Artikel 1. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten, alle nuttige maatregelen treffen :
1° om het Nationaal Comité voor de Energie, ingesteld bij het koninklijk besluit van 12 december 1975 houdende instelling van een Nationaal Comité voor de Energie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 november 1977 en dat onder de voogdij van de Minister van Economische Zaken wordt gesteld, de rechtspersoonlijkheid te verlenen;
2° om de opdracht van het Nationaal Comité voor de Energie aan te vullen, zijn samenstelling te wijzigen, alsook de wijze waarop het werkt te bepalen;
3° om de personeelsformatie, het administratief en geldelijk statuut van de leden en van het personeel van het Nationaal Comité voor de Energie vast te leggen en om, met het oog op het onmiddellijk in werking stellen ervan, de Minister van Economische Zaken te machtigen alle nodige schikkingen te nemen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
5 AUGUSTUS 1978. - Wet houdende economische en budgettaire hervormingen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-05-1984 en tekstbijwerking tot 29-07-2025)
Titre
5 AOUT 1978. - Loi de réformes économiques et budgétaires. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-05-1984 et mise à jour au 29-07-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
TITEL I. - ECONOMISCHE EN FINANCIELE HERVORMINGEN.
HOOFDSTUK I. - Hervormingen in de sector van de...
Eerste afdeling. - Advies- en controlecomités.
Afdeling 2. - Hervormingen in de electriciteits...
Afdeling 3. - Andere hervormingen in de energie...
HOOFDSTUK II. - Andere economische hervormingen.
Eerste afdeling. - Diverse bepalingen.
Afdeling 2. - Diverse boekhoudkundige bepalingen.
Afdeling 3. - IJzer- en staalnijverheid.
HOOFDSTUK III. - Financiële hervormingen.
Eerste afdeling. - Organisatie van de bankfunct...
Afdeling 2. - Bankrevisoren.
Afdeling 3. - Regeringsafgevaardigde bij de gro...
TITEL II. - NATIONALE OPVOEDING EN CULTUUR.
TITEL III. - TEWERKSTELLING EN ARBEID.
TITEL IV. - SOCIALE VOORZORG.
TITEL V. - PENSIOENEN.
HOOFDSTUK I. - Maatregelen betreffende de werkn...
Eerste afdeling. - Berekeningswijze van het wer...
Afdeling 2. - Herwaarderingsvergoeding
Afdeling 3. - Toegelaten bezigheid in hoofde va...
Afdeling 4. - Toekenning van zekere bevoegdhede...
Afdeling 5. - Staatstoelagen.
HOOFDSTUK II. - Pensioenen van de openbare sector.
Eerste afdeling. - Maximumbedragen en cumulatie...
Afdeling 2. - Uitbreiding van de tabel der acti...
Afdeling 3. - Maatregelen tot uitvoering van de...
Onderafdeling I. _ Toekenning van een uitgestel...
Onderafdeling II. - Vervroegd pensioen op de le...
Onderafdeling III. - Toekenning van een toelage...
Onderafdeling IV. - Toekenning van een aanvulle...
Onderafdeling V. - Wijzigingen in de wet van 14...
Afdeling 4. - Toekenning van zekere bevoegdhede...
TITEL VI. - DIVERSE BEPALINGEN.
HOOFDSTUK I. - Bijzondere bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Budgettaire bepalingen van alge...
Inhoud
TITRE I. - REFORMES ECONOMIQUES ET FINANCIERES.
CHAPITRE Ier. - Réformes dans le secteur de l'é...
Section 1ère. - Des comités de consultation et ...
Section 2. - Réformes dans les secteurs de l'él...
Section 3. - Autres réformes dans le secteur de...
CHAPITRE II. - Autres réformes économiques.
Section 1ère. - Dispositions diverses.
Section 2. - Dispositions comptables diverses.
Section 3. - La sidérurgie.
CHAPITRE III. - Réformes financières.
Section 1ère. - Organisation de la fonction ban...
Section 2. - Réviseurs de banque.
Section 3. - Délégué du Gouvernement auprès des...
TITRE II. - EDUCATION NATIONALE ET CULTURE.
TITRE III. - EMPLOI ET TRAVAIL.
TITRE IV. - PREVOYANCE SOCIALE.
TITRE V. - PENSIONS.
CHAPITRE Ier. - Mesures relatives aux pensions ...
Section 1ère. - Modalités de calcul de la pensi...
Section 2. - De l'allocation de réévaluation
Section 3. - De l'activité autorisée dans le ch...
Section 4. - Attribution de pouvoirs au Roi en ...
Section 5. - Subventions de l'Etat.
CHAPITRE II. - Pensions du secteur public.
Section 1ère. - Montants maxima et règles de cu...
Section 2. - Extension du tableau des services ...
Section 3. - Mesures d'exécution de la 6e conve...
Sous-Section I. _ Octroi d'une pension différée.
Sous-Section II. _ Pension anticipée à 60 ans d...
Sous-Section III. - Octroi d'une allocation aux...
Sous-Section IV. - Octroi d'un pécule complémen...
Sous-section V. - Modifications à la loi du 14 ...
Section 4. - Attribution de pouvoirs au Roi en ...
TITRE VI. - DISPOSITIONS DIVERSES.
CHAPITRE Ier. - Dispositions particulières.
Chapitre II. - Dispositions budgétaires de natu...
Tekst (141)
Texte (141)
TITEL I. - ECONOMISCHE EN FINANCIELE HERVORMINGEN.
TITRE I. - REFORMES ECONOMIQUES ET FINANCIERES.
HOOFDSTUK I. - Hervormingen in de sector van de energie.
CHAPITRE Ier. - Réformes dans le secteur de l'énergie.
Eerste afdeling. - Advies- en controlecomités.
Section 1ère. - Des comités de consultation et de contrôle.
Article 1. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, prendre toutes les dispositions en vue :
1° d'accorder la personnalité civile au Comité national de l'Energie, institué par l'arrêté royal du 12 décembre 1975 portant création d'un Comité national de l'Energie, modifié par l'arrêté royal du 23 novembre 1977; le Comité national de l'Energie sera placé sous la tutelle du Ministre des Affaires économiques;
2° de compléter la mission du Comité national de l'Energie, de modifier sa composition ainsi que de déterminer ses modalités de fonctionnement;
3° de déterminer le cadre du personnel, le statut administratif et pécuniaire des membres et du personnel du Comité national de l'Energie et d'autoriser le Ministre des Affaires économiques, dans l'optique d'une mise en activité immédiate de ce Comité, à prendre toutes les mesures nécessaires.
1° d'accorder la personnalité civile au Comité national de l'Energie, institué par l'arrêté royal du 12 décembre 1975 portant création d'un Comité national de l'Energie, modifié par l'arrêté royal du 23 novembre 1977; le Comité national de l'Energie sera placé sous la tutelle du Ministre des Affaires économiques;
2° de compléter la mission du Comité national de l'Energie, de modifier sa composition ainsi que de déterminer ses modalités de fonctionnement;
3° de déterminer le cadre du personnel, le statut administratif et pécuniaire des membres et du personnel du Comité national de l'Energie et d'autoriser le Ministre des Affaires économiques, dans l'optique d'une mise en activité immédiate de ce Comité, à prendre toutes les mesures nécessaires.
Art. 2. De Koning kan, na onderhandelingen met de sociaal-economische groepen die in het bestaande Controlecomité voor de Elektriciteit en het Gas vertegenwoordigd zijn, bij in Ministerraad overlegde besluiten alle nuttige maatregelen treffen :
1° om het huidige Controlecomité voor de Elektriciteit en het Gas te hervormen, het rechtspersoonlijkheid te verlenen en het onder de voogdij van de Minister van Economische Zaken te plaatsen;
2° om de opdracht van het in 1° genoemde Controlecomité te bepalen alsook de samenstelling ervan en de wijze waarop het werkt. Deze opdracht moet het mogelijk maken een elektriciteitsbeleid uit te werken dat kadert binnen een globaal energiebeleid;
3° om de personeelsformatie, het administratief en geldelijk statuut van de leden en van het personeel te bepalen alsmede om de kosten van het in 1° bedoelde Controlecomité op te leggen aan de aan zijn controle onderworpen ondernemingen.
1° om het huidige Controlecomité voor de Elektriciteit en het Gas te hervormen, het rechtspersoonlijkheid te verlenen en het onder de voogdij van de Minister van Economische Zaken te plaatsen;
2° om de opdracht van het in 1° genoemde Controlecomité te bepalen alsook de samenstelling ervan en de wijze waarop het werkt. Deze opdracht moet het mogelijk maken een elektriciteitsbeleid uit te werken dat kadert binnen een globaal energiebeleid;
3° om de personeelsformatie, het administratief en geldelijk statuut van de leden en van het personeel te bepalen alsmede om de kosten van het in 1° bedoelde Controlecomité op te leggen aan de aan zijn controle onderworpen ondernemingen.
Art. 2. Après négociations avec les groupes socio-économiques représentés au Comité de contrôle de l'Electricité et du Gaz existant, le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, prendre toutes dispositions en vue :
1° de réformer l'actuel Comité de contrôle de l'Electricité et du Gaz, de lui accorder la personnalité civile et de le placer sous la tutelle du Ministre des Affaires économiques;
2° de déterminer la mission du Comité de contrôle, cité au 1°, ainsi que sa composition et ses modalités de fonctionnement. Cette mission doit permettre d'établir une politique d'électricité qui s'intègre dans une politique globale de l'énergie;
3° de déterminer le cadre du personnel, le statut administratif et pécuniaire des membres et du personnel ainsi que la prise en charge des frais de fonctionnement du Comité de contrôle, cité au 1°, par les entreprises soumises à son contrôle.
1° de réformer l'actuel Comité de contrôle de l'Electricité et du Gaz, de lui accorder la personnalité civile et de le placer sous la tutelle du Ministre des Affaires économiques;
2° de déterminer la mission du Comité de contrôle, cité au 1°, ainsi que sa composition et ses modalités de fonctionnement. Cette mission doit permettre d'établir une politique d'électricité qui s'intègre dans une politique globale de l'énergie;
3° de déterminer le cadre du personnel, le statut administratif et pécuniaire des membres et du personnel ainsi que la prise en charge des frais de fonctionnement du Comité de contrôle, cité au 1°, par les entreprises soumises à son contrôle.
Afdeling 2. - Hervormingen in de electriciteits- en gassector.
Section 2. - Réformes dans les secteurs de l'électricité et du gaz.
Art. 3. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten, alle nuttige maatregelen treffen :
§ 1. Ten einde, met het oog op het verzekeren van de ontplooiingskansen van de ondernemingen van de zuivere openbare sector voor de produktie van elektriciteit in het nationaal uitrustingsprogramma van de middelen tot produktie en groot transport van elektrische energie te voorzien dat aan de ondernemingen van de openbare sector ieder jaar een gedeelte van de geprogrammeerde produktiecapaciteit wordt voorbehouden waardoor een evenwichtiger verdeling mogelijk wordt gemaakt tussen de openbare en de private sector voor de produktie van elektriciteit.
Wanneer de Staat deelneemt aan de ontwikkeling van de bestaande activiteiten of de creatie van nieuwe activiteiten van ondernemingen van de openbare sector, zal dit door de inzake energie gespecialiseerde dochtermaatschappij van de Nationale Investeringsmaatschappij gebeuren.
§ 2. Om het nationaal uitrustingsprogramma van de middelen tot produktie en groot transport van elektrische energie aan de jaarlijkse goedkeuring van de Minister van Economische Zaken te onderwerpen na advies van het Nationaal Comité voor de Energie.
De Minister van Economische Zaken is gehouden zich binnen twee maanden na ontvangst van het advies over het uitrustingsprogramma uit te spreken.
§ 3.
1° om niettegenstaande de statutaire bepalingen betreffende een voorkeurrecht bij kapitaalverhogingen en hierbij rekening houdend met het karakter van openbaar nut van de produktie, het vervoer en de distributie van gas en elektriciteit, de drie belangrijkste vennootschappen naar Belgisch recht die elektriciteit produceren in eigen onderneming of in ondernemingen waarin zij in rechte of in feite de controle uitoefenen, te verplichten bij iedere verhoging van het maatschappelijk kapitaal door nieuwe inbreng of ermee verwante operaties bij voorkeur aan de inzake energie gespecialiseerde dochtermaatschappij van de Nationale Investeringsmaatschappij die handelt voor rekening van de Staat een aanbod te doen voor inschrijving op een vierde van de nieuwe inbreng, onder dezelfde voorwaarden als voor de oude aandeelhouders alsmede de modaliteiten voor te schrijven volgens welke het aanbod aan de Staat zal bekendgemaakt worden.
De drie belangrijkste vennootschappen zullen bepaald worden in functie van de geproduceerde hoeveelheid kilowattuur zowel in hun eigen ondernemingen als in de ondernemingen waarin zij in rechte of in feite de controle uitoefenen.
2° om, ongeacht het aandeel van de inzake energie gespecialiseerde dochtermaatschappij van de Nationale Investeringsmaatschappij in het maatschappelijk kapitaal van de in 1° bedoelde vennootschappen, de Staat één of meer afgevaardigden te laten aanwijzen, die zitting hebben in de raad van beheer en van de eventuele directieorganen met het oog op de vertegenwoordiging van het algemeen belang.
Deze afgevaardigden beschikken over een opschortingsrecht inzake de beslissingen van de raad van beheer en van de eventuele directieorganen wanneer deze beslissingen betrekking hebben op materies die onder de bevoegdheid vallen van het Nationaal Comité voor de Energie. Dit opschortingsrecht zal in de tijd beperkt zijn en uitgeoefend worden volgens nader te omschrijven modaliteiten.
3° om in iedere vennootschap, opgericht of op te richten door de in 1° bedoelde vennootschappen, en die de planning en het beheer van het elektrische net alsmede de oprichting of exploitatie van het transport van elektrische energie tot doel heeft, met inbegrip van het wetenschappelijk speurwerk, een afgevaardigde in de raad van beheer en in de directieorganen door de Staat te laten benoemen. Deze afgevaardigde bezit tevens het onder lid 2 van 2° vermelde opschortingsrecht.
4° teneinde een termijn voor te schrijven waarin de statuten van de in 1° bedoelde vennootschappen moeten aangepast worden;
§ 4.
1° om, gelet op het openbaar nut van de activiteit, verricht door de naamloze vennootschap "Distrigaz" waarvan de zetel te 1040 Brussel, Kunstlaan 31, is gevestigd en welke in het handelsregister van Brussel onder het nr 34.991 is ingeschreven, de Staat ertoe te machtigen een deelneming van tenminste 50 % te verwerven in het kapitaal van deze vennootschap en om te voorzien dat de Staat deze deelneming geheel of gedeeltelijk afstaat aan de Nationale Investeringsmaatschappij of aan één der dochtermaatschappijen;
2° om een bijvoegsel toe te voegen aan het protocol van overeenkomst tussen de Belgische Staat en de voornaamste aandeelhouders van Distrigaz, afgesloten op 23 maart 1977, met het oog op het verzekeren van een overwicht van de openbare sector;
3° om de Staat ertoe te machtigen een uitsluitende concessie voor het vervoer, de opslag en de voorziening van aardgas in België in te brengen in Distrigaz;
4° om een regeringscommissaris aan te wijzen die bij het uitoefenen van zijn ambt bij Distrigaz beschikt over de in artikelen 9 en 10 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, opgesomde bevoegdheden;
§ 5. Om de rationalisering van de distributiesector van het gas en de elektriciteit mogelijk te maken waarbij zal worden uitgegaan van de volgende twee principes :
a) grotere invloed van de gemeentelijke overheid in de distributieëntiteiten;
b) geografische homogeniteit van deze entiteiten.
§ 1. Ten einde, met het oog op het verzekeren van de ontplooiingskansen van de ondernemingen van de zuivere openbare sector voor de produktie van elektriciteit in het nationaal uitrustingsprogramma van de middelen tot produktie en groot transport van elektrische energie te voorzien dat aan de ondernemingen van de openbare sector ieder jaar een gedeelte van de geprogrammeerde produktiecapaciteit wordt voorbehouden waardoor een evenwichtiger verdeling mogelijk wordt gemaakt tussen de openbare en de private sector voor de produktie van elektriciteit.
Wanneer de Staat deelneemt aan de ontwikkeling van de bestaande activiteiten of de creatie van nieuwe activiteiten van ondernemingen van de openbare sector, zal dit door de inzake energie gespecialiseerde dochtermaatschappij van de Nationale Investeringsmaatschappij gebeuren.
§ 2. Om het nationaal uitrustingsprogramma van de middelen tot produktie en groot transport van elektrische energie aan de jaarlijkse goedkeuring van de Minister van Economische Zaken te onderwerpen na advies van het Nationaal Comité voor de Energie.
De Minister van Economische Zaken is gehouden zich binnen twee maanden na ontvangst van het advies over het uitrustingsprogramma uit te spreken.
§ 3.
1° om niettegenstaande de statutaire bepalingen betreffende een voorkeurrecht bij kapitaalverhogingen en hierbij rekening houdend met het karakter van openbaar nut van de produktie, het vervoer en de distributie van gas en elektriciteit, de drie belangrijkste vennootschappen naar Belgisch recht die elektriciteit produceren in eigen onderneming of in ondernemingen waarin zij in rechte of in feite de controle uitoefenen, te verplichten bij iedere verhoging van het maatschappelijk kapitaal door nieuwe inbreng of ermee verwante operaties bij voorkeur aan de inzake energie gespecialiseerde dochtermaatschappij van de Nationale Investeringsmaatschappij die handelt voor rekening van de Staat een aanbod te doen voor inschrijving op een vierde van de nieuwe inbreng, onder dezelfde voorwaarden als voor de oude aandeelhouders alsmede de modaliteiten voor te schrijven volgens welke het aanbod aan de Staat zal bekendgemaakt worden.
De drie belangrijkste vennootschappen zullen bepaald worden in functie van de geproduceerde hoeveelheid kilowattuur zowel in hun eigen ondernemingen als in de ondernemingen waarin zij in rechte of in feite de controle uitoefenen.
2° om, ongeacht het aandeel van de inzake energie gespecialiseerde dochtermaatschappij van de Nationale Investeringsmaatschappij in het maatschappelijk kapitaal van de in 1° bedoelde vennootschappen, de Staat één of meer afgevaardigden te laten aanwijzen, die zitting hebben in de raad van beheer en van de eventuele directieorganen met het oog op de vertegenwoordiging van het algemeen belang.
Deze afgevaardigden beschikken over een opschortingsrecht inzake de beslissingen van de raad van beheer en van de eventuele directieorganen wanneer deze beslissingen betrekking hebben op materies die onder de bevoegdheid vallen van het Nationaal Comité voor de Energie. Dit opschortingsrecht zal in de tijd beperkt zijn en uitgeoefend worden volgens nader te omschrijven modaliteiten.
3° om in iedere vennootschap, opgericht of op te richten door de in 1° bedoelde vennootschappen, en die de planning en het beheer van het elektrische net alsmede de oprichting of exploitatie van het transport van elektrische energie tot doel heeft, met inbegrip van het wetenschappelijk speurwerk, een afgevaardigde in de raad van beheer en in de directieorganen door de Staat te laten benoemen. Deze afgevaardigde bezit tevens het onder lid 2 van 2° vermelde opschortingsrecht.
4° teneinde een termijn voor te schrijven waarin de statuten van de in 1° bedoelde vennootschappen moeten aangepast worden;
§ 4.
1° om, gelet op het openbaar nut van de activiteit, verricht door de naamloze vennootschap "Distrigaz" waarvan de zetel te 1040 Brussel, Kunstlaan 31, is gevestigd en welke in het handelsregister van Brussel onder het nr 34.991 is ingeschreven, de Staat ertoe te machtigen een deelneming van tenminste 50 % te verwerven in het kapitaal van deze vennootschap en om te voorzien dat de Staat deze deelneming geheel of gedeeltelijk afstaat aan de Nationale Investeringsmaatschappij of aan één der dochtermaatschappijen;
2° om een bijvoegsel toe te voegen aan het protocol van overeenkomst tussen de Belgische Staat en de voornaamste aandeelhouders van Distrigaz, afgesloten op 23 maart 1977, met het oog op het verzekeren van een overwicht van de openbare sector;
3° om de Staat ertoe te machtigen een uitsluitende concessie voor het vervoer, de opslag en de voorziening van aardgas in België in te brengen in Distrigaz;
4° om een regeringscommissaris aan te wijzen die bij het uitoefenen van zijn ambt bij Distrigaz beschikt over de in artikelen 9 en 10 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, opgesomde bevoegdheden;
§ 5. Om de rationalisering van de distributiesector van het gas en de elektriciteit mogelijk te maken waarbij zal worden uitgegaan van de volgende twee principes :
a) grotere invloed van de gemeentelijke overheid in de distributieëntiteiten;
b) geografische homogeniteit van deze entiteiten.
Art. 3. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, prendre toutes les dispositions :
§ 1. En vue d'assurer les possibilités du développement des entreprises du secteur public pur de production d'électricité et d'atteindre l'objectif d'une répartition plus équilibrée entre la production d'électricité du secteur public et celle du secteur privé, réserver chaque année aux entreprises du secteur public, et dans le programme national d'équipement des moyens de production et de grand transport d'énergie électrique, une part de capacité de production à créer.
Lorsque l'Etat participe au développement d'activités existantes ou à la création de nouvelles activités des entreprises du secteur public, sa participation se fera par la filiale de la Société nationale d'investissement spécialisée en matière d'énergie.
§ 2. En vue de soumettre le programme national d'équipement des moyens de production et de grand transport d'énergie électrique à l'approbation annuelle du Ministre des Affaires économiques après avis du Comité national de l'Energie.
Le Ministre des Affaires économiques est tenu de se prononcer sur le programme d'équipement dans les deux mois de la réception de l'avis.
§ 3.
1° en vue d'obliger les trois plus grandes sociétés de droit belge qui produisent de l'électricité dans leur propre entreprise et dans les entreprises sur lesquelles elles exercent un contrôle de droit ou de fait, et nonobstant les dispositions statutaires relatives à un droit de préférence en cas d'augmentation de capital et compte tenu du caractère d'intérêt public de la production, du transport et de la distribution du gaz et de l'électricité, à faire à la filiale de la Société nationale d'investissement spécialisée en matière d'énergie agissant pour le compte de l'Etat pour chaque augmentation du capital social effectuée au moyen d'apports nouveaux ou opérations similaires, une offre préférentielle de souscription pour un quart des nouveaux apports, aux mêmes conditions que celles offertes aux anciens actionnaires et de déterminer les modalités selon lesquelles l'Etat sera informé de cette offre.
Les trois plus grandes sociétés seront déterminées en fonction de la quantité de kilowattheures produits tant dans leurs propres entreprises que dans les entreprises sur lesquelles elles exercent un contrôle de droit ou de fait.
2° en vue de faire désigner par l'Etat, quelle que soit la part de la filiale de la Société nationale d'investissement spécialisée en matière d'énergie dans le capital social des sociétés visées au 1°, un ou plusieurs délégués au conseil d'administration et au sein des organes de gestion éventuels afin de défendre l'intérêt général.
Ces délégués disposent d'un droit de suspendre les décisions du conseil d'administration et des organes de gestion éventuels lorsqu'elles portent sur des matières de la compétence du Comité national de l'Energie. Ce droit de suspension sera limité dans le temps et exercé selon des modalités à définir.
3° en vue de faire nommer un délégué de l'Etat au sein du conseil d'administration et auprès des organes de direction de chaque société, créée ou à créer par les sociétés visées au 1°, et ayant pour but la planification et la gestion du réseau électrique ainsi que l'édification ou l'exploitation des moyens de transport de l'énergie électrique, en ce compris la recherche. Ce délégué a un droit de suspension comme décrit au deuxième alinéa du 2°.
4° en vue de déterminer le délai dans lequel les statuts des sociétés, visées au 1°, devront être adaptés;
§ 4.
1° en vue, eu égard au caractère d'intérêt public de la société anonyme " Distrigaz " sise à 1040 Bruxelles, avenue des Arts, 31, immatriculée au registre du commerce de Bruxelles sous le n° 34.991, d'autoriser l'Etat à prendre une participation d'au moins 50 % dans le capital de cette société et de céder tout ou partie de cette participation à la Société nationale d'investissement ou à une de ses filiales;
2° en vue d'établir un avenant au protocole d'accord signé en date du 23 mars 1977 entre l'Etat belge et les principaux actionnaires de Distrigaz afin d'assurer la prépondérance du secteur public;
3° en vue d'autoriser l'Etat à octroyer à la société Distrigaz une concession exclusive pour le transport, le stockage et l'approvisionnement de gaz naturel en Belgique;
4° en vue de désigner un commissaire du Gouvernement qui, pour l'exercice de ses fonctions auprès de Distrigaz, dispose des pouvoirs énoncés aux articles 9 et 10 de la loi du 16 mars 1954 concernant le contrôle de certains organismes d'intérêt public;
§ 5. En vue de permettre la rationalisation du secteur de la distribution de gaz et d'électricité en s'inspirant des deux principes suivants :
a)accroissement de l'influence des pouvoirs communaux dans les entités de distribution;
b) homogénéité géographique de ces entités.
§ 1. En vue d'assurer les possibilités du développement des entreprises du secteur public pur de production d'électricité et d'atteindre l'objectif d'une répartition plus équilibrée entre la production d'électricité du secteur public et celle du secteur privé, réserver chaque année aux entreprises du secteur public, et dans le programme national d'équipement des moyens de production et de grand transport d'énergie électrique, une part de capacité de production à créer.
Lorsque l'Etat participe au développement d'activités existantes ou à la création de nouvelles activités des entreprises du secteur public, sa participation se fera par la filiale de la Société nationale d'investissement spécialisée en matière d'énergie.
§ 2. En vue de soumettre le programme national d'équipement des moyens de production et de grand transport d'énergie électrique à l'approbation annuelle du Ministre des Affaires économiques après avis du Comité national de l'Energie.
Le Ministre des Affaires économiques est tenu de se prononcer sur le programme d'équipement dans les deux mois de la réception de l'avis.
§ 3.
1° en vue d'obliger les trois plus grandes sociétés de droit belge qui produisent de l'électricité dans leur propre entreprise et dans les entreprises sur lesquelles elles exercent un contrôle de droit ou de fait, et nonobstant les dispositions statutaires relatives à un droit de préférence en cas d'augmentation de capital et compte tenu du caractère d'intérêt public de la production, du transport et de la distribution du gaz et de l'électricité, à faire à la filiale de la Société nationale d'investissement spécialisée en matière d'énergie agissant pour le compte de l'Etat pour chaque augmentation du capital social effectuée au moyen d'apports nouveaux ou opérations similaires, une offre préférentielle de souscription pour un quart des nouveaux apports, aux mêmes conditions que celles offertes aux anciens actionnaires et de déterminer les modalités selon lesquelles l'Etat sera informé de cette offre.
Les trois plus grandes sociétés seront déterminées en fonction de la quantité de kilowattheures produits tant dans leurs propres entreprises que dans les entreprises sur lesquelles elles exercent un contrôle de droit ou de fait.
2° en vue de faire désigner par l'Etat, quelle que soit la part de la filiale de la Société nationale d'investissement spécialisée en matière d'énergie dans le capital social des sociétés visées au 1°, un ou plusieurs délégués au conseil d'administration et au sein des organes de gestion éventuels afin de défendre l'intérêt général.
Ces délégués disposent d'un droit de suspendre les décisions du conseil d'administration et des organes de gestion éventuels lorsqu'elles portent sur des matières de la compétence du Comité national de l'Energie. Ce droit de suspension sera limité dans le temps et exercé selon des modalités à définir.
3° en vue de faire nommer un délégué de l'Etat au sein du conseil d'administration et auprès des organes de direction de chaque société, créée ou à créer par les sociétés visées au 1°, et ayant pour but la planification et la gestion du réseau électrique ainsi que l'édification ou l'exploitation des moyens de transport de l'énergie électrique, en ce compris la recherche. Ce délégué a un droit de suspension comme décrit au deuxième alinéa du 2°.
4° en vue de déterminer le délai dans lequel les statuts des sociétés, visées au 1°, devront être adaptés;
§ 4.
1° en vue, eu égard au caractère d'intérêt public de la société anonyme " Distrigaz " sise à 1040 Bruxelles, avenue des Arts, 31, immatriculée au registre du commerce de Bruxelles sous le n° 34.991, d'autoriser l'Etat à prendre une participation d'au moins 50 % dans le capital de cette société et de céder tout ou partie de cette participation à la Société nationale d'investissement ou à une de ses filiales;
2° en vue d'établir un avenant au protocole d'accord signé en date du 23 mars 1977 entre l'Etat belge et les principaux actionnaires de Distrigaz afin d'assurer la prépondérance du secteur public;
3° en vue d'autoriser l'Etat à octroyer à la société Distrigaz une concession exclusive pour le transport, le stockage et l'approvisionnement de gaz naturel en Belgique;
4° en vue de désigner un commissaire du Gouvernement qui, pour l'exercice de ses fonctions auprès de Distrigaz, dispose des pouvoirs énoncés aux articles 9 et 10 de la loi du 16 mars 1954 concernant le contrôle de certains organismes d'intérêt public;
§ 5. En vue de permettre la rationalisation du secteur de la distribution de gaz et d'électricité en s'inspirant des deux principes suivants :
a)accroissement de l'influence des pouvoirs communaux dans les entités de distribution;
b) homogénéité géographique de ces entités.
Afdeling 3. - Andere hervormingen in de energiesector.
Section 3. - Autres réformes dans le secteur de l'énergie.
Art. 4. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten, alle nuttige maatregelen treffen :
1° teneinde de verrichtingen in verband met de kernsplijtstofcyclus, zowel voor als na de aanwending van de kernsplijtstof in de kerncentrales, met uitzondering van de activiteiten opgesomd in het hiernavolgende 3°, te laten uitvoeren door een gemengde vennootschap, waarbij de overheidsdeelneming in het kapitaal ten minste 50 % zal belopen en waarin de overheid het overwicht bezit. De werkzaamheden van de splijtstofcyclus slaan, volgens een niet-beperkende opsomming, op de uraniumbevoorrading en -verrijking, desgevallend op de vervaardiging van licht verrijkte uraniumsplijtstof, van splijtstof samengesteld uit een mengsel van oxyden en van plutoniumsplijtstof, op de opwerking van de bestraalde splijtstof en op de conditionering van de afval uit deze operatie voortspruitend; ze omvatten de in het buitenland verrichte contractuele arbeid en het in België uitgevoerde werk;
2° om de in het 1° bedoelde gemengde vennootschap de inrichtingen van Eurochemic te laten verwerven volgens nader te bepalen voorwaarden;
3° om, met het oog op een zo doelmatige en duurzame gemeenschapsbescherming als mogelijk de opslag van de geconditioneerde radio-actieve afval, het lozen van afval, het vervoer van de radio-actieve afval en van verrijkte splijtstof of van plutonium, alsmede van de opslag van splijtbaar plutonium met een concentratiegraad hoger dan 40 % te laten beheren door een zuivere overheidsinstelling. Deze instelling zal tevens bestendig toezicht uitoefenen over alle verrichtingen inzake radio-actieve afval en plutonium en zal bovendien instaan voor het conditioneren van radio-actieve afval uit inrichtingen welke niet over de daartoe geschikte uitrustingen beschikken;
4° om de kosten van de in vorige leden bedoelde verrichtingen alsmede deze met betrekking tot het toegepast wetenschappelijk onderzoek dat rechtstreeks verbonden is met de elektriciteitsproduktie, ten laste te leggen van de ondernemingen die elektriciteit voortbrengen.
1° teneinde de verrichtingen in verband met de kernsplijtstofcyclus, zowel voor als na de aanwending van de kernsplijtstof in de kerncentrales, met uitzondering van de activiteiten opgesomd in het hiernavolgende 3°, te laten uitvoeren door een gemengde vennootschap, waarbij de overheidsdeelneming in het kapitaal ten minste 50 % zal belopen en waarin de overheid het overwicht bezit. De werkzaamheden van de splijtstofcyclus slaan, volgens een niet-beperkende opsomming, op de uraniumbevoorrading en -verrijking, desgevallend op de vervaardiging van licht verrijkte uraniumsplijtstof, van splijtstof samengesteld uit een mengsel van oxyden en van plutoniumsplijtstof, op de opwerking van de bestraalde splijtstof en op de conditionering van de afval uit deze operatie voortspruitend; ze omvatten de in het buitenland verrichte contractuele arbeid en het in België uitgevoerde werk;
2° om de in het 1° bedoelde gemengde vennootschap de inrichtingen van Eurochemic te laten verwerven volgens nader te bepalen voorwaarden;
3° om, met het oog op een zo doelmatige en duurzame gemeenschapsbescherming als mogelijk de opslag van de geconditioneerde radio-actieve afval, het lozen van afval, het vervoer van de radio-actieve afval en van verrijkte splijtstof of van plutonium, alsmede van de opslag van splijtbaar plutonium met een concentratiegraad hoger dan 40 % te laten beheren door een zuivere overheidsinstelling. Deze instelling zal tevens bestendig toezicht uitoefenen over alle verrichtingen inzake radio-actieve afval en plutonium en zal bovendien instaan voor het conditioneren van radio-actieve afval uit inrichtingen welke niet over de daartoe geschikte uitrustingen beschikken;
4° om de kosten van de in vorige leden bedoelde verrichtingen alsmede deze met betrekking tot het toegepast wetenschappelijk onderzoek dat rechtstreeks verbonden is met de elektriciteitsproduktie, ten laste te leggen van de ondernemingen die elektriciteit voortbrengen.
Art. 4. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, prendre toutes les dispositions en vue :
1° de faire gérer les activités du cycle des matières fissiles, en amont et en aval des centrales nucléaires, à l'exception des activités énoncées sous le 3° ci-après, par une société mixte au capital de laquelle les pouvoirs publics participeront pour 50 % au moins et dans laquelle ils disposeront d'une position prépondérante. Les activités du cycle des matières fissiles portent, d'une façon non limitative, sur l'approvisionnement en uranium, sur son enrichissement, le cas échéant sur la fabrication des matières fissiles à uranium faiblement enrichi, des matières fissiles à oxydes mixtes et des matières fissiles au plutonium, sur le retraitement des matières fissiles irradiées et sur le conditionnement des déchets résultant de cette opération; elles concernent des travaux effectués sous contrat à l'étranger et des travaux effectués en Belgique;
2° d'autoriser la société mixte dont question au 1° à acquérir les installations d'Eurochemic selon des modalités à déterminer ultérieurement;
3° de faire gérer, afin d'assurer une protection aussi efficace et durable que possible de la collectivité, le stockage des déchets conditionnés, le rejet des déchets, le transport des déchets radioactifs et des matières fissiles enrichies ou plutonifères, ainsi que le stockage du plutonium fissile à une concentration supérieure à 40 % par un organisme exclusivement public. Cet organisme assurera également la surveillance et le contrôle permanent de toutes les opérations portant sur des déchets radioactifs et sur le plutonium; en outre, il sera chargé d'effectuer le conditionnement des déchets radioactifs provenant d'installations nucléaires ne disposant pas d'équipement pour réaliser toutes ou certaines de ces opérations;
4° de mettre à charge des sociétés de production d'électricité le coût de toutes les opérations citées aux alinéas précédents, de même que celui des opérations de recherche scientifique appliquée qui sont directement liées à la production d'électricité.
1° de faire gérer les activités du cycle des matières fissiles, en amont et en aval des centrales nucléaires, à l'exception des activités énoncées sous le 3° ci-après, par une société mixte au capital de laquelle les pouvoirs publics participeront pour 50 % au moins et dans laquelle ils disposeront d'une position prépondérante. Les activités du cycle des matières fissiles portent, d'une façon non limitative, sur l'approvisionnement en uranium, sur son enrichissement, le cas échéant sur la fabrication des matières fissiles à uranium faiblement enrichi, des matières fissiles à oxydes mixtes et des matières fissiles au plutonium, sur le retraitement des matières fissiles irradiées et sur le conditionnement des déchets résultant de cette opération; elles concernent des travaux effectués sous contrat à l'étranger et des travaux effectués en Belgique;
2° d'autoriser la société mixte dont question au 1° à acquérir les installations d'Eurochemic selon des modalités à déterminer ultérieurement;
3° de faire gérer, afin d'assurer une protection aussi efficace et durable que possible de la collectivité, le stockage des déchets conditionnés, le rejet des déchets, le transport des déchets radioactifs et des matières fissiles enrichies ou plutonifères, ainsi que le stockage du plutonium fissile à une concentration supérieure à 40 % par un organisme exclusivement public. Cet organisme assurera également la surveillance et le contrôle permanent de toutes les opérations portant sur des déchets radioactifs et sur le plutonium; en outre, il sera chargé d'effectuer le conditionnement des déchets radioactifs provenant d'installations nucléaires ne disposant pas d'équipement pour réaliser toutes ou certaines de ces opérations;
4° de mettre à charge des sociétés de production d'électricité le coût de toutes les opérations citées aux alinéas précédents, de même que celui des opérations de recherche scientifique appliquée qui sont directement liées à la production d'électricité.
Art. 5. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten, alle nuttige maatregelen treffen :
1° teneinde de Minister van Economische Zaken toe te laten de produktie in volume op jaarbasis te bepalen van de vennootschappen tot exploitatie van ondergrondse steenkolenvoorraden in de Belgische bodem onafgezien van de door deze vennootschappen eventueel genomen beslissingen;
2° om het ter beschikking stellen van de N.V. Kempense Steenkolenmijnen door de Staat der bedragen ter delging van het exploitatieverlies te laten geschieden onder de vorm van inbrengen in het maatschappelijk kapitaal;
3° om, na onderhandelingen, de statuten van de N.V. Kempense Steenkolenmijnen alsmede de relevante overeenkomsten tussen de Staat en deze vennootschap aan te passen volgens de in de vorige leden opgesomde principes en tevens met het oog op de vertegenwoordiging van de overheid in de bestuursorganen van deze vennootschap;
4° om de directeur-generaal van iedere vennootschap tot exploitatie van ondergrondse steenkolenvoorraden in de Belgische bodem te benoemen.
1° teneinde de Minister van Economische Zaken toe te laten de produktie in volume op jaarbasis te bepalen van de vennootschappen tot exploitatie van ondergrondse steenkolenvoorraden in de Belgische bodem onafgezien van de door deze vennootschappen eventueel genomen beslissingen;
2° om het ter beschikking stellen van de N.V. Kempense Steenkolenmijnen door de Staat der bedragen ter delging van het exploitatieverlies te laten geschieden onder de vorm van inbrengen in het maatschappelijk kapitaal;
3° om, na onderhandelingen, de statuten van de N.V. Kempense Steenkolenmijnen alsmede de relevante overeenkomsten tussen de Staat en deze vennootschap aan te passen volgens de in de vorige leden opgesomde principes en tevens met het oog op de vertegenwoordiging van de overheid in de bestuursorganen van deze vennootschap;
4° om de directeur-generaal van iedere vennootschap tot exploitatie van ondergrondse steenkolenvoorraden in de Belgische bodem te benoemen.
Art. 5. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, prendre toutes les dispositions en vue :
1° d'autoriser le Ministre des Affaires économiques à fixer la production annuelle en volume des sociétés exploitant les réserves charbonnières souterraines du sol belge nonobstant les décisions éventuelles prises par ces sociétés;
2° de mettre à la disposition de la S.A. Kempense Steenkolenmijnen, sous forme d'apports au capital social, les montants destinés par l'Etat à couvrir les pertes d'exploitation;
3° d'adapter, après négociation, les statuts de la S.A. Kempense Steenkolenmijnen ainsi que les conventions passées entre l'Etat et cette société en respectant les principes énoncés aux alinéas précédents et en vue d'une représentation des pouvoirs publics dans les organes de gestion et de direction de cette société;
4° de désigner le directeur général de chaque société exploitant les réserves de charbon souterraines du sous-sol belge.
1° d'autoriser le Ministre des Affaires économiques à fixer la production annuelle en volume des sociétés exploitant les réserves charbonnières souterraines du sol belge nonobstant les décisions éventuelles prises par ces sociétés;
2° de mettre à la disposition de la S.A. Kempense Steenkolenmijnen, sous forme d'apports au capital social, les montants destinés par l'Etat à couvrir les pertes d'exploitation;
3° d'adapter, après négociation, les statuts de la S.A. Kempense Steenkolenmijnen ainsi que les conventions passées entre l'Etat et cette société en respectant les principes énoncés aux alinéas précédents et en vue d'une représentation des pouvoirs publics dans les organes de gestion et de direction de cette société;
4° de désigner le directeur général de chaque société exploitant les réserves de charbon souterraines du sous-sol belge.
Art. 6. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten, alle nuttige maatregelen treffen :
1° om een openbaar orgaan op te richten belast met de aankoop en de stockering van ruwe aardolie en van aardolieprodukten;
2° om de opslag en het aanhouden van de verplichte aan te leggen voorraden van deze produkten te regelen met het oog op het waarborgen van een geregelde bevoorrading op gelijk welk ogenblik;
3° om de wijze van financiering van deze opslag en de opslagmiddelen te bepalen die Hij geheel of gedeeltelijk ten laste kan leggen van de opslagplichtigen.
1° om een openbaar orgaan op te richten belast met de aankoop en de stockering van ruwe aardolie en van aardolieprodukten;
2° om de opslag en het aanhouden van de verplichte aan te leggen voorraden van deze produkten te regelen met het oog op het waarborgen van een geregelde bevoorrading op gelijk welk ogenblik;
3° om de wijze van financiering van deze opslag en de opslagmiddelen te bepalen die Hij geheel of gedeeltelijk ten laste kan leggen van de opslagplichtigen.
Art. 6. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, prendre toutes les dispositions en vue de :
1° de constituer un organisme public d'achat et de stockage de pétrole brut et de produits pétroliers;
2° de réglementer la constitution et le maintien des stocks obligatoires de ces produits afin de garantir leur livraison régulière en tous temps;
3° de déterminer les modalités de financement et les moyens de stockage qu'Il peut mettre entièrement ou partiellement à charge des assujettis au stockage.
1° de constituer un organisme public d'achat et de stockage de pétrole brut et de produits pétroliers;
2° de réglementer la constitution et le maintien des stocks obligatoires de ces produits afin de garantir leur livraison régulière en tous temps;
3° de déterminer les modalités de financement et les moyens de stockage qu'Il peut mettre entièrement ou partiellement à charge des assujettis au stockage.
Art. 7. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten, alle nuttige maatregelen treffen, ten einde een meer rationeel energieverbruik te bestuderen en te organiseren.
Art. 7. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, prendre toutes les dispositions utiles en vue d'étudier et d'organiser une utilisation plus rationnelle de l'énergie.
Art. 8. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten, alle nuttige maatregelen treffen om elk project van vervoer door middel van leidingen van produkten, andere dan water en aardgas, waarvan de lijst zal vastgesteld worden bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, voor onderzoek voor te leggen aan een Nationale Maatschappij der Pijpleidingen, opgericht of op te richten door de Nationale Investeringsmaatschappij en waarin de Staat de meerderheid der aandelen zal bezitten. Deze maatschappij kan, op grond van dit onderzoek, beslissen ofwel zelf het project uit te voeren ofwel de uitvoering ervan aan derden toe te vertrouwen al dan niet met haar medewerking, waarbij zij verder betrokken zal blijven bij het beheer ervan.
Art. 8. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, prendre toutes les dispositions en vue de soumettre pour examen tout projet de transport par canalisations des produits, autres que l'eau et le gaz naturel, dont la liste sera fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, à une Société nationale de transport par canalisations, créée ou à créer par la Société nationale d'investissement et dans laquelle les pouvoirs publics auront une participation majoritaire. Sur base de cet examen, cette Société peut décider soit d'exécuter elle-même le projet, soit d'en confier l'exécution à des tiers, avec ou sans sa collaboration directe, mais en restant concernée par sa gestion.
HOOFDSTUK II. - Andere economische hervormingen.
CHAPITRE II. - Autres réformes économiques.
Eerste afdeling. - Diverse bepalingen.
Section 1ère. - Dispositions diverses.
Art. 9. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten, alle nuttige maatregelen treffen :
1° om het Secretariaat voor Sectorieel Overleg, ingesteld bij het koninklijk besluit van 11 februari 1976 houdende organisatie van het sectorieel beleid en dat onder de voogdij van de Minister van Economische Zaken wordt gesteld, de rechtspersoonlijkheid te verlenen;
2° om de opdracht van het in 1° bedoelde Secretariaat aan te vullen en uit te breiden zodanig dat het Secretariaat zal instaan voor het reconversiebeleid en voor een permanente opvolging van de uitvoering van het vernieuwd industrieel beleid. Het zal bovendien alle initiatieven mogen nemen die het nuttig acht voor de verwezenlijking van dit industrieel beleid en bij het Ministerieel Comité voor Economische en Sociale Coördinatie voorstellen ter uitvoering ervan voorleggen. Het zal tenslotte zijn opdracht en activiteiten in alle economische sectoren en subsectoren mogen uitoefenen;
3° om de procedure in te stellen waarbij de Regering jaarlijks bij het Parlement verslag zal uitbrengen over de werkzaamheden van het in 1° bedoelde Secretariaat;
4° om de personeelsformatie, het administratief en geldelijk statuut van de leden en het personeel van het in 1° bedoelde Secretariaat, alsook de wijze waarop het werkt te bepalen. Bovendien zal in de personeelsformatie rekening worden gehouden met een evenwichtige verdeling onder de verschillende gewesten en zij zal voor advies vooraf aan de Ministeriële Comités voor Gewestelijke Aangelegenheden worden voorgelegd.
1° om het Secretariaat voor Sectorieel Overleg, ingesteld bij het koninklijk besluit van 11 februari 1976 houdende organisatie van het sectorieel beleid en dat onder de voogdij van de Minister van Economische Zaken wordt gesteld, de rechtspersoonlijkheid te verlenen;
2° om de opdracht van het in 1° bedoelde Secretariaat aan te vullen en uit te breiden zodanig dat het Secretariaat zal instaan voor het reconversiebeleid en voor een permanente opvolging van de uitvoering van het vernieuwd industrieel beleid. Het zal bovendien alle initiatieven mogen nemen die het nuttig acht voor de verwezenlijking van dit industrieel beleid en bij het Ministerieel Comité voor Economische en Sociale Coördinatie voorstellen ter uitvoering ervan voorleggen. Het zal tenslotte zijn opdracht en activiteiten in alle economische sectoren en subsectoren mogen uitoefenen;
3° om de procedure in te stellen waarbij de Regering jaarlijks bij het Parlement verslag zal uitbrengen over de werkzaamheden van het in 1° bedoelde Secretariaat;
4° om de personeelsformatie, het administratief en geldelijk statuut van de leden en het personeel van het in 1° bedoelde Secretariaat, alsook de wijze waarop het werkt te bepalen. Bovendien zal in de personeelsformatie rekening worden gehouden met een evenwichtige verdeling onder de verschillende gewesten en zij zal voor advies vooraf aan de Ministeriële Comités voor Gewestelijke Aangelegenheden worden voorgelegd.
Art. 9. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, prendre toutes les dispositions en vue :
1° d'accorder la personnalité civile au Secrétariat à la concertation sectorielle, créé par arrêté royal du 11 février 1976 portant organisation d'une politique sectorielle et placé sous la tutelle du Ministre des Affaires économiques;
2° de compléter et modifier la mission du Secrétariat cité au 1° de façon telle que le Secrétariat répondra de la politique de reconversion ainsi que du suivi de l'exécution de la nouvelle politique industrielle. Il pourra, en outre, développer toute initiative qu'il considérera comme utile à la réalisation de cette politique industrielle et présenter au Comité ministériel de coordination économique et sociale les propositions propres à assurer son exécution. Enfin, il peut remplir sa mission et déployer son activité dans tous les secteurs et sous-secteurs économiques;
3° de prévoir une procédure par laquelle le Gouvernement informera chaque année le Parlement des activités du Secrétariat cité au 1°;
4° de déterminer le cadre du personnel, le statut administratif et pécuniaire des membres et du personnel du secrétariat cité au 1°, ainsi que les modalités de son fonctionnement. En outre le cadre du personnel tiendra compte d'une répartition équilibrée des diverses régions et sera soumis à l'avis préalable des Comités ministériels des Affaires régionales.
1° d'accorder la personnalité civile au Secrétariat à la concertation sectorielle, créé par arrêté royal du 11 février 1976 portant organisation d'une politique sectorielle et placé sous la tutelle du Ministre des Affaires économiques;
2° de compléter et modifier la mission du Secrétariat cité au 1° de façon telle que le Secrétariat répondra de la politique de reconversion ainsi que du suivi de l'exécution de la nouvelle politique industrielle. Il pourra, en outre, développer toute initiative qu'il considérera comme utile à la réalisation de cette politique industrielle et présenter au Comité ministériel de coordination économique et sociale les propositions propres à assurer son exécution. Enfin, il peut remplir sa mission et déployer son activité dans tous les secteurs et sous-secteurs économiques;
3° de prévoir une procédure par laquelle le Gouvernement informera chaque année le Parlement des activités du Secrétariat cité au 1°;
4° de déterminer le cadre du personnel, le statut administratif et pécuniaire des membres et du personnel du secrétariat cité au 1°, ainsi que les modalités de son fonctionnement. En outre le cadre du personnel tiendra compte d'une répartition équilibrée des diverses régions et sera soumis à l'avis préalable des Comités ministériels des Affaires régionales.
Art. 10. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten, wijzigingen aanbrengen in de bestaande wetgeving en reglementering ten einde, bij ontstentenis van een ondernemingsraad, de syndicale afvaardiging door het ondernemingshoofd te laten inlichten over iedere vorm van aan de onderneming toegekende overheidstegemoetkoming. Deze voorlichting zal betrekking hebben op de aard en de omvang van de ontvangen tegemoetkomingen, op de eraan verbonden voorwaarden en op de bestemming die de tegemoetkomingen hebben gekregen. Bovendien zal de syndicale afvaardiging halfjaarlijks door het ondernemingshoofd worden ingelicht inzake de uitvoering van het programma waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.
Art. 10. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, apporter des modifications à la législation et réglementation existantes en vue d'informer par le biais du chef d'entreprise la délégation syndicale, à défaut du conseil d'entreprise, de toute forme d'aide reçue des pouvoirs publics par l'entreprise. Cette information portera sur la nature et l'étendue des aides reçues, les conditions dans lesquelles elles ont été accordées et l'affectation qui a été donnée à ces aides. Le chef d'entreprise informera, en outre, semestriellement la délégation syndicale de l'exécution du programme auquel l'aide se rapporte.
Art. 11. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Ministeriële Comités voor Gewestelijke Aangelegenheden, wijzigingen aanbrengen in de artikelen 8, 13 en 15 van de wet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en de economische decentralisatie die voortvloeien uit de bepalingen die de wet van 2 april 1962 tot oprichting van een Nationale Investeringsmaatschappij en van erkende Gewestelijke Investeringsmaatschappijen wijzigen.
Art. 11. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, et après avis des Comités Ministériels des Affaires régionales, apporter des modifications aux articles 8, 13 et 15 de la loi du 15 juillet 1970 portant organisation de la planification et de la décentralisation économique qui découlent des dispositions modifiant la loi du 2 avril 1962 relative à une Société nationale d'investissement et à des Sociétés régionales d'investissement agréées.
Art. 12. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, alle nuttige maatregelen treffen om een Fonds voor Industriële Vernieuwing op te richten dat ingeschreven wordt in Titel IV van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en om de werking, de stijving en het optreden ervan te regelen.
Art. 12. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, prendre toutes les dispositions en vue de créer un Fonds de rénovation industrielle qui sera inscrit au Titre IV du budget du Ministère des Affaires économiques et de déterminer les modalités de fonctionnement, de financement et d'intervention de ce Fonds.
Afdeling 2. - Diverse boekhoudkundige bepalingen.
Section 2. - Dispositions comptables diverses.
Art. 13. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten, alle nuttige maatregelen treffen ten einde de normen aangaande de boekhouding en de jaarrekeningen die opgenomen zijn in de diverse statuten van openbare instellingen en ondernemingen in overeenstemming te brengen met de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen alsmede met haar uitvoeringsbesluiten.
Art. 13. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, prendre toutes les dispositions en vue de mettre en concordance les normes relatives à la comptabilité et aux comptes annuels prévues par les différents statuts des organismes publics avec la loi du 17 juillet 1975 sur la comptabilité et les comptes annuels des entreprises ainsi qu'avec ses arrêtés d'exécution.
Art. 14. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wijzigingen aanbrengen in de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen ten einde een vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten te verwezenlijken, bepaalde concrete problemen op te lossen die in verband met de toepassing van de wet gerezen zijn, een juistere redactie van sommige artikelen van de wet mogelijk te maken, de voorziene strafsancties te verminderen ingeval de inbreuk zonder bedrieglijk oogmerk is gepleegd, en de burgerlijke aansprakelijkheid voor de geldboete tot alle ondernemingen uit te breiden.
Art. 14. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, apporter des modifications à la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité et aux comptes annuels des entreprises, en vue d'une simplification des formalités administratives, de la solution de certains problèmes concrets d'application de cette loi, d'une rédaction plus adéquate de certains de ses articles, d'une réduction des sanctions pénales au cas où l'infraction a été commise sans intention frauduleuse, et de l'extension à l'ensemble des entreprises de la responsabilité civile en matière d'amende.
Afdeling 3. - IJzer- en staalnijverheid.
Section 3. - La sidérurgie.
Art. 15. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten, alle nuttige maatregelen treffen :
1° teneinde een Nationaal Comité voor Planning en Controle van IJzer- en Staalnijverheid op te richten alsook de opdracht, de samenstelling, het secretariaat en de werking ervan te bepalen;
2° om de Staat te machtigen in te tekenen op effecten of deelbewijzen van vennootschappen, actief in de staalsector, en van alle ermee verwante vennootschappen alsook deze aan te kopen.
1° teneinde een Nationaal Comité voor Planning en Controle van IJzer- en Staalnijverheid op te richten alsook de opdracht, de samenstelling, het secretariaat en de werking ervan te bepalen;
2° om de Staat te machtigen in te tekenen op effecten of deelbewijzen van vennootschappen, actief in de staalsector, en van alle ermee verwante vennootschappen alsook deze aan te kopen.
Art. 15. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, prendre toutes les dispositions en vue :
1° de créer un Comité National de planification et de contrôle de la sidérurgie et de déterminer sa mission, sa composition, son secrétariat et ses modalités de fonctionnement;
2° d'autoriser l'Etat à souscrire et à acquérir des titres ou parts des sociétés sidérurgiques et de toutes sociétés apparentées aux sociétés sidérurgiques.
1° de créer un Comité National de planification et de contrôle de la sidérurgie et de déterminer sa mission, sa composition, son secrétariat et ses modalités de fonctionnement;
2° d'autoriser l'Etat à souscrire et à acquérir des titres ou parts des sociétés sidérurgiques et de toutes sociétés apparentées aux sociétés sidérurgiques.
HOOFDSTUK III. - Financiële hervormingen.
CHAPITRE III. - Réformes financières.
Eerste afdeling. - Organisatie van de bankfunctie in de openbare kredietsector.
Section 1ère. - Organisation de la fonction bancaire dans le secteur public de crédit
Art. 16. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, alle nuttige maatregelen treffen, ten einde in de openbare kredietsector de bankfunctie in haar volledige uitoefening in te voeren.
Bij de uitoefening van deze bankfunctie zullen dezelfde concurrentievoorwaarden gelden als voor de privé-banken.
Bij de uitoefening van deze bankfunctie zullen dezelfde concurrentievoorwaarden gelden als voor de privé-banken.
Art. 16. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, prendre toutes mesures utiles en vue d'introduire dans le secteur public du crédit, la fonction bancaire dans son plein exercice.
Pour l'exercice de cette fonction bancaire, les mêmes conditions de concurrence que celles qui existent pour les banques privées sont d'application.
Pour l'exercice de cette fonction bancaire, les mêmes conditions de concurrence que celles qui existent pour les banques privées sont d'application.
Afdeling 2. - Bankrevisoren.
Section 2. - Réviseurs de banque.
Art. 17. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, alle maatregelen treffen om het stelsel van de door de Bankcommissie erkende revisoren bij de banken en de andere kredietinstellingen te organiseren en de bevoegdheden van de Bankcommissie terzake vast te stellen, inzonderheid betreffende aanwijzing, bezoldiging en onverenigbaarheden.
Art. 17. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, prendre toutes les dispositions en vue d'organiser le régime de réviseurs agréés par la Commission Bancaire auprès des banques et des autres établissements de crédit, et de fixer les pouvoirs de la Commission Bancaire en la matière, notamment en ce qui concerne la désignation, la rémunération et les incompatibilités.
Afdeling 3. - Regeringsafgevaardigde bij de grote banken.
Section 3. - Délégué du Gouvernement auprès des grandes banques.
Art. 18. (opgeheven) <W 1993-03-22/34, art. 153, 014; Inwerkingtreding : 19-04-1993>
Art. 18. (abrogé) <L 1993-03-22/34, art. 153, 014; En vigueur : 19-04-1993>
TITEL II. - NATIONALE OPVOEDING EN CULTUUR.
TITRE II. - EDUCATION NATIONALE ET CULTURE.
Art. 19. § 1.
§ 2. De wet van 16 juli 1970, toekennende rechtspersoonlijkheid aan het "Institut d'enseignement technique supérieur de l'Etat, Ecole supérieure du 3e degré de Traducteurs et Interprètes, à Bruxelles" en aan het Rijkshoger Technisch Instituut, Hogere School van de derde graad voor Vertalers en Tolken te Brussel, wordt uitgebreid tot alle Rijksonderwijsinrichtingen voor hoger onderwijs van het lange type.
§ 2. De wet van 16 juli 1970, toekennende rechtspersoonlijkheid aan het "Institut d'enseignement technique supérieur de l'Etat, Ecole supérieure du 3e degré de Traducteurs et Interprètes, à Bruxelles" en aan het Rijkshoger Technisch Instituut, Hogere School van de derde graad voor Vertalers en Tolken te Brussel, wordt uitgebreid tot alle Rijksonderwijsinrichtingen voor hoger onderwijs van het lange type.
Art. 19. § 1.
§ 2. La loi du 16 juillet 1970, reconnaissant la personnalité civile à l'Institut d'enseignement technique supérieur de l'Etat, Ecole supérieure du 3e degré de Traducteurs et Interprètes à Bruxelles et du "Rijkshoger Technisch Instituut, Hogere School van de derde graad voor Vertalers en Tolken te Brussel" est étendue à toutes les institutions d'enseignement supérieur de type long de l'Etat.
§ 2. La loi du 16 juillet 1970, reconnaissant la personnalité civile à l'Institut d'enseignement technique supérieur de l'Etat, Ecole supérieure du 3e degré de Traducteurs et Interprètes à Bruxelles et du "Rijkshoger Technisch Instituut, Hogere School van de derde graad voor Vertalers en Tolken te Brussel" est étendue à toutes les institutions d'enseignement supérieur de type long de l'Etat.
Art. 20.
Art. 20.
Art. 21. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit :
1° voor de jaren 1979, 1980 en 1981 de stijging van de forfaitaire kostprijs per student van het universitair onderwijs beperken tot ten hoogste de procentuele groei van de lopende uitgaven van de overeenstemmende begroting van Nationale Opvoeding, hoger onderwijs niet inbegrepen;
2° voor het Rijksonderwijs een maximum aantal lestijden en voor het gesubsidieerd onderwijs het maximum aantal gesubsidieerde lestijden per week vaststellen die een leerling of een student mag volgen in het secundair onderwijs met volledig leerplan, het post-secundair onderwijs en het hoger onderwijs van het korte type.
1° voor de jaren 1979, 1980 en 1981 de stijging van de forfaitaire kostprijs per student van het universitair onderwijs beperken tot ten hoogste de procentuele groei van de lopende uitgaven van de overeenstemmende begroting van Nationale Opvoeding, hoger onderwijs niet inbegrepen;
2° voor het Rijksonderwijs een maximum aantal lestijden en voor het gesubsidieerd onderwijs het maximum aantal gesubsidieerde lestijden per week vaststellen die een leerling of een student mag volgen in het secundair onderwijs met volledig leerplan, het post-secundair onderwijs en het hoger onderwijs van het korte type.
Art. 21. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres :
1° limiter, pour les années 1979, 1980 et 1981, la croissance du coût forfaitaire par étudiant de l'enseignement universitaire tout au plus au pourcent de croissance des dépenses courantes du budget correspondant de l'Education nationale, excepté l'enseignement supérieur;
2° fixer, pour l'enseignement de l'Etat, le nombre maximal de périodes et pour l'enseignement subventionné le maximum de périodes subsidiées hebdomadaires que l'élève ou l'étudiant peut suivre dans l'enseignement secondaire de plein exercice, dans l'enseignement post-secondaire et dans l'enseignement supérieur de type court.
1° limiter, pour les années 1979, 1980 et 1981, la croissance du coût forfaitaire par étudiant de l'enseignement universitaire tout au plus au pourcent de croissance des dépenses courantes du budget correspondant de l'Education nationale, excepté l'enseignement supérieur;
2° fixer, pour l'enseignement de l'Etat, le nombre maximal de périodes et pour l'enseignement subventionné le maximum de périodes subsidiées hebdomadaires que l'élève ou l'étudiant peut suivre dans l'enseignement secondaire de plein exercice, dans l'enseignement post-secondaire et dans l'enseignement supérieur de type court.
Art. 22.
Art. 22.
TITEL III. - TEWERKSTELLING EN ARBEID.
TITRE III. - EMPLOI ET TRAVAIL.
Art. 23. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten, wijzigingen aanbrengen :
§ 1.
1° aan de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, artikelen 14, 16, 19, 20, 21, 22, 23 en 24, rekening gehouden met de adviezen nrs 568, 569, 576 en 577 van de Nationale Arbeidsraad, uitgebracht op datum van 19 december 1977 en van 28 februari 1978, en samenhangend met een uitbreiding van het toepassingsgebied van deze wet tot de ondernemingen die tenminste 100 werknemers te werk stellen;
2° aan de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, artikelen 1 en 1bis, rekening gehouden met de voormelde adviezen nrs 568, 576 en 577;
§ 2.
1° aan de besluitwet van 4 november 1946 houdende instelling bij het Ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg van het Algemeen Commissariaat voor de bevordering van de arbeid, met het oog op de overdracht van geheel of van een gedeelte van de opdracht van dit Commissariaat naar de instelling van openbaar nut die opgericht zal worden krachtens artikel 24, 3°, van deze titel;
2° aan de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, met het oog op de aanvulling van de opsomming van de instellingen bepaald in artikel 1 van deze wet, door het vermelden van de instelling die opgericht zal worden krachtens het voornoemde artikel 24, 3°;
§ 3. Aan het decreet van 22 germinal _ 2 floreal jaar XI betreffende de werkhuizen, fabrieken en werkplaatsen, artikelen 9 en 10;
§ 4. Aan de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, ondermeer om de toepassing ervan uit te breiden en beter te verzekeren in het belang van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers;
§ 5. Aan de wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978, hoofdstuk III, met het oog op de aanpassing ervan rekening gehouden met de opgedane ervaring en teneinde het voordeel van het wettelijke brugpensioen uit te breiden tot het contractueel personeel van de openbare diensten onderworpen aan het sociaal zekerheidsstelsel betreffende de tewerkstelling en de werkloosheid;
§ 6. Aan de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, artikel 7, ten einde de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de mogelijkheid te bieden, onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden aan de grensarbeiders een vergoeding toe te kennen om de loonderving te compenseren die voortvloeit uit de schommelingen van de wisselkoers tussen de Belgische en de Franse munt;
§ 7. Aan de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen, artikel 24, ten einde andere financieringswijzen vast te stellen om de lasten te dekken die voortspruiten uit de uitvoering van de opdracht van het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen;
§ 8. Aan de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, teneinde de tekst ervan aan te passen en aan te vullen met het oog op de regionalisatie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
§ 9. Aan de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk ingeval van inbreuk op sommige sociale wetten, artikelen 1 en 11, om de opsomming van de aldaar vermelde inbreuken aan te vullen met deze vastgesteld bij de besluiten genomen krachtens deze titel.
§ 1.
1° aan de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, artikelen 14, 16, 19, 20, 21, 22, 23 en 24, rekening gehouden met de adviezen nrs 568, 569, 576 en 577 van de Nationale Arbeidsraad, uitgebracht op datum van 19 december 1977 en van 28 februari 1978, en samenhangend met een uitbreiding van het toepassingsgebied van deze wet tot de ondernemingen die tenminste 100 werknemers te werk stellen;
2° aan de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, artikelen 1 en 1bis, rekening gehouden met de voormelde adviezen nrs 568, 576 en 577;
§ 2.
1° aan de besluitwet van 4 november 1946 houdende instelling bij het Ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg van het Algemeen Commissariaat voor de bevordering van de arbeid, met het oog op de overdracht van geheel of van een gedeelte van de opdracht van dit Commissariaat naar de instelling van openbaar nut die opgericht zal worden krachtens artikel 24, 3°, van deze titel;
2° aan de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, met het oog op de aanvulling van de opsomming van de instellingen bepaald in artikel 1 van deze wet, door het vermelden van de instelling die opgericht zal worden krachtens het voornoemde artikel 24, 3°;
§ 3. Aan het decreet van 22 germinal _ 2 floreal jaar XI betreffende de werkhuizen, fabrieken en werkplaatsen, artikelen 9 en 10;
§ 4. Aan de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, ondermeer om de toepassing ervan uit te breiden en beter te verzekeren in het belang van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers;
§ 5. Aan de wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978, hoofdstuk III, met het oog op de aanpassing ervan rekening gehouden met de opgedane ervaring en teneinde het voordeel van het wettelijke brugpensioen uit te breiden tot het contractueel personeel van de openbare diensten onderworpen aan het sociaal zekerheidsstelsel betreffende de tewerkstelling en de werkloosheid;
§ 6. Aan de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, artikel 7, ten einde de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de mogelijkheid te bieden, onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden aan de grensarbeiders een vergoeding toe te kennen om de loonderving te compenseren die voortvloeit uit de schommelingen van de wisselkoers tussen de Belgische en de Franse munt;
§ 7. Aan de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen, artikel 24, ten einde andere financieringswijzen vast te stellen om de lasten te dekken die voortspruiten uit de uitvoering van de opdracht van het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen;
§ 8. Aan de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, teneinde de tekst ervan aan te passen en aan te vullen met het oog op de regionalisatie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
§ 9. Aan de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk ingeval van inbreuk op sommige sociale wetten, artikelen 1 en 11, om de opsomming van de aldaar vermelde inbreuken aan te vullen met deze vastgesteld bij de besluiten genomen krachtens deze titel.
Art. 23. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, apporter des modifications :
§ 1.
1° à la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, articles 14, 16, 19, 20, 21, 22, 23 et 24, compte tenu des avis nos 568, 569, 576 et 577 du Conseil national du Travail, émis les 19 décembre 1977 et 28 février 1978, et corrélativement à une extension de son champ d'application aux entreprises occupant au moins 100 travailleurs;
2° à la loi du 10 juin 1952 concernant la santé et la sécurité des travailleurs ainsi que la salubrité du travail et des lieux de travail, articles 1 et 1bis, compte tenu des avis nos 568, 576 et 577 précités;
§ 2.
1° à l'arrêté loi du 4 novembre 1946 instituant au Ministère du Travail et de la Prévoyance sociale le Commissariat général à la promotion du travail, en vue du transfert de tout ou partie de la mission de ce Commissariat à l'organisme d'intérêt public qui sera créé en vertu de l'article 24, 3°, du présent titre;
2° à la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, en vue de compléter l'énumération des organismes figurant en son article 1er par la mention de celui qui sera créé en vertu de l'article 24, 3°, précité;
§ 3. Au décret du 22 germinal _ 2 floréal an XI relatif aux manufactures, fabriques et ateliers, articles 9 et 10;
§ 4. A la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail, en vue notamment d'étendre et de mieux assurer son application dans l'intérêt de la santé et de la sécurité des travailleurs;
§ 5. A la loi du 22 décembre 1977 relative aux propositions budgétaires 1977-1978, chapitre III, en vue de l'aménager compte tenu de l'expérience et d'étendre le bénéfice de la prépension légale au personnel contractuel des services publics assujetti au régime de sécurité sociale relatif à l'emploi et au chômage;
§ 6. A l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, article 7, en vue de permettre à l'Office national de l'Emploi d'octroyer aux travailleurs frontaliers, aux conditions fixées par le Roi, une indemnité compensant la perte de rémunération due aux fluctuations du taux de change entre les monnaies belge et française;
§ 7. A la loi du 16 avril 1963 relative au reclassement social des handicapés, article 24, en vue d'arrêter d'autres modes de financement pour couvrir les charges résultant de l'exécution de la mission du Fonds national de reclassement social des handicapés;
§ 8. A la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale, afin d'en adapter et d'en compléter le texte en vue de la régionalisation de l'Office national de l'Emploi;
§ 9. A la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infraction à certaines lois sociales, articles 1 et 11, en vue de compléter l'énumération des infractions qui y figurent par celles édictées par les arrêtés pris en vertu du présent titre.
§ 1.
1° à la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, articles 14, 16, 19, 20, 21, 22, 23 et 24, compte tenu des avis nos 568, 569, 576 et 577 du Conseil national du Travail, émis les 19 décembre 1977 et 28 février 1978, et corrélativement à une extension de son champ d'application aux entreprises occupant au moins 100 travailleurs;
2° à la loi du 10 juin 1952 concernant la santé et la sécurité des travailleurs ainsi que la salubrité du travail et des lieux de travail, articles 1 et 1bis, compte tenu des avis nos 568, 576 et 577 précités;
§ 2.
1° à l'arrêté loi du 4 novembre 1946 instituant au Ministère du Travail et de la Prévoyance sociale le Commissariat général à la promotion du travail, en vue du transfert de tout ou partie de la mission de ce Commissariat à l'organisme d'intérêt public qui sera créé en vertu de l'article 24, 3°, du présent titre;
2° à la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, en vue de compléter l'énumération des organismes figurant en son article 1er par la mention de celui qui sera créé en vertu de l'article 24, 3°, précité;
§ 3. Au décret du 22 germinal _ 2 floréal an XI relatif aux manufactures, fabriques et ateliers, articles 9 et 10;
§ 4. A la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail, en vue notamment d'étendre et de mieux assurer son application dans l'intérêt de la santé et de la sécurité des travailleurs;
§ 5. A la loi du 22 décembre 1977 relative aux propositions budgétaires 1977-1978, chapitre III, en vue de l'aménager compte tenu de l'expérience et d'étendre le bénéfice de la prépension légale au personnel contractuel des services publics assujetti au régime de sécurité sociale relatif à l'emploi et au chômage;
§ 6. A l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, article 7, en vue de permettre à l'Office national de l'Emploi d'octroyer aux travailleurs frontaliers, aux conditions fixées par le Roi, une indemnité compensant la perte de rémunération due aux fluctuations du taux de change entre les monnaies belge et française;
§ 7. A la loi du 16 avril 1963 relative au reclassement social des handicapés, article 24, en vue d'arrêter d'autres modes de financement pour couvrir les charges résultant de l'exécution de la mission du Fonds national de reclassement social des handicapés;
§ 8. A la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale, afin d'en adapter et d'en compléter le texte en vue de la régionalisation de l'Office national de l'Emploi;
§ 9. A la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infraction à certaines lois sociales, articles 1 et 11, en vue de compléter l'énumération des infractions qui y figurent par celles édictées par les arrêtés pris en vertu du présent titre.
Art. 24. Bij in Ministerraad overlegde besluiten treft de Koning alle nuttige maatregelen ten einde :
1° een leerlingenstatuut op te stellen, rekening gehouden met het advies nr 556 van de Nationale Arbeidsraad, uitgebracht op datum van 15 juli 1977 en de leerovereenkomsten aangegaan onder de voorwaarden bepaald in de reglementen betreffende de voortdurende vorming in de middenstand;
2° de verjaringstermijnen van de strafvordering die zijn ingeschreven, in de sociale wetten te verlengen, zonder dat de duur ervan deze bepaald door artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering kan overschrijden;
3° aan de Belgische Dienst Opvoering Produktiviteit het statuut van instelling van openbaar nut en een paritair beheer te verlenen en haar te stellen onder de voogdij van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
1° een leerlingenstatuut op te stellen, rekening gehouden met het advies nr 556 van de Nationale Arbeidsraad, uitgebracht op datum van 15 juli 1977 en de leerovereenkomsten aangegaan onder de voorwaarden bepaald in de reglementen betreffende de voortdurende vorming in de middenstand;
2° de verjaringstermijnen van de strafvordering die zijn ingeschreven, in de sociale wetten te verlengen, zonder dat de duur ervan deze bepaald door artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering kan overschrijden;
3° aan de Belgische Dienst Opvoering Produktiviteit het statuut van instelling van openbaar nut en een paritair beheer te verlenen en haar te stellen onder de voogdij van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
Art. 24. Par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, le Roi prend toutes les dispositions utiles en vue :
1° de l'élaboration d'un statut de l'apprenti, compte tenu de l'avis n° 556 du Conseil national du Travail émis le 15 juillet 1977 et des contrats d'apprentissage conclus dans les conditions prévues par les règlements relatifs à la formation permanente dans les classes moyennes;
2° de prolonger les délais de prescription de l'action publique figurant dans les lois sociales sans que leur durée puisse dépasser celle figurant à l'article 21 du titre préliminaire du Code de procédure pénale;
3° de donner à l'Office belge pour l'Accroissement de la Productivité le statut d'organisme d'intérêt public et une gestion paritaire et le plaçant sous la tutelle du Ministre de l'Emploi et du Travail.
1° de l'élaboration d'un statut de l'apprenti, compte tenu de l'avis n° 556 du Conseil national du Travail émis le 15 juillet 1977 et des contrats d'apprentissage conclus dans les conditions prévues par les règlements relatifs à la formation permanente dans les classes moyennes;
2° de prolonger les délais de prescription de l'action publique figurant dans les lois sociales sans que leur durée puisse dépasser celle figurant à l'article 21 du titre préliminaire du Code de procédure pénale;
3° de donner à l'Office belge pour l'Accroissement de la Productivité le statut d'organisme d'intérêt public et une gestion paritaire et le plaçant sous la tutelle du Ministre de l'Emploi et du Travail.
Art. 25.
Art. 25.
TITEL IV. - SOCIALE VOORZORG.
TITRE IV. - PREVOYANCE SOCIALE.
Art. 26. § 1. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij en de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wijzigen, aanvullen of aanpassen.
§ 2. De Koning mag eveneens, bij in Ministerraad overlegd besluit, andere wetsbepalingen aanpassen en wijzigen die, hetzij voortvloeien uit de toepassing van de in het eerste lid getroffen bepalingen, hetzij de sociale uitkeringen regelen.
§ 2. De Koning mag eveneens, bij in Ministerraad overlegd besluit, andere wetsbepalingen aanpassen en wijzigen die, hetzij voortvloeien uit de toepassing van de in het eerste lid getroffen bepalingen, hetzij de sociale uitkeringen regelen.
Art. 26. § 1. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier, compléter ou adapter l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande et la loi du 27 juin 1969 portant révision de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
§ 2. Le Roi peut également, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapter et modifier d'autres dispositions légales qui, soit découlent de l'application des mesures prises au § 1, soit organisent les prestations sociales.
§ 2. Le Roi peut également, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapter et modifier d'autres dispositions légales qui, soit découlent de l'application des mesures prises au § 1, soit organisent les prestations sociales.
Art. 27. Bij in Ministerraad overlegd besluit kan de Koning :
§ 1.
1° aan de minder-validen die niet door eigen arbeid onder normale voorwaarden in hun onderhoud kunnen voorzien en die niet over een voldoende inkomen beschikken krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving het recht verzekeren op een aangepast vervangingsinkomen. Dit vervangingsinkomen kan worden aangevuld met een integratietegemoetkoming wanneer de sociale integratie van de minder-valide bijzondere kosten meebrengt of bijzondere voorzieningen vereist;
2° de wetgeving betreffende het inkomen van de minder-validen aanpassen en alle nuttige maatregelen treffen teneinde de tegemoetkomingen aan minder-validen te harmoniseren, aan te passen, te vereenvoudigen en de voorwaarden en de modaliteiten van onderzoek voor de toekenning van deze tegemoetkomingen te bepalen;
3° alle nodige maatregelen treffen om een enkel dossier samen te stellen per minder-valide die een beroep wenst te doen op de door Hem vastgestelde voorzieningen; voor het samenstellen van dat dossier kan de minder-valide zich wenden tot de diensten die onder de door Hem bepaalde voorwaarden zijn erkend;
§ 2. de artikelen 3, 7 en 10 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag wijzigen of aanvullen met het oog op de verruiming van het stelsel wat de bepaling van de bestaansmiddelen, de onderzoeksregelen, de termijnen en de bijzondere toekenningsvoorwaarden betreft;
§ 3. de artikelen 4 en 19 van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor de bejaarden wijzigen of aanvullen om het gewaarborgd inkomen voor de feitelijk gescheiden echtgenoten te regelen;
§ 4.
1° wijzigingen en aanvullingen aanbrengen met het oog op vereenvoudiging en de regularisering, in het algemeen, van de toekenningsvoorwaarden, de verbetering in het bijzonder van de toestand van de verlaten echtgenote en de werkzoekende leerling en de aangepaste voorkoming van de handicap bij geboorte, aan :
a) de artikelen 40, 41, 42, 42bis, 55, 56, 56bis, 56quater, 57, 59, 62, 73bis, 73ter en 97 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders,
b) aan artikel 2 van het koninklijk besluit nr 48 van 24 oktober 1967 betreffende de toekenning van gezinsbijslag aan de gedetineerden,
c) aan de artikelen 2 en 4 van het koninklijk besluit nr 49 van 24 oktober 1967 betreffende de gezinsbijslag voor werklozen;
2° alle maatregelen treffen teneinde in het raam van het huidig stelsel van kinderbijslag voor werknemers een bestemming te geven aan de fondsen in het bezit van de instellingen van kinderbijslag welke zijn samengesteld uit de bij hun leden geïnde bijdragen vóór 1 april 1957 voor de samenstelling of de stijving van het reservefonds;
3° de nodige wijzigingen aanbrengen aan de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ter vereenvoudiging en rationalisering van de financiële structuur van de instellingen voor kinderbijslagen alsook van de administratieve structuur van het stelsel van kinderbijslag voor werknemers;
§ 5. Wijzigingen of aanvullingen aanbrengen in artikel 1 van de besluitwet van 14 april 1945 betreffende het jaarlijks verlof van de ondergrondse mijnwerkers met het oog op het behoud van de verworven rechten in verband met de kosteloze reiskaarten op de door de Nationale Maatschappij van Belgische Spoorwegen oorspronkelijk geëxploiteerde vervangingsautobussen;
§ 6.
1° wijzigingen of aanvullingen aanbrengen :
a) in de artikelen 49 en 63 van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen met het oog op de precisering van de verzekerings- en aangifteplicht,
b) in de artikelen 2, 17, 29 en 46 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten met het oog een oplossing te treffen voor de leerlingen, de werking van de Technische Raad en de sociale zekerheidsbijdrage op de vergoedingen;
2° nieuwe bepalingen invoegen :
a) in de voormelde wet van 10 april 1971 met het oog op de uitbreiding van de bevoegdheid van de controledienst van de verzekeringen;
b) in de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten met het oog op :
aa) het vergoeden van de getroffenen door die ziekten die zich aanbieden voor een geneeskundig onderzoek,
bb) het vaststellen van de rechten van de betrokkenen in geval van overlijden van een rechthebbende op een voordeel van genoemde wetten;
§ 7. de artikelen 19, 23, 70, 72, 97, 100, 106, 146, 154bis en de bepalingen van titel VIII, hoofdstuk I, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering wijzigen en aanvullen met het oog op :
a) een meer rationele en gecoördineerde functionering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering;
b) het toekennen van de machtiging aan het R.I.Z.I.V. om, mits het akkoord van de Minister van Financiën, leningen af te sluiten om een stipte uitbetaling van de prestaties te waarborgen;
c) de invoering van een bijdrage ten laste van de gerechtigden op een rust- of overlevingspensioen ten bate van de sector geneeskundige verzorging van de ziekte- en invaliditeitsverzekering;
§ 8. Artikel 161 van de wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978 wijzigen en aanvullen met het oog op een meer doeltreffende toepassing van de bepalingen betreffende het bijzonder brugpensioen voor bejaarde invaliden bedoeld in afdeling 6 van genoemde wet van 22 december 1977.
§ 1.
1° aan de minder-validen die niet door eigen arbeid onder normale voorwaarden in hun onderhoud kunnen voorzien en die niet over een voldoende inkomen beschikken krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving het recht verzekeren op een aangepast vervangingsinkomen. Dit vervangingsinkomen kan worden aangevuld met een integratietegemoetkoming wanneer de sociale integratie van de minder-valide bijzondere kosten meebrengt of bijzondere voorzieningen vereist;
2° de wetgeving betreffende het inkomen van de minder-validen aanpassen en alle nuttige maatregelen treffen teneinde de tegemoetkomingen aan minder-validen te harmoniseren, aan te passen, te vereenvoudigen en de voorwaarden en de modaliteiten van onderzoek voor de toekenning van deze tegemoetkomingen te bepalen;
3° alle nodige maatregelen treffen om een enkel dossier samen te stellen per minder-valide die een beroep wenst te doen op de door Hem vastgestelde voorzieningen; voor het samenstellen van dat dossier kan de minder-valide zich wenden tot de diensten die onder de door Hem bepaalde voorwaarden zijn erkend;
§ 2. de artikelen 3, 7 en 10 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag wijzigen of aanvullen met het oog op de verruiming van het stelsel wat de bepaling van de bestaansmiddelen, de onderzoeksregelen, de termijnen en de bijzondere toekenningsvoorwaarden betreft;
§ 3. de artikelen 4 en 19 van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor de bejaarden wijzigen of aanvullen om het gewaarborgd inkomen voor de feitelijk gescheiden echtgenoten te regelen;
§ 4.
1° wijzigingen en aanvullingen aanbrengen met het oog op vereenvoudiging en de regularisering, in het algemeen, van de toekenningsvoorwaarden, de verbetering in het bijzonder van de toestand van de verlaten echtgenote en de werkzoekende leerling en de aangepaste voorkoming van de handicap bij geboorte, aan :
a) de artikelen 40, 41, 42, 42bis, 55, 56, 56bis, 56quater, 57, 59, 62, 73bis, 73ter en 97 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders,
b) aan artikel 2 van het koninklijk besluit nr 48 van 24 oktober 1967 betreffende de toekenning van gezinsbijslag aan de gedetineerden,
c) aan de artikelen 2 en 4 van het koninklijk besluit nr 49 van 24 oktober 1967 betreffende de gezinsbijslag voor werklozen;
2° alle maatregelen treffen teneinde in het raam van het huidig stelsel van kinderbijslag voor werknemers een bestemming te geven aan de fondsen in het bezit van de instellingen van kinderbijslag welke zijn samengesteld uit de bij hun leden geïnde bijdragen vóór 1 april 1957 voor de samenstelling of de stijving van het reservefonds;
3° de nodige wijzigingen aanbrengen aan de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ter vereenvoudiging en rationalisering van de financiële structuur van de instellingen voor kinderbijslagen alsook van de administratieve structuur van het stelsel van kinderbijslag voor werknemers;
§ 5. Wijzigingen of aanvullingen aanbrengen in artikel 1 van de besluitwet van 14 april 1945 betreffende het jaarlijks verlof van de ondergrondse mijnwerkers met het oog op het behoud van de verworven rechten in verband met de kosteloze reiskaarten op de door de Nationale Maatschappij van Belgische Spoorwegen oorspronkelijk geëxploiteerde vervangingsautobussen;
§ 6.
1° wijzigingen of aanvullingen aanbrengen :
a) in de artikelen 49 en 63 van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen met het oog op de precisering van de verzekerings- en aangifteplicht,
b) in de artikelen 2, 17, 29 en 46 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten met het oog een oplossing te treffen voor de leerlingen, de werking van de Technische Raad en de sociale zekerheidsbijdrage op de vergoedingen;
2° nieuwe bepalingen invoegen :
a) in de voormelde wet van 10 april 1971 met het oog op de uitbreiding van de bevoegdheid van de controledienst van de verzekeringen;
b) in de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten met het oog op :
aa) het vergoeden van de getroffenen door die ziekten die zich aanbieden voor een geneeskundig onderzoek,
bb) het vaststellen van de rechten van de betrokkenen in geval van overlijden van een rechthebbende op een voordeel van genoemde wetten;
§ 7. de artikelen 19, 23, 70, 72, 97, 100, 106, 146, 154bis en de bepalingen van titel VIII, hoofdstuk I, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering wijzigen en aanvullen met het oog op :
a) een meer rationele en gecoördineerde functionering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering;
b) het toekennen van de machtiging aan het R.I.Z.I.V. om, mits het akkoord van de Minister van Financiën, leningen af te sluiten om een stipte uitbetaling van de prestaties te waarborgen;
c) de invoering van een bijdrage ten laste van de gerechtigden op een rust- of overlevingspensioen ten bate van de sector geneeskundige verzorging van de ziekte- en invaliditeitsverzekering;
§ 8. Artikel 161 van de wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978 wijzigen en aanvullen met het oog op een meer doeltreffende toepassing van de bepalingen betreffende het bijzonder brugpensioen voor bejaarde invaliden bedoeld in afdeling 6 van genoemde wet van 22 december 1977.
Art. 27. Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le Roi peut :
§ 1.
1° assurer aux handicapés ne pouvant pourvoir dans des conditions normales à leur entretien et ne disposant pas d'un revenu suffisant en vertu d'une législation belge ou étrangère, le droit à un revenu de remplacement. Celui-ci peut être complété d'une allocation d'intégration lorsque l'intégration sociale du handicapé engendre des frais spéciaux ou nécessité des prestations spéciales;
2° adapter la législation relative aux revenus des handicapés et prendre toutes les mesures utiles en vue d'harmoniser, d'adapter et de simplifier les allocations aux handicapés et de fixer les conditions et les modalités d'octroi de ces allocations;
3° prendre toutes les mesures en vue de la constitution d'un dossier unique pour chaque handicapé qui désire faire appel aux prestations qu'Il détermine; pour la constitution de ce dossier, le handicapé peut s'adresser aux services agréés selon les modalités qu'Il fixe;
§ 2. Modifier ou compléter les articles 3, 7 et 10 de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, en vue d'élargir le système en ce qui concerne la fixation des ressources et les modalités d'enquête, les délais et les conditions particulières d'octroi;
§ 3. Modifier ou compléter les articles 4 et 19 de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées, en vue de régler le revenu garanti aux conjoints séparés de fait;
§ 4.
1° modifier et compléter en vue de simplifier et de régulariser, en général, les conditions d'octroi des allocations, d'améliorer, en particulier, la situation de la femme abandonnée et de l'apprenti demandeur d'emploi et de renforcer la prévention des handicaps à la naissance :
a) les articles 40, 41, 42, 42bis, 55, 56, 56bis, 56quater, 57, 59, 62, 73bis, 73ter et 97 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés,
b) l'article 2 de l'arrêté royal n° 48 du 24 octobre 1967 relatif à l'octroi de prestations familiales aux détenus,
c) les articles 2 et 4 de l'arrêté royal n° 49 du 24 octobre 1967 relatif aux prestations familiales revenant aux chômeurs;
2° prendre toutes les mesures en vue de donner une destination, dans le cadre du régime actuel d'allocations familiales pour travailleurs salariés, aux fonds en possession des organismes d'allocations familiales, constitués par des cotisations perçues de leurs membres avant le 1er avril 1957 pour la constitution ou l'alimentation du fonds de réserve;
3° apporter aux lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés les modifications nécessaires à la simplification et à la rationalisation de la structure financière des organismes d'allocations familiales ainsi que de la structure administrative du régime d'allocations familiales pour travailleurs salariés;
§ 5. Modifier ou compléter l'article 1er de l'arrêté-loi du 14 avril 1945 sur les congés annuels des ouvriers mineurs du fond en vue de maintenir les droits acquis en matière de titres de transport gratuit sur les autobus de substitution exploités à l'origine par la Société nationale des Chemins de fer belges;
§ 6.
1° modifier ou compléter les :
a) articles 49 et 63 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail en vue de préciser l'obligation d'assurance et de déclaration,
b) articles 2, 17, 29 et 46 des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, en vue de trouver une solution pour les apprentis, le fonctionnement du Conseil technique et les cotisations de sécurité sociale dues sur l'indemnité;
2° insérer des nouvelles dispositions :
a) dans la loi précitée du 10 avril 1971 en vue d'une extension de la compétence de l'Office de contrôle des assurances;
b) dans les lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles en vue :
aa) d'indemniser les victimes de celles-ci qui se présentent à un examen médical,
bb) de fixer les droits des intéressés en cas de décès d'un bénéficiaire d'une prestation prévue par les dites lois;
§ 7. Modifier et compléter les articles 19, 23, 70, 72, 97, 100, 106, 146, 154bis et les dispositions du titre VIII, chapitre 1er de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité en vue :
a) d'un fonctionnement plus rationnel et plus coordonné de l'assurance maladie-invalidité;
b) d'autoriser l'I.N.A.M.I. à contracter des emprunts, moyennant l'accord du Ministre des Finances, afin de garantir le paiement ponctuel des prestations;
c) de l'instauration, à charge des titulaires d'une pension de retraite ou de survie, d'une cotisation au profit du secteur des soins de santé de l'assurance maladie-invalidité;
§ 8. Modifier et compléter l'article 161 de la loi du 22 décembre 1977 relative aux propositions budgétaires 1977-1978, en vue d'une application plus efficace des dispositions relatives à la prépension spéciale pour invalides âgés visés à la section 6 de la loi précitée du 22 décembre 1977.
§ 1.
1° assurer aux handicapés ne pouvant pourvoir dans des conditions normales à leur entretien et ne disposant pas d'un revenu suffisant en vertu d'une législation belge ou étrangère, le droit à un revenu de remplacement. Celui-ci peut être complété d'une allocation d'intégration lorsque l'intégration sociale du handicapé engendre des frais spéciaux ou nécessité des prestations spéciales;
2° adapter la législation relative aux revenus des handicapés et prendre toutes les mesures utiles en vue d'harmoniser, d'adapter et de simplifier les allocations aux handicapés et de fixer les conditions et les modalités d'octroi de ces allocations;
3° prendre toutes les mesures en vue de la constitution d'un dossier unique pour chaque handicapé qui désire faire appel aux prestations qu'Il détermine; pour la constitution de ce dossier, le handicapé peut s'adresser aux services agréés selon les modalités qu'Il fixe;
§ 2. Modifier ou compléter les articles 3, 7 et 10 de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, en vue d'élargir le système en ce qui concerne la fixation des ressources et les modalités d'enquête, les délais et les conditions particulières d'octroi;
§ 3. Modifier ou compléter les articles 4 et 19 de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées, en vue de régler le revenu garanti aux conjoints séparés de fait;
§ 4.
1° modifier et compléter en vue de simplifier et de régulariser, en général, les conditions d'octroi des allocations, d'améliorer, en particulier, la situation de la femme abandonnée et de l'apprenti demandeur d'emploi et de renforcer la prévention des handicaps à la naissance :
a) les articles 40, 41, 42, 42bis, 55, 56, 56bis, 56quater, 57, 59, 62, 73bis, 73ter et 97 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés,
b) l'article 2 de l'arrêté royal n° 48 du 24 octobre 1967 relatif à l'octroi de prestations familiales aux détenus,
c) les articles 2 et 4 de l'arrêté royal n° 49 du 24 octobre 1967 relatif aux prestations familiales revenant aux chômeurs;
2° prendre toutes les mesures en vue de donner une destination, dans le cadre du régime actuel d'allocations familiales pour travailleurs salariés, aux fonds en possession des organismes d'allocations familiales, constitués par des cotisations perçues de leurs membres avant le 1er avril 1957 pour la constitution ou l'alimentation du fonds de réserve;
3° apporter aux lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés les modifications nécessaires à la simplification et à la rationalisation de la structure financière des organismes d'allocations familiales ainsi que de la structure administrative du régime d'allocations familiales pour travailleurs salariés;
§ 5. Modifier ou compléter l'article 1er de l'arrêté-loi du 14 avril 1945 sur les congés annuels des ouvriers mineurs du fond en vue de maintenir les droits acquis en matière de titres de transport gratuit sur les autobus de substitution exploités à l'origine par la Société nationale des Chemins de fer belges;
§ 6.
1° modifier ou compléter les :
a) articles 49 et 63 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail en vue de préciser l'obligation d'assurance et de déclaration,
b) articles 2, 17, 29 et 46 des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, en vue de trouver une solution pour les apprentis, le fonctionnement du Conseil technique et les cotisations de sécurité sociale dues sur l'indemnité;
2° insérer des nouvelles dispositions :
a) dans la loi précitée du 10 avril 1971 en vue d'une extension de la compétence de l'Office de contrôle des assurances;
b) dans les lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles en vue :
aa) d'indemniser les victimes de celles-ci qui se présentent à un examen médical,
bb) de fixer les droits des intéressés en cas de décès d'un bénéficiaire d'une prestation prévue par les dites lois;
§ 7. Modifier et compléter les articles 19, 23, 70, 72, 97, 100, 106, 146, 154bis et les dispositions du titre VIII, chapitre 1er de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité en vue :
a) d'un fonctionnement plus rationnel et plus coordonné de l'assurance maladie-invalidité;
b) d'autoriser l'I.N.A.M.I. à contracter des emprunts, moyennant l'accord du Ministre des Finances, afin de garantir le paiement ponctuel des prestations;
c) de l'instauration, à charge des titulaires d'une pension de retraite ou de survie, d'une cotisation au profit du secteur des soins de santé de l'assurance maladie-invalidité;
§ 8. Modifier et compléter l'article 161 de la loi du 22 décembre 1977 relative aux propositions budgétaires 1977-1978, en vue d'une application plus efficace des dispositions relatives à la prépension spéciale pour invalides âgés visés à la section 6 de la loi précitée du 22 décembre 1977.
Art. 28.
Art. 28.
Art. 29.
Art. 29.
TITEL V. - PENSIOENEN.
TITRE V. - PENSIONS.
HOOFDSTUK I. - Maatregelen betreffende de werknemerspensioenen.
CHAPITRE Ier. - Mesures relatives aux pensions des travailleurs salariés
Eerste afdeling. - Berekeningswijze van het werknemerspensioen.
Section 1ère. - Modalités de calcul de la pension de travailleur salarié
Art. 30. Bij een in Ministerraad overlegd besluit, kan de Koning de wetsbepalingen betreffende de loopbaan welke in aanmerking wordt genomen voor het vaststellen van de pensioenen ten laste van de werknemerspensioenregeling, evenals de wijze van berekening en van herwaardering ervan, wijzigen en aanvullen.
Art. 30. Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le Roi peut modifier et compléter les dispositions légales relatives à la carrière prise en considération pour la fixation des pensions à charge du régime de pension des travailleurs salariés, ainsi que les modalités de calcul et de réévaluation de celles-ci.
Afdeling 2. - Herwaarderingsvergoeding
Section 2. - De l'allocation de réévaluation
Art. 31. Dit artikel heeft uitwerking met ingang van 1 juli 1978.
Art. 31. Le présent article produit ses effets le 1er juillet 1978.
Afdeling 3. - Toegelaten bezigheid in hoofde van de rechthebbenden op een pensioen.
Section 3. - De l'activité autorisée dans le chef des bénéficiaires de pension
Art. 32. De Koning bepaalt wat moet verstaan worden door "beroepsactiviteit" in de zin van de volgende bepalingen :
a) artikelen 4, eerste lid, en 8, § 1, vierde lid, b, van de wet van 21 mei 1955 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor arbeiders;
b) artikelen 5, eerste lid, en 10, § 1, vierde lid, b, van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden;
c) artikelen 10 en 25 van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
d) artikelen 9, § 1, 1°, en 30bis van het koninklijk besluit nr 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor zelfstandigen.
Dit artikel treedt in werking op 1 januari 1979.
a) artikelen 4, eerste lid, en 8, § 1, vierde lid, b, van de wet van 21 mei 1955 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor arbeiders;
b) artikelen 5, eerste lid, en 10, § 1, vierde lid, b, van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden;
c) artikelen 10 en 25 van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
d) artikelen 9, § 1, 1°, en 30bis van het koninklijk besluit nr 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor zelfstandigen.
Dit artikel treedt in werking op 1 januari 1979.
Art. 32. Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par "activité professionnelle" au sens des dispositions suivantes :
a) articles 4, alinéa 1er, et 8, § 1, alinéa 4, b, de la loi du 21 mai 1955 relative à la pension de retraite et de survie des ouvriers;
b) articles 5, alinéa 1er, et 10, § 1, alinéa 4, b, de la loi du 12 juillet 1957 relative à la pension de retraite et de survie des employés;
c) articles 10 et 25 de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;
d) articles 9, § 1, 1°, et 30bis de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants.
Le présent article entre en vigueur le 1er janvier 1979.
a) articles 4, alinéa 1er, et 8, § 1, alinéa 4, b, de la loi du 21 mai 1955 relative à la pension de retraite et de survie des ouvriers;
b) articles 5, alinéa 1er, et 10, § 1, alinéa 4, b, de la loi du 12 juillet 1957 relative à la pension de retraite et de survie des employés;
c) articles 10 et 25 de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;
d) articles 9, § 1, 1°, et 30bis de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants.
Le présent article entre en vigueur le 1er janvier 1979.
Afdeling 4. - Toekenning van zekere bevoegdheden aan de Koning met het oog op het wijzigen of aanvullen van zekere wettelijke bepalingen inzake werknemerspensioenen.
Section 4. - Attribution de pouvoirs au Roi en vue de modifier ou de compléter certaines dispositions légales en matière de pensions des travailleurs salariés
Art. 33. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de wetsbepalingen wijzigen en aanvullen om de steenkolenbedeling en de uitkering in geld toegekend aan bepaalde rechthebbenden op een pensioen ten laste van de werknemerspensioenregeling te vervangen door een verwarmingstoelage, waarvan Hij het bedrag vaststelt en de toekenningsvoorwaarden en de betalingsmodaliteiten bepaalt.
Art. 33. Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le Roi peut modifier et compléter les dispositions légales pour remplacer la fourniture de charbon et l'allocation en espèces, accordées à certains bénéficiaires d'une pension à charge du régime de pensions pour travailleurs salariés, par une allocation de chauffage dont Il fixe le montant et détermine les conditions d'octroi et les modalités de paiement.
Art. 34. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het artikel 21 van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers wijzigen en aanvullen ten einde de voorwaarden en de toekenningsmodaliteiten van de aanpassingsuitkering te omschrijven en de mogelijkheden tot vermindering van het bedrag van het rustpensioen gedurende de periode die verondersteld wordt gedekt te zijn door deze uitkering, opnieuw in te voeren.
Art. 34. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier et compléter l'article 21 de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés en vue de préciser les conditions et les modalités d'octroi de l'indemnité d'adaptation et de rétablir les possibilités de réduction du montant de la pension de retraite pendant la période censée couverte par cette indemnité.
Art. 35. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen, onder de voorwaarden en volgens de door Hem vastgestelde modaliteiten, belasten met de betaling van de achterstallen van renten, bedoeld bij de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, wanneer het pensioen ten laste van de werknemerspensioenregeling is ingegaan.
De Koning kan eveneens, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de modaliteiten bepalen volgens dewelke de verplichtingen van de instellingen, schuldenaars van renten, eventueel worden overgedragen aan de instellingen, die Hij aanduidt.
Bij een in Ministerraad overlegd besluit, kan de Koning de wetsbepalingen wijzigen en aanvullen ten einde ze in overeenstemming te brengen met de in uitvoering van het eerste en het tweede lid getroffen bepalingen.
De Koning kan eveneens, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de modaliteiten bepalen volgens dewelke de verplichtingen van de instellingen, schuldenaars van renten, eventueel worden overgedragen aan de instellingen, die Hij aanduidt.
Bij een in Ministerraad overlegd besluit, kan de Koning de wetsbepalingen wijzigen en aanvullen ten einde ze in overeenstemming te brengen met de in uitvoering van het eerste en het tweede lid getroffen bepalingen.
Art. 35. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, charger la Caisse nationale des pensions de retraite et de survie, dans les conditions et selon les modalités qu'Il détermine, du paiement des arrérages de rentes visées par la loi du 28 mai 1971 réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, lorsque la pension à charge du régime de pension des travailleurs salariés a pris cours.
Le Roi peut également, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, définir les modalités selon lesquelles les obligations des organismes débiteurs de rentes sont éventuellement transférées à l'organisme qu'Il détermine.
Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le Roi peut modifier et compléter les dispositions légales pour les mettre en concordance avec les dispositions prises en exécution des alinéas 1 et 2.
Le Roi peut également, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, définir les modalités selon lesquelles les obligations des organismes débiteurs de rentes sont éventuellement transférées à l'organisme qu'Il détermine.
Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le Roi peut modifier et compléter les dispositions légales pour les mettre en concordance avec les dispositions prises en exécution des alinéas 1 et 2.
Afdeling 5. - Staatstoelagen.
Section 5. - Subventions de l'Etat.
Art. 36.
Art. 36.
Art. 37.
Art. 37.
HOOFDSTUK II. - Pensioenen van de openbare sector.
CHAPITRE II. - Pensions du secteur public.
Eerste afdeling. - Maximumbedragen en cumulatieregelen.
Section 1ère. - Montants maxima et règles de cumuls.
Art. 38. Niettegenstaande elke andere wettelijke, reglementaire of contractuele bepaling, is deze sectie van toepassing :
1° (op de rust- of overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist, met inbegrip van :
- die toegekend aan de personen die hun recht op pensioen putten uit een regeling die in het emeritaat voorziet;
- de pensioenen der gewezen pleitbezorgers;
- de rust-, invaliditeits- of overlevingspensioenen van het gewezen beroepspersoneel van de kaders in Afrika;)
(1°bis op de wettelijke voordelen en op de aanvullende voordelen inzake rustpensioen toegekend aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst;) <W 2004-03-04/36, art. 11, 022; Inwerkingtreding : 01-05-2004>
2° op de rust- of overlevingspensioenen en andere als pensioen geldende voordelen toegekend aan (de personeelsleden, alsmede aan de door de Koning of door de met benoemingsbevoegdheid beklede vergadering benoemde leden van de beheers-, bestuurs- en directieorganen) <W 8-08-1980, art. 229> :
a) van de provinciën, de gemeenten, de agglomeraties van gemeenten, de federaties van gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de commissies voor de cultuur;
b) van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is;
c) van [1 bpost]1;
d) van de Regie voor Maritiem Transport;
e) van de instellingen van openbaar nut waarop de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, van toepassing is;
f) van de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden van toepassing is;
g) van de andere door de Staat, de provinciën en de gemeenten opgerichte instellingen met als oogmerk het algemeen nut, alsmede van de openbare kredietinstellingen, voordien niet bedoeld, en onder welke juridische vorm zij oog mogen zijn tot stand gebracht;
(h) van de geïntegreerde politie;) <W 2002-05-06/31, art. 30, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[2 i) het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO]2
3° op de rust- of overlevingspensioenen toegekend (...) aan de leden van de Bestendige Deputatie, aan de burgemeesters en schepenen, alsmede aan de mandatarissen van de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de verenigingen van gemeenten en andere instellingen, opgericht door de provincies en gemeenten met het oog op het openbaar nut, ongeacht de rechtsvorm waarin ze zijn opgericht, de cultuurcommissies van de Brusselse agglomeratie en de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn. <W 30-12-1982, art. 2, 4, a, Inwerkingtreding : 09-01-1983>
1° (op de rust- of overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist, met inbegrip van :
- die toegekend aan de personen die hun recht op pensioen putten uit een regeling die in het emeritaat voorziet;
- de pensioenen der gewezen pleitbezorgers;
- de rust-, invaliditeits- of overlevingspensioenen van het gewezen beroepspersoneel van de kaders in Afrika;)
(1°bis op de wettelijke voordelen en op de aanvullende voordelen inzake rustpensioen toegekend aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst;) <W 2004-03-04/36, art. 11, 022; Inwerkingtreding : 01-05-2004>
2° op de rust- of overlevingspensioenen en andere als pensioen geldende voordelen toegekend aan (de personeelsleden, alsmede aan de door de Koning of door de met benoemingsbevoegdheid beklede vergadering benoemde leden van de beheers-, bestuurs- en directieorganen) <W 8-08-1980, art. 229> :
a) van de provinciën, de gemeenten, de agglomeraties van gemeenten, de federaties van gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de commissies voor de cultuur;
b) van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is;
c) van [1 bpost]1;
d) van de Regie voor Maritiem Transport;
e) van de instellingen van openbaar nut waarop de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, van toepassing is;
f) van de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden van toepassing is;
g) van de andere door de Staat, de provinciën en de gemeenten opgerichte instellingen met als oogmerk het algemeen nut, alsmede van de openbare kredietinstellingen, voordien niet bedoeld, en onder welke juridische vorm zij oog mogen zijn tot stand gebracht;
(h) van de geïntegreerde politie;) <W 2002-05-06/31, art. 30, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[2 i) het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO]2
3° op de rust- of overlevingspensioenen toegekend (...) aan de leden van de Bestendige Deputatie, aan de burgemeesters en schepenen, alsmede aan de mandatarissen van de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de verenigingen van gemeenten en andere instellingen, opgericht door de provincies en gemeenten met het oog op het openbaar nut, ongeacht de rechtsvorm waarin ze zijn opgericht, de cultuurcommissies van de Brusselse agglomeratie en de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn. <W 30-12-1982, art. 2, 4, a, Inwerkingtreding : 09-01-1983>
Art. 38. La présente section s'applique, nonobstant toute autre disposition légale, réglementaire ou contractuelle :
1° (aux pensions de retraite ou de survie à charge du Trésor public, y compris :
celles allouées aux personnes dont le droit à la pension relève d'un régime prévoyant l'éméritat;
- les pensions des anciens avoués;
- les pensions de retraite, d'invalidité ou de survie des anciens membres du personnel de carrière des cadres d'Afrique;)
(1°bis aux avantages légaux et aux avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public;) <L 2004-03-04/36, art. 11, 022; En vigueur : 01-05-2004>
2° aux pensions de retraite ou de survie et aux avantages en tenant lieu accordés (aux membres du personnel, ainsi qu'aux membres des organes de gestion, d'administration et de direction nommés par le Roi ou par l'assemblée investie du pouvoir de nomination) <L 8-08-1980, art. 229> :
a) des provinces, des communes, des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des associations de communes et des commissions de la culture;
b) des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies institués par l'Etat;
c) de [1 bpost]1;
d) de la Régie des Transports maritimes;
e) des organismes d'intérêt public auxquels est applicable la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public;
f) des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
g) des autres organismes créés par l'Etat, les provinces et les communes dans un but d'utilité publique ainsi que les organismes publics de crédit non visés ci-avant, quelle que soit la forme juridique sous laquelle ils ont été institués;
(h) de la police intégrée;) <L 2002-05-06/31, art. 30, 019; En vigueur : 01-01-2003>
[2 i) le Fonds de pension solidarisé de l'ONSSAPL]2
3° aux pensions de retraite ou de survie accordées (...) aux députés permanents, aux bourgmestres et échevins ainsi qu'aux mandataires des agglomérations, des fédérations de communes, des associations de communes et des autres organismes créés par les provinces et les communes dans un but d'utilité publique, quelle que soit la forme juridique sous laquelle ils ont été institués, des commissions de la culture de l'agglomération bruxelloise et des Centres publics d'aide sociale. <L 30-12-1982, art. 2, 4, a, En vigueur : 09-01-1983>
1° (aux pensions de retraite ou de survie à charge du Trésor public, y compris :
celles allouées aux personnes dont le droit à la pension relève d'un régime prévoyant l'éméritat;
- les pensions des anciens avoués;
- les pensions de retraite, d'invalidité ou de survie des anciens membres du personnel de carrière des cadres d'Afrique;)
(1°bis aux avantages légaux et aux avantages complémentaires en matière de pension de retraite accordés aux personnes qui ont été désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public;) <L 2004-03-04/36, art. 11, 022; En vigueur : 01-05-2004>
2° aux pensions de retraite ou de survie et aux avantages en tenant lieu accordés (aux membres du personnel, ainsi qu'aux membres des organes de gestion, d'administration et de direction nommés par le Roi ou par l'assemblée investie du pouvoir de nomination) <L 8-08-1980, art. 229> :
a) des provinces, des communes, des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des associations de communes et des commissions de la culture;
b) des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies institués par l'Etat;
c) de [1 bpost]1;
d) de la Régie des Transports maritimes;
e) des organismes d'intérêt public auxquels est applicable la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public;
f) des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
g) des autres organismes créés par l'Etat, les provinces et les communes dans un but d'utilité publique ainsi que les organismes publics de crédit non visés ci-avant, quelle que soit la forme juridique sous laquelle ils ont été institués;
(h) de la police intégrée;) <L 2002-05-06/31, art. 30, 019; En vigueur : 01-01-2003>
[2 i) le Fonds de pension solidarisé de l'ONSSAPL]2
3° aux pensions de retraite ou de survie accordées (...) aux députés permanents, aux bourgmestres et échevins ainsi qu'aux mandataires des agglomérations, des fédérations de communes, des associations de communes et des autres organismes créés par les provinces et les communes dans un but d'utilité publique, quelle que soit la forme juridique sous laquelle ils ont été institués, des commissions de la culture de l'agglomération bruxelloise et des Centres publics d'aide sociale. <L 30-12-1982, art. 2, 4, a, En vigueur : 09-01-1983>
Art. 39. (Onverminderd de toepassing van de bepalingen van Titel V van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen), mogen de in artikel 38 bedoelde rustpensioenen de 3/4 niet overschrijden van de wedde die als grondslag voor de uitkering heeft gediend. De toegekende tijdsbonificaties uit hoofde van hechtenis, deportatie, militaire oorlogsdiensten en ermede gelijkgestelde diensten, hebben evenwel uitwerking tot de uiterste grens der 9/10 van die wedde. <W 1992-06-26/30, art. 144, 1°, 012; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
(Bovendien mogen die pensioenen, met inbegrip van de voormelde bonificaties, alsook de in artikel 38 bedoelde overlevingspensioenen, niet meer bedragen dan ((46.882,74) EUR) per jaar. Dit bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer (138,01) van de consumptieprijzen en schommelt op de wijze vastgesteld door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.) <KB 1991-10-17/31, art. 1, 1°, 011; Inwerkingtreding : 01-11-1991> <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Voor de toepassing van de hierbovenvermelde maximumbedragen, worden de pensioenen, pensioenaanvullingen, renten, toelagen, en andere als pensioen geldende voordelen met betrekking tot dezelfde loopbaan en tot dezelfde periode van beroepsactiviteit samengeteld. De eventuele vermindering wordt bij voorrang toegepast op het pensioengedeelte dat rechtstreeks ten laste valt van de openbare macht, van de werkgever of van het door hem opgerichte pensioenfonds en vervolgens, op het pensioengedeelte ten laste van de pensioenregeling voor werknemers of voor zelfstandigen.
De toepassing van het in het eerste lid bepaalde maximumbedrag mag evenwel niet tot gevolg hebben dat een kerkelijk pensioen lager komt te liggen dan de wedde van een onderpastoor, dominee (van kapelaan van de Anglikaanse eredienst ( naargelang van de kerk waaraan de betrokkene verbonden was), van officiant, van imam, van aalmoezenier 1ste en 2de klasse verbonden aan het Ministerie van Landsverdediging, of van de minimumwedde van aalmoezenier verbonden aan een ander ministerieel departement, of van de gemiddelde wedde die tot grondslag heeft gediend voor de berekening van het pensioen indien zij lager is dan een van de hierboven bedoelde wedden naargelang de uitgeoefende bediening.)
(De beperking in het eerste lid is niet toepasselijk op de pensioenen die ingang vonden vóór 1 oktober 1980.) <W 8-08-1980, art. 230, 3°>
(Bovendien mogen die pensioenen, met inbegrip van de voormelde bonificaties, alsook de in artikel 38 bedoelde overlevingspensioenen, niet meer bedragen dan ((46.882,74) EUR) per jaar. Dit bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer (138,01) van de consumptieprijzen en schommelt op de wijze vastgesteld door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.) <KB 1991-10-17/31, art. 1, 1°, 011; Inwerkingtreding : 01-11-1991> <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Voor de toepassing van de hierbovenvermelde maximumbedragen, worden de pensioenen, pensioenaanvullingen, renten, toelagen, en andere als pensioen geldende voordelen met betrekking tot dezelfde loopbaan en tot dezelfde periode van beroepsactiviteit samengeteld. De eventuele vermindering wordt bij voorrang toegepast op het pensioengedeelte dat rechtstreeks ten laste valt van de openbare macht, van de werkgever of van het door hem opgerichte pensioenfonds en vervolgens, op het pensioengedeelte ten laste van de pensioenregeling voor werknemers of voor zelfstandigen.
De toepassing van het in het eerste lid bepaalde maximumbedrag mag evenwel niet tot gevolg hebben dat een kerkelijk pensioen lager komt te liggen dan de wedde van een onderpastoor, dominee (van kapelaan van de Anglikaanse eredienst ( naargelang van de kerk waaraan de betrokkene verbonden was), van officiant, van imam, van aalmoezenier 1ste en 2de klasse verbonden aan het Ministerie van Landsverdediging, of van de minimumwedde van aalmoezenier verbonden aan een ander ministerieel departement, of van de gemiddelde wedde die tot grondslag heeft gediend voor de berekening van het pensioen indien zij lager is dan een van de hierboven bedoelde wedden naargelang de uitgeoefende bediening.)
(De beperking in het eerste lid is niet toepasselijk op de pensioenen die ingang vonden vóór 1 oktober 1980.) <W 8-08-1980, art. 230, 3°>
Art. 39. (Sans préjudice de l'application des dispositions du Titre V de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses), les pensions de retraite visées à l'article 38 ne peuvent excéder les 3/4 du traitement qui sert de base à leur liquidation. Toutefois, les bonifications de temps accordées du chef d'emprisonnement, de déportation, de services militaires de guerre et des services y assimilés produisent leurs effets dans la limite extrême des 9 10 de ce traitement. <L 1992-06-26/30, art. 144, 1°, 012; En vigueur : 01-01-1993>
(En outre, ces pensions, y compris les bonifications précitées, de même que les pensions de survie visées à l'article 38, ne peuvent excéder le montant de ((46.882,74) EUR) par an. Ce montant est lié à l'indice (138,01) des prix à la consommation et varie de la manière prévue par la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public.) <L 10-2-1981, art. 2> <AR 1991-10-17/31, art. 1, 1°, 011; En vigueur : 01-11-1991> <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002>
Pour l'application des plafonds prévus ci-avant, les pensions, compléments de pensions, rentes, allocations et autres avantages tenant lieu de pension afférents à une même carrière et à une même période d'activité professionnelle sont additionnés. La réduction éventuelle est appliquée, par priorité, à la part de la pension qui est à la charge directe du pouvoir public, de l'employeur ou du fonds de pension qu'il a institué et, subsidiairement, à la part de la pension à charge du régime de pension des travailleurs salariés ou des travailleurs indépendants.
L'application du plafond prévu à l'alinéa 1er ne peut avoir pour effet de ramener une pension ecclésiastique à un montant inférieur à celui du traitement de vicaire, de pasteur, (de chapelain du culte anglican (selon l'église à laquelle l'intéressé était attaché), de ministre officiant, d'iman, d'aumônier de 1er et de 2e classe attache au Ministère de la Défense nationale, ou du traitement minimum d'aumônier attaché à un autre département ministériel, ou de traitement moyen ayant servi de base au calcul de la pension s'il est inférieur à l'un des traitements prévus ci-avant, selon le ministère exercé) <L 8-08-1980, art. 230, 2°>
(La limitation prévue à l'alinéa 1er n'est pas applicable aux pensions qui ont pris cours avant le 1er octobre 1980.) <L 8-08-1980, art. 230, 3°>
(En outre, ces pensions, y compris les bonifications précitées, de même que les pensions de survie visées à l'article 38, ne peuvent excéder le montant de ((46.882,74) EUR) par an. Ce montant est lié à l'indice (138,01) des prix à la consommation et varie de la manière prévue par la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public.) <L 10-2-1981, art. 2> <AR 1991-10-17/31, art. 1, 1°, 011; En vigueur : 01-11-1991> <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002>
Pour l'application des plafonds prévus ci-avant, les pensions, compléments de pensions, rentes, allocations et autres avantages tenant lieu de pension afférents à une même carrière et à une même période d'activité professionnelle sont additionnés. La réduction éventuelle est appliquée, par priorité, à la part de la pension qui est à la charge directe du pouvoir public, de l'employeur ou du fonds de pension qu'il a institué et, subsidiairement, à la part de la pension à charge du régime de pension des travailleurs salariés ou des travailleurs indépendants.
L'application du plafond prévu à l'alinéa 1er ne peut avoir pour effet de ramener une pension ecclésiastique à un montant inférieur à celui du traitement de vicaire, de pasteur, (de chapelain du culte anglican (selon l'église à laquelle l'intéressé était attaché), de ministre officiant, d'iman, d'aumônier de 1er et de 2e classe attache au Ministère de la Défense nationale, ou du traitement minimum d'aumônier attaché à un autre département ministériel, ou de traitement moyen ayant servi de base au calcul de la pension s'il est inférieur à l'un des traitements prévus ci-avant, selon le ministère exercé) <L 8-08-1980, art. 230, 2°>
(La limitation prévue à l'alinéa 1er n'est pas applicable aux pensions qui ont pris cours avant le 1er octobre 1980.) <L 8-08-1980, art. 230, 3°>
Art. 40. (De onderlinge cumulatie van meerdere in artikel 38 vermelde pensioenen, en de cumulatie van deze pensioenen met een rust- of overlevingspensioen (als werknemer, als zelfstandige of als begunstigde van de Overzeese Sociale Zekerheid), mag niet meer bedragen dan ((46.882,74) EUR) per jaar. Dit bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer (138,01) van de consumptieprijzen en schommelt op de wijze vastgesteld door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.) <W 10-2-1981, art. 3> <KB 1991-10-17/31, art. 1, 2°, 011; Inwerkingtreding : 01-11-1991> <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Voor de toepassing van het voormelde plafond worden de pensioenen, pensioenaanvullingen, renten, toelagen en andere als rust- en overlevingspensioenen geldende voordelen samengeteld. (.....) <W 8-08-1980, art. 231>
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt eveneens rekening gehouden met de ouderdoms-, invaliditeits- en overlevingspensioenen of met ieder als zodanig geldend voordeel, toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving of krachtens een pensioenregeling van een instelling van internationaal publiek recht.
[1 Met de ouderdoms-, invaliditeits- en overlevingspensioenen of met ieder als zodanig geldend voordeel, toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving, die onder het toepassingsgebied vallen van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en van de Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, wordt evenwel slechts rekening gehouden binnen de grenzen en voorwaarden bepaald in deze verordeningen.
De pensioenen en renten die uitsluitend een lichamelijke schade vergoeden, komen evenwel niet in aanmerking.]1.
Voor de toepassing van het voormelde plafond worden de pensioenen, pensioenaanvullingen, renten, toelagen en andere als rust- en overlevingspensioenen geldende voordelen samengeteld. (.....) <W 8-08-1980, art. 231>
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt eveneens rekening gehouden met de ouderdoms-, invaliditeits- en overlevingspensioenen of met ieder als zodanig geldend voordeel, toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving of krachtens een pensioenregeling van een instelling van internationaal publiek recht.
[1 Met de ouderdoms-, invaliditeits- en overlevingspensioenen of met ieder als zodanig geldend voordeel, toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving, die onder het toepassingsgebied vallen van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en van de Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, wordt evenwel slechts rekening gehouden binnen de grenzen en voorwaarden bepaald in deze verordeningen.
De pensioenen en renten die uitsluitend een lichamelijke schade vergoeden, komen evenwel niet in aanmerking.]1.
Art. 40. (Le cumul de plusieurs pensions visées à l'article 38 entre elles, et le cumul de ces pensions avec une pension de retraite ou de survie (de travailleur salarié, de travailleur indépendant ou de travailleur bénéficiant de la Sécurité sociale d'Outre-mer) ne peut excéder le montant de ((46.882,74) EUR) par an. Ce montant est lié à l'indice (138,01) des prix à la consommation et varie de la manière prévue par la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public.) <L 10-2-1981, art. 3> <AR 1991-10-17/31, art. 1, 2°, 011; En vigueur : 01-11-1991> <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002>
Pour l'application du plafond prévu ci-avant, les pensions, compléments de pensions, rentes, allocations et autres avantages tenant lieu de pension de retraite et de survie sont additionnés. (.....) <L 8-08-1980, art. 231>
[1 Pour l'application de l'alinéa 1er, il est également tenu compte des pensions d'ancienneté, d'invalidité et de survie ou de tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation étrangère ou en vertu d'un régime de pension d'une institution de droit international public.
Les pensions d'ancienneté, d'invalidité et de survie ou tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation étrangère, qui tombent sous l'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 sur la coordination des systèmes de sécurité sociale et du règlement (CE) n° 987/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 fixant les modalités d'application du règlement (CE) n° 883/2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, ne sont toutefois prises en compte que dans les limites et conditions fixées par ces règlements.
Ne sont toutefois pas prises en compte, les pensions et rentes constituant exclusivement la réparation d'un dommage physique.]1
Pour l'application du plafond prévu ci-avant, les pensions, compléments de pensions, rentes, allocations et autres avantages tenant lieu de pension de retraite et de survie sont additionnés. (.....) <L 8-08-1980, art. 231>
[1 Pour l'application de l'alinéa 1er, il est également tenu compte des pensions d'ancienneté, d'invalidité et de survie ou de tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation étrangère ou en vertu d'un régime de pension d'une institution de droit international public.
Les pensions d'ancienneté, d'invalidité et de survie ou tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation étrangère, qui tombent sous l'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 sur la coordination des systèmes de sécurité sociale et du règlement (CE) n° 987/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 fixant les modalités d'application du règlement (CE) n° 883/2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, ne sont toutefois prises en compte que dans les limites et conditions fixées par ces règlements.
Ne sont toutefois pas prises en compte, les pensions et rentes constituant exclusivement la réparation d'un dommage physique.]1
Art. 40bis. <INGEVOEGD bij KB30 1982-03-30/15, art. 2, Inwerkingtreding : 01-07-1982>
§ 1. (Onverminderd de latere toepassing van het in artikel 40 bedoelde absoluut maximum, mogen de in artikel 38 bedoelde overlevingspensioenen slechts gecumuleerd worden met in datzelfde artikel bedoelde rustpensioenen ten belope van 55 pct. van de de maximumwedde van de weddeschaal verbonden aan de laatste graad van de overleden echtgenoot, die in aanmerking genomen wordt voor de berekening of voor de laatste herziening van het hoogste der overlevingspensioenen. Die maximumwedde wordt in voorkomend geval verhoogd met de bijkomende weddevoordelen die in aanmerking komen voor de berekening van dat overlevingspensioen, met uitsluiting van de vergoedingen en toelagen toegekend voor activiteiten die de beschouwde functie aanvullen of eraan verbonden zijn.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de pensioenen, pensioenaanvullingen, renten, toelagen en andere als rust- en overlevingspensioen geldende voordelen samengesteld.
Naast de in artikel 38 bedoelde rustpensioenen, wordt voor de toepassing van het eerste lid rekening gehouden met de ouderdoms- en invaliditeitspensioenen of met ieder als zodanig geldend voordeel, toegekend krachtens een Belgische of een buitenlandse wetgeving of krachtens een pensioenregeling van een [1 instelling van internationaal publiek recht]1.
De pensioenen en renten die uitsluitend een lichamelijke schade vergoeden, komen evenwel niet in aanmerking.) <1984-05-15/30, art. 92, 002; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
(De toepassing van de leden 1 tot 4 mag niet tot gevolg hebben dat het geheel van de door dit artikel bedoelde rust- en overlevingspensioenen wordt teruggebracht tot een lager bedrag dan datgene dat wordt gevormd door de in artikel 38 bedoelde overlevingspensioenen alleen of tot een bedrag van minder dan (9.205,00 EUR) per jaar. Dit bedrag, dat door de Koning kan worden verhoogd, is gekoppeld aan indexcijfer (138,01) der consumptieprijzen van het Rijk en volgt de evolutie van dat indexcijfer op dezelfde wijze als de overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist. <KB 1990-06-20/34, art. 11, 3°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1990> <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2007-07-19/35, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
Indien het totale maandbedrag van het geheel van de in dit artikel bedoelde rust- en overlevingspensioenen na toepassing van de leden 1 tot 5 lager ligt dan ((1.239,47) EUR), wordt de met toepassing van die leden voortkomende vermindering slechts verricht (ten belope van 75 pct.), zonder dat het aldus verkregen nieuwe totale maandbedrag evenwel ((1.239,47) EUR) mag overtreffen. <W 1991-07-20/31, art. 94, 010; Inwerkingtreding : 01-11-1991> <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Het bedrag van ((1.239,47) EUR), dat door de Koning kan worden verhoogd, is gekoppeld aan het spilindexcijfer (138,01) en volgt de evolutie van dat indexcijfer op dezelfde wijze als een even hoog overlevingspensioen ten laste van de Openbare Schatkist.) <W 1989-07-06/30, art. 51, 005; Inwerkingtreding : 01-09-1989> <KB 1990-12-17/31, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-11-1990> <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. De vermindering voortvloeiend uit de beperking bedoeld in § 1, wordt toegepast te beginnen met het laagste der overlevingspensioenen. De aldus vastgestelde orde van voorrang wordt niet beïnvloed door latere wijzigingen in het bedrag van die pensioenen.
§ 3. Iedere uit de evolutie van de bezoldigingen voortvloeiende verhoging van het overlevingspensioen dat in aanmerking komt voor de vaststelling van het in § 1 bedoelde plafond, brengt een overeenstemmende aanpassing van dit plafond met zich mee.
§ 1. (Onverminderd de latere toepassing van het in artikel 40 bedoelde absoluut maximum, mogen de in artikel 38 bedoelde overlevingspensioenen slechts gecumuleerd worden met in datzelfde artikel bedoelde rustpensioenen ten belope van 55 pct. van de de maximumwedde van de weddeschaal verbonden aan de laatste graad van de overleden echtgenoot, die in aanmerking genomen wordt voor de berekening of voor de laatste herziening van het hoogste der overlevingspensioenen. Die maximumwedde wordt in voorkomend geval verhoogd met de bijkomende weddevoordelen die in aanmerking komen voor de berekening van dat overlevingspensioen, met uitsluiting van de vergoedingen en toelagen toegekend voor activiteiten die de beschouwde functie aanvullen of eraan verbonden zijn.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de pensioenen, pensioenaanvullingen, renten, toelagen en andere als rust- en overlevingspensioen geldende voordelen samengesteld.
Naast de in artikel 38 bedoelde rustpensioenen, wordt voor de toepassing van het eerste lid rekening gehouden met de ouderdoms- en invaliditeitspensioenen of met ieder als zodanig geldend voordeel, toegekend krachtens een Belgische of een buitenlandse wetgeving of krachtens een pensioenregeling van een [1 instelling van internationaal publiek recht]1.
De pensioenen en renten die uitsluitend een lichamelijke schade vergoeden, komen evenwel niet in aanmerking.) <1984-05-15/30, art. 92, 002; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
(De toepassing van de leden 1 tot 4 mag niet tot gevolg hebben dat het geheel van de door dit artikel bedoelde rust- en overlevingspensioenen wordt teruggebracht tot een lager bedrag dan datgene dat wordt gevormd door de in artikel 38 bedoelde overlevingspensioenen alleen of tot een bedrag van minder dan (9.205,00 EUR) per jaar. Dit bedrag, dat door de Koning kan worden verhoogd, is gekoppeld aan indexcijfer (138,01) der consumptieprijzen van het Rijk en volgt de evolutie van dat indexcijfer op dezelfde wijze als de overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist. <KB 1990-06-20/34, art. 11, 3°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1990> <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2007-07-19/35, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
Indien het totale maandbedrag van het geheel van de in dit artikel bedoelde rust- en overlevingspensioenen na toepassing van de leden 1 tot 5 lager ligt dan ((1.239,47) EUR), wordt de met toepassing van die leden voortkomende vermindering slechts verricht (ten belope van 75 pct.), zonder dat het aldus verkregen nieuwe totale maandbedrag evenwel ((1.239,47) EUR) mag overtreffen. <W 1991-07-20/31, art. 94, 010; Inwerkingtreding : 01-11-1991> <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Het bedrag van ((1.239,47) EUR), dat door de Koning kan worden verhoogd, is gekoppeld aan het spilindexcijfer (138,01) en volgt de evolutie van dat indexcijfer op dezelfde wijze als een even hoog overlevingspensioen ten laste van de Openbare Schatkist.) <W 1989-07-06/30, art. 51, 005; Inwerkingtreding : 01-09-1989> <KB 1990-12-17/31, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-11-1990> <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. De vermindering voortvloeiend uit de beperking bedoeld in § 1, wordt toegepast te beginnen met het laagste der overlevingspensioenen. De aldus vastgestelde orde van voorrang wordt niet beïnvloed door latere wijzigingen in het bedrag van die pensioenen.
§ 3. Iedere uit de evolutie van de bezoldigingen voortvloeiende verhoging van het overlevingspensioen dat in aanmerking komt voor de vaststelling van het in § 1 bedoelde plafond, brengt een overeenstemmende aanpassing van dit plafond met zich mee.
Art. 40bis. § 1er. (Sans préjudice de l'application ultérieure du maximum absolu prévu à l'article 40, les pensions de survie visées à l'article 38, ne peuvent être cumulées avec des pensions de retraite visées au même article qu'à concurrence de 55 p.c. du traitement maximum de l'échelle barémique attachée au dernier grade du mari défunt, pris en considération pour le calcul ou la dernière révision de la plus élevée des pensions de survie. Ce traitement maximum est augmenté, le cas échéant, des rémunérations supplémentaires prises en compte pour le calcul de ladite pension de survie, à l'exclusion, des indemnités et allocations afférentes à des activités complémentaires ou accessoires à la fonction considérée.
Pour l'application de l'alinéa 1er, les pensions, compléments de pensions, rentes, allocations et autres avantages tenant lieu de pension de retraite et de survie sont additionnées.
Outre les pensions de retraite visées à l'article 38, il est tenu compte, pour l'application de l'alinéa 1er, des pensions d'ancienneté et d'invalidité ou de tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation belge ou étrangère ou en vertu d'un régime de pension d'une institution de droit international public.
Ne sont toutefois pas visées, les pensions et rentes constituant exclusivement la réparation d'un dommage physique.) <1984-05-15/30, art. 92, 002; En vigueur : 01-06-1984>
(L'application des alinéas 1er à 4 ne peut avoir pour effet de ramener l'ensemble des pensions de retraite et de survie visées par le présent article à un montant inférieur à celui constitué par les seules pensions de survie visées à l'article 38 ou à un montant inférieur à (9.205,00 EUR) par an. Ce montant qui peut être majoré par le Roi, est lié à l'indice (138,01) des prix à la consommation du Royaume et varie en fonction de l'évolution de cet indice de la même manière que les pensions de survie à charge du Trésor public. <L 1990-06-20/34, art. 11, 3°, 006; En vigueur : 01-01-1990> <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2007-07-19/35, art. 1, 026; En vigueur : 01-10-2006>
Si, après l'application des alinéas 1er à 5, le montant mensuel global de l'ensemble des pensions de retraite et de survie visées par le présent article est inférieur à ((1.239,47) EUR), la réduction découlant de l'application de ces alinéas n'est effectuée qu'(à concurrence de 75 p.c.), sans toutefois que le nouveau montant mensuel global ainsi obtenu puisse excéder ((1.239,47) EUR). <L 1991-07-20/31, art. 94, 010; En vigueur : 01-11-1991> <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002>
Le montant de ((1.239,47) EUR), qui peut être majoré par le Roi, est lié à l'indice-pivot (138,01) et varie en fonction de l'évolution de cet indice de la même manière qu'une pension de survie à charge du Trésor public d'un même montant.) <L 1989-07-06/30, art. 51, 005; En vigueur : 01-09-1989> <L 1990-12-17/31, art. 1, 007; En vigueur : 01-11-1990> <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002>
§ 2. La réduction découlant de la limitation prévue au § 1er est appliquée en commençant par la moins élevée des pensions de survie. L'ordre de priorité ainsi établi n'est pas affecté par les modifications ultérieures du montant desdites pensions.
§ 3. Toute augmentation de la pension de survie prise en considération pour la détermination du plafond prévu au § 1er, résultant de l'évolution des rémunérations, entraîne une adaptation correspondante dudit plafond.
Pour l'application de l'alinéa 1er, les pensions, compléments de pensions, rentes, allocations et autres avantages tenant lieu de pension de retraite et de survie sont additionnées.
Outre les pensions de retraite visées à l'article 38, il est tenu compte, pour l'application de l'alinéa 1er, des pensions d'ancienneté et d'invalidité ou de tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation belge ou étrangère ou en vertu d'un régime de pension d'une institution de droit international public.
Ne sont toutefois pas visées, les pensions et rentes constituant exclusivement la réparation d'un dommage physique.) <1984-05-15/30, art. 92, 002; En vigueur : 01-06-1984>
(L'application des alinéas 1er à 4 ne peut avoir pour effet de ramener l'ensemble des pensions de retraite et de survie visées par le présent article à un montant inférieur à celui constitué par les seules pensions de survie visées à l'article 38 ou à un montant inférieur à (9.205,00 EUR) par an. Ce montant qui peut être majoré par le Roi, est lié à l'indice (138,01) des prix à la consommation du Royaume et varie en fonction de l'évolution de cet indice de la même manière que les pensions de survie à charge du Trésor public. <L 1990-06-20/34, art. 11, 3°, 006; En vigueur : 01-01-1990> <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2007-07-19/35, art. 1, 026; En vigueur : 01-10-2006>
Si, après l'application des alinéas 1er à 5, le montant mensuel global de l'ensemble des pensions de retraite et de survie visées par le présent article est inférieur à ((1.239,47) EUR), la réduction découlant de l'application de ces alinéas n'est effectuée qu'(à concurrence de 75 p.c.), sans toutefois que le nouveau montant mensuel global ainsi obtenu puisse excéder ((1.239,47) EUR). <L 1991-07-20/31, art. 94, 010; En vigueur : 01-11-1991> <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002>
Le montant de ((1.239,47) EUR), qui peut être majoré par le Roi, est lié à l'indice-pivot (138,01) et varie en fonction de l'évolution de cet indice de la même manière qu'une pension de survie à charge du Trésor public d'un même montant.) <L 1989-07-06/30, art. 51, 005; En vigueur : 01-09-1989> <L 1990-12-17/31, art. 1, 007; En vigueur : 01-11-1990> <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002>
§ 2. La réduction découlant de la limitation prévue au § 1er est appliquée en commençant par la moins élevée des pensions de survie. L'ordre de priorité ainsi établi n'est pas affecté par les modifications ultérieures du montant desdites pensions.
§ 3. Toute augmentation de la pension de survie prise en considération pour la détermination du plafond prévu au § 1er, résultant de l'évolution des rémunérations, entraîne une adaptation correspondante dudit plafond.
Art. 41. <W 2004-03-04/36, art. 12, 022; Inwerkingtreding : 01-05-2004> § 1. (Voor de toepassing van de in de artikelen 39 en 40 bepaalde plafonds, worden de aanvullende voordelen die tot doel hebben een wettelijk pensioen aan te vullen, in voorkomend geval afgezien van het kapitaal of de rente bedoeld in § 2, voorafgaandelijk verminderd ten belope van 20 pct. van het in artikel 39, tweede lid bepaalde bedrag.) <W 2004-12-27/30, art. 195, 023; Inwerkingtreding : 01-05-2004>
§ 2. Voor de toepassing van de in de artikelen 39 en 40 bepaalde plafonds wordt de rente of het kapitaal voortvloeiend uit de opbrengst van de persoonlijke extra-legale bijdragen inzake pensioen niet in aanmerking genomen, indien het percentage van die bijdragen lager is dan of gelijk aan 5 pct. van de wedde. Indien het percentage van die bijdragen hoger is dan 5 pct., wordt enkel de opbrengst van de persoonlijke bijdragen gelijk aan 5 pct. niet in aanmerking genomen.
Het eerste lid is eveneens toepasselijk op het kapitaal of de rente voortvloeiend uit de opbrengst van de persoonlijke bijdragen bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet van ... houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst.
§ 2. Voor de toepassing van de in de artikelen 39 en 40 bepaalde plafonds wordt de rente of het kapitaal voortvloeiend uit de opbrengst van de persoonlijke extra-legale bijdragen inzake pensioen niet in aanmerking genomen, indien het percentage van die bijdragen lager is dan of gelijk aan 5 pct. van de wedde. Indien het percentage van die bijdragen hoger is dan 5 pct., wordt enkel de opbrengst van de persoonlijke bijdragen gelijk aan 5 pct. niet in aanmerking genomen.
Het eerste lid is eveneens toepasselijk op het kapitaal of de rente voortvloeiend uit de opbrengst van de persoonlijke bijdragen bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet van ... houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst.
Art. 41. <L 2004-03-04/36, art. 12, 022; En vigueur : 01-05-2004> § 1er. (Pour l'application des plafonds prévus aux articles 39 et 40, les avantages complémentaires destinés à compléter une pension légale, abstraction faite le cas échéant du capital ou de la rente visés au § 2, sont préalablement diminués à concurrence de 20 p.c. du montant défini à l'article 39, alinéa 2.) <L 2004-12-27/30, art. 195, 023; En vigueur : 01-05-2004>
§ 2. Pour l'application des plafonds prévus aux articles 39 et 40, le capital ou la rente résultant du produit des cotisations personnelles extra-légales en matière de pension n'est pas pris en compte si le pourcentage de ces cotisations est inférieur ou égal à 5 p.c. du traitement. Si le pourcentage de ces cotisations est supérieur à 5 p.c., seul le produit des cotisations personnelles égales à 5 p.c. n'est pas pris en compte.
L'alinéa 1er est également applicable au capital ou à la rente résultant du produit des cotisations personnelles visées à l'article 5, alinéa 1er de la loi du ... accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public.
§ 2. Pour l'application des plafonds prévus aux articles 39 et 40, le capital ou la rente résultant du produit des cotisations personnelles extra-légales en matière de pension n'est pas pris en compte si le pourcentage de ces cotisations est inférieur ou égal à 5 p.c. du traitement. Si le pourcentage de ces cotisations est supérieur à 5 p.c., seul le produit des cotisations personnelles égales à 5 p.c. n'est pas pris en compte.
L'alinéa 1er est également applicable au capital ou à la rente résultant du produit des cotisations personnelles visées à l'article 5, alinéa 1er de la loi du ... accordant des avantages complémentaires en matière de pension de retraite aux personnes désignées pour exercer une fonction de management ou d'encadrement dans un service public.
Art. 42. (De cumulatie van één of meerdere in artikel 38 vermelde overlevingspensioenen met een wedde, een bezoldiging of een vergoeding ten laste van één van de bij dat artikel vermelde machten of organismen, of van een onderwijsinrichting die op enige grond door de Staat gesubsidieerd wordt, mag niet meer bedragen dan ((46.882,74) EUR) per jaar. Dit bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer (138,01) van de consumptieprijzen en schommelt op de wijze vastgesteld door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.) <KB 1991-10-17/31, art. 1, 3°, 011; Inwerkingtreding : 01-11-1991> <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Voor de toepassing van het voormelde plafond, worden de pensioenen, pensioenaanvullingen, renten, toelagen en andere als overlevingspensioenen geldende voordelen samengeteld. (De verminderingen voortvloeiend uit de toepassing van dit artikel mogen in geen geval het bedrag van de in het eerste lid beoogde wedden, lonen of vergoedingen treffen.) <W 8-08-1980, art. 233>
(Voor de toepassing van dit artikel wordt eventueel rekening gehouden met het bedrag van het pensioen dat voortvloeit uit de toepassing van de bepalingen van [1 titel 8 van de programmawet van 28 juni 2013]1.) <W 1994-04-05/34, art. 20, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
Voor de toepassing van het voormelde plafond, worden de pensioenen, pensioenaanvullingen, renten, toelagen en andere als overlevingspensioenen geldende voordelen samengeteld. (De verminderingen voortvloeiend uit de toepassing van dit artikel mogen in geen geval het bedrag van de in het eerste lid beoogde wedden, lonen of vergoedingen treffen.) <W 8-08-1980, art. 233>
(Voor de toepassing van dit artikel wordt eventueel rekening gehouden met het bedrag van het pensioen dat voortvloeit uit de toepassing van de bepalingen van [1 titel 8 van de programmawet van 28 juni 2013]1.) <W 1994-04-05/34, art. 20, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
Art. 42. (Le cumul d'une ou de plusieurs pensions de survie visées à l'article 38 avec un traitement, une rémunération ou une indemnité à charge d'un des pouvoirs ou organismes définis à cet article, ou d'un établissement d'enseignement subventionné à un titre quelconque par l'Etat, ne peut excéder le montant de ((46.882,74) EUR) par an. Ce montant est lié à l'indice des prix à la consommation et varie de la manière prévue par la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public.) <AR 1991-10-17/31, art. 1, 3°, 011; En vigueur : 01-11-1991> <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002>
Pour l'application du plafond prévu ci-avant, les pensions, compléments de pensions, rentes, allocations et autres avantages tenant lieu de pension de survie sont additionnés. (Les réductions découlant de l'application du présent article ne peuvent en aucun cas affecter le montant des traitements, rémunération ou indemnités, visés au premier alinéa.) <L 8-08-1980, art. 233>
(Pour l'application du présent article, il est le cas échéant tenu compte du montant de la pension tel qu'il résulte de l'application des dispositions [1 du titre 8 de la loi-programme du 28 juin 2013]1.) <L 1994-04-05/34, art. 20, 015; En vigueur : 01-01-1994>
Pour l'application du plafond prévu ci-avant, les pensions, compléments de pensions, rentes, allocations et autres avantages tenant lieu de pension de survie sont additionnés. (Les réductions découlant de l'application du présent article ne peuvent en aucun cas affecter le montant des traitements, rémunération ou indemnités, visés au premier alinéa.) <L 8-08-1980, art. 233>
(Pour l'application du présent article, il est le cas échéant tenu compte du montant de la pension tel qu'il résulte de l'application des dispositions [1 du titre 8 de la loi-programme du 28 juin 2013]1.) <L 1994-04-05/34, art. 20, 015; En vigueur : 01-01-1994>
Art. 42bis. <W 8-08-1980, art. 234> Indien de voordelen, bedoeld bij artikel 41 geheel of gedeeltelijk uitgekeerd werden, in de vorm van een kapitaal, wordt voor de toepassing (van de artikelen 39, 40, 40bis en 42), de fictieve rente die met het kapitaal overeenstemt, in aanmerking genomen, hierbij rekening houdend met het eventueel vrijgesteld gedeelte, in toepassing van hetzelfde artikel 41.
Art. 42bis. Si des avantages, prévus à l'article 41 ont, en tout ou en partie, été liquidés sous la forme de capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en considération pour l'application (des articles 39, 40, 40bis et 42), compte tenu de la partie éventuellement exonérée en vertu du même article 41.
Art. 42ter. <INGEVOEGD bij W 1991-05-21/41, art. 52, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991> Het in de artikelen 39, 40 en 42 vermelde maximumbedrag van (46.882,74 EUR) kan worden verhoogd door de Koning. <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 42ter. Le montant maximum de (46.882,74 EUR) prévu aux articles 39, 40 et 42 peut être majoré par le Roi. <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002>
Art. 43. (opgeheven) <W 1994-04-05/34, art. 22, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
Art. 43. (abrogé) <L 1994-04-05/34, art. 22, 015; En vigueur : 01-01-1994>
Art. 43bis. Indien overlevingspensioenen worden gekumuleerd met rustpensioenen en met een beroepsaktiviteit, worden eerst de bepalingen van artikel 40bis toegepast, zonder rekening te houden met de verminderingen voortvloeiend uit de kumulatie met de bedoelde aktiviteit. De bepalingen (van [1 titel 8 van de programmawet van 28 juni 2013]1) worden toegepast op de resterende bedragen van het overlevingspensioen. <W 1994-04-05/34, art. 20, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
Art. 43bis. <L 30-3-1982, art. 6> Lorsque des pensions de survie sont cumulées avec des pensions de retraite et avec une activité professionnelle, les dispositions de l'article 40bis sont appliquées en premier lieu, compte non tenu des réductions découlant du cumul avec ladite activité. Les dispositions ([1 du titre 8 de la loi-programme du 28 juin 2013]1) sont appliquées sur les montants restants de la pension de survie. <L 1994-04-05/34, art. 20, 015; En vigueur : 01-01-1994>
Art. 43ter. <INGEVOEGD bij W 1991-05-21/41, art. 53, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991> Voor de toepassing van de artikelen 40bis (en 42 evenals van de bepalingen van [1 titel 8 van de programmawet van 28 juni 2013]1), wordt een pensioen dat aan een minderjarige wees toegekend wordt met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, beschouwd als een overlevingspensioen waarvan de langstlevende ouder titularis zou zijn. <W 1994-04-05/34, art. 20, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
(Het eerste lid is niet van toepassing indien :
- een voogd aangewezen wordt overeenkomstig artikel 389 van het Burgerlijk Wetboek, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder wettelijk onbekend is of erkend is als zijnde in de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag over de wees uit te oefenen;
- de jeugdrechtbank een persoon heeft aangewezen om bepaalde rechten met betrekking tot de wees uit te oefenen, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder, zonder uit het ouderlijk gezag te zijn ontzet, het voorwerp uitmaakt van een van de maatregelen bedoeld in de artikelen 29 tot 31 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze maatregel;
- de jeugdrechtbank een persoon heeft aangewezen of de aanwijzing van een persoon heeft gehomologeerd om bepaalde rechten met betrekking tot de wees uit te oefenen, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet op grond van de artikelen 32 tot 35 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze ontzetting.) <W 2007-04-25/52, art. 11, 025; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
(Het eerste lid is niet van toepassing indien :
- een voogd aangewezen wordt overeenkomstig artikel 389 van het Burgerlijk Wetboek, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder wettelijk onbekend is of erkend is als zijnde in de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag over de wees uit te oefenen;
- de jeugdrechtbank een persoon heeft aangewezen om bepaalde rechten met betrekking tot de wees uit te oefenen, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder, zonder uit het ouderlijk gezag te zijn ontzet, het voorwerp uitmaakt van een van de maatregelen bedoeld in de artikelen 29 tot 31 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze maatregel;
- de jeugdrechtbank een persoon heeft aangewezen of de aanwijzing van een persoon heeft gehomologeerd om bepaalde rechten met betrekking tot de wees uit te oefenen, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet op grond van de artikelen 32 tot 35 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze ontzetting.) <W 2007-04-25/52, art. 11, 025; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
Art. 43ter. Pour l'application des articles 40bis (et 42 ainsi que des dispositions [1 du titre 8 de la loi-programme du 28 juin 2013]1), une pension accordée à un orphelin mineur en application de l'article 9, alinéa 2, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, est considérée comme une pension de survie dont le parent survivant serait titulaire. <L 1994-04-05/34, art. 20, 015; En vigueur : 01-01-1994>
(L'alinéa 1er ne s'applique pas dans le cas où :
- un tuteur est nommé conformément à l'article 389 du Code civil, du fait que le parent survivant est légalement inconnu ou reconnu dans l'impossibilité durable d'exercer l'autorité parentale sur l'orphelin;
- le tribunal de la jeunesse a désigné une personne pour exercer certains droits se rapportant à l'orphelin, du fait que le parent survivant, sans être déchu de l'autorité parentale, fait l'objet de l'une des mesures prévues aux articles 29 à 31 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, pour le temps de cette mesure;
- le tribunal de la jeunesse a désigné une personne ou a homologué la désignation d'une personne pour exercer certains droits se rapportant à l'orphelin, du fait que le parent survivant est déchu de l'autorité parentale sur base des articles 32 à 35 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, pour le temps de cette déchéance.) <L 2007-04-25/52, art. 33, 025; En vigueur : 01-08-2001>
(L'alinéa 1er ne s'applique pas dans le cas où :
- un tuteur est nommé conformément à l'article 389 du Code civil, du fait que le parent survivant est légalement inconnu ou reconnu dans l'impossibilité durable d'exercer l'autorité parentale sur l'orphelin;
- le tribunal de la jeunesse a désigné une personne pour exercer certains droits se rapportant à l'orphelin, du fait que le parent survivant, sans être déchu de l'autorité parentale, fait l'objet de l'une des mesures prévues aux articles 29 à 31 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, pour le temps de cette mesure;
- le tribunal de la jeunesse a désigné une personne ou a homologué la désignation d'une personne pour exercer certains droits se rapportant à l'orphelin, du fait que le parent survivant est déchu de l'autorité parentale sur base des articles 32 à 35 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, pour le temps de cette déchéance.) <L 2007-04-25/52, art. 33, 025; En vigueur : 01-08-2001>
Art. 44. Indien de verminderingen voortspruitend uit de toepassing (van de artikelen 39, 40, 40bis, 42, (44bis en 44ter evenals van de bepalingen van [1 titel 8 van de programmawet van 28 juni 2013]1) ) betrekking hebben op het geheel of op een gedeelte van de rechten voortvloeiend uit verzekeringscontracten, is de werkgever die de last der verzekeringspremies heeft gedragen gesubrogeerd in de voormelde rechten. <W 1994-04-05/34, art. 20, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
Art. 44. Lorsque les réductions découlant de l'application (des articles 39, 40, 40bis, 42, (44bis et 44ter ainsi que des dispositions [1 du titre 8 de la loi-programme du 28 juin 2013]1) ) ont trait à la totalité ou à une partie des droits dérivant de contrats d'assurance, l'employeur qui a supporté la charge des primes d'assurance est subrogé dans les droits précités. <L 30-3-1982, art. 7> <L 1994-04-05/34, art. 20, 015; En vigueur : 01-01-1994>
Art. 44bis. § 1. Vanaf 1 juli 1982 en onverminderd de toepassing van artikel 50bis, § 2, is de kumulatie van meerdere uit opeenvolgende huwelijken voortvloeiende overlevingspensioenen bedoeld in artikel 38 niet meer toegelaten. Enkel het hoogste overlevingspensioen wordt toegekend of behouden. Voor de vaststelling van dat pensioen worden de verhogingen wegens kinderen buiten beschouwing gelaten.
§ 2. De overlevingspensioenen (alsmede de als dusdanig geldende voordelen) voortvloeiend uit onderscheiden aktiviteiten van dezelfde echtgenoot worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als één pensioen. <W 1991-05-21/41, art. 54, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1982>
§ 2. De overlevingspensioenen (alsmede de als dusdanig geldende voordelen) voortvloeiend uit onderscheiden aktiviteiten van dezelfde echtgenoot worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als één pensioen. <W 1991-05-21/41, art. 54, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1982>
Art. 44bis. § 1er. A partir du 1er juillet 1982 et sans préjudice de l'application de l'article 50bis, § 2, le cumul de plusieurs pensions de survie visées à l'article 38, résultant de mariages successifs, n'est plus autorisé. Seule la pension de survie la plus élevée est accordée ou maintenue. Pour la détermination de cette pension, il est fait abstraction des accroissements du chef d'enfants.
§ 2. Les pensions de survie (ainsi que les avantages en tenant lieu) résultant d'activités distinctes d'un même mari sont considérés comme formant une seule pension pour l'application du présent article. <L 1991-05-21/41, art. 54, En vigueur : 01-07-1982>
§ 2. Les pensions de survie (ainsi que les avantages en tenant lieu) résultant d'activités distinctes d'un même mari sont considérés comme formant une seule pension pour l'application du présent article. <L 1991-05-21/41, art. 54, En vigueur : 01-07-1982>
Art. 44ter. § 1. Vanaf 1 juli 1982 wordt de uitbetaling van de in artikel 38 bedoelde overlevingspensioenen waarvan de begunstigden een nieuw huwelijk aangaan, geschorst vanaf de eerste dag van de dertiende maand volgend op die van het nieuw huwelijk.
§ 2. (Het bedrag van een in artikel 38 bedoeld overlevingspensioen of de som van de bedragen van meerdere in hetzelfde artikel bedoelde overlevingspensioenen, die een persoon die voor 1 juli 1982 een nieuw huwelijk heeft aangegaan,op 30 juni 1982 geniet, mag niet meer bedragen dan ((7.233,93) EUR) per jaar, gekoppeld aan het indexcijfer (138,01) der consumptieprijzen. Om het pensioen of de som van de pensioenen tot die grens terug te brengen, worden opeenvolgende semestriële verminderingen toegepast die gelijk zijn aan 10 pct. van het bedrag dat het pensioen of de som van de pensioenen zou hebben bereikt indien deze beperking niet zou zijn doorgevoerd. De eerste vermindering wordt toegepast op 1 juli 1982. <KB 1990-06-20/34, art. 11, 6°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1990> <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
In geval van cumulatie van meerdere overlevingspensioenen worden de verminderingen bij voorrang aangerekend op de minst hoge pensioenen.)
§ 3. Indien de in §§ 1 en 2 bedoelde overlevingspensioenen samengesteld zijn uit meerdere elementen, zijn de in die paragrafen voorziene verminderingen en schorsingen van toepassing op het geheel van die elementen.
§ 4. De in §§ 1 en 2 voorziene verminderingen en schorsingen zijn niet van toepassing op de verhogingen uit hoofde van het bestaan van kinderen.
§ 5. Ingeval van nieuw weduwschap of van echtscheiding, wordt de integrale uitbetaling op aanvraag van de weduwe hervat, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het overlijden (of op [1 de datum van de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken]1 ). Indien de aanvraag echter niet ingediend wordt binnen de termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum van het overlijden (of [1 de datum van de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken]1 ,) zal de uitbetaling slechts hervat worden vanaf de eerste dag van de maand volgend op die van de aanvraag. <W 2003-02-03/41, art. 67, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
In voorkomend geval wordt toepassing gemaakt van de bepalingen van artikel 44bis, § 1.
(§ 6. De bij artikel 38 bedoelde overlevingspensioenen waarvan de begunstigden voor 1 juli 1982 een nieuwe huwelijk hebben aangegaan, genieten vanaf die datum de herzieningen gekoppeld aan de evolutie van de aktiviteitsbezoldigingen niet meer met uitzondering van de verhogingen voortspruitend uit de koppeling van de pensioenen aan het indexcijfer der consumptieprijzen.)
§ 2. (Het bedrag van een in artikel 38 bedoeld overlevingspensioen of de som van de bedragen van meerdere in hetzelfde artikel bedoelde overlevingspensioenen, die een persoon die voor 1 juli 1982 een nieuw huwelijk heeft aangegaan,op 30 juni 1982 geniet, mag niet meer bedragen dan ((7.233,93) EUR) per jaar, gekoppeld aan het indexcijfer (138,01) der consumptieprijzen. Om het pensioen of de som van de pensioenen tot die grens terug te brengen, worden opeenvolgende semestriële verminderingen toegepast die gelijk zijn aan 10 pct. van het bedrag dat het pensioen of de som van de pensioenen zou hebben bereikt indien deze beperking niet zou zijn doorgevoerd. De eerste vermindering wordt toegepast op 1 juli 1982. <KB 1990-06-20/34, art. 11, 6°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1990> <KB 2000-07-20/64, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
In geval van cumulatie van meerdere overlevingspensioenen worden de verminderingen bij voorrang aangerekend op de minst hoge pensioenen.)
§ 3. Indien de in §§ 1 en 2 bedoelde overlevingspensioenen samengesteld zijn uit meerdere elementen, zijn de in die paragrafen voorziene verminderingen en schorsingen van toepassing op het geheel van die elementen.
§ 4. De in §§ 1 en 2 voorziene verminderingen en schorsingen zijn niet van toepassing op de verhogingen uit hoofde van het bestaan van kinderen.
§ 5. Ingeval van nieuw weduwschap of van echtscheiding, wordt de integrale uitbetaling op aanvraag van de weduwe hervat, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het overlijden (of op [1 de datum van de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken]1 ). Indien de aanvraag echter niet ingediend wordt binnen de termijn van één jaar te rekenen vanaf de datum van het overlijden (of [1 de datum van de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken]1 ,) zal de uitbetaling slechts hervat worden vanaf de eerste dag van de maand volgend op die van de aanvraag. <W 2003-02-03/41, art. 67, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
In voorkomend geval wordt toepassing gemaakt van de bepalingen van artikel 44bis, § 1.
(§ 6. De bij artikel 38 bedoelde overlevingspensioenen waarvan de begunstigden voor 1 juli 1982 een nieuwe huwelijk hebben aangegaan, genieten vanaf die datum de herzieningen gekoppeld aan de evolutie van de aktiviteitsbezoldigingen niet meer met uitzondering van de verhogingen voortspruitend uit de koppeling van de pensioenen aan het indexcijfer der consumptieprijzen.)
Art. 44ter. § 1er. A partir du 1er juillet 1982, le paiement des pensions de survie visées à l'article 38, dont les bénéficiaires contractent un nouveau mariage, est suspendu à partir du premier jour du treizième mois qui suit celui du remariage.
§ 2. (Le montant d'une pension de survie visée à l'article 38, ou la somme des montants de plusieurs pensions de survie visées au même article, dont bénéfice au 30 juin 1982 une personne qui a contracté un nouveau mariage avant le 1er juillet 1982, ne peut excéder ((7.233,93) EUR) par an à l'indice (138,01) des prix à la consommation. Pour ramener la pension ou la somme des pensions à cette limite, des réductions semestrielles successives égales à 10 p.c. du montant que la pension ou la somme des pensions aurait atteint si cette limitation n'était pas intervenue, sont appliquées. La première réduction est effectuée le 1er juillet 1982. <L 1990-06-20/34, art. 11, 6°, 006; En vigueur : 01-01-1990> <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002>
En cas de cumul de plusieurs pensions de survie, les réductions sont imputées par priorité aux pensions les moins élevées.)
§ 3. Si les pensions de survie visées aux §§ 1er et 2 sont composées de plusieurs éléments, les réductions et suspensions prévues à ces paragraphes s'appliquent à l'ensemble de ces éléments.
§ 4. Les réductions et suspensions prévues aux §§ 1er et 2 ne s'appliquent pas aux accroissements du chef d'enfants.
§ 5. En cas de nouveau veuvage ou de divorce, le paiement intégral de la pension est repris, à la demande de la veuve, à partir du premier jour du mois qui suit le décès ( [1 ou la date de la transcription sur les registres de l'Etat civil du jugement ou de l'arrêt prononçant le divorce]1 ). Toutefois, si la demande n'est pas introduite dans le délai d'un an prenant cours à la date du décès ( [1 ou la date de la transcription sur les registres de l'Etat civil du jugement ou de l'arrêt prononçant le divorce]1 ,) le paiement ne sera repris que le premier jour du mois suivant celui de la demande. <L 2003-02-03/41, art. 67, 021; En vigueur : 01-01-2003>
Il est fait application, s'il y a lieu, des dispositions de l'article 44bis, § 1er.
(§ 6. Les pensions de survie visées à l'article 38, dont les bénéficiaires ont contracté un nouveau mariage avant le 1er juillet 1982, cessent, à partir de cette date, de bénéficier des révisions liées à l'évolution des rémunérations d'activité, à l'exception des augmentations découlant de la liaison des pensions à l'indice des prix à la consommation.)
§ 2. (Le montant d'une pension de survie visée à l'article 38, ou la somme des montants de plusieurs pensions de survie visées au même article, dont bénéfice au 30 juin 1982 une personne qui a contracté un nouveau mariage avant le 1er juillet 1982, ne peut excéder ((7.233,93) EUR) par an à l'indice (138,01) des prix à la consommation. Pour ramener la pension ou la somme des pensions à cette limite, des réductions semestrielles successives égales à 10 p.c. du montant que la pension ou la somme des pensions aurait atteint si cette limitation n'était pas intervenue, sont appliquées. La première réduction est effectuée le 1er juillet 1982. <L 1990-06-20/34, art. 11, 6°, 006; En vigueur : 01-01-1990> <AR 2000-07-20/64, art. 2, 018; En vigueur : 01-01-2002>
En cas de cumul de plusieurs pensions de survie, les réductions sont imputées par priorité aux pensions les moins élevées.)
§ 3. Si les pensions de survie visées aux §§ 1er et 2 sont composées de plusieurs éléments, les réductions et suspensions prévues à ces paragraphes s'appliquent à l'ensemble de ces éléments.
§ 4. Les réductions et suspensions prévues aux §§ 1er et 2 ne s'appliquent pas aux accroissements du chef d'enfants.
§ 5. En cas de nouveau veuvage ou de divorce, le paiement intégral de la pension est repris, à la demande de la veuve, à partir du premier jour du mois qui suit le décès ( [1 ou la date de la transcription sur les registres de l'Etat civil du jugement ou de l'arrêt prononçant le divorce]1 ). Toutefois, si la demande n'est pas introduite dans le délai d'un an prenant cours à la date du décès ( [1 ou la date de la transcription sur les registres de l'Etat civil du jugement ou de l'arrêt prononçant le divorce]1 ,) le paiement ne sera repris que le premier jour du mois suivant celui de la demande. <L 2003-02-03/41, art. 67, 021; En vigueur : 01-01-2003>
Il est fait application, s'il y a lieu, des dispositions de l'article 44bis, § 1er.
(§ 6. Les pensions de survie visées à l'article 38, dont les bénéficiaires ont contracté un nouveau mariage avant le 1er juillet 1982, cessent, à partir de cette date, de bénéficier des révisions liées à l'évolution des rémunérations d'activité, à l'exception des augmentations découlant de la liaison des pensions à l'indice des prix à la consommation.)
Änderungen
Art. 45. (opgeheven) <W 1994-04-05/34, art. 22, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
Art. 45. (abrogé) <L 1994-04-05/34, art. 22, 015; En vigueur : 01-01-1994>
Art. 46. (opgeheven) <W 1994-04-05/34, art. 22, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
Art. 46. (abrogé) <L 1994-04-05/34, art. 22, 015; En vigueur : 01-01-1994>
Art. 46bis. <W 2-7-1981, art. 10>
§ 1. Wanneer een persoon die aan een van de in artikel 38 bedoelde pensioenregelingen onderworpen is, wegens het uitoefenen van een opdracht of een mandaat een rust- of een invaliditeitspensioen geniet of een als zodanig pensioen geldend kapitaal ontvangt ten laste van een vreemde Staat, van een vreemde publiekrechtelijke persoon of van een internationale instelling, mogen de perioden van opdracht of mandaat waarop het vermelde voordeel betrekking heeft, niettegenstaande enige wettelijke, statutaire of contractuele bepaling, niet in aanmerking worden genomen voor het vaststellen van het bedrag van een in artikel 38 bedoeld rustpensioen.
Als ten laste van de genoemde overheden of instellingen te zijn worden, behalve de op hun eigen begroting aan te rekenen pensioenen en kapitalen, beschouwd die welke zijn gevormd door bijdragen die door de buitenlandse of internationale werkgever aan een openbaar of particulier pensioenfonds zijn afgedragen.
Worden beschouwd als kapitalen, die als pensioen gelden, de kapitalen die voortvloeien uit de omzetting van een rustpensioen of -rente of van een invaliditeitspensioen of -rente, alsook de kapitalen, toegekend aan de personen die niet het vereiste aantal dienstjaren tellen om een rustpensioen te genieten. (De kapitalen die worden gestort door de voorzorgskassen die bepaalde internationale instellingen hebben opgericht alvorens een pensioenregeling in te stellen, worden evenwel niet beschouwd als kapitalen die als pensioen gelden.) <W 1991-05-21/41, art. 55, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1981>
In voorkomend geval wordt het in artikel 38 bedoeld rustpensioen herzien vanaf de ingangsdatum van het rust- of invaliditeitspensioen, toegekend uit hoofde van de in het eerste lid bedoelde opdracht of mandaat of vanaf de datum waarop het kapitaal eisbaar is geworden.
§ 2. (In afwijking van § 1 kunnen de perioden van opdracht of mandaat op aanvraag van de betrokkene in aanmerking worden genomen voor de berekening van een in artikel 38 bedoeld rustpensioen, voor zover het voordeel voor diezelfde perioden toegekend door een vreemde Staat, een vreemde publiekrechtelijke persoon of een internationale instelling wordt afgetrokken van de eruit voortvloeiende verhoging van het pensioen.) <W 1991-05-21/41, art. 55, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1981>
(§ 3. Wanneer vanaf 30 juni 1960 buiten het Koninkrijk volbrachte diensten aanleiding geven tot de toekenning van een ouderdomsrente ten laste van de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid, wordt het gedeelte van de rente dat met bijdragen van de Belgische Openbare Schatkist is gevestigd, afgetrokken van de pensioenverhoging die voortvloeit uit de inaanmerkingneming van diezelfde diensten voor de berekening van een in artikel 38 bedoeld rustpensioen.
Voor de in Rwanda of in Burundi volbrachte diensten wordt de datum 30 juni 1960 vervangen door 1 juli 1962.
§ 4. De bepalingen van de §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing op de rustpensioenen die ingegaan zijn vóór 1 juli 1981, terwijl de bepalingen van § 3 van toepassing zijn op alle rustpensioenen ongeacht hun ingangsdatum. <W 1991-05-21/41, art. 55, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
§ 1. Wanneer een persoon die aan een van de in artikel 38 bedoelde pensioenregelingen onderworpen is, wegens het uitoefenen van een opdracht of een mandaat een rust- of een invaliditeitspensioen geniet of een als zodanig pensioen geldend kapitaal ontvangt ten laste van een vreemde Staat, van een vreemde publiekrechtelijke persoon of van een internationale instelling, mogen de perioden van opdracht of mandaat waarop het vermelde voordeel betrekking heeft, niettegenstaande enige wettelijke, statutaire of contractuele bepaling, niet in aanmerking worden genomen voor het vaststellen van het bedrag van een in artikel 38 bedoeld rustpensioen.
Als ten laste van de genoemde overheden of instellingen te zijn worden, behalve de op hun eigen begroting aan te rekenen pensioenen en kapitalen, beschouwd die welke zijn gevormd door bijdragen die door de buitenlandse of internationale werkgever aan een openbaar of particulier pensioenfonds zijn afgedragen.
Worden beschouwd als kapitalen, die als pensioen gelden, de kapitalen die voortvloeien uit de omzetting van een rustpensioen of -rente of van een invaliditeitspensioen of -rente, alsook de kapitalen, toegekend aan de personen die niet het vereiste aantal dienstjaren tellen om een rustpensioen te genieten. (De kapitalen die worden gestort door de voorzorgskassen die bepaalde internationale instellingen hebben opgericht alvorens een pensioenregeling in te stellen, worden evenwel niet beschouwd als kapitalen die als pensioen gelden.) <W 1991-05-21/41, art. 55, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1981>
In voorkomend geval wordt het in artikel 38 bedoeld rustpensioen herzien vanaf de ingangsdatum van het rust- of invaliditeitspensioen, toegekend uit hoofde van de in het eerste lid bedoelde opdracht of mandaat of vanaf de datum waarop het kapitaal eisbaar is geworden.
§ 2. (In afwijking van § 1 kunnen de perioden van opdracht of mandaat op aanvraag van de betrokkene in aanmerking worden genomen voor de berekening van een in artikel 38 bedoeld rustpensioen, voor zover het voordeel voor diezelfde perioden toegekend door een vreemde Staat, een vreemde publiekrechtelijke persoon of een internationale instelling wordt afgetrokken van de eruit voortvloeiende verhoging van het pensioen.) <W 1991-05-21/41, art. 55, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1981>
(§ 3. Wanneer vanaf 30 juni 1960 buiten het Koninkrijk volbrachte diensten aanleiding geven tot de toekenning van een ouderdomsrente ten laste van de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid, wordt het gedeelte van de rente dat met bijdragen van de Belgische Openbare Schatkist is gevestigd, afgetrokken van de pensioenverhoging die voortvloeit uit de inaanmerkingneming van diezelfde diensten voor de berekening van een in artikel 38 bedoeld rustpensioen.
Voor de in Rwanda of in Burundi volbrachte diensten wordt de datum 30 juni 1960 vervangen door 1 juli 1962.
§ 4. De bepalingen van de §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing op de rustpensioenen die ingegaan zijn vóór 1 juli 1981, terwijl de bepalingen van § 3 van toepassing zijn op alle rustpensioenen ongeacht hun ingangsdatum. <W 1991-05-21/41, art. 55, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 46bis. <L 2-7-1981, art. 10>
§ 1. Lorsque du chef de l'exercice d'une mission ou d'un mandat, une personne soumise à un des régimes de pension visés à l'article 38 bénéficie d'une pension de retraite ou d'une pension d'invalidité ou perçoit un capital tenant lieu d'une telle pension à charge d'un Etat étranger, d'une personne de droit public étranger ou d'une institution internationale, les périodes de mission ou de mandat auxquelles se rapporte l'avantage précité ne peuvent, nonobstant toute autre disposition légale, statutaire ou contractuelle, être prises en considération pour l'établissement du montant d'une pension de retraite visée à l'article 38.
Sont considérées comme étant à charge des pouvoirs ou institutions précités, outre les pensions et capitaux imputés à leur budget propre, ceux qui ont été constitués par des contributions versées par l'employeur étranger ou international, à un fonds de pension public ou privé.
Sont considérés comme capitaux tenant lieu de pension ceux qui résultent de la conversion d'une pension ou rente de retraite ou d'invalidité ainsi que ceux alloués aux personnes qui ne réunissent pas le nombre d'années de service requis pour bénéficier d'une pension de retraite. (Toutefois, ne sont pas considérés comme capitaux tenant lieu de pension ceux qui sont versés par les caisses de prévoyance que certaines institutions internationales ont créées avant d'instaurer un régime de pension) <L 1991-05-21/41, art. 55, 009; En vigueur : 01-07-1981>
Le cas échéant la pension de retraite visée à l'article 38 est révisée à partir de la date de prise de cours de la pension de retraite ou d'invalidité accordée du chef de la mission ou du mandat visés à l'alinéa 1 ou de la date à laquelle le capital est devenu exigible.
§ 2. (Par dérogation au § 1er, les périodes de mission ou de mandat peuvent, à la demande de l'intéressé, être prises en considération pour le calcul d'une pension de retraite visée à l'article 38, pour autant que de l'accroissement de pension qui en résulte soit déduit l'avantage octroyé pour ces mêmes périodes par un Etat étranger, une personne de droit public étranger ou une institution internationale.) <L 1991-05-21/41, art. 55, 009; En vigueur : 01-07-1981>
(§ 3. Lorsque des services accomplis hors du Royaume à partir du 30 juin 1960 donnent lieu à l'octroi d'une rente de retraite à charge de l'Office de sécurité sociale d'outre-mer, la partie de la rente qui est acquise au moyen de cotisations supportées par le Trésor public belge, est déduite de l'accroissement de pension résultant de la prise en considération de ces mêmes services dans le calcul d'une pension de retraite visée à l'article 38.
Pour les services accomplis au Rwanda ou au Burundi, la date du 30 juin 1960 est remplacée par celle du 1er juillet 1962.
§ 4. Les dispositions des §§ 1er et 2 ne s'appliquent pas aux pensions de retraite qui ont pris cours avant le 1er juillet 1981, tandis que les dispositions du § 3 s'appliquent à toutes les pensions de retraite, quelle que soit leur date de prise de cours.) <L 1991-05-21/41, art. 55, 009; En vigueur : 01-07-1981>
§ 1. Lorsque du chef de l'exercice d'une mission ou d'un mandat, une personne soumise à un des régimes de pension visés à l'article 38 bénéficie d'une pension de retraite ou d'une pension d'invalidité ou perçoit un capital tenant lieu d'une telle pension à charge d'un Etat étranger, d'une personne de droit public étranger ou d'une institution internationale, les périodes de mission ou de mandat auxquelles se rapporte l'avantage précité ne peuvent, nonobstant toute autre disposition légale, statutaire ou contractuelle, être prises en considération pour l'établissement du montant d'une pension de retraite visée à l'article 38.
Sont considérées comme étant à charge des pouvoirs ou institutions précités, outre les pensions et capitaux imputés à leur budget propre, ceux qui ont été constitués par des contributions versées par l'employeur étranger ou international, à un fonds de pension public ou privé.
Sont considérés comme capitaux tenant lieu de pension ceux qui résultent de la conversion d'une pension ou rente de retraite ou d'invalidité ainsi que ceux alloués aux personnes qui ne réunissent pas le nombre d'années de service requis pour bénéficier d'une pension de retraite. (Toutefois, ne sont pas considérés comme capitaux tenant lieu de pension ceux qui sont versés par les caisses de prévoyance que certaines institutions internationales ont créées avant d'instaurer un régime de pension) <L 1991-05-21/41, art. 55, 009; En vigueur : 01-07-1981>
Le cas échéant la pension de retraite visée à l'article 38 est révisée à partir de la date de prise de cours de la pension de retraite ou d'invalidité accordée du chef de la mission ou du mandat visés à l'alinéa 1 ou de la date à laquelle le capital est devenu exigible.
§ 2. (Par dérogation au § 1er, les périodes de mission ou de mandat peuvent, à la demande de l'intéressé, être prises en considération pour le calcul d'une pension de retraite visée à l'article 38, pour autant que de l'accroissement de pension qui en résulte soit déduit l'avantage octroyé pour ces mêmes périodes par un Etat étranger, une personne de droit public étranger ou une institution internationale.) <L 1991-05-21/41, art. 55, 009; En vigueur : 01-07-1981>
(§ 3. Lorsque des services accomplis hors du Royaume à partir du 30 juin 1960 donnent lieu à l'octroi d'une rente de retraite à charge de l'Office de sécurité sociale d'outre-mer, la partie de la rente qui est acquise au moyen de cotisations supportées par le Trésor public belge, est déduite de l'accroissement de pension résultant de la prise en considération de ces mêmes services dans le calcul d'une pension de retraite visée à l'article 38.
Pour les services accomplis au Rwanda ou au Burundi, la date du 30 juin 1960 est remplacée par celle du 1er juillet 1962.
§ 4. Les dispositions des §§ 1er et 2 ne s'appliquent pas aux pensions de retraite qui ont pris cours avant le 1er juillet 1981, tandis que les dispositions du § 3 s'appliquent à toutes les pensions de retraite, quelle que soit leur date de prise de cours.) <L 1991-05-21/41, art. 55, 009; En vigueur : 01-07-1981>
Art. 46ter. <INGEVOEGD bij W 1988-12-30/31, art. 161, 004; Inwerkingtreding : 1989-01-15> <NOTA : Volgens art. 161, § 2, : "De bepalingen van artikel 46ter zijn, vanaf de datum van zijn inwerkingtreding, eveneens toepasselijk op de daags vóór deze datum lopende pensioenen.">
Voor de vaststelling van de gemiddelde wedde die als grondslag dient voor de uitkering van de in artikel 38 bedoelde pensioenen, worden de voordelen in natura niet in aanmerking genomen, met uitzondering evenwel van deze toegekend aan de conciërges voor wie deze voordelen in aanmerking komen overeenkomstig de door de Koning bepaalde modaliteiten.
Voor de vaststelling van de gemiddelde wedde die als grondslag dient voor de uitkering van de in artikel 38 bedoelde pensioenen, worden de voordelen in natura niet in aanmerking genomen, met uitzondering evenwel van deze toegekend aan de conciërges voor wie deze voordelen in aanmerking komen overeenkomstig de door de Koning bepaalde modaliteiten.
Art. 46ter. Pour la détermination du traitement moyen qui sert de base à la liquidation des pensions visées à l'article 38, les avantages en nature ne sont pas pris en considération, à l'exclusion toutefois de ceux accordés aux concierges pour lesquels ces avantages entrent en ligne de compte selon les modalités fixées par le Roi.
Art. 46quater. <INGEVOEGD bij W 1991-05-21/41, art. 56, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991> Indien welk voordeel ook dat in aanmerking komt voor de vaststelling van een in artikel 38 bedoeld pensioen of van een eraan verbonden supplement, betaald werd in de vorm van een kapitaal, bepaalt de Koning de modaliteiten van de omzetting van dit kapitaal in een rente.
Art. 46quater. Si un avantage quelconque qui entre en ligne de compte pour la détermination d'une pension visée à l'article 38 ou d'un supplément y afférent, a été payé sous forme d'un capital, le Roi détermine les modalités de conversion de ce capital en rente.
Art. 47.
Art. 47.
Art. 48. De Koning mag, op voorstel van de Minister tot wiens bevoegdheid de Administratie der pensioenen behoort, alle maatregelen treffen die nodig zijn om de moeilijkheden op te lossen die bij de toepassing van de bepalingen van deze sectie zouden rijzen.
Art. 48. Le Roi peut, sur la proposition du Ministre qui a l'Administration des pensions dans ses attributions, prendre toutes les mesures nécessaires à la solution des difficultés auxquelles donnerait lieu l'application des dispositions de la présente section.
Art. 49. Indien de rechthebbende op één of meerdere in de huidige sectie bedoelde prestaties, de administratieve verplichtingen die worden opgelegd niet heeft vervuld, kunnen administratieve sancties worden toegepast onder de voorwaarden, volgens de modaliteiten en door de autoriteit die de Koning bepaalt.
Art. 49. Lorsque le bénéficiaire d'une ou de plusieurs prestations visées à la présente section n'a pas rempli les obligations administratives qui sont imposées, des sanctions administratives peuvent être appliquées dans les conditions, selon les modalités et par l'autorité que le Roi détermine.
Art. 50. § 1. (De artikelen 38, (46ter,) 48, 49 en 50, § 3, hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1979, de artikelen 41, 42bis, 43, 44 en 47 met ingang van 1 oktober 1980 en de artikelen 39, 40 en 42 zijn integraal van toepassing op (1 januari 1982).) <W 8-8-1980, art. 238> <W 2-7-1981, art. 8> <W 1988-12-30/31, art. 161, 004; Inwerkingtreding : 1989-01-15> <NOTA : Volgens art. 161, §2, : "De bepalingen van artikel 46ter zijn, vanaf de datum van zijn inwerkingtreding, eveneens toepasselijk op de daags vóór deze datum lopende pensioenen.">
(Nochtans, ten einde een progressieve toepassing te verwezenlijken van de maxima bepaald bij de artikelen 39, 40 en 42, worden de op 30 september 1980 lopende pensioenen en cumulaties en diegene die hierna zullen ingaan, die deze maxima overtreffen, rekening houdend met de door deze sectie voorziene vrijstelling en, vanaf 1 oktober 1980 of vanaf hun ingangsdatum niet meer gekoppeld aan de evolutie, die het indexcijfer van de consumptieprijzen na 1 oktober 1980 zal kennen en dit tot het ogenblik waarop ze niet meer boven diezelfde maxima uitstijgen.
Op dat ogenblik worden de nominale bedragen van die pensioenen herzien, derwijze dat zij na toepassing van de bepalingen met betrekking tot de koppeling van de pensioenen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, beperkt blijven tot de maximumbedragen vastgesteld door deze sectie.
In geval van cumulatie van pensioenen houdt deze werkwijze rekening met de orde van voorrang vastgesteld ter uitvoering van § 2, 2e lid.
Die zelfde herziening wordt uitgevoerd op (1 januari 1982) wat betreft de pensioenen waarop de artikelen 39, 40 en 42 slechts op die datum integraal van toepassing zullen zijn.) <W 10-2-1981, art. 5, 2°> <W 2-7-1981, art. 8>
§ 2. (Voor de pensioenen en cumulaties waarvan normaal mag verwacht worden dat zij op het einde van de overgangsperiode niet zullen herleid worden tot de gestelde maxima, ingevolge de toepassing van §1, bepaalt de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, aanvullende maatregelen om deze pensioenen en cumuls tot dezelfde maxima terug te brengen.
De Koning bepaalt de modaliteiten volgens welke de bij deze sectie voorziene verminderingen worden toegepast. Hierbij zullen de verminderingen in de eerste plaats de Schatkist ten goede moeten komen.) <W 8-08-1981, art. 238>
§ 3. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, getroffen vóór 31 december 1978, voor de duur die Hij bepaalt, de toepassing van artikel 39, eerste lid, schorsen wat betreft de militairen die behoord hebben tot het varend personeel van de Luchtvaart en die wegens leeftijdsgrens op pensioen zullen gesteld worden.
(Nochtans, ten einde een progressieve toepassing te verwezenlijken van de maxima bepaald bij de artikelen 39, 40 en 42, worden de op 30 september 1980 lopende pensioenen en cumulaties en diegene die hierna zullen ingaan, die deze maxima overtreffen, rekening houdend met de door deze sectie voorziene vrijstelling en, vanaf 1 oktober 1980 of vanaf hun ingangsdatum niet meer gekoppeld aan de evolutie, die het indexcijfer van de consumptieprijzen na 1 oktober 1980 zal kennen en dit tot het ogenblik waarop ze niet meer boven diezelfde maxima uitstijgen.
Op dat ogenblik worden de nominale bedragen van die pensioenen herzien, derwijze dat zij na toepassing van de bepalingen met betrekking tot de koppeling van de pensioenen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, beperkt blijven tot de maximumbedragen vastgesteld door deze sectie.
In geval van cumulatie van pensioenen houdt deze werkwijze rekening met de orde van voorrang vastgesteld ter uitvoering van § 2, 2e lid.
Die zelfde herziening wordt uitgevoerd op (1 januari 1982) wat betreft de pensioenen waarop de artikelen 39, 40 en 42 slechts op die datum integraal van toepassing zullen zijn.) <W 10-2-1981, art. 5, 2°> <W 2-7-1981, art. 8>
§ 2. (Voor de pensioenen en cumulaties waarvan normaal mag verwacht worden dat zij op het einde van de overgangsperiode niet zullen herleid worden tot de gestelde maxima, ingevolge de toepassing van §1, bepaalt de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, aanvullende maatregelen om deze pensioenen en cumuls tot dezelfde maxima terug te brengen.
De Koning bepaalt de modaliteiten volgens welke de bij deze sectie voorziene verminderingen worden toegepast. Hierbij zullen de verminderingen in de eerste plaats de Schatkist ten goede moeten komen.) <W 8-08-1981, art. 238>
§ 3. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, getroffen vóór 31 december 1978, voor de duur die Hij bepaalt, de toepassing van artikel 39, eerste lid, schorsen wat betreft de militairen die behoord hebben tot het varend personeel van de Luchtvaart en die wegens leeftijdsgrens op pensioen zullen gesteld worden.
Art. 50. § 1. (Les articles 38, (46ter,) 48, 49 et 50, § 3, produisent leurs effets le 1er janvier 1979, les articles 41, 42bis, 43, 44 et 47, le 1er octobre 1980 et les articles 39, 40 et 42 sont intégralement applicables au (1er janvier 1982).) <L 8-8-1980, art. 238> <L 2-7-1981, art. 8> <L 1988-12-30/31, art. 161, 004; En vigueur : 1989-01-15>
§ 2. (Toutefois, afin de réaliser une application progressive des maximums prévus aux articles 39, 40 et 42, les pensions et cumuls existant au 30 septembre 1980 et ceux qui prendront cours après cette date qui dépassent ces maximums, compte tenu des exonérations prévues par la présente section, ne seront plus, à partir du 1er octobre 1980 ou à partir de la date de prise de cours, liés à l'évolution de l'indice des prix à la consommation postérieure au 1er octobre 1980, et ce, jusqu'au moment où ils ne dépasseront plus ces maximums.
A ce moment, les montants nominaux desdites pensions sont rectifiés de manière telle qu'après application des dispositions relatives à la liaison des pensions à l'indice des prix à la consommation, ils restent limités aux montants maximums prévus dans la présente section.
Cette opération tient compte, en cas de cumul de pensions, de l'ordre de priorité établi en exécution de l'alinéa 2 du § 2.
Cette même rectification est opérée au (1er janvier 1982) en ce qui concerne les pensions auxquelles les limitations prévues par les articles 39, 40 et 42 ne seront intégralement appliquées qu'à cette date.) <L 10-2-1981, art. 5, 2°> <L 2-7-1981, art. 8>
§ 2. (Pour les pensions et les cumuls dont il peut être attendu que l'application du § 1er ne les ramènera pas, à l'issue de la période transitoire, aux maximums fixés, le Roi prend par arrêté délibéré en Conseil des ministres, des mesures complémentaires afin de réduire ces pensions et cumuls jusqu'à ces mêmes maximums.
Le Roi détermine les modalités selon lesquelles les réductions prévues par la présente section seront appliquées. En ce faisant, les réductions devront profiter en premier lieu au Trésor public.) <L 8-08-1980, art. 238>
§ 3. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pris avant le 31 décembre 1978, suspendre pour la durée qu'Il détermine, l'application de l'article 39, alinéa 1er, en ce qui concerne les militaires qui ont appartenu au personnel navigant de l'Aviation et qui seront mis à la retraite par limite d'âge.
§ 2. (Toutefois, afin de réaliser une application progressive des maximums prévus aux articles 39, 40 et 42, les pensions et cumuls existant au 30 septembre 1980 et ceux qui prendront cours après cette date qui dépassent ces maximums, compte tenu des exonérations prévues par la présente section, ne seront plus, à partir du 1er octobre 1980 ou à partir de la date de prise de cours, liés à l'évolution de l'indice des prix à la consommation postérieure au 1er octobre 1980, et ce, jusqu'au moment où ils ne dépasseront plus ces maximums.
A ce moment, les montants nominaux desdites pensions sont rectifiés de manière telle qu'après application des dispositions relatives à la liaison des pensions à l'indice des prix à la consommation, ils restent limités aux montants maximums prévus dans la présente section.
Cette opération tient compte, en cas de cumul de pensions, de l'ordre de priorité établi en exécution de l'alinéa 2 du § 2.
Cette même rectification est opérée au (1er janvier 1982) en ce qui concerne les pensions auxquelles les limitations prévues par les articles 39, 40 et 42 ne seront intégralement appliquées qu'à cette date.) <L 10-2-1981, art. 5, 2°> <L 2-7-1981, art. 8>
§ 2. (Pour les pensions et les cumuls dont il peut être attendu que l'application du § 1er ne les ramènera pas, à l'issue de la période transitoire, aux maximums fixés, le Roi prend par arrêté délibéré en Conseil des ministres, des mesures complémentaires afin de réduire ces pensions et cumuls jusqu'à ces mêmes maximums.
Le Roi détermine les modalités selon lesquelles les réductions prévues par la présente section seront appliquées. En ce faisant, les réductions devront profiter en premier lieu au Trésor public.) <L 8-08-1980, art. 238>
§ 3. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pris avant le 31 décembre 1978, suspendre pour la durée qu'Il détermine, l'application de l'article 39, alinéa 1er, en ce qui concerne les militaires qui ont appartenu au personnel navigant de l'Aviation et qui seront mis à la retraite par limite d'âge.
Art. 50bis. § 1. De vermindering voortvloeiend uit de toepassing van artikel 40bis wordt, wat betreft de op 30 juni 1982 lopende kumulaties van rust- en overlevingspensioenen, doorgevoerd in tien semestriële schijven die elk 10 pct. vertegenwoordigen van het bedrag van de volledige uit te voeren vermindering, met dien verstande dat de eerste schijf van vermindering toegepast wordt op 1 juli 1982.
§ 2. De vermindering voortvloeiend uit de toepassing van artikel 44bis, § 1, mag wat betreft de kumulatie van meerdere op 30 juni 1982 lopende pensioenen, niet tot gevolg hebben dat het geheel van de overlevingspensioenen wordt teruggebracht tot een bedrag dat lager ligt (dan 110 pct. van het minimumbedrag van de overlevingspensioenen voorzien voor de langstlevende echtgenoot door artikel 122 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen). Zij wordt doorgevoerd in tien semestriële schijven die elk 10 pct. vertegenwoordigen van het bedrag van de volledige te verwezenlijken vermindering, met dien verstande dat de eerste schijf van vermindering toegepast wordt op 1 juli 1982. <W 1992-06-26/30, art. 144, 2°, 012; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
§ 2. De vermindering voortvloeiend uit de toepassing van artikel 44bis, § 1, mag wat betreft de kumulatie van meerdere op 30 juni 1982 lopende pensioenen, niet tot gevolg hebben dat het geheel van de overlevingspensioenen wordt teruggebracht tot een bedrag dat lager ligt (dan 110 pct. van het minimumbedrag van de overlevingspensioenen voorzien voor de langstlevende echtgenoot door artikel 122 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen). Zij wordt doorgevoerd in tien semestriële schijven die elk 10 pct. vertegenwoordigen van het bedrag van de volledige te verwezenlijken vermindering, met dien verstande dat de eerste schijf van vermindering toegepast wordt op 1 juli 1982. <W 1992-06-26/30, art. 144, 2°, 012; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 50bis. § 1er. La réduction découlant de l'application de l'article 40bis est, en ce qui concerne les cumuls de pensions de retraite et de survie en cours au 30 juin 1982, effectuée en dix tranches semestrielles représentant chacune 10 p.c. du montant de la réduction totale à opérer, la première tranche de réduction intervenant le 1er juillet 1982.
§ 2. La réduction découlant de l'application de l'article 44bis, § 1er, ne peut, en ce qui concerne le cumul de plusieurs pensions en cours au 30 juin 1982, avoir pour effet de ramener l'ensemble des pensions de survie à un montant inférieur (à 110 p.c. du minimum de pension de survie prévu en faveur du conjoint survivant par l'article 122 de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses). Elle est effectuée en dix tranches semestrielles représentant chacune 10 p.c. du montant total de la réduction à opérer, la première tranche de réduction intervenant le 1er juillet 1982. <L 1992-06-26/30, art. 144, 2°, 012; En vigueur : 01-01-1993>
§ 2. La réduction découlant de l'application de l'article 44bis, § 1er, ne peut, en ce qui concerne le cumul de plusieurs pensions en cours au 30 juin 1982, avoir pour effet de ramener l'ensemble des pensions de survie à un montant inférieur (à 110 p.c. du minimum de pension de survie prévu en faveur du conjoint survivant par l'article 122 de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses). Elle est effectuée en dix tranches semestrielles représentant chacune 10 p.c. du montant total de la réduction à opérer, la première tranche de réduction intervenant le 1er juillet 1982. <L 1992-06-26/30, art. 144, 2°, 012; En vigueur : 01-01-1993>
Art. 50ter. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/52, art. 11, Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 49 van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, wordt de betaling van het rustpensioen geschorst gedurende de gehele kalendermaanden tijdens welke de gepensioneerde :
a) opgesloten wordt in een gevangenis of geïnterneerd wordt in een inrichting tot bescherming van de maatschappij;
b) zich niet aanmeldt om zijn opsluiting of internering te ondergaan.
In afwijking van § 1, a), wordt de betaling behouden zolang betrokkene geen ononderbroken opsluiting of internering van twaalf maanden heeft ondergaan.
In afwijking van § 1, a), wordt de betaling van het pensioen hersteld voor de periode van voorlopige hechtenis op voorwaarde dat de gepensioneerde bewijst dat hij, voor de inbreuk die aanleiding heeft gegeven tot die opsluiting, werd vrijgesproken bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing. Hetzelfde geldt in geval van ontslag van rechtsvervolging of buitenzaakstelling.
§ 2. Gedurende de periode van schorsing van het pensioen wordt aan de echtgenoot of aan de kinderen van de gepensioneerde een pensioen betaald gelijk aan het overlevingspensioen waarop zij aanspraak zouden kunnen maken indien de gepensioneerde overleden was. De betaling van dit pensioen wordt gestaakt vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het overlijden van de gepensioneerde of vanaf het herstel van de betaling van het rustpensioen aan de gepensioneerde.
Het met toepassing van het eerste lid aan de echtgenoot of aan de kinderen betaalde pensioen wordt afgetrokken van de achterstallen op het rustpensioen die betrekking hebben op dezelfde periode en die aan de gepensioneerde betaald worden op grond van § 1, derde lid.
a) opgesloten wordt in een gevangenis of geïnterneerd wordt in een inrichting tot bescherming van de maatschappij;
b) zich niet aanmeldt om zijn opsluiting of internering te ondergaan.
In afwijking van § 1, a), wordt de betaling behouden zolang betrokkene geen ononderbroken opsluiting of internering van twaalf maanden heeft ondergaan.
In afwijking van § 1, a), wordt de betaling van het pensioen hersteld voor de periode van voorlopige hechtenis op voorwaarde dat de gepensioneerde bewijst dat hij, voor de inbreuk die aanleiding heeft gegeven tot die opsluiting, werd vrijgesproken bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing. Hetzelfde geldt in geval van ontslag van rechtsvervolging of buitenzaakstelling.
§ 2. Gedurende de periode van schorsing van het pensioen wordt aan de echtgenoot of aan de kinderen van de gepensioneerde een pensioen betaald gelijk aan het overlevingspensioen waarop zij aanspraak zouden kunnen maken indien de gepensioneerde overleden was. De betaling van dit pensioen wordt gestaakt vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het overlijden van de gepensioneerde of vanaf het herstel van de betaling van het rustpensioen aan de gepensioneerde.
Het met toepassing van het eerste lid aan de echtgenoot of aan de kinderen betaalde pensioen wordt afgetrokken van de achterstallen op het rustpensioen die betrekking hebben op dezelfde periode en die aan de gepensioneerde betaald worden op grond van § 1, derde lid.
Art. 50ter. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 49 de la loi du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, le paiement de la pension de retraite est suspendu pendant les mois civils entiers durant lesquels le pensionné :
a) est incarcéré dans une prison ou interné dans un établissement de défense sociale;
b) ne se présente pas pour subir son incarcération ou son internement.
Par dérogation au § 1er, a), le paiement est maintenu aussi longtemps que l'intéressé n'a pas subi de façon continue douze mois d'incarcération ou d'internement.
Par dérogation au § 1er, a), le paiement de la pension est rétabli pour la période de détention préventive à condition que le pensionné apporte la preuve qu'il a été acquitté par une décision de justice coulée en force de chose jugée du chef de l'infraction qui a donné lieu à cette incarcération. Il en est de même dans le cas de non-lieu ou de mise hors cause.
§ 2. Pendant la période de suspension de la pension, il est payé au conjoint ou aux enfants du pensionné une pension égale à la pension de survie à laquelle ils pourraient prétendre si le pensionné était décédé. Cette pension cesse d'être payée à partir du premier jour du mois qui suit le décès du pensionné ou à partir de la remise en paiement de la pension de retraite au pensionné.
La pension payée au conjoint ou aux enfants en application de l'alinéa 1er est déduite des arrérages de la pension de retraite se rapportant à la même période et qui sont payés au pensionné sur la base du § 1er, alinéa 3.
a) est incarcéré dans une prison ou interné dans un établissement de défense sociale;
b) ne se présente pas pour subir son incarcération ou son internement.
Par dérogation au § 1er, a), le paiement est maintenu aussi longtemps que l'intéressé n'a pas subi de façon continue douze mois d'incarcération ou d'internement.
Par dérogation au § 1er, a), le paiement de la pension est rétabli pour la période de détention préventive à condition que le pensionné apporte la preuve qu'il a été acquitté par une décision de justice coulée en force de chose jugée du chef de l'infraction qui a donné lieu à cette incarcération. Il en est de même dans le cas de non-lieu ou de mise hors cause.
§ 2. Pendant la période de suspension de la pension, il est payé au conjoint ou aux enfants du pensionné une pension égale à la pension de survie à laquelle ils pourraient prétendre si le pensionné était décédé. Cette pension cesse d'être payée à partir du premier jour du mois qui suit le décès du pensionné ou à partir de la remise en paiement de la pension de retraite au pensionné.
La pension payée au conjoint ou aux enfants en application de l'alinéa 1er est déduite des arrérages de la pension de retraite se rapportant à la même période et qui sont payés au pensionné sur la base du § 1er, alinéa 3.
Art. 50quater. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/52, art. 34, Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. Onverminderd de toepassing van de artikelen 2, § 3, 6, derde lid, en 9, zevende lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, wordt de betaling van het overlevingspensioen geschorst gedurende de gehele kalendermaanden tijdens welke de titularis van het pensioen :
a) opgesloten wordt in een gevangenis of geïnterneerd wordt in een inrichting tot bescherming van de maatschappij;
b) zich niet aanmeldt om zijn opsluiting of internering te ondergaan.
In afwijking van het eerste lid, a), wordt de betaling behouden zolang betrokkene geen ononderbroken opsluiting of internering van twaalf maanden heeft ondergaan.
In afwijking van het eerste lid, a), wordt de betaling van het pensioen hersteld voor de periode van voorlopige hechtenis op voorwaarde dat de titularis van het pensioen bewijst dat hij, voor de inbreuk die aanleiding heeft gegeven tot die opsluiting, werd vrijgesproken bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing. Hetzelfde geldt in geval van ontslag van rechtsvervolging of buitenzaakstelling.
§ 2. Gedurende de periode van schorsing van het pensioen worden de kinderen geboren uit het huwelijk van de overlevende of de uit de echt gescheiden echtgenoot met de overledene, gelijkgesteld met hele wezen. Hetzelfde geldt voor de kinderen bedoeld in artikel 10, § 2, tweede lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. De betaling van dit pensioen wordt gestaakt vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het overlijden van de titularis van het pensioen of vanaf het herstel van de betaling van zijn overlevingspensioen.
Het met toepassing van het eerste lid aan de kinderen betaalde pensioen wordt afgetrokken van de achterstallen op het overlevingspensioen die betrekking hebben op dezelfde periode en die aan de titularis van het pensioen betaald worden op grond van § 1, derde lid.
a) opgesloten wordt in een gevangenis of geïnterneerd wordt in een inrichting tot bescherming van de maatschappij;
b) zich niet aanmeldt om zijn opsluiting of internering te ondergaan.
In afwijking van het eerste lid, a), wordt de betaling behouden zolang betrokkene geen ononderbroken opsluiting of internering van twaalf maanden heeft ondergaan.
In afwijking van het eerste lid, a), wordt de betaling van het pensioen hersteld voor de periode van voorlopige hechtenis op voorwaarde dat de titularis van het pensioen bewijst dat hij, voor de inbreuk die aanleiding heeft gegeven tot die opsluiting, werd vrijgesproken bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing. Hetzelfde geldt in geval van ontslag van rechtsvervolging of buitenzaakstelling.
§ 2. Gedurende de periode van schorsing van het pensioen worden de kinderen geboren uit het huwelijk van de overlevende of de uit de echt gescheiden echtgenoot met de overledene, gelijkgesteld met hele wezen. Hetzelfde geldt voor de kinderen bedoeld in artikel 10, § 2, tweede lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. De betaling van dit pensioen wordt gestaakt vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het overlijden van de titularis van het pensioen of vanaf het herstel van de betaling van zijn overlevingspensioen.
Het met toepassing van het eerste lid aan de kinderen betaalde pensioen wordt afgetrokken van de achterstallen op het overlevingspensioen die betrekking hebben op dezelfde periode en die aan de titularis van het pensioen betaald worden op grond van § 1, derde lid.
Art. 50quater. § 1er. Sans préjudice de l'application des articles 2, § 3, 6, alinéa 3 et 9, alinéa 7 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, le paiement de la pension de survie est suspendu pendant les mois civils entiers durant lesquels le titulaire de la pension :
a) est incarcéré dans une prison ou interné dans un établissement de défense sociale;
b) ne se présente pas pour subir son incarcération ou son internement.
Par dérogation à l'alinéa 1er, a), le paiement est maintenu aussi longtemps que l'intéresse n'a pas subi de façon continue douze mois d'incarcération ou d'internement.
Par dérogation à l'alinéa 1er, a), le paiement de la pension est rétabli pour la période de détention préventive à condition que le titulaire de la pension apporte la preuve qu'il a été acquitté par une décision de justice coulée en force de chose jugée du chef de l'infraction qui a donné lieu à cette incarcération. Il en est de même dans le cas de non-lieu ou de mise hors cause.
§ 2. Pendant la période de suspension de la pension, les enfants issus du mariage du conjoint survivant ou divorcé avec l'agent défunt sont assimilés à des orphelins de père et de mère. Il en est de même des enfants visés à l'article 10, § 2, alinéa 2 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions. Cette pension cesse d'être payée à partir du premier jour du mois qui suit le décès du titulaire de la pension ou à partir de la remise en paiement de sa pension de survie.
La pension payée aux enfants en application de l'alinéa 1er est déduite des arrérages de la pension de survie se rapportant à la même période et qui sont payés au titulaire de la pension sur la base du § 1er, alinéa 3.
a) est incarcéré dans une prison ou interné dans un établissement de défense sociale;
b) ne se présente pas pour subir son incarcération ou son internement.
Par dérogation à l'alinéa 1er, a), le paiement est maintenu aussi longtemps que l'intéresse n'a pas subi de façon continue douze mois d'incarcération ou d'internement.
Par dérogation à l'alinéa 1er, a), le paiement de la pension est rétabli pour la période de détention préventive à condition que le titulaire de la pension apporte la preuve qu'il a été acquitté par une décision de justice coulée en force de chose jugée du chef de l'infraction qui a donné lieu à cette incarcération. Il en est de même dans le cas de non-lieu ou de mise hors cause.
§ 2. Pendant la période de suspension de la pension, les enfants issus du mariage du conjoint survivant ou divorcé avec l'agent défunt sont assimilés à des orphelins de père et de mère. Il en est de même des enfants visés à l'article 10, § 2, alinéa 2 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions. Cette pension cesse d'être payée à partir du premier jour du mois qui suit le décès du titulaire de la pension ou à partir de la remise en paiement de sa pension de survie.
La pension payée aux enfants en application de l'alinéa 1er est déduite des arrérages de la pension de survie se rapportant à la même période et qui sont payés au titulaire de la pension sur la base du § 1er, alinéa 3.
Afdeling 2. - Uitbreiding van de tabel der actieve diensten,bedoeld bij artikel 8 van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen
Section 2. - Extension du tableau des services actifs prévu à l'article 8 de la loi du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques
Art. 51.
Art. 51.
Art. 52. § 1. De op de datum van de inwerkingtreding van artikel 51 lopende rustpensioenen worden op verzoek van de betrokkenen herzien.
Deze aanvraag heeft uitwerking :
- op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de huidige wet in het Belgisch Staatsblad zal zijn bekendgemaakt, voor zover zij binnen de zes maanden na de bekendmaking van deze wet wordt ingediend;
- op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin zij werd ingediend, in de andere gevallen.
Het herziene bedrag wordt bekomen door het nominale bedrag van het rustpensioen van kracht op de vooravond van de datum waarop de herziening dient uitgevoerd, te vermenigvuldigen met de verhouding bestaande tussen het nominale bedrag dat het rustpensioen aanvankelijk zou bereikt hebben indien het zou zijn vastgesteld rekening houdend, voor de in artikel 51 bedoelde ambten, met het uit dat artikel voortvloeiend tantième en het oorspronkelijke nominale bedrag.
§ 2. De aanvraag bedoeld in § 1 moet worden ingediend bij de Administratie der pensioenen van het Ministerie van Financiën.
Deze aanvraag heeft uitwerking :
- op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de huidige wet in het Belgisch Staatsblad zal zijn bekendgemaakt, voor zover zij binnen de zes maanden na de bekendmaking van deze wet wordt ingediend;
- op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin zij werd ingediend, in de andere gevallen.
Het herziene bedrag wordt bekomen door het nominale bedrag van het rustpensioen van kracht op de vooravond van de datum waarop de herziening dient uitgevoerd, te vermenigvuldigen met de verhouding bestaande tussen het nominale bedrag dat het rustpensioen aanvankelijk zou bereikt hebben indien het zou zijn vastgesteld rekening houdend, voor de in artikel 51 bedoelde ambten, met het uit dat artikel voortvloeiend tantième en het oorspronkelijke nominale bedrag.
§ 2. De aanvraag bedoeld in § 1 moet worden ingediend bij de Administratie der pensioenen van het Ministerie van Financiën.
Art. 52. § 1. Les pensions de retraite en cours à la date de l'entrée en vigueur de l'article 51 sont révisées à la demande des intéressés.
Cette demande produit ses effets :
_ le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge, pour autant qu'elle soit introduite dans les six mois suivant la date de la publication de la présente loi;
_ le premier jour du mois suivant celui au cours duquel elle aura été introduite, dans les autres cas.
Le taux révisé est obtenu en multipliant le montant nominal de la pension de retraite en vigueur la veille de la date à laquelle la révision doit être effectuée par le rapport existant entre le montant nominal que la pension de retraite aurait atteint initialement si elle avait été établie en tenant compte, pour les fonctions visées à l'article 51, du tantième résultant de cet article, et le montant nominal initial.
§ 2. La demande visée au § 1er doit être introduite auprès de l'Administration des pensions du Ministère des Finances.
Cette demande produit ses effets :
_ le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge, pour autant qu'elle soit introduite dans les six mois suivant la date de la publication de la présente loi;
_ le premier jour du mois suivant celui au cours duquel elle aura été introduite, dans les autres cas.
Le taux révisé est obtenu en multipliant le montant nominal de la pension de retraite en vigueur la veille de la date à laquelle la révision doit être effectuée par le rapport existant entre le montant nominal que la pension de retraite aurait atteint initialement si elle avait été établie en tenant compte, pour les fonctions visées à l'article 51, du tantième résultant de cet article, et le montant nominal initial.
§ 2. La demande visée au § 1er doit être introduite auprès de l'Administration des pensions du Ministère des Finances.
Art. 53. Artikel 51 treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de huidige wet zal zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 53. L'article 51 entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge.
Afdeling 3. - Maatregelen tot uitvoering van de 6de collectieve overeenkomst van de overheidssector 1978-1979
Section 3. - Mesures d'exécution de la 6e convention collective du secteur public 1978-1979.
Art. 54. § 1. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
§ 2. De bepalingen van onderafdelingen III en IV van de huidige sectie zijn van toepassing op de personen bedoeld bij artikel 1 van de wet van 5 april 1978 betreffende de toekenning van een toelage aan de gepensioneerden van de openbare diensten.
§ 2. De bepalingen van onderafdelingen III en IV van de huidige sectie zijn van toepassing op de personen bedoeld bij artikel 1 van de wet van 5 april 1978 betreffende de toekenning van een toelage aan de gepensioneerden van de openbare diensten.
Art. 54. § 1. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 009; En vigueur : 01-07-1991>
§ 2. Les dispositions des sous-sections III et IV sont applicables aux personnes visées à l'article 1er de la loi du 5 avril 1978 relative à l'octroi d'une allocation aux pensionnés du secteur public.
§ 2. Les dispositions des sous-sections III et IV sont applicables aux personnes visées à l'article 1er de la loi du 5 avril 1978 relative à l'octroi d'une allocation aux pensionnés du secteur public.
Onderafdeling I. _ Toekenning van een uitgesteld rustpensioen.
Sous-Section I. _ Octroi d'une pension différée.
Art. 55. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 55. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; En vigueur : 01-07-1991>
Art. 56. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 56. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; En vigueur : 01-07-1991>
Art. 57. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 57. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; En vigueur : 01-07-1991>
Art. 58. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 58. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; En vigueur : 01-07-1991>
Art. 59. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 59. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; En vigueur : 01-07-1991>
Art. 60. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 60. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; En vigueur : 01-07-1991>
Art. 61. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 61. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; En vigueur : 01-07-1991>
Art. 62. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 62. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; En vigueur : 01-07-1991>
Onderafdeling II. - Vervroegd pensioen op de leeftijd van 60 jaar in de overheidssector.
Sous-Section II. _ Pension anticipée à 60 ans dans le secteur public.
Art. 63. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 63. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; En vigueur : 01-07-1991>
Art. 64. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 64. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; En vigueur : 01-07-1991>
Art. 65. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 65. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; En vigueur : 01-07-1991>
Art. 66. (Opgeheven) <W 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 66. (Abrogé.) <L 1991-05-21/41, art. 67, 10°, 009; En vigueur : 01-07-1991>
Onderafdeling III. - Toekenning van een toelage aan de gepensioneerden van de openbare diensten voor de jaren 1978 en 1979.
Sous-Section III. - Octroi d'une allocation aux pensionnés du secteur public pour les années 1978 et 1979.
Art. 67.
Art. 67.
Onderafdeling IV. - Toekenning van een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld voor de gepensioneerden van de openbare diensten.
Sous-Section IV. - Octroi d'un pécule complémentaire au pécule de vacances aux pensionnés du secteur public.
Art. 68. (Opgeheven) <W 1999-12-24/36, art. 108, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 68. (Abrogé.) <L 1999-12-24/36, art. 108, 017; En vigueur : 01-01-2000>
Onderafdeling V. - Wijzigingen in de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioen-regelingen van de openbare sector
Sous-section V. - Modifications à la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public.
Art. 69.
Art. 69.
Art. 70. De huidige onderafdeling treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke de wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Art. 70. La présente sous-section entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la loi sera publiée au Moniteur belge.
Afdeling 4. - Toekenning van zekere bevoegdheden aan de Koning met het oog op het wijzigen of aanvullen van zekere wettelijke bepalingen inzake pensioenen van de openbare sector
Section 4. - Attribution de pouvoirs au Roi en vue de modifier ou de compléter certaines dispositions légales en matière de pensions du secteur public.
Art. 71. Bij in Ministerraad overlegde besluiten, kan de Koning alle nuttige maatregelen treffen teneinde :
1° de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut, alsmede van hun rechthebbenden aan te vullen en te wijzigen teneinde :
a)voor het overlevingspensioen alle diensten in aanmerking te nemen bewezen krachtens een definitieve benoeming in de betrokken parastatale instellingen alvorens de genoemde wet op hen van toepassing werd verklaard;
b)de boekhoudkundige bepalingen evenals die inzake de subrogatie aan te passen aan de wetgeving met betrekking tot de gemengde loopbanen in overheidsdienst;
2° de inaanmerkingneming voor het pensioen te regelen van diensten bewezen bij een Officiële Werkbeurs, bij een gemeentelijk, tussengemeentelijk of provinciaal Werkloosheidsfonds, bij een dienst voor Arbeidsbemiddeling en werkloosheid, alsmede bij de voormalige Ziekenkassen gevestigd in de kantons Eupen, Malmedy en Sankt-Vith;
3° de wet van 10 januari 1974 tot regeling van de inaanmerkingneming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen ten laste van de Staatskas aan te vullen teneinde in de inaanmerkingneming te voorzien van diensten bewezen bij afgeschafte parastatale instellingen, voor de toekenning en de berekening van het enig pensioen bedoeld bij de regeling der gemengde loopbanen in de overheidssector;
4° de inaanmerkingneming voor het pensioen te regelen van diensten bewezen als telegrambesteller;
5° de verjaringstermijn van zes maanden voorzien door de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 uit te breiden tot de schuldvorderingen voortspruitend uit bedragen die onverschuldigd werden uitbetaald inzake vergoedingen toegekend krachtens de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;
6° de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen te wijzigen en aan te vullen met het oog op het oplossen van de moeilijkheden inzake pensioenen die zich bij de toepassing van die wet gesteld hebben;
7° het akkoord dat op 28 november 1975 gesloten werd tussen de Regering en de vakverenigingen te verwezenlijken door de weerslag te regelen inzake pensioenen van de koloniale diensten en van zekere diensten die in aanmerking komen voor de vaststelling van de wedde van de personeelsleden van het onderwijs;
8° het voordeel van artikel 116, § 2, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel uit te breiden tot de leden van het onderwijzend personeel die op 31 december 1960 in dienst waren in het onderwijs in Congo of Rwanda-Burundi of die na die datum, tengevolge van de gebeurtenissen, niet gereïntegreerd werden in een moederlandse betrekking;
9° de herziening mogelijk te maken van de lopende pensioenen op de data en volgens de modaliteiten die Hij bepaalt, rekening houdend met de bepalingen voorzien bij 3° en 4°.
1° de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut, alsmede van hun rechthebbenden aan te vullen en te wijzigen teneinde :
a)voor het overlevingspensioen alle diensten in aanmerking te nemen bewezen krachtens een definitieve benoeming in de betrokken parastatale instellingen alvorens de genoemde wet op hen van toepassing werd verklaard;
b)de boekhoudkundige bepalingen evenals die inzake de subrogatie aan te passen aan de wetgeving met betrekking tot de gemengde loopbanen in overheidsdienst;
2° de inaanmerkingneming voor het pensioen te regelen van diensten bewezen bij een Officiële Werkbeurs, bij een gemeentelijk, tussengemeentelijk of provinciaal Werkloosheidsfonds, bij een dienst voor Arbeidsbemiddeling en werkloosheid, alsmede bij de voormalige Ziekenkassen gevestigd in de kantons Eupen, Malmedy en Sankt-Vith;
3° de wet van 10 januari 1974 tot regeling van de inaanmerkingneming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen ten laste van de Staatskas aan te vullen teneinde in de inaanmerkingneming te voorzien van diensten bewezen bij afgeschafte parastatale instellingen, voor de toekenning en de berekening van het enig pensioen bedoeld bij de regeling der gemengde loopbanen in de overheidssector;
4° de inaanmerkingneming voor het pensioen te regelen van diensten bewezen als telegrambesteller;
5° de verjaringstermijn van zes maanden voorzien door de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 uit te breiden tot de schuldvorderingen voortspruitend uit bedragen die onverschuldigd werden uitbetaald inzake vergoedingen toegekend krachtens de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;
6° de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen te wijzigen en aan te vullen met het oog op het oplossen van de moeilijkheden inzake pensioenen die zich bij de toepassing van die wet gesteld hebben;
7° het akkoord dat op 28 november 1975 gesloten werd tussen de Regering en de vakverenigingen te verwezenlijken door de weerslag te regelen inzake pensioenen van de koloniale diensten en van zekere diensten die in aanmerking komen voor de vaststelling van de wedde van de personeelsleden van het onderwijs;
8° het voordeel van artikel 116, § 2, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel uit te breiden tot de leden van het onderwijzend personeel die op 31 december 1960 in dienst waren in het onderwijs in Congo of Rwanda-Burundi of die na die datum, tengevolge van de gebeurtenissen, niet gereïntegreerd werden in een moederlandse betrekking;
9° de herziening mogelijk te maken van de lopende pensioenen op de data en volgens de modaliteiten die Hij bepaalt, rekening houdend met de bepalingen voorzien bij 3° en 4°.
Art. 71. Par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, le Roi peut prendre toutes les dispositions utiles en vue:
1° de compléter et modifier la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit afin:
a) de rendre supputables au regard de la pension de survie tous les services accomplis en vertu d'une nomination à titre définitif dans les organismes concernés, avant que ladite loi ne leur soit rendue applicable;
b) d'adapter les dispositions comptables et celles prévues en matière de subrogation à la législation relative aux carrières mixtes dans le secteur public;
2° de régler l'admissibilité, au regard de la pension, des services rendus dans une Bourse officielle du Travail, dans un Fonds de chômage communal, intercommunal ou provincial, dans un Office de placement et du chômage ainsi que dans les anciennes Caisses de Malades des cantons d'Eupen, Malmedy et Saint-Vith;
3° de compléter la loi du 10 janvier 1974 réglant l'admissibilité de certains services et de périodes assimilées à l'activité de service pour l'octroi et le calcul des pensions à charge du Trésor public, de manière à permettre la prise en considération des services rendus dans des organismes d'intérêt public supprimés pour l'octroi et le calcul de la pension unique prévue par le régime des carrières mixtes dans le secteur public;
4° de régler l'admissibilité, au regard de la pension, des services accomplis en qualité de porteur de télégrammes;
5° d'étendre la prescription de six mois prévue par la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977, aux créances résultant de montants payes indûment en matière d'indemnités octroyées en vertu de la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public;
6° de modifier et compléter la loi du 27 juillet 1971 sur le financement et le contrôle des institutions universitaires, en vue de résoudre les problèmes en matière de pensions qui se sont posés lors de l'application de cette loi;
7° de concrétiser l'accord conclu le 28 novembre 1975 entre le Gouvernement et les organisations syndicales, en réglant l'incidence, en matière de pensions, des services coloniaux et de certains services admissibles pour la détermination du traitement des membres du personnel de l'enseignement;
8° d'étendre le bénéfice de l'article 116, § 2, de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, aux membres du personnel enseignant qui exerçaient des fonctions dans l'enseignement au Congo ou au Rwanda-Burundi à la date du 31 décembre 1960, ou qui n'ont pu réintégrer un emploi dans l'enseignement métropolitain avant cette date par suite des événements;
9° de permettre la révision des pensions en cours aux dates et selon les modalités qu'Il détermine, compte tenu des dispositions visées aux 3° et 4°.
1° de compléter et modifier la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit afin:
a) de rendre supputables au regard de la pension de survie tous les services accomplis en vertu d'une nomination à titre définitif dans les organismes concernés, avant que ladite loi ne leur soit rendue applicable;
b) d'adapter les dispositions comptables et celles prévues en matière de subrogation à la législation relative aux carrières mixtes dans le secteur public;
2° de régler l'admissibilité, au regard de la pension, des services rendus dans une Bourse officielle du Travail, dans un Fonds de chômage communal, intercommunal ou provincial, dans un Office de placement et du chômage ainsi que dans les anciennes Caisses de Malades des cantons d'Eupen, Malmedy et Saint-Vith;
3° de compléter la loi du 10 janvier 1974 réglant l'admissibilité de certains services et de périodes assimilées à l'activité de service pour l'octroi et le calcul des pensions à charge du Trésor public, de manière à permettre la prise en considération des services rendus dans des organismes d'intérêt public supprimés pour l'octroi et le calcul de la pension unique prévue par le régime des carrières mixtes dans le secteur public;
4° de régler l'admissibilité, au regard de la pension, des services accomplis en qualité de porteur de télégrammes;
5° d'étendre la prescription de six mois prévue par la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977, aux créances résultant de montants payes indûment en matière d'indemnités octroyées en vertu de la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public;
6° de modifier et compléter la loi du 27 juillet 1971 sur le financement et le contrôle des institutions universitaires, en vue de résoudre les problèmes en matière de pensions qui se sont posés lors de l'application de cette loi;
7° de concrétiser l'accord conclu le 28 novembre 1975 entre le Gouvernement et les organisations syndicales, en réglant l'incidence, en matière de pensions, des services coloniaux et de certains services admissibles pour la détermination du traitement des membres du personnel de l'enseignement;
8° d'étendre le bénéfice de l'article 116, § 2, de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, aux membres du personnel enseignant qui exerçaient des fonctions dans l'enseignement au Congo ou au Rwanda-Burundi à la date du 31 décembre 1960, ou qui n'ont pu réintégrer un emploi dans l'enseignement métropolitain avant cette date par suite des événements;
9° de permettre la révision des pensions en cours aux dates et selon les modalités qu'Il détermine, compte tenu des dispositions visées aux 3° et 4°.
TITEL VI. - DIVERSE BEPALINGEN.
TITRE VI. - DISPOSITIONS DIVERSES.
HOOFDSTUK I. - Bijzondere bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions particulières.
Art. 72. Wanneer de achterstallige betalingen van een onderneming, die minstens vijftig werknemers tewerkstelt, jegens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, of de Administratie van de directe belastingen en de indirecte belastingen, zes maanden vertraging bereiken, zijn de betrokken Ministers van Sociale Voorzorg en van Financiën verplicht hiervan mededeling te doen aan de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris die de Streekeconomie in zijn bevoegdheid heeft.
De toepassingsmodaliteiten van het eerste lid, alsmede de vertrouwelijke aard van de informatie, zullen in een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit vastgesteld worden.
De toepassingsmodaliteiten van het eerste lid, alsmede de vertrouwelijke aard van de informatie, zullen in een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit vastgesteld worden.
Art. 72. Lorsqu'une entreprise qui compte au moins cinquante employés est en retard de paiement de plus de six mois envers l'Office national de sécurité sociale ou l'Administration des impôts directs et indirects, les Ministres concernés de la Prévoyance sociale et des Finances ont l'obligation d'en avertir le Ministre des Affaires économiques et le Secrétaire d'Etat qui a l'Economie régionale dans ses attributions.
Les modalités d'application du premier alinéa ainsi que le caractère confidentiel de l'information seront déterminés par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
Les modalités d'application du premier alinéa ainsi que le caractère confidentiel de l'information seront déterminés par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
Art. 73. De Koning bepaalt de concrete gevallen waarop dit artikel van toepassing is.
Art. 73. Le Roi définit les cas concrets auxquels cet article est applicable.
Art. 74.
Art. 74.
Art. 75. § 1. Onverminderd de toepassing van de wetten op de economische expansie mogen de tegemoetkomingen, andere dan deze uitdrukkelijk voorzien in de expansiewetten, en aangerekend op al dan niet geregionaliseerde kredieten, aan ondernemingen in moeilijkheden, mits goedkeuring van het bevoegde Ministerieel Comité of de bevoegde Ministeriële Comité's door de Minister van Economische Zaken of de bevoegde Staatssecretarissen voor Streekeconomie, voor al wat nuttig is, toegekend worden door gebruikmaking van de kredieten voorzien in het Fonds voor Economische Expansie en Regionale Reconversie.
§ 2. Deze tegemoetkomingen mogen uitsluitend verleend worden onder de vorm van terugvorderbare voorschotten, van gewone leningen of converteerbare obligatieleningen.
§ 3. Deze voorschotten, leningen en obligatieleningen moeten bovendien beantwoorden aan volgende voorwaarden :
a) zij moeten gedekt worden door waarborgen die de Staat als schuldeiser een privilegie verlenen;
b) de betaling van een rente gelijk aan de normale marktrente toegepast voor kredieten op lange termijn, dient bedongen te worden;
c) de obligatieleningen zullen slechts in aandelen geconverteerd worden indien de Staat daardoor géén meerderheid in het kapitaal van de vennootschap verwerft én op voorwaarde dat het boekjaar dat de conversie voorafgaat met winst werd afgesloten;
d) de maximumduur van de financiële steun is bepaald op 10 jaar; deze tegemoetkoming is terugbetaalbaar met gelijke jaarlijkse terugbetalingen in hoofdsom. Een eventuele vrijstelling van maximum vijf jaar kan voor de terugbetaling in hoofdsom voorgesteld worden;
e) nochtans, indien de tegemoetkoming deel uitmaakt van een herstructuratieprogramma waarvan de financiering mee verzekerd wordt door de (Federale Investeringsmaatschappij), de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen, de op te richten Gewestelijke Investeringsmaatschappijen, een privé-groep of een firma, door gebruikmaking van hun eigen fondsen, mogen het bevoegde Ministerieel Comité of de bevoegde Ministeriële Comité's een interestvermindering toekennen, gelijk aan de grootte en de duurtijd voorzien door de wetten op de economische expansie en de van toepassing zijnde besluiten en richtlijnen. <KB 1994-06-16/31, art. 3, 016; Inwerkingtreding : onbepaald >
§ 4. Het bevoegde Ministerieel Comité of de bevoegde Ministeriële Comité's mogen beslissen begrotingskredieten ter beschikking te stellen aan de daartoe geëigende overheidsinstellingen, met het oog op het nemen van minderheidsdeelnemingen in het kapitaal van een bij huidig artikel bedoelde onderneming in de mate dat deze deelneming kadert in een herstructuratieprogramma onder de voorwaarden zoals bepaald in § 3, e) hierboven.
§ 5. Voor de door de Staat reeds verleende tegemoetkomingen bedoeld bij onderhavig artikel, waakt de Minister en of de Staatssecretaris die het beheer heeft over de begroting op dewelke de tegemoetkomingen werden verleend, over de toepassing van de beschikkingen van huidig artikel op deze tegemoetkomingen, vanaf het ogenblik dat de contractuele of reglementaire voorwaarden zulks toelaten.
§ 2. Deze tegemoetkomingen mogen uitsluitend verleend worden onder de vorm van terugvorderbare voorschotten, van gewone leningen of converteerbare obligatieleningen.
§ 3. Deze voorschotten, leningen en obligatieleningen moeten bovendien beantwoorden aan volgende voorwaarden :
a) zij moeten gedekt worden door waarborgen die de Staat als schuldeiser een privilegie verlenen;
b) de betaling van een rente gelijk aan de normale marktrente toegepast voor kredieten op lange termijn, dient bedongen te worden;
c) de obligatieleningen zullen slechts in aandelen geconverteerd worden indien de Staat daardoor géén meerderheid in het kapitaal van de vennootschap verwerft én op voorwaarde dat het boekjaar dat de conversie voorafgaat met winst werd afgesloten;
d) de maximumduur van de financiële steun is bepaald op 10 jaar; deze tegemoetkoming is terugbetaalbaar met gelijke jaarlijkse terugbetalingen in hoofdsom. Een eventuele vrijstelling van maximum vijf jaar kan voor de terugbetaling in hoofdsom voorgesteld worden;
e) nochtans, indien de tegemoetkoming deel uitmaakt van een herstructuratieprogramma waarvan de financiering mee verzekerd wordt door de (Federale Investeringsmaatschappij), de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen, de op te richten Gewestelijke Investeringsmaatschappijen, een privé-groep of een firma, door gebruikmaking van hun eigen fondsen, mogen het bevoegde Ministerieel Comité of de bevoegde Ministeriële Comité's een interestvermindering toekennen, gelijk aan de grootte en de duurtijd voorzien door de wetten op de economische expansie en de van toepassing zijnde besluiten en richtlijnen. <KB 1994-06-16/31, art. 3, 016; Inwerkingtreding : onbepaald >
§ 4. Het bevoegde Ministerieel Comité of de bevoegde Ministeriële Comité's mogen beslissen begrotingskredieten ter beschikking te stellen aan de daartoe geëigende overheidsinstellingen, met het oog op het nemen van minderheidsdeelnemingen in het kapitaal van een bij huidig artikel bedoelde onderneming in de mate dat deze deelneming kadert in een herstructuratieprogramma onder de voorwaarden zoals bepaald in § 3, e) hierboven.
§ 5. Voor de door de Staat reeds verleende tegemoetkomingen bedoeld bij onderhavig artikel, waakt de Minister en of de Staatssecretaris die het beheer heeft over de begroting op dewelke de tegemoetkomingen werden verleend, over de toepassing van de beschikkingen van huidig artikel op deze tegemoetkomingen, vanaf het ogenblik dat de contractuele of reglementaire voorwaarden zulks toelaten.
Art. 75. § 1. Sans préjudice de l'application des lois relatives à l'expansion économique, les aides, autres que celles prévues explicitement par celles-ci, imputées sur les crédits régionalisés ou non, aux entreprises en difficulté, peuvent être accordées, moyennant l'autorisation du Comité ministériel compétent ou des Comités ministériels compétents, par le Ministre des Affaires économiques ou les Secrétaires d'Etat aux Economies régionales, pour les objets qui relèvent de leur compétence, au moyen des crédits prévus au fonds d'expansion économique et de reconversion régionale, à toutes fins utiles.
§ 2. Ces aides peuvent être octroyées exclusivement sous forme d'avances récupérables, de prêts ordinaires ou d'emprunts obligataires convertibles.
§ 3. Ces avances, prêts et emprunts obligatoires doivent par ailleurs répondre aux conditions suivantes :
a) ils doivent être couverts par des garanties, qui assurent à l'Etat un privilège;
b) le paiement d'un intérêt égal au taux d'intérêt du marché pour les crédits à long terme, doit être exigé;
c) les emprunts obligataires convertibles ne seront convertis en actions que si l'Etat n'acquiert pas, de ce fait, une majorité dans le capital de la société et à condition que l'exercice précédant la conversion soit clôturé par un bénéfice;
d) la durée maximale de l'aide est fixée à 10 ans; cette aide est remboursable par des annuités en principal égales. Une éventuelle franchise de cinq ans maximum peut être proposée pour le remboursement du principal;
e) toutefois, lorsque ces interventions s'inscrivent dans un plan de restructuration au financement duquel participent, sur leurs fonds propres, la (Société fédérale d'investissement), les Sociétés de développement régional, les Sociétés régionales d'investissement à constituer, un groupe privé ou une firme, le Comité ministériel compétent ou les Comités ministériels compétents peuvent octroyer une réduction d'intérêt calculée aux taux et durée prévus par les lois d'expansion et les arrêtés ou directives d'application. <AR 1994-06-16/31, art. 3, 016; En vigueur : indéterminée >
§ 4. Le Comité ministériel compétent ou les Comités ministériels compétents peuvent décider de mettre des crédits budgétaires à la disposition des institutions publiques créées à cet effet en vue de prendre des participations minoritaires dans le capital d'une entreprise visée par le présent article dans la mesure où cette participation s'inscrit dans un programme de restructuration aux conditions stipulées au § 3, e) ci-dessus.
§ 5. Pour les aides visées par le présent article, déjà octroyées par l'Etat, le Ministre et ou le Secrétaire d'Etat ordonnateur du budget sur lequel les aides ont été octroyées, veille à ce que les dispositions du présent article soient d'application à partir du moment où les conditions contractuelles ou réglementaires le permettent.
§ 2. Ces aides peuvent être octroyées exclusivement sous forme d'avances récupérables, de prêts ordinaires ou d'emprunts obligataires convertibles.
§ 3. Ces avances, prêts et emprunts obligatoires doivent par ailleurs répondre aux conditions suivantes :
a) ils doivent être couverts par des garanties, qui assurent à l'Etat un privilège;
b) le paiement d'un intérêt égal au taux d'intérêt du marché pour les crédits à long terme, doit être exigé;
c) les emprunts obligataires convertibles ne seront convertis en actions que si l'Etat n'acquiert pas, de ce fait, une majorité dans le capital de la société et à condition que l'exercice précédant la conversion soit clôturé par un bénéfice;
d) la durée maximale de l'aide est fixée à 10 ans; cette aide est remboursable par des annuités en principal égales. Une éventuelle franchise de cinq ans maximum peut être proposée pour le remboursement du principal;
e) toutefois, lorsque ces interventions s'inscrivent dans un plan de restructuration au financement duquel participent, sur leurs fonds propres, la (Société fédérale d'investissement), les Sociétés de développement régional, les Sociétés régionales d'investissement à constituer, un groupe privé ou une firme, le Comité ministériel compétent ou les Comités ministériels compétents peuvent octroyer une réduction d'intérêt calculée aux taux et durée prévus par les lois d'expansion et les arrêtés ou directives d'application. <AR 1994-06-16/31, art. 3, 016; En vigueur : indéterminée >
§ 4. Le Comité ministériel compétent ou les Comités ministériels compétents peuvent décider de mettre des crédits budgétaires à la disposition des institutions publiques créées à cet effet en vue de prendre des participations minoritaires dans le capital d'une entreprise visée par le présent article dans la mesure où cette participation s'inscrit dans un programme de restructuration aux conditions stipulées au § 3, e) ci-dessus.
§ 5. Pour les aides visées par le présent article, déjà octroyées par l'Etat, le Ministre et ou le Secrétaire d'Etat ordonnateur du budget sur lequel les aides ont été octroyées, veille à ce que les dispositions du présent article soient d'application à partir du moment où les conditions contractuelles ou réglementaires le permettent.
Art. 76. De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen wordt ertoe gemachtigd in België of in het buitenland, in Belgische of vreemde munt, een of meer leningen uit te schrijven voor een totaal wezenlijk bedrag van 700 000 000 frank bestemd om de uitgaven van rijdend materieel en van sporen te dekken.
De interesten van deze leningen worden door de Staat gedragen.
Het tijdstip en de modaliteiten van de uitgifte van de leningen worden vastgesteld door de Koning, op de voordracht van de Minister van Financiën en van de Minister van Verkeerswezen.
De interesten van deze leningen worden door de Staat gedragen.
Het tijdstip en de modaliteiten van de uitgifte van de leningen worden vastgesteld door de Koning, op de voordracht van de Minister van Financiën en van de Minister van Verkeerswezen.
Art. 76. La Société nationale des Chemins de fer belges est autorisée à émettre en Belgique ou à l'étranger, en monnaies belge ou étrangères, un ou plusieurs emprunts pour un montant total effectif de 700 000 000 de francs destinés à couvrir des dépenses relatives à l'acquisition de matériel roulant et à l'amélioration de voies.
Les intérêts de ces emprunts sont supportés par l'Etat.
L'époque et les modalités d'émission des emprunts sont fixées par le Roi, sur proposition du Ministre des Finances et du Ministre des Communications.
Les intérêts de ces emprunts sont supportés par l'Etat.
L'époque et les modalités d'émission des emprunts sont fixées par le Roi, sur proposition du Ministre des Finances et du Ministre des Communications.
Art. 77. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de bepalingen wijzigen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, teneinde het verkeer van het gemeenschappelijk vervoer te vergemakkelijken.
Art. 77. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier les dispositions de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968, en vue de faciliter la circulation des transports en commun.
Art. 78.
Art. 78.
Art. 79.
Art. 79.
Art. 80.
Art. 80.
Art. 81.
Art. 81..
Art. 82. (opgeheven) <W 2002-12-24/31, art. 509, 020; Inwerkingtreding : 31-12-2002>
Art. 82. (abrogé) <L 2002-12-24/31, art. 509, 020; En vigueur : 31-12-2002>
Art. 83. <W 6-7-1982, art. 1> § 1. De [5 § § 3 tot 6]5 zijn van toepassing :
1° op de personeelsleden van een openbare of door de Staat gesubsidieerde dienst, die een pensioenregeling ten laste van de Staatskas genieten, met uitzondering van de provinciegouverneurs, (de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding) [3 of van HR Rail]3, de magistraten van de rechterlijke orde en van de Raad van State en de personen die dezelfde pensioenregeling als de magistraten genieten; <KB 2006-12-28/38, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° op de personeelsleden van :
a) de provincies, gemeenten, agglomeraties van gemeenten, federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies voor de cultuur en de aan die publiekrechtelijke personen ondergeschikte instellingen;
b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is;
c) [1 bpost]1;
d) de Regie voor Maritiem Transport;
e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, toepasselijk is verklaard;
3° op de gewestelijke ontvangers en op de brigadechefs die onderscheidenlijk op grond van artikel 114 van de gemeentewet en van artikel 55bis van het Veldwetboek benoemd zijn.
De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, dit artikel toepasselijk verklaren op personen die aan andere pensioenregelingen onderworpen zijn, met uitsluiting van die welke onderworpen zijn aan de regeling inzake rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
§ 2. [5 ...]5.
§ 3. Het personeel dat de leeftijd van [4 62 jaar vanaf 1 juli 2016, 62 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari 2017, 63 jaar vanaf 1 januari 2018]4 heeft bereikt, wordt ambtshalve in ruste gesteld de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij, zonder dat hij definitief ongeschikt is bevonden, sedert [4 de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt vanaf 1 juli 2016, de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar en 6 maanden heeft bereikt vanaf 1 januari 2017, de datum waarop hij de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt vanaf 1 januari 2018]4 hetzij door verlof, hetzij door disponibiliteit, hetzij door beide, 365 dagen afwezigheid wegens ziekte telt, of 548 dagen wanneer het een oorlogsinvalide betreft.
Voor het berekenen van de in het eerste lid bedoelde termijnen van 365 en 548 dagen komen niet in aanmerking :
a) afwezigheden te wijten aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte;
b) afwezigheden die te wijten zijn aan invaliditeiten opgelopen tijdens een koloniale loopbaan en die met de onder a bedoelde afwezigheden gelijk moeten worden gesteld op grond van artikel 25 van de wet van 2 augustus 1955 houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen;
c) de halve dagen afwezigheid tijdens welke het personeelslid gemachtigd afwezig mag zijn met toepassing van een verordeningsregeling inzake verminderde prestaties in geval van ziekte of gebrekkigheid.
§ 4. De in § 3 bedoelde maatregel is eveneens toepasselijk op de personen die bij artikel 117 van de [5 wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel]5 tot het tijdelijk pensioen zijn toegelaten. Daartoe wordt het tijdelijk pensioen, met het oog op de berekening van de termijnen van 365 en 548 dagen, gelijkgesteld met een afwezigheid wegens ziekte.
§ 5. De inrustestelling van ambtswege, bedoeld in de §§ 3 en 4, worden gelijkgesteld met inruststelling wegens lichamelijke ongeschiktheid.
§ 6. Bij overgangsmaatregel komen voor het berekenen van de termijnen van 365 en 548 dagen bedoeld in [5 in § 3]5, niet in aanmerking de dagen afwezigheid wegens ziekte voor 6 augustus 1978.
§ 7. Wanneer een personeelslid van het niet-universitair Rijks- of gesubsidieerd onderwijs, die om reden van ziekte sedert meer dan 15 dagen afwezig is geweest, zijn dienst hervat minder dan 10 dagen voor de schoolvakantie en, minder dan 15 dagen na deze vakantie opnieuw ophoudt zijn functies uit te oefenen gedurende ten minste 10 dagen om reden van ziekte, worden de vakantiedagen hem als ziekteverlof aangerekend.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met de afwezigheid na de vakantie geen rekening gehouden voor zover zij te wijten is aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte.
In afwijking van het eerste lid heeft elk hierboven bedoeld personeelslid, voor de drie schoolvakantieperioden samen, recht op een gewaarborgd aantal vakantiedagen, gelijk aan het aantal verlofdagen bepaald in het statuut van het Rijkspersoneel.
Voor de toepassing van het derde lid worden de gewaarborgde dagen, na eventuele aftrek van de Kerst- en Paasvakantie, toegekend tijdens de zomervakantie vanaf 15 juli.
1° op de personeelsleden van een openbare of door de Staat gesubsidieerde dienst, die een pensioenregeling ten laste van de Staatskas genieten, met uitzondering van de provinciegouverneurs, (de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding) [3 of van HR Rail]3, de magistraten van de rechterlijke orde en van de Raad van State en de personen die dezelfde pensioenregeling als de magistraten genieten; <KB 2006-12-28/38, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° op de personeelsleden van :
a) de provincies, gemeenten, agglomeraties van gemeenten, federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies voor de cultuur en de aan die publiekrechtelijke personen ondergeschikte instellingen;
b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is;
c) [1 bpost]1;
d) de Regie voor Maritiem Transport;
e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, toepasselijk is verklaard;
3° op de gewestelijke ontvangers en op de brigadechefs die onderscheidenlijk op grond van artikel 114 van de gemeentewet en van artikel 55bis van het Veldwetboek benoemd zijn.
De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, dit artikel toepasselijk verklaren op personen die aan andere pensioenregelingen onderworpen zijn, met uitsluiting van die welke onderworpen zijn aan de regeling inzake rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
§ 2. [5 ...]5.
§ 3. Het personeel dat de leeftijd van [4 62 jaar vanaf 1 juli 2016, 62 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari 2017, 63 jaar vanaf 1 januari 2018]4 heeft bereikt, wordt ambtshalve in ruste gesteld de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij, zonder dat hij definitief ongeschikt is bevonden, sedert [4 de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt vanaf 1 juli 2016, de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar en 6 maanden heeft bereikt vanaf 1 januari 2017, de datum waarop hij de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt vanaf 1 januari 2018]4 hetzij door verlof, hetzij door disponibiliteit, hetzij door beide, 365 dagen afwezigheid wegens ziekte telt, of 548 dagen wanneer het een oorlogsinvalide betreft.
Voor het berekenen van de in het eerste lid bedoelde termijnen van 365 en 548 dagen komen niet in aanmerking :
a) afwezigheden te wijten aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte;
b) afwezigheden die te wijten zijn aan invaliditeiten opgelopen tijdens een koloniale loopbaan en die met de onder a bedoelde afwezigheden gelijk moeten worden gesteld op grond van artikel 25 van de wet van 2 augustus 1955 houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen;
c) de halve dagen afwezigheid tijdens welke het personeelslid gemachtigd afwezig mag zijn met toepassing van een verordeningsregeling inzake verminderde prestaties in geval van ziekte of gebrekkigheid.
§ 4. De in § 3 bedoelde maatregel is eveneens toepasselijk op de personen die bij artikel 117 van de [5 wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel]5 tot het tijdelijk pensioen zijn toegelaten. Daartoe wordt het tijdelijk pensioen, met het oog op de berekening van de termijnen van 365 en 548 dagen, gelijkgesteld met een afwezigheid wegens ziekte.
§ 5. De inrustestelling van ambtswege, bedoeld in de §§ 3 en 4, worden gelijkgesteld met inruststelling wegens lichamelijke ongeschiktheid.
§ 6. Bij overgangsmaatregel komen voor het berekenen van de termijnen van 365 en 548 dagen bedoeld in [5 in § 3]5, niet in aanmerking de dagen afwezigheid wegens ziekte voor 6 augustus 1978.
§ 7. Wanneer een personeelslid van het niet-universitair Rijks- of gesubsidieerd onderwijs, die om reden van ziekte sedert meer dan 15 dagen afwezig is geweest, zijn dienst hervat minder dan 10 dagen voor de schoolvakantie en, minder dan 15 dagen na deze vakantie opnieuw ophoudt zijn functies uit te oefenen gedurende ten minste 10 dagen om reden van ziekte, worden de vakantiedagen hem als ziekteverlof aangerekend.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met de afwezigheid na de vakantie geen rekening gehouden voor zover zij te wijten is aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte.
In afwijking van het eerste lid heeft elk hierboven bedoeld personeelslid, voor de drie schoolvakantieperioden samen, recht op een gewaarborgd aantal vakantiedagen, gelijk aan het aantal verlofdagen bepaald in het statuut van het Rijkspersoneel.
Voor de toepassing van het derde lid worden de gewaarborgde dagen, na eventuele aftrek van de Kerst- en Paasvakantie, toegekend tijdens de zomervakantie vanaf 15 juli.
Art. 83. <L 6-7-1982, art. 1er> § 1er. Les [5 § § 3 à 6]5 sont applicables :
1° aux membres du personnel d'un service public ou d'un service subventionné par l'Etat, qui bénéficient d'un régime de pension à charge du Trésor public, à l'exception des gouverneurs de province, (des membres du personnel statutaire de la SNCB Holding) [3 ou de HR Rail ]3, des magistrats de l'ordre judiciaire et du Conseil d'Etat, ainsi que des personnes qui ont le même régime de pension que les magistrats; <AR 2006-12-28/38, art. 5, 024; En vigueur : 01-01-2007>
2° aux membres du personnel :
a) des provinces, des communes, des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des associations de communes, des commissions de la culture, ainsi que des organismes qui sont subordonnés à ces personnes de droit public;
b) des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) de [1 bpost]1;
d) de la Régie des Transports maritimes;
e) des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
3° aux receveurs régionaux et aux chefs de brigade, nommés respectivement par application de l'article 114 de la loi communale et de l'article 55bis du Code rural.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, rendre le présent article applicable à des personnes soumises à d'autres régimes de pension, à l'exclusion de celles qui sont soumises au régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
§ 2. [5 ...]5.
§ 3. Le membre du personnel qui a atteint l'âge de [4 62 ans à partir du 1er juillet 2016, 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 est mis d'office à la retraite le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel, sans avoir été reconnu définitivement inapte, il compte, depuis [4 la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans à partir du 1er juillet 2016, la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, la date à laquelle il a atteint l'âge de 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4, soit par congé, soit par disponibilité, soit par l'un et par l'autre, 365 jours d'absence pour cause de maladie ou 548 jours, s'il s'agit d'un invalide de guerre.
Pour le calcul des délais de 365 et 548 jours visés à l'alinéa premier, il n'y a pas lieu de tenir compte :
a) des absences provoquées par un accident du travail, par un accident survenu sur le chemin du travail ou par une maladie professionnelle;
b) des absences provoquées par des invalidités contractées au cours d'une carrière coloniale et qui doivent être assimilées aux absences visées au a), par application de l'article 25 de la loi du 2 août 1955 portant péréquation des pensions de retraite et de survie;
c) des demi-jours d'absence pendant lesquels l'agent est autorisé à s'absenter en exécution d'un régime réglementaire de prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité.
§ 4. La mesure visée au § 3 est également applicable aux personnes qui ont été admises à la pension temporaire prévue par l'article 117 de la [5 loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier]5. A cet effet, la pension temporaire est, pour le calcul des délais le 365 et de 548 jours, assimilée à une absence pour cause de maladie.
§ 5. Les mises à la retraite d'office visées aux §§ 3 et 4 sont assimilées à une mise à la retraite pour inaptitude physique.
§ 6. Par mesure transitoire, pour le calcul des délais de 365 et de 548 jours visés [5 au § 3]5, il n'y a pas lieu de tenir compte des jours d'absence pour cause de maladie antérieure au 6 août 1978.
§ 7. Lorsqu'un membre du personnel de l'enseignement non-universitaire de l'Etat ou subventionné qui a été absent pour cause de maladie depuis plus de 15 jours, reprend son service moins de 10 jours avant les vacances scolaires et cesse à nouveau, moins de 15 jours après les vacances, d'exercer ses fonctions pour cause de maladie pendant 10 jours au moins, les jours de vacances lui sont comptés comme congé de maladie.
Pour l'application de l'alinéa premier, il n'est pas tenu compte de l'absence postérieure aux vacances, dans la mesure où elle est provoquée par un accident du travail, par un accident sur le chemin d u travail ou par une maladie professionnelle.
Par dérogation à l'alinéa premier, tout membre du personnel précité a droit, pour les trois périodes de vacances scolaires réunies, à un nombre de jours de vacances garanti, équivalent au nombre de jours de congé prévu au statut des agents de l'Etat.
Pour l'application de l'alinéa 3, les jours garantis sont accordés, après déduction éventuelle des vacances de Noël et de Pâques, pendant les vacances d'été à partir du 15 juillet.
1° aux membres du personnel d'un service public ou d'un service subventionné par l'Etat, qui bénéficient d'un régime de pension à charge du Trésor public, à l'exception des gouverneurs de province, (des membres du personnel statutaire de la SNCB Holding) [3 ou de HR Rail ]3, des magistrats de l'ordre judiciaire et du Conseil d'Etat, ainsi que des personnes qui ont le même régime de pension que les magistrats; <AR 2006-12-28/38, art. 5, 024; En vigueur : 01-01-2007>
2° aux membres du personnel :
a) des provinces, des communes, des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des associations de communes, des commissions de la culture, ainsi que des organismes qui sont subordonnés à ces personnes de droit public;
b) des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) de [1 bpost]1;
d) de la Régie des Transports maritimes;
e) des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
3° aux receveurs régionaux et aux chefs de brigade, nommés respectivement par application de l'article 114 de la loi communale et de l'article 55bis du Code rural.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, rendre le présent article applicable à des personnes soumises à d'autres régimes de pension, à l'exclusion de celles qui sont soumises au régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
§ 2. [5 ...]5.
§ 3. Le membre du personnel qui a atteint l'âge de [4 62 ans à partir du 1er juillet 2016, 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 est mis d'office à la retraite le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel, sans avoir été reconnu définitivement inapte, il compte, depuis [4 la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans à partir du 1er juillet 2016, la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, la date à laquelle il a atteint l'âge de 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4, soit par congé, soit par disponibilité, soit par l'un et par l'autre, 365 jours d'absence pour cause de maladie ou 548 jours, s'il s'agit d'un invalide de guerre.
Pour le calcul des délais de 365 et 548 jours visés à l'alinéa premier, il n'y a pas lieu de tenir compte :
a) des absences provoquées par un accident du travail, par un accident survenu sur le chemin du travail ou par une maladie professionnelle;
b) des absences provoquées par des invalidités contractées au cours d'une carrière coloniale et qui doivent être assimilées aux absences visées au a), par application de l'article 25 de la loi du 2 août 1955 portant péréquation des pensions de retraite et de survie;
c) des demi-jours d'absence pendant lesquels l'agent est autorisé à s'absenter en exécution d'un régime réglementaire de prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité.
§ 4. La mesure visée au § 3 est également applicable aux personnes qui ont été admises à la pension temporaire prévue par l'article 117 de la [5 loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier]5. A cet effet, la pension temporaire est, pour le calcul des délais le 365 et de 548 jours, assimilée à une absence pour cause de maladie.
§ 5. Les mises à la retraite d'office visées aux §§ 3 et 4 sont assimilées à une mise à la retraite pour inaptitude physique.
§ 6. Par mesure transitoire, pour le calcul des délais de 365 et de 548 jours visés [5 au § 3]5, il n'y a pas lieu de tenir compte des jours d'absence pour cause de maladie antérieure au 6 août 1978.
§ 7. Lorsqu'un membre du personnel de l'enseignement non-universitaire de l'Etat ou subventionné qui a été absent pour cause de maladie depuis plus de 15 jours, reprend son service moins de 10 jours avant les vacances scolaires et cesse à nouveau, moins de 15 jours après les vacances, d'exercer ses fonctions pour cause de maladie pendant 10 jours au moins, les jours de vacances lui sont comptés comme congé de maladie.
Pour l'application de l'alinéa premier, il n'est pas tenu compte de l'absence postérieure aux vacances, dans la mesure où elle est provoquée par un accident du travail, par un accident sur le chemin d u travail ou par une maladie professionnelle.
Par dérogation à l'alinéa premier, tout membre du personnel précité a droit, pour les trois périodes de vacances scolaires réunies, à un nombre de jours de vacances garanti, équivalent au nombre de jours de congé prévu au statut des agents de l'Etat.
Pour l'application de l'alinéa 3, les jours garantis sont accordés, après déduction éventuelle des vacances de Noël et de Pâques, pendant les vacances d'été à partir du 15 juillet.
Art. 83 TOEKOMSTIG RECHT. <W 6-7-1982, art. 1> § 1. De [5 § § 3 tot 6]5 zijn van toepassing :
1° op de personeelsleden van een openbare of door de Staat gesubsidieerde dienst, die een pensioenregeling ten laste van de Staatskas genieten, met uitzondering van de provinciegouverneurs, (de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding) [3 of van HR Rail]3, de magistraten van de rechterlijke orde en van de Raad van State en de personen die dezelfde pensioenregeling als de magistraten genieten; <KB 2006-12-28/38, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° op de personeelsleden van :
a) de provincies, gemeenten, agglomeraties van gemeenten, federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies voor de cultuur en de aan die publiekrechtelijke personen ondergeschikte instellingen;
b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is;
c) [1 bpost]1;
d) de Regie voor Maritiem Transport;
e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, toepasselijk is verklaard;
3° op de gewestelijke ontvangers en op de brigadechefs die onderscheidenlijk op grond van artikel 114 van de gemeentewet en van artikel 55bis van het Veldwetboek benoemd zijn.
De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, dit artikel toepasselijk verklaren op personen die aan andere pensioenregelingen onderworpen zijn, met uitsluiting van die welke onderworpen zijn aan de regeling inzake rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
§ 2. [5 ...]5.
§ 3. [6 Het personeelslid dat de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt en voldoet aan de voorwaarden om op eigen verzoek een rustpensioen te verkrijgen, wordt ambtshalve in rust gesteld de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij, zonder dat hij lichamelijk ongeschikt is bevonden, sedert de datum waarop hij de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt, hetzij door verlof, hetzij door disponibiliteit, hetzij door beide, 365 dagen afwezigheid wegens ziekte telt, of 548 dagen wanneer het een oorlogsinvalide betreft]6.
Voor het berekenen van de in het eerste lid bedoelde termijnen van 365 en 548 dagen komen niet in aanmerking :
a) afwezigheden te wijten aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte;
b) afwezigheden die te wijten zijn aan invaliditeiten opgelopen tijdens een koloniale loopbaan en die met de onder a bedoelde afwezigheden gelijk moeten worden gesteld op grond van artikel 25 van de wet van 2 augustus 1955 houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen;
c) de halve dagen afwezigheid tijdens welke het personeelslid gemachtigd afwezig mag zijn met toepassing van een verordeningsregeling inzake verminderde prestaties in geval van ziekte of gebrekkigheid;
[6 d) de dagen tijdelijke arbeidsongeschiktheid tijdens welke het personeelslid diensten heeft verstrekt naar aanleiding van een gehele of gedeeltelijke werkhervatting of een gehele of gedeeltelijke wedertewerkstelling in een andere functie, waarvoor hij de voorafgaande toestemming heeft verkregen van het Medisch expertisecentrum arbeidsgeschiktheid van het Bestuur van de medische expertise van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu (Medex)]6.
§ 4. De in § 3 bedoelde maatregel is eveneens toepasselijk op de personen die bij artikel 117 van de [5 wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel]5 tot het tijdelijk pensioen zijn toegelaten. Daartoe wordt het tijdelijk pensioen, met het oog op de berekening van de termijnen van 365 en 548 dagen, gelijkgesteld met een afwezigheid wegens ziekte.
[6 De in § 3 bedoelde maatregel is eveneens toepasselijk op de personen die overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 in tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn gesteld. Daartoe wordt de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, met het oog op de berekening van de termijnen van 365 en 548 dagen, gelijkgesteld met een afwezigheid wegens ziekte.]6
§ 5. [6 ...]6.
§ 6. Bij overgangsmaatregel komen voor het berekenen van de termijnen van 365 en 548 dagen bedoeld in [5 in § 3]5, niet in aanmerking de dagen afwezigheid wegens ziekte voor 6 augustus 1978.
§ 7. Wanneer een personeelslid van het niet-universitair Rijks- of gesubsidieerd onderwijs, die om reden van ziekte sedert meer dan 15 dagen afwezig is geweest, zijn dienst hervat minder dan 10 dagen voor de schoolvakantie en, minder dan 15 dagen na deze vakantie opnieuw ophoudt zijn functies uit te oefenen gedurende ten minste 10 dagen om reden van ziekte, worden de vakantiedagen hem als ziekteverlof aangerekend.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met de afwezigheid na de vakantie geen rekening gehouden voor zover zij te wijten is aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte.
In afwijking van het eerste lid heeft elk hierboven bedoeld personeelslid, voor de drie schoolvakantieperioden samen, recht op een gewaarborgd aantal vakantiedagen, gelijk aan het aantal verlofdagen bepaald in het statuut van het Rijkspersoneel.
Voor de toepassing van het derde lid worden de gewaarborgde dagen, na eventuele aftrek van de Kerst- en Paasvakantie, toegekend tijdens de zomervakantie vanaf 15 juli.
1° op de personeelsleden van een openbare of door de Staat gesubsidieerde dienst, die een pensioenregeling ten laste van de Staatskas genieten, met uitzondering van de provinciegouverneurs, (de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding) [3 of van HR Rail]3, de magistraten van de rechterlijke orde en van de Raad van State en de personen die dezelfde pensioenregeling als de magistraten genieten; <KB 2006-12-28/38, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° op de personeelsleden van :
a) de provincies, gemeenten, agglomeraties van gemeenten, federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies voor de cultuur en de aan die publiekrechtelijke personen ondergeschikte instellingen;
b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is;
c) [1 bpost]1;
d) de Regie voor Maritiem Transport;
e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, toepasselijk is verklaard;
3° op de gewestelijke ontvangers en op de brigadechefs die onderscheidenlijk op grond van artikel 114 van de gemeentewet en van artikel 55bis van het Veldwetboek benoemd zijn.
De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, dit artikel toepasselijk verklaren op personen die aan andere pensioenregelingen onderworpen zijn, met uitsluiting van die welke onderworpen zijn aan de regeling inzake rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
§ 2. [5 ...]5.
§ 3. [6 Het personeelslid dat de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt en voldoet aan de voorwaarden om op eigen verzoek een rustpensioen te verkrijgen, wordt ambtshalve in rust gesteld de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij, zonder dat hij lichamelijk ongeschikt is bevonden, sedert de datum waarop hij de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt, hetzij door verlof, hetzij door disponibiliteit, hetzij door beide, 365 dagen afwezigheid wegens ziekte telt, of 548 dagen wanneer het een oorlogsinvalide betreft]6.
Voor het berekenen van de in het eerste lid bedoelde termijnen van 365 en 548 dagen komen niet in aanmerking :
a) afwezigheden te wijten aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte;
b) afwezigheden die te wijten zijn aan invaliditeiten opgelopen tijdens een koloniale loopbaan en die met de onder a bedoelde afwezigheden gelijk moeten worden gesteld op grond van artikel 25 van de wet van 2 augustus 1955 houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen;
c) de halve dagen afwezigheid tijdens welke het personeelslid gemachtigd afwezig mag zijn met toepassing van een verordeningsregeling inzake verminderde prestaties in geval van ziekte of gebrekkigheid;
[6 d) de dagen tijdelijke arbeidsongeschiktheid tijdens welke het personeelslid diensten heeft verstrekt naar aanleiding van een gehele of gedeeltelijke werkhervatting of een gehele of gedeeltelijke wedertewerkstelling in een andere functie, waarvoor hij de voorafgaande toestemming heeft verkregen van het Medisch expertisecentrum arbeidsgeschiktheid van het Bestuur van de medische expertise van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu (Medex)]6.
§ 4. De in § 3 bedoelde maatregel is eveneens toepasselijk op de personen die bij artikel 117 van de [5 wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel]5 tot het tijdelijk pensioen zijn toegelaten. Daartoe wordt het tijdelijk pensioen, met het oog op de berekening van de termijnen van 365 en 548 dagen, gelijkgesteld met een afwezigheid wegens ziekte.
[6 De in § 3 bedoelde maatregel is eveneens toepasselijk op de personen die overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 in tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn gesteld. Daartoe wordt de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, met het oog op de berekening van de termijnen van 365 en 548 dagen, gelijkgesteld met een afwezigheid wegens ziekte.]6
§ 5. [6 ...]6.
§ 6. Bij overgangsmaatregel komen voor het berekenen van de termijnen van 365 en 548 dagen bedoeld in [5 in § 3]5, niet in aanmerking de dagen afwezigheid wegens ziekte voor 6 augustus 1978.
§ 7. Wanneer een personeelslid van het niet-universitair Rijks- of gesubsidieerd onderwijs, die om reden van ziekte sedert meer dan 15 dagen afwezig is geweest, zijn dienst hervat minder dan 10 dagen voor de schoolvakantie en, minder dan 15 dagen na deze vakantie opnieuw ophoudt zijn functies uit te oefenen gedurende ten minste 10 dagen om reden van ziekte, worden de vakantiedagen hem als ziekteverlof aangerekend.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met de afwezigheid na de vakantie geen rekening gehouden voor zover zij te wijten is aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte.
In afwijking van het eerste lid heeft elk hierboven bedoeld personeelslid, voor de drie schoolvakantieperioden samen, recht op een gewaarborgd aantal vakantiedagen, gelijk aan het aantal verlofdagen bepaald in het statuut van het Rijkspersoneel.
Voor de toepassing van het derde lid worden de gewaarborgde dagen, na eventuele aftrek van de Kerst- en Paasvakantie, toegekend tijdens de zomervakantie vanaf 15 juli.
Änderungen
Art.83 DROIT FUTUR.
<L 6-7-1982, art. 1er> § 1er. Les [5 § § 3 à 6]5 sont applicables :
1° aux membres du personnel d'un service public ou d'un service subventionné par l'Etat, qui bénéficient d'un régime de pension à charge du Trésor public, à l'exception des gouverneurs de province, (des membres du personnel statutaire de la SNCB Holding) [3 ou de HR Rail ]3, des magistrats de l'ordre judiciaire et du Conseil d'Etat, ainsi que des personnes qui ont le même régime de pension que les magistrats; <AR 2006-12-28/38, art. 5, 024; En vigueur : 01-01-2007>
2° aux membres du personnel :
a) des provinces, des communes, des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des associations de communes, des commissions de la culture, ainsi que des organismes qui sont subordonnés à ces personnes de droit public;
b) des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) de [1 bpost]1;
d) de la Régie des Transports maritimes;
e) des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
3° aux receveurs régionaux et aux chefs de brigade, nommés respectivement par application de l'article 114 de la loi communale et de l'article 55bis du Code rural.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, rendre le présent article applicable à des personnes soumises à d'autres régimes de pension, à l'exclusion de celles qui sont soumises au régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
§ 2. [5 ...]5.
§ 3. [6 Le membre du personnel qui a atteint l'âge de 63 ans et qui satisfait aux conditions pour obtenir une pension de retraite à sa demande, est mis d'office à la retraite le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel, sans avoir été reconnu inapte, il compte, depuis la date à laquelle il a atteint l'âge de 63 ans, soit par congé, soit par disponibilité, soit par les deux, 365 jours d'absence pour cause de maladie ou 548 jours, s'il s'agit d'un invalide de guerre]6.
Pour le calcul des délais de 365 et 548 jours visés à l'alinéa premier, il n'y a pas lieu de tenir compte :
a) des absences provoquées par un accident du travail, par un accident survenu sur le chemin du travail ou par une maladie professionnelle;
b) des absences provoquées par des invalidités contractées au cours d'une carrière coloniale et qui doivent être assimilées aux absences visées au a), par application de l'article 25 de la loi du 2 août 1955 portant péréquation des pensions de retraite et de survie;
c) des demi-jours d'absence pendant lesquels l'agent est autorisé à s'absenter en exécution d'un régime réglementaire de prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
[6 d) les jours d'inaptitude temporaire de travail pendant lesquels l'agent a presté des services suite à une reprise partielle ou totale de sa fonction ou une réaffectation partielle ou totale dans une autre fonction, pour laquelle il a obtenu l'autorisation préalable du Centre d'expertise médicale pour l'aptitude au travail de l'Administration de l'expertise médicale du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la chaîne alimentaire et Environnement (Medex)]6.
§ 4. La mesure visée au § 3 est également applicable aux personnes qui ont été admises à la pension temporaire prévue par l'article 117 de la [5 loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier]5. A cet effet, la pension temporaire est, pour le calcul des délais le 365 et de 548 jours, assimilée à une absence pour cause de maladie.
[6 La mesure visée au § 3 est également applicable aux personnes qui ont été mis en inaptitude temporaire de travail conformément à l'article 117 de la loi du 14 février 1961. A cet effet, la période d'inaptitude temporaire de travail est, pour le calcul des délais de 365 et de 548 jours, assimilée à une absence pour cause de maladie.]6
§ 5. [6 ...]6.
§ 6. Par mesure transitoire, pour le calcul des délais de 365 et de 548 jours visés [5 au § 3]5, il n'y a pas lieu de tenir compte des jours d'absence pour cause de maladie antérieure au 6 août 1978.
§ 7. Lorsqu'un membre du personnel de l'enseignement non-universitaire de l'Etat ou subventionné qui a été absent pour cause de maladie depuis plus de 15 jours, reprend son service moins de 10 jours avant les vacances scolaires et cesse à nouveau, moins de 15 jours après les vacances, d'exercer ses fonctions pour cause de maladie pendant 10 jours au moins, les jours de vacances lui sont comptés comme congé de maladie.
Pour l'application de l'alinéa premier, il n'est pas tenu compte de l'absence postérieure aux vacances, dans la mesure où elle est provoquée par un accident du travail, par un accident sur le chemin d u travail ou par une maladie professionnelle.
Par dérogation à l'alinéa premier, tout membre du personnel précité a droit, pour les trois périodes de vacances scolaires réunies, à un nombre de jours de vacances garanti, équivalent au nombre de jours de congé prévu au statut des agents de l'Etat.
Pour l'application de l'alinéa 3, les jours garantis sont accordés, après déduction éventuelle des vacances de Noël et de Pâques, pendant les vacances d'été à partir du 15 juillet.
<L 6-7-1982, art. 1er> § 1er. Les [5 § § 3 à 6]5 sont applicables :
1° aux membres du personnel d'un service public ou d'un service subventionné par l'Etat, qui bénéficient d'un régime de pension à charge du Trésor public, à l'exception des gouverneurs de province, (des membres du personnel statutaire de la SNCB Holding) [3 ou de HR Rail ]3, des magistrats de l'ordre judiciaire et du Conseil d'Etat, ainsi que des personnes qui ont le même régime de pension que les magistrats; <AR 2006-12-28/38, art. 5, 024; En vigueur : 01-01-2007>
2° aux membres du personnel :
a) des provinces, des communes, des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des associations de communes, des commissions de la culture, ainsi que des organismes qui sont subordonnés à ces personnes de droit public;
b) des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) de [1 bpost]1;
d) de la Régie des Transports maritimes;
e) des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
3° aux receveurs régionaux et aux chefs de brigade, nommés respectivement par application de l'article 114 de la loi communale et de l'article 55bis du Code rural.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, rendre le présent article applicable à des personnes soumises à d'autres régimes de pension, à l'exclusion de celles qui sont soumises au régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
§ 2. [5 ...]5.
§ 3. [6 Le membre du personnel qui a atteint l'âge de 63 ans et qui satisfait aux conditions pour obtenir une pension de retraite à sa demande, est mis d'office à la retraite le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel, sans avoir été reconnu inapte, il compte, depuis la date à laquelle il a atteint l'âge de 63 ans, soit par congé, soit par disponibilité, soit par les deux, 365 jours d'absence pour cause de maladie ou 548 jours, s'il s'agit d'un invalide de guerre]6.
Pour le calcul des délais de 365 et 548 jours visés à l'alinéa premier, il n'y a pas lieu de tenir compte :
a) des absences provoquées par un accident du travail, par un accident survenu sur le chemin du travail ou par une maladie professionnelle;
b) des absences provoquées par des invalidités contractées au cours d'une carrière coloniale et qui doivent être assimilées aux absences visées au a), par application de l'article 25 de la loi du 2 août 1955 portant péréquation des pensions de retraite et de survie;
c) des demi-jours d'absence pendant lesquels l'agent est autorisé à s'absenter en exécution d'un régime réglementaire de prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
[6 d) les jours d'inaptitude temporaire de travail pendant lesquels l'agent a presté des services suite à une reprise partielle ou totale de sa fonction ou une réaffectation partielle ou totale dans une autre fonction, pour laquelle il a obtenu l'autorisation préalable du Centre d'expertise médicale pour l'aptitude au travail de l'Administration de l'expertise médicale du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la chaîne alimentaire et Environnement (Medex)]6.
§ 4. La mesure visée au § 3 est également applicable aux personnes qui ont été admises à la pension temporaire prévue par l'article 117 de la [5 loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier]5. A cet effet, la pension temporaire est, pour le calcul des délais le 365 et de 548 jours, assimilée à une absence pour cause de maladie.
[6 La mesure visée au § 3 est également applicable aux personnes qui ont été mis en inaptitude temporaire de travail conformément à l'article 117 de la loi du 14 février 1961. A cet effet, la période d'inaptitude temporaire de travail est, pour le calcul des délais de 365 et de 548 jours, assimilée à une absence pour cause de maladie.]6
§ 5. [6 ...]6.
§ 6. Par mesure transitoire, pour le calcul des délais de 365 et de 548 jours visés [5 au § 3]5, il n'y a pas lieu de tenir compte des jours d'absence pour cause de maladie antérieure au 6 août 1978.
§ 7. Lorsqu'un membre du personnel de l'enseignement non-universitaire de l'Etat ou subventionné qui a été absent pour cause de maladie depuis plus de 15 jours, reprend son service moins de 10 jours avant les vacances scolaires et cesse à nouveau, moins de 15 jours après les vacances, d'exercer ses fonctions pour cause de maladie pendant 10 jours au moins, les jours de vacances lui sont comptés comme congé de maladie.
Pour l'application de l'alinéa premier, il n'est pas tenu compte de l'absence postérieure aux vacances, dans la mesure où elle est provoquée par un accident du travail, par un accident sur le chemin d u travail ou par une maladie professionnelle.
Par dérogation à l'alinéa premier, tout membre du personnel précité a droit, pour les trois périodes de vacances scolaires réunies, à un nombre de jours de vacances garanti, équivalent au nombre de jours de congé prévu au statut des agents de l'Etat.
Pour l'application de l'alinéa 3, les jours garantis sont accordés, après déduction éventuelle des vacances de Noël et de Pâques, pendant les vacances d'été à partir du 15 juillet.
Änderungen
Art. 83_VLAAMS_GEWEST. <W 6-7-1982, art. 1> § 1. De §§ 2 en 3 zijn van toepassing :
1° op de personeelsleden van een openbare of door de Staat gesubsidieerde dienst, die een pensioenregeling ten laste van de Staatskas genieten, met uitzondering van de provinciegouverneurs, (de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding) [3 of van HR Rail]3, de magistraten van de rechterlijke orde en van de Raad van State en de personen die dezelfde pensioenregeling als de magistraten genieten; <KB 2006-12-28/38, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° op de personeelsleden van :
a) de provincies, gemeenten, agglomeraties van gemeenten, federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies voor de cultuur en de aan die publiekrechtelijke personen ondergeschikte instellingen;
b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is;
c) [1 bpost]1;
d) de Regie voor Maritiem Transport;
e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, toepasselijk is verklaard;
3° op de gewestelijke ontvangers en op de brigadechefs die onderscheidenlijk op grond van artikel 114 van de gemeentewet en van artikel 55bis van het Veldwetboek benoemd zijn.
De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, dit artikel toepasselijk verklaren op personen die aan andere pensioenregelingen onderworpen zijn, met uitsluiting van die welke onderworpen zijn aan de regeling inzake rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
§ 2. Onverminderd artikel 117, § 3, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, wordt het personeelslid dat de leeftijd van [4 62 jaar vanaf 1 juli 2016, 62 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari 2017, 63 jaar vanaf 1 januari 2018]4 heeft bereikt, ambtshalve in ruste gesteld zodra hij door de bevoegde geneeskundige dienst definitief ongeschikt bevonden is.
Wanneer de betrokkene echter het ziekteverlof, waarop hij krachtens het op hem toepasselijk statuut aanspraak kan maken, niet opgebruikt heeft, wordt zijn inrustestelling van ambtswege uitgesteld tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij het zal hebben opgebruikt en, uiterlijk, tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin dat verlof in totaal 365 dagen na [4 de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt vanaf 1 juli 2016, de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar en 6 maanden heeft bereikt vanaf 1 januari 2017, de datum waarop hij de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt vanaf 1 januari 2018]4 of 548 dagen wanneer het een oorlogsinvalide betreft.
§ 3. Het personeel dat de leeftijd van [4 62 jaar vanaf 1 juli 2016, 62 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari 2017, 63 jaar vanaf 1 januari 2018]4 heeft bereikt, wordt ambtshalve in ruste gesteld de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij, zonder dat hij definitief ongeschikt is bevonden, sedert [4 de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt vanaf 1 juli 2016, de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar en 6 maanden heeft bereikt vanaf 1 januari 2017, de datum waarop hij de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt vanaf 1 januari 2018]4 hetzij door verlof, hetzij door disponibiliteit, hetzij door beide, 365 dagen afwezigheid wegens ziekte telt, of 548 dagen wanneer het een oorlogsinvalide betreft.
Voor het berekenen van de in het eerste lid bedoelde termijnen van 365 en 548 dagen komen niet in aanmerking :
a) afwezigheden te wijten aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte;
b) afwezigheden die te wijten zijn aan invaliditeiten opgelopen tijdens een koloniale loopbaan en die met de onder a bedoelde afwezigheden gelijk moeten worden gesteld op grond van artikel 25 van de wet van 2 augustus 1955 houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen;
c) de halve dagen afwezigheid tijdens welke het personeelslid gemachtigd afwezig mag zijn met toepassing van een verordeningsregeling inzake verminderde prestaties in geval van ziekte of gebrekkigheid.
§ 4. De in § 3 bedoelde maatregel is eveneens toepasselijk op de personen die bij artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 tot het tijdelijk pensioen zijn toegelaten. Daartoe wordt het tijdelijk pensioen, met het oog op de berekening van de termijnen van 365 en 548 dagen, gelijkgesteld met een afwezigheid wegens ziekte.
§ 5. De inrustestelling van ambtswege, bedoeld in de §§ 3 en 4, worden gelijkgesteld met inruststelling wegens lichamelijke ongeschiktheid.
§ 6. Bij overgangsmaatregel komen voor het berekenen van de termijnen van 365 en 548 dagen bedoeld in de §§ 2 en 3, niet in aanmerking de dagen afwezigheid wegens ziekte voor 6 augustus 1978.
§ 7. (NOTA : § 7 wordt opgeheven voor de instellingen en de personeelsleden waarop het BVR 2008-02-15/51 van toepassing is. ) Wanneer een personeelslid van het niet-universitair Rijks- of gesubsidieerd onderwijs, die om reden van ziekte sedert meer dan 15 dagen afwezig is geweest, zijn dienst hervat minder dan 10 dagen voor de schoolvakantie en, minder dan 15 dagen na deze vakantie opnieuw ophoudt zijn functies uit te oefenen gedurende ten minste 10 dagen om reden van ziekte, worden de vakantiedagen hem als ziekteverlof aangerekend.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met de afwezigheid na de vakantie geen rekening gehouden voor zover zij te wijten is aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte.
In afwijking van het eerste lid heeft elk hierboven bedoeld personeelslid, voor de drie schoolvakantieperioden samen, recht op een gewaarborgd aantal vakantiedagen, gelijk aan het aantal verlofdagen bepaald in het statuut van het Rijkspersoneel.
Voor de toepassing van het derde lid worden de gewaarborgde dagen, na eventuele aftrek van de Kerst- en Paasvakantie, toegekend tijdens de zomervakantie vanaf 15 juli.
(De Vlaamse regering is ertoe gemachtigd deze paragraaf te wijzigen, geheel of gedeeltelijk op te heffen en/of te vervangen.)
1° op de personeelsleden van een openbare of door de Staat gesubsidieerde dienst, die een pensioenregeling ten laste van de Staatskas genieten, met uitzondering van de provinciegouverneurs, (de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding) [3 of van HR Rail]3, de magistraten van de rechterlijke orde en van de Raad van State en de personen die dezelfde pensioenregeling als de magistraten genieten; <KB 2006-12-28/38, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° op de personeelsleden van :
a) de provincies, gemeenten, agglomeraties van gemeenten, federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies voor de cultuur en de aan die publiekrechtelijke personen ondergeschikte instellingen;
b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is;
c) [1 bpost]1;
d) de Regie voor Maritiem Transport;
e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, toepasselijk is verklaard;
3° op de gewestelijke ontvangers en op de brigadechefs die onderscheidenlijk op grond van artikel 114 van de gemeentewet en van artikel 55bis van het Veldwetboek benoemd zijn.
De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, dit artikel toepasselijk verklaren op personen die aan andere pensioenregelingen onderworpen zijn, met uitsluiting van die welke onderworpen zijn aan de regeling inzake rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
§ 2. Onverminderd artikel 117, § 3, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, wordt het personeelslid dat de leeftijd van [4 62 jaar vanaf 1 juli 2016, 62 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari 2017, 63 jaar vanaf 1 januari 2018]4 heeft bereikt, ambtshalve in ruste gesteld zodra hij door de bevoegde geneeskundige dienst definitief ongeschikt bevonden is.
Wanneer de betrokkene echter het ziekteverlof, waarop hij krachtens het op hem toepasselijk statuut aanspraak kan maken, niet opgebruikt heeft, wordt zijn inrustestelling van ambtswege uitgesteld tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij het zal hebben opgebruikt en, uiterlijk, tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin dat verlof in totaal 365 dagen na [4 de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt vanaf 1 juli 2016, de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar en 6 maanden heeft bereikt vanaf 1 januari 2017, de datum waarop hij de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt vanaf 1 januari 2018]4 of 548 dagen wanneer het een oorlogsinvalide betreft.
§ 3. Het personeel dat de leeftijd van [4 62 jaar vanaf 1 juli 2016, 62 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari 2017, 63 jaar vanaf 1 januari 2018]4 heeft bereikt, wordt ambtshalve in ruste gesteld de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij, zonder dat hij definitief ongeschikt is bevonden, sedert [4 de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt vanaf 1 juli 2016, de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar en 6 maanden heeft bereikt vanaf 1 januari 2017, de datum waarop hij de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt vanaf 1 januari 2018]4 hetzij door verlof, hetzij door disponibiliteit, hetzij door beide, 365 dagen afwezigheid wegens ziekte telt, of 548 dagen wanneer het een oorlogsinvalide betreft.
Voor het berekenen van de in het eerste lid bedoelde termijnen van 365 en 548 dagen komen niet in aanmerking :
a) afwezigheden te wijten aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte;
b) afwezigheden die te wijten zijn aan invaliditeiten opgelopen tijdens een koloniale loopbaan en die met de onder a bedoelde afwezigheden gelijk moeten worden gesteld op grond van artikel 25 van de wet van 2 augustus 1955 houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen;
c) de halve dagen afwezigheid tijdens welke het personeelslid gemachtigd afwezig mag zijn met toepassing van een verordeningsregeling inzake verminderde prestaties in geval van ziekte of gebrekkigheid.
§ 4. De in § 3 bedoelde maatregel is eveneens toepasselijk op de personen die bij artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 tot het tijdelijk pensioen zijn toegelaten. Daartoe wordt het tijdelijk pensioen, met het oog op de berekening van de termijnen van 365 en 548 dagen, gelijkgesteld met een afwezigheid wegens ziekte.
§ 5. De inrustestelling van ambtswege, bedoeld in de §§ 3 en 4, worden gelijkgesteld met inruststelling wegens lichamelijke ongeschiktheid.
§ 6. Bij overgangsmaatregel komen voor het berekenen van de termijnen van 365 en 548 dagen bedoeld in de §§ 2 en 3, niet in aanmerking de dagen afwezigheid wegens ziekte voor 6 augustus 1978.
§ 7. (NOTA : § 7 wordt opgeheven voor de instellingen en de personeelsleden waarop het BVR 2008-02-15/51 van toepassing is. ) Wanneer een personeelslid van het niet-universitair Rijks- of gesubsidieerd onderwijs, die om reden van ziekte sedert meer dan 15 dagen afwezig is geweest, zijn dienst hervat minder dan 10 dagen voor de schoolvakantie en, minder dan 15 dagen na deze vakantie opnieuw ophoudt zijn functies uit te oefenen gedurende ten minste 10 dagen om reden van ziekte, worden de vakantiedagen hem als ziekteverlof aangerekend.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met de afwezigheid na de vakantie geen rekening gehouden voor zover zij te wijten is aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte.
In afwijking van het eerste lid heeft elk hierboven bedoeld personeelslid, voor de drie schoolvakantieperioden samen, recht op een gewaarborgd aantal vakantiedagen, gelijk aan het aantal verlofdagen bepaald in het statuut van het Rijkspersoneel.
Voor de toepassing van het derde lid worden de gewaarborgde dagen, na eventuele aftrek van de Kerst- en Paasvakantie, toegekend tijdens de zomervakantie vanaf 15 juli.
(De Vlaamse regering is ertoe gemachtigd deze paragraaf te wijzigen, geheel of gedeeltelijk op te heffen en/of te vervangen.)
Art.83_REGION_FLAMANDE.
<L 6-7-1982, art. 1er> § 1er. Les §§ 2 et 3 sont applicables :
1° aux membres du personnel d'un service public ou d'un service subventionné par l'Etat, qui bénéficient d'un régime de pension à charge du Trésor public, à l'exception des gouverneurs de province, (des membres du personnel statutaire de la SNCB Holding) [3 ou de HR Rail ]3, des magistrats de l'ordre judiciaire et du Conseil d'Etat, ainsi que des personnes qui ont le même régime de pension que les magistrats; <AR 2006-12-28/38, art. 5, 024; En vigueur : 01-01-2007>
2° aux membres du personnel :
a) des provinces, des communes, des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des associations de communes, des commissions de la culture, ainsi que des organismes qui sont subordonnés à ces personnes de droit public;
b) des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) de [1 bpost]1;
d) de la Régie des Transports maritimes;
e) des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
3° aux receveurs régionaux et aux chefs de brigade, nommes respectivement par application de l'article 114 de la loi communale et de l'article 55bis du Code rural.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, rendre le présent article applicable à des personnes soumises à d'autres régimes de pension, à l'exclusion de celles qui sont soumises au régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
§ 2. Sans préjudice de l'article 117, § 3, de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, le membre du personnel qui a atteint l'âge de [4 62 ans à partir du 1er juillet 2016, 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 est mis à la retraite d'office dès qu'il est reconnu définitivement inapte par le service médical compétent.
Toutefois, si l'intéressé n'a pas épuisé les congés pour cause de maladie auxquels il peut prétendre en vertu du statut qui lui est applicable, sa mise à la retraite d'office est retardée jusqu'au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il les aura épuisés et, au plus tard, jusqu'au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel ces congés auront atteint 365 jours postérieurs à [4 la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans à partir du 1er juillet 2016, la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, la date à laquelle il a atteint l'âge de 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 ou 548 jours s'il s'agit d'un invalide de guerre.
§ 3. Le membre du personnel qui a atteint l'âge de [4 62 ans à partir du 1er juillet 2016, 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 est mis d'office à la retraite le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel, sans avoir été reconnu définitivement inapte, il compte, depuis [4 la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans à partir du 1er juillet 2016, la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, la date à laquelle il a atteint l'âge de 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4, soit par congé, soit par disponibilité, soit par l'un et par l'autre, 365 jours d'absence pour cause de maladie ou 548 jours, s'il s'agit d'un invalide de guerre.
Pour le calcul des délais de 365 et 548 jours visés à l'alinéa premier, il n'y a pas lieu de tenir compte :
a) des absences provoquées par un accident du travail, par un accident survenu sur le chemin du travail ou par une maladie professionnelle;
b) des absences provoquées par des invalidités contractées au cours d'une carrière coloniale et qui doivent être assimilées aux absences visées au a), par application de l'article 25 de la loi du 2 août 1955 portant péréquation des pensions de retraite et de survie;
c) des demi-jours d'absence pendant lesquels l'agent est autorisé à s'absenter en exécution d'un régime réglementaire de prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité.
§ 4. La mesure visée au § 3 est également applicable aux personnes qui ont été admises à la pension temporaire prévue par l'article 117 de la loi du 14 février 1961. A cet effet, la pension temporaire est, pour le calcul des délais le 365 et de 548 jours, assimilée à une absence pour cause de maladie.
§ 5. Les mises à la retraite d'office visées aux §§ 3 et 4 sont assimilées à une mise à la retraite pour inaptitude physique.
§ 6. Par mesure transitoire, pour le calcul des délais de 365 et de 548 jours visés aux §§ 2 et 3, il n'y a pas lieu de tenir compte des jours d'absence pour cause de maladie antérieure au 6 août 1978.
§ 7. (NOTE : le § 7 est supprimé pour les établissements et les personnels auxquels s'applique l'AGF 2008-02-15/51. ) Lorsqu'un membre du personnel de l'enseignement non-universitaire de l'Etat ou subventionné qui a été absent pour cause de maladie depuis plus de 15 jours, reprend son service moins de 10 jours avant les vacances scolaires et cesse à nouveau, moins de 15 jours après les vacances, d'exercer ses fonctions pour cause de maladie pendant 10 jours au moins, les jours de vacances lui sont comptés comme congé de maladie.
Pour l'application de l'alinéa premier, il n'est pas tenu compte de l'absence postérieure aux vacances, dans la mesure où elle est provoquée par un accident du travail, par un accident sur le chemin d u travail ou par une maladie professionnelle.
Par dérogation à l'alinéa premier, tout membre du personnel précité a droit, pour les trois périodes de vacances scolaires réunies, à un nombre de jours de vacances garanti, équivalent au nombre de jours de congé prévu au statut des agents de l'Etat.
Pour l'application de l'alinéa 3, les jours garantis sont accordés, après déduction éventuelle des vacances de Noël et de Pâques, pendant les vacances d'été à partir du 15 juillet.
(Le Gouvernement flamand est autorisé à modifier ce paragraphe, à l'abroger et/ou le remplacer en tout ou en partie.)
<L 6-7-1982, art. 1er> § 1er. Les §§ 2 et 3 sont applicables :
1° aux membres du personnel d'un service public ou d'un service subventionné par l'Etat, qui bénéficient d'un régime de pension à charge du Trésor public, à l'exception des gouverneurs de province, (des membres du personnel statutaire de la SNCB Holding) [3 ou de HR Rail ]3, des magistrats de l'ordre judiciaire et du Conseil d'Etat, ainsi que des personnes qui ont le même régime de pension que les magistrats; <AR 2006-12-28/38, art. 5, 024; En vigueur : 01-01-2007>
2° aux membres du personnel :
a) des provinces, des communes, des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des associations de communes, des commissions de la culture, ainsi que des organismes qui sont subordonnés à ces personnes de droit public;
b) des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) de [1 bpost]1;
d) de la Régie des Transports maritimes;
e) des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
3° aux receveurs régionaux et aux chefs de brigade, nommes respectivement par application de l'article 114 de la loi communale et de l'article 55bis du Code rural.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, rendre le présent article applicable à des personnes soumises à d'autres régimes de pension, à l'exclusion de celles qui sont soumises au régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
§ 2. Sans préjudice de l'article 117, § 3, de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, le membre du personnel qui a atteint l'âge de [4 62 ans à partir du 1er juillet 2016, 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 est mis à la retraite d'office dès qu'il est reconnu définitivement inapte par le service médical compétent.
Toutefois, si l'intéressé n'a pas épuisé les congés pour cause de maladie auxquels il peut prétendre en vertu du statut qui lui est applicable, sa mise à la retraite d'office est retardée jusqu'au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il les aura épuisés et, au plus tard, jusqu'au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel ces congés auront atteint 365 jours postérieurs à [4 la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans à partir du 1er juillet 2016, la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, la date à laquelle il a atteint l'âge de 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 ou 548 jours s'il s'agit d'un invalide de guerre.
§ 3. Le membre du personnel qui a atteint l'âge de [4 62 ans à partir du 1er juillet 2016, 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 est mis d'office à la retraite le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel, sans avoir été reconnu définitivement inapte, il compte, depuis [4 la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans à partir du 1er juillet 2016, la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, la date à laquelle il a atteint l'âge de 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4, soit par congé, soit par disponibilité, soit par l'un et par l'autre, 365 jours d'absence pour cause de maladie ou 548 jours, s'il s'agit d'un invalide de guerre.
Pour le calcul des délais de 365 et 548 jours visés à l'alinéa premier, il n'y a pas lieu de tenir compte :
a) des absences provoquées par un accident du travail, par un accident survenu sur le chemin du travail ou par une maladie professionnelle;
b) des absences provoquées par des invalidités contractées au cours d'une carrière coloniale et qui doivent être assimilées aux absences visées au a), par application de l'article 25 de la loi du 2 août 1955 portant péréquation des pensions de retraite et de survie;
c) des demi-jours d'absence pendant lesquels l'agent est autorisé à s'absenter en exécution d'un régime réglementaire de prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité.
§ 4. La mesure visée au § 3 est également applicable aux personnes qui ont été admises à la pension temporaire prévue par l'article 117 de la loi du 14 février 1961. A cet effet, la pension temporaire est, pour le calcul des délais le 365 et de 548 jours, assimilée à une absence pour cause de maladie.
§ 5. Les mises à la retraite d'office visées aux §§ 3 et 4 sont assimilées à une mise à la retraite pour inaptitude physique.
§ 6. Par mesure transitoire, pour le calcul des délais de 365 et de 548 jours visés aux §§ 2 et 3, il n'y a pas lieu de tenir compte des jours d'absence pour cause de maladie antérieure au 6 août 1978.
§ 7. (NOTE : le § 7 est supprimé pour les établissements et les personnels auxquels s'applique l'AGF 2008-02-15/51. ) Lorsqu'un membre du personnel de l'enseignement non-universitaire de l'Etat ou subventionné qui a été absent pour cause de maladie depuis plus de 15 jours, reprend son service moins de 10 jours avant les vacances scolaires et cesse à nouveau, moins de 15 jours après les vacances, d'exercer ses fonctions pour cause de maladie pendant 10 jours au moins, les jours de vacances lui sont comptés comme congé de maladie.
Pour l'application de l'alinéa premier, il n'est pas tenu compte de l'absence postérieure aux vacances, dans la mesure où elle est provoquée par un accident du travail, par un accident sur le chemin d u travail ou par une maladie professionnelle.
Par dérogation à l'alinéa premier, tout membre du personnel précité a droit, pour les trois périodes de vacances scolaires réunies, à un nombre de jours de vacances garanti, équivalent au nombre de jours de congé prévu au statut des agents de l'Etat.
Pour l'application de l'alinéa 3, les jours garantis sont accordés, après déduction éventuelle des vacances de Noël et de Pâques, pendant les vacances d'été à partir du 15 juillet.
(Le Gouvernement flamand est autorisé à modifier ce paragraphe, à l'abroger et/ou le remplacer en tout ou en partie.)
Art. 83 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
<W 6-7-1982, art. 1> § 1. De §§ 2 en 3 zijn van toepassing :
1° op de personeelsleden van een openbare of door de Staat gesubsidieerde dienst, die een pensioenregeling ten laste van de Staatskas genieten, met uitzondering van de provinciegouverneurs, (de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding) [3 of van HR Rail]3, de magistraten van de rechterlijke orde en van de Raad van State en de personen die dezelfde pensioenregeling als de magistraten genieten; <KB 2006-12-28/38, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° op de personeelsleden van :
a) de provincies, gemeenten, agglomeraties van gemeenten, federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies voor de cultuur en de aan die publiekrechtelijke personen ondergeschikte instellingen;
b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is;
c) [1 bpost]1;
d) de Regie voor Maritiem Transport;
e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, toepasselijk is verklaard;
3° op de gewestelijke ontvangers en op de brigadechefs die onderscheidenlijk op grond van artikel 114 van de gemeentewet en van artikel 55bis van het Veldwetboek benoemd zijn.
De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, dit artikel toepasselijk verklaren op personen die aan andere pensioenregelingen onderworpen zijn, met uitsluiting van die welke onderworpen zijn aan de regeling inzake rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
§ 2. Onverminderd artikel 117, § 3, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, wordt het personeelslid dat de leeftijd van [4 62 jaar vanaf 1 juli 2016, 62 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari 2017, 63 jaar vanaf 1 januari 2018]4 heeft bereikt, ambtshalve in ruste gesteld zodra hij door de bevoegde geneeskundige dienst definitief ongeschikt bevonden is.
Wanneer de betrokkene echter het ziekteverlof, waarop hij krachtens het op hem toepasselijk statuut aanspraak kan maken, niet opgebruikt heeft, wordt zijn inrustestelling van ambtswege uitgesteld tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij het zal hebben opgebruikt en, uiterlijk, tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin dat verlof in totaal 365 dagen na [4 de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt vanaf 1 juli 2016, de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar en 6 maanden heeft bereikt vanaf 1 januari 2017, de datum waarop hij de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt vanaf 1 januari 2018]4 of 548 dagen wanneer het een oorlogsinvalide betreft.
§ 3. Het personeel dat de leeftijd van [4 62 jaar vanaf 1 juli 2016, 62 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari 2017, 63 jaar vanaf 1 januari 2018]4 heeft bereikt, wordt ambtshalve in ruste gesteld de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij, zonder dat hij definitief ongeschikt is bevonden, sedert [4 de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt vanaf 1 juli 2016, de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar en 6 maanden heeft bereikt vanaf 1 januari 2017, de datum waarop hij de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt vanaf 1 januari 2018]4 hetzij door verlof, hetzij door disponibiliteit, hetzij door beide, 365 dagen afwezigheid wegens ziekte telt, of 548 dagen wanneer het een oorlogsinvalide betreft.
Voor het berekenen van de in het eerste lid bedoelde termijnen van 365 en 548 dagen komen niet in aanmerking :
a) afwezigheden te wijten aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte;
b) afwezigheden die te wijten zijn aan invaliditeiten opgelopen tijdens een koloniale loopbaan en die met de onder a bedoelde afwezigheden gelijk moeten worden gesteld op grond van artikel 25 van de wet van 2 augustus 1955 houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen;
c) de halve dagen afwezigheid tijdens welke het personeelslid gemachtigd afwezig mag zijn met toepassing van een verordeningsregeling inzake verminderde prestaties in geval van ziekte of gebrekkigheid.
§ 4. De in § 3 bedoelde maatregel is eveneens toepasselijk op de personen die bij artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 tot het tijdelijk pensioen zijn toegelaten. Daartoe wordt het tijdelijk pensioen, met het oog op de berekening van de termijnen van 365 en 548 dagen, gelijkgesteld met een afwezigheid wegens ziekte.
§ 5. De inrustestelling van ambtswege, bedoeld in de §§ 3 en 4, worden gelijkgesteld met inruststelling wegens lichamelijke ongeschiktheid.
§ 6. Bij overgangsmaatregel komen voor het berekenen van de termijnen van 365 en 548 dagen bedoeld in de §§ 2 en 3, niet in aanmerking de dagen afwezigheid wegens ziekte voor 6 augustus 1978.
§ 7. [2 opgeheven]2
<W 6-7-1982, art. 1> § 1. De §§ 2 en 3 zijn van toepassing :
1° op de personeelsleden van een openbare of door de Staat gesubsidieerde dienst, die een pensioenregeling ten laste van de Staatskas genieten, met uitzondering van de provinciegouverneurs, (de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding) [3 of van HR Rail]3, de magistraten van de rechterlijke orde en van de Raad van State en de personen die dezelfde pensioenregeling als de magistraten genieten; <KB 2006-12-28/38, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° op de personeelsleden van :
a) de provincies, gemeenten, agglomeraties van gemeenten, federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies voor de cultuur en de aan die publiekrechtelijke personen ondergeschikte instellingen;
b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is;
c) [1 bpost]1;
d) de Regie voor Maritiem Transport;
e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, toepasselijk is verklaard;
3° op de gewestelijke ontvangers en op de brigadechefs die onderscheidenlijk op grond van artikel 114 van de gemeentewet en van artikel 55bis van het Veldwetboek benoemd zijn.
De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, dit artikel toepasselijk verklaren op personen die aan andere pensioenregelingen onderworpen zijn, met uitsluiting van die welke onderworpen zijn aan de regeling inzake rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
§ 2. Onverminderd artikel 117, § 3, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, wordt het personeelslid dat de leeftijd van [4 62 jaar vanaf 1 juli 2016, 62 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari 2017, 63 jaar vanaf 1 januari 2018]4 heeft bereikt, ambtshalve in ruste gesteld zodra hij door de bevoegde geneeskundige dienst definitief ongeschikt bevonden is.
Wanneer de betrokkene echter het ziekteverlof, waarop hij krachtens het op hem toepasselijk statuut aanspraak kan maken, niet opgebruikt heeft, wordt zijn inrustestelling van ambtswege uitgesteld tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij het zal hebben opgebruikt en, uiterlijk, tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin dat verlof in totaal 365 dagen na [4 de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt vanaf 1 juli 2016, de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar en 6 maanden heeft bereikt vanaf 1 januari 2017, de datum waarop hij de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt vanaf 1 januari 2018]4 of 548 dagen wanneer het een oorlogsinvalide betreft.
§ 3. Het personeel dat de leeftijd van [4 62 jaar vanaf 1 juli 2016, 62 jaar en 6 maanden vanaf 1 januari 2017, 63 jaar vanaf 1 januari 2018]4 heeft bereikt, wordt ambtshalve in ruste gesteld de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij, zonder dat hij definitief ongeschikt is bevonden, sedert [4 de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt vanaf 1 juli 2016, de datum waarop hij de leeftijd van 62 jaar en 6 maanden heeft bereikt vanaf 1 januari 2017, de datum waarop hij de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt vanaf 1 januari 2018]4 hetzij door verlof, hetzij door disponibiliteit, hetzij door beide, 365 dagen afwezigheid wegens ziekte telt, of 548 dagen wanneer het een oorlogsinvalide betreft.
Voor het berekenen van de in het eerste lid bedoelde termijnen van 365 en 548 dagen komen niet in aanmerking :
a) afwezigheden te wijten aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte;
b) afwezigheden die te wijten zijn aan invaliditeiten opgelopen tijdens een koloniale loopbaan en die met de onder a bedoelde afwezigheden gelijk moeten worden gesteld op grond van artikel 25 van de wet van 2 augustus 1955 houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen;
c) de halve dagen afwezigheid tijdens welke het personeelslid gemachtigd afwezig mag zijn met toepassing van een verordeningsregeling inzake verminderde prestaties in geval van ziekte of gebrekkigheid.
§ 4. De in § 3 bedoelde maatregel is eveneens toepasselijk op de personen die bij artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 tot het tijdelijk pensioen zijn toegelaten. Daartoe wordt het tijdelijk pensioen, met het oog op de berekening van de termijnen van 365 en 548 dagen, gelijkgesteld met een afwezigheid wegens ziekte.
§ 5. De inrustestelling van ambtswege, bedoeld in de §§ 3 en 4, worden gelijkgesteld met inruststelling wegens lichamelijke ongeschiktheid.
§ 6. Bij overgangsmaatregel komen voor het berekenen van de termijnen van 365 en 548 dagen bedoeld in de §§ 2 en 3, niet in aanmerking de dagen afwezigheid wegens ziekte voor 6 augustus 1978.
§ 7. [2 opgeheven]2
Art.83_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
<L 6-7-1982, art. 1er> § 1er. Les §§ 2 et 3 sont applicables :
1° aux membres du personnel d'un service public ou d'un service subventionné par l'Etat, qui bénéficient d'un régime de pension à charge du Trésor public, à l'exception des gouverneurs de province, (des membres du personnel statutaire de la SNCB Holding) [3 ou de HR Rail ]3, des magistrats de l'ordre judiciaire et du Conseil d'Etat, ainsi que des personnes qui ont le même régime de pension que les magistrats; <AR 2006-12-28/38, art. 5, 024; En vigueur : 01-01-2007>
2° aux membres du personnel :
a) des provinces, des communes, des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des associations de communes, des commissions de la culture, ainsi que des organismes qui sont subordonnés à ces personnes de droit public;
b) des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) de [1 bpost]1;
d) de la Régie des Transports maritimes;
e) des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
3° aux receveurs régionaux et aux chefs de brigade, nommés respectivement par application de l'article 114 de la loi communale et de l'article 55bis du Code rural.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, rendre le présent article applicable à des personnes soumises à d'autres régimes de pension, à l'exclusion de celles qui sont soumises au régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
§ 2. Sans préjudice de l'article 117, § 3, de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, le membre du personnel qui a atteint l'âge de [4 62 ans à partir du 1er juillet 2016, 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 est mis à la retraite d'office dès qu'il est reconnu définitivement inapte par le service médical compétent.
Toutefois, si l'intéressé n'a pas épuisé les congés pour cause de maladie auxquels il peut prétendre en vertu du statut qui lui est applicable, sa mise à la retraite d'office est retardée jusqu'au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il les aura épuisés et, au plus tard, jusqu'au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel ces congés auront atteint 365 jours postérieurs à [4 la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans à partir du 1er juillet 2016, la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, la date à laquelle il a atteint l'âge de 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 ou 548 jours s'il s'agit d'un invalide de guerre.
§ 3. Le membre du personnel qui a atteint l'âge de [4 62 ans à partir du 1er juillet 2016, 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 est mis d'office à la retraite le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel, sans avoir été reconnu définitivement inapte, il compte, depuis [4 la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans à partir du 1er juillet 2016, la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, la date à laquelle il a atteint l'âge de 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4, soit par congé, soit par disponibilité, soit par l'un et par l'autre, 365 jours d'absence pour cause de maladie ou 548 jours, s'il s'agit d'un invalide de guerre.
Pour le calcul des délais de 365 et 548 jours visés à l'alinéa premier, il n'y a pas lieu de tenir compte :
a) des absences provoquées par un accident du travail, par un accident survenu sur le chemin du travail ou par une maladie professionnelle;
b) des absences provoquées par des invalidités contractées au cours d'une carrière coloniale et qui doivent être assimilées aux absences visées au a), par application de l'article 25 de la loi du 2 août 1955 portant péréquation des pensions de retraite et de survie;
c) des demi-jours d'absence pendant lesquels l'agent est autorisé à s'absenter en exécution d'un régime réglementaire de prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité.
§ 4. La mesure visée au § 3 est également applicable aux personnes qui ont été admises à la pension temporaire prévue par l'article 117 de la loi du 14 février 1961. A cet effet, la pension temporaire est, pour le calcul des délais le 365 et de 548 jours, assimilée à une absence pour cause de maladie.
§ 5. Les mises à la retraite d'office visées aux §§ 3 et 4 sont assimilées à une mise à la retraite pour inaptitude physique.
§ 6. Par mesure transitoire, pour le calcul des délais de 365 et de 548 jours visés aux §§ 2 et 3, il n'y a pas lieu de tenir compte des jours d'absence pour cause de maladie antérieure au 6 août 1978.
§ 7. [2 abrogé]2
<L 6-7-1982, art. 1er> § 1er. Les §§ 2 et 3 sont applicables :
1° aux membres du personnel d'un service public ou d'un service subventionné par l'Etat, qui bénéficient d'un régime de pension à charge du Trésor public, à l'exception des gouverneurs de province, (des membres du personnel statutaire de la SNCB Holding) [3 ou de HR Rail ]3, des magistrats de l'ordre judiciaire et du Conseil d'Etat, ainsi que des personnes qui ont le même régime de pension que les magistrats; <AR 2006-12-28/38, art. 5, 024; En vigueur : 01-01-2007>
2° aux membres du personnel :
a) des provinces, des communes, des agglomérations de communes, des fédérations de communes, des associations de communes, des commissions de la culture, ainsi que des organismes qui sont subordonnés à ces personnes de droit public;
b) des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) de [1 bpost]1;
d) de la Régie des Transports maritimes;
e) des organismes auxquels a été rendue applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
3° aux receveurs régionaux et aux chefs de brigade, nommés respectivement par application de l'article 114 de la loi communale et de l'article 55bis du Code rural.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, rendre le présent article applicable à des personnes soumises à d'autres régimes de pension, à l'exclusion de celles qui sont soumises au régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
§ 2. Sans préjudice de l'article 117, § 3, de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, le membre du personnel qui a atteint l'âge de [4 62 ans à partir du 1er juillet 2016, 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 est mis à la retraite d'office dès qu'il est reconnu définitivement inapte par le service médical compétent.
Toutefois, si l'intéressé n'a pas épuisé les congés pour cause de maladie auxquels il peut prétendre en vertu du statut qui lui est applicable, sa mise à la retraite d'office est retardée jusqu'au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il les aura épuisés et, au plus tard, jusqu'au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel ces congés auront atteint 365 jours postérieurs à [4 la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans à partir du 1er juillet 2016, la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, la date à laquelle il a atteint l'âge de 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 ou 548 jours s'il s'agit d'un invalide de guerre.
§ 3. Le membre du personnel qui a atteint l'âge de [4 62 ans à partir du 1er juillet 2016, 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4 est mis d'office à la retraite le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel, sans avoir été reconnu définitivement inapte, il compte, depuis [4 la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans à partir du 1er juillet 2016, la date à laquelle il a atteint l'âge de 62 ans et 6 mois à partir du 1er janvier 2017, la date à laquelle il a atteint l'âge de 63 ans à partir du 1er janvier 2018]4, soit par congé, soit par disponibilité, soit par l'un et par l'autre, 365 jours d'absence pour cause de maladie ou 548 jours, s'il s'agit d'un invalide de guerre.
Pour le calcul des délais de 365 et 548 jours visés à l'alinéa premier, il n'y a pas lieu de tenir compte :
a) des absences provoquées par un accident du travail, par un accident survenu sur le chemin du travail ou par une maladie professionnelle;
b) des absences provoquées par des invalidités contractées au cours d'une carrière coloniale et qui doivent être assimilées aux absences visées au a), par application de l'article 25 de la loi du 2 août 1955 portant péréquation des pensions de retraite et de survie;
c) des demi-jours d'absence pendant lesquels l'agent est autorisé à s'absenter en exécution d'un régime réglementaire de prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité.
§ 4. La mesure visée au § 3 est également applicable aux personnes qui ont été admises à la pension temporaire prévue par l'article 117 de la loi du 14 février 1961. A cet effet, la pension temporaire est, pour le calcul des délais le 365 et de 548 jours, assimilée à une absence pour cause de maladie.
§ 5. Les mises à la retraite d'office visées aux §§ 3 et 4 sont assimilées à une mise à la retraite pour inaptitude physique.
§ 6. Par mesure transitoire, pour le calcul des délais de 365 et de 548 jours visés aux §§ 2 et 3, il n'y a pas lieu de tenir compte des jours d'absence pour cause de maladie antérieure au 6 août 1978.
§ 7. [2 abrogé]2
HOOFDSTUK II. - Budgettaire bepalingen van algemene aard.
Chapitre II. - Dispositions budgétaires de nature générale.
Art. 84. Toepassing van sommige bepalingen van de wet van 16 maart 1954.
Op voorstel van het Ministerieel Comité bedoeld in artikel 182 van de programmawet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, sommige bepalingen van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instellingen van openbaar nut van toepassing maken op andere publiekrechtelijke organismen of instellingen, waarvan de werking voor een belangrijk deel afhangt van Staatstussenkomsten.
De Koning kan tevens § 4 van artikel 11 van de wet van 16 maart 1954 geheel of gedeeltelijk wijzigen of opheffen.
Op voorstel van het Ministerieel Comité bedoeld in artikel 182 van de programmawet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, sommige bepalingen van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instellingen van openbaar nut van toepassing maken op andere publiekrechtelijke organismen of instellingen, waarvan de werking voor een belangrijk deel afhangt van Staatstussenkomsten.
De Koning kan tevens § 4 van artikel 11 van de wet van 16 maart 1954 geheel of gedeeltelijk wijzigen of opheffen.
Art. 84. Application de certaines dispositions de la loi du 16 mars 1954.
Sur proposition du Comité ministériel désigné à l'article 182 de la loi-programme du 22 décembre 1977 relative aux propositions budgétaires 1977-1978, le Roi peut rendre applicable, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, certaines dispositions de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public à d'autres organismes ou institutions de droit public, dont le fonctionnement dépend pour une part importante des interventions de l'Etat.
Le Roi peut en outre modifier entièrement ou partiellement ou abroger le § 4 de l'article 11 de la loi du 16 mars 1954.
Sur proposition du Comité ministériel désigné à l'article 182 de la loi-programme du 22 décembre 1977 relative aux propositions budgétaires 1977-1978, le Roi peut rendre applicable, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, certaines dispositions de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public à d'autres organismes ou institutions de droit public, dont le fonctionnement dépend pour une part importante des interventions de l'Etat.
Le Roi peut en outre modifier entièrement ou partiellement ou abroger le § 4 de l'article 11 de la loi du 16 mars 1954.
Art. 85. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit de controlemodaliteiten en beheersvoorwaarden bepalen van ondernemingen die belangrijke financiële Staatssteun genieten andere dan deze uitdrukkelijk voorzien in de economische expansiewetten.
Art. 85. Le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des Ministres fixer les modalités de contrôle et les conditions de gestion des entreprises qui bénéficient d'aides financières importantes de l'Etat autres que celles prévues explicitement par les lois d'expansion économique.
Art. 86. Beheersovereenkomsten.
Met het oog op het gebruik van de begrotingskredieten, toegekend aan organismen die belast zijn met een uitbating van industriële of commerciële aard, waarvan de werking voor een belangrijk deel afhangt van Staatstussenkomsten en die door de Koning aangeduid worden, mag op beheersovereenkomsten afgesloten tussen de Staat en het organisme worden beroep gedaan.
Deze overeenkomsten bepalen de beheersvoorwaarden waarvan de Staat zijn tussenkomsten afhankelijk maakt.
De uitwerking van deze overeenkomsten behoort tot het initiatief van de Minister en de Staatssecretaris naargelang wie de bevoegdheid heeft over bedoeld organisme, de Minister van Financiën en de Minister of de Staatssecretaris die de begroting onder zijn bevoegdheid heeft.
De beheersovereenkomsten kunnen voor verschillende jaren worden afgesloten.
Met het oog op het gebruik van de begrotingskredieten, toegekend aan organismen die belast zijn met een uitbating van industriële of commerciële aard, waarvan de werking voor een belangrijk deel afhangt van Staatstussenkomsten en die door de Koning aangeduid worden, mag op beheersovereenkomsten afgesloten tussen de Staat en het organisme worden beroep gedaan.
Deze overeenkomsten bepalen de beheersvoorwaarden waarvan de Staat zijn tussenkomsten afhankelijk maakt.
De uitwerking van deze overeenkomsten behoort tot het initiatief van de Minister en de Staatssecretaris naargelang wie de bevoegdheid heeft over bedoeld organisme, de Minister van Financiën en de Minister of de Staatssecretaris die de begroting onder zijn bevoegdheid heeft.
De beheersovereenkomsten kunnen voor verschillende jaren worden afgesloten.
Art. 86. Protocoles de gestion.
En vue de l'utilisation des crédits budgétaires alloués aux organismes chargés d'une exploitation à caractère industriel ou commercial, dont le fonctionnement dépend pour une part importante des interventions de l'Etat et qui sont désignés par le Roi, il peut être recouru à des protocoles de gestion conclus entre l'Etat et l'organisme.
Ces protocoles déterminent notamment les conditions de gestion auxquelles l'Etat subordonne ses interventions.
L'élaboration de ces protocoles relève de l'initiative du Ministre et du Secrétaire d'Etat qui a ledit organisme dans ses attributions, du Ministre des Finances et du Ministre ou du Secrétaire d'Etat qui a le budget dans ses attributions.
Les protocoles de gestion peuvent être conclus pour plusieurs années.
En vue de l'utilisation des crédits budgétaires alloués aux organismes chargés d'une exploitation à caractère industriel ou commercial, dont le fonctionnement dépend pour une part importante des interventions de l'Etat et qui sont désignés par le Roi, il peut être recouru à des protocoles de gestion conclus entre l'Etat et l'organisme.
Ces protocoles déterminent notamment les conditions de gestion auxquelles l'Etat subordonne ses interventions.
L'élaboration de ces protocoles relève de l'initiative du Ministre et du Secrétaire d'Etat qui a ledit organisme dans ses attributions, du Ministre des Finances et du Ministre ou du Secrétaire d'Etat qui a le budget dans ses attributions.
Les protocoles de gestion peuvent être conclus pour plusieurs années.
Art. 87. § 1. Onverminderd de krachtens artikel 59bis van de Grondwet aanvaarde decreetsbepalingen wordt de Koning gemachtigd door in Ministerraad overlegde besluiten alle nuttige maatregelen te nemen teneinde de aangroei van de Staatsuitgaven te beperken, zowel in het kader van de uitvoering van de begroting 1978 als van de voorbereiding en de uitvoering van de begroting 1979, zoals deze zal worden vastgelegd in de Rijksmiddelenbegroting en in de Algemene Toelichting bij die begroting.
Voor de toepassing van het 1ste lid, zal de algemene norm, die van toepassing is op de begroting 1979 hun aangroei beperken op grond van de invloed van de evolutie der consumptieprijzen.
§ 2. Evenzo en onder hetzelfde voorbehoud, teneinde hetzelfde evenwicht te bereiken in de begrotingen van de instellingen die onderworpen zijn aan de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instellingen van openbaar nut of in de begrotingen van openbaar of privaat-rechtelijke instellingen waarvan de werking voor een groot deel van Staatstussenkomsten afhangt wordt de Koning gemachtigd, door in Ministerraad overlegde besluiten de bestaande wetgevingen te wijzigen voor zover die wijzigingen betrekking hebben op bepalingen met budgettaire weerslag.
§ 3. De koninklijke besluiten die werden genomen krachtens de §§ 1 en 2 in het kader van de uitvoering van de begroting van 1978 zijn opgeheven op 1 januari 1979, indien zij vóór die datum niet door de Wetgevende Kamers werden bekrachtigd.
§ 4. De koninklijke besluiten genomen krachtens de §§ 1 en 2 in het kader van de voorbereiding en de uitvoering van de begroting 1979 zullen slechts in werking treden na hun bekrachtiging door de Wetgevende Kamers, en ten laatste op 31 maart 1979.
Voor de toepassing van het 1ste lid, zal de algemene norm, die van toepassing is op de begroting 1979 hun aangroei beperken op grond van de invloed van de evolutie der consumptieprijzen.
§ 2. Evenzo en onder hetzelfde voorbehoud, teneinde hetzelfde evenwicht te bereiken in de begrotingen van de instellingen die onderworpen zijn aan de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instellingen van openbaar nut of in de begrotingen van openbaar of privaat-rechtelijke instellingen waarvan de werking voor een groot deel van Staatstussenkomsten afhangt wordt de Koning gemachtigd, door in Ministerraad overlegde besluiten de bestaande wetgevingen te wijzigen voor zover die wijzigingen betrekking hebben op bepalingen met budgettaire weerslag.
§ 3. De koninklijke besluiten die werden genomen krachtens de §§ 1 en 2 in het kader van de uitvoering van de begroting van 1978 zijn opgeheven op 1 januari 1979, indien zij vóór die datum niet door de Wetgevende Kamers werden bekrachtigd.
§ 4. De koninklijke besluiten genomen krachtens de §§ 1 en 2 in het kader van de voorbereiding en de uitvoering van de begroting 1979 zullen slechts in werking treden na hun bekrachtiging door de Wetgevende Kamers, en ten laatste op 31 maart 1979.
Art. 87. § 1. Sans préjudice des dispositions décrétales adoptées en vertu de l'article 59bis de la Constitution, le Roi est autorisé à prendre, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, toutes mesures utiles en vue de limiter la croissance des dépenses publiques, tant dans le cadre de l'exécution du budget 1978 que de la préparation et de l'exécution du budget de 1979, tel qu'il sera arrêté dans le budget des Voies et Moyens et dans l'Exposé général annexé à ce budget.
Pour l'application de l'alinéa 1er, la norme générale, applicable aux crédits du budget 1979, limitera leur croissance en fonction de l'incidence de l'évolution des prix à la consommation.
§ 2. De même, et sous la même réserve, afin de réaliser le même équilibre dans les budgets des organismes soumis à la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public ou dans les budgets d'organismes de droit public ou privé dont le fonctionnement dépend pour une part importante des interventions de l'Etat, le Roi est autorisé à apporter, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, des modifications aux législations existantes dans la mesure où ces modifications ont trait à des dispositions à incidence budgétaire.
§ 3. Les arrêtés royaux pris en vertu des §§ 1 et 2 dans le cadre de l'exécution du budget de 1978 sont abrogés au 1er janvier 1979 s'ils n'ont pas été ratifiés par les Chambres législatives avant cette date.
§ 4. Les arrêtés royaux pris en vertu des §§ 1 et 2 dans le cadre de la préparation et de l'exécution du budget de 1979 n'entreront en vigueur qu'après leur ratification par les Chambres législatives et au plus tard le 31 mars 1979.
Pour l'application de l'alinéa 1er, la norme générale, applicable aux crédits du budget 1979, limitera leur croissance en fonction de l'incidence de l'évolution des prix à la consommation.
§ 2. De même, et sous la même réserve, afin de réaliser le même équilibre dans les budgets des organismes soumis à la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public ou dans les budgets d'organismes de droit public ou privé dont le fonctionnement dépend pour une part importante des interventions de l'Etat, le Roi est autorisé à apporter, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, des modifications aux législations existantes dans la mesure où ces modifications ont trait à des dispositions à incidence budgétaire.
§ 3. Les arrêtés royaux pris en vertu des §§ 1 et 2 dans le cadre de l'exécution du budget de 1978 sont abrogés au 1er janvier 1979 s'ils n'ont pas été ratifiés par les Chambres législatives avant cette date.
§ 4. Les arrêtés royaux pris en vertu des §§ 1 et 2 dans le cadre de la préparation et de l'exécution du budget de 1979 n'entreront en vigueur qu'après leur ratification par les Chambres législatives et au plus tard le 31 mars 1979.
Art. 88. De Koning wordt gemachtigd door in Ministerraad overlegde besluiten alle nodige wijzigingen aan te brengen om de begrotingskredieten aan te passen op grond van de wet houdende uitvoering van artikel 107quater van de Grondwet en wijziging van de wetten van 3 en 21 juli 1971 betreffende de culturele autonomie.
De koninklijke besluiten bedoeld in het vorige lid zullen slechts uitwerking hebben na hun bekrachtiging door de Wetgevende Kamers.
De koninklijke besluiten bedoeld in het vorige lid zullen slechts uitwerking hebben na hun bekrachtiging door de Wetgevende Kamers.
Art. 88. Le Roi est autorisé à apporter, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres, toutes les modifications nécessaires pour adapter les crédits budgétaires en fonction de la loi portant exécution de l'article 107quater de la Constitution et modifiant les lois des 3 et 21 juillet 1971 sur l'autonomie culturelle.
Les arrêtés royaux visés à l'alinéa précédent ne produiront leurs effets qu'après leur ratification par les Chambres législatives.
Les arrêtés royaux visés à l'alinéa précédent ne produiront leurs effets qu'après leur ratification par les Chambres législatives.
Art. 89. § 1. De machten toegekend aan de Koning door de artikelen 1 tot 17, 21, 23 tot 27, 30, 33 tot 35, (50,§ 3), 71 en 77 van onderhavige wet verstrijken op 31 december 1978. Hetzelfde geldt voor § 5 van onderhavig artikel. (W. 8 augustus 1980, art. 239)
§ 2. Verslag zal uitgebracht worden bij de Kamers vóór 31 maart 1979 over de genomen maatregelen in uitvoering van de artikels beoogd in § 1 van dit artikel en in uitvoering van artikel 87, §§ 1 en 2, in het kader van de uitvoering van de begroting 1978.
De koninklijke besluiten bedoeld in de artikelen 3, § 5, 16, 26 en 50, § 2, treden slechts in werking na hun bekrachtiging door de Wetgevende Kamers.
§ 3. De koninklijke besluiten bedoeld in de artikelen 84 en 85 zullen slechts uitwerking hebben na hun bekrachtiging door de Wetgevende Kamers.
De machten aan de Koning toegekend door de artikelen 84 en 85 verstrijken op 31 maart 1979.
§ 4. De besluiten getroffen krachtens de machten bedoeld in § 1 evenals in de artikelen 87 en 88 kunnen de vigerende wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen.
In geval van dringendheid kunnen ze worden genomen zonder de adviezen te moeten vragen of de voorstellen te moeten afwachten die wettelijk of reglementair worden voorgeschreven.
Na het verstrijken van de door deze wet toegekende machten, kunnen die besluiten niet worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen dan door een wet, terwijl de Koning het recht behoudt de bepalingen die betrekking hebben op aangelegenheden die onder Zijn bevoegdheid vallen op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of ze te vervangen.
De Koning kan de wetteksten vermeld in onderhavige wet en deze die Hij mag wijzigen krachtens deze bepalingen coördineren, daarin begrepen de nodige veranderingen in het opstellen van de teksten, de volgorde van de artikelen en afdelingen en de refertes die ze inhouden.
§ 5. De Koning kan, zo nodig, de toepassing van de bepalingen genomen in uitvoering van deze wet verzekeren door sancties van administratieve, burgerlijke en strafrechtelijke aard; deze laatste mogen niet meer bedragen dan een gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van 100 000 frank.
§ 6. De Koning stelt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de data van inwerkingtreding vast van de beschikkingen van onderhavige wet.
§ 2. Verslag zal uitgebracht worden bij de Kamers vóór 31 maart 1979 over de genomen maatregelen in uitvoering van de artikels beoogd in § 1 van dit artikel en in uitvoering van artikel 87, §§ 1 en 2, in het kader van de uitvoering van de begroting 1978.
De koninklijke besluiten bedoeld in de artikelen 3, § 5, 16, 26 en 50, § 2, treden slechts in werking na hun bekrachtiging door de Wetgevende Kamers.
§ 3. De koninklijke besluiten bedoeld in de artikelen 84 en 85 zullen slechts uitwerking hebben na hun bekrachtiging door de Wetgevende Kamers.
De machten aan de Koning toegekend door de artikelen 84 en 85 verstrijken op 31 maart 1979.
§ 4. De besluiten getroffen krachtens de machten bedoeld in § 1 evenals in de artikelen 87 en 88 kunnen de vigerende wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen.
In geval van dringendheid kunnen ze worden genomen zonder de adviezen te moeten vragen of de voorstellen te moeten afwachten die wettelijk of reglementair worden voorgeschreven.
Na het verstrijken van de door deze wet toegekende machten, kunnen die besluiten niet worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen dan door een wet, terwijl de Koning het recht behoudt de bepalingen die betrekking hebben op aangelegenheden die onder Zijn bevoegdheid vallen op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of ze te vervangen.
De Koning kan de wetteksten vermeld in onderhavige wet en deze die Hij mag wijzigen krachtens deze bepalingen coördineren, daarin begrepen de nodige veranderingen in het opstellen van de teksten, de volgorde van de artikelen en afdelingen en de refertes die ze inhouden.
§ 5. De Koning kan, zo nodig, de toepassing van de bepalingen genomen in uitvoering van deze wet verzekeren door sancties van administratieve, burgerlijke en strafrechtelijke aard; deze laatste mogen niet meer bedragen dan een gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van 100 000 frank.
§ 6. De Koning stelt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de data van inwerkingtreding vast van de beschikkingen van onderhavige wet.
Art. 89. § 1. Les pouvoirs accordés au Roi par les articles 1 à 17, 21, 23 à 27, 30, 33 à 35, (50, § 3), 71 et 77 de la présente loi expirent le 31 décembre 1978. Il en est de même pour le § 5 du présent article. (L 8-08-1980, art. 239)
§ 2. Il sera fait rapport aux Chambres avant le 31 mars 1979 sur les mesures prises en application des articles visés au § 1 du présent article et en application de l'article 87, §§ 1 et 2, dans le cadre de l'exécution du budget 1978.
Toutefois, les arrêtés royaux visés aux articles 3, § 5, 16, 26 et 50, § 2, n'entrent en vigueur qu'après leur ratification par les Chambres législatives.
§ 3. Les arrêtés royaux visés aux articles 84 et 85 ne produiront leurs effets qu'après ratification par les Chambres législatives.
Les pouvoirs accordés au Roi par les articles 84 et 85 expirent le 31 mars 1979.
§ 4. Les arrêtés pris en vertu des pouvoirs visés au § 1 ainsi qu'aux articles 87 et 88 peuvent abroger, compléter, modifier ou remplacer les dispositions légales en vigueur.
En cas d'urgence, ils peuvent être pris sans devoir solliciter les avis ou attendre les propositions prévus par la loi ou la réglementation.
Après l'expiration des pouvoirs attribués par la présente loi, ces arrêtés ne peuvent être abrogés, complétés, modifiés ou remplacés que par une loi, le Roi conservant le droit d'abroger, de compléter, de modifier ou de remplacer les dispositions qui concernent les matières qui relèvent de Sa compétence.
Le Roi peut coordonner les textes légaux mentionnés dans la présente loi et ceux qu'il peut modifier en vertu de ces dispositions, y compris les changements nécessaires dans la rédaction des textes, l'ordre des articles et divisions, et les références qu'ils contiennent.
§ 5. Le Roi peut assurer, s'il y a lieu, l'application des dispositions prises en vertu de la présente loi par des sanctions de nature administrative, civile et pénale, ces dernières ne pouvant excéder une peine d'emprisonnement de six mois et une amende de 100 000 francs.
§ 6. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la date d'entrée en vigueur des dispositions de la présente loi.
§ 2. Il sera fait rapport aux Chambres avant le 31 mars 1979 sur les mesures prises en application des articles visés au § 1 du présent article et en application de l'article 87, §§ 1 et 2, dans le cadre de l'exécution du budget 1978.
Toutefois, les arrêtés royaux visés aux articles 3, § 5, 16, 26 et 50, § 2, n'entrent en vigueur qu'après leur ratification par les Chambres législatives.
§ 3. Les arrêtés royaux visés aux articles 84 et 85 ne produiront leurs effets qu'après ratification par les Chambres législatives.
Les pouvoirs accordés au Roi par les articles 84 et 85 expirent le 31 mars 1979.
§ 4. Les arrêtés pris en vertu des pouvoirs visés au § 1 ainsi qu'aux articles 87 et 88 peuvent abroger, compléter, modifier ou remplacer les dispositions légales en vigueur.
En cas d'urgence, ils peuvent être pris sans devoir solliciter les avis ou attendre les propositions prévus par la loi ou la réglementation.
Après l'expiration des pouvoirs attribués par la présente loi, ces arrêtés ne peuvent être abrogés, complétés, modifiés ou remplacés que par une loi, le Roi conservant le droit d'abroger, de compléter, de modifier ou de remplacer les dispositions qui concernent les matières qui relèvent de Sa compétence.
Le Roi peut coordonner les textes légaux mentionnés dans la présente loi et ceux qu'il peut modifier en vertu de ces dispositions, y compris les changements nécessaires dans la rédaction des textes, l'ordre des articles et divisions, et les références qu'ils contiennent.
§ 5. Le Roi peut assurer, s'il y a lieu, l'application des dispositions prises en vertu de la présente loi par des sanctions de nature administrative, civile et pénale, ces dernières ne pouvant excéder une peine d'emprisonnement de six mois et une amende de 100 000 francs.
§ 6. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la date d'entrée en vigueur des dispositions de la présente loi.