Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 SEPTEMBER 1983. - Koninklijk besluit nr. 213 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren. - (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-01-1985 en tekstbijwerking tot 10-01-2022)
Titre
26 SEPTEMBRE 1983. - Arrêté royal n° 213 relatif à la durée du travail dans les entreprises ressortissant à la commission paritaire de la construction. - (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 24-01-1985 et mise à jour au 10-01-2022)
Dokumentinformationen
Numac: 1983021152
Datum: 1983-09-26
Info du document
Numac: 1983021152
Date: 1983-09-26
Inhoud
Tekst (23)
Texte (23)
HOOFDSTUK 1. _ Toepassingsgebied.
CHAPITRE 1er. _ Champ d'application.
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de werkgevers die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren en op de werklieden door hen tewerkgesteld.
Article 1. Le présent arrêté s'applique aux employeurs ressortissant à la commission paritaire de la construction et aux ouvriers qu'ils occupent.
HOOFDSTUK 2. _ Vermindering van de arbeidsduur.
CHAPITRE 2. _ Réduction de la durée du travail.
Art.2. <L 1990-12-29/30, art. 166, 006; Inwerkingtreding : 1991-01-01> De in artikel 1 bedoelde werklieden hebben voor 1983 recht op vier rustdagen en voor de jaren 1984 tot 1992 op zes rustdagen.
De Koning bepaalt, na advies van het paritair comité, de data waarop deze rustdagen in 1987, 1988, 1989, 1990, 1991 en 1992 genomen moeten worden.
De Koning kan, na advies van het paritair comité, bij een in Ministerraad overlegd besluit en onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen die Hij bepaalt, het recht op een aantal rustdagen vaststellen voor ieder jaar na 1992 (tot 2000). <W 2000-08-12/62, art. 169, 1°, 008; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
Hij bepaalt in voorkomend geval, na advies van het paritair comité, de data waarop deze rustdagen genomen moeten worden in het betrokken jaar.
(Voor ieder jaar na 2000, hebben de in artikel 1 bedoelde werklieden recht op zes rustdagen.
De Koning bepaalt, na advies van het paritair comité, de data waarop deze rustdagen in ieder jaar na 2000 genomen moeten worden.) <W 2000-08-12/62, art. 169, 2°, 008; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
De in dit artikel bedoelde rustdagen zijn, wat de sociale zekerheid betreft, gelijkgesteld met arbeidsdagen.
De Koning bepaalt, na advies van het paritair comité, de data waarop deze rustdagen in 1987, 1988, 1989, 1990, 1991 en 1992 genomen moeten worden.
De Koning kan, na advies van het paritair comité, bij een in Ministerraad overlegd besluit en onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen die Hij bepaalt, het recht op een aantal rustdagen vaststellen voor ieder jaar na 1992 (tot 2000). <W 2000-08-12/62, art. 169, 1°, 008; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
Hij bepaalt in voorkomend geval, na advies van het paritair comité, de data waarop deze rustdagen genomen moeten worden in het betrokken jaar.
(Voor ieder jaar na 2000, hebben de in artikel 1 bedoelde werklieden recht op zes rustdagen.
De Koning bepaalt, na advies van het paritair comité, de data waarop deze rustdagen in ieder jaar na 2000 genomen moeten worden.) <W 2000-08-12/62, art. 169, 2°, 008; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
De in dit artikel bedoelde rustdagen zijn, wat de sociale zekerheid betreft, gelijkgesteld met arbeidsdagen.
Art.2. <L 1990-12-29/30, art. 166, 006; En vigueur : 1991-01-01> Les ouvriers visés à l'article 1er ont droit à quatre jours de repos en 1983 et à six jours de repos pour les années 1984 à 1992.
Le Roi fixe, sur avis de la commission paritaire, les dates de ces jours de repos pour les années 1987, 1988, 1989, 1990, 1991 et 1992.
Le Roi peut, sur avis de la commission paritaire, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, et dans les conditions et selon les modalités qu'Il détermine, fixer le droit à un nombre de jours de repos pour chaque année après 1992 (jusqu'à 2000). <L 2000-08-12/62, art. 169, 1°, 008; En vigueur : 10-09-2000>
Il détermine, le cas échéant, sur avis de la commission paritaire, les dates de ces jours de repos dans l'année concernée.
(Pour chaque année après 2000, les ouvriers visés à l'article 1er ont droit à six jours de repos.
Le Roi détermine, après avis de la commission paritaire, la date à laquelle ces jours de repos doivent être pris pour chaque année après 2000.) <L 2000-08-12/62, art. 169, 2°, 008; En vigueur : 10-09-2000>
Les jours de repos visés au présent article sont, pour la sécurité sociale, assimilés à des jours de travail.
Le Roi fixe, sur avis de la commission paritaire, les dates de ces jours de repos pour les années 1987, 1988, 1989, 1990, 1991 et 1992.
Le Roi peut, sur avis de la commission paritaire, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, et dans les conditions et selon les modalités qu'Il détermine, fixer le droit à un nombre de jours de repos pour chaque année après 1992 (jusqu'à 2000). <L 2000-08-12/62, art. 169, 1°, 008; En vigueur : 10-09-2000>
Il détermine, le cas échéant, sur avis de la commission paritaire, les dates de ces jours de repos dans l'année concernée.
(Pour chaque année après 2000, les ouvriers visés à l'article 1er ont droit à six jours de repos.
Le Roi détermine, après avis de la commission paritaire, la date à laquelle ces jours de repos doivent être pris pour chaque année après 2000.) <L 2000-08-12/62, art. 169, 2°, 008; En vigueur : 10-09-2000>
Les jours de repos visés au présent article sont, pour la sécurité sociale, assimilés à des jours de travail.
Art.3. Het is verboden de bij artikel 1 bedoelde werklieden gedurende de bij artikel 2, tweede lid, vastgestelde dagen tewerk te stellen.
In afwijking van het eerste lid mogen de werklieden gedurende deze rustdagen worden tewerkgesteld :
1° wanneer arbeid 's zondags toegestaan is bij artikel 12 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
2° wanneer zij belast zijn met de klantendienst bij handelaars in bouwmaterialen.
In afwijking van het eerste lid mogen de werklieden gedurende deze rustdagen worden tewerkgesteld :
1° wanneer arbeid 's zondags toegestaan is bij artikel 12 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
2° wanneer zij belast zijn met de klantendienst bij handelaars in bouwmaterialen.
Art.3. Il est interdit d'occuper les ouvriers visés à l'article 1er pendant les jours fixés à l'article 2, alinéa 2.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les ouvriers peuvent être occupés pendant ces jours de repos :
1° lorsque le travail est autorisé le dimanche en vertu de l'article 12 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
2° lorsqu'ils sont chargés du service à la clientèle des négociants en matériaux de construction.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les ouvriers peuvent être occupés pendant ces jours de repos :
1° lorsque le travail est autorisé le dimanche en vertu de l'article 12 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
2° lorsqu'ils sont chargés du service à la clientèle des négociants en matériaux de construction.
Art.4. De werklieden die in toepassing van artikel 3, tweede lid, gedurende de bij artikel 2, tweede lid, bedoelde rustdagen, worden tewerkgesteld, hebben recht op inhaalrust. Deze dagen inhaalrust moeten worden toegekend binnen zes weken die volgen op de dag waarop arbeid werd verricht.
Art.4. Les ouvriers occupés au travail pendant les jours de repos visés à l'article 2, alinéa 2, en application de l'article 3, alinéa 2, ont droit à des jours de repos compensatoire. Ces jours de repos compensatoire doivent être octroyés dans les six semaines qui suivent le jour au cours duquel il a été travaillé.
Art.5. De in artikel 2 bedoelde rustdagen schorsen de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en geven recht op een dagelijks forfaitair loon dat gelijk is aan de werkloosheidsuitkering, vermeerderd met de aanvullende werkloosheidsuitkering die door het Fonds voor bestaanszekerheid voor de arbeiders van de bouwnijverheid wordt toegekend.
Dit loon valt ten laste van het Fonds voor bestaanszekerheid voor de arbeiders van de bouwnijverheid en wordt betaald door de instellingen bedoeld in artikel 7 van de statuten van het genoemde Fonds volgens de nadere regels vastgesteld in gemeen overleg tussen deze instellingen en het Fonds.
(Lid 3 opgeheven) <KB 2001-06-10/58, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Dit loon valt ten laste van het Fonds voor bestaanszekerheid voor de arbeiders van de bouwnijverheid en wordt betaald door de instellingen bedoeld in artikel 7 van de statuten van het genoemde Fonds volgens de nadere regels vastgesteld in gemeen overleg tussen deze instellingen en het Fonds.
(Lid 3 opgeheven) <KB 2001-06-10/58, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.5. Les jours de repos visés à l'article 2 suspendent l'exécution du contrat de travail et donnent droit à une rémunération forfaitaire quotidienne égale à l'allocation de chômage, augmentée de l'allocation complémentaire de chômage octroyée par le Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction.
Cette rémunération est à charge du Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction et est payée par les organismes visés à l'article 7 des statuts de ce Fonds, suivant les modalités définies de commun accord entre ces organismes et le Fonds.
(Alinéa 3 abrogé) <AR 2001-06-10/58, art. 10, 009; En vigueur : 01-01-2003>
Cette rémunération est à charge du Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction et est payée par les organismes visés à l'article 7 des statuts de ce Fonds, suivant les modalités définies de commun accord entre ces organismes et le Fonds.
(Alinéa 3 abrogé) <AR 2001-06-10/58, art. 10, 009; En vigueur : 01-01-2003>
HOOFDSTUK 3. _ Financiering van de arbeidsduurvermindering.
CHAPITRE 3. _ Financement de la réduction de la durée du travail.
Art.6. Het loon van de inhaalverlofdagen wordt gefinancierd door een bijdrage aan het Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf, waarvan de inning en invordering geschieden door de Rijksdienst voor sociale zekerheid.
Voor het jaar 1983 is de bijdrage gelijk aan 2,5 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen over het jaar 1982, zoals dat bedrag blijkt uit de aangiften welke met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden aan de Rijksdienst zijn gedaan door de werkgevers die gedurende één van de eerste drie kwartalen van 1983 werklieden in dienst zullen hebben gehad.
Het bedrag van de bijdrage maakt het voorwerp uit van een debetbericht, verzonden aan de werkgevers door de Rijksdienst in de loop van de maand september 1983 en opgesteld door voornoemde Dienst op basis van de loongegevens in zijn bezit op dat ogenblik. De bijdrage is verschuldigd op 30 september 1983 en dient te worden betaald aan de Rijksdienst ten laatste op 31 oktober 1983.
Voor het jaar 1984 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebracht bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1983, het eerste, het tweede en het derde kwartaal van 1984. De bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale zekerheidsbijdragen geind.
(Voor het jaar 1985 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1984, en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1985. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale-zekerheidsbijdragen, geind.
Voor het jaar 1986 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden, en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1985, en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1986. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale-zekerheidsbijdragen, geind.
Deze bepalingen zullen niet van toepassing zijn indien het paritair comité voor het bouwbedrijf de overeenkomst sluit, bedoeld in artikel 23, § 3.) <W 1985-01-22/30, art. 40, 002>
(Voor het jaar 1987 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct, gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden, en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1987. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale-zekerheidsbijdragen, geïnd.
Voor het jaar 1988 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden, en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1987 en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1988. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale-zekerheidsbijdragen, geïnd.)
(Voor het jaar 1989 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1988 en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1989. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale zekerheidsbijdragen, geïnd.
Voor het jaar 1990 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden, en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1989, en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1990. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale zekerheidsbijdragen, geïnd.) <W 1988-12-30/31, art. 107, 004; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
(Voor het jaar 1991 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1990 en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1991. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale-zekerheidsbijdragen, geïnd.
Voor het jaar 1992 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1991 en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1992. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale-zekerheidsbijdragen, geïnd.) <W 1991-07-20/31, art. 97, 007; Inwerkingtreding : 1991-08-11>
(Wanneer de Koning, op grond van artikel 2, derde lid, het recht op een aantal rustdagen vaststelt voor de jaren na 1992, (tot 2000) bepaalt Hij eveneens, bij in een Ministerraad overlegd besluit, de bijdrage alsmede de berekeningsbasis ervan. De bijdrage wordt per kwartaal samen met de sociale-zekerheidsbijdragen geïnd.) <W 1990-12-29/30, art. 167, 006; Inwerkingtreding : 1991-01-01> <W 2000-08-12/62, art. 170, 1°, 008; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
(Voor de jaren na 2000 is de bijdrage gelijk aan 2,6 % van het op 108 % gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden en respectievelijk voor het vierde kwartaal van het voorafgaande jaar, en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van het betrokken jaar. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale zekerheidsbijdragen, geïnd.) <W 2000-08-12/62, art. 170, 2°, 008; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
De opbrengst van de bij dit besluit vastgestelde bijdrage, verminderd met de inningskosten, wordt door de Rijksdienst aan het Fonds voor bestaanszekerheid voor de arbeiders van de bouwnijverheid overgemaakt.
Het bedrag van de ingevolge artikel 5 uitgekeerde forfaitaire lonen moet aangegeven worden bij de Rijksdienst.
Alle wets- en verordeningsbepalingen met betrekking tot de inning, de navordering, de burgerlijke sancties, de verjaring en het voorrecht der sociale zekerheidsbijdragen zijn op bovengenoemde bijdragen toepasselijk.
Voor het jaar 1983 is de bijdrage gelijk aan 2,5 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen over het jaar 1982, zoals dat bedrag blijkt uit de aangiften welke met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden aan de Rijksdienst zijn gedaan door de werkgevers die gedurende één van de eerste drie kwartalen van 1983 werklieden in dienst zullen hebben gehad.
Het bedrag van de bijdrage maakt het voorwerp uit van een debetbericht, verzonden aan de werkgevers door de Rijksdienst in de loop van de maand september 1983 en opgesteld door voornoemde Dienst op basis van de loongegevens in zijn bezit op dat ogenblik. De bijdrage is verschuldigd op 30 september 1983 en dient te worden betaald aan de Rijksdienst ten laatste op 31 oktober 1983.
Voor het jaar 1984 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebracht bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1983, het eerste, het tweede en het derde kwartaal van 1984. De bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale zekerheidsbijdragen geind.
(Voor het jaar 1985 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1984, en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1985. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale-zekerheidsbijdragen, geind.
Voor het jaar 1986 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden, en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1985, en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1986. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale-zekerheidsbijdragen, geind.
Deze bepalingen zullen niet van toepassing zijn indien het paritair comité voor het bouwbedrijf de overeenkomst sluit, bedoeld in artikel 23, § 3.) <W 1985-01-22/30, art. 40, 002>
(Voor het jaar 1987 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct, gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden, en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1987. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale-zekerheidsbijdragen, geïnd.
Voor het jaar 1988 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden, en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1987 en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1988. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale-zekerheidsbijdragen, geïnd.)
(Voor het jaar 1989 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1988 en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1989. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale zekerheidsbijdragen, geïnd.
Voor het jaar 1990 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden, en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1989, en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1990. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale zekerheidsbijdragen, geïnd.) <W 1988-12-30/31, art. 107, 004; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
(Voor het jaar 1991 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1990 en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1991. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale-zekerheidsbijdragen, geïnd.
Voor het jaar 1992 is de bijdrage gelijk aan 2,6 pct. van het op 108 pct. gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden en dit respectievelijk voor het vierde kwartaal van 1991 en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 1992. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale-zekerheidsbijdragen, geïnd.) <W 1991-07-20/31, art. 97, 007; Inwerkingtreding : 1991-08-11>
(Wanneer de Koning, op grond van artikel 2, derde lid, het recht op een aantal rustdagen vaststelt voor de jaren na 1992, (tot 2000) bepaalt Hij eveneens, bij in een Ministerraad overlegd besluit, de bijdrage alsmede de berekeningsbasis ervan. De bijdrage wordt per kwartaal samen met de sociale-zekerheidsbijdragen geïnd.) <W 1990-12-29/30, art. 167, 006; Inwerkingtreding : 1991-01-01> <W 2000-08-12/62, art. 170, 1°, 008; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
(Voor de jaren na 2000 is de bijdrage gelijk aan 2,6 % van het op 108 % gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden en respectievelijk voor het vierde kwartaal van het voorafgaande jaar, en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van het betrokken jaar. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale zekerheidsbijdragen, geïnd.) <W 2000-08-12/62, art. 170, 2°, 008; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
De opbrengst van de bij dit besluit vastgestelde bijdrage, verminderd met de inningskosten, wordt door de Rijksdienst aan het Fonds voor bestaanszekerheid voor de arbeiders van de bouwnijverheid overgemaakt.
Het bedrag van de ingevolge artikel 5 uitgekeerde forfaitaire lonen moet aangegeven worden bij de Rijksdienst.
Alle wets- en verordeningsbepalingen met betrekking tot de inning, de navordering, de burgerlijke sancties, de verjaring en het voorrecht der sociale zekerheidsbijdragen zijn op bovengenoemde bijdragen toepasselijk.
Art.6. La rémunération des journées de repos compensatoire est financée par une cotisation au Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction, dont la perception et le recouvrement sont assurés par l'Office national de sécurité sociale.
Pour l'année 1983, la cotisation est égale à 2,5 pourcent du montant, porté à 108 pourcent de la totalité des rémunérations relatives à l'année 1982, tel que ce montant résulte des déclarations faites à l'Office, pour les ouvriers visés à l'article 1er, par les employeurs qui auront occupé des ouvriers au cours d'un des trois premiers trimestres de 1983.
Le montant de la cotisation fait l'objet d'un avis de débit, envoyé par l'Office aux employeurs dans le courant du mois de septembre 1983 et établi par ledit Office sur base des données salariales en sa possession à ce moment. La cotisation est due au 30 septembre 1983 et doit être payée à l'Office au plus tard le 31 octobre 1983.
Pour l'année 1984, la cotisation est égale à 2,6 pourcent du montant, porté à 108 pourcent de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestres de 1984, pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.
(Pour l'année 1985, la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant, porté à 108 p.c. de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1984, et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1985 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.
Pour l'année 1986, la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant, porté à 108 p.c. de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1985, et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1986 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.
Ces dispositions ne seront pas applicables si la commission paritaire de la construction conclut la convention visée à l'article 23, § 3.) <L 1985-01-22/30, art. 40, 002>
(Pour l'année 1987, la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant, porté à 108 p.c., de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1986 et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1987 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.
Pour l'année 1988, la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant, porté à 108 p.c., de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1987 et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1988 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.)
(Pour l'année 1989 la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant porté à 108 p.c., de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1988 et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1989 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.
Pour l'année 1990 la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant porté à 108 p.c., de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1989 et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1990 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.) <L 1988-12-30/31, art. 107, 004; En vigueur : 1989-01-01>
(Pour l'année 1991, la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant porté à 108 p.c. de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1990 et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1991 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.
Pour l'année 1992, la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant porté à 108 p.c. de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1991 et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1992 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.) <L 1991-07-20/31, art. 97, 007; En vigueur : 1991-08-11>
(Lorsque le Roi, sur base de l'article 2, alinéa 3, fixe le droit à un certain nombre de jours de repos, pour les années après 1992, (jusqu'à 2000) Il détermine également, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la cotisation ainsi que la base de calcul de celle-ci. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.) <L 1990-12-29/30, art. 167, 006; En vigueur : 1991-01-01> <L 2000-08-12/62, art. 170, 1°, 008; En vigueur : 10-09-2000>
(Pour les années après 2000, la cotisation est égale à 2,6 % du montant porté à 108 % de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de l'année précédente et pour le premier, deuxième et troisième trimestre de l'année concernée, pour les ouvriers visés à l'article 1. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.) <L 2000-08-12/62, art. 170, 2°, 008; En vigueur : 10-09-2000>
Le produit de la cotisation fixé par le présent arrêté, diminué des frais de perception, est transféré par l'Office au Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction.Le montant des rémunérations forfaitaires, octroyées conformément à l'article 5, doit être déclaré à l'Office.
Le montant des rémunérations forfaitaires, octroyées conformément à l'article 5, doit être déclaré à l'Office.
Toutes les dispositions légales et réglementaires concernant la perception, le recouvrement, les sanctions civiles, la prescription et de privilège des cotisations de sécurité sociale sont applicables aux cotisations susvisées.
Pour l'année 1983, la cotisation est égale à 2,5 pourcent du montant, porté à 108 pourcent de la totalité des rémunérations relatives à l'année 1982, tel que ce montant résulte des déclarations faites à l'Office, pour les ouvriers visés à l'article 1er, par les employeurs qui auront occupé des ouvriers au cours d'un des trois premiers trimestres de 1983.
Le montant de la cotisation fait l'objet d'un avis de débit, envoyé par l'Office aux employeurs dans le courant du mois de septembre 1983 et établi par ledit Office sur base des données salariales en sa possession à ce moment. La cotisation est due au 30 septembre 1983 et doit être payée à l'Office au plus tard le 31 octobre 1983.
Pour l'année 1984, la cotisation est égale à 2,6 pourcent du montant, porté à 108 pourcent de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestres de 1984, pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.
(Pour l'année 1985, la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant, porté à 108 p.c. de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1984, et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1985 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.
Pour l'année 1986, la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant, porté à 108 p.c. de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1985, et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1986 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.
Ces dispositions ne seront pas applicables si la commission paritaire de la construction conclut la convention visée à l'article 23, § 3.) <L 1985-01-22/30, art. 40, 002>
(Pour l'année 1987, la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant, porté à 108 p.c., de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1986 et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1987 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.
Pour l'année 1988, la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant, porté à 108 p.c., de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1987 et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1988 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.)
(Pour l'année 1989 la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant porté à 108 p.c., de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1988 et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1989 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.
Pour l'année 1990 la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant porté à 108 p.c., de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1989 et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1990 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.) <L 1988-12-30/31, art. 107, 004; En vigueur : 1989-01-01>
(Pour l'année 1991, la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant porté à 108 p.c. de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1990 et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1991 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.
Pour l'année 1992, la cotisation est égale à 2,6 p.c. du montant porté à 108 p.c. de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de 1991 et pour les premier, deuxième et troisième trimestres de 1992 pour les ouvriers visés à l'article 1er. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.) <L 1991-07-20/31, art. 97, 007; En vigueur : 1991-08-11>
(Lorsque le Roi, sur base de l'article 2, alinéa 3, fixe le droit à un certain nombre de jours de repos, pour les années après 1992, (jusqu'à 2000) Il détermine également, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la cotisation ainsi que la base de calcul de celle-ci. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.) <L 1990-12-29/30, art. 167, 006; En vigueur : 1991-01-01> <L 2000-08-12/62, art. 170, 1°, 008; En vigueur : 10-09-2000>
(Pour les années après 2000, la cotisation est égale à 2,6 % du montant porté à 108 % de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de l'année précédente et pour le premier, deuxième et troisième trimestre de l'année concernée, pour les ouvriers visés à l'article 1. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale.) <L 2000-08-12/62, art. 170, 2°, 008; En vigueur : 10-09-2000>
Le produit de la cotisation fixé par le présent arrêté, diminué des frais de perception, est transféré par l'Office au Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction.Le montant des rémunérations forfaitaires, octroyées conformément à l'article 5, doit être déclaré à l'Office.
Le montant des rémunérations forfaitaires, octroyées conformément à l'article 5, doit être déclaré à l'Office.
Toutes les dispositions légales et réglementaires concernant la perception, le recouvrement, les sanctions civiles, la prescription et de privilège des cotisations de sécurité sociale sont applicables aux cotisations susvisées.
HOOFDSTUK 4. _ Maatregelen tot vermindering van de gedeeltelijke werkloosheid.
CHAPITRE 4. _ Mesures tendant à la diminution du chômage partiel.
Art.7. <W 2008-06-08/31, art. 63, 011; Inwerkingtreding : 26-06-2008> § 1. In de ondernemingen bedoeld in artikel 1, kunnen de grenzen van de arbeidsduur, vastgesteld bij artikel 19 van de arbeidswet van 16 maart 1971, overschreden worden [1 met 180 uren]1 per kalenderjaar gedurende de zomerperiode of een periode van intense activiteit, [3 naar rato van maximum één uur en dertig minuten per dag]3, bezoldigd tegen het normale loon.
Naar keuze van de arbeider voor het einde van de betaalperiode waarin deze uren worden gepresteerd, kunnen inhaalrustdagen toegekend worden of kan een loontoeslag van 20 % per bijkomend uur toegekend worden.
Bij ontstentenis van de in het vorige lid bedoelde keuze vóór het einde van de betaalperiode, worden inhaalrustdagen toegekend.
De toekenning van inhaalrustdagen gebeurt in onderling overleg [3 binnen de twaalf maanden]3 volgend op de periode waarin deze grenzen werden overschreden, naar rato van één rustdag per acht bijkomend gepresteerde uren. In geval er inhaalrustdagen worden toegekend, worden de bijkomend gepresteerde uren, in afwijking van de bepalingen van artikel 9 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, betaald op het ogenblik dat de inhaalrust wordt toegekend.
[1 Voor de eerste 130 uren van de in het eerste lid bedoelde overschrijding van de grenzen van de arbeidsduur dient de werkgever vooraf het akkoord van de meerderheid van de vakbondsafvaardiging te verkrijgen. Bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging wordt de voorzitter van het paritair comité geïnformeerd.]1
[1 Voor de 50 uren die bovenop de eerste 130 uren bedoeld in het vorig lid gepresteerd worden, dienen de bepalingen van paragraaf 2, vierde tot zesde lid, te worden nageleefd.]1
§ 2. In afwijking van het verbod op zaterdagwerk bedoeld in artikel 4, 2°, van de wet van 6 april 1960 betreffende de uitvoering van bouwwerken en onverminderd andere bepalingen genomen krachtens een wet, die zaterdagwerk mogelijk maken, kan er in de ondernemingen bedoeld in artikel 1, op zaterdag gewerkt worden [2 gedurende 96 uren]2 per kalenderjaar per arbeider.
Naar keuze van de arbeider voor het einde van de betaalperiode waarin deze uren op zaterdag werden gepresteerd, kunnen inhaalrustdagen toegekend worden. Er wordt een loontoeslag van 50 % toegekend per uur gepresteerd op zaterdag, ongeacht of er gekozen wordt voor de toekenning van inhaalrustdagen of niet. Indien de arbeider voor de toekenning van inhaalrustdagen kiest wordt deze loontoeslag betaald op het ogenblik van het verrichten der prestaties en het normale loon, in afwijking van de bepalingen van artikel 9 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, op het ogenblik van het nemen van de inhaalrust. Het aantal uren gepresteerd op zaterdag komt in mindering van het aantal uren bepaald in § 1, eerste lid.
De gevallen waarin op zaterdag kan gewerkt worden, zijn :
1° de werken die op geen enkel ander ogenblik kunnen uitgevoerd worden;
2° de werken waarbij de gelijktijdige uitvoering van bouwactiviteiten en andere activiteiten op dezelfde plaats risico's inhoudt voor de veiligheid en/of gezondheid van de werknemers of derden;
3° de werken die om technische redenen niet combineerbaar zijn met andere activiteiten.
Voor het werken op zaterdag is het akkoord vereist van de meerderheid van de vakbondsafvaardiging. Bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, kan er op zaterdag gewerkt worden mits de werkgever een protocol van toetreding tot de regeling ondertekent samen met minstens één arbeider. Dit protocol moet medeondertekend worden door de gewestelijke vakbondssecretarissen indien aanwezig in het gewest, van wie de handtekening rechtstreeks of na tussenkomst van de lokale beroepsorganisatie wordt bekomen. De gewestelijke vakbondssecretarissen beschikken over een termijn van veertien dagen om het protocol te ondertekenen dan wel hun weigering kenbaar te maken.
In geval van weigering wordt via plaatselijk overleg getracht een verzoening te bereiken. Bij het uitblijven van een oplossing na uitputting van het plaatselijk overleg, maakt de meest gerede partij het geschil aanhangig bij het verzoeningsbureau van het paritair comité.
Het protocol van toetreding tot de regeling is geldig voor de duur van één jaar en wordt behoudens protest stilzwijgend hernieuwd.
Het werken op zaterdag gebeurt steeds op vrijwillige basis. De vrijwilligheid van de arbeider moet vastgesteld worden in een schriftelijk akkoord uiterlijk op het tijdstip van de aanvang der werkzaamheden, ondertekend door de arbeider en de werkgever. Dit schriftelijk akkoord wordt bewaard op de bouwplaats.
Naar keuze van de arbeider voor het einde van de betaalperiode waarin deze uren worden gepresteerd, kunnen inhaalrustdagen toegekend worden of kan een loontoeslag van 20 % per bijkomend uur toegekend worden.
Bij ontstentenis van de in het vorige lid bedoelde keuze vóór het einde van de betaalperiode, worden inhaalrustdagen toegekend.
De toekenning van inhaalrustdagen gebeurt in onderling overleg [3 binnen de twaalf maanden]3 volgend op de periode waarin deze grenzen werden overschreden, naar rato van één rustdag per acht bijkomend gepresteerde uren. In geval er inhaalrustdagen worden toegekend, worden de bijkomend gepresteerde uren, in afwijking van de bepalingen van artikel 9 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, betaald op het ogenblik dat de inhaalrust wordt toegekend.
[1 Voor de eerste 130 uren van de in het eerste lid bedoelde overschrijding van de grenzen van de arbeidsduur dient de werkgever vooraf het akkoord van de meerderheid van de vakbondsafvaardiging te verkrijgen. Bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging wordt de voorzitter van het paritair comité geïnformeerd.]1
[1 Voor de 50 uren die bovenop de eerste 130 uren bedoeld in het vorig lid gepresteerd worden, dienen de bepalingen van paragraaf 2, vierde tot zesde lid, te worden nageleefd.]1
§ 2. In afwijking van het verbod op zaterdagwerk bedoeld in artikel 4, 2°, van de wet van 6 april 1960 betreffende de uitvoering van bouwwerken en onverminderd andere bepalingen genomen krachtens een wet, die zaterdagwerk mogelijk maken, kan er in de ondernemingen bedoeld in artikel 1, op zaterdag gewerkt worden [2 gedurende 96 uren]2 per kalenderjaar per arbeider.
Naar keuze van de arbeider voor het einde van de betaalperiode waarin deze uren op zaterdag werden gepresteerd, kunnen inhaalrustdagen toegekend worden. Er wordt een loontoeslag van 50 % toegekend per uur gepresteerd op zaterdag, ongeacht of er gekozen wordt voor de toekenning van inhaalrustdagen of niet. Indien de arbeider voor de toekenning van inhaalrustdagen kiest wordt deze loontoeslag betaald op het ogenblik van het verrichten der prestaties en het normale loon, in afwijking van de bepalingen van artikel 9 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, op het ogenblik van het nemen van de inhaalrust. Het aantal uren gepresteerd op zaterdag komt in mindering van het aantal uren bepaald in § 1, eerste lid.
De gevallen waarin op zaterdag kan gewerkt worden, zijn :
1° de werken die op geen enkel ander ogenblik kunnen uitgevoerd worden;
2° de werken waarbij de gelijktijdige uitvoering van bouwactiviteiten en andere activiteiten op dezelfde plaats risico's inhoudt voor de veiligheid en/of gezondheid van de werknemers of derden;
3° de werken die om technische redenen niet combineerbaar zijn met andere activiteiten.
Voor het werken op zaterdag is het akkoord vereist van de meerderheid van de vakbondsafvaardiging. Bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, kan er op zaterdag gewerkt worden mits de werkgever een protocol van toetreding tot de regeling ondertekent samen met minstens één arbeider. Dit protocol moet medeondertekend worden door de gewestelijke vakbondssecretarissen indien aanwezig in het gewest, van wie de handtekening rechtstreeks of na tussenkomst van de lokale beroepsorganisatie wordt bekomen. De gewestelijke vakbondssecretarissen beschikken over een termijn van veertien dagen om het protocol te ondertekenen dan wel hun weigering kenbaar te maken.
In geval van weigering wordt via plaatselijk overleg getracht een verzoening te bereiken. Bij het uitblijven van een oplossing na uitputting van het plaatselijk overleg, maakt de meest gerede partij het geschil aanhangig bij het verzoeningsbureau van het paritair comité.
Het protocol van toetreding tot de regeling is geldig voor de duur van één jaar en wordt behoudens protest stilzwijgend hernieuwd.
Het werken op zaterdag gebeurt steeds op vrijwillige basis. De vrijwilligheid van de arbeider moet vastgesteld worden in een schriftelijk akkoord uiterlijk op het tijdstip van de aanvang der werkzaamheden, ondertekend door de arbeider en de werkgever. Dit schriftelijk akkoord wordt bewaard op de bouwplaats.
Art.7. <L 2008-06-08/31, art. 63, 011; En vigueur : 26-06-2008> § 1er. Dans les entreprises visées à l'article 1er les limites à la durée du temps de travail fixée par l'article 19 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail peuvent être dépassées [1 à concurrence de 180 heures]1 par année civile pendant la période d'été ou pendant une période d'intense activité [3 à raison de maximum une heure trente minutes par jour]3, rémunérée au salaire normal.
Au choix du travailleur avant la fin de la période de paie dans laquelle ces heures sont prestées, des jours de repos compensatoires peuvent être accordés ou un complément de salaire de 20 % par heure complémentaire peut être accordé.
A défaut du choix visé dans l'alinéa précédent avant la fin de la période de paie, des jours de repos compensatoires sont octroyés.
L'octroi des jours de repos compensatoires se fait en concertation [3 dans les douze mois]3 qui suivent la période pendant laquelle les limites ont été dépassées, à raison d'un jour de repos par huit heures de prestation complémentaire. Au cas où des jours de repos compensatoires sont accordés, les heures prestées en complément, sont payées au moment ou le repos compensatoire est accordé, par dérogation aux dispositions de l'article 9 de la loi du 12 avril 1965 relative à la protection de la rémunération des travailleurs.
[1 Pour les 130 premières heures de dépassement de la limite de la durée du travail mentionnées à l'alinéa 1er, l'employeur doit préalablement obtenir l'accord de la majorité de la délégation syndicale. A défaut de délégation syndicale, le président de la commission paritaire est informé.]1
[1 Pour les 50 heures prestées au-delà des 130 premières heures mentionnées à l'alinéa précédent, les dispositions du paragraphe 2, alinéas 4 à 6, doivent être respectées.]1
§ 2. Par dérogation à l'interdiction de travailler le samedi visée à l'article 4, 2°, de la loi du 6 avril 1960 concernant l'exécution de travaux de construction et sans préjudice des autres dispositions prises en vertu d'une loi qui permettent de travailler le samedi, dans les entreprises visées à l'article 1er, il est permis au travailleur de travailler le samedi [2 à concurrence de 96 heures]2 par année civile.
Au choix du travailleur, avant la fin de la période de paie pendant laquelle ces heures ont été prestées le samedi, les jours de repos compensatoires peuvent être accordés. Un sursalaire de 50 % est accordé par heure prestée le samedi, qu'il ait opté pour des jours de repos compensatoires ou non. Si le travailleur opte pour l'octroi de jours de repos compensatoires, ce sursalaire est payé au moment où les prestations sont effectuées et le salaire normal, en dérogation aux dispositions de l'article 9 de la loi du 12 avril 1965 relative à la protection de la rémunération des travailleurs, au moment de prendre le repos compensatoire. Le nombre d'heures prestées le samedi vient en déduction du nombre d'heures mentionnées au § 1er, alinéa 1er.
Les situations qui permettent de travailler le samedi sont :
1° les travaux qui ne peuvent être exécutés à aucun autre moment;
2° les travaux pour lesquels l'exécution simultanée d'activités de construction et d'autres activités au même endroit comporte un risque important pour la sécurité et/ou la santé des travailleurs ou des tiers;
3° les travaux qui ne sont pas compatibles avec d'autres activités pour des raisons techniques.
Pour pouvoir travailler le samedi, l'accord de la majorité de la délégation syndicale est requis. A défaut de délégation syndicale, il est possible de travailler le samedi si l'employeur signe un protocole d'adhésion au régime avec au moins un ouvrier. Ce protocole doit être cosigné par les secrétaires syndicaux régionaux, s'ils sont présents dans la région, dont la signature est obtenue directement ou par le biais de l'organisation professionnelle locale. Les secrétaires syndicaux régionaux disposent d'un délai de quatorze jours pour signer le protocole ou pour faire connaître leur refus.
En cas de refus, une concertation au niveau local tente de parvenir à une conciliation. Après épuisement du recours à la concertation locale, la partie la plus diligente peut soumettre le différend au bureau de conciliation de la commission paritaire.
Le protocole d'adhésion à ce régime a une durée de validité d'un an et est renouvelé de manière tacite sauf dénonciation.
Le travail du samedi se fait toujours sur base volontaire. La volonté du travailleur doit être établie dans un accord écrit au plus tard au moment du début des travaux, signé par le travailleur et l'employeur. Cet accord écrit est conservé sur le chantier
Au choix du travailleur avant la fin de la période de paie dans laquelle ces heures sont prestées, des jours de repos compensatoires peuvent être accordés ou un complément de salaire de 20 % par heure complémentaire peut être accordé.
A défaut du choix visé dans l'alinéa précédent avant la fin de la période de paie, des jours de repos compensatoires sont octroyés.
L'octroi des jours de repos compensatoires se fait en concertation [3 dans les douze mois]3 qui suivent la période pendant laquelle les limites ont été dépassées, à raison d'un jour de repos par huit heures de prestation complémentaire. Au cas où des jours de repos compensatoires sont accordés, les heures prestées en complément, sont payées au moment ou le repos compensatoire est accordé, par dérogation aux dispositions de l'article 9 de la loi du 12 avril 1965 relative à la protection de la rémunération des travailleurs.
[1 Pour les 130 premières heures de dépassement de la limite de la durée du travail mentionnées à l'alinéa 1er, l'employeur doit préalablement obtenir l'accord de la majorité de la délégation syndicale. A défaut de délégation syndicale, le président de la commission paritaire est informé.]1
[1 Pour les 50 heures prestées au-delà des 130 premières heures mentionnées à l'alinéa précédent, les dispositions du paragraphe 2, alinéas 4 à 6, doivent être respectées.]1
§ 2. Par dérogation à l'interdiction de travailler le samedi visée à l'article 4, 2°, de la loi du 6 avril 1960 concernant l'exécution de travaux de construction et sans préjudice des autres dispositions prises en vertu d'une loi qui permettent de travailler le samedi, dans les entreprises visées à l'article 1er, il est permis au travailleur de travailler le samedi [2 à concurrence de 96 heures]2 par année civile.
Au choix du travailleur, avant la fin de la période de paie pendant laquelle ces heures ont été prestées le samedi, les jours de repos compensatoires peuvent être accordés. Un sursalaire de 50 % est accordé par heure prestée le samedi, qu'il ait opté pour des jours de repos compensatoires ou non. Si le travailleur opte pour l'octroi de jours de repos compensatoires, ce sursalaire est payé au moment où les prestations sont effectuées et le salaire normal, en dérogation aux dispositions de l'article 9 de la loi du 12 avril 1965 relative à la protection de la rémunération des travailleurs, au moment de prendre le repos compensatoire. Le nombre d'heures prestées le samedi vient en déduction du nombre d'heures mentionnées au § 1er, alinéa 1er.
Les situations qui permettent de travailler le samedi sont :
1° les travaux qui ne peuvent être exécutés à aucun autre moment;
2° les travaux pour lesquels l'exécution simultanée d'activités de construction et d'autres activités au même endroit comporte un risque important pour la sécurité et/ou la santé des travailleurs ou des tiers;
3° les travaux qui ne sont pas compatibles avec d'autres activités pour des raisons techniques.
Pour pouvoir travailler le samedi, l'accord de la majorité de la délégation syndicale est requis. A défaut de délégation syndicale, il est possible de travailler le samedi si l'employeur signe un protocole d'adhésion au régime avec au moins un ouvrier. Ce protocole doit être cosigné par les secrétaires syndicaux régionaux, s'ils sont présents dans la région, dont la signature est obtenue directement ou par le biais de l'organisation professionnelle locale. Les secrétaires syndicaux régionaux disposent d'un délai de quatorze jours pour signer le protocole ou pour faire connaître leur refus.
En cas de refus, une concertation au niveau local tente de parvenir à une conciliation. Après épuisement du recours à la concertation locale, la partie la plus diligente peut soumettre le différend au bureau de conciliation de la commission paritaire.
Le protocole d'adhésion à ce régime a une durée de validité d'un an et est renouvelé de manière tacite sauf dénonciation.
Le travail du samedi se fait toujours sur base volontaire. La volonté du travailleur doit être établie dans un accord écrit au plus tard au moment du début des travaux, signé par le travailleur et l'employeur. Cet accord écrit est conservé sur le chantier
HOOFDSTUK 5. _ Bijzondere bepalingen.
CHAPITRE 5. _ Dispositions particulières.
Art.9. De ondernemingen bedoeld bij artikel 1 worden verondersteld de voorwaarden te vervullen bepaald bij artikel 35, § 1, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, om te kunnen genieten (gedurende de jaren 1983 tot en 1992 en, na 1992, gedurende ieder jaar waarvoor de Koning, met toepassing van artikel 2, derde lid, het recht op een aantal rustdagen heeft vastgesteld) van de vermindering met 4 250 frank per kwartaal en per arbeider van de bijdragen met betrekking tot het geheel van de regimes, bedoeld in het genoemde artikel 35. <W 1990-12-29/30, art. 168, 006; Inwerkingtreding : 1991-01-01>
Art.9. Les entreprises visées à l'article 1er sont censées remplir les conditions fixées à l'article 35, § 1er, alinéa 2, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, pour pouvoir bénéficier, (pendant les années 1983 à 1992 et, après 1992, pendant chaque année pour laquelle le Roi, en application de l'article 2, alinéa 3, a fixé le droit à un nombre de jours de repos,) de la réduction de 4 250 francs par trimestre et par ouvrier des cotisations se rapportant à la totalité des régimes visés à l'article 35 susmentionné. <L 1990-12-29/30, art. 168, 006; En vigueur : 1991-01-01>
Art.10. De ondernemingen, bedoeld bij artikel 1, zijn vrijgesteld van de storting aan het Fonds bedoeld bij artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling (alsook van de stortingen bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 492 van 31 december 1986 houdende bepalingen ter bevordering van de tewerkstelling.)
Art.10. Les entreprises visées à l'article 1er sont dispensées du versement au Fonds visé à l'article 4 de l'arrêté royal n° 181, du 30 décembre 1982, créant un Fonds en vue de l'utilisation de la modération salariale complémentaire pour l'emploi (ainsi que des versements visés à l'article 8 de l'arrêté royal n° 492 du 31 décembre 1983 contenant des dispositions en faveur de l'emploi.)
Art.11. [1 De inbreuken op de bepalingen van dit koninklijk besluit en van de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van dit koninklijk besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van dit koninklijk besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
Art.11. [1 Les infractions aux dispositions du présent arrêté royal et de ses arrêtés d'exécution sont recherchées, constatées et sanctionnées conformément au Code pénal social.
Les inspecteurs sociaux disposent des pouvoirs visés aux articles 23 à 39 du Code pénal social lorsqu'ils agissent d'initiative ou sur demande dans le cadre de leur mission d'information, de conseil et de surveillance relative au respect des dispositions du présent arrêté royal et de ses arrêtés d'exécution.]1
Les inspecteurs sociaux disposent des pouvoirs visés aux articles 23 à 39 du Code pénal social lorsqu'ils agissent d'initiative ou sur demande dans le cadre de leur mission d'information, de conseil et de surveillance relative au respect des dispositions du présent arrêté royal et de ses arrêtés d'exécution.]1
Art.12. [1 opgeheven]1
Art.12. [1 abrogé]1
Art.13. [1 opgeheven]1
Art.13. [1 abrogé]1
Art. 13bis. [1 opgeheven]1
Art. 13bis. [1 abrogé]1
Art.14. [1 opgeheven]1
Art.14. [1 abrogé]1
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen.
CHAPITRE 6. _ Dispositions finales.
Art.15. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1983.
Art.15. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 1983.
Art. 16. Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en Onze Minister van Sociale Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 16. Notre Ministre de l'Emploi et du Travail et Notre Ministre des Affaires sociales sont, chacun en ce qui le concerne, chargés de l'exécution du présent arrêté.