Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
28 JULI 1981. - Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten, en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2003 en tekstbijwerking tot 03-04-2024)
Titre
28 JUILLET 1981. - LOI portant approbation de la Convention sur le commerce international des espèces de faune et de flore sauvages menacées d'extinction, et des Annexes, faites à Washington le 3 mars 1973, ainsi que l'Amendement à la Convention, adopté à Bonn le 22 juin 1979 (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-12-2003 et mise à jour au 03-04-2024)
Dokumentinformationen
Numac: 1981072850
Datum: 1981-07-28
Info du document
Numac: 1981072850
Date: 1981-07-28
Tekst (10)
Texte (10)
Artikel 1. De Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten, en de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973 alsmede de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979, zullen volkomen uitwerking hebben.
Article 1. La Convention sur le commerce international des espèces de faune et de flore sauvages menacées d'extinction, et les Annexes, faites à Washington le 3 mars 1973 ainsi que l'Amendement à la Convention, adopté à Bonn le 22 juin 1979, sortiront leur plein et entier effet.
Art.2. De Koning neemt de maatregelen die vereist zijn voor de uitvoering van de Overeenkomst van haar Bijlagen alsmede van de wijzigingen aangebracht aan de Bijlagen.
Art.2. Le Roi prend les mesures que requiert l'exécution de la Convention et de ses Annexes ainsi que des modifications apportées aux Annexes.
Art.3. <W 2003-12-22/42, art. 218, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2004> Het beheersorgaan dat door de Overeenkomst bedoeld wordt is " de Dienst CITES van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu ".
Art.3. <L 2003-12-22/42, art. 218, 002; En vigueur : 10-01-2004> L'organe de gestion au sens de la Convention est " le Service CITES du Service Public Fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement.
Art.4. [1 § 1.]1 Behoudens door de Koning toegestane afwijking is het verboden gemakkelijk indentificeerbare, levende of dode specimens, die in bijlage I van de Overeenkomst voorkomen, te houden, voor de verkoop te houden, te koop aan te bieden of te kopen.
[1 § 2 De invoer is verboden van jachttrofeeën, zoals bedoeld in artikel 1, 4ter van de verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, afkomstig van:
1° specimens van de soorten of populaties die zijn opgenomen in bijlage A van de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer; en
2° specimens van de soorten of populaties die zijn opgenomen in bijlage B van de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, die tevens zijn opgenomen in bijlage XIII van de verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer.
Aanvragen voor invoervergunningen, zoals bedoeld in artikel 4 van de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, voor jachttrofeeën zoals bedoeld in het eerste lid van huidige paragraaf, die na de inwerkingtreding van deze paragraaf worden ingediend, worden door de Dienst afgewezen.]1
[1 § 2 De invoer is verboden van jachttrofeeën, zoals bedoeld in artikel 1, 4ter van de verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, afkomstig van:
1° specimens van de soorten of populaties die zijn opgenomen in bijlage A van de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer; en
2° specimens van de soorten of populaties die zijn opgenomen in bijlage B van de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, die tevens zijn opgenomen in bijlage XIII van de verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer.
Aanvragen voor invoervergunningen, zoals bedoeld in artikel 4 van de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, voor jachttrofeeën zoals bedoeld in het eerste lid van huidige paragraaf, die na de inwerkingtreding van deze paragraaf worden ingediend, worden door de Dienst afgewezen.]1
Art.4. [1 § 1er.]1 Sauf dérogation accordée par le Roi, il est interdit de détenir, [de détenir] pour la vente, d'offrir pour la vente ou d'acheter des spécimens, facilement identifiables, vivants ou morts, repris à l'annexe I de la Convention.
[1 § 2 Est interdite l'importation des trophées de chasse visés à l'article 1, 4ter du règlement (CE) n° 865/2006 de la Commission du 4 mai 2006 portant modalités d'application du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce, provenant:
1° de spécimens d'espèces ou de populations inscrites à l'annexe A du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce; et
2° de spécimens des espèces ou populations inscrites à l'annexe B du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce qui sont également inscrites à l'annexe XIII du règlement (CE) n° 865/2006 de la Commission du 4 mai 2006 portant modalités d'application du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce.
Les demandes des permis d'importation, visées à l'article 4 du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce, pour les trophées de chasse visés au alinéa 1er du présent paragraphe, qui sont introduites après l'entrée en vigueur du présent paragraphe, seront rejetées par le Service.]1
[1 § 2 Est interdite l'importation des trophées de chasse visés à l'article 1, 4ter du règlement (CE) n° 865/2006 de la Commission du 4 mai 2006 portant modalités d'application du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce, provenant:
1° de spécimens d'espèces ou de populations inscrites à l'annexe A du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce; et
2° de spécimens des espèces ou populations inscrites à l'annexe B du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce qui sont également inscrites à l'annexe XIII du règlement (CE) n° 865/2006 de la Commission du 4 mai 2006 portant modalités d'application du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce.
Les demandes des permis d'importation, visées à l'article 4 du règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce, pour les trophées de chasse visés au alinéa 1er du présent paragraphe, qui sont introduites après l'entrée en vigueur du présent paragraphe, seront rejetées par le Service.]1
Änderungen
Art. 4bis. <INGEVOEGD bij W 2002-12-24/31, art. 301; Inwerkingtreding : 10-01-2003> [1 § 1.]1 De Koning kan een retributie opleggen voor elke aanvraag van vergunning of certificaat, vereist in toepassing van de huidige wet of haar toepassingsbesluiten.
De Koning bepaalt het bedrag van de retributies evenals de regels voor de inning ervan.
[2 De Koning wordt gemachtigd om de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten, te wijzigen, te vervangen of op te heffen.]2
[1 § 2. De Koning kan subsidies toekennen ter ondersteuning van de uitvoering van de Overeenkomst en van haar Bijlagen en van de internationale projecten ontwikkeld in het kader van deze Overeenkomst.]1
De Koning bepaalt het bedrag van de retributies evenals de regels voor de inning ervan.
[2 De Koning wordt gemachtigd om de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten, te wijzigen, te vervangen of op te heffen.]2
[1 § 2. De Koning kan subsidies toekennen ter ondersteuning van de uitvoering van de Overeenkomst en van haar Bijlagen en van de internationale projecten ontwikkeld in het kader van deze Overeenkomst.]1
Art. 4bis. [1 § 1er.]1 Le Roi peut imposer une rétribution pour chaque demande de permis ou certificat requis en application de la présente loi ou de ses arrêtés d'application.
Le Roi détermine le montant de ces rétributions ainsi que les modalités de leur perception.
[2 Le Roi est habilité à modifier, remplacer ou abroger les dispositions de l'arrêté royal du 13 novembre 2011 fixant les rétributions et cotisations dues au Fonds budgétaire des matières premières et des produits.]2
[1 § 2. Le Roi peut octroyer des subsides pour soutenir la mise en oeuvre de la Convention et de ses Annexes et de projets internationaux développés dans le cadre de cette Convention.]1
Le Roi détermine le montant de ces rétributions ainsi que les modalités de leur perception.
[2 Le Roi est habilité à modifier, remplacer ou abroger les dispositions de l'arrêté royal du 13 novembre 2011 fixant les rétributions et cotisations dues au Fonds budgétaire des matières premières et des produits.]2
[1 § 2. Le Roi peut octroyer des subsides pour soutenir la mise en oeuvre de la Convention et de ses Annexes et de projets internationaux développés dans le cadre de cette Convention.]1
Art.5. Met een gevangenisstraf van zes maand tot vijf jaar en [1 met een boete van 26 tot 50.000 euro]1, of met een van die straffen alleen wordt diegene gestraft die, in overtreding van de Overeenkomst of van de ter uitvoering hiervan genomen maatregelen [1 of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake]1, specimens invoert, uitvoert, [2 doorvoert,]2 wederuitvoert of vanuit de zee inbrengt, die voorkomen op de bijlagen I, II, III van genoemde Overeenkomst, evenals degene die artikel 4 overtreedt. De bepalingen van hoofdstuk VII en van artikel 85 van het Strafwetboek zijn toepasselijk op de door onderhavig artikel voorgeschreven overtredingen.
Art.5. Est puni (d'un emprisonnement de six mois à cinq ans et [1 d'une amende de 26 à 50.000 euros]1), ou de l'une de ces peines seulement, celui qui importe, exporte, [2 fait transiter]2 réexporte ou introduit en provenance de la mer en infraction à la Convention ou aux dispositions prises pour son exécution [1 ou aux règlements et décisions européens en la matière,]1, des spécimens figurant aux annexes I, II, III de ladite Convention ainsi que celui qui commet une infraction à l'article 4. Les dispositions du chapitre VII et de l'article 85 du Code pénal sont applicables aux infractions prévues par le présent article. <L 2004-12-27/30, art. 127, 004; En vigueur : 10-01-2005> <L 2008-06-08/30, art. 53, 005; En vigueur : 26-06-2008>
Art. 5bis. <INGEVOEGD bij W 2003-12-22/42, art. 219, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2004> [2 Bij overtreding van de bepalingen van deze wet of van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer en de door de Commissie aangenomen bepalingen ter uitvoering van deze verordening, kan de ambtenaar, daartoe aangewezen door de Koning binnen de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, een bestuurlijke geldboete bepalen, nadat de betrokkene de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voor te brengen :
1° [ingeval de procureur des Konings van strafvervolging afziet of verzuimt van zijn beslissing kennis te geven binnen de in artikel 7, § 4;]
2° op verzoek van de procureur des Konings in de gevallen waarin laatstgenoemde van de strafvervolging afziet in geval van inbreuken vastgesteld door alle in artikel 7, § 1, 1° en 2°, beschreven personen.]2
Er kan geen administratieve geldboete opgelegd worden meer dan drie jaar na de feitelijke overtreding tegen de bepalingen van deze wet.
De daden van onderzoek of van vervolging verricht binnen de in de vorige alinea gestelde termijn stuiten de loop ervan. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.
Het bedrag van de te betalen geldsom mag niet lager zijn dan het minimum noch hoger zijn dan het maximum van de voor het misdrijf bepaalde geldboete.
Bij samenloop van verschillende misdrijven worden de bedragen van de geldsommen samengevoegd, zonder dat het totale bedrag hoger mag zijn dan het dubbele van het maximum van de boete bepaald in artikel 5.
Het bedrag van deze geldsommen wordt verhoogd met de opdeciemen die van toepassing zijn op de strafrechtelijke geldboeten.
[2 Bovendien vallen de volgende kosten ten laste van de overtreder :
1° de kosten voor bewaring en dierengeneeskundige onkosten na de in artikel 6, § 2, beschreven inbeslagname tot de datum van definitieve toewijzing;
2° de kosten gemaakt in uitvoering van de in artikel 6, § 3, beschreven bestuurlijke maatregelen;
3° de kosten gemaakt in uitvoering van artikel 6, § 4;
4° de kosten gemaakt in uitvoering van de in artikel 7 beschreven onderzoeken.
Deze kosten kunnen samen met de bestuurlijke geldboete worden teruggevorderd.
Blijft de betrokkene in gebreke binnen de gestelde termijn om de geldboete te betalen en/of de kosten terug te betalen, dan kan de ambtenaar het bedrag voor de bevoegde rechtbank vorderen. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid die van het vierde deel, boek II en boek III, zijn van toepassing.]2
De betalingsmodaliteiten worden door de Koning vastgesteld.
1° [ingeval de procureur des Konings van strafvervolging afziet of verzuimt van zijn beslissing kennis te geven binnen de in artikel 7, § 4;]
2° op verzoek van de procureur des Konings in de gevallen waarin laatstgenoemde van de strafvervolging afziet in geval van inbreuken vastgesteld door alle in artikel 7, § 1, 1° en 2°, beschreven personen.]2
Er kan geen administratieve geldboete opgelegd worden meer dan drie jaar na de feitelijke overtreding tegen de bepalingen van deze wet.
De daden van onderzoek of van vervolging verricht binnen de in de vorige alinea gestelde termijn stuiten de loop ervan. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.
Het bedrag van de te betalen geldsom mag niet lager zijn dan het minimum noch hoger zijn dan het maximum van de voor het misdrijf bepaalde geldboete.
Bij samenloop van verschillende misdrijven worden de bedragen van de geldsommen samengevoegd, zonder dat het totale bedrag hoger mag zijn dan het dubbele van het maximum van de boete bepaald in artikel 5.
Het bedrag van deze geldsommen wordt verhoogd met de opdeciemen die van toepassing zijn op de strafrechtelijke geldboeten.
[2 Bovendien vallen de volgende kosten ten laste van de overtreder :
1° de kosten voor bewaring en dierengeneeskundige onkosten na de in artikel 6, § 2, beschreven inbeslagname tot de datum van definitieve toewijzing;
2° de kosten gemaakt in uitvoering van de in artikel 6, § 3, beschreven bestuurlijke maatregelen;
3° de kosten gemaakt in uitvoering van artikel 6, § 4;
4° de kosten gemaakt in uitvoering van de in artikel 7 beschreven onderzoeken.
Deze kosten kunnen samen met de bestuurlijke geldboete worden teruggevorderd.
Blijft de betrokkene in gebreke binnen de gestelde termijn om de geldboete te betalen en/of de kosten terug te betalen, dan kan de ambtenaar het bedrag voor de bevoegde rechtbank vorderen. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid die van het vierde deel, boek II en boek III, zijn van toepassing.]2
De betalingsmodaliteiten worden door de Koning vastgesteld.
Art. 5bis. [2 En cas d'infraction aux dispositions de la présente loi ou des arrêtés pris en exécution de celle-ci ou du Règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce et aux dispositions adoptées par la Commission pour la mise en oeuvre de ce règlement, le fonctionnaire désigné à cette fin par le Roi au sein du Service Public Fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, peut fixer une amende administrative après avoir mis la personne concernée en mesure de présenter ses moyens de défense :
1° [dans le cas où le Procureur du Roi renonce à intenter des poursuites pénales ou omet de notifier sa décision dans le délai prévu à l'article 7, § 4;]
2° à la demande du Procureur du Roi dans les cas où celui-ci renonce à intenter des poursuites en cas d'infractions constatées par des agents visés à l'article 7, § 1er, 1° et 2°.]2
Il ne peut pas être infligé d'amende administrative plus de trois ans après le fait constitutif d'une infraction aux dispositions de la présente loi.
Les actes d'instruction ou de poursuite faits dans le délai déterminé à l'alinéa précédent en interrompent le cours. Ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée même à l'égard des personnes qui n'y étaient pas impliquées.
Le montant de la somme à payer ne peut être inférieur au minimum ni excéder le maximum de l'amende fixée pour l'infraction.
En cas de concours de plusieurs infractions, les montants des sommes sont additionnés, sans que le total puisse excéder le double du maximum de l'amende fixée à l'article 5.
Le montant de ces sommes est majoré des décimes additionnels, qui sont d'application aux amendes prévues par le droit pénal.
[2 En outre, les frais suivants sont mis à charge du contrevenant :
1° les frais d'hébergement et frais vétérinaires, après la saisie décrite à l'article 6, § 2, jusqu'à la date d'attribution définitive;
2° les frais relatifs à la mise en oeuvre des mesures administratives décrites à l'article 6, § 3;
3° les frais encourus en exécution de l'article 6, § 4;
4° les frais encourus en exécution aux enquêtes décrites à l'article 7.
Ces frais peuvent être réclamés en même temps que ceux perçus sous forme d'amende administrative.
Si la personne concernée reste en défaut de payer l'amende et/ou de rembourser les frais encourus dans le délai fixé le fonctionnaire peut récupérer le montant devant le tribunal compétent. Les dispositions du Code judiciaire, notamment la quatrième Partie, Livre II et Livre III, sont d'application.]2
Les modalités de paiement sont déterminées par le Roi.
1° [dans le cas où le Procureur du Roi renonce à intenter des poursuites pénales ou omet de notifier sa décision dans le délai prévu à l'article 7, § 4;]
2° à la demande du Procureur du Roi dans les cas où celui-ci renonce à intenter des poursuites en cas d'infractions constatées par des agents visés à l'article 7, § 1er, 1° et 2°.]2
Il ne peut pas être infligé d'amende administrative plus de trois ans après le fait constitutif d'une infraction aux dispositions de la présente loi.
Les actes d'instruction ou de poursuite faits dans le délai déterminé à l'alinéa précédent en interrompent le cours. Ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée même à l'égard des personnes qui n'y étaient pas impliquées.
Le montant de la somme à payer ne peut être inférieur au minimum ni excéder le maximum de l'amende fixée pour l'infraction.
En cas de concours de plusieurs infractions, les montants des sommes sont additionnés, sans que le total puisse excéder le double du maximum de l'amende fixée à l'article 5.
Le montant de ces sommes est majoré des décimes additionnels, qui sont d'application aux amendes prévues par le droit pénal.
[2 En outre, les frais suivants sont mis à charge du contrevenant :
1° les frais d'hébergement et frais vétérinaires, après la saisie décrite à l'article 6, § 2, jusqu'à la date d'attribution définitive;
2° les frais relatifs à la mise en oeuvre des mesures administratives décrites à l'article 6, § 3;
3° les frais encourus en exécution de l'article 6, § 4;
4° les frais encourus en exécution aux enquêtes décrites à l'article 7.
Ces frais peuvent être réclamés en même temps que ceux perçus sous forme d'amende administrative.
Si la personne concernée reste en défaut de payer l'amende et/ou de rembourser les frais encourus dans le délai fixé le fonctionnaire peut récupérer le montant devant le tribunal compétent. Les dispositions du Code judiciaire, notamment la quatrième Partie, Livre II et Livre III, sont d'application.]2
Les modalités de paiement sont déterminées par le Roi.
Art.6. [1 § 1. In geval van de door artikel 5 voorziene overtredingen, zijn de in artikel 7 vermelde overheidsagenten bevoegd voor het opleggen van bestuurlijk beslag op de specimens die het voorwerp uitmaken van het misdrijf.
§ 2. De inbeslaggenomen specimens worden toevertrouwd aan het Beheersorgaan. Deze zendt ze, indien nodig, naar een bewaarcentrum of naar elke andere plaats die geschikt is en verenigbaar met de doelstellingen van de Overeenkomst en de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake.
§ 3. Het Beheersorgaan is bevoegd voor het nemen van bestuurlijke maatregelen omtrent de inbeslaggenomen specimens. Deze maatregelen kunnen zijn :
1° een bevel tot terugzenden naar de Staat van uitvoer op kosten van deze laatste;
2° het geven van het volle eigendom aan de geschikte natuurlijke of rechtspersoon, wanneer dit verenigbaar is met de doelstellingen van de Overeenkomst of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake;
3° het organiseren van een openbare verkoop;
4° een bevel tot slachten;
5° een bevel tot vernietigen;
6° een combinatie van de in 1°, 2°, 3° en 4° bedoelde maatregelen.
Deze bestuurlijke maatregelen worden schriftelijk opgelegd. De schriftelijke oplegging kan gebeuren door ofwel de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen ofwel de kennisgeving van het proces-verbaal. Het Beheersorgaan behoudt het recht om ten allen tijde de bestuurlijke maatregelen op te heffen.
Deze bevoegdheid doet geen afbreuk aan de in artikel 5bis gestelde bevoegdheid.
§ 4. In geval van veroordeling spreekt de rechtbank de verbeurdverklaring uit van de specimens die niet werden teruggezonden of vernietigd en doet zij de veroordeelde de onkosten betalen van de terugzendingen die zouden gemaakt zijn en die niet door de Staat van uitvoer werden betaald, evenals de kosten van expertises, van het vervoer naar bewaarcentra, van het slachten, van het vernietigen en van de bewaring tot aan de datum van het vonnis.]1
§ 2. De inbeslaggenomen specimens worden toevertrouwd aan het Beheersorgaan. Deze zendt ze, indien nodig, naar een bewaarcentrum of naar elke andere plaats die geschikt is en verenigbaar met de doelstellingen van de Overeenkomst en de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake.
§ 3. Het Beheersorgaan is bevoegd voor het nemen van bestuurlijke maatregelen omtrent de inbeslaggenomen specimens. Deze maatregelen kunnen zijn :
1° een bevel tot terugzenden naar de Staat van uitvoer op kosten van deze laatste;
2° het geven van het volle eigendom aan de geschikte natuurlijke of rechtspersoon, wanneer dit verenigbaar is met de doelstellingen van de Overeenkomst of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake;
3° het organiseren van een openbare verkoop;
4° een bevel tot slachten;
5° een bevel tot vernietigen;
6° een combinatie van de in 1°, 2°, 3° en 4° bedoelde maatregelen.
Deze bestuurlijke maatregelen worden schriftelijk opgelegd. De schriftelijke oplegging kan gebeuren door ofwel de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen ofwel de kennisgeving van het proces-verbaal. Het Beheersorgaan behoudt het recht om ten allen tijde de bestuurlijke maatregelen op te heffen.
Deze bevoegdheid doet geen afbreuk aan de in artikel 5bis gestelde bevoegdheid.
§ 4. In geval van veroordeling spreekt de rechtbank de verbeurdverklaring uit van de specimens die niet werden teruggezonden of vernietigd en doet zij de veroordeelde de onkosten betalen van de terugzendingen die zouden gemaakt zijn en die niet door de Staat van uitvoer werden betaald, evenals de kosten van expertises, van het vervoer naar bewaarcentra, van het slachten, van het vernietigen en van de bewaring tot aan de datum van het vonnis.]1
Art.6. [1 § 1er. En cas d'infraction prévue à l'article 5, les agents de l'autorité cités à l'article 7 sont compétents pour l'imposition d'une saisie administrative des spécimens qui font l'objet de l'infraction.
§ 2. Les spécimens saisis sont confiés à l'Organe de gestion. Celui-ci les envoie, si nécessaire, à un centre de sauvegarde ou à tout autre endroit approprié et compatible avec les objectifs de la Convention et des règlements et décisions européens en la matière.
§ 3. L'Organe de gestion est compétent pour prendre des mesures administratives au sujet des spécimens saisis. Ces mesures peuvent être :
1° un ordre de renvoi à l'Etat d'exportation aux frais ce celui-ci;
2° l'attribution de l'entière propriété à la personne physique ou morale appropriée, lorsque cette attribution est compatible avec les objectifs de la Convention ou avec les règlements et décisions européens en la matière;
3° l'organisation d'une vente publique;
4° un ordre d'abattage;
5° un ordre de destruction;
6° une combinaison des mesures, visées aux 1°, 2°, 3° et 4°.
Ces mesures administratives sont attestées par écrit. Cette attestation écrite peut consister en la notification de l'arrêté relatif aux mesures administratives ou la notification du procès-verbal. L'Organe de gestion conserve le droit à tout moment de lever les mesures administratives.
Cette compétence ne porte pas préjudice à la compétence fixée à l'article 5bis.
§ 4. En cas de condamnation, le tribunal prononce la confiscation des spécimens qui n'ont pas été renvoyés ou détruits et met à charge du condamné les frais des renvois qui auraient été effectués sans être supportés par l'Etat d'exportation, ainsi que les frais d'expertises, de transport aux centres de sauvegarde, d'abattage, de destruction et ceux de garde jusqu'A la date du jugement.]1
§ 2. Les spécimens saisis sont confiés à l'Organe de gestion. Celui-ci les envoie, si nécessaire, à un centre de sauvegarde ou à tout autre endroit approprié et compatible avec les objectifs de la Convention et des règlements et décisions européens en la matière.
§ 3. L'Organe de gestion est compétent pour prendre des mesures administratives au sujet des spécimens saisis. Ces mesures peuvent être :
1° un ordre de renvoi à l'Etat d'exportation aux frais ce celui-ci;
2° l'attribution de l'entière propriété à la personne physique ou morale appropriée, lorsque cette attribution est compatible avec les objectifs de la Convention ou avec les règlements et décisions européens en la matière;
3° l'organisation d'une vente publique;
4° un ordre d'abattage;
5° un ordre de destruction;
6° une combinaison des mesures, visées aux 1°, 2°, 3° et 4°.
Ces mesures administratives sont attestées par écrit. Cette attestation écrite peut consister en la notification de l'arrêté relatif aux mesures administratives ou la notification du procès-verbal. L'Organe de gestion conserve le droit à tout moment de lever les mesures administratives.
Cette compétence ne porte pas préjudice à la compétence fixée à l'article 5bis.
§ 4. En cas de condamnation, le tribunal prononce la confiscation des spécimens qui n'ont pas été renvoyés ou détruits et met à charge du condamné les frais des renvois qui auraient été effectués sans être supportés par l'Etat d'exportation, ainsi que les frais d'expertises, de transport aux centres de sauvegarde, d'abattage, de destruction et ceux de garde jusqu'A la date du jugement.]1
Änderungen
Art.7. [1 § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie worden de overtredingen op deze wet, op haar uitvoeringsbesluiten en op de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer en de door de Commissie aangenomen bepalingen ter uitvoering van deze verordening opgespoord en vastgesteld door :
1° de agenten van de douane;
2° de leden van de federale en lokale politie;
3° de statutaire en contractuele [2 controleurs en]2 inspecteurs CITES van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
4° andere door de Koning aangewezen personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
5° de statutaire en contractuele personeelsleden van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen die belast zijn met het uitvoeren van de controles voor zover deze controles worden uitgeoefend op de in artikel 4, § 3, 2°, van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen bedoelde plaatsen en de volksgezondheid, de dierengezondheid of de plantengezondheid tot doel hebben.
Diegene onder de voormelde personen die de door het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed niet hebben afgelegd, zullen hem afleggen in de handen van de Vrederechter.
§ 2. In de uitoefening van hun functies hebben de in paragraaf 1 vermelde personen vrije toegang tot de fabrieken, winkels, depots, kantoren, vervoermiddelen, ondernemings- en fokgebouwen, teelten, veilingen, markten, mijnen, koelinstallaties, opslagplaatsen, stations en bedrijven in de open lucht.
Lokalen die als woning dienen mogen te allen tijde, met voorafgaande schriftelijke toestemming van de bewoner, worden bezocht of tussen 5 uur `s morgens en 9 uur `s avonds, en met de toelating van de rechter bij de politierechtbank. Deze toelating is ook vereist om, buiten de genoemde uren, lokalen te bezoeken die niet toegankelijk zijn voor het publiek.
Alle personen, onder meer houders, kwekers, handelaars en organisatoren van evenementen, nemen maatregelen die het toezicht vergemakkelijken, onder meer het vangen van specimenen in de kooi of de volière.
De in paragraaf 1 vermelde personen kunnen zich alle inlichtingen en documenten laten bezorgen die nodig zijn voor het uitoefenen van hun functies en overgaan tot alle nuttige vaststellingen, onder andere door over te gaan tot het verhoor van de betrokkene en tot elk ander nuttig verhoor. Hierbij kunnen zij gebeurlijk de medewerking krijgen van deskundigen die gekozen worden op een door de Koning opgemaakte lijst.
De in paragraaf 1 vermelde personen zijn gemachtigd monsters te nemen en ze in een laboratorium te doen onderzoeken om :
1° de identiteit van het specimen te bepalen;
2° te bepalen of een gevangenschap gehouden specimen wel degelijk van kweek afkomstig is.
§ 3. Wanneer een overtreding van deze wet of van een van zijn uitvoeringsbesluiten of van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dieren plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer en de door de Commissie aangenomen bepalingen ter uitvoering van deze verordening is vastgesteld door de in paragraaf 1, 3°, 4° en 5°, beschreven personen kan er een proces verbaal van waarschuwing worden opgesteld. Deze worden gericht tot de overtreder, waarbij die tot stopzetting van de overtreding wordt aangemaand.
De waarschuwing wordt, onder de vorm van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld, binnen vijftien dagen na de vaststelling van de overtreding aan de overtreder toegezonden.
De waarschuwing vermeldt :
a) de ten laste gelegde feiten en de overtreden bepaling of -bepalingen;
b) de termijn waarin zij dienen te worden stopgezet;
c) dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, een proces-verbaal van vaststelling van inbreuk zal worden opgesteld.
§ 4. Wanneer een overtreding van deze wet of van een van zijn uitvoeringsbesluiten of van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dieren plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer en de door de Commissie aangenomen bepalingen ter uitvoering van deze verordening is vastgesteld door de in paragraaf 1, 3°, 4° en 5°, beschreven personen kan een proces-verbaal van vaststelling van inbreuk en/of beslag worden opgesteld. Deze hebben kracht van bewijs tot het tegenovergestelde bewezen is. Een afschrift van het proces-verbaal wordt, binnen vijftien dagen na de vaststelling, aan de overtreders gezonden.
Het proces-verbaal wordt binnen een maand overgemaakt aan de procureur des Konings, alsook een afschrift ervan aan de artikel 5bis aangewezen ambtenaar.
De procureur des Konings beslist of hij al dan niet strafrechtelijk vervolgt. De strafvervolging sluit bestuurlijk geldboete uit, ook wanneer de vervolging tot vrijspraak heeft geleid.
De procureur des Konings beschikt over een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal, om van zijn beslissing kennis te geven aan de met toepassing van artikel 5bis aangewezen ambtenaar.]1
1° de agenten van de douane;
2° de leden van de federale en lokale politie;
3° de statutaire en contractuele [2 controleurs en]2 inspecteurs CITES van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
4° andere door de Koning aangewezen personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
5° de statutaire en contractuele personeelsleden van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen die belast zijn met het uitvoeren van de controles voor zover deze controles worden uitgeoefend op de in artikel 4, § 3, 2°, van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen bedoelde plaatsen en de volksgezondheid, de dierengezondheid of de plantengezondheid tot doel hebben.
Diegene onder de voormelde personen die de door het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed niet hebben afgelegd, zullen hem afleggen in de handen van de Vrederechter.
§ 2. In de uitoefening van hun functies hebben de in paragraaf 1 vermelde personen vrije toegang tot de fabrieken, winkels, depots, kantoren, vervoermiddelen, ondernemings- en fokgebouwen, teelten, veilingen, markten, mijnen, koelinstallaties, opslagplaatsen, stations en bedrijven in de open lucht.
Lokalen die als woning dienen mogen te allen tijde, met voorafgaande schriftelijke toestemming van de bewoner, worden bezocht of tussen 5 uur `s morgens en 9 uur `s avonds, en met de toelating van de rechter bij de politierechtbank. Deze toelating is ook vereist om, buiten de genoemde uren, lokalen te bezoeken die niet toegankelijk zijn voor het publiek.
Alle personen, onder meer houders, kwekers, handelaars en organisatoren van evenementen, nemen maatregelen die het toezicht vergemakkelijken, onder meer het vangen van specimenen in de kooi of de volière.
De in paragraaf 1 vermelde personen kunnen zich alle inlichtingen en documenten laten bezorgen die nodig zijn voor het uitoefenen van hun functies en overgaan tot alle nuttige vaststellingen, onder andere door over te gaan tot het verhoor van de betrokkene en tot elk ander nuttig verhoor. Hierbij kunnen zij gebeurlijk de medewerking krijgen van deskundigen die gekozen worden op een door de Koning opgemaakte lijst.
De in paragraaf 1 vermelde personen zijn gemachtigd monsters te nemen en ze in een laboratorium te doen onderzoeken om :
1° de identiteit van het specimen te bepalen;
2° te bepalen of een gevangenschap gehouden specimen wel degelijk van kweek afkomstig is.
§ 3. Wanneer een overtreding van deze wet of van een van zijn uitvoeringsbesluiten of van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dieren plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer en de door de Commissie aangenomen bepalingen ter uitvoering van deze verordening is vastgesteld door de in paragraaf 1, 3°, 4° en 5°, beschreven personen kan er een proces verbaal van waarschuwing worden opgesteld. Deze worden gericht tot de overtreder, waarbij die tot stopzetting van de overtreding wordt aangemaand.
De waarschuwing wordt, onder de vorm van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld, binnen vijftien dagen na de vaststelling van de overtreding aan de overtreder toegezonden.
De waarschuwing vermeldt :
a) de ten laste gelegde feiten en de overtreden bepaling of -bepalingen;
b) de termijn waarin zij dienen te worden stopgezet;
c) dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, een proces-verbaal van vaststelling van inbreuk zal worden opgesteld.
§ 4. Wanneer een overtreding van deze wet of van een van zijn uitvoeringsbesluiten of van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dieren plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer en de door de Commissie aangenomen bepalingen ter uitvoering van deze verordening is vastgesteld door de in paragraaf 1, 3°, 4° en 5°, beschreven personen kan een proces-verbaal van vaststelling van inbreuk en/of beslag worden opgesteld. Deze hebben kracht van bewijs tot het tegenovergestelde bewezen is. Een afschrift van het proces-verbaal wordt, binnen vijftien dagen na de vaststelling, aan de overtreders gezonden.
Het proces-verbaal wordt binnen een maand overgemaakt aan de procureur des Konings, alsook een afschrift ervan aan de artikel 5bis aangewezen ambtenaar.
De procureur des Konings beslist of hij al dan niet strafrechtelijk vervolgt. De strafvervolging sluit bestuurlijk geldboete uit, ook wanneer de vervolging tot vrijspraak heeft geleid.
De procureur des Konings beschikt over een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal, om van zijn beslissing kennis te geven aan de met toepassing van artikel 5bis aangewezen ambtenaar.]1
Art.7. [1 § 1. Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les infractions à la présente loi, à ses arrêtés d'exécution et au Règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce et aux dispositions adoptées par la Commission pour la mise en oeuvre de ce règlement sont recherchées et constatées par :
1° les agents de la douane;
2° les membres de la police fédérale et locale;
3° les [2 contrôleurs et]2 inspecteurs CITES statutaires et contractuels du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement;
4° d'autres membres du personnel du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement désignés par le Roi;
5° les membres du personnel statutaire ou contractuel de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire chargés des contrôles pour autant que ces contrôles s'exercent sur les sites visés à l'article 4, § 3, 2°, de la loi du 4 février 2000 relative à la création de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et ont pour objectif la santé publique, la santé animale ou la santé des plantes.
Celles d'entre ces personnes qui n'auraient point prêté le serment prescrit par le décret du 20 juillet 1831, le prêteront devant le Juge de paix.
§ 2. Les personnes mentionnées au paragraphe 1er ont, dans l'exercice de leurs fonctions, libre accès aux usines, magasins, dépôts, bureaux, moyens de transport, bâtiments d'entreprise et d'élevage, cultures, criées, marchés, mines, installations frigorifiques, entrepôts, gares et aux exploitations situées en plein air.
La visite de locaux servant d'habitation est permise à tout moment, moyennant autorisation écrite et préalable de l'occupant, ou entre 5 heures du matin et 9 heures du soir, et seulement avec l'autorisation du juge du tribunal de police. Cette autorisation est aussi requise pour la visite des locaux qui ne sont pas accessibles au public en dehors desdites heures.
Toutes les personnes, entre autres les détenteurs, éleveurs, commerçants et organisateurs d'évènements, prennent toutes les mesures afin de faciliter le contrôle, notamment la capture des spécimens dans une cage ou volière.
Les personnes mentionnées au paragraphe 1er peuvent se faire communiquer tous renseignements et documents nécessaires à l'exercice de leurs fonctions et procéder à toutes constatations utiles, entre autres en procédant à l'audition de la personne concernée et à toute autre audition utile. Ceci peut être fait avec la collaboration éventuelle d'experts désignés sur une liste établie par le Roi.
Les personnes mentionnées au paragraphe 1er sont autorisées à prélever des échantillons et à les faire examiner dans un laboratoire aux fins de déterminer :
1° l'identité du spécimen;
2° si un spécimen détenu en captivité provient effectivement de l'élevage.
§ 3. Lorsqu'une infraction à la présente loi ou à un de ses arrêtés d'exécution ou au Règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce et aux dispositions adoptées par la Commission pour la mise en oeuvre de ce règlement est constatée par les personnes mentionnées au paragraphe 1, 3°, 4° et 5°, un procès-verbal d'avertissement peut être établi. Celui-ci est adressé au contrevenant le mettant en demeure de mettre fin à l'infraction.
L'avertissement est envoyé au contrevenant dans les quinze jours de la constatation de l'infraction, sous forme d'une copie du procès-verbal de constatation d'infraction.
L'avertissement mentionne :
a) les faits imputés et la ou les dispositions enfreintes;
b) le délai dans lequel il doit y être mis fin;
c) qu'au cas où il n'est pas donné suite à l'avertissement, un procès-verbal de constatation de l'infraction sera être établi.
§ 4. Lorsqu'une infraction à la présente loi ou à un de ses arrêtés d'exécution ou au Règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce et aux dispositions adoptées par la Commission pour la mise en oeuvre de ce règlement est constatée par les personnes mentionnées au paragraphe 1, 3°, 4° et 5°, un procès-verbal de constatation de l'infraction et/ou de saisie peut être établi. Ceux-ci font foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie du procès-verbal est envoyée aux contrevenants dans les quinze jours suivant la date de la constatation de l'infraction.
Le procès-verbal est transmis, dans le mois, au procureur du Roi, ainsi qu'une copie de celui-ci au fonctionnaire désigné en application de l'article 5bis.
Le procureur du Roi décide s'il procède ou non à des poursuites pénales. Les poursuites pénales excluent l'application d'une amende administrative, même si un acquittement les clôture.
Le procureur du Roi dispose d'un délai de trois mois à compter du jour de la réception du procès-verbal pour notifier sa décision au fonctionnaire désigné en application de l'article 5bis.]1
1° les agents de la douane;
2° les membres de la police fédérale et locale;
3° les [2 contrôleurs et]2 inspecteurs CITES statutaires et contractuels du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement;
4° d'autres membres du personnel du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement désignés par le Roi;
5° les membres du personnel statutaire ou contractuel de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire chargés des contrôles pour autant que ces contrôles s'exercent sur les sites visés à l'article 4, § 3, 2°, de la loi du 4 février 2000 relative à la création de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et ont pour objectif la santé publique, la santé animale ou la santé des plantes.
Celles d'entre ces personnes qui n'auraient point prêté le serment prescrit par le décret du 20 juillet 1831, le prêteront devant le Juge de paix.
§ 2. Les personnes mentionnées au paragraphe 1er ont, dans l'exercice de leurs fonctions, libre accès aux usines, magasins, dépôts, bureaux, moyens de transport, bâtiments d'entreprise et d'élevage, cultures, criées, marchés, mines, installations frigorifiques, entrepôts, gares et aux exploitations situées en plein air.
La visite de locaux servant d'habitation est permise à tout moment, moyennant autorisation écrite et préalable de l'occupant, ou entre 5 heures du matin et 9 heures du soir, et seulement avec l'autorisation du juge du tribunal de police. Cette autorisation est aussi requise pour la visite des locaux qui ne sont pas accessibles au public en dehors desdites heures.
Toutes les personnes, entre autres les détenteurs, éleveurs, commerçants et organisateurs d'évènements, prennent toutes les mesures afin de faciliter le contrôle, notamment la capture des spécimens dans une cage ou volière.
Les personnes mentionnées au paragraphe 1er peuvent se faire communiquer tous renseignements et documents nécessaires à l'exercice de leurs fonctions et procéder à toutes constatations utiles, entre autres en procédant à l'audition de la personne concernée et à toute autre audition utile. Ceci peut être fait avec la collaboration éventuelle d'experts désignés sur une liste établie par le Roi.
Les personnes mentionnées au paragraphe 1er sont autorisées à prélever des échantillons et à les faire examiner dans un laboratoire aux fins de déterminer :
1° l'identité du spécimen;
2° si un spécimen détenu en captivité provient effectivement de l'élevage.
§ 3. Lorsqu'une infraction à la présente loi ou à un de ses arrêtés d'exécution ou au Règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce et aux dispositions adoptées par la Commission pour la mise en oeuvre de ce règlement est constatée par les personnes mentionnées au paragraphe 1, 3°, 4° et 5°, un procès-verbal d'avertissement peut être établi. Celui-ci est adressé au contrevenant le mettant en demeure de mettre fin à l'infraction.
L'avertissement est envoyé au contrevenant dans les quinze jours de la constatation de l'infraction, sous forme d'une copie du procès-verbal de constatation d'infraction.
L'avertissement mentionne :
a) les faits imputés et la ou les dispositions enfreintes;
b) le délai dans lequel il doit y être mis fin;
c) qu'au cas où il n'est pas donné suite à l'avertissement, un procès-verbal de constatation de l'infraction sera être établi.
§ 4. Lorsqu'une infraction à la présente loi ou à un de ses arrêtés d'exécution ou au Règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce et aux dispositions adoptées par la Commission pour la mise en oeuvre de ce règlement est constatée par les personnes mentionnées au paragraphe 1, 3°, 4° et 5°, un procès-verbal de constatation de l'infraction et/ou de saisie peut être établi. Ceux-ci font foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie du procès-verbal est envoyée aux contrevenants dans les quinze jours suivant la date de la constatation de l'infraction.
Le procès-verbal est transmis, dans le mois, au procureur du Roi, ainsi qu'une copie de celui-ci au fonctionnaire désigné en application de l'article 5bis.
Le procureur du Roi décide s'il procède ou non à des poursuites pénales. Les poursuites pénales excluent l'application d'une amende administrative, même si un acquittement les clôture.
Le procureur du Roi dispose d'un délai de trois mois à compter du jour de la réception du procès-verbal pour notifier sa décision au fonctionnaire désigné en application de l'article 5bis.]1
Art. N. BIJLAGE. Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten.
Art. N. ANNEXE: Convention sur le commerce international des espèces de faune et de flore menacées d'extinction.