Artikel 1. [1 Voor de toepassing van dit besluit dient verstaan onder :
1° "de wet van 9 augustus 1963" : de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
2° "de gecoördineerde wet van 14 juli 1994" : de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
3° "het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967" : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
4° "het koninklijk besluit van 4 november 1963" : het koninklijk besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
5° "het koninklijk besluit van 3 juli 1996" : het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
6° "het koninklijk besluit van 30 juli 1964" : het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot de zelfstandigen wordt verruimd;
7° "zelfstandige" : de zelfstandigen en de helpers;
8° "uitkeringen" : de krachtens dit besluit toegekende vergoedingen;
9° "Rijksinstituut" : het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
20 JULI 1971. - [Koninklijk besluit houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten.] <KB 2003-01-13/40, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003> (NOTA: tijdelijke schorsing van de toepassing van artikel 58, § 2 vanaf 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021; <KB2021-08-14/10, art. 1, 093; Inwerkingtreding : 01-07-2021>) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-06-1981 en tekstbijwerking tot 06-10-2025)
Titre
20 JUILLET 1971. - [Arrêté royal instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants.] <AR 2003-01-13/40, art. 1, 032; En vigueur : 01-01-2003> (NOTE: suspension temporaire du 1er juillet 2021 au 30 septembre 2021 inclus de l'article 58, §2; <AR2021-08-14/10, art. 1, 093; En vigueur : 01-07-2021>)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-06-1981 et mise à jour au 06-10-2025)
Dokumentinformationen
Numac: 1971072008
Datum: 1971-07-20
Info du document
Numac: 1971072008
Date: 1971-07-20
Inhoud
Voorafgaande bepalingen.
Titel I. - Uitkeringsverzekering
HOOFDSTUK I. - De gerechtigden.
Eerste Afdeling. - Bepaling.
Afdeling 2. - Het bewijs van de hoedanigheid va...
Art.6. Dit besluit onderscheidt:
Eerste Afdeling. - Voorwaarden die verband houd...
Art.14. Alvorens een tijdvak van arbeidsongesc...
Art.19.(In de loop van de tijdvakken van primai...
Art.26.De uitkeringen worden niet meer betaald ...
Art.34. Bij de aanvang van de arbeidsongeschikt...
Afdeling 1. - Het beheerscomité van de uitkerin...
Art.39. § 1. Bij de Dienst voor uitkeringen van...
Art.45. Het Coordinatiebureau bedoeld in artike...
Art.47. Bij de Technische Intermutualistische R...
Art.52.§ 1. Behoudens wanneer hiervan door dit ...
HOOFDSTUK V. - De vaststelling van de staat van...
Art.53. Een tijdvak van arbeidsongeschiktheid v...
Afdeling 2. - De beslissingen in verband met de...
Art.59.[1 Begin, voortduren, wederoptreden, duu...
Art.62.[1 De beslissingen in verband met de arb...
HOOFDSTUK VBIS. - Aanvraag tot het bekomen van ...
Eerste Afdeling. - Algemene bepalingen.
Art.63. (§ 1. Zodra hij het in artikel 53 bedoe...
Art.67.[1 Wordt van het recht op uitkeringen ui...
Art.73. De inkomsten van de verzekering ingeste...
Art.81.[1 De modellen van de formulieren die di...
Art.83. Voor de toepassing van de artikelen 14 ...
Titel II. - Moederschapsverzekering.
Art.91. De moederschapsverzekering wordt geleid...
Art.92. Zijn gerechtigd op de moederschapsuitk...
Art.93. § 1. Het tijdvak van moederschapsrust i...
Afdeling I. - Bedrag van de moederschapsuitkering.
Art.94.[1 Het bedrag van de moederschapsuitkeri...
Art.95. § 1. De gerechtigde die aanspraak wenst...
Art.96.[1 § 1. [2 Onverminderd de toepassing va...
Art.97. In de loop (van de moederschapsrustwek...
Art.98.[1 Voor het verkrijgen van het recht op ...
Art.99. In zoverre er niet van wordt afgeweken...
Art. N. Verklaring betreffende de in het kader ...
Inhoud
Dispositions préliminaires.
Titre I. - De l'assurance indemnités
CHAPITRE I. - Des titulaires.
Section 1. - Définition.
Section 2. - De la justification de la qualité ...
CHAPITRE II. - Des périodes d'incapacité de tra...
CHAPITRE III. - Des conditions d'octroi des pre...
Section 1. - Des conditions se rapportant à la ...
Section 2. - De l'état d'incapacité de travail.
Section 2/1. [1 - Contacts physiques durant l'i...
Section 2/2. [1 Responsabilisation des titulair...
Section 3. - Des cas de refus ou de réduction d...
Section 4. - Du paiement des prestations.
CHAPITRE III/I. [1 - Octroi d'une prime de rep...
CHAPITRE IV. - De l'organisation administrative.
Section 1. - Du Comité de gestion de l'assuranc...
Section 2. - Du Bureau de coordination.
Section 3. - De la section spéciale du Conseil ...
Section 4. - Disposition générale.
CHAPITRE V. - De la constatation de l'état d'in...
Section 1. - Du début de la période d'incapacit...
Section 1bis. - De la déclaration tardive de l'...
Section 2. - Des décisions relatives à l'état d...
a) Des périodes d'incapacité primaire.
b) De la periode d'invalidité.
CHAPITRE VBIS. - Demande d'obtention de l'alloc...
CHAPITRE VI. - Du contrôle.
Section 1. - Dispositions générales.
Section 2. - Des sanctions administratives.
CHAPITRE VII. - Dispositions financières et sta...
CHAPITRE VIII. - Dispositions générales.
CHAPITRE IX. - Dispositions transitoires.
Titre II. - De l'assurance maternité.
CHAPITRE I. - Des institutions.
CHAPITRE II. - Du champ d'application.
CHAPITRE III. - Des périodes de repos de matern...
CHAPITRE IV. - De l'allocation de maternité.
Section I. - Du montant de l'allocation de mate...
Section II. - Des formalités à accomplir en vue...
Section III. - Du paiement de l'allocation de m...
Section IV. - Des cas de refus ou de réduction ...
CHAPITRE V. - Des conditions d'octroi Dispositi...
Chapitre Vbis. [1 - Conversion du repos de mate...
CHAPITRE VI. - Disposition générale.
ANNEXE.
Tekst (185)
Texte (185)
Voorafgaande bepalingen.
Dispositions préliminaires.
Article 1. [1 Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
1° " la loi du 9 août 1963 " : la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité;
2° " la loi coordonnée le 14 juillet 1994 " : la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994;
3° " l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 " : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
4° " l'arrêté royal du 4 novembre 1963 " : l'arrêté royal du 4 novembre 1963 pris en exécution de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité;
5° " l'arrêté royal du 3 juillet 1996 " : l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
6° " l'arrêté royal du 30 juillet 1964 " : l'arrêté royal du 30 juillet 1964 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité est étendue aux travailleurs indépendants;
7° " travailleur indépendant " : les travailleurs indépendants et les aidants;
8° " prestations " : les indemnités accordées en vertu du présent arrêté;
9° " Institut national " : l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.]1
1° " la loi du 9 août 1963 " : la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité;
2° " la loi coordonnée le 14 juillet 1994 " : la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994;
3° " l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 " : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
4° " l'arrêté royal du 4 novembre 1963 " : l'arrêté royal du 4 novembre 1963 pris en exécution de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité;
5° " l'arrêté royal du 3 juillet 1996 " : l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
6° " l'arrêté royal du 30 juillet 1964 " : l'arrêté royal du 30 juillet 1964 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité est étendue aux travailleurs indépendants;
7° " travailleur indépendant " : les travailleurs indépendants et les aidants;
8° " prestations " : les indemnités accordées en vertu du présent arrêté;
9° " Institut national " : l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.]1
Änderungen
Art.2. <KB 2003-01-13/40, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Dit besluit stelt een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering in ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten.
Art.2. <AR 2003-01-13/40, art. 2, 032; En vigueur : 01-01-2003> Le présent arrêté institue une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants.
Titel I. - Uitkeringsverzekering
Titre I. - De l'assurance indemnités
HOOFDSTUK I. - De gerechtigden.
CHAPITRE I. - Des titulaires.
Eerste Afdeling. - Bepaling.
Section 1. - Définition.
Art.3. Zijn gerechtigd op de door dit besluit ingestelde verzekering:
1° de zelfstandigen onderworpen aan het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967, met uitzondering van:
a) [9 de onderworpenen beoogd in artikel 13, § 1, en § 4, tweede lid, van bedoeld koninklijk besluit, en de onderworpenen beoogd in artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van voornoemd koninklijk besluit tenzij het bedrag van de sociale bijdragen is gebaseerd op een inkomen dat minstens het minimumbedrag bereikt bedoeld in, al naargelang het geval, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 12, § 1bis, eerste lid, of artikel 12, § 1ter, eerste lid, van bedoeld koninklijk besluit]9;
b) de onderworpenen, die krachtens [artikel 12, § 2] van bedoeld koninklijk besluit, niet bijdrageplichtig zijn of slechts een verminderde bijdrage verschuldigd zijn;
[4 b/1) de onderworpenen, die krachtens artikel 12bis, § 1 van bedoeld koninklijk besluit, niet bijdrageplichtig zijn of slechts een verminderde bijdrage verschuldigd zijn;]4
c) [de personen, bedoeld in artikel 37, § 1, 1e lid, a [4 ...]4, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement ter uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, die gebruik maken van de mogelijkheid die hun door die bepaling geboden wordt.] <KB 1993-05-18/33, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 01-10-1991>
2° [6 de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis en 11°quater, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.]6
3° de personen in staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van dit besluit <KB 22-03-76, art. 1, 1° tot 3°>
4° [de meewerkende echtgenoten beoogd in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967.] <KB 2003-01-13/40, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[1 5° De zelfstandige beoogd in 1° of de meewerkende echtgenoot beoogd in 4° die zijn beroepsactiviteit onderbreekt en die geen enkele sociale bijdrage verschuldigd is overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld in artikel 50, § 2 [2 , [5 ...]5]2 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement [3 in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967]3.]1
[5 6° De zelfstandige beoogd in 1° of de meewerkende echtgenoot beoogd in 4° die het behoud van de sociale rechten in het kader van het overbruggingsrecht geniet,[8 bedoeld in artikel 189, 2°, van de programmawet van 26 december 2022]8.]5
1° de zelfstandigen onderworpen aan het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967, met uitzondering van:
a) [9 de onderworpenen beoogd in artikel 13, § 1, en § 4, tweede lid, van bedoeld koninklijk besluit, en de onderworpenen beoogd in artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van voornoemd koninklijk besluit tenzij het bedrag van de sociale bijdragen is gebaseerd op een inkomen dat minstens het minimumbedrag bereikt bedoeld in, al naargelang het geval, artikel 12, § 1, tweede lid, artikel 12, § 1bis, eerste lid, of artikel 12, § 1ter, eerste lid, van bedoeld koninklijk besluit]9;
b) de onderworpenen, die krachtens [artikel 12, § 2] van bedoeld koninklijk besluit, niet bijdrageplichtig zijn of slechts een verminderde bijdrage verschuldigd zijn;
[4 b/1) de onderworpenen, die krachtens artikel 12bis, § 1 van bedoeld koninklijk besluit, niet bijdrageplichtig zijn of slechts een verminderde bijdrage verschuldigd zijn;]4
c) [de personen, bedoeld in artikel 37, § 1, 1e lid, a [4 ...]4, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement ter uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, die gebruik maken van de mogelijkheid die hun door die bepaling geboden wordt.] <KB 1993-05-18/33, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 01-10-1991>
2° [6 de personen bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis en 11°quater, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.]6
3° de personen in staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van dit besluit <KB 22-03-76, art. 1, 1° tot 3°>
4° [de meewerkende echtgenoten beoogd in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967.] <KB 2003-01-13/40, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[1 5° De zelfstandige beoogd in 1° of de meewerkende echtgenoot beoogd in 4° die zijn beroepsactiviteit onderbreekt en die geen enkele sociale bijdrage verschuldigd is overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld in artikel 50, § 2 [2 , [5 ...]5]2 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement [3 in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967]3.]1
[5 6° De zelfstandige beoogd in 1° of de meewerkende echtgenoot beoogd in 4° die het behoud van de sociale rechten in het kader van het overbruggingsrecht geniet,[8 bedoeld in artikel 189, 2°, van de programmawet van 26 december 2022]8.]5
Änderungen
Art.3. Sont titulaires de l'assurance instituée par le présent arrêté:
1° les travailleurs indépendants assujettis à l'arrêté royal no 38 du 27 juillet 1967, à l'exclusion:
a) [9 a) des assujettis visés par l'article 13, § 1er, et § 4, alinéa 2, dudit arrêté royal, et des assujettis visés par l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, dudit arrêté royal à moins que le montant des cotisations sociales payées soit basé sur un revenu qui atteint au moins le montant minimum visé, selon le cas, à l'article 12, § 1er, alinéa 2, à l'article 12, § 1erbis, alinéa 1er, ou à l'article 12, § 1erter, alinéa 1er, dudit arrêté royal]9;
b) des assujettis qui, en vertu de l'[article 12, § 2] dudit arrêté royal ne sont tenus au paiement d'aucune cotisation ou ne sont redevables que d'une cotisation réduite;
[4 b/1) les assujettis, qui en vertu de l'article 12bis, § 1er dudit arrêté royal, ne sont pas obligés de cotiser ou sont seulement redevables d'une cotisation réduite;]4
c) [des personnes visées à l'article 37, § 1er, alinéa 1er, a [4 ...]4, de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, qui usent de la faculté qui leur est reconnue par cette disposition.] <AR 1993-05-18/33, art. 1, 016; En vigueur : 01-10-1991>
2° [6 les personnes visées à l'article 32, alinéa 1er, 6°bis et 11°quater, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994.]6
3° les personnes en état d'incapacité de travail au sens du présent arrêté. <AR 22-03-76, art. 1, 1° à 3°>
4° [les conjoints aidants visés à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967.] <AR 2003-01-13/40, art. 4, 032; En vigueur : 01-01-2003>
[1 5° Le travailleur indépendant visé au 1° ou le conjoint aidant visé au 4° qui interrompt son activité professionnelle et n'est redevable d'aucune cotisation sociale dans les conditions fixées à l'article 50, § 2 [2 , [5 ...]5]2 de l'arrêté royal du 19 décembre 1967, portant règlement général [3 en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967]3.]1
[5 6° Le travailleur indépendant visé au 1° ou le conjoint aidant visé au 4° qui bénéficie du maintien des droits sociaux dans le cadre du droit passerelle, [8 visé à l'article 189, 2°, de la loi-programme du 26 décembre 2022]8.]5
1° les travailleurs indépendants assujettis à l'arrêté royal no 38 du 27 juillet 1967, à l'exclusion:
a) [9 a) des assujettis visés par l'article 13, § 1er, et § 4, alinéa 2, dudit arrêté royal, et des assujettis visés par l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, dudit arrêté royal à moins que le montant des cotisations sociales payées soit basé sur un revenu qui atteint au moins le montant minimum visé, selon le cas, à l'article 12, § 1er, alinéa 2, à l'article 12, § 1erbis, alinéa 1er, ou à l'article 12, § 1erter, alinéa 1er, dudit arrêté royal]9;
b) des assujettis qui, en vertu de l'[article 12, § 2] dudit arrêté royal ne sont tenus au paiement d'aucune cotisation ou ne sont redevables que d'une cotisation réduite;
[4 b/1) les assujettis, qui en vertu de l'article 12bis, § 1er dudit arrêté royal, ne sont pas obligés de cotiser ou sont seulement redevables d'une cotisation réduite;]4
c) [des personnes visées à l'article 37, § 1er, alinéa 1er, a [4 ...]4, de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, qui usent de la faculté qui leur est reconnue par cette disposition.] <AR 1993-05-18/33, art. 1, 016; En vigueur : 01-10-1991>
2° [6 les personnes visées à l'article 32, alinéa 1er, 6°bis et 11°quater, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994.]6
3° les personnes en état d'incapacité de travail au sens du présent arrêté. <AR 22-03-76, art. 1, 1° à 3°>
4° [les conjoints aidants visés à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967.] <AR 2003-01-13/40, art. 4, 032; En vigueur : 01-01-2003>
[1 5° Le travailleur indépendant visé au 1° ou le conjoint aidant visé au 4° qui interrompt son activité professionnelle et n'est redevable d'aucune cotisation sociale dans les conditions fixées à l'article 50, § 2 [2 , [5 ...]5]2 de l'arrêté royal du 19 décembre 1967, portant règlement général [3 en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967]3.]1
[5 6° Le travailleur indépendant visé au 1° ou le conjoint aidant visé au 4° qui bénéficie du maintien des droits sociaux dans le cadre du droit passerelle, [8 visé à l'article 189, 2°, de la loi-programme du 26 décembre 2022]8.]5
Änderungen
Afdeling 2. - Het bewijs van de hoedanigheid van gerechtigde.
Section 2. - De la justification de la qualité de titulaire.
Art.4. (§ 1.) De in artikel 3 bedoelde personen moeten aangesloten zijn bij een ziekenfonds of bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. <KB 1989-07-19/31, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
De aansluiting of de inschrijving bij een verzekeringsinstelling binnen het raam van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 brengt aansluiting of inschrijving mee met het oog op de door dit besluit ingestelde verzekering.
(De in artikel 3, 4°, bedoelde personen die in toepassing van artikel 7bis, § 3, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 enkel onderworpen zijn aan de sector van de uitkerings- en moederschapsverzekering, moeten ingeschreven zijn bij dezelfde verzekeringsinstelling als de zelfstandige bedoeld in artikel 3, 1°, 2° of 3°.) <KB 2007-04-26/65, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
§ 2. (De personen die voor de eerste maal de hoedanigheid van zelfstandige verkrijgen, leveren het bewijs van hun hoedanigheid van gerechtigde ten aanzien van dit besluit aan de hand van de gegevens die door het sociaal verzekeringsfonds met toepassing van artikel 7, 2e lid, van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 worden verstrekt.
De personen die voor de eerste maal de hoedanigheid van gerechtigde zoals bedoeld in artikel 3, 4°, verkrijgen, leveren het bewijs van hun hoedanigheid van gerechtigde aan de hand van de door het sociaal verzekeringsfonds verstrekte gegevens, waaruit blijkt dat ze vrijwillig toetreden tot de bij dit besluit ingestelde uitkeringsverzekering.
De Ministers die respectievelijk voor [1 het sociaal statuut der zelfstandigen]1 en voor Sociale Zaken zijn bevoegd, bepalen samen de manier waarop de in lid 2 van deze paragraaf bedoelde gegevens worden vastgesteld en meegedeeld, benevens de termijn binnen welke die gegevens moeten worden bezorgd.) <KB 1994-04-25/34, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
De aansluiting of de inschrijving bij een verzekeringsinstelling binnen het raam van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 brengt aansluiting of inschrijving mee met het oog op de door dit besluit ingestelde verzekering.
(De in artikel 3, 4°, bedoelde personen die in toepassing van artikel 7bis, § 3, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 enkel onderworpen zijn aan de sector van de uitkerings- en moederschapsverzekering, moeten ingeschreven zijn bij dezelfde verzekeringsinstelling als de zelfstandige bedoeld in artikel 3, 1°, 2° of 3°.) <KB 2007-04-26/65, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
§ 2. (De personen die voor de eerste maal de hoedanigheid van zelfstandige verkrijgen, leveren het bewijs van hun hoedanigheid van gerechtigde ten aanzien van dit besluit aan de hand van de gegevens die door het sociaal verzekeringsfonds met toepassing van artikel 7, 2e lid, van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 worden verstrekt.
De personen die voor de eerste maal de hoedanigheid van gerechtigde zoals bedoeld in artikel 3, 4°, verkrijgen, leveren het bewijs van hun hoedanigheid van gerechtigde aan de hand van de door het sociaal verzekeringsfonds verstrekte gegevens, waaruit blijkt dat ze vrijwillig toetreden tot de bij dit besluit ingestelde uitkeringsverzekering.
De Ministers die respectievelijk voor [1 het sociaal statuut der zelfstandigen]1 en voor Sociale Zaken zijn bevoegd, bepalen samen de manier waarop de in lid 2 van deze paragraaf bedoelde gegevens worden vastgesteld en meegedeeld, benevens de termijn binnen welke die gegevens moeten worden bezorgd.) <KB 1994-04-25/34, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Änderungen
Als de hiervoren bedoelde gerechtigden volledig van bijdragebetaling zijn vrijgesteld, moet van die vrijstelling uitdrukkelijk melding worden gemaakt in de gegevens die worden vastgesteld en worden meegedeeld door het sociaal verzekeringsfonds overeenkomstig het bepaalde in deze paragraaf.
[1]De Ministers die respectievelijk voor reference-highlight#highlight mouseleave->reference-highlight#unhighlight"><span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap">[1 het sociaal statuut der zelfstandigen<span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap"></span></span> en voor Sociale Zaken zijn bevoegd, bepalen samen de manier waarop de in deze paragraaf bedoelde gegevens worden vastgesteld en meegedeeld, benevens de termijn binnen welke die gegevens moeten worden bezorgd.
[1]De Ministers die respectievelijk voor reference-highlight#highlight mouseleave->reference-highlight#unhighlight"><span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap">[1 het sociaal statuut der zelfstandigen<span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap"></span></span> en voor Sociale Zaken zijn bevoegd, bepalen samen de manier waarop de in het eerste lid bedoelde verklaring wordt bezorgd.
----------
Art.4. (§ 1er.) Les personnes visées à l'article 3 doivent être affiliées à une mutualité ou inscrites à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité. <AR 1989-07-19/31, art. 1, 009; En vigueur : 01-01-1989>
L'affiliation ou l'inscription à un organisme assureur dans le cadre de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 implique l'affiliation ou l'inscription en vue de l'assurance instituée par le présent arrêté.
(Les personnes visées à l'article 3, 4°, qui en application de l'article 7bis, § 3, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 ne sont assujetties qu'au secteur de l'assurance indemnités et maternité, doivent être inscrites auprès du même organisme assureur que le travailleur indépendant visé à l'article 3, 1°, 2° ou 3°.) <AR 2007-04-26/65, art. 1, 038; En vigueur : 01-07-2006>
§ 2. (Les personnes qui acquièrent pour la première fois la qualité de travailleur indépendant fournissent la preuve de leur qualité de titulaire au regard du présent arrêté au moyen des données qui sont transmises par la caisse d'assurances sociales en application de l'article 7, alinéa 2 de l'arrêté royal du 30 juillet 1964.
Les personnes qui acquièrent pour la première fois la qualité de titulaire au sens de l'article 3, 4°, fournissent la preuve de leur qualité de titulaire au moyen des données qui sont transmises par la caisse d'assurances sociales, dont il résulte qu'elles s'assujettissent volontairement à l'assurance indemnités, instaurée par le présent arrêté.
Les Ministres ayant respectivement [1 le statut social des travailleurs indépendants]1 et les Affaires sociales dans leurs attributions déterminent conjointement la manière dont les données visées à l'alinéa 2 du présent paragraphe sont établies et communiquées ainsi qui le délai endéans lequel ces données sont transmises.) <AR 1994-04-25/34, art. 1, 017; En vigueur : 01-01-1993>
L'affiliation ou l'inscription à un organisme assureur dans le cadre de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 implique l'affiliation ou l'inscription en vue de l'assurance instituée par le présent arrêté.
(Les personnes visées à l'article 3, 4°, qui en application de l'article 7bis, § 3, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 ne sont assujetties qu'au secteur de l'assurance indemnités et maternité, doivent être inscrites auprès du même organisme assureur que le travailleur indépendant visé à l'article 3, 1°, 2° ou 3°.) <AR 2007-04-26/65, art. 1, 038; En vigueur : 01-07-2006>
§ 2. (Les personnes qui acquièrent pour la première fois la qualité de travailleur indépendant fournissent la preuve de leur qualité de titulaire au regard du présent arrêté au moyen des données qui sont transmises par la caisse d'assurances sociales en application de l'article 7, alinéa 2 de l'arrêté royal du 30 juillet 1964.
Les personnes qui acquièrent pour la première fois la qualité de titulaire au sens de l'article 3, 4°, fournissent la preuve de leur qualité de titulaire au moyen des données qui sont transmises par la caisse d'assurances sociales, dont il résulte qu'elles s'assujettissent volontairement à l'assurance indemnités, instaurée par le présent arrêté.
Les Ministres ayant respectivement [1 le statut social des travailleurs indépendants]1 et les Affaires sociales dans leurs attributions déterminent conjointement la manière dont les données visées à l'alinéa 2 du présent paragraphe sont établies et communiquées ainsi qui le délai endéans lequel ces données sont transmises.) <AR 1994-04-25/34, art. 1, 017; En vigueur : 01-01-1993>
Art. 5. <KB 1994-04-25/34, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. (Wat de in artikel 3, 1° en 2°, bedoelde personen betreft, wordt het bewijs van hun hoedanigheid van gerechtigde voor de toepassing van de artikelen 14 tot 17 verder geleverd aan de hand van de gegevens betreffende het vervullen van hun bijdrageverplichtingen, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van afdeling IV van het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd, met uitzondering van de artikelen 18 en 19 van het genoemde koninklijk besluit van 29 december 1997.) <KB 2002-11-27/33, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. (Wat de in artikel 3, 4°, bedoelde personen betreft, wordt het bewijs van hun hoedanigheid van gerechtigde voor de toepassing van de artikelen 14 tot 17 verder geleverd aan de hand van de gegevens betreffende het vervullen van hun bijdrageverplichtingen, die worden vastgesteld door het sociaal verzekeringsfonds waarbij ze zijn aangesloten, en worden meegedeeld aan de verzekeringsinstelling.) <KB 2002-11-27/33, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Als de hiervoren bedoelde gerechtigden volledig van bijdragebetaling zijn vrijgesteld, moet van die vrijstelling uitdrukkelijk melding worden gemaakt in de gegevens die worden vastgesteld en worden meegedeeld door het sociaal verzekeringsfonds overeenkomstig het bepaalde in deze paragraaf.
De Ministers die respectievelijk voor [1 het sociaal statuut der zelfstandigen]1 en voor Sociale Zaken zijn bevoegd, bepalen samen de manier waarop de in deze paragraaf bedoelde gegevens worden vastgesteld en meegedeeld, benevens de termijn binnen welke die gegevens moeten worden bezorgd.
§ 3. Ingeval de verzekeringsinstelling bij het aanvangen van de arbeidsongeschiktheid niet in het bezit is van de in § 1 en in § 2 bedoelde gegevens betreffende het vervullen van de bijdrageverplichtingen, waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 14 (tot 17) van dit besluit, leveren de in artikel 3, 1°, 2° en 4°, bedoelde personen verder het bewijs van hun hoedanigheid van gerechtigde met een verklaring betreffende de voor het verkrijgen van uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid gestelde voorwaarden van verzekering, conform het model dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd. <KB 2002-11-27/33, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De Ministers die respectievelijk voor [1 het sociaal statuut der zelfstandigen]1 en voor Sociale Zaken zijn bevoegd, bepalen samen de manier waarop de in het eerste lid bedoelde verklaring wordt bezorgd.
§ 2. (Wat de in artikel 3, 4°, bedoelde personen betreft, wordt het bewijs van hun hoedanigheid van gerechtigde voor de toepassing van de artikelen 14 tot 17 verder geleverd aan de hand van de gegevens betreffende het vervullen van hun bijdrageverplichtingen, die worden vastgesteld door het sociaal verzekeringsfonds waarbij ze zijn aangesloten, en worden meegedeeld aan de verzekeringsinstelling.) <KB 2002-11-27/33, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Als de hiervoren bedoelde gerechtigden volledig van bijdragebetaling zijn vrijgesteld, moet van die vrijstelling uitdrukkelijk melding worden gemaakt in de gegevens die worden vastgesteld en worden meegedeeld door het sociaal verzekeringsfonds overeenkomstig het bepaalde in deze paragraaf.
De Ministers die respectievelijk voor [1 het sociaal statuut der zelfstandigen]1 en voor Sociale Zaken zijn bevoegd, bepalen samen de manier waarop de in deze paragraaf bedoelde gegevens worden vastgesteld en meegedeeld, benevens de termijn binnen welke die gegevens moeten worden bezorgd.
§ 3. Ingeval de verzekeringsinstelling bij het aanvangen van de arbeidsongeschiktheid niet in het bezit is van de in § 1 en in § 2 bedoelde gegevens betreffende het vervullen van de bijdrageverplichtingen, waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 14 (tot 17) van dit besluit, leveren de in artikel 3, 1°, 2° en 4°, bedoelde personen verder het bewijs van hun hoedanigheid van gerechtigde met een verklaring betreffende de voor het verkrijgen van uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid gestelde voorwaarden van verzekering, conform het model dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd. <KB 2002-11-27/33, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De Ministers die respectievelijk voor [1 het sociaal statuut der zelfstandigen]1 en voor Sociale Zaken zijn bevoegd, bepalen samen de manier waarop de in het eerste lid bedoelde verklaring wordt bezorgd.
Art.5. <AR 1994-04-25/34, art. 2, 017; En vigueur : 01-01-1993> § 1. (Pour les personnes visées à l'article 3, 1° et 2°, la preuve de la qualité de titulaire, pour l'application des articles 14 à 17, continue à être fournie par les données relatives à l'accomplissement des obligations en matière de cotisations, qui sont établies conformément aux dispositions de la section IV de l arrêté royal du 29 décembre 1997 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants et aux membres des communautés religieuses, à l'exception des articles 18 et 19 de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 précité.) <AR 2002-11-27/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. (Pour les personnes visées à l'article 3, 4°, la preuve de la qualité de titulaire, pour l'application des articles 14 à 17, continue à être fournie par les données relatives à l'accomplissement des obligations en matière de cotisations qui sont établies par la caisse d'assurances sociales à laquelle ces personnes sont affiliées et transmises à l'organisme assureur.) <AR 2002-11-27/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-2003>
Lorsque les titulaires susvisés ont été exonérés totalement du paiement de la cotisation, mention expresse de cette dispense de cotisations doit être faite dans les données qui sont établies et communiquées par la caisse d'assurances sociales, conformément aux dispositions du présent paragraphe.
Les Ministres ayant respectivement [1 le statut social des travailleurs indépendants]1 et les Affaires sociales dans leurs attributions déterminent conjointement la manière dont les données visées au présent paragraphe sont établies et communiquées ainsi que le délai endéans lequel ces données sont transmises.
§ 3. Si, lors de la survenance de l'incapacité de travail, l'organisme assureur n'est pas en possession des données attestant de l'accomplissement des obligations en matière de cotisations, visées au § 1er et au § 2, qui établissent que les conditions fixées aux articles 14 (à 17) du présent arrêté, sont remplies, les personnes visées à l'article 3, 1°, 2° et 4° continuent à fournir la preuve de leur qualité de titulaire au moyen de l'attestation relative aux conditions d'assurance requises pour l'octroi des indemnités d'incapacité de travail, conforme au modèle repris en annexe du présent arrêté. <AR 2002-11-27/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-2003>
Les Ministres ayant respectivement [1 le statut social des travailleurs indépendants]1 et les affaires sociales dans leurs attributions déterminent conjointement le mode de transmission de l'attestation visée à l'alinéa 1er.
§ 2. (Pour les personnes visées à l'article 3, 4°, la preuve de la qualité de titulaire, pour l'application des articles 14 à 17, continue à être fournie par les données relatives à l'accomplissement des obligations en matière de cotisations qui sont établies par la caisse d'assurances sociales à laquelle ces personnes sont affiliées et transmises à l'organisme assureur.) <AR 2002-11-27/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-2003>
Lorsque les titulaires susvisés ont été exonérés totalement du paiement de la cotisation, mention expresse de cette dispense de cotisations doit être faite dans les données qui sont établies et communiquées par la caisse d'assurances sociales, conformément aux dispositions du présent paragraphe.
Les Ministres ayant respectivement [1 le statut social des travailleurs indépendants]1 et les Affaires sociales dans leurs attributions déterminent conjointement la manière dont les données visées au présent paragraphe sont établies et communiquées ainsi que le délai endéans lequel ces données sont transmises.
§ 3. Si, lors de la survenance de l'incapacité de travail, l'organisme assureur n'est pas en possession des données attestant de l'accomplissement des obligations en matière de cotisations, visées au § 1er et au § 2, qui établissent que les conditions fixées aux articles 14 (à 17) du présent arrêté, sont remplies, les personnes visées à l'article 3, 1°, 2° et 4° continuent à fournir la preuve de leur qualité de titulaire au moyen de l'attestation relative aux conditions d'assurance requises pour l'octroi des indemnités d'incapacité de travail, conforme au modèle repris en annexe du présent arrêté. <AR 2002-11-27/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-2003>
Les Ministres ayant respectivement [1 le statut social des travailleurs indépendants]1 et les affaires sociales dans leurs attributions déterminent conjointement le mode de transmission de l'attestation visée à l'alinéa 1er.
Art.6. Dit besluit onderscheidt:
CHAPITRE II. - Des périodes d'incapacité de travail Du montant de base des prestations.
Art.7. [1 [2 Indien de duur van de arbeidsongeschiktheid de zeven dagen niet overschrijdt, vormt dat tijdvak van arbeidsongeschiktheid een tijdvak van primaire niet-vergoedbare ongeschiktheid.
Indien de duur van de arbeidsongeschiktheid echter zeven dagen overschrijdt, vangt het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid aan op de begindatum van de arbeidsongeschiktheid en duurt het één jaar.
Het tijdvak van invaliditeit vangt aan wanneer het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid verstreken is]2.
Voor de toepassing van dit artikel geschiedt de berekening van het jaar van datum tot datum.]1
Indien de duur van de arbeidsongeschiktheid echter zeven dagen overschrijdt, vangt het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid aan op de begindatum van de arbeidsongeschiktheid en duurt het één jaar.
Het tijdvak van invaliditeit vangt aan wanneer het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid verstreken is]2.
Voor de toepassing van dit artikel geschiedt de berekening van het jaar van datum tot datum.]1
Art.6. Le présent arrêté distingue:
1° la période d'incapacité primaire non-indemnisable;
2° la période d'incapacité primaire indemnisable;
3° la période d'invalidité;
4° (...) <AR 2003-01-13/40, art. 14, 032; En vigueur : 01-01-2003>
1° la période d'incapacité primaire non-indemnisable;
2° la période d'incapacité primaire indemnisable;
3° la période d'invalidité;
4° (...) <AR 2003-01-13/40, art. 14, 032; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 7. [1 [2 Indien de duur van de arbeidsongeschiktheid de zeven dagen niet overschrijdt, vormt dat tijdvak van arbeidsongeschiktheid een tijdvak van primaire niet-vergoedbare ongeschiktheid.
Indien de duur van de arbeidsongeschiktheid echter zeven dagen overschrijdt, vangt het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid aan op de begindatum van de arbeidsongeschiktheid en duurt het één jaar.
Het tijdvak van invaliditeit vangt aan wanneer het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid verstreken is]2.
Voor de toepassing van dit artikel geschiedt de berekening van het jaar van datum tot datum.]1
Indien de duur van de arbeidsongeschiktheid echter zeven dagen overschrijdt, vangt het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid aan op de begindatum van de arbeidsongeschiktheid en duurt het één jaar.
Het tijdvak van invaliditeit vangt aan wanneer het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid verstreken is]2.
Voor de toepassing van dit artikel geschiedt de berekening van het jaar van datum tot datum.]1
Art.7. [1 [2 Si la durée de l'incapacité ne dépasse pas sept jours, cette période d'incapacité de travail constitue une période d'incapacité primaire non-indemnisable.
Toutefois, si la durée de l'incapacité de travail dépasse sept jours, la période d'incapacité primaire indemnisable commence à la date de début de l'incapacité de travail et dure un an.
La période d'invalidité prend cours lorsque la période d'incapacité primaire indemnisable est révolue ]2.
Pour l'application du présent article, le calcul de l'année se fait de date à date.]1
Toutefois, si la durée de l'incapacité de travail dépasse sept jours, la période d'incapacité primaire indemnisable commence à la date de début de l'incapacité de travail et dure un an.
La période d'invalidité prend cours lorsque la période d'incapacité primaire indemnisable est révolue ]2.
Pour l'application du présent article, le calcul de l'année se fait de date à date.]1
Art.9. <KB 2006-12-21/46, art. 9, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Het dagbedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering toe te kennen tijdens het tijdvak van vergoedbare primaire ongeschiktheid wordt vastgesteld als volgt :
1° [5 voor de gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, is het dagbedrag gelijk aan [7 45,6685]7 euro;]5
2° [5 voor de gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 226 of 226bis van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, is het dagbedrag gelijk aan [7 36,1906]7 euro;]5
3° [3 voor de niet onder 1° en 2° bedoelde gerechtigde, is het dagbedrag gelijk aan [7 27,7550]7 euro.]3
[5 ...]5
§ 2. Een onderbreking in de staat van arbeidsongeschiktheid van minder dan veertien dagen wordt geacht de loop van het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid niet te hebben onderbroken.
§ 3. De in artikel 93 bedoelde tijdvakken van moederschapsrust die vallen in de loop van een tijdvak van vergoedbare primaire arbeidsongeschiktheid schorsen het laatstgenoemde tijdvak.
1° [5 voor de gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, is het dagbedrag gelijk aan [7 45,6685]7 euro;]5
2° [5 voor de gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 226 of 226bis van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, is het dagbedrag gelijk aan [7 36,1906]7 euro;]5
3° [3 voor de niet onder 1° en 2° bedoelde gerechtigde, is het dagbedrag gelijk aan [7 27,7550]7 euro.]3
[5 ...]5
§ 2. Een onderbreking in de staat van arbeidsongeschiktheid van minder dan veertien dagen wordt geacht de loop van het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid niet te hebben onderbroken.
§ 3. De in artikel 93 bedoelde tijdvakken van moederschapsrust die vallen in de loop van een tijdvak van vergoedbare primaire arbeidsongeschiktheid schorsen het laatstgenoemde tijdvak.
Änderungen
Art.8. Une interruption dans l'état d'incapacité de travail qui n'atteint pas quatorze jours est censée ne pas avoir interrompu le cours de la période d'incapacité primaire non indemnisable.
(Les périodes de repos de maternité visées à l'article 93 qui surviennent dans le courant d'une période d'incapacité primaire non-indemnisable suspendent le cours de la ladite période.) <AR 2003-01-13/40, art. 5, 032; En vigueur : 01-01-2003>
(Les périodes de repos de maternité visées à l'article 93 qui surviennent dans le courant d'une période d'incapacité primaire non-indemnisable suspendent le cours de la ladite période.) <AR 2003-01-13/40, art. 5, 032; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 9. <KB 2006-12-21/46, art. 9, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Het dagbedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering toe te kennen tijdens het tijdvak van vergoedbare primaire ongeschiktheid wordt vastgesteld als volgt :
1° [5 voor de gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, is het dagbedrag gelijk aan [7 45,6685]7 euro;]5
2° [5 voor de gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 226 of 226bis van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, is het dagbedrag gelijk aan [7 36,1906]7 euro;]5
3° [3 voor de niet onder 1° en 2° bedoelde gerechtigde, is het dagbedrag gelijk aan [7 27,7550]7 euro.]3
[5 ...]5
§ 2. Een onderbreking in de staat van arbeidsongeschiktheid van minder dan veertien dagen wordt geacht de loop van het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid niet te hebben onderbroken.
§ 3. De in artikel 93 bedoelde tijdvakken van moederschapsrust die vallen in de loop van een tijdvak van vergoedbare primaire arbeidsongeschiktheid schorsen het laatstgenoemde tijdvak.
1° [5 voor de gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 225 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, is het dagbedrag gelijk aan [7 45,6685]7 euro;]5
2° [5 voor de gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 226 of 226bis van het koninklijk besluit van 3 juli 1996, is het dagbedrag gelijk aan [7 36,1906]7 euro;]5
3° [3 voor de niet onder 1° en 2° bedoelde gerechtigde, is het dagbedrag gelijk aan [7 27,7550]7 euro.]3
[5 ...]5
§ 2. Een onderbreking in de staat van arbeidsongeschiktheid van minder dan veertien dagen wordt geacht de loop van het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid niet te hebben onderbroken.
§ 3. De in artikel 93 bedoelde tijdvakken van moederschapsrust die vallen in de loop van een tijdvak van vergoedbare primaire arbeidsongeschiktheid schorsen het laatstgenoemde tijdvak.
Änderungen
Art.9. <AR 2006-12-21/46, art. 1, 036; En vigueur : 01-01-2007> § 1er. Le montant journalier de l'indemnité d'incapacité primaire à octroyer au cours de la période d'incapacité primaire indemnisable est fixé comme suit :
1° [5 pour le titulaire qui remplit les conditions prévues à l'article 225 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996, le montant journalier est égal à [7 45,6685]7 euros;]5
2° [5 pour le titulaire qui remplit les conditions prévues à l'article 226 ou 226bis de l'arrêté royal du 3 juillet 1996, le montant journalier est égal à [7 36,1906]7 euros;]5
3° [3 pour le titulaire non visé aux 1° et 2°, le montant journalier est égal à [7 27,7550]7 euros.]3
[5 ...]5
§ 2. Une interruption dans l'état d'incapacité de travail qui n'atteint pas quatorze jours est censée ne pas avoir interrompu le cours de la période d'incapacité primaire indemnisable.
§ 3. Les périodes de repos de maternité visées à l'article 93 qui surviennent dans le courant d'une période d'incapacité primaire indemnisable suspendent le cours de ladite période.
1° [5 pour le titulaire qui remplit les conditions prévues à l'article 225 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996, le montant journalier est égal à [7 45,6685]7 euros;]5
2° [5 pour le titulaire qui remplit les conditions prévues à l'article 226 ou 226bis de l'arrêté royal du 3 juillet 1996, le montant journalier est égal à [7 36,1906]7 euros;]5
3° [3 pour le titulaire non visé aux 1° et 2°, le montant journalier est égal à [7 27,7550]7 euros.]3
[5 ...]5
§ 2. Une interruption dans l'état d'incapacité de travail qui n'atteint pas quatorze jours est censée ne pas avoir interrompu le cours de la période d'incapacité primaire indemnisable.
§ 3. Les périodes de repos de maternité visées à l'article 93 qui surviennent dans le courant d'une période d'incapacité primaire indemnisable suspendent le cours de ladite période.
Änderungen
Art.10. <KB 2006-12-21/46, art. 3, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Voor de gerechtigde voor wie de tijdvakken van arbeidsongeschiktheid niet met arbeidsperiodes gelijkgesteld worden in het raam van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen voor zelfstandigen, is het dagbedrag van de invaliditeitsuitkering gelijk aan het dagbedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 9.
§ 2. Voor de gerechtigde voor wie de tijdvakken van arbeidsongeschiktheid met arbeidsperiodes gelijkgesteld worden in het raam van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen voor zelfstandigen, is het dagbedrag van de invaliditeitsuitkering gelijk aan het dagbedrag van de minimumuitkering voor een regelmatig werknemer, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 214, § 1, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
§ 3. Een onderbreking in de staat van arbeidsongeschiktheid van minder dan drie maanden wordt geacht de loop van het tijdvak van invaliditeit niet te hebben onderbroken.
§ 4. De in artikel 93 bedoelde tijdvakken van moederschapsrust die vallen in de loop van een tijdvak van invaliditeit schorsen het laatstgenoemde tijdvak.
§ 2. Voor de gerechtigde voor wie de tijdvakken van arbeidsongeschiktheid met arbeidsperiodes gelijkgesteld worden in het raam van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen voor zelfstandigen, is het dagbedrag van de invaliditeitsuitkering gelijk aan het dagbedrag van de minimumuitkering voor een regelmatig werknemer, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 214, § 1, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
§ 3. Een onderbreking in de staat van arbeidsongeschiktheid van minder dan drie maanden wordt geacht de loop van het tijdvak van invaliditeit niet te hebben onderbroken.
§ 4. De in artikel 93 bedoelde tijdvakken van moederschapsrust die vallen in de loop van een tijdvak van invaliditeit schorsen het laatstgenoemde tijdvak.
Art. 9bis. (abrogé) <AR 2006-12-21/46, art. 2, 036; En vigueur : 01-01-2007>
Art. 10. <KB 2006-12-21/46, art. 3, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Voor de gerechtigde voor wie de tijdvakken van arbeidsongeschiktheid niet met arbeidsperiodes gelijkgesteld worden in het raam van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen voor zelfstandigen, is het dagbedrag van de invaliditeitsuitkering gelijk aan het dagbedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 9.
§ 2. Voor de gerechtigde voor wie de tijdvakken van arbeidsongeschiktheid met arbeidsperiodes gelijkgesteld worden in het raam van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen voor zelfstandigen, is het dagbedrag van de invaliditeitsuitkering gelijk aan het dagbedrag van de minimumuitkering voor een regelmatig werknemer, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 214, § 1, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
§ 3. Een onderbreking in de staat van arbeidsongeschiktheid van minder dan drie maanden wordt geacht de loop van het tijdvak van invaliditeit niet te hebben onderbroken.
§ 4. De in artikel 93 bedoelde tijdvakken van moederschapsrust die vallen in de loop van een tijdvak van invaliditeit schorsen het laatstgenoemde tijdvak.
§ 2. Voor de gerechtigde voor wie de tijdvakken van arbeidsongeschiktheid met arbeidsperiodes gelijkgesteld worden in het raam van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen voor zelfstandigen, is het dagbedrag van de invaliditeitsuitkering gelijk aan het dagbedrag van de minimumuitkering voor een regelmatig werknemer, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 214, § 1, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
§ 3. Een onderbreking in de staat van arbeidsongeschiktheid van minder dan drie maanden wordt geacht de loop van het tijdvak van invaliditeit niet te hebben onderbroken.
§ 4. De in artikel 93 bedoelde tijdvakken van moederschapsrust die vallen in de loop van een tijdvak van invaliditeit schorsen het laatstgenoemde tijdvak.
Art.10. <AR 2006-12-21/46, art. 3, 036; En vigueur : 01-01-2007> § 1er. Pour le titulaire dont les périodes d'incapacité de travail ne sont pas assimilées à des périodes de travail dans le cadre de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, le montant journalier de l'indemnité d'invalidité est égal au montant journalier de l'indemnité d'incapacité primaire fixé conformément aux dispositions de l'article 9.
§ 2. Pour le titulaire dont les périodes d'incapacité de travail sont assimilées à des périodes de travail dans le cadre de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, le montant journalier de l'indemnité d'invalidité est égal au montant de l'indemnité minimum pour un travailleur régulier, fixé conformément aux dispositions de l'article 214, § 1er, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.
§ 3. Une interruption dans l'état d'incapacité de travail qui n'atteint pas trois mois est censée ne pas avoir interrompu le cours de la période d'invalidité.
§ 4. Les périodes de repos de maternité visées à l'article 93 qui surviennent dans le courant d'une période d'invalidité suspendent le cours de ladite période.
§ 2. Pour le titulaire dont les périodes d'incapacité de travail sont assimilées à des périodes de travail dans le cadre de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, le montant journalier de l'indemnité d'invalidité est égal au montant de l'indemnité minimum pour un travailleur régulier, fixé conformément aux dispositions de l'article 214, § 1er, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.
§ 3. Une interruption dans l'état d'incapacité de travail qui n'atteint pas trois mois est censée ne pas avoir interrompu le cours de la période d'invalidité.
§ 4. Les périodes de repos de maternité visées à l'article 93 qui surviennent dans le courant d'une période d'invalidité suspendent le cours de ladite période.
Art.12. [1 De arbeidsongeschikt erkende gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 215bis, § 1, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 kan, vanaf de vierde maand van arbeidsongeschiktheid, aanspraak maken op een forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden, waarvan het dagbedrag [4 16,8786]4 euro bedraagt.]1
Art.11. Les indemnités visées aux articles 9 et 10 sont dues pour tous les jours de l'année excepté les dimanches.
Art. 12bis. [1 Een jaarlijkse inhaalpremie wordt verleend aan de invalide gerechtigden die, op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van de toekenning, gedurende minstens één jaar arbeidsongeschikt zijn erkend [2 en in de maand mei van het jaar van de toekenning nog minstens één kalenderdag invalide zijn erkend]2. Deze premie is een forfaitair bedrag van [3 163,5958 euro in 2019 en 196,8411 euro vanaf 2020]3.
De inhaalpremie wordt betaald samen met de uitkeringen van de maand mei. [3 ...]3]1
De inhaalpremie wordt betaald samen met de uitkeringen van de maand mei. [3 ...]3]1
Art.12. [1 Le titulaire reconnu incapable de travailler qui remplit les conditions visées à l'article 215bis, § 1er, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 peut, à partir du quatrième mois d'incapacité de travail, prétendre à une allocation forfaitaire pour l'aide d'une tierce personne dont le montant journalier s'élève à [4 16,8786]4 euros.]1
Art. 12bis. [1 Een jaarlijkse inhaalpremie wordt verleend aan de invalide gerechtigden die, op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van de toekenning, gedurende minstens één jaar arbeidsongeschikt zijn erkend [2 en in de maand mei van het jaar van de toekenning nog minstens één kalenderdag invalide zijn erkend]2. Deze premie is een forfaitair bedrag van [3 163,5958 euro in 2019 en 196,8411 euro vanaf 2020]3.
De inhaalpremie wordt betaald samen met de uitkeringen van de maand mei. [3 ...]3]1
De inhaalpremie wordt betaald samen met de uitkeringen van de maand mei. [3 ...]3]1
Art. 12bis. [1 Une prime de rattrapage annuelle est allouée aux titulaires invalides qui, au 31 décembre de l'année précédant l'année de son octroi, sont reconnus incapables de travailler depuis une durée minimum d'un an [2 et sont encore reconnus invalides au mois de mai de l'année d'octroi durant au moins un jour calendrier]2. Cette prime s'élève à un montant forfaitaire de [3 163,5958 euros en 2019 et 196,8411 euros à partir de 2020]3.
La prime de rattrapage est payée avec les indemnités du mois de mai. [3 ...]3]1
La prime de rattrapage est payée avec les indemnités du mois de mai. [3 ...]3]1
Art.13. <KB 1990-01-24/37, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990> [1 De primaire ongeschiktheidsuitkeringen en de invaliditeitsuitkeringen, de forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden en de jaarlijkse inhaalpremie]1 schommelen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
(De in de [1 artikelen 9, 10, 12 en 12bis]1 bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100). <KB 2006-12-21/46, art. 6, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(Lid 3 opgeheven) <KB 2003-01-13/40, art. 14, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(De in de [1 artikelen 9, 10, 12 en 12bis]1 bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100). <KB 2006-12-21/46, art. 6, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(Lid 3 opgeheven) <KB 2003-01-13/40, art. 14, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 12ter. (abrogé) <AR 2006-12-21/46, art. 5, 036; En vigueur : 01-01-2007>
Art. 13. <KB 1990-01-24/37, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990> [1 De primaire ongeschiktheidsuitkeringen en de invaliditeitsuitkeringen, de forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden en de jaarlijkse inhaalpremie]1 schommelen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
(De in de [1 artikelen 9, 10, 12 en 12bis]1 bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100). <KB 2006-12-21/46, art. 6, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(Lid 3 opgeheven) <KB 2003-01-13/40, art. 14, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(De in de [1 artikelen 9, 10, 12 en 12bis]1 bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100). <KB 2006-12-21/46, art. 6, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(Lid 3 opgeheven) <KB 2003-01-13/40, art. 14, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.13. <AR 1990-01-24/37, art. 7, 011; En vigueur : 01-01-1990> [1 Les indemnités d'incapacité primaire et d'invalidité, l'allocation forfaitaire pour l'aide d'une tierce personne et la prime de rattrapage annuelle]1 varient conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
(Les montants visés aux [1 articles 9, 10, 12 et 12bis]1 sont liés à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). <AR 2006-12-21/46, art. 6, 036; En vigueur : 01-01-2007>
(Alinéa 3 abrogé) <AR 2003-01-13/40, art. 14, 032; En vigueur : 01-01-2003>
(Les montants visés aux [1 articles 9, 10, 12 et 12bis]1 sont liés à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). <AR 2006-12-21/46, art. 6, 036; En vigueur : 01-01-2007>
(Alinéa 3 abrogé) <AR 2003-01-13/40, art. 14, 032; En vigueur : 01-01-2003>
Änderungen
Eerste Afdeling. - Voorwaarden die verband houden met de hoedanigheid van gerechtigde.
CHAPITRE III. - Des conditions d'octroi des prestations.
Art.14. Alvorens een tijdvak van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in dit besluit in aanmerking genomen kan worden, moet de gerechtigde een wachttijd van zes maanden hebben volbracht, die ingaat aan het begin van het eerste kalenderkwartaal waarover de in het raam van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 verschuldigde bijdrage is betaald.
Section 1. - Des conditions se rapportant à la qualité de titulaire.
Art. 14. <KB 1994-04-25/34, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Alvorens een tijdvak van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in dit besluit in aanmerking genomen kan worden, moet de gerechtigde een wachttijd van zes maanden hebben volbracht, die ingaat aan het begin van het eerste kalenderkwartaal waarover de in het raam van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 verschuldigde bijdrage is betaald.
De hoedanigheid van gerechtigde en de betaling van de bijdragen over voormeld tijdvak worden aangetoond aan de hand van de gegevens betreffende het vervullen van de bijdrageverplichtingen, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van afdeling IV van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 of het bepaalde in artikel 25, § 2, van dat besluit, of bij ontstentenis daarvan aan de hand van de verklaring bedoeld in artikel 5, § 3, van dit besluit.
De in artikel 3, 4°, bedoelde gerechtigde doet van genoemde hoedanigheid en van het betalen van zijn bijdrage over de in het eerste lid bedoelde wachttijd blijken met de overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, § 2, vastgestelde gegevens betreffende het vervullen van de bijdrageverplichtingen, of bij ontstentenis daarvan met de in artikel 5, § 3, bedoelde verklaring.
De hoedanigheid van gerechtigde en de betaling van de bijdragen over voormeld tijdvak worden aangetoond aan de hand van de gegevens betreffende het vervullen van de bijdrageverplichtingen, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van afdeling IV van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 of het bepaalde in artikel 25, § 2, van dat besluit, of bij ontstentenis daarvan aan de hand van de verklaring bedoeld in artikel 5, § 3, van dit besluit.
De in artikel 3, 4°, bedoelde gerechtigde doet van genoemde hoedanigheid en van het betalen van zijn bijdrage over de in het eerste lid bedoelde wachttijd blijken met de overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, § 2, vastgestelde gegevens betreffende het vervullen van de bijdrageverplichtingen, of bij ontstentenis daarvan met de in artikel 5, § 3, bedoelde verklaring.
Art.14. <AR 1994-04-25/34, art. 3, 017; En vigueur : 01-01-1993> Avant que puisse être retenue une période d'incapacité de travail au sens du présent arrêté, le titulaire doit avoir accompli un stage de six mois prenant cours dès le début du premier trimestre civil pour lequel la cotisation due dans le cadre de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 a été payée.
La qualité de titulaire et le paiement des cotisations pour la période susvisée sont prouvés par les données relatives à l'accomplissement des obligations en matière de cotisations, qui sont établies conformément aux dispositions de la section IV de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 ou de l'article 25, § 2, dudit arrêté, ou à défaut, par l'attestation visée à l'article 5, § 3, du présent arrêté.
Le titulaire visé à l'article 3, 4°, prouve ladite qualité et le paiement des cotisations pour la période de stage visée à l'alinéa premier, par les données relatives à l'accomplissement des obligations en matière de cotisations qui sont établies conformément aux dispositions de l'article 5, § 2, ou à défaut, par l'attestation visée à l'article 5, § 3.
La qualité de titulaire et le paiement des cotisations pour la période susvisée sont prouvés par les données relatives à l'accomplissement des obligations en matière de cotisations, qui sont établies conformément aux dispositions de la section IV de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 ou de l'article 25, § 2, dudit arrêté, ou à défaut, par l'attestation visée à l'article 5, § 3, du présent arrêté.
Le titulaire visé à l'article 3, 4°, prouve ladite qualité et le paiement des cotisations pour la période de stage visée à l'alinéa premier, par les données relatives à l'accomplissement des obligations en matière de cotisations qui sont établies conformément aux dispositions de l'article 5, § 2, ou à défaut, par l'attestation visée à l'article 5, § 3.
Art. 14ter. <INGEVOEGD bij KB 1991-06-07/35, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-07-1991> De tijdvakken tijdens welke de gerechtigde arbeidsongeschikt is als bedoeld in de artikelen 19 en 20, mogen niet worden meegerekend voor de vervulling van de wachttijd, bedoeld in (artikel 14). <KB 2003-01-13/40, art. 9, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 14bis. (Abrogé) <AR 2003-01-13/40, art. 14, 032; En vigueur : 01-01-2003>
Art.15. <KB 1991-06-07/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1990> Zijn van wachttijd vrijgesteld :
1° [2 1° de personen die de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3 verwierven onder de voorwaarden bepaald in artikel 205, § 1 en § 6 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996.
Als de vroegere volbrenging van een wachttijd is vereist of als overeenkomstig artikel 205, § 1, 5°, 6° en 7° van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 een welbepaald tijdvak wordt gelijkgesteld met de volbrenging van de wachttijd, wordt rekening gehouden met de duur van de wachttijd bedoeld in artikel 14;]2
2° de personen die in het stelsel van de werknemers de wachttijd hebben volbracht of hiervan waren vrijgesteld, op voorwaarde dat er geen termijn van meer dan dertig dagen verstreken is tussen het verlies van de hoedanigheid van gerechtigde in dit laatste stelsel en het verwerven van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3.
[1 3° de personen die de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3 verwierven gedurende het kalenderkwartaal volgend op een ononderbroken periode van minstens twee kalenderkwartalen waarvoor de student-zelfstandige met toepassing van artikel 12bis, § 1, 2., van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 een verminderde bijdrage betaald heeft.]1
1° [2 1° de personen die de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3 verwierven onder de voorwaarden bepaald in artikel 205, § 1 en § 6 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996.
Als de vroegere volbrenging van een wachttijd is vereist of als overeenkomstig artikel 205, § 1, 5°, 6° en 7° van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 een welbepaald tijdvak wordt gelijkgesteld met de volbrenging van de wachttijd, wordt rekening gehouden met de duur van de wachttijd bedoeld in artikel 14;]2
2° de personen die in het stelsel van de werknemers de wachttijd hebben volbracht of hiervan waren vrijgesteld, op voorwaarde dat er geen termijn van meer dan dertig dagen verstreken is tussen het verlies van de hoedanigheid van gerechtigde in dit laatste stelsel en het verwerven van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3.
[1 3° de personen die de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3 verwierven gedurende het kalenderkwartaal volgend op een ononderbroken periode van minstens twee kalenderkwartalen waarvoor de student-zelfstandige met toepassing van artikel 12bis, § 1, 2., van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 een verminderde bijdrage betaald heeft.]1
Art. 14ter. Les périodes au cours desquelles le titulaire est incapable de travailler au sens des articles 19 et 20 ne peuvent être prises en considération pour l'accomplissement du stage prévu (à l'article 14). <AR 2003-01-13/40, art. 9, 032; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 15. <KB 1991-06-07/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1990> Zijn van wachttijd vrijgesteld :
1° [2 1° de personen die de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3 verwierven onder de voorwaarden bepaald in artikel 205, § 1 en § 6 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996.
Als de vroegere volbrenging van een wachttijd is vereist of als overeenkomstig artikel 205, § 1, 5°, 6° en 7° van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 een welbepaald tijdvak wordt gelijkgesteld met de volbrenging van de wachttijd, wordt rekening gehouden met de duur van de wachttijd bedoeld in artikel 14;]2
2° de personen die in het stelsel van de werknemers de wachttijd hebben volbracht of hiervan waren vrijgesteld, op voorwaarde dat er geen termijn van meer dan dertig dagen verstreken is tussen het verlies van de hoedanigheid van gerechtigde in dit laatste stelsel en het verwerven van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3.
[1 3° de personen die de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3 verwierven gedurende het kalenderkwartaal volgend op een ononderbroken periode van minstens twee kalenderkwartalen waarvoor de student-zelfstandige met toepassing van artikel 12bis, § 1, 2., van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 een verminderde bijdrage betaald heeft.]1
1° [2 1° de personen die de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3 verwierven onder de voorwaarden bepaald in artikel 205, § 1 en § 6 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996.
Als de vroegere volbrenging van een wachttijd is vereist of als overeenkomstig artikel 205, § 1, 5°, 6° en 7° van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 een welbepaald tijdvak wordt gelijkgesteld met de volbrenging van de wachttijd, wordt rekening gehouden met de duur van de wachttijd bedoeld in artikel 14;]2
2° de personen die in het stelsel van de werknemers de wachttijd hebben volbracht of hiervan waren vrijgesteld, op voorwaarde dat er geen termijn van meer dan dertig dagen verstreken is tussen het verlies van de hoedanigheid van gerechtigde in dit laatste stelsel en het verwerven van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3.
[1 3° de personen die de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3 verwierven gedurende het kalenderkwartaal volgend op een ononderbroken periode van minstens twee kalenderkwartalen waarvoor de student-zelfstandige met toepassing van artikel 12bis, § 1, 2., van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 een verminderde bijdrage betaald heeft.]1
Art.15. <AR 1991-06-07/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-01-1990> Sont dispensées du stage :
1° [2 les personnes qui ont acquis la qualité de titulaire au sens de l'article 3 dans les conditions visées à l'article 205, § 1er et § 6 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996.
Si l'accomplissement préalable d'un stage est requis ou si, conformément à l'article 205, § 1er, 5°, 6° et 7° de l'arrêté royal du 3 juillet 1996, une période déterminée est assimilée pour l'accomplissement du stage, il est tenu compte de la durée du stage visée à l'article 14;]2
2° les personnes qui ont accompli le stage dans le régime des travailleurs salariés ou en étaient dispensées à condition qu'il ne soit pas écoulé un délai de plus de trente jours entre la perte de la qualité de titulaire dans ce dernier régime et l'acquisition de la qualité de titulaire au sens de l'article 3.
[1 3° les personnes qui ont acquis la qualité de titulaire au sens de l'article 3 durant le trimestre civil suivant une période ininterrompue d'au moins deux trimestres civils, pour lesquels l'étudiant- indépendant, en application de l'article 12bis, § 1er, 2., de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967, a payé une cotisation réduite.]1
1° [2 les personnes qui ont acquis la qualité de titulaire au sens de l'article 3 dans les conditions visées à l'article 205, § 1er et § 6 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996.
Si l'accomplissement préalable d'un stage est requis ou si, conformément à l'article 205, § 1er, 5°, 6° et 7° de l'arrêté royal du 3 juillet 1996, une période déterminée est assimilée pour l'accomplissement du stage, il est tenu compte de la durée du stage visée à l'article 14;]2
2° les personnes qui ont accompli le stage dans le régime des travailleurs salariés ou en étaient dispensées à condition qu'il ne soit pas écoulé un délai de plus de trente jours entre la perte de la qualité de titulaire dans ce dernier régime et l'acquisition de la qualité de titulaire au sens de l'article 3.
[1 3° les personnes qui ont acquis la qualité de titulaire au sens de l'article 3 durant le trimestre civil suivant une période ininterrompue d'au moins deux trimestres civils, pour lesquels l'étudiant- indépendant, en application de l'article 12bis, § 1er, 2., de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967, a payé une cotisation réduite.]1
Art. 16/1. [1 Wanneer iemand niet gedurende een ononderbroken periode van minstens twee kalenderkwartalen voorafgaandelijk het kalenderkwartaal waarin de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3 is verworven, als student-zelfstandige met toepassing van artikel 12bis, § 1, 2., van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 een verminderde bijdrage verschuldigd is, wordt het tijdvak waarvoor hij de voormelde verminderde bijdrage heeft betaald, afgetrokken van de krachtens artikel 14 opgelegde wachttijd, op voorwaarde dat hij de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3 heeft verworven gedurende het kalenderkwartaal volgend op het kalenderkwartaal waarvoor hij de voormelde verminderde bijdrage is verschuldigd.]1
Art.16. [1 Lorsqu'une personne n'a pas été titulaire au regard du régime des travailleurs salariés pendant la durée nécessaire à l'accomplissement du stage requis dans le régime précité, la période pendant laquelle elle a été soumise à ce régime est déduite de la période de stage requise en vertu de l'article 14 à condition qu'il ne se soit pas écoulé un délai de plus de trente jours entre la perte de la qualité de titulaire dans ce dernier régime et l'acquisition de la qualité de titulaire au sens de l'article 3.]1
Änderungen
Art.17. § 1. (Kunnen erkend worden binnen het raam van dit besluit, de tijdvakken van arbeidsongeschiktheid die, wat de gerechtigden betreft die de wachttijd van zes maanden bedoeld in artikel 14 (...) hebben volbracht, aanvangen in de loop van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene tijdens hetwelk de wachttijd werd volbracht en die, wat de gerechtigden betreft die vrijgesteld zijn van de wachttijd bedoeld in artikel 14 of artikel 14bis, aanvangen in het tijdvak dat loopt vanaf de dag waarop ze de hoedanigheid van gerechtigde verwerven en verstrijkt bij het einde van het volgend kalenderkwartaal.) <KB 1990-01-24/37, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990> <KB 2003-01-13/40, art. 11, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Hetzelfde geldt voor deze laatste gerechtigden, indien het begin van de arbeidsongeschiktheid zich situeert tijdens het kalenderkwartaal dat volgt op het, wat hen betreft, in het vorig lid omschreven tijdvak, op voorwaarde dat voor het kalenderkwartaal in de loop waarvan ze de hoedanigheid van gerechtigde verwierven, deze laatste naar behoren bewezen is.
§ 2. De arbeidsongeschiktheid, die aanvangt na de in § 1 bedoelde tijdvakken, is vatbaar voor erkenning binnen het raam van dit besluit, wanneer de betrokkene zijn hoedanigheid van gerechtigde bewijst voor het tweede en het derde kalenderkwartaal die datgene voorafgaan tijdens hetwelk de arbeidsongeschiktheid aanving.
Hetzelfde geldt voor deze laatste gerechtigden, indien het begin van de arbeidsongeschiktheid zich situeert tijdens het kalenderkwartaal dat volgt op het, wat hen betreft, in het vorig lid omschreven tijdvak, op voorwaarde dat voor het kalenderkwartaal in de loop waarvan ze de hoedanigheid van gerechtigde verwierven, deze laatste naar behoren bewezen is.
§ 2. De arbeidsongeschiktheid, die aanvangt na de in § 1 bedoelde tijdvakken, is vatbaar voor erkenning binnen het raam van dit besluit, wanneer de betrokkene zijn hoedanigheid van gerechtigde bewijst voor het tweede en het derde kalenderkwartaal die datgene voorafgaan tijdens hetwelk de arbeidsongeschiktheid aanving.
Art. 16/1. [1 Lorsqu'une personne n'était pas, durant une période ininterrompue d'au moins deux trimestres civils, précédant le trimestre civil durant lequel la qualité de titulaire au sens de l'article 3 a été acquise, redevable d'une cotisation réduite, comme étudiant-indépendant, en application de l'article 12bis, § 1er, 2., de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967, la période pour laquelle il a payé les cotisations réduites précitées, est déduite de la période de stage requise en vertu de l'article 14, à condition qu'il ait acquis la qualité de titulaire au sens de l'article 3 durant le trimestre civil suivant le trimestre civil pour lequel il était redevable des cotisations réduites précitées.]1
Art. 17. § 1. (Kunnen erkend worden binnen het raam van dit besluit, de tijdvakken van arbeidsongeschiktheid die, wat de gerechtigden betreft die de wachttijd van zes maanden bedoeld in artikel 14 (...) hebben volbracht, aanvangen in de loop van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene tijdens hetwelk de wachttijd werd volbracht en die, wat de gerechtigden betreft die vrijgesteld zijn van de wachttijd bedoeld in artikel 14 of artikel 14bis, aanvangen in het tijdvak dat loopt vanaf de dag waarop ze de hoedanigheid van gerechtigde verwerven en verstrijkt bij het einde van het volgend kalenderkwartaal.) <KB 1990-01-24/37, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990> <KB 2003-01-13/40, art. 11, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Hetzelfde geldt voor deze laatste gerechtigden, indien het begin van de arbeidsongeschiktheid zich situeert tijdens het kalenderkwartaal dat volgt op het, wat hen betreft, in het vorig lid omschreven tijdvak, op voorwaarde dat voor het kalenderkwartaal in de loop waarvan ze de hoedanigheid van gerechtigde verwierven, deze laatste naar behoren bewezen is.
§ 2. De arbeidsongeschiktheid, die aanvangt na de in § 1 bedoelde tijdvakken, is vatbaar voor erkenning binnen het raam van dit besluit, wanneer de betrokkene zijn hoedanigheid van gerechtigde bewijst voor het tweede en het derde kalenderkwartaal die datgene voorafgaan tijdens hetwelk de arbeidsongeschiktheid aanving.
Hetzelfde geldt voor deze laatste gerechtigden, indien het begin van de arbeidsongeschiktheid zich situeert tijdens het kalenderkwartaal dat volgt op het, wat hen betreft, in het vorig lid omschreven tijdvak, op voorwaarde dat voor het kalenderkwartaal in de loop waarvan ze de hoedanigheid van gerechtigde verwierven, deze laatste naar behoren bewezen is.
§ 2. De arbeidsongeschiktheid, die aanvangt na de in § 1 bedoelde tijdvakken, is vatbaar voor erkenning binnen het raam van dit besluit, wanneer de betrokkene zijn hoedanigheid van gerechtigde bewijst voor het tweede en het derde kalenderkwartaal die datgene voorafgaan tijdens hetwelk de arbeidsongeschiktheid aanving.
Art.17. § 1er. (Sont susceptibles d'être reconnues dans le cadre du présent arrêté, les périodes d'incapacité de travail qui, en ce qui concerne les titulaires qui ont accompli le stage de six mois visé à l'article 14 ou 14bis, débutent dans le courant du trimestre civil suivant celui au cours duquel le stage fut accompli et qui, en ce qui concerne les titulaires dispensés du stage visé à l'article 14 (...), débutent dans la période qui prend cours le jour où ils acquièrent la qualité de titulaire et se termine à la fin du trimestre civil suivant.) <AR 1990-01-24/37, art. 10, 011; En vigueur : 01-01-1990> <AR 2003-01-13/40, art. 11, 032; En vigueur : 01-01-2003>
Il en est de même en ce qui concerne ces derniers titulaires si le début de l'incapacité de travail se situe au cours du trimestre civil qui suit la période définie, en ce qui les concerne, par l'alinéa précédent, à condition que pour le trimestre, au cours duquel ils ont acquis la qualité de titulaire, celle-ci soit dûment prouvée.
§ 2. L'incapacité de travail, débutant après les périodes visées au § 1er, est susceptible d'être reconnue dans le cadre du présent arrêté, lorsque l'intéressé justifie de sa qualité de titulaire pour les deuxième et troisième trimestres civils précédant celui au cours duquel a débuté l'incapacité de travail.
Il en est de même en ce qui concerne ces derniers titulaires si le début de l'incapacité de travail se situe au cours du trimestre civil qui suit la période définie, en ce qui les concerne, par l'alinéa précédent, à condition que pour le trimestre, au cours duquel ils ont acquis la qualité de titulaire, celle-ci soit dûment prouvée.
§ 2. L'incapacité de travail, débutant après les périodes visées au § 1er, est susceptible d'être reconnue dans le cadre du présent arrêté, lorsque l'intéressé justifie de sa qualité de titulaire pour les deuxième et troisième trimestres civils précédant celui au cours duquel a débuté l'incapacité de travail.
Art. 18. Een tijdvak van arbeidsongeschiktheid mag slechts erkend worden op voorwaarde dat er geen doorlopend tijdvak van meer dan dertig dagen verlopen is tussen de aanvangsdag van de arbeidsongeschiktheid en de laatste dag van een tijdvak waarover de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 3 van dit besluit behouden bleef.
[1 Het in dit artikel bepaalde tijdvak van dertig dagen wordt, in voorkomend geval, verlengd met maximum zes maanden ten gunste van de gewezen zelfstandige die uiterlijk de dertigste dag na het verlies van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van dit besluit, gerechtigde is geworden in de zin van artikel 86, § 1, 1° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en gerechtigde in deze laatste hoedanigheid bleef tot de dag vóór de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid.]1
[1 Het in dit artikel bepaalde tijdvak van dertig dagen wordt, in voorkomend geval, verlengd met maximum zes maanden ten gunste van de gewezen zelfstandige die uiterlijk de dertigste dag na het verlies van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van dit besluit, gerechtigde is geworden in de zin van artikel 86, § 1, 1° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en gerechtigde in deze laatste hoedanigheid bleef tot de dag vóór de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid.]1
Art.18. Une période d'incapacité de travail ne peut être reconnue qu'à la condition qu'il ne se soit pas écoulé une période ininterrompue de plus de trente jours entre la date de début de l'incapacité de travail et le dernier jour d'une période pendant laquelle la qualité de titulaire au sens de l'article 3 du présent arrêté était maintenue.
[1 La période de trente jours visée au présent article est, le cas échéant, prolongée de six mois au maximum en faveur de l'ancien indépendant qui, au plus tard le trentième jour après avoir perdu la qualité de titulaire au sens du présent arrêté, est devenu titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, et est resté titulaire, en cette dernière qualité, jusqu'au jour précédant le début de son incapacité de travail.]1
[1 La période de trente jours visée au présent article est, le cas échéant, prolongée de six mois au maximum en faveur de l'ancien indépendant qui, au plus tard le trentième jour après avoir perdu la qualité de titulaire au sens du présent arrêté, est devenu titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, et est resté titulaire, en cette dernière qualité, jusqu'au jour précédant le début de son incapacité de travail.]1
Änderungen
Art.19.(In de loop van de tijdvakken van primaire ongeschiktheid wordt de gerechtigde erkend zich in staat van arbeidsongeschiktheid te bevinden wanneer hij, wegens letsels of functionele stoornissen, een einde heeft moeten stellen aan het volbrengen der taken die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde en die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid waarnam. Bovendien mag hij geen andere beroepsbezigheid uitoefenen, hetzij als zelfstandige of als helper, hetzij in een andere hoedanigheid.)
Section 2. - De l'état d'incapacité de travail.
Art. 19. (In de loop van de tijdvakken van primaire ongeschiktheid wordt de gerechtigde erkend zich in staat van arbeidsongeschiktheid te bevinden wanneer hij, wegens letsels of functionele stoornissen, een einde heeft moeten stellen aan het volbrengen der taken die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde en die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid waarnam. Bovendien mag hij geen andere beroepsbezigheid uitoefenen, hetzij als zelfstandige of als helper, hetzij in een andere hoedanigheid.) <KB 1990-01-24/37, art. 11, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
(Vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers wordt niet beschouwd als een beroepsbezigheid, voor zover de adviserend [2 arts]2 vaststelt dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene.) <KB 2007-06-29/52, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 01-08-2006>
[5 Een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verricht op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid, wordt niet beschouwd als een beroepsbezigheid, voor zover deze activiteit een loutere voortzetting is van de uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd.]5
[6 "Een activiteit in het kader van niet-rechtstreekse toegankelijke zorg en ondersteuning voor een persoon met een handicap die wordt gefinancierd via een persoonlijk assistentiebudget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of via een persoonsvolgend budget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap en die wordt verricht op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid, wordt echter niet beschouwd als een beroepsbezigheid, voor zover deze activiteit een loutere voortzetting is van de uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd.]6
[3 Het werk van mantelzorger in de zin van artikel 3 van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger wordt niet beschouwd als beroepsbezigheid voor zover de adviserend arts voorafgaandelijk de uitoefening van dit werk vaststelt dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene.]3
Wanneer de gerechtigde geen beroepsbezigheid meer uitoefende op het ogenblik waarop de staat van arbeidsongeschiktheid aanvangt, dan wordt deze laatste gewaardeerd in functie van de beroepsbezigheid als zelfstandige die hij laatst uitoefende.
(Vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers wordt niet beschouwd als een beroepsbezigheid, voor zover de adviserend [2 arts]2 vaststelt dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene.) <KB 2007-06-29/52, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 01-08-2006>
[5 Een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verricht op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid, wordt niet beschouwd als een beroepsbezigheid, voor zover deze activiteit een loutere voortzetting is van de uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd.]5
[6 "Een activiteit in het kader van niet-rechtstreekse toegankelijke zorg en ondersteuning voor een persoon met een handicap die wordt gefinancierd via een persoonlijk assistentiebudget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of via een persoonsvolgend budget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap en die wordt verricht op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid, wordt echter niet beschouwd als een beroepsbezigheid, voor zover deze activiteit een loutere voortzetting is van de uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd.]6
[3 Het werk van mantelzorger in de zin van artikel 3 van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger wordt niet beschouwd als beroepsbezigheid voor zover de adviserend arts voorafgaandelijk de uitoefening van dit werk vaststelt dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene.]3
Wanneer de gerechtigde geen beroepsbezigheid meer uitoefende op het ogenblik waarop de staat van arbeidsongeschiktheid aanvangt, dan wordt deze laatste gewaardeerd in functie van de beroepsbezigheid als zelfstandige die hij laatst uitoefende.
Änderungen
Art.19. (Au cours des périodes d'incapacité primaire, le titulaire est reconnu se trouver en état d'incapacité de travail lorsque, en raison de lésions ou de troubles fonctionnels, il a dû mettre fin à l'accomplissement des tâches qui étaient afférentes à son activité de titulaire indépendant et qu'il assumait avant le début de l'incapacité de travail. Il ne peut en outre exercer une autre activité professionnelle, ni comme travailleur indépendant ou aidant, ni dans une autre qualité.) <AR 1990-01-24/37, art. 11, 011; En vigueur : 01-01-1990>
(Le travail volontaire au sens de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires n'est pas considéré comme une activité professionnelle, à condition que le médecin-conseil constate que cette activité est compatible avec l'état général de santé de l'intéressé.) <AR 2007-06-29/52, art. 1, 040; En vigueur : 01-08-2006>
[4 Une activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, effectuée le premier jour de l'incapacité de travail, n'est pas considérée comme une activité professionnelle à condition que l'activité constitue la poursuite pure de l'exécution d'un contrat qui avait déjà été conclu et avait déjà été effectivement exécuté avant le début de l'incapacité de travail.]4
[5 Une activité dans le cadre des soins et du soutien non directement accessibles pour une personne handicapée qui est financée par un budget d'assistance personnelle conformément au décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ou par un budget qui suit la personne conformément au décret de la Communauté flamande du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées, et qui est effectuée le premier jour de l'incapacité de travail, n'est pas considérée comme une activité professionnelle à condition que l'activité constitue la poursuite pure de l'exécution d'une convention qui avait déjà été conclue et avait déjà été effectivement exécutée avant le début de l'incapacité de travail.]5
[2 Le travail d'aidant proche, au sens de l'article 3 de la loi du 12 mai 2014 relative à la reconnaissance de l'aidant proche, n'est pas considéré comme une activité professionnelle à condition que le médecin-conseil constate préalablement à l'exercice de ce travail que ces activités sont compatibles avec l'état général de santé de l'intéressé.]2
Lorsque, au moment ou débute l'état d'incapacité de travail, le titulaire n'exercait plus d'activité professionnelle, l'état d'incapacité est apprécié en fonction de l'activité de travailleur indépendant qu'il a exercée en dernier lieu.
(Le travail volontaire au sens de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires n'est pas considéré comme une activité professionnelle, à condition que le médecin-conseil constate que cette activité est compatible avec l'état général de santé de l'intéressé.) <AR 2007-06-29/52, art. 1, 040; En vigueur : 01-08-2006>
[4 Une activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, effectuée le premier jour de l'incapacité de travail, n'est pas considérée comme une activité professionnelle à condition que l'activité constitue la poursuite pure de l'exécution d'un contrat qui avait déjà été conclu et avait déjà été effectivement exécuté avant le début de l'incapacité de travail.]4
[5 Une activité dans le cadre des soins et du soutien non directement accessibles pour une personne handicapée qui est financée par un budget d'assistance personnelle conformément au décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ou par un budget qui suit la personne conformément au décret de la Communauté flamande du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées, et qui est effectuée le premier jour de l'incapacité de travail, n'est pas considérée comme une activité professionnelle à condition que l'activité constitue la poursuite pure de l'exécution d'une convention qui avait déjà été conclue et avait déjà été effectivement exécutée avant le début de l'incapacité de travail.]5
[2 Le travail d'aidant proche, au sens de l'article 3 de la loi du 12 mai 2014 relative à la reconnaissance de l'aidant proche, n'est pas considéré comme une activité professionnelle à condition que le médecin-conseil constate préalablement à l'exercice de ce travail que ces activités sont compatibles avec l'état général de santé de l'intéressé.]2
Lorsque, au moment ou débute l'état d'incapacité de travail, le titulaire n'exercait plus d'activité professionnelle, l'état d'incapacité est apprécié en fonction de l'activité de travailleur indépendant qu'il a exercée en dernier lieu.
Änderungen
Art. 20. In de loop van het tijdvak van invaliditeit wordt de gerechtigde geacht zich in staat van arbeidsongeschiktheid te bevinden, wanneer voldaan is aan artikel 19 en hij bovendien erkend wordt ongeschikt te zijn om het even welke beroepsbezigheid uit te oefenen die hem billijkerwijze zou kunnen opgelegd worden inzonderheid rekening gehouden met zijn stand, zijn gezondheidstoestand en zijn beroepsopleiding.
[1 Voor de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de tijdens een programma van beroepsherscholing verworven beroepscompetenties na afloop van een periode van zes maanden die aanvangt bij het verstrijken van de maand waarin voormeld programma werd doorlopen.]1
[1 Voor de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de tijdens een programma van beroepsherscholing verworven beroepscompetenties na afloop van een periode van zes maanden die aanvangt bij het verstrijken van de maand waarin voormeld programma werd doorlopen.]1
Art.20. Au cours de la période d'invalidité, le titulaire est reconnu se trouver en état d'incapacité de travail lorsqu'il est satisfait à l'article 19 et, qu'en outre, il est reconnu incapable d'exercer une quelconque activité professionnelle dont il pourrait être chargé équitablement, tenant compte notamment de sa condition, de son état de santé et de sa formation professionnelle.
[1 Pour l'évaluation de l'état d'incapacité de travail, visé à l'alinéa 1er, il est tenu compte des compétences professionnelles acquises lors d'un programme de réadaptation professionnelle au terme d'une période de six mois prenant cours à l'expiration du mois pendant lequel ledit programme a été achevé.]1.
[1 Pour l'évaluation de l'état d'incapacité de travail, visé à l'alinéa 1er, il est tenu compte des compétences professionnelles acquises lors d'un programme de réadaptation professionnelle au terme d'une période de six mois prenant cours à l'expiration du mois pendant lequel ledit programme a été achevé.]1.
Änderungen
Art.21. De staat van arbeidsongeschiktheid wordt geacht te bestaan wanneer de gerechtigde opgenomen is in een door de Minister van Volksgezondheid erkende verplegingsinrichting of in een militair ziekenhuis.
(Lid 2 opgeheven) <KB 2003-01-13/40, art. 14, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(Lid 2 opgeheven) <KB 2003-01-13/40, art. 14, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.22. De staat van arbeidsongeschiktheid wordt geacht behouden te blijven:
1° [1 tijdens het tijdvak [3 ...]3 van een programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit;]1
2° tijdens de periodes van tewerkstelling door een beschutte werkplaats als dusdanig opgericht door het Rijksfonds voor sociale reclassering van minder-validen of in deze hoedanigheid erkend, in uitvoering van artikel 48 of 144 van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van minder-validen;
[3 3° [4 tijdens de periode waarin de gerechtigde het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in artikel 25/3 doorloopt. Deze periode gaat in op de dag waarop de positieve engagementsverklaring bedoeld in artikel 25/8 door de gerechtigde is ondertekend en eindigt
a) hetzij daags vóór het hervatten van een bezoldigde werkzaamheid;
b) hetzij daags vóór het aanvangen van het programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit;
c) hetzij op de laatste dag van het voormelde re-integratietraject zoals vastgesteld door de "Terug Naar Werk-coördinator".]4]3
[3 Het vermoeden van arbeidsongeschiktheid eindigt echter van rechtswege na zes maanden te rekenen vanaf de dag waarop [4 de positieve engagementsverklaring door de gerechtigde is ondertekend]4 indien op dat ogenblik één van de voormelde gebeurtenissen op grond waarvan de periode gedekt door het vermoeden eindigt, zich nog niet heeft voorgedaan.]3
[3 Dit artikel is slechts van toepassing wanneer de gerechtigde geen beroepsbezigheid uitoefent tenzij binnen het raam van het programma van beroepsherscholing of in een in het eerste lid, 2° bedoelde werkplaats.]3
1° [1 tijdens het tijdvak [3 ...]3 van een programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit;]1
2° tijdens de periodes van tewerkstelling door een beschutte werkplaats als dusdanig opgericht door het Rijksfonds voor sociale reclassering van minder-validen of in deze hoedanigheid erkend, in uitvoering van artikel 48 of 144 van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van minder-validen;
[3 3° [4 tijdens de periode waarin de gerechtigde het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in artikel 25/3 doorloopt. Deze periode gaat in op de dag waarop de positieve engagementsverklaring bedoeld in artikel 25/8 door de gerechtigde is ondertekend en eindigt
a) hetzij daags vóór het hervatten van een bezoldigde werkzaamheid;
b) hetzij daags vóór het aanvangen van het programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit;
c) hetzij op de laatste dag van het voormelde re-integratietraject zoals vastgesteld door de "Terug Naar Werk-coördinator".]4]3
[3 Het vermoeden van arbeidsongeschiktheid eindigt echter van rechtswege na zes maanden te rekenen vanaf de dag waarop [4 de positieve engagementsverklaring door de gerechtigde is ondertekend]4 indien op dat ogenblik één van de voormelde gebeurtenissen op grond waarvan de periode gedekt door het vermoeden eindigt, zich nog niet heeft voorgedaan.]3
[3 Dit artikel is slechts van toepassing wanneer de gerechtigde geen beroepsbezigheid uitoefent tenzij binnen het raam van het programma van beroepsherscholing of in een in het eerste lid, 2° bedoelde werkplaats.]3
Art.21. L'état d'incapacité de travail est censé exister lorsque le titulaire est hospitalisé dans un établissement hospitalier agréé par le Ministre de la Santé publique ou dans un hôpital militaire.
(Alinéa 2 abrogé) <AR 2003-01-13/40, art. 14, 032; En vigueur : 01-01-2003>
(Alinéa 2 abrogé) <AR 2003-01-13/40, art. 14, 032; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 22. De staat van arbeidsongeschiktheid wordt geacht behouden te blijven:
1° [1 tijdens het tijdvak [3 ...]3 van een programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit;]1
2° tijdens de periodes van tewerkstelling door een beschutte werkplaats als dusdanig opgericht door het Rijksfonds voor sociale reclassering van minder-validen of in deze hoedanigheid erkend, in uitvoering van artikel 48 of 144 van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van minder-validen;
[3 3° [4 tijdens de periode waarin de gerechtigde het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in artikel 25/3 doorloopt. Deze periode gaat in op de dag waarop de positieve engagementsverklaring bedoeld in artikel 25/8 door de gerechtigde is ondertekend en eindigt
a) hetzij daags vóór het hervatten van een bezoldigde werkzaamheid;
b) hetzij daags vóór het aanvangen van het programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit;
c) hetzij op de laatste dag van het voormelde re-integratietraject zoals vastgesteld door de "Terug Naar Werk-coördinator".]4]3
[3 Het vermoeden van arbeidsongeschiktheid eindigt echter van rechtswege na zes maanden te rekenen vanaf de dag waarop [4 de positieve engagementsverklaring door de gerechtigde is ondertekend]4 indien op dat ogenblik één van de voormelde gebeurtenissen op grond waarvan de periode gedekt door het vermoeden eindigt, zich nog niet heeft voorgedaan.]3
[3 Dit artikel is slechts van toepassing wanneer de gerechtigde geen beroepsbezigheid uitoefent tenzij binnen het raam van het programma van beroepsherscholing of in een in het eerste lid, 2° bedoelde werkplaats.]3
1° [1 tijdens het tijdvak [3 ...]3 van een programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit;]1
2° tijdens de periodes van tewerkstelling door een beschutte werkplaats als dusdanig opgericht door het Rijksfonds voor sociale reclassering van minder-validen of in deze hoedanigheid erkend, in uitvoering van artikel 48 of 144 van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van minder-validen;
[3 3° [4 tijdens de periode waarin de gerechtigde het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in artikel 25/3 doorloopt. Deze periode gaat in op de dag waarop de positieve engagementsverklaring bedoeld in artikel 25/8 door de gerechtigde is ondertekend en eindigt
a) hetzij daags vóór het hervatten van een bezoldigde werkzaamheid;
b) hetzij daags vóór het aanvangen van het programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit;
c) hetzij op de laatste dag van het voormelde re-integratietraject zoals vastgesteld door de "Terug Naar Werk-coördinator".]4]3
[3 Het vermoeden van arbeidsongeschiktheid eindigt echter van rechtswege na zes maanden te rekenen vanaf de dag waarop [4 de positieve engagementsverklaring door de gerechtigde is ondertekend]4 indien op dat ogenblik één van de voormelde gebeurtenissen op grond waarvan de periode gedekt door het vermoeden eindigt, zich nog niet heeft voorgedaan.]3
[3 Dit artikel is slechts van toepassing wanneer de gerechtigde geen beroepsbezigheid uitoefent tenzij binnen het raam van het programma van beroepsherscholing of in een in het eerste lid, 2° bedoelde werkplaats.]3
Art.22. L'état d'incapacité de travail est censé s'être maintenu:
1° [1 pendant la période [2 ...]2 d'un programme de réadaptation professionnelle approuvé par la Commission supérieure du Conseil médical de l'invalidité;]1
2° pendant les périodes d'occupation par un atelier protégé créé comme tel par le Fonds national de reclassement social des handicapés ou agréé en cette qualité en exécution de l'article 48 ou 144 de l'arrêté royal du 5 juillet 1963 concernant le reclassement social des handicapés;
[2 3° [3 pendant la période où le titulaire suit le trajet de réintégration visant à la réinsertion socioprofessionnelle visé à l'article 25/3. Cette période débute le jour où la déclaration positive d'engagement visée à l'article 25/8 a été signée par le titulaire et se termine
a) soit la veille de la reprise d'un travail rémunéré;
b) soit la veille du début du programme de réadaptation professionnelle approuvé par la Commission supérieure du Conseil Médical de l'Invalidité;
c) soit le dernier jour du trajet de réintégration précité tel que déterminé par le " Coordinateur Retour Au Travail ".]3]2
[2 La présomption d'incapacité de travail visée à l'alinéa 1er, 3°, prend toutefois fin de plein droit après six mois à compter du jour où [3 la déclaration positive d'engagement a été signée par le titulaire]3 si, à ce moment, un des événements précités sur la base desquels la période couverte par la présomption prend fin, n'a pas encore eu lieu.]2
[2 Le présent article n'est applicable que si le titulaire n'exerce d'activité professionnelle que dans le cadre du programme de réadaptation professionnelle ou dans un atelier visé à l'alinéa 1er, 2°.]2
1° [1 pendant la période [2 ...]2 d'un programme de réadaptation professionnelle approuvé par la Commission supérieure du Conseil médical de l'invalidité;]1
2° pendant les périodes d'occupation par un atelier protégé créé comme tel par le Fonds national de reclassement social des handicapés ou agréé en cette qualité en exécution de l'article 48 ou 144 de l'arrêté royal du 5 juillet 1963 concernant le reclassement social des handicapés;
[2 3° [3 pendant la période où le titulaire suit le trajet de réintégration visant à la réinsertion socioprofessionnelle visé à l'article 25/3. Cette période débute le jour où la déclaration positive d'engagement visée à l'article 25/8 a été signée par le titulaire et se termine
a) soit la veille de la reprise d'un travail rémunéré;
b) soit la veille du début du programme de réadaptation professionnelle approuvé par la Commission supérieure du Conseil Médical de l'Invalidité;
c) soit le dernier jour du trajet de réintégration précité tel que déterminé par le " Coordinateur Retour Au Travail ".]3]2
[2 La présomption d'incapacité de travail visée à l'alinéa 1er, 3°, prend toutefois fin de plein droit après six mois à compter du jour où [3 la déclaration positive d'engagement a été signée par le titulaire]3 si, à ce moment, un des événements précités sur la base desquels la période couverte par la présomption prend fin, n'a pas encore eu lieu.]2
[2 Le présent article n'est applicable que si le titulaire n'exerce d'activité professionnelle que dans le cadre du programme de réadaptation professionnelle ou dans un atelier visé à l'alinéa 1er, 2°.]2
Art. 23bis. [1 De gerechtigde die arbeidsongeschikt is erkend zoals bedoeld in artikel 19 of 20, kan [4 met de toelating van de adviserend arts]4 een activiteit hervatten [6 ...]6.
Voor het verkrijgen van die toelating moet de gerechtigde [4 overeenkomstig artikel 23bis/1, § 1, de hervatting van de activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeven en]4 een aanvraag indienen bij de adviserend [2 arts]2 van zijn verzekeringsinstelling. Deze toelating wordt slechts verleend op voorwaarde dat de gerechtigde arbeidsongeschikt erkend blijft als bedoeld in artikel 19 of 20 en dat de activiteit die wordt hervat, verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand van de gerechtigde.
[4 ...]4
De adviserend [2 arts]2 moet de staat van arbeidsongeschiktheid van die gerechtigde controleren op grond van een geneeskundig onderzoek dat ten minste eens om de zes maanden wordt verricht, tenzij de elementen aanwezig in het medisch dossier een onderzoek op een latere datum verantwoorden.
[4 ...]4]1
[6 Elke toelating wordt toegekend en, in voorkomend geval, hernieuwd voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt.]6
[5 Onverminderd de bevoegdheid van de adviserend arts om overeenkomstig de vorige leden te beslissen over elke door de gerechtigde ingediende aanvraag tot toelating, kan ook de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van deze bepaling de beslissing tot het verlengen van een eerder verstrekte toelating nemen.]5
Voor het verkrijgen van die toelating moet de gerechtigde [4 overeenkomstig artikel 23bis/1, § 1, de hervatting van de activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeven en]4 een aanvraag indienen bij de adviserend [2 arts]2 van zijn verzekeringsinstelling. Deze toelating wordt slechts verleend op voorwaarde dat de gerechtigde arbeidsongeschikt erkend blijft als bedoeld in artikel 19 of 20 en dat de activiteit die wordt hervat, verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand van de gerechtigde.
[4 ...]4
De adviserend [2 arts]2 moet de staat van arbeidsongeschiktheid van die gerechtigde controleren op grond van een geneeskundig onderzoek dat ten minste eens om de zes maanden wordt verricht, tenzij de elementen aanwezig in het medisch dossier een onderzoek op een latere datum verantwoorden.
[4 ...]4]1
[6 Elke toelating wordt toegekend en, in voorkomend geval, hernieuwd voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt.]6
[5 Onverminderd de bevoegdheid van de adviserend arts om overeenkomstig de vorige leden te beslissen over elke door de gerechtigde ingediende aanvraag tot toelating, kan ook de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van deze bepaling de beslissing tot het verlengen van een eerder verstrekte toelating nemen.]5
Änderungen
Art. 23bis /1.[1 § 1. De gerechtigde moet elke hervatting van de activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid bedoeld in [4 ...]4 artikel 23bis uiterlijk op de eerste werkdag die onmiddellijk aan die hervatting voorafgaat bij zijn verzekeringsinstelling aangeven en binnen dezelfde termijn bij de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling een aanvraag tot toelating indienen om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen. De aangifte van de hervatting van de activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid, evenals de aanvraag tot toelating aan de adviserend arts worden door de gerechtigde via éénzelfde formulier bij zijn verzekeringsinstelling ingediend.
De in het vorige lid bedoelde formaliteiten worden echter geacht te zijn verricht op de eerste werkdag die de hervatting van de activiteit voorafgaat :
1° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit overeenkomstig artikel 23bis tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen;
2° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit in het kader van niet-rechtstreekse toegankelijke zorg en ondersteuning voor een persoon met een handicap die wordt gefinancierd via een persoonlijk assistentiebudget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of via een persoonsvolgend budget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen.
§ 2. De adviserend arts van de verzekeringsinstelling moet zijn beslissing nemen uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de eerste dag van de hervatting van de activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid bedoeld in paragraaf 1, eerste lid of uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de aangifte en de aanvraag tot toelating bedoeld in paragraaf 1, tweede lid.
Het formulier met de toelating of de weigering om de activiteit overeenkomstig [4 ...]4 artikel 23bis tijdens de arbeidsongeschiktheid te hervatten, wordt binnen zeven kalenderdagen vanaf de beslissing aan de gerechtigde als kennisgeving via de post toegestuurd. Als de adviserend arts met het oog op het nemen van zijn beslissing een geneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd, kan het formulier na afloop van het geneeskundig onderzoek aan de gerechtigde worden overhandigd.
[3 Onverminderd de bevoegdheid van de adviserend arts om overeenkomstig de vorige leden te beslissen over elke door de gerechtigde ingediende aanvraag tot toelating, kan ook de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van deze bepaling de beslissing tot het verlengen van een eerder verstrekte toelating nemen.]3
Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader worden gepreciseerd, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen.
De verzekeringsinstelling bezorgt de gegevens met betrekking tot de toelating bedoeld in [4 ...]4 artikel 23bis via een elektronisch bericht aan het Rijksinstituut.
§ 3. Wanneer de gerechtigde de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteit laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, worden de overeenkomstig artikel 28bis berekende uitkeringen toegekend met een vermindering van 10 procent die op het dagbedrag van de uitkering wordt toegepast tot en met de dag waarop het in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formulier is verzonden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of dit formulier aan de verzekeringsinstelling is bezorgd.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt de gerechtigde geacht het formulier op de vijfde werkdag voorafgaandelijk de dag van aanbrenging van de poststempel, of op de dag van ondertekening van dit formulier indien die na de voormelde vijfde werkdag ligt, te hebben verzonden. In dit kader worden alle dagen van het jaar, behalve de zondagen en de wettelijke feestdagen, als werkdagen beschouwd.
De uitkeringen worden zonder vermindering toegekend vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde formaliteiten zijn vervuld.
Als de gerechtigde de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 23ter van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend arts uitwerking heeft.
§ 4. De gerechtigde aan wie een beslissing tot weigering van de toekenning van de toelating om een activiteit te hervatten ter kennis wordt gebracht of een beslissing ter kennis wordt gebracht die een einde aan de staat van arbeidsongeschiktheid stelt, geniet tijdens de periode die de ingangsdatum van de bovenbedoelde beslissingen voorafgaat, uitkeringen die zijn berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 28bis of paragraaf 3, eerste tot derde lid, als hij de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteiten laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de werkhervatting heeft vervuld.
Als de gerechtigde de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 23ter [2 ...]2 van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend arts uitwerking heeft.]1
De in het vorige lid bedoelde formaliteiten worden echter geacht te zijn verricht op de eerste werkdag die de hervatting van de activiteit voorafgaat :
1° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit overeenkomstig artikel 23bis tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen;
2° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit in het kader van niet-rechtstreekse toegankelijke zorg en ondersteuning voor een persoon met een handicap die wordt gefinancierd via een persoonlijk assistentiebudget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of via een persoonsvolgend budget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen.
§ 2. De adviserend arts van de verzekeringsinstelling moet zijn beslissing nemen uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de eerste dag van de hervatting van de activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid bedoeld in paragraaf 1, eerste lid of uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de aangifte en de aanvraag tot toelating bedoeld in paragraaf 1, tweede lid.
Het formulier met de toelating of de weigering om de activiteit overeenkomstig [4 ...]4 artikel 23bis tijdens de arbeidsongeschiktheid te hervatten, wordt binnen zeven kalenderdagen vanaf de beslissing aan de gerechtigde als kennisgeving via de post toegestuurd. Als de adviserend arts met het oog op het nemen van zijn beslissing een geneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd, kan het formulier na afloop van het geneeskundig onderzoek aan de gerechtigde worden overhandigd.
[3 Onverminderd de bevoegdheid van de adviserend arts om overeenkomstig de vorige leden te beslissen over elke door de gerechtigde ingediende aanvraag tot toelating, kan ook de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van deze bepaling de beslissing tot het verlengen van een eerder verstrekte toelating nemen.]3
Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader worden gepreciseerd, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen.
De verzekeringsinstelling bezorgt de gegevens met betrekking tot de toelating bedoeld in [4 ...]4 artikel 23bis via een elektronisch bericht aan het Rijksinstituut.
§ 3. Wanneer de gerechtigde de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteit laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, worden de overeenkomstig artikel 28bis berekende uitkeringen toegekend met een vermindering van 10 procent die op het dagbedrag van de uitkering wordt toegepast tot en met de dag waarop het in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formulier is verzonden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of dit formulier aan de verzekeringsinstelling is bezorgd.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt de gerechtigde geacht het formulier op de vijfde werkdag voorafgaandelijk de dag van aanbrenging van de poststempel, of op de dag van ondertekening van dit formulier indien die na de voormelde vijfde werkdag ligt, te hebben verzonden. In dit kader worden alle dagen van het jaar, behalve de zondagen en de wettelijke feestdagen, als werkdagen beschouwd.
De uitkeringen worden zonder vermindering toegekend vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde formaliteiten zijn vervuld.
Als de gerechtigde de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 23ter van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend arts uitwerking heeft.
§ 4. De gerechtigde aan wie een beslissing tot weigering van de toekenning van de toelating om een activiteit te hervatten ter kennis wordt gebracht of een beslissing ter kennis wordt gebracht die een einde aan de staat van arbeidsongeschiktheid stelt, geniet tijdens de periode die de ingangsdatum van de bovenbedoelde beslissingen voorafgaat, uitkeringen die zijn berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 28bis of paragraaf 3, eerste tot derde lid, als hij de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteiten laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de werkhervatting heeft vervuld.
Als de gerechtigde de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 23ter [2 ...]2 van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend arts uitwerking heeft.]1
Art. 23bis. [1 Le titulaire reconnu incapable de travailler au sens des articles 19 ou 20 peut, [3 moyennant l'autorisation du médecin-conseil]3, reprendre une activité [5 ...]5.
Pour obtenir cette autorisation, le titulaire doit, [3 conformément à l'article 23bis/1, § 1er, déclarer la reprise de l'activité à son organisme assureur et]3 introduire une demande auprès du médecin-conseil de son organisme assureur. L'autorisation n'est accordée que si le titulaire reste reconnu incapable de travailler au sens des articles 19 ou 20 et pour autant que l'activité reprise soit compatible avec l'état de santé général du titulaire.
[3 ...]3
Le médecin-conseil doit contrôler l'état d'incapacité de travail de ce titulaire par un examen médical effectué au moins tous les six mois, à moins que les éléments figurant au dossier médical ne justifient un examen à une date ultérieure.
[3 ...]3]1
[5 Chaque autorisation est accordée et, si nécessaire, renouvelée pour une durée limitée qui ne dépasse pas deux ans.]5
[4 Sans préjudice de la compétence du médecin-conseil de statuer sur toute demande d'autorisation introduite par le titulaire conformément aux alinéas précédents, le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire peut également, conformément aux modalités de cette disposition, prendre la décision de prolonger une autorisation précédemment accordée.]4
Pour obtenir cette autorisation, le titulaire doit, [3 conformément à l'article 23bis/1, § 1er, déclarer la reprise de l'activité à son organisme assureur et]3 introduire une demande auprès du médecin-conseil de son organisme assureur. L'autorisation n'est accordée que si le titulaire reste reconnu incapable de travailler au sens des articles 19 ou 20 et pour autant que l'activité reprise soit compatible avec l'état de santé général du titulaire.
[3 ...]3
Le médecin-conseil doit contrôler l'état d'incapacité de travail de ce titulaire par un examen médical effectué au moins tous les six mois, à moins que les éléments figurant au dossier médical ne justifient un examen à une date ultérieure.
[3 ...]3]1
[5 Chaque autorisation est accordée et, si nécessaire, renouvelée pour une durée limitée qui ne dépasse pas deux ans.]5
[4 Sans préjudice de la compétence du médecin-conseil de statuer sur toute demande d'autorisation introduite par le titulaire conformément aux alinéas précédents, le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire peut également, conformément aux modalités de cette disposition, prendre la décision de prolonger une autorisation précédemment accordée.]4
Änderungen
Art. 23bis /1.[1 § 1. De gerechtigde moet elke hervatting van de activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid bedoeld in [4 ...]4 artikel 23bis uiterlijk op de eerste werkdag die onmiddellijk aan die hervatting voorafgaat bij zijn verzekeringsinstelling aangeven en binnen dezelfde termijn bij de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling een aanvraag tot toelating indienen om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen. De aangifte van de hervatting van de activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid, evenals de aanvraag tot toelating aan de adviserend arts worden door de gerechtigde via éénzelfde formulier bij zijn verzekeringsinstelling ingediend.
De in het vorige lid bedoelde formaliteiten worden echter geacht te zijn verricht op de eerste werkdag die de hervatting van de activiteit voorafgaat :
1° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit overeenkomstig artikel 23bis tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen;
2° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit in het kader van niet-rechtstreekse toegankelijke zorg en ondersteuning voor een persoon met een handicap die wordt gefinancierd via een persoonlijk assistentiebudget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of via een persoonsvolgend budget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen.
§ 2. De adviserend arts van de verzekeringsinstelling moet zijn beslissing nemen uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de eerste dag van de hervatting van de activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid bedoeld in paragraaf 1, eerste lid of uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de aangifte en de aanvraag tot toelating bedoeld in paragraaf 1, tweede lid.
Het formulier met de toelating of de weigering om de activiteit overeenkomstig [4 ...]4 artikel 23bis tijdens de arbeidsongeschiktheid te hervatten, wordt binnen zeven kalenderdagen vanaf de beslissing aan de gerechtigde als kennisgeving via de post toegestuurd. Als de adviserend arts met het oog op het nemen van zijn beslissing een geneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd, kan het formulier na afloop van het geneeskundig onderzoek aan de gerechtigde worden overhandigd.
[3 Onverminderd de bevoegdheid van de adviserend arts om overeenkomstig de vorige leden te beslissen over elke door de gerechtigde ingediende aanvraag tot toelating, kan ook de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van deze bepaling de beslissing tot het verlengen van een eerder verstrekte toelating nemen.]3
Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader worden gepreciseerd, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen.
De verzekeringsinstelling bezorgt de gegevens met betrekking tot de toelating bedoeld in [4 ...]4 artikel 23bis via een elektronisch bericht aan het Rijksinstituut.
§ 3. Wanneer de gerechtigde de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteit laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, worden de overeenkomstig artikel 28bis berekende uitkeringen toegekend met een vermindering van 10 procent die op het dagbedrag van de uitkering wordt toegepast tot en met de dag waarop het in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formulier is verzonden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of dit formulier aan de verzekeringsinstelling is bezorgd.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt de gerechtigde geacht het formulier op de vijfde werkdag voorafgaandelijk de dag van aanbrenging van de poststempel, of op de dag van ondertekening van dit formulier indien die na de voormelde vijfde werkdag ligt, te hebben verzonden. In dit kader worden alle dagen van het jaar, behalve de zondagen en de wettelijke feestdagen, als werkdagen beschouwd.
De uitkeringen worden zonder vermindering toegekend vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde formaliteiten zijn vervuld.
Als de gerechtigde de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 23ter van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend arts uitwerking heeft.
§ 4. De gerechtigde aan wie een beslissing tot weigering van de toekenning van de toelating om een activiteit te hervatten ter kennis wordt gebracht of een beslissing ter kennis wordt gebracht die een einde aan de staat van arbeidsongeschiktheid stelt, geniet tijdens de periode die de ingangsdatum van de bovenbedoelde beslissingen voorafgaat, uitkeringen die zijn berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 28bis of paragraaf 3, eerste tot derde lid, als hij de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteiten laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de werkhervatting heeft vervuld.
Als de gerechtigde de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 23ter [2 ...]2 van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend arts uitwerking heeft.]1
De in het vorige lid bedoelde formaliteiten worden echter geacht te zijn verricht op de eerste werkdag die de hervatting van de activiteit voorafgaat :
1° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit overeenkomstig artikel 23bis tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen;
2° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit in het kader van niet-rechtstreekse toegankelijke zorg en ondersteuning voor een persoon met een handicap die wordt gefinancierd via een persoonlijk assistentiebudget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of via een persoonsvolgend budget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen.
§ 2. De adviserend arts van de verzekeringsinstelling moet zijn beslissing nemen uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de eerste dag van de hervatting van de activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid bedoeld in paragraaf 1, eerste lid of uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de aangifte en de aanvraag tot toelating bedoeld in paragraaf 1, tweede lid.
Het formulier met de toelating of de weigering om de activiteit overeenkomstig [4 ...]4 artikel 23bis tijdens de arbeidsongeschiktheid te hervatten, wordt binnen zeven kalenderdagen vanaf de beslissing aan de gerechtigde als kennisgeving via de post toegestuurd. Als de adviserend arts met het oog op het nemen van zijn beslissing een geneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd, kan het formulier na afloop van het geneeskundig onderzoek aan de gerechtigde worden overhandigd.
[3 Onverminderd de bevoegdheid van de adviserend arts om overeenkomstig de vorige leden te beslissen over elke door de gerechtigde ingediende aanvraag tot toelating, kan ook de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van deze bepaling de beslissing tot het verlengen van een eerder verstrekte toelating nemen.]3
Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader worden gepreciseerd, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen.
De verzekeringsinstelling bezorgt de gegevens met betrekking tot de toelating bedoeld in [4 ...]4 artikel 23bis via een elektronisch bericht aan het Rijksinstituut.
§ 3. Wanneer de gerechtigde de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteit laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, worden de overeenkomstig artikel 28bis berekende uitkeringen toegekend met een vermindering van 10 procent die op het dagbedrag van de uitkering wordt toegepast tot en met de dag waarop het in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formulier is verzonden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of dit formulier aan de verzekeringsinstelling is bezorgd.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt de gerechtigde geacht het formulier op de vijfde werkdag voorafgaandelijk de dag van aanbrenging van de poststempel, of op de dag van ondertekening van dit formulier indien die na de voormelde vijfde werkdag ligt, te hebben verzonden. In dit kader worden alle dagen van het jaar, behalve de zondagen en de wettelijke feestdagen, als werkdagen beschouwd.
De uitkeringen worden zonder vermindering toegekend vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde formaliteiten zijn vervuld.
Als de gerechtigde de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 23ter van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend arts uitwerking heeft.
§ 4. De gerechtigde aan wie een beslissing tot weigering van de toekenning van de toelating om een activiteit te hervatten ter kennis wordt gebracht of een beslissing ter kennis wordt gebracht die een einde aan de staat van arbeidsongeschiktheid stelt, geniet tijdens de periode die de ingangsdatum van de bovenbedoelde beslissingen voorafgaat, uitkeringen die zijn berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 28bis of paragraaf 3, eerste tot derde lid, als hij de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteiten laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de werkhervatting heeft vervuld.
Als de gerechtigde de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 23ter [2 ...]2 van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend arts uitwerking heeft.]1
Art.23bis /1.[1 § 1er. Le titulaire doit déclarer à son organisme assureur toute reprise d'activité au cours de l'incapacité de travail visée [3 ...]3 à l'article 23bis, au plus tard le premier jour ouvrable qui précède immédiatement cette reprise et introduire, dans le même délai, auprès du médecin-conseil de son organisme assureur, une demande d'autorisation d'exercer cette activité au cours de l'incapacité de travail. La déclaration de reprise de l'activité au cours de l'incapacité de travail, ainsi que la demande d'autorisation au médecin-conseil, sont introduites par le titulaire à son organisme assureur au moyen d'un formulaire unique.
Les formalités visées à l'alinéa précédent sont toutefois réputées avoir été accomplies le premier jour ouvrable avant la reprise de l'activité :
1° si le titulaire qui a, durant la période d'incapacité de travail, exercé une activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs en exécution d'un contrat qui avait déjà été conclu et avait déjà été effectivement exécuté avant le début de l'incapacité de travail, déclare l'exercice de cette activité à son organisme assureur et introduit une demande d'autorisation d'exercer cette activité conformément à l'article 23bis au cours de l'incapacité de travail, dans un délai d'un mois à compter de la déclaration de l'incapacité de travail;
2° si le titulaire qui a, durant la période d'incapacité de travail, exercé une activité dans le cadre des soins et du soutien non directement accessibles pour une personne handicapée qui est financée par un budget d'assistance personnelle conformément au décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ou par un budget qui suit la personne conformément au décret de la Communauté flamande du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées en exécution d'une convention qui avait déjà été conclue et avait déjà été effectivement exécutée avant le début de l'incapacité de travail, déclare l'exercice de cette activité à son organisme assureur et introduit une demande d'autorisation d'exercer cette activité au cours de l'incapacité de travail, dans un délai d'un mois à compter de la déclaration de l'incapacité de travail.
§ 2. Le médecin-conseil de l'organisme assureur doit rendre sa décision au plus tard le trentième jour ouvrable à dater du premier jour de la reprise de l'activité au cours de l'incapacité de travail visée au paragraphe 1er, alinéa 1er ou au plus tard le trentième jour ouvrable à dater de la déclaration et de la demande d'autorisation visées au paragraphe 1, alinéa 2.
La formule d'autorisation ou de refus de reprendre l'activité conformément [3 ...]3 à l'article 23bis au cours de l'incapacité de travail est notifiée au titulaire, par pli postal, dans les sept jours civils à dater de la décision. Si le médecin-conseil a procédé à un examen médical en vue de rendre sa décision, la formule peut être remise au titulaire, à l'issue de l'examen médical.
[2 Sans préjudice de la compétence du médecin-conseil de statuer sur toute demande d'autorisation introduite par le titulaire conformément aux alinéas précédents, le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire peut également, conformément aux modalités de cette disposition, prendre la décision de prolonger une autorisation précédemment accordée.]2
Cette autorisation qui précise la nature, le volume et les conditions d'exercice de cette activité, est consignée dans le dossier médical et administratif de l'intéressé au siège de l'organisme assureur.
L'organisme assureur transmet à l'Institut national, par le biais d'un message électronique, les données relatives à l'autorisation visée [3 ...]3 à l'article 23bis.
§ 3. Lorsque le titulaire a accompli tardivement la formalité visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, mais dans un délai de 14 jours civils à compter de la reprise d'une activité, les indemnités calculées conformément à l'article 28bis, sont accordées moyennant une réduction de 10 pourcents appliquée au montant journalier de l'indemnité, jusque et y compris le jour de l'envoi du formulaire visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, le cachet postal faisant foi, ou de la remise de ce formulaire à l'organisme assureur.
Pour l'application de l'alinéa précédent, le titulaire est réputé avoir envoyé le formulaire le cinquième jour ouvrable précédant la date à laquelle le cachet postal a été apposé, ou la date à laquelle le formulaire a été signé s'il est postérieur au cinquième jour ouvrable susmentionné. Dans ce cadre, tous les jours de l'année, sauf les dimanches et jours fériés légaux, sont considérés comme des jours ouvrables.
Les indemnités sont accordées sans réduction à partir du premier jour ouvrable qui suit celui de l'accomplissement des formalités visées à l'alinéa 1er.
Si le titulaire a accompli les formalités visées au paragraphe 1er, alinéa 1er dans un délai supérieur aux 14 jours civils à compter de la reprise d'une activité, les dispositions de l'article 23ter sont applicables jusqu'à la date à laquelle la décision du médecin-conseil sort ses effets.
§ 4. Le titulaire qui se voit notifier une décision de refus d'octroi de l'autorisation de reprise d'une activité ou une décision qui met fin à l'état d'incapacité de travail, bénéficie, pour la période qui précède la date de prise d'effet des décisions susvisées, des indemnités calculées conformément aux dispositions de l'article 28bis ou du paragraphe 3, alinéas 1er à 3, s'il a accompli les formalités visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, tardivement mais dans un délai de 14 jours civils à compter de la reprise du travail.
Si le titulaire a accompli les formalités visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, dans un délai supérieur aux 14 jours civils à compter de la reprise d'une activité, les dispositions de l'article 23ter sont applicables jusqu'à la date à laquelle la décision du médecin-conseil sort ses effets.]1
Les formalités visées à l'alinéa précédent sont toutefois réputées avoir été accomplies le premier jour ouvrable avant la reprise de l'activité :
1° si le titulaire qui a, durant la période d'incapacité de travail, exercé une activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs en exécution d'un contrat qui avait déjà été conclu et avait déjà été effectivement exécuté avant le début de l'incapacité de travail, déclare l'exercice de cette activité à son organisme assureur et introduit une demande d'autorisation d'exercer cette activité conformément à l'article 23bis au cours de l'incapacité de travail, dans un délai d'un mois à compter de la déclaration de l'incapacité de travail;
2° si le titulaire qui a, durant la période d'incapacité de travail, exercé une activité dans le cadre des soins et du soutien non directement accessibles pour une personne handicapée qui est financée par un budget d'assistance personnelle conformément au décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ou par un budget qui suit la personne conformément au décret de la Communauté flamande du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées en exécution d'une convention qui avait déjà été conclue et avait déjà été effectivement exécutée avant le début de l'incapacité de travail, déclare l'exercice de cette activité à son organisme assureur et introduit une demande d'autorisation d'exercer cette activité au cours de l'incapacité de travail, dans un délai d'un mois à compter de la déclaration de l'incapacité de travail.
§ 2. Le médecin-conseil de l'organisme assureur doit rendre sa décision au plus tard le trentième jour ouvrable à dater du premier jour de la reprise de l'activité au cours de l'incapacité de travail visée au paragraphe 1er, alinéa 1er ou au plus tard le trentième jour ouvrable à dater de la déclaration et de la demande d'autorisation visées au paragraphe 1, alinéa 2.
La formule d'autorisation ou de refus de reprendre l'activité conformément [3 ...]3 à l'article 23bis au cours de l'incapacité de travail est notifiée au titulaire, par pli postal, dans les sept jours civils à dater de la décision. Si le médecin-conseil a procédé à un examen médical en vue de rendre sa décision, la formule peut être remise au titulaire, à l'issue de l'examen médical.
[2 Sans préjudice de la compétence du médecin-conseil de statuer sur toute demande d'autorisation introduite par le titulaire conformément aux alinéas précédents, le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire peut également, conformément aux modalités de cette disposition, prendre la décision de prolonger une autorisation précédemment accordée.]2
Cette autorisation qui précise la nature, le volume et les conditions d'exercice de cette activité, est consignée dans le dossier médical et administratif de l'intéressé au siège de l'organisme assureur.
L'organisme assureur transmet à l'Institut national, par le biais d'un message électronique, les données relatives à l'autorisation visée [3 ...]3 à l'article 23bis.
§ 3. Lorsque le titulaire a accompli tardivement la formalité visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, mais dans un délai de 14 jours civils à compter de la reprise d'une activité, les indemnités calculées conformément à l'article 28bis, sont accordées moyennant une réduction de 10 pourcents appliquée au montant journalier de l'indemnité, jusque et y compris le jour de l'envoi du formulaire visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, le cachet postal faisant foi, ou de la remise de ce formulaire à l'organisme assureur.
Pour l'application de l'alinéa précédent, le titulaire est réputé avoir envoyé le formulaire le cinquième jour ouvrable précédant la date à laquelle le cachet postal a été apposé, ou la date à laquelle le formulaire a été signé s'il est postérieur au cinquième jour ouvrable susmentionné. Dans ce cadre, tous les jours de l'année, sauf les dimanches et jours fériés légaux, sont considérés comme des jours ouvrables.
Les indemnités sont accordées sans réduction à partir du premier jour ouvrable qui suit celui de l'accomplissement des formalités visées à l'alinéa 1er.
Si le titulaire a accompli les formalités visées au paragraphe 1er, alinéa 1er dans un délai supérieur aux 14 jours civils à compter de la reprise d'une activité, les dispositions de l'article 23ter sont applicables jusqu'à la date à laquelle la décision du médecin-conseil sort ses effets.
§ 4. Le titulaire qui se voit notifier une décision de refus d'octroi de l'autorisation de reprise d'une activité ou une décision qui met fin à l'état d'incapacité de travail, bénéficie, pour la période qui précède la date de prise d'effet des décisions susvisées, des indemnités calculées conformément aux dispositions de l'article 28bis ou du paragraphe 3, alinéas 1er à 3, s'il a accompli les formalités visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, tardivement mais dans un délai de 14 jours civils à compter de la reprise du travail.
Si le titulaire a accompli les formalités visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, dans un délai supérieur aux 14 jours civils à compter de la reprise d'une activité, les dispositions de l'article 23ter sont applicables jusqu'à la date à laquelle la décision du médecin-conseil sort ses effets.]1
Art. 23ter. [1 § 1. De arbeidsongeschikt erkende gerechtigde die arbeid heeft verricht zonder de [7 in artikel 23bis]7 bedoelde [5 ...]5 toelating, of zonder de voorwaarden van de toelating te respecteren, wordt onderworpen aan een geneeskundig onderzoek om na te gaan of de erkenningsvoorwaarden voor de arbeidsongeschiktheid zijn vervuld op de datum van het onderzoek.
Het geneeskundig onderzoek moet plaatsvinden binnen dertig werkdagen, te rekenen vanaf de vaststelling, door de verzekeringsinstelling, van de niet toegelaten activiteit of vanaf de mededeling ervan aan de verzekeringsinstelling.
Indien op de datum van het geneeskundig onderzoek wordt vastgesteld dat de gerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden om arbeidsongeschikt te worden erkend, wordt de beslissing van einde van de erkenning ter kennis gebracht aan de gerechtigde binnen de termijn bedoeld in artikel 61, indien de gerechtigde zich in een tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid bevindt en binnen de termijn bedoeld in [8 artikel 190, tweede lid, 1°, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996]8, indien de gerechtigde zich in een tijdvak van invaliditeit bevindt.
§ 2. De gerechtigde bedoeld in § 1 moet de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen terugbetalen die hij ontvangen heeft voor de dagen of de periode tijdens welke hij de niet toegelaten arbeid heeft verricht [6 , met inbegrip van de dagen wettelijke vakantie, de vakantiedagen krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de bijkomende vakantiedagen opgenomen in het kader van een niet toegelaten arbeid als werknemer]6. [4 Als de gerechtigde evenwel op zondag een niet toegelaten arbeid heeft verricht, wordt telkens de uitkering teruggevorderd die is toegekend voor de eerste voorafgaande vergoedbare dag waarop de gerechtigde geen arbeid heeft verricht.]4
De dagen of de periode, bedoeld in het vorige lid, worden gelijkgesteld met vergoede dagen voor de vaststelling van de rechten op sociale zekerheidsprestaties van de gerechtigde, alsook van de personen die hij ten laste heeft.]1
Het geneeskundig onderzoek moet plaatsvinden binnen dertig werkdagen, te rekenen vanaf de vaststelling, door de verzekeringsinstelling, van de niet toegelaten activiteit of vanaf de mededeling ervan aan de verzekeringsinstelling.
Indien op de datum van het geneeskundig onderzoek wordt vastgesteld dat de gerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden om arbeidsongeschikt te worden erkend, wordt de beslissing van einde van de erkenning ter kennis gebracht aan de gerechtigde binnen de termijn bedoeld in artikel 61, indien de gerechtigde zich in een tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid bevindt en binnen de termijn bedoeld in [8 artikel 190, tweede lid, 1°, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996]8, indien de gerechtigde zich in een tijdvak van invaliditeit bevindt.
§ 2. De gerechtigde bedoeld in § 1 moet de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen terugbetalen die hij ontvangen heeft voor de dagen of de periode tijdens welke hij de niet toegelaten arbeid heeft verricht [6 , met inbegrip van de dagen wettelijke vakantie, de vakantiedagen krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de bijkomende vakantiedagen opgenomen in het kader van een niet toegelaten arbeid als werknemer]6. [4 Als de gerechtigde evenwel op zondag een niet toegelaten arbeid heeft verricht, wordt telkens de uitkering teruggevorderd die is toegekend voor de eerste voorafgaande vergoedbare dag waarop de gerechtigde geen arbeid heeft verricht.]4
De dagen of de periode, bedoeld in het vorige lid, worden gelijkgesteld met vergoede dagen voor de vaststelling van de rechten op sociale zekerheidsprestaties van de gerechtigde, alsook van de personen die hij ten laste heeft.]1
Änderungen
Art. 23ter. [1 § 1er. Le titulaire reconnu incapable de travailler, qui a effectué un travail sans l'autorisation [5 ...]5 visée [7 à l'article 23bis]7, ou sans avoir respecté les conditions de l'autorisation, est soumis à un examen médical en vue de contrôler si les conditions de reconnaissance de l'incapacité de travail sont réunies à la date de l'examen.
L'examen médical doit être effectué dans les trente jours ouvrables à compter de la constatation, par l'organisme assureur, de l'activité non autorisée ou à compter de la communication de celle-ci à l'organisme assureur.
S'il est constaté, à la date de l'examen médical, que l'intéressé ne remplit plus les conditions pour être reconnu incapable de travailler, la décision de fin de reconnaissance est notifiée au titulaire dans le délai visé à l'article 61, si le titulaire se trouve dans une période d'incapacité primaire et dans le délai visé [8 à l'article 190, alinéa 2, 1°, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996]8, si le titulaire se trouve en période d'invalidité.
§ 2. Le titulaire visé au § 1er est tenu de rembourser les indemnités d'incapacité de travail qu'il a perçues pour les jours ou la période durant lesquels il a effectué le travail non autorisé [6 , y compris les jours de vacances légales, les jours de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire et les jours de vacances complémentaires pris dans le cadre d'un travail non autorisé en tant que travailleur salarié]6. [4 Toutefois, si le titulaire a accompli un travail non autorisé le dimanche, l'indemnité octroyée pour le premier jour indemnisable qui précède durant lequel le titulaire n'a exercé aucun travail, est chaque fois récupérée.]4
Les jours ou la période visés à l'alinéa précédent sont assimilés à des jours indemnisés pour la détermination des droits aux prestations de sécurité sociale du titulaire ainsi que des personnes à charge de celui-ci.]1
L'examen médical doit être effectué dans les trente jours ouvrables à compter de la constatation, par l'organisme assureur, de l'activité non autorisée ou à compter de la communication de celle-ci à l'organisme assureur.
S'il est constaté, à la date de l'examen médical, que l'intéressé ne remplit plus les conditions pour être reconnu incapable de travailler, la décision de fin de reconnaissance est notifiée au titulaire dans le délai visé à l'article 61, si le titulaire se trouve dans une période d'incapacité primaire et dans le délai visé [8 à l'article 190, alinéa 2, 1°, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996]8, si le titulaire se trouve en période d'invalidité.
§ 2. Le titulaire visé au § 1er est tenu de rembourser les indemnités d'incapacité de travail qu'il a perçues pour les jours ou la période durant lesquels il a effectué le travail non autorisé [6 , y compris les jours de vacances légales, les jours de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire et les jours de vacances complémentaires pris dans le cadre d'un travail non autorisé en tant que travailleur salarié]6. [4 Toutefois, si le titulaire a accompli un travail non autorisé le dimanche, l'indemnité octroyée pour le premier jour indemnisable qui précède durant lequel le titulaire n'a exercé aucun travail, est chaque fois récupérée.]4
Les jours ou la période visés à l'alinéa précédent sont assimilés à des jours indemnisés pour la détermination des droits aux prestations de sécurité sociale du titulaire ainsi que des personnes à charge de celui-ci.]1
Änderungen
Art.24. <KB 2007-04-26/65, art. 2, 038; Inwerkingtreding : 16-06-2007> [1 Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 25/12, § 1 in geval van de afwezigheid van de gerechtigde op het [3 fysieke contact georganiseerd door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team]3 als hij de vereiste gegevens voor de inschatting van zijn restcapaciteiten niet heeft bezorgd, wordt de toekenning van de in titel I bedoelde uitkeringen]1 stopgezet zolang de gerechtigde niet voldoet aan de controleverplichtingen welke hem door ieder daartoe bevoegde persoon worden opgelegd.
[2 In afwijking van het voorgaande lid, wordt de toekenning van de in titel I bedoelde uitkeringen stopgezet als de gerechtigde zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact, voor zover dit wordt georganiseerd op hetzelfde ogenblik, tijdens de vierde maand van de periode van primaire ongeschiktheid, door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team met het oog op enerzijds de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 19 zoals voorzien in artikel 25/4/1, en anderzijds de evaluatie van zijn restcapaciteiten zoals voorzien in artikel 25/4/2. Deze stopzetting van de toekenning van de uitkeringen wordt behouden zolang de gerechtigde niet beantwoordt aan de voormelde evaluatieverplichtingen.]2
[2 In afwijking van het voorgaande lid, wordt de toekenning van de in titel I bedoelde uitkeringen stopgezet als de gerechtigde zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact, voor zover dit wordt georganiseerd op hetzelfde ogenblik, tijdens de vierde maand van de periode van primaire ongeschiktheid, door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team met het oog op enerzijds de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 19 zoals voorzien in artikel 25/4/1, en anderzijds de evaluatie van zijn restcapaciteiten zoals voorzien in artikel 25/4/2. Deze stopzetting van de toekenning van de uitkeringen wordt behouden zolang de gerechtigde niet beantwoordt aan de voormelde evaluatieverplichtingen.]2
Art. 24. <KB 2007-04-26/65, art. 2, 038; Inwerkingtreding : 16-06-2007> [1 Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 25/12, § 1 in geval van de afwezigheid van de gerechtigde op het [3 fysieke contact georganiseerd door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team]3 als hij de vereiste gegevens voor de inschatting van zijn restcapaciteiten niet heeft bezorgd, wordt de toekenning van de in titel I bedoelde uitkeringen]1 stopgezet zolang de gerechtigde niet voldoet aan de controleverplichtingen welke hem door ieder daartoe bevoegde persoon worden opgelegd.
[2 In afwijking van het voorgaande lid, wordt de toekenning van de in titel I bedoelde uitkeringen stopgezet als de gerechtigde zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact, voor zover dit wordt georganiseerd op hetzelfde ogenblik, tijdens de vierde maand van de periode van primaire ongeschiktheid, door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team met het oog op enerzijds de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 19 zoals voorzien in artikel 25/4/1, en anderzijds de evaluatie van zijn restcapaciteiten zoals voorzien in artikel 25/4/2. Deze stopzetting van de toekenning van de uitkeringen wordt behouden zolang de gerechtigde niet beantwoordt aan de voormelde evaluatieverplichtingen.]2
[2 In afwijking van het voorgaande lid, wordt de toekenning van de in titel I bedoelde uitkeringen stopgezet als de gerechtigde zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact, voor zover dit wordt georganiseerd op hetzelfde ogenblik, tijdens de vierde maand van de periode van primaire ongeschiktheid, door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team met het oog op enerzijds de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 19 zoals voorzien in artikel 25/4/1, en anderzijds de evaluatie van zijn restcapaciteiten zoals voorzien in artikel 25/4/2. Deze stopzetting van de toekenning van de uitkeringen wordt behouden zolang de gerechtigde niet beantwoordt aan de voormelde evaluatieverplichtingen.]2
Art.24. <AR 2007-04-26/65, art. 2, 038; En vigueur : 16-06-2007> [1 Sous réserve de l'application de l'article 25/12, § 1er, en cas d'absence du titulaire [3 au contact physique organisé par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire]3 s'il n'a pas fourni les données exigées pour l'évaluation de ses capacités restantes, l'octroi des indemnités visées au titre Ier est supprimé]1 aussi longtemps que le titulaire ne répond pas aux obligations de contrôle qui lui sont imposées par toute personne compétente.
[2 Par dérogation à l'alinéa précédent, l'octroi des indemnités visées au titre Ier est supprimé si le titulaire est absent sans justification valable au contact physique pour autant qu'il soit organisé au même moment lors du quatrième mois de la période d'incapacité primaire, par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire en vue, d'une part, de l'évaluation de l'état d'incapacité de travail conformément à l'article 19 tel que prévu à l'article 25/4/1, et, d'autre part, de l'évaluation de ses capacités restantes telle que prévue à l'article 25/4/2. Cette suppression de l'octroi des indemnités est maintenue aussi longtemps que le titulaire ne répond pas aux obligations d'évaluation précitées.]2
[2 Par dérogation à l'alinéa précédent, l'octroi des indemnités visées au titre Ier est supprimé si le titulaire est absent sans justification valable au contact physique pour autant qu'il soit organisé au même moment lors du quatrième mois de la période d'incapacité primaire, par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire en vue, d'une part, de l'évaluation de l'état d'incapacité de travail conformément à l'article 19 tel que prévu à l'article 25/4/1, et, d'autre part, de l'évaluation de ses capacités restantes telle que prévue à l'article 25/4/2. Cette suppression de l'octroi des indemnités est maintenue aussi longtemps que le titulaire ne répond pas aux obligations d'évaluation précitées.]2
Art. 25. [1 Onverminderd de toepassing van de internationale rechtsorde of één van de situaties bedoeld in artikel 294, § 1, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 waarin de gerechtigde zich bevindt, wordt de toekenning van de in titel I bedoelde uitkeringen geweigerd als de gerechtigde zich niet werkelijk op het Belgische grondgebied bevindt.]1
Art.25. [1 Sans préjudice de l'application de l'ordre juridique international ou de l'une des situations visées à l'article 294, § 1er, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 dans laquelle le titulaire se trouve, l'octroi des indemnités visées au titre Ier est refusé lorsque le titulaire ne se trouve pas effectivement sur le territoire belge. ]1
Änderungen
Art. 25/1.[1 In deze afdeling wordt verstaan onder:
Section 2/1. [1 - Contacts physiques durant l'incapacité de travail, le " Trajet Retour Au Travail " et le trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle.]1
Art. 25/2. [1 § 1. Om als "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds te kunnen fungeren, dient de betrokkene de voorwaarden bedoeld in artikel 215octies, § 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 te vervullen.
§ 2. Met respect voor het beroepsgeheim neemt de "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds alle nuttige maatregelen in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" en contacteert hij, in samenspraak met de adviserend arts en met het akkoord van de gerechtigde, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die kan bijdragen tot de sociaalprofessionele re-integratie van deze gerechtigde, evenals ondersteunt hij de gerechtigde in de contacten met voornoemde natuurlijke personen of rechtspersonen. In het bijzonder verricht de "Terug Naar Werk-coördinator" de volgende opdrachten tijdens het "Terug Naar Werk-traject":
1° de organisatie van het eerste contactmoment met de gerechtigde, zowel op vraag van de adviserend arts als op eigen initiatief van de gerechtigde, evenals van de volgende noodzakelijk geachte contactmomenten in het kader van de passende aanpassings- en/of begeleidingsacties;
2° de registratie in het "Terug Naar Werk"-dossier en de opvolging, zowel op algemeen vlak als per individueel dossier, van de verschillende ondernomen acties, inclusief het behaalde resultaat van het "Terug Naar Werk-traject".]1
§ 2. Met respect voor het beroepsgeheim neemt de "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds alle nuttige maatregelen in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" en contacteert hij, in samenspraak met de adviserend arts en met het akkoord van de gerechtigde, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die kan bijdragen tot de sociaalprofessionele re-integratie van deze gerechtigde, evenals ondersteunt hij de gerechtigde in de contacten met voornoemde natuurlijke personen of rechtspersonen. In het bijzonder verricht de "Terug Naar Werk-coördinator" de volgende opdrachten tijdens het "Terug Naar Werk-traject":
1° de organisatie van het eerste contactmoment met de gerechtigde, zowel op vraag van de adviserend arts als op eigen initiatief van de gerechtigde, evenals van de volgende noodzakelijk geachte contactmomenten in het kader van de passende aanpassings- en/of begeleidingsacties;
2° de registratie in het "Terug Naar Werk"-dossier en de opvolging, zowel op algemeen vlak als per individueel dossier, van de verschillende ondernomen acties, inclusief het behaalde resultaat van het "Terug Naar Werk-traject".]1
Art.25/1. [1 Dans cette section, on entend par :
1° le " Trajet Retour Au Travail " : le " Trajet Retour Au Travail " visé à l'article 110, § 1er de la loi coordonnée [2 le 14 juillet 1994]2;
2° le " Coordinateur Retour Au Travail " : le " Coordinateur Retour Au Travail " au sein de la mutualité visé à l'article 110, § 1er de la loi coordonnée [2 le 14 juillet 1994]2;
3° le " Dossier Retour Au Travail ": le dossier électronique du titulaire dans le cadre du " Trajet Retour Au Travail " visé à l'article 110, § 2 de la loi coordonnée [2 le 14 juillet 1994]2;]1
[2 4° le " collaborateur de l'équipe multidisciplinaire " : le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire visé à l'article 102 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994.]2
1° le " Trajet Retour Au Travail " : le " Trajet Retour Au Travail " visé à l'article 110, § 1er de la loi coordonnée [2 le 14 juillet 1994]2;
2° le " Coordinateur Retour Au Travail " : le " Coordinateur Retour Au Travail " au sein de la mutualité visé à l'article 110, § 1er de la loi coordonnée [2 le 14 juillet 1994]2;
3° le " Dossier Retour Au Travail ": le dossier électronique du titulaire dans le cadre du " Trajet Retour Au Travail " visé à l'article 110, § 2 de la loi coordonnée [2 le 14 juillet 1994]2;]1
[2 4° le " collaborateur de l'équipe multidisciplinaire " : le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire visé à l'article 102 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994.]2
Art. 25/2. [1 § 1. Om als "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds te kunnen fungeren, dient de betrokkene de voorwaarden bedoeld in artikel 215octies, § 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 te vervullen.
§ 2. Met respect voor het beroepsgeheim neemt de "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds alle nuttige maatregelen in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" en contacteert hij, in samenspraak met de adviserend arts en met het akkoord van de gerechtigde, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die kan bijdragen tot de sociaalprofessionele re-integratie van deze gerechtigde, evenals ondersteunt hij de gerechtigde in de contacten met voornoemde natuurlijke personen of rechtspersonen. In het bijzonder verricht de "Terug Naar Werk-coördinator" de volgende opdrachten tijdens het "Terug Naar Werk-traject":
1° de organisatie van het eerste contactmoment met de gerechtigde, zowel op vraag van de adviserend arts als op eigen initiatief van de gerechtigde, evenals van de volgende noodzakelijk geachte contactmomenten in het kader van de passende aanpassings- en/of begeleidingsacties;
2° de registratie in het "Terug Naar Werk"-dossier en de opvolging, zowel op algemeen vlak als per individueel dossier, van de verschillende ondernomen acties, inclusief het behaalde resultaat van het "Terug Naar Werk-traject".]1
§ 2. Met respect voor het beroepsgeheim neemt de "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds alle nuttige maatregelen in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" en contacteert hij, in samenspraak met de adviserend arts en met het akkoord van de gerechtigde, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die kan bijdragen tot de sociaalprofessionele re-integratie van deze gerechtigde, evenals ondersteunt hij de gerechtigde in de contacten met voornoemde natuurlijke personen of rechtspersonen. In het bijzonder verricht de "Terug Naar Werk-coördinator" de volgende opdrachten tijdens het "Terug Naar Werk-traject":
1° de organisatie van het eerste contactmoment met de gerechtigde, zowel op vraag van de adviserend arts als op eigen initiatief van de gerechtigde, evenals van de volgende noodzakelijk geachte contactmomenten in het kader van de passende aanpassings- en/of begeleidingsacties;
2° de registratie in het "Terug Naar Werk"-dossier en de opvolging, zowel op algemeen vlak als per individueel dossier, van de verschillende ondernomen acties, inclusief het behaalde resultaat van het "Terug Naar Werk-traject".]1
Art.25/2. [1 § 1er. Pour pouvoir agir en tant que " Coordinateur Retour Au Travail " au sein de la mutualité, l'intéressé doit remplir les conditions visées à l'article 215octies, § 2 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996.
§ 2. Dans le respect du secret professionnel, le " Coordinateur Retour Au Travail " au sein de la mutualité prend toutes les mesures utiles dans le cadre du " Trajet Retour Au Travail " et contacte, en concertation avec le médecin-conseil et avec l'accord du titulaire, toute personne physique ou morale susceptible de contribuer à la réinsertion professionnelle de ce titulaire, de même qu'il accompagne le titulaire dans les contacts avec les personnes physiques ou morales susvisées. En particulier, le " Coordinateur Retour Au Travail " effectue les missions suivantes au cours du " Trajet Retour Au Travail " :
1° l'organisation du premier moment de contact avec le titulaire, que ce soit sur demande du médecin-conseil ou de la propre initiative du titulaire, ainsi que des moments de contacts suivants jugés nécessaires dans le cadre d'actions de réadaptation et/ou d'orientation appropriées;
2° l'enregistrement dans le dossier " Trajet Retour Au Travail " et le suivi, tant au niveau général que par dossier individuel, des différentes actions entreprises, y compris le résultat obtenu du " Trajet Retour Au Travail ".]1
§ 2. Dans le respect du secret professionnel, le " Coordinateur Retour Au Travail " au sein de la mutualité prend toutes les mesures utiles dans le cadre du " Trajet Retour Au Travail " et contacte, en concertation avec le médecin-conseil et avec l'accord du titulaire, toute personne physique ou morale susceptible de contribuer à la réinsertion professionnelle de ce titulaire, de même qu'il accompagne le titulaire dans les contacts avec les personnes physiques ou morales susvisées. En particulier, le " Coordinateur Retour Au Travail " effectue les missions suivantes au cours du " Trajet Retour Au Travail " :
1° l'organisation du premier moment de contact avec le titulaire, que ce soit sur demande du médecin-conseil ou de la propre initiative du titulaire, ainsi que des moments de contacts suivants jugés nécessaires dans le cadre d'actions de réadaptation et/ou d'orientation appropriées;
2° l'enregistrement dans le dossier " Trajet Retour Au Travail " et le suivi, tant au niveau général que par dossier individuel, des différentes actions entreprises, y compris le résultat obtenu du " Trajet Retour Au Travail ".]1
Art. 25/4. [1 Tien weken na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid stuurt de adviserend arts een vragenlijst op naar de gerechtigde op grond waarvan wordt nagegaan welke persoons- en omgevingsgerelateerde factoren, naargelang het geval, het hervatten van de taken die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid waarnam of het uitoefenen van elke andere beroepsactiviteit, kunnen bevorderen of verhinderen. De gerechtigde dient deze vragenlijst binnen een termijn van twee weken behoorlijk ingevuld naar de adviserend arts terug te sturen. Indien de adviserend arts de vragenlijst echter niet binnen een termijn van twee weken heeft ontvangen, vraagt hij aan de "Terug Naar Werk-coördinator" dat contact wordt opgenomen met de gerechtigde en, in voorkomend geval, zal hem de nodige ondersteuning bij het invullen worden geboden.
In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts niet tot het verzenden van de vragenlijst over in de volgende situaties:
1° de ernst van de pathologie van de gerechtigde rechtvaardigt het niet verzenden van de vragenlijst;
2° de gerechtigde verricht een toegelaten activiteit overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende;]1
[3 4° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het voormelde koninklijk besluit van 30 januari 1997 heeft bereikt.]3
In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts niet tot het verzenden van de vragenlijst over in de volgende situaties:
1° de ernst van de pathologie van de gerechtigde rechtvaardigt het niet verzenden van de vragenlijst;
2° de gerechtigde verricht een toegelaten activiteit overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende;]1
[3 4° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het voormelde koninklijk besluit van 30 januari 1997 heeft bereikt.]3
Art.25/3. [1 Le trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle au sens de la présente section a pour objectif, dans le cadre du " Trajet Retour Au Travail ", de favoriser la réintégration socioprofessionnelle du titulaire reconnu en incapacité de travail au sens des articles 19 ou 20 en l'accompagnant via une ou plusieurs actions d'adaptation et/ou d'accompagnement vers la reprise des tâches en rapport avec l'occupation professionnelle en tant que travailleur indépendant qu'il exerçait avant son entrée en incapacité de travail ou l'exercice de toute autre activité professionnelle.]1
Art. 25/4. [1 Tien weken na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid stuurt de adviserend arts een vragenlijst op naar de gerechtigde op grond waarvan wordt nagegaan welke persoons- en omgevingsgerelateerde factoren, naargelang het geval, het hervatten van de taken die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid waarnam of het uitoefenen van elke andere beroepsactiviteit, kunnen bevorderen of verhinderen. De gerechtigde dient deze vragenlijst binnen een termijn van twee weken behoorlijk ingevuld naar de adviserend arts terug te sturen. Indien de adviserend arts de vragenlijst echter niet binnen een termijn van twee weken heeft ontvangen, vraagt hij aan de "Terug Naar Werk-coördinator" dat contact wordt opgenomen met de gerechtigde en, in voorkomend geval, zal hem de nodige ondersteuning bij het invullen worden geboden.
In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts niet tot het verzenden van de vragenlijst over in de volgende situaties:
1° de ernst van de pathologie van de gerechtigde rechtvaardigt het niet verzenden van de vragenlijst;
2° de gerechtigde verricht een toegelaten activiteit overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende;]1
[3 4° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het voormelde koninklijk besluit van 30 januari 1997 heeft bereikt.]3
In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts niet tot het verzenden van de vragenlijst over in de volgende situaties:
1° de ernst van de pathologie van de gerechtigde rechtvaardigt het niet verzenden van de vragenlijst;
2° de gerechtigde verricht een toegelaten activiteit overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende;]1
[3 4° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het voormelde koninklijk besluit van 30 januari 1997 heeft bereikt.]3
Art.25/4. [1 Dix semaines après le début de l'incapacité de travail, le médecin-conseil adresse au titulaire un questionnaire sur la base duquel il est examiné quels facteurs personnels et environnementaux, selon le cas, peuvent favoriser ou empêcher la reprise des tâches liées à l'activité indépendante qu'il exerçait avant le début de l'incapacité de travail ou l'exercice de toute autre activité professionnelle. Le titulaire doit retourner ce questionnaire dûment rempli au médecin-conseil dans un délai de deux semaines. Toutefois, si le médecin-conseil n'a pas reçu le questionnaire dans un délai de deux semaines, il demandera au "Coordinateur Retour Au Travail" de contacter le titulaire et, le cas échéant, il lui sera apporté l'accompagnement nécessaire pour le remplir.
Par dérogation à l'alinéa 1er le médecin-conseil ne procède pas à l'envoi du questionnaire dans les situations suivantes :
1° la gravité de la pathologie du titulaire ne justifie pas l'envoi du questionnaire;
2° le titulaire exerce une activité autorisée conformément [2 ...]2 à l'article 23bis;
3° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 25/7, § 1er, et ce trajet est encore en cours;]1
[3 4° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter, de l'arrêté royal précité du 30 janvier 1997.]3
Par dérogation à l'alinéa 1er le médecin-conseil ne procède pas à l'envoi du questionnaire dans les situations suivantes :
1° la gravité de la pathologie du titulaire ne justifie pas l'envoi du questionnaire;
2° le titulaire exerce une activité autorisée conformément [2 ...]2 à l'article 23bis;
3° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 25/7, § 1er, et ce trajet est encore en cours;]1
[3 4° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter, de l'arrêté royal précité du 30 janvier 1997.]3
Art.25/4/2. [1 In de loop van de vierde maand van de arbeidsongeschiktheid maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", onder andere op basis van het medisch dossier van de gerechtigde en de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, een eerste inschatting van diens restcapaciteiten op. Indien het voor de gerechtigde, ondanks de geboden ondersteuning bedoeld in artikel 25/4, eerste lid, niet mogelijk is geweest om de verzonden vragenlijst in te vullen, nodigt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team hem in het kader van deze inschatting van de restcapaciteiten voor een fysiek contact uit, tenzij uit de ter beschikking gestelde medische informatie blijkt dat het invullen van de vragenlijst niet mogelijk is en een fysiek contact op dat moment niet aangewezen is.
Op grond van de verrichte inschatting van zijn restcapaciteiten bedoeld in het eerste lid plaatst de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team de gerechtigde in één van de volgende vier categorieën:
1° categorie 1: er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de zelfstandige gerechtigde uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van arbeidsongeschiktheid spontaan de taken zal hervatten die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid uitoefende;
2° categorie 2: een werkhervatting lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;
3° categorie 3: een werkhervatting is voorlopig niet aan de orde omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;
4° categorie 4: een hervatting van de taken die verband hielden met de beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid uitoefende of van elke andere beroepsactiviteit lijkt mogelijk te zijn na één of meerdere aanpassings- en/of begeleidingsacties.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team is geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van een niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de eerste inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de gerechtigde verricht een toegelaten activiteit overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
2° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1 is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende;]1
[3 3° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het voormelde koninklijk besluit van 30 januari 1997 heeft bereikt.]3
Op grond van de verrichte inschatting van zijn restcapaciteiten bedoeld in het eerste lid plaatst de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team de gerechtigde in één van de volgende vier categorieën:
1° categorie 1: er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de zelfstandige gerechtigde uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van arbeidsongeschiktheid spontaan de taken zal hervatten die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid uitoefende;
2° categorie 2: een werkhervatting lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;
3° categorie 3: een werkhervatting is voorlopig niet aan de orde omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;
4° categorie 4: een hervatting van de taken die verband hielden met de beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid uitoefende of van elke andere beroepsactiviteit lijkt mogelijk te zijn na één of meerdere aanpassings- en/of begeleidingsacties.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team is geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van een niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de eerste inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de gerechtigde verricht een toegelaten activiteit overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
2° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1 is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende;]1
[3 3° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het voormelde koninklijk besluit van 30 januari 1997 heeft bereikt.]3
Art.25/4/1. [1 Au plus tard le dernier jour du quatrième mois d'incapacité de travail, un contact physique a lieu entre le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire et le titulaire. Lors de ce contact, l'état d'incapacité de travail du titulaire est évalué et une information sur la réintégration est fournie.
Toutefois, le contact physique visé à l'alinéa 1er n'a pas lieu dans les situations suivantes :
1° l'état d'incapacité de travail du titulaire est censé exister conformément à l'article 21 [2 ou 22]2;
2° le médecin-conseil estime que le contact physique n'est pas nécessaire compte tenu de la gravité de la pathologie du titulaire. Cette décision est consignée dans le dossier médical du titulaire;
[3 3° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter, de l'arrêté royal précité du 30 janvier 1997.]3
Si le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire présume une fin de l'état d'incapacité de travail sur la base des constatations faites lors du contact physique visé à l'alinéa 1er, un examen médical par le médecin-conseil aura lieu dans un délai d'un mois à compter dudit contact physique.]1
Toutefois, le contact physique visé à l'alinéa 1er n'a pas lieu dans les situations suivantes :
1° l'état d'incapacité de travail du titulaire est censé exister conformément à l'article 21 [2 ou 22]2;
2° le médecin-conseil estime que le contact physique n'est pas nécessaire compte tenu de la gravité de la pathologie du titulaire. Cette décision est consignée dans le dossier médical du titulaire;
[3 3° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter, de l'arrêté royal précité du 30 janvier 1997.]3
Si le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire présume une fin de l'état d'incapacité de travail sur la base des constatations faites lors du contact physique visé à l'alinéa 1er, un examen médical par le médecin-conseil aura lieu dans un délai d'un mois à compter dudit contact physique.]1
Art.25/4/2. [1 In de loop van de vierde maand van de arbeidsongeschiktheid maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", onder andere op basis van het medisch dossier van de gerechtigde en de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, een eerste inschatting van diens restcapaciteiten op. Indien het voor de gerechtigde, ondanks de geboden ondersteuning bedoeld in artikel 25/4, eerste lid, niet mogelijk is geweest om de verzonden vragenlijst in te vullen, nodigt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team hem in het kader van deze inschatting van de restcapaciteiten voor een fysiek contact uit, tenzij uit de ter beschikking gestelde medische informatie blijkt dat het invullen van de vragenlijst niet mogelijk is en een fysiek contact op dat moment niet aangewezen is.
Op grond van de verrichte inschatting van zijn restcapaciteiten bedoeld in het eerste lid plaatst de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team de gerechtigde in één van de volgende vier categorieën:
1° categorie 1: er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de zelfstandige gerechtigde uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van arbeidsongeschiktheid spontaan de taken zal hervatten die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid uitoefende;
2° categorie 2: een werkhervatting lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;
3° categorie 3: een werkhervatting is voorlopig niet aan de orde omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;
4° categorie 4: een hervatting van de taken die verband hielden met de beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid uitoefende of van elke andere beroepsactiviteit lijkt mogelijk te zijn na één of meerdere aanpassings- en/of begeleidingsacties.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team is geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van een niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de eerste inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de gerechtigde verricht een toegelaten activiteit overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
2° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1 is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende;]1
[3 3° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het voormelde koninklijk besluit van 30 januari 1997 heeft bereikt.]3
Op grond van de verrichte inschatting van zijn restcapaciteiten bedoeld in het eerste lid plaatst de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team de gerechtigde in één van de volgende vier categorieën:
1° categorie 1: er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de zelfstandige gerechtigde uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van arbeidsongeschiktheid spontaan de taken zal hervatten die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid uitoefende;
2° categorie 2: een werkhervatting lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;
3° categorie 3: een werkhervatting is voorlopig niet aan de orde omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;
4° categorie 4: een hervatting van de taken die verband hielden met de beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid uitoefende of van elke andere beroepsactiviteit lijkt mogelijk te zijn na één of meerdere aanpassings- en/of begeleidingsacties.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team is geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van een niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de eerste inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de gerechtigde verricht een toegelaten activiteit overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
2° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1 is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende;]1
[3 3° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter, van het voormelde koninklijk besluit van 30 januari 1997 heeft bereikt.]3
Art.25/4/2. [1 Dans le courant du quatrième mois de l'incapacité de travail, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail ", établit, sur base, entre autres, du dossier médical du titulaire et du questionnaire complété par le titulaire, une première estimation de ses capacités restantes. S'il n'était pas possible pour le titulaire, nonobstant l'accompagnement apporté visé à l'article 25/4, alinéa 1er, de remplir le questionnaire envoyé, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire l'invite pour un contact physique dans le cadre de cette estimation des capacités restantes sauf s'il ressort de l'information médicale mise à disposition qu'il n'est pas possible de remplir le questionnaire et qu'un contact physique n'est pas approprié à ce moment-là.
Sur la base de l'estimation effectuée de ses capacités restantes visée à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire classe le titulaire dans l'une des quatre catégories suivantes :
1° catégorie 1 : il peut raisonnablement être présumé que le titulaire indépendant pourra, au plus tard à la fin du sixième mois de l'incapacité de travail, reprendre spontanément les tâches en rapport avec son activité professionnelle en tant que travailleur indépendant qu'il exerçait avant son entrée en incapacité de travail;
2° catégorie 2 : une reprise de travail ne semble pas possible pour des raisons médicales;
3° catégorie 3 : une reprise de travail n'est momentanément pas d'actualité parce que la priorité doit être donnée au diagnostic médical ou au traitement médical;
4° catégorie 4 : une reprise des tâches en rapport avec l'occupation professionnelle en tant que travailleur indépendant qu'il exerçait avant son entrée en incapacité de travail ou de toute autre activité professionnelle semble être possible après une ou plusieurs actions d'adaptation et/ou d'accompagnement.
Si le titulaire a été classé dans la catégorie 2 par un collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le questionnaire complété par le titulaire, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à la première estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes :
1° le titulaire exerce une activité autorisée conformément [2 ...]2 à l'article 23bis;
2° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 25/7, § 1er, et ce trajet est encore en cours;]1
[3 3° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter, de l'arrêté royal précité du 30 janvier 1997.]3
Sur la base de l'estimation effectuée de ses capacités restantes visée à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire classe le titulaire dans l'une des quatre catégories suivantes :
1° catégorie 1 : il peut raisonnablement être présumé que le titulaire indépendant pourra, au plus tard à la fin du sixième mois de l'incapacité de travail, reprendre spontanément les tâches en rapport avec son activité professionnelle en tant que travailleur indépendant qu'il exerçait avant son entrée en incapacité de travail;
2° catégorie 2 : une reprise de travail ne semble pas possible pour des raisons médicales;
3° catégorie 3 : une reprise de travail n'est momentanément pas d'actualité parce que la priorité doit être donnée au diagnostic médical ou au traitement médical;
4° catégorie 4 : une reprise des tâches en rapport avec l'occupation professionnelle en tant que travailleur indépendant qu'il exerçait avant son entrée en incapacité de travail ou de toute autre activité professionnelle semble être possible après une ou plusieurs actions d'adaptation et/ou d'accompagnement.
Si le titulaire a été classé dans la catégorie 2 par un collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le questionnaire complété par le titulaire, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à la première estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes :
1° le titulaire exerce une activité autorisée conformément [2 ...]2 à l'article 23bis;
2° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 25/7, § 1er, et ce trajet est encore en cours;]1
[3 3° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter, de l'arrêté royal précité du 30 janvier 1997.]3
Art.25/4/3. [1 In de loop van de zevende maand van de arbeidsongeschiktheid vindt met het oog op de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid een fysiek contact tussen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team en de gerechtigde plaats in de volgende situaties:
1° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 25/4/2, tweede lid in de categorie 1 geplaatst;
2° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 25/4/2, tweede lid, in de categorie 3 geplaatst;
3° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 25/4/2, tweede lid in de categorie 4 geplaatst en hij beslist om niet deel te nemen aan het "Terug Naar Werk-traject" overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling;
4° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 25/4/2, vierde lid niet in een categorie geplaatst.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde wordt geacht te bestaan overeenkomstig artikel 21 [2 of 22]2.
2° de adviserend arts oordeelt dat het fysieke contact gelet op de ernst van de pathologie van de gerechtigde niet noodzakelijk is en deze beslissing wordt in het medisch dossier van de gerechtigde vermeld;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.
Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het derde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van diens restcapaciteiten op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 25/4/2, tweede lid, geplaatst.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het vierde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de gerechtigde verricht een toegelaten activiteit overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
2° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
1° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 25/4/2, tweede lid in de categorie 1 geplaatst;
2° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 25/4/2, tweede lid, in de categorie 3 geplaatst;
3° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 25/4/2, tweede lid in de categorie 4 geplaatst en hij beslist om niet deel te nemen aan het "Terug Naar Werk-traject" overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling;
4° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 25/4/2, vierde lid niet in een categorie geplaatst.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde wordt geacht te bestaan overeenkomstig artikel 21 [2 of 22]2.
2° de adviserend arts oordeelt dat het fysieke contact gelet op de ernst van de pathologie van de gerechtigde niet noodzakelijk is en deze beslissing wordt in het medisch dossier van de gerechtigde vermeld;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.
Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het derde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van diens restcapaciteiten op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 25/4/2, tweede lid, geplaatst.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het vierde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de gerechtigde verricht een toegelaten activiteit overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
2° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
Art.25/4/3. [1 Dans le courant du septième mois d'incapacité de travail, un contact physique entre le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire et le titulaire a lieu en vue d'une évaluation de l'état d'incapacité de travail dans les situations suivantes :
1° le titulaire a été classé dans la catégorie 1 conformément à l'article 25/4/2, alinéa 2;
2° le titulaire a été classé dans la catégorie 3 conformément à l'article 25/4/2, alinéa 2;
3° le titulaire a été classé dans la catégorie 4 conformément à l'article 25/4/2, alinéa 2, et il décide de ne pas participer au " Trajet Retour Au Travail " conformément aux dispositions de la présente section;
4° le titulaire n'a pas été classé dans une catégorie conformément à l'article 25/4/2, alinéa 4.
Toutefois, le contact physique visé à l'alinéa 1er n'a pas lieu dans les situations suivantes :
1° l'état d'incapacité de travail du titulaire est censé exister conformément à l'article 21 [2 ou 22]2;
2° le médecin-conseil estime que le contact physique n'est pas nécessaire compte tenu de la gravité de la pathologie du titulaire et cette décision est consignée dans le dossier médical du titulaire;
3° après l'autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 25/7, § 1er, un " Trajet Retour Au Travail " a été entamé à la demande du titulaire et ce trajet est encore en cours.
Si le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire présume une fin de l'état d'incapacité de travail sur la base des constatations faites lors du contact physique visé à l'alinéa 1er, un examen médical par le médecin-conseil aura lieu dans un délai d'un mois à compter dudit contact physique.
Si, le cas échéant, après le contact physique visé à l'alinéa 1er ou après l'examen médical visé à l'alinéa 3, il apparaît que l'état d'incapacité de travail du titulaire peut encore être reconnu, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire procède à une nouvelle évaluation des capacités restantes du titulaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail " Sur la base de cette nouvelle évaluation, le titulaire est classé dans l'une des catégories visées à l'article 25/4/2, alinéa 2.
Si le titulaire a été classé, pour la première fois, dans la catégorie 2 par un collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 4, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à l'estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes :
1° le titulaire exerce une activité autorisée conformément [2 ...]2 à l'article 23bis;
2° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 25/7, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
1° le titulaire a été classé dans la catégorie 1 conformément à l'article 25/4/2, alinéa 2;
2° le titulaire a été classé dans la catégorie 3 conformément à l'article 25/4/2, alinéa 2;
3° le titulaire a été classé dans la catégorie 4 conformément à l'article 25/4/2, alinéa 2, et il décide de ne pas participer au " Trajet Retour Au Travail " conformément aux dispositions de la présente section;
4° le titulaire n'a pas été classé dans une catégorie conformément à l'article 25/4/2, alinéa 4.
Toutefois, le contact physique visé à l'alinéa 1er n'a pas lieu dans les situations suivantes :
1° l'état d'incapacité de travail du titulaire est censé exister conformément à l'article 21 [2 ou 22]2;
2° le médecin-conseil estime que le contact physique n'est pas nécessaire compte tenu de la gravité de la pathologie du titulaire et cette décision est consignée dans le dossier médical du titulaire;
3° après l'autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 25/7, § 1er, un " Trajet Retour Au Travail " a été entamé à la demande du titulaire et ce trajet est encore en cours.
Si le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire présume une fin de l'état d'incapacité de travail sur la base des constatations faites lors du contact physique visé à l'alinéa 1er, un examen médical par le médecin-conseil aura lieu dans un délai d'un mois à compter dudit contact physique.
Si, le cas échéant, après le contact physique visé à l'alinéa 1er ou après l'examen médical visé à l'alinéa 3, il apparaît que l'état d'incapacité de travail du titulaire peut encore être reconnu, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire procède à une nouvelle évaluation des capacités restantes du titulaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail " Sur la base de cette nouvelle évaluation, le titulaire est classé dans l'une des catégories visées à l'article 25/4/2, alinéa 2.
Si le titulaire a été classé, pour la première fois, dans la catégorie 2 par un collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 4, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à l'estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes :
1° le titulaire exerce une activité autorisée conformément [2 ...]2 à l'article 23bis;
2° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 25/7, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
Art.25/4/5. [1 In de loop van de voorlaatste maand vóór het verstrijken van elk tijdvak waarvoor de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, vindt met het oog op de evaluatie van de staat van invaliditeit en in voorkomend geval de mededeling van het voorstel overeenkomstig artikel 177, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 een fysiek contact tussen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team en de gerechtigde plaats.
In afwijking van het eerste lid en als het gaat om het fysieke contact dat plaatsvindt tijdens de voorlaatste maand vóór het verstrijken van het eerste tijdvak waarvoor de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, kan het fysieke contact enkel met de adviserend arts plaatsvinden als het fysieke contact bedoeld in artikel 25/4/4, eerste lid, met de medewerker van het multidisciplinaire team heeft plaatsgevonden.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde wordt geacht te bestaan overeenkomstig de artikelen 21 [2 of 22]2;
2° de adviserend arts beslist dat het voorstel met toepassing van artikel 177, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 mogelijk is louter op grond van de gegevens opgenomen in het medisch dossier van de gerechtigde.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.
Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het vierde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van diens restcapaciteiten op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 25/4/2, tweede lid, geplaatst.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het vijfde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
2° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
In afwijking van het eerste lid en als het gaat om het fysieke contact dat plaatsvindt tijdens de voorlaatste maand vóór het verstrijken van het eerste tijdvak waarvoor de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, kan het fysieke contact enkel met de adviserend arts plaatsvinden als het fysieke contact bedoeld in artikel 25/4/4, eerste lid, met de medewerker van het multidisciplinaire team heeft plaatsgevonden.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde wordt geacht te bestaan overeenkomstig de artikelen 21 [2 of 22]2;
2° de adviserend arts beslist dat het voorstel met toepassing van artikel 177, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 mogelijk is louter op grond van de gegevens opgenomen in het medisch dossier van de gerechtigde.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.
Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het vierde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van diens restcapaciteiten op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 25/4/2, tweede lid, geplaatst.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het vijfde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
2° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
Art.25/4/4. [1 Au cours du onzième mois d'incapacité de travail, un contact physique entre le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire et le titulaire a lieu en vue de l'évaluation de l'état d'incapacité de travail et, le cas échéant, en vue de la communication de la proposition conformément à l'article 177, § 1er, 1°, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le contact physique au cours du onzième mois d'incapacité de travail ne peut avoir lieu avec le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire qu'à la condition que le contact physique visé à l'article 25/4/3, alinéa 1er, ait eu lieu avec le médecin-conseil.
Toutefois, le contact physique visé à l'alinéa 1er n'a pas lieu dans les situations suivantes :
1° l'état d'incapacité de travail du titulaire est censé exister conformément à l'article 21 [2 ou 22]2;
2° le médecin-conseil décide que la proposition en application de l'article 177, § 1er, 1°, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 est possible uniquement sur base des données figurant dans le dossier médical du titulaire.
Si le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire présume une fin de l'état d'incapacité de travail sur la base des constatations faites lors du contact physique visé à l'alinéa 1er, un examen médical par le médecin-conseil aura lieu dans un délai d'un mois à compter dudit contact physique.
Si, le cas échéant, après le contact physique visé à l'alinéa 1er ou après l'examen médical visé à l'alinéa 4, il apparaît que l'état d'incapacité de travail du titulaire peut encore être reconnu, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire procède à une nouvelle évaluation des capacités restantes du titulaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail ". Sur la base de cette nouvelle évaluation, le titulaire est classé dans l'une des catégories visées à l'article 25/4/2, alinéa 2.
Si le titulaire a été classé, pour la première fois, dans la catégorie 2 par un collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 5, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à l'estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes :
1° le titulaire exerce une activité autorisée conformément [2 ...]2 à l'article 23bis;
2° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 25/7, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, le contact physique au cours du onzième mois d'incapacité de travail ne peut avoir lieu avec le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire qu'à la condition que le contact physique visé à l'article 25/4/3, alinéa 1er, ait eu lieu avec le médecin-conseil.
Toutefois, le contact physique visé à l'alinéa 1er n'a pas lieu dans les situations suivantes :
1° l'état d'incapacité de travail du titulaire est censé exister conformément à l'article 21 [2 ou 22]2;
2° le médecin-conseil décide que la proposition en application de l'article 177, § 1er, 1°, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 est possible uniquement sur base des données figurant dans le dossier médical du titulaire.
Si le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire présume une fin de l'état d'incapacité de travail sur la base des constatations faites lors du contact physique visé à l'alinéa 1er, un examen médical par le médecin-conseil aura lieu dans un délai d'un mois à compter dudit contact physique.
Si, le cas échéant, après le contact physique visé à l'alinéa 1er ou après l'examen médical visé à l'alinéa 4, il apparaît que l'état d'incapacité de travail du titulaire peut encore être reconnu, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire procède à une nouvelle évaluation des capacités restantes du titulaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail ". Sur la base de cette nouvelle évaluation, le titulaire est classé dans l'une des catégories visées à l'article 25/4/2, alinéa 2.
Si le titulaire a été classé, pour la première fois, dans la catégorie 2 par un collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 5, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à l'estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes :
1° le titulaire exerce une activité autorisée conformément [2 ...]2 à l'article 23bis;
2° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 25/7, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
Art.25/4/5. [1 In de loop van de voorlaatste maand vóór het verstrijken van elk tijdvak waarvoor de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, vindt met het oog op de evaluatie van de staat van invaliditeit en in voorkomend geval de mededeling van het voorstel overeenkomstig artikel 177, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 een fysiek contact tussen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team en de gerechtigde plaats.
In afwijking van het eerste lid en als het gaat om het fysieke contact dat plaatsvindt tijdens de voorlaatste maand vóór het verstrijken van het eerste tijdvak waarvoor de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, kan het fysieke contact enkel met de adviserend arts plaatsvinden als het fysieke contact bedoeld in artikel 25/4/4, eerste lid, met de medewerker van het multidisciplinaire team heeft plaatsgevonden.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde wordt geacht te bestaan overeenkomstig de artikelen 21 [2 of 22]2;
2° de adviserend arts beslist dat het voorstel met toepassing van artikel 177, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 mogelijk is louter op grond van de gegevens opgenomen in het medisch dossier van de gerechtigde.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.
Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het vierde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van diens restcapaciteiten op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 25/4/2, tweede lid, geplaatst.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het vijfde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
2° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
In afwijking van het eerste lid en als het gaat om het fysieke contact dat plaatsvindt tijdens de voorlaatste maand vóór het verstrijken van het eerste tijdvak waarvoor de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, kan het fysieke contact enkel met de adviserend arts plaatsvinden als het fysieke contact bedoeld in artikel 25/4/4, eerste lid, met de medewerker van het multidisciplinaire team heeft plaatsgevonden.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde wordt geacht te bestaan overeenkomstig de artikelen 21 [2 of 22]2;
2° de adviserend arts beslist dat het voorstel met toepassing van artikel 177, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 mogelijk is louter op grond van de gegevens opgenomen in het medisch dossier van de gerechtigde.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.
Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het vierde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van diens restcapaciteiten op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 25/4/2, tweede lid, geplaatst.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het vijfde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis;
2° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 25/7, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
Art.25/4/5. [1 Au cours de l'avant-dernier mois précédant l'expiration de chaque période pour laquelle le médecin du Service des indemnités membre du Conseil de l'invalidité a constaté l'état d'invalidité, un contact physique entre le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire et le titulaire a lieu en vue de l'évaluation de l'état d'invalidité et, le cas échéant, en vue de la communication de la proposition conformément à l'article 177, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996.
Par dérogation à l'alinéa 1er et s'il s'agit du contact physique ayant lieu au cours de l'avant-dernier mois précédant l'expiration de la première période pour laquelle le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical d'invalidité a constaté l'état d'invalidité, le contact physique ne peut avoir lieu qu'avec le médecin-conseil si le contact physique visé à l'article 25/4/4, alinéa 1er, a eu lieu avec le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire.
Toutefois, le contact physique visé à l'alinéa 1er n'a pas lieu dans les situations suivantes :
1° l'état d'incapacité de travail du titulaire est censé exister conformément à l'article 21 [2 ou 22]2;
2° le médecin-conseil décide que la proposition en application de l'article 177, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 est possible uniquement sur base des données figurant dans le dossier médical du titulaire.
Si le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire présume une fin de l'état d'incapacité de travail sur la base des constatations faites lors du contact physique visé à l'alinéa 1er, un examen médical par le médecin-conseil aura lieu dans un délai d'un mois à compter dudit contact physique.
Si, le cas échéant, après le contact physique visé à l'alinéa 1er ou après l'examen médical visé à l'alinéa 4, il apparaît que l'état d'incapacité de travail du titulaire peut encore être reconnu, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire procède à une nouvelle évaluation des capacités restantes du titulaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail ". Sur la base de cette nouvelle évaluation, le titulaire est classé dans l'une des catégories visées à l'article 25/4/2, alinéa 2.
Si le titulaire a été classé, pour la première fois, dans la catégorie 2 par un collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 5, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à l'estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes :
1° le titulaire exerce une activité autorisée conformément [2 ...]2 à l'article 23bis;
2° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 25/7, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er et s'il s'agit du contact physique ayant lieu au cours de l'avant-dernier mois précédant l'expiration de la première période pour laquelle le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical d'invalidité a constaté l'état d'invalidité, le contact physique ne peut avoir lieu qu'avec le médecin-conseil si le contact physique visé à l'article 25/4/4, alinéa 1er, a eu lieu avec le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire.
Toutefois, le contact physique visé à l'alinéa 1er n'a pas lieu dans les situations suivantes :
1° l'état d'incapacité de travail du titulaire est censé exister conformément à l'article 21 [2 ou 22]2;
2° le médecin-conseil décide que la proposition en application de l'article 177, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 est possible uniquement sur base des données figurant dans le dossier médical du titulaire.
Si le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire présume une fin de l'état d'incapacité de travail sur la base des constatations faites lors du contact physique visé à l'alinéa 1er, un examen médical par le médecin-conseil aura lieu dans un délai d'un mois à compter dudit contact physique.
Si, le cas échéant, après le contact physique visé à l'alinéa 1er ou après l'examen médical visé à l'alinéa 4, il apparaît que l'état d'incapacité de travail du titulaire peut encore être reconnu, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire procède à une nouvelle évaluation des capacités restantes du titulaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail ". Sur la base de cette nouvelle évaluation, le titulaire est classé dans l'une des catégories visées à l'article 25/4/2, alinéa 2.
Si le titulaire a été classé, pour la première fois, dans la catégorie 2 par un collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 5, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à l'estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes :
1° le titulaire exerce une activité autorisée conformément [2 ...]2 à l'article 23bis;
2° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 25/7, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
Art. 25/6. [1 Onverminderd de toepassing van [2 artikel 25/4/2, eerste lid]2 kan de gerechtigde zelf de "Terug Naar Werk-coördinator" op elk ogenblik tijdens de arbeidsongeschiktheid vragen om een eerste contactmoment in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" te organiseren. De "Terug Naar Werk-coördinator" informeert de adviserend arts over dit verzoek.
Ter voorbereiding van dit eerste contactmoment wordt de gerechtigde uitgenodigd om een vragenlijst in te vullen die nagaat welke persoons- en omgevingsgerelateerde factoren, naargelang het geval, het hervatten van de taken die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid uitoefende of het uitoefenen van elke andere beroepsactiviteit kunnen bevorderen of verhinderen. De gerechtigde dient deze vragenlijst binnen een termijn van twee weken behoorlijk ingevuld naar de adviserend arts terug te sturen
In afwijking van het vorige lid, wordt geen vragenlijst naar de gerechtigde opgestuurd indien deze gerechtigde tijdens de lopende arbeidsongeschiktheid al een vragenlijst heeft ingevuld en er wordt geoordeeld dat een actualisatie van de verstrekte antwoorden niet nodig is.
Binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, vindt het eerste contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" plaats. Tijdens dit eerste contactmoment licht de "Terug Naar Werk-coördinator" zijn rol inzake de begeleiding en opvolging van het traject toe en gaat hij samen met de gerechtigde de eerste stap van het traject na.
Tijdens het eerste contactmoment bedoeld in het eerste lid vraagt de "Terug Naar Werk-coördinator" aan de gerechtigde uitdrukkelijk zijn schriftelijke toestemming voor de gegevensverwerking bedoeld in artikel 110, § 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het eerste contactmoment bedoeld in het vierde lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
Ter voorbereiding van dit eerste contactmoment wordt de gerechtigde uitgenodigd om een vragenlijst in te vullen die nagaat welke persoons- en omgevingsgerelateerde factoren, naargelang het geval, het hervatten van de taken die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid uitoefende of het uitoefenen van elke andere beroepsactiviteit kunnen bevorderen of verhinderen. De gerechtigde dient deze vragenlijst binnen een termijn van twee weken behoorlijk ingevuld naar de adviserend arts terug te sturen
In afwijking van het vorige lid, wordt geen vragenlijst naar de gerechtigde opgestuurd indien deze gerechtigde tijdens de lopende arbeidsongeschiktheid al een vragenlijst heeft ingevuld en er wordt geoordeeld dat een actualisatie van de verstrekte antwoorden niet nodig is.
Binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, vindt het eerste contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" plaats. Tijdens dit eerste contactmoment licht de "Terug Naar Werk-coördinator" zijn rol inzake de begeleiding en opvolging van het traject toe en gaat hij samen met de gerechtigde de eerste stap van het traject na.
Tijdens het eerste contactmoment bedoeld in het eerste lid vraagt de "Terug Naar Werk-coördinator" aan de gerechtigde uitdrukkelijk zijn schriftelijke toestemming voor de gegevensverwerking bedoeld in artikel 110, § 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het eerste contactmoment bedoeld in het vierde lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
Art.25/5. [1 § 1er. [2 Le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas, renvoie le titulaire au " Coordinateur Retour Au Travail " en vue d'un premier moment de contact dans le cadre d'un "Trajet Retour Au Travail" si, à un moment donné au cours de l'incapacité de travail, ce titulaire a été classé dans la catégorie 4 visée à l'article 25/4/2, alinéa 2, 4°.]2
§ 2. [2 Le premier moment de contact entre le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire a lieu :
1° au plus tard au cours du sixième mois d'incapacité de travail dans le cas d'un titulaire classé dans la catégorie 4 conformément à l'article 25/4/2, alinéa 2;
2° dans le mois du renvoi, selon le cas, par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, du titulaire classé en catégorie 4 conformément à l'article 25/4/3, alinéas 4 et 5, l'article 25/4/4, alinéas 5 et 6, et l'article 25/4/5, alinéas 5 et 6.]2
Lors de ce premier moment de contact, il explique son rôle en matière d'accompagnement et de suivi du trajet et, avec le titulaire, vérifie la première étape du trajet.
Lors du premier moment de contact visé à l'alinéa 1er, le " Coordinateur Retour Au Travail " demande au titulaire son consentement exprès écrit pour le traitement des données visé à l'article 110, § 2 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " enregistre le premier moment de contact visé à l'alinéa 1er et les actions convenues dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un premier moment de contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail " n'a pas lieu si le titulaire exerce une activité autorisée conformément [3 ...]3 [2 à l'article 23bis]2.]1
§ 2. [2 Le premier moment de contact entre le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire a lieu :
1° au plus tard au cours du sixième mois d'incapacité de travail dans le cas d'un titulaire classé dans la catégorie 4 conformément à l'article 25/4/2, alinéa 2;
2° dans le mois du renvoi, selon le cas, par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, du titulaire classé en catégorie 4 conformément à l'article 25/4/3, alinéas 4 et 5, l'article 25/4/4, alinéas 5 et 6, et l'article 25/4/5, alinéas 5 et 6.]2
Lors de ce premier moment de contact, il explique son rôle en matière d'accompagnement et de suivi du trajet et, avec le titulaire, vérifie la première étape du trajet.
Lors du premier moment de contact visé à l'alinéa 1er, le " Coordinateur Retour Au Travail " demande au titulaire son consentement exprès écrit pour le traitement des données visé à l'article 110, § 2 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " enregistre le premier moment de contact visé à l'alinéa 1er et les actions convenues dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un premier moment de contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail " n'a pas lieu si le titulaire exerce une activité autorisée conformément [3 ...]3 [2 à l'article 23bis]2.]1
Art. 25/6. [1 Onverminderd de toepassing van [2 artikel 25/4/2, eerste lid]2 kan de gerechtigde zelf de "Terug Naar Werk-coördinator" op elk ogenblik tijdens de arbeidsongeschiktheid vragen om een eerste contactmoment in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" te organiseren. De "Terug Naar Werk-coördinator" informeert de adviserend arts over dit verzoek.
Ter voorbereiding van dit eerste contactmoment wordt de gerechtigde uitgenodigd om een vragenlijst in te vullen die nagaat welke persoons- en omgevingsgerelateerde factoren, naargelang het geval, het hervatten van de taken die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid uitoefende of het uitoefenen van elke andere beroepsactiviteit kunnen bevorderen of verhinderen. De gerechtigde dient deze vragenlijst binnen een termijn van twee weken behoorlijk ingevuld naar de adviserend arts terug te sturen
In afwijking van het vorige lid, wordt geen vragenlijst naar de gerechtigde opgestuurd indien deze gerechtigde tijdens de lopende arbeidsongeschiktheid al een vragenlijst heeft ingevuld en er wordt geoordeeld dat een actualisatie van de verstrekte antwoorden niet nodig is.
Binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, vindt het eerste contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" plaats. Tijdens dit eerste contactmoment licht de "Terug Naar Werk-coördinator" zijn rol inzake de begeleiding en opvolging van het traject toe en gaat hij samen met de gerechtigde de eerste stap van het traject na.
Tijdens het eerste contactmoment bedoeld in het eerste lid vraagt de "Terug Naar Werk-coördinator" aan de gerechtigde uitdrukkelijk zijn schriftelijke toestemming voor de gegevensverwerking bedoeld in artikel 110, § 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het eerste contactmoment bedoeld in het vierde lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
Ter voorbereiding van dit eerste contactmoment wordt de gerechtigde uitgenodigd om een vragenlijst in te vullen die nagaat welke persoons- en omgevingsgerelateerde factoren, naargelang het geval, het hervatten van de taken die verband hielden met zijn beroepsbezigheid als zelfstandige gerechtigde die hij vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid uitoefende of het uitoefenen van elke andere beroepsactiviteit kunnen bevorderen of verhinderen. De gerechtigde dient deze vragenlijst binnen een termijn van twee weken behoorlijk ingevuld naar de adviserend arts terug te sturen
In afwijking van het vorige lid, wordt geen vragenlijst naar de gerechtigde opgestuurd indien deze gerechtigde tijdens de lopende arbeidsongeschiktheid al een vragenlijst heeft ingevuld en er wordt geoordeeld dat een actualisatie van de verstrekte antwoorden niet nodig is.
Binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, vindt het eerste contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" plaats. Tijdens dit eerste contactmoment licht de "Terug Naar Werk-coördinator" zijn rol inzake de begeleiding en opvolging van het traject toe en gaat hij samen met de gerechtigde de eerste stap van het traject na.
Tijdens het eerste contactmoment bedoeld in het eerste lid vraagt de "Terug Naar Werk-coördinator" aan de gerechtigde uitdrukkelijk zijn schriftelijke toestemming voor de gegevensverwerking bedoeld in artikel 110, § 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het eerste contactmoment bedoeld in het vierde lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
Art.25/6. [1 Sans préjudice de l'application de [2 l'article 25/4/2, alinéa 1er]2, le titulaire peut lui-même demander à tout moment au cours de l'incapacité de travail, au " Coordinateur Retour Au Travail ", d'organiser un premier moment de contact dans le cadre d'un " Trajet Retour Au Travail ". Le " Coordinateur Retour Au Travail " informe le médecin-conseil de cette demande.
En préparation de ce premier moment de contact, le titulaire est invité à remplir un questionnaire qui permet d'examiner quels facteurs personnels et environnementaux, selon le cas, peuvent favoriser ou empêcher la reprise des tâches liées à l'activité indépendante qu'il exerçait avant le début de l'incapacité de travail ou l'exercice de toute autre activité professionnelle. Le titulaire doit retourner ce questionnaire dûment rempli dans un délai de deux semaines.
En dérogation à l'alinéa précédent, aucun questionnaire ne sera envoyé au titulaire si ce titulaire a déjà rempli un questionnaire pendant l'incapacité de travail en cours et qu'il est jugé qu'une mise à jour des réponses fournies n'est pas nécessaire.
Dans un délai d'un mois à compter de la réception du questionnaire rempli par le titulaire, le premier moment de contact entre le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire dans le cadre d'un " Trajet Retour Au Travail " a lieu. Lors de ce premier moment de contact, le " Coordinateur Retour Au Travail " explique son rôle en matière d'accompagnement et de suivi du trajet et, avec le titulaire, vérifie la première étape du trajet.
Lors du premier moment de contact visé à l'alinéa 1er, le " Coordinateur Retour Au Travail " demande au titulaire son consentement exprès écrit pour le traitement des données visé à l'article 110, § 2 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " enregistre le premier moment de contact visé à l'alinéa 4 et les actions qui y ont été convenues dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.]1
En préparation de ce premier moment de contact, le titulaire est invité à remplir un questionnaire qui permet d'examiner quels facteurs personnels et environnementaux, selon le cas, peuvent favoriser ou empêcher la reprise des tâches liées à l'activité indépendante qu'il exerçait avant le début de l'incapacité de travail ou l'exercice de toute autre activité professionnelle. Le titulaire doit retourner ce questionnaire dûment rempli dans un délai de deux semaines.
En dérogation à l'alinéa précédent, aucun questionnaire ne sera envoyé au titulaire si ce titulaire a déjà rempli un questionnaire pendant l'incapacité de travail en cours et qu'il est jugé qu'une mise à jour des réponses fournies n'est pas nécessaire.
Dans un délai d'un mois à compter de la réception du questionnaire rempli par le titulaire, le premier moment de contact entre le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire dans le cadre d'un " Trajet Retour Au Travail " a lieu. Lors de ce premier moment de contact, le " Coordinateur Retour Au Travail " explique son rôle en matière d'accompagnement et de suivi du trajet et, avec le titulaire, vérifie la première étape du trajet.
Lors du premier moment de contact visé à l'alinéa 1er, le " Coordinateur Retour Au Travail " demande au titulaire son consentement exprès écrit pour le traitement des données visé à l'article 110, § 2 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " enregistre le premier moment de contact visé à l'alinéa 4 et les actions qui y ont été convenues dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.]1
Art. 25/7. [1 § 1. Na het eerste contactmoment bedoeld in artikel 25/6 informeert de "Terug Naar Werk-coördinator" de adviserend arts over de inhoud ervan en vraagt hem om toestemming om een "Terug Naar Werk-traject" op te starten.
§ 2. Indien de adviserend arts oordeelt dat het opstarten van een "Terug Naar Werk-traject" niet verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand, vindt een nieuw contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde binnen de maand na het vorige contactmoment plaats om de door de adviserend arts verrichte inschatting te bespreken.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het nieuwe contactmoment bedoeld in het eerste lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
§ 2. Indien de adviserend arts oordeelt dat het opstarten van een "Terug Naar Werk-traject" niet verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand, vindt een nieuw contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde binnen de maand na het vorige contactmoment plaats om de door de adviserend arts verrichte inschatting te bespreken.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het nieuwe contactmoment bedoeld in het eerste lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
Art.25/7. [1 § 1er. Après le premier moment de contact visé à l'article 25/6, le " Coordinateur Retour Au Travail " informe le médecin-conseil de son contenu et lui demande l'autorisation d'entamer un " Trajet Retour Au Travail ".
§ 2. Si le médecin-conseil estime qu'entamer un " Trajet Retour Au Travail " n'est pas compatible avec l'état de santé général, un nouveau moment de contact a lieu entre le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire dans un délai d'un mois après le moment de contact précédent, pour discuter de l'évaluation faite par le médecin-conseil.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " enregistre le nouveau moment de contact visé à l'alinéa 1er et les actions convenues dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.]1
§ 2. Si le médecin-conseil estime qu'entamer un " Trajet Retour Au Travail " n'est pas compatible avec l'état de santé général, un nouveau moment de contact a lieu entre le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire dans un délai d'un mois après le moment de contact précédent, pour discuter de l'évaluation faite par le médecin-conseil.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " enregistre le nouveau moment de contact visé à l'alinéa 1er et les actions convenues dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.]1
Art. 25/9. [1 In het kader van het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie in de zin van artikel 25/3 wordt de gerechtigde uitgenodigd voor een opvolggesprek door de "Terug Naar Werk-coördinator" waarin concreet inhoud wordt gegeven aan het re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie dat hem betreft.
Het eerste opvolggesprek vindt plaats binnen een termijn van één maand nadat de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie hebben opgestart zoals bedoeld in artikel 25/8. Indien nodig kan een tweede opvolggesprek worden gepland.
De bevindingen van de opvolggesprekken worden in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde geregistreerd.]1
Het eerste opvolggesprek vindt plaats binnen een termijn van één maand nadat de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie hebben opgestart zoals bedoeld in artikel 25/8. Indien nodig kan een tweede opvolggesprek worden gepland.
De bevindingen van de opvolggesprekken worden in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde geregistreerd.]1
Art.25/8. [1 Le " Coordinateur Retour Au Travail ", démarre, en concertation avec le médecin-conseil et le titulaire, un trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle au sens de l'article 25/3 si le titulaire qui, lors du premier moment de contact visé à l'article 25/5, § 2, lors du premier moment de contact visé à l'article 25/6 avec l'accord du médecin-conseil ou lors d'un nouveau moment de contact visé à l'article 25/7, § 2, s'est engagé à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent.
Les trois parties visées à l'alinéa 1er souscrivent une déclaration positive d'engagement.]1
Les trois parties visées à l'alinéa 1er souscrivent une déclaration positive d'engagement.]1
Art. 25/10. [1 Overeenkomstig de bepalingen van artikel 25/9 stelt de "Terug Naar Werk-coördinator" in samenspraak met de gerechtigde en de adviserend arts een re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op. Dit plan bevat minstens de doelstellingen van het plan, het eindresultaat dat wordt nagestreefd, één concrete actie en één concrete afspraak voor een volgend opvolggesprek.
De "Terug Naar Werk-coördinator" en de adviserend arts kunnen in voorkomend geval en mits de toestemming van de gerechtigde overleggen met andere bij het traject betrokken partijen, meer bepaald de behandelend arts, de therapeutische begeleider, het sociaalverzekeringsfonds, de zelfstandigenorganisatie, de werkgever, de begeleider van de diensten en instellingen van de Gewesten en de Gemeenschappen of andere dienstverleners die deelnemen aan de socioprofessionele re-integratie overeenkomstig hun wettelijke, decretale of maatschappelijke opdracht.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de doelstellingen, de acties en de afspraken in het kader van het re-integratieplan in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.
De adviserend arts deelt, met de toestemming van de gerechtigde, de bevindingen van de opvolggesprekken bedoeld in artikel 25/9 en de inhoud van het re-integratieplan mee aan de behandelend arts van deze gerechtigde.
Van de in het eerste lid bedoelde verplichting om een re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op te maken, kan alleen worden afgeweken om gegronde medische redenen vastgesteld door de adviserend arts.]1
De "Terug Naar Werk-coördinator" en de adviserend arts kunnen in voorkomend geval en mits de toestemming van de gerechtigde overleggen met andere bij het traject betrokken partijen, meer bepaald de behandelend arts, de therapeutische begeleider, het sociaalverzekeringsfonds, de zelfstandigenorganisatie, de werkgever, de begeleider van de diensten en instellingen van de Gewesten en de Gemeenschappen of andere dienstverleners die deelnemen aan de socioprofessionele re-integratie overeenkomstig hun wettelijke, decretale of maatschappelijke opdracht.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de doelstellingen, de acties en de afspraken in het kader van het re-integratieplan in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.
De adviserend arts deelt, met de toestemming van de gerechtigde, de bevindingen van de opvolggesprekken bedoeld in artikel 25/9 en de inhoud van het re-integratieplan mee aan de behandelend arts van deze gerechtigde.
Van de in het eerste lid bedoelde verplichting om een re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op te maken, kan alleen worden afgeweken om gegronde medische redenen vastgesteld door de adviserend arts.]1
Art.25/9. [1 Dans le cadre du trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle au sens de l'article 25/3, le titulaire est invité à un entretien de suivi par le " Coordinateur Retour Au Travail " au cours duquel un contenu concret est donné au plan de réinsertion visant la réinsertion socio-professionnelle le concernant.
Le premier entretien de suivi a lieu dans un délai d'un mois après que le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire aient entamé le trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle visé à l'article 25/8. Si nécessaire, un deuxième entretien de suivi peut être programmé.
Les résultats des entretiens de suivi sont enregistrés dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.]1
Le premier entretien de suivi a lieu dans un délai d'un mois après que le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire aient entamé le trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle visé à l'article 25/8. Si nécessaire, un deuxième entretien de suivi peut être programmé.
Les résultats des entretiens de suivi sont enregistrés dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.]1
Art. 25/10. [1 Overeenkomstig de bepalingen van artikel 25/9 stelt de "Terug Naar Werk-coördinator" in samenspraak met de gerechtigde en de adviserend arts een re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op. Dit plan bevat minstens de doelstellingen van het plan, het eindresultaat dat wordt nagestreefd, één concrete actie en één concrete afspraak voor een volgend opvolggesprek.
De "Terug Naar Werk-coördinator" en de adviserend arts kunnen in voorkomend geval en mits de toestemming van de gerechtigde overleggen met andere bij het traject betrokken partijen, meer bepaald de behandelend arts, de therapeutische begeleider, het sociaalverzekeringsfonds, de zelfstandigenorganisatie, de werkgever, de begeleider van de diensten en instellingen van de Gewesten en de Gemeenschappen of andere dienstverleners die deelnemen aan de socioprofessionele re-integratie overeenkomstig hun wettelijke, decretale of maatschappelijke opdracht.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de doelstellingen, de acties en de afspraken in het kader van het re-integratieplan in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.
De adviserend arts deelt, met de toestemming van de gerechtigde, de bevindingen van de opvolggesprekken bedoeld in artikel 25/9 en de inhoud van het re-integratieplan mee aan de behandelend arts van deze gerechtigde.
Van de in het eerste lid bedoelde verplichting om een re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op te maken, kan alleen worden afgeweken om gegronde medische redenen vastgesteld door de adviserend arts.]1
De "Terug Naar Werk-coördinator" en de adviserend arts kunnen in voorkomend geval en mits de toestemming van de gerechtigde overleggen met andere bij het traject betrokken partijen, meer bepaald de behandelend arts, de therapeutische begeleider, het sociaalverzekeringsfonds, de zelfstandigenorganisatie, de werkgever, de begeleider van de diensten en instellingen van de Gewesten en de Gemeenschappen of andere dienstverleners die deelnemen aan de socioprofessionele re-integratie overeenkomstig hun wettelijke, decretale of maatschappelijke opdracht.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de doelstellingen, de acties en de afspraken in het kader van het re-integratieplan in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.
De adviserend arts deelt, met de toestemming van de gerechtigde, de bevindingen van de opvolggesprekken bedoeld in artikel 25/9 en de inhoud van het re-integratieplan mee aan de behandelend arts van deze gerechtigde.
Van de in het eerste lid bedoelde verplichting om een re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op te maken, kan alleen worden afgeweken om gegronde medische redenen vastgesteld door de adviserend arts.]1
Art.25/10. [1 Conformément aux dispositions de l'article 25/9, le " Coordinateur Retour Au Travail " établit un plan de réintégration visant à la réinsertion socioprofessionnelle en concertation avec le titulaire et le médecin-conseil. Ce plan contient au moins les objectifs du plan, le résultat final visé, une action concrète et un rendez-vous concret pour un prochain entretien de suivi.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " et le médecin-conseil peuvent, le cas échéant et avec l'accord du titulaire, consulter d'autres parties impliquées dans le trajet, plus précisément le médecin traitant, le conseiller thérapeutique, la caisse d'assurances sociales, l'organisation de travailleurs indépendants, l'employeur, le conseiller des services et institutions des Régions et des Communautés ou d'autres prestataires de services participant à la réinsertion socioprofessionnelle conformément à leur mission légale, décrétale ou sociale.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " inscrit les objectifs, actions et accords dans le cadre du plan de réinsertion dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.
Le médecin-conseil communique, avec le consentement du titulaire, les résultats des entretiens de suivi visés à l'article 25/9 et le contenu du plan de réinsertion au médecin traitant de ce titulaire.
Il est possible de déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er d'établir une offre de plan de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle seulement pour des raisons médicales fondées et établies par le médecin-conseil.]1
Le " Coordinateur Retour Au Travail " et le médecin-conseil peuvent, le cas échéant et avec l'accord du titulaire, consulter d'autres parties impliquées dans le trajet, plus précisément le médecin traitant, le conseiller thérapeutique, la caisse d'assurances sociales, l'organisation de travailleurs indépendants, l'employeur, le conseiller des services et institutions des Régions et des Communautés ou d'autres prestataires de services participant à la réinsertion socioprofessionnelle conformément à leur mission légale, décrétale ou sociale.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " inscrit les objectifs, actions et accords dans le cadre du plan de réinsertion dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.
Le médecin-conseil communique, avec le consentement du titulaire, les résultats des entretiens de suivi visés à l'article 25/9 et le contenu du plan de réinsertion au médecin traitant de ce titulaire.
Il est possible de déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er d'établir une offre de plan de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle seulement pour des raisons médicales fondées et établies par le médecin-conseil.]1
Art. 25/11. [1 De "Terug Naar Werk-coördinator" volgt het re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie via het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde elke drie maanden op, tenzij de elementen van het dossier een andere frequentie of timing rechtvaardigen. In voorkomend geval kunnen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde een nieuw opvolggesprek inplannen om de voortgang van het re-integratieplan te bespreken en de inhoud ervan bij te sturen.
De "Terug Naar Werk-coördinator" verricht deze opvolging in samenwerking met de gerechtigde en, in voorkomend geval, met andere bij het traject betrokken diensten en personen, bedoeld in artikel 25/10, tweede lid.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de verschillende opvolgingsacties, en eventuele aanpassingen aan de inhoud van het re-integratieplan in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
De "Terug Naar Werk-coördinator" verricht deze opvolging in samenwerking met de gerechtigde en, in voorkomend geval, met andere bij het traject betrokken diensten en personen, bedoeld in artikel 25/10, tweede lid.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de verschillende opvolgingsacties, en eventuele aanpassingen aan de inhoud van het re-integratieplan in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
Art.25/11. [1 Le " Coordinateur Retour Au Travail " assure un suivi du plan de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle via le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire tous les trois mois, sauf si les éléments du dossier justifient une fréquence ou un calendrier différent. Le cas échéant, le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire peuvent planifier un nouvel entretien de suivi pour discuter de l'avancement du plan de réinsertion et ajuster son contenu.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " effectue ce suivi en collaboration avec le titulaire et, le cas échéant, avec d'autres services et personnes impliqués dans le trajet, visés à l'article 25/10, alinéa 2.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " enregistre les différentes actions de suivi et les éventuels ajustements du contenu du plan de réintégration dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.]1
Le " Coordinateur Retour Au Travail " effectue ce suivi en collaboration avec le titulaire et, le cas échéant, avec d'autres services et personnes impliqués dans le trajet, visés à l'article 25/10, alinéa 2.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " enregistre les différentes actions de suivi et les éventuels ajustements du contenu du plan de réintégration dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.]1
Art. 25/12.[1 § 1. [2 Met het oog op het fysieke contact bedoeld in artikel 25/4/2, eerste lid ontvangt de gerechtigde een uitnodiging waarin vermeld wordt dat bij een afwezigheid op het voormelde fysieke contact zonder geldige rechtvaardiging het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd.
Section 2/2. [1 Responsabilisation des titulaires reconnus en incapacité de travail]1
Art. 25/12. [1 § 1. [2 Met het oog op het fysieke contact bedoeld in artikel 25/4/2, eerste lid ontvangt de gerechtigde een uitnodiging waarin vermeld wordt dat bij een afwezigheid op het voormelde fysieke contact zonder geldige rechtvaardiging het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd.
De gerechtigde die zich, zonder geldige rechtvaardiging, niet op het fysieke contact aanbiedt, ontvangt een aangetekende zending waarin binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de initieel geplande datum een nieuwe datum voor dit fysieke contact wordt vastgesteld. Bovendien verwittigt deze aangetekende zending de gerechtigde dat bij een nieuwe afwezigheid op dit fysieke contact zonder geldige rechtvaardiging, het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid.
Als de gerechtigde daadwerkelijk een tweede keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact, wordt het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent verminderd vanaf de voor dit contact vastgestelde datum tot en met de datum waarop de gerechtigde, naargelang het geval, de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team contacteert met het oog op het vastleggen van een nieuwe datum voor een fysiek contact.
Als de gerechtigde echter een derde keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact vastgesteld overeenkomstig het derde lid, wordt het dagbedrag van de uitkeringen opnieuw met 2,5 procent verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid tot en met de dag voordat het fysieke contact daadwerkelijk plaatsvindt.]2
§ 2. Met het oog op het eerste contactmoment bedoeld in artikel 25/5, § 2, eerste lid ontvangt de gerechtigde een uitnodiging waarin vermeld wordt dat bij een afwezigheid op het voormelde eerste contactmoment zonder geldige rechtvaardiging het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd.
De gerechtigde die zich, zonder geldige rechtvaardiging, niet op het eerste contactmoment aanbiedt, ontvangt een aangetekende zending waarin binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de initieel geplande datum een nieuwe datum voor dit contactmoment wordt vastgesteld. Bovendien verwittigt deze aangetekende zending de gerechtigde dat bij een nieuwe afwezigheid op dit contactmoment zonder geldige rechtvaardiging, het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid.
Als de gerechtigde daadwerkelijk een tweede keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het eerste contactmoment, wordt het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent verminderd vanaf de voor dit contactmoment vastgestelde datum tot en met de datum waarop de gerechtigde de "Terug Naar Werk-coördinator" contacteert met het oog op het vastleggen van een nieuwe datum voor een eerste contactmoment.
Als de gerechtigde echter een derde keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het eerste contactmoment vastgesteld overeenkomstig het derde lid, wordt het dagbedrag van de uitkeringen opnieuw met 2,5 procent verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid tot en met de dag voordat het eerste contactmoment daadwerkelijk plaatsvindt.
§ 3. Van de beslissing om het dagbedrag van de uitkeringen te verminderen overeenkomstig de voorgaande paragrafen, wordt de gerechtigde op de hoogte gebracht via een aangetekende zending. De kennisgeving bevat de vermeldingen bedoeld in artikel 14 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde.
§ 4. De beslissing om het dagbedrag van de uitkeringen te verminderen overeenkomstig paragraaf 1 of 2, is niet van toepassing tijdens de in artikel 93 bedoelde tijdvakken van moederschapsrust en de in artikel 98bis bedoelde tijdvakken van omzetting van de moederschapsrust.]1
De gerechtigde die zich, zonder geldige rechtvaardiging, niet op het fysieke contact aanbiedt, ontvangt een aangetekende zending waarin binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de initieel geplande datum een nieuwe datum voor dit fysieke contact wordt vastgesteld. Bovendien verwittigt deze aangetekende zending de gerechtigde dat bij een nieuwe afwezigheid op dit fysieke contact zonder geldige rechtvaardiging, het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid.
Als de gerechtigde daadwerkelijk een tweede keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact, wordt het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent verminderd vanaf de voor dit contact vastgestelde datum tot en met de datum waarop de gerechtigde, naargelang het geval, de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team contacteert met het oog op het vastleggen van een nieuwe datum voor een fysiek contact.
Als de gerechtigde echter een derde keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact vastgesteld overeenkomstig het derde lid, wordt het dagbedrag van de uitkeringen opnieuw met 2,5 procent verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid tot en met de dag voordat het fysieke contact daadwerkelijk plaatsvindt.]2
§ 2. Met het oog op het eerste contactmoment bedoeld in artikel 25/5, § 2, eerste lid ontvangt de gerechtigde een uitnodiging waarin vermeld wordt dat bij een afwezigheid op het voormelde eerste contactmoment zonder geldige rechtvaardiging het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd.
De gerechtigde die zich, zonder geldige rechtvaardiging, niet op het eerste contactmoment aanbiedt, ontvangt een aangetekende zending waarin binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de initieel geplande datum een nieuwe datum voor dit contactmoment wordt vastgesteld. Bovendien verwittigt deze aangetekende zending de gerechtigde dat bij een nieuwe afwezigheid op dit contactmoment zonder geldige rechtvaardiging, het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid.
Als de gerechtigde daadwerkelijk een tweede keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het eerste contactmoment, wordt het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent verminderd vanaf de voor dit contactmoment vastgestelde datum tot en met de datum waarop de gerechtigde de "Terug Naar Werk-coördinator" contacteert met het oog op het vastleggen van een nieuwe datum voor een eerste contactmoment.
Als de gerechtigde echter een derde keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het eerste contactmoment vastgesteld overeenkomstig het derde lid, wordt het dagbedrag van de uitkeringen opnieuw met 2,5 procent verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid tot en met de dag voordat het eerste contactmoment daadwerkelijk plaatsvindt.
§ 3. Van de beslissing om het dagbedrag van de uitkeringen te verminderen overeenkomstig de voorgaande paragrafen, wordt de gerechtigde op de hoogte gebracht via een aangetekende zending. De kennisgeving bevat de vermeldingen bedoeld in artikel 14 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde.
§ 4. De beslissing om het dagbedrag van de uitkeringen te verminderen overeenkomstig paragraaf 1 of 2, is niet van toepassing tijdens de in artikel 93 bedoelde tijdvakken van moederschapsrust en de in artikel 98bis bedoelde tijdvakken van omzetting van de moederschapsrust.]1
Art.25/12. [1 § 1er. [2 En vue du contact physique visé à l'article 25/4/2, alinéa 1er, le titulaire reçoit une invitation dans laquelle il est mentionné qu'en cas d'absence au contact physique susmentionné sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents.
Le titulaire qui ne se présente pas au contact physique sans justification valable, reçoit un envoi recommandé fixant, dans un délai d'un mois à dater de la date initiale planifiée, une nouvelle date pour ce contact physique. Cet envoi recommandé avertit en outre le titulaire qu'en cas de nouvelle absence à ce contact physique sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence.
Si le titulaire est effectivement absent une seconde fois sans justification valable à ce contact physique, le montant journalier des indemnités est réduit de 2,5 pourcents à partir de la date fixée pour ce contact jusqu'à la date à laquelle le titulaire contacte le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas, en vue de fixer une nouvelle date pour un contact physique.
Toutefois, si le titulaire est absent une troisième fois sans justification valable à ce contact physique fixé conformément à l'alinéa 3, le montant journalier des indemnités sera à nouveau réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence jusqu'à la veille du jour où le contact physique aura effectivement lieu.]2
§ 2. En vue du premier moment de contact visé à l'article 25/5, § 2, alinéa 1er, le titulaire reçoit une invitation dans laquelle il est mentionné qu'en cas d'absence au premier moment de contact susmentionné sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents.
Le titulaire qui ne se présente pas au premier moment de contact sans justification valable, reçoit un envoi recommandé fixant dans un délai d'un mois à dater de la date initiale planifiée, une nouvelle date pour ce moment de contact. Cet envoi recommandé avertit en outre le titulaire qu'en cas de nouvelle absence à ce moment de contact sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence.
Si le titulaire est effectivement absent une seconde fois sans justification valable au premier moment de contact, le montant journalier des indemnités est réduit de 2,5 pourcents à partir de la date fixée pour ce moment de contact jusqu'à la date à laquelle le titulaire contacte le " Coordinateur Retour Au Travail " en vue de fixer une nouvelle date pour un premier moment de contact.
Toutefois, si le titulaire est absent une troisième fois sans justification valable au premier moment de contact, fixé conformément à l'alinéa 3, le montant journalier des indemnités sera à nouveau réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence jusqu'à la veille du jour où ce premier moment de contact aura effectivement lieu.
§ 3. Le titulaire est averti de la décision de réduire le montant journalier des indemnités, conformément aux paragraphes précédents, par un envoi recommandé. La notification contient les mentions visées à l'article 14 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer " la charte " de l'assuré social.
§ 4. La décision de réduire le montant journalier des indemnités conformément au paragraphe 1er ou 2 ne s'applique pas durant les périodes de repos de maternité visées à l'article 93 et les périodes de conversion du repos de maternité visées à l'article 98bis.]1
Le titulaire qui ne se présente pas au contact physique sans justification valable, reçoit un envoi recommandé fixant, dans un délai d'un mois à dater de la date initiale planifiée, une nouvelle date pour ce contact physique. Cet envoi recommandé avertit en outre le titulaire qu'en cas de nouvelle absence à ce contact physique sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence.
Si le titulaire est effectivement absent une seconde fois sans justification valable à ce contact physique, le montant journalier des indemnités est réduit de 2,5 pourcents à partir de la date fixée pour ce contact jusqu'à la date à laquelle le titulaire contacte le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas, en vue de fixer une nouvelle date pour un contact physique.
Toutefois, si le titulaire est absent une troisième fois sans justification valable à ce contact physique fixé conformément à l'alinéa 3, le montant journalier des indemnités sera à nouveau réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence jusqu'à la veille du jour où le contact physique aura effectivement lieu.]2
§ 2. En vue du premier moment de contact visé à l'article 25/5, § 2, alinéa 1er, le titulaire reçoit une invitation dans laquelle il est mentionné qu'en cas d'absence au premier moment de contact susmentionné sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents.
Le titulaire qui ne se présente pas au premier moment de contact sans justification valable, reçoit un envoi recommandé fixant dans un délai d'un mois à dater de la date initiale planifiée, une nouvelle date pour ce moment de contact. Cet envoi recommandé avertit en outre le titulaire qu'en cas de nouvelle absence à ce moment de contact sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence.
Si le titulaire est effectivement absent une seconde fois sans justification valable au premier moment de contact, le montant journalier des indemnités est réduit de 2,5 pourcents à partir de la date fixée pour ce moment de contact jusqu'à la date à laquelle le titulaire contacte le " Coordinateur Retour Au Travail " en vue de fixer une nouvelle date pour un premier moment de contact.
Toutefois, si le titulaire est absent une troisième fois sans justification valable au premier moment de contact, fixé conformément à l'alinéa 3, le montant journalier des indemnités sera à nouveau réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence jusqu'à la veille du jour où ce premier moment de contact aura effectivement lieu.
§ 3. Le titulaire est averti de la décision de réduire le montant journalier des indemnités, conformément aux paragraphes précédents, par un envoi recommandé. La notification contient les mentions visées à l'article 14 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer " la charte " de l'assuré social.
§ 4. La décision de réduire le montant journalier des indemnités conformément au paragraphe 1er ou 2 ne s'applique pas durant les périodes de repos de maternité visées à l'article 93 et les périodes de conversion du repos de maternité visées à l'article 98bis.]1
Art.26.De uitkeringen worden niet meer betaald vanaf de 1e van de maand die volgt op die tijdens welke de gerechtigde (de pensioenleeftijd bereikt, zoals bepaald in [1 artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter,]1 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie).
Section 3. - Des cas de refus ou de réduction des prestations.
Art. 26. De uitkeringen worden niet meer betaald vanaf de 1e van de maand die volgt op die tijdens welke de gerechtigde (de pensioenleeftijd bereikt, zoals bepaald in [1 artikel 3, § 1, § 1bis en § 1ter,]1 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie). <KB 1997-01-30/36, art. 22, 020; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
[1 In afwijking van het vorige lid worden de uitkeringen niet meer aan de gerechtigde betaald vanaf de eerste dag van de zevende maand van primaire ongeschiktheid als die zich bevindt na de laatste dag van de maand waarin hij de in het vorige lid bedoelde leeftijd heeft bereikt, wanneer het gaat om een gerechtigde onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 na de maand waarin hij de in het vorige lid bedoelde leeftijd heeft bereikt en voor zover hij in welke hoedanigheid dan ook geen ouderdoms-, geen rust-, geen anciënniteitspensioen of eender welk als dergelijk pensioen geldend voordeel geniet, dat is toegekend, hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut.]1
[1 In afwijking van het vorige lid worden de uitkeringen niet meer aan de gerechtigde betaald vanaf de eerste dag van de zevende maand van primaire ongeschiktheid als die zich bevindt na de laatste dag van de maand waarin hij de in het vorige lid bedoelde leeftijd heeft bereikt, wanneer het gaat om een gerechtigde onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 na de maand waarin hij de in het vorige lid bedoelde leeftijd heeft bereikt en voor zover hij in welke hoedanigheid dan ook geen ouderdoms-, geen rust-, geen anciënniteitspensioen of eender welk als dergelijk pensioen geldend voordeel geniet, dat is toegekend, hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut.]1
Art.26. Le paiement des prestations prend fin le 1er du mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint (l'âge de la pension, tel que défini [1 à l'article 3, § 1er, § 1erbis et § 1erter,]1 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne). <AR 1997-01-30/36, art. 22, 020; En vigueur : 01-07-1997>
[1 Par dérogation à l'alinéa précédent, le paiement des prestations prend fin le premier jour du septième mois de la période d'incapacité primaire lorsque celui-ci se situe après le dernier jour du mois au cours duquel il a atteint l'âge prévu à l'alinéa précédent, lorsqu'il s'agit d'un titulaire assujetti au statut social des travailleurs indépendants conformément à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 au-delà du mois au cours duquel il a atteint l'âge prévu à l'alinéa précédent et pour autant qu'il ne bénéficie pas à quelque titre que ce soit d'une pension de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de tout autre avantage tenant lieu de pareille pension, qui est accordé soit par un organisme de sécurité sociale belge ou étranger, soit par un pouvoir public, par un établissement public ou d'utilité publique.]1
[1 Par dérogation à l'alinéa précédent, le paiement des prestations prend fin le premier jour du septième mois de la période d'incapacité primaire lorsque celui-ci se situe après le dernier jour du mois au cours duquel il a atteint l'âge prévu à l'alinéa précédent, lorsqu'il s'agit d'un titulaire assujetti au statut social des travailleurs indépendants conformément à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 au-delà du mois au cours duquel il a atteint l'âge prévu à l'alinéa précédent et pour autant qu'il ne bénéficie pas à quelque titre que ce soit d'une pension de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de tout autre avantage tenant lieu de pareille pension, qui est accordé soit par un organisme de sécurité sociale belge ou étranger, soit par un pouvoir public, par un établissement public ou d'utilité publique.]1
Änderungen
Art.28. [4 § 1.]4 [7 De uitkeringen worden geweigerd voor de tijdvakken bedoeld in artikel 103 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, behalve
1° wanneer het gaat om een periode gedekt door een loon dat de werkgever aan de gerechtigde tijdens de lopende tewerkstelling krachtens de van toepassing zijnde arbeidsreglementering verschuldigd is na de aanvang van de periode waarin het voor deze gerechtigde onmogelijk is om zijn werk te verrichten wegens arbeidsongeschiktheid;
2° wanneer het gaat om een periode gedekt door een uitgestelde bezoldiging toegekend aan de tijdelijke leerkracht na het einde van de tewerkstelling, door een vergoeding verschuldigd door de werkgever naar aanleiding van de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst of door een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
3° wanneer het gaat om een periode gedekt door een loon dat verworven werd door een bezigheid in toepassing van de artikelen 22 en 23bis. Vanaf het ogenblik echter waarop de in artikel 22 bedoelde tijdvakken een duur van zes maanden bereiken, worden de uitkeringen verminderd met drie vierden van het tijdens die tijdvakken verworven beroepsinkomen.]7
[7 ...]7
Artikel 29, § 3, is op dit beroepsinkomen van toepassing.
[1 De voordelen toegekend door de instellingen die als opdracht de sociale en beroepsreclassering van de personen met een handicap hebben, of door de contracterende ondernemingen of openbare instellingen, overeenkomstig het decreet van de Duitstalige Gemeenschap [3 van 13 december 2016 tot oprichting van een "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben"]3, het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest [3 van 17 januari 2014 "relatif à l'inclusion de la personne handicapée"]3 en het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden echter niet in aanmerking genomen voor de beperking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid. De gerechtigde vraagt aan de betrokken instelling, onderneming of openbare instelling een verklaring die vaststelt dat de voordelen toegekend worden in overeenstemming met het betrokken decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Deze verklaring wordt bij het dossier van de gerechtigde gevoegd.]1
[4 § 2. [5 ...]5]4
1° wanneer het gaat om een periode gedekt door een loon dat de werkgever aan de gerechtigde tijdens de lopende tewerkstelling krachtens de van toepassing zijnde arbeidsreglementering verschuldigd is na de aanvang van de periode waarin het voor deze gerechtigde onmogelijk is om zijn werk te verrichten wegens arbeidsongeschiktheid;
2° wanneer het gaat om een periode gedekt door een uitgestelde bezoldiging toegekend aan de tijdelijke leerkracht na het einde van de tewerkstelling, door een vergoeding verschuldigd door de werkgever naar aanleiding van de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst of door een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
3° wanneer het gaat om een periode gedekt door een loon dat verworven werd door een bezigheid in toepassing van de artikelen 22 en 23bis. Vanaf het ogenblik echter waarop de in artikel 22 bedoelde tijdvakken een duur van zes maanden bereiken, worden de uitkeringen verminderd met drie vierden van het tijdens die tijdvakken verworven beroepsinkomen.]7
[7 ...]7
Artikel 29, § 3, is op dit beroepsinkomen van toepassing.
[1 De voordelen toegekend door de instellingen die als opdracht de sociale en beroepsreclassering van de personen met een handicap hebben, of door de contracterende ondernemingen of openbare instellingen, overeenkomstig het decreet van de Duitstalige Gemeenschap [3 van 13 december 2016 tot oprichting van een "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben"]3, het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest [3 van 17 januari 2014 "relatif à l'inclusion de la personne handicapée"]3 en het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden echter niet in aanmerking genomen voor de beperking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid. De gerechtigde vraagt aan de betrokken instelling, onderneming of openbare instelling een verklaring die vaststelt dat de voordelen toegekend worden in overeenstemming met het betrokken decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Deze verklaring wordt bij het dossier van de gerechtigde gevoegd.]1
[4 § 2. [5 ...]5]4
Änderungen
Art.27. Les prestations sont refusées:
a) (...) <AR 2003-07-11/64, art. 1, 034; En vigueur : 01-05-2003>
b) (lorsque l'incapacité de travail est la conséquence d'une faute provoquée délibérement par le titulaire.) <AR 1987-12-11/41, art. 1, 006; En vigueur : 10-08-198>
a) (...) <AR 2003-07-11/64, art. 1, 034; En vigueur : 01-05-2003>
b) (lorsque l'incapacité de travail est la conséquence d'une faute provoquée délibérement par le titulaire.) <AR 1987-12-11/41, art. 1, 006; En vigueur : 10-08-198>
Art. 28bis. [1 § 1. [7 ...]7
§ 2. De uitkeringen worden verminderd met 10 pct. zodra het tijdvak dat is gedekt door de in artikel 23bis bedoelde toelating [6 ...]6, een duur van zes maanden bereikt en tot 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de toegelaten activiteit een aanvang nam.
Wanneer de uitoefening van de in artikel 23bis bedoelde toelating [6 ...]6 echter een onbezoldigde activiteit van niet professionele aard betreft, wordt de vermindering met 10 pct. zoals bedoeld in het vorige lid niet toegepast.
§ 3. Aan het einde van de in § 2 bedoelde periode wordt de betaling van de uitkeringen volledig geschorst als het bedrag van de verworven beroepsinkomsten uit de toegelaten beroepsbezigheid het drempelbedrag van 17.149,19 euro met ten minste 15 pct. overschrijdt. Als het voormelde drempelbedrag met minder dan 15 pct. wordt overschreden, wordt het bedrag van de uitkering voor het betrokken kalenderjaar geschorst naar rata van een percentage van het bedrag van de uitkering dat gelijk is aan het percentage waarmee dit drempelbedrag wordt overschreden.
Voor de toepassing van het voorgaande lid, wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de beroepsinkomsten uit het derde volledige kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin dat lid van toepassing is, in aanmerking genomen; de referentieperiode wordt op dezelfde manier vastgesteld voor de daaropvolgende jaren.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder beroepsbezigheid verstaan iedere bezigheid die, naar gelang van het geval, een in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 beoogd inkomen kan opleveren en iedere gelijkaardige bezigheid uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie. [3 In dit kader wordt er eveneens rekening gehouden met elke uitkering, vergoeding of rente die wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.]3
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder "het bedrag van de beroepsinkomsten" verstaan het netto belastbaar inkomen dat voortvloeit uit de toegelaten beroepsbezigheid en dat in aanmerking genomen werd door het Bestuur der Directe Belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar.
Het drempelbedrag bedoeld in het eerste lid is van toepassing op de beroepsinkomsten verworven in 2012. Voor de toepassing van de cumulatieregel op de inkomsten verworven tijdens de daaropvolgende kalenderjaren wordt er rekening gehouden met het op 1 januari van de referentieperiode geïndexeerde drempelbedrag overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
§ 4. [7 ...]7]1
[3 § 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de financiële vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de toepassing van [4 het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken en elk ander later koninklijk besluit houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken]4, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. In dit kader mag het evenwel niet gaan om een, in voorkomend geval verminderde, financiële vergoeding waarop de betrokkene zonder de toepassing van de voormelde regelgeving bepaald naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zou hebben kunnen aanspraak maken. Deze bepaling is bovendien enkel van toepassing als in de regeling op grond waarvan de financiële vergoeding wordt verleend, uitdrukkelijk is bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie het hoofd te bieden.
Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met de aanvullende crisisuitkering toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.]3
[5 Voor de toepassing van dit artikel wordt de activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders beschouwd als een onbezoldigde activiteit van niet professionele aard.]5
[7 De overeenkomstig voorgaande paragrafen in voorkomend geval toegepaste vermindering of volledige schorsing van de uitkeringen is evenwel niet van toepassing tijdens een periode bedoeld in artikel 21.]7
§ 2. De uitkeringen worden verminderd met 10 pct. zodra het tijdvak dat is gedekt door de in artikel 23bis bedoelde toelating [6 ...]6, een duur van zes maanden bereikt en tot 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de toegelaten activiteit een aanvang nam.
Wanneer de uitoefening van de in artikel 23bis bedoelde toelating [6 ...]6 echter een onbezoldigde activiteit van niet professionele aard betreft, wordt de vermindering met 10 pct. zoals bedoeld in het vorige lid niet toegepast.
§ 3. Aan het einde van de in § 2 bedoelde periode wordt de betaling van de uitkeringen volledig geschorst als het bedrag van de verworven beroepsinkomsten uit de toegelaten beroepsbezigheid het drempelbedrag van 17.149,19 euro met ten minste 15 pct. overschrijdt. Als het voormelde drempelbedrag met minder dan 15 pct. wordt overschreden, wordt het bedrag van de uitkering voor het betrokken kalenderjaar geschorst naar rata van een percentage van het bedrag van de uitkering dat gelijk is aan het percentage waarmee dit drempelbedrag wordt overschreden.
Voor de toepassing van het voorgaande lid, wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de beroepsinkomsten uit het derde volledige kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin dat lid van toepassing is, in aanmerking genomen; de referentieperiode wordt op dezelfde manier vastgesteld voor de daaropvolgende jaren.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder beroepsbezigheid verstaan iedere bezigheid die, naar gelang van het geval, een in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 beoogd inkomen kan opleveren en iedere gelijkaardige bezigheid uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie. [3 In dit kader wordt er eveneens rekening gehouden met elke uitkering, vergoeding of rente die wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.]3
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder "het bedrag van de beroepsinkomsten" verstaan het netto belastbaar inkomen dat voortvloeit uit de toegelaten beroepsbezigheid en dat in aanmerking genomen werd door het Bestuur der Directe Belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar.
Het drempelbedrag bedoeld in het eerste lid is van toepassing op de beroepsinkomsten verworven in 2012. Voor de toepassing van de cumulatieregel op de inkomsten verworven tijdens de daaropvolgende kalenderjaren wordt er rekening gehouden met het op 1 januari van de referentieperiode geïndexeerde drempelbedrag overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
§ 4. [7 ...]7]1
[3 § 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de financiële vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de toepassing van [4 het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken en elk ander later koninklijk besluit houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken]4, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. In dit kader mag het evenwel niet gaan om een, in voorkomend geval verminderde, financiële vergoeding waarop de betrokkene zonder de toepassing van de voormelde regelgeving bepaald naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zou hebben kunnen aanspraak maken. Deze bepaling is bovendien enkel van toepassing als in de regeling op grond waarvan de financiële vergoeding wordt verleend, uitdrukkelijk is bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie het hoofd te bieden.
Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met de aanvullende crisisuitkering toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.]3
[5 Voor de toepassing van dit artikel wordt de activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders beschouwd als een onbezoldigde activiteit van niet professionele aard.]5
[7 De overeenkomstig voorgaande paragrafen in voorkomend geval toegepaste vermindering of volledige schorsing van de uitkeringen is evenwel niet van toepassing tijdens een periode bedoeld in artikel 21.]7
Änderungen
Art.28. [4 § 1er.]4 [7 Les prestations sont refusées pour les périodes visées à l'article 103 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994, sauf:
1° s'il s'agit d'une période couverte par une rémunération due par l'employeur au titulaire pendant l'occupation en cours en vertu de la réglementation du travail applicable, après le début de la période pendant laquelle le titulaire est dans l'impossibilité d'effectuer son travail en raison d'une incapacité de travail;
2° s'il s'agit d'une période couverte par un traitement différé accordé à l'enseignant temporaire après la fin de l'occupation, par une indemnité due par l'employeur à la suite de la rupture irrégulière du contrat de travail ou par une indemnité en compensation du licenciement visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
3° s'il s'agit d'une période couverte par une rémunération acquise par une activité en application des articles 22 et 23bis. Toutefois, à partir du moment où les périodes visées à l'article 22 atteignent une durée de six mois, les prestations sont diminuées des trois quarts du revenu professionnel brut acquis au cours desdites périodes.]7
[7 ...]7
L'article 29, § 3, est applicable à ce revenu professionnel.
[1 Les avantages accordés par les organismes ayant pour mission le reclassement social et professionnel des handicapés ou par les entreprises ou institutions publiques contractantes, conformément au décret de la Communauté germanophone [3 du 13 décembre 2016 portant création d'un "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben"]3, au décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", au décret de la Commission communautaire française de la Région de Bruxelles-capitale [3 du 17 janvier 2014 relatif à l'inclusion de la personne handicapée]3, et au Code wallon de l'Action sociale et de la Santé, et à leurs arrêtés d'exécution, ne sont toutefois pas pris en considération pour opérer la réduction de l'indemnité d'incapacité de travail conformément aux dispositions de l'alinéa 2. Le titulaire demande à l'organisme, l'entreprise ou l'institution publique concerné une attestation qui stipule que les avantages sont accordés en conformité avec le décret concerné et ses arrêtés d'exécution. Cette attestation est jointe au dossier du titulaire.]1
[4 § 2. [5 ...]5]4
1° s'il s'agit d'une période couverte par une rémunération due par l'employeur au titulaire pendant l'occupation en cours en vertu de la réglementation du travail applicable, après le début de la période pendant laquelle le titulaire est dans l'impossibilité d'effectuer son travail en raison d'une incapacité de travail;
2° s'il s'agit d'une période couverte par un traitement différé accordé à l'enseignant temporaire après la fin de l'occupation, par une indemnité due par l'employeur à la suite de la rupture irrégulière du contrat de travail ou par une indemnité en compensation du licenciement visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
3° s'il s'agit d'une période couverte par une rémunération acquise par une activité en application des articles 22 et 23bis. Toutefois, à partir du moment où les périodes visées à l'article 22 atteignent une durée de six mois, les prestations sont diminuées des trois quarts du revenu professionnel brut acquis au cours desdites périodes.]7
[7 ...]7
L'article 29, § 3, est applicable à ce revenu professionnel.
[1 Les avantages accordés par les organismes ayant pour mission le reclassement social et professionnel des handicapés ou par les entreprises ou institutions publiques contractantes, conformément au décret de la Communauté germanophone [3 du 13 décembre 2016 portant création d'un "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben"]3, au décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", au décret de la Commission communautaire française de la Région de Bruxelles-capitale [3 du 17 janvier 2014 relatif à l'inclusion de la personne handicapée]3, et au Code wallon de l'Action sociale et de la Santé, et à leurs arrêtés d'exécution, ne sont toutefois pas pris en considération pour opérer la réduction de l'indemnité d'incapacité de travail conformément aux dispositions de l'alinéa 2. Le titulaire demande à l'organisme, l'entreprise ou l'institution publique concerné une attestation qui stipule que les avantages sont accordés en conformité avec le décret concerné et ses arrêtés d'exécution. Cette attestation est jointe au dossier du titulaire.]1
[4 § 2. [5 ...]5]4
Änderungen
Art. 28bis. [1 § 1. [7 ...]7
§ 2. De uitkeringen worden verminderd met 10 pct. zodra het tijdvak dat is gedekt door de in artikel 23bis bedoelde toelating [6 ...]6, een duur van zes maanden bereikt en tot 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de toegelaten activiteit een aanvang nam.
Wanneer de uitoefening van de in artikel 23bis bedoelde toelating [6 ...]6 echter een onbezoldigde activiteit van niet professionele aard betreft, wordt de vermindering met 10 pct. zoals bedoeld in het vorige lid niet toegepast.
§ 3. Aan het einde van de in § 2 bedoelde periode wordt de betaling van de uitkeringen volledig geschorst als het bedrag van de verworven beroepsinkomsten uit de toegelaten beroepsbezigheid het drempelbedrag van 17.149,19 euro met ten minste 15 pct. overschrijdt. Als het voormelde drempelbedrag met minder dan 15 pct. wordt overschreden, wordt het bedrag van de uitkering voor het betrokken kalenderjaar geschorst naar rata van een percentage van het bedrag van de uitkering dat gelijk is aan het percentage waarmee dit drempelbedrag wordt overschreden.
Voor de toepassing van het voorgaande lid, wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de beroepsinkomsten uit het derde volledige kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin dat lid van toepassing is, in aanmerking genomen; de referentieperiode wordt op dezelfde manier vastgesteld voor de daaropvolgende jaren.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder beroepsbezigheid verstaan iedere bezigheid die, naar gelang van het geval, een in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 beoogd inkomen kan opleveren en iedere gelijkaardige bezigheid uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie. [3 In dit kader wordt er eveneens rekening gehouden met elke uitkering, vergoeding of rente die wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.]3
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder "het bedrag van de beroepsinkomsten" verstaan het netto belastbaar inkomen dat voortvloeit uit de toegelaten beroepsbezigheid en dat in aanmerking genomen werd door het Bestuur der Directe Belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar.
Het drempelbedrag bedoeld in het eerste lid is van toepassing op de beroepsinkomsten verworven in 2012. Voor de toepassing van de cumulatieregel op de inkomsten verworven tijdens de daaropvolgende kalenderjaren wordt er rekening gehouden met het op 1 januari van de referentieperiode geïndexeerde drempelbedrag overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
§ 4. [7 ...]7]1
[3 § 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de financiële vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de toepassing van [4 het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken en elk ander later koninklijk besluit houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken]4, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. In dit kader mag het evenwel niet gaan om een, in voorkomend geval verminderde, financiële vergoeding waarop de betrokkene zonder de toepassing van de voormelde regelgeving bepaald naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zou hebben kunnen aanspraak maken. Deze bepaling is bovendien enkel van toepassing als in de regeling op grond waarvan de financiële vergoeding wordt verleend, uitdrukkelijk is bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie het hoofd te bieden.
Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met de aanvullende crisisuitkering toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.]3
[5 Voor de toepassing van dit artikel wordt de activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders beschouwd als een onbezoldigde activiteit van niet professionele aard.]5
[7 De overeenkomstig voorgaande paragrafen in voorkomend geval toegepaste vermindering of volledige schorsing van de uitkeringen is evenwel niet van toepassing tijdens een periode bedoeld in artikel 21.]7
§ 2. De uitkeringen worden verminderd met 10 pct. zodra het tijdvak dat is gedekt door de in artikel 23bis bedoelde toelating [6 ...]6, een duur van zes maanden bereikt en tot 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de toegelaten activiteit een aanvang nam.
Wanneer de uitoefening van de in artikel 23bis bedoelde toelating [6 ...]6 echter een onbezoldigde activiteit van niet professionele aard betreft, wordt de vermindering met 10 pct. zoals bedoeld in het vorige lid niet toegepast.
§ 3. Aan het einde van de in § 2 bedoelde periode wordt de betaling van de uitkeringen volledig geschorst als het bedrag van de verworven beroepsinkomsten uit de toegelaten beroepsbezigheid het drempelbedrag van 17.149,19 euro met ten minste 15 pct. overschrijdt. Als het voormelde drempelbedrag met minder dan 15 pct. wordt overschreden, wordt het bedrag van de uitkering voor het betrokken kalenderjaar geschorst naar rata van een percentage van het bedrag van de uitkering dat gelijk is aan het percentage waarmee dit drempelbedrag wordt overschreden.
Voor de toepassing van het voorgaande lid, wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de beroepsinkomsten uit het derde volledige kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin dat lid van toepassing is, in aanmerking genomen; de referentieperiode wordt op dezelfde manier vastgesteld voor de daaropvolgende jaren.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder beroepsbezigheid verstaan iedere bezigheid die, naar gelang van het geval, een in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 beoogd inkomen kan opleveren en iedere gelijkaardige bezigheid uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie. [3 In dit kader wordt er eveneens rekening gehouden met elke uitkering, vergoeding of rente die wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.]3
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder "het bedrag van de beroepsinkomsten" verstaan het netto belastbaar inkomen dat voortvloeit uit de toegelaten beroepsbezigheid en dat in aanmerking genomen werd door het Bestuur der Directe Belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar.
Het drempelbedrag bedoeld in het eerste lid is van toepassing op de beroepsinkomsten verworven in 2012. Voor de toepassing van de cumulatieregel op de inkomsten verworven tijdens de daaropvolgende kalenderjaren wordt er rekening gehouden met het op 1 januari van de referentieperiode geïndexeerde drempelbedrag overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
§ 4. [7 ...]7]1
[3 § 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de financiële vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de toepassing van [4 het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken en elk ander later koninklijk besluit houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken]4, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. In dit kader mag het evenwel niet gaan om een, in voorkomend geval verminderde, financiële vergoeding waarop de betrokkene zonder de toepassing van de voormelde regelgeving bepaald naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zou hebben kunnen aanspraak maken. Deze bepaling is bovendien enkel van toepassing als in de regeling op grond waarvan de financiële vergoeding wordt verleend, uitdrukkelijk is bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie het hoofd te bieden.
Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met de aanvullende crisisuitkering toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.]3
[5 Voor de toepassing van dit artikel wordt de activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders beschouwd als een onbezoldigde activiteit van niet professionele aard.]5
[7 De overeenkomstig voorgaande paragrafen in voorkomend geval toegepaste vermindering of volledige schorsing van de uitkeringen is evenwel niet van toepassing tijdens een periode bedoeld in artikel 21.]7
Änderungen
Art. 28bis. [1 § 1er. [6 ...]6
§ 2. Les prestations sont réduites de 10 p.c. à partir du moment où la période couverte par l'autorisation [5 ...]5 visée à l'article 23bis atteint une durée de six mois et jusqu'au 31 décembre de la troisième année suivant celle du début de l'activité autorisée.
Toutefois, si l'autorisation [5 ...]5 visée à l'article 23bis concerne une activité non rémunérée à caractère non professionnel, la réduction de 10 p.c. visée à l'alinéa précédent n'est pas appliquée.
§ 3. A l'expiration de la période visée au § 2, le paiement des prestations est entièrement suspendu si le montant des revenus professionnels découlant de l'activité autorisée dépasse le plafond de 17.149,19 euros à raison de 15 p.c. au moins. Si le dépassement du plafond précité est inférieur à 15 p.c., le montant de l'indemnité pour l'année civile concernée est suspendu au prorata d'un pourcentage du montant de l'indemnité égal au pourcentage de dépassement dudit plafond.
Pour l'application de l'alinéa précédent, le pourcentage de dépassement est, le cas échéant, calculé au centième près. Pour le calcul du montant de la réduction de l'indemnité, le pourcentage ainsi obtenu est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est au moins 5; dans le cas contraire, la décimale est négligée.
Les revenus professionnels pris en considération pour l'application de l'alinéa 1er sont ceux de la troisième année civile complète précédant celle de l'application de celui-ci; la période de référence est fixée de la même manière pour les années subséquentes.
Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par activité professionnelle toute activité qui peut, en fonction du cas, générer un revenu visé à l'article 23, § 1er, 1°, 2° ou 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992, et toute activité similaire exercée à l'étranger ou pour une organisation internationale ou supranationale. [2 Dans ce cadre, il est également tenu compte de toute indemnité, allocation ou rente accordée en remplacement de ce revenu.]2
Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par " montant des revenus professionnels " le montant net imposable découlant de l'activité professionnelle autorisée et qui a été pris en compte par l'Administration des contributions directes pour l'imposition de l'année concernée.
Le plafond visé à l'alinéa 1er est applicable aux revenus professionnels perçus en 2012. Pour l'application de la règle de cumul aux revenus perçus au cours des années civiles subséquentes, il est tenu compte du plafond indexé au 1er janvier de la période de référence conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor Public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
§ 4. [6 ...]6
[2 § 5. Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte des compensations financières allouées par les régions, les communautés, les provinces ou les communes pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à l'application de [3 l'arrêté royal du 28 octobre 2021 portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19 et par tout autre arrêté royal ultérieur portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19]3, ou allouées conformément à une autre réglementation régionale, communautaire, provinciale ou communale pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à la pandémie du COVID-19. Dans ce cadre, il ne peut toutefois s'agir d'une intervention financière, le cas échéant réduite, à laquelle l'intéressé aurait pu prétendre sans l'application de la réglementation précitée fixée suite à la pandémie du COVID-19. En outre, cette disposition ne s'applique que si la règle sur base de laquelle la compensation financière est accordée prévoit expressément que cette compensation est accordée en vue de faire face aux conséquences économiques ou sociales directes ou indirectes de la pandémie de COVID-19.
Pour l'application du présent article, il n'est davantage pas tenu compte de l'indemnité de crise supplémentaire octroyée conformément à l'arrêté royal du 15 septembre 2020 portant octroi, suite à la pandémie COVID-19, d'une indemnité de crise supplémentaire à certains travailleurs indépendants et conjoints aidants reconnus en incapacité de travail.]2
[4 Pour l'application du présent article, l'activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs est considérée comme une activité non rémunérée à caractère non professionnel.]4
[6 Toutefois, la réduction ou la suspension totale des prestations appliquée conformément aux paragraphes précédents, le cas échéant, ne s'applique pas pendant une période visée à l'article 21.]6
§ 2. Les prestations sont réduites de 10 p.c. à partir du moment où la période couverte par l'autorisation [5 ...]5 visée à l'article 23bis atteint une durée de six mois et jusqu'au 31 décembre de la troisième année suivant celle du début de l'activité autorisée.
Toutefois, si l'autorisation [5 ...]5 visée à l'article 23bis concerne une activité non rémunérée à caractère non professionnel, la réduction de 10 p.c. visée à l'alinéa précédent n'est pas appliquée.
§ 3. A l'expiration de la période visée au § 2, le paiement des prestations est entièrement suspendu si le montant des revenus professionnels découlant de l'activité autorisée dépasse le plafond de 17.149,19 euros à raison de 15 p.c. au moins. Si le dépassement du plafond précité est inférieur à 15 p.c., le montant de l'indemnité pour l'année civile concernée est suspendu au prorata d'un pourcentage du montant de l'indemnité égal au pourcentage de dépassement dudit plafond.
Pour l'application de l'alinéa précédent, le pourcentage de dépassement est, le cas échéant, calculé au centième près. Pour le calcul du montant de la réduction de l'indemnité, le pourcentage ainsi obtenu est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est au moins 5; dans le cas contraire, la décimale est négligée.
Les revenus professionnels pris en considération pour l'application de l'alinéa 1er sont ceux de la troisième année civile complète précédant celle de l'application de celui-ci; la période de référence est fixée de la même manière pour les années subséquentes.
Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par activité professionnelle toute activité qui peut, en fonction du cas, générer un revenu visé à l'article 23, § 1er, 1°, 2° ou 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992, et toute activité similaire exercée à l'étranger ou pour une organisation internationale ou supranationale. [2 Dans ce cadre, il est également tenu compte de toute indemnité, allocation ou rente accordée en remplacement de ce revenu.]2
Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par " montant des revenus professionnels " le montant net imposable découlant de l'activité professionnelle autorisée et qui a été pris en compte par l'Administration des contributions directes pour l'imposition de l'année concernée.
Le plafond visé à l'alinéa 1er est applicable aux revenus professionnels perçus en 2012. Pour l'application de la règle de cumul aux revenus perçus au cours des années civiles subséquentes, il est tenu compte du plafond indexé au 1er janvier de la période de référence conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor Public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
§ 4. [6 ...]6
[2 § 5. Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte des compensations financières allouées par les régions, les communautés, les provinces ou les communes pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à l'application de [3 l'arrêté royal du 28 octobre 2021 portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19 et par tout autre arrêté royal ultérieur portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19]3, ou allouées conformément à une autre réglementation régionale, communautaire, provinciale ou communale pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à la pandémie du COVID-19. Dans ce cadre, il ne peut toutefois s'agir d'une intervention financière, le cas échéant réduite, à laquelle l'intéressé aurait pu prétendre sans l'application de la réglementation précitée fixée suite à la pandémie du COVID-19. En outre, cette disposition ne s'applique que si la règle sur base de laquelle la compensation financière est accordée prévoit expressément que cette compensation est accordée en vue de faire face aux conséquences économiques ou sociales directes ou indirectes de la pandémie de COVID-19.
Pour l'application du présent article, il n'est davantage pas tenu compte de l'indemnité de crise supplémentaire octroyée conformément à l'arrêté royal du 15 septembre 2020 portant octroi, suite à la pandémie COVID-19, d'une indemnité de crise supplémentaire à certains travailleurs indépendants et conjoints aidants reconnus en incapacité de travail.]2
[4 Pour l'application du présent article, l'activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs est considérée comme une activité non rémunérée à caractère non professionnel.]4
[6 Toutefois, la réduction ou la suspension totale des prestations appliquée conformément aux paragraphes précédents, le cas échéant, ne s'applique pas pendant une période visée à l'article 21.]6
Änderungen
Art. 29. § 1. De uitkeringen worden verminderd met het bedrag van:
1° de primaire ongeschiktheidsuitkeringen of de invaliditeitsuitkeringen toegekend krachtens de wet van 9 augustus 1963 alsmede van het invaliditeitspensioen toegekend aan de mijnwerkers en ermede gelijkgestelden;
2° de vergoedingen, toelagen of renten aan de gerechtigde toegekend in zijn hoedanigheid van slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte, krachtens de wetgeving tot herstel der schade voortspruitende uit een arbeidsongeval of uit een beroepsziekte;
3° de gewone en aanvullende tegemoetkomingen verleend krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen.
(Geen vermindering wordt toegepast voor de gerechtigden die een tegemoetkoming bekomen krachtens het koninklijk besluit van 24 december 1974 betreffende de gewone en de bijzondere tegemoetkomingen aan de minder-validen;) <KB 30-06-1976>
4° de sommen aan de gerechtigde toegekend om in zijn hoofde de arbeidsongeschiktheid te vergoeden voortspruitend uit lichamelijke schade, van fysische of mentale aard, hetzij krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, hetzij krachtens het gemeen recht;
5° de ouderdoms-, rust- of anciënniteitspensioenen, met inbegrip van de voortijdige pensioenen wegens arbeidsongeschiktheid en van eender welk als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling voor sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut;
[2 6° het loon evenals de aanvulling bepaald door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of 13bis verschuldigd door de werkgever aan de gerechtigde tijdens de lopende tewerkstelling krachtens de van toepassing zijnde arbeidsreglementering, na de aanvang van de periode waarin het voor deze gerechtigde onmogelijk is om zijn werk te verrichten wegens arbeidsongeschiktheid;
7° de uitgestelde bezoldiging toegekend aan de tijdelijke leerkracht na het einde van de tewerkstelling, de vergoeding verschuldigd door de werkgever naar aanleiding van de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, evenals de ontslagcompensatievergoeding toegekend krachtens artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]2
§ 2. Voor de toepassing van § 1 wordt rekening gehouden met het bruto-bedrag der diverse voordelen die erin beoogd zijn.
Nochtans:
a) wordt er nooit rekening gehouden met de sommen toegekend wegens hulp van een derde;
b) worden die voordelen verminderd met de afhoudingen voor maatschappelijke zekerheid die ze ondergaan.
§ 3. Ten einde, in voorkomend geval, de in § 1 bedoelde voordelen in dagen te waarderen, moet het bedrag ervan per week, per maand, per kwartaal of per jaar gedeeld worden door respectievelijk 6, 26, 78 of 312.
§ 4. De uitkeringen kunnen zonder beperking, samen genoten worden met de voordelen bedoeld in artikel 22, 1° en 2°, van het koninklijk besluit nr 72 van 10 december 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.
[1 De uitkeringen kunnen eveneens, zonder beperking, samen genoten worden met de vergoedingen toegekend met toepassing van de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme.]1
§ 5. (...) <KB 2003-01-13/40, art. 14, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
1° de primaire ongeschiktheidsuitkeringen of de invaliditeitsuitkeringen toegekend krachtens de wet van 9 augustus 1963 alsmede van het invaliditeitspensioen toegekend aan de mijnwerkers en ermede gelijkgestelden;
2° de vergoedingen, toelagen of renten aan de gerechtigde toegekend in zijn hoedanigheid van slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte, krachtens de wetgeving tot herstel der schade voortspruitende uit een arbeidsongeval of uit een beroepsziekte;
3° de gewone en aanvullende tegemoetkomingen verleend krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen.
(Geen vermindering wordt toegepast voor de gerechtigden die een tegemoetkoming bekomen krachtens het koninklijk besluit van 24 december 1974 betreffende de gewone en de bijzondere tegemoetkomingen aan de minder-validen;) <KB 30-06-1976>
4° de sommen aan de gerechtigde toegekend om in zijn hoofde de arbeidsongeschiktheid te vergoeden voortspruitend uit lichamelijke schade, van fysische of mentale aard, hetzij krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, hetzij krachtens het gemeen recht;
5° de ouderdoms-, rust- of anciënniteitspensioenen, met inbegrip van de voortijdige pensioenen wegens arbeidsongeschiktheid en van eender welk als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling voor sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut;
[2 6° het loon evenals de aanvulling bepaald door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of 13bis verschuldigd door de werkgever aan de gerechtigde tijdens de lopende tewerkstelling krachtens de van toepassing zijnde arbeidsreglementering, na de aanvang van de periode waarin het voor deze gerechtigde onmogelijk is om zijn werk te verrichten wegens arbeidsongeschiktheid;
7° de uitgestelde bezoldiging toegekend aan de tijdelijke leerkracht na het einde van de tewerkstelling, de vergoeding verschuldigd door de werkgever naar aanleiding van de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, evenals de ontslagcompensatievergoeding toegekend krachtens artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]2
§ 2. Voor de toepassing van § 1 wordt rekening gehouden met het bruto-bedrag der diverse voordelen die erin beoogd zijn.
Nochtans:
a) wordt er nooit rekening gehouden met de sommen toegekend wegens hulp van een derde;
b) worden die voordelen verminderd met de afhoudingen voor maatschappelijke zekerheid die ze ondergaan.
§ 3. Ten einde, in voorkomend geval, de in § 1 bedoelde voordelen in dagen te waarderen, moet het bedrag ervan per week, per maand, per kwartaal of per jaar gedeeld worden door respectievelijk 6, 26, 78 of 312.
§ 4. De uitkeringen kunnen zonder beperking, samen genoten worden met de voordelen bedoeld in artikel 22, 1° en 2°, van het koninklijk besluit nr 72 van 10 december 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.
[1 De uitkeringen kunnen eveneens, zonder beperking, samen genoten worden met de vergoedingen toegekend met toepassing van de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme.]1
§ 5. (...) <KB 2003-01-13/40, art. 14, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.29. § 1er. Les prestations sont diminuées du montant:
1° des indemnités d'incapacité primaire ou d'invalidité accordées en vertu de la loi du 9 août 1963 et de la pension d'invalidité accordée aux ouvriers mineurs et assimilées;
2° des indemnités, allocations ou rentes accordées au titulaire en sa qualité de victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, en vertu de la législation réparant les dommages résultant d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle;
3° des allocations ordinaires et complémentaires allouées en vertu de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés.
(Aucune diminution n'est appliquée pour les titulaires qui bénéficient d'une allocation en vertu de l'arrêté royal du 24 décembre 1974 relatif aux allocations ordinaires et speciales de handicapés;) <AR 30-06-1976>
4° des sommes allouées au titulaire en vue de réparer dans son chef l'incapacité de travail résultant d'un dommage corporel, d'ordre physique ou mental, soit en vertu d'une législation belge ou étrangère, soit en vertu du droit commun;
5° des pensions de vieillesse, de retraite ou d'ancienneté, en ce comprises les pensions prématurées en raison d'incapacité de travail, et de tout avantage tenant lieu de pareille pension allouée soit par une institution belge ou étrangère de sécurité sociale, soit par un pouvoir public, par un établissement public ou par un établissement d'utilité publique;
[2 6° de la rémunération ainsi que du complément prévu par la convention collective de travail n° 12 bis ou 13 bis dus par l'employeur au titulaire pendant l'occupation en cours en vertu de la réglementation du travail applicable, après le début de la période pendant laquelle le titulaire est dans l'impossibilité d'effectuer son travail en raison d'une incapacité de travail;
7° du traitement différé accordé à l'enseignant temporaire après la fin de l'occupation, de l'indemnité due par l'employeur à la suite de la rupture irrégulière du contrat de travail ainsi que de l'indemnité en compensation du licenciement octroyée en vertu de l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]2
§ 2. Pour l'application du § 1er, il est tenu compte du montant brut des divers avantages qui y sont visés.
Toutefois:
a) il n'est jamais tenu compte des sommes allouées au titre d'assistance d'une tierce personne;
b) ces avantages sont diminués des prélèvements de sécurité sociale qu'ils subissent.
§ 3. Pour évaluer, le cas échéant, le montant journalier des avantages visés au § 1er, il y a lieu d'en diviser le montant hebdomadaire, mensuel, trimestriel ou annuel respectivement par 6, 26, 78 ou 312.
§ 4. Les prestations peuvent être cumulées, sans restriction, avec les avantages visés par l'article 22, 1° et 2°, de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants.
[1 Les prestations peuvent également être cumulées, sans restriction, avec les indemnisations octroyées en application de la loi du 18 juillet relative à la création du statut de solidarité nationale, à l'octroi d'une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite à d'actes de terrorisme.]1
§ 5. (...) <AR 2003-01-13/40, art. 14, 032; En vigueur : 01-01-2003>
1° des indemnités d'incapacité primaire ou d'invalidité accordées en vertu de la loi du 9 août 1963 et de la pension d'invalidité accordée aux ouvriers mineurs et assimilées;
2° des indemnités, allocations ou rentes accordées au titulaire en sa qualité de victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, en vertu de la législation réparant les dommages résultant d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle;
3° des allocations ordinaires et complémentaires allouées en vertu de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés.
(Aucune diminution n'est appliquée pour les titulaires qui bénéficient d'une allocation en vertu de l'arrêté royal du 24 décembre 1974 relatif aux allocations ordinaires et speciales de handicapés;) <AR 30-06-1976>
4° des sommes allouées au titulaire en vue de réparer dans son chef l'incapacité de travail résultant d'un dommage corporel, d'ordre physique ou mental, soit en vertu d'une législation belge ou étrangère, soit en vertu du droit commun;
5° des pensions de vieillesse, de retraite ou d'ancienneté, en ce comprises les pensions prématurées en raison d'incapacité de travail, et de tout avantage tenant lieu de pareille pension allouée soit par une institution belge ou étrangère de sécurité sociale, soit par un pouvoir public, par un établissement public ou par un établissement d'utilité publique;
[2 6° de la rémunération ainsi que du complément prévu par la convention collective de travail n° 12 bis ou 13 bis dus par l'employeur au titulaire pendant l'occupation en cours en vertu de la réglementation du travail applicable, après le début de la période pendant laquelle le titulaire est dans l'impossibilité d'effectuer son travail en raison d'une incapacité de travail;
7° du traitement différé accordé à l'enseignant temporaire après la fin de l'occupation, de l'indemnité due par l'employeur à la suite de la rupture irrégulière du contrat de travail ainsi que de l'indemnité en compensation du licenciement octroyée en vertu de l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]2
§ 2. Pour l'application du § 1er, il est tenu compte du montant brut des divers avantages qui y sont visés.
Toutefois:
a) il n'est jamais tenu compte des sommes allouées au titre d'assistance d'une tierce personne;
b) ces avantages sont diminués des prélèvements de sécurité sociale qu'ils subissent.
§ 3. Pour évaluer, le cas échéant, le montant journalier des avantages visés au § 1er, il y a lieu d'en diviser le montant hebdomadaire, mensuel, trimestriel ou annuel respectivement par 6, 26, 78 ou 312.
§ 4. Les prestations peuvent être cumulées, sans restriction, avec les avantages visés par l'article 22, 1° et 2°, de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants.
[1 Les prestations peuvent également être cumulées, sans restriction, avec les indemnisations octroyées en application de la loi du 18 juillet relative à la création du statut de solidarité nationale, à l'octroi d'une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite à d'actes de terrorisme.]1
§ 5. (...) <AR 2003-01-13/40, art. 14, 032; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 30. Wanneer een gerechtigde recht heeft op één der voordelen bedoeld in artikel 29, § 1, 2° [1 , 4°, 6° of 7°]1, maar dit nog niet effectief ontvangt, worden de uitkeringen hem toegekend.
In dat geval zijn [1 de leden 4 tot 8 van artikel 136, § 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994]1 van toepassing. <KB 1989-07-19/31, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
In dat geval zijn [1 de leden 4 tot 8 van artikel 136, § 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994]1 van toepassing. <KB 1989-07-19/31, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art.30. Lorsqu'un titulaire a droit à l'un des avantages visés à l'article 29, § 1er, 2° [1 , 4°, 6° ou 7°]1, mais ne le reçoit pas encore effectivement, les prestations lui sont accordées.
Dans ce cas, [1 les alinéas 4 à 8 de l'article 136, § 2, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994]1, sont applicables. <AR 1989-07-19/31, art. 4, 009; En vigueur : 01-01-1989>
Dans ce cas, [1 les alinéas 4 à 8 de l'article 136, § 2, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994]1, sont applicables. <AR 1989-07-19/31, art. 4, 009; En vigueur : 01-01-1989>
Änderungen
Art.32. [1 § 1. De toekenning van de uitkering wordt geschorst tijdens een periode waarin de gerechtigde het voorwerp vormt van een maatregel van hechtenis of gevangenzetting in uitvoering van een strafrechtelijke veroordeling waardoor hij daadwerkelijk in en gevangenis of in een transitiehuis verblijft.
De schorsing van de toekenning van de uitkering geldt ook tijdens het tijdvak waarin de gerechtigde zich in uitvoering van een beslissing van de bevoegde instantie buiten de gevangenis of het transitiehuis bevindt wegens de toepassing van één van de volgende strafuitvoeringsmodaliteiten:
1° de uitgaansvergunning bedoeld in artikel 4 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, behalve als de gerechtigde op grond van deze strafuitvoeringsmodaliteit een beroepsactiviteit met de toelating van de adviserend arts [2 of de medewerker van het multidisciplinaire team]2 overeenkomstig de modaliteiten van dit besluit verricht;;
2° het penitentiair verlof bedoeld in artikel 6 van de voormelde wet van 17 mei 2006.
§ 2. De toekenning van de uitkering wordt beperkt tot de helft voor de geïnterneerde gerechtigde die geen persoon ten laste heeft en die in een door de bevoegde instantie aangewezen inrichting verblijft onder het statuut van een plaatsing. De volledige uitkering wordt evenwel aan deze gerechtigde toegekend als hij vanwege de bevoegde instantie de toelating heeft verkregen om de inrichting te verlaten voor een ononderbroken periode van ten minste zeven dagen, vanaf de eerste dag van deze periode.
§ 3. Voor de toepassing van de vorige paragrafen en in uitvoering van het koninklijk besluit van 27 januari 2021 tot uitvoering van artikel 7, § 2, van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie en modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank, voor wat het leesrecht van de in artikel 7, § 1, 13°, van die wet bedoelde instellingen of diensten betreft, beschikt de verzekeringsinstelling waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven, over een leesrecht dat de vorm aanneemt van een automatische elektronische doorzending van alle gegevens bedoeld in artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit van 27 januari 2021 door de Federale Overheidsdienst Justitie uit zijn databank.
Indien de vereiste gegevens niet beschikbaar zijn in de voormelde databank, gebeurt de noodzakelijke gegevensuitwisseling via een papieren attest.
De overeenkomstig deze paragraaf ontvangen gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de afsluiting van het arbeidsongeschiktheidsdossier in de verzekeringsinstelling.]1
De schorsing van de toekenning van de uitkering geldt ook tijdens het tijdvak waarin de gerechtigde zich in uitvoering van een beslissing van de bevoegde instantie buiten de gevangenis of het transitiehuis bevindt wegens de toepassing van één van de volgende strafuitvoeringsmodaliteiten:
1° de uitgaansvergunning bedoeld in artikel 4 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, behalve als de gerechtigde op grond van deze strafuitvoeringsmodaliteit een beroepsactiviteit met de toelating van de adviserend arts [2 of de medewerker van het multidisciplinaire team]2 overeenkomstig de modaliteiten van dit besluit verricht;;
2° het penitentiair verlof bedoeld in artikel 6 van de voormelde wet van 17 mei 2006.
§ 2. De toekenning van de uitkering wordt beperkt tot de helft voor de geïnterneerde gerechtigde die geen persoon ten laste heeft en die in een door de bevoegde instantie aangewezen inrichting verblijft onder het statuut van een plaatsing. De volledige uitkering wordt evenwel aan deze gerechtigde toegekend als hij vanwege de bevoegde instantie de toelating heeft verkregen om de inrichting te verlaten voor een ononderbroken periode van ten minste zeven dagen, vanaf de eerste dag van deze periode.
§ 3. Voor de toepassing van de vorige paragrafen en in uitvoering van het koninklijk besluit van 27 januari 2021 tot uitvoering van artikel 7, § 2, van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie en modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank, voor wat het leesrecht van de in artikel 7, § 1, 13°, van die wet bedoelde instellingen of diensten betreft, beschikt de verzekeringsinstelling waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven, over een leesrecht dat de vorm aanneemt van een automatische elektronische doorzending van alle gegevens bedoeld in artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit van 27 januari 2021 door de Federale Overheidsdienst Justitie uit zijn databank.
Indien de vereiste gegevens niet beschikbaar zijn in de voormelde databank, gebeurt de noodzakelijke gegevensuitwisseling via een papieren attest.
De overeenkomstig deze paragraaf ontvangen gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de afsluiting van het arbeidsongeschiktheidsdossier in de verzekeringsinstelling.]1
Art. 32. [1 § 1. De toekenning van de uitkering wordt geschorst tijdens een periode waarin de gerechtigde het voorwerp vormt van een maatregel van hechtenis of gevangenzetting in uitvoering van een strafrechtelijke veroordeling waardoor hij daadwerkelijk in en gevangenis of in een transitiehuis verblijft.
De schorsing van de toekenning van de uitkering geldt ook tijdens het tijdvak waarin de gerechtigde zich in uitvoering van een beslissing van de bevoegde instantie buiten de gevangenis of het transitiehuis bevindt wegens de toepassing van één van de volgende strafuitvoeringsmodaliteiten:
1° de uitgaansvergunning bedoeld in artikel 4 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, behalve als de gerechtigde op grond van deze strafuitvoeringsmodaliteit een beroepsactiviteit met de toelating van de adviserend arts [2 of de medewerker van het multidisciplinaire team]2 overeenkomstig de modaliteiten van dit besluit verricht;;
2° het penitentiair verlof bedoeld in artikel 6 van de voormelde wet van 17 mei 2006.
§ 2. De toekenning van de uitkering wordt beperkt tot de helft voor de geïnterneerde gerechtigde die geen persoon ten laste heeft en die in een door de bevoegde instantie aangewezen inrichting verblijft onder het statuut van een plaatsing. De volledige uitkering wordt evenwel aan deze gerechtigde toegekend als hij vanwege de bevoegde instantie de toelating heeft verkregen om de inrichting te verlaten voor een ononderbroken periode van ten minste zeven dagen, vanaf de eerste dag van deze periode.
§ 3. Voor de toepassing van de vorige paragrafen en in uitvoering van het koninklijk besluit van 27 januari 2021 tot uitvoering van artikel 7, § 2, van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie en modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank, voor wat het leesrecht van de in artikel 7, § 1, 13°, van die wet bedoelde instellingen of diensten betreft, beschikt de verzekeringsinstelling waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven, over een leesrecht dat de vorm aanneemt van een automatische elektronische doorzending van alle gegevens bedoeld in artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit van 27 januari 2021 door de Federale Overheidsdienst Justitie uit zijn databank.
Indien de vereiste gegevens niet beschikbaar zijn in de voormelde databank, gebeurt de noodzakelijke gegevensuitwisseling via een papieren attest.
De overeenkomstig deze paragraaf ontvangen gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de afsluiting van het arbeidsongeschiktheidsdossier in de verzekeringsinstelling.]1
De schorsing van de toekenning van de uitkering geldt ook tijdens het tijdvak waarin de gerechtigde zich in uitvoering van een beslissing van de bevoegde instantie buiten de gevangenis of het transitiehuis bevindt wegens de toepassing van één van de volgende strafuitvoeringsmodaliteiten:
1° de uitgaansvergunning bedoeld in artikel 4 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, behalve als de gerechtigde op grond van deze strafuitvoeringsmodaliteit een beroepsactiviteit met de toelating van de adviserend arts [2 of de medewerker van het multidisciplinaire team]2 overeenkomstig de modaliteiten van dit besluit verricht;;
2° het penitentiair verlof bedoeld in artikel 6 van de voormelde wet van 17 mei 2006.
§ 2. De toekenning van de uitkering wordt beperkt tot de helft voor de geïnterneerde gerechtigde die geen persoon ten laste heeft en die in een door de bevoegde instantie aangewezen inrichting verblijft onder het statuut van een plaatsing. De volledige uitkering wordt evenwel aan deze gerechtigde toegekend als hij vanwege de bevoegde instantie de toelating heeft verkregen om de inrichting te verlaten voor een ononderbroken periode van ten minste zeven dagen, vanaf de eerste dag van deze periode.
§ 3. Voor de toepassing van de vorige paragrafen en in uitvoering van het koninklijk besluit van 27 januari 2021 tot uitvoering van artikel 7, § 2, van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie en modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank, voor wat het leesrecht van de in artikel 7, § 1, 13°, van die wet bedoelde instellingen of diensten betreft, beschikt de verzekeringsinstelling waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven, over een leesrecht dat de vorm aanneemt van een automatische elektronische doorzending van alle gegevens bedoeld in artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit van 27 januari 2021 door de Federale Overheidsdienst Justitie uit zijn databank.
Indien de vereiste gegevens niet beschikbaar zijn in de voormelde databank, gebeurt de noodzakelijke gegevensuitwisseling via een papieren attest.
De overeenkomstig deze paragraaf ontvangen gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de afsluiting van het arbeidsongeschiktheidsdossier in de verzekeringsinstelling.]1
Art.32. [1 § 1er. L'octroi de l'indemnité est suspendu pendant la période durant laquelle le titulaire fait l'objet d'une mesure de détention ou d'incarcération, en exécution d'une condamnation pénale, et séjourne de ce fait effectivement en prison ou en maison de transition.
L'octroi de l'indemnité est également suspendu pendant la période durant laquelle le titulaire se trouve, en exécution d'une décision de l'instance compétente, en dehors de la prison ou de la maison de transition en raison de l'application de l'une des modalités d'exécution de la peine suivantes :
1° la permission de sortie, visée à l'article 4 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, sauf si, sur base de cette modalité d'exécution de la peine, le titulaire exerce une activité professionnelle avec l'autorisation du médecin-conseil [2 ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire]2 conformément aux modalités du présent arrêté;
2° le congé pénitentiaire, visé à l'article 6 de la loi précitée du 17 mai 2006.
§ 2. L'octroi de l'indemnité est limité à la moitié pour le titulaire interné qui n'a pas de personne à charge et qui séjourne dans une institution désignée par l'instance compétente, sous le statut d'un placement. L'indemnité intégrale est toutefois octroyée au titulaire, s'il a obtenu, de la part de l'instance compétente, l'autorisation de quitter l'établissement pour une période ininterrompue d'au moins sept jours, à partir du premier jour de cette dernière période.
§ 3. Pour l'application des paragraphes précédents et en exécution de l'arrêté royal du 27 janvier 2021 pris en exécution de l'article 7, § 2, de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d'informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés, en ce qui concerne le droit de lecture des organismes ou services visés à l'article 7, § 1, 13°, de cette loi, l'organisme assureur, auquel le titulaire est affilié ou inscrit, dispose d'un droit de lecture prenant la forme d'une transmission électronique automatique de toutes les données visées à l'article 3 de l'arrêté royal du 27 janvier 2021 précité par le Service public fédéral Justice à partir de sa base de données.
Si les données requises ne sont pas disponibles dans la base de données susmentionnée, l'échange de données nécessaire se fait par le biais d'une attestation papier.
Les données reçues conformément au présent paragraphe ne sont pas conservées plus longtemps qu'il n'est nécessaire aux fins de leur traitement, avec une durée de conservation maximale de trois années à compter du 1er janvier de l'année suivant la clôture du dossier d'incapacité de travail chez l'organisme assureur.]1
L'octroi de l'indemnité est également suspendu pendant la période durant laquelle le titulaire se trouve, en exécution d'une décision de l'instance compétente, en dehors de la prison ou de la maison de transition en raison de l'application de l'une des modalités d'exécution de la peine suivantes :
1° la permission de sortie, visée à l'article 4 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, sauf si, sur base de cette modalité d'exécution de la peine, le titulaire exerce une activité professionnelle avec l'autorisation du médecin-conseil [2 ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire]2 conformément aux modalités du présent arrêté;
2° le congé pénitentiaire, visé à l'article 6 de la loi précitée du 17 mai 2006.
§ 2. L'octroi de l'indemnité est limité à la moitié pour le titulaire interné qui n'a pas de personne à charge et qui séjourne dans une institution désignée par l'instance compétente, sous le statut d'un placement. L'indemnité intégrale est toutefois octroyée au titulaire, s'il a obtenu, de la part de l'instance compétente, l'autorisation de quitter l'établissement pour une période ininterrompue d'au moins sept jours, à partir du premier jour de cette dernière période.
§ 3. Pour l'application des paragraphes précédents et en exécution de l'arrêté royal du 27 janvier 2021 pris en exécution de l'article 7, § 2, de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d'informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés, en ce qui concerne le droit de lecture des organismes ou services visés à l'article 7, § 1, 13°, de cette loi, l'organisme assureur, auquel le titulaire est affilié ou inscrit, dispose d'un droit de lecture prenant la forme d'une transmission électronique automatique de toutes les données visées à l'article 3 de l'arrêté royal du 27 janvier 2021 précité par le Service public fédéral Justice à partir de sa base de données.
Si les données requises ne sont pas disponibles dans la base de données susmentionnée, l'échange de données nécessaire se fait par le biais d'une attestation papier.
Les données reçues conformément au présent paragraphe ne sont pas conservées plus longtemps qu'il n'est nécessaire aux fins de leur traitement, avec une durée de conservation maximale de trois années à compter du 1er janvier de l'année suivant la clôture du dossier d'incapacité de travail chez l'organisme assureur.]1
Art. 33. Mits aan de andere voorwaarden voldaan is, belet de niet-betaling der uitkeringen ingevolge de toepassing van de artikelen 27 tot 29, niet dat een tijdvak van arbeidsongeschiktheid wordt erkend of onderbreekt ze een lopend tijdvak van arbeidsongeschiktheid niet, naar gelang van het geval.
Art.33. Toutes autres conditions étant réunies, le non-paiement des prestations par suite de l'application des articles 27 à 29 n'empêche pas qu'une période d'incapacité de travail soit reconnue ou n'interrompt pas une période d'incapacité de travail en cours, suivant le cas.
Art.34. Bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid worden de uitkeringen betaald door de verzekeringsinstelling ten laatste op het einde van de tweede maand, volgend op de maand waarin de verklaring van arbeidsongeschiktheid werd toegezonden aan de adviserend [1 arts]1 van de verzekeringsinstelling, zoals bepaald in artikel 53, eerste lid.
Section 4. - Du paiement des prestations.
Art. 34. <KB 2001-01-15/36, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid worden de uitkeringen betaald door de verzekeringsinstelling ten laatste op het einde van de tweede maand, volgend op de maand waarin de verklaring van arbeidsongeschiktheid werd toegezonden aan de adviserend [1 arts]1 van de verzekeringsinstelling, zoals bepaald in artikel 53, eerste lid.
Vervolgens worden de uitkeringen door de verzekeringsinstelling betaald ten vroegste op de derde laatste werkdag van de maand voor de lopende maand en uiterlijk binnen de eerste vijf dagen van de maand voor de maand die voorafgaat.
Voor de toepassing van dit artikel worden alle dagen, behalve de zaterdagen, zondagen en feestdagen, als werkdagen beschouwd.
Vervolgens worden de uitkeringen door de verzekeringsinstelling betaald ten vroegste op de derde laatste werkdag van de maand voor de lopende maand en uiterlijk binnen de eerste vijf dagen van de maand voor de maand die voorafgaat.
Voor de toepassing van dit artikel worden alle dagen, behalve de zaterdagen, zondagen en feestdagen, als werkdagen beschouwd.
Art.34. <AR 2001-01-15/36, art. 2, 026; En vigueur : 01-01-2001> Au début de l'incapacité de travail, les indemnités sont payées par l'organisme assureur au plus tard à la fin du deuxième mois suivant le mois pendant lequel la déclaration d'incapacité de travail a été transmise au médecin-conseil de l'organisme assureur, comme prévu à l'article 53, 1er alinéa.
Par la suite, les prestations sont payées par l'organisme assureur au plus tôt l'antépénultième jour ouvrable de chaque mois pour le mois en cours et, au plus tard, dans les cinq premiers jours de chaque mois pour le mois qui précède.
Sont réputés jours ouvrables pour l'application du présent article, tous les jours sauf les samedis, dimanches et jours fériés.
Par la suite, les prestations sont payées par l'organisme assureur au plus tôt l'antépénultième jour ouvrable de chaque mois pour le mois en cours et, au plus tard, dans les cinq premiers jours de chaque mois pour le mois qui précède.
Sont réputés jours ouvrables pour l'application du présent article, tous les jours sauf les samedis, dimanches et jours fériés.
Art.35. Wanneer de gehuwde gerechtigde onbekwaam verklaard is of in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven, verzoekt de verzekeringsinstelling de echtgenoot eventueel aan de vrederechter machtiging te vragen om de uitkeringen te ontvangen overeenkomstig artikel 220 van het Burgerlijk Wetboek. Alsdan is het vonnis van de vrederechter door de verzekeringsinstelling uitvoerbaar op betekening van de griffie waarin is vermeld dat de debiteursverzekeringsinstelling moet betalen of de betaling moet stopzetten.
Art. 34bis. (Abrogé) <AR 2003-01-13/40, art. 14, 032; En vigueur : 01-01-2003>
Art.36. (§ 1. De uitkeringen verschuldigd aan geesteszieke gerechtigden, worden uitbetaald onder de volgende voorwaarden :
1° wanneer de geesteszieke noch in een psychiatrische dienst is opgenomen, noch in een gezin verpleegd wordt :
a) aan de voogd, wanneer de geesteszieke onbekwaam is verklaard;
b) aan de voorlopige bewindvoerder aangesteld met toepassing van artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer de onbekwaamverklaring van de geesteszieke werd gevorderd;
c) aan de gerechtigde zelf, zijn lasthebber of zijn zaakwaarnemer, wanneer het gaat om een gerechtigde die meerderjarig of een ontvoogde minderjarige is;
d) aan de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent wanneer de gerechtigde een minderjarige is die uitsluitend onder ouderlijk gezag staat of wanneer het een minderjarige of een meerderjarige betreft die met toepassing van artikel 487bis van het Burgerlijk Wetboek in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard;
e) aan de voogd, wanneer het een minderjarige betreft die hetzij uitsluitend onder voogdij, hetzij tegelijkertijd onder ouderlijk gezag en onder voogdij staat, evenals wanneer het een minderjarige of een meerderjarige betreft die met toepassing van artikel 487bis van het Burgerlijk Wetboek in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard.
2° wanneer de geesteszieke in een psychiatrische dienst is opgenomen of in een gezin verpleegd wordt, worden de uitkeringen in de volgende orde betaald :
a) aan één van de personen bedoeld onder 1°, a) of b);
b) aan de voorlopige bewindvoerder die door de vrederechter is aangewezen met toepassing van artikel 488bis, c), § 1, van het Burgerlijk Wetboek.) <KB 2000-11-17/33, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
§ 2. Alvorens de uitkeringen aan de in § 1 bedoelde gerechtigden te betalen, doen de verzekeringsinstellingen (bij de directeur van de instelling waar de geesteszieke is opgenomen of, ingeval van verpleging in een gezin, bij de vrederechter), navraag naar naam en adres van de persoon die gemachtigd is om deugdelijk kwijting te geven voor de verschuldigde uitkeringen. Voor nadere waarborgen raadplegen ze, in voorkomend geval, de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. <KB 2000-11-17/33, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
1° wanneer de geesteszieke noch in een psychiatrische dienst is opgenomen, noch in een gezin verpleegd wordt :
a) aan de voogd, wanneer de geesteszieke onbekwaam is verklaard;
b) aan de voorlopige bewindvoerder aangesteld met toepassing van artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer de onbekwaamverklaring van de geesteszieke werd gevorderd;
c) aan de gerechtigde zelf, zijn lasthebber of zijn zaakwaarnemer, wanneer het gaat om een gerechtigde die meerderjarig of een ontvoogde minderjarige is;
d) aan de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent wanneer de gerechtigde een minderjarige is die uitsluitend onder ouderlijk gezag staat of wanneer het een minderjarige of een meerderjarige betreft die met toepassing van artikel 487bis van het Burgerlijk Wetboek in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard;
e) aan de voogd, wanneer het een minderjarige betreft die hetzij uitsluitend onder voogdij, hetzij tegelijkertijd onder ouderlijk gezag en onder voogdij staat, evenals wanneer het een minderjarige of een meerderjarige betreft die met toepassing van artikel 487bis van het Burgerlijk Wetboek in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard.
2° wanneer de geesteszieke in een psychiatrische dienst is opgenomen of in een gezin verpleegd wordt, worden de uitkeringen in de volgende orde betaald :
a) aan één van de personen bedoeld onder 1°, a) of b);
b) aan de voorlopige bewindvoerder die door de vrederechter is aangewezen met toepassing van artikel 488bis, c), § 1, van het Burgerlijk Wetboek.) <KB 2000-11-17/33, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
§ 2. Alvorens de uitkeringen aan de in § 1 bedoelde gerechtigden te betalen, doen de verzekeringsinstellingen (bij de directeur van de instelling waar de geesteszieke is opgenomen of, ingeval van verpleging in een gezin, bij de vrederechter), navraag naar naam en adres van de persoon die gemachtigd is om deugdelijk kwijting te geven voor de verschuldigde uitkeringen. Voor nadere waarborgen raadplegen ze, in voorkomend geval, de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. <KB 2000-11-17/33, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
Art.35. Si le titulaire marié est interdit ou dans l'impossibilité de manifester sa volonté, l'organisme assureur invite éventuellement le conjoint à solliciter du juge de paix, l'autorisation de percevoir les prestations conformément à l'article 220 du Code civil. Dans ce cas, le jugement rendu par le juge de paix est exécutoire par l'organisme assureur sur notification du greffe, indiquant que l'organisme assureur débiteur doit payer ou cesser de payer.
Art. 36. (§ 1. De uitkeringen verschuldigd aan geesteszieke gerechtigden, worden uitbetaald onder de volgende voorwaarden :
1° wanneer de geesteszieke noch in een psychiatrische dienst is opgenomen, noch in een gezin verpleegd wordt :
a) aan de voogd, wanneer de geesteszieke onbekwaam is verklaard;
b) aan de voorlopige bewindvoerder aangesteld met toepassing van artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer de onbekwaamverklaring van de geesteszieke werd gevorderd;
c) aan de gerechtigde zelf, zijn lasthebber of zijn zaakwaarnemer, wanneer het gaat om een gerechtigde die meerderjarig of een ontvoogde minderjarige is;
d) aan de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent wanneer de gerechtigde een minderjarige is die uitsluitend onder ouderlijk gezag staat of wanneer het een minderjarige of een meerderjarige betreft die met toepassing van artikel 487bis van het Burgerlijk Wetboek in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard;
e) aan de voogd, wanneer het een minderjarige betreft die hetzij uitsluitend onder voogdij, hetzij tegelijkertijd onder ouderlijk gezag en onder voogdij staat, evenals wanneer het een minderjarige of een meerderjarige betreft die met toepassing van artikel 487bis van het Burgerlijk Wetboek in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard.
2° wanneer de geesteszieke in een psychiatrische dienst is opgenomen of in een gezin verpleegd wordt, worden de uitkeringen in de volgende orde betaald :
a) aan één van de personen bedoeld onder 1°, a) of b);
b) aan de voorlopige bewindvoerder die door de vrederechter is aangewezen met toepassing van artikel 488bis, c), § 1, van het Burgerlijk Wetboek.) <KB 2000-11-17/33, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
§ 2. Alvorens de uitkeringen aan de in § 1 bedoelde gerechtigden te betalen, doen de verzekeringsinstellingen (bij de directeur van de instelling waar de geesteszieke is opgenomen of, ingeval van verpleging in een gezin, bij de vrederechter), navraag naar naam en adres van de persoon die gemachtigd is om deugdelijk kwijting te geven voor de verschuldigde uitkeringen. Voor nadere waarborgen raadplegen ze, in voorkomend geval, de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. <KB 2000-11-17/33, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
1° wanneer de geesteszieke noch in een psychiatrische dienst is opgenomen, noch in een gezin verpleegd wordt :
a) aan de voogd, wanneer de geesteszieke onbekwaam is verklaard;
b) aan de voorlopige bewindvoerder aangesteld met toepassing van artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer de onbekwaamverklaring van de geesteszieke werd gevorderd;
c) aan de gerechtigde zelf, zijn lasthebber of zijn zaakwaarnemer, wanneer het gaat om een gerechtigde die meerderjarig of een ontvoogde minderjarige is;
d) aan de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent wanneer de gerechtigde een minderjarige is die uitsluitend onder ouderlijk gezag staat of wanneer het een minderjarige of een meerderjarige betreft die met toepassing van artikel 487bis van het Burgerlijk Wetboek in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard;
e) aan de voogd, wanneer het een minderjarige betreft die hetzij uitsluitend onder voogdij, hetzij tegelijkertijd onder ouderlijk gezag en onder voogdij staat, evenals wanneer het een minderjarige of een meerderjarige betreft die met toepassing van artikel 487bis van het Burgerlijk Wetboek in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard.
2° wanneer de geesteszieke in een psychiatrische dienst is opgenomen of in een gezin verpleegd wordt, worden de uitkeringen in de volgende orde betaald :
a) aan één van de personen bedoeld onder 1°, a) of b);
b) aan de voorlopige bewindvoerder die door de vrederechter is aangewezen met toepassing van artikel 488bis, c), § 1, van het Burgerlijk Wetboek.) <KB 2000-11-17/33, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
§ 2. Alvorens de uitkeringen aan de in § 1 bedoelde gerechtigden te betalen, doen de verzekeringsinstellingen (bij de directeur van de instelling waar de geesteszieke is opgenomen of, ingeval van verpleging in een gezin, bij de vrederechter), navraag naar naam en adres van de persoon die gemachtigd is om deugdelijk kwijting te geven voor de verschuldigde uitkeringen. Voor nadere waarborgen raadplegen ze, in voorkomend geval, de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. <KB 2000-11-17/33, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
Art.36. (§ 1er. Les prestations dues aux titulaires malades mentaux sont payées dans les conditions suivantes :
1° lorsque le malade mental n'est ni accueilli dans un service psychiatrique ni soigné en milieu familial :
a) au tuteur lorsque le malade mental est interdit;
b) à l'administrateur provisoire, désigné en application de l'article 1246 du Code judiciaire, lorsque le malade mental est en instance d'interdiction;
c) au titulaire lui-même, à son mandataire ou à son gérant d'affaires, lorsqu'il s'agit d'un titulaire majeur ou d'un mineur d'âge émancipé;
d) à la personne qui exerce l'autorité parentale lorsque le titulaire est un mineur d'âge soumis exclusivement à l'autorité parentale ou lorsqu'il s'agit soit d'un mineur, soit d'un majeur qui, en application de l'article 487bis du Code civil, a été placé sous statut de minorité prolongée;
e) au tuteur lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge qui est soumis soit exclusivement à la tutelle, soit simultanément à l'autorité parentale et à la tutelle, ainsi que lorsqu'il s'agit d'un mineur ou d'un majeur qui, en application de l'article 487bis du Code civil, a été placé sous statut de minorité prolongée;
2° lorsque le malade mental est accueilli dans un service psychiatrique ou soigné en milieu familial, les indemnités sont payées en ordre successif :
a) à l'une des personnes visées au 1°, a) ou b);
b) à l'administrateur provisoire, désigné par le juge de paix, en application de l'article 488bis, c), § 1er, du Code civil.) <AR 2000-11-17/33, art. 4, 025; En vigueur : 17-12-2000>
§ 2. Avant de payer les prestations aux titulaires visés au § 1er, les organismes assureurs s'enquièrent (auprès du directeur de l'établissement où le malade mental est accueilli ou, en cas de soins en milieu familial, auprès du juge de paix), du nom et de l'adresse de la personne habilitée à donner valablement quittance des prestations dues. Ils s'entourent, le cas échéant, de toutes garanties supplémentaires en consultant le greffe du tribunal de première instance. <AR 2000-11-17/33, art. 4, 025; En vigueur : 17-12-2000>
1° lorsque le malade mental n'est ni accueilli dans un service psychiatrique ni soigné en milieu familial :
a) au tuteur lorsque le malade mental est interdit;
b) à l'administrateur provisoire, désigné en application de l'article 1246 du Code judiciaire, lorsque le malade mental est en instance d'interdiction;
c) au titulaire lui-même, à son mandataire ou à son gérant d'affaires, lorsqu'il s'agit d'un titulaire majeur ou d'un mineur d'âge émancipé;
d) à la personne qui exerce l'autorité parentale lorsque le titulaire est un mineur d'âge soumis exclusivement à l'autorité parentale ou lorsqu'il s'agit soit d'un mineur, soit d'un majeur qui, en application de l'article 487bis du Code civil, a été placé sous statut de minorité prolongée;
e) au tuteur lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge qui est soumis soit exclusivement à la tutelle, soit simultanément à l'autorité parentale et à la tutelle, ainsi que lorsqu'il s'agit d'un mineur ou d'un majeur qui, en application de l'article 487bis du Code civil, a été placé sous statut de minorité prolongée;
2° lorsque le malade mental est accueilli dans un service psychiatrique ou soigné en milieu familial, les indemnités sont payées en ordre successif :
a) à l'une des personnes visées au 1°, a) ou b);
b) à l'administrateur provisoire, désigné par le juge de paix, en application de l'article 488bis, c), § 1er, du Code civil.) <AR 2000-11-17/33, art. 4, 025; En vigueur : 17-12-2000>
§ 2. Avant de payer les prestations aux titulaires visés au § 1er, les organismes assureurs s'enquièrent (auprès du directeur de l'établissement où le malade mental est accueilli ou, en cas de soins en milieu familial, auprès du juge de paix), du nom et de l'adresse de la personne habilitée à donner valablement quittance des prestations dues. Ils s'entourent, le cas échéant, de toutes garanties supplémentaires en consultant le greffe du tribunal de première instance. <AR 2000-11-17/33, art. 4, 025; En vigueur : 17-12-2000>
Art. 37. <KB 2000-11-17/33, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000> De uitkeringen verschuldigd aan gerechtigden die geïnterneerd zijn met toepassing van de artikelen 7 of 21 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers, moeten onder de volgende voorwaarden worden uitbetaald :
1° wanneer de geïnterneerde geplaatst is in een inrichting tot bescherming van de maatschappij :
a) aan de voogd, als de betrokkene onbekwaam is verklaard;
b) aan de voorlopige bewindvoerder, aangesteld met toepassing van artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek, als de onbekwaamverklaring van de geïnterneerde werd gevorderd;
c) aan de voorlopige bewindvoerder, aangesteld door de commissie tot bescherming van de maatschappij of door de vrederechter met toepassing van artikel 29 van voormelde wet van 1 juli 1964.
Bij ontstentenis van enige aanstelling :
- aan de gerechtigde zelf, aan zijn lasthebber of, in de laatste plaats, aan zijn zaakwaarnemer, ongeacht of dit de directeur van de instelling dan wel een ander persoon is, als de gerechtigde een ontvoogde minderjarige of een meerderjarige is;
- aan de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent, als het een minderjarige betreft die uitsluitend onder ouderlijk gezag staat;
- aan de voogd, als het en minderjarige betreft die hetzij uitsluitend onder voogdij, hetzij tegelijkertijd onder ouderlijk gezag en onder voogdij staat;
2° wanneer de geïnterneerde in een psychiatrische dienst opgenomen is, worden de uitkeringen uitbetaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 36.
1° wanneer de geïnterneerde geplaatst is in een inrichting tot bescherming van de maatschappij :
a) aan de voogd, als de betrokkene onbekwaam is verklaard;
b) aan de voorlopige bewindvoerder, aangesteld met toepassing van artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek, als de onbekwaamverklaring van de geïnterneerde werd gevorderd;
c) aan de voorlopige bewindvoerder, aangesteld door de commissie tot bescherming van de maatschappij of door de vrederechter met toepassing van artikel 29 van voormelde wet van 1 juli 1964.
Bij ontstentenis van enige aanstelling :
- aan de gerechtigde zelf, aan zijn lasthebber of, in de laatste plaats, aan zijn zaakwaarnemer, ongeacht of dit de directeur van de instelling dan wel een ander persoon is, als de gerechtigde een ontvoogde minderjarige of een meerderjarige is;
- aan de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent, als het een minderjarige betreft die uitsluitend onder ouderlijk gezag staat;
- aan de voogd, als het en minderjarige betreft die hetzij uitsluitend onder voogdij, hetzij tegelijkertijd onder ouderlijk gezag en onder voogdij staat;
2° wanneer de geïnterneerde in een psychiatrische dienst opgenomen is, worden de uitkeringen uitbetaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 36.
Art.37. <AR 2000-11-17/33, art. 5, 025; En vigueur : 17-12-2000> Les prestations, dues aux titulaires internés par application des articles 7 ou 21 de la loi du 1er juillet 1964 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude, doivent être payées dans les conditions suivantes :
1° lorsque l'interné est placé dans un établissement de défense sociale :
a) au tuteur, lorsque l'interné est interdit;
b) à l'administrateur provisoire, désigné en application de l'article 1246 du Code judiciaire, lorsque l'interné est en instance d'interdiction;
c) à l'administrateur provisoire, désigné par la Commission de défense sociale ou par le juge de paix, en application de l'article 29 de la loi du 1er juillet 1964 susvisée.
A défaut de toute désignation :
- au titulaire lui-même, à son mandataire, ou, en dernier lieu, à son gérant d'affaires, sans distinction suivant que celui-ci est le directeur de l'établissement ou une autre personne, si le titulaire est un mineur d'âge émancipé ou majeur;
- à la personne qui exerce l'autorité parentale, lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge soumis exclusivement à l'autorité parentale;
- au tuteur, lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge qui est soumis soit exclusivement à la tutelle, soit simultanément à l'autorité parentale et à la tutelle;
2° lorsque l'interné est accueilli dans un service psychiatrique, les indemnités sont payées conformément aux dispositions de l'article 36.
1° lorsque l'interné est placé dans un établissement de défense sociale :
a) au tuteur, lorsque l'interné est interdit;
b) à l'administrateur provisoire, désigné en application de l'article 1246 du Code judiciaire, lorsque l'interné est en instance d'interdiction;
c) à l'administrateur provisoire, désigné par la Commission de défense sociale ou par le juge de paix, en application de l'article 29 de la loi du 1er juillet 1964 susvisée.
A défaut de toute désignation :
- au titulaire lui-même, à son mandataire, ou, en dernier lieu, à son gérant d'affaires, sans distinction suivant que celui-ci est le directeur de l'établissement ou une autre personne, si le titulaire est un mineur d'âge émancipé ou majeur;
- à la personne qui exerce l'autorité parentale, lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge soumis exclusivement à l'autorité parentale;
- au tuteur, lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge qui est soumis soit exclusivement à la tutelle, soit simultanément à l'autorité parentale et à la tutelle;
2° lorsque l'interné est accueilli dans un service psychiatrique, les indemnités sont payées conformément aux dispositions de l'article 36.
Art. 38. De uitkeringen verschuldigd aan de gerechtigden die in een gevangenis zijn opgesloten of in een bedelaarsgesticht zijn geplaatst, worden betaald:
- aan de gerechtigde zelf, aan zijn lasthebber, of, in de laatste plaats, aan zijn zaakwaarnemer, ongeacht of dit de directeur van de inrichting dan wel een ander persoon is, wanneer de gerechtigde een ontvoogde minderjarige of een meerderjarige is;
- aan de persoon die (het ouderlijke gezag) uitoefent, wanneer het een minderjarige betreft die uitsluitend onder (het ouderlijke gezag) staat; <KB 2000-11-17/33, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
- aan de voogd, wanneer het een minderjarige betreft die hetzij uitsluitend onder voogdij, hetzij tegelijkertijd onder (het ouderlijke gezag) en onder voogdij staat. <KB 2000-11-17/33, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
- aan de gerechtigde zelf, aan zijn lasthebber, of, in de laatste plaats, aan zijn zaakwaarnemer, ongeacht of dit de directeur van de inrichting dan wel een ander persoon is, wanneer de gerechtigde een ontvoogde minderjarige of een meerderjarige is;
- aan de persoon die (het ouderlijke gezag) uitoefent, wanneer het een minderjarige betreft die uitsluitend onder (het ouderlijke gezag) staat; <KB 2000-11-17/33, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
- aan de voogd, wanneer het een minderjarige betreft die hetzij uitsluitend onder voogdij, hetzij tegelijkertijd onder (het ouderlijke gezag) en onder voogdij staat. <KB 2000-11-17/33, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
Art.38. Les prestations dues aux titulaires détenus dans les prisons ou placés dans un dépôt de mendicité sont payées:
- au titulaire lui-même, à son mandataire, ou, en dernier lieu, à son gérant d'affaires, sans distinction suivant que celui-ci est (l'autorité parentale) ou une autre personne, si le titulaire est un mineur d'âge émancipé ou majeur;
- à la personne qui exerce (l'autorité parentale), lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge soumis exclusivement à (l'autorité parentale); <AR 2000-11-17/33, art. 6, 025; En vigueur : 17-12-2000>
- au tuteur lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge qui est soumis, soit exclusivement à la tutelle, soit simultanément à (l'autorité parentale) et à la tutelle. <AR 2000-11-17/33, art. 6, 025; En vigueur : 17-12-2000>
- au titulaire lui-même, à son mandataire, ou, en dernier lieu, à son gérant d'affaires, sans distinction suivant que celui-ci est (l'autorité parentale) ou une autre personne, si le titulaire est un mineur d'âge émancipé ou majeur;
- à la personne qui exerce (l'autorité parentale), lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge soumis exclusivement à (l'autorité parentale); <AR 2000-11-17/33, art. 6, 025; En vigueur : 17-12-2000>
- au tuteur lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge qui est soumis, soit exclusivement à la tutelle, soit simultanément à (l'autorité parentale) et à la tutelle. <AR 2000-11-17/33, art. 6, 025; En vigueur : 17-12-2000>
Art. 38/1.[1 De werkhervattingspremie bedoeld in artikel 110/1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 wordt onder dezelfde voorwaarden toegekend aan de werkgever waarbij een gerechtigde die zich in het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 6, 3° bevindt, een toegelaten activiteit overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis hervat.
CHAPITRE III/I. [1 - Octroi d'une prime de reprise du travail.]1
Art. 38/1. [1 De werkhervattingspremie bedoeld in artikel 110/1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 wordt onder dezelfde voorwaarden toegekend aan de werkgever waarbij een gerechtigde die zich in het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 6, 3° bevindt, een toegelaten activiteit overeenkomstig [2 ...]2 artikel 23bis hervat.
Als de werkgever evenwel voor eenzelfde gerechtigde ook een recht op een werkhervattingspremie opent wegens eenzelfde toegelaten arbeid verricht overeenkomstig de bepalingen van artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, wordt de toekenning van de werkhervattingspremie bedoeld in het eerste lid geweigerd.]1
Als de werkgever evenwel voor eenzelfde gerechtigde ook een recht op een werkhervattingspremie opent wegens eenzelfde toegelaten arbeid verricht overeenkomstig de bepalingen van artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, wordt de toekenning van de werkhervattingspremie bedoeld in het eerste lid geweigerd.]1
Art.38/1. [1 La prime de reprise du travail visée à l'article 110/1 de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 est accordée dans les mêmes conditions à l'employeur auprès duquel un titulaire qui se trouve dans la période d'invalidité visée à l'article 6, 3°, reprend une activité autorisée conformément [2 ...]2 à l'article 23bis.
Toutefois, si l'employeur ouvre également, pour un même titulaire, un droit à une prime de reprise du travail suite à un même travail autorisé effectué conformément aux dispositions de l'article 100, § 2, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, l'octroi de la prime de reprise du travail, visée à l'alinéa 1er, est refusé.]1
Toutefois, si l'employeur ouvre également, pour un même titulaire, un droit à une prime de reprise du travail suite à un même travail autorisé effectué conformément aux dispositions de l'article 100, § 2, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, l'octroi de la prime de reprise du travail, visée à l'alinéa 1er, est refusé.]1
Afdeling 1. - Het beheerscomité van de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen.
CHAPITRE IV. - De l'organisation administrative.
Art.39. § 1. Bij de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut wordt een beheerscomité van de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen opgericht.
Section 1. - Du Comité de gestion de l'assurance-indemnités des travailleurs indépendants.
Art. 39. § 1. Bij de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut wordt een beheerscomité van de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen opgericht.
Dit beheerscomité omvat:
1° drie werkende en drie plaatsvervangende leden die de landbouwers vertegenwoordigen, alsmede elf werkende en elf plaatsvervangende leden die de andere zelfstandigen vertegenwoordigen. Ze worden gekozen onder de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van zelfstandigen die voldoen aan de voorwaarden die gesteld zijn om voorstellen te doen met het oog op de benoeming van de vertegenwoordigers der zelfstandigen in de schoot van de raad van beheer van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen;
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden gekozen onder de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen in de zin van de wet van 9 augustus 1963. Elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van effectief lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid.
Eén der onder 1° bedoelde leden wordt tot voorzitter benoemd. Er worden twee ondervoorzitters benoemd: de ene onder de in 1°, de andere onder de in 2° bedoelde leden.
De voorzitter, ondervoorzitters en leden worden benoemd door de Koning.
De benoeming der onder 1° bedoelde leden wordt voorafgegaan door de bekendmaking van een bericht in het Belgisch Staatsblad. De betrokken organisaties moeten aan de Minister van Sociale Voorzorg hun voorstellen doen geworden binnen de tien dagen na de bekendmaking van dat bericht.
§ 2. De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, of zijn plaatsvervanger, woont de vergaderingen van het beheerscomité bij en treft de nodige maatregelen opdat het secretariaat zou verzekerd zijn.
Dit beheerscomité omvat:
1° drie werkende en drie plaatsvervangende leden die de landbouwers vertegenwoordigen, alsmede elf werkende en elf plaatsvervangende leden die de andere zelfstandigen vertegenwoordigen. Ze worden gekozen onder de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van zelfstandigen die voldoen aan de voorwaarden die gesteld zijn om voorstellen te doen met het oog op de benoeming van de vertegenwoordigers der zelfstandigen in de schoot van de raad van beheer van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen;
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden gekozen onder de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen in de zin van de wet van 9 augustus 1963. Elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van effectief lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid.
Eén der onder 1° bedoelde leden wordt tot voorzitter benoemd. Er worden twee ondervoorzitters benoemd: de ene onder de in 1°, de andere onder de in 2° bedoelde leden.
De voorzitter, ondervoorzitters en leden worden benoemd door de Koning.
De benoeming der onder 1° bedoelde leden wordt voorafgegaan door de bekendmaking van een bericht in het Belgisch Staatsblad. De betrokken organisaties moeten aan de Minister van Sociale Voorzorg hun voorstellen doen geworden binnen de tien dagen na de bekendmaking van dat bericht.
§ 2. De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, of zijn plaatsvervanger, woont de vergaderingen van het beheerscomité bij en treft de nodige maatregelen opdat het secretariaat zou verzekerd zijn.
Art.39. § 1er. Il est crée auprès du Service des indemnités de l'Institut national un comité de gestion chargé de gérer l'assurance-indemnités des travailleurs indépendants.
Ce comité de gestion comprend:
1° trois membres effectifs et trois membres suppléants représentant les agriculteurs, ainsi que onze membres effectifs et onze membres suppléants représentant les autres travailleurs indépendants. Ils sont choisis, parmi les candidats présentés en nombre double des mandats à conférer, par les organisations représentatives des travailleurs indépendants qui réunissent les conditions requises pour faire des propositions en vue de la nomination des représentants des travailleurs indépendants au sein du conseil d'administration de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants;
2° six membres effectifs et six membres suppléants choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs au sens de la loi du 9 août 1963 en nombre double de celui des mandats à conférer. Chaque organisme assureur a droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Un des membres visés au 1° est nomme en qualité de président. Il est procédé à la nomination de deux vice-présidents, l'un parmi les membres visés au 1°, l'autre parmi les membres visés au 2°.
Les nominations des président, vice-présidents et membres sont faites par le Roi.
La nomination des membres visés au 1° est précédée de la publication d'un avis au Moniteur belge. Les organisations intéressées doivent faire parvenir leurs propositions au Ministre de la Prévoyance sociale dans les dix jours de la publication dudit avis.
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, ou son remplacant, assiste aux réunions du comité de gestion et prend les dispositions nécessaires afin que soit assuré le secrétariat.
Ce comité de gestion comprend:
1° trois membres effectifs et trois membres suppléants représentant les agriculteurs, ainsi que onze membres effectifs et onze membres suppléants représentant les autres travailleurs indépendants. Ils sont choisis, parmi les candidats présentés en nombre double des mandats à conférer, par les organisations représentatives des travailleurs indépendants qui réunissent les conditions requises pour faire des propositions en vue de la nomination des représentants des travailleurs indépendants au sein du conseil d'administration de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants;
2° six membres effectifs et six membres suppléants choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs au sens de la loi du 9 août 1963 en nombre double de celui des mandats à conférer. Chaque organisme assureur a droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Un des membres visés au 1° est nomme en qualité de président. Il est procédé à la nomination de deux vice-présidents, l'un parmi les membres visés au 1°, l'autre parmi les membres visés au 2°.
Les nominations des président, vice-présidents et membres sont faites par le Roi.
La nomination des membres visés au 1° est précédée de la publication d'un avis au Moniteur belge. Les organisations intéressées doivent faire parvenir leurs propositions au Ministre de la Prévoyance sociale dans les dix jours de la publication dudit avis.
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, ou son remplacant, assiste aux réunions du comité de gestion et prend les dispositions nécessaires afin que soit assuré le secrétariat.
Art.41. Het beheerscomité heeft, wat de door dit besluit ingestelde verzekering betreft, inzonderheid de volgende bevoegdheden:
1° het brengt op eigen initiatief of op verzoek van de Minister van Sociale Voorzorg adviezen uit in verband met de wijziging van de wettelijke of reglementaire bepalingen die betrekking hebben op de toekenning der uitkeringen;
2° het beheert het reservefonds gevormd door middel van het boni verwezenlijkt bij het beheer der verzekering;
3° (het stelt de rekeningen vast en maakt de begroting op van de uitkeringen; die rekeningen en die begroting omvatten afzonderlijk de primaire ongeschiktheidsuitkeringen, de invaliditeitsuitkeringen en de moederschapsuitkeringen. <KB 1990-01-24/37, art. 16, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
(4° het stelt aan het Algemeen comité de begroting van de administratiekosten van de Dienst voor uitkeringen voor;) <KB 2000-11-17/33, art. 7, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
5° het stelt vast onder welke voorwaarden aan de verzekeringsinstellingen de gelden worden voorgeschoten die zij behoeven om de uitkeringen te betalen;
6° het onderzoekt de verslagen die hem bezorgd worden door [2 de Geneeskundige raad voor invaliditeit]2 of door de Dienst voor administratieve controle en geeft de Minister van Sociale Voorzorg, binnen de drie maanden, kennis van de maatregelen die het voorstelt of getroffen heeft;
7° het maakt een omstandig jaarverslag op over elk dienstjaar nadat het is afgesloten en geeft de Minister van Sociale Voorzorg, binnen de drie maanden, kennis van de maatregelen die het voorstelt of die het heeft getroffen uitgaande van de elementen van dat verslag;
[3 7°/1 bevestigt, op voorlegging van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, de inhoud van de thematische controles die zullen worden uitgevoerd door de artsen van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, op basis van de aan hen krachtens artikel 82, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 toevertrouwde bevoegdheid;]3
[2 8° [3 het stelt de richtlijnen vast voor de organisatie van de controle van de arbeidsongeschiktheid, op basis van de voorstellen geformuleerd door de Geneeskundige raad voor invaliditeit na advies van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 85 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, evenals op basis van de verslagen van de thematische controles die worden uitgevoerd door de artsen van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, op basis van de aan hen krachtens artikel 82, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 toevertrouwde bevoegdheid;]3]2
9° het bepaalt de nadere regelen volgens welke de verzekeringsinstellingen hun rekeningen bij de Dienst voor uitkeringen indienen en verantwoorden;
10° het stelt zijn huishoudelijk reglement op dat, na advies van de Algemene Raad, de Koning ter goedkeuring wordt voorgelegd.
1° het brengt op eigen initiatief of op verzoek van de Minister van Sociale Voorzorg adviezen uit in verband met de wijziging van de wettelijke of reglementaire bepalingen die betrekking hebben op de toekenning der uitkeringen;
2° het beheert het reservefonds gevormd door middel van het boni verwezenlijkt bij het beheer der verzekering;
3° (het stelt de rekeningen vast en maakt de begroting op van de uitkeringen; die rekeningen en die begroting omvatten afzonderlijk de primaire ongeschiktheidsuitkeringen, de invaliditeitsuitkeringen en de moederschapsuitkeringen. <KB 1990-01-24/37, art. 16, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
(4° het stelt aan het Algemeen comité de begroting van de administratiekosten van de Dienst voor uitkeringen voor;) <KB 2000-11-17/33, art. 7, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
5° het stelt vast onder welke voorwaarden aan de verzekeringsinstellingen de gelden worden voorgeschoten die zij behoeven om de uitkeringen te betalen;
6° het onderzoekt de verslagen die hem bezorgd worden door [2 de Geneeskundige raad voor invaliditeit]2 of door de Dienst voor administratieve controle en geeft de Minister van Sociale Voorzorg, binnen de drie maanden, kennis van de maatregelen die het voorstelt of getroffen heeft;
7° het maakt een omstandig jaarverslag op over elk dienstjaar nadat het is afgesloten en geeft de Minister van Sociale Voorzorg, binnen de drie maanden, kennis van de maatregelen die het voorstelt of die het heeft getroffen uitgaande van de elementen van dat verslag;
[3 7°/1 bevestigt, op voorlegging van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, de inhoud van de thematische controles die zullen worden uitgevoerd door de artsen van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, op basis van de aan hen krachtens artikel 82, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 toevertrouwde bevoegdheid;]3
[2 8° [3 het stelt de richtlijnen vast voor de organisatie van de controle van de arbeidsongeschiktheid, op basis van de voorstellen geformuleerd door de Geneeskundige raad voor invaliditeit na advies van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 85 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, evenals op basis van de verslagen van de thematische controles die worden uitgevoerd door de artsen van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, op basis van de aan hen krachtens artikel 82, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 toevertrouwde bevoegdheid;]3]2
9° het bepaalt de nadere regelen volgens welke de verzekeringsinstellingen hun rekeningen bij de Dienst voor uitkeringen indienen en verantwoorden;
10° het stelt zijn huishoudelijk reglement op dat, na advies van de Algemene Raad, de Koning ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Art.40. Les nominations visées à l'article 39 sont faites pour un terme de six ans. La validité du mandat expire tous les trois ans pour la moitié des membres de chacun des groupes représentés. Lorsque cette dernière disposition est appliquée pour la première fois, les membres dont le mandat expire sont désignés par le sort.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du comité de gestion avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de son prédécesseur.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du comité de gestion avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de son prédécesseur.
Art. 41. Het beheerscomité heeft, wat de door dit besluit ingestelde verzekering betreft, inzonderheid de volgende bevoegdheden:
1° het brengt op eigen initiatief of op verzoek van de Minister van Sociale Voorzorg adviezen uit in verband met de wijziging van de wettelijke of reglementaire bepalingen die betrekking hebben op de toekenning der uitkeringen;
2° het beheert het reservefonds gevormd door middel van het boni verwezenlijkt bij het beheer der verzekering;
3° (het stelt de rekeningen vast en maakt de begroting op van de uitkeringen; die rekeningen en die begroting omvatten afzonderlijk de primaire ongeschiktheidsuitkeringen, de invaliditeitsuitkeringen en de moederschapsuitkeringen. <KB 1990-01-24/37, art. 16, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
(4° het stelt aan het Algemeen comité de begroting van de administratiekosten van de Dienst voor uitkeringen voor;) <KB 2000-11-17/33, art. 7, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
5° het stelt vast onder welke voorwaarden aan de verzekeringsinstellingen de gelden worden voorgeschoten die zij behoeven om de uitkeringen te betalen;
6° het onderzoekt de verslagen die hem bezorgd worden door [2 de Geneeskundige raad voor invaliditeit]2 of door de Dienst voor administratieve controle en geeft de Minister van Sociale Voorzorg, binnen de drie maanden, kennis van de maatregelen die het voorstelt of getroffen heeft;
7° het maakt een omstandig jaarverslag op over elk dienstjaar nadat het is afgesloten en geeft de Minister van Sociale Voorzorg, binnen de drie maanden, kennis van de maatregelen die het voorstelt of die het heeft getroffen uitgaande van de elementen van dat verslag;
[3 7°/1 bevestigt, op voorlegging van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, de inhoud van de thematische controles die zullen worden uitgevoerd door de artsen van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, op basis van de aan hen krachtens artikel 82, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 toevertrouwde bevoegdheid;]3
[2 8° [3 het stelt de richtlijnen vast voor de organisatie van de controle van de arbeidsongeschiktheid, op basis van de voorstellen geformuleerd door de Geneeskundige raad voor invaliditeit na advies van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 85 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, evenals op basis van de verslagen van de thematische controles die worden uitgevoerd door de artsen van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, op basis van de aan hen krachtens artikel 82, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 toevertrouwde bevoegdheid;]3]2
9° het bepaalt de nadere regelen volgens welke de verzekeringsinstellingen hun rekeningen bij de Dienst voor uitkeringen indienen en verantwoorden;
10° het stelt zijn huishoudelijk reglement op dat, na advies van de Algemene Raad, de Koning ter goedkeuring wordt voorgelegd.
1° het brengt op eigen initiatief of op verzoek van de Minister van Sociale Voorzorg adviezen uit in verband met de wijziging van de wettelijke of reglementaire bepalingen die betrekking hebben op de toekenning der uitkeringen;
2° het beheert het reservefonds gevormd door middel van het boni verwezenlijkt bij het beheer der verzekering;
3° (het stelt de rekeningen vast en maakt de begroting op van de uitkeringen; die rekeningen en die begroting omvatten afzonderlijk de primaire ongeschiktheidsuitkeringen, de invaliditeitsuitkeringen en de moederschapsuitkeringen. <KB 1990-01-24/37, art. 16, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
(4° het stelt aan het Algemeen comité de begroting van de administratiekosten van de Dienst voor uitkeringen voor;) <KB 2000-11-17/33, art. 7, 025; Inwerkingtreding : 17-12-2000>
5° het stelt vast onder welke voorwaarden aan de verzekeringsinstellingen de gelden worden voorgeschoten die zij behoeven om de uitkeringen te betalen;
6° het onderzoekt de verslagen die hem bezorgd worden door [2 de Geneeskundige raad voor invaliditeit]2 of door de Dienst voor administratieve controle en geeft de Minister van Sociale Voorzorg, binnen de drie maanden, kennis van de maatregelen die het voorstelt of getroffen heeft;
7° het maakt een omstandig jaarverslag op over elk dienstjaar nadat het is afgesloten en geeft de Minister van Sociale Voorzorg, binnen de drie maanden, kennis van de maatregelen die het voorstelt of die het heeft getroffen uitgaande van de elementen van dat verslag;
[3 7°/1 bevestigt, op voorlegging van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, de inhoud van de thematische controles die zullen worden uitgevoerd door de artsen van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, op basis van de aan hen krachtens artikel 82, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 toevertrouwde bevoegdheid;]3
[2 8° [3 het stelt de richtlijnen vast voor de organisatie van de controle van de arbeidsongeschiktheid, op basis van de voorstellen geformuleerd door de Geneeskundige raad voor invaliditeit na advies van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 85 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, evenals op basis van de verslagen van de thematische controles die worden uitgevoerd door de artsen van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, op basis van de aan hen krachtens artikel 82, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 toevertrouwde bevoegdheid;]3]2
9° het bepaalt de nadere regelen volgens welke de verzekeringsinstellingen hun rekeningen bij de Dienst voor uitkeringen indienen en verantwoorden;
10° het stelt zijn huishoudelijk reglement op dat, na advies van de Algemene Raad, de Koning ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Art.41. Le comité de gestion détient, en ce qui concerne l'assurance instituée par le présent arrêté, notamment les pouvoirs suivants:
1° il emet d'initiative ou à la demande du Ministre de la Prévoyance sociale des avis concernant la modification des dispositions légales ou réglementaires visant l'octroi des prestations;
2° il gère le fonds de réserve constitué au moyen du boni réalisé dans la gestion de l'assurance;
3° [il arrête les comptes et établit le budget des prestations; ces comptes et ce budget comprennent séparément les indemnités d'incapacité primaire, les indemnités d'invalidité et les allocations de maternité.] <AR 1990-01-24/37, art. 16, 011; En vigueur : 01-01-1990>
[4° il propose, au Comité géneral, le budget des frais d'administration du Service des Indemnités;] <AR 2000-11-17/33, art. 7, 025; En vigueur : 17-12-2000>
5° il fixe les conditions dans lesquelles sont avancés aux organismes assureurs les fonds qui leur sont nécessaires pour payer les prestations;
6° il examine les rapports qui lui sont transmis par [2 le Conseil médical de l'invalidité]2 ou par le Service du contrôle administratif et fait part au Ministre de la Prévoyance sociale, dans les trois mois, des mesures qu'il propose ou qu'il a arrêtées;
7° il établit un rapport annuel circonstancié sur chaque exercice après sa clôture et fait part au Ministre de la Prévoyance sociale, dans les trois mois, des mesures qu'il propose ou qu'il a arrêtées en fonction des éléments de ce rapport;
[3 7°/1 confirme, sur présentation du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le contenu des contrôles thématiques qui seront effectués par les médecins du Service des indemnités membres du Conseil médical de l'invalidité, sur base de la compétence qui leur est confiée en vertu de l'article 82, alinéa 2, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994;]3
[2 8° [3 il fixe les directives pour l'organisation du contrôle de l'incapacité de travail, sur base des propositions formulées par le Conseil médical de l'invalidité après avis du Centre de connaissances de l'incapacité de travail visé à l'article 85 de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 ainsi que sur base des rapports des contrôles thématiques effectués par les médecins du Service des indemnités membres du Conseil médical de l'invalidité, sur base de la compétence qui leur est confiée en vertu de l'article 82, alinéa 2, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994;]3]2
9° il fixe les modalités suivant lesquelles les organismes assureurs introduisent et justifient leurs comptes auprès du Service des indemnités;
10° il établit son règlement d'ordre intérieur qui est soumis pour approbation au Roi, après avis du Conseil général.
1° il emet d'initiative ou à la demande du Ministre de la Prévoyance sociale des avis concernant la modification des dispositions légales ou réglementaires visant l'octroi des prestations;
2° il gère le fonds de réserve constitué au moyen du boni réalisé dans la gestion de l'assurance;
3° [il arrête les comptes et établit le budget des prestations; ces comptes et ce budget comprennent séparément les indemnités d'incapacité primaire, les indemnités d'invalidité et les allocations de maternité.] <AR 1990-01-24/37, art. 16, 011; En vigueur : 01-01-1990>
[4° il propose, au Comité géneral, le budget des frais d'administration du Service des Indemnités;] <AR 2000-11-17/33, art. 7, 025; En vigueur : 17-12-2000>
5° il fixe les conditions dans lesquelles sont avancés aux organismes assureurs les fonds qui leur sont nécessaires pour payer les prestations;
6° il examine les rapports qui lui sont transmis par [2 le Conseil médical de l'invalidité]2 ou par le Service du contrôle administratif et fait part au Ministre de la Prévoyance sociale, dans les trois mois, des mesures qu'il propose ou qu'il a arrêtées;
7° il établit un rapport annuel circonstancié sur chaque exercice après sa clôture et fait part au Ministre de la Prévoyance sociale, dans les trois mois, des mesures qu'il propose ou qu'il a arrêtées en fonction des éléments de ce rapport;
[3 7°/1 confirme, sur présentation du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le contenu des contrôles thématiques qui seront effectués par les médecins du Service des indemnités membres du Conseil médical de l'invalidité, sur base de la compétence qui leur est confiée en vertu de l'article 82, alinéa 2, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994;]3
[2 8° [3 il fixe les directives pour l'organisation du contrôle de l'incapacité de travail, sur base des propositions formulées par le Conseil médical de l'invalidité après avis du Centre de connaissances de l'incapacité de travail visé à l'article 85 de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 ainsi que sur base des rapports des contrôles thématiques effectués par les médecins du Service des indemnités membres du Conseil médical de l'invalidité, sur base de la compétence qui leur est confiée en vertu de l'article 82, alinéa 2, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994;]3]2
9° il fixe les modalités suivant lesquelles les organismes assureurs introduisent et justifient leurs comptes auprès du Service des indemnités;
10° il établit son règlement d'ordre intérieur qui est soumis pour approbation au Roi, après avis du Conseil général.
Art.43. Het beheerscomité houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig zijn.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van hen die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen.
Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
In de aangelegenheid bedoeld in artikel 41, 2° zijn de in artikel 39, § 1, tweede lid, 2° bedoelde leden niet stemgerechtigd.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van hen die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen.
Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
In de aangelegenheid bedoeld in artikel 41, 2° zijn de in artikel 39, § 1, tweede lid, 2° bedoelde leden niet stemgerechtigd.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
Art.42. Le comité de gestion se réunit sur convocation de son président, soit à l'initiative de ce dernier, soit à la requête du Ministre de la Prévoyance sociale, soit à la demande de trois membres au moins formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Si le comité de gestion est convoqué à la requête du Ministre de la Prévoyance sociale, la réunion se tient dans les huit jours à compter de ladite requête.
Si le comité de gestion est convoqué à la requête du Ministre de la Prévoyance sociale, la réunion se tient dans les huit jours à compter de ladite requête.
Art. 43. Het beheerscomité houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig zijn.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van hen die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen.
Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
In de aangelegenheid bedoeld in artikel 41, 2° zijn de in artikel 39, § 1, tweede lid, 2° bedoelde leden niet stemgerechtigd.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van hen die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen.
Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
In de aangelegenheid bedoeld in artikel 41, 2° zijn de in artikel 39, § 1, tweede lid, 2° bedoelde leden niet stemgerechtigd.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
Art.43. Le siège du comité de gestion est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres ayant voix délibérative et participant au vote, compte non tenu des abstentions.
En cas de parité de voix, la voix du président est prépondérante.
Dans la matière visée à l'article 41, 2°, les membres visés à l'article 39, § 1er, alinéa 2, 2°, n'ont pas voix délibérative.
Un membre suppléant ne peut siéger qu'en cas d'absence d'un membre effectif appartenant à son groupe.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres ayant voix délibérative et participant au vote, compte non tenu des abstentions.
En cas de parité de voix, la voix du président est prépondérante.
Dans la matière visée à l'article 41, 2°, les membres visés à l'article 39, § 1er, alinéa 2, 2°, n'ont pas voix délibérative.
Un membre suppléant ne peut siéger qu'en cas d'absence d'un membre effectif appartenant à son groupe.
Art. 44. De voorzitter en de ondervoorzitters van het beheerscomité zijn gemachtigd, de ene of de andere, samen met de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen of zijn plaatsvervanger, de akten te ondertekenen welke, wat de Dienst voor uitkeringen betreft, optredend in het raam van dit besluit, het Rijksinstituut verbinden, behoudens deze welke betrekking hebben op het dagelijks beheer of uitgaan van bijzondere lasthebbers.
Art.44. Le président et les vice-présidents du comité de gestion sont habilités à signer, l'un ou l'autre conjointement avec le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités ou son remplacant, les actes qui engagent l'Institut national, en ce qui concerne le Service des indemnités agissant dans le cadre du présent arrêté, sauf ceux qui ont trait à la gestion journalière ou qui émanent de mandataires spéciaux.
Art.45. Het Coordinatiebureau bedoeld in artikel 45, § 3 van de wet van 9 augustus 1963 omvat leden van het beheerscomité bedoeld in artikel 39 van de wet van 9 augustus 1963 en van het beheerscomité bedoeld in artikel 39 van dit besluit en meer bepaald:
Section 2. - Du Bureau de coordination.
Art. 45. Het Coordinatiebureau bedoeld in artikel 45, § 3 van de wet van 9 augustus 1963 omvat leden van het beheerscomité bedoeld in artikel 39 van de wet van 9 augustus 1963 en van het beheerscomité bedoeld in artikel 39 van dit besluit en meer bepaald:
1° de voorzitters van die beide beheerscomités;
2° een lid dat de representatieve werkgeversorganisaties vertegenwoordigt;
3° een lid dat de representatieve organisaties van zelfstandigen vertegenwoordigt;
4° twee leden die de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigen;
5° twee leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen.
In geval van belet mogen de in 1° bedoelde voorzitters zich laten vervangen door één der ondervoorzitters.
De leden bedoeld onder 2°, 4° en 5° worden, bij eenvoudige meerderheid van stemmen, aangeduid respectievelijk door de groepen bedoeld in artikel 11, 2°, 3° en 4° van het koninklijk besluit van 4 november 1963.
Het lid bedoeld onder 3° wordt bij eenvoudige meerderheid van stemmen aangeduid door de groep bedoeld in artikel 39, § 1, tweede lid, 1° van dit besluit.
De groepen die hun vertegenwoordigers in het Coordinatiebureau aanwijzen stellen eveneens de duur vast van het mandaat van die vertegenwoordigers.
De onder 1° bedoelde voorzitters nemen, om de beurt, gedurende een semester het voorzitterschap waar van het Coordinatiebureau.
1° de voorzitters van die beide beheerscomités;
2° een lid dat de representatieve werkgeversorganisaties vertegenwoordigt;
3° een lid dat de representatieve organisaties van zelfstandigen vertegenwoordigt;
4° twee leden die de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigen;
5° twee leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen.
In geval van belet mogen de in 1° bedoelde voorzitters zich laten vervangen door één der ondervoorzitters.
De leden bedoeld onder 2°, 4° en 5° worden, bij eenvoudige meerderheid van stemmen, aangeduid respectievelijk door de groepen bedoeld in artikel 11, 2°, 3° en 4° van het koninklijk besluit van 4 november 1963.
Het lid bedoeld onder 3° wordt bij eenvoudige meerderheid van stemmen aangeduid door de groep bedoeld in artikel 39, § 1, tweede lid, 1° van dit besluit.
De groepen die hun vertegenwoordigers in het Coordinatiebureau aanwijzen stellen eveneens de duur vast van het mandaat van die vertegenwoordigers.
De onder 1° bedoelde voorzitters nemen, om de beurt, gedurende een semester het voorzitterschap waar van het Coordinatiebureau.
Art.45. Le Bureau de coordination visé à l'article 45, § 3, de la loi du 9 août 1963 comprend des membres du comité de gestion visé à l'article 39 de la loi du 9 août 1963 et des membres du comité de gestion visé à l'article 39 du présent arrêté, à savoir:
1° les présidents de ces deux comités de gestion;
2° un membre représentant les organisations représentatives des employeurs;
3° un membre représentant les organisations representatives des travailleurs indépendants;
4° deux membres représentant les organisations représentatives des travailleurs salariés;
5° deux membres représentant les organismes assureurs.
En cas d'empêchement, les présidents visés au 1° peuvent se faire remplacer par un des vice-présidents.
Les membres visés sous 2°, 4° et 5° sont désignés à la majorité simple, respectivement par les groupes visés à l'article 11, 2°, 3° et 4°, de l'arrêté royal du 4 novembre 1963.
Le membre visé sous 3° est désigné à la majorité simple par le groupe visé à l'article 39, § 1er, alinéa 2, 1° du présent arrêté.
Les groupes qui désignent leurs représentants au Bureau de coordination, déterminent également la durée du mandat desdits représentants.
Les présidents visés au 1° assument à tour de rôle, pendant un semestre, la présidence du Bureau de coordination.
1° les présidents de ces deux comités de gestion;
2° un membre représentant les organisations représentatives des employeurs;
3° un membre représentant les organisations representatives des travailleurs indépendants;
4° deux membres représentant les organisations représentatives des travailleurs salariés;
5° deux membres représentant les organismes assureurs.
En cas d'empêchement, les présidents visés au 1° peuvent se faire remplacer par un des vice-présidents.
Les membres visés sous 2°, 4° et 5° sont désignés à la majorité simple, respectivement par les groupes visés à l'article 11, 2°, 3° et 4°, de l'arrêté royal du 4 novembre 1963.
Le membre visé sous 3° est désigné à la majorité simple par le groupe visé à l'article 39, § 1er, alinéa 2, 1° du présent arrêté.
Les groupes qui désignent leurs représentants au Bureau de coordination, déterminent également la durée du mandat desdits représentants.
Les présidents visés au 1° assument à tour de rôle, pendant un semestre, la présidence du Bureau de coordination.
Art. 46. Het Coordinatiebureau wordt in vergadering bijeengeroepen door de voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op vraag van de Minister van Sociale Voorzorg, van een der beheerscomités bedoeld in artikel 45, 1° of van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut.
Het Coordinatiebureau houdt deugdelijk zitting wanneer, buiten de voorzitters of de ondervoorzitters die hen vervangen, de helft van de overige leden aanwezig zijn.
De adviezen worden uitgebracht bij eenvoudige meerderheid van de aanwezige leden.
Het Coordinatiebureau houdt deugdelijk zitting wanneer, buiten de voorzitters of de ondervoorzitters die hen vervangen, de helft van de overige leden aanwezig zijn.
De adviezen worden uitgebracht bij eenvoudige meerderheid van de aanwezige leden.
Art.46. Le Bureau de coordination est convoqué par le président, soit à l'initiative de ce dernier, soit à la demande du Ministre de la Prévoyance sociale, de l'un des comités de gestion vises à l'article 45, 1° ou du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités de l'Institut national.
Le siège du Bureau de coordination est valablement constitué lorsque, en dehors des présidents ou des vice-présidents qui remplacent, la moitié des autres membres sont présents.
Les avis sont émis à la majorité simple des membres présents.
Le siège du Bureau de coordination est valablement constitué lorsque, en dehors des présidents ou des vice-présidents qui remplacent, la moitié des autres membres sont présents.
Les avis sont émis à la majorité simple des membres présents.
Art.47. Bij de Technische Intermutualistische Raad, opgericht bij de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut, wordt een speciale afdeling opgericht, die als opdracht heeft advies uit te brengen in verband met de problemen die betrekking hebben op de toekenning der uitkeringen, met het oog op het onderzoek ervan door het in artikel 39 bedoeld beheerscomité.
Section 3. - De la section spéciale du Conseil technique intermutualiste.
Art.48. De speciale afdeling waarvan sprake in het vorig artikel omvat:
1° een werkend lid en een plaatsvervangend lid, dat de landbouwers vertegenwoordigt, en vijf werkende leden en vijf plaatsvervangende leden, die de andere zelfstandigen vertegenwoordigen. Die leden worden benoemd volgens de nadere regelen waarin is voorzien voor de benoeming van de afgevaardigden der zelfstandigen in het beheerscomité bedoeld in artikel 39;
2° acht werkende leden en acht plaatsvervangende leden gekozen onder de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen: ten einde de vertegenwoordiging der verzekeringsinstellingen te bepalen wordt rekening gehouden met de zelfstandigen die respectievelijk bij hen zijn aangesloten. Elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van effectief lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid.
De leden worden benoemd door de Koning die onder hen een voorzitter aanwijst.
1° een werkend lid en een plaatsvervangend lid, dat de landbouwers vertegenwoordigt, en vijf werkende leden en vijf plaatsvervangende leden, die de andere zelfstandigen vertegenwoordigen. Die leden worden benoemd volgens de nadere regelen waarin is voorzien voor de benoeming van de afgevaardigden der zelfstandigen in het beheerscomité bedoeld in artikel 39;
2° acht werkende leden en acht plaatsvervangende leden gekozen onder de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen: ten einde de vertegenwoordiging der verzekeringsinstellingen te bepalen wordt rekening gehouden met de zelfstandigen die respectievelijk bij hen zijn aangesloten. Elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van effectief lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid.
De leden worden benoemd door de Koning die onder hen een voorzitter aanwijst.
Art.47. Il est créé auprès du Conseil technique intermutualiste, institue auprès du Service des indemnités de l'Institut national, une section spéciale ayant pour mission d'émettre des avis sur les problèmes relatifs à l'octroi des prestations en vue de leur examen par le comité de gestion visé à l'article 39.
Art. 48. De speciale afdeling waarvan sprake in het vorig artikel omvat:
1° een werkend lid en een plaatsvervangend lid, dat de landbouwers vertegenwoordigt, en vijf werkende leden en vijf plaatsvervangende leden, die de andere zelfstandigen vertegenwoordigen. Die leden worden benoemd volgens de nadere regelen waarin is voorzien voor de benoeming van de afgevaardigden der zelfstandigen in het beheerscomité bedoeld in artikel 39;
2° acht werkende leden en acht plaatsvervangende leden gekozen onder de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen: ten einde de vertegenwoordiging der verzekeringsinstellingen te bepalen wordt rekening gehouden met de zelfstandigen die respectievelijk bij hen zijn aangesloten. Elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van effectief lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid.
De leden worden benoemd door de Koning die onder hen een voorzitter aanwijst.
1° een werkend lid en een plaatsvervangend lid, dat de landbouwers vertegenwoordigt, en vijf werkende leden en vijf plaatsvervangende leden, die de andere zelfstandigen vertegenwoordigen. Die leden worden benoemd volgens de nadere regelen waarin is voorzien voor de benoeming van de afgevaardigden der zelfstandigen in het beheerscomité bedoeld in artikel 39;
2° acht werkende leden en acht plaatsvervangende leden gekozen onder de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen: ten einde de vertegenwoordiging der verzekeringsinstellingen te bepalen wordt rekening gehouden met de zelfstandigen die respectievelijk bij hen zijn aangesloten. Elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van effectief lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid.
De leden worden benoemd door de Koning die onder hen een voorzitter aanwijst.
Art.48. La section spéciale dont question à l'article précédent comprend:
1° un membre effectif et un membre suppléant, représentant les agriculteurs et cinq membres effectifs et cinq membres suppléants, représentant les autres travailleurs indépendants. Ces membres sont nommés suivant les modalités prévues pour la nomination des délégués des travailleurs indépendants au comité de gestion visé a l'article 39;
2° huit membres effectifs et huit membres suppléants choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer: pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs affiliés travailleurs independants respectifs. Chaque organisme assureur a droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Les membres sont nommés par le Roi qui désigne parmi eux un président.
1° un membre effectif et un membre suppléant, représentant les agriculteurs et cinq membres effectifs et cinq membres suppléants, représentant les autres travailleurs indépendants. Ces membres sont nommés suivant les modalités prévues pour la nomination des délégués des travailleurs indépendants au comité de gestion visé a l'article 39;
2° huit membres effectifs et huit membres suppléants choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer: pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs affiliés travailleurs independants respectifs. Chaque organisme assureur a droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Les membres sont nommés par le Roi qui désigne parmi eux un président.
Art.50. De speciale afdeling wordt in vergadering bijeengeroepen door haar voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van het in artikel 39 bedoeld beheerscomité, hetzij op aanvraag van ten minste drie leden, die schriftelijk wordt ingediend en het onderwerp van de vergadering aanduidt.
In ieder geval vermeldt de oproeping het onderwerp van de vergadering.
De speciale afdeling houdt deugdelijk zitting wanneer ten minste de helft van haar leden aanwezig zijn.
In ieder geval vermeldt de oproeping het onderwerp van de vergadering.
De speciale afdeling houdt deugdelijk zitting wanneer ten minste de helft van haar leden aanwezig zijn.
Art.49. Les articles 77, alinéas 3 à 5, 78, 79 et 82 de l'arrêté royal du 4 novembre 1963 sont applicables à la section spéciale du Conseil technique intermutualiste.
Art. 50. De speciale afdeling wordt in vergadering bijeengeroepen door haar voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van het in artikel 39 bedoeld beheerscomité, hetzij op aanvraag van ten minste drie leden, die schriftelijk wordt ingediend en het onderwerp van de vergadering aanduidt.
In ieder geval vermeldt de oproeping het onderwerp van de vergadering.
De speciale afdeling houdt deugdelijk zitting wanneer ten minste de helft van haar leden aanwezig zijn.
In ieder geval vermeldt de oproeping het onderwerp van de vergadering.
De speciale afdeling houdt deugdelijk zitting wanneer ten minste de helft van haar leden aanwezig zijn.
Art.50. La section spéciale se réunit sur convocation de son président, soit à l'initiative de ce dernier, soit à la requête du comité de gestion visé à l'article 39, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion.
Dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Le siège de la section spéciale est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Le siège de la section spéciale est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Art. 51. De adviezen uitgebracht door de speciale afdeling worden door de voorzitter ter kennis gebracht van het in artikel 39 bedoeld beheerscomité.
Art.51. Les avis émis par la section spéciale sont communiqués par son président au comité de gestion visé à l'article 39.
Art.52.§ 1. Behoudens wanneer hiervan door dit besluit wordt afgeweken en in de mate waarin die bevoegdheden een voorwerp hebben in de door dit besluit ingestelde verzekering, hebben [1 het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, het Algemeen Beheerscomité en de Technische commissie van de Dienst voor administratieve controle]1 alsmede de Geneeskundige Raad voor invaliditeit, opgericht bij het Rijksinstituut [2 en de [3 arts]3 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit,]2 ten aanzien van het door dit besluit ingevoerd stelsel, dezelfde bevoegdheden als ten aanzien van de uitkeringsverzekering voor werknemers.
Section 4. - Disposition générale.
Art. 52. § 1. Behoudens wanneer hiervan door dit besluit wordt afgeweken en in de mate waarin die bevoegdheden een voorwerp hebben in de door dit besluit ingestelde verzekering, hebben [1 het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, het Algemeen Beheerscomité en de Technische commissie van de Dienst voor administratieve controle]1 alsmede de Geneeskundige Raad voor invaliditeit, opgericht bij het Rijksinstituut [2 en de [3 arts]3 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit,]2 ten aanzien van het door dit besluit ingevoerd stelsel, dezelfde bevoegdheden als ten aanzien van de uitkeringsverzekering voor werknemers.
Hetzelfde geldt voor de Dienst voor uitkeringen en voor de andere diensten van het Rijksinstituut alsmede voor de verzekeringsinstellingen en hun adviserend [3 artsen]3 [4 , medewerkers van het multidisciplinaire team en "Terug Naar Werk-coördinatoren"]4.
§ 2. (opgeheven) <KB 2006-12-21/46, art. 7, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Hetzelfde geldt voor de Dienst voor uitkeringen en voor de andere diensten van het Rijksinstituut alsmede voor de verzekeringsinstellingen en hun adviserend [3 artsen]3 [4 , medewerkers van het multidisciplinaire team en "Terug Naar Werk-coördinatoren"]4.
§ 2. (opgeheven) <KB 2006-12-21/46, art. 7, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.52. § 1er. Sauf s'il y est dérogé par le présent arrêté et dans la mesure ou ces attributions ont un objet dans l'assurance instituée par le présent arrêté, [1 le Comité du service d'évaluation et de contrôle médicaux, le Comité général de gestion et la Commission technique du Service du contrôle administratif]1 ainsi que le Conseil médical de l'invalidité institués auprès de l'Institut national [2 et le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité]2 ont, à l'egard du régime instauré par le présent arrêté, les mêmes attributions qu'à l'égard de l'assurance-indemnités en faveur des travailleurs salariés.
Il en est de même en ce qui concerne le Service des indemnités et les autres services de l'Institut national ainsi que les organismes assureurs et leurs médecins-conseils [3 , collaborateurs de l'équipe multidisciplinaire et " Coordinateurs Retour Au Travail "]3.
§ 2. (abroge) <AR 2006-12-21/46, art. 7, 036; En vigueur : 01-01-2007>
Il en est de même en ce qui concerne le Service des indemnités et les autres services de l'Institut national ainsi que les organismes assureurs et leurs médecins-conseils [3 , collaborateurs de l'équipe multidisciplinaire et " Coordinateurs Retour Au Travail "]3.
§ 2. (abroge) <AR 2006-12-21/46, art. 7, 036; En vigueur : 01-01-2007>
HOOFDSTUK V. - De vaststelling van de staat van arbeidsongeschiktheid.
CHAPITRE V. - De la constatation de l'état d'incapacité de travail.
Art.53. Een tijdvak van arbeidsongeschiktheid vangt slechts aan wanneer de gerechtigde zijn staat van arbeidsongeschiktheid heeft laten vaststellen. Hiertoe moet hij een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid, volledig ingevuld, gedateerd en ondertekend en dat zijn ongeschiktheid aantoont, over de post aan de adviserend [1 arts]1 van zijn verzekeringsinstelling zenden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of hem dit tegen bewijs van ontvangst afgeven. Dit getuigschrift, dat de verklaring van arbeidsongeschiktheid uitmaakt, [4 bevat de identificatiegegevens van de patiënt en de zorgverlener, de substantiële gegevens en de gegevens die specifiek zijn voor het geval in kwestie goedgekeurd]4 door het Beheerscomité.
Section 1. - Du début de la période d'incapacité de travail.
Art. 53. <KB 2001-01-15/36, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Een tijdvak van arbeidsongeschiktheid vangt slechts aan wanneer de gerechtigde zijn staat van arbeidsongeschiktheid heeft laten vaststellen. Hiertoe moet hij een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid, volledig ingevuld, gedateerd en ondertekend en dat zijn ongeschiktheid aantoont, over de post aan de adviserend [1 arts]1 van zijn verzekeringsinstelling zenden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of hem dit tegen bewijs van ontvangst afgeven. Dit getuigschrift, dat de verklaring van arbeidsongeschiktheid uitmaakt, [4 bevat de identificatiegegevens van de patiënt en de zorgverlener, de substantiële gegevens en de gegevens die specifiek zijn voor het geval in kwestie goedgekeurd]4 door het Beheerscomité.
[3 ...]3
[4 Met de instemming van de gerechtigde die hem hiervoor de volmacht geeft, kan de arts, of een andere zorgverlener, de in het eerste lid bedoelde gegevens, die op het geneeskundig getuigschrift worden ingevuld, met inbegrip van de datum en de ondertekening van het attest, ook met behulp van een elektronisch proces aan de adviserend arts van de verzekeringsinstelling van de gerechtigde overmaken, onder de voorwaarden bepaald in uitvoering van artikel 5, 4°, a), van de wet van 21 augustus 2008 houdende oprichting en organisatie van het eHealth-platform en diverse bepalingen. De datum van opstelling van het geneeskundig getuigschrift dat met behulp van het voormelde elektronisch proces is overgemaakt, heeft dezelfde waarde als de datum van de poststempel. Deze wijze van verzending is beperkt tot de aangifte van de arbeidsongeschiktheden waarvan de duur veertien dagen overschrijdt, tot de aangifte van verlengingen van arbeidsongeschiktheid en tot de aangifte van hervallen in arbeidsongeschiktheid.]4
Het bewijs van toezending of van afgifte van bovenbedoeld document aan de adviserend [1 arts]1 rust op de gerechtigde.
[3 ...]3
[4 Met de instemming van de gerechtigde die hem hiervoor de volmacht geeft, kan de arts, of een andere zorgverlener, de in het eerste lid bedoelde gegevens, die op het geneeskundig getuigschrift worden ingevuld, met inbegrip van de datum en de ondertekening van het attest, ook met behulp van een elektronisch proces aan de adviserend arts van de verzekeringsinstelling van de gerechtigde overmaken, onder de voorwaarden bepaald in uitvoering van artikel 5, 4°, a), van de wet van 21 augustus 2008 houdende oprichting en organisatie van het eHealth-platform en diverse bepalingen. De datum van opstelling van het geneeskundig getuigschrift dat met behulp van het voormelde elektronisch proces is overgemaakt, heeft dezelfde waarde als de datum van de poststempel. Deze wijze van verzending is beperkt tot de aangifte van de arbeidsongeschiktheden waarvan de duur veertien dagen overschrijdt, tot de aangifte van verlengingen van arbeidsongeschiktheid en tot de aangifte van hervallen in arbeidsongeschiktheid.]4
Het bewijs van toezending of van afgifte van bovenbedoeld document aan de adviserend [1 arts]1 rust op de gerechtigde.
Art.53. <AR 2001-01-15/36, art. 3, 026; En vigueur : 01-01-2001> Une période d'incapacité de travail ne peut prendre cours que si le titulaire a fait constater son état d'incapacité de travail. A cet effet, il doit envoyer par la poste, le cachet postal faisant foi, au médecin-conseil de son organisme assureur ou lui remettre contre accusé de réception, un certificat médical, complété, daté et signé, motivant son incapacité. Ce certificat qui constitue la déclaration de l'incapacité de travail [3 contient les données d'identification du patient et du prestataire de soins, les données substantielles et les données spécifiques au cas d'espèce approuvées ]3 par le Comité de gestion.
[2 ...]2
[3 Avec le consentement du titulaire qui le mandate à cet effet, le médecin, ou un autre prestataire de soins, peut aussi transmettre au médecin-conseil de l'organisme assureur du titulaire les données visées à l'alinéa 1er, qui sont complétées sur le certificat médical, y compris la date et la signature de l'attestation, à l'aide d'un procédé électronique, dans les conditions fixées en exécution de l'article 5, 4°, a), de la loi du 21 août 2008 relative à l'institution et à l'organisation de la plate-forme eHealth et portant diverses dispositions. La date de rédaction du certificat médical adressé à l'aide du procédé électronique susvisé a la même valeur que la date du cachet postal. Ce mode de transmission est limité à la déclaration des incapacités de travail dont la durée dépasse 14 jours, à la déclaration des prolongations d'incapacité de travail et à la déclaration des rechutes en incapacité de travail. ]3
La preuve de l'envoi ou de la remise au médecin-conseil du document susvisé incombe au titulaire.
[2 ...]2
[3 Avec le consentement du titulaire qui le mandate à cet effet, le médecin, ou un autre prestataire de soins, peut aussi transmettre au médecin-conseil de l'organisme assureur du titulaire les données visées à l'alinéa 1er, qui sont complétées sur le certificat médical, y compris la date et la signature de l'attestation, à l'aide d'un procédé électronique, dans les conditions fixées en exécution de l'article 5, 4°, a), de la loi du 21 août 2008 relative à l'institution et à l'organisation de la plate-forme eHealth et portant diverses dispositions. La date de rédaction du certificat médical adressé à l'aide du procédé électronique susvisé a la même valeur que la date du cachet postal. Ce mode de transmission est limité à la déclaration des incapacités de travail dont la durée dépasse 14 jours, à la déclaration des prolongations d'incapacité de travail et à la déclaration des rechutes en incapacité de travail. ]3
La preuve de l'envoi ou de la remise au médecin-conseil du document susvisé incombe au titulaire.
Art.55. [4 De in artikel 53 bedoelde verplichting geldt eveneens in geval van een verlenging van de staat van arbeidsongeschiktheid na de einddatum van de vorige periode van erkende arbeidsongeschiktheid of wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw optreedt binnen de termijnen vastgesteld door de artikelen 8, 9, § 2, en 10, § 3.
In dat geval moet bedoelde verplichting nagekomen worden uiterlijk de zevende dag die volgt op die waarop de arbeidsongeschiktheid, naargelang het geval, voortduurde of opnieuw optrad.]4
[3 Voor de toepassing van het vorige lid wordt het uiterlijk op de laatste dag van de toepasselijke termijn ondertekende getuigschrift van arbeidsongeschiktheid geacht tijdig via de post aan de adviserend arts te zijn verzonden als de poststempel uiterlijk de vijfde werkdag na het verstrijken van de toepasselijke termijn is aangebracht.]3
In dat geval moet bedoelde verplichting nagekomen worden uiterlijk de zevende dag die volgt op die waarop de arbeidsongeschiktheid, naargelang het geval, voortduurde of opnieuw optrad.]4
[3 Voor de toepassing van het vorige lid wordt het uiterlijk op de laatste dag van de toepasselijke termijn ondertekende getuigschrift van arbeidsongeschiktheid geacht tijdig via de post aan de adviserend arts te zijn verzonden als de poststempel uiterlijk de vijfde werkdag na het verstrijken van de toepasselijke termijn is aangebracht.]3
Art.54. La formalité visée à l'article 53 doit être accomplie dans un délai de [1 [2 sept]2]1 jours qui prend cours le jour qui suit celui au cours duquel a débute l'incapacité de travail. <AR 2001-01-15/36, art. 4, 026; En vigueur : 01-01-2001>
[3 Pour l'application de l'alinéa précédent, le certificat d'incapacité de travail [4 signé au plus tard le dernier jour du délai applicable]4 est réputé avoir été envoyé en temps utile via la poste au médecin-conseil si le cachet postal est apposé au plus tard le cinquième jour ouvrable suivant l'expiration de ce délai.]3
[3 Pour l'application de l'alinéa précédent, le certificat d'incapacité de travail [4 signé au plus tard le dernier jour du délai applicable]4 est réputé avoir été envoyé en temps utile via la poste au médecin-conseil si le cachet postal est apposé au plus tard le cinquième jour ouvrable suivant l'expiration de ce délai.]3
Art. 55. [4 De in artikel 53 bedoelde verplichting geldt eveneens in geval van een verlenging van de staat van arbeidsongeschiktheid na de einddatum van de vorige periode van erkende arbeidsongeschiktheid of wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw optreedt binnen de termijnen vastgesteld door de artikelen 8, 9, § 2, en 10, § 3.
In dat geval moet bedoelde verplichting nagekomen worden uiterlijk de zevende dag die volgt op die waarop de arbeidsongeschiktheid, naargelang het geval, voortduurde of opnieuw optrad.]4
[3 Voor de toepassing van het vorige lid wordt het uiterlijk op de laatste dag van de toepasselijke termijn ondertekende getuigschrift van arbeidsongeschiktheid geacht tijdig via de post aan de adviserend arts te zijn verzonden als de poststempel uiterlijk de vijfde werkdag na het verstrijken van de toepasselijke termijn is aangebracht.]3
In dat geval moet bedoelde verplichting nagekomen worden uiterlijk de zevende dag die volgt op die waarop de arbeidsongeschiktheid, naargelang het geval, voortduurde of opnieuw optrad.]4
[3 Voor de toepassing van het vorige lid wordt het uiterlijk op de laatste dag van de toepasselijke termijn ondertekende getuigschrift van arbeidsongeschiktheid geacht tijdig via de post aan de adviserend arts te zijn verzonden als de poststempel uiterlijk de vijfde werkdag na het verstrijken van de toepasselijke termijn is aangebracht.]3
Art.55. [4 L'obligation visée à l'article 53 existe également en cas de prolongation de l'état d'incapacité de travail après la date de fin de la période d'incapacité de travail reconnue précédente ou si l'état d'incapacité de travail se manifeste à nouveau dans les délais fixés par les articles 8, 9, § 2 et 10, § 3.
Dans ce cas, l'obligation en question doit être accomplie au plus tard le septième jour qui suit celui au cours duquel l'incapacité de travail a, selon le cas, perduré ou repris.]4
[3 Pour l'application de l'alinéa précédent, le certificat d'incapacité de travail signé au plus tard le dernier jour du délai applicable est réputé avoir été envoyé en temps utile via la poste au médecin-conseil si le cachet postal est apposé au plus tard le cinquième jour ouvrable après l'expiration du délai applicable.]3
Dans ce cas, l'obligation en question doit être accomplie au plus tard le septième jour qui suit celui au cours duquel l'incapacité de travail a, selon le cas, perduré ou repris.]4
[3 Pour l'application de l'alinéa précédent, le certificat d'incapacité de travail signé au plus tard le dernier jour du délai applicable est réputé avoir été envoyé en temps utile via la poste au médecin-conseil si le cachet postal est apposé au plus tard le cinquième jour ouvrable après l'expiration du délai applicable.]3
Art. 56. <KB 1981-06-19/01, art. 2, 002>
§ 1. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 53 en 55 is geen verklaring van arbeidsongeschiktheid vereist voor de periode van opneming in een door de Minister van Volksgezondheid erkend ziekenhuis of in een militair ziekenhuis. Zij wordt vervangen door een attest waaruit de opneming blijkt.
§ 2. De termijnen bepaald in de artikelen 54 en 55, tweede lid zijn geschorst tijdens de periode van opneming in een ziekenhuis als bedoeld in §1. In geen geval kunnen zij verstrijken vóór de tweede dag die volgt op die waarin de opneming beëindigd is.
[1 Voor de toepassing van het vorige lid wordt het uiterlijk op de laatste dag van de toepasselijke termijn ondertekende getuigschrift van arbeidsongeschiktheid geacht tijdig via de post aan de adviserend arts te zijn verzonden als de poststempel uiterlijk de vijfde werkdag na het verstrijken van de toepasselijke termijn is aangebracht.]1
§ 1. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 53 en 55 is geen verklaring van arbeidsongeschiktheid vereist voor de periode van opneming in een door de Minister van Volksgezondheid erkend ziekenhuis of in een militair ziekenhuis. Zij wordt vervangen door een attest waaruit de opneming blijkt.
§ 2. De termijnen bepaald in de artikelen 54 en 55, tweede lid zijn geschorst tijdens de periode van opneming in een ziekenhuis als bedoeld in §1. In geen geval kunnen zij verstrijken vóór de tweede dag die volgt op die waarin de opneming beëindigd is.
[1 Voor de toepassing van het vorige lid wordt het uiterlijk op de laatste dag van de toepasselijke termijn ondertekende getuigschrift van arbeidsongeschiktheid geacht tijdig via de post aan de adviserend arts te zijn verzonden als de poststempel uiterlijk de vijfde werkdag na het verstrijken van de toepasselijke termijn is aangebracht.]1
Art.56. <AR 1981-06-19/01, art. 2, 002>
§ 1er. Par dérogation aux dispositions des articles 53 et 55, il n'est pas requis de déclaration d'incapacite de travail pour la période d'hospitalisation dans un hôpital agrée par le Ministre de la Santé publique ou dans un hôpital militaire. La déclaration est remplacee par un certificat attestant l'hospitalisation.
§ 2. Les délais fixés aux articles 54 et 55, alinéa 2, sont suspendus pendant la période d'hospitalisation dans un hôpital visé au §1er. Ils ne peuvent en aucun cas expirer avant le deuxième jour qui suit celui où l'hospitalisation a pris fin.
[1 Pour l'application de l'alinéa précédent, le certificat d'incapacité de travail signé au plus tard le dernier jour du délai applicable est réputé avoir été envoyé en temps utile via la poste au médecin-conseil si le cachet postal est apposé au plus tard le cinquième jour ouvrable après l'expiration du délai applicable.]1
§ 1er. Par dérogation aux dispositions des articles 53 et 55, il n'est pas requis de déclaration d'incapacite de travail pour la période d'hospitalisation dans un hôpital agrée par le Ministre de la Santé publique ou dans un hôpital militaire. La déclaration est remplacee par un certificat attestant l'hospitalisation.
§ 2. Les délais fixés aux articles 54 et 55, alinéa 2, sont suspendus pendant la période d'hospitalisation dans un hôpital visé au §1er. Ils ne peuvent en aucun cas expirer avant le deuxième jour qui suit celui où l'hospitalisation a pris fin.
[1 Pour l'application de l'alinéa précédent, le certificat d'incapacité de travail signé au plus tard le dernier jour du délai applicable est réputé avoir été envoyé en temps utile via la poste au médecin-conseil si le cachet postal est apposé au plus tard le cinquième jour ouvrable après l'expiration du délai applicable.]1
Änderungen
Art.58. [1 § 1. De instanties die ermee belast zijn de datum te bepalen waarop de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevangen of opnieuw is opgetreden, stellen die datum vast rekening houdend met alle elementen die in hun bezit zijn en onder meer met de datum die door de behandelend arts op het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid is vermeld.
§ 2. Als de periode van erkende arbeidsongeschiktheid aanvangt meer dan veertien dagen voor de datum van ondertekening van het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid door de behandelend arts, kan het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen slechts ingaan vanaf de veertiende dag voor deze datum van ondertekening. Deze bepaling is echter niet van toepassing in geval van een verlenging van de staat van arbeidsongeschiktheid na de einddatum van de vorige periode van erkende arbeidsongeschiktheid of wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw optreedt binnen de termijnen vastgesteld door de artikelen 8, 9, § 2 en 10, § 3.
In afwijking van het eerste lid gaat het recht op uitkeringen echter in op de begindatum van de periode van erkende arbeidsongeschiktheid als de adviserend arts oordeelt dat het een situatie van overmacht betreft.]1
§ 2. Als de periode van erkende arbeidsongeschiktheid aanvangt meer dan veertien dagen voor de datum van ondertekening van het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid door de behandelend arts, kan het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen slechts ingaan vanaf de veertiende dag voor deze datum van ondertekening. Deze bepaling is echter niet van toepassing in geval van een verlenging van de staat van arbeidsongeschiktheid na de einddatum van de vorige periode van erkende arbeidsongeschiktheid of wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw optreedt binnen de termijnen vastgesteld door de artikelen 8, 9, § 2 en 10, § 3.
In afwijking van het eerste lid gaat het recht op uitkeringen echter in op de begindatum van de periode van erkende arbeidsongeschiktheid als de adviserend arts oordeelt dat het een situatie van overmacht betreft.]1
Art.57. Lorsque le dernier jour des délais visés aux articles 54 [1 , alinéa 1er]1, 55, alinéa 2, et 56 [1 , § 2, alinéa 1er,]1 coincide avec un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, ces délais sont prorogés jusqu'au plus prochain jour ouvrable.
[1 Pour l'application des articles 54, alinéa 2, 55, alinéa 3, et 56, § 2, alinéa 2, tous les jours de l'année, sauf les dimanches et les jours fériés légaux, sont considérés comme des jours ouvrables.]1
[1 Pour l'application des articles 54, alinéa 2, 55, alinéa 3, et 56, § 2, alinéa 2, tous les jours de l'année, sauf les dimanches et les jours fériés légaux, sont considérés comme des jours ouvrables.]1
Änderungen
Art. 58. [1 § 1. De instanties die ermee belast zijn de datum te bepalen waarop de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevangen of opnieuw is opgetreden, stellen die datum vast rekening houdend met alle elementen die in hun bezit zijn en onder meer met de datum die door de behandelend arts op het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid is vermeld.
§ 2. Als de periode van erkende arbeidsongeschiktheid aanvangt meer dan veertien dagen voor de datum van ondertekening van het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid door de behandelend arts, kan het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen slechts ingaan vanaf de veertiende dag voor deze datum van ondertekening. Deze bepaling is echter niet van toepassing in geval van een verlenging van de staat van arbeidsongeschiktheid na de einddatum van de vorige periode van erkende arbeidsongeschiktheid of wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw optreedt binnen de termijnen vastgesteld door de artikelen 8, 9, § 2 en 10, § 3.
In afwijking van het eerste lid gaat het recht op uitkeringen echter in op de begindatum van de periode van erkende arbeidsongeschiktheid als de adviserend arts oordeelt dat het een situatie van overmacht betreft.]1
§ 2. Als de periode van erkende arbeidsongeschiktheid aanvangt meer dan veertien dagen voor de datum van ondertekening van het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid door de behandelend arts, kan het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen slechts ingaan vanaf de veertiende dag voor deze datum van ondertekening. Deze bepaling is echter niet van toepassing in geval van een verlenging van de staat van arbeidsongeschiktheid na de einddatum van de vorige periode van erkende arbeidsongeschiktheid of wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw optreedt binnen de termijnen vastgesteld door de artikelen 8, 9, § 2 en 10, § 3.
In afwijking van het eerste lid gaat het recht op uitkeringen echter in op de begindatum van de periode van erkende arbeidsongeschiktheid als de adviserend arts oordeelt dat het een situatie van overmacht betreft.]1
Art.58. [1 § 1er. Les instances chargées de déterminer la date de début ou de reprise de l'état d'incapacité de travail, fixent cette date en tenant compte de tous les éléments en leur possession, et notamment de la date mentionnée par le médecin traitant sur le certificat d'incapacité de travail.
§ 2. Si la période d'incapacité de travail reconnue débute plus de quatorze jours avant la date de la signature du certificat d'incapacité de travail par le médecin traitant, le droit aux indemnités d'incapacité de travail ne peut commencer à courir qu'à partir du quatorzième jour précédant cette date de signature. Cette disposition n'est toutefois pas applicable en cas de prolongation de l'état d'incapacité de travail au-delà de la date d'expiration de la période précédente d'incapacité de travail reconnue ou en cas de reprise de l'état d'incapacité de travail dans les délais fixés par les articles 8, 9, § 2, et 10, § 3.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le droit aux indemnités commence à courir à la date de début de la reconnaissance de l'état d'incapacité de travail si le médecin conseil estime qu'il s'agit d'une situation de force majeure.]1
§ 2. Si la période d'incapacité de travail reconnue débute plus de quatorze jours avant la date de la signature du certificat d'incapacité de travail par le médecin traitant, le droit aux indemnités d'incapacité de travail ne peut commencer à courir qu'à partir du quatorzième jour précédant cette date de signature. Cette disposition n'est toutefois pas applicable en cas de prolongation de l'état d'incapacité de travail au-delà de la date d'expiration de la période précédente d'incapacité de travail reconnue ou en cas de reprise de l'état d'incapacité de travail dans les délais fixés par les articles 8, 9, § 2, et 10, § 3.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le droit aux indemnités commence à courir à la date de début de la reconnaissance de l'état d'incapacité de travail si le médecin conseil estime qu'il s'agit d'une situation de force majeure.]1
Änderungen
Art. 58bis.[1 In geval van niet tijdige aangifte van een arbeidsongeschiktheid en onverminderd de andere voorwaarden tot vergoeding, kan de gerechtigde aanspraak maken op volledige uitkeringen
Section 1bis. - De la déclaration tardive de l'incapacité de travail.
Art. 58bis. [1 In geval van niet tijdige aangifte van een arbeidsongeschiktheid en onverminderd de andere voorwaarden tot vergoeding, kan de gerechtigde aanspraak maken op volledige uitkeringen
a) vanaf de vierde werkdag voorafgaandelijk de toezending van het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid, of vanaf de eerste dag die volgt op de dag van ondertekening van dit getuigschrift indien die na de voormelde vierde werkdag ligt, waarbij de poststempel bewijskracht heeft;
b) vanaf de eerste dag die volgt op die waarop de gerechtigde het getuigschrift heeft afgegeven aan de adviserend arts van de verzekeringsinstelling [3 of op de datum van opstelling van het getuigschrift dat met behulp van het elektronisch proces, bedoeld in artikel 53, tweede lid, is overgemaakt en waarvan de overmaking door het eHealth-platform is bevestigd]3.
Voor de periode voorafgaandelijk de in het eerste lid bedoelde periode worden de uitkeringen aan de gerechtigde of aan zijn vertegenwoordiger uitbetaald, na een vermindering van 10 procent die op het dagbedrag van de uitkeringen, verschuldigd voor die periode, wordt toegepast.
Voor de toepassing van [2 het eerste lid]2 worden alle dagen van het jaar, behalve de zondagen en de wettelijke feestdagen, als werkdagen beschouwd.]1
[2 In afwijking van het tweede lid wordt het dagbedrag van de uitkeringen verschuldigd voor de periode voorafgaandelijk de in het eerste lid bedoelde periode tijdens eenzelfde tijdvak van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 6 niet met 10 procent verminderd voor zover de duur van de laattijdigheid niet meer dan één maand bedraagt. Deze afwijking kan echter geen tweede keer tijdens eenzelfde tijdvak van erkende arbeidsongeschiktheid worden toegepast. Voor de toepassing van dit lid gebeurt de berekening van de maand van datum tot datum. Wanneer de laatste dag van de voormelde maand echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt die termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.
In geval van de toepassing van de regeling bedoeld in het vorige lid, deelt de verzekeringsinstelling schriftelijk aan de gerechtigde mee dat de in artikel 53 bedoelde verplichting laattijdig is verricht en de vermindering van het dagbedrag van de uitkeringen met 10 procent éénmalig niet is toegepast tijdens de lopende periode van arbeidsongeschiktheid.]2
a) vanaf de vierde werkdag voorafgaandelijk de toezending van het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid, of vanaf de eerste dag die volgt op de dag van ondertekening van dit getuigschrift indien die na de voormelde vierde werkdag ligt, waarbij de poststempel bewijskracht heeft;
b) vanaf de eerste dag die volgt op die waarop de gerechtigde het getuigschrift heeft afgegeven aan de adviserend arts van de verzekeringsinstelling [3 of op de datum van opstelling van het getuigschrift dat met behulp van het elektronisch proces, bedoeld in artikel 53, tweede lid, is overgemaakt en waarvan de overmaking door het eHealth-platform is bevestigd]3.
Voor de periode voorafgaandelijk de in het eerste lid bedoelde periode worden de uitkeringen aan de gerechtigde of aan zijn vertegenwoordiger uitbetaald, na een vermindering van 10 procent die op het dagbedrag van de uitkeringen, verschuldigd voor die periode, wordt toegepast.
Voor de toepassing van [2 het eerste lid]2 worden alle dagen van het jaar, behalve de zondagen en de wettelijke feestdagen, als werkdagen beschouwd.]1
[2 In afwijking van het tweede lid wordt het dagbedrag van de uitkeringen verschuldigd voor de periode voorafgaandelijk de in het eerste lid bedoelde periode tijdens eenzelfde tijdvak van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 6 niet met 10 procent verminderd voor zover de duur van de laattijdigheid niet meer dan één maand bedraagt. Deze afwijking kan echter geen tweede keer tijdens eenzelfde tijdvak van erkende arbeidsongeschiktheid worden toegepast. Voor de toepassing van dit lid gebeurt de berekening van de maand van datum tot datum. Wanneer de laatste dag van de voormelde maand echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt die termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.
In geval van de toepassing van de regeling bedoeld in het vorige lid, deelt de verzekeringsinstelling schriftelijk aan de gerechtigde mee dat de in artikel 53 bedoelde verplichting laattijdig is verricht en de vermindering van het dagbedrag van de uitkeringen met 10 procent éénmalig niet is toegepast tijdens de lopende periode van arbeidsongeschiktheid.]2
Art. 58bis. [1 En cas de déclaration tardive d'incapacité de travail, et sans préjudice des autres conditions d'indemnisation, le titulaire peut prétendre aux indemnités complètes
a) à partir du quatrième jour ouvrable précédant l'envoi du certificat d'incapacité de travail, ou à partir du premier jour suivant le jour de la signature du certificat s'il est postérieur au quatrième jour ouvrable susvisé, avec le cachet postal faisant foi;
b) à compter du premier jour suivant celui où le titulaire a remis le certificat au médecin-conseil de l'organisme assureur [3 ou la date de rédaction du certificat transmis à l'aide du procédé électronique visé à l'article 53, alinéa 2, et dont la transmission est confirmée par la plate-forme eHealth]3.
Pour la période précédant la période visée à l'alinéa 1er, les indemnités sont versées au titulaire ou à son représentant après une réduction de 10 pourcents appliquée au montant journalier des indemnités dues pour cette période.
Pour l'application [2 de l'alinéa 1er]2, tous les jours de l'année, à l'exception des dimanches et jours fériés légaux, sont considérés comme jours ouvrables.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 2, au cours de la même période d'incapacité de travail au sens de l'article 6, le montant journalier des indemnités dues pour la période précédant la période visée à l'alinéa 1er n'est pas réduit de 10 pourcent pour autant que la durée du retard ne soit pas supérieure à un mois. Cette dérogation ne peut toutefois être appliquée à une seconde reprise au cours d'une même période d'incapacité de travail reconnue. Pour l'application du présent alinéa, le calcul du mois se fait de date à date. Lorsque le dernier jour du mois précité coïncide avec un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, ce délai est prolongé jusqu'au plus prochain jour ouvrable.
En cas d'application du régime visé à l'alinéa précédent, l'organisme assureur informe le titulaire par écrit que l'obligation visée à l'article 53 a été réalisée tardivement, et que la réduction de 10 pourcent appliquée au montant journalier des indemnités n'est, pour une fois, pas prise en compte durant la période d'incapacité de travail en cours.]2
a) à partir du quatrième jour ouvrable précédant l'envoi du certificat d'incapacité de travail, ou à partir du premier jour suivant le jour de la signature du certificat s'il est postérieur au quatrième jour ouvrable susvisé, avec le cachet postal faisant foi;
b) à compter du premier jour suivant celui où le titulaire a remis le certificat au médecin-conseil de l'organisme assureur [3 ou la date de rédaction du certificat transmis à l'aide du procédé électronique visé à l'article 53, alinéa 2, et dont la transmission est confirmée par la plate-forme eHealth]3.
Pour la période précédant la période visée à l'alinéa 1er, les indemnités sont versées au titulaire ou à son représentant après une réduction de 10 pourcents appliquée au montant journalier des indemnités dues pour cette période.
Pour l'application [2 de l'alinéa 1er]2, tous les jours de l'année, à l'exception des dimanches et jours fériés légaux, sont considérés comme jours ouvrables.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 2, au cours de la même période d'incapacité de travail au sens de l'article 6, le montant journalier des indemnités dues pour la période précédant la période visée à l'alinéa 1er n'est pas réduit de 10 pourcent pour autant que la durée du retard ne soit pas supérieure à un mois. Cette dérogation ne peut toutefois être appliquée à une seconde reprise au cours d'une même période d'incapacité de travail reconnue. Pour l'application du présent alinéa, le calcul du mois se fait de date à date. Lorsque le dernier jour du mois précité coïncide avec un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, ce délai est prolongé jusqu'au plus prochain jour ouvrable.
En cas d'application du régime visé à l'alinéa précédent, l'organisme assureur informe le titulaire par écrit que l'obligation visée à l'article 53 a été réalisée tardivement, et que la réduction de 10 pourcent appliquée au montant journalier des indemnités n'est, pour une fois, pas prise en compte durant la période d'incapacité de travail en cours.]2
Art. 58ter. <KB 2002-05-29/35, art. 3, 029; Inwerkingtreding : 01-04-2002> In behartigenswaardige situaties kan de in artikel 58bis bepaalde sanctie door de verzekeringsinstelling worden opgeheven, op eensluidend advies van de Leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut of van de door hem gedelegeerde ambtenaar, voor zover het bedrag van de sanctie minstens 25 EUR bedraagt.
Onder behartigenswaardige situaties moet worden verstaan de situaties waarin de gerechtigde zijn arbeidsongeschiktheid niet kon aangeven ten gevolge van overmacht, evenals de situaties waarin de sociale en financiële toestand van het gezin van de gerechtigde als moeilijk kan worden beschouwd. De behartigenswaardigheid wordt in laatstgenoemde situatie erkend wanneer het inkomen van het gezin van de gerechtigde lager is dan het bedrag van de onderdrempel, bedoeld in artikel 7, eerste lid van de verordening van 12 februari 2001 tot uitvoering van artikel 22, § 2, a) van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde.
De opheffing van de vermindering van 10 procent kan evenwel niet voor een tweede maal toegekend worden op basis van de sociale en financiële situatie van het gezin van de gerechtigde tijdens de periode van drie jaar die volgt op het einde van de arbeidsongeschiktheid waarvoor een eerste opheffing van sanctie werd verleend.
Onder behartigenswaardige situaties moet worden verstaan de situaties waarin de gerechtigde zijn arbeidsongeschiktheid niet kon aangeven ten gevolge van overmacht, evenals de situaties waarin de sociale en financiële toestand van het gezin van de gerechtigde als moeilijk kan worden beschouwd. De behartigenswaardigheid wordt in laatstgenoemde situatie erkend wanneer het inkomen van het gezin van de gerechtigde lager is dan het bedrag van de onderdrempel, bedoeld in artikel 7, eerste lid van de verordening van 12 februari 2001 tot uitvoering van artikel 22, § 2, a) van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde.
De opheffing van de vermindering van 10 procent kan evenwel niet voor een tweede maal toegekend worden op basis van de sociale en financiële situatie van het gezin van de gerechtigde tijdens de periode van drie jaar die volgt op het einde van de arbeidsongeschiktheid waarvoor een eerste opheffing van sanctie werd verleend.
Art. 58ter. <AR 2002-05-29/35, art. 3, 029; En vigueur : 01-04-2002> Dans les cas dignes d'intérêt, la pénalisation visée à l'article 58bis peut être levée par l'organisme assureur sur avis conforme du fonctionnaire-dirigeant du Service des indemnités de l'Institut national ou du fonctionnaire délégué par lui, pour autant que le montant de la pénalisation s'élève au moins à 25 EUR.
Par cas dignes d'intéret, il y a lieu d'entendre les cas dans lesquels le titulaire s'est trouvé, suite à la force majeure, dans l'impossibilité de déclarer son incapacité de travail, ainsi que les cas dans lesquels la situation sociale et financière du ménage du titulaire peut être considérée comme difficile. Le caractère digne d'intérêt est reconnu dans cette dernière éventualité, lorsque les revenus du ménage du titulaire sont inférieurs au seuil inférieur visé à l'article 7, alinéa premier du règlement du 12 février 2001 portant exécution de l'article 22, § 2, a) de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer "la charte" de l'assuré social.
La levée de sanction de 10 pour cent ne peut toutefois être accordée à une seconde reprise sur base de la situation sociale et financière du ménage du titulaire, pendant la période de trois ans suivant la fin de l'incapacité de travail pour laquelle la première levée de pénalisation a été accordée.
Par cas dignes d'intéret, il y a lieu d'entendre les cas dans lesquels le titulaire s'est trouvé, suite à la force majeure, dans l'impossibilité de déclarer son incapacité de travail, ainsi que les cas dans lesquels la situation sociale et financière du ménage du titulaire peut être considérée comme difficile. Le caractère digne d'intérêt est reconnu dans cette dernière éventualité, lorsque les revenus du ménage du titulaire sont inférieurs au seuil inférieur visé à l'article 7, alinéa premier du règlement du 12 février 2001 portant exécution de l'article 22, § 2, a) de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer "la charte" de l'assuré social.
La levée de sanction de 10 pour cent ne peut toutefois être accordée à une seconde reprise sur base de la situation sociale et financière du ménage du titulaire, pendant la période de trois ans suivant la fin de l'incapacité de travail pour laquelle la première levée de pénalisation a été accordée.
Afdeling 2. - De beslissingen in verband met de staat van arbeidsongeschiktheid.
Section 2. - Des décisions relatives à l'état d'incapacité de travail.
Art.59.[1 Begin, voortduren, wederoptreden, duur en einde van de arbeidsongeschiktheid in de loop van de tijdvakken van primaire ongeschiktheid worden vastgesteld door de adviserend [2 arts]2 van de verzekeringsinstelling of, onder de voorwaarden bedoeld bij artikel 90, [4 vijfde lid]4 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, door de [3 arts-inspecteur]3 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of door de [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
a) Des périodes d'incapacité primaire.
Art.60. De adviserend [3 arts]3 betekent aan de gerechtigde zijn beslissing in verband met het begin, het voortduren en het wederoptreden van de staat van arbeidsongeschiktheid.
Hij laat hiervan een afschrift geworden (...) aan de administratie van zijn verzekeringsinstelling. <KB 1998-09-13/45, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 14-12-1998>
[1 Indien de in dit artikel bedoelde beslissing door de [2 arts-inspecteur]2 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of door de [3 arts]3 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, wordt genomen, dan geven die laatsten er kennis van aan de gerechtigde en aan de adviserend [3 arts]3.]1
Hij laat hiervan een afschrift geworden (...) aan de administratie van zijn verzekeringsinstelling. <KB 1998-09-13/45, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 14-12-1998>
[1 Indien de in dit artikel bedoelde beslissing door de [2 arts-inspecteur]2 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of door de [3 arts]3 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, wordt genomen, dan geven die laatsten er kennis van aan de gerechtigde en aan de adviserend [3 arts]3.]1
Art.59. [1 Le début, le maintien, la reprise, la durée et la fin de l'incapacité de travail au cours des périodes d'incapacité primaire sont établis par le médecin-conseil de l'organisme assureur ou, dans les conditions prévues à l'article 90, [2 alinéa 5]2, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994, par le médecin-inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux ou par le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité.]1
Art.61. § 1. [2 De adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die naargelang het geval, naar aanleiding van een geneeskundig onderzoek, vaststelt dat de gerechtigde niet meer in staat van arbeidsongeschiktheid is of oordeelt dat deze op een bepaalde datum een einde zal nemen, levert hem onmiddellijk, tegen ontvangstbewijs, een formulier "einde arbeidsongeschiktheid" af.
Indien de gerechtigde weigert vorenbedoeld formulier te tekenen, wordt dit formulier hem onverwijld ter post aangetekend toegezonden.
De krachtens deze paragraaf getroffen beslissingen gaan in daags na de dag van de afgifte of van de verzending van het hierboven bedoelde formulier, behalve als de adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen een latere datum heeft vastgesteld.]2
§ 2. [2 Indien het geneeskundig onderzoek dat door de adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen is verricht, andere geneeskundige onderzoeken of aanvullende inlichtingen vereist, wordt het formulier "einde arbeidsongeschiktheid" ter post aangetekend aan de gerechtigde gezonden. De arbeidsongeschiktheid wordt geacht voort te duren tot en met de dag na die van de verzending van dat formulier aan de gerechtigde, behalve als de adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen, een latere datum heeft vastgesteld.]2
§ 3. [2 De door de adviserend [5 arts]5 krachtens dit artikel getroffen beslissingen worden onmiddellijk ter kennis gebracht van de administratie van de verzekeringsinstelling.
Worden die beslissingen getroffen door de [4 arts-inspecteur]4 of door de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen, dan geven die laatsten er kennis van aan de adviserend [5 arts]5.]2
[3 § 4. [6 Indien de adviserend arts oordeelt dat een gerechtigde, die in een andere staat woont of verblijft en valt onder het toepassingsgebied van de Europese verordeningen of internationale overeenkomsten inzake coördinatie van sociale zekerheid waar België en de staat van woonplaats of verblijf door gebonden zijn, na ontvangst van een medisch controlerapport opgesteld door de controlearts van die staat, niet langer als arbeidsongeschikt in de zin van dit besluit kan worden beschouwd, brengt hij onverwijld zijn beslissing ter kennis van de gerechtigde onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten bepaald in § 1, derde lid.]6
De adviserend [5 arts]5 brengt zijn beslissing ook onmiddellijk ter kennis van de administratieve dienst van zijn verzekeringsinstelling.]3
Indien de gerechtigde weigert vorenbedoeld formulier te tekenen, wordt dit formulier hem onverwijld ter post aangetekend toegezonden.
De krachtens deze paragraaf getroffen beslissingen gaan in daags na de dag van de afgifte of van de verzending van het hierboven bedoelde formulier, behalve als de adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen een latere datum heeft vastgesteld.]2
§ 2. [2 Indien het geneeskundig onderzoek dat door de adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen is verricht, andere geneeskundige onderzoeken of aanvullende inlichtingen vereist, wordt het formulier "einde arbeidsongeschiktheid" ter post aangetekend aan de gerechtigde gezonden. De arbeidsongeschiktheid wordt geacht voort te duren tot en met de dag na die van de verzending van dat formulier aan de gerechtigde, behalve als de adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen, een latere datum heeft vastgesteld.]2
§ 3. [2 De door de adviserend [5 arts]5 krachtens dit artikel getroffen beslissingen worden onmiddellijk ter kennis gebracht van de administratie van de verzekeringsinstelling.
Worden die beslissingen getroffen door de [4 arts-inspecteur]4 of door de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen, dan geven die laatsten er kennis van aan de adviserend [5 arts]5.]2
[3 § 4. [6 Indien de adviserend arts oordeelt dat een gerechtigde, die in een andere staat woont of verblijft en valt onder het toepassingsgebied van de Europese verordeningen of internationale overeenkomsten inzake coördinatie van sociale zekerheid waar België en de staat van woonplaats of verblijf door gebonden zijn, na ontvangst van een medisch controlerapport opgesteld door de controlearts van die staat, niet langer als arbeidsongeschikt in de zin van dit besluit kan worden beschouwd, brengt hij onverwijld zijn beslissing ter kennis van de gerechtigde onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten bepaald in § 1, derde lid.]6
De adviserend [5 arts]5 brengt zijn beslissing ook onmiddellijk ter kennis van de administratieve dienst van zijn verzekeringsinstelling.]3
Änderungen
Art.60. Le médecin-conseil notifie au titulaire sa décision au sujet du début, du maintien ou de la reprise de l'état d'incapacité de travail.
Il en fait parvenir copie (...) à l'administration de son organisme assureur. <AR 1998-09-13/45, art. 1, 022; En vigueur : 14-12-1998>
[1 Si la décision dont question au présent article est prise par le médecin-inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux ou par le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, ces derniers en donnent connaissance au titulaire et au médecin-conseil.]1
Il en fait parvenir copie (...) à l'administration de son organisme assureur. <AR 1998-09-13/45, art. 1, 022; En vigueur : 14-12-1998>
[1 Si la décision dont question au présent article est prise par le médecin-inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux ou par le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, ces derniers en donnent connaissance au titulaire et au médecin-conseil.]1
Änderungen
Art. 61. § 1. [2 De adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die naargelang het geval, naar aanleiding van een geneeskundig onderzoek, vaststelt dat de gerechtigde niet meer in staat van arbeidsongeschiktheid is of oordeelt dat deze op een bepaalde datum een einde zal nemen, levert hem onmiddellijk, tegen ontvangstbewijs, een formulier "einde arbeidsongeschiktheid" af.
Indien de gerechtigde weigert vorenbedoeld formulier te tekenen, wordt dit formulier hem onverwijld ter post aangetekend toegezonden.
De krachtens deze paragraaf getroffen beslissingen gaan in daags na de dag van de afgifte of van de verzending van het hierboven bedoelde formulier, behalve als de adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen een latere datum heeft vastgesteld.]2
§ 2. [2 Indien het geneeskundig onderzoek dat door de adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen is verricht, andere geneeskundige onderzoeken of aanvullende inlichtingen vereist, wordt het formulier "einde arbeidsongeschiktheid" ter post aangetekend aan de gerechtigde gezonden. De arbeidsongeschiktheid wordt geacht voort te duren tot en met de dag na die van de verzending van dat formulier aan de gerechtigde, behalve als de adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen, een latere datum heeft vastgesteld.]2
§ 3. [2 De door de adviserend [5 arts]5 krachtens dit artikel getroffen beslissingen worden onmiddellijk ter kennis gebracht van de administratie van de verzekeringsinstelling.
Worden die beslissingen getroffen door de [4 arts-inspecteur]4 of door de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen, dan geven die laatsten er kennis van aan de adviserend [5 arts]5.]2
[3 § 4. [6 Indien de adviserend arts oordeelt dat een gerechtigde, die in een andere staat woont of verblijft en valt onder het toepassingsgebied van de Europese verordeningen of internationale overeenkomsten inzake coördinatie van sociale zekerheid waar België en de staat van woonplaats of verblijf door gebonden zijn, na ontvangst van een medisch controlerapport opgesteld door de controlearts van die staat, niet langer als arbeidsongeschikt in de zin van dit besluit kan worden beschouwd, brengt hij onverwijld zijn beslissing ter kennis van de gerechtigde onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten bepaald in § 1, derde lid.]6
De adviserend [5 arts]5 brengt zijn beslissing ook onmiddellijk ter kennis van de administratieve dienst van zijn verzekeringsinstelling.]3
Indien de gerechtigde weigert vorenbedoeld formulier te tekenen, wordt dit formulier hem onverwijld ter post aangetekend toegezonden.
De krachtens deze paragraaf getroffen beslissingen gaan in daags na de dag van de afgifte of van de verzending van het hierboven bedoelde formulier, behalve als de adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen een latere datum heeft vastgesteld.]2
§ 2. [2 Indien het geneeskundig onderzoek dat door de adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen is verricht, andere geneeskundige onderzoeken of aanvullende inlichtingen vereist, wordt het formulier "einde arbeidsongeschiktheid" ter post aangetekend aan de gerechtigde gezonden. De arbeidsongeschiktheid wordt geacht voort te duren tot en met de dag na die van de verzending van dat formulier aan de gerechtigde, behalve als de adviserend [5 arts]5, de [4 arts-inspecteur]4 of de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen, een latere datum heeft vastgesteld.]2
§ 3. [2 De door de adviserend [5 arts]5 krachtens dit artikel getroffen beslissingen worden onmiddellijk ter kennis gebracht van de administratie van de verzekeringsinstelling.
Worden die beslissingen getroffen door de [4 arts-inspecteur]4 of door de [5 arts]5 van de Dienst voor uitkeringen, dan geven die laatsten er kennis van aan de adviserend [5 arts]5.]2
[3 § 4. [6 Indien de adviserend arts oordeelt dat een gerechtigde, die in een andere staat woont of verblijft en valt onder het toepassingsgebied van de Europese verordeningen of internationale overeenkomsten inzake coördinatie van sociale zekerheid waar België en de staat van woonplaats of verblijf door gebonden zijn, na ontvangst van een medisch controlerapport opgesteld door de controlearts van die staat, niet langer als arbeidsongeschikt in de zin van dit besluit kan worden beschouwd, brengt hij onverwijld zijn beslissing ter kennis van de gerechtigde onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten bepaald in § 1, derde lid.]6
De adviserend [5 arts]5 brengt zijn beslissing ook onmiddellijk ter kennis van de administratieve dienst van zijn verzekeringsinstelling.]3
Änderungen
Art.61. § 1er. [2 Le médecin-conseil, le médecin-inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux ou le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, suivant le cas, qui, à l'occasion d'un examen médical, constate que le titulaire n'est plus en état d'incapacité de travail ou qui estime que cet état prendra fin à une date déterminée, lui remet immédiatement, contre accusé de réception, une formule de "fin d'incapacité de travail".
Si le titulaire refuse de signer la formule visée ci-dessus, elle lui est envoyée sans délai sous la formalité de la recommandation à la poste.
Les décisions prises en vertu du présent paragraphe prennent effet le lendemain du jour de la remise ou de l'envoi de la formule dont question ci-dessus, sauf si le médecin-conseil, le médecin-inspecteur ou le médecin du Service des indemnités, a fixé une date ultérieure.]2
§ 2. [2 Si l'examen médical auquel a procédé le médecin-conseil, le médecin-inspecteur ou le médecin du Service des indemnités a exigé d'autres investigations d'ordre médical ou des renseignements complémentaires, la formule " fin d'incapacité de travail " est envoyée au titulaire sous la formalité de la recommandation à la poste. L'incapacité de travail est censée durer jusques et y compris le lendemain du jour de l'envoi de cette formule au titulaire, sauf si le médecin-conseil, le médecin-inspecteur ou le médecin du Service des indemnités, a fixé une date ultérieure.]2
§ 3. [2 Les décisions prises par le médecin-conseil en vertu du présent article sont portées immédiatement à la connaissance de l'administration de l'organisme assureur.
Si ces décisions sont prises par le médecin-inspecteur ou par le médecin du Service des indemnités, ces derniers en donnent connaissance au médecin-conseil.]2
[3 § 4. [4 Si le médecin-conseil estime qu'un titulaire, qui réside ou séjourne dans un autre Etat et qui relève du champ d'application d'un règlement européen ou de conventions internationales de coordination de la sécurité sociale par lequel la Belgique et l'Etat de résidence ou de séjour sont liés, ne peut plus être considéré, après réception d'un rapport de contrôle établi par le médecin traitant de cet Etat, incapable de travailler au sens de cet arrêté, il notifie sa décision sans délai au titulaire, dans les conditions et selon les modalités fixées au § 1er, alinéa 3.]4
Le médecin-conseil porte également sa décision immédiatement à la connaissance du service administratif de son organisme assureur.]3
Si le titulaire refuse de signer la formule visée ci-dessus, elle lui est envoyée sans délai sous la formalité de la recommandation à la poste.
Les décisions prises en vertu du présent paragraphe prennent effet le lendemain du jour de la remise ou de l'envoi de la formule dont question ci-dessus, sauf si le médecin-conseil, le médecin-inspecteur ou le médecin du Service des indemnités, a fixé une date ultérieure.]2
§ 2. [2 Si l'examen médical auquel a procédé le médecin-conseil, le médecin-inspecteur ou le médecin du Service des indemnités a exigé d'autres investigations d'ordre médical ou des renseignements complémentaires, la formule " fin d'incapacité de travail " est envoyée au titulaire sous la formalité de la recommandation à la poste. L'incapacité de travail est censée durer jusques et y compris le lendemain du jour de l'envoi de cette formule au titulaire, sauf si le médecin-conseil, le médecin-inspecteur ou le médecin du Service des indemnités, a fixé une date ultérieure.]2
§ 3. [2 Les décisions prises par le médecin-conseil en vertu du présent article sont portées immédiatement à la connaissance de l'administration de l'organisme assureur.
Si ces décisions sont prises par le médecin-inspecteur ou par le médecin du Service des indemnités, ces derniers en donnent connaissance au médecin-conseil.]2
[3 § 4. [4 Si le médecin-conseil estime qu'un titulaire, qui réside ou séjourne dans un autre Etat et qui relève du champ d'application d'un règlement européen ou de conventions internationales de coordination de la sécurité sociale par lequel la Belgique et l'Etat de résidence ou de séjour sont liés, ne peut plus être considéré, après réception d'un rapport de contrôle établi par le médecin traitant de cet Etat, incapable de travailler au sens de cet arrêté, il notifie sa décision sans délai au titulaire, dans les conditions et selon les modalités fixées au § 1er, alinéa 3.]4
Le médecin-conseil porte également sa décision immédiatement à la connaissance du service administratif de son organisme assureur.]3
Art.62.[1 De beslissingen in verband met de arbeidsongeschiktheid in het tijdvak van invaliditeit vallen onder toepassing van de bepalingen die dezelfde aangelegenheid regelen in het stelsel van de uitkeringen ingericht krachtens de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en inzonderheid door de artikelen 94 en 95 van de genoemde wet en door Titel III, hoofdstuk I, afdeling II van het koninklijk besluit van 3 juli 1996.]1
b) De la periode d'invalidité.
Art. 62. [1 De beslissingen in verband met de arbeidsongeschiktheid in het tijdvak van invaliditeit vallen onder toepassing van de bepalingen die dezelfde aangelegenheid regelen in het stelsel van de uitkeringen ingericht krachtens de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en inzonderheid door de artikelen 94 en 95 van de genoemde wet en door Titel III, hoofdstuk I, afdeling II van het koninklijk besluit van 3 juli 1996.]1
Art.62. [1 Les décisions au sujet de l'incapacité de travail au cours de la période d'invalidité sont régies par les dispositions qui concernent la même matière dans le régime des indemnités organisé en vertu de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 et notamment par les articles 94 et 95 de ladite loi et par le Titre III, chapitre Ier, section II de l'arrêté royal du 3 juillet 1996.]1
HOOFDSTUK VBIS. - Aanvraag tot het bekomen van de moederschapsuitkering. (Opgeheven)
CHAPITRE VBIS. - Demande d'obtention de l'allocation de maternité. (Abrogé)
Art. 62bis. (Opgeheven) <KB 2003-01-13/40, art. 14, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 62bis. (Abrogé) <AR 2003-01-13/40, art. 14, 032; En vigueur : 01-01-2003>
Eerste Afdeling. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE VI. - Du contrôle.
Art.63. (§ 1. Zodra hij het in artikel 53 bedoelde formulier " verklaring van arbeidsongeschiktheid " heeft ontvangen, zendt de adviserend [4 arts]4 aan de gerechtigde het inlichtingsblad voor de berekening van de uitkeringen, evenals de vragenlijst betreffende de beroepsactiviteit van de gerechtigde, die door de betrokkene onverwijld aan de verzekeringsinstelling moeten worden teruggestuurd.
Section 1. - Dispositions générales.
Art. 63. <KB 22-03-1976, art. 4> (§ 1. Zodra hij het in artikel 53 bedoelde formulier " verklaring van arbeidsongeschiktheid " heeft ontvangen, zendt de adviserend [4 arts]4 aan de gerechtigde het inlichtingsblad voor de berekening van de uitkeringen, evenals de vragenlijst betreffende de beroepsactiviteit van de gerechtigde, die door de betrokkene onverwijld aan de verzekeringsinstelling moeten worden teruggestuurd.
Bij dat stuk wordt een " kennisgeving van arbeidshervatting " gevoegd, die in het in artikel 66, 2°, bedoelde geval door de gerechtigde moet worden gebruikt.
[3 De adviserend [4 arts]4, de [5 arts-inspecteur]5 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of de [4 arts]4 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, neemt zijn beslissing, hierbij onder meer steunend op de gegevens vervat in de verklaring van arbeidsongeschiktheid en in de vragenlijst betreffende de beroepsactiviteit van de gerechtigde. De adviserend [4 arts]4 kan aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen vragen een gerichte controle te verrichten aangaande de beroepsactiviteiten van de gerechtigde en stuurt hiertoe aan het voormelde Instituut een kopie van de vragenlijst ingevuld door de betrokkene. Het enquêteverslag wordt binnen een termijn van twee maanden na de aanvraag opgestuurd aan de adviserend [4 arts]4.]3
De beslissing over de staat van arbeidsongeschiktheid wordt ter kennis gebracht van de gerechtigde en de administratieve dienst van de verzekeringsinstelling.
[2 Op de uitdrukkelijke vraag van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen verzendt de verzekeringsinstelling deze beslissing over de staat van arbeidsongeschiktheid, in voorkomend geval samen met de vragenlijst betreffende de beroepsactiviteit van de gerechtigde, aan het voormelde Instituut.]2
[3 Als de staat van primaire arbeidsongeschiktheid meer dan zes maanden duurt, bezorgt de adviserend [4 arts]4 aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen een kopie van de vragenlijst ingevuld door de betrokkene. In voorkomend geval verricht het voormelde Instituut een controle aangaande de beroepsactiviteiten van de betrokkene en stuurt het een enquêteverslag voor het einde van de negende maand van primaire arbeidsongeschiktheid op aan de adviserend [4 arts]4.]3
§ 2. De bepalingen van § 1 [3 , eerste tot vierde lid,]3 zijn niet van toepassing wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid wederoptreedt binnen de in (artikel 9, § 2 en artikel 10, § 3), bedoelde termijnen. In die gevallen moet de adviserend [4 arts]4 [1 , de [5 arts-inspecteur]5 of de [4 arts]4 van de Dienst voor uitkeringen over de staat van arbeidsongeschiktheid]1 een beslissing nemen binnen vijf dagen te rekenen vanaf de datum waarop de in artikel 53 bedoelde formaliteit is vervuld. <KB 2006-12-21/46, art. 9, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
[3 De adviserend [4 arts]4 mag nochtans te allen tijde, als hij dat nodig acht, met het oog op een gerichte controle, aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen een kopie van de vragenlijst betreffende de beroepsactiviteit van de betrokkene zenden.]3
Bij dat stuk wordt een " kennisgeving van arbeidshervatting " gevoegd, die in het in artikel 66, 2°, bedoelde geval door de gerechtigde moet worden gebruikt.
[3 De adviserend [4 arts]4, de [5 arts-inspecteur]5 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of de [4 arts]4 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, neemt zijn beslissing, hierbij onder meer steunend op de gegevens vervat in de verklaring van arbeidsongeschiktheid en in de vragenlijst betreffende de beroepsactiviteit van de gerechtigde. De adviserend [4 arts]4 kan aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen vragen een gerichte controle te verrichten aangaande de beroepsactiviteiten van de gerechtigde en stuurt hiertoe aan het voormelde Instituut een kopie van de vragenlijst ingevuld door de betrokkene. Het enquêteverslag wordt binnen een termijn van twee maanden na de aanvraag opgestuurd aan de adviserend [4 arts]4.]3
De beslissing over de staat van arbeidsongeschiktheid wordt ter kennis gebracht van de gerechtigde en de administratieve dienst van de verzekeringsinstelling.
[2 Op de uitdrukkelijke vraag van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen verzendt de verzekeringsinstelling deze beslissing over de staat van arbeidsongeschiktheid, in voorkomend geval samen met de vragenlijst betreffende de beroepsactiviteit van de gerechtigde, aan het voormelde Instituut.]2
[3 Als de staat van primaire arbeidsongeschiktheid meer dan zes maanden duurt, bezorgt de adviserend [4 arts]4 aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen een kopie van de vragenlijst ingevuld door de betrokkene. In voorkomend geval verricht het voormelde Instituut een controle aangaande de beroepsactiviteiten van de betrokkene en stuurt het een enquêteverslag voor het einde van de negende maand van primaire arbeidsongeschiktheid op aan de adviserend [4 arts]4.]3
§ 2. De bepalingen van § 1 [3 , eerste tot vierde lid,]3 zijn niet van toepassing wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid wederoptreedt binnen de in (artikel 9, § 2 en artikel 10, § 3), bedoelde termijnen. In die gevallen moet de adviserend [4 arts]4 [1 , de [5 arts-inspecteur]5 of de [4 arts]4 van de Dienst voor uitkeringen over de staat van arbeidsongeschiktheid]1 een beslissing nemen binnen vijf dagen te rekenen vanaf de datum waarop de in artikel 53 bedoelde formaliteit is vervuld. <KB 2006-12-21/46, art. 9, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
[3 De adviserend [4 arts]4 mag nochtans te allen tijde, als hij dat nodig acht, met het oog op een gerichte controle, aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen een kopie van de vragenlijst betreffende de beroepsactiviteit van de betrokkene zenden.]3
Änderungen
Art.63. <AR 22-03-1976, art. 4> (§ 1er. Dès qu'il est en possession de la formule " déclaration d'incapacité de travail " visée à l'article 53, le médecin-conseil envoie au titulaire la feuille de renseignements destinée au calcul des indemnités, ainsi que le questionnaire relatif à l'activité professionnelle du titulaire, qui doivent être retournés sans délai par l'intéressé à l'organisme assureur.
A ce document est joint un " avis de reprise de travail " à utiliser par le titulaire dans le cas visé à l'article 66, 2°.
[3 Le médecin-conseil, le médecin-inspecteur du Service d'évaluation et de contrôles médicaux ou le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, prend sa décision en se basant notamment sur les indications contenues dans la déclaration d'incapacité de travail et dans le questionnaire relatif à l'activité professionnelle du titulaire. Le médecin-conseil peut demander à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants d'effectuer un contrôle ciblé relativement aux activités professionnelles du titulaire et transmet à cette fin, audit Institut, une copie du questionnaire complété par l'intéressé. Le rapport d'enquête est adressé au médecin-conseil dans un délai de deux mois après la demande.]3
La décision relative à l'état d'incapacité de travail est notifiée au titulaire et au service administratif de l'organisme assureur.
[2 A la demande expresse de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, l'organisme assureur envoie cette décision sur l'état d'incapacité de travail, le cas échéant, avec le questionnaire relatif à l'activité professionnelle du titulaire audit Institut.]2
[3 Si l'état d'incapacité de travail primaire dure depuis plus de six mois, le médecin-conseil transmet à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants une copie du questionnaire complété par l'intéressé. Le cas échéant, ledit Institut contrôle les activités professionnelles de l'intéressé et transmet un rapport d'enquête au médecin-conseil avant la fin du neuvième mois de l'incapacité de travail primaire.]3
§ 2. Les dispositions du § 1er [3 , alinéas 1 à 4,]3 ne sont pas applicables lorsque l'état d'incapacité de travail se manifeste à nouveau dans les délais visés à l' (article 9, § 2, et à l'article 10, § 3). Dans ces cas, la décision du médecin-conseil [1 , du médecin-inspecteur ou du médecin du Service des indemnités sur l'état d'incapacité de travail]1 doit intervenir dans les cinq jours à compter de la date à laquelle fut accomplie la formalité visée à l'article 53. <AR 2006-12-21/46, art. 9, 036; En vigueur : 01-01-2007>
[3 Toutefois, le médecin-conseil peut, s'il l'estime nécessaire, envoyer à tout moment, à fin de contrôle ciblé, à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, une copie du questionnaire relatif à l'activité professionnelle de l'intéressé.]3
A ce document est joint un " avis de reprise de travail " à utiliser par le titulaire dans le cas visé à l'article 66, 2°.
[3 Le médecin-conseil, le médecin-inspecteur du Service d'évaluation et de contrôles médicaux ou le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, prend sa décision en se basant notamment sur les indications contenues dans la déclaration d'incapacité de travail et dans le questionnaire relatif à l'activité professionnelle du titulaire. Le médecin-conseil peut demander à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants d'effectuer un contrôle ciblé relativement aux activités professionnelles du titulaire et transmet à cette fin, audit Institut, une copie du questionnaire complété par l'intéressé. Le rapport d'enquête est adressé au médecin-conseil dans un délai de deux mois après la demande.]3
La décision relative à l'état d'incapacité de travail est notifiée au titulaire et au service administratif de l'organisme assureur.
[2 A la demande expresse de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, l'organisme assureur envoie cette décision sur l'état d'incapacité de travail, le cas échéant, avec le questionnaire relatif à l'activité professionnelle du titulaire audit Institut.]2
[3 Si l'état d'incapacité de travail primaire dure depuis plus de six mois, le médecin-conseil transmet à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants une copie du questionnaire complété par l'intéressé. Le cas échéant, ledit Institut contrôle les activités professionnelles de l'intéressé et transmet un rapport d'enquête au médecin-conseil avant la fin du neuvième mois de l'incapacité de travail primaire.]3
§ 2. Les dispositions du § 1er [3 , alinéas 1 à 4,]3 ne sont pas applicables lorsque l'état d'incapacité de travail se manifeste à nouveau dans les délais visés à l' (article 9, § 2, et à l'article 10, § 3). Dans ces cas, la décision du médecin-conseil [1 , du médecin-inspecteur ou du médecin du Service des indemnités sur l'état d'incapacité de travail]1 doit intervenir dans les cinq jours à compter de la date à laquelle fut accomplie la formalité visée à l'article 53. <AR 2006-12-21/46, art. 9, 036; En vigueur : 01-01-2007>
[3 Toutefois, le médecin-conseil peut, s'il l'estime nécessaire, envoyer à tout moment, à fin de contrôle ciblé, à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, une copie du questionnaire relatif à l'activité professionnelle de l'intéressé.]3
Art. 64. [1 De gerechtigde is ertoe gehouden gevolg te geven aan elke oproeping [4 voor een fysiek contact vanwege de medewerker van het multidisciplinaire team van zijn verzekeringsinstelling en]4 voor een onderzoek vanwege de adviserend [2 arts]2 van zijn verzekeringsinstelling, vanwege de [3 arts-inspecteur]3 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, vanwege de Geneeskundige raad voor invaliditeit of vanwege de [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.
[4 Indien hij zich niet kan verplaatsen, is hij ertoe gehouden om die onmogelijkheid onmiddellijk mee te delen aan het op de oproeping opgegeven adres, en moet hij zich vanaf dat tijdstip en gedurende ten hoogste acht dagen op het door hem opgegeven adres ter beschikking van de controle houden, totdat hem de datum is meegedeeld tot wanneer het contact of onderzoek is verdaagd of totdat hij het bezoek heeft gekregen van de medewerker van het multidisciplinaire team, van de adviserend arts, van de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of van de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die bevoegd zijn om een beslissing te nemen.]4]1
[4 Indien hij zich niet kan verplaatsen, is hij ertoe gehouden om die onmogelijkheid onmiddellijk mee te delen aan het op de oproeping opgegeven adres, en moet hij zich vanaf dat tijdstip en gedurende ten hoogste acht dagen op het door hem opgegeven adres ter beschikking van de controle houden, totdat hem de datum is meegedeeld tot wanneer het contact of onderzoek is verdaagd of totdat hij het bezoek heeft gekregen van de medewerker van het multidisciplinaire team, van de adviserend arts, van de arts-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of van de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die bevoegd zijn om een beslissing te nemen.]4]1
Art.64. [1 Le titulaire est tenu de répondre à toute convocation [2 à un contact physique émanant du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire de son organisme assureur et]2 à un examen émanant du médecin-conseil de son organisme assureur, du médecin-inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux, du Conseil médical de l'invalidité ou du médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité.
[2 En cas d'incapacité de se déplacer, il est tenu de signaler immédiatement cette impossibilité à l'adresse indiquée sur la convocation et doit, dès ce moment et pendant huit jours au maximum, se tenir à la disposition du contrôle à l'adresse indiquée par lui jusqu'à ce qu'il ait été avisé de la date à laquelle le contact ou l'examen est postposé ou qu'il ait reçu la visite du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, du médecin-conseil, du médecin-inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux ou du médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité habilités à prendre une décision.]2]1
[2 En cas d'incapacité de se déplacer, il est tenu de signaler immédiatement cette impossibilité à l'adresse indiquée sur la convocation et doit, dès ce moment et pendant huit jours au maximum, se tenir à la disposition du contrôle à l'adresse indiquée par lui jusqu'à ce qu'il ait été avisé de la date à laquelle le contact ou l'examen est postposé ou qu'il ait reçu la visite du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, du médecin-conseil, du médecin-inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux ou du médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité habilités à prendre une décision.]2]1
Art. 65. In geval van verandering van (verblijfplaats) in de loop van zijn arbeidsongeschiktheid, moet de gerechtigde binnen de twee dagen na die verandering, de adviserend [1 arts]1 van de verzekeringsinstelling zijn nieuw adres kenbaar maken. <KB 1992-12-17/38, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 01-07-1993>
De gerechtigde die, in de loop van een tijdvak van arbeidsongeschiktheid, zijn (verblijfplaats) naar het buitenland wil overbrengen, moet de adviserend [1 arts]1 daarvan ten minste vijftien dagen vóór zijn vertrek in kennis stellen. <KB 1992-12-17/38, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 01-07-1993>
In de bij dit artikel bedoelde gevallen verwittigt de adviserend [1 arts]1 onverwijld de administratieve dienst van de verzekeringsinstelling en de Dienst voor geneeskundige controle.
De gerechtigde die, in de loop van een tijdvak van arbeidsongeschiktheid, zijn (verblijfplaats) naar het buitenland wil overbrengen, moet de adviserend [1 arts]1 daarvan ten minste vijftien dagen vóór zijn vertrek in kennis stellen. <KB 1992-12-17/38, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 01-07-1993>
In de bij dit artikel bedoelde gevallen verwittigt de adviserend [1 arts]1 onverwijld de administratieve dienst van de verzekeringsinstelling en de Dienst voor geneeskundige controle.
Art.65. En cas de changement de (résidence) au cours de son incapacité de travail le titulaire doit, dans les deux jours de ce changement, aviser le médecin-conseil de l'organisme assureur de sa nouvelle adresse. <AR 1992-12-17/38, art. 21, 015; En vigueur : 01-07-1993>
Le titulaire qui, au cours d'une période d'incapacité de travail, désire transférer (sa résidence) à l'étranger, doit en aviser le médecin-conseil au moins quinze jours avant son départ. <AR 1992-12-17/38, art. 21, 015; En vigueur : 01-07-1993>
Dans les cas visés par le présent article, le médecin-conseil avertit sans délai le service administratif de l'organisme assureur et le Service du contrôle médical.
Le titulaire qui, au cours d'une période d'incapacité de travail, désire transférer (sa résidence) à l'étranger, doit en aviser le médecin-conseil au moins quinze jours avant son départ. <AR 1992-12-17/38, art. 21, 015; En vigueur : 01-07-1993>
Dans les cas visés par le présent article, le médecin-conseil avertit sans délai le service administratif de l'organisme assureur et le Service du contrôle médical.
Art. 66. De gerechtigde moet binnen de twee dagen aan zijn verzekeringsinstelling kenbaar maken:
1° ieder feit dat in de elementen van het in artikel 63, § 1 bedoeld inlichtingsblad een wijziging aanbrengt;
2° [1 de hervatting van een beroepsbezigheid, tenzij de gerechtigde deze activiteit slechts hervat na de einddatum van de periode van arbeidsongeschiktheid die ter kennis is gebracht door de adviserend [2 arts]2 van de verzekeringsinstelling, de [3 arts-inspecteur]3 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
1° ieder feit dat in de elementen van het in artikel 63, § 1 bedoeld inlichtingsblad een wijziging aanbrengt;
2° [1 de hervatting van een beroepsbezigheid, tenzij de gerechtigde deze activiteit slechts hervat na de einddatum van de periode van arbeidsongeschiktheid die ter kennis is gebracht door de adviserend [2 arts]2 van de verzekeringsinstelling, de [3 arts-inspecteur]3 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
Art.66. Le titulaire doit signaler dans les deux jours à son organisme assureur:
1° tout fait susceptible de modifier les éléments de la feuille de renseignements visée à l'article 63, § 1er;
2° [1 la reprise d'une activité professionnelle, à moins que le titulaire ne reprenne cette activité qu'après la date de fin de la période d'incapacité de travail notifiée par le médecin-conseil de l'organisme assureur, le médecin-inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux ou le Conseil médical de l'invalidité.]1
1° tout fait susceptible de modifier les éléments de la feuille de renseignements visée à l'article 63, § 1er;
2° [1 la reprise d'une activité professionnelle, à moins que le titulaire ne reprenne cette activité qu'après la date de fin de la période d'incapacité de travail notifiée par le médecin-conseil de l'organisme assureur, le médecin-inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux ou le Conseil médical de l'invalidité.]1
Änderungen
Art.67.[1 Wordt van het recht op uitkeringen uitgesloten naar rata van ten minste 3 daguitkeringen en ten hoogste 400 daguitkeringen :
Section 2. - Des sanctions administratives.
Art.68. [1 De duur van de in artikel 67 bepaalde uitsluiting, wordt vastgesteld in functie van de duur van de inbreuk :
1° kan van het recht op uitkeringen uitgesloten worden gedurende ten minste 3 dagen en ten hoogste 49 dagen, de verzekerde die gedurende ten minste 1 dag en ten hoogste 30 dagen een inbreuk heeft begaan;
2° kan van het recht op uitkeringen uitgesloten worden gedurende ten minste 50 dagen en ten hoogste 120 dagen, de verzekerde die gedurende ten minste 31 dagen en ten hoogste 100 dagen een inbreuk heeft begaan;
3° kan van het recht op uitkeringen uitgesloten worden gedurende ten minste 150 dagen en ten hoogste 400 dagen, de verzekerde die gedurende ten minste 101 dagen een inbreuk heeft begaan.]1
1° kan van het recht op uitkeringen uitgesloten worden gedurende ten minste 3 dagen en ten hoogste 49 dagen, de verzekerde die gedurende ten minste 1 dag en ten hoogste 30 dagen een inbreuk heeft begaan;
2° kan van het recht op uitkeringen uitgesloten worden gedurende ten minste 50 dagen en ten hoogste 120 dagen, de verzekerde die gedurende ten minste 31 dagen en ten hoogste 100 dagen een inbreuk heeft begaan;
3° kan van het recht op uitkeringen uitgesloten worden gedurende ten minste 150 dagen en ten hoogste 400 dagen, de verzekerde die gedurende ten minste 101 dagen een inbreuk heeft begaan.]1
Art.67. [1 Est exclu du droit aux indemnités à raison de 3 indemnités journalières au moins et de 400 indemnités journalières au plus :
1° le titulaire qui, sur base d'une fausse déclaration ou d'un faux document, a bénéficié indûment d'indemnités;
2° le titulaire ayant négligé de faire connaître à son organisme assureur :
a) la reprise d'une activité professionnelle ou
b) tout élément modifiant la feuille de renseignements visée à l'article 63 et ayant une incidence sur le droit aux indemnités.]1
1° le titulaire qui, sur base d'une fausse déclaration ou d'un faux document, a bénéficié indûment d'indemnités;
2° le titulaire ayant négligé de faire connaître à son organisme assureur :
a) la reprise d'une activité professionnelle ou
b) tout élément modifiant la feuille de renseignements visée à l'article 63 et ayant une incidence sur le droit aux indemnités.]1
Änderungen
Art.69. [1 § 1. De bepalingen betreffende de verzachtende omstandigheden, het uitstel en de herhaling, opgenomen in artikel 168quinquies, § 3, tweede lid, § 3/1 en § 4, tweede lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, zijn van toepassing op de administratieve sancties die worden bepaald in onderhavig besluit.
§ 2. In geval van samenloop van verscheidene inbreuken worden de sancties samengevoegd, zonder dat, wat de in artikel 67 bedoelde sancties betreft, de zwaarste sanctie bedoeld in artikel 68, 3°, mag overschreden worden.
§ 3. De bepalingen betreffende de kennisgeving van het proces-verbaal aan de verzekerde, de modaliteiten van de uitspraak van de sancties en de verjaring, opgenomen in artikel 168quinquies, § 5, § 6 en § 8 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, zijn van toepassing op de administratieve sancties die worden bepaald in onderhavig besluit.
§ 4. De administratieve sancties bepaald in artikel 67 mogen alleen worden uitgesproken indien het openbaar ministerie van oordeel is dat geen enkele strafvervolging moet worden ondernomen of dat artikelen 216bis en 216ter van het Wetboek van strafvordering niet moeten worden toegepast.]1
§ 2. In geval van samenloop van verscheidene inbreuken worden de sancties samengevoegd, zonder dat, wat de in artikel 67 bedoelde sancties betreft, de zwaarste sanctie bedoeld in artikel 68, 3°, mag overschreden worden.
§ 3. De bepalingen betreffende de kennisgeving van het proces-verbaal aan de verzekerde, de modaliteiten van de uitspraak van de sancties en de verjaring, opgenomen in artikel 168quinquies, § 5, § 6 en § 8 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, zijn van toepassing op de administratieve sancties die worden bepaald in onderhavig besluit.
§ 4. De administratieve sancties bepaald in artikel 67 mogen alleen worden uitgesproken indien het openbaar ministerie van oordeel is dat geen enkele strafvervolging moet worden ondernomen of dat artikelen 216bis en 216ter van het Wetboek van strafvordering niet moeten worden toegepast.]1
Art.68. [1 La durée de l'exclusion prévue à l'article 67 est fixée en fonction de la durée de l'infraction :
1° peut être exclu du bénéfice des indemnités durant 3 jours au moins et 49 jours au plus, l'assuré qui a commis une infraction pendant 1 jour au moins jusqu'à 30 jours au plus;
2° peut être exclu du bénéfice des indemnités durant 50 jours au moins et 120 jours au plus, l'assuré qui a commis une infraction pendant 31 jours au moins jusqu'à 100 jours au plus;
3° peut être exclu du bénéfice des indemnités durant 150 jours au moins et 400 jours au plus, l'assuré qui a commis une infraction pendant au moins 101 jours.]1
1° peut être exclu du bénéfice des indemnités durant 3 jours au moins et 49 jours au plus, l'assuré qui a commis une infraction pendant 1 jour au moins jusqu'à 30 jours au plus;
2° peut être exclu du bénéfice des indemnités durant 50 jours au moins et 120 jours au plus, l'assuré qui a commis une infraction pendant 31 jours au moins jusqu'à 100 jours au plus;
3° peut être exclu du bénéfice des indemnités durant 150 jours au moins et 400 jours au plus, l'assuré qui a commis une infraction pendant au moins 101 jours.]1
Änderungen
Art. 69. [1 § 1. De bepalingen betreffende de verzachtende omstandigheden, het uitstel en de herhaling, opgenomen in artikel 168quinquies, § 3, tweede lid, § 3/1 en § 4, tweede lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, zijn van toepassing op de administratieve sancties die worden bepaald in onderhavig besluit.
§ 2. In geval van samenloop van verscheidene inbreuken worden de sancties samengevoegd, zonder dat, wat de in artikel 67 bedoelde sancties betreft, de zwaarste sanctie bedoeld in artikel 68, 3°, mag overschreden worden.
§ 3. De bepalingen betreffende de kennisgeving van het proces-verbaal aan de verzekerde, de modaliteiten van de uitspraak van de sancties en de verjaring, opgenomen in artikel 168quinquies, § 5, § 6 en § 8 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, zijn van toepassing op de administratieve sancties die worden bepaald in onderhavig besluit.
§ 4. De administratieve sancties bepaald in artikel 67 mogen alleen worden uitgesproken indien het openbaar ministerie van oordeel is dat geen enkele strafvervolging moet worden ondernomen of dat artikelen 216bis en 216ter van het Wetboek van strafvordering niet moeten worden toegepast.]1
§ 2. In geval van samenloop van verscheidene inbreuken worden de sancties samengevoegd, zonder dat, wat de in artikel 67 bedoelde sancties betreft, de zwaarste sanctie bedoeld in artikel 68, 3°, mag overschreden worden.
§ 3. De bepalingen betreffende de kennisgeving van het proces-verbaal aan de verzekerde, de modaliteiten van de uitspraak van de sancties en de verjaring, opgenomen in artikel 168quinquies, § 5, § 6 en § 8 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, zijn van toepassing op de administratieve sancties die worden bepaald in onderhavig besluit.
§ 4. De administratieve sancties bepaald in artikel 67 mogen alleen worden uitgesproken indien het openbaar ministerie van oordeel is dat geen enkele strafvervolging moet worden ondernomen of dat artikelen 216bis en 216ter van het Wetboek van strafvordering niet moeten worden toegepast.]1
Art.69. [1 § 1er. Les dispositions relatives aux circonstances atténuantes, au sursis et à la récidive, contenues à l'article 168quinquies, § 3, alinéa 2, § 3/1 et § 4, alinéa 2 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 s'appliquent aux sanctions administratives prévues par le présent arrêté.
§ 2. En cas de concours de plusieurs infractions, les sanctions sont cumulées, sans que, en ce qui concerne les sanctions visées à l'article 67, la sanction la plus forte visée à l'article 68, 3°, puisse être dépassée.
§ 3. Les dispositions relatives à la notification du procès-verbal à l'assuré, aux modalités du prononcé des sanctions et à la prescription, contenues à l'article 168quinquies, § 5, § 6 et § 8 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 s'appliquent aux sanctions administratives prévues par le présent arrêté.
§ 4. Les sanctions administratives reprises à l'article 67 peuvent uniquement être prononcées si le ministère public estime qu'aucune poursuite pénale ne doit être entreprise ou qu'il ne doit pas être fait application des articles 216bis et 216ter du Code d'instruction criminelle.]1
§ 2. En cas de concours de plusieurs infractions, les sanctions sont cumulées, sans que, en ce qui concerne les sanctions visées à l'article 67, la sanction la plus forte visée à l'article 68, 3°, puisse être dépassée.
§ 3. Les dispositions relatives à la notification du procès-verbal à l'assuré, aux modalités du prononcé des sanctions et à la prescription, contenues à l'article 168quinquies, § 5, § 6 et § 8 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 s'appliquent aux sanctions administratives prévues par le présent arrêté.
§ 4. Les sanctions administratives reprises à l'article 67 peuvent uniquement être prononcées si le ministère public estime qu'aucune poursuite pénale ne doit être entreprise ou qu'il ne doit pas être fait application des articles 216bis et 216ter du Code d'instruction criminelle.]1
Änderungen
Art.72. De dagen voor dewelke, ingevolge de toepassing van een administratieve sanctie geen uitkering werd toegekend, worden niettemin als vergoede dagen aangezien voor de vaststelling van het recht op de uitkeringen.
Art. 72. De dagen voor dewelke, ingevolge de toepassing van een administratieve sanctie geen uitkering werd toegekend, worden niettemin als vergoede dagen aangezien voor de vaststelling van het recht op de uitkeringen.
Art.72. Les journées pour lesquelles il n'est pas accordé de prestations par application d'une sanction administrative, sont néanmoins considérées comme des journées indemnisees pour la détermination du droit aux prestations.
Art.73. De inkomsten van de verzekering ingesteld door dit besluit bestaan uit:
CHAPITRE VII. - Dispositions financières et statistiques.
Art. 73. De inkomsten van de verzekering ingesteld door dit besluit bestaan uit:
1° (Opgeheven) <KB 1996-11-18/37, art. 17, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
2° (Opgeheven) <KB 1996-11-18/37, art. 17, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
3° een rijkstegemoetkoming gelijk aan 50 pct. van het bedrag der kosten gemoeid met de uitkeringen toegekend tijdens de eerste twee jaren van het tijdvak van invaliditeit;
4° een rijkstegemoetkoming gelijk aan 90 pct. van het bedrag der kosten gemoeid met de uitkeringen toegekend vanaf het derde jaar van het tijdvak van invaliditeit.
(Lid 2 opgeheven) <KB 1996-11-18/37, art. 17, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
1° (Opgeheven) <KB 1996-11-18/37, art. 17, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
2° (Opgeheven) <KB 1996-11-18/37, art. 17, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
3° een rijkstegemoetkoming gelijk aan 50 pct. van het bedrag der kosten gemoeid met de uitkeringen toegekend tijdens de eerste twee jaren van het tijdvak van invaliditeit;
4° een rijkstegemoetkoming gelijk aan 90 pct. van het bedrag der kosten gemoeid met de uitkeringen toegekend vanaf het derde jaar van het tijdvak van invaliditeit.
(Lid 2 opgeheven) <KB 1996-11-18/37, art. 17, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art.73. Les ressources de l'assurance instituee par le présent arrêté sont constituées par:
1° (Abrogé) <AR 1996-11-18/37, art. 17, 019; En vigueur : 01-01-1997>
2° (Abrogé) <AR 1996-11-18/37, art. 17, 019; En vigueur : 01-01-1997>
3° une intervention de l'Etat égale à 50 p.c. du montant des frais afférents aux indemnités accordées pendant les deux premières années de la période d'invalidité;
4° une intervention de l'Etat égale à 90 p.c. du montant des frais afférents aux indemnités accordées à partir de la troisième année de la période d'invalidité.
(Alinéa 2 abrogé) <AR 1996-11-18/37, art. 17, 019; En vigueur : 01-01-1997>
1° (Abrogé) <AR 1996-11-18/37, art. 17, 019; En vigueur : 01-01-1997>
2° (Abrogé) <AR 1996-11-18/37, art. 17, 019; En vigueur : 01-01-1997>
3° une intervention de l'Etat égale à 50 p.c. du montant des frais afférents aux indemnités accordées pendant les deux premières années de la période d'invalidité;
4° une intervention de l'Etat égale à 90 p.c. du montant des frais afférents aux indemnités accordées à partir de la troisième année de la période d'invalidité.
(Alinéa 2 abrogé) <AR 1996-11-18/37, art. 17, 019; En vigueur : 01-01-1997>
Art.75. Het rijksinstituut heft op de in artikel 73 bedoelde inkomsten het bedrag van zijn administratiekosten die verband houden met de door dit besluit ingestelde verzekering alsmede het meerbedrag der administratiekosten van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering die op dezelfde verzekering betrekking hebben.
Art.74. (Abrogé) <AR 1996-11-18/37, art. 17, 019; En vigueur : 01-01-1997>
Art.76. Onder de voorwaarden vastgesteld door het in artikel 39 bedoeld beheerscomité:
1° kent het rijksinstituut aan elke verzekeringsinstelling het gedeelte toe van de administratiekosten dat haar krachtens artikel 77 toekomt;
2° stelt het rijksinstituut de verzekeringsinstellingen de nodige gelden ter beschikking voor de betaling der uitkeringen [1 en van de werkhervattingspremies]1.
1° kent het rijksinstituut aan elke verzekeringsinstelling het gedeelte toe van de administratiekosten dat haar krachtens artikel 77 toekomt;
2° stelt het rijksinstituut de verzekeringsinstellingen de nodige gelden ter beschikking voor de betaling der uitkeringen [1 en van de werkhervattingspremies]1.
Art.75. L'Institut national prélève sur les ressources visées à l'article 73 le montant de ses frais d'administration afférents à l'assurance instituée par le présent arrêté, ainsi que le montant de l'excédant des frais d'administration, afférents à cette même assurance, de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité.
Art. 76. Onder de voorwaarden vastgesteld door het in artikel 39 bedoeld beheerscomité:
1° kent het rijksinstituut aan elke verzekeringsinstelling het gedeelte toe van de administratiekosten dat haar krachtens artikel 77 toekomt;
2° stelt het rijksinstituut de verzekeringsinstellingen de nodige gelden ter beschikking voor de betaling der uitkeringen [1 en van de werkhervattingspremies]1.
1° kent het rijksinstituut aan elke verzekeringsinstelling het gedeelte toe van de administratiekosten dat haar krachtens artikel 77 toekomt;
2° stelt het rijksinstituut de verzekeringsinstellingen de nodige gelden ter beschikking voor de betaling der uitkeringen [1 en van de werkhervattingspremies]1.
Art.76. Dans les conditions déterminées par le comité de gestion visé a l'article 39, l'Institut national:
1° alloue à chaque organisme assureur la part des frais d'administration qui lui revient en application de l'article 77;
2° met à la disposition des organismes assureurs les montants nécessaires pour le paiement des prestations [1 et des primes de reprise du travail]1.
1° alloue à chaque organisme assureur la part des frais d'administration qui lui revient en application de l'article 77;
2° met à la disposition des organismes assureurs les montants nécessaires pour le paiement des prestations [1 et des primes de reprise du travail]1.
Änderungen
Art.78. De door dit besluit ingestelde verzekering maakt het voorwerp uit van een financieel beheer dat gescheiden is van dit van de uitkeringsverzekering voor werknemers.
Art.77. (abrogé) <AR 13-02-1980, art. 7>
Art.79. <KB 22-03-1976, art. 5> De bepalingen van de artikelen 307, 312, 315, (...), 318 en 319 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 zijn van toepassing op de inkomstenbescheiden en de lijsten van uitgaven binnen het raam van dit besluit <KB 07-04-1977, art. 1>
Art.78. L'assurance instituée par le présent arrêté fait l'objet d'une gestion financière séparée de celle de l'assurance-indemnités des travailleurs salariés.
Art. 79bis. <KB 22-03-1976, art. 6> De verzekeringsinstellingen zenden het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering elke semester voor elk van hun verbonden of voor elke gewestelijke dienst, de getalsterktestaten waarvan het model door de Algemene Raad van genoemd Instituut wordt vastgesteld.
(Die staten behelzen ten minste de volgende schiftingsmaatstaven :
- vijfjarige leeftijdsgroepen;
- geslacht;
- categorieën van gerechtigden : eensdeels de uitkeringsgerechtigden die onder dit besluit ressorteren verdeeld in zelfstandigen en meehelpende echtgenoten, en anderdeels de gerechtigden die enkel onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot de zelfstandigen wordt verruimd;
- categorieën van personen ten laste.) <KB 1990-01-24/37, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
De staten worden opgemaakt op basis van de op de laatste dag van het semester bekende getalsterkte en worden toegezonden binnen een termijn van twee maanden, ingaande de laatste dag van het semester waarop die staten betrekking hebben.
Voor het opmaken van de statistieken, wordt de leeftijd van de rechthebbende vastgesteld door zijn geboortejaar af te trekken van het jaar waarop de statistische staat betrekking heeft.
(Die staten behelzen ten minste de volgende schiftingsmaatstaven :
- vijfjarige leeftijdsgroepen;
- geslacht;
- categorieën van gerechtigden : eensdeels de uitkeringsgerechtigden die onder dit besluit ressorteren verdeeld in zelfstandigen en meehelpende echtgenoten, en anderdeels de gerechtigden die enkel onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot de zelfstandigen wordt verruimd;
- categorieën van personen ten laste.) <KB 1990-01-24/37, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
De staten worden opgemaakt op basis van de op de laatste dag van het semester bekende getalsterkte en worden toegezonden binnen een termijn van twee maanden, ingaande de laatste dag van het semester waarop die staten betrekking hebben.
Voor het opmaken van de statistieken, wordt de leeftijd van de rechthebbende vastgesteld door zijn geboortejaar af te trekken van het jaar waarop de statistische staat betrekking heeft.
Art.79. <AR 22-03-1976, art. 5> Les dispositions des articles 307, 312, 315, (...), 318 et 319 de l'arrêté royal du 4 novembre 1963 sont applicables aux documents de recettes et de dépenses dans le cadre du présent arrêté. <AR 07-04-1977, art. 1>
Art. 79bis. <KB 22-03-1976, art. 6> De verzekeringsinstellingen zenden het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering elke semester voor elk van hun verbonden of voor elke gewestelijke dienst, de getalsterktestaten waarvan het model door de Algemene Raad van genoemd Instituut wordt vastgesteld.
(Die staten behelzen ten minste de volgende schiftingsmaatstaven :
- vijfjarige leeftijdsgroepen;
- geslacht;
- categorieën van gerechtigden : eensdeels de uitkeringsgerechtigden die onder dit besluit ressorteren verdeeld in zelfstandigen en meehelpende echtgenoten, en anderdeels de gerechtigden die enkel onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot de zelfstandigen wordt verruimd;
- categorieën van personen ten laste.) <KB 1990-01-24/37, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
De staten worden opgemaakt op basis van de op de laatste dag van het semester bekende getalsterkte en worden toegezonden binnen een termijn van twee maanden, ingaande de laatste dag van het semester waarop die staten betrekking hebben.
Voor het opmaken van de statistieken, wordt de leeftijd van de rechthebbende vastgesteld door zijn geboortejaar af te trekken van het jaar waarop de statistische staat betrekking heeft.
(Die staten behelzen ten minste de volgende schiftingsmaatstaven :
- vijfjarige leeftijdsgroepen;
- geslacht;
- categorieën van gerechtigden : eensdeels de uitkeringsgerechtigden die onder dit besluit ressorteren verdeeld in zelfstandigen en meehelpende echtgenoten, en anderdeels de gerechtigden die enkel onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot de zelfstandigen wordt verruimd;
- categorieën van personen ten laste.) <KB 1990-01-24/37, art. 19, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
De staten worden opgemaakt op basis van de op de laatste dag van het semester bekende getalsterkte en worden toegezonden binnen een termijn van twee maanden, ingaande de laatste dag van het semester waarop die staten betrekking hebben.
Voor het opmaken van de statistieken, wordt de leeftijd van de rechthebbende vastgesteld door zijn geboortejaar af te trekken van het jaar waarop de statistische staat betrekking heeft.
Art. 79bis. <AR 22-03-1976, art. 6> Les organismes assureurs adressent semestriellement à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, pour chacune de leurs fédérations ou pour chaque Office régional, les relevés d'effectifs dont le modele est établi par le Conseil général dudit Institut.
(Ces relevés comportent au moins les critères de ventilation suivants :
- groupe d'âge quinquennaux;
- sexe;
- catégories de titulaires : d'une part les titulaires indemnisables soumis au présent arrêté, subdivisés entre indépendants et époux aidants, et d'autre part, les titulaires soumis au seul arrêté royal du 30 juillet 1964, portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi du 9 août 1963 est étendue aux travailleurs indépendants;
- catégories de personnes à charge.) <AR 1990-01-24/37, art. 19, 011; En vigueur : 01-01-1990>
Les relevés sont établis sur la base des effectifs connus le dernier jour du semestre et sont transmis dans un délai de deux mois prenant cours le dernier jour du semestre auquel ces relevés se rapportent.
Pour l'établissement des statistiques, l'âge du bénéficiaire est établi en soustrayant l'année de sa naissance de l'année à laquelle se rapporte le releve statistique.
(Ces relevés comportent au moins les critères de ventilation suivants :
- groupe d'âge quinquennaux;
- sexe;
- catégories de titulaires : d'une part les titulaires indemnisables soumis au présent arrêté, subdivisés entre indépendants et époux aidants, et d'autre part, les titulaires soumis au seul arrêté royal du 30 juillet 1964, portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi du 9 août 1963 est étendue aux travailleurs indépendants;
- catégories de personnes à charge.) <AR 1990-01-24/37, art. 19, 011; En vigueur : 01-01-1990>
Les relevés sont établis sur la base des effectifs connus le dernier jour du semestre et sont transmis dans un délai de deux mois prenant cours le dernier jour du semestre auquel ces relevés se rapportent.
Pour l'établissement des statistiques, l'âge du bénéficiaire est établi en soustrayant l'année de sa naissance de l'année à laquelle se rapporte le releve statistique.
Art. 79quater. <INGEVOEGD bij KB 1990-01-24/37, art. 21, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990> Van de uitgaven in verband met de invaliditeitsuitkeringen worden driemaandelijkse naamstaten opgemaakt. Van de uitgaven in verband met de moederschapsuitkeringen die in het tijdvak van invaliditeit zijn verleend, worden aparte driemaandelijkse naamstaten opgemaakt.
Die staten, waarvan het model wordt vastgesteld door het Beheerscomité dat is bedoeld in artikel 39, geven een uitsplitsing van de uitgaven in die voor de zelfstandigen en die voor de meehelpende echtgenoten.
Die staten bevatten ten minste de volgende gegevens :
- de identificering van de gerechtigde en met name zijn statistische aanwijzer alsook het nummer dat hem door de Dienst voor uitkeringen is toegewezen;
- het betaalde bedrag;
- het aantal uitkeringsdagen op de uitgavestaat betreffende de invaliditeitsuitkeringen.
Die staten, waarvan het model wordt vastgesteld door het Beheerscomité dat is bedoeld in artikel 39, geven een uitsplitsing van de uitgaven in die voor de zelfstandigen en die voor de meehelpende echtgenoten.
Die staten bevatten ten minste de volgende gegevens :
- de identificering van de gerechtigde en met name zijn statistische aanwijzer alsook het nummer dat hem door de Dienst voor uitkeringen is toegewezen;
- het betaalde bedrag;
- het aantal uitkeringsdagen op de uitgavestaat betreffende de invaliditeitsuitkeringen.
Art. 79ter. <AR 1990-01-24/37, art. 20, 011; En vigueur : 01-01-1990> Les dépenses relatives aux indemnités d'incapacité primaire font l'objet de relevés trimestriels. Les dépenses relatives aux allocations de maternité, octroyées le cas échéant pendant la période d'incapacité primaire, font l'objet de relevés trimestriels distincts.
Ces relevés, dont les modèles sont établis par le Comité de gestion visé à l'article 39, comportent une ventilation entre les dépenses attribuées aux indépendants et celles attribuées aux époux aidants.
En outre, ils reprennent au moins les renseignements suivants :
- le montant payé;
- le nombre de jours indemnisés s'il s'agit de relevés de dépenses relatives aux indemnités d'incapacité primaire;
- le nombre de cas indemnisés s'il s'agit des relevés de dépenses relatives aux allocations de maternité.
Ces relevés, dont les modèles sont établis par le Comité de gestion visé à l'article 39, comportent une ventilation entre les dépenses attribuées aux indépendants et celles attribuées aux époux aidants.
En outre, ils reprennent au moins les renseignements suivants :
- le montant payé;
- le nombre de jours indemnisés s'il s'agit de relevés de dépenses relatives aux indemnités d'incapacité primaire;
- le nombre de cas indemnisés s'il s'agit des relevés de dépenses relatives aux allocations de maternité.
Art. 79quater. <INGEVOEGD bij KB 1990-01-24/37, art. 21, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990> Van de uitgaven in verband met de invaliditeitsuitkeringen worden driemaandelijkse naamstaten opgemaakt. Van de uitgaven in verband met de moederschapsuitkeringen die in het tijdvak van invaliditeit zijn verleend, worden aparte driemaandelijkse naamstaten opgemaakt.
Die staten, waarvan het model wordt vastgesteld door het Beheerscomité dat is bedoeld in artikel 39, geven een uitsplitsing van de uitgaven in die voor de zelfstandigen en die voor de meehelpende echtgenoten.
Die staten bevatten ten minste de volgende gegevens :
- de identificering van de gerechtigde en met name zijn statistische aanwijzer alsook het nummer dat hem door de Dienst voor uitkeringen is toegewezen;
- het betaalde bedrag;
- het aantal uitkeringsdagen op de uitgavestaat betreffende de invaliditeitsuitkeringen.
Die staten, waarvan het model wordt vastgesteld door het Beheerscomité dat is bedoeld in artikel 39, geven een uitsplitsing van de uitgaven in die voor de zelfstandigen en die voor de meehelpende echtgenoten.
Die staten bevatten ten minste de volgende gegevens :
- de identificering van de gerechtigde en met name zijn statistische aanwijzer alsook het nummer dat hem door de Dienst voor uitkeringen is toegewezen;
- het betaalde bedrag;
- het aantal uitkeringsdagen op de uitgavestaat betreffende de invaliditeitsuitkeringen.
Art. 79quater. Les dépenses relatives aux indemnités d'invalidité font l'objet de relevés nominatifs trimestriels. Les dépenses relatives aux allocations de maternité octroyées pendant la période d'invalidité font l'objet de relevés nominatifs trimestriels distincts.
Ces relevés, dont les modèles sont établis par le Comité de gestion visé à l'article 39, comportent une ventilation entre les dépenses attribuées aux indépendants et celles attribuées aux époux aidants.
Sur ces relevés figurent au moins les renseignements suivants :
- l'identification du titulaire et notamment son indice statistique ainsi que le numéro qui lui est attribué par le Service des indemnités;
- le montant payé;
- le nombre de jours indemnisés s'il s'agit du relevé des dépenses relatives aux indemnités d'invalidité.
Ces relevés, dont les modèles sont établis par le Comité de gestion visé à l'article 39, comportent une ventilation entre les dépenses attribuées aux indépendants et celles attribuées aux époux aidants.
Sur ces relevés figurent au moins les renseignements suivants :
- l'identification du titulaire et notamment son indice statistique ainsi que le numéro qui lui est attribué par le Service des indemnités;
- le montant payé;
- le nombre de jours indemnisés s'il s'agit du relevé des dépenses relatives aux indemnités d'invalidité.
Art.80. <KB 1990-01-24/37, art. 22, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990> De verzekeringsinstellingen zijn verplicht statistische tabellen op te maken die conform zijn met het model vastgesteld door het in artikel 39 bedoelde Beheerscomité.
De statistische tabellen betreffende de uitkeringen wegens primaire ongeschiktheid bevatten de volgende gegevens uiteengesplitst in die betreffende zelfstandigen en die betreffende de meehelpende echtgenoten :
a) het aantal gevallen van arbeidsongeschiktheid;
b) het aantal kalenderdagen;
c) het aantal uitkeringsdagen;
d) het bedrag van de uitkeringen.
Die gegevens worden met name uitgesplitst naar geslacht, vijfjarige leeftijdsgroep en erkende duur van de arbeidsongeschiktheid.
De statistische tabellen betreffende de moederschapsuitkeringen bevatten de volgende gegevens, uitgesplitst in die betreffende de zelfstandigen en die betreffende de meehelpende echtgenotes :
a) het aantal gevallen van arbeidsongeschiktheid;
b) het bedrag van de uitkeringen.
Die inlichtingen worden uitgesplitst per vijfjarige leeftijdsgroep.
De hierboven vermelde statistische tabellen worden jaarlijks opgemaakt per verbond of gewestelijke dienst en worden aan de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering toegezonden binnen vijf maanden na het einde van het dienstjaar waarop ze betrekking hebben.
De statistische tabellen betreffende de uitkeringen wegens primaire ongeschiktheid bevatten de volgende gegevens uiteengesplitst in die betreffende zelfstandigen en die betreffende de meehelpende echtgenoten :
a) het aantal gevallen van arbeidsongeschiktheid;
b) het aantal kalenderdagen;
c) het aantal uitkeringsdagen;
d) het bedrag van de uitkeringen.
Die gegevens worden met name uitgesplitst naar geslacht, vijfjarige leeftijdsgroep en erkende duur van de arbeidsongeschiktheid.
De statistische tabellen betreffende de moederschapsuitkeringen bevatten de volgende gegevens, uitgesplitst in die betreffende de zelfstandigen en die betreffende de meehelpende echtgenotes :
a) het aantal gevallen van arbeidsongeschiktheid;
b) het bedrag van de uitkeringen.
Die inlichtingen worden uitgesplitst per vijfjarige leeftijdsgroep.
De hierboven vermelde statistische tabellen worden jaarlijks opgemaakt per verbond of gewestelijke dienst en worden aan de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering toegezonden binnen vijf maanden na het einde van het dienstjaar waarop ze betrekking hebben.
Art.79quinquies. [1 Les dépenses relatives aux primes de reprise du travail font l'objet de relevés nominatifs trimestriels. Ces relevés, dont les modèles sont établis par le Comité de gestion visé à l'article 39, comportent une ventilation entre les dépenses attribuées aux indépendants exerçant une activité autorisée et celles attribuées aux conjoints aidants exerçant une activité autorisée. Ces relevés reprennent au moins les renseignements suivants :
- l'identification du titulaire dont l'activité autorisée a donné lieu au paiement de la prime de reprise du travail;
- l'identification de l'employeur bénéficiant de la prime de reprise du travail;
- le montant payé.]1
- l'identification du titulaire dont l'activité autorisée a donné lieu au paiement de la prime de reprise du travail;
- l'identification de l'employeur bénéficiant de la prime de reprise du travail;
- le montant payé.]1
Art. 80. <KB 1990-01-24/37, art. 22, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1990> De verzekeringsinstellingen zijn verplicht statistische tabellen op te maken die conform zijn met het model vastgesteld door het in artikel 39 bedoelde Beheerscomité.
De statistische tabellen betreffende de uitkeringen wegens primaire ongeschiktheid bevatten de volgende gegevens uiteengesplitst in die betreffende zelfstandigen en die betreffende de meehelpende echtgenoten :
a) het aantal gevallen van arbeidsongeschiktheid;
b) het aantal kalenderdagen;
c) het aantal uitkeringsdagen;
d) het bedrag van de uitkeringen.
Die gegevens worden met name uitgesplitst naar geslacht, vijfjarige leeftijdsgroep en erkende duur van de arbeidsongeschiktheid.
De statistische tabellen betreffende de moederschapsuitkeringen bevatten de volgende gegevens, uitgesplitst in die betreffende de zelfstandigen en die betreffende de meehelpende echtgenotes :
a) het aantal gevallen van arbeidsongeschiktheid;
b) het bedrag van de uitkeringen.
Die inlichtingen worden uitgesplitst per vijfjarige leeftijdsgroep.
De hierboven vermelde statistische tabellen worden jaarlijks opgemaakt per verbond of gewestelijke dienst en worden aan de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering toegezonden binnen vijf maanden na het einde van het dienstjaar waarop ze betrekking hebben.
De statistische tabellen betreffende de uitkeringen wegens primaire ongeschiktheid bevatten de volgende gegevens uiteengesplitst in die betreffende zelfstandigen en die betreffende de meehelpende echtgenoten :
a) het aantal gevallen van arbeidsongeschiktheid;
b) het aantal kalenderdagen;
c) het aantal uitkeringsdagen;
d) het bedrag van de uitkeringen.
Die gegevens worden met name uitgesplitst naar geslacht, vijfjarige leeftijdsgroep en erkende duur van de arbeidsongeschiktheid.
De statistische tabellen betreffende de moederschapsuitkeringen bevatten de volgende gegevens, uitgesplitst in die betreffende de zelfstandigen en die betreffende de meehelpende echtgenotes :
a) het aantal gevallen van arbeidsongeschiktheid;
b) het bedrag van de uitkeringen.
Die inlichtingen worden uitgesplitst per vijfjarige leeftijdsgroep.
De hierboven vermelde statistische tabellen worden jaarlijks opgemaakt per verbond of gewestelijke dienst en worden aan de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering toegezonden binnen vijf maanden na het einde van het dienstjaar waarop ze betrekking hebben.
Art.80. <AR 1990-01-24/37, art. 22, 011; En vigueur : 01-01-1990> Les organismes assureurs sont tenus d'établir des cadres statistiques conformément aux modèles prévus par le Comité de gestion visé à l'article 39.
Les cadres statistiques relatifs aux indemnités d'incapacité primaire comprennent les éléments suivants, répartis entre, d'une part, les indépendants et d'autre part, les époux aidants :
a) le nombre de cas d'incapacité de travail;
b) le nombre de jours calendrier;
c) le nombre de jours indemnisés;
d) le montant des indemnités.
Ces renseignements sont notamment ventilés par sexe, groupes quinquennaux d'âge et durées d'incapacité de travail reconnues.
Les cadres statistiques relatifs aux allocations de maternité comprennent les éléments suivants, répartis entre, d'une part, les indépendantes, et d'autre part, les épouses aidantes :
a) le nombre de cas d'incapacité de travail;
b) le montant des indemnités.
Ces renseignements sont ventilés par groupes d'âge quinquennaux.
Les cadres statistiques susvisés sont établis annuellement par fédération ou par office régional et sont transmis au Service des indemnités de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, dans les cinq mois qui suivent la fin de l'exercice auquel ils se rapportent.
Les cadres statistiques relatifs aux indemnités d'incapacité primaire comprennent les éléments suivants, répartis entre, d'une part, les indépendants et d'autre part, les époux aidants :
a) le nombre de cas d'incapacité de travail;
b) le nombre de jours calendrier;
c) le nombre de jours indemnisés;
d) le montant des indemnités.
Ces renseignements sont notamment ventilés par sexe, groupes quinquennaux d'âge et durées d'incapacité de travail reconnues.
Les cadres statistiques relatifs aux allocations de maternité comprennent les éléments suivants, répartis entre, d'une part, les indépendantes, et d'autre part, les épouses aidantes :
a) le nombre de cas d'incapacité de travail;
b) le montant des indemnités.
Ces renseignements sont ventilés par groupes d'âge quinquennaux.
Les cadres statistiques susvisés sont établis annuellement par fédération ou par office régional et sont transmis au Service des indemnités de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, dans les cinq mois qui suivent la fin de l'exercice auquel ils se rapportent.
Art.81.[1 De modellen van de formulieren die dienen te worden gebruikt voor de toepassing van dit besluit, worden vastgesteld door de instanties die bevoegd zijn om de gelijkaardige formulieren vast te leggen die gebruikt worden in de door de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 ingerichte uitkeringsverzekering.
CHAPITRE VIII. - Dispositions générales.
Art.82. [1 In de mate waarin daarvan door dit besluit niet wordt afgeweken en de stof die erin behandeld wordt een voorwerp heeft wat betreft de door dit besluit ingestelde verzekering, zijn de bepalingen van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en van haar uitvoeringsbesluiten van toepassing wat deze laatste verzekering betreft.
Is nochtans niet van toepassing de Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, 5° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.]1
Is nochtans niet van toepassing de Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, 5° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.]1
Art.81. [1 Les modèles des formulaires à utiliser en vue de l'application du présent arrêté sont arrêtés par les autorités qui ont compétence pour l'établissement des formulaires similaires employés dans l'assurance indemnités organisée par la loi coordonnée le 14 juillet 1994.
Toutefois, la compétence détenue en cette matière par le comité de gestion visé à l'article 79 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 est exercée par le comité de gestion visé à l'article 39 du présent arrêté.]1
Toutefois, la compétence détenue en cette matière par le comité de gestion visé à l'article 79 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 est exercée par le comité de gestion visé à l'article 39 du présent arrêté.]1
Art. 82. [1 In de mate waarin daarvan door dit besluit niet wordt afgeweken en de stof die erin behandeld wordt een voorwerp heeft wat betreft de door dit besluit ingestelde verzekering, zijn de bepalingen van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en van haar uitvoeringsbesluiten van toepassing wat deze laatste verzekering betreft.
Is nochtans niet van toepassing de Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, 5° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.]1
Is nochtans niet van toepassing de Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, 5° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.]1
Art.82. [1 Dans la mesure où il n'y est pas dérogé par le présent arrêté et où les matières qui y sont traitées ont un objet en ce qui concerne l'assurance instituée par le présent arrêté, les dispositions de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 et de ses arrêtés d'exécution sont applicables en ce qui concerne cette dernière assurance.
N'est toutefois pas applicable le Règlement du 16 avril 1997 portant exécution de l'article 80, 5° de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.]1
N'est toutefois pas applicable le Règlement du 16 avril 1997 portant exécution de l'article 80, 5° de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.]1
Art.83. Voor de toepassing van de artikelen 14 tot 17 wordt het tijdvak vóór 1 juli 1971 tijdens hetwelk een persoon, in de in artikel 3 bedoelde hoedanigheid, gerechtigde was ten aanzien van het koninklijk besluit van 30 juli 1964, gelijkgesteld met een tijdvak tijdens hetwelk de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde heeft ten aanzien van onderhavig besluit.
CHAPITRE IX. - Dispositions transitoires.
Art. 83. Voor de toepassing van de artikelen 14 tot 17 wordt het tijdvak vóór 1 juli 1971 tijdens hetwelk een persoon, in de in artikel 3 bedoelde hoedanigheid, gerechtigde was ten aanzien van het koninklijk besluit van 30 juli 1964, gelijkgesteld met een tijdvak tijdens hetwelk de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde heeft ten aanzien van onderhavig besluit.
Bovendien worden, in de mate waarin de bepalingen van de artikelen 14 tot 17 verwijzen naar het stelsel der uitkeringen, ingericht door de wet van 9 augustus 1963, de onder dit stelsel vallende tijdvakken in aanmerking genomen, zelfs indien zij vóór 1 juli 1971 zijn gelegen.
Bovendien worden, in de mate waarin de bepalingen van de artikelen 14 tot 17 verwijzen naar het stelsel der uitkeringen, ingericht door de wet van 9 augustus 1963, de onder dit stelsel vallende tijdvakken in aanmerking genomen, zelfs indien zij vóór 1 juli 1971 zijn gelegen.
Art.83. Pour l'application des articles 14 à 17, la période antérieure au 1er juillet 1971 au cours de laquelle une personne était, en la qualité visée à l'article 3, titulaire au regard de l'arrêté royal du 30 juillet 1964, est assimilée à une période au cours de laquelle l'intéresse a la qualité de titulaire au regard du présent arrêté.
Par ailleurs, dans la mesure ou les dispositions des articles 14 à 17 font référence au régime des indemnités organise par la loi du 9 août 1963, les périodes relevant dudit régime sont prises en considération même si elles se situent avant le 1er juillet 1971.
Par ailleurs, dans la mesure ou les dispositions des articles 14 à 17 font référence au régime des indemnités organise par la loi du 9 août 1963, les périodes relevant dudit régime sont prises en considération même si elles se situent avant le 1er juillet 1971.
Art.84. § 1. Wordt gelijkgesteld met een tijdvak van erkende arbeidsongeschiktheid binnen het raam van dit besluit het ononderbroken tijdvak dat onmiddellijk 1 juli 1971 voorafgaat, tijdens hetwelk een persoon vergoed is geweest door een dienst voor primaire ongeschiktheid of invaliditeit, georganiseerd door een ziekenfonds of een verbond en waarvoor toelagen zijn verleend bij toepassing hetzij van het koninklijk besluit van 13 april 1965 tot regeling van de toekenning van de rijkstoelagen ten voordele van de diensten van vrijwillige ziekenfondsenverzekering, hetzij van de wet van 5 mei 1912 tot verlening van premiën aan de onderlinge invaliditeitskassen.
Voor de toepassing van dit besluit met ingang van 1 juli 1971, wordt dat tijdvak van arbeidsongeschiktheid geacht een aanvang te hebben genomen de eerste dag van de maand die volgt op die tijdens welke het in het eerste lid bedoelde vergoedingstijdvak een aanvang heeft genomen.
§ 2. De toepassing van de bepalingen van § 1 wordt afhankelijk gesteld van de twee volgende voorwaarden:
1° de betrokkene moet, zonder onderbreking, tijdens het vorenbedoelde tijdvak, gerechtigde geweest zijn ten aanzien van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 hetzij krachtens artikel 3, 2° van dit laatste besluit, hetzij in de hoedanigheid bedoeld in artikel 3 van onderhavig besluit ofwel moet het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen het vorenbedoelde tijdvak erkennen als een tijdvak dat recht kan geven op het rustpensioen als zelfstandige;
2° de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van hoofdstuk III, afdeling 2, met ingang van 1 juli 1971, moet behoorlijk zijn vastgesteld.
§ 3. De loop van het in § 1 bedoelde tijdvak wordt niet beinvloed door onderbrekingen die binnen de in de (artikelen 8, 9, § 2, of 10, § 3), naargelang het geval, gestelde perken zijn gebleven. <KB 2006-12-21/46, art. 10, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 4. In de bij dit artikel beoogde gevallen wordt de procedure tot erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van rechtswege aangevat door de verzekeringsinstelling welke de in § 1 bedoelde vergoedingen uitkeert.
Zo die verzekeringsinstelling niet deze is bij dewelke de betrokkene is aangesloten met het oog op de verzekeringsgezondheidszorgen, dan ontvangt deze laatste instelling van de in het eerste lid bedoelde instelling de nodige inlichtingen opdat de procedure tot erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid zou kunnen aangevat worden.
Voor de toepassing van dit besluit met ingang van 1 juli 1971, wordt dat tijdvak van arbeidsongeschiktheid geacht een aanvang te hebben genomen de eerste dag van de maand die volgt op die tijdens welke het in het eerste lid bedoelde vergoedingstijdvak een aanvang heeft genomen.
§ 2. De toepassing van de bepalingen van § 1 wordt afhankelijk gesteld van de twee volgende voorwaarden:
1° de betrokkene moet, zonder onderbreking, tijdens het vorenbedoelde tijdvak, gerechtigde geweest zijn ten aanzien van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 hetzij krachtens artikel 3, 2° van dit laatste besluit, hetzij in de hoedanigheid bedoeld in artikel 3 van onderhavig besluit ofwel moet het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen het vorenbedoelde tijdvak erkennen als een tijdvak dat recht kan geven op het rustpensioen als zelfstandige;
2° de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van hoofdstuk III, afdeling 2, met ingang van 1 juli 1971, moet behoorlijk zijn vastgesteld.
§ 3. De loop van het in § 1 bedoelde tijdvak wordt niet beinvloed door onderbrekingen die binnen de in de (artikelen 8, 9, § 2, of 10, § 3), naargelang het geval, gestelde perken zijn gebleven. <KB 2006-12-21/46, art. 10, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 4. In de bij dit artikel beoogde gevallen wordt de procedure tot erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van rechtswege aangevat door de verzekeringsinstelling welke de in § 1 bedoelde vergoedingen uitkeert.
Zo die verzekeringsinstelling niet deze is bij dewelke de betrokkene is aangesloten met het oog op de verzekeringsgezondheidszorgen, dan ontvangt deze laatste instelling van de in het eerste lid bedoelde instelling de nodige inlichtingen opdat de procedure tot erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid zou kunnen aangevat worden.
Art. 83bis. Pour l'application des articles 14bis à 17, la période antérieure au 1er janvier 1990 au cours de laquelle une personne était titulaire au regard du présent arrêté royal, est prise en considération pour l'octroi, à partir de la date précitée, de l'allocation de maternité visée à l'article 12bis.
Art. 84. § 1. Wordt gelijkgesteld met een tijdvak van erkende arbeidsongeschiktheid binnen het raam van dit besluit het ononderbroken tijdvak dat onmiddellijk 1 juli 1971 voorafgaat, tijdens hetwelk een persoon vergoed is geweest door een dienst voor primaire ongeschiktheid of invaliditeit, georganiseerd door een ziekenfonds of een verbond en waarvoor toelagen zijn verleend bij toepassing hetzij van het koninklijk besluit van 13 april 1965 tot regeling van de toekenning van de rijkstoelagen ten voordele van de diensten van vrijwillige ziekenfondsenverzekering, hetzij van de wet van 5 mei 1912 tot verlening van premiën aan de onderlinge invaliditeitskassen.
Voor de toepassing van dit besluit met ingang van 1 juli 1971, wordt dat tijdvak van arbeidsongeschiktheid geacht een aanvang te hebben genomen de eerste dag van de maand die volgt op die tijdens welke het in het eerste lid bedoelde vergoedingstijdvak een aanvang heeft genomen.
§ 2. De toepassing van de bepalingen van § 1 wordt afhankelijk gesteld van de twee volgende voorwaarden:
1° de betrokkene moet, zonder onderbreking, tijdens het vorenbedoelde tijdvak, gerechtigde geweest zijn ten aanzien van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 hetzij krachtens artikel 3, 2° van dit laatste besluit, hetzij in de hoedanigheid bedoeld in artikel 3 van onderhavig besluit ofwel moet het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen het vorenbedoelde tijdvak erkennen als een tijdvak dat recht kan geven op het rustpensioen als zelfstandige;
2° de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van hoofdstuk III, afdeling 2, met ingang van 1 juli 1971, moet behoorlijk zijn vastgesteld.
§ 3. De loop van het in § 1 bedoelde tijdvak wordt niet beinvloed door onderbrekingen die binnen de in de (artikelen 8, 9, § 2, of 10, § 3), naargelang het geval, gestelde perken zijn gebleven. <KB 2006-12-21/46, art. 10, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 4. In de bij dit artikel beoogde gevallen wordt de procedure tot erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van rechtswege aangevat door de verzekeringsinstelling welke de in § 1 bedoelde vergoedingen uitkeert.
Zo die verzekeringsinstelling niet deze is bij dewelke de betrokkene is aangesloten met het oog op de verzekeringsgezondheidszorgen, dan ontvangt deze laatste instelling van de in het eerste lid bedoelde instelling de nodige inlichtingen opdat de procedure tot erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid zou kunnen aangevat worden.
Voor de toepassing van dit besluit met ingang van 1 juli 1971, wordt dat tijdvak van arbeidsongeschiktheid geacht een aanvang te hebben genomen de eerste dag van de maand die volgt op die tijdens welke het in het eerste lid bedoelde vergoedingstijdvak een aanvang heeft genomen.
§ 2. De toepassing van de bepalingen van § 1 wordt afhankelijk gesteld van de twee volgende voorwaarden:
1° de betrokkene moet, zonder onderbreking, tijdens het vorenbedoelde tijdvak, gerechtigde geweest zijn ten aanzien van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 hetzij krachtens artikel 3, 2° van dit laatste besluit, hetzij in de hoedanigheid bedoeld in artikel 3 van onderhavig besluit ofwel moet het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen het vorenbedoelde tijdvak erkennen als een tijdvak dat recht kan geven op het rustpensioen als zelfstandige;
2° de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van hoofdstuk III, afdeling 2, met ingang van 1 juli 1971, moet behoorlijk zijn vastgesteld.
§ 3. De loop van het in § 1 bedoelde tijdvak wordt niet beinvloed door onderbrekingen die binnen de in de (artikelen 8, 9, § 2, of 10, § 3), naargelang het geval, gestelde perken zijn gebleven. <KB 2006-12-21/46, art. 10, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 4. In de bij dit artikel beoogde gevallen wordt de procedure tot erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van rechtswege aangevat door de verzekeringsinstelling welke de in § 1 bedoelde vergoedingen uitkeert.
Zo die verzekeringsinstelling niet deze is bij dewelke de betrokkene is aangesloten met het oog op de verzekeringsgezondheidszorgen, dan ontvangt deze laatste instelling van de in het eerste lid bedoelde instelling de nodige inlichtingen opdat de procedure tot erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid zou kunnen aangevat worden.
Art.84. § 1er. Est assimilée à une période d'incapacité de travail reconnue dans le cadre du présent arrêté la période ininterrompue, précédant immédiatement le 1er juillet 1971, au cours de laquelle une personne a été indemnisée par un service d'incapacité primaire ou l'invalidité, organisé par une mutualité ou une fédération et subsidié en application, soit de l'arrêté royal du 13 avril 1965 réglant l'attribution des subsides de l'Etat en faveur des services de l'assurance mutualiste libre, soit de la loi du 5 mai 1912 accordant des primes aux caisses mutualistes d'invalidité.
Pour l'application du présent arrêté à partir du 1er juillet 1971, cette période d'incapacité de travail est censée avoir pris cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel a débuté la période d'indemnisation visée à l'alinéa 1er.
§ 2. L'application des dispositions du § 1er est subordonnée aux deux conditions suivantes:
1° l'intéressé doit avoir été, sans interruption, au cours de la période en question, titulaire, au regard de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 soit en vertu de l'article 3, 2° de ce dernier arrêté, soit en la qualité visée à l'article 3 du présent arrêté, ou l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants doit reconnaître la période en question comme susceptible d'ouvrier le droit à la pension de retraite de travailleur indépendant;
2° l'état d'incapacité de travail au sens du chapitre III, section 2, à partir du 1er juillet 1971 doit être dûment constaté.
§ 3. Le cours de la période visée au § 1er n'est pas affecté par des interruptions qui sont restées dans les limites fixées aux (articles 8, 9, § 2, ou 10, § 3), suivant le cas. <AR 2006-12-21/46, art. 10, 036; En vigueur : 01-01-2007>
§ 4. Dans les cas visés par le présent article, la procédure en reconnaissance de l'état d'incapacité de travail est engagée d'office par l'organisme assureur qui paie les indemnités visées au § 1er.
Si cet organisme assureur n'est pas celui auquel l'intéressé est affilié en vue de l'assurance-soins de santé, ce dernier organisme reçoit de l'organisme visé à l'alinéa 1er les renseignements nécessaires afin que la procédure en reconnaissance de l'état d'incapacité de travail puisse être engagée.
Pour l'application du présent arrêté à partir du 1er juillet 1971, cette période d'incapacité de travail est censée avoir pris cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel a débuté la période d'indemnisation visée à l'alinéa 1er.
§ 2. L'application des dispositions du § 1er est subordonnée aux deux conditions suivantes:
1° l'intéressé doit avoir été, sans interruption, au cours de la période en question, titulaire, au regard de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 soit en vertu de l'article 3, 2° de ce dernier arrêté, soit en la qualité visée à l'article 3 du présent arrêté, ou l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants doit reconnaître la période en question comme susceptible d'ouvrier le droit à la pension de retraite de travailleur indépendant;
2° l'état d'incapacité de travail au sens du chapitre III, section 2, à partir du 1er juillet 1971 doit être dûment constaté.
§ 3. Le cours de la période visée au § 1er n'est pas affecté par des interruptions qui sont restées dans les limites fixées aux (articles 8, 9, § 2, ou 10, § 3), suivant le cas. <AR 2006-12-21/46, art. 10, 036; En vigueur : 01-01-2007>
§ 4. Dans les cas visés par le présent article, la procédure en reconnaissance de l'état d'incapacité de travail est engagée d'office par l'organisme assureur qui paie les indemnités visées au § 1er.
Si cet organisme assureur n'est pas celui auquel l'intéressé est affilié en vue de l'assurance-soins de santé, ce dernier organisme reçoit de l'organisme visé à l'alinéa 1er les renseignements nécessaires afin que la procédure en reconnaissance de l'état d'incapacité de travail puisse être engagée.
Art.86. § 1. De tijdvakken die geldig zijn ten aanzien van artikel 85 komen in aanmerking voor de toepassing van artikel 84 en omgekeerd.
Nochtans komen de in artikel 85 bedoelde tijdvakken niet in aanmerking in de mate waarin zij zich bevinden vóór de eerste van de maand die volgt op deze tijdens dewelke de in artikel 85, § 1, tweede lid bedoelde aanvraag werd ingediend.
Wanneer een in artikel 84, § 1 bedoeld tijdvak niet zonder onderbreking gevolgd wordt door een in artikel 85, § 1 bedoeld tijdvak of omgekeerd, is het in aanmerking nemen van het in tweede instantie komend tijdvak afhankelijk van de voorwaarde dat er tussen het begin van dit laatste tijdvak en het einde van het voorafgaand tijdvak geen termijn verlopen is welke deze te boven gaat die, naargelang van het geval, voorzien is in de (artikelen 8, 9, § 2, of 10, § 3). <KB 2006-12-21/46, art. 11, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 2. Wanneer iemand tegelijkertijd voldoet aan de voorwaarden beoogd in artikel 84 en aan deze die vereist zijn door artikel 85 wordt de gunstigste toestand op hem toegepast.
§ 3. In de gevallen bedoeld in de artikelen 84 en 85 wordt de beslissing nopens de staat van arbeidsongeschiktheid getroffen overeenkomstig artikel 62 of artikel 59, al naargelang het tijdvak van arbeidsongeschiktheid krachtens de artikelen 84 of 85 al dan niet ten minste één jaar duurt op 30 juni 1971.
§ 4. Met het oog op de toepassing van de artikelen 84 tot 86 en onverminderd de bepalingen van artikel 26, worden de tijdvakken die zich bevinden in het jaar tijdens hetwelk de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar of van 60 jaar bereikt, naargelang het een man of een vrouw betreft, in aanmerking genomen op voorwaarde dat ze het recht op het rustpensioen als zelfstandige zouden geopend hebben indien zij zich gesitueerd hadden vóór bovenbedoeld jaar.
Nochtans komen de in artikel 85 bedoelde tijdvakken niet in aanmerking in de mate waarin zij zich bevinden vóór de eerste van de maand die volgt op deze tijdens dewelke de in artikel 85, § 1, tweede lid bedoelde aanvraag werd ingediend.
Wanneer een in artikel 84, § 1 bedoeld tijdvak niet zonder onderbreking gevolgd wordt door een in artikel 85, § 1 bedoeld tijdvak of omgekeerd, is het in aanmerking nemen van het in tweede instantie komend tijdvak afhankelijk van de voorwaarde dat er tussen het begin van dit laatste tijdvak en het einde van het voorafgaand tijdvak geen termijn verlopen is welke deze te boven gaat die, naargelang van het geval, voorzien is in de (artikelen 8, 9, § 2, of 10, § 3). <KB 2006-12-21/46, art. 11, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 2. Wanneer iemand tegelijkertijd voldoet aan de voorwaarden beoogd in artikel 84 en aan deze die vereist zijn door artikel 85 wordt de gunstigste toestand op hem toegepast.
§ 3. In de gevallen bedoeld in de artikelen 84 en 85 wordt de beslissing nopens de staat van arbeidsongeschiktheid getroffen overeenkomstig artikel 62 of artikel 59, al naargelang het tijdvak van arbeidsongeschiktheid krachtens de artikelen 84 of 85 al dan niet ten minste één jaar duurt op 30 juni 1971.
§ 4. Met het oog op de toepassing van de artikelen 84 tot 86 en onverminderd de bepalingen van artikel 26, worden de tijdvakken die zich bevinden in het jaar tijdens hetwelk de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar of van 60 jaar bereikt, naargelang het een man of een vrouw betreft, in aanmerking genomen op voorwaarde dat ze het recht op het rustpensioen als zelfstandige zouden geopend hebben indien zij zich gesitueerd hadden vóór bovenbedoeld jaar.
Art.85. § 1er. La période ininterrompue précédant immédiatement le 1er juillet 1971, au cours de laquelle un ancien travailleur indépendant a justifié de sa qualité de titulaire visé à l'article 3,2° de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 est assimilée à une période d'incapacité de travail reconnue dans le cadre du présent arrêté à condition que l'état d'incapacité de travail au sens du chapitre III, section 2, à partir du 1er juillet 1971 soit dûment constaté.
Pour l'application du présent arrêté à partir du 1er juillet 1971, la période d'incapacité de travail visée à l'alinéa 1er est censée avoir pris cours à la date à laquelle a débuté la période visée à l'alinéa 1er et au plus tôt le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel a été introduite, dans le régime de pension des travailleurs indépendants, la demande tendant à obtenir l'assimilation à une période d'activité d'une période d'inactivité résultant de maladie ou d'invalidité.
§ 2. Dans les cas visés par le présent article, la procédure en reconnaissance de l'état d'incapacité de travail est engagée d'office par l'organisme assureur auquel l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants communique les éléments de son dossier relatif à la demande d'assimilation introduite par l'intéressé dans le cadre du régime de pension des travailleurs indépendants.
Pour l'application du présent arrêté à partir du 1er juillet 1971, la période d'incapacité de travail visée à l'alinéa 1er est censée avoir pris cours à la date à laquelle a débuté la période visée à l'alinéa 1er et au plus tôt le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel a été introduite, dans le régime de pension des travailleurs indépendants, la demande tendant à obtenir l'assimilation à une période d'activité d'une période d'inactivité résultant de maladie ou d'invalidité.
§ 2. Dans les cas visés par le présent article, la procédure en reconnaissance de l'état d'incapacité de travail est engagée d'office par l'organisme assureur auquel l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants communique les éléments de son dossier relatif à la demande d'assimilation introduite par l'intéressé dans le cadre du régime de pension des travailleurs indépendants.
Art. 86. § 1. De tijdvakken die geldig zijn ten aanzien van artikel 85 komen in aanmerking voor de toepassing van artikel 84 en omgekeerd.
Nochtans komen de in artikel 85 bedoelde tijdvakken niet in aanmerking in de mate waarin zij zich bevinden vóór de eerste van de maand die volgt op deze tijdens dewelke de in artikel 85, § 1, tweede lid bedoelde aanvraag werd ingediend.
Wanneer een in artikel 84, § 1 bedoeld tijdvak niet zonder onderbreking gevolgd wordt door een in artikel 85, § 1 bedoeld tijdvak of omgekeerd, is het in aanmerking nemen van het in tweede instantie komend tijdvak afhankelijk van de voorwaarde dat er tussen het begin van dit laatste tijdvak en het einde van het voorafgaand tijdvak geen termijn verlopen is welke deze te boven gaat die, naargelang van het geval, voorzien is in de (artikelen 8, 9, § 2, of 10, § 3). <KB 2006-12-21/46, art. 11, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 2. Wanneer iemand tegelijkertijd voldoet aan de voorwaarden beoogd in artikel 84 en aan deze die vereist zijn door artikel 85 wordt de gunstigste toestand op hem toegepast.
§ 3. In de gevallen bedoeld in de artikelen 84 en 85 wordt de beslissing nopens de staat van arbeidsongeschiktheid getroffen overeenkomstig artikel 62 of artikel 59, al naargelang het tijdvak van arbeidsongeschiktheid krachtens de artikelen 84 of 85 al dan niet ten minste één jaar duurt op 30 juni 1971.
§ 4. Met het oog op de toepassing van de artikelen 84 tot 86 en onverminderd de bepalingen van artikel 26, worden de tijdvakken die zich bevinden in het jaar tijdens hetwelk de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar of van 60 jaar bereikt, naargelang het een man of een vrouw betreft, in aanmerking genomen op voorwaarde dat ze het recht op het rustpensioen als zelfstandige zouden geopend hebben indien zij zich gesitueerd hadden vóór bovenbedoeld jaar.
Nochtans komen de in artikel 85 bedoelde tijdvakken niet in aanmerking in de mate waarin zij zich bevinden vóór de eerste van de maand die volgt op deze tijdens dewelke de in artikel 85, § 1, tweede lid bedoelde aanvraag werd ingediend.
Wanneer een in artikel 84, § 1 bedoeld tijdvak niet zonder onderbreking gevolgd wordt door een in artikel 85, § 1 bedoeld tijdvak of omgekeerd, is het in aanmerking nemen van het in tweede instantie komend tijdvak afhankelijk van de voorwaarde dat er tussen het begin van dit laatste tijdvak en het einde van het voorafgaand tijdvak geen termijn verlopen is welke deze te boven gaat die, naargelang van het geval, voorzien is in de (artikelen 8, 9, § 2, of 10, § 3). <KB 2006-12-21/46, art. 11, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 2. Wanneer iemand tegelijkertijd voldoet aan de voorwaarden beoogd in artikel 84 en aan deze die vereist zijn door artikel 85 wordt de gunstigste toestand op hem toegepast.
§ 3. In de gevallen bedoeld in de artikelen 84 en 85 wordt de beslissing nopens de staat van arbeidsongeschiktheid getroffen overeenkomstig artikel 62 of artikel 59, al naargelang het tijdvak van arbeidsongeschiktheid krachtens de artikelen 84 of 85 al dan niet ten minste één jaar duurt op 30 juni 1971.
§ 4. Met het oog op de toepassing van de artikelen 84 tot 86 en onverminderd de bepalingen van artikel 26, worden de tijdvakken die zich bevinden in het jaar tijdens hetwelk de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar of van 60 jaar bereikt, naargelang het een man of een vrouw betreft, in aanmerking genomen op voorwaarde dat ze het recht op het rustpensioen als zelfstandige zouden geopend hebben indien zij zich gesitueerd hadden vóór bovenbedoeld jaar.
Art.86. § 1er. Les périodes valables au regard de l'article 85 entrent en ligne de compte pour l'application de l'article 84 et vice versa.
Toutefois les périodes visées à l'article 85 ne sont pas prises en considération dans la mesure ou elles se situent avant le premier du mois qui suit celui au cours duquel a été introduite la demande visée à l'article 85, § 1er, deuxième alinéa.
Lorsqu'une période visée à l'article 84, § 1er n'est pas suivie sans interruption d'une période visée à l'article 85, § 1er ou vice versa, la prise en considération de la période venant en second lieu est subordonnée à la condition qu'il ne se soit pas écoulé entre le début de cette dernière période et la fin de la période précédente un délai supérieur à celui qui est prévu aux (articles 8, 9, § 2 ou 10, § 3), suivant le cas. <AR 2006-12-21/46, art. 11, 036; En vigueur : 01-01-2007>
§ 2. Lorsqu'une personne réunit à la fois les conditions visées à l'article 84 et celles qui sont exigées par l'article 85, il lui est fait la situation la plus favorable.
§ 3. Dans les cas visés aux articles 84 et 85, la décision au sujet de l'état d'incapacité de travail est prise conformément à l'article 62 ou à l'article 59 suivant que la période d'incapacité de travail en vertu de l'article 84 ou 85 atteint ou non un an au moins au 30 juin 1971.
§ 4. En vue de l'application des articles 84 à 86 et sans préjudice de l'article 26, les périodes qui se situent dans l'année au cours de laquelle le titulaire atteint l'âge de 65 ans ou de 60 ans, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme, sont prises en considération à condition qu'elles eussent ouvert le droit à la pension de retraite en qualité de travailleur indépendant si elles s'étaient situées avant l'année susvisée.
Toutefois les périodes visées à l'article 85 ne sont pas prises en considération dans la mesure ou elles se situent avant le premier du mois qui suit celui au cours duquel a été introduite la demande visée à l'article 85, § 1er, deuxième alinéa.
Lorsqu'une période visée à l'article 84, § 1er n'est pas suivie sans interruption d'une période visée à l'article 85, § 1er ou vice versa, la prise en considération de la période venant en second lieu est subordonnée à la condition qu'il ne se soit pas écoulé entre le début de cette dernière période et la fin de la période précédente un délai supérieur à celui qui est prévu aux (articles 8, 9, § 2 ou 10, § 3), suivant le cas. <AR 2006-12-21/46, art. 11, 036; En vigueur : 01-01-2007>
§ 2. Lorsqu'une personne réunit à la fois les conditions visées à l'article 84 et celles qui sont exigées par l'article 85, il lui est fait la situation la plus favorable.
§ 3. Dans les cas visés aux articles 84 et 85, la décision au sujet de l'état d'incapacité de travail est prise conformément à l'article 62 ou à l'article 59 suivant que la période d'incapacité de travail en vertu de l'article 84 ou 85 atteint ou non un an au moins au 30 juin 1971.
§ 4. En vue de l'application des articles 84 à 86 et sans préjudice de l'article 26, les périodes qui se situent dans l'année au cours de laquelle le titulaire atteint l'âge de 65 ans ou de 60 ans, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme, sont prises en considération à condition qu'elles eussent ouvert le droit à la pension de retraite en qualité de travailleur indépendant si elles s'étaient situées avant l'année susvisée.
Art. 87. § 1. De personen die de bepalingen van de artikelen 84, 85 en 86 niet kunnen inroepen en wier arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 19 aanving vóór 1 juli 1971 kunnen deze staat van arbeidsongeschiktheid doen erkennen binnen het raam van dit besluit.
Deze erkenning is ondergeschikt aan de voorwaarde dat het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen vaststelt dat het tijdvak dat een aanvang heeft genomen op 1 januari 1971 en afloopt op het einde van het kwartaal tijdens hetwelk de aanvraag tot vaststelling van de staat van arbeidsongeschiktheid werd ingediend, recht kan geven op een rustpensioen in het pensioenstelsel van de zelfstandigen.
Anderzijds moet het behoud van de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 19, met ingang van 1 juli 1971, behoorlijk vastgesteld worden.
§ 2. Voor de toepassing van dit besluit op de personen beoogd bij onderhavig artikel, neemt het tijdvak van niet-vergoedbare primaire ongeschiktheid een aanvang de 60e dag die deze voorafgaat in de loop waarvan de aanvraag tot vaststelling van de staat van arbeidsongeschiktheid werd ingediend en ten vroegste op 1 juli 1971.
Dit tijdvak mag anderzijds ingaan op 1 juli 1971 wanneer de in het vorig lid bedoelde aanvraag uiterlijk op 31 oktober 1971 werd ingediend.
§ 3. De aanvraag tot vaststelling van de staat van arbeidsongeschiktheid uitgaande van de in dit artikel bedoelde personen wordt ingediend in de vormen bepaald door artikel 53.
Deze erkenning is ondergeschikt aan de voorwaarde dat het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen vaststelt dat het tijdvak dat een aanvang heeft genomen op 1 januari 1971 en afloopt op het einde van het kwartaal tijdens hetwelk de aanvraag tot vaststelling van de staat van arbeidsongeschiktheid werd ingediend, recht kan geven op een rustpensioen in het pensioenstelsel van de zelfstandigen.
Anderzijds moet het behoud van de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 19, met ingang van 1 juli 1971, behoorlijk vastgesteld worden.
§ 2. Voor de toepassing van dit besluit op de personen beoogd bij onderhavig artikel, neemt het tijdvak van niet-vergoedbare primaire ongeschiktheid een aanvang de 60e dag die deze voorafgaat in de loop waarvan de aanvraag tot vaststelling van de staat van arbeidsongeschiktheid werd ingediend en ten vroegste op 1 juli 1971.
Dit tijdvak mag anderzijds ingaan op 1 juli 1971 wanneer de in het vorig lid bedoelde aanvraag uiterlijk op 31 oktober 1971 werd ingediend.
§ 3. De aanvraag tot vaststelling van de staat van arbeidsongeschiktheid uitgaande van de in dit artikel bedoelde personen wordt ingediend in de vormen bepaald door artikel 53.
Art.87. § 1er. Les personnes qui ne peuvent prétendre au bénéfice des dispositions des articles 84, 85 et 86 et dont l'incapacité de travail au sens de l'article 19 a pris cours avant le 1er juillet 1971 peuvent se voir reconnaître cet état d'incapacité de travail dans le cadre du présent arrêté.
Cette reconnaissance est subordonnée à la condition que l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants constate que la période qui a pris cours le 1er janvier 1971 et qui se termine à la fin du trimestre au cours duquel la demande de constatation de l'état d'incapacité de travail a été introduite est susceptible d'ouvrir le droit à la pension de retraite dans le cadre du régime de pension des travailleurs independants.
Par ailleurs, le maintien de l'état d'incapacité de travail au sens de l'article 19, à partir du 1er juillet 1971, doit être dûment constaté.
§ 2. Pour l'application du présent arrêté aux personnes visées par le présent article, la période d'incapacité primaire non-indemnisable prend cours le 60e jour qui précède celui au cours duquel la demande de constatation de l'état d'incapacité de travail a été introduite et au plus tôt le 1er juillet 1971.
Par ailleurs, cette période peut débuter au 1er juillet 1971 si la demande visée à l'alinéa précédent est introduite au plus tard le 31 octobre 1971.
§ 3. La demande de constatation de l'état d'incapacité de travail émanant des personnes visées par le présent article est introduite dans les formes visées à l'article 53.
Cette reconnaissance est subordonnée à la condition que l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants constate que la période qui a pris cours le 1er janvier 1971 et qui se termine à la fin du trimestre au cours duquel la demande de constatation de l'état d'incapacité de travail a été introduite est susceptible d'ouvrir le droit à la pension de retraite dans le cadre du régime de pension des travailleurs independants.
Par ailleurs, le maintien de l'état d'incapacité de travail au sens de l'article 19, à partir du 1er juillet 1971, doit être dûment constaté.
§ 2. Pour l'application du présent arrêté aux personnes visées par le présent article, la période d'incapacité primaire non-indemnisable prend cours le 60e jour qui précède celui au cours duquel la demande de constatation de l'état d'incapacité de travail a été introduite et au plus tôt le 1er juillet 1971.
Par ailleurs, cette période peut débuter au 1er juillet 1971 si la demande visée à l'alinéa précédent est introduite au plus tard le 31 octobre 1971.
§ 3. La demande de constatation de l'état d'incapacité de travail émanant des personnes visées par le présent article est introduite dans les formes visées à l'article 53.
Art.89. De Koning kan, na advies van het in artikel 39 bedoeld beheerscomité, de toepassingsmodaliteiten van dit besluit bepalen op de zelfstandigen die, vóór een datum welke Hij vaststelt, een vervroegd rustpensioen als zelfstandige of als werknemer hebben bekomen of aangevraagd.
Art.88. L'article 58, alinéa 2, n'est pas applicable lorsque les formalités visées aux articles 53 et 55 sont accomplies au plus tard le 31 octobre 1971 par des personnes signalant une incapacité de travail survenue après le 30 juin 1971.
Art.90. Tijdens het tweede semester 1971 worden de uitkeringen, verschuldigd krachtens dit besluit, verminderd met de bedragen van de vergoedingen, die voor dezelfde dagen worden toegekend door de invaliditeitskas van een verbond of een ziekenfonds die rijkstoelagen ontvangen bij toepassing van de wet van 5 mei 1912 tot verlening van premiën aan de onderlinge invaliditeitskassen.
Art.89. Le Roi peut, après avis du Comité de gestion visé à l'article 39, fixer les modalités d'application du présent arrêté aux travailleurs indépendants qui ont obtenu ou demandé, avant une date qu'Il détermine, une pension de retraite anticipée en qualité de travailleur indépendant ou de travailleur salarié.
Art. 90. Tijdens het tweede semester 1971 worden de uitkeringen, verschuldigd krachtens dit besluit, verminderd met de bedragen van de vergoedingen, die voor dezelfde dagen worden toegekend door de invaliditeitskas van een verbond of een ziekenfonds die rijkstoelagen ontvangen bij toepassing van de wet van 5 mei 1912 tot verlening van premiën aan de onderlinge invaliditeitskassen.
Art.90. Au cours du second semestre 1971, les prestations dues en vertu du présent arrêté, sont diminuées des montants des indemnités accordés pour les mêmes jours par la caisse d'invalidité d'une fédération ou d'une mutualité, bénéficiant de subsides de l'Etat en application de la loi du 5 mai 1912 accordant des primes aux caisses mutualistes d'invalidité.
Titel II. - Moederschapsverzekering.
Titre II. - De l'assurance maternité.
Art.91. De moederschapsverzekering wordt geleid en beheerd door de instellingen en organen die bevoegd zijn inzake de uitkeringsverzekering.
CHAPITRE I. - Des institutions.
Art. 91. <KB 2003-01-13/40, art. 13, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2003>De moederschapsverzekering wordt geleid en beheerd door de instellingen en organen die bevoegd zijn inzake de uitkeringsverzekering.
In zoverre hiervan niet wordt afgeweken door de bepalingen van deze titel, hebben die instellingen en organen ten aanzien van de moederschapsverzekering dezelfde bevoegdheden als ten aanzien van de uitkeringsverzekering.
In zoverre hiervan niet wordt afgeweken door de bepalingen van deze titel, hebben die instellingen en organen ten aanzien van de moederschapsverzekering dezelfde bevoegdheden als ten aanzien van de uitkeringsverzekering.
Art.91. <AR 2003-01-13/40, art. 13, 033; En vigueur : 01-01-2003> L'assurance maternité est administrée et gerée par les institutions et organismes compétents en matière d'assurance indemnités.
Dans la mesure où il n'y est pas dérogé par les dispositions du présent titre, ces institutions et organismes ont, à l'égard de l'assurance maternité, les mêmes attributions qu'a l'égard de l'assurance indemnités.
Dans la mesure où il n'y est pas dérogé par les dispositions du présent titre, ces institutions et organismes ont, à l'égard de l'assurance maternité, les mêmes attributions qu'a l'égard de l'assurance indemnités.
Art.92. Zijn gerechtigd op de moederschapsuitkering, zoals deze is bepaald in deze titel en onder de hierin gestelde voorwaarden, de vrouwelijke gerechtigden bedoeld in artikel 3.
CHAPITRE II. - Du champ d'application.
Art. 92. <KB 2003-01-13/40, art. 13, 033; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Zijn gerechtigd op de moederschapsuitkering, zoals deze is bepaald in deze titel en onder de hierin gestelde voorwaarden, de vrouwelijke gerechtigden bedoeld in artikel 3.
Art.92. Sont bénéficiaires du droit à l'allocation de maternité telle qu'elle est définie dans ce titre et dans les conditions prévues par celui-ci, les titulaires visées à l'article 3.
Art.93. § 1. Het tijdvak van moederschapsrust is een rustperiode [2 van twaalf of dertien weken]2 wanneer de geboorte van een meerling wordt voorzien, tijdens dewelke de gerechtigde noch haar normale beroepsactiviteit noch enige andere beroepsactiviteit mag uitoefenen.
CHAPITRE III. - Des périodes de repos de maternité.
Art. 93. <KB 2008-12-23/44, art. 1, 041; Inwerkingtreding : 01-01-2009> § 1. Het tijdvak van moederschapsrust is een rustperiode [2 van twaalf of dertien weken]2 wanneer de geboorte van een meerling wordt voorzien, tijdens dewelke de gerechtigde noch haar normale beroepsactiviteit noch enige andere beroepsactiviteit mag uitoefenen.
§ 2. Het tijdvak van moederschapsrust bestaat uit een verplichte en een facultatieve periode.
a) De verplichte periode omvat in het totaal drie weken : één week verplichte voorbevallingsrust en twee weken verplichte nabevallingsrust.
De verplichte week voorbevallingsrust neemt een aanvang de zevende dag vóór de vermoedelijke bevallingsdatum.
De verplichte weken nabevallingsrust nemen een aanvang vanaf de dag van de bevalling en strekken zich uit over een tijdvak dat overeenstemt met twee weken.
b) De facultatieve periode bestaat uit de facultatieve voorbevallingsrust en de facultatieve nabevallingsrust.
De facultatieve voorbevallingsrust strekt zich uit ten vroegste vanaf de derde week vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, tot de zevende dag vóór de vermoedelijke bevallingsdatum.
De facultatieve nabevallingsrust strekt zich uit over een periode die overeenstemt [2 met de twaalf weken of dertien weken]2 in geval van geboorte van een meerling, waarvan de eventuele periode van facultatieve voorbevallingsrust en de verplichte periode worden afgetrokken.
De facultatieve nabevallingsrust vangt ten vroegste aan de eerste dag volgend op de twee weken verplichte nabevallingsrust.
[2 In afwijking van § 1, kan de gerechtigde tijdens de facultatieve periode haar normale beroepsactiviteit per periode van zeven kalenderdagen halftijds uitoefenen. In dat geval omvat de facultatieve periode maximaal achttien weken van halftijdse moederschapsrust of twintig weken van halftijdse moederschapsrust wanneer de geboorte van een meerling wordt voorzien.]2
[2 De periode van facultatieve nabevallingsrust, ongeacht het volledige dan wel halftijdse rust betreft, moet per periode van zeven kalenderdagen en voor het einde van een tijdvak van maximum zesendertig weken worden opgenomen. Dit tijdvak van zesendertig weken neemt een aanvang de eerste dag volgend op de twee weken verplichte nabevallingsrust.]2
[1 § 3. Op verzoek van de gerechtigde kan het tijdvak van moederschapsrust, bedoeld in § 2, verlengd worden wanneer het pasgeboren kind meer dan zeven dagen te rekenen vanaf de geboorte opgenomen moet blijven in het ziekenhuis.
In het geval bedoeld in het vorige lid, wordt het tijdvak van moederschapsrust verlengd met een duur gelijk aan het aantal volledige weken hospitalisatie van het kind die deze eerste zeven dagen overschrijdt. De duur van deze verlenging mag echter vierentwintig weken niet overschrijden.
[2 Het maximale tijdvak van facultatieve moederschapsrust van vierentwintig weken dat voortvloeit uit de verlenging wegens de hospitalisatie van het kind zoals bedoeld in het voorgaande lid, kan per periode van zeven kalenderdagen halftijds worden opgenomen waarin de gerechtigde haar normale beroepsactiviteit hervat. In dat geval omvat de duur van de verlenging maximaal achtenveertig weken van halftijdse moederschapsrust.]2
De verlenging van het tijdvak van moederschapsrust van een periode van vierentwintig weken [2 , of achtenveertig weken in geval van halftijdse moederschapsrust,]2 maximum vangt aan op de eerste dag die volgt op de twee weken verplichte nabevallingsrust bedoeld in § 2, a) van dit artikel.
In afwijking van § 2, b) van dit artikel, vangt de periode van facultatieve nabevallingsrust, in geval van verlenging wegens hospitalisatie van de pasgeborene, aan op de eerste dag die volgt op het einde van de periode van verlenging.]1
§ 2. Het tijdvak van moederschapsrust bestaat uit een verplichte en een facultatieve periode.
a) De verplichte periode omvat in het totaal drie weken : één week verplichte voorbevallingsrust en twee weken verplichte nabevallingsrust.
De verplichte week voorbevallingsrust neemt een aanvang de zevende dag vóór de vermoedelijke bevallingsdatum.
De verplichte weken nabevallingsrust nemen een aanvang vanaf de dag van de bevalling en strekken zich uit over een tijdvak dat overeenstemt met twee weken.
b) De facultatieve periode bestaat uit de facultatieve voorbevallingsrust en de facultatieve nabevallingsrust.
De facultatieve voorbevallingsrust strekt zich uit ten vroegste vanaf de derde week vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, tot de zevende dag vóór de vermoedelijke bevallingsdatum.
De facultatieve nabevallingsrust strekt zich uit over een periode die overeenstemt [2 met de twaalf weken of dertien weken]2 in geval van geboorte van een meerling, waarvan de eventuele periode van facultatieve voorbevallingsrust en de verplichte periode worden afgetrokken.
De facultatieve nabevallingsrust vangt ten vroegste aan de eerste dag volgend op de twee weken verplichte nabevallingsrust.
[2 In afwijking van § 1, kan de gerechtigde tijdens de facultatieve periode haar normale beroepsactiviteit per periode van zeven kalenderdagen halftijds uitoefenen. In dat geval omvat de facultatieve periode maximaal achttien weken van halftijdse moederschapsrust of twintig weken van halftijdse moederschapsrust wanneer de geboorte van een meerling wordt voorzien.]2
[2 De periode van facultatieve nabevallingsrust, ongeacht het volledige dan wel halftijdse rust betreft, moet per periode van zeven kalenderdagen en voor het einde van een tijdvak van maximum zesendertig weken worden opgenomen. Dit tijdvak van zesendertig weken neemt een aanvang de eerste dag volgend op de twee weken verplichte nabevallingsrust.]2
[1 § 3. Op verzoek van de gerechtigde kan het tijdvak van moederschapsrust, bedoeld in § 2, verlengd worden wanneer het pasgeboren kind meer dan zeven dagen te rekenen vanaf de geboorte opgenomen moet blijven in het ziekenhuis.
In het geval bedoeld in het vorige lid, wordt het tijdvak van moederschapsrust verlengd met een duur gelijk aan het aantal volledige weken hospitalisatie van het kind die deze eerste zeven dagen overschrijdt. De duur van deze verlenging mag echter vierentwintig weken niet overschrijden.
[2 Het maximale tijdvak van facultatieve moederschapsrust van vierentwintig weken dat voortvloeit uit de verlenging wegens de hospitalisatie van het kind zoals bedoeld in het voorgaande lid, kan per periode van zeven kalenderdagen halftijds worden opgenomen waarin de gerechtigde haar normale beroepsactiviteit hervat. In dat geval omvat de duur van de verlenging maximaal achtenveertig weken van halftijdse moederschapsrust.]2
De verlenging van het tijdvak van moederschapsrust van een periode van vierentwintig weken [2 , of achtenveertig weken in geval van halftijdse moederschapsrust,]2 maximum vangt aan op de eerste dag die volgt op de twee weken verplichte nabevallingsrust bedoeld in § 2, a) van dit artikel.
In afwijking van § 2, b) van dit artikel, vangt de periode van facultatieve nabevallingsrust, in geval van verlenging wegens hospitalisatie van de pasgeborene, aan op de eerste dag die volgt op het einde van de periode van verlenging.]1
Art.93. <AR 2008-12-23/44, art. 1, 041; En vigueur : 01-01-2009> § 1er. La periode de maternité constitue une période de repos de [2 douze semaines, ou de treize semaines]2 en cas de naissance multiple, au cours de laquelle la titulaire ne peut exercer son activité professionnelle habituelle ni aucune autre activité professionnelle.
§ 2. La période de repos de maternité comprend une période obligatoire et une période facultative.
a) La période obligatoire se compose d'un total de trois semaines : une semaine de repos prénatal obligatoire et deux semaines de repos postnatal obligatoire.
La semaine obligatoire de repos prénatal débute à partir du septième jour qui précede la date présumée de l'accouchement.
Les semaines obligatoires de repos postnatal prennent cours le jour de l'accouchement et s'étendent à une période egale à deux semaines.
b) La période facultative comprend le repos prénatal facultatif et le repos postnatal facultatif.
Le repos prénatal facultatif s'étend au plus tôt à partir de la troisième semaine qui précède la date présumée de l'accouchement, jusqu'au septième jour qui précède la date présumée de l'accouchement.
Le repos postnatal facultatif s'étend à une période qui correspond [2 aux douze ou treize semaines]2 en cas de naissance multiple, dont sont déduites l'éventuelle période de repos prénatal facultatif et la période obligatoire.
Le repos postnatal facultatif prend cours au plus tôt à partir du premier jour qui suit les deux semaines de repos postnatal obligatoire.
[2 Par dérogation au § 1er, la titulaire peut, durant la période facultative, exercer son activité professionnelle habituelle à mi-temps, par période de sept jours calendrier. Dans ce cas, la période facultative comprend au maximum dix-huit semaines de repos de maternité à mi-temps ou vingt semaines de repos de maternité à mi-temps quand une naissance multiple est prévue.]2
[2 La période de repos postnatal facultatif, qu'il s'agisse d'un repos complet ou à mi-temps, doit être prise par période de sept jours calendrier et avant la fin d'une période maximum de trente-six semaines. Cette période de trente-six semaines prend cours le premier jour suivant les deux semaines de repos postnatal obligatoire.]2
[1 § 3. A la demande de la titulaire, la période de repos de maternité visée au § 2 peut être prolongée lorsque l'enfant nouveau-né doit rester hospitalisé plus de sept jours à compter de sa naissance.
Dans le cas visé à l'alinéa précédent, la période de repos de maternité est prolongée d'une durée égale au nombre de semaines complètes d'hospitalisation de l'enfant qui excède ces sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut toutefois dépasser vingt-quatre semaines.
[2 La période maximale de repos de maternité facultatif de vingt-quatre semaines qui découle de la prolongation en cas d'hospitalisation de l'enfant, visée dans l'alinéa précédent, peut être prise à mi-temps, par période de sept jours calendrier, durant laquelle la titulaire reprend son activité professionnelle habituelle. Dans ce cas, la durée de la prolongation comprend au maximum quarante-huit semaines de repos de maternité mi-temps.]2
La prolongation de la période de repos de maternité d'une durée de vingt-quatre semaines [2 ou quarante-huit semaines en cas de repos de maternité à mi-temps,]2 au maximum prend cours à partir du premier jour qui suit les deux semaines de repos postnatal obligatoire visées au § 2, a), du présent article.
Par dérogation au § 2, b), du présent article, la période de repos postnatal facultatif prend cours, en cas de prolongation pour hospitalisation du nouveau-né, le premier jour qui suit la fin de la période de prolongation.]1
§ 2. La période de repos de maternité comprend une période obligatoire et une période facultative.
a) La période obligatoire se compose d'un total de trois semaines : une semaine de repos prénatal obligatoire et deux semaines de repos postnatal obligatoire.
La semaine obligatoire de repos prénatal débute à partir du septième jour qui précede la date présumée de l'accouchement.
Les semaines obligatoires de repos postnatal prennent cours le jour de l'accouchement et s'étendent à une période egale à deux semaines.
b) La période facultative comprend le repos prénatal facultatif et le repos postnatal facultatif.
Le repos prénatal facultatif s'étend au plus tôt à partir de la troisième semaine qui précède la date présumée de l'accouchement, jusqu'au septième jour qui précède la date présumée de l'accouchement.
Le repos postnatal facultatif s'étend à une période qui correspond [2 aux douze ou treize semaines]2 en cas de naissance multiple, dont sont déduites l'éventuelle période de repos prénatal facultatif et la période obligatoire.
Le repos postnatal facultatif prend cours au plus tôt à partir du premier jour qui suit les deux semaines de repos postnatal obligatoire.
[2 Par dérogation au § 1er, la titulaire peut, durant la période facultative, exercer son activité professionnelle habituelle à mi-temps, par période de sept jours calendrier. Dans ce cas, la période facultative comprend au maximum dix-huit semaines de repos de maternité à mi-temps ou vingt semaines de repos de maternité à mi-temps quand une naissance multiple est prévue.]2
[2 La période de repos postnatal facultatif, qu'il s'agisse d'un repos complet ou à mi-temps, doit être prise par période de sept jours calendrier et avant la fin d'une période maximum de trente-six semaines. Cette période de trente-six semaines prend cours le premier jour suivant les deux semaines de repos postnatal obligatoire.]2
[1 § 3. A la demande de la titulaire, la période de repos de maternité visée au § 2 peut être prolongée lorsque l'enfant nouveau-né doit rester hospitalisé plus de sept jours à compter de sa naissance.
Dans le cas visé à l'alinéa précédent, la période de repos de maternité est prolongée d'une durée égale au nombre de semaines complètes d'hospitalisation de l'enfant qui excède ces sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut toutefois dépasser vingt-quatre semaines.
[2 La période maximale de repos de maternité facultatif de vingt-quatre semaines qui découle de la prolongation en cas d'hospitalisation de l'enfant, visée dans l'alinéa précédent, peut être prise à mi-temps, par période de sept jours calendrier, durant laquelle la titulaire reprend son activité professionnelle habituelle. Dans ce cas, la durée de la prolongation comprend au maximum quarante-huit semaines de repos de maternité mi-temps.]2
La prolongation de la période de repos de maternité d'une durée de vingt-quatre semaines [2 ou quarante-huit semaines en cas de repos de maternité à mi-temps,]2 au maximum prend cours à partir du premier jour qui suit les deux semaines de repos postnatal obligatoire visées au § 2, a), du présent article.
Par dérogation au § 2, b), du présent article, la période de repos postnatal facultatif prend cours, en cas de prolongation pour hospitalisation du nouveau-né, le premier jour qui suit la fin de la période de prolongation.]1
Afdeling I. - Bedrag van de moederschapsuitkering.
CHAPITRE IV. - De l'allocation de maternité.
Art.94.[1 Het bedrag van de moederschapsuitkering toegekend voor de door de gerechtigde opgenomen weken van moederschapsrust bedoeld in artikel 93 is gelijk aan:
Section I. - Du montant de l'allocation de maternité.
Art. 94. [1 Het bedrag van de moederschapsuitkering toegekend voor de door de gerechtigde opgenomen weken van moederschapsrust bedoeld in artikel 93 is gelijk aan:
1° [2 511,38]2 euro per week tijdens de eerste vier weken van de moederschapsrust;
2° [2 467,73]2 euro per week vanaf de vijfde week van de moederschapsrust.
In geval van halftijdse moederschapsrust wordt het bedrag van de moederschapsuitkering vastgesteld in het vorige lid met de helft verminderd.
De bedragen bedoeld in het eerste lid zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100). Het bedrag van de moederschapsuitkering toegekend aan de gerechtigde is het bedrag zoals het is aangepast op de eerste dag van elke week van moederschapsrust.]1
1° [2 511,38]2 euro per week tijdens de eerste vier weken van de moederschapsrust;
2° [2 467,73]2 euro per week vanaf de vijfde week van de moederschapsrust.
In geval van halftijdse moederschapsrust wordt het bedrag van de moederschapsuitkering vastgesteld in het vorige lid met de helft verminderd.
De bedragen bedoeld in het eerste lid zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100). Het bedrag van de moederschapsuitkering toegekend aan de gerechtigde is het bedrag zoals het is aangepast op de eerste dag van elke week van moederschapsrust.]1
Art.94. [1 Le montant de l'indemnité de maternité octroyé pour les semaines de repos de maternité visées à l'article 93 prises par la titulaire s'élève à :
1° [2 511,38]2 euros par semaine durant les quatre premières semaines du repos de maternité;
2° [2 467,73]2 euros par semaine à partir de la cinquième semaine du repos de maternité.
En cas de repos de maternité à mi-temps, le montant de l'indemnité de maternité tel que fixé à l'alinéa précédent est réduit de moitié.
Les montants visés à l'alinéa 1er sont liés à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Le montant de l'indemnité de maternité accordé à la titulaire est le montant tel qu'il est adapté au premier jour de chaque semaine de repos de maternité.]1
1° [2 511,38]2 euros par semaine durant les quatre premières semaines du repos de maternité;
2° [2 467,73]2 euros par semaine à partir de la cinquième semaine du repos de maternité.
En cas de repos de maternité à mi-temps, le montant de l'indemnité de maternité tel que fixé à l'alinéa précédent est réduit de moitié.
Les montants visés à l'alinéa 1er sont liés à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Le montant de l'indemnité de maternité accordé à la titulaire est le montant tel qu'il est adapté au premier jour de chaque semaine de repos de maternité.]1
Art.95. § 1. De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op de moederschapsuitkering bedoeld in artikel 94, moet een aanvraag hiertoe indienen, en verzenden per post aan haar verzekeringsinstelling, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of haar deze aanvraag tegen ontvangstbewijs afgeven.
Section II. - Des formalités à accomplir en vue de l'octroi de l'allocation de maternité.
Art. 95. <KB 2008-12-23/44, art. 2, 041; Inwerkingtreding : 01-01-2009> § 1. De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op de moederschapsuitkering bedoeld in artikel 94, moet een aanvraag hiertoe indienen, en verzenden per post aan haar verzekeringsinstelling, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of haar deze aanvraag tegen ontvangstbewijs afgeven.
§ 2. De aanvraag dient de volgende gegevens cumulatief te vermelden :
1° de vermoedelijke bevallingsdatum;
2° of het de geboorte van een meerling betreft;
3° [2 het aantal weken gedurende dewelke de gerechtigde haar facultatieve volledige en/of halftijdse voorbevallingsrust wenst op te nemen, evenals de precieze periode(s) van deze rust. Deze facultatieve volledige en/of halftijdse voorbevallingsrust kan ten vroegste vanaf de derde week vóór de vermoedelijke bevallingsdatum aanvatten. De facultatieve volledige en/of halftijdse voorbevallingsrust kan alleen per periode van zeven kalenderdagen opgenomen worden. Indien de gerechtigde na het indienen van deze aanvraag een wijziging wenst van het aantal weken facultatieve volledige en/of halftijdse voorbevallingsrust, dient zij dit voorafgaandelijk aan haar verzekeringsinstelling te melden;]2
4° [2 het aantal weken gedurende dewelke de gerechtigde haar facultatieve volledige en/of halftijdse nabevallingsrust wenst op te nemen tijdens het tijdvak van zesendertig weken bepaald in artikel 93, § 2, b), laatste lid, evenals de precieze periode(s) van deze rust. Deze facultatieve volledige en/of halftijdse nabevallingsrust kan ten vroegste vanaf de eerste dag volgend op de twee weken verplichte nabevallingsrust aanvatten. Voor de facultatieve volledige en/of halftijdse nabevallingsrust dient de gerechtigde duidelijk te specificeren wanneer zij deze weken binnen de voorziene zesendertig weken wenst op te nemen. De facultatieve volledige en/of halftijdse nabevallingsrust kan alleen per periode van zeven kalenderdagen opgenomen worden. Indien de gerechtigde na het indienen van deze aanvraag een wijziging wenst van het aantal weken facultatieve volledige en/of halftijdse nabevallingsrust, en/of van het tijdstip waarop zij deze weken wenst op te nemen, dient zij dit voorafgaandelijk aan haar verzekeringsinstelling te melden.]2
§ 3. De aanvraag bedoeld in § 2 moet vergezeld zijn van een medisch getuigschrift dat de vermoedelijke bevallingsdatum vermeldt alsook of het de geboorte van een meerling betreft. De gerechtigde moet nadien een uittreksel uit de geboorteakte bezorgen of een medisch getuigschrift dat de bevalling bevestigt.
§ 4. [2 De gerechtigde brengt haar verzekeringsinstelling, binnen twee weken die volgen op de geboorte van het kind, op de hoogte van het feit dat zij wenst aanspraak te maken op de verlenging bedoeld in artikel 93, § 3 en deelt haar het aantal weken van verlenging mee. Zij bezorgt haar daartoe een getuigschrift van de verplegingsinrichting die bevestigt dat de voorwaarden voorzien in artikel 93, § 3 zijn vervuld en die de duur van de hospitalisatie van de pasgeborene vermeldt.
Wanneer de werkelijke hospitalisatieperiode niet overeenstemt met de duur vermeld in bovenvermeld getuigschrift, bezorgt de gerechtigde bij het einde van de voormelde verlenging een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting die bevestigt dat de pasgeborene gehospitaliseerd is gebleven gedurende deze verlenging en die de duur van de hospitalisatie vermeldt.
De gerechtigde brengt haar verzekeringsinstelling ook op de hoogte van het feit dat zij haar normale beroepsactiviteit halftijds wenst te hervatten gedurende de volledige verlenging of een gedeelte van deze verlenging. De gerechtigde deelt de precieze periode(s) van deze verlenging mee die zij halftijds opneemt. Indien de gerechtigde na het indienen van deze aanvraag een wijziging wenst van het aantal opgenomen halftijdse weken en/of het tijdstip waarop zij deze weken wenst op te nemen, dient zij dit voorafgaandelijk aan haar verzekeringsinstelling te melden.]2
§ 2. De aanvraag dient de volgende gegevens cumulatief te vermelden :
1° de vermoedelijke bevallingsdatum;
2° of het de geboorte van een meerling betreft;
3° [2 het aantal weken gedurende dewelke de gerechtigde haar facultatieve volledige en/of halftijdse voorbevallingsrust wenst op te nemen, evenals de precieze periode(s) van deze rust. Deze facultatieve volledige en/of halftijdse voorbevallingsrust kan ten vroegste vanaf de derde week vóór de vermoedelijke bevallingsdatum aanvatten. De facultatieve volledige en/of halftijdse voorbevallingsrust kan alleen per periode van zeven kalenderdagen opgenomen worden. Indien de gerechtigde na het indienen van deze aanvraag een wijziging wenst van het aantal weken facultatieve volledige en/of halftijdse voorbevallingsrust, dient zij dit voorafgaandelijk aan haar verzekeringsinstelling te melden;]2
4° [2 het aantal weken gedurende dewelke de gerechtigde haar facultatieve volledige en/of halftijdse nabevallingsrust wenst op te nemen tijdens het tijdvak van zesendertig weken bepaald in artikel 93, § 2, b), laatste lid, evenals de precieze periode(s) van deze rust. Deze facultatieve volledige en/of halftijdse nabevallingsrust kan ten vroegste vanaf de eerste dag volgend op de twee weken verplichte nabevallingsrust aanvatten. Voor de facultatieve volledige en/of halftijdse nabevallingsrust dient de gerechtigde duidelijk te specificeren wanneer zij deze weken binnen de voorziene zesendertig weken wenst op te nemen. De facultatieve volledige en/of halftijdse nabevallingsrust kan alleen per periode van zeven kalenderdagen opgenomen worden. Indien de gerechtigde na het indienen van deze aanvraag een wijziging wenst van het aantal weken facultatieve volledige en/of halftijdse nabevallingsrust, en/of van het tijdstip waarop zij deze weken wenst op te nemen, dient zij dit voorafgaandelijk aan haar verzekeringsinstelling te melden.]2
§ 3. De aanvraag bedoeld in § 2 moet vergezeld zijn van een medisch getuigschrift dat de vermoedelijke bevallingsdatum vermeldt alsook of het de geboorte van een meerling betreft. De gerechtigde moet nadien een uittreksel uit de geboorteakte bezorgen of een medisch getuigschrift dat de bevalling bevestigt.
§ 4. [2 De gerechtigde brengt haar verzekeringsinstelling, binnen twee weken die volgen op de geboorte van het kind, op de hoogte van het feit dat zij wenst aanspraak te maken op de verlenging bedoeld in artikel 93, § 3 en deelt haar het aantal weken van verlenging mee. Zij bezorgt haar daartoe een getuigschrift van de verplegingsinrichting die bevestigt dat de voorwaarden voorzien in artikel 93, § 3 zijn vervuld en die de duur van de hospitalisatie van de pasgeborene vermeldt.
Wanneer de werkelijke hospitalisatieperiode niet overeenstemt met de duur vermeld in bovenvermeld getuigschrift, bezorgt de gerechtigde bij het einde van de voormelde verlenging een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting die bevestigt dat de pasgeborene gehospitaliseerd is gebleven gedurende deze verlenging en die de duur van de hospitalisatie vermeldt.
De gerechtigde brengt haar verzekeringsinstelling ook op de hoogte van het feit dat zij haar normale beroepsactiviteit halftijds wenst te hervatten gedurende de volledige verlenging of een gedeelte van deze verlenging. De gerechtigde deelt de precieze periode(s) van deze verlenging mee die zij halftijds opneemt. Indien de gerechtigde na het indienen van deze aanvraag een wijziging wenst van het aantal opgenomen halftijdse weken en/of het tijdstip waarop zij deze weken wenst op te nemen, dient zij dit voorafgaandelijk aan haar verzekeringsinstelling te melden.]2
Änderungen
----------
Art.95. <AR 2008-12-23/44, art. 2, 041; En vigueur : 01-01-2009> § 1er. La titulaire qui souhaite prétendre à l'allocation de maternité visée à l'article 94 doit introduire à cet effet, une demande à envoyer par la poste à son organisme assureur, le cachet postal faisant foi, ou lui remettre cette demande contre accusé de réception.
§ 2. La demande doit mentionner cumulativement les données suivantes :
1° la date présumee de l'accouchement;
2° s'il s'agit ou non d'une naissance multiple;
3° [2 le nombre de semaines durant lesquelles la titulaire souhaite prendre son repos prénatal facultatif complet et/ou à mi-temps ainsi que la ou les période(s) précise(s) de ce repos. Ce repos prénatal facultatif complet et/ou à mi-temps peut débuter au plus tôt à partir de la troisième semaine qui précède la date présumée de l'accouchement. Le repos prénatal facultatif complet et/ou à mi-temps peut être pris seulement par période de sept jours calendrier. Si la titulaire souhaite modifier le nombre de semaines de repos prénatal facultatif complet et/ou à mi-temps après avoir introduit cette demande, elle doit le signaler préalablement à son organisme assureur;]2
4° [2 le nombre de semaines pendant lesquelles la titulaire souhaite prendre son repos postnatal facultatif complet et/ou à mi-temps, endéans la période de trente-six semaines fixée à l'article 93, § 2, b), dernier alinéa, ainsi que la ou les période(s) précise(s) de ce repos. Ce repos postnatal facultatif complet et/ou à mi-temps peut débuter au plus tôt le premier jour qui suit les deux semaines de repos postnatal obligatoire. Pour le congé postnatal facultatif complet et/ou à mi-temps, la titulaire doit spécifier clairement quand, endéans les trente-six semaines prévues, elle souhaite prendre ces semaines. Le repos postnatal facultatif complet et/ou à mi-temps peut uniquement être pris par période de sept jours calendrier. Si la titulaire souhaite modifier le nombre de semaines de repos postnatal facultatif complet et/ou à mi-temps, et/ou le moment auquel elle souhaite prendre ces semaines, après avoir introduit cette demande, elle doit le signaler préalablement à son organisme assureur.]2
§ 3. La demande visée au § 2 doit être accompagnée d'un certificat médical attestant la date présumée de l'accouchement et s'il s'agit ou non d'une naissance multiple. La titulaire doit produire par la suite, un extrait de l'acte de naissance ou un certificat médical confirmant l'accouchement.
§ 4. [2 La titulaire informe son organisme assureur, dans les deux semaines qui suivent la naissance de l'enfant, du fait qu'elle souhaite bénéficier de la prolongation visée à l'article 93, § 3 et lui communique le nombre de semaines de prolongation. Elle lui remet à cet effet, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que les conditions prévues par l'article 93, § 3 sont remplies et mentionnant la durée de l'hospitalisation du nouveau-né.
Si la période réelle d'hospitalisation ne correspond pas à la durée mentionnée dans l'attestation susmentionnée, la titulaire remet à la fin de la prolongation susvisée, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé pendant cette prolongation et mentionnant la durée de l'hospitalisation.
La titulaire informe également son organisme assureur du fait qu'elle souhaite reprendre son activité professionnelle habituelle à mi-temps au cours de tout ou partie de cette prolongation. La titulaire communique la ou les périodes précises de cette prolongation prise à mi-temps. Si la titulaire souhaite modifier le nombre de semaines prises à mi-temps et/ou le moment auquel elle souhaite les prendre après avoir introduit cette demande, elle doit le signaler préalablement à son organisme assureur.]2
§ 2. La demande doit mentionner cumulativement les données suivantes :
1° la date présumee de l'accouchement;
2° s'il s'agit ou non d'une naissance multiple;
3° [2 le nombre de semaines durant lesquelles la titulaire souhaite prendre son repos prénatal facultatif complet et/ou à mi-temps ainsi que la ou les période(s) précise(s) de ce repos. Ce repos prénatal facultatif complet et/ou à mi-temps peut débuter au plus tôt à partir de la troisième semaine qui précède la date présumée de l'accouchement. Le repos prénatal facultatif complet et/ou à mi-temps peut être pris seulement par période de sept jours calendrier. Si la titulaire souhaite modifier le nombre de semaines de repos prénatal facultatif complet et/ou à mi-temps après avoir introduit cette demande, elle doit le signaler préalablement à son organisme assureur;]2
4° [2 le nombre de semaines pendant lesquelles la titulaire souhaite prendre son repos postnatal facultatif complet et/ou à mi-temps, endéans la période de trente-six semaines fixée à l'article 93, § 2, b), dernier alinéa, ainsi que la ou les période(s) précise(s) de ce repos. Ce repos postnatal facultatif complet et/ou à mi-temps peut débuter au plus tôt le premier jour qui suit les deux semaines de repos postnatal obligatoire. Pour le congé postnatal facultatif complet et/ou à mi-temps, la titulaire doit spécifier clairement quand, endéans les trente-six semaines prévues, elle souhaite prendre ces semaines. Le repos postnatal facultatif complet et/ou à mi-temps peut uniquement être pris par période de sept jours calendrier. Si la titulaire souhaite modifier le nombre de semaines de repos postnatal facultatif complet et/ou à mi-temps, et/ou le moment auquel elle souhaite prendre ces semaines, après avoir introduit cette demande, elle doit le signaler préalablement à son organisme assureur.]2
§ 3. La demande visée au § 2 doit être accompagnée d'un certificat médical attestant la date présumée de l'accouchement et s'il s'agit ou non d'une naissance multiple. La titulaire doit produire par la suite, un extrait de l'acte de naissance ou un certificat médical confirmant l'accouchement.
§ 4. [2 La titulaire informe son organisme assureur, dans les deux semaines qui suivent la naissance de l'enfant, du fait qu'elle souhaite bénéficier de la prolongation visée à l'article 93, § 3 et lui communique le nombre de semaines de prolongation. Elle lui remet à cet effet, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que les conditions prévues par l'article 93, § 3 sont remplies et mentionnant la durée de l'hospitalisation du nouveau-né.
Si la période réelle d'hospitalisation ne correspond pas à la durée mentionnée dans l'attestation susmentionnée, la titulaire remet à la fin de la prolongation susvisée, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé pendant cette prolongation et mentionnant la durée de l'hospitalisation.
La titulaire informe également son organisme assureur du fait qu'elle souhaite reprendre son activité professionnelle habituelle à mi-temps au cours de tout ou partie de cette prolongation. La titulaire communique la ou les périodes précises de cette prolongation prise à mi-temps. Si la titulaire souhaite modifier le nombre de semaines prises à mi-temps et/ou le moment auquel elle souhaite les prendre après avoir introduit cette demande, elle doit le signaler préalablement à son organisme assureur.]2
Änderungen
----------
Art.96.[1 § 1. [2 Onverminderd de toepassing van de artikelen 95 en 98, wordt de moederschapsuitkering voor de eerste keer door de verzekeringsinstelling betaald uiterlijk de dertigste kalenderdag te rekenen vanaf de eerste dag van de moederschapsrust voor elke week van moederschapsrust die op het ogenblik van deze betaling is verstreken.
Section III. - Du paiement de l'allocation de maternité.
Art. 96. [1 § 1. [2 Onverminderd de toepassing van de artikelen 95 en 98, wordt de moederschapsuitkering voor de eerste keer door de verzekeringsinstelling betaald uiterlijk de dertigste kalenderdag te rekenen vanaf de eerste dag van de moederschapsrust voor elke week van moederschapsrust die op het ogenblik van deze betaling is verstreken.
Vervolgens betaalt de verzekeringsinstelling de moederschapsuitkering maandelijks voor elke week van moederschapsrust die op het ogenblik van deze betaling is verstreken ten vroegste op de derde laatste werkdag van elke lopende kalendermaand en uiterlijk binnen de eerste vijf kalenderdagen van de kalendermaand die volgt.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden alle dagen, behalve de zaterdagen, zondagen en feestdagen, als werkdagen beschouwd.]2.
§ 2. [2 ...]2.
§ 3. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk Vbis van titel II van dit besluit, wordt de betaling van de moederschapsuitkering stopgezet vanaf de eerste dag van de week, volgend op de week van moederschapsrust, waarin de gerechtigde is overleden.]1
Vervolgens betaalt de verzekeringsinstelling de moederschapsuitkering maandelijks voor elke week van moederschapsrust die op het ogenblik van deze betaling is verstreken ten vroegste op de derde laatste werkdag van elke lopende kalendermaand en uiterlijk binnen de eerste vijf kalenderdagen van de kalendermaand die volgt.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden alle dagen, behalve de zaterdagen, zondagen en feestdagen, als werkdagen beschouwd.]2.
§ 2. [2 ...]2.
§ 3. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk Vbis van titel II van dit besluit, wordt de betaling van de moederschapsuitkering stopgezet vanaf de eerste dag van de week, volgend op de week van moederschapsrust, waarin de gerechtigde is overleden.]1
Art.96. [1 § 1er. [2 Sans préjudice de l'application des articles 95 et 98, l'allocation de maternité est payée par l'organisme assureur pour la première fois, au plus tard, le trentième jour calendrier à compter du premier jour du repos de maternité pour chaque semaine de repos de maternité échue au moment de ce paiement.
Par la suite, l'organisme assureur paye l'allocation de maternité mensuellement pour chaque semaine de repos de maternité échue au moment de ce paiement et, au plus tôt, l'antépénultième jour ouvrable de chaque mois civil en cours et, au plus tard, dans les cinq premiers jours-calendrier du mois civil qui suit.
Sont réputés jours ouvrables pour l'application du présent paragraphe, tous les jours sauf les samedis, dimanches et jours fériés]2.
§ 2. [2 ...]2.
§ 3. Sans préjudice de l'application des dispositions du Chapitre Vbis du titre II du présent arrêté, il est mis fin au paiement de l'allocation de maternité à partir du premier jour de la semaine qui suit la semaine de repos de maternité au cours de laquelle la titulaire est décédée.]1
Par la suite, l'organisme assureur paye l'allocation de maternité mensuellement pour chaque semaine de repos de maternité échue au moment de ce paiement et, au plus tôt, l'antépénultième jour ouvrable de chaque mois civil en cours et, au plus tard, dans les cinq premiers jours-calendrier du mois civil qui suit.
Sont réputés jours ouvrables pour l'application du présent paragraphe, tous les jours sauf les samedis, dimanches et jours fériés]2.
§ 2. [2 ...]2.
§ 3. Sans préjudice de l'application des dispositions du Chapitre Vbis du titre II du présent arrêté, il est mis fin au paiement de l'allocation de maternité à partir du premier jour de la semaine qui suit la semaine de repos de maternité au cours de laquelle la titulaire est décédée.]1
Art.97. In de loop (van de moederschapsrustweken bedoeld in artikel 93), kan de gerechtigde geen aanspraak maken op primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen noch op invaliditeitsuitkeringen, toegekend krachtens dit besluit.
Section IV. - Des cas de refus ou de réduction de l'allocation de maternité.
Art. 97. <INGEVOEGD bij KB 2003-01-13/40, art. 13; Inwerkingtreding : 01-01-2003> In de loop (van de moederschapsrustweken bedoeld in artikel 93), kan de gerechtigde geen aanspraak maken op primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen noch op invaliditeitsuitkeringen, toegekend krachtens dit besluit. <KB 2007-06-07/49, art. 5, 039; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
De moederschapsuitkering wordt verminderd met het bedrag van de uitkeringen waarop de gerechtigde aanspraak kan maken krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, (van de moederschapsrustweken bedoeld in artikel 93). <KB 2007-06-07/49, art. 5, 039; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
De moederschapsuitkering wordt verminderd met het bedrag van de uitkeringen waarop de gerechtigde aanspraak kan maken krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, (van de moederschapsrustweken bedoeld in artikel 93). <KB 2007-06-07/49, art. 5, 039; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Art.97. Au cours (des semaines de repos de maternité visées à l'article 93), la titulaire ne peut prétendre aux indemnites d'incapacité primaire ni aux indemnités d'invalidité accordées en vertu du présent arrêté. <AR 2007-06-07/49, art. 5, 039; En vigueur : 01-07-2007>
L'allocation de maternité est diminuée du montant des indemnités auxquelles la titulaire peut prétendre en vertu de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, (les semaines de repos de maternité visées à l'article 93). <AR 2007-06-07/49, art. 5, 039; En vigueur : 01-07-2007>
L'allocation de maternité est diminuée du montant des indemnités auxquelles la titulaire peut prétendre en vertu de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, (les semaines de repos de maternité visées à l'article 93). <AR 2007-06-07/49, art. 5, 039; En vigueur : 01-07-2007>
Art.98.[1 Voor het verkrijgen van het recht op uitkeringen waarin is voorzien in deze titel, moeten de in artikel 92 bedoelde gerechtigden voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 14 tot 18, eerste lid.]1
CHAPITRE V. - Des conditions d'octroi Disposition particulière à l'assurance maternité.
Art. 98. [1 Voor het verkrijgen van het recht op uitkeringen waarin is voorzien in deze titel, moeten de in artikel 92 bedoelde gerechtigden voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 14 tot 18, eerste lid.]1
Art.98. [1 Pour obtenir le droit aux prestations prévues dans ce titre, les titulaires visées à l'article 92 doivent satisfaire aux conditions visées aux articles 14 à 18, alinéa 1er.]1
Änderungen
Art. 98bis. [1 § 1. In geval van overlijden van de moeder vóór het verstrijken van het tijdvak van moederschapsrust, kan de gerechtigde bedoeld in artikel 3 die het kind onthaalt in zijn gezin, na het overlijden van de moeder, aanspraak maken op een verlof waarvan de duur het deel van de nabevallingsrust nog niet opgenomen door de moeder bij haar overlijden, niet mag overschrijden. Om aanspraak te kunnen maken op dit verlof, moet het kind deel uitmaken van het gezin van de gerechtigde.
Chapitre Vbis. [1 - Conversion du repos de maternité en cas de décès de la mère]1
Art. 98bis. [1 § 1. In geval van overlijden van de moeder vóór het verstrijken van het tijdvak van moederschapsrust, kan de gerechtigde bedoeld in artikel 3 die het kind onthaalt in zijn gezin, na het overlijden van de moeder, aanspraak maken op een verlof waarvan de duur het deel van de nabevallingsrust nog niet opgenomen door de moeder bij haar overlijden, niet mag overschrijden. Om aanspraak te kunnen maken op dit verlof, moet het kind deel uitmaken van het gezin van de gerechtigde.
§ 2. De bepalingen van titel II van dit besluit zijn van toepassing op het verlof bedoeld in § 1.]1
§ 2. De bepalingen van titel II van dit besluit zijn van toepassing op het verlof bedoeld in § 1.]1
Art. 98bis. [1 § 1er. En cas de décès de la mère avant le terme de la période de repos de maternité, le titulaire visé à l'article 3 qui accueille l'enfant dans son ménage, après le décès de sa mère, peut prétendre à un congé dont la durée ne peut excéder la partie du repos postnatal non encore épuisée par la mère au moment de son décès. Pour pouvoir prétendre à ce congé, l'enfant doit faire partie du ménage du titulaire.
§ 2. Les dispositions du titre II du présent arrêté sont applicables au congé visé au § 1er.]1
§ 2. Les dispositions du titre II du présent arrêté sont applicables au congé visé au § 1er.]1
Art.99. In zoverre er niet van wordt afgeweken door deze titel, zijn de bepalingen van titel I die betrekking hebben op de uitkeringsverzekering, ook van toepassing voor de moederschapsverzekering.
CHAPITRE VI. - Disposition générale.
Art. 99. <INGEVOEGD bij KB 2003-01-13/40, art. 13; Inwerkingtreding : 01-01-2003> In zoverre er niet van wordt afgeweken door deze titel, zijn de bepalingen van titel I die betrekking hebben op de uitkeringsverzekering, ook van toepassing voor de moederschapsverzekering.
Voor de toepassing van de bepalingen inzake financiering, wordt de moederschapsuitkering gelijkgesteld met een primaire ongeschiktheidsuitkering; als die uitkering wordt verleend aan een gerechtigde als bedoeld in artikel 10, wordt ze echter gelijkgesteld met een invaliditeitsuitkering.
Voor de toepassing van de bepalingen inzake financiering, wordt de moederschapsuitkering gelijkgesteld met een primaire ongeschiktheidsuitkering; als die uitkering wordt verleend aan een gerechtigde als bedoeld in artikel 10, wordt ze echter gelijkgesteld met een invaliditeitsuitkering.
Art.99. Dans la mesure où il n'y est pas dérogé par le présent titre, les dispositions du titre I qui concernent l'incapacité de travail sont applicables en ce qui concerne l'assurance maternité.
Pour l'application des dispositions prévues en matière de financement, l'indemnité de maternité est assimilée à une indemnité d'incapacité primaire; lorsque ladite indemnité est accordée à une titulaire visée à l'article 10, elle est toutefois assimilée à une indemnité d'invalidité.
Pour l'application des dispositions prévues en matière de financement, l'indemnité de maternité est assimilée à une indemnité d'incapacité primaire; lorsque ladite indemnité est accordée à une titulaire visée à l'article 10, elle est toutefois assimilée à une indemnité d'invalidité.
Art. N. Verklaring betreffende de in het kader van de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen gestelde voorwaarden van verzekering.
ANNEXE.
Art. N. Verklaring betreffende de in het kader van de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen gestelde voorwaarden van verzekering. <INGEVOEGD bij KB 1989-07-19/31, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art. N. Attestation relative aux conditions d'assurance requises dans le cadre de l'assurance-indemnités des travailleurs indépendants.