Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
9 JULI 1969. - Wet tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-12-2006 en tekstbijwerking tot 16-05-2024)
Titre
9 JUILLET 1969. - Loi modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-12-2006 et mise à jour au 16-05-2024)
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (64)
Texte (64)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsveld.
CHAPITRE Ier. - Champ d'application.
Artikel 1. <W 2007-04-25/52, art. 39, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Niettegenstaande elke andere wettelijke, reglementaire of contractuele bepaling, zijn de hoofdstukken II, III, en VII, van toepassing op de rust- en overlevingspensioenen ten laste van :
  1° de Staatskas;
  2° [1 het pensioenfonds van de federale politie]1
  3° de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden toepasselijk is verklaard;
  4° de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is verklaard;
  5° [3 het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen;]3
  6° [2 ...]2.
  De in het eerste lid bedoelde hoofdstukken zijn eveneens van toepassing op de rustpensioenen van de personeelsleden van de plaatselijke besturen die aangesloten zijn bij [2 het [3 gesolidariseerd pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen]3]2 waarvan de last door het plaatselijk bestuur zelf wordt gedragen, alsook op de overlevingspensioenen van hun rechthebbenden.
  In afwijking van het eerste lid, zijn de daarin bedoelde hoofdstukken niet van toepassing op :
  1° de pensioenen toegekend aan de gewezen pleitbezorgers;
  2° de pensioenen bedoeld in artikel 36ter van de wet van 29 juni 1976 tot wijziging van sommige bepalingen van de gemeentewet, het Veldwetboek, de wetgeving op de pensioenregeling van het gemeentepersoneel en het daarmee gelijkgestelde personeel en tot regeling van sommige gevolgen van de samenvoegingen, aanhechtingen en wijzigingen van grenzen van gemeenten verwezenlijkt door de wet van 30 december 1975.
  
Article 1. <L 2007-04-25/52, art. 39, 004; En vigueur : 01-01-2007>
  Nonobstant toute autre disposition legale, reglementaire ou contractuelle, les chapitres II, III, et VII, s'appliquent aux pensions de retraite et de survie à charge :
  1° du Trésor public;
  2° [1 le fonds des pensions de la police fédérale]1
  3° des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
  4° des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
  5° [3 du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales]3;
  6° [2 ...]2.
  Les chapitres visés à l'alinéa 1er s'appliquent également aux pensions de retraite des membres du personnel des autorités locales affiliées [2 au [3 Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales]3]2 dont la charge est supportée par l'autorité locale elle-même, ainsi qu'aux pensions de survie de leurs ayants droit.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les chapitres y visés ne s'appliquent pas :
  1° aux pensions allouées aux anciens avoués;
  2° aux pensions visées à l'article 36ter de la loi du 29 juin 1976 modifiant certaines dispositions de la loi communale, du Code rural, de la législation sur le régime de pensions du personnel communal et assimilé et réglant certaines conséquences des fusions, annexions et rectifications des limites des communes réalisées par la loi du 30 décembre 1975.
  
HOOFDSTUK II. - (Hoofdstuk II. - Bepalingen betreffende de berekening van de rust- en overlevingspensioenen.)
CHAPITRE II. - (Chapitre II. - Dispositions relatives au calcul des pensions de retraite et de survie.)
Art.11. <W 2007-04-25/52, art. 42, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Naargelang de aard van het pensioen, wordt het vastgesteld op basis van de volgende bezoldigingsregeling :
  1° een onmiddellijk rustpensioen of een overlevingspensioen dat voortvloeit uit het overlijden van een personeelslid in activiteit, wordt vastgesteld op basis van de bezoldigingsregeling van kracht op de ingangsdatum van het pensioen;
  2° een uitgesteld rustpensioen of een overlevingspensioen dat voortvloeit uit het overlijden van een potentiële begunstigde van een uitgesteld rustpensioen, wordt vastgesteld op basis van de bezoldigingsregeling van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het neerleggen van het ambt;
  3° het overlevingspensioen dat voortvloeit uit het overlijden van een begunstigde van een rustpensioen wordt vastgesteld op basis van de bezoldigingsregeling die toegepast werd voor de berekening van dat rustpensioen.
  Op het overeenkomstig het eerste lid, 2° of 3°, vastgestelde pensioen worden de in artikel 12, § 1, bedoelde verhogingen toegepast die, tussen het neerleggen van het ambt en de ingangsdatum van het pensioen, toegepast werden op basis van de perequatiekorf waaraan het pensioen is verbonden.
  § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, 2° en 3°, wordt de bezoldigingsregeling die van kracht is op 1 januari 2007 in aanmerking genomen indien het ambt voor die datum werd neergelegd.
  Op het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde pensioen worden de in artikel 12, § 1, bedoelde verhogingen toegepast die, tussen 1 januari 2007 en de ingangsdatum van het pensioen, toegepast werden op basis van de perequatiekorf waaraan het pensioen is verbonden.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitsluitend rekening gehouden met de bezoldigingsregelingen die, uiterlijk op 30 juni 2008, werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad of behoorlijk werden bekrachtigd bij een beslissing van de bevoegde overheid en bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs ter kennis werden gebracht van de Pensioendienst voor de overheidssector (PDOS). [1 Wat de weddebijslagen betreft die voor de berekening van het pensioen in aanmerking worden genomen krachtens artikel 8, § 2, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wordt uitsluitend rekening gehouden met de weddebijslagen die in aanmerking komen krachtens bepalingen die uiterlijk op 30 juni 2008 werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]1
  § 3. Dit artikel is van toepassing op de pensioenen die ingaan na 31 december 2006.
  
Art.11. <L 2007-04-25/52, art. 42, 004; En vigueur : 01-01-2007> § 1er. Selon la nature de la pension, celle-ci est établie sur la base du statut pécuniaire défini ci-après :
  1° une pension de retraite immédiate ou une pension de survie accordée suite au décès d'un agent en activité est établie sur la base du statut pécuniaire en vigueur à la date de prise de cours de la pension;
  2° une pension de retraite différée ou une pension de survie accordée suite au décès d'un bénéficiaire potentiel d'une pension de retraite différée est établie sur la base du statut pécuniaire en vigueur le premier jour du mois qui suit la cessation des fonctions;
  3° une pension de survie accordée suite au décès d'un bénéficiaire d'une pension de retraite est établie sur la base du statut pécuniaire utilisé pour le calcul de cette pension de retraite.
  A la pension établie conformément à l'alinéa 1er, 2° ou 3°, sont appliquées les augmentations visées à l'article 12, § 1er, qui ont été appliquées, entre la cessation des fonctions et la date de prise de cours de la pension, sur la base de la corbeille de péréquation à laquelle la pension est rattachée.
  § 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, 2° ou 3°, le statut pécuniaire à prendre en compte est celui en vigueur au 1er janvier 2007 si la cessation des fonctions est intervenue avant cette date.
  A la pension établie conformément à l'alinéa 1er, sont appliquées les augmentations visées à l'article 12, § 1er, qui ont été appliquées, entre le 1er janvier 2007 et la date de prise de cours de la pension, sur la base de la corbeille de péréquation à laquelle la pension est rattachée.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, il est uniquement tenu compte des statuts pécuniaires qui ont été publiés au Moniteur belge ou entérines par une décision, en bonne et due forme, de l'autorité compétente, portée à la connaissance du Service des Pensions du Secteur public (SdPSP) par pli recommandé avec accusé de réception, au plus tard le 30 juin 2008. [1 En ce qui concerne les suppléments de traitement qui sont pris en considération pour le calcul de la pension en application de l'article 8, § 2, de la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, seuls les suppléments de traitement pris en compte en vertu des dispositions publiées au Moniteur belge au plus tard le 30 juin 2008 sont pris en compte.]1
  § 3. Le présent article s'applique aux pensions prenant cours après le 31 décembre 2006.
  
HOOFDSTUK III. - (Bepalingen betreffende de perequatie van de rust- en overlevingspensioenen.)
CHAPITRE III. - (Chapitre III. - Dispositions relatives à la péréquation des pensions de retraite et de survie.)
Art.12. <L 2007-04-25/52, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Het nominaal bedrag van de rust- en overlevingspensioenen wordt verhoogd ten belope van het percentage bedoeld in § 9, eigen aan de perequatiekorf waaraan het pensioen overeenkomstig § 2 wordt verbonden [5 of ten belope van de in paragraaf 11 bedoelde forfaitaire som]5.
  De in het eerste lid omschreven perequatie heeft uitwerking de eerste dag van de maand die volgt op elke referentieperiode van twee jaar. De eerste referentieperiode loopt van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008.
  De perequatie wordt uitgevoerd op basis van het nominaal bedrag van het pensioen dat van kracht is op de laatste dag van de referentieperiode [5 , behalve in geval van toepassing van paragraaf 11]5.
  § 2. De rustpensioenen worden verbonden aan de perequatiekorf die samengesteld wordt voor de in § 3 omschreven sector waarin het personeelslid zijn loopbaan heeft beëindigd. De overlevingspensioenen worden verbonden aan de perequatiekorf die overeenstemt met de sector waarin de rechtgever ervan zijn loopbaan heeft beëindigd.
  De rustpensioenen van de personeelsleden die niet, of niet uitsluitend, tot een sector behoorden, evenals de overlevingspensioenen van hun rechthebbenden, worden verbonden aan de perequatiekorf van de federale overheid.
  § 3. Bij de aanvang van elke referentieperiode wordt voor elk van de volgende sectoren een perequatiekorf samengesteld :
   1° de federale overheid, met inbegrip van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen en van de voormalige rijkswacht, met uitzondering van de krijgsmacht en de geïntegreerde politiediensten;
   2° het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met inbegrip van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen;
   3° de Vlaamse ministeries, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   4° het Waals Gewest met inbegrip van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen;
   5° de Franse Gemeenschap met inbegrip van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen, met uitzondering van het onderwijs;
   6° de Duitstalige gemeenschap met inbegrip van het onderwijs evenals van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen;
   7° het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap;
   8° het onderwijs van de Franse Gemeenschap;
   9° de plaatselijke besturen van het Vlaams Gewest;
   10° de plaatselijke besturen van het Waals Gewest;
   11° de plaatselijke besturen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   12° de krijgsmacht;
   13° de geïntegreerde politiediensten;
   14° de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, met uitzondering van de NMBS Holding, Infrabel en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
   15° de NMBS Holding, Infrabel en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS);
  [2 16° de hulpverleningszones bedoeld in artikel 14 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid.]2
  § 4. Elke perequatiekorf wordt samengesteld op basis van de rustpensioenen die ingegaan zijn binnen de vier jaar voorafgaand aan de referentieperiode en waarvan de titularis zijn loopbaan in de betrokken sector heeft beëindigd binnen die vier jaar. [2 Er wordt uitsluitend rekening gehouden met de in artikel 1 bedoelde rustpensioenen die beheerd worden door de [6 FPD]6 of die ten laste zijn van het [6 Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen]6]2. De niet in artikel 1 bedoelde rustpensioenen van de personeelsleden van de plaatselijke besturen waarvan het beheer bij overeenkomst aan de [6 FPD]6 is toevertrouwd, worden evenwel eveneens in aanmerking genomen.
  De rustpensioenen van de personeelsleden die niet, of niet uitsluitend, tot een sector behoren, worden in aanmerking genomen voor de samenstelling van de perequatiekorf van de federale overheid.
  § 5. Voor de samenstelling van de perequatiekorven wordt uitsluitend rekening gehouden met de rustpensioenen waaraan een weddenschaal is verbonden waarvoor een minimumaantal van de in § 4, eerste lid, bedoelde pensioenen werden toegekend. Dit minimumaantal bedraagt :
  1° tien pensioenen voor de in § 3, 7°, 8° en 12° tot en met 15°, bedoelde sectoren;
  2° vijf pensioenen voor de in § 3, 1°, 3° en 4°, bedoelde sectoren;
  3° [2 twee pensioenen voor de in § 3, 2°, 5°, 6°, 9°, 10°, 11° en 16° bedoelde sectoren.]2
  Voor de vaststelling van het in het vorige lid bepaalde aantal pensioenen worden de weddenschalen waaraan eenzelfde maximum is verbonden, als een enkele weddenschaal beschouwd. Het aantal pensioenen verbonden aan deze weddenschalen wordt samengevoegd.
  Voor het samenstellen van de perequatiekorven van de in § 3, 9° tot en met 11°, bedoelde sectoren van de plaatselijke besturen worden de maxima van de weddenschalen, vóór de toepassing van het vorige lid, afgerond tot de hogere euro indien de eerste decimaal hoger is dan of gelijk is aan vijf en tot de lagere euro in de andere gevallen.
  Indien de toepassing van de vorige leden niet toelaat om ten minste 90 pct. van het aantal van de in § 4, eerste lid, bedoelde rustpensioenen op te nemen in de perequatiekorf, wordt het in het eerste lid bepaalde minimum aantal pensioenen teruggebracht tot het aantal eenheden dat vereist is om die 90 pct. te bereiken. Indien het minimum aantal pensioenen daartoe tot de eenheid wordt teruggebracht, worden uitsluitend de pensioenen met de meest recente ingangsdatum in aanmerking genomen om de 90 pct. te bereiken. Indien meerdere pensioenen met eenzelfde ingangsdatum toelaten om dit percentage te bereiken, worden al deze pensioenen opgenomen in de perequatiekorf.
  § 6. Voor de samenstelling van de perequatiekorf wordt de weddenschaal in aanmerking genomen die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het rustpensioen.
  Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de periode van vier jaar voorafgaand aan de referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, toelaat om, zonder voorwaarden, een andere weddenschaal te verkrijgen, wordt deze laatste weddenschaal in aanmerking genomen voor de samenstelling van de perequatiekorf.
  Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de periode van twee jaar voorafgaand aan de referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, toelaat om, onder bepaalde voorwaarden, een andere weddenschaal te verkrijgen, worden de pensioenen die ingegaan zijn vanaf de inwerkingtreding van die nieuwe bepaling en waarvan de titularis deze voorwaarden vervult, voor de toepassing van § 5, beschouwd als pensioenen waarvan de titularis deze voorwaarden niet vervult.
  De pensioenen die, voor de berekening van de globale bezoldiging van de vorige referentieperiode, over de vorige perequatiekorf verdeeld werden volgens de in § 7, [3 zesde lid]3, bedoelde verhouding, worden voor de samenstelling van de perequatiekorf volgens dezelfde verhouding verdeeld.
  [3 De voorwaarden die krachtens § 7, negende of tiende lid, niet als voorwaarden worden beschouwd in de zin van § 7, vierde tot zesde lid, worden voor de toepassing van deze paragraaf eveneens als onbestaande beschouwd.]3
  Onder voorbehoud van de toepassing van § 8, vierde lid, zijn de in aanmerking te nemen weddenschalen deze die van kracht zijn op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de referentieperiode.
  § 7. Op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan elke referentieperiode wordt voor elke perequatiekorf een globale bezoldiging vastgesteld die gelijk is aan de som van de maximumbezoldigingen verbonden aan de rustpensioenen van de perequatiekorf. De maximumbezoldiging berekend voor elk afzonderlijk pensioen, is gelijk aan het maximum van de weddenschaal die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen, verhoogd met het maximum van de in het tweede lid bedoelde weddenbijslagen die werkelijk werden toegekend in de laatste maand van de periode die in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van de referentiewedde die als grondslag dient voor de berekening van het pensioen. De weddenbijslagen die niet maandelijks betaalbaar zijn, worden geacht gespreid te zijn over het kalenderjaar.
  De weddenbijslagen bedoeld in het eerste lid, zijn :
  1° weddenbijslagen die voor de berekening van het pensioen in aanmerking worden genomen krachtens artikel 8, § 2, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen;
  2° het vakantiegeld, met inbegrip van de daaraan verbonden premies, evenals de eindejaarstoelage die overeenstemmen met het maximum van de weddenschaal die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen;
  3° de weddenbijslagen aangewezen door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  [4 ...]4.
  De toelagen voor bijkomende, buitengewone of uitzonderlijke prestaties, worden voor het vaststellen van de maximumbezoldiging slechts in aanmerking genomen op voorwaarde dat het weddenbijslagen betreft die voor de berekening van het pensioen in aanmerking worden genomen krachtens artikel 8, § 2, van voormelde wet van 21 juli 1844.
   Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de periode van vier jaar voorafgaand aan de referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, toelaat om, zonder voorwaarden, een andere weddenschaal, een andere weddenbijslag of een nieuwe weddenbijslag te verkrijgen, worden deze in aanmerking genomen voor de berekening van de maximumbezoldiging verbonden aan het pensioen.
  [3 Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de periode van vier jaar voorafgaand aan de vorige referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, toelaat om, onder bepaalde voorwaarden, een andere weddenschaal, een andere weddebijslag of een nieuwe weddebijslag te verkrijgen, worden deze in aanmerking genomen voor de berekening van de maximumbezoldiging verbonden aan de pensioenen die, bij de berekening van de totale bezoldiging van een vorige referentieperiode, met toepassing van het zevende lid beschouwd werden als pensioenen waarvan de titularis de in de nieuwe bepaling gestelde voorwaarden vervult.]3
  Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de periode van twee jaar voorafgaand aan de referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, toelaat om, onder bepaalde voorwaarden, een andere weddenschaal, een andere weddenbijslag of een nieuwe weddenbijslag te verkrijgen, wordt de verhouding vastgesteld van de pensioenen waarvan de titularis die voorwaarden vervult, ten opzichte van het totaal van de pensioenen waarvan de titularis die voorwaarden vervult of had kunnen vervullen. Deze verhouding wordt vastgesteld op basis van de pensioenen die ingegaan zijn tussen de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling en het einde van de referentieperiode. Deze verhouding wordt vastgesteld tot op de vierde decimaal.
  In geval van toepassing van het vorige lid, worden de in de perequatiekorf opgenomen pensioenen waarvan de titularis, indien hij in dienst was gebleven, binnen het toepassingsveld van de nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling zou gevallen zijn en die ingegaan zijn vóór de inwerkingtreding van die bepaling, over de perequatiekorf verdeeld volgens de in dat lid bedoelde verhouding. Het aantal pensioenen dat door de toepassing van deze verhouding wordt verkregen, wordt beschouwd als het aantal pensioenen waarvan de titularis de in de nieuwe bepaling gestelde voorwaarden vervult.
  In geval van toepassing van de vorige twee leden, wordt de globale bezoldiging, zowel voor de toepassing van deze paragraaf als voor de toepassing van § 8, berekend op basis van de overeenkomstig het vorige lid aangepaste perequatiekorf. Bij de berekening van de in deze paragraaf bedoelde globale bezoldiging worden de pensioenen waarvan de titularis de in de nieuwe bepaling gestelde voorwaarden werkelijk vervult, evenals de als zodanig beschouwde pensioenen, geacht pensioenen te zijn waarvan de titularis deze voorwaarden niet vervult.
  [3 Worden niet beschouwd als voorwaarden in de zin van het vierde tot zesde lid van deze paragraaf, de verplichting zich te bevinden in een bepaalde administratieve toestand of stand, voorwaarden inzake persoonsbeschrijving of evaluatie die niet gepaard gaan met quota, noch met het slagen voor een test of een examen, voorwaarden inzake anciënniteit en bijzondere vereisten, te weten de aanwezigheid bij een gesprek, het deelnemen aan een test of een examen zonder vereiste tot slagen, het bijwonen van cursussen of uiteenzettingen, het opstellen van een verslag of het indienen van een werkstuk.]3
  [3 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen dat andere voorwaarden die vergelijkbaar zijn met deze bepaald in het vorige lid, geen voorwaarden zijn in de zin van het vierde tot zesde lid van deze paragraaf. Dit koninklijk besluit moet in werking treden uiterlijk op de laatste dag van de referentieperiode waarin deze voorwaarden werden gecreëerd.]3
  Onder voorbehoud van de toepassing van § 8, vierde lid, zijn de voor de vaststelling van de maximumbezoldiging in aanmerking te nemen weddenschalen en weddenbijslagen, deze die van kracht zijn op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de referentieperiode.
  § 8. Op de laatste dag van de referentieperiode wordt de overeenkomstig § 7 vastgestelde globale bezoldiging voor elke perequatiekorf herberekend op basis van de maxima van de weddenschalen en de weddenbijslagen van kracht op die datum, onder voorbehoud van de toepassing van het vierde lid.
  Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, toelaat om, zonder voorwaarden, een andere weddenschaal, een andere weddenbijslag of een nieuwe weddenbijslag te verkrijgen, worden deze in aanmerking genomen voor de herberekening van de maximumbezoldiging verbonden aan het pensioen.
  [3 De voorwaarden die krachtens § 7, negende of tiende lid, niet als voorwaarden worden beschouwd in de zin van § 7, vierde tot zesde lid, worden voor de toepassing van het vorige lid eveneens als onbestaande beschouwd.]3
  Voor de toepassing van het eerste lid, evenals voor de toepassing van § 6, zesde lid, en § 7, [3 elfde lid]3, wordt uitsluitend rekening gehouden met de weddenschalen en de weddenbijslagen die uiterlijk op de in die respectievelijke bepalingen bedoelde datum werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad of behoorlijk werden bekrachtigd bij een beslissing van de bevoegde overheid en bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de [7 FPD]7. [7 Wat de weddebijslagen betreft die voor de berekening van het pensioen in aanmerking worden genomen krachtens artikel 8, § 2, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wordt bovendien uitsluitend rekening gehouden met de wedde-bijslagen die in aanmerking komen krachtens bepalingen die uiterlijk op de in de voormelde respectievelijke bepalingen bedoelde datum werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]7
  § 9. Voor elke perequatiekorf is het perequatiepercentage gelijk aan het percentage waarmee de globale bezoldiging op het einde van de referentieperiode is toegenomen ten opzichte van de globale bezoldiging op 31 december van het jaar dat aan die referentieperiode voorafgaat. Dit percentage wordt vastgesteld tot op de vierde decimaal.
  [8 § 10. Indien voor het geheel van de perequatiekorven het totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloeiend uit de in para-graaf 9 bedoelde perequatiepercentages hoger is dan 0,60 pct. van de globale last van de rust- en overlevingspensioenen voor het laatste jaar van de referentieperiode, wordt het in paragraaf 9 bedoelde perequatiepercentage beperkt voor elke perequatiekorf waarvan dit percentage 0,60 pct. overschrijdt.
   Hiertoe wordt voor elk van deze korven het in paragraaf 9 bedoelde perequatiepercentage proportioneel verminderd in verhouding tot het aandeel van de korf in de in het eerste lid bedoelde overschrijding van de globale last van de rust- en overlevingspensioenen. Het perequatiepercentage van deze korven wordt in die mate verminderd dat de toename van de voormelde globale pensioenlast tot 0,60 pct. wordt beperkt.]8

  [9 § 11. Indien voor een perequatiekorf toepassing wordt gemaakt van paragraaf 10 en het nominaal bedrag van het pensioen dat van kracht is op de laatste dag van de referentieperiode hoger is dan het in het tweede lid bedoelde drempelbedrag, wordt de pensioenverhoging voortvloeiend uit het in paragraaf 9 bedoelde perequatiepercentage, in afwijking van paragraaf 1, derde lid, vervangen door een forfaitaire pensioenverhoging waarvan het bedrag bekomen wordt door de toepassing van het in paragraaf 9 bedoelde perequatiepercentage op het in het tweede lid bedoelde drempelbedrag.
   Het drempelbedrag wordt zodanig vastgesteld dat het totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloeiend uit het in paragraaf 9 bedoelde perequatiepercentage en uit de in het eerste lid bedoelde forfaitaire verhoging van de nominale bedragen van de rust- en overlevingspensioenen die van kracht waren in de tiende maand van het tweede jaar van de referentieperiode, gelijk is aan het bedrag bekomen door de toepassing van het in paragraaf 10 bedoelde verminderde perequatiepercentage op de globale last van de aan de perequatiekorf verbonden rust- en overlevingspensioenen.]9

  
Art.12. <L 2007-04-25/52, art. 44, 004; En vigueur : 01-01-2007> § 1er. Le taux nominal des pensions de retraite et de survie est augmenté à concurrence du pourcentage défini au § 9, propre à la corbeille de péréquation à laquelle la pension est rattachée conformément au § 2 [5 ou à concurrence de la somme forfaitaire visée au paragraphe 11]5.
  La péréquation définie à l'alinéa 1er produit ses effets le premier jour du mois qui suit chaque période de référence de deux ans. La première période de référence s'étend du 1er janvier 2007 au 31 décembre 2008 inclus.
  La péréquation est exécutée sur la base du taux nominal de la pension en vigueur le dernier jour de la période de référence [5 , sauf en cas d'application du paragraphe 11]5.
  § 2. Les pensions de retraite sont rattachées à la corbeille de péréquation, constituée pour le secteur défini au § 3 dans lequel l'agent a terminé sa carrière. Les pensions de survie sont rattachées à la corbeille de péréquation afférente au secteur dans lequel le donnant droit a terminé sa carrière.
  Les pensions de retraite des agents qui ne relevaient pas, ou pas exclusivement, d'un secteur, ainsi que les pensions de survie de leurs ayants droit, sont rattachées à la corbeille de péréquation de l'autorité fédérale.
  § 3. Au début de chaque période de référence, une corbeille de péréquation est constituée pour chacun des secteurs suivants :
   1° l'autorité fédérale, y compris les organismes publics et les établissements scientifiques qui en dépendent et l'ancienne gendarmerie, à l'exclusion des forces armées et des services de la police intégrée;
   2° la Région de Bruxelles-Capitale, la Commission communautaire commune de la Région de Bruxelles-Capitale et la Commission communautaire française de la Région de Bruxelles-Capitale, y compris les organismes publics et les établissements scientifiques qui en dépendent;
   3° les ministères flamands, les agences autonomisées internes dotées de la personnalité juridique, les agences autonomisées externes et la Commission communautaire flamande de la Région de Bruxelles-Capitale;
   4° la Région wallonne y compris les organismes publics et les établissements scientifiques qui en dépendent;
   5° la Communauté française y compris les organismes publics et les établissements scientifiques qui en dépendent, à l'exception de l'enseignement;
   6° la Communauté germanophone y compris l'enseignement ainsi que les organismes publics et les établissements scientifiques qui en dépendent;
   7° l'enseignement de la Communauté flamande;
   8° l'enseignement de la Communauté française;
   9° les autorités locales de la Région flamande;
   10° les autorités locales de la Région wallonne;
   11° les autorités locales de la Région de Bruxelles-Capitale;
   12° les forces armées;
   13° les services de la police intégrée;
   14° les entreprises publiques autonomes visées à l'article 1er, § 4, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, à l'exception de la SNCB Holding, d'Infrabel et de la Société nationale des Chemins de fer belges;
   15° la SNCB Holding, Infrabel et la Société nationale des Chemins de fer belges (SNCB);
  [2 16° : les zones de secours visées à l'article 14 de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile.]2
  § 4. Chaque corbeille de péréquation est constituée sur la base des pensions de retraite qui ont pris cours durant les quatre années précédant la période de référence et dont les titulaires ont terminé leur carrière dans le secteur concerné durant ces quatre années. [2 Il est uniquement tenu compte des pensions de retraite visées à l'article 1er qui sont gérées par le [6 SFP]6 ou qui sont à charge du [6 Fonds de pension solidarisé des adminis-trations provinciales et locales]6]2. Toutefois, les pensions de retraite du personnel des autorités locales non visées à l'article 1er, dont la gestion est confiée par convention au [6 SFP]6, sont également prises en compte.
  Les pensions de retraite des agents qui ne relèvent pas, ou pas exclusivement, d'un secteur, sont prises en considération pour la constitution de la corbeille de péréquation de l'autorité fédérale.
  § 5. Pour la constitution des corbeilles de pérequation, seules sont reprises les pensions de retraite auxquelles est attachée une échelle barémique pour laquelle un nombre minimum des pensions de retraite visées au § 4, alinéa 1er, ont été accordées. Ce nombre minimum est de :
  1° dix pensions pour les secteurs visés au § 3, 7°, 8°, et 12° à 15° inclus;
  2° cinq pensions pour les secteurs visés au § 3, 1°, 3°, et 4°;
  3° [2 deux pensions pour les secteurs visés au § 3, 2°, 5°, 6°, 9°, 10°, 11° et 16°.]2
  Pour l'établissement du nombre de pensions prévu dans l'alinéa précédent, les échelles barémiques, auxquelles sont attachées un même maximum, sont considérées comme une seule échelle. Les pensions attachées à ces échelles barémiques sont regroupées.
  Pour la constitution des corbeilles de péréquation des secteurs des autorités locales visés au § 3, 9° à 11° inclus, les maxima des échelles barémiques, sont, avant l'application de l'alinéa précédent, arrondis à l'euro supérieur lorsque la première décimale est supérieure ou égale à cinq et à l'euro inférieur dans les autres cas.
  Si l'application des alinéas précédents ne permet pas de reprendre dans la corbeille de péréquation au moins 90 p.c. du nombre des pensions de retraite visées au § 4, alinéa 1er, le nombre minimum de pensions visé à l'alinéa 1er est ramené au nombre d'unités nécessaires pour atteindre ces 90 p.c. Si le nombre minimum de pensions est ramené à l'unité, seules les pensions de retraite dont la date de prise de cours est la plus récente sont prises en compte pour atteindre les 90 p.c. Si plusieurs pensions ayant pris cours à la même date permettent d'atteindre ce pourcentage, toutes ces pensions sont reprises dans la corbeille de péréquation.
  § 6. Pour la constitution de la corbeille de péréquation, l'échelle barémique prise en considération est celle qui est attachée au dernier grade du titulaire de la pension de retraite.
  Si, au cours des quatre années précédant la période de référence, une nouvelle disposition légale ou réglementaire permet aux agents actifs revêtus du grade dans lequel le titulaire de la pension a terminé sa carrière, d'obtenir, sans conditions, une autre échelle barémique, cette dernière échelle barémique est prise en considération pour la constitution de la corbeille de péréquation.
  Si, au cours des deux années précédant la période de référence, une nouvelle disposition légale ou réglementaire permet aux agents actifs revêtus du grade dans lequel le titulaire de la pension a terminé sa carrière, d'obtenir, sous certaines conditions, une autre échelle barémique, les pensions qui ont pris cours à partir de l'entrée en vigueur de cette nouvelle disposition et dont le titulaire remplit ces conditions, sont, pour l'application du § 5, considérées comme des pensions dont le titulaire ne remplit pas ces conditions.
  Les pensions qui, pour le calcul de la rémunération globale de la période de référence précédente, ont été réparties au sein de la corbeille de péréquation précédente selon la proportion visée au § 7, [3 alinéa 6]3, sont, pour la constitution de la corbeille de péréquation, réparties selon cette même proportion.
  [3 Les conditions qui, en vertu du § 7, alinéa 9 ou 10, ne sont pas considérées comme des conditions au sens du § 7, alinéas 4 à 6, sont, pour l'application du présent paragraphe, également considérées inexistantes.]3
  Les échelles barémiques à prendre en considération sont, sous réserve de l'application du § 8, alinéa 4, celles en vigueur au 31 décembre de l'année qui précède la période de référence.
  § 7. Au 31 décembre de l'année qui précède chaque période de référence, une rémunération globale, égale à la somme des rémunérations maximales attachées aux pensions de retraite de la corbeille de péréquation, est fixée pour chaque corbeille de péréquation. La rémunération maximale, calculée pour chaque pension individuelle, est égale au maximum de l'échelle barémique attachée au dernier grade du titulaire de la pension, majoré du maximum des suppléments de traitement visés à l'alinéa 2, effectivement accordés le dernier mois de la période prise en compte pour l'établissement du traitement de référence qui sert de base pour le calcul de la pension. Les suppléments de traitement qui ne sont pas payables mensuellement sont réputés être repartis sur l'année civile.
  Les suppléments de traitement visés à l'alinéa 1er sont :
  1° les supplements de traitement qui sont pris en compte pour le calcul de la pension en vertu de l'article 8, § 2, de la loi du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques;
  2° le pécule de vacances, y compris les primes attachées à ce pécule, ainsi que l'allocation de fin d'année qui correspondent au maximum de l'echelle barémique attachée au dernier grade du titulaire de la pension;
  3° les suppléments de traitement désignés par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
  [4 ...]4.
  Les allocations pour des prestations supplémentaires, extraordinaires ou exceptionnelles ne sont pris en compte pour la fixation de la rémunération maximale qu'à condition qu'il s'agit de suppléments de traitement pris en compte pour le calcul de la pension en vertu de l'article 8, § 2, de la loi du 21 juillet 1844 précitée.
  Si, au cours des quatre années précédant la période de référence, une nouvelle disposition légale ou réglementaire permet aux agents actifs revêtus du grade dans lequel le titulaire de la pension a terminé sa carrière, d'obtenir, sans conditions, une autre échelle barémique, un autre supplément de traitement ou un nouveau supplément de traitement, ceux-ci sont pris en considération pour le calcul de la rémunération maximale attachée à la pension.
  [3 Si, au cours des quatre années précédant la période de référence précédente, une nouvelle disposition légale ou réglementaire permet aux agents actifs revêtus du grade dans lequel le titulaire de la pension a terminé sa carrière, d'obtenir, sous certaines conditions, une autre échelle barémique, un autre supplément de traitement ou un nouveau supplément de traitement, ceux-ci sont pris en considération pour le calcul de la rémunération maximale attachée aux pensions qui, lors du calcul de la rémunération globale d'une période de référence précédente, étaient considérées, en application de l'alinéa 7, comme des pensions dont le titulaire remplit les conditions fixées par la nouvelle disposition.]3
  Si, au cours des deux années précédant la période de référence, une nouvelle disposition légale ou réglementaire permet aux agents actifs revêtus du grade dans lequel le titulaire de la pension a terminé sa carrière, d'obtenir, sous certaines conditions, une autre échelle barémique, un autre supplément de traitement ou un nouveau supplément de traitement, la proportion des pensions dont le titulaire remplit ces conditions est établie par rapport au total des pensions dont le titulaire remplit ou aurait pu remplir ces conditions. Cette proportion est fixée sur la base des pensions qui ont pris cours entre l'entrée en vigueur de la nouvelle disposition et la fin de la période de référence. Cette proportion est établie jusqu'à la quatrième décimale.
  En cas d'application de l'alinéa précédent, les pensions reprises dans la corbeille de péréquation dont le titulaire serait tombé dans le champ d'application de la nouvelle disposition légale ou réglementaire s'il était resté en service, et qui ont pris cours avant l'entrée en vigueur de cette disposition, sont réparties au sein de la corbeille de péréquation selon la proportion visée à cet alinéa. Le nombre de pensions obtenu en appliquant cette proportion est considéré comme le nombre des pensions dont le titulaire remplit les conditions fixées par la nouvelle disposition.
  En cas d'application des deux alinéas précédents, la rémunération globale est, tant pour l'application du présent paragraphe que pour l'application du § 8, calculée sur la base de la corbeille de péréquation adaptée conformément à l'alinéa précédent. Lors du calcul de la rémunération globale visée au présent paragraphe, les pensions dont le titulaire remplit effectivement les conditions fixées par la nouvelle disposition, ainsi que les pensions considérées comme telles, sont présumées être des pensions dont le titulaire ne remplit pas ces conditions.
  [3 Ne sont pas considérées comme des conditions au sens des alinéas 4 à 6 du présent paragraphe, l'obligation de se trouver dans une situation ou une position administrative définie, des conditions en matière de signalement ou d'évaluation qui ne vont de pair ni avec des quota, ni avec la réussite d'un test ou d'un examen, des conditions d'ancienneté et des exigences particulières, à savoir la présence à un entretien, la participation à un test ou à un examen sans qu'une réussite soit exigée, l'assistance à des cours ou à des exposés, la rédaction d'un rapport ou la fourniture d'un travail quelconque.]3
  [3 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, décider que d'autres conditions qui sont de nature analogue à celles définies à l'alinéa précédent, ne sont pas des conditions au sens des alinéas 4 à 6 du présent paragraphe. Cet arrêté royal doit entrer en vigueur le dernier jour de la période de référence dans laquelle ces conditions ont été créées.]3
  Pour l'établissement de la rémunération maximale, les échelles barémiques et les suppléments de traitement à prendre en considération sont, sous réserve de l'application du § 8, alinéa 4, ceux en vigueur au 31 décembre de l'année qui précède la période de référence.
  § 8. Le dernier jour de la période de référence, la rémunération globale fixée conformément au § 7 pour chaque corbeille de péréquation, est recalculée sur la base des maxima des échelles barémiques et des suppléments de traitement en vigueur à cette date, sous réserve de l'application de l'alinéa 4.
  Si, au cours de la période de référence, une nouvelle disposition légale ou réglementaire permet aux agents actifs revêtus du grade dans lequel le titulaire de la pension a terminé sa carrière, d'obtenir, sans conditions, une autre échelle barémique, un autre supplément de traitement ou un nouveau supplément de traitement, ceux-ci sont pris en considération pour le recalcul de la rémunération maximale attachée à la pension.
  [3 Les conditions qui, en vertu du § 7, alinéa 9 ou 10, ne sont pas considérées comme des conditions au sens du § 7, alinéas 4 à 6, sont, pour l'application de l'alinéa précédent, également considérées inexistantes.]3
  Pour l'application de l'alinéa 1er, ainsi que pour l'application du § 6, alinéa 6, et § 7, [3 alinéa 11]3, il n'est tenu compte que des échelles barémiques et des suppléments de traitement publiés au Moniteur belge ou entérinés par une décision, en bonne et due forme, de l'autorité compétente, portée à la connaissance du [7 SFP]7 par pli recommandé avec accusé de réception, au plus tard le jour visé par ces dispositions respectives. [7 En ce qui concerne les suppléments de traitement qui sont pris en compte pour le calcul de la pension en application de l'article 8, § 2, de la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, il n'est tenu compte que des seuls suppléments pris en compte en vertu de dispositions publiées au Moniteur belge au plus tard à la date visée dans les dispositions respectives précitées.]7
  § 9. Pour chaque corbeille de péréquation, le pourcentage de péréquation est égal au pourcentage d'augmentation de la rémunération globale à la fin de la période de référence par rapport à la rémunération globale au 31 décembre de l'année qui précède cette période de référence. Ce pourcentage est établi jusqu'à la quatrième décimale.
  [8 § 10. Si, pour l'ensemble des corbeilles de péréquation, le montant total des majorations de pension résultant des pourcentages de péréquation visés au paragraphe 9, dépasse 0,60 p.c. de la charge globale des pensions de retraite et de survie de la dernière année de la période de référence, le pourcentage de péréquation visé au paragraphe 9, est limité pour chaque corbeille de péréquation pour laquelle ce pourcentage dépasse 0,60 p.c.
   A cet effet, pour chacune de ces corbeilles, le pourcentage de péréquation visé au paragraphe 9 est réduit proportionnellement à la part de la corbeille dans le dépassement visé à l'alinéa 1er de la charge globale des pensions de retraite et de survie. Le pourcentage de péréquation de ces corbeilles est réduit dans la mesure où l'augmentation de la charge globale de pension précitée est limitée à 0,60 p.c.]8

  [9 § 11. Si pour une corbeille de péréquation le paragraphe 10 est appliqué et si le taux nominal de la pension en vigueur le dernier jour de la période de référence est supérieur au montant seuil visé à l'alinéa 2, la majoration de pension résultant du pourcentage de péréquation visé au paragraphe 9 est remplacé, par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 3, par une augmentation forfaitaire de pension dont le montant est obtenu par l'application du pourcentage de péréquation visé au paragraphe 9 au montant seuil visé à l'alinéa 2.
   Le montant seuil est fixé de telle sorte que le montant total des majorations de pension résultant du pourcentage de péréquation visé au paragraphe 9 et de l'augmentation forfaitaire visée à l'alinéa 1er aux montants nominaux des pensions de retraite et de survie qui étaient en vigueur au dixième mois de la deuxième année de la période de référence, soit égal au montant obtenu par l'application du pourcentage de péréquation réduit visé au paragraphe 10 à la charge globale des pensions rattachées à la corbeille de péréquation.]9

  
Art.13. <W 2007-04-25/52, art. 45, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Wanneer ten gevolge van de afschaffing of de herstructurering van de overheidsdienst of het organisme waarin het personeelslid zijn loopbaan heeft beëindigd, alle personeelsleden of alle personeelsleden van de taalgroep waartoe dat personeelslid behoorde van ambtswege overgaan naar een overheidsdienst of organisme behorend tot een andere sector, wordt zijn pensioen, in afwijking van artikel 12, § 4, eerste lid, vanaf de datum van die afschaffing of herstructurering, voor de samenstelling van de perequatiekorven overgeheveld naar die andere sector. Hetzelfde geldt voor de uitgestelde rustpensioenen van die personeelsleden. In geval van opeenvolgende overgangen, wordt de overheidsdienst of het organisme waarheen de personeelsleden laatst zijn overgegaan, beschouwd als de overheidsdienst of het organisme waarin het personeelslid zijn loopbaan heeft beëindigd.
  In afwijking van artikel 12, § 2, eerste lid, worden de rustpensioenen van deze personeelsleden, evenals de overlevingspensioenen van hun rechthebbenden, vanaf de eerste perequatie volgend op de overheveling, geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector waarnaar de overheveling werd uitgevoerd.
  § 2. In afwijking van § 1, tweede lid, worden de rustpensioenen van de personeelsleden van de afgeschafte politiekorpsen van de rijkswacht, de gemeentelijke politie en de gerechtelijke politie, die werden toegekend vooraleer het politiekorps waartoe zij het laatst behoorden is overgegaan naar de geïntegreerde politie, geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector waartoe deze personeelsleden behoorden vóór de oprichting van de geïntegreerde politie. De overlevingspensioenen van hun rechthebbenden worden eveneens aan deze perequatiekorf verbonden.
  § 3. In afwijking van § 1, tweede lid, worden de uitgestelde rustpensioenen van de personeelsleden van de afgeschafte politiekorpsen van de rijkswacht, de gemeentelijke politie en de gerechtelijke politie, die hun ambt hebben neergelegd vooraleer het politiekorps waartoe zij het laatst behoorden is overgegaan naar de geïntegreerde politie, geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector waartoe deze personeelsleden behoorden vóór oprichting van de geïntegreerde politie. De overlevingspensioenen van hun rechthebbenden worden eveneens aan deze perequatiekorf verbonden.
  § 4. In afwijking van artikel 12, § 4, eerste lid, worden de rustpensioenen van de personeelsleden van de afgeschafte politiekorpsen van de rijkswacht, de gemeentelijke politie en de gerechtelijke politie die, na hun overgang naar de geïntegreerde politie, beslist hebben om onderworpen te blijven aan de wetten en reglementen die van toepassing zijn op de personeelscategorie waartoe zij vóór die overgang behoorden, voor de samenstelling van de perequatiekorven verbonden aan de sector waartoe deze personeelsleden behoorden vóór hun overgang naar de geïntegreerde politie.
  In afwijking van artikel 12, § 2, eerste lid, worden de rustpensioenen van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden, evenals de rustpensioenen van de personeelsleden die hun loopbaan bij de geïntegreerde politie hebben beëindigd vóór 1 april 2001, geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector bedoeld in het eerste lid. De overlevingspensioenen van hun rechthebbenden worden eveneens aan deze perequatiekorf verbonden.
  [2 § 4/1. De bepalingen van § § 2 tot 4 zijn mutatis mutandis van toepassing op het personeel dat betrokken is bij de overdracht naar een in artikel 2, § 1, 2° bedoelde hulpverleningszone.]2
  § 5. Indien het aantal rustpensioenen dat als basis dient voor de samenstelling van de perequatiekorf van een bepaalde sector, op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de referentieperiode, lager is dan tien pct. van het totale aantal van de op die datum lopende rustpensioenen van die sector die door de in artikel 12, § 4, eerste lid, bedoelde instellingen worden beheerd, worden deze rustpensioenen, voor de samenstelling van de perequatiekorven, op die datum definitief overgeheveld naar de sector van de federale overheid. De in deze paragraaf bedoelde overheveling wordt uitgevoerd na de overheveling bedoeld in § 1, eerste lid, in geval van gelijktijdige toepassing van die twee paragrafen.
  In afwijking van artikel 12, § 2, eerste lid, worden de rustpensioenen van de personeelsleden van de betrokken sector, evenals de overlevingspensioenen van hun rechthebbenden, vanaf de perequatie volgend op de in het vorige lid bedoelde referentieperiode, geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector van de federale overheid.
  § 6. De in § 1, eerste lid, of § 5, eerste lid, bedoelde overheveling wijzigt de samenstelling van de vóór die overheveling vastgestelde perequatiekorven niet.
  § 7. Indien de laatste weddenschaal die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, niet de weddenschaal is die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen, wordt het rustpensioen, in afwijking van artikel 12, § 4, eerste lid, voor de samenstelling van de perequatiekorven verbonden aan de sector waartoe de laatste weddenschaal behoort die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen.
  In geval van toepassing van het eerste lid, wordt de laatste weddenschaal die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, voor de samenstelling van de perequatiekorf en de berekening van de maximumbezoldiging, beschouwd als de weddenschaal die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen.
  In afwijking van artikel 12, § 2, eerste lid, worden de rustpensioenen van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector bedoeld in het eerste lid. De overlevingspensioenen van hun rechthebbenden worden eveneens aan deze perequatiekorf verbonden.
  Indien, ten gevolge van een weddenwaarborgregeling, de laatste weddenschaal die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, niet de weddenschaal is die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen, worden de vorige leden niet toegepast wanneer :
  1° ook de weddenschaal die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen in aanmerking wordt genomen voor de berekening ervan;
  2° de weddenschaal die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening ervan, maar het maximum van deze weddenschaal hoger ligt dan het maximum van de laatste weddenschaal die, krachtens de weddenwaarborgregeling, in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen.
  § 8. Wanneer een personeelslid gelijktijdig afzonderlijke ambten heeft uitgeoefend die bezoldigd worden op basis van verschillende weddenschalen, waarvoor een enkel rustpensioen wordt toegekend, wordt dat pensioen, in afwijking van artikel 12, § 4, eerste lid, voor de samenstelling van de perequatiekorven verbonden aan de sector waartoe de weddenschaal behoort die verbonden is aan het ambt waarvan de omvang van de prestaties op het einde van de loopbaan het grootst is. Indien de omvang van de volbrachte prestaties in de afzonderlijke ambten dezelfde is, wordt het rustpensioen verbonden aan de sector waartoe de weddenschaal met het hoogste maximum behoort.
  In geval van toepassing van het eerste lid, wordt de weddenschaal die de sector bepaalt waaraan het rustpensioen wordt verbonden, voor de samenstelling van de perequatiekorf en de berekening van de maximumbezoldiging, beschouwd als de weddenschaal die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen.
  In afwijking van artikel 12, § 2, eerste lid, worden de rustpensioenen van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector bedoeld in het eerste lid. De overlevingspensioenen van hun rechthebbenden worden eveneens aan deze perequatiekorf verbonden.
  [1 § 9. In afwijking van artikel 12, §§ 7 en 8, wordt voor het vaststellen van de maximumbezoldiging geen rekening gehouden met de bezoldigingselementen bedoeld in artikel 8, § 1, zevende lid, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen of krachtens het achtste lid van diezelfde bepaling.]1
  
Art.13. <L 2007-04-25/52, art. 45, 004; En vigueur : 01-01-2007> § 1er. Lorsque, à la suite de la suppression ou de la restructuration de l'administration ou de l'organisme dans lequel l'agent a terminé sa carrière, tous les agents ou tous les agents du groupe linguistique auquel cet agent appartenait sont transférés d'office vers une autre administration ou organisme appartenant à un autre secteur, sa pension est, par dérogation à l'article 12, § 4, alinéa 1er, à partir de la date de cette suppression ou restructuration, transférée vers cet autre secteur pour la constitution des corbeilles de péréquation. Il en est de même pour les pensions de retraite différées de ces agents. En cas de transferts successifs, l'administration ou l'organisme vers lequel les agents ont été transférés en dernier lieu, est considéré comme étant l'administration ou l'organisme dans lequel l'agent a terminé sa carrière.
  Par dérogation à l'article 12, § 2, alinéa 1er, les pensions de retraite de ces agents, ainsi que les pensions de survie de leurs ayants droit, sont, à partir de la première péréquation suivant le transfert, péréquatées sur la base de la corbeille de péréquation du secteur vers lequel le transfert a été opéré.
  § 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, les pensions de retraite des agents des corps de police supprimés de la gendarmerie, de la police communale et de la police judiciaire, qui ont été accordées avant que le corps de police auquel ils appartenaient en dernier lieu soit passé à la police intégrée, sont péréquatées sur la base de la corbeille de péréquation du secteur auquel ces agents appartenaient avant la création de la police intégrée. Les pensions de survie de leurs ayants droit sont également rattachées à cette corbeille de péréquation.
  § 3. Par dérogation au § 1, alinéa 2, les pensions de retraite différées des agents des corps de police supprimés de la gendarmerie, de la police communale et de la police judiciaire, qui ont cessé leur fonction avant que le corps de police auquel ils appartenaient en dernier lieu soit passé à la police intégrée, sont péréquatées sur la base de la corbeille de péréquation du secteur auquel ces agents appartenaient avant la création de la police intégrée. Les pensions de survie de leurs ayants droit sont également rattachées à cette corbeille de péréquation.
  § 4. Par dérogation à l'article 12, § 4, alinéa 1er, les pensions de retraite des agents des corps de police supprimés de la gendarmerie, de la police communale et de la police judiciaire, qui ont décidé, après leur passage vers la police intégrée, de rester soumis aux lois et règlements qui sont d'application à la catégorie de personnel à laquelle ils appartenaient avant ce passage, sont, pour la constitution des corbeilles de péréquation, rattachées au secteur auquel ces agents appartenaient avant leur passage vers la police intégrée.
  Par dérogation à l'article 12, § 2, alinéa 1er, les pensions de retraite des agents visés à l'alinéa 1er, ainsi que les pensions de retraite des agents qui ont terminé leur carrière auprès de la police intégrée avant le 1er avril 2001, sont péréquatées sur la base de la corbeille de péréquation du secteur visé à l'alinéa 1er. Les pensions de survie de leurs ayants droit sont également rattachées à cette corbeille de péréquation.
  [2 § 4/1. Les dispositions des § § 2 à 4 sont applicables mutatis mutandis au personnel concerné par le transfert vers une zone de secours visée à l'article 2, § 1er, 2°.]2
  § 5. Si, au 31 décembre de l'année qui précède la période de référence, le nombre des pensions de retraite qui servent de base pour la constitution de la corbeille de péréquation d'un secteur déterminé, est inférieur à dix p.c. du nombre total des pensions de retraite en cours dans ce secteur à la date précitée, gérées par les institutions visées à l'article 12, § 4, alinéa 1er, ces pensions de retraite sont, pour la constitution des corbeilles de péréquation, définitivement transférées, à cette date, vers le secteur de l'autorité fédérale. Le transfert visé au présent paragraphe est effectué après le transfert visé au § 1er, alinéa 1er, en cas d'application simultanée de ces deux paragraphes.
  Par dérogation à l'article 12, § 2, alinéa 1er, les pensions de retraite des agents du secteur concerné, ainsi que les pensions de survie de leurs ayants droit, sont, à partir de la péréquation suivant la période de référence visée à l'alinéa précédent, péréquatées sur la base de la corbeille de péréquation du secteur de l'autorité fédérale.
  § 6. Le transfert visé au § 1, alinéa 1er, ou § 5, alinéa 1er, ne modifie pas la constitution des corbeilles de péréquation établies avant ce transfert.
  § 7. Si la dernière échelle barémique prise en compte pour le calcul de la pension n'est pas l'échelle barémique attachée au dernier grade du titulaire de la pension, la pension de retraite est, par dérogation à l'article 12, § 4, alinéa 1er, rattachée, pour la constitution des corbeilles de péréquation, au secteur auquel la dernière échelle barémique prise en compte pour le calcul de la pension appartient.
  En cas d'application de l'alinéa 1er, la dernière échelle barémique prise en compte pour le calcul de la pension est considérée comme étant l'échelle barémique attachée au dernier grade du titulaire de la pension pour la constitution de la corbeille de péréquation et le calcul de la rémunération maximale.
  Par dérogation à l'article 12, § 2, alinéa 1er, les pensions de retraite des agents visés à l'alinéa 1er, sont péréquatées sur la base de la corbeille de péréquation du secteur visé à l'alinéa 1er. Les pensions de survie de leurs ayants droit sont également rattachées à cette corbeille de péréquation.
  Si, suite à l'application de règles de garantie en matière de traitement, la dernière échelle barémique prise en compte pour le calcul de la pension n'est pas l'échelle barémique attachée au dernier grade du titulaire de la pension, les alinéas précédents ne s'appliquent pas lorsque :
  1° l'échelle barémique attachée au dernier grade du titulaire de la pension est également prise en compte pour le calcul de celle-ci;
  2° l'échelle barémique attachée au dernier grade du titulaire de la pension n'est pas prise en compte pour le calcul de celle-ci, mais que le maximum de cette échelle barémique est supérieur au maximum de la dernière échelle barémique prise en compte pour le calcul de la pension en vertu des règles de garantie en matière de traitement.
  § 8. Si un agent a exercé simultanément des fonctions distinctes rémunérées sur la base d'échelles barémiques différentes, pour lesquelles une seule pension de retraite est accordée, cette pension est, par dérogation à l'article 12, § 4, alinéa 1er, rattachée, pour la constitution des corbeilles de péréquation, au secteur auquel appartient l'échelle barémique attachée à la fonction dont le volume des prestations à la fin de la carrière est le plus important. Si le volume de prestations accomplies dans les fonctions distinctes est le même, la pension de retraite est rattachée au secteur auquel appartient l'échelle barémique dont le maximum est le plus élevé.
  En cas d'application de l'alinéa 1er, l'échelle barémique déterminant le secteur auquel la pension de retraite est rattachée, est considérée comme étant l'échelle barémique attachée au dernier grade du titulaire de la pension pour la constitution de la corbeille de péréquation et le calcul de la rémunération maximale.
  Par dérogation à l'article 12, § 2, alinéa 1er, les pensions de retraite des agents visés à l'alinéa 1er, sont péréquatées sur la base de la corbeille de péréquation du secteur visé à l'alinéa 1er. Les pensions de survie de leurs ayants droit sont également rattachées à cette corbeille de péréquation.
  [1 § 9. Par dérogation à l'article 12, §§ 7 et 8, il n'est pas tenu compte des éléments de rémunération prévus à l'article 8, § 1, alinéa 7, de la loi du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques ou prévus en vertu de l'alinéa 8 de la même disposition, lors de l'établissement de la rémunération maximale.]1
  
HOOFDSTUK IV. - (...).
CHAPITRE IV. - (...)
Art.14. <W 2007-04-25/52, art. 47, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007> In afwijking van artikel 12, § 6, zesde lid, worden de perequatiekorven voor de eerste referentieperiode vastgesteld op basis van de weddenschalen die van kracht zijn op 1 januari 2007 en die, uiterlijk op 30 juni 2008, werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad of behoorlijk werden bekrachtigd bij een beslissing van de bevoegde overheid en bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de PDOS.
  In afwijking van artikel 12, § 7, eerste lid, wordt de globale bezoldiging voor de eerste referentieperiode vastgesteld op 1 januari 2007. De daartoe vereiste maximumbezoldigingen worden, in afwijking van artikel 12, § 7, [1 elfde lid]1, vastgesteld op basis van de weddenschalen en weddenbijslagen die van kracht zijn op 1 januari 2007 en die, uiterlijk op 30 juni 2008, werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad of behoorlijk werden bekrachtigd bij een beslissing van de bevoegde overheid en bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de PDOS. [2 Wat de weddebijslagen betreft die voor de berekening van het pensioen in aanmerking worden genomen krachtens artikel 8, § 2, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wordt bovendien uitsluitend rekening gehouden met de wedde-bijslagen die in aanmerking komen krachtens bepalingen die uiterlijk op 30 juni 2008 werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]2
  In afwijking van artikel 12, § 7, eerste en tweede lid, 2°, en § 8, eerste lid :
  1° worden de verhogingen van het vakantiegeld of de daaraan verbonden premies die zich tijdens de eerste referentieperiode hebben voorgedaan, niet in aanmerking genomen voor de perequatie van 1 januari 2009;
  2° wordt het vakantiegeld, met inbegrip van de daaraan verbonden premies, vanaf 31 december 2008 geacht gelijk te zijn aan 65 pct. van de brutobezoldiging zolang het dat percentage, voor de personeelscategorie waartoe de gepensioneerde behoort, niet bereikt;
  3° worden de vanaf 1 januari 2007 toegekende verhogingen van het vakantiegeld of de daaraan verbonden premies, voor het vaststellen van elke globale bezoldiging, vanaf 31 december 2010 in aanmerking genomen in schijven van ten hoogste 5 pct. van de brutobezoldiging per referentieperiode.
  In afwijking van artikel 12, § 7, [1 eerste en vierde tot zesde lid]1, en § 8, eerste en tweede lid, worden de weddenbijslagen bedoeld in artikel 12, § 7, tweede lid, 3°, die bestaan op 1 januari 2007 niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van de maximumbezoldiging van de pensioenen die ingegaan zijn vóór 1 januari 2007.
  Indien een weddenbijslag die niet in aanmerking genomen wordt voor de vaststelling van de maximumbezoldiging, geheel of gedeeltelijk opgenomen wordt in een weddenschaal of in een andere weddenbijslag die wel in aanmerking genomen wordt voor de vaststelling van de maximumbezoldiging, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen dat de uit die incorporatie voortvloeiende verhoging van de maximumbezoldiging geneutraliseerd wordt voor de berekening van de globale bezoldiging bedoeld in artikel 12, § 8.
  In afwijking van artikel 12, § 9, is het perequatiepercentage voor de eerste referentieperiode gelijk aan het percentage waarmee de globale bezoldiging op 31 december 2008 is toegenomen ten opzichte van de globale bezoldiging vastgesteld op 1 januari 2007.
  
Art.14. <L 2007-04-25/52, art. 47, 004; En vigueur : 01-01-2007> Par derogation à l'article 12, § 6, alinéa 6, les corbeilles de péréquation sont, pour la première période de référence, établies sur la base des échelles barémiques en vigueur au 1er janvier 2007 et qui ont été publiées au Moniteur belge ou entérinées par une décision, en bonne et due forme, de l'autorite compétente, portée à la connaissance du SdPSP par pli recommandé avec accusé de réception, au plus tard le 30 juin 2008.
  Par dérogation à l'article 12, § 7, alinéa 1er, la rémunération globale pour la première période de référence est fixée au 1er janvier 2007. Les rémunérations maximales nécessaires à cet effet sont, par dérogation à l'article 12, § 7, [1 alinéa 11]1, établies sur la base des échelles barémiques et des suppléments de traitement en vigueur au 1er janvier 2007 et qui ont été publiés au Moniteur belge ou entérinés par une décision, en bonne et due forme, de l'autorité compétente, portée à la connaissance du SdPSP par pli recommandé avec accusé de réception, au plus tard le 30 juin 2008. [2 En ce qui concerne les suppléments de traitement qui sont pris en considération pour le calcul de la pension en application de l'article 8, § 2, de la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, seuls les suppléments de traitement pris en compte en vertu des dispositions publiées au Moniteur belge au plus tard le 30 juin 2008 sont pris en compte.]2
  Par dérogation à l'article 12, § 7, alinéas 1er et 2, 2°, et § 8, alinéa 1er :
  1° les augmentations du pécule de vacances ou des primes attachées à ce pécule, intervenues au cours de la première période de référence, ne sont pas prises en compte pour la péréquation du 1er janvier 2009;
  2° le pécule de vacances, y compris les primes attachées à ce pécule, est, à partir du 31 décembre 2008, présumé être au moins égal à 65 p.c. du salaire brut tant qu'il n'atteint pas ce pourcentage pour la catégorie de personnel à laquelle le pensionné appartient;
  3° les augmentations du pécule de vacances ou des primes attachées à ce pécule accordées à partir du 1er janvier 2007 sont, pour l'établissement de chaque rémunération globale, prises en compte, à partir du 31 décembre 2010, par tranches de 5 p.c. au maximum du salaire brut par période de référence.
  Par dérogation à l'article 12, § 7, [1 alinéas 1er et 4 à 6]1, et § 8, alinéa 1er et 2, les suppléments de traitement visés à l'article 12, § 7, alinéa 2, 3°, existant au 1 janvier 2007 ne sont pas pris en compte pour l'établissement de la rémunération maximale des pensions qui ont pris cours avant le 1er janvier 2007.
  Si un supplément de traitement qui n'est pas pris en compte pour l'établissement de la rémunération maximale est, en tout ou en partie, incorporé dans une échelle barémique ou dans un autre supplément de traitement qui, est bien pris en compte pour l'etablissement de la rémunération maximale, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, décider que l'augmentation de la rémunération maximale résultant de cette incorporation est neutralisée pour le calcul de la rémunération globale visé a l'article 12, § 8.
  Par dérogation à l'article 12, § 9, le pourcentage de péréquation pour la première période de référence est égal au pourcentage d'augmentation de la rémunération globale fixée au 31 décembre 2008 par rapport à la rémunération globale fixée au 1er janvier 2007.
  
Art.15. <W 2007-04-25/52, art. 48, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Het nominaal bedrag van de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de provincies en de plaatselijke besturen die niet bedoeld worden in artikel 1, worden ten minste verhoogd met het in artikel 12, § 9, bedoelde percentage dat, naargelang het gewest, vastgesteld wordt voor de perequatiekorf van de sector bedoeld in artikel 12, § 3, 9°, 10° of 11° [1 of met de in artikel 12, § 11, bedoelde forfaitaire som]1.
  
Art.15. <L 2007-04-25/52, art. 48, 004; En vigueur : 01-01-2007> Le taux nominal des pensions de retraite et de survie à charge des provinces et des autorités locales non visées à l'article 1er, sont augmentées au moins à concurrence du pourcentage visé à l'article 12, § 9, établi, selon la région, pour la corbeille de péréquation du secteur visé à l'article 12, § 3, 9°, 10° ou 11° [1 ou de la somme forfaitaire visée à l'article 12, § 11]1.
  
Art.16. [1 Indien voor het geheel van de perequatiekorven het totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloeiend uit de in artikel 12, § 9 bedoelde perequatiepercentages niet hoger is dan 0,30 pct. van de globale last van de rust- en overlevingspensioenen voor het laatste jaar van de referentieperiode, wordt de pensioenverhoging die voortvloeit uit het in artikel 12, § 9, bedoelde perequatiepercentage integraal in één enkele schijf uitbetaald.
   Indien voor het geheel van de perequatiekorven het totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloeiend uit de in artikel 12, § 9, bedoelde perequatiepercentages hoger is dan 0,30 pct. maar niet hoger dan 0,60 pct. van de globale last van de rust- en overlevingspensioenen voor het laatste jaar van de referentieperiode, wordt de pensioenverhoging die voortvloeit uit het in artikel 12, § 9, bedoelde perequatiepercentage uitbetaald in twee opeenvolgende gelijke jaarlijkse schijven.
   Indien voor het geheel van de perequatiekorven het totale bedrag van de pensioenverhogingen voortvloeiend uit de in artikel 12, § 9, bedoelde perequatiepercentages hoger is dan 0,60 pct. van de globale last van de rust- en overlevingspensioenen voor het laatste jaar van de referentieperiode, wordt de pensioenverhoging die voortvloeit uit het in artikel 12, § 9, bedoelde perequatiepercentage of uit de in artikel 12, § 11, eerste lid, bedoelde forfaitaire som, uitbetaald in twee opeenvolgende gelijke jaarlijkse schijven.]1

  
Art.16. [1 Si, pour l'ensemble des corbeilles de péréquation, le montant total des majorations de pension résultant des pourcentages de péréquation visés à l'article 12, § 9, ne dépasse pas 0,30 p.c. de la charge globale des pensions de retraite et de survie pour la dernière année de la période de référence, la majoration de pension résultant du pourcentage de péréquation visé à l'article 12, § 9, est versée de manière intégrale en une seule tranche.
   Si, pour l'ensemble des corbeilles de péréquation, le montant total des majorations de pension résultant des pourcentages de péréquation visés à l'article 12, § 9, dépasse 0,30 p.c. sans excéder 0,60 p.c. de la charge globale des pensions de retraite et de survie pour la dernière année de la période de référence, la majoration de pension résultant du pourcentage de péréquation visé à l'article 12, § 9, est versée en deux annuités égales successives.
   Si, pour l'ensemble des corbeilles de péréquation, le montant total des majorations de pension résultant des pourcentages de péréquation visés à l'article 12, § 9, dépasse 0,60 p.c. de la charge globale des pensions de retraite et de survie pour la dernière année de la période de référence, la majoration de pension résultant du pourcentage de péréquation visé à l'article 12, § 9, ou de la somme forfaitaire visée à l'article 12, § 11, alinéa 1er, est versée en deux annuités égales successives.]1

  
Art.17. [1 De voor de toepassing van dit hoofdstuk in aanmerking te nemen gegevens worden voor advies voorgelegd aan het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.]1
  
Art.17. [1 Les éléments à prendre en compte pour l'application du présent chapitre sont soumis pour avis au Comité commun à l'ensemble des services publics visé à l'article 3, § 1er, 3°, de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.]1
  
HOOFDSTUK V. - Wijziging van de berekeningswijze van sommige overlevingspensioenen.
CHAPITRE V. - Modification du mode de calcul de certaines pensions de survie.
Art.21. <Wijzigingsbepaling van artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk staatspersoneel en het daarmede gelijkgesteld personeel>
Art.21.
Art.22. <Wijzigingsbepaling van artikel 13 van hetzelfde koninklijk besluit>
Art.22.
Art.23. <Wijzigingsbepaling van artikel 15 van hetzelfde koninklijk besluit>
Art.23.
Art.24. <Wijzigingsbepaling van artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936 tot eenmaking van het pensioenregime voor de weduwen en wezen der leden van het leger en van de rijkswacht>
Art.24.
Art.25. <Wijzigingsbepaling van artikel 13 van hetzelfde koninklijk besluit>
Art.25.
Art.26. <Wijzigingsbepaling van artikel 15 van hetzelfde koninklijk besluit>
Art.26.
Art.27. De Koning brengt in het koninklijk besluit van 1 juli 1937 houdende de statuten van de Rijkswerkliedenkas, de wijzigingen aan die overeenstemmen met die welke de artikelen 21, 22 en 23 van deze wet hebben aangebracht in het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936.
Art.27. Le Roi apporte à l'arrêté royal du 1er juillet 1937 portant les statuts de la Caisse des Ouvriers de l'Etat, les modifications correspondant à celles que les articles 21, 22 et 23 de la présente loi ont introduites dans l'arrêté royal n° 254 du 12 mars 1936.
Art.28. De op de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk ten laste van de Openbare Schatkist en van de Rijkswerkliedenkas lopende pensioenen van de weduwen en wezen worden herzien, rekening houdende met de bepalingen van de artikelen 21 tot 27, volgens de door de Koning vastgestelde modaliteiten.
Art.28. Les pensions des veuves et des orphelins à charge du Trésor public et de la Caisse des Ouvriers de l'Etat, en cours à la date de l'entrée en vigueur du présent chapitre, sont révisées compte tenu des dispositions des articles 21 à 27, selon des modalités fixées par le Roi.
Art.29. De Koning kan het bedrag van 65 000 frank bepaald bij de artikelen 21 en 24, verhogen inzonderheid om het aan te passen aan de stijging van de bezoldigingen.
  De op de datum waarop die verhoging ingaat lopende pensioenen worden herzien.
  In geval van gehele of gedeeltelijke incorporatie in de weddeschalen, na 31 december 1967, van het verhogingspercentage dat uit de koppeling van de wedden aan het indexcijfer der prijzen voortvloeit, wordt het voornoemd bedrag van ambtswege in dezelfde verhouding verhoogd.
  De Koning stelt de toekennings-, opheffings- en restitutiemodaliteiten vast aan de in uitvoering van de artikelen 21 en 24 toegekende voordelen, rekening houdende met de ingestelde uitsluitingsclausules.
  Hij treft eveneens al de maatregelen die noodzakelijk zijn voor het oplossen van de moeilijkheden of van de anomalieën die, inzake de overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist, uit de toepassing van dit hoofdstuk zouden kunnen voortvloeien.
Art.29. Le Roi peut majorer le montant de 65 000 francs prévu aux articles 21 et 24, notamment en vue de l'adapter à la hausse des rémunérations.
  Les pensions en cours à la date à laquelle cette majoration produit ses effets sont révisées.
  En cas d'incorporation dans les échelles de traitement, postérieurement au 31 décembre 1967, de tout ou partie du pourcentage de majoration résultant de la liaison des traitements à l'index des prix, le montant précité est majoré d'office dans la même proportion.
  Le Roi fixe les modalités d'octroi, de suppression ou de restitution des avantages accordés en exécution des articles 21 et 24, eu égard aux clauses d'exclusion prévues.
  Il prend également toutes les mesures nécessaires à la solution des difficultés ou des anomalies auxquelles donnerait lieu, dans le domaine des pensions de survie à charge du Trésor public, l'application du présent chapitre.
Art.30. De pensioenstelsels die niet ten laste van de Openbare Schatkist komen, waarin een eenvormige berekeningswijze werd ingesteld bij artikel 118, § 4, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, zijn ertoe gehouden voordelen toe te kennen gelijkwaardig aan die welke bij dit hoofdstuk aan de nabestaanden van het burgerlijke rijkspersoneel worden verleend, namelijk :
  1° de preferentiële berekening naar rato van 40 pct. van de basiswedde of van het basisloon voor de eerste dertig dienstjaren of voor al de jaren indien hun totale aantal lager is dan dertig, rekening houdende met de beperkingen en restricties ingesteld bij artikel 21;
  2° in de veronderstelling dat het wezenpensioen is vastgesteld uit hoofde van het weduwenpensioen, de toepassing van 1° hierboven voor de berekening van het weduwenpensioen, afgezien nochtans van de restricties met betrekking tot de cumulatie van pensioenen, nieuw huwelijk en het uitoefenen van een beroepsactiviteit;
  3° de herziening van de lopende pensioenen, rekening houdende met die nieuwe bepalingen, indien deze pensioenen op minder gunstige grondslagen zijn vastgesteld.
  Te dien einde zullen aan de organieke bepalingen tot regeling van die pensioenstelsels de nodige wijzigingen en aanpassingen worden aangebracht.
Art.30. Les régimes de pension autres que ceux à charge du Trésor public, dans lesquels un mode de calcul uniforme des pensions de veuve a été instauré par l'article 118, § 4, de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, sont tenus d'accorder des avantages équivalant à ceux accordés par le présent chapitre aux ayants droit du personnel civil de l'Etat, à savoir :
  1° le calcul préférentiel à raison de 40 pc du traitement ou salaire de base pour les trente premières années de service ou pour toutes les années si leur nombre total est inférieur à trente, compte tenu des limitations et des restrictions prévues par l'article 21;
  2° dans l'hypothèse où la pension d'orphelin est établie en fonction de la pension de veuve, l'application du 1° ci-dessus au calcul de la pension de veuve, abstraction faite cependant des restrictions relatives au cumul des pensions, au remariage et à l'exercice d'une activité professionnelle;
  3° la révision des pensions en cours, compte tenu de ces dispositions nouvelles, si ces pensions ont été établies sur des bases moins favorables.
  A cet effet, les modifications et adaptations nécessaires seront apportées aux dispositions organiques régissant ces régimes des pensions.
Art.31. In geval van cumulatie van verscheidene overlevingspensioenen die werden toegekend door de Openbare Schatkist, de Rijkswerkliedenkas en de pensioenstelsels bedoeld bij artikel 30, wordt de bij de artikelen 21, 24, 27 en 30 ingestelde preferentiële berekening toegepast, mits beperking tot het maximum vastgesteld voor het geheel van de pensioenen, op het hoogste pensioen en vervolgens, indien er aanleiding toe bestaat, op de andere pensoenen volgens de afnemende orden van hun bedrag.
Art.31. En cas de cumul de plusieurs pensions de survie allouées par le Trésor public, la Caisse des Ouvriers de l'Etat et les régimes de pensions visés à l'article 30, le calcul préférentiel instauré par les articles 21, 24, 27 et 30, est appliqué dans la limite du maximum prévu pour l'ensemble des pensions, à la pension la plus élevée et ensuite, s'il y a lieu, aux autres pensions, selon l'ordre décroissant de leur montant.
HOOFDSTUK VI. - Bonificaties wegens diploma's.
CHAPITRE VI. - Bonifications pour diplômes.
Art.32. <W 2003-02-03/41, art. 48, Inwerkingtreding : 01-01-2003> Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 3 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op de burgerlijke rustpensioenen ten laste van de Openbare Schatkist die uitsluitend berekend worden naar rata van de tantièmes 1/48, 1/50, 1/55 of 1/60 (met uitzondering van de pensioenen die toegekend worden aan de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding) [2 of van HR Rail]2. Zij zijn niet van toepassing op de rustpensioenen toegekend aan de leden van het beroepspersoneel van de gewezen kaders in Afrika alsook aan de personen bedoeld in artikel 1 van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs. <KB 2006-12-28/38, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (De bepalingen van dit hoofdstuk zijn eveneens van toepassing op de anciënniteitspensioenen van militairen van het actief kader die vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling in dienst zijn zoals bedoeld in artikel 187, tweede lid, van de wet van 28 februari 2007 (tot vaststelling van) het statuut van de militairen [1 en kandidaat-militairen]1 van het actief kader van de Krijgsmacht. ) <W 2007-02-28/35, art. 211, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De tantièmes die voordeliger zijn dan die bepaald in het eerste lid kunnen worden vervangen door het tantième 1/60 om het in deze wet bepaalde bonificatievoordeel te verkrijgen.
  
Art.32. <L 2003-02-03/41, art. 48, En vigueur : 01-01-2003> Sans préjudice de l'application des dispositions de l'article 3 de la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux pensions civiles de retraite à charge du Trésor public qui sont liquidées uniquement à raison des tantièmes 1/48, 1/50, 1/55 ou 1/60 (à l'exception des pensions accordées aux membres du personnel statutaire de la SNCB Holding) [2 ou de HR Rail]2. Elles ne s'appliquent pas aux pensions de retraite accordées aux membres du personnel des anciens cadres d'Afrique ainsi qu'aux personnes visées à l'article 1er de la loi du 16 juin 1970 relative aux bonifications pour diplômes en matière de pensions des membres de l'enseignement. <AR 2006-12-28/38, art. 3, 002; En vigueur : 01-01-2007>
  (Les dispositions du présent chapitre sont également d'application aux pensions d'ancienneté des militaires du cadre actif qui, à partir de la date d'entrée en vigueur de la présente disposition sont en service comme visé à l'article 187, alinéa 2 de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires [1 et candidats militaires]1 du cadre actif des Forces armées.) <L 2007-02-28/35, art. 211, 003; En vigueur : 01-01-2009>
  Les tantièmes plus favorables que ceux prévus à l'alinéa 1er peuvent être remplacés par le tantième 1/60 en vue d'obtenir le bénéfice de la bonification prévue par la présente loi.
  
Art.33. In de vereffening van de in artikel 32 bedoelde pensioenen brengen de diploma's van universitair en niet-universitair hoger onderwijs en van hoger technisch, zeevaart- of kunstonderwijs met volledig leerplan, die overeenstemmen met studies van een duur (die gelijk is aan of hoger dan twee jaar), de toekenning met zich van een tijdsbonificatie, indien het bezit van die diploma's een voorwaarde was waaraan de betrokkene heeft moeten voldoen, hetzij bij zijn aanwerving, hetzij bij een latere benoeming. <W 1991-05-21/41, art. 44, 1°, Inwerkingtreding : 01-07-1991>
  (De diploma's van het dagonderwijs die op het ogenblijk waarop zij werden behaald, niet tot een van de in het eerste lid bedoelde vormen van hoger onderwijs behoorden maar op 1 januari 1970 tot dat onderwijsniveau behoren, kunnen eveneens aanleiding geven tot de toekenning van een tijdsbonificatie, voor zover :
  1° deze diploma's werden behaald na de beëindiging van studies waarvan de toelatingsvoorwaarden en de duur hun titularis niet in de mogelijkheid hebben of zouden hebben gesteld om vóór de leeftijd van 19 jaar in dienst te treden;
  2° het bezit van deze diploma's een voorwaarde was waaraan de betrokkene heeft moeten voldoen om toegelaten te worden tot een betrekking die overeenstemt met de aard van de verrichte studies.) <W 1991-05-21/41, art. 44, 2°, Inwerkingtreding : 01-06-1984>
  (De in het tweede lid, 1°, gestelde voorwaarde wordt geacht vervuld te zijn door het personeelslid dat, op het ogenblik van zijn aanwerving, in het bezit was van het brevet van luitenant ter lange omvaart en dat, vóór het schooljaar 1969-1970, een studie aangevat heeft die leidde tot de toekenning van het diploma van aspirant-officier ter lange omvaart.) <W 1999-10-25/32, art. 244, Inwerkingtreding : 01-01-1999, en, op verzoek van de betrokkene, van toepassing op de op 31-12-1998 lopende pensioenen>
Art.33. Dans la liquidation des pensions visées à l'article 32, les diplômes de l'enseignement supérieur universitaire et non universitaire, et de l'enseignement supérieur technique, maritime ou artistique, de plein exercice, correspondant à des études d'une durée (égale ou supérieure à deux ans), donnent lieu à l'octroi d'une bonification de temps, si la possession de ces diplômes a constitué une condition à laquelle l'intéressé a dû satisfaire, soit à l'occasion de son recrutement, soit à l'occasion d'une nomination ultérieure. <L 1991-05-21/41, art. 44, 1°, En vigueur : 01-07-1991>
  (Les diplômes de l'enseignement du jour qui, au moment où ils ont été obtenus, ne relevaient pas de l'un des enseignements supérieurs visés à l'alinéa 1er, mais qui, au 1er janvier 1970, relèvent de ce niveau d'enseignement, peuvent également donner lieu à l'octroi d'une bonification de temps, pour autant que :
  1° ces diplômes aient été obtenus à l'issue d'études dont les conditions d'accès et la durée n'ont pas ou n'auraient pas permis à leur titulaire d'entrer en fonction avant l'âge de 19 ans;
  2° la possession de ces diplômes ait constitué une condition à laquelle l'intéressé a dû satisfaire pour accéder à une fonction en rapport avec la nature des études effectuées.) <L 1991-05-21/41, art. 44, 2°, En vigueur : 01-06-1984>
  (La condition prévue à l'alinéa 2, 1°, est censée être remplie par l'agent qui, au moment de son recrutement, était titulaire du brevet de lieutenant au long cours, et qui, avant l'année scolaire 1969-1970, a entamé les études conduisant au diplôme d'aspirant-officier au long cours.) <L 1999-10-25/32, art. 244, En vigueur : 01-01-1999, et, à la demande de l'intéressé, applicable aux pensions en cours le 31-12-1998>
Art.34. <W 1991-05-21/41, art. 45, Inwerkingtreding : 01-06-1984> (De in artikel 33, eerste lid, bepaalde bonificatie is gelijk aan het minimumaantal studiejaren dat nodig is om het diploma te behalen dat vanwege betrokkene vereist is voor zijn aanwerving of zijn bevordering.) <L 2007-04-25/52, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De in artikel 33, tweede lid, bedoelde bonificatie is gelijk aan de minimumstudieduur die vereist is om het diploma te behalen, zonder evenwel twee jaar te mogen overschrijden.
Art.34. <L 1991-05-21/41, art. 45, En vigueur : 01-06-1984> (La bonification prévue à l'article 33, alinéa 1er, est égale au nombre minimum d'années d'études requis pour l'obtention du diplôme exigé de la part de l'intéressé pour son recrutement ou sa promotion.) <L 2007-04-25/52, art. 6, 004; En vigueur : 01-06-2007>
  La bonification prévue à l'article 33, alinéa 2, est égale à la durée d'étude minimum requise pour l'obtention du diplôme, sans toutefois pouvoir excéder deux années.
Art. 34bis. <W 1990-07-18/31, art. 1, Inwerkingtreding : 01-09-1990> In de vereffening van de in artikel 32 bedoelde pensioenen brengen de stages die het mogelijk gemaakt hebben de erkenning te bekomen als geneesheer-specialist die verleend wordt door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, de toekenning met zich van een tijdsbonificatie van maximum vijf jaar, indien die erkenning een voorwaarde was waaraan de betrokkene heeft moeten voldoen, hetzij bij zijn aanwerving, hetzij bij een latere benoeming.
  Het totaal van de bonificaties voortvloeiend uit de toepassing van het eerste lid en van de artikelen 33 en 34 mag niet hoger zijn dan twaalf jaar.
  De bepalingen van de artikelen 35 tot 37 en 41 zijn toepasselijk op de in dit artikel bedoelde bonificatie.
Art. 34bis. <L 1990-07-18/31, art. 1er, En vigueur : 01-09-1990> Dans la liquidation des pensions visées à l'article 32, les stages qui ont permis d'obtenir l'agréation en qualité de médecin spécialiste délivrée par le Ministre qui a la Sante publique dans ses attributions, donnent lieu à l'octroi d'une bonification de temps d'une durée maximum de cinq années, si cette agréation a constitué une condition à laquelle l'intéressé a dû satisfaire, soit à l'occasion de son recrutement, soit à l'occasion d'une nomination ultérieure.
  Le total des bonifications découlant de l'application de l'alinéa 1er et des articles 33 et 34 ne peut excéder douze années.
  Les dispositions des articles 35 à 37 et 41 sont applicables à la bonification prévue par le présent article.
Art. 34ter. <W 2003-02-03/41, art. 49, Inwerkingtreding : 01-01-2003> Voor de toepassing van de artikelen 33, eerste lid, en 34bis wordt het bezit van een universitair diploma verondersteld een voorwaarde te zijn geweest die de houder van zo een diploma moest vervullen om in een graad van niveau 1 te kunnen worden aangeworven door een instelling van openbaar nut aangesloten bij het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, vooraleer die instelling een personeelsstatuut had dat analoog was met dat van de rijksambtenaren.
Art. 34ter. <L 2003-02-03/41, art. 49, En vigueur : 01-01-2003> Pour l'application des articles 33, alinéa 1er, et 34bis, la possession d'un diplôme universitaire est censée avoir constitué une condition à laquelle le titulaire d'un tel diplôme a dû satisfaire pour pouvoir être recruté dans un grade du niveau 1 par un organisme d'intérêt public affilié au régime de pension institué par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit, avant que cet organisme ne soit doté d'un statut du personnel analogue à celui des agents de l'Etat.
Art. 34quater. <W 2003-02-03/41, art. 50, Inwerkingtreding : 01-01-2003> De uit de toepassing van dit hoofdstuk voortvloeiende bonificatie wordt slechts toegekend indien het ambt gedurende een aantal jaren, dat minstens gelijk is aan de te bonificeren duur, werd uitgeoefend.
Art. 34quater. <L 2003-02-03/41, art. 50, En vigueur : 01-01-2003> La bonification découlant de l'application du présent chapitre n'est accordée que si la fonction a été exercée pendant un nombre d'années au moins égal à la durée à bonifier.
Art.35. § 1. Indien de betrokkene, tijdens een gedeelte of het geheel van de duur van zijn studies, burgerlijke of militaire en daarmede gelijkgestelde diensten heeft verstrekt die in aanmerking komen voor het berekenen van zijn pensioen of van een ander pensioen in de stelsels van de openbare sector, wordt de duur van die diensten welke met de periode van de studies samenvallen, (van de duur van de voor bonificatie vatbare studies afgetrokken.)
  (Indien de betrokkene, tijdens een gedeelte of het geheel van de duur van zijn studies, een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend die in aanmerking komt voor het berekenen van een pensioen in een van de Belgische of buitenlandse stelsels van sociale zekerheid of, indien hij, ten opzichte van een van die stelsels, de duur van zijn studies door persoonlijke stortingen heeft gevalideerd, wordt het gedeelte van dit pensioen dat beantwoordt aan de met de studieperiode samenvallende diensten of dat voortvloeit uit de uitgevoerde validering, afgetrokken van de pensioenverhoging die het gevolg is van de bonificatie.) <W 1990-07-18/31, art. 2, Inwerkingtreding : 01-09-1990>
  In afwijking aan het eerste lid, wordt de duur van de militaire (oorlogsdiensten) en daarmede gelijkgestelde diensten die werden verstrekt vóór de leeftijd van 19 jaar, van de bonificatie niet afgetrokken.
  [1 Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid worden de studies geacht :
   1° beëindigd te zijn op 31 augustus van het kalenderjaar waarin het diploma behaald werd;
   2° aangevangen te zijn op 1 september van het kalenderjaar waarvan het jaartal gelijk is aan het jaartal van het in 1° bedoelde kalenderjaar verminderd met het minimum aantal studiejaren bepaald in, naargelang het geval, artikel 34, eerste of tweede lid.]1

  [1 In afwijking van het vierde lid kan de betrokkene het bewijs leveren dat het in 1° van dat lid bedoelde kalenderjaar niet overeenstemt met het kalenderjaar waarin het laatste studiejaar zich situeert.]1
  § 2. De bijeengetelde duur van de bonificatie, eventueel verminderd bij toepassing van § 1 en van de werkelijke diensten van elke aard na de leeftijd van 19 jaar welke voor de berekening van het pensioen worden geteld, mag niet hoger zijn dan de duur begrepen tussen de datum waarop de betrokkene de leeftijd van 19 jaar heeft bereikt en de datum van zijn oppensioenstelling.
  
Art.35. § 1er. Si pendant tout ou partie de la durée de ses études, l'intéressé a rendu des services civils ou militaires et assimilés qui entrent en ligne de compte pour le calcul de sa pension ou d'une autre pension dans les régimes du secteur public, la durée desdits services coïncidant avec la période des études (est déduite de la durée des études susceptibles d'être bonifiées.)
  (Si pendant tout ou partie de la durée de ses études, l'intéressé a exercé une activité professionnelle qui entre en ligne de compte pour le calcul d'une pension dans un des régimes belges ou étrangers de sécurité sociale, ou s'il a validé, à l'égard d'un de ces régimes, la durée de ses études par des versements personnels, la part de cette pension qui correspond aux services coïncidant avec la période des études ou qui découle de la validation effectuée, est déduite de l'accroissement de pension résultant de la bonification.) <L 1990-07-18/31, art. 2, En vigueur : 01-09-1990>
  Par dérogation à l'alinéa 1er, la durée des services militaires (de guerre) et assimilés rendus avant l'âge de 19 ans n'est pas déduite de la bonification.
  [1 Pour l'application des premier et deuxième alinéas, les études sont censées :
   1° être terminées le 31 août de l'année civile durant laquelle le diplôme a été obtenu;
   2° avoir débuté le 1er septembre de l'année civile dont le millésime est égal au millésime de l'année civile visée au 1° diminué du nombre minimum d'années d'études fixé, selon le cas, à l'article 34, alinéa 1er ou 2.]1

  [1 Par dérogation à l'alinéa 4, l'intéressé peut fournir la preuve que l'année calendrier visée au 1° de cet alinéa ne correspond pas avec l'année calendrier dans laquelle se situe la dernière année d'études.]1
  § 2. La durée additionnée de la bonification, éventuellement réduite en application du § 1er, et des services effectifs de toute nature postérieurs à l'âge de 19 ans qui sont supputés dans le calcul de la pension, ne peut excéder la durée comprise entre la date à laquelle l'intéressé a atteint l'âge de 19 ans et celle de sa mise à la retraite.
  
Art.36. De gebonificeerde duur wordt, zowel voor het vaststellen van het recht op pensioen als voor het vaststellen van het bedrag ervan, in aanmerking genomen. Zij wordt gerekend, per jaar, voor 1/60 van de wedde die tot grondslag dient voor het vaststellen van het pensioen.
Art.36. La durée bonifiée est prise en considération tant pour la détermination du droit à la pension que pour la fixation de son montant. Elle intervient à raison, par année, de 1/60 du traitement qui sert de base à l'établissement de la pension.
Art. 36bis. [1 De duur voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 33, 34, 34quater en 35, § 1 wordt, voor de vaststelling van het recht op het pensioen, verminderd overeenkomstig de hierna vermelde tabel :
Art. 36bis. [1 La durée résultant de l'application des articles 33, 34, 34quater et 35, § 1er est, pour la détermination du droit à la pension, réduite selon le tableau ci-après :
Ingangsdatum van het pensioenDuur van de vermindering voor een diploma met een studieduur van 2 jaar of minderDuur van de vermindering voor een diploma met een studieduur van meer dan 2 jaar en minder dan 4 jaarDuur van de vermindering voor een diploma met een studieduur van 4 jaar of meer
van 01.01.2016 tot 31.12.20164 maanden5 maanden6 maanden
van 01.01.2017 tot 31.12.20178 maanden10 maanden12 maanden
van 01.01.2018 tot 31.12.201812 maanden15 maanden18 maanden
van 01.01.2019 tot 31.12.201916 maanden20 maanden24 maanden
van 01.01.2020 tot 31.12.202020 maanden25 maanden30 maanden
van 01.01.2021 tot 31.12.202124 maanden30 maanden36 maanden
van 01.01.2022 tot 31.12.2022-35 maanden42 maanden
van 01.01.2023 tot 31.12.2023-36 maanden48 maanden
van 01.01.2024 tot 31.12.2024--54 maanden
van 01.01.2025 tot 31.12.2025--60 maanden
van 01.01.2026 tot 31.12.2026--66 maanden
van 01.01.2027 tot 31.12.2027--72 maanden
van 01.01.2028 tot 31.12.2028--78 maanden
van 01.01.2029 tot 31.12.2029--84 maanden
Ingangsdatum van het pensioenDuur van de vermindering voor een diploma met een studieduur van 2 jaar of minderDuur van de vermindering voor een diploma met een studieduur van meer dan 2 jaar en minder dan 4 jaarDuur van de vermindering voor een diploma met een studieduur van 4 jaar of meervan 01.01.2016 tot 31.12.20164 maanden5 maanden6 maandenvan 01.01.2017 tot 31.12.20178 maanden10 maanden12 maandenvan 01.01.2018 tot 31.12.201812 maanden15 maanden18 maandenvan 01.01.2019 tot 31.12.201916 maanden20 maanden24 maandenvan 01.01.2020 tot 31.12.202020 maanden25 maanden30 maandenvan 01.01.2021 tot 31.12.202124 maanden30 maanden36 maandenvan 01.01.2022 tot 31.12.2022-35 maanden42 maandenvan 01.01.2023 tot 31.12.2023-36 maanden48 maandenvan 01.01.2024 tot 31.12.2024--54 maandenvan 01.01.2025 tot 31.12.2025--60 maandenvan 01.01.2026 tot 31.12.2026--66 maandenvan 01.01.2027 tot 31.12.2027--72 maandenvan 01.01.2028 tot 31.12.2028--78 maandenvan 01.01.2029 tot 31.12.2029--84 maanden
Voor de personen die op 31 december van een bepaald kalenderjaar de voorwaarden vervullen om een rustpensioen te kunnen genieten, is de vermindering gelijk aan de duur van de vermindering die van toepassing is op de pensioenen die ingaan op 1 januari van hetzelfde kalenderjaar, ongeacht de latere werkelijke datum van oppensioenstelling van deze personen.]1
  
Date de prise de cours de la pensionDurée de la réduction pour un diplôme d'une durée d'études de 2 ans ou moinsDurée de la réduction pour un diplôme d'une durée d'études de plus de 2 ans et de moins de 4 ansDurée de la réduction pour un diplôme d'une durée d'études de 4 ans ou plus
du 01.01.2016 au 31.12.20164 mois5 mois6 mois
du 01.01.2017 au 31.12.20178 mois10 mois12 mois
du 01.01.2018 au 31.12.201812 mois15 mois18 mois
du 01.01.2019 au 31.12.201916 mois20 mois24 mois
du 01.01.2020 au 31.12.202020 mois25 mois30 mois
du 01.01.2021 au 31.12.202124 mois30 mois36 mois
du 01.01.2022 au 31.12.2022-35 mois42 mois
du 01.01.2023 au 31.12.2023-36 mois48 mois
du 01.01.2024 au 31.12.2024--54 mois
du 01.01.2025 au 31.12.2025--60 mois
du 01.01.2026 au 31.12.2026--66 mois
du 01.01.2027 au 31.12.2027--72 mois
du 01.01.2028 au 31.12.2028--78 mois
du 01.01.2029 au 31.12.2029--84 mois
Date de prise de cours de la pensionDurée de la réduction pour un diplôme d'une durée d'études de 2 ans ou moinsDurée de la réduction pour un diplôme d'une durée d'études de plus de 2 ans et de moins de 4 ansDurée de la réduction pour un diplôme d'une durée d'études de 4 ans ou plusdu 01.01.2016 au 31.12.20164 mois5 mois6 moisdu 01.01.2017 au 31.12.20178 mois10 mois12 moisdu 01.01.2018 au 31.12.201812 mois15 mois18 moisdu 01.01.2019 au 31.12.201916 mois20 mois24 moisdu 01.01.2020 au 31.12.202020 mois25 mois30 moisdu 01.01.2021 au 31.12.202124 mois30 mois36 moisdu 01.01.2022 au 31.12.2022-35 mois42 moisdu 01.01.2023 au 31.12.2023-36 mois48 moisdu 01.01.2024 au 31.12.2024--54 moisdu 01.01.2025 au 31.12.2025--60 moisdu 01.01.2026 au 31.12.2026--66 moisdu 01.01.2027 au 31.12.2027--72 moisdu 01.01.2028 au 31.12.2028--78 moisdu 01.01.2029 au 31.12.2029--84 mois
Pour les personnes qui au 31 décembre d'une année civile déterminée remplissent les conditions pour pouvoir bénéficier d'une pension de retraite, la durée de la réduction est celle qui est applicable aux pensions qui prennent cours le 1er janvier de la même année civile, quelle que soit la date effective ultérieure de la mise à la retraite de ces personnes.]1
  
Art. 36ter. [1 Voor de bepaling van het recht op het pensioen, zijn de artikelen 33 en 34bis niet meer van toepassing op de pensioenen die ingaan vanaf 1 januari 2030.]1
  
Art. 36ter. [1 Pour la détermination du droit à la pension, les articles 33 et 34bis ne sont plus d'application pour les pensions qui prennent cours à partir du 1er janvier 2030.]1
  
Art.36quater. [1 § 1. De duur voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 33, 34 en 34bis wordt, voor de berekening van het bedrag van de pensioenen die ingaan vanaf 1 december 2018, verminderd overeenkomstig deze paragraaf.
   De in het eerste lid bedoelde duur wordt slechts in aanmerking genomen ten belope van de verhouding tussen, enerzijds, de in maanden uitgedrukte duur van de pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden die het personeelslid op 1 december 2017 heeft bereikt en, anderzijds, het getal 540. Het resultaat wordt naar beneden toe afgerond tot gehele maanden.
   Onder "pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden" moet worden verstaan de dienstjaren vastgesteld overeenkomstig artikel 46, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, met uitsluiting van elke tijdsbonificatie wegens diploma of voorafgaande studies en zonder de toepassing van de verhogingscoëfficiënten bedoeld in artikel 46, § 3/1, van de voormelde wet van 15 mei 1984.
   § 2. In geval van toepassing van paragraaf 1 wordt geen rekening gehouden met de volgende bepalingen :
   - de artikelen 34quater en 35;
   - artikel 2, § 1, eerste lid, c), van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht;
   - artikel 49, § 2, 1°, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
   § 3. Ongeacht de werkelijke ingangsdatum van het pensioen, is de in paragraaf 1 vermelde vermindering niet van toepassing op het rustpensioen van het personeelslid dat op een bepaald ogenblik de voorwaarden vervulde om uiterlijk op 1 december 2018 een vervroegd pensioen te verkrijgen, noch op de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van zijn rechthebbenden.
   § 4. De vermindering bedoeld in paragraaf 1 is niet van toepassing :
   - op de personen die zich op eigen aanvraag op 1 december 2017 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling of in een vergelijkbare situatie bevinden;
   - op de personen die, indien zij de aanvraag ertoe hadden ingediend, in een volledige of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan het pensioen of een gelijkaardige situatie hadden kunnen worden geplaatst ten laatste op 1 december 2017.
   De situaties die aanleiding geven tot de toepassing van het eerste lid zijn deze bedoeld in de lijst opgesteld door de Koning ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de wet van 28 april 2015 houdende bepalingen betreffende de pensioenen van de publieke sector. Niettemin mag de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen sommige situaties te schrappen of er nieuwe voorzien die nog niet zijn opgenomen in de lijst.]1

  
Art.36quater. [1 § 1er. La durée résultant de l'application des articles 33, 34 et 34bis est, pour le calcul du montant des pensions qui prennent cours à partir du 1er décembre 2018, réduite conformément au présent paragraphe.
   La durée visée à l'alinéa 1er n'est prise en compte qu'à concurrence du rapport existant entre, d'une part, la durée, exprimée en mois, des services et périodes admissibles pour le droit à la pension que l'agent totalise au 1er décembre 2017 et, d'autre part, le nombre 540. Le résultat est arrondi vers le bas pour atteindre un nombre de mois entiers.
   Par "services et périodes admissibles pour l'ouverture du droit à la pension", on entend les années de service établies conformément à l'article 46, § 1er, alinéa 1er, 1°, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à l'exclusion de toute bonification de temps pour diplôme ou pour études préliminaires et sans application des coefficients d'augmentation visés à l'article 46, § 3/1, de la loi du 15 mai 1984 précitée.
   § 2. En cas d'application du paragraphe 1er, il n'est pas tenu compte des dispositions suivantes :
   - les articles 34quater et 35;
   - l'article 2, § 1er, alinéa 1er, c), de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes;
   - l'article 49, § 2, 1°, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.
   § 3. Quelle que soit la date effective de prise de cours de la pension, la réduction visée au paragraphe 1er n'est pas applicable à la pension de retraite du membre du personnel qui, à un moment donné, remplissait les conditions pour pouvoir prétendre au plus tard le 1er décembre 2018 à une pension de retraite anticipée, ni à l'allocation de transition et la pension de survie de ses ayants droit.
   § 4. La réduction visée au paragraphe 1er n'est pas d'application :
   - aux personnes qui au 1er décembre 2017 se trouvaient à leur demande dans une position de disponibilité, totale ou partielle, préalable à la mise à la retraite ou dans une situation analogue;
   - aux personnes qui, si elles en avaient introduit la demande, auraient pu être placées au plus tard le 1er décembre 2017 dans une position de disponibilité, totale ou partielle, préalable à la mise à la retraite ou dans une situation analogue.
   Les situations qui donnent lieu à l'application de l'alinéa 1er sont celles visées dans la liste établie par le Roi en exécution de l'article 8, alinéa 2, de la loi du 28 avril 2015 portant des dispositions concernant les pensions du secteur public. Néanmoins, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, décider d'écarter certaines situations ou en prévoir de nouvelles non reprises dans la liste.]1

  
Art.36quinquies. [1 De artikelen 33 en 34bis zijn niet meer van toepassing voor de berekening van het bedrag van de rustpensioenen die vanaf 1 december 2018 ingaan van de personeelsleden die na 1 december 2017 een vaste of daarmee gelijkgestelde benoeming hebben verkregen, noch voor de berekening van het bedrag van de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van hun rechthebbenden.]1
  
Art.36quinquies. [1 Les articles 33 et 34bis ne sont plus applicables au calcul du montant des pensions de retraite qui prennent cours à partir du 1er décembre 2018 des membres du personnel qui ont fait l'objet après le 1er décembre 2017 d'une nomination définitive ou y assimilée, ni pour le calcul du montant de l'allocation de transition et de la pension de survie de leurs ayants droit.]1
  
Art.37. § 1. Zo een diploma tweemaal zou kunnen in aanmerking komen in de berekening van een zelfde pensioen, wordt slechts één enkele tijdsbonificatie toegekend die, in voorkomend geval, berekend wordt volgens de bepalingen waar zij de gunstigste uitwerking heeft.
  § 2. Indien een persoon meerdere rustpensioenen zou kunnen genieten ten laste van :
  de Openbare Schatkist (...); <W 2002-05-06/31, art. 26, 1°, Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  de provincies, de gemeenten (, de agglomeraties van gemeenten, de federaties van gemeenten, de commissies voor de cultuur) of de aan die machten ondergeschikte instellingen; <W 04-06-1976, art. 6, Inwerkingtreding : 01-01-1973>
  de zelfstandige openbare inrichtingen en de regieën bedoeld bij het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935;
  de instellingen van openbaar nut waarop de Koning de bepalingen van de wet van 28 april 1958 van toepassing heeft gemaakt;
  de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (of het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie); <W 2002-05-06/31, art. 26, 2°, ED 01-04-2001>
  uit hoofde van ambten waarvoor een zelfde diploma werd vereist, wordt de tijdsbonificatie die aan dat diploma verbonden is, slechts toegekend voor het pensioen waar zij de gunstigste uitwerking heeft.
  Nochtans, in geval van opeenvolgende diensten die het toekennen van verschillende pensioenen met zich brengen, mag de toestand niet worden herzien indien het diploma werd gebonificeerd in het pensioen dat het eerst werd toegekend.
  Wanneer gelijktijdig verstrekte diensten verschillende pensioenen met zich zouden kunnen brengen die ingaan op verschillende data, dient de betrokkene te bepalen in hetwelk van die pensioenen de bonificatie moet worden toegekend.
  Die keuze, die moet gedaan worden bij het toekennen van het eerste pensioen, is onherroepelijk.
  § 3. Indien verscheidene pensioenen worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht, kan, in afwijking van § 2, de overeenkomstig artikel 2, § 1, eerste lid, c), van dat besluit vastgestelde tijdsbonificatie voor een diploma, in aanmerking worden genomen voor de berekening van elk van deze pensioenen. In dat geval wordt evenwel de som van de verhoudingen verbonden aan die vergoede tijd en voortvloeiend uit de toepassing van bedoeld artikel beperkt tot de eenheid; de eventuele beperking wordt toegepast op het pensioen waarvoor ze het minst ongunstig uitvalt.
  Bij toepassing van het eerste lid krijgen alleen de in dit lid bedoelde pensioenen een diplomabonificatie.) <W 1991-05-21/41, art. 47, Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art.37. § 1er. Si un diplôme peut intervenir à un double titre dans le calcul d'une même pension, il n'est accordé qu'une seule bonification de temps qui est, le cas échéant, calculée selon les dispositions produisant les effets les plus favorables.
  § 2. Si une personne est susceptible de bénéficier de plusieurs pensions de retraite à charge :
  du Trésor public (...); <L 2002-05-06/31, art. 26, 1°, En vigueur : 01-04-2001>
  des provinces, des communes (, des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des commissions de la culture) ou des organismes subordonnés à ces pouvoirs; <L 04-06-1976, art. 6, En vigueur : 01-01-1973>
  des établissements publics autonomes et des régies visés par l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935;
  des organismes d'intérêt public auxquels le Roi a rendu applicables les dispositions de la loi du 28 avril 1958;
  de la Société nationale des Chemins de fer belges (ou du Fonds des pensions de la police intégrée); <L 2002-05-06/31, art. 26, 2°, En vigueur : 01-04-2001>
  du chef de fonctions pour lesquelles un même diplôme a été requis, la bonification de temps afférente à ce diplôme n'est accordée qu'à l'égard de la pension où elle produit les effets les plus favorables.
  Toutefois, en cas de services successifs donnant lieu à l'octroi de pensions distinctes, la situation ne peut être révisée si le diplôme a été bonifié dans la pension accordée en premier lieu.
  Lorsque les services rendus simultanément sont susceptibles de donner lieu à des pensions distinctes prenant cours à des dates différentes, il appartient à l'interessé de déterminer dans laquelle de ces pensions la bonification doit être octroyée.
  Ce choix, qui doit intervenir lors de l'octroi de la première pension, est irrévocable.
  § 3. Par dérogation au § 2, lorsque plusieurs pensions sont établies conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes, la bonification de temps afférente à un diplôme, fixée conformément à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, c), de cet arrêté peut être prise en compte pour le calcul de chacune de ces pensions mais, dans ce cas, la somme des rapports afférents à ce temps bonifié et découlant de l'application dudit article est limitée à l'unité, la limitation éventuelle étant opérée sur la pension où elle produit l'effet le moins défavorable.
  En cas d'application de l'alinéa 1er, seules les pensions visées par cet alinéa obtiennent une bonification pour diplôme. <L 1991-05-21/41, art. 47, En vigueur : 01-07-1991>
Art.38. (...) <W 15-05-1984, art. 26, 41°, BS 22-06-1984, Inwerkingtreding : 01-06-1984>
Art.38. (...) <L 15-05-1984, art. 26, 41°, BS 22-06-1984, En vigueur : 01-06-1984>
Art.39. De op de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk lopende pensioenen worden, op verzoek van de betrokkenen, herzien, rekening houdende met de bepalingen van de artikelen 32 tot 37, en volgens door de Koning vastgestelde modaliteiten.
Art.39. Les pensions de retraite en cours à la date de l'entrée en vigueur du présent chapitre sont révisées, à la demande des intéressés, compte tenu des dispositions des articles 32 à 37, et selon les modalites fixées par le Roi.
Art.40. De Koning treft alle maatregelen die nodig zijn om de moeilijkheden en anomalieën op te lossen die zouden rijzen bij het toepassen van dit hoofdstuk, inzonderheid wat de erkenning van het recht op de tijdsbonificatie en de duur ervan betreft.
  Die koninklijke besluiten worden getroffen op voorstel van de Minister onder wiens bevoegdheid de administratie of de instelling valt die het pensioenstelsel beheert waaraan de betrokkene is onderworpen geweest.
Art.40. Le Roi prend toutes les mesures nécessaires à la solution des difficultés et anomalies auxquelles donnerait lieu l'application du présent chapitre, notamment en ce qui concerne la reconnaissance du droit à la bonification de temps et la durée de celle-ci.
  Ces arrêtés royaux sont pris sur proposition du Ministre qui a dans ses attributions l'administration ou l'organisme qui gère le régime de pension auquel l'intéressé a été assujetti.
Art.41. De provincies zijn ertoe gehouden aan de leden van hun personeel en aan hun rechthebbenden voordelen toe te kennen die evenwaardig zijn aan deze die in dit hoofdstuk zijn ingesteld.
  Te dien einde zullen zij aan de organieke bepalingen die hun pensioenstelsel beheren, de nodige wijzigingen en aanpassingen aanbrengen.
Art.41. Les provinces sont tenues d'accorder aux membres de leur personnel et à leurs ayants droit des avantages équivalant à ceux qui sont prévus par le présent chapitre.
  A cet effet, elles apporteront aux dispositions organiques régissant leur régime de pension les modifications et adaptations nécessaires.
HOOFDSTUK VII. - Slot- en opheffingsbepalingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions finales et abrogatoires.
Art.42. Artikel 34, § 2, van de wet van 2 augustus 1955, houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen, is van toepassing op de herzieningen die werden gedaan in uitvoering van de hoofdstukken II, III en IV van deze wet.
Art.42. L'article 34, § 2, de la loi du 2 août 1955, portant péréquation des pensions de retraite et de survie, est applicable aux révisions effectuées en exécution des chapitres II, III et IV de la présente loi.
Art.43. <W 2007-04-25/52, art. 52, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Voor de toepassing van de artikelen 12 en 13 is de " graad " de titel die het personeelslid machtigt tot het bekleden van één van de betrekkingen welke met die graad overeenstemmen.
  Indien het statuut van een personeelslid de begrippen " graad " of " titel " niet gebruikt, wordt de beklede betrekking als " graad " beschouwd.
  Indien de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, krachtens een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, zonder voorwaarden, een andere graad verkrijgen, dan wordt deze laatste, voor de toepassing van de artikelen 12 en 13, beschouwd als de " laatste graad " of de " graad waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd ".
  Indien de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, krachtens een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, onder bepaalde voorwaarden een andere graad verkrijgen, dan wordt deze laatste, voor de toepassing van de artikelen 12 en 13, beschouwd als de " laatste graad " of de " graad waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd " voor het gedeelte van de pensioenen die met toepassing van artikel 12, § 6, vierde lid, beschouwd worden als pensioenen waarvan de titularis de in die nieuwe bepaling gestelde voorwaarden vervult.
Art.43. <L 2007-04-25/52, art. 52, 004; En vigueur : 01-01-2007> Pour l'application des articles 12 et 13, le " grade " est le titre qui habilite l'agent à occuper un des emplois correspondant à ce grade.
  Si le statut d'un agent n'utilise pas les notions de " grade " ou de " titre ", l'emploi occupé est considéré comme " grade ".
  Si, en vertu d'une nouvelle disposition légale ou réglementaire, les agents actifs revêtus du grade dans lequel le titulaire de la pension a termine sa carrière, obtiennent, sans conditions, un autre grade, ce dernier est, pour l'application des articles 12 et 13, considéré comme étant " le dernier grade " ou " le grade dans lequel le titulaire de la pension a terminé sa carrière ".
  Si, en vertu d'une nouvelle disposition légale ou réglementaire, les agents actifs revetus du grade dans lequel le titulaire de la pension a terminé sa carrière, obtiennent, sous certaines conditions, un autre grade, ce dernier est, pour l'application des articles 12 et 13, considére comme étant " le dernier grade " ou " le grade dans lequel le titulaire de la pension a terminé sa carrière " pour la partie des pensions qui, en application de l'article 12, § 6, alinéa 4, sont considérées comme des pensions dont le titulaire remplit les conditions fixees par cette nouvelle disposition.
Art.44. De Koning mag alle maatregelen treffen die nodig zijn om de moeilijkheden op te lossen die, voor het vaststellen of voor het herzien van de rust- en overlevingspensioenen, zouden rijzen bij het toepassen van de hoofdstukken II, III en IV en van de artikelen 42 en 43 van deze wet.
  Hij mag onder meer fictieve weddeschalen toekennen aan ambten of aan graden die niet meer bestaan, of ze gelijkstellen met bestaande ambten of graden.
  De besluiten worden getroffen op voorstel van de Minister onder wiens bevoegdheid de administratie of de instelling valt die het pensioenstelsel beheert waaraan de betrokkene is onderworpen geweest.
Art.44. Le Roi peut prendre toutes les mesures necessaires à la solution des difficultés auxquelles donnerait lieu, pour l'établissement ou la révision des pensions de retraite et de survie, l'application des chapitres II, III et IV et des articles 42 et 43 de la présente loi.
  Il peut notamment attribuer des barèmes fictifs à des fonctions ou des grades qui n'existent plus ou les assimiler à des fonctions ou des grades existants.
  Ces arrêtés sont pris sur la proposition du Ministre qui a dans ses attributions l'administration ou l'organisme qui gère le régime de pension auquel l'intéressé a été assujetti.
Art. 44bis. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/52, art. 53, Inwerkingtreding : 01-01-2007> In afwijking van artikel 12, § 1, eerste lid, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad [1 op gemotiveerd advies van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel]1 en mits akkoord van alle besturen en instellingen van de betrokken sector, het in artikel 12, § 9, bedoelde percentage voor elke perequatiekorf met ten hoogste een derde verhogen of verminderen voor de categorieën van rust- en overlevingspensioenen die Hij aanwijst.
  Dit besluit mag, op de datum waarop de perequatie uitwerking krijgt, de globale last van de aan de perequatiekorf verbonden rust- en overlevingspensioenen, zoals zij zou voortgevloeid zijn uit de toepassing van het in artikel 12, § 9, bedoelde percentage, niet wijzigen.
  Het in het eerste lid bedoelde besluit moet vastgesteld worden binnen de twee maanden volgend op de datum waarop de perequatie uitwerking krijgt.
  
Art. 44bis. Par dérogation à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, le Roi, peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, [1 sur avis motivé du Comité commun à l'ensemble des services publics visé à l'article 3, § 1er, 3°, de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités]1 et moyennant accord de toutes les autorités et institutions du secteur concerne, pour chaque corbeille de péréquation, augmenter ou réduire, d'un tiers au maximum, le pourcentage de péréquation visé à l'article 12, § 9, pour les catégories de pensions de retraite et de survie qu'Il désigne.
  Cet arrêté ne peut modifier, à la date de prise d'effets de la péréquation, la charge globale des pensions de retraite et de survie rattachées à cette corbeille de péréquation telle qu'elle eût resulté de l'application du pourcentage visé à l'article 12, § 9.
  L'arrêté visé à l'alinéa 1er doit être pris dans les deux mois qui suivent la date de prise d'effets de la péréquation.
  
Art.45. Artikel 2 van de wet van 14 juli 1951 houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen, gewijzigd bij de wet van 2 augustus 1955, wordt, met ingang van 1 januari 1968, opgeheven.
Art.45. L'article 2 de la loi du 14 juillet 1951, portant péréquation des pensions de retraite et de survie, modifié par la loi du 2 août 1955, est abrogé à partir du 1er janvier 1968.
Art.46. Artikel 4bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 augustus 1955 en gewijzigd bij de wet van 2 augustus 1962, wordt, met ingang van 1 januari 1970, opgeheven.
Art.46. L'article 4bis de la même loi, introduit par la loi du 2 août 1955 et modifié par la loi du 2 août 1962, est abrogé à partir du 1er janvier 1970.
Art.47. Artikel 4 van de wet van 2 augustus 1962 betreffende de rust- en overlevingspensioenen wordt, met ingang van 1 januari 1969, opgeheven.
Art.47. L'article 4 de la loi du 2 août 1962 relative aux pensions de retraite et de survie est abrogé à partir du 1er janvier 1969.
Art.48. Het koninklijk besluit van 21 februari 1968 tot verhoging van sommige rust- en overlevingspensioenen, wordt ingetrokken.
Art.48. L'arrêté royal du 21 février 1968, portant majoration de certaines pensions de retraite et de survie, est rapporté.
Art. 49. Deze wet treedt in werking op 1 januari 1970, met uitzondering van de artikelen 2 tot 11, 14 tot 18, 42 tot 45, en 47.
Art. 49. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 1970, à l'exception des articles 2 à 11, 14 à 18, 42 à 45, et 47.