 1734 en 1735 zijn niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.]1
  
Art.1735. § 1er. Dans les huit jours du prononcé de la décision, le greffe envoie au médiateur sous pli judiciaire une copie certifiée conforme du jugement. Dans les huit jours, le médiateur avise par lettre le juge et les parties des lieu, jour et heure où il commencera sa mission.
  § 2. La médiation peut porter sur tout ou partie du litige.
  § 3. Le juge reste saisi durant la médiation et peut, à tout moment, prendre toute mesure qui lui paraît nécessaire. Il peut aussi, à la demande du médiateur ou de l'une des parties, mettre fin à la médiation avant l'expiration du délai fixé.
  § 4. De l'accord des parties, le médiateur désigné peut, à tout moment de la procédure, être remplacé par un autre médiateur agréé. Cet accord est signé par les parties et versé au dossier de la procédure.
  § 5. La cause peut être ramenée devant le juge avant le jour fixé par simple déclaration écrite déposée ou adressée au greffe par les parties ou l'une d'elles. La cause est fixée dans les quinze jours de la demande.
  Le greffier convoque les parties par pli judiciaire, et, le cas échéant, leur conseil par simple pli. S'il s'agit d'une demande conjointe des parties, celles-ci et le cas échéant, leur conseil, sont convoqués par simple pli.
  [1 § 6. Les mesures ordonnées en application des articles 1734 et 1735 ne sont susceptibles d'aucun recours.]1
  
Art.1736. <INGEVOEGD bij W 2005-02-21/36, art. 20; Inwerkingtreding : 30-09-2005> De bemiddeling verloopt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1731 en 1732.
  Bij afloop van zijn opdracht meldt de bemiddelaar de rechter schriftelijk of de partijen al dan niet tot een akkoord zijn gekomen.
  Zo de bemiddeling tot een, zelfs gedeeltelijk bemiddelingsakkoord leidt, kunnen de partijen of één van hen overeenkomstig artikel 1043 de rechter verzoeken dat akkoord te homologeren.
  [1 Indien de bemiddeling betrekking heeft op aangelegenheden bedoeld in artikel 1004/1 vermeldt het bemiddelingsakkoord dat de bemiddelaar de aandacht van de partijen heeft gevestigd op het belang van het kind en verduidelijkt het op welke wijze rekening is gehouden met dat belang.]1
  De rechter kan de homologatie van het akkoord alleen weigeren indien het strijdig is met de openbare orde of indien het akkoord dat bekomen werd na een bemiddeling in familiezaken strijdig is met het belang van de minderjarige kinderen. [1 Indien het akkoord de in het vierde lid bedoelde informatie niet bevat, vraagt de rechter de partijen hun akkoord op dit punt aan te vullen en schorst hij de behandeling van het verzoek totdat de partijen het akkoord hebben aangevuld.]1
  Zo de bemiddeling niet tot een volledig bemiddelingsakkoord heeft geleid, wordt de procedure op de vastgestelde dag voortgezet, maar behoudt de rechter de mogelijkheid om, zo hij dat opportuun acht en alle partijen ermee instemmen, de opdracht van de bemiddelaar voor een door hem bepaalde termijn te verlengen.
  
Art.1736. La médiation se déroule conformément aux dispositions des articles 1731 et 1732.
  A l'expiration de sa mission, le médiateur informe par écrit le juge de ce que les parties sont ou non parvenues à trouver un accord.
  Si la médiation a donné lieu à la conclusion d'un accord de médiation, fût-il partiel, les parties ou l'une d'elles peuvent, conformément à l'article 1043, demander au juge de l'homologuer.
  [1 Si la médiation porte sur des matières visées à l'article 1004/1, l'accord de médiation mentionne que le médiateur a attiré l'attention des parties sur l'intérêt de l'enfant et précise de quelle manière cet intérêt a été pris en compte.]1
  Le juge ne peut refuser l'homologation de l'accord que si celui-ci est contraire à l'ordre public ou si l'accord obtenu à l'issue d'une médiation familiale est contraire à l'intérêt des enfants mineur. [1 Si l'accord ne contient pas la mention visée à l'alinéa 4, le juge invite les parties à compléter leur accord sur ce point et sursoit à la demande tant que les parties n'ont pas complété l'accord.]1
  Si la médiation n'a pas donné lieu à la conclusion d'un accord de médiation complet, la procédure est poursuivie au jour fixé, sans préjudice de la faculté pour le juge, s'il l'estime opportun et moyennant l'accord de toutes les parties, de prolonger la mission du médiateur pour un délai qu'il détermine.
  
Art. 1737. <INGEVOEGD bij W 2005-02-21/36, art. 21; Inwerkingtreding : 30-09-2005> Er is geen voorziening mogelijk tegen de beslissing waarbij de bemiddeling wordt bevolen, verlengd of beëindigd.
Art. 1737. La décision ordonnant, prolongeant ou mettant fin à la médiation n'est pas susceptible de recours.