Artikel 1. (De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de personen waarvan het pensioen ten laste is van de Staatskas (, met uitzondering van deze die toegekend worden aan de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding,) [2 of van HR Rail]2 ,[1 van het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie of van het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO]1.) <W 2002-05-06/31, art. 28, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <W 2006-12-28/38, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(...) <W 2006-06-14/37, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 22-07-2006>
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
10 JANUARI 1974. - Wet tot regeling van de in aanmerkingneming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen ten laste van de Staatskas. - (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-05-2002 en tekstbijwerking tot 02-06-2014)
Titre
10 JANVIER 1974. - Loi réglant l'admissibilité de certains services et de périodes assimilées à l'activité de service pour l'octroi et le calcul des pensions à charge du Trésor public. - (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-05-2002 et mise à jour au 02-06-2014)
Dokumentinformationen
Numac: 1974011001
Datum: 1974-01-10
Info du document
Numac: 1974011001
Date: 1974-01-10
Inhoud
Tekst (24)
Texte (24)
HOOFDSTUK I. - Werkingssfeer.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Article 1. (Les dispositions de la présente loi s'appliquent aux personnes dont la pension est à charge du Trésor public (, à l'exception de celles accordées aux membres du personnel statutaire de la SNCB Holding) [2 ou de HR Rail ]2, [1 du Fonds des pensions de la police intégrée ou du Fonds de pension solidarisé de l'ONSSAPL]1.) <L 2002-05-06/31, art. 28, 002; En vigueur : 01-01-2003> <L 2006-12-28/38, art. 4, 005; En vigueur : 01-01-2007>
(...) <L 2006-06-14/37, art. 6, 004; En vigueur : 22-07-2006>
(...) <L 2006-06-14/37, art. 6, 004; En vigueur : 22-07-2006>
HOOFDSTUK II. - In aanmerkingneming voor pensioen, van de tijd doorgebracht in bepaalde administratieve toestanden.
CHAPITRE II. - Admission, au regard de la pension, du temps passé dans certaines situations administratives.
Art.2. Onverminderd de toepassing van bijzondere bepalingen tot regeling van de weerslag van sommige administratieve standen of toestanden, wordt zowel voor de toekenning ais voor de berekening van het rustpensioen de tijd in aanmerking genomen gedurende welke de betrokkene :
1° verlof heeft gekregen met behoud van zijn bezoldiging;
2° in disponibiliteit is gesteld met een wachtgeld;
3° [1 zelfs onbezoldigd in een administratieve toestand is geplaatst die krachtens zijn wettelijk of reglementair statuut met dienstactiviteit is gelijkgesteld, met uitzondering van de tijd gedurende dewelke de betrokkene :
a) met verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden was;
b) met toepassing van artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector vier vijfde van de prestaties die hem normaal worden opgelegd verricht zonder bijkomende premie;]1
4° verlof zonder wedde, dat niet met dienstactiviteit is gelijkgesteld, heeft gekregen. Dit verlof wordt echter slechts voor ten hoogste een maand in de loop van een bepaald kalenderjaar in aanmerking genomen, behalve wanneer het een verlof betreft dat werd gevraagd om een syndicale werkzaamheid uit te oefenen vóór de ingangsdatum van de reglementaire bepalingen, waarbij, voor de categorie van personeelsleden waartoe de betrokkene behoorde, de administratieve toestand werd vastgesteld die aan de uitoefening van een syndicale opdracht is verbonden.
1° verlof heeft gekregen met behoud van zijn bezoldiging;
2° in disponibiliteit is gesteld met een wachtgeld;
3° [1 zelfs onbezoldigd in een administratieve toestand is geplaatst die krachtens zijn wettelijk of reglementair statuut met dienstactiviteit is gelijkgesteld, met uitzondering van de tijd gedurende dewelke de betrokkene :
a) met verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden was;
b) met toepassing van artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector vier vijfde van de prestaties die hem normaal worden opgelegd verricht zonder bijkomende premie;]1
4° verlof zonder wedde, dat niet met dienstactiviteit is gelijkgesteld, heeft gekregen. Dit verlof wordt echter slechts voor ten hoogste een maand in de loop van een bepaald kalenderjaar in aanmerking genomen, behalve wanneer het een verlof betreft dat werd gevraagd om een syndicale werkzaamheid uit te oefenen vóór de ingangsdatum van de reglementaire bepalingen, waarbij, voor de categorie van personeelsleden waartoe de betrokkene behoorde, de administratieve toestand werd vastgesteld die aan de uitoefening van een syndicale opdracht is verbonden.
Art.2. Sans préjudice à l'application de dispositions particulières réglant l'incidence de certaines positions ou situations administratives, est pris en considération, tant pour l'octroi que pour le calcul de la pension de retraite, le temps pendant lequel l'intéressé :
1° a bénéficié d'un congé avec maintien de sa rémunération;
2° a été mis en disponibilité avec jouissance d'un traitement d'attente;
3° [1 a été placé, même sans recevoir de rémunération, dans une situation administrative qui est assimilée à l'activité de service en vertu de son statut légal ou réglementaire, à l'exclusion du temps pendant lequel l'intéressé :
a) a été en congé pour prestations réduites pour motifs de convenances personnelles;
b) a été en congé en application de l'article 6, § 1, de l'arrêté royal du 20 septembre 2012 portant des dispositions diverses concernant la semaine de quatre jours et le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public, pour accomplir sans prime complémentaire quatre cinquièmes d'une prestation normale.]1
4° a bénéficié d'un congé sans traitement, qui n'est pas assimilé à l'activité de service. Ce congé n'est toutefois pris en considération qu'à concurrence d'un mois au maximum au cours d'une année civile déterminée, sauf s'il s'agit d'un congé sollicité en vue de l'exercice d'une activité syndicale, antérieurement à la date à laquelle ont pris cours les dispositions réglementaires fixant, pour la catégorie d'agents dont l'intéressé faisait partie, la situation administrative attachée à l'exercice d'une mission syndicale.
1° a bénéficié d'un congé avec maintien de sa rémunération;
2° a été mis en disponibilité avec jouissance d'un traitement d'attente;
3° [1 a été placé, même sans recevoir de rémunération, dans une situation administrative qui est assimilée à l'activité de service en vertu de son statut légal ou réglementaire, à l'exclusion du temps pendant lequel l'intéressé :
a) a été en congé pour prestations réduites pour motifs de convenances personnelles;
b) a été en congé en application de l'article 6, § 1, de l'arrêté royal du 20 septembre 2012 portant des dispositions diverses concernant la semaine de quatre jours et le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public, pour accomplir sans prime complémentaire quatre cinquièmes d'une prestation normale.]1
4° a bénéficié d'un congé sans traitement, qui n'est pas assimilé à l'activité de service. Ce congé n'est toutefois pris en considération qu'à concurrence d'un mois au maximum au cours d'une année civile déterminée, sauf s'il s'agit d'un congé sollicité en vue de l'exercice d'une activité syndicale, antérieurement à la date à laquelle ont pris cours les dispositions réglementaires fixant, pour la catégorie d'agents dont l'intéressé faisait partie, la situation administrative attachée à l'exercice d'une mission syndicale.
Änderungen
Art. 2bis. <INGEVOEGD bij W 1991-05-21/41, art. 51; Inwerkingtreding : 30-06-1991> §1. De tijd gedurende welke een lid van het onderwijzend personeel ter beschikking gesteld werd wegens ontstentenis van betrekking zonder wachtgeld, wordt zowel voor de toekenning als voor de berekening van het rustpensioen in aanmerking genomen doch slechts ten belope van een maximumperiode van vijf jaar.
Onder lid van het onderwijzend personeel in de zin van het eerste lid moet verstaan worden de personen beoogd door artikel 1 van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs.
§ 2. De bepalingen van de artikelen 3 en 4 zijn toepasselijk op de in § 1 bedoelde personen.
Voor de vaststelling van het gemiddelde der wedden op grond waarvan het pensioen wordt berekend, worden de in § 1 bedoelde perioden buiten beschouwing gelaten.)
Onder lid van het onderwijzend personeel in de zin van het eerste lid moet verstaan worden de personen beoogd door artikel 1 van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs.
§ 2. De bepalingen van de artikelen 3 en 4 zijn toepasselijk op de in § 1 bedoelde personen.
Voor de vaststelling van het gemiddelde der wedden op grond waarvan het pensioen wordt berekend, worden de in § 1 bedoelde perioden buiten beschouwing gelaten.)
Art. 2bis. § 1. Le temps pendant lequel un membre du personnel enseignant a été mis en disponibilité par défaut d'emploi sans jouissance d'un traitement d'attente est pris en considération tant pour l'octroi que pour le calcul de la pension de retraite, mais uniquement à concurrence d'une période maximale de cinq années.
Par membre du personnel enseignant, au sens de l'alinéa 1, il faut entendre les personnes visées à l'article 1 de la loi du 16 juin 1970 relative aux bonifications pour diplômes en matière de pensions des membres de l'enseignement.
§ 2. Les dispositions des articles 3 et 4 sont applicables aux personnes visées au § 1.
Pour l'établissement de la moyenne des traitements servant de base au calcul de la pension, il est fait abstraction des périodes visées au § 1.
Par membre du personnel enseignant, au sens de l'alinéa 1, il faut entendre les personnes visées à l'article 1 de la loi du 16 juin 1970 relative aux bonifications pour diplômes en matière de pensions des membres de l'enseignement.
§ 2. Les dispositions des articles 3 et 4 sont applicables aux personnes visées au § 1.
Pour l'établissement de la moyenne des traitements servant de base au calcul de la pension, il est fait abstraction des périodes visées au § 1.
Art.3. Op toepassing van artikel 2 heeft geen aanspraak hij die gedurende de perioden die krachtens dat artikel kunnen worden aangerekend, diensten heeft verstrekt die in aanmerking komen voor het berekenen van zijn rustpensioen in een van de pensioenregelingen bedoeld in artikel 1 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector.
Deze regel vindt geen toepassing wanneer de bewuste diensten aanleiding geven tot toekenning van een ander pensioen dan het pensioen dat verbonden is aan het ambt waarvoor de betrokkene in één van de in artikel 2 genoemde administratieve standen of toestanden is geplaatst.
Deze regel vindt geen toepassing wanneer de bewuste diensten aanleiding geven tot toekenning van een ander pensioen dan het pensioen dat verbonden is aan het ambt waarvoor de betrokkene in één van de in artikel 2 genoemde administratieve standen of toestanden is geplaatst.
Art.3. Ne bénéficie pas de l'application de l'article 2, celui qui, pendant les périodes supputables en vertu de cet article, a rendu des services admissibles pour le calcul de sa pension de retraite dans l'un des régimes de pension visés par l'article 1 de la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pension du secteur public.
Cette règle ne s'applique pas lorsque les services en cause donnent lieu à l'octroi d'une pension distincte de celle qui est afférente à la fonction pour laquelle l'intéressé a été placé dans une des positions ou situations administratives prévues par l'article 2.
Cette règle ne s'applique pas lorsque les services en cause donnent lieu à l'octroi d'une pension distincte de celle qui est afférente à la fonction pour laquelle l'intéressé a été placé dans une des positions ou situations administratives prévues par l'article 2.
Art.4. Is de betrokkene in een van de in artikel 2, 2° en 3°, genoemde administratieve standen of toestanden geplaatst om hem in staat te stellen (een beroepswerkzaamheid of een politiek mandaat) te oefenen, of in een in artikel 2, 4°, bedoelde administratieve toestand om een syndicale werkzaamheid uit te oefenen, en kan hij op grond daarvan aanspraak maken op een rustpensioen of -rente verleend krachtens een niet in artikel 3 bedoelde wettelijke, reglementaire, statutaire of contractuele pensioenregeling, dan wordt het gedeelte van dat pensioen of van die rente dat met de door artikel 2 gevalideerde tijd overeenkomt, afgetrokken van de pensioenverhoging die uit de toepassing van dat artikel volgt. <W 1993-07-16/31, art. 105; Inwerkingtreding : 30-07-1993>
Ten aanzien van uit verzekeringscontracten volgende voordelen wordt de in het eerste lid bedoelde aftrek beperkt tot het gedeelte van die voordelen dat volgt uit premies waarvan de last door de werkgever is gedragen.
De betrokkene moet de uitkering van de in het eerste lid bedoelde pensioen en renten aanvragen. De in die bepaling bedoelde aftrek wordt toegepast zelfs indien de uitbetaling van die pensioenen en renten is geschorst wegens het uitoefenen van een winstgevende werkzaamheid.
Ten aanzien van uit verzekeringscontracten volgende voordelen wordt de in het eerste lid bedoelde aftrek beperkt tot het gedeelte van die voordelen dat volgt uit premies waarvan de last door de werkgever is gedragen.
De betrokkene moet de uitkering van de in het eerste lid bedoelde pensioen en renten aanvragen. De in die bepaling bedoelde aftrek wordt toegepast zelfs indien de uitbetaling van die pensioenen en renten is geschorst wegens het uitoefenen van een winstgevende werkzaamheid.
Art.4. Si l'intéressé a été placé dans une des positions ou situations administratives prévues à l'article 2, 2° et 3°, en vue de lui permettre d'exercer (une activité professionnelle ou un mandat politique), ou dans la situation administrative visée à l'article 2, 4°, en vue de l'exercice d'une activité syndicale, et peut prétendre de ce chef à une pension ou à une rente de retraite, allouées en exécution d'un régime de pension légal, réglementaire, statutaire ou contractuel, autre que ceux sui sont visés à l'article 3, la part de cette pension ou de cette rente correspondant aux périodes validées par l'article 2 est déduite de l'accroissement de pension résultant de l'application de cet article. <L 1993-07-16/31, art. 105; En vigueur : 30-07-1993>
En ce qui concerne les avantages dérivant de contrats d'assurance, la déduction prévue à l'alinéa 1 est limitée à la partie de ces avantages découlant des primes dont la charge a été supportée par l'employeur.
L'intéressé est tenu de demander la délivrance des pensions et rentes dont il est question à l'alinéa 1. La déduction prévue par cette disposition est opérée même si le paiement de ces pensions et rentes est suspendu en raison de l'exercice d'une activité lucrative.
En ce qui concerne les avantages dérivant de contrats d'assurance, la déduction prévue à l'alinéa 1 est limitée à la partie de ces avantages découlant des primes dont la charge a été supportée par l'employeur.
L'intéressé est tenu de demander la délivrance des pensions et rentes dont il est question à l'alinéa 1. La déduction prévue par cette disposition est opérée même si le paiement de ces pensions et rentes est suspendu en raison de l'exercice d'une activité lucrative.
Art.5. Vallen overeenkomstig artikel 2, 1° tot 3° in aanmerking genomen perioden in de periode die in aanmerking komt voor het vaststellen van het gemiddelde der wedden op grond waarvan het pensioen wordt berekend, dan wordt voor die perioden rekening gehouden met de wedden (en de weddebijslagen) welke de betrokkene zou hebben genoten indien hij in dienst was gebleven. <W 1999-01-25/32, art. 237; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Heeft degene die in disponibiliteit met wachtgeld is gesteld, geen recht op bevordering tot een hogere wedde behouden, dan (dienen de laatste activiteitswedde en de laatste weddebijslag) om, zo nodig, het gemiddelde der wedden op grond waarvan het pensioen wordt berekend, mede te vormen of aan te vullen. <W 1999-01-25/32, art. 237; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
[1 De in dit artikel bedoelde wedden zijn deze die voortvloeien uit de toepassing van artikel 11, § 1, eerste lid, van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector.]1
Heeft degene die in disponibiliteit met wachtgeld is gesteld, geen recht op bevordering tot een hogere wedde behouden, dan (dienen de laatste activiteitswedde en de laatste weddebijslag) om, zo nodig, het gemiddelde der wedden op grond waarvan het pensioen wordt berekend, mede te vormen of aan te vullen. <W 1999-01-25/32, art. 237; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
[1 De in dit artikel bedoelde wedden zijn deze die voortvloeien uit de toepassing van artikel 11, § 1, eerste lid, van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector.]1
Art.5. Si les périodes prises en considération conformément à l'article 2, 1° à 3°, interviennent dans la période retenue pour l'établissement de la moyenne des traitements servant de base au calcul de la pension, il est tenu compte pour ces périodes des traitements (et des suppléments de traitement) dont l'intéressé aurait bénéficié s'il était resté en service. <L 1999-01-25/32, art. 237; En vigueur : 01-07-1991>
Toutefois, si la personne qui a été mise en disponibilité avec traitement d'attente n'a pas conservé le droit à l'avancement de traitement, (le dernier traitement d'activité et le dernier supplément de traitement servent d'éléments) pour former ou compléter, si besoin en est, la moyenne des traitements servant au calcul de la pension. <L 1999-01-25/32, art. 237; En vigueur : 01-07-1991>
[1 Les traitements dont il est question au présent article sont ceux qui résultent de l'application de l'article 11, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public.]1
Toutefois, si la personne qui a été mise en disponibilité avec traitement d'attente n'a pas conservé le droit à l'avancement de traitement, (le dernier traitement d'activité et le dernier supplément de traitement servent d'éléments) pour former ou compléter, si besoin en est, la moyenne des traitements servant au calcul de la pension. <L 1999-01-25/32, art. 237; En vigueur : 01-07-1991>
[1 Les traitements dont il est question au présent article sont ceux qui résultent de l'application de l'article 11, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public.]1
Änderungen
Art.6. (1 §) De betrokkene kan aanspraak maken op rustpensioen uit hoofde van gebrekkigheden opgedaan tijdens een periode gedurende welke hij zich in een onbezoldigde administratieve stand of toestand bevindt ongeacht of die al dan niet met dienstactiviteit is gelijkgesteld. <W 1984-05-15/30, art. 88; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
Deze bepaling is echter niet toepasselijk wanneer de gebrekkigheid is opgedaan tijdens een periode van disponibiliteit of van verlof wegens persoonlijke aangelegenheden of van niet geoorloofde afwezigheid.
(§ 2. Een rustpensioen wegens het bereiken van de leeftijdsgrens of een vervroegd pensioen, ingaand bij het verstrijken van een periode van disponibiliteit of verlof wegens persoonlijke aangelegenheden, evenals een uitgesteld pensioen, kan worden toegekend zonder dat de betrokkene ertoe gehouden is om vooraf de dienst te hervatten, op voorwaarde dat hij de voorwaarden inzake de toekenning van het recht op die pensioenen vervult en dat hij de noodzakelijke aanvraag binnen de door de wet gestelde termijn heeft ingediend.). <W 1984-05-15/30, art. 88; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
Deze bepaling is echter niet toepasselijk wanneer de gebrekkigheid is opgedaan tijdens een periode van disponibiliteit of van verlof wegens persoonlijke aangelegenheden of van niet geoorloofde afwezigheid.
(§ 2. Een rustpensioen wegens het bereiken van de leeftijdsgrens of een vervroegd pensioen, ingaand bij het verstrijken van een periode van disponibiliteit of verlof wegens persoonlijke aangelegenheden, evenals een uitgesteld pensioen, kan worden toegekend zonder dat de betrokkene ertoe gehouden is om vooraf de dienst te hervatten, op voorwaarde dat hij de voorwaarden inzake de toekenning van het recht op die pensioenen vervult en dat hij de noodzakelijke aanvraag binnen de door de wet gestelde termijn heeft ingediend.). <W 1984-05-15/30, art. 88; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
Art.6. (§ 1.) L'intéressé peut faire valoir ses droits à la pension de retraite du chef des infirmités contractées pendant une période durant laquelle il se trouve dans une position ou situation administrative non assortie d'une rémunération, qu'elle soit ou non assimilée à l'activité de service. <L 1984-05-15/30, art. 88; En vigueur : 01-06-1984)
Cette disposition n'est toutefois pas applicable lorsque l'infirmité a été contractée pendant une période de disponibilité ou de congé pour convenance personnelle, ou d'absence non autorisée.
(§ 2. Une pension de retraite par limite d'âge ou une pension anticipée prenant cours à l'expiration d'une période de disponibilité ou de congé pour convenances personnelles, ainsi qu'une pension différée, peut être accordée, sans que l'intéressé soit tenu de reprendre préalablement l'exercice de ses fonctions, pour autant qu'il réunisse les conditions d'ouverture du droit à ces pensions et qu'il ait introduit la demande nécessaire dans le délai prévu par la loi.) <L 1984-05-15/30, art. 88; En vigueur : 01-06-1984>
Cette disposition n'est toutefois pas applicable lorsque l'infirmité a été contractée pendant une période de disponibilité ou de congé pour convenance personnelle, ou d'absence non autorisée.
(§ 2. Une pension de retraite par limite d'âge ou une pension anticipée prenant cours à l'expiration d'une période de disponibilité ou de congé pour convenances personnelles, ainsi qu'une pension différée, peut être accordée, sans que l'intéressé soit tenu de reprendre préalablement l'exercice de ses fonctions, pour autant qu'il réunisse les conditions d'ouverture du droit à ces pensions et qu'il ait introduit la demande nécessaire dans le délai prévu par la loi.) <L 1984-05-15/30, art. 88; En vigueur : 01-06-1984>
Art.7. De op 1 augustus 1964 lopende rustpensioenen worden op aanvraag van de betrokkenen van deze datum af herzien met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, 3° en 4°, en in de artikelen 3, 4 en 5.
Art.7. Les pensions de retraite en cours au 1er août 1964 sont révisées à partir de cette date, à la demande des intéressés, compte tenu des dispositions de l'article 2, 3° et 4° et des articles 3, 4 et 5.
Art.8. (Opgeheven) <W 1984-05-15/30, art. 26; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
Art.8. (Abrogé) <L 1984-05-15/30, art. 26; En vigueur : 01-06-1984>
HOOFDSTUK III. - (Opgeheven)
CHAPITRE III. (Abrogé)
Art.9. (Opgeheven) <W 1984-05-15/30, art. 26; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
Art.9. (Abrogé) <L 1984-05-15/30, art. 26; En vigueur : 01-06-1984>
Art.10. (Opgeheven) <W 1984-05-15/30, art. 26; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
Art.10. (Abrogé) <L 1984-05-15/30, art. 26; En vigueur : 01-06-1984>
Art.11. (Opgeheven) <W 1984-05-15/30, art. 26; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
Art.11. (Abrogé) <L 1984-05-15/30, art. 26; En vigueur : 01-06-1984>
HOOFDSTUK IV. - Inaanmerkingneming voor pensioen van sommige dienstperioden.
CHAPITRE IV. - Admission, au regard de la pension, de certaines périodes de service.
Art.12. De leden van het personeel van de instellingen van openbaar nut die tot één van de administratieve rechtscolleges behoorden welke door de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek werden opgeheven en die in een gerechtelijk of administratief ambt bij de arbeidshoven en -rechtbanken werden benoemd, kunnen voor de toekenning en de berekening van hun rustpensioen ten laste van de Staatskas de diensttijd doen meetellen welke zij hebben doorgebracht in de instelling van openbaar nut waarvan het administratief rechtscollege waartoe zij behoorden deel uitmaakte, mits deze instelling niet aan de door de wet van 28 april 1958 ingestelde regeling is onderworpen.
Valt de overeenkomstig het eerste lid meetellende tijd in de periode die in aanmerking komt voor het vaststellen van het gemiddelde der wedden op grond waarvan het pensioen wordt berekend, dan wordt er voor deze tijd rekening gehouden met de wedden die aan de betrokkenen worden toegekend door de instelling waartoe zij behoorden, onverminderd de toepassing van artikel 11 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector.
(...) <W 1975-05-30, art. 2; BS 15-07-1975>
Valt de overeenkomstig het eerste lid meetellende tijd in de periode die in aanmerking komt voor het vaststellen van het gemiddelde der wedden op grond waarvan het pensioen wordt berekend, dan wordt er voor deze tijd rekening gehouden met de wedden die aan de betrokkenen worden toegekend door de instelling waartoe zij behoorden, onverminderd de toepassing van artikel 11 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector.
(...) <W 1975-05-30, art. 2; BS 15-07-1975>
Art.12. Les membres du personnel des organismes d'intérêt public qui appartenaient à une des juridictions administratives supprimées par la loi du 10 octobre 1967 contenant le Code judiciaire, et qui ont été nommés à une fonction judiciaire ou administrative auprès des cours et tribunaux du travail, peuvent faire compter pour l'octroi et le calcul de leur pension de retraite à charge du Trésor public les services qu'ils ont rendus dans l'organisme d'intérêt public dont relevait la juridiction administrative à laquelle ils appartenaient, pour autant que cet organisme ne soit pas assujetti au régime institué par la loi du 28 avril 1958.
Si des périodes prises en considération conformément à l'alinéa 1 interviennent dans la période retenue pour l'établissement de la moyenne des traitements servant de base au calcul de la pension, il est tenu compte, pour ces périodes, des traitements qui ont été alloués aux intéressés par l'organisme auquel ils appartenaient, sans préjudice à l'application de l'article 11 de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public.
(...) <L 1975-05-30, art. 2; MB 15-07-1975>
Si des périodes prises en considération conformément à l'alinéa 1 interviennent dans la période retenue pour l'établissement de la moyenne des traitements servant de base au calcul de la pension, il est tenu compte, pour ces périodes, des traitements qui ont été alloués aux intéressés par l'organisme auquel ils appartenaient, sans préjudice à l'application de l'article 11 de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public.
(...) <L 1975-05-30, art. 2; MB 15-07-1975>
Art.13. Zij die een ambt bekleden dat hun aanspraak op een rustpensioen ten laste van de Staatskas kan verlenen, kunnen voor de toekenning en de berekening van dat pensioen de diensttijd doen meetellen die werd bezoldigd ten laste van de fondsen van de voormalige kassen voor weduwen en wezen welke door de koninklijke besluiten nrs. 221 en 222 van 27 december 1935 werden ontbonden.
Art.13. Les personnes exerçant une fonction susceptible de leur conférer des droits à une pension de retraite à charge du Trésor public peuvent faire compter, pour l'octroi et le calcul de cette pension, les services rétribués sur les Fonds des anciennes caisses des veuves et orphelins dissoutes par les arrêtés royaux n° 221 et 222 du 27 décembre 1935.
Art. 13bis. <INGEVOEGD bij W 1975-05-30, art. 3; BS 15-07-1975> (Zij die een ambt uitoefenen op grond waarvan aanspraak op een rustpensioen ten laste van een macht of een organisme waarop de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector van toepassing is) mogen voor de toekenning en de berekening van dat pensioen de diensten doen meetellen welke zij vroeger bij een afgeschafte instelling van openbaar nut, met uitzondering van de " Service volontaire du Travail pour la Wallonie " en de Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen hebben verstrekt, hetzij krachtens een benoeming die bij de besluitwet van 5 mei 1944 ongeldig werd verklaard, voor zover :
1° de bevoegdheid van de betrokken instelling niet geheel of gedeeltelijk is overgenomen door een instelling die onderworpen is aan de regeling ingesteld bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut en van hun rechtverkrijgenden;
2° die diensten niet reeds in aanmerking kunnen komen krachtens een wetsbepaling die van vóór de onderhavige wet dagtekent.
De Koning stelt de lijst op van de instellingen van openbaar nut die onder de toepassing van dit artikel vallen.
Valt de overeenkomstig dit artikel meetellende tijd in de periode die in aanmerking komt voor het vaststellen van het gemiddelde der wedden op grond waarvan het pensioen wordt berekend, dan wordt er voor deze tijd rekening gehouden met de wedden die aan de betrokkenen werden toegekend door de instelling waartoe zij behoorden, onverminderd de toepassing van artikel 11 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector.
(Onverminderd de toepassing van artikel 14bis, § 2, wanneer het pensioen toegekend wordt door één van de machten of organismen waarop de wet van 14 april 1965 van toepassing is, de Openbare Schatkist uitgezonderd, draagt deze laatste het pensioenaandeel voortvloeiend uit de in aanmerkingneming van de in dit artikel vermeide diensten en berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 van de bedoelde wet.).
1° de bevoegdheid van de betrokken instelling niet geheel of gedeeltelijk is overgenomen door een instelling die onderworpen is aan de regeling ingesteld bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut en van hun rechtverkrijgenden;
2° die diensten niet reeds in aanmerking kunnen komen krachtens een wetsbepaling die van vóór de onderhavige wet dagtekent.
De Koning stelt de lijst op van de instellingen van openbaar nut die onder de toepassing van dit artikel vallen.
Valt de overeenkomstig dit artikel meetellende tijd in de periode die in aanmerking komt voor het vaststellen van het gemiddelde der wedden op grond waarvan het pensioen wordt berekend, dan wordt er voor deze tijd rekening gehouden met de wedden die aan de betrokkenen werden toegekend door de instelling waartoe zij behoorden, onverminderd de toepassing van artikel 11 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector.
(Onverminderd de toepassing van artikel 14bis, § 2, wanneer het pensioen toegekend wordt door één van de machten of organismen waarop de wet van 14 april 1965 van toepassing is, de Openbare Schatkist uitgezonderd, draagt deze laatste het pensioenaandeel voortvloeiend uit de in aanmerkingneming van de in dit artikel vermeide diensten en berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 van de bedoelde wet.).
Art. 13bis. (Les personnes exerçant une fonction susceptible de leur conférer des droits à une pension de retraite à charge d'un pouvoir ou organisme auquel la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public est applicable,) peuvent faire compter pour l'octroi et le calcul de cette pension, les services rendus antérieurement, soit en vertu d'une nomination régulière, soit en vertu d'une nomination déclarée nulle par l'arrêté-loi du 5 mai 1944, dans un organisme d'intérêt public supprimé, à l'exclusion du Service volontaire du Travail pour la Wallonie et du " Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen ", pour autant que :
1° les attributions de l'organisme en cause n'aient pas été reprises, en tout ou en partie, par un organisme assujetti au régime instauré par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
2° lesdits services ne soient pas déjà admissibles en vertu d'une disposition légale antérieure à la présente loi.
Le Roi arrête la liste des organismes d'intérêt public tombant sous l'application du présent article.
Si des périodes prises en considération conformément au présent article interviennent dans la période retenue pour l'établissement de la moyenne des traitements servant de base au calcul de la pension, il est tenu compte, pour ces périodes, des traitements qui ont été alloués aux intéressés par l'organisme auquel ils appartenaient, sans préjudice de l'application de l'article 11 de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public.
(Sans préjudice à l'application de l'article 14bis, § 2, lorsque la pension est accordée par un des pouvoirs ou organismes auxquels la loi du 14 avril 1965 est applicable, à l'exclusion du Trésor public, ce dernier supporte la charge de la quote-part résultant de la prise en considération des services mentionnés au présent article, calculée de la manière déterminée à l'article 13 de ladite loi.)
1° les attributions de l'organisme en cause n'aient pas été reprises, en tout ou en partie, par un organisme assujetti au régime instauré par la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
2° lesdits services ne soient pas déjà admissibles en vertu d'une disposition légale antérieure à la présente loi.
Le Roi arrête la liste des organismes d'intérêt public tombant sous l'application du présent article.
Si des périodes prises en considération conformément au présent article interviennent dans la période retenue pour l'établissement de la moyenne des traitements servant de base au calcul de la pension, il est tenu compte, pour ces périodes, des traitements qui ont été alloués aux intéressés par l'organisme auquel ils appartenaient, sans préjudice de l'application de l'article 11 de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public.
(Sans préjudice à l'application de l'article 14bis, § 2, lorsque la pension est accordée par un des pouvoirs ou organismes auxquels la loi du 14 avril 1965 est applicable, à l'exclusion du Trésor public, ce dernier supporte la charge de la quote-part résultant de la prise en considération des services mentionnés au présent article, calculée de la manière déterminée à l'article 13 de ladite loi.)
Art.14. § 1. Artikel 1 van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privé-sector is niet van toepassing uit hoofde van de (krachtens de artikelen 12, 13 en 13bis) in aanmerking genomen diensten, indien de betrokkenen of hun rechtverkrijgenden bij de inwerkingtreding van deze wet in aanmerking kwamen voor rust- of overlevingspensioen voor bedienden, arbeiders, zeelieden of werknemers. <W 1975-05-30, art. 4; BS 15-07-1975>
Indien de betrokkenen of hun rechtverkrijgenden bij de inwerkingtreding van deze wet uit hoofde van de eerdervermelde diensten in aanmerking kwamen voor ouderdoms- of overlevingsrente, worden de artikelen 1 en 15 van de wet van 5 augustus 1968 slechts toegepast nadat een aanvraag is ingediend binnen de door de Koning vastgestelde termijn.
§ 2. (In de gevallen bedoeld in § 1, eerste lid, wordt de Staatskas die het rustpensioen uitbetaalt of een aandeel in de lasten ervan draagt, gesubrogeerd in de voordelen inzake pensioen die uit de toepassing van de wetten inzake sociale zekerheid volgen uit hoofde van de in de artikelen 12, 13 en 13bis bedoelde diensten en dit vanaf de datum waarop deze diensten worden in aanmerking genomen om het bedrag ervan vast te stellen.).
§ 3. (Indien de betrokkenen uit hoofde van diensttijd die in uitvoering van artikel 12 en 13bis in aanmerking komt aanspraak kunnen maken op een extra-legale pensioenaanvulling, wordt de Staatskas die het rustpensioen uitbetaalt of een aandeel in de lasten ervan draagt gesubrogeerd in het gedeelte van deze aanvulling dat beantwoordt aan de premies waarvan de last door de werkgever werd gedragen.).
§ 4. (Wanneer artikel 1 van de wet van 5 augustus 1968 werd toegepast uit hoofde van diensttijd die in uitvoering van artikel 12 en 13bis in aanmerking komt, wordt de Staatskas die het overlevingspensioen uitbetaalt of een aandeel in de lasten ervan draagt in voorkomend geval gesubrogeerd in het gedeelte van de extra-legale voordelen waarop de nabestaande aanspraak zou kunnen maken uit hoofde van deze diensttijd en dat beantwoordt aan de premies waarvan de last door de werkgever werd gedragen.)
(§ 5. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in de § 2 bedoelde subrogaties.)
Indien de betrokkenen of hun rechtverkrijgenden bij de inwerkingtreding van deze wet uit hoofde van de eerdervermelde diensten in aanmerking kwamen voor ouderdoms- of overlevingsrente, worden de artikelen 1 en 15 van de wet van 5 augustus 1968 slechts toegepast nadat een aanvraag is ingediend binnen de door de Koning vastgestelde termijn.
§ 2. (In de gevallen bedoeld in § 1, eerste lid, wordt de Staatskas die het rustpensioen uitbetaalt of een aandeel in de lasten ervan draagt, gesubrogeerd in de voordelen inzake pensioen die uit de toepassing van de wetten inzake sociale zekerheid volgen uit hoofde van de in de artikelen 12, 13 en 13bis bedoelde diensten en dit vanaf de datum waarop deze diensten worden in aanmerking genomen om het bedrag ervan vast te stellen.).
§ 3. (Indien de betrokkenen uit hoofde van diensttijd die in uitvoering van artikel 12 en 13bis in aanmerking komt aanspraak kunnen maken op een extra-legale pensioenaanvulling, wordt de Staatskas die het rustpensioen uitbetaalt of een aandeel in de lasten ervan draagt gesubrogeerd in het gedeelte van deze aanvulling dat beantwoordt aan de premies waarvan de last door de werkgever werd gedragen.).
§ 4. (Wanneer artikel 1 van de wet van 5 augustus 1968 werd toegepast uit hoofde van diensttijd die in uitvoering van artikel 12 en 13bis in aanmerking komt, wordt de Staatskas die het overlevingspensioen uitbetaalt of een aandeel in de lasten ervan draagt in voorkomend geval gesubrogeerd in het gedeelte van de extra-legale voordelen waarop de nabestaande aanspraak zou kunnen maken uit hoofde van deze diensttijd en dat beantwoordt aan de premies waarvan de last door de werkgever werd gedragen.)
(§ 5. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in de § 2 bedoelde subrogaties.)
Art.14. § 1. L'article 1 de la loi du 5 août 1968 établissant certaines relations entre les régimes de pension du secteur public et ceux du secteur privé n'est pas applicable du chef des services admis (en vertu des articles 12, 13 et 13bis), si les intéressés ou leurs ayants droit étaient admis au bénéfice de la pension de retraite ou de survie des employés, des ouvriers, des marins ou des travailleurs salariés au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi.<L 1975-05-30, art. 4; MB 15-07-1975>
Si les intéressés ou leurs ayants droit étaient admis au bénéfice de la rente de vieillesse ou de survie, du chef des services précités, au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, l'application des articles 1 et 15 de la loi du 5 août 1968 est subordonnée à l'introduction d'une demande dans le délai fixé par le Roi.
§ 2. (Dans les cas visés au § 1, alinéa 1, le Trésor public qui assume le paiement de la pension de retraite ou supporte la charge d'une quote-part de cette pension est subrogé dans les avantages en matière de pension résultant de l'application des lois de sécurité sociale du chef des services visés aux articles 12, 13 et 13bis à partir de la date à laquelle lesdits services sont pris en considération pour en fixer le montant.)
§ 3. (Si, du chef des services admis en exécution des articles 12 et 13bis, les intéressés peuvent prétendre à un complément de pension extra-légal, le Trésor public qui assume le paiement de la pension de retraite ou supporte la charge d'une quote-part de cette pension est subrogé dans la partie de ce complément découlant des primes dont la charge a été supportée par l'employeur.)
§ 4. (Lorsque, du chef des services admis en exécution des articles 12 et 13bis, il a été fait application de l'article 1 de la loi du 5 août 1968, le Trésor public qui supporte la charge de la pension de survie ou supporte la charge d'une quote-part de cette pension est subrogé, le cas échéant, dans la partie des avantages extra-légaux à laquelle l'ayant droit pourrait prétendre du chef de ces services et découlant des primes dont la charge a été supportée par l'employeur.)
(§ 5. Le Roi détermine les modalités d'application de la subrogation prévue au § 2.)
Si les intéressés ou leurs ayants droit étaient admis au bénéfice de la rente de vieillesse ou de survie, du chef des services précités, au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, l'application des articles 1 et 15 de la loi du 5 août 1968 est subordonnée à l'introduction d'une demande dans le délai fixé par le Roi.
§ 2. (Dans les cas visés au § 1, alinéa 1, le Trésor public qui assume le paiement de la pension de retraite ou supporte la charge d'une quote-part de cette pension est subrogé dans les avantages en matière de pension résultant de l'application des lois de sécurité sociale du chef des services visés aux articles 12, 13 et 13bis à partir de la date à laquelle lesdits services sont pris en considération pour en fixer le montant.)
§ 3. (Si, du chef des services admis en exécution des articles 12 et 13bis, les intéressés peuvent prétendre à un complément de pension extra-légal, le Trésor public qui assume le paiement de la pension de retraite ou supporte la charge d'une quote-part de cette pension est subrogé dans la partie de ce complément découlant des primes dont la charge a été supportée par l'employeur.)
§ 4. (Lorsque, du chef des services admis en exécution des articles 12 et 13bis, il a été fait application de l'article 1 de la loi du 5 août 1968, le Trésor public qui supporte la charge de la pension de survie ou supporte la charge d'une quote-part de cette pension est subrogé, le cas échéant, dans la partie des avantages extra-légaux à laquelle l'ayant droit pourrait prétendre du chef de ces services et découlant des primes dont la charge a été supportée par l'employeur.)
(§ 5. Le Roi détermine les modalités d'application de la subrogation prévue au § 2.)
Art. 14bis. <INGEVOEGD bij W 1975-05-30, art 5; B.S. 15-07-1975> § 1. Wanneer artikel 12 werd toegepast en de instelling van openbaar nut waartoe de betrokkenen behoorden, nadien wordt aangesloten bij de regeling waarin door de wet van 28 april 1958 is voorzien, wordt de last van het door de Staatskas verleende pensioen verdeeld overeenkomstig het bepaalde in de wetten van 28 april 1958 en van 14 april 1965.
§ 2. Wanneer toepassing is gemaakt van artikel 13bis en een instelling van openbaar nut die de bevoegdheid van de afgeschafte instelling geheel of gedeeltelijk heeft overgenomen, nadien toetreedt tot de door de wet van 28 april 1958 ingestelde regeling, wordt de last van het door de Staatskas of de Rijkswerkliedenkas verleende pensioen verdeeld overeenkomstig het bepaalde in de wetten van 28 april 1958 en van 14 april 1965.
Indien de betrokkene in de toegetreden instelling diensttijd heeft doorgebracht die in aanmerking komt, wordt het te verdelen pensioen vooraf herzien met inachtneming van deze tijd.
§ 3. In de bij dit artikel bedoelde gevallen vervallen de bij artikel 14, §§ 2, 3 en 4, voorgeschreven verminderingen, doch worden de artikelen 12 en 13 van de wet van 28 april 1958 toegepast.
§ 2. Wanneer toepassing is gemaakt van artikel 13bis en een instelling van openbaar nut die de bevoegdheid van de afgeschafte instelling geheel of gedeeltelijk heeft overgenomen, nadien toetreedt tot de door de wet van 28 april 1958 ingestelde regeling, wordt de last van het door de Staatskas of de Rijkswerkliedenkas verleende pensioen verdeeld overeenkomstig het bepaalde in de wetten van 28 april 1958 en van 14 april 1965.
Indien de betrokkene in de toegetreden instelling diensttijd heeft doorgebracht die in aanmerking komt, wordt het te verdelen pensioen vooraf herzien met inachtneming van deze tijd.
§ 3. In de bij dit artikel bedoelde gevallen vervallen de bij artikel 14, §§ 2, 3 en 4, voorgeschreven verminderingen, doch worden de artikelen 12 en 13 van de wet van 28 april 1958 toegepast.
Art. 14bis. § 1. Lorsqu'il a été fait application de l'article 12 et qu'ultérieurement l'organisme d'intérêt public dont les intéressés faisaient partie vient à être affilié au régime institué par la loi du 28 avril 1958, il est procédé à une répartition de la charge de la pension allouée par le Trésor public, conformément aux dispositions des lois du 28 avril 1958 et du 14 avril 1965.
§ 2. Lorsqu'il a été fait application de l'article l3bis et qu'ultérieurement un organisme d'intérêt public ayant repris en tout ou en partie les attributions de l'organisme supprimé vient à être affilié au régime institué par la loi du 28 avril 1958, il est procédé à une répartition de la charge de la pension allouée par le Trésor public ou la Caisse des ouvriers de l'Etat, conformément aux dispositions des lois du 28 avril 1958 et du 14 avril 1965.
Si l'intéressé a rendu, dans l'organisme affilié, des services admissibles, la pension à répartir est préalablement révisée, compte tenu desdits services.
§ 3. Dans le cas visé au présent article, il est mis fin aux réductions prévues par l'article 14, §§ 2, 3 et 4, mais il est fait application des articles 12 et 13 de la loi du 28 avril 1958.
§ 2. Lorsqu'il a été fait application de l'article l3bis et qu'ultérieurement un organisme d'intérêt public ayant repris en tout ou en partie les attributions de l'organisme supprimé vient à être affilié au régime institué par la loi du 28 avril 1958, il est procédé à une répartition de la charge de la pension allouée par le Trésor public ou la Caisse des ouvriers de l'Etat, conformément aux dispositions des lois du 28 avril 1958 et du 14 avril 1965.
Si l'intéressé a rendu, dans l'organisme affilié, des services admissibles, la pension à répartir est préalablement révisée, compte tenu desdits services.
§ 3. Dans le cas visé au présent article, il est mis fin aux réductions prévues par l'article 14, §§ 2, 3 et 4, mais il est fait application des articles 12 et 13 de la loi du 28 avril 1958.
HOOFDSTUK IV. - Slot- en opheffingsbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions finales et abrogatoires.
Art.15. Artikel 2 van de wet van 17 februari 1849 dat de wet op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen wijzigt, aangevuld bij het koninklijk besluit nr. 16 van 15 oktober 1934, wordt opgeheven.
Artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 juni 1849 vaststellende de beperkingen binnen welke de verloven aan de ambtenaren en bedienden toegestaan, mogen begrepen worden in de verrekening der pensioenen, aangevuld bij het koninklijk besluit van 15 januari 1898, wordt opgeheven met ingang van 1 augustus 1964.
Artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 juni 1849 vaststellende de beperkingen binnen welke de verloven aan de ambtenaren en bedienden toegestaan, mogen begrepen worden in de verrekening der pensioenen, aangevuld bij het koninklijk besluit van 15 januari 1898, wordt opgeheven met ingang van 1 augustus 1964.
Art.15. L'article 2 de la loi du 17 février 1849 modifiant la loi sur les pensions civiles et ecclésiastiques, complété par l'arrêté royal n° 16 du 15 octobre 1934, est abrogé.
L'article 1 de l'arrêté royal du 23 juin 1849 déterminant les limites dans lesquelles les congés accordés aux fonctionnaires et employés peuvent être compris dans la liquidation des pensions, complété par l'arrêté royal du 15 janvier 1898, est abrogé à partir du 1er août 1964.
L'article 1 de l'arrêté royal du 23 juin 1849 déterminant les limites dans lesquelles les congés accordés aux fonctionnaires et employés peuvent être compris dans la liquidation des pensions, complété par l'arrêté royal du 15 janvier 1898, est abrogé à partir du 1er août 1964.
Art. 16. Deze wet treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die waarin zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
De artikelen 1 tot 7 echter hebben uitwerking met ingang van 1 augustus 1964, behalve wat betreft de tijd doorgebracht in disponibiliteit met een wachtgeld, en artikel 12 heeft uitwerking met ingang van 1 november 1970.
De artikelen 1 tot 7 echter hebben uitwerking met ingang van 1 augustus 1964, behalve wat betreft de tijd doorgebracht in disponibiliteit met een wachtgeld, en artikel 12 heeft uitwerking met ingang van 1 november 1970.
Art. 16. La présente loi entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel elle aura été publiée au Moniteur belge.
Toutefois, les articles 1 à 7 produisent leurs effets le 1er août 1964, sauf en ce qui concerne le temps passé en disponibilité avec jouissance d'un traitement d'attente, et l'article 12 produit ses effets le 1er novembre 1970.
Toutefois, les articles 1 à 7 produisent leurs effets le 1er août 1964, sauf en ce qui concerne le temps passé en disponibilité avec jouissance d'un traitement d'attente, et l'article 12 produit ses effets le 1er novembre 1970.