Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
31 MAART 1971. - Ministerieel besluit betreffende de samenstelling en de werking van de bevorderingscomités. (NOTA : Bij MB van 29-11-1977, art. 29, houdt dit MB op van toepassing te zijn op het personeel van de Rijkswacht) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-07-1991 en tekstbijwerking tot 02-06-2017)
Titre
31 MARS 1971. - Arrêté ministériel relatif à la composition et au fonctionnement des comités d'avancement. (NOTE : Par AM du 29-11-1977, art. 29, cet AM cesse d'être d'application au personnel de la gendarmerie) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-07-1991 et mise à jour au 02-06-2017)
Dokumentinformationen
Numac: 1971033102
Datum: 1971-03-31
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1971033102
Date: 1971-03-31
Moniteur: Voir
Tekst (37)
Texte (37)
HOOFDSTUK I. - Samenstelling der bevorderingscomités.
CHAPITRE I. - Composition des comités d'avancement.
Eerste Afdeling. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions communes.
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt, telkens als een graad wordt vermeld, ook de gelijkwaardige graad in aanmerking genomen.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, chaque fois qu'un grade est mentionné, le grade équivalent est également pris en considération.
Art. 2. § 1. In een bevorderingscomité mag geen zitting hebben de officier die :
1° niet benoemd is in een hogere graad dan die van de officieren wier kandidatuur moet worden onderzocht;
[2 ...]2 zijn ambt uitoefent in een functie buiten de organen en onderafdelingen bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot bepaling van de algemene structuur van het ministerie van Landsverdediging en tot vastlegging van de bevoegdheden van bepaalde autoriteiten;
3° het ambt op grond waarvan hij wel zitting zou hebben in een bevorderingscomité slechts voorlopig uitoefent;
4° een stage doormaakt of gedetacheerd is bij een opleidingsinrichting in het buitenland;
5° afwezig is om gezondheidsredenen;
6° (een verlof geniet, bedoeld in hoofdstuk IV van de wet van 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de krijgsmacht of als vaste afgevaardigde bij een syndicale organisatie is vrijgesteld;)
7° bij ordemaatregel is geschorst;
[2 gedetacheerd of ter beschikking gesteld is overeenkomstig de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht;]2
[2 niet in de personeelsenveloppe begrepen is overeenkomstig artikel 3, 1° tot 3°, van de wet van 25 mei 2000 betreffende de personeelsenveloppe van militairen;]2
(10° gebezigd wordt overeenkomstig de wet van [1 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht]1.)
§ 2. [2 De uitsluitingsvoorwaarde bedoeld in § 1, 2°, is evenwel niet van toepassing op de opperofficieren die hun ambt uitoefenen, in België, in een functie buiten de organen en onderafdelingen bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot bepaling van de algemene structuur van het ministerie van Landsverdediging en tot vastlegging van de bevoegdheden van bepaalde autoriteiten.]2
Art. 2. § 1. Ne peut siéger dans un comité d'avancement l'officier qui :
1° n'est pas nommé à un grade supérieur à celui des officiers dont la candidature est examinée;
[2 ...]2 exerce son emploi dans une fonction en dehors des organes et subdivisions visés à l'article 1er de l'arrêté royal du 21 décembre 2001 déterminant la structure générale du ministère de la Défense et fixant les attributions de certaines autorités;
3° n'exerce qu'à titre précaire l'emploi qui lui donne qualité pour siéger dans un comité d'avancement;
4° est en stage ou est détaché dans un établissement d'instruction à l'étranger;
5° est absent pour motif de santé;
6° (bénéficie d'un congé visé au chapitre IV de la loi du 13 juillet 1976 relative aux effectifs en officiers et aux statuts du personnel des forces armées ou est dispensé comme délégué permanent auprès d'une organisation syndicale;)
7° est suspendu par mesure d'ordre;
[2 est détaché ou mis à la disposition conformément à la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des Forces armées;]2
[2 n'est pas compris dans l'enveloppe en personnel conformément à l'article 3, 1° à 3°, de la loi du 25 mai 2000 relative à l'enveloppe en personnel militaire;]2
(10° est utilisé conformément à la loi du [1 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des forces armées]1.)
§ 2. [2 Toutefois, la condition d'exclusion visée au § 1er, 2°, n'est pas d'application pour les officiers généraux qui exercent leur emploi, en Belgique, dans une fonction en dehors des organes et subdivisions visés à l'article 1er de l'arrêté royal du 21 décembre 2001 déterminant la structure générale du ministère de la Défense et fixant les attributions de certaines autorités.]2
Afdeling 2. - De hoge comités.
Section 2. - Les comités supérieurs.
Art. 3. (Buiten de chef defensie [1 ...]1 en de directeur-generaal human resources), worden opgeroepen om zitting te nemen in het hoog comité dat de kandidaturen voor de graad van luitenant-generaal (...) moet onderzoeken, de officieren van het krijgsmachtdeel waartoe de kandidaten behoren, benoemd in deze graden.
Zo nodig, wordt een beroep gedaan op de in deze graden oudstbenoemde officieren van de andere krijgsmachtdelen, ten einde het (...), voorgeschreven aantal leden te bereiken.
Art. 3. (Outre le chef de la défense [1 ...]1 et le directeur général human resources), sont appelés à siéger dans le comité supérieur chargé d'examiner les candidatures au grade de lieutenant général (...), les officiers de la force à laquelle appartiennent les candidats, nommés à ces mêmes grades.
Le cas échéant, afin d'atteindre, le nombre de membres (prévu), il est fait appel aux plus anciens officiers des autres forces nommés à ces grades.
Art. 4. De chef defensie [1 ...]1 , de directeur-generaal human resources en de luitenant-generaals van de krijgsmacht worden opgeroepen om zitting te nemen in het hoog [2 comité van de Krijgsmacht,]2, wanneer bedoeld comité de kandidaturen voor de graad van luitenant-generaal dient te onderzoeken.
Art. 4. Le chef de la défense, [1 ...]1 le directeur général human resources et les lieutenants généraux des forces armées sont appelés à siéger dans le comité supérieur [2 des Forces armées]2, lorsque ce comité doit examiner les candidatures au grade de lieutenant général.
Art. 4bis. (Opgeheven)
Art. 4bis. (Abrogé)
Art. 5. Worden opgeroepen om zitting te nemen in het hoog comité voor het krijgsmachtdeel, wanneer bedoeld comité de kandidaturen voor de graad van generaal-majoor dient te onderzoeken :
1° (de chef defensie [1 ...]1;)
2° de directeur-generaal human resources;
3° de luitenant-generaals van het krijgsmachtdeel;
4° de generaal-majoors van het krijgsmachtdeel.
Om het voorgeschreven aantal leden te bereiken wordt eventueel een beroep gedaan :
1° voor de landmacht en de luchtmacht op de oudstbenoemde opperofficieren;
2° voor de marine en de medische dienst op de oudstbenoemde opperofficier van elk krijgsmachtdeel.
Art. 5. Sont appelés à siéger dans le comité supérieur de la force, lorsque ce comité doit examiner les candidatures au grade de général-major :
1° (le chef de la défense [1 ...]1;)
2° le directeur général human resources;
3° les lieutenants généraux de la force;
4° les généraux- majors de la force.
Pour atteindre le nombre de membres prévu, il est fait appel, le cas échéant :
1° pour la force terrestre et la force aérienne, aux plus anciens officiers généraux;
2° pour la marine et le service médical au plus ancien officier général de chaque force.
Art. 6. Worden opgeroepen om zitting te nemen in het hoog [2 comité van de Krijgsmacht]2, wanneer bedoeld comité de kandidaturen voor de graad van generaal-majoor dient te onderzoeken :
1° (de chef defensie [1 ...]1;)
2° de directeur-generaal human resources;
3° de luitenant-generaals;
4° de generaal-majoors.
Art. 6. Sont appelés à siéger dans le comité supérieur [2 des Forces armées]2, lorsque ce comité doit examiner les candidatures au grade de général-major :
1° (le chef de la défense [1 ...]1;)
2° le directeur général human resources;
3° les lieutenants généraux;
4° les généraux- majors.
Art. 7. De secretaris-generaal van het ministerie van Landsverdediging wordt opgeroepen om zitting te nemen in de hoge [1 comités van de Krijgsmacht]1 bedoeld in de artikelen 4 en 6.
Art. 7. Le secrétaire général du ministère de la Défense est appelé à siéger dans les comités supérieurs [1 des Forces armées]1 visés aux articles 4 et 6.
Art. 8. (Opgeheven)
Art. 8. (Abrogé)
Afdeling 3. - De comités voor de bevordering van de hoofdofficieren.
Section 3. - Les comités pour l'avancement des officiers supérieurs.
Art. 9. [1 De comités per militaire vakrichting per krijgsmachtdeel of voor het geheel van de krijgsmachtdelen en de comités per groepen van militaire vakrichtingen van twee of meer militaire vakrichtingen van een krijgsmachtdeel zijn samengesteld uit vaste leden alsook uit tijdelijke leden of hun plaatsvervangers.
De comités per groepen van militaire vakrichtingen voor het geheel van de militaire vakrichtingen van een krijgsmachtdeel, het intervakrichtingencomité voor het geheel van de militaire vakrichtingen en de intervakrichtingencomités in de domeinen van de operaties en van het management zijn uitsluitend samengesteld uit vaste leden.
Bij ontstentenis van officieren die voldoen aan de voorwaarden om als tijdelijk lid zitting te hebben, houdt het comité op geldige wijze zitting wanneer het voorgeschreven aantal leden bedoeld in artikel 3, vijfde lid, 2°, van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren, wordt bereikt.]1

Art. 9. [1 Les comités par filière de métiers militaire par force ou pour l'ensemble des forces et les comités par groupes de filières de métiers militaires de deux ou plusieurs filières de métiers militaires d'une force comprennent des membres permanents ainsi que des membres temporaires ou leurs suppléants.
Les comités par groupes de filières de métiers militaires pour l'ensemble des filières de métiers militaires d'une force, le comité interfilières de métiers pour l'ensemble des filières de métiers militaires et les comités interfilières de métiers dans les domaines des opérations et du management ne comprennent que des membres permanents.
A défaut d'officiers répondant aux conditions pour siéger comme membre temporaire, le comité siège valablement lorsque le nombre de membres prévu visé à l'article 3, alinéa 5, 2°, de l'arrêté royal du 7 avril 1959 relatif à la position et à l'avancement des officiers de carrière, est atteint.]1

Art. 10. [1 Worden opgeroepen om zitting te nemen in de comités per militaire vakrichting per krijgsmachtdeel die de kandidaturen voor de graden van hoofdofficieren van de militaire vakrichting van het betrokken krijgsmachtdeel onderzoeken :
1° als vaste leden :
a) de chef defensie;
b) de directeur-generaal human resources;
c) de opperofficieren van het betrokken krijgsmachtdeel;
d) de commandant van de component, behorend tot het betrokken krijgsmachtdeel;
2° als tijdelijke leden, behorend tot dezelfde militaire vakrichting en hetzelfde krijgsmachtdeel als de officieren wier kandidatuur wordt onderzocht:
a) wanneer het comité kandidaturen voor de graad van kolonel onderzoekt, twee officieren benoemd tot de graad van kolonel;
b) wanneer het comité kandidaturen voor de graad van luitenant-kolonel onderzoekt, twee officieren benoemd tot de graad van kolonel en twee officieren benoemd tot de graad van luitenant-kolonel;
c) wanneer het comité kandidaturen voor de graad van majoor onderzoekt, een officier benoemd tot de graad van kolonel, een officier benoemd tot de graad van luitenant-kolonel en twee officieren benoemd tot de graad van majoor.
Indien het voorgeschreven aantal leden, bedoeld in artikel 3, vijfde lid, 2°, van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren, niet wordt bereikt, wordt het comité, bedoeld in het eerste lid, evenwel vervolledigd met één of meerdere officieren van een andere militaire vakrichting van hetzelfde krijgsmachtdeel, bij loting bepaald.]1

Art. 10. [1 Sont appelés à siéger dans les comités par filière de métiers militaire par force qui examinent les candidatures aux grades d'officiers supérieurs de la filière de métiers militaire de la force concernée :
1° comme membres permanents :
a) le chef de la défense;
b) le directeur général human resources;
c) les officiers généraux de la force concernée;
d) le commandant de la composante, appartenant à la force concernée;
2° comme membres temporaires, appartenant à la même filière de métiers militaire et à la même force que celle des officiers dont la candidature est examinée :
a) lorsque le comité examine les candidatures au grade de colonel, deux officiers nommés au grade de colonel;
b) lorsque le comité examine les candidatures au grade de lieutenant-colonel, deux officiers nommés au grade de colonel et deux officiers nommés au grade de lieutenant-colonel;
c) lorsque le comité examine les candidatures au grade de major, un officier nommé au grade de colonel, un officier nommé au grade de lieutenant-colonel et deux officiers nommés au grade de major.
Toutefois, si le nombre de membres prévu visé à l'article 3, alinéa 5, 2°, de l'arrêté royal du 7 avril 1959 relatif à la position et à l'avancement des officiers de carrière, ne peut être atteint, le comité visé à l'alinéa 1er est complété par un ou plusieurs officiers d'une autre filière de métiers militaire de la même force déterminée par tirage au sort.]1

Art. 10bis. [1 Worden opgeroepen om zitting te nemen in de comités per militaire vakrichting voor het geheel van de krijgsmachtdelen die de kandidaturen voor de graden van hoofdofficieren van de betrokken militaire vakrichting onderzoeken :
1° als vaste leden :
a) de chef defensie;
b) de directeur-generaal human resources;
c) de opperofficieren van de betrokken krijgsmachtdelen;
d) de commandanten van de componenten, behorend tot de betrokken krijgsmachtdelen;
2° als tijdelijke leden, behorend tot dezelfde militaire vakrichting als de officieren wier kandidatuur wordt onderzocht :
a) wanneer het comité kandidaturen voor de graad van kolonel onderzoekt, één officier benoemd tot de graad van kolonel van elk betrokken krijgsmachtdeel;
b) wanneer het comité kandidaturen voor de graad van luitenant-kolonel onderzoekt, twee officieren benoemd tot de graad van kolonel en twee officieren benoemd tot de graad van luitenant-kolonel;
c) wanneer het comité kandidaturen voor de graad van majoor onderzoekt, een officier benoemd tot de graad van kolonel, een officier benoemd tot de graad van luitenant-kolonel en twee officieren benoemd tot de graad van majoor.
Wanneer drie of vier krijgsmachtdelen door de comités per militaire vakrichting voor het geheel van de krijgsmachtdelen betrokken zijn, worden de tijdelijke leden bedoeld in het eerste lid, 2°, b) en c), zodanig aangewezen dat elk krijgsmachtdeel ten minste één maal vertegenwoordigd wordt.
Wanneer enkel twee krijgsmachtdelen door de comités per militaire vakrichting voor het geheel van de krijgsmachtdelen betrokken zijn, worden de tijdelijke leden bedoeld in het eerste lid, 2°, b) en c), zodanig aangewezen dat er niet meer dan twee officieren van dezelfde graad behorend tot hetzelfde krijgsmachtdeel kunnen zijn.]1

Art. 10bis. [1 Sont appelés à siéger dans les comités par filière de métiers militaire pour l'ensemble des forces qui examinent les candidatures aux grades d'officiers supérieurs de la filière de métiers militaire concernée :
1° comme membres permanents :
a) le chef de la défense;
b) le directeur général human resources;
c) les officiers généraux des forces concernées;
d) les commandants des composantes, appartenant aux forces concernées;
2° comme membres temporaires, appartenant à la même filière de métiers militaire que celle des officiers dont la candidature est examinée :
a) lorsque le comité examine les candidatures au grade de colonel, un officier nommé au grade de colonel de chaque force concernée;
b) lorsque le comité examine les candidatures au grade de lieutenant-colonel, deux officiers nommés au grade de colonel et deux officiers nommés au grade de lieutenant-colonel;
c) lorsque le comité examine les candidatures au grade de major, un officier nommé au grade de colonel, un officier nommé au grade de lieutenant-colonel et deux officiers nommé au grade de major.
Lorsque trois ou quatre forces sont concernées par les comités par filière de métiers militaire pour l'ensemble des forces, les membres temporaires visés à l'alinéa 1er, 2°, b) et c), sont désignés de telle sorte que chaque force soit représentée au minimum une fois.
Lorsque seules deux forces sont concernées par les comités par filière de métiers militaire pour l'ensemble des forces, les membres temporaires visés à l'alinéa 1er, 2°, b) et c) sont désignés de telle sorte qu'il ne peut y avoir deux officiers du même grade appartenant à la même force.]1

Art. 11. [1 Worden opgeroepen om zitting te nemen in de comités per groepen van militaire vakrichtingen voor het geheel van de militaire vakrichtingen van een krijgsmachtdeel die de kandidaturen voor de graden van hoofdofficieren van het betrokken krijgsmachtdeel onderzoeken :
1° de chef defensie;
2° de directeur-generaal human resources;
3° de opperofficieren van het betrokken krijgsmachtdeel;
4° de commandant van de component, behorend tot het betrokken krijgsmachtdeel.
Om het voorgeschreven aantal leden bedoeld in artikel 3, vijfde lid, 2°, van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren, te bereiken, wordt, in voorkomend geval, een beroep gedaan op de oudste officieren van het betrokken krijgsmachtdeel benoemd tot de graad van kolonel.]1

Art. 11. [1 Sont appelés à siéger dans les comités par groupes de filières de métiers militaires de l'ensemble des filières de métiers militaires d'une force, qui examinent les candidatures aux grades d'officiers supérieurs de la force concernée :
1° le chef de la défense;
2° le directeur général human resources;
3° les officiers généraux de la force concernée;
4° le commandant de la composante, appartenant à la force concernée.
Pour atteindre le nombre de membres prévu visé à l'article 3, alinéa 5, 2°, de l'arrêté royal du 7 avril 1959 relatif à la position et à l'avancement des officiers de carrière, il est fait appel, le cas échéant, aux plus anciens officiers nommés au grade de colonel de la force concernée]1

Art. 12. [1 Worden opgeroepen om zitting te nemen in de comités per groepen van militaire vakrichtingen van twee of meer militaire vakrichtingen van eenzelfde krijgsmachtdeel die de kandidaturen voor de graden van hoofdofficieren van de groepen van de militaire vakrichtingen van het betrokken krijgsmachtdeel onderzoeken :
1° als vaste leden :
a) de chef defensie;
b) de directeur-generaal human resources;
c) de opperofficieren van het betrokken krijgsmachtdeel;
d) de commandant van de component, behorend tot het betrokken krijgsmachtdeel;
2° als tijdelijke leden, behorend tot hetzelfde krijgsmachtdeel als de officieren wier kandidatuur wordt onderzocht:
a) wanneer het comité kandidaturen voor de graad van kolonel onderzoekt, vier officieren benoemd tot de graad van kolonel;
b) wanneer het comité kandidaturen voor de graad van luitenant-kolonel onderzoekt, twee officieren benoemd tot de graad van kolonel en twee officieren benoemd tot de graad van luitenant-kolonel;
c) wanneer het comité kandidaturen voor de graad van majoor onderzoekt, een officier benoemd tot de graad van kolonel, een officier benoemd tot de graad van luitenant-kolonel en twee officieren benoemd tot de graad van majoor.
Wanneer de groep van militaire vakrichtingen uit twee militaire vakrichtingen is samengesteld, worden de tijdelijke leden bedoeld in het eerste lid, 2°, zodanig aangewezen dat elke militaire vakrichting van de groep van militaire vakrichtingen, twee maal en, in voorkomend geval, in verschillende graden wordt vertegenwoordigd.
Wanneer de groep van militaire vakrichtingen uit drie of vier militaire vakrichtingen is samengesteld, worden de tijdelijke leden bedoeld in eerste lid, 2°, zodanig aangewezen dat elke militaire vakrichting van de groep van militaire vakrichtingen ten minste één maal en, in voorkomend geval, in verschillende graden wordt vertegenwoordigd.
Wanneer de groep van militaire vakrichtingen uit meer dan vier militaire vakrichtingen is samengesteld, worden de tijdelijke leden bedoeld in eerste lid, 2°, zodanig aangewezen dat ze tot verschillende militaire vakrichtingen behoren.
Wanneer er evenwel geen kandidaat is behorend tot één of meerdere militaire vakrichtingen van de betrokken groep van militaire vakrichtingen, worden de militaire vakrichtingen zonder kandidaat niet in aanmerking genomen voor de aanwijzing van de leden bedoeld in de leden 2 tot 4.]1

Art. 12. [1 Sont appelés à siéger dans les comités par groupes de filières de métiers militaires de deux ou plusieurs filières de métiers militaires d'une même force, qui examinent les candidatures aux grades d'officiers supérieurs des groupes de filières de métiers militaires de la force concernée :
1° comme membres permanents :
a) le chef de la défense;
b) le directeur général human resources;
c) les officiers généraux de la force concernée;
d) le commandant de la composante, appartenant à la force concernée;
2° comme membres temporaires, appartenant à la même force que celle des officiers dont la candidature est examinée :
a) lorsque le comité examine les candidatures au grade de colonel, quatre officiers nommés au grade de colonel;
b) lorsque le comité examine les candidatures au grade de lieutenant-colonel, deux officiers nommés au grade de colonel et deux officiers nommés au grade de lieutenant-colonel;
c) lorsque le comité examine les candidatures au grade de major, un officier nommé au grade de colonel, un officier nommé au grade de lieutenant-colonel et deux officiers nommés au grade de major.
Lorsque le groupe de filières de métiers militaires est composé de deux filières de métiers militaires, les membres temporaires visés à l'alinéa 1er, 2°, sont désignés de telle sorte que chaque filière de métiers militaire du groupe de filières de métiers militaires soit représentée deux fois et, le cas échéant, dans des grades différents.
Lorsque le groupe de filières de métiers militaires est composé de trois ou quatre filières de métiers militaires, les membres temporaires visés à l'alinéa 1er, 2°, sont désignés de telle sorte que chaque filière de métiers militaire du groupe de filières de métiers militaires soit représentée au minimum une fois et, le cas échéant, dans des grades différents.
Lorsque le groupe de filières de métiers militaires est composé de plus de quatre filières de métiers militaires, les membres temporaires visés à l'alinéa 1er, 2°, sont désignés de telle sorte qu'ils appartiennent à des filières de métiers militaires différentes.
Toutefois, lorsqu'il n'y a pas de candidat appartenant à l'une ou plusieurs filières de métiers militaires du groupe de filières de métiers militaires concerné, les filières de métiers militaires sans candidat ne sont pas prises en compte pour la désignation des membres visés aux alinéas 2 à 4.]1

Art. 13. [1 Worden opgeroepen om zitting te nemen in het intervakrichtingencomité voor het geheel van de militaire vakrichtingen of in de intervakrichtingencomités in de domeinen van de operaties en van het management die de kandidaturen voor de graden van hoofdofficieren onderzoeken :
1° de chef defensie;
2° de directeur-generaal human resources;
3° de opperofficieren;
4° de onderstafchefs van de stafdepartementen;
5° de directeur-generaals van de andere algemene directies;
6° de commandanten van de componenten.]1

Art. 13. [1 Sont appelés à siéger dans le comité interfilières de métiers pour l'ensemble des filières de métiers militaires ou dans les comités interfilières de métiers dans les domaines des opérations et du management, qui examinent les candidatures aux grades d'officiers supérieurs :
1° le chef de la défense;
2° le directeur général human resources;
3° les officiers généraux;
4° les sous-chefs d'état-major des départements d'état-major;
5° les directeurs généraux des autres directions générales;
6° les commandants des composantes.]1

Art. 14.
Art. 14.
Art. 14bis.
Art. 14bis.
Art. 15. (§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 2, § 1, en van artikel 16, § 3, mogen geen zitting nemen in een corpscomité, als tijdelijke leden, de hoofdofficieren die tot de algemene inspectie van de rijkswacht behoren.)
§ 2. De tijdelijke leden en hun plaatsvervangers worden bij loting aangewezen.
Deze loting wordt derwijze verricht dat in elke graad [1 de helft van de leden en hun plaatsvervangers]1 het bewijs hebben geleverd van de grondige kennis van de Franse taal en [1 de andere helft van de leden en hun plaatsvervangers]1 deze van de Nederlandse taal, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger.
(Wanneer het comité kandidaturen voor de graad van majoor onderzoekt, moeten het tijdelijk lid benoemd tot de graad van kolonel alsook zijn plaatsvervanger het bewijs hebben geleverd van de grondige kennis van een der twee landstalen en het tijdelijk lid benoemd tot de graad van luitenant-kolonel alsook zijn plaatsvervanger van de grondige kennis van de andere landstaal, overeenkomstig hetzelfde artikel 2.)
Ingeval het vereiste aantal officieren op die wijze niet kan worden aangewezen, mag geen beroep worden gedaan op officieren die, bij toepassing van hetzelfde artikel 2, het examen over de grondige kennis van de andere landstaal hebben afgelegd, tenzij vooraf een beroep is gedaan op diegene onder hen die, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van de wet van 30 juli 1938, het bewijs hebben geleverd van de grondige kennis van de betrokken taal.
§ 3. Het loten van de tijdelijke leden der bevorderingscomités wordt uitgevoerd door drie officieren (aangewezen door de (directeur-generaal human resources)).
[1 Voorafgaand aan de aanwijzing van de tijdelijke leden van de comités per groep van militaire vakrichtingen samengesteld uit meer dan vier militaire vakrichtingen bedoeld in artikel 12, vierde lid, grijpt een loting plaats van vier militaire vakrichtingen onder de militaire vakrichtingen die in de betrokken groep worden vertegenwoordigd.]1
[1 In functie van het ingestelde comité grijpt de loting plaats onder alle officieren die de vereiste graden bekleden, behorend tot, naargelang het geval, het betrokken krijgsmachtdeel, de betrokken militaire vakrichting en/of de groep van betrokken militaire vakrichtingen.]1
Op dezelfde wijze wordt een aantal plaatsvervangende leden, gelijk aan dit van de tijdelijke leden, gekozen.
§ 4. Na het loten wordt een proces-verbaal over het verloop der verrichtingen opgemaakt. Dat proces-verbaal dient de namen te vermelden van de officieren die tot de loting zijn overgegaan alsmede de namen officieren [1 , alsook de militaire vakrichtingen bedoeld in § 3, tweede lid,]1 die bij loting werden aangeduid.
(§ 5. Rechtvaardigen een of meer officieren die als tijdelijk of plaatsvervangend lid van een bevorderingscomité zouden aangeduid zijn, hun onbeschikbaarheid om op de dag van de vergadering van het comité te zetelen, dan kan een bijkomende loting, volgens dezelfde procedure, plaatshebben.
De reden van de onbeschikbaarheid moet (rechtstreeks aan de (directeur-generaal human resources)) medegedeeld worden.)
Art. 15. (§ 1. Sans préjudice des dispositions de l'article 2, § 1, et de l'article 16, § 3, ne peuvent sièger dans un comité de corps comme membres temporaires les officiers supérieurs qui appartiennent à l'inspection générale de la gendarmerie.)
§ 2. Les membres temporaires et leurs suppléants sont désignés par tirage au sort.
Ce tirage au sort est effectué de manière que dans chaque grade [1 la moitié des membres et leurs suppléants]1 aient justifié de la connaissance approfondie de la langue française et [1 l'autre moitié des membres et leurs suppléants]1 de celle de la langue néerlandaise, conformément à l'article 2 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée.
(Lorsque le comité examine des candidatures au grade de major, le membre temporaire nommé au grade de colonel ainsi que son suppléant doivent avoir justifié de la connaissance approfondie de l'une des deux langues nationales et le membre temporaire nommé au grade de lieutenant-colonel ainsi que son suppléant, de la connaissance approfondie de l'autre langue nationale, conformément au même article 2.)
Dans l'hypothèse où cette manière de procéder ne permet pas de désigner le nombre requis d'officiers, il ne peut être fait appel à des officiers qui, en applications du même article 2, ont subi l'épreuve sur la connaissance approfondie de l'autre langue nationale qu'après avoir, au préalable, fait appel, parmis ces derniers, aux officiers qui ont justifié conformément aux dispositions de l'article 7 de la loi du 30 juillet 1938, de la connaissance approfondie de la langue prise en considération.
§ 3. Le tirage au sort des membres temporaire des comités d'avancement est exécuté par trois officiers (désignés par le (directeur général human resources)).
[1 Préalablement à la désignation des membres temporaires des comités par groupe de filières de métiers militaires composés de plus de quatre filières de métiers militaires visés à l'article 12, alinéa 4, il est procédé au tirage au sort de quatre filières de métiers militaires qui seront représentées parmi les filières de métiers militaires du groupe concerné.]1
[1 En fonction du type de comité institué, le tirage au sort est effectué parmi tous les officiers revêtus des grades requis, appartenant, selon le cas, à la force concernée, à la filière de métiers militaire concernée et/ou au groupe de filières de métiers militaires concernés.]1
Un nombre de membres suppléants égal à celui des membres temporaires est choisi de la même manière.
§ 4. A l'issue du tirage au sort, il est établi un procès-verbal relatant les opérations. Ce procès-verbal doit signaler les noms des officiers ayant procédé au tirage au sort et les noms des officiers successivement désignés par le sort [1 , ainsi que des filières de métiers militaires visées au § 3, alinéa 2]1.
(§ 5. Dans le cas òu un ou plusieurs officiers, qui auraient été désignés comme membre temporaire ou suppléant d'un comité d'avancement, justifient de leur indisponibilité siéger le jour de la réunion du comité, il peut être procédé à un tirage au sort supplémentaire, suivant la même procedure.
La cause de l'indisponibilité est à communiquer par les intéressés (directement au (directeur général human resources)).)
Art. 16. (...).
De secretaris-generaal van het ministerie van Landsverdediging wordt opgeroepen om zitting te nemen in het intermachtencomité bedoeld in artikel 14bis, in de hoedanigheid van vast lid.
Art. 16. (...).
Le secrétaire général du ministère de la Défense est appelé à siéger dans le comité interforces visé à l'article 14bis, en qualité de membre permanent.
HOOFDSTUK II. - Werking van de bevorderingscomités.
CHAPITRE II. - Fonctionnement des comités d'avancement.
Art. 17. De bevorderingscomités zijn gelast onder de kandidaten wier kandidatuur wordt onderzocht, diegenen aan te duiden die zij het meest geschikt achten te zijn om de functies van de hogere graad uit te oefenen. Hiertoe beoordelen de leden van de professionele, morele (, karakteriële) en lichamelijke hoedanigheden van de kandidaten ten einde hun rendement te schatten in de hogere functies die hun zouden kunnen worden opgedragen bij [1 hun militaire vakrichting]1, bij een organisme voor [1 alle vakrichtingen]1 of (voor alle krijgsmachtsdelen), bij de hoofdkwartieren of bij de nationale of intergeallieerde instellingen.
(De persoonlijke dossiers en de bevorderingsvoordrachten van de kandidaten worden, vóór de vergadering van het comité, ter beschikking gehouden van de leden ervan.)
Art. 17. Les comités d'avancement sont chargés de désigner parmi les candidats examinés, ceux qu'ils jugent les plus aptes à exercer les fonctions du grade supérieur. A cette fin, les membres apprécient les aptitudes professionnelles, morales (, caractérielles) et physiques des candidats en vue d'estimer leur rendement dans les fonctions supérieurs qui pourraient leur être confiées dans [1 leur filière de métiers militaire]1, dans un organisme [1 interfilières de métiers]1 ou interforces, dans les quartiers généraux ou organismes nationaux et interalliés.
(Les dossiers personnels et les propositions d'avancement des candidats sont tenus à la disposition des membres du comité, préalablement à la réunion de celui-ci.)
Art. 18. De te volgen werkwijze bij de bevorderingscomités omvat in volgorde :
1° de mededeling door de Minister van [1 Defensie]1 van de namen van de officieren wier kandidatuur niet kan worden onderzocht alsmede de door hem dienaangaande genomen beslissingen;
2° de aanwijzing van de kandidaten die door het comité niet geschikt geacht worden om de functies van de hogere graad uit te oefenen en die niet aanbevelenswaardig worden verklaard, met vermelding van de motivering;
3° de voordracht van de aanbevelenswaardige kandidaturen;
4° advies van het comité omtrent 3°;
5° de kennisgeving door de Minister van [1 Defensie]1 of, bij diens afwezigheid door de voorzitter, van het maximum aantal betrekkingen die te vervullen zijn;
6° gemotiveerd voorstel tot rangschikking van de meest geschikt geachte kandidaten binnen de grens vastgesteld in 5°;
7° advies van het comité omtrent 6°;
8° aanbeveling volgens rangschikking door het comité van de meest geschikt geachte kandidaten binnen de grens bedoeld sub 5°;
9° de individuele kennisgeving aan de kandidaten van het eindadvies van het comité omtrent hun kandidatuur.
Art. 18. La procédure de fonctionnement des comités d'avancement comprend, dans l'ordre :
1° la communication des noms des officiers dont la candidature n'est pas en état d'être examinée ainsi que les décisions qu'il a prises à ce sujet;
2° la désignation des candidats que le comité n'estime pas aptes à exercer les fonctions du grade supérieur et qui seront déclarés non recommandables, avec mention de la motivation;
3° la présentation des candidatures recommandables;
4° l'avis du comité concernant le 3°;
5° la notification par le (ministre de la Défense) ou, en son absence, par le président, du nombre maximum d'emplois à conférer;
6° la proposition motivée du classement des candidats estimés les plus aptes dans la limite fixée au 5°;
7° l'avis du comité concernant le 6°;
8° la recommandation d'après le classement par le comité des candidats estimés les plus aptes dans la limite visée sub 5°;
9° la notification individuelle aux candidats de l'avis final du comité relatif à leur candidature.
Art. 19. Voordat de kandidaturen door het comité worden onderzocht, deelt de Minister van [1 Defensie]1 aan de leden de naam mede van de officieren wier kandidatuur niet onmiddellijk kan worden onderzocht.
Hij schrapt van de lijst der kandidaten degenen wier kandidatuur, naar zijn oordeel, niet binnen afzienbare tijd zal kunnen onderzocht worden.
De andere betwiste kandidaturen worden in beraad gehouden.
Bij zijn afwezigheid worden de beslissingen van de Minister door de (voorzitter) aan de leden van het comité medegedeeld.
De beslissingen van de Minister en de redenen ervan worden in het proces-verbaal van de vergadering opgenomen en aan de betrokkenen medegedeeld.
Art. 19. Préalablement à l'examen des candidatures par le comité, le (ministre de la Défense) communique aux membres, le nom des officiers dont la candidature n'est pas en état d'être examinée sur le champ.
Il supprime de la liste des candidats ceux dont il estime que la candidature ne pourra être examinée dans un délai raisonnable.
L'examen des autres candidatures litigieuses est réservé.
En l'absence du Ministre, ses décisions sont notifiées par le (président) aux membres du comité.
Les décisions du Ministre ainsi que leurs motifs sont mentionnés au procès-verbal de la séance et sont portés à la connaissance des intéressés.
Art. 20. De documenten waarvan de comités gewag maken, mogen slechts van de door de kandidaten gekende feiten melding maken.
Art. 20. Les documents dont font état les comités ne peuvent faire mention que des faits connus des candidats.
Art. 21. § 1. De officier die belast is met de voordracht van de kandidaturen, stelt de namen voor van de kandidaten die hij niet geschikt acht om de functies van de hogere graad uit te oefenen; hij verantwoordt zijn voorstel.
Het staat elk lid van het comité vrij, zijn advies uit te brengen over die voorstellen en te vragen dat andere namen van kandidaten er aan toegevoegd worden; hij verantwoordt zijn standpunt.
§ 2. Het comité duidt de kandidaten aan die geacht worden ongeschikt te zijn om de functies van de hogere graad uit te oefenen. Over deze aanduiding wordt gestemd (...) bij geheime stemming en met volstrekte meerderheid van stemmen.
Art. 21. § 1. L'officier chargé de présenter les candidatures propose les noms des candidats qu'il n'estime pas aptes à exercer les fonctions du grade supérieur; il justifie ses propositions.
Chaque membre du comité peut donner son avis sur ces propositions et peut demander, en justifiant son point de vue, que d'autres noms de candidats y soient ajoutés.
§ 2. Le comité désigne les candidats qui ne sont pas jugés aptes à exercer les fonctions du grade supérieur. Cette désignation a lieu (...) par vote secret et à la majorité absolue des voix.
Art. 22. (De officier belast met de voordracht van de kandidaturen stelt op grond van het bevorderingsdossier een gemotiveerd advies op dat hij aan het bevorderingscomite voorlegt.
Dit advies omvat :
1 een beknopte voorstelling van de kandidaten;
2 een indeling van de kandidaten in waardegroepen.)
Op voorwaarde dat hij zijn standpunt verantwoordt kan elk lid van het comité vragen dat wijzigingen worden aangebracht in de beknopte voorstellingstekst en in de voorgestelde indeling in waardegroepen.
Het comité spreekt zich bij geheime stemming met volstrekte meerderheid uit over de geformuleerde voorstellen tot wijziging. In geval van gelijkheid van stemmen is de stem van de met de voordracht belaste officier beslissend. Zo er geen wijzigingen worden voorgesteld, wordt het gemotiveerd advies bij handopsteken goedgekeurd.
Iedere beoordeling betreffende een officier in het bijzonder dient gedaan te worden :
1° wanneer het gaat om een beroepsofficier of om een reserveofficier komende uit [1 de categorie van de beroepsofficieren]1, in de taal waarvoor hij, bij toepassing van artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, het bewijs van de grondige kennis heeft geleverd;
2° wanneer het gaat om een reserveofficier komende uit het kader van de hulpofficieren van de luchtmacht, in de taal waarin hij de vakproeven, met het oog op de bevordering tot de graad van onderluitenant, voorzien bij artikel 6, 3° van de wet van 23 december 1955 betreffende de hulpofficieren van de luchtmacht, piloten en navigatoren, heeft afgelegd;
3° wanneer het gaat om een reserveofficier [1 ...]1 die aangeworven is uit het burgermidden, in de taal die wordt geacht zijn eerste landstaal te zijn volgens artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1956 betreffende de organisatie van het taalexamen voor de benoeming tot de graad van reservemajoor, reservekorvetkapitein of reservekapitein-technicus.
(4° [2 ...]2
[2 ...]2
Art. 22. (L'officier chargé de la présentation des candidatures rédige sur la base du dossier d'avancement un avis motivé qu'il soumet au comité d'avancement.
Cet avis comprend :
1 une présentation succincte des candidats;
2 une répartition des candidats en groupes de valeur.)
Chaque membre du comité peut demander, en justifiant sont point de vue, d'apporter des modifications au texte de la présentation succincte et à la répartition proposée en groupes de valeur.
Le comité se prononce par vote secret à la majorité absolue des voix sur les propositions de modification formulées. En cas de parité de voix, la voix de l'officier chargé de présenter les candidatures est prépondérante. S'il n'y a pas de modification proposée, l'avis motivé est approuvé à main levée.
Toute appréciation relative à un officier en particulier doit être émise :
1° s'il s'agit d'un officier de carrière ou d'un officier de réserve issu [1 de la catégorie des officiers de carrière]1, dans la langue dont il a justifié avoir la connaissance approfondie, en application de l'article 2 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée;
2° s'il s'agit d'un officier de réserve issu du cadre des officiers auxiliaires de la force aérienne, dans la langue dans laquelle il a subi les épreuves professionnelles d'accession au grade de sous-lieutenant, prévues à l'article 6, 3°, de la loi du 23 décembre 1955 sur les officiers auxiliaires de la force aérienne, pilotes et navigateurs;
3° s'il s'agit d'un officier de réserve [1 ...]1 recruté du milieu civil, dans la langue qui est considérée comme sa première langue nationale, aux termes de l'article 2 de l'arrêté royal du 22 octobre 1956 portant organisation de l'épreuve linguistique pour l'accession au grade de major de réserve, de capitaine de corvette de réserve ou de capitaine technicien de réserve.
(4° [2 ...]2
[2 ...]2
Art. 23. De Minister van [1 Defensie]1 geeft vervolgens kennis van het maximumaantal aan de kandidaten toe te kennen betrekkingen. Bij afwezigheid van de Minister, wordt deze beslissing door de (voorzitter) medegedeeld.
Art. 23. Le (ministre de la Défense) notifie ensuite le nombre maximum d'emplois qui pourront être attribués aux candidats. En l'absence du Ministre, la communication de cette décision est faite par le (président).
Art. 24. De met de voordracht van de kandidaturen belaste officier doet vervolgens een gemotiveerd voorstel tot rangschikking van de kandidaten die hij het meest geschikt acht om een ambt van de hogere graad uit te oefenen.
Het comité spreekt zich uit over dit voorstel. Het staat elk lid van het comité vrij te vragen om, mits verantwoording van zijn standpunt, wijzigingen aan te brengen in de rangschikking van de kandidaten in de waardegroepen. Deze wijzigingen worden ter stemming aan het comité voorgelegd.
Het comité spreekt zich bij geheime stemming met volstrekte meerderheid uit over de geformuleerde voorstellen tot wijziging. In geval van gelijkheid van stemmen is de stem van de met de voordracht belaste officier beslissend. Het (proces-verbaal) met de aldus geamendeerde rangschikking wordt door de secretaris aan de leden van het comité ter kennis gebracht. Zo er geen wijzigingen worden voorgesteld wordt het voorstel van de officier belast met de voordracht van de kandidaturen bij handopsteken goedgekeurd.
De in aanmerking komende kandidaturen worden voor bevordering aanbevolen.
Art. 24. L'officier chargé de présenter les candidatures émet ensuite une proposition motivée de classement des candidats qu'il estime les plus aptes à exercer un emploi au grade supérieur.
Le comité se prononce sur cette proposition. Chaque membre du comité peut demander, en justifiant son point de vue, d'apporter des modifications au classement des candidats au sein des groupes de valeur. Ces modifications sont soumises au vote du comité.
Le comité se prononce par vote secret, à la majorité absolue des voix, sur les propositions de modification. En cas de parité de voix, la voix de l'officier chargé de présenter les candidatures est prépondérante. Le (procès-verbal) du classement ainsi amendé est porté à la connaissance des membres du comité par le secrétaire. Si aucune modification n'est proposée, la proposition de l'officier chargé de présenter les candidatures est approuvée par vote à main levée.
Les candidats classés favorablement sont recommandés pour l'avancement.
Art. 24bis.
Art. 24bis.
Art. 25. Indien bepaalde kandidaturen overeenkomstig artikel 19 (, eerste lid,) in beraad werden gehouden, wordt door het comité een aantal kandidaten aanbevolen dat gelijk is aan het aantal openverklaarde betrekkingen verminderd met het aantal in beraad gehouden kandidaturen.
Art. 25. Si des candidatures ont été réservées conformément à l'article 19, (alinéa 1er,) le comité recommande un nombre de candidats égal au nombre d'emplois ouverts diminué du nombre de candidatures réservées.
Art. 26. § 1. Tijdens een latere vergadering deelt de Minister of de (voorzitter) namens de Minister aan de leden de beslissingen mede betreffende de in beraad gehouden kandidaturen; hij geeft hun kennis van de naam der officieren wier kandidatuur kan worden onderzocht en schrapt de naam der andere kandidaten van de lijst.
In het proces-verbaal wordt melding gemaakt van de beslissingen van de Minister met opgaaf van redenen.
§ 2. Onder de overblijvende kandidaten wordt, als bepaald in artikelen 21 tot 24 door het comité overgegaan tot de aanwijzing van een aantal kandidaten gelijk aan het aantal open gebleven betrekkingen.
Art. 26. § 1. Lors d'une séance ultérieure du comité, le Ministre ou en son nom, le (président) communique aux membres ses décisions concernant les candidatures qui ont été réservées; il leur fait connaître le nom des officiers dont la candidature est en état d'être examinée et supprime le nom des autres candidats de la liste.
Mention est faite au procès-verbal des décisions du Ministre et de leur motifs.
§ 2. Le comité procède comme il est dit aux articles 21 à 24 à la désignation, parmi les candidats restants, d'un nombre égal au nombre d'emplois restés ouverts.
Art. 27. De stemopneming heeft tijdens de vergadering plaats. De processen-verbaal betreffende beraadslagingen en stemming worden bewaard (door de (directeur-generaal human resources)).
Art. 27. Le dépouillement des résultats s'effectue en séance. Les procès-verbaux relatifs aux délibérations et au scrutin sont conservés (par le (directeur général human resources)).
Art. 28. Na verloop van de beraadslagingen geeft de secretaris van het comité aan elke kandidaat kennis van de beslissing en van de samenstelling van het comité.
Art. 28. A l'issue des délibérations, le secrétaire du comité informe chaque candidat de la décision et de la composition du comité.