Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 JULI 1991. - Wet houdende sociale en diverse bepalingen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-06-1992 en tekstbijwerking tot 22-09-2022)
Titre
20 JUILLET 1991. - Loi portant des dispositions sociales et diverses. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-06-1992 et mise à jour au 22-09-2022)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
TITEL I. - Openbaar Ambt. HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 19 dece... HOOFDSTUK II. - Toepassing van de verzekering t... TITEL II. - Sociale Zaken. HOOFDSTUK I. - Rijksdienst voor sociale zekerheid. HOOFDSTUK II. - Wijzigingen aan de wet van 29 j... HOOFDSTUK III. - Sociale zekerheid - Rijksdiens... HOOFDSTUK IV. - Maatregelen tegen de activiteit... HOOFDSTUK V. - Sociale zekerheid van de zeelied... HOOFDSTUK VI. - Ziekte- en invaliditeitsverzeke... AFDELING 1. - Plichten van de zorgverstrekkers. AFDELING 2. - Bepalingen betreffende de commiss... AFDELING 3. - Bijzonder solidariteitsfonds. AFDELING 4. - Wijzigingen aan de wet van 4 apri... HOOFDSTUK VII. - Beroepsziekten. HOOFDSTUK VIII. - Bepalingen betreffende het ge... AFDELING 1. - Wijzigingen aan de wet van 1 apri... AFDELING 2. - Wijzigingen van de wet van 27 feb... AFDELING 3. - Wijziging van de wet van 7 august... AFDELING 4. - Wijzigingen van de wet van 20 jul... HOOFDSTUK IX. - Beheer van de instellingen van ... HOOFDSTUK X. - Bepaling inzake de financiering ... HOOFDSTUK XI. - Wijzigingen van de wet van 6 au... HOOFDSTUK XII. - Wijziging van de wet van 27 fe... HOOFDSTUK XIII. - Wijziging van de wet van 15 j... HOOFDSTUK XIV. - Bepalingen inzake de toekennin... HOOFDSTUK XV. - Bepalingen met betrekking tot h... TITEL III. - Pensioenen. HOOFDSTUK I. - Gewaarborgd inkomen voor bejaarden. HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de programmawet... HOOFDSTUK III. - Aanpassing van artikel 6 van d... HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende het stel... AFDELING 1. - Algemene bepalingen. AFDELING 2. - Andere bepalingen. AFDELING 3. - Inwerkingtreding. HOOFDSTUK V. - Versoepeling van de regeling inz... TITEL IV. - Tewerkstelling en Arbeid. HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk bes... HOOFDSTUK II. - Aanpassing van de arbeidsreglem... HOOFDSTUK III. - Wijziging van de herstelwet va... HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 5 dece... HOOFDSTUK V. - Wijziging van de wet van 29 dece... HOOFDSTUK VI. - Wijziging van het koninklijk be... HOOFDSTUK VII. - Wijziging van de programmawet ... HOOFDSTUK VIII. - Afwijking van artikel 1410 va... HOOFDSTUK IX. - Wijziging van artikel 11ter van... HOOFDSTUK X. - Wijziging van de modaliteiten va... HOOFDSTUK XI. - Nationaal onderzoeksinstituut v... HOOFDSTUK XII. - Wijziging van de wet van 19 ma... TITEL V. - Volksgezondheid. HOOFDSTUK I. - Instituut voor hygiëne en epidem... HOOFDSTUK II. - Bepalingen betreffende de bewus... HOOFDSTUK III. - Instituut voor veterinaire keu... AFDELING 1. - Wijzigingen van de wet van 5 sept... AFDELING 2. - Wijziging van de wet van 15 april... TITEL VI. - Diverse bepalingen. HOOFDSTUK I. - Justitie. AFDELING 1. - Gerechtelijk Wetboek. AFDELING 2. - Nationaal Instituut voor criminal... AFDELING 3. - Vergunningen tot aankoop en immat... HOOFDSTUK II. - Binnenlandse Zaken. - Wijziging... HOOFDSTUK III. - Openbaar Ambt. AFDELING 1. - Tijdelijke personeelsleden en tew... AFDELING 2. - Aanwervingen van ambtenaren door ... AFDELING 3. - Gesubsidieerde contractuelen. HOOFDSTUK IV. - Economische Zaken. AFDELING 1. - Inleiding van het personeel van d... AFDELING 2. - Bevestiging van het statuut van h... HOOFDSTUK V. - Middenstand. HOOFDSTUK VI. - Vast Wervingssecretariaat. TITEL VII. - Justitie. - Coöperatieve vennootsc... HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen. HOOFDSTUK II. - Overgangsbepalingen. TITEL VIII. - Wijzigingsbepalingen betreffende ...
Inhoud
TITRE I. - Fonction publique. CHAPITRE I. - Modification de la loi du 19 déce... CHAPITRE II. - Assujettissement de certains age... TITRE II. - Affaires sociales. CHAPITRE I. - Office national de sécurité sociale. CHAPITRE II. - Modifications à la loi du 29 jui... CHAPITRE III. - Sécurité sociale - Office natio... CHAPITRE IV. - Mesures contre les activités des... CHAPITRE V. - Sécurité sociale de la marine mar... CHAPITRE VI. - De l'assurance maladie-invalidité. SECTION 1. - Des devoirs des prestataires. SECTION 2. - Dispositions relatives aux commiss... SECTION 3. - Du fonds spécial de solidarité. SECTION 4. - Modifications à la loi du 4 avril ... CHAPITRE VII. - Maladies professionnelles. CHAPITRE VIII. - Dispositions relatives au reve... SECTION 1. - Modifications à la loi du 1er avri... SECTION 2. - Modifications à la loi du 27 févri... SECTION 3. - Modification à la loi du 7 août 19... SECTION 4. - Modification de la loi du 20 juill... CHAPITRE IX. - Gestion des organismes d'intérêt... CHAPITRE X. - Disposition relative au financeme... CHAPITRE XI. - Modifications de la loi du 6 aoû... CHAPITRE XII. - Modification de la loi du 27 fé... CHAPITRE XIII. - Modification de la loi du 15 j... CHAPITRE XIV. - Dispositions relatives aux cond... CHAPITRE XV. - Dispositions relatives au statut... TITRE III. - Pensions. CHAPITRE I. - Revenu garanti aux personnes âgées. CHAPITRE II. - Modifications de la loi-programm... CHAPITRE III. - Adaptation de l'article 6 de la... CHAPITRE IV. - Dispositions concernant le régim... SECTION 1. - Dispositions générales. SECTION 2. - Autres dispositions. SECTION 3. - Entrée en vigueur. CHAPITRE V. - Assouplissement des règles de cum... TITRE IV. - Emploi et Travail. CHAPITRE I. - Modification de l'arrêté royal n°... CHAPITRE II. - Adaptation de la réglementation ... CHAPITRE III. - Modification de la loi de redre... CHAPITRE IV. - Modification de la loi du 5 déce... CHAPITRE V. - Modification de la loi du 29 déce... CHAPITRE VI. - Modification de l'arrêté royal n... CHAPITRE VII. - Modification de la loi-programm... CHAPITRE VIII. - Dérogation à l'article 1410 du... CHAPITRE IX. - Modification de l'article 11ter ... CHAPITRE X. - Modification des modalités de rés... CHAPITRE XI. - Institut national de recherche s... CHAPITRE XII. - Modification de la loi du 19 ma... TITRE V. - Santé publique. CHAPITRE I. - Institut d'hygiène et d'épidémiol... CHAPITRE II. - Dispositions relatives à la diss... CHAPITRE III. - Institut d'expertise vétérinaire. SECTION 1. - Modifications de la loi du 5 septe... SECTION 2. - Modification de la loi du 15 avril... TITRE VI. - Dispositions diverses. CHAPITRE I. - Justice. SECTION 1. - Code judiciaire. SECTION 2. - Institut national de criminalistique. SECTION 3. - Autorisation d'acquisition et cert... CHAPITRE II. - Intérieur. - Modification de l'a... CHAPITRE III. - Fonction publique. SECTION 1. - Agents temporaires et chômeurs mis... SECTION 2. - Recrutements d'agents par l'Office... SECTION 3. - Contractuels subventionnés. CHAPITRE IV. - Affaires économiques. SECTION 1. - Intégration du personnel de l'Offi... SECTION 2. - Confirmation du statut du personne... CHAPITRE V. - Classes moyennes. CHAPITRE VI. - Secrétariat permanent de recrute... TITRE VII. - Justice. - Des sociétés coopératives. CHAPITRE I. - Dispositions modificatives. CHAPITRE II. - Dispositions transitoires. TITRE VIII. - Dispositions modificatives du Liv...
Tekst (256)
Texte (256)
TITEL I. - Openbaar Ambt.
TITRE I. - Fonction publique.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
CHAPITRE I. - Modification de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
Artikel 1. <wijzigingsbepaling van art. 3, § 1, van W 1974-12-19/30>
Article 1.
Art.2.
Art.2.
Art.3. <wijzigingsbepaling van art. 4, § 1, van W 1974-12-19/30>
Art.3.
Art.4. <wijzigingsbepaling van art. 5 van W 1974-12-19/30>
Art.4.
Art.5. <wijzigingsbepaling van art. 23, lid 1, van W 1974-12-19/30>
Art.5.
Art.6.
Art.6.
HOOFDSTUK II. - Toepassing van de verzekering tegen werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering op sommige personeelsleden van de overheidssector en van het vrij gesubsidieerd onderwijs.
CHAPITRE II. - Assujettissement de certains agents du secteur public et de l'enseignement subventionné libre à l'assurance contre le chômage, à l'assurance maladie (secteur des indemnités) et à l'assurance maternité.
Art.7.   § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op elke persoon :
  - wiens arbeidsverhouding in een overheidsdienst of in elke andere publiekrechtelijke instelling een einde neemt omdat zij eenzijdig wordt verbroken door de overheid of omdat de benoemingsakte wordt vernietigd, ingetrokken, opgeheven of niet hernieuwd,
  - en die uit hoofde van die arbeidsverhouding niet onderworpen is aan de bepalingen van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluit wet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die betrekking hebben op de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid en op de sector uitkeringen van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit.
  § 2. [Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden met personen die tewerkgesteld zijn in een overheidsdienst of in elke andere publiekrechtelijke instelling gelijkgesteld :
  1° de personeelsleden van de onderwijsinstellingen opgericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen, voor zover die personeelsleden een weddetoelage of een loon bekomen van een Gemeenschap of van een Gemeenschapscommissie;
  2° de leden van het academisch personeel van de instellingen voor universitair onderwijs opgericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen erkend door een Gemeenschap;
  3° de personeelsleden van de diensten voor school- en beroepsoriëntering, van de psycho-medisch-sociale centra en van de pedagogische begeleidingsdiensten, opgericht door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen, wanneer die personeelsleden een weddetoelage genieten ten laste van een Gemeenschap of van een Gemeenschapscommissie;
  4° [de bedienaars van de katholieke, protestantse, orthodoxe, anglikaanse, Israëlitische erediensten, de imams van de islamitische eredienst en de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad;] <W 2002-06-21/34, art. 67, 017; Inwerkingtreding : 01-11-2002>
  5° de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen, zijn adjuncten alsook de vaste voorzitters en assessoren van [1 de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen]1;
  6° de leden van de ombudsdienst van de autonome overheidsbedrijven bedoeld bij artikel 44 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  7° de Adviseur-generaal en de adjunct-adviseur-generaal van de Dienst voor het strafrechtelijk beleid;
  8° de Vaste Secretaris voor het Preventiebeleid en de adjunct-secretarissen.] <W 1997-05-20/52, art. 19, 008; Inwerkingtreding : 18-07-1997>
  Ten aanzien van de in deze paragraaf bedoelde personen worden in § 1 de woorden " door de overheid " vervangen door de woorden " door de overheid of de werkgever ".
  
Art.7.   § 1. Ce chapitre est applicable à toute personne :
  - dont la relation de travail dans un service public ou tout autre organisme de droit public prend fin parce qu'elle est rompue unilatéralement par l'autorité ou parce que l'acte de nomination est annulé, retiré, abrogé ou non renouvelé,
  - et qui du fait de cette relation de travail n'est pas assujettie aux dispositions de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs salariés, en ce qu'elles concernent le régime de l'emploi et du chômage et le secteur des indemnités de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité.
  § 2. [Pour l'application du présent chapitre, sont assimilés à des personnes occupées par un service public ou par tout autre organisme de droit public :
  1° les membres du personnel des établissements d'enseignement organisé par des personnes physiques ou des personnes morales de droit privé, lorsque ces membres du personnel bénéficient d'une subvention-traitement ou d'un salaire à charge d'une Communauté ou d'une Commission communautaire;
  2° les membres du personnel académique des établissements d'enseignement universitaire organisés par des personnes physiques ou des personnes morales de droit privé reconnus par une Communauté;
  3° les membres du personnel des offices d'orientation scolaire et professionnelle, des centres psycho-médico-sociaux et des services d'accompagnement pédagogique, organisés par des personnes physiques ou des personnes morales de droit privé, lorsque ces membres du personnel bénéficient d'une subvention-traitement à charge d'une Communauté ou d'une Commission communautaire;
  4° [les ministres des cultes catholique, protestant, orthodoxe, anglican, israélite, les imams du culte islamique et les délégués du Conseil central laïque;] <L 2002-06-21/34, art. 67, 017; En vigueur : 01-11-2002>
  5° le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, ses adjoints ainsi que les présidents et assesseurs permanents [1 du Conseil du Contentieux des Etrangers]1;
  6° les membres des services de médiation des entreprises publiques autonomes visés à l'article 44 de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques;
  7° le Conseiller général et le Conseiller général adjoint du Service de la Politique criminelle;
  8° le Secrétaire permanent à la Politique de prévention et les secrétaires adjoints.] <L 1997-05-20/52, art. 19, 008; En vigueur : 18-07-1997>
  A l'égard des personnes visées par le présent paragraphe, les mots " par l'autorité " sont remplacés au § 1er par les mots " par l'autorité ou par l'employeur ".
  
Art.8. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn evenwel niet van toepassing :
  1° op de personen die de bij artikel 7 bedoelde activiteiten slechts uitoefenen als nevenberoep of bijambt naast een andere activiteit op grond waarvan zij onderworpen zijn aan de bepalingen van de voormelde wet van 27 juni 1969 die betrekking hebben op de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid en op de sector uitkeringen van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit;
  2° op de personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt of die ambtshalve worden ontslagen met onmiddellijk ingaand recht op pensioen;
  3° (...) <W 1999-01-25/32, art. 84, 010; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
  4° op de leden van de Krijgsmacht.
Art.8. Les dispositions du présent chapitre ne sont toutefois pas applicables :
  1° aux personnes qui exercent les activités visées à l'article 7 uniquement à titre de profession ou de fonction accessoires en cumul avec une autre activité en vertu de laquelle elles sont assujetties aux dispositions de la loi du 27 juin 1969 précitée, en ce qu'elles concernent le régime de l'emploi et du chômage et le secteur des indemnités de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité;
  2° aux personnes ayant atteint l'âge de la retraite ou démises d'office avec un droit immédiat à une pension;
  3° (...) <L 1999-01-25/32, art. 84, 010; En vigueur : 16-02-1999>
  4° aux membres des Forces armées.
Art.9. Onverminderd de rechten waarop zij zich eventueel kunnen beroepen krachtens een gunstiger regeling van sociale zekerheid, worden de bij artikel 7 bedoelde personen, zodra hun arbeidsverhouding is beëindigd, voor de duur van hun prestaties tijdens de bij artikel 10, § 1, 1°, bedoelde periode, zonder onderbreking onderworpen aan de bepalingen van de voormelde wet van 27 juni 1969, met betrekking tot de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid, tot de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, met inbegrip van de sector uitkeringen en aan de bepalingen betreffende de moederschapsverzekering indien zij overeenkomstig de ter zake geldende regels :
  a) binnen dertig dagen na het beëindigen van hun arbeidsverhouding :
  - de hoedanigheid verkregen hebben van werknemer onderworpen aan voornoemde wet, van mijnwerker of van zeeman ter koopvaardij;
  - of bij de subregionale tewerkstellingsdienst als werkzoekende ingeschreven zijn,
  b) of het bewijs leveren dat zij gedurende dezelfde termijn ongeschikt zijn tot het verrichten van arbeid in de zin van de reglementering inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, of in een periode van moederschapsverlof overeenkomstig titel IVbis van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Art.9. Sans préjudice des droits qu'elles pourraient faire valoir en vertu d'un régime de sécurité sociale plus favorable, les personnes visées à l'article 7 sont, dès que leur relation de travail a pris fin, assujetties sans interruption, pour la durée de leur prestation pendant la période visée à l'article 10, § 1er, 1°, aux dispositions de la loi du 27 juin 1969 précitée, en ce qu'elles concernent le régime de l'emploi et du chômage, l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, y compris le secteur des indemnités et aux dispositions concernant l'assurance maternité, lorsque, conformément aux dispositions en vigueur à ce sujet :
  a) dans les trente jours à dater de la fin de leur relation de travail, elles :
  - ont acquis la qualité de travailleur assujetti à cette loi, d'ouvrier mineur ou de marin de la marine marchande;
  - ou sont inscrites comme demandeur d'emploi auprès du bureau régional de l'emploi,
  b) ou elles fournissent la preuve que pendant la même période, elles se trouvent en état d'incapacité de travail au sens de la réglementation concernant l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, ou en période de repos de maternité conformément aux dispositions du titre IVbis de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité.
Art.10. § 1. De werkgever stort bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid of aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en lokale besturen ten behoeve van de personen die voor de toepassing van dit hoofdstuk in aanmerking komen :
  1° de door de werkgever en de werknemer verschuldigde bijdragen voor de periode die overeenstemt met het aantal werkdagen dat de ontslagen persoon, gelet op de leeftijdsgroep waartoe hij behoort, moet bewijzen om gerechtigd te zijn op de werkloosheidsuitkeringen krachtens de ter zake geldende reglementering;
  2° de door de werkgever en de werknemer verschuldigde bijdragen, berekend over een periode van zes maanden, om de belanghebbende recht te geven op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen, en op de moederschapsverzekering. [1 In geval van beëindiging van de arbeidsverhouding na 31 december 2016, worden deze bijdragen berekend over een periode van twaalf maanden.]1
  De werknemersbijdragen komen ten laste van de werkgever, behalve indien het beëindigen van de arbeidsverhouding, (krachtens het voor de betrokkene geldende statuut, aanleiding geeft tot de uitbetaling van een premie, van een toelage of van een vergoeding wegens ontslag of tot een na te leven opzeggingstermijn). <W 1999-03-22/47, art. 11, 1°, 011; Inwerkingtreding : 30-04-1999>
  In dit laatste geval komen de werknemersbijdragen slechts ten laste van de werkgever voor zover zij het bedrag overtreffen dat (krachtens het wettelijke bijdragepercentage kan worden ingehouden op de premie, op de toelage of op de vergoeding wegens ontslag of op de bezoldiging voor de duur van de opzeggingstermijn). <W 1999-03-22/47, art. 11, 2°, 011; Inwerkingtreding : 30-04-1999>
  § 2. De in § 1 bedoelde bijdragen worden berekend op basis van de laatste activiteitswedde van de belanghebbende, zo nodig omgerekend tot die voor een voltijdse betrekking.
  § 3. De duur van de in § 1, 1° en 2°, bedoelde periodes mag in geen geval de duur overtreffen van de arbeidsverhouding van de ontslagen persoon.
  
Art.10. § 1. L'employeur verse à l'Office national de sécurité sociale ou à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales au profit des bénéficiaires du présent chapitre :
  1° les cotisations dues par l'employeur et le travailleur pour la période qui correspond au nombre de journées de travail que la personne licenciée doit prouver normalement vu la catégorie d'âge à laquelle elle appartient, pour être admise au bénéfice des allocations de chômage en vertu de la réglementation en matière de chômage;
  2° les cotisations dues par l'employeur et le travailleur, calculées sur une période de six mois, pour l'admission de l'intéressé au bénéfice du régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des indemnités, et de l'assurance maternité. [1 En cas de cessation de la relation de travail après le 31 décembre 2016, ces cotisations sont calculées sur une période de douze mois.]1
  Les cotisations dues par le travailleur sont à charge de l'employeur sauf si la cessation de la relation de travail (donne lieu, en vertu du statut applicable à l'intéressé, à la liquidation d'une prime, d'une allocation ou d'une indemnité de départ ou à un délai de préavis à respecter). <L 1999-03-22/47, art. 11, 1°, 011; En vigueur : 30-04-1999>
  Dans ce dernier cas, les cotisations dues par le travailleur ne sont à charge de l'employeur que pour autant qu'elles dépassent le montant qui (pourra être retenu sur la base du pourcentage légal de la cotisation à charge de la prime, de l'allocation ou de l'indemnité de départ éventuelles, ou du traitement qui est dû pour le délai de préavis). <L 1999-03-22/47, art. 11, 2°, 011; En vigueur : 30-04-1999>
  § 2. Les cotisations visées au § 1er sont calculées sur la base du dernier traitement d'activité de l'intéressé, transposé en cas de besoin sur la base d'un traitement afférent à un emploi à temps plein.
  § 3. La durée des périodes visées au § 1er, 1° et 2°, ne peut en aucun cas être supérieure à la durée de la relation de travail de la personne licenciée.
  
Art.11. In de loop van de laatste werkdag overhandigt de werkgever aan de betrokkene, of zendt hij hem per ter post aangetekende brief : alle door de sociale-zekerheidswetgeving vereiste bescheiden, een attest van ontslag en een bericht over de krachtens de bepalingen van artikel 9, a) en b), te vervullen formaliteiten.
  De werkgever bezorgt bovendien aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid of aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en lokale besturen de gegevens die vereist zijn voor de berekening van de bijdragen.
Art.11. Au cours de la dernière journée de travail, l'employeur délivre à l'intéressé ou lui fait parvenir par pli recommandé à la poste : tous les documents requis par la législation de sécurité sociale, un certificat de licenciement et un avis concernant les formalités à remplir conformément aux dispositions de l'article 9, a) et b).
  En outre, l'employeur fait parvenir à l'Office national de sécurité sociale ou à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales les données requises pour le calcul des cotisations.
Art.12. Indien de beslissing waardoor een einde wordt gemaakt aan de arbeidsverhouding nadien wordt vernietigd of ingetrokken, wordt de betrokkene beschouwd als zonder onderbreking ingeschakeld te zijn gebleven in de aan die arbeidsverhouding verbonden regeling van sociale bescherming van de werknemers.
  In dat geval en voor zover de werknemersbijdragen overeenkomstig artikel 10 werden gestort, wordt het daarmee overeenstemmende bedrag terugbetaald aan wie ze heeft ten laste genomen.
  De werkloosheidsvergoedingen en de uitkeringen in het stelsel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering die de betrokkene zou hebben ontvangen krachtens dit hoofdstuk kunnen slechts worden teruggevorderd indien de betrokkene recht heeft op de uitbetaling van de achterstallige weddebedragen.
Art.12. Si la décision par laquelle il est mis fin à la relation de travail est annulée ou retirée ultérieurement, l'intéressé est considéré comme étant resté assujetti sans interruption au régime de protection sociale des travailleurs qui est lié à cette relation de travail.
  Dans ce cas, et pour autant que les cotisations dues par le travailleur ont été versées conformément à l'article 10, le montant correspondant est remboursé à celui qui les a prises en charge.
  Les indemnités de chômage et les indemnités de l'assurance maladie-invalidité que l'intéressé aurait reçues conformément au présent chapitre, ne pourront être récupérées que s'il a droit au paiement du montant des arriérés de traitement.
Art.13. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art.13. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.
TITEL II. - Sociale Zaken.
TITRE II. - Affaires sociales.
HOOFDSTUK I. - Rijksdienst voor sociale zekerheid.
CHAPITRE I. - Office national de sécurité sociale.
Art.14. <wijzigingsbepaling van art. 21 van W 1969-06-27/04>
Art.14.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen aan de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
CHAPITRE II. - Modifications à la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Art.15. <wijzigingsbepaling van art. 38, § 3bis, van W 1981-06-29/02>
Art.15.
Art.16.
Art.16.
HOOFDSTUK III. - Sociale zekerheid - Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten.
CHAPITRE III. - Sécurité sociale - Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales.
Art.17. <wijzigingsbepaling van art. 1, § 2, van W 1985-08-01/31>
Art.17.
Art.18. <wijzigingsbepaling van art. 1, § 2, van W 1985-08-01/31>
Art.18.
Art.19. <wijzigingsbepaling van art. 6, lid 1, van W 1985-08-01/31>
Art.19.
Art.20. <wijzigingsbepaling van art. 32 van W 1939-12-19/01>
Art.20.
Art.21. Artikel 19 van dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1987 met betrekking tot de bijdragen bedoeld in artikel 1, § 3, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, en met ingang van 1 januari 1988 met betrekking tot de bijdragen bedoeld in artikel 1, § 4, van dezelfde wet.
Art.21. L'article 19 du présent chapitre produit ses effets le 1er janvier 1987 en ce qui concerne les cotisations visées à l'article 1er, § 3, de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales, et le 1er janvier 1988 en ce qui concerne les cotisations visées à l'article 1er, § 4, de la même loi.
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen tegen de activiteiten van de koppelbazen.
CHAPITRE IV. - Mesures contre les activités des pourvoyeurs de main-d'oeuvre.
Art.22. <wijzigingsbepaling van art. 30bis, § 6, lid, 1, 3°, van W 1969-06-27/04>
Art.22.
Art.23. <wijzigingsbepaling van art. 30ter, § 5, van W 1969-06-27/04>
Art.23.
Art.24. <wijzigingsbepaling van art. 30ter, § 6, van W 1969-06-27/04>
Art.24.
Art.25. <wijzigingsbepaling van art. 30ter, § 7, van W 1969-06-27/04>
Art.25.
Art.26. <wijzigingsbepaling van art. 30ter, § 9, van W 1969-06-27/04>
Art.26.
Art.27. <wijzigingsbepaling van art. 580, 16°, van het Gerechtelijk Wetboek 1967-10-10/03>
Art.27.
Art.28. Artikel 30ter, § 6, B, eerste lid, en C, van de wet van 27 juni 1969, zoals gewijzigd bij onderhavige wet, heeft uitwerking met ingang van 1 april 1990.
  De andere bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 juli 1991.
Art.28. L'article 30ter, § 6, B, alinéa 1, et C, de la loi du 27 juin 1969, tel que modifié par la présente loi, produit ses effets le 1er avril 1990.
  Les autres dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er juillet 1991.
HOOFDSTUK V. - Sociale zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij.
CHAPITRE V. - Sécurité sociale de la marine marchande.
Art.29.
Art.29.
Art.30. De benaming " Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag " wordt vervangen door de benaming " Hulp en Voorzorgskas voor zeevarenden ". De Koning kan de bepalingen van bestaande wettelijke en reglementaire teksten in overeenstemming brengen met de bepaling van dit artikel.
Art.30. La dénomination " Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins naviguant sous pavillon belge " est remplacée par la dénomination " Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins ". Le Roi peut adapter les dispositions des textes légaux et réglementaires existants à la disposition du présent article.
Art.32. De bepalingen van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1991.
Art.32. Les dispositions de ce chapitre produisent leurs effets le 1er janvier 1991.
HOOFDSTUK VI. - Ziekte- en invaliditeitsverzekering.
CHAPITRE VI. - De l'assurance maladie-invalidité.
AFDELING 1. - Plichten van de zorgverstrekkers.
SECTION 1. - Des devoirs des prestataires.
Art.33. <wijzigingsbepaling van art. 35 van W 1963-08-09/01>
Art.33.
AFDELING 2. - Bepalingen betreffende de commissies ingesteld bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
SECTION 2. - Dispositions relatives aux commissions instituées auprès de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.
Art.34. <wijzigingsbepaling van art. 79bis van W 1963-08-09/01>
Art.34.
Art.35. <wijzigingsbepaling van art. 79ter van W 1963-08-09/01>
Art.35.
Art.36. <wijzigingsbepaling van art. 79quinquies van W 1963-08-09/01>
Art.36.
Art.37. <wijzigingsbepaling van art. 90bis, van W 1963-08-09/01>
Art.37.
AFDELING 3. - Bijzonder solidariteitsfonds.
SECTION 3. - Du fonds spécial de solidarité.
Art.38. <wijzigingsbepaling van art. 20, § 1, van W 1963-08-09/01>
Art.38.
AFDELING 4. - Wijzigingen aan de wet van 4 april 1991 tot regeling van het gebruik van de informatiegegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen door ministeriële diensten en door de instellingen van sociale zekerheid die onder het Ministerie van Sociale Voorzorg ressorteren.
SECTION 4. - Modifications à la loi du 4 avril 1991 réglant l'utilisation des informations du Registre national des personnes physiques par des services ministériels et par les institutions de sécurité sociale relevant du Ministre de la Prévoyance sociale.
Art.39. <wijzigingsbepaling van art. 12 van W 1991-04-04/40>
Art.39.
Art.40. <wijzigingsbepaling van art. 13 van W 1991-04-04/40>
Art.40.
Art.41. <wijzigingsbepaling van art. 14 van W 1991-04-04/40>
Art.41.
HOOFDSTUK VII. - Beroepsziekten.
CHAPITRE VII. - Maladies professionnelles.
Art.42. <wijzigingsbepaling van art. 37, § 2, van W 1970-06-03/02>
Art.42.
HOOFDSTUK VIII. - Bepalingen betreffende het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, de tegemoetkomingen aan gehandicapten, het recht op een bestaansminimum en de gewaarborgde gezinsbijslag.
CHAPITRE VIII. - Dispositions relatives au revenu garanti aux personnes âgées, aux allocations aux handicapés, au droit à un minimum de moyens d'existence et aux prestations familiales garanties.
AFDELING 1. - Wijzigingen aan de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
SECTION 1. - Modifications à la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées.
Art.43. <wijzigingsbepaling van art. 1, § 2, van W 1969-04-01/03>
Art.43.
AFDELING 2. - Wijzigingen van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.
SECTION 2. - Modifications à la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés.
Art.44. <wijzigingsbepaling van art. 4 van W 1987-02-27/31>
Art.44.
AFDELING 3. - Wijziging van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en van de wet van 2 april 1965 betreffende het tenlaste nemen van de steun verleend door de commissies van openbare onderstand.
SECTION 3. - Modification à la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence et à la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les commissions d'assistance publique.
Art.45. <wijzigingsbepaling van art. 18, lid 1, van W 1974-08-07/01>
Art.45.
Art.46. § 1.
  § 2.
Art.46. § 1.
  § 2.
AFDELING 4. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag.
SECTION 4. - Modification de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties.
Art.47. <wijzigingsbepaling van art. 1, lid 1, van W 1971-07-20/02>
Art.47.
Art.48. <wijzigingsbepaling van art. 1, lid 2, van W 1971-07-20/02>
Art.48.
Art.49. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 1992.
Art.49. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 1992.
HOOFDSTUK IX. - Beheer van de instellingen van openbaar nut voor de sociale zekerheid en sociale voorzorg.
CHAPITRE IX. - Gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale.
Art.50. <wijzigingsbepaling van art. 4bis, lid 3, van W 1963-04-25/01>
Art.50.
Art.51. <wijzigingsbepaling van art. 21, lid 3, van W 1963-04-25/01>
Art.51.
Art.52. <wijzigingsbepaling van art. 31, lid 3, van W 1990-01-15/31>
Art.52.
HOOFDSTUK X. - Bepaling inzake de financiering van de controle van de wetsverzekeraars (arbeidsongevallen).
CHAPITRE X. - Disposition relative au financement du contrôle des assureurs-loi (accidents du travail).
Art.53. <wijzigingsbepaling van art. 14 van W 1932-07-23/30>
Art.53.
HOOFDSTUK XI. - Wijzigingen van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.
CHAPITRE XI. - Modifications de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités.
HOOFDSTUK XII. - Wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.
CHAPITRE XII. - Modification de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations de handicapés.
Art.57. § 1. <wijzigingsbepaling van art. 3 van W 1987-02-27/31>
  § 2. Het bepaalde in § 1 treedt in werking vanaf 1 januari 1990.
Art.57. § 1.
  § 2. Les dispositions du § 1er entrent en vigueur le 1er janvier 1990.
HOOFDSTUK XIII. - Wijziging van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
CHAPITRE XIII. - Modification de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
Art.58.
Art.58.
Art.59. <wijzigingsbepaling van art. 92, lid 1, van W 1990-01-15/31>
Art.59.
Art.60.
Art.60.
Art.61. In afwijking van artikel 94 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, treden de artikelen 41bis en 92bis van dezelfde wet in werking respectievelijk de dag waarop de Voorzitter van het Toezichtscomité of de Voorzitter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in functie treedt.
Art.61. Par dérogation à l'article 94 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, les articles 41bis et 92bis de la même loi entrent en vigueur respectivement le jour où le Président du Comité de surveillance ou le Président de la Commission de la protection de la vie privée entrera en fonction.
HOOFDSTUK XIV. - Bepalingen inzake de toekenningsvoorwaarden voor een pensioen voor geneesheren in verplegingsinstellingen die tot de openbare sector behoren.
CHAPITRE XIV. - Dispositions relatives aux conditions d'octroi d'une pension pour les médecins des institutions hospitalières relevant du secteur public.
Art.62.
Art.62.
HOOFDSTUK XV. - Bepalingen met betrekking tot het sociaal statuut der zelfstandigen.
CHAPITRE XV. - Dispositions relatives au statut social des travailleurs indépendants.
Art.64. <wijzigingsbepaling van art. 14, § 3, van het KBN38 1967-07-27/01>
Art.64.
TITEL III. - Pensioenen.
TITRE III. - Pensions.
HOOFDSTUK I. - Gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
CHAPITRE I. - Revenu garanti aux personnes âgées.
Art.65. <wijzigingsbepaling van art. 2, § 1, van W 1969-04-01/03>
Art.65.
Art.66. <wijzigingsbepaling van art. 4 van W 1969-04-01/03>
Art.66.
Art.67. <wijzigingsbepaling van art. 7, § 1, van W 1969-04-01/03>
Art.67.
Art.68. <wijzigingsbepaling van art. 10 van W 1969-04-01/03>
Art.68.
Art.69. <wijzigingsbepaling van art. 11 van W 1969-04-01/03>
Art.69.
Art.70. <wijzigingsbepaling van art. 14 van W 1969-04-01/03>
Art.70.
Art.71. <wijzigingsbepaling van art. 18 van W 1969-04-01/03>
Art.71.
Art.72. Indien een vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk ingegaan gewaarborgd inkomen ambtshalve wordt herzien ingevolge een wijziging van de voordelen bedoeld bij artikel 10 van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden, wordt geen rekening gehouden met de bepalingen van artikel 67 van dit hoofdstuk.
Art.72. Si un revenu garanti, qui a pris cours avant la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, est revu d'office suite à une modification des avantages visés à l'article 10 de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées, il n'est pas tenu compte des dispositions de l'article 67 du présent chapitre.
Art.73. Met uitzondering van artikel 67, dat in werking treedt op 1 januari 1992, heeft dit hoofdstuk uitwerking met ingang van 1 juli 1991.
Art.73. A l'exception de l'article 67, qui entre en vigueur au 1er janvier 1992, le présent chapitre produit ses effets au 1er juillet 1991.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de programmawet van 22 december 1989.
CHAPITRE II. - Modifications de la loi-programme du 22 décembre 1989.
Art.74. <wijzigingsbepaling van art. 268 in W 1989-12-22/31>
Art.74.
Art.75. § 1. In afwijking van de artikelen 269 en 270 van de programmawet van 22 december 1989 kan de Koning, met het oog op de harmonisering van de bepalingen betreffende de inning van de bijzondere werkgeversbijdragen op het conventioneel brugpensioen, op de datum, onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten die Hij bepaalt, andere instellingen belasten met de inning van de in artikel 268 van de programmawet van 22 december 1989 bedoelde bijdrage.
  § 2. In afwijking van de artikelen 269 en 270 van de programmawet van 22 december 1989 kan de Koning de bijzondere bijdrage, bedoeld in artikel 268 van dezelfde wet, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen die Hij bepaalt, gelijkstellen met sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen.
  § 3. De met toepassing van § 1 met de inning belaste instellingen maken de opbrengst van de in artikel 268 van de programmawet van 22 december 1989 bedoelde bijzondere bijdrage over aan de Rijksdienst voor pensioenen binnen de termijnen en volgens de modaliteiten die de Koning bepaalt.
Art.75. § 1. Par dérogation aux articles 269 et 270 de la loi-programme du 22 décembre 1989, le Roi peut, en vue d'harmoniser les dispositions relatives à la perception des cotisations à charge de l'employeur sur la prépension conventionnelle, à la date, dans les conditions et selon les modalités qu'Il détermine, charger d'autres organismes de la perception de la cotisation spéciale visée à l'article 268 de la loi-programme du 22 décembre 1989.
  § 2. Par dérogation aux articles 269 et 270 de la loi-programme du 22 décembre 1989, le Roi peut, dans les conditions et selon les modalités qu'Il détermine, assimiler la cotisation spéciale visée à l'article 268 de la même loi aux cotisations de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la détermination du juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'action en justice, le privilège et la communication du montant de la créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations.
  § 3. Les organismes chargés en vertu du § 1er de la perception transfèrent le produit de la cotisation spéciale visée à l'article 268 de la loi-programme du 22 décembre 1989 à l'Office national des pensions dans les délais et selon les modalités déterminées par le Roi.
HOOFDSTUK III. - Aanpassing van artikel 6 van de wet van 29 juni 1972 houdende verscheidene bepalingen inzake pensioenen ten laste van 's Rijks Schatkist.
CHAPITRE III. - Adaptation de l'article 6 de la loi du 29 juin 1972 contenant plusieurs dispositions en matière de pensions à charge du Trésor public.
Art.76. <wijzigingsbepaling van art. 6 in W 1972-06-29>
Art.76.
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende het stelsel der rustpensioenen van het personeel van het onderwijs.
CHAPITRE IV. - Dispositions concernant le régime de pension de retraite du personnel de l'enseignement.
AFDELING 1. - Algemene bepalingen.
SECTION 1. - Dispositions générales.
Art.77. Deze afdeling is van toepassing :
  1° op de vastbenoemde of daarmee gelijkgestelde personeelsleden van het niet-universitair gemeenschapsonderwijs, met uitsluiting van het meesters-, vak- en dienstpersoneel;
  2° op de vastbenoemde of daarmee gelijkgestelde personeelsleden van het niet universitair onderwijs die in die hoedanigheid in de weddetoelageregeling zijn opgenomen;
  [1 3° op de in 1° en 2° bedoelde personeelsleden die bij of krachtens decreet met behoud van hun rechtspositieregeling, met inbegrip van alle toekomstige wijzigingen, vanuit een hogeschool zijn overgedragen naar een universiteit en in zoverre ze niet overgenomen zijn met toepassing van de rechtspositieregeling van de universiteit.]1
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een benoeming in vast verband gelijkgesteld, de benoeming die als zodanig wordt beschouwd krachtens een beslissing van de bevoegde Gemeenschapsexecutieve. De vóór 1 januari 1992 door de Minister van Onderwijs doorgevoerde gelijkstellingen blijven geldig, behoudens andersluidende beslissing van de bevoegde Gemeenschapsexecutieve.
  
Art.77. La présente section s'applique :
  1° aux membres du personnel de l'enseignement communautaire non universitaire nommés à titre définitif ou y assimilés, à l'exclusion du personnel de maîtrise, gens de métier et de service;
  2° aux membres du personnel de l'enseignement non universitaire nommés à titre définitif ou y assimilés, et admis en cette qualité aux subventions-traitements.
  [1 3° aux membres du personnel visés au 1° et au 2° qui, par ou en vertu d'un décret, sont transférés d'une école supérieure à une université avec maintien de leur statut juridique, en ce compris toutes les modifications futures et pour autant qu'ils ne soient pas repris en application du statut juridique de l'université.]1
  Pour l'application de l'alinéa 1er, est assimilée à une nomination à titre définitif, celle considérée comme telle en vertu d'une décision de l'Exécutif communautaire compétent. Les assimilations effectuées avant le 1er janvier 1992 par le Ministre de l'Education nationale restent valables pour autant que l'Exécutif communautaire compétent n'en décide pas autrement.
  
Art.78. De in artikel 77 bedoelde personen kunnen aanspraak maken op een rustpensioen ten laste van de Openbare Schatkist onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde modaliteiten als de rijksambtenaren, onverminderd de toepassing van de bijzondere bepalingen die dit hoofdstuk bevat.
  (Tweede lid opgeheven) <L 2003-02-03/41, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (Derde lid opgeheven) <L 2003-02-03/41, art. 16, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  Voor de toepassing van het tweede lid wordt als hoofdambt beschouwd, het ambt dat op basis van het toepasselijk geldelijk statuut als hoofdambt wordt bezoldigd.
Art.78. Les personnes visées à l'article 77 peuvent prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public aux mêmes conditions et selon les mêmes modalités que les agents de l'Etat, sans préjudice à l'application des dispositions particulières contenues dans le présent chapitre.
  (Alinéa 2 abrogé) <L 2003-02-03/41, art. 16, 018; En vigueur : 01-01-2003>
  (Alinéa 3 abrogé) <L 2003-02-03/41, art. 16, 018; En vigueur : 01-01-2003>
  Pour l'application de l'alinéa 2, est considérée comme fonction principale, celle qui, sur la base du statut pécuniaire applicable, est rémunérée comme telle.
Art.79. Op de in artikel 77 bedoelde personen blijven van toepassing :
  1° artikel 116 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel;
  2° artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 76 van 10 november 1967 betreffende de mobiliteit van de personeelsleden van het Rijksonderwijs;
  3° de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs;
  4° de wet van 20 april 1971 betreffende de inaanmerkingneming van diensttijd vóór de benoeming in vast verband van het onderwijzend personeel voor pensioenen ten laste van de Openbare Schatkist;
  5° artikel 11, § 4, van de wet van 19 juli 1971 betreffende de algemene structuur, en de organisatie van het secundair onderwijs;
  6° artikel 71 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977;
  7° de artikelen 19, 20 en 23 van het koninklijk besluit nr. 23 van 27 november 1978 tot uitvoering van artikel 71 van de wet houdende economische en budgettaire hervormingen;
  8° artikel 159 van de programmawet van 30 december 1988.
Art.79. Restent applicables aux personnes visées à l'article 77 :
  1° l'article 116 de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier;
  2° l'article 5 de l'arrêté royal n° 76 du 10 novembre 1967 relatif à la mobilité des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat;
  3° la loi du 16 juin 1970 relative aux bonifications pour diplômes en matière de pensions des membres de l'enseignement;
  4° la loi du 20 avril 1971 relative à l'admissibilité, en matière de pensions à charge du Trésor public, de services antérieurs à la nomination définitive des membres du personnel enseignant;
  5° l'article 11, § 4, de la loi du 19 juillet 1971 relative à la structure générale et à l'organisation de l'enseignement secondaire;
  6° l'article 71 de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977;
  7° les articles 19, 20 et 23 de l'arrêté royal n° 23 du 27 novembre 1978 portant exécution de l'article 71 de la loi de réformes économiques et budgétaires;
  8° l'article 159 de la loi-programme du 30 décembre 1988.
Art.80. (§ 1.) De diensten verricht vanaf 1 september 1958 in het niet door de Staat of een Gemeenschap ingericht onderwijs, komen slechts in aanmerking voor de opening van het recht op het in artikel 78 bedoelde pensioen en voor de berekening ervan voor zover de betrokkene ze heeft verricht als personeelslid van het onderwijs dat in de weddetoelageregeling is opgenomen. <W 2003-02-03/41, art. 17, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  In afwijking van het eerste lid komen de diensten verricht vanaf 1 september 1958 en vóór 1 januari 1992 door een niet in de weddetoelageregeling opgenomen persoon toch in aanmerking, indien deze diensten, op basis van de op 31 december 1991 toepasselijke bepalingen rechten verleenden op een rustpensioen ten laste van de Openbare Schatkist.
  De vóór 1 september 1958 in het onderwijs verrichte diensten die, op basis van de op 31 december 1991 toepasselijke bepalingen, rechten verleenden op een rustpensioen ten laste van een macht of een organisme, bedoeld in artikel 1 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, blijven in aanmerking komen voor een krachtens dit hoofdstuk toegekend pensioen.
  De Koning is gemachtigd om de maatregelen te treffen die nodig zijn om alle bewijsmoeilijkheden op te lossen die zich kunnen stellen in verband met de opname van een personeelslid in de weddetoelageregeling.
  (§ 2. In afwijking van § 1 worden de vóór 1 januari 2003 in een bijambt verstrekte diensten in het vrij secundair onderwijs met volledig leerplan of in het vrij hoger niet-universitair onderwijs met volledig leerplan niet in aanmerking genomen voor de berekening van het in artikel 78 bedoelde pensioen.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de vóór 1 januari 2003 in een bijambt verstrekte diensten in het vrij normaalonderwijs, op voorwaarde dat betrokkene vóór 1 januari 1992 vast benoemd werd in het vrij normaalonderwijs.
  Voor de toepassing van deze paragraaf worden als diensten verstrekt in een bijambt beschouwd, de diensten die op basis van het toepasselijk geldelijk statuut als bijambt worden bezoldigd. De diensten gepresteerd tussen 1 januari 1996 en 31 december 2002 en bezoldigd overeenkomstig een geldelijk statuut waarin geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen een bezoldiging als hoofdambt en een bezoldiging als bijambt, worden geacht als bijambt te zijn verstrekt indien zij, op basis van het laatst toepasselijk geldelijk statuut waarin voornoemd onderscheid wel nog wordt gemaakt, als bijambt zouden bezoldigd geweest zijn.) <W 2003-02-03/41, art. 17, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [1 § 3. De diensten die bij een universiteit worden verricht door de personeelsleden bedoeld in artikel 77, eerste lid, 3°, worden geacht verricht te zijn in de weddetoelageregeling, zolang de betrokkenen hun rechtspositieregeling van de hogeschool behouden.]1
  
Art.80. (§ 1.) Les services prestés à partir du 1er septembre 1958 dans un enseignement qui n'est pas organisé par l'Etat ou une Communauté ne sont admissibles pour l'ouverture du droit à la pension visée à l'article 78 et pour le calcul de celle-ci que pour autant que l'intéressé les ait prestés en qualité de membre de l'enseignement admis aux subventions-traitements. <L 2003-02-03/41, art. 17, 018; En vigueur : 01-01-2003>
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les services prestés à partir du 1er septembre 1958 et avant le 1er janvier 1992 par une personne non admise aux subventions-traitements sont néanmoins admissibles lorsque ces services conféraient, sur la base des dispositions en vigueur au 31 décembre 1991, des droits à une pension de retraite à charge du Trésor public.
  Les services prestés dans l'enseignement avant le 1er septembre 1958 et qui, sur la base des dispositions en vigueur au 31 décembre 1991, conféraient des droits à une pension de retraite à charge d'un pouvoir ou organisme visé à l'article 1er de la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public, restent admissibles pour une pension accordée en application du présent chapitre.
  Le Roi est autorisé à prendre les mesures nécessaires pour résoudre toutes les difficultés de preuve qui pourraient surgir en matière d'admission d'un membre du personnel dans le régime de subvention-traitement.
  (§ 2. Par dérogation au § 1er les services prestés avant le 1er janvier 2003 dans une fonction accessoire de l'enseignement libre secondaire de plein exercice ou de l'enseignement libre supérieur non universitaire de plein exercice, ne sont pas pris en considération pour le calcul de la pension visée à l'article 78.
  L'alinéa 1er n'est pas applicable aux services prestés avant le 1er janvier 2003 dans une fonction accessoire de l'enseignement normal libre à condition que l'intéressé ait été nommé à titre définitif dans l'enseignement normal libre avant le 1er janvier 1992.
  Pour l'application du présent paragraphe, sont considérés comme services prestés dans une fonction accessoire, les services qui, sur la base du statut pécuniaire applicable, ont été rémunérés comme fonction accessoire. Les services prestés entre le 1er janvier 1996 et le 31 décembre 2002 et rémunérés selon un statut pécuniaire dans lequel il n'y a plus de distinction entre une rémunération comme fonction principale et une rémunération comme fonction accessoire, sont censés avoir été accomplis dans une fonction accessoire si, sur la base du dernier statut pécuniaire applicable dans lequel il y avait encore une telle distinction, ils avaient été rémunérés comme fonction accessoire.) <L 2003-02-03/41, art. 17, 018; En vigueur : 01-01-2003>
  [1 § 3. Les services prestés au sein d'une université par les membres du personnel visés à l'article 77, alinéa 1er, 3°, sont censés avoir été prestés dans le régime des subventions-traitements, tant que les intéressés conservent leur statut juridique de l'école supérieure.]1
  
Art.81. Voor de vaststelling van de gemiddelde wedde die tot grondslag dient voor de berekening van het pensioen van de in artikel 77, eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden, wordt uitsluitend het gedeelte van de weddetoelage dat overeenstemt met de baremieke wedde, in aanmerking genomen.
Art.81. Pour l'établissement du traitement moyen qui sert de base au calcul de la pension des agents visés à l'article 77, alinéa 1er, 2°, seule la partie de la subvention-traitement qui correspond au traitement barémique est prise en compte.
Art.82. Voor de vereffening van de rustpensioenen wordt elk jaar dienst verricht als personeelslid van het onderwijs zoals bedoeld in artikel 77, aangerekend aan 1/55. Voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de instellingen, scholen en afdelingen van het lager- en kleuteronderwijs wordt elk jaar dienst verricht in een van deze hoedanigheden evenwel aangerekend aan 1/50.
  (Indien jaren dienst gepresteerd als lid van het bestuurs- of onderwijzend personeel van de instellingen, scholen en afdelingen van het lager en kleuteronderwijs aangerekend worden naar rata van 1/50, wordt het pensioen beperkt tot het bedrag dat het zou bereikt hebben indien deze jaren dienst aangerekend werden naar rata van 1/55 en indien bovendien de wedden die tot grondslag dienen voor de vaststelling van het pensioen, waren verhoogd met een bedrag gelijk aan het verschil tussen enerzijds, de wedde die betrokkene zou bekomen hebben in de weddeschaal van leraar van het secundair onderwijs van de lagere graad en anderzijds, de wedde die hij heeft of zou hebben bekomen in, naargelang het geval, de weddeschaal van onderwijzer of van kleuteronderwijzer. Het hiervoor bepaalde verschil wordt uitsluitend toegevoegd aan de als personeelslid van het lager of kleuteronderwijs bekomen wedden die in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van het pensioen.
  (Derde lid opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 67, 3°, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.82. Pour la liquidation des pensions de retraite, chaque année de service prestée en qualité de membre du personnel de l'enseignement visé à l'article 77 est comptée à raison de 1/55. Toutefois, pour les membres du personnel directeur et enseignant des établissements, écoles et sections de l'enseignement primaire et gardien, chaque année de service prestée en l'une de ces qualités est comptée à raison de 1/50.
  (Si des années de services prestées en qualité de membre du personnel directeur ou enseignant des établissements, écoles et sections de l'enseignement primaire et gardien sont prises en compte à raison d'1/50ème, la pension est limitée au montant qu'elle aurait atteint si ces années de services avant été prises en compte à raison d'1/55ème et si, en outre, les traitements servant de base pour l'établissement de la pension avaient été augmentés d'un montant égal à la différence entre, d'une part, le traitement que l'intéressé aurait obtenu dans l'échelle de professeur de l'enseignement secondaire du degré inférieur et, d'autre part, le traitement qu'il a ou aurait obtenu dans l'échelle d'instituteur primaire ou gardien selon le cas. La différence définie ci-avant n'est ajoutée qu'aux seuls traitements obtenus en qualité de membre du personnel de l'enseignement primaire ou gardien qui sont pris en compte pour l'établissement de la pension.
  (Alinéa 3 abrogé) <L 2007-04-25/52, art. 67, 3°, 020; En vigueur : 01-01-2007>
Art.83. Het overlevingspensioen toegekend aan een rechthebbende van een in artikel 77 bedoeld personeelslid van het onderwijs voor de diensten die werden verricht in het onderwijs vóór 1 januari 1992 en die, vóór deze datum, rechten verleenden op een rustpensioen ten laste van een andere macht of organisme dan de Staat, bedoeld in artikel 1 van de voormelde wet van 14 april 1965, evenals het gedeelte van het overlevingspensioen dat betrekking heeft op dergelijke diensten, blijft ten laste van deze macht of van dit organisme.
  In geval van verdeling van de last van het overlevingspensioen wordt deze verdeling doorgevoerd overeenkomstig de regeling voorzien in artikel 13, 1°, van de voormelde wet van 14 april 1965.
Art.83. La pension de survie accordée à un ayant droit d'un membre du personnel de l'enseignement visé à l'article 77 pour des services qui ont été prestés dans l'enseignement avant le 1er janvier 1992 et qui, avant cette même date, conféraient des droits à une pension de retraite à charge d'un pouvoir ou organisme, autre que l'Etat, visé à l'article 1er de la loi du 14 avril 1965 précitée, ainsi que la part d'une pension de survie correspondant à de tels services, restent à charge de ce pouvoir ou organisme.
  En cas de répartition de la charge de la pension de survie, cette répartition s'effectue selon les règles prévues à l'article 13, 1°, de la loi du 14 avril 1965 précitée.
Art.84. De in artikel 77 bedoelde personen die op 31 december 1960 in dienst waren in het onderwijs, die vóór de inwerkingtreding van deze wet geen aanspraak konden maken op een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist en die krachtens de bepalingen van de pensioenregeling die op 31 december 1960 op hen toepasselijk was, de mogelijkheid hadden om hun opruststelling te vragen vóór de leeftijd van 60 jaar, kunnen hun rustpensioen bekomen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die van hun 55e verjaardag, op voorwaarde dat zij ten minste 30 pensioenaanspraakverlenende dienstjaren tellen.
Art.84. Les personnes visées à l'article 77 en service dans l'enseignement au 31 décembre 1960 qui, avant l'entrée en vigueur de la présente loi, ne pouvaient pas prétendre à une pension à charge du Trésor public et qui avaient la faculté, en vertu des dispositions du régime de pension qui leur était applicable au 31 décembre 1960, de demander leur mise à la retraite avant l'âge de 60 ans, peuvent obtenir leur pension de retraite à partir du premier jour du mois qui suit celui de leur 55e anniversaire, à condition de compter au moins trente années de services admissibles pour l'ouverture du droit à la pension.
Art.85. De provincies mogen, ten laste van hun begroting, een rustpensioencomplement toekennen aan de personeelsleden die op 31 december 1991 bij hen in dienst waren als personeelslid van het onderwijs, indien de bepalingen van deze afdeling aan deze personeelsleden een voordeel inzake rustpensioen verlenen dat minder bedraagt dan datgene dat zou voortgevloeid zijn uit de toepassing van de bepalingen van de op 31 december 1991 van kracht zijnde provinciale pensioenregeling.
Art.85. Les provinces sont autorisées à accorder, a charge de leur budget, un complément de pension de retraite aux agents qui étaient a leur service au 31 décembre 1991 en qualité de membre du personnel de l'enseignement, lorsque les dispositions de la présente section procurent à ces agents un avantage en matière de pension de retraite inférieur à celui qui aurait résulté de l'application des dispositions du règlement provincial de pension en vigueur au 31 décembre 1991.
Art. 85bis. <INGEVOEGD bij W 2003-02-03/41, art. 62; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Wanneer tijdelijke diensten in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van het in deze afdeling bedoelde rustpensioen, worden de krachtens artikel 1 van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privé-sector, verschuldigde bedragen gestort aan de macht of instelling die de last draagt van het gedeelte van het rustpensioen dat beantwoordt aan de betrokken diensten.
  De in het eerste lid bedoelde bedragen die betrekking hebben op tijdelijke diensten verricht in het onderwijs door een in artikel 77 bedoeld personeelslid van het onderwijs vóór 1 januari 1992, welke vóór deze datum rechten verleenden op een rustpensioen ten laste van een andere macht of instelling dan de Staat bedoeld in artikel 1 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector zijn evenwel definitief verworven ten gunste van deze macht of instelling, indien deze bedragen vóór 1 januari 1992 aan deze macht of instelling werden gestort.
  Ingeval, na toepassing van het eerste lid, de in dat lid bedoelde tijdelijke diensten in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van een overlevingspensioen, vordert de macht of instelling die de last draagt van het gedeelte van het overlevingspensioen dat beantwoordt aan de betrokken diensten, de helft van de in artikel 1 van voormelde wet van 5 augustus 1968 bedoelde bedragen, terug van de macht of instelling waaraan deze bedragen werden gestort.
Art. 85bis. Lorsque des services temporaires sont pris en considération pour l'établissement de la pension de retraite visée dans la présente section, les montants dus en vertu de l'article 1er de la loi du 5 août 1968 établissant certaines relations entre les régimes de pension du secteur public et ceux du secteur privé sont versés au pouvoir ou à l'organisme qui supporte la charge de la partie de la pension de retraite afférente aux services en question.
  Les montants visés à l'alinéa 1er qui se rapportent à des services temporaires prestés dans l'enseignement avant le 1er janvier 1992 par un membre du personnel de l'enseignement visé à l'article 77 et qui avant cette date conféraient des droits à une pension de retraite à charge d'un pouvoir ou d'un organisme autre que l'Etat visé à l'article 1er de la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public, sont toutefois définitivement acquis au profit de ce pouvoir ou de cet organisme si ces montants ont été versés à ce pouvoir ou à cet organisme avant le 1er janvier 1992.
  Lorsque, après application de l'alinéa 1er, les services temporaires visés à cet alinéa sont pris en compte pour l'établissement d'une pension de survie, le pouvoir ou l'organisme qui supporte la charge de la partie de la pension de survie afférente à ces services, récupère la moitié des montants visés à l'article 1er de la loi du 5 août 1968 précitée auprès du pouvoir ou de l'organisme auxquels ces montants ont été versés.
Art. 85ter. [1 Het bedrag van het pensioen dat zal worden toegekend aan de leden van het onderwijzend personeel van de Vlaamse Gemeenschapscommissie die tewerkgesteld zijn bij de campus Elishout en op 1 september 2013 worden overgeheveld naar het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, mag niet lager zijn dan het bedrag van het pensioen dat zij zouden hebben gekregen overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die op 31 augustus 2013 op hen van toepassing waren, maar rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen later zouden hebben ondergaan krachtens algemene maatregelen van toepassing op de instelling waartoe zij behoorden op het ogenblik dat zij, ter uitvoering van artikel 92bis, § 4quater, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van de provincie Brabant werden overgeheveld naar de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
   De bijkomende uitgaven die het gevolg zijn van de in het eerste lid bedoelde waarborg zijn ten laste van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
   Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende instellingen van de Vlaamse Gemeenschapscommissie onder "campus Elishout" verstaan : Elishout school voor secundair onderwijs, Elishout centrum voor volwassenenonderwijs en Elishout internaat.
   De in het eerste lid bedoelde waarborg vervalt indien het personeelslid na 1 september 2013 het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap verlaat en na die datum diensten verstrekt waarvoor hem een pensioen wordt toegekend in een van de pensioenregelingen bedoeld in artikel 1 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector.]1

  
Art. 85ter. [1 Le montant de la pension qui sera accordée aux membres du personnel enseignant de la Commission communautaire flamande, affectés au campus Elishout et transférés au 1er septembre 2013 à l'enseignement de la Communauté flamande, ne pourra être inférieur au montant de la pension qu'ils auraient obtenu conformément aux dispositions légales et réglementaires qui leur étaient applicables au 31 août 2013, mais en tenant compte des modifications que ces dispositions auraient subies ultérieurement en vertu de mesures générales applicables à l'institution à laquelle ils appartenaient au moment de leur transfert, en exécution de l'article 92bis, § 4quater, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, de la province de Brabant à la Commission communautaire flamande.
   Les dépenses supplémentaires qui découlent de la garantie visée à l'alinéa 1er sont à charge de la Commission communautaire flamande.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, par "campus Elishout", on entend les institutions suivantes de la Commission communautaire flamande : l'école Elishout d'enseignement secondaire, le centre Elishout d'enseignement pour adultes et l'internat Elishout.
   La garantie visée à l'alinéa 1er expire si le membre du personnel quitte l'enseignement de la Communauté flamande après le 1er septembre 2013 et fournit après cette date des services pour lesquels une pension lui est accordée dans l'un des régimes de pension visés à l'article 1er de la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public.]1

  
AFDELING 2. - Andere bepalingen.
SECTION 2. - Autres dispositions.
Art.86. In afwijking van artikel 8, § 1, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, wordt elk jaar dienst dat in het onderwijs werd verricht in de hoedanigheid van lid van het meesters-, vak- en dienstpersoneel door iemand die op 31 oktober 1972 in dienst was, aangerekend aan 1/55.
Art.86. Par dérogation a l'article 8, § 1er, de la loi du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, chaque année de service prestée dans l'enseignement en qualité de membre du personnel de maîtrise, gens de métier et de service qui était en fonction au 31 octobre 1972, est comptée à raison de 1/55.
Art.87. De niet in de weddetoelageregeling opgenomen personeelsleden van het gemeentelijk onderwijs die op 31 december 1991 de mogelijkheid hadden om hun opruststelling vóór de leeftijd van 60 jaar te vragen en die hun loopbaan in deze hoedanigheid beëindigen, behouden deze mogelijkheid.
Art.87. Les membres du personnel de l'enseignement communal non admis aux subventions-traitements qui, au 31 décembre 1991, avaient la faculté de demander leur mise à la retraite avant l'âge de 60 ans et qui terminent leur carrière en cette qualité, conservent cette faculté.
Art.88. In afwijking van artikel 3 van de voormelde wet van 14 april 1965 worden de diensten verricht vóór 1 januari 1992 als personeelslid van het gemeentelijk onderwijs aangerekend aan het in artikel 82 van deze wet voorziene tantième indien de betrokkene zijn loopbaan beëindigt als niet in de weddetoelageregeling opgenomen personeelslid van het gemeentelijk onderwijs.
Art.88. Par dérogation à l'article 3 de la loi du 14 avril 1965 précitée, les services prestés avant le 1er janvier 1992 en qualité de membre du personnel de l'enseignement communal sont pris en considération à raison du tantième prévu à l'article 82 de la présente loi si l'intéressé termine sa carrière en qualité de membre du personnel non admis aux subventions-traitements dans l'enseignement communal.
Art.89. <wijzigingsbepaling van art. 15 van W 1844-07-21/01>
Art.89.
Art.90. <wijzigingsbepaling van art. 71 van W 1976-12-24/01>
Art.90.
Art.91. 1°) In artikel 2 van de wet van 29 maart 1965 betreffende de terbeschikkingstelling van leden van het onderwijzend personeel ten behoeve van jeugdorganisaties worden de woorden " en hun pensioen " geschrapt.
  2°) In artikel 4, § 5 van het koninklijk besluit van 24 maart 1967 tot vaststelling van de diploma's en van de voorwaarden inzake bezoldiging van de godsdienstleraars in het lager onderwijs van de Staat worden de woorden " anciënniteit, voor de weddeschaal en voor het pensioen " vervangen door de woorden " anciënniteit en voor de weddeschaal ".
Art.91. 1°) A l'article 2 de la loi du 29 mars 1965 relative à la mise à la disposition des organisations de jeunesse, de membres du personnel enseignant, les mots " et leur pension, " sont supprimés.
  2°) A l'article 4, § 5 de l'arrêté royal du 24 mars 1967 relatif aux diplômes et aux conditions de rémunération des professeurs de religion dans l'enseignement primaire de l'Etat, les mots " et pour la pension " sont supprimés.
Art.92. Opgeheven worden :
  1°) de wet van 26 april 1865 tot wijziging van de wetten op de burgerlijke pensioenen, gewijzigd bij de wet van 31 maart 1884;
  2°) de wet van 24 juni 1869 welke ten voorwerp heeft de bestuurders der kostscholen aan de gestichten van middelbaar onderwijs gehecht, in wat betreft het recht op pensioen, gelijk te stellen met de leraren van deze gestichten;
  3°) de wet van 16 mei 1876 op de pensioenen der gemeenteleraars en -onderwijzers en hunner weduwen en wezen, gewijzigd bij de wetten van 31 maart 1984, 3 juni 1920 en 22 januari 1931;
  4°) de wet van 25 augustus 1901 betreffende het pensioen der gemeenteonderwijzers, der aangenomen lagere onderwijzers en ontslaggevende leden van Staatsnormaalscholen, van het opzicht en van het onderwijzend korps der lagere scholen, gewijzigd bij de wet van 10 juni 1937;
  5°) de artikelen 1, 2 en 4 van de wet van 18 mei 1912 op de pensioenen van het onderwijzend personeel, gewijzigd bij de wetten van 3 juni 1920, 10 juni 1937, 11 juli 1969, 16 juni 1970 en 21 mei 1991;
  6°) het koninklijk besluit van 20 oktober 1924 regelende de wijze van verhaal der aandelen van de gemeenten in de betaling van de wedden en pensioenen bepaald in de artikelen 1 en 4 der wet van 1 augustus 1923 tot wijziging van sommige bepalingen der wet tot regeling van het lager onderwijs;
  7°) het koninklijk besluit van 20 januari 1927 tot vaststelling van de grondslag der door de wet van 29 juli 1926 voorgeschreven herziening van de pensioenen der leden van het personeel der gemeentelijke inrichtingen voor technisch onderwijs;
  8°) artikel 10 van het koninklijk besluit van 1 februari 1933 tot samenordening der reglementsbepalingen betreffende de terbeschikkingstelling der leden van het onderwijzend personeel;
  9°) de wet van 10 juni 1937 inzake de pensioenen en de terbeschikkingstelling van de leden van het onderwijzend personeel der aangenomen en aanneembare scholen, zomede van de erkende vrije normaalscholen, gewijzigd bij de wetten van 23 juli 1952, 18 juli 1962, 11 juli 1969, het koninklijk besluit nr. 23 van 27 november 1978, de wet van 15 mei 1984 en het koninklijk besluit nr. 418 van 17 juli 1986;
  10°) de wet van 12 juni 1951 betreffende de toekenning van een pensioen aan het ondergeschikt personeel der Provinciale Hogere Arbeidsschool te Gent dat naar de Rijksveeartsenijschool, verbonden aan de Universiteit te Gent is overgegaan;
  11°) artikel 7 van de wet van 1 juli 1952 tot regeling der organisatie van het Rijkstechnisch onderwijs en tot instelling van een Hoge Raad voor het technisch onderwijs, gewijzigd bij de wet van 15 mei 1984;
  12°) de wet van 30 januari 1954 tot regeling van de pensioenen der leden van het personeel der privéinrichtingen voor technisch onderwijs, gewijzigd bij de wetten van 5 augustus 1968, 26 maart 1969 en 15 mei 1984;
  13°) artikel 14 van de wet van 14 mei 1955 tot regeling van het kunstonderwijs;
  14°) het koninklijk besluit van 29 februari 1956 houdende vaststelling van het bedrag der ambtsvoordelen in natura dat in aanmerking komt voor de berekening van het rust- en het overlevingspensioen van de hoofden van gemeentelijke, aangenomen en vrije gesubsidieerde lagere- en bewaarscholen;
  15°) het koninklijk besluit van 24 februari 1958 genomen in uitvoering van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 16 van 15 oktober 1934 ten einde de moeilijkheden te regelen tot dewelke, op stuk van pensioen, de definitie van de bijkomende functie aanleiding geeft;
  16°) de artikelen 40 en 47 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de wet van 29 juli 1961;
  17°) de artikelen 45 en 46 van de wetten op het zeevaartonderwijs, gecoördineerd op 20 september 1960;
  18°) het koninklijk besluit van 16 juli 1963 betreffende het rust- en overlevingspensioen van het onderwijzend personeel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 december 1965 en 31 juli 1969;
  19°) de artikelen 1 en 3 tot 8 van de wet van 26 maart 1969 betreffende het pensioen van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel evenals van de studiemeesters-opvoeders van de vrije inrichtingen voor technisch, zeevaart- of kunstonderwijs, gewijzigd bij de wetten van 15 juni 1970, 11 juli 1973 en 15 mei 1984;
  20°) artikel 17 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs;
  21°) het koninklijk besluit van 24 maart 1971 genomen ter uitvoering van artikel 3 van de wet van 11 juli 1969 betreffende het pensioen van sommige leden van het personeel van het onderwijs van de Staat en van het gesubsidieerd onderwijs;
  22°)
  23°) de wet van 11 juli 1973 tot interpretatie van de artikelen 1 en 3 der wet van 26 maart 1969 betreffende het pensioen van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel evenals van de studiemeesters-opvoeders van de vrije inrichtingen voor technisch onderwijs of zeevaartonderwijs;
  24°)
Art.92. Sont abrogés :
  1°) la loi du 26 avril 1865 qui apporte des modifications aux lois sur les pensions civiles, modifiée par la loi du 31 mars 1884;
  2°) la loi du 24 juin 1869 assimilant, quant aux droits à la pension, les directeurs des pensionnats annexés aux établissements d'instruction moyenne aux professeurs de ces établissements;
  3°) la loi du 16 mai 1876 sur les pensions des professeurs et instituteurs communaux et de leurs veuves et orphelins, modifiée par les lois des 31 mars 1884, 3 juin 1920 et 22 janvier 1931;
  4°) la loi du 25 août 1901 relative à la pension des instituteurs communaux, des instituteurs primaires adoptés et des membres démissionnaires du personnel des écoles normales de l'Etat, de l'inspection et du corps enseignant des écoles primaires, modifiée par la loi du 10 juin 1937;
  5°) les articles 1er, 2 et 4 de la loi du 18 mai 1912 sur les pensions du personnel enseignant, modifiée par les lois des 3 juin 1920, 10 juin 1937, 11 juillet 1969, 16 juin 1970 et 21 mai 1991;
  6°) l'arrêté royal du 20 octobre 1924 fixant le mode de recouvrement des parts des communes dans le paiement des traitements et des pensions spécifiés aux articles 1er et 4 de la loi du 1er août 1923, modifiant la loi organique de l'enseignement primaire;
  7°) l'arrêté royal du 20 janvier 1927 fixant la base de la révision, prescrite par la loi du 29 juillet 1926, des pensions des membres du personnel des institutions communales d'enseignement technique;
  8°) l'article 10 de l'arrêté royal du 1er février 1933 portant coordination des dispositions réglementaires concernant la mise en disponibilité des membres du personnel enseignant;
  9°) la loi du 10 juin 1937 relative aux pensions et à la mise en disponibilité des membres du personnel enseignant des écoles adoptées et adoptables ainsi que des écoles normales libres agréées, modifiée par les lois des 23 juillet 1952, 18 juillet 1962, 11 juillet 1969, l'arrêté royal n° 23 du 27 novembre 1978, la loi du 15 mai 1984 et l'arrêté royal n° 418 du 16 juillet 1986;
  10°) la loi du 12 juin 1951 relative à l'octroi d'une pension au personnel subalterne de l'Ecole provinciale supérieure du travail à Gand, transférée à l'école de médecine vétérinaire annexée à l'Université de Gand;
  11°) l'article 7 de la loi du 1er juillet 1952 réglant l'organisation de l'enseignement technique de l'Etat et instituant un Conseil supérieur de l'enseignement technique, modifié par la loi du 15 mai 1984;
  12°) la loi du 30 janvier 1954 régissant les pensions des membres du personnel des etablissements privés d'enseignement technique, modifiée par les lois des 5 août 1968, 26 mars 1969 et 15 mai 1984;
  13°) l'article 14 de la loi du 14 mai 1955 sur l'enseignement artistique;
  14°) l'arrêté royal du 29 février 1956 fixant le taux des émoluments en nature admissible dans le calcul de la pension de retraite et de la pension de survie des chefs d'écoles primaires et gardiennes communales adoptées et libres subventionnées;
  15°) l'arrêté royal du 24 février 1958 pris en exécution de l'article 9 de l'arrêté royal n° 16 du 15 octobre 1934, à l'effet de régler les difficultés auxquelles donne lieu, en matière de pensions, la définition de la fonction accessoire;
  16°) les articles 40 et 47 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, modifiés par la loi du 29 juillet 1961;
  17°) les articles 45 et 46 des lois sur l'enseignement maritime, coordonnées le 20 septembre 1960;
  18°) l'arrêté royal du 16 juillet 1963 relatif aux pensions de retraite et de survie du personnel enseignant, modifié par les arrêtés royaux des 2 décembre 1965 et 31 juillet 1969;
  19°) les articles 1er et 3 à 8 de la loi du 26 mars 1969 relative à la pension des membres du personnel directeur et enseignant ainsi que des surveillants-éducateurs des établissements libres d'enseignement technique, maritime ou artistique, modifiée par les lois des 15 juin 1970, 11 juillet 1973 et 15 mai 1984;
  20°) l'article 17 de la loi du 6 juillet 1970 sur l'enseignement spécial et intégré;
  21°) l'arrêté royal du 24 mars 1971 pris en exécution de l'article 3 de la loi du 11 juillet 1969 relative à la pension de certains membres du personnel de l'enseignement de l'Etat et de l'enseignement subventionné;
  22°)
  23°) la loi du 11 juillet 1973 interprétative des articles 1er et 3 de la loi du 26 mars 1969 relative à la pension des membres du personnel directeur et enseignant ainsi que des surveillants-éducateurs des établissements libres d'enseignement technique ou maritime;
  24°)
AFDELING 3. - Inwerkingtreding.
SECTION 3. - Entrée en vigueur.
Art.93. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 1992.
Art.93. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 1992.
HOOFDSTUK V. - Versoepeling van de regeling inzake de cumulatie van een overlevingspensioen van de openbare sector met een rustpensioen.
CHAPITRE V. - Assouplissement des règles de cumul d'une pension de survie du secteur public avec une pension de retraite.
Art.94. <wijzigingsbepaling van art. 40bis, § 1, lid 6, van W 1978-08-05/01>
Art.94.
Art.95. <wijzigingsbepaling van art. 40bis, § 1, van W 1978-08-05/01>
Art.95.
Art.96. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 november 1991.
Art.96. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er novembre 1991.
TITEL IV. - Tewerkstelling en Arbeid.
TITRE IV. - Emploi et Travail.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren.
CHAPITRE I. - Modification de l'arrêté royal n° 213 du 26 septembre 1983 relatif à la durée du travail dans les entreprises ressortissant à la commission paritaire de la construction.
Art.97. <wijzigingsbepaling van art. 6 van het KB213 1983-09-26/31>
Art.97.
HOOFDSTUK II. - Aanpassing van de arbeidsreglementering aan de ambtshalve aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid te betalen vergoeding, ingevoerd door de wetten van 6 juli 1989 en 22 december 1989.
CHAPITRE II. - Adaptation de la réglementation du travail à l'indemnité à payer d'office à l'Office national de sécurité sociale, introduite par les lois du 6 juillet 1989 et du 22 décembre 1989.
Art.98.
Art.98.
Art.99. <wijzigingsbepaling van art. 15ter van het KBN5 1978-10-23/01>
Art.99.
Art.100. <wijzigingsbepaling van art. 1 van W 1971-06-30/01>
Art.100.
Art.101. <wijzigingsbepaling van art. 1bis van W 1971-06-30/01>
Art.101.
Art.102. <wijzigingsbepaling van art. 11 van W 1971-06-30/01>
Art.102.
Art.103.
Art.103.
Art.104. <wijzigingsbepaling van art. 172 van W 1989-12-22/31>
Art.104.
Art.105.
Art.105.
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.
CHAPITRE III. - Modification de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales.
Art.106. <wijzigingsbepaling van art. 103 van W 1985-01-22/30>
Art.106.
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
CHAPITRE IV. - Modification de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires.
Art.107. <wijzigingsbepaling van art. 26 van W 1968-12-05/01>
Art.107.
HOOFDSTUK V. - Wijziging van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen.
CHAPITRE V. - Modification de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales.
Art.108. <wijzigingsbepaling van art. 174 van W 1990-12-29/30>
Art.108.
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces.
CHAPITRE VI. - Modification de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes.
Art.109.
Art.109.
Art.110. <wijzigingsbepaling van art. 4, § 3, van het KBN230 1983-12-21/30>
Art.110.
Art.111.
Art.111.
HOOFDSTUK VII. - Wijziging van de programmawet van 22 december 1989.
CHAPITRE VII. - Modification de la loi-programme du 22 décembre 1989.
Art.112. <wijzigingsbepaling van art. 171 van W 1989-12-22/31>
Art.112.
HOOFDSTUK VIII. - Afwijking van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek.
CHAPITRE VIII. - Dérogation à l'article 1410 du Code judiciaire.
Art.113. <wijzigingsbepaling van art. 1410, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek 1967-10-10/05>
Art.113.
HOOFDSTUK IX. - Wijziging van artikel 11ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
CHAPITRE IX. - Modification de l'article 11ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Art.114.
Art.114.
HOOFDSTUK X. - Wijziging van de modaliteiten van opzegging door de werknemer van arbeidsovereenkomsten gesloten in het kader van wedertewerkstellingsprogramma's waarvan de organisatie niet meer onder de bevoegdheid van de nationale wetgever valt.
CHAPITRE X. - Modification des modalités de résiliation par le travailleur des contrats de travail conclus dans le cadre des programmes de remise au travail dont l'organisation ne relève plus de la compétence du législateur national.
Art.115.
Art.115.
Art.116.
Art.116.
Art.117.
Art.117.
Art.118. Dit hoofdstuk treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op deze van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Haar bepalingen zijn slechts van toepassing op opzeggingstermijnen, betekend na deze datum.
Art.118. Le présent chapitre entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge. Ses dispositions ne s'appliquent qu'aux préavis notifiés après cette date.
HOOFDSTUK XI. - Nationaal onderzoeksinstituut voor arbeidsomstandigheden.
CHAPITRE XI. - Institut national de recherche sur les conditions de travail.
Art.119. Het Instituut voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden, opgericht door het koninklijk besluit nr. 11 van 11 oktober 1978 tot omvorming van de Belgische Dienst opvoering produktiviteit in een openbare instelling genaamd Instituut voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden, wordt omgevormd tot het " Nationaal Onderzoeksinstituut voor arbeidsomstandigheden ", hierna " het Instituut " genoemd. Het Instituut wordt opgericht bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid.
  Deze openbare instelling hangt af van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
Art.119. L'Institut pour l'amélioration des conditions de travail, créé par l'arrêté royal n° 11 du 11 octobre 1978 portant transformation de l'Office belge pour l'accroissement de la productivité en un établissement public dénommé Institut pour l'amélioration des conditions de travail, est transformé en " Institut national de recherche sur les conditions de travail ", ci-après dénommé " l'Institut ". L'Institut est créé au Ministère de l'Emploi et du Travail et est un établissement public doté de la personnalité juridique.
  Cet établissement public dépend du Ministre de l'Emploi et du Travail.
Art.120. § 1. Onverminderd de bevoegdheden van andere openbare diensten, heeft het Instituut als opdracht het onderzoek en de experimenten op het gebied van de arbeidsomstandigheden, de arbeidsorganisatie en de preventie in de ondernemingen en verenigingen.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° arbeidsomstandigheden : omstandigheden, waaronder arbeid wordt verricht en die van invloed kunnen zijn op het lichamelijk en geestelijk welzijn van de werknemers, inzonderheid de arbeidsveiligheid, de arbeidshygiëne, de gezondheid van de werknemers, de ergonomie, de werkrelaties;
  2° arbeidsorganisatie : de wijze waarop de arbeid wordt georganiseerd, inzonderheid de taakinhoud en taakverruiming, het werkoverleg, de arbeidsverhoudingen, de arbeidsmotivatie, de invloed van nieuwe technologieën, de flexibiliteit van de arbeidstijd;
  3° preventie : het voorzien en voorkomen van elke mogelijke schade, van onaangepaste arbeidsomstandigheden of een onaangepaste arbeidsorganisatie van welke aard deze ook mogen zijn;
  4° de Minister : de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
  § 2. Het Instituut oefent de in § 1 bedoelde opdracht uit :
  1° uit eigen beweging;
  2° op verzoek van de personen bedoeld in artikel 122, § 1, 1° of 2°;
  3° na onderzoek van elk nuttig voorstel gedaan door andere personen of instellingen.
  Wanneer het Instituut opdrachten aanvaardt van de in het eerste lid, 2° en 3°, bedoelde personen of instellingen, kan het hiervoor een vergoeding aanrekenen.
  § 3. Het Instituut kan met het oog op het uitvoeren van zijn opdrachten samenwerken met ministeriële departementen of openbare instellingen van de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten.
  § 4. De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de nadere regels volgens dewelke het Instituut zijn opdrachten uitvoert. Hij kan tevens, bij in Ministerraad overlegd besluit, de opdrachten van het Instituut uitbreiden.
Art.120. § 1. Sans préjudice des attributions des autres services publics, l'Institut a pour mission la recherche et l'expérimentation dans les domaines des conditions de travail, de l'organisation du travail et de la prévention dans les entreprises et dans les associations.
  Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
  1° conditions de travail : les conditions dans lesquelles le travail s'effectue et qui peuvent exercer une influence sur le bien-être physique et psychique des travailleurs, notamment la sécurité du travail, l'hygiène du travail, la santé des travailleurs, l'ergonomie, les rapports de travail;
  2° organisation du travail : la façon dont le travail est organisé, notamment le contenu et l'élargissement des tâches, la concertation du travail, les relations de travail, la motivation au travail, l'influence de nouvelles technologies, la flexibilité du temps de travail;
  3° prévention : la prévision et la prévention de tout dommage possible, de conditions de travail inappropriées ou d'une organisation de travail inappropriée, de quelque nature qu'elles soient;
  4° le Ministre : le Ministre de l'Emploi et du Travail.
  § 2. L'Institut exerce la mission visée au § 1er :
  1° de sa propre initiative;
  2° à la demande des personnes visées à l'article 122, § 1er, 1° ou 2°;
  3° après examen sur toute proposition utile émanant d'autres personnes ou institutions.
  Lorsque l'Institut accepte des missions des personnes ou institutions visées à l'alinéa 1er, 2° et 3°, il peut réclamer une rétribution à cet effet.
  § 3. En vue de l'exécution de ses missions, l'Institut peut coopérer avec des départements ministériels ou des organismes publics de l'Etat, des Communautés ou des Régions.
  § 4. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres les modalités en vertu desquelles l'Institut exécute ses missions. Il peut en outre par arrêté délibéré en Conseil des ministres étendre les missions de l'Institut.
Art.121. § 1. De Minister kan aan de leidend ambtenaar delegaties van uitvoeringsbevoegdheden toekennen, in zoverre zulks voor de goede gang van het dagelijks bestuur vereist is.
  De leidend ambtenaar kan, met instemming van de Minister, bepaalde van zijn bevoegdheden delegeren.
  § 2. De Minister kan, op advies van de Stuurgroep voorzien in artikel 122, technische comités oprichten, waarvan hij de samenstelling, de werking en de bevoegdheden bepaalt.
  Deze Stuurgroep kan aan deze comités richtlijnen geven voor de uitoefening van hun opdracht.
Art.121. § 1. Le Ministre peut déléguer au fonctionnaire dirigeant des pouvoirs d'exécution dans la mesure où la bonne marche de la gestion journalière le requiert.
  Le fonctionnaire dirigeant peut, avec l'approbation du Ministre, déléguer certaines de ses attributions.
  § 2. Le Ministre peut, sur avis du Comité d'orientation, prévu à l'article 122, créer des comités techniques dont il fixe la composition, le fonctionnement et les compétences.
  Ce Comité d'orientation peut donner à ces comités des directives dans l'exercice de leur mission.
Art.122. § 1. Bij het Instituut wordt een Stuurgroep opgericht. De Stuurgroep is paritair samengesteld uit :
  1° vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties;
  2° vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisaties.
  Aan deze Stuurgroep worden twee vertegenwoordigers, aangewezen door de Minister en één vertegenwoordiger aangewezen door de Minister van Sociale Zaken, als experten toegevoegd.
  Voor de toepassing van dit artikel, worden onder representatieve organisaties verstaan, de organisaties bedoeld bij artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
  De Koning bepaalt de nadere regelen voor de samenstelling van de Stuurgroep, en stelt op diens advies zijn huishoudelijk reglement vast.
  § 2. De Stuurgroep heeft als opdracht :
  - de algemene oriënteringen inzake onderzoek aan de Minister voor te stellen;
  - de onderzoeksprogramma's en de verdeling van de onderzoeken over de verschillende onderzoeksinstituten aan de Minister voor te stellen;
  - de opvolging van de onderzoeken te verzekeren;
  - de evaluatie van de onderzoeken uit te voeren.
  Hij heeft bovendien als opdracht op vraag van de Minister of uit eigen beweging adviezen te verlenen of aanbevelingen te formuleren in elke materie die valt onder de bevoegdheid van het Instituut.
  De Stuurgroep kan met betrekking tot speciale vraagstukken een beroep doen op bijzonder bevoegde personen.
  De Koning kan de bevoegdheid van de Stuurgroep uitbreiden.
Art.122. § 1. Il est créé au sein de l'Institut un Comité d'orientation. Ce Comité est composé paritairement :
  1° des représentants des organisations représentatives des travailleurs;
  2° des représentants des organisations représentatives des employeurs.
  Deux représentants désignés par le Ministre et un représentant désigné par le Ministre des Affaires sociales sont ajoutés à ce Comité d'orientation à titre d'experts.
  Pour l'application du présent article, on entend par organisations représentatives, les organisations visées à l'article 3 de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires.
  Le Roi fixe les modalités de composition du Comité d'orientation et arrête, sur son avis, son règlement d'ordre intérieur.
  § 2. Le Comité d'orientation a pour mission :
  - de proposer au Ministre les orientations générales concernant les recherches;
  - de proposer au Ministre les programmes de recherches et la répartition de celles-ci entre les instituts de recherche;
  - d'assurer le suivi des recherches;
  - procéder à l'évaluation des recherches.
  Il a en plus pour mission de donner des avis ou de formuler des recommandations, à la demande du Ministre ou de sa propre initiative, sur toute matière de la compétence de l'Institut.
  Le Comité d'orientation peut, en relation avec des questions particulières, faire appel à des personnes spécialement compétentes.
  Le Roi peut élargir la compétence du Comité d'orientation.
Art.123. De Koning benoemt de leidend ambtenaar en zijn adjunct. Hij bepaalt hun bevoegdheden, de nadere regelen voor hun benoeming en hun statuut.
  Met uitzondering van de leidend ambtenaar en van zijn adjunct, wordt het personeel door de Minister benoemd, bevorderd en ontslagen.
Art.123. Le Roi nomme le fonctionnaire dirigeant et son adjoint. Il fixe leurs compétences, les modalités de leur nomination et leur statut.
  A l'exception du fonctionnaire dirigeant et son adjoint, le personnel est nommé, promu et révoqué par le Ministre.
Art.124. § 1. De kosten noodzakelijk voor de werking van het Instituut worden gedekt door een jaarlijks krediet ingeschreven op de begroting van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
  § 2. Er wordt een reservefonds aangelegd dat wordt gestijfd door alle inkomsten niet afkomstig van het krediet voorzien in § 1 en dat inzonderheid aangewend wordt voor :
  1° bij voorrang, de aanzuivering van een deficit op de begroting van het Instituut;
  2° het verwerven en het behoud van investeringsgoederen en het dekken van de kosten die voortvloeien uit de uitoefening van zijn opdracht.
  Wanneer dit fonds op het einde van het begrotingsjaar, een bedrag bereikt dat hoger is dan het totale bedrag van het in § 1 bedoelde krediet voor dat jaar, vervalt het overschot aan de Schatkist.
Art.124. § 1. Les frais inhérents au fonctionnement de l'Institut sont couverts par un crédit annuel inscrit au budget du Ministère de l'Emploi et du Travail.
  § 2. Il est institué un fonds de réserve, qui est alimenté par toutes les recettes ne provenant pas du crédit prévu au § 1er, et qui est destiné notamment :
  1° par priorité, à apurer un déficit budgétaire de l'Institut;
  2° à acquérir et à conserver des biens d'investissement et à couvrir les frais résultant de l'exercice de sa mission.
  Lorsque ce fonds atteint à la fin de l'exercice budgétaire un montant supérieur au montant total du crédit visé au § 1er qui est prévu pour cet exercice, l'excédent revient au Trésor.
Art.125. De bepalingen betreffende de Staat voorzien in de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, zijn van toepassing op het Instituut.
Art.125. Les dispositions prévues pour l'Etat par la loi du 6 février 1970 relative à la prescription des créances à charge ou au profit de l'Etat et des provinces sont applicables à l'Institut.
Art.126. Het Instituut wordt met de Staat gelijkgesteld voor de toepassing van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën.
Art.126. L'Institut est assimilé à l'Etat pour l'application de la loi du 6 février 1970 relative à la prescription des créances à charge ou au profit de l'Etat et des provinces.
Art.127. Het Instituut neemt de rechten en de verplichtingen van het Instituut voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden over. Het neemt eveneens de personeelsleden over die op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk in dienst zijn van het Instituut voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden, met behoud van hun respectieve hoedanigheid en hun geldelijke voordelen, onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten bepaald door de Koning, na akkoord van de Minister van Openbaar Ambt.
Art.127. L'Institut reprend les droits et les obligations de l'Institut pour l'amélioration des conditions de travail. Il reprend également les membres du personnel occupés par l'Institut pour l'amélioration des conditions de travail à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, tout en maintenant leur qualité respective et leurs avantages pécuniaires, dans les conditions et selon les modalités fixées par le Roi, après accord du Ministre de la Fonction publique.
Art.128. In artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut worden in categorie B de woorden " Instituut voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden " geschrapt en worden, in categorie A, op hun plaats in de alfabetische volgorde de woorden " Nationaal Onderzoeksinstituut voor arbeidsomstandigheden " ingevoegd.
Art.128. Dans l'article 1er de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains établissements d'utilité publique, dans la catégorie B, les mots " Institut pour l'amélioration des conditions de travail " sont supprimés et les mots " Institut national de recherche sur les conditions de travail " sont insérés dans la catégorie A, à leur place dans l'ordre alphabétique.
Art.129. Het koninklijk besluit nr. 11 van 11 oktober 1978 tot omvorming van de Belgische Dienst opvoering produktiviteit in een openbare instelling genaamd Instituut voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden, wordt opgeheven.
Art.129. L'arrêté royal n° 11 du 11 octobre 1978 portant transformation de l'Office belge pour l'accroissement de la productivité en un établissement public dénommé Institut pour l'amélioration des conditions de travail, est abrogé.
HOOFDSTUK XII. - Wijziging van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede de kandidaat-personeelsafgevaardigden.
CHAPITRE XII. - Modification de la loi du 19 mars 1991 portant un régime particulier de licenciement pour les délégués du personnel aux conseils d'entreprise et aux comités de sécurité, d'hygiène et d'embellissement des lieux de travail, ainsi que pour les candidats délégués du personnel.
Art.130. <wijzigingsbepaling van art. 9, lid 4, van W 1991-03-19/32>
Art.130.
TITEL V. - Volksgezondheid.
TITRE V. - Santé publique.
HOOFDSTUK I. - Instituut voor hygiëne en epidemiologie.
CHAPITRE I. - Institut d'hygiène et d'épidémiologie.
Art.131. De aanwerving van het wetenschappelijk personeel bij het Instituut voor hygiëne en epidemiologie en bij de Beheerseenheid van het mathematisch model van de Noordzee, respectievelijk tussen 1 april 1974 en 15 juli 1985 en tussen 1 oktober 1976 en 30 januari 1989 is bekrachtigd, voor zover dit personeel in een wetenschappelijke graad bij die diensten was aangewezen of benoemd, ten laatste binnen het jaar na bekendmaking van deze wet.
  Voor de toepassing van het eerste lid, worden de reeds uitgevoerde prestaties van dit personeel bij die diensten meegerekend wanneer hun geldelijke en wetenschappelijke anciënniteit wordt vastgesteld.
Art.131. L'engagement du personnel scientifique intervenu au sein de l'Institut d'hygiène et d'épidémiologie et de l'Unité de gestion du modèle mathématique de la mer du Nord, respectivement entre le 1er avril 1974 et le 15 juillet 1985 et entre le 1er octobre 1976 et le 30 janvier 1989, est validé pour autant que ce personnel ait été désigné ou nomme dans un grade scientifique au sein de ces services au plus tard endéans l'année qui suit la publication de la présente loi.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, les prestations accomplies par ce personnel au sein de ces services sont supputées lors de la fixation de leurs anciennetés pécuniaire et scientifique.
HOOFDSTUK II. - Bepalingen betreffende de bewuste verspreiding van genetisch gewijzigde organismen.
CHAPITRE II. - Dispositions relatives à la dissémination volontaire d'organismes génétiquement modifiés.
Art.132. <W 2007-03-01/37, art. 32, 019; Inwerkingtreding : 24-03-2007> Teneinde de uitvoering te verzekeren van de verplichtingen voortvloeiende uit internationale akkoorden of verdragen en uit Europese reglementering in verband met het doelbewust verspreiden, het in de handel brengen, de traceerbaarheid, de etikettering en de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gewijzigde organismen, regelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de doelbewuste verspreiding, het in de handel brengen, de traceerbaarheid, de etikettering en de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gewijzigde organismen of van producten die er bevatten.
  (De Koning kan een vergoeding opleggen, waarvan Hij het bedrag en de wijze van heffing bepaalt, voor :
  - iedere persoon die een toelating aanvraagt voor een introductie van een genetisch gemodificeerd organisme in België;
  - iedere persoon die een dossier indient met het oog op een toelating voor het op de markt brengen van een genetisch gemodificeerd organisme.) <W 2008-06-08/30, art. 50, 021; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  [1 De Koning wordt gemachtigd om de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten, te wijzigen, te vervangen of op te heffen.]1
  
Art.132. <L 2007-03-01/37, art. 32, 019; En vigueur : 24-03-2007> Pour assurer l'exécution des obligations résultant d'accords ou de traités internationaux ainsi que de réglementations européennes en ce qui concerne la dissémination volontaire, la mise sur le marché, la traçabilité, l'étiquetage et les mouvements transfrontières d'organismes génétiquement modifiés, le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, règle la dissémination volontaire, la mise sur le marché, la traçabilité, l'étiquetage et les mouvements transfrontières d'organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant.
  (Le Roi peut imposer une redevance, dont Il détermine le montant et les modalités de perception, pour :
  - toute personne qui sollicite une autorisation d'introduction en Belgique pour un organisme génétiquement modifié;
  - toute personne qui soumet un dossier en vue d'une autorisation de mise sur le marché d'un organisme génetiquement modifié.) <L 2008-06-08/30, art. 50, 021; En vigueur : 26-06-2008>
  [1 Le Roi est habilité à modifier, remplacer ou abroger les dispositions de l'arrêté royal du 13 novembre 2011 fixant les rétributions et cotisations dues au Fonds budgétaire des matières premières et des produits.]1
  
Art. 132bis. <INGEVOEGD bij W 2007-03-01/37, art. 33; Inwerkingtreding : 24-03-2007> § 1. Onverminderd de bevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning, op gezamenlijke voordracht van de Ministers bevoegd voor Volksgezondheid en voor Leefmilieu, aangewezen statutaire en contractuele personeelsleden van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, toezicht op de naleving van de besluiten ter uitvoering van artikel 132 van deze wet, en op de bepalingen genomen krachtens de internationale akkoorden en verdragen, en de Europese verordeningen en beschikkingen in verband met het doelbewust verspreiden, het in de handel brengen, de traceerbaarheid, de etikettering en de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gewijzigde organismen of van producten die er bevatten.
  § 2. In de uitoefening van hun opdracht kunnen de in § 1 bedoelde statutaire en contractuele personeelsleden :
  1° op elk moment elke plaats betreden en doorzoeken waar zich producten kunnen bevinden evenals elke plaats waar bewijzen van het bestaan van een inbreuk mogelijk kunnen worden aangetroffen. Het bezoek aan lokalen die uitsluitend als woning dienen is slechts toegestaan tussen 5 uur 's ochtends en 9 uur 's avonds en kan slechts gebeuren met een voorafgaandelijke schriftelijke machtiging hiertoe afgeleverd door een rechter van de politierechtbank;
  2° zich alle inlichtingen en bescheiden doen verstrekken die zij tot het volbrengen van hun opdracht nodig achten, en overgaan tot alle nuttige vaststellingen;
  3° monsters nemen of onder hun toezicht laten nemen en deze onderzoeken en/of laten analyseren.
  § 3. De door de Koning aangewezen statutaire en contractuele personeelsleden stellen de overtredingen van de besluiten ter uitvoering van artikel 132 van deze wet en van de bepalingen genomen, krachtens de internationale akkoorden en verdragen, en de Europese verordeningen en beschikkingen in verband met het doelbewust verspreiden, het in de handel brengen, de traceerbaarheid, de etikettering en de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gewijzigde organismen of van producten die er bevatten, vast in processen-verbaal, die bewijskracht hebben behoudens tegenbewijs; een afschrift ervan wordt binnen de vijftien kalenderdagen na de vaststelling aan de overtreder toegezonden.
  § 4. De door de Koning aangewezen statutaire en contractuele personeelsleden kunnen bij administratieve maatregel de genetisch gewijzigde organismen of de producten die er bevatten waarvan zij vermoeden dat zij niet beantwoorden aan de bepalingen van een krachtens artikel 132 van deze wet genomen besluit of aan de bepalingen genomen krachtens de internationale akkoorden en verdragen, en de Europese verordeningen en beschikkingen in verband met het doelbewust verspreiden, het in de handel brengen, de traceerbaarheid, de etikettering en de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gewijzigde organismen of van producten die er bevatten, onder bewarend beslag plaatsen voor een termijn van maximaal 60 kalenderdagen, teneinde ze aan onderzoek of analyse te onderwerpen. Naargelang van het resultaat van het onderzoek of de analyse wordt het bewarend beslag op bevel van het statutaire of contractuele personeelslid die het product tijdelijk voor onderzoek in bezit heeft genomen, gelicht of kunnen de producten definitief in beslag genomen worden. De definitief in bezit genomen producten kunnen vernietigd of teruggestuurd worden. Het verstrijken van de termijn leidt ook tot de lichting van het bewarend beslag.
  De genetisch gewijzigde organismen of de producten die er bevatten, die het voorwerp uitmaken van een bewarend beslag bedoeld in het eerste lid, zullen indien noodzakelijk voor niet-bewarende producten of om dwingende redenen van volksgezondheid en/of van leefmilieu vernietigd worden. Tot die vernietiging wordt besloten door de door de Koning aangewezen statutaire en contractuele personeelsleden.
  De kosten voor de vernietiging, verwerking, ontaarding, buiten gebruikstelling, bewaring, inbeslagname, verzegeling of het sekwester, van het onderzoek of de analyse zijn ten laste van de eigenaar of, bij ontstentenis, van de houder van de producten.
  § 5. Bij dreigend gevaar voor de volksgezondheid of het leefmilieu kan de Minister bevoegd voor de volksgezondheid of het leefmilieu, bij een met redenen omklede beslissing, alle door de omstandigheden genoodzaakte noodmaatregelen treffen of opleggen.
Art. 132bis. § 1er. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les membres du personnel statutaires ou contractuels du SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, désignés par le Roi sur proposition conjointe des Ministres qui ont la Santé publique et l'Environnement dans leurs attributions, contrôlent l'application des arrêtés pris en exécution de l'article 132 de la présente loi, des dispositions prises en vertu des accords et traités internationaux, et des règlements et décisions européens en ce qui concerne la dissémination volontaire, la mise sur le marché, la traçabilité, l'étiquetage et les mouvements transfrontières d'organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant.
  § 2. Dans l'exécution de leur mission, les membres du personnel statutaires ou contractuels visés au § 1er peuvent :
  1° pénétrer et investiguer, à tout moment, dans tout lieu où peuvent se trouver des produits ainsi que dans les lieux où sont susceptibles d'être trouvées les preuves de l'existence d'une infraction. La visite des locaux servant exclusivement d'habitation n'est permise qu'entre 5 heures du matin et 9 heures du soir et il ne peut y être procédé qu'avec l'autorisation écrite, préalable, et délivrée à cet effet par un juge du tribunal de police;
  2° exiger la production des informations et documents dont ils estiment avoir besoin dans l'exécution de leur mission et procéder à toutes les constatations utiles;
  3° prélever ou faire prélever, sous leur surveillance, des échantillons et les examiner et/ou les faire analyser.
  § 3. Les membres du personnel statutaires ou contractuels, désignés par le Roi, constatent les infractions aux arrêtes pris en exécution de l'article 132 de la présente loi et aux dispositions prises en vertu des accords et traités internationaux, et des règlements et décisions européens en ce qui concerne la dissémination volontaire, la mise sur le marché, la traçabilité, l'étiquetage et les mouvements transfrontières d'organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant, en dressant des procès-verbaux qui font foi jusqu'à preuve du contraire; une copie du procès-verbal est transmise au contrevenant, dans les quinze jours civils suivant la constatation.
  § 4. Les membres du personnel statutaires ou contractuels, désignés par le Roi, peuvent, par mesure administrative et pour un délai de soixante jours calendrier maximum, procéder à la saisie conservatoire des organismes génétiquement modifiés ou les produits en contenant dont ils suspectent la non-conformité aux dispositions d'un arrêté pris en exécution de l'article 132 de la présente loi ou aux dispositions prises en vertu des accords et traités internationaux, et des règlements et décisions européens en ce qui concerne la dissémination volontaire, la mise sur le marché, la traçabilité, l'étiquetage et les mouvements transfrontières d'organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant, afin de les soumettre a un examen ou une analyse. Suivant le résultat de l'examen ou de l'analyse, la saisie conservatoire est levée sur ordre du membre du personnel statutaire ou contractuel qui a temporairement saisi le produit pour examen, ou les produits peuvent être saisis définitivement. Les produits saisis définitivement peuvent être détruits ou renvoyés. L'échéance du délai conduit également à la levée de la saisie conservatoire.
  Les organismes génétiquement modifiés ou les produits en contenant faisant l'objet d'une saisie conservatoire visée à l'alinéa 1er, seront détruits si cela est nécessaire pour des raisons de non-conservation ou pour des raisons impérieuses de santé publique et/ou d'environnement. Cette destruction est ordonnée par les membres du personnel statutaires ou contractuels désignés par le Roi.
  Les frais de destruction, de transformation, de dénaturation, de mise hors d'usage, de conservation, de saisie, de mise sous scellés ou sous séquestre, d'examen ou d'analyse sont à charge du propriétaire ou, à défaut, du détenteur des produits.
  § 5. En cas de danger imminent pour la santé publique ou l'environnement, le Ministre qui a la santé publique ou l'environnement dans ses attributions peut, par décision motivée, prendre ou imposer toutes les mesures urgentes qui s'imposent compte tenu des circonstances.
Art. 132ter. <INGEVOEGD bij W 2007-03-01/37, art. 35; Inwerkingtreding : 24-03-2007> De overtredingen van de bepalingen van de besluiten ter uitvoering van artikel 132 van deze wet en van de bepalingen genomen, krachtens de internationale akkoorden en verdragen, en de Europese verordeningen en beschikkingen in verband met het doelbewust verspreiden, het in de handel brengen, de traceerbaarheid, de etikettering en de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gewijzigde organismen of van producten die er bevatten, kunnen worden gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en een geldboete van 1 000 euro tot 50 000 euro, of met een administratieve boete.
  [1 De in het eerste lid bepaalde strafrechtelijke sancties worden op een gevangenisstraf van één maand tot drie jaar en een geldboete van 1 000 euro tot 5 000 000 euro of een administratieve boete gebracht wanneer :
   1° een genetisch gemodificeerd organisme of een product dat GGO's bevat, in de handel wordt gebracht in overtreding met de bepalingen van de besluiten ter uitvoering van artikel 132 van deze wet en van de bepalingen van de Europese verordeningen en beschikkingen terzake en, uit grove nalatigheid in hoofde van diegene die het illegaal op de markt gebracht heeft, zorgt voor een lozing, een uitstoot of anderszins brengen van een hoeveelheid materie in de lucht, het water of in de grond, waardoor bij gebruik ervan de dood van of ernstig letsel aan personen wordt of kan worden veroorzaakt;
   2° een genetisch gemodificeerd organisme of een product dat GGO's bevat, in de handel wordt gebracht in overtreding met de bepalingen van de besluiten ter uitvoering van artikel 132 van deze wet en van de bepalingen van de Europese verordeningen en beschikkingen terzake en, uit grove nalatigheid in hoofde van degene die het illegaal op de markt gebracht heeft, zorgt voor een lozing, een uitstoot of anderszins brengen van een hoeveelheid materie in de lucht, het water of de grond, waardoor aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, water of grond of aan dieren of planten wordt of kan worden veroorzaakt wanneer het op de markt gebracht wordt.
   De in het eerste lid bepaalde strafrechtelijke sancties worden op een gevangenisstraf van één maand tot acht jaar en een geldboete van 1 000 euro tot 10 000 000 euro of een administratieve boete gebracht wanneer :
   1° een genetisch gemodificeerd organisme of een product dat GGO's bevat, in de handel wordt gebracht in overtreding met de bepalingen van de besluiten ter uitvoering van artikel 132 van deze wet en van de bepalingen van de Europese verordeningen en beschikkingen terzake en, opzettelijk in hoofde van diegene die het illegaal op de markt gebracht heeft, zorgt voor een lozing, een uitstoot of anderszins brengen van een hoeveelheid materie in de lucht, het water of in de grond, waardoor bij gebruik ervan de dood van of ernstig letsel aan personen wordt of kan worden veroorzaakt;
   2° een genetische gemodificeerd organisme of een product dat GGO's bevat, in de handel wordt gebracht in overtreding met de bepalingen van de besluiten ter uitvoering van artikel 132 van deze wet en van de bepalingen van de Europese verordeningen en beschikkingen terzake en, opzettelijk in hoofde van degene die het illegaal op de markt gebracht heeft, zorgt voor een lozing, een uitstoot of anderszins brengen van een hoeveelheid materie in de lucht, het water of de grond, waardoor aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, water of grond of aan dieren of planten wordt of kan worden veroorzaakt wanneer het op de markt gebracht wordt]1

  De verbaliserende ambtenaar stuurt het proces-verbaal dat het misdrijf vaststelt aan de Procureur des Konings alsook een afschrift ervan aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
  
Art. 132ter. Les infractions aux dispositions des arrêtés pris en exécution de l'article 132 de la présente loi et aux dispositions prises en vertu des accords et traités internationaux et des règlements et décisions européens en ce qui concerne la dissémination volontaire, la mise sur le marché, la traçabilité, l'étiquetage et les mouvements transfrontières d'organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant et, peuvent être punies d'une peine de prison d'un mois à deux ans et d'une amende de 1 000 euros à 50 000 euros, ou d'une amende administrative.
  [1 Les sanctions pénales prévues au premier alinéa sont portées à un emprisonnement d'un mois à 3 ans et d'une amende de 1 000 euros à 5 000 000 euros ou d'une amende administrative lorsque :
   1° un organisme génétiquement modifié ou un produit en contenant est mis sur le marché en infraction avec les dispositions des arrêtés pris en exécution de l'article 132 de la présente loi et des règlements et décisions européens y relatifs et qu'il provoque, suite à une négligence grave dans le chef de celui qui l'a mis illégalement sur le marché, un rejet, une émission ou l'introduction d'une quantité de substances dans l'atmosphère, les eaux ou le sol qui cause ou est susceptible de causer la mort ou de graves lésions à des personnes lors de son utilisation;
   2° un organisme génétiquement modifié ou un produit en contenant est mis sur le marché en infraction avec les dispositions des arrêtés pris en exécution de l'article 132 de la présente loi et des règlements et décisions européens y relatifs et qu'il provoque, suite à une négligence grave dans le chef de celui qui l'a mis illégalement sur le marché, un rejet, une émission ou l'introduction d'une quantité de substances dans l'atmosphère, les eaux ou le sol qui cause ou est susceptible de causer une dégradation substantielle de la qualité de l'air, de l'eau ou du sol ou de la faune et de la flore lors de sa mise sur le marché.
   Les sanctions pénales prévues au premier alinéa sont portées à un emprisonnement d'un mois à 8 ans et à une amende de 1 000 euros à 10 000 000 euros ou d'une amende administrative lorsque :
   1° un organisme génétiquement modifié ou un produit en contenant est mis sur le marché en infraction avec les dispositions des arrêtés pris en exécution de l'article 132 de la présente loi et des règlements et décisions européens y relatifs et qu'il provoque, intentionnellement dans le chef de celui qui l'a mis illégalement sur le marché, un rejet, une émission ou l'introduction d'une quantité de substances dans l'atmosphère, les eaux ou le sol qui cause ou est susceptible de causer la mort ou de graves lésions à des personnes lors de son utilisation;
   2° un organisme génétiquement modifié ou un produit en contenant est mis sur le marché en infraction avec les dispositions des arrêtés pris en exécution de l'article 132 de la présente loi et des règlements et décisions européens y relatifs et qu'il provoque, intentionnellement dans le chef de celui qui l'a mis illégalement sur le marché, un rejet, une émission ou l'introduction d'une quantité de substances dans l'atmosphère, les eaux ou le sol qui cause ou est susceptible de causer une dégradation substantielle de la qualité de l'air, de l'eau ou du sol ou de la faune et de la flore lors de sa mise sur le marché.]1

  Le fonctionnaire verbalisant envoie le procès-verbal qui constate le délit au procureur du Roi ainsi qu'une copie au fonctionnaire désigne par le Roi.
  
Art. 132quater. <INGEVOEGD bij W 2007-03-01/37, art. 33; Inwerkingtreding : 24-03-2007> § 1. De procureur des Konings beslist of hij al dan niet strafrechtelijk vervolgt.
  Strafvervolging sluit administratieve geldboete uit, ook wanneer de vervolging tot vrijspraak heeft geleid.
  § 2. De procureur des Konings beschikt over een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal, om van zijn beslissing kennis te geven aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
  Ingeval de procureur des Konings van strafvervolging afziet of verzuimt binnen de gestelde termijn van zijn beslissing kennis te geven, beslist de door de Koning aangewezen ambtenaar overeenkomstig de nadere regels en voorwaarden die Hij bepaalt, of wegens het misdrijf een administratieve geldboete moet worden voorgesteld, nadat de betrokkene de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voor te brengen.
  § 3. De beslissing van de ambtenaar is met redenen omkleed en bepaalt het bedrag van de administratieve geldboete, die niet lager mag zijn dan het minimum van de geldboete bepaald door de overtreden wettelijke bepaling, noch hoger dan het vijfvoudige van dit minimum.
  Deze bedragen worden evenwel altijd vermeerderd met de opdeciemen vastgesteld voor de strafrechtelijke geldboeten.
  Bovendien worden de expertisekosten ten laste gelegd van de overtreder.
  § 4. Bij samenloop van misdrijven worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd, zonder dat deze samen hoger mogen zijn dan het maximumbedrag bedoeld in artikel 132ter.
  § 5. [1 De beslissing bedoeld in paragraaf 3 van dit artikel wordt aan de betrokkene ter kennis gebracht samen met een verzoek tot betaling van de boete binnen de door de Koning gestelde termijn.]1 Deze kennisgeving doet de strafvordering vervallen; de betaling van de administratieve geldboete maakt een einde aan de vordering van de administratie.
  § 6. Blijft de betrokkene in gebreke om de geldboete en de expertisekosten binnen de gestelde termijn te betalen, dan vordert de ambtenaar de betaling van de geldboete en de expertisekosten voor de bevoegde rechtbank. [1 De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid die van het vierde deel, boek II en boek III, zijn van toepassing.]1
  § 7. Geen administratieve geldboete kan worden opgelegd drie jaar na het feit dat een bij dit hoofdstuk bedoeld misdrijf oplevert.
  De daden van onderzoek of van vervolging verricht binnen de in het eerste lid gestelde termijn stuiten evenwel de loop ervan.
  Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.
  § 8. De Koning bepaalt de procedureregelen die van toepassing zijn inzake administratieve geldboeten.
  De administratieve geldboeten worden gestort [1 in het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten]1.
  § 9. De rechtspersoon waarvan de overtreder orgaan of aangestelde is, is eveneens aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete.
  
Art. 132quater. § 1er. Le procureur du Roi décide s'il y a lieu ou non de poursuivre pénalement.
  Les poursuites pénales excluent l'application d'une amende administrative, même si un acquittement les clôture.
  § 2. Le procureur du Roi dispose d'un délai de trois mois, à compter du jour de la réception du procès-verbal, pour notifier sa décision au fonctionnaire désigné par le Roi.
  Dans le cas où le procureur du Roi renonce à intenter des poursuites pénales ou omet de notifier sa décision dans le délai fixé, le fonctionnaire désigné par le Roi, décide, suivant les modalités et conditions qu'Il fixe, et après avoir mis l'intéressé en mesure de présenter ses moyens de défense, s'il y a lieu de proposer une amende administrative du chef de l'infraction.
  § 3. La décision du fonctionnaire est motivée et fixe le montant de l'amende administrative qui ne peut être inférieur au minimum de l'amende prévue par la disposition légale violée, ni supérieur au quintuple de ce minimum.
  Toutefois ces montants sont toujours majorés des décimes additionnels fixés pour les amendes pénales.
  En outre, les frais d'expertise sont mis à charge du contrevenant.
  § 4. En cas de concours d'infractions, les montants des amendes administratives sont cumulés, sans que leur total puisse excéder le maximum prévu à l'article 132ter.
  § 5. [1 La décision, visée au paragraphe 3 du présent article, est communiquée à l'intéressé en même temps qu'une invitation à acquitter l'amende dans le délai fixé par le Roi.]1 Cette notification éteint l'action publique; le paiement de l'amende administrative met fin à l'action de l'administration.
  § 6. Si l'intéressé demeure en défaut de payer l'amende et les frais d'expertise dans le délai fixé, le fonctionnaire poursuit le paiement de l'amende et des frais d'expertise devant le tribunal compétent. [1 Les dispositions du Code judiciaire, notamment la quatrième partie, livre II et livre III, sont d'application.]1
  § 7. Il ne peut être infligé d'amende administrative trois ans après le fait constitutif d'une infraction prévue par le présent chapitre.
  Toutefois les actes d'instruction ou de poursuite, faits dans le délai determiné à l'alinéa 1er, en interrompent le cours.
  Ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée, même à l'égard des personnes qui n'y sont pas impliquées.
  § 8. Le Roi détermine les règles de procédure applicables en matière d'amendes administratives.
  Les amendes administratives sont versées [1 au Fonds budgétaire des matières premières et des produits]1.
  § 9. La personne morale dont le contrevenant est l'organe ou le préposé, est également responsable du paiement de l'amende administrative.
  
Art. 132quinquies. <INGEVOEGD bij W 2007-03-01/37, art. 36; Inwerkingtreding : 24-03-2007> De bepalingen van de artikelen 132bis tot en met 132quater zijn niet van toepassing op de controles verricht noch op de inbreuken vastgesteld met toepassing van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen.
Art. 132quinquies. Les dispositions reprises sous les articles 132bis à 132quater ne s'appliquent pas aux contrôles effectués ni aux infractions constatées en application de l'arrêté royal du 22 février 2001 organisant les contrôles effectués par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et modifiant diverses dispositions légales.
HOOFDSTUK III. - Instituut voor veterinaire keuring.
CHAPITRE III. - Institut d'expertise vétérinaire.
AFDELING 1. - Wijzigingen van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en vleeshandel.
SECTION 1. - Modifications de la loi du 5 septembre 1952 relative à l'expertise et au commerce des viandes.
Art.133. <wijzigingsbepaling van art. 17 van W 1952-09-05/30>
Art.133.
Art.134.
Art.134.
Art.135. <wijzigingsbepaling van art. 20, lid 2, van W 1952-09-05/30>
Art.135.
Art.136. Artikel 135 van deze wet wordt van kracht op 1 juli 1991.
Art.136. L'article 135 de la présente loi entre en vigueur le 1er juillet 1991.
AFDELING 2. - Wijziging van de wet van 15 april 1965 betreffende de keuring van en de handel in vis, gevogelte, konijnen en wild.
SECTION 2. - Modification de la loi du 15 avril 1965 relative à l'expertise et au commerce du poisson, des volailles, des lapins et du gibier.
Art.137.
Art.137.
TITEL VI. - Diverse bepalingen.
TITRE VI. - Dispositions diverses.
HOOFDSTUK I. - Justitie.
CHAPITRE I. - Justice.
AFDELING 1. - Gerechtelijk Wetboek.
SECTION 1. - Code judiciaire.
Art.138.
Art.138.
Art.139.
Art.139.
Art.140. <wijzigingsbepaling van art. 365, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek 1967-10-10/02>
Art.140.
Art.141.
Art.141.
Art.142.
Art.142.
Art.143.
Art.143.
Art.144.
Art.144.
Art.145. De artikelen 138 tot 144 hebben uitwerking met ingang van 1 mei 1991.
Art.145. Les articles 138 à 144 produisent leurs effets à partir du 1er mai 1991.
AFDELING 2. - Nationaal Instituut voor criminalistiek.
SECTION 2. - Institut national de criminalistique.
Art.146. Bij afwijking van het artikel 51, § 4, vijfde en zesde lid, van de wet van 28 december 1973 betreffende de budgettaire voorstellen van 1973 en 1974, mag de Koning tot 31 december 1992 overgaan tot de primo-benoemingen in de betrekkingen waarin voorzien werd in het koninklijk besluit van 14 november 1972 houdende bijzondere bepalingen met het oog op de oprichting van het Nationaal Instituut voor criminalistiek.
  Voor die benoemingen geldt geen enkel recht van voorrang. Er wordt daartoe een oproep gedaan tot de kandidaten bij middel van een bericht in het Belgisch Staatsblad, met opgaaf van de vacante betrekkingen, de toelatingsvoorwaarden en de termijnen en modaliteiten van indiening van de kandidaturen.
Art.146. En dérogation à l'article 51, § 4, alinéas 5 et 6, de la loi du 28 décembre 1973 relative aux propositions budgétaires de 1973 et 1974, le Roi peut procéder jusqu'au 31 décembre 1992 aux premières nominations aux emplois prévus dans l'arrêté royal du 14 novembre 1972 portant des dispositions particulières en vue de la mise sur pied de l'Institut national de criminalistique.
  Ces nominations sont soustraites à tous droits de priorité. Elles font l'objet d'un appel aux candidats par la voie d'un avis au Moniteur belge, mentionnant notamment les emplois vacants, les conditions d'admissibilité ainsi que les délais et les modalités d'introduction des candidatures.
AFDELING 3. - Vergunningen tot aankoop en immatriculatiegetuigschriften voor verweerwapens.
SECTION 3. - Autorisation d'acquisition et certificats d'immatriculation d'armes de défense.
Art.147. <wijzigingsbepaling van art. 25 van W 1991-01-30/39>
Art.147.
HOOFDSTUK II. - Binnenlandse Zaken. - Wijziging van artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
CHAPITRE II. - Intérieur. - Modification de l'article 36 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat.
Art.148. Artikel 36 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ingevoegd bij de wet van 17 oktober 1990, wordt gewijzigd als volgt :
  1° in § 1, tweede lid, worden de derde, vierde en vijfde zin geschrapt;
  2° een § 5, luidend als volgt, wordt toegevoegd :
  " § 5. De dwangsom bedoeld in § 1 wordt ten uitvoer gelegd op vraag van de verzoeker en met tussenkomst van de Minister van Binnenlandse Zaken. Zij wordt toegewezen aan een begrotingsfonds in de zin van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen. Dit fonds wordt genoemd " Fonds voor het beheer van de dwangsommen ".
  De middelen die aan dit fonds worden toegewezen, worden gebruikt voor de modernisering van de organisatie van de administratieve rechtspraak en worden aangewend bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. "
Art.148. L'article 36 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, inséré par la loi du 17 octobre 1990, est modifié comme suit :
  1° au § 1er, alinéa 2, les troisième, quatrième et cinquième phrases sont supprimées;
  2° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
  " § 5. L'astreinte visée au § 1er est exécutée à la demande du requérant et à l'intervention du Ministre de l'Intérieur. Elle est affectée à un fonds budgétaire au sens de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires. Ce fonds est dénommé " Fonds de gestion des astreintes ".
  Les moyens attribués à ce fonds sont utilisés pour la modernisation de l'organisation de la jurisprudence administrative et l'affectation de ces moyens fera l'objet d'un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. "
HOOFDSTUK III. - Openbaar Ambt.
CHAPITRE III. - Fonction publique.
AFDELING 1. - Tijdelijke personeelsleden en tewerkgestelde werklozen.
SECTION 1. - Agents temporaires et chômeurs mis au travail.
Art.149.
Art.149.
AFDELING 2. - Aanwervingen van ambtenaren door de Belgische Dienst voor buitenlandse handel.
SECTION 2. - Recrutements d'agents par l'Office belge du commerce extérieur.
Art.150. De aanwervingen van de 64 vaste ambtenaren die door de Belgische Dienst voor buitenlandse handel zijn in dienst genomen tussen 1 januari 1983 en 31 december 1988, worden geldig verklaard.
Art.150. Sont validés les recrutements des 64 agents définitifs engagés par l'Office belge du commerce extérieur entre le 1er janvier 1983 et le 31 décembre 1988.
AFDELING 3. - Gesubsidieerde contractuelen.
SECTION 3. - Contractuels subventionnés.
Art.151. <wijzigingsbepaling van art. 95, § 2, van W 1988-12-30/31>
Art.151.
Art.152. <wijzigingsbepaling van art. 95, § 3, van W 1988-12-30/31>
Art.152.
HOOFDSTUK IV. - Economische Zaken.
CHAPITRE IV. - Affaires économiques.
AFDELING 1. - Inleiding van het personeel van de Dienst voor nijverheidsbevordering bij het Rijkspersoneel.
SECTION 1. - Intégration du personnel de l'Office de promotion industrielle dans le personnel de l'Etat.
Art.153. De vaste personeelsleden van de Dienst voor nijverheidsbevordering, die bij de koninklijke besluiten van 11 mei 1984 overgeheveld werden naar een tijdelijke formatie opgericht bij het Ministerie van Economische Zaken, in uitvoering van artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit nr. 250 van 31 december 1983 tot opheffing van de Dienst voor nijverheidsbevordering, verwerven de hoedanigheid van rijksambtenaar.
Art.153. Les agents définitifs de l'Office de promotion industrielle, transférés par arrêtés royaux du 11 mai 1984 vers un cadre temporaire créé au Ministère des Affaires économiques, en exécution de l'article 1er, § 3, de l'arrêté royal n° 250 du 31 décembre 1983 portant suppression de l'Office de promotion industrielle, acquièrent la qualité d'agent de l'Etat.
Art.154. De vaste personeelsleden van de Dienst voor nijverheidsbevordering, worden in dezelfde hoedanigheid overgeheveld, met behoud van hun graad-, niveau en dienstanciënniteit.
Art.154. Les agents définitifs de l'Office de promotion industrielle sont transférés dans la même qualité, avec maintien de leur ancienneté de grade, de niveau et de service.
Art.155. Voor de bepaling van de weddeschaal, van de klasse en van de groep, alsmede voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, wordt rekening gehouden met de koninklijke besluiten tot benoeming en met de beslissingen van de Algemene Raad.
  De overgehevelde personeelsleden behouden alle administratieve en geldelijke voordelen voortvloeiend uit de aldus verkregen administratieve en geldelijke anciënniteit.
  De groepsverzekering, die de Dienst voor nijverheidsbevordering ten gunste van haar personeel had onderschreven, wordt opgezegd vanaf 1 april 1984. Ten aanzien van de verworven rechten verkrijgt de Staat een recht van subrogatie voor het gedeelte dat overeenstemt met de werkelijk bij de Dienst voor nijverheidsbevordering gepresteerde diensten.
Art.155. Pour la détermination de l'échelle de traitement, de la classe et du groupe ainsi que pour la fixation de l'ancienneté pécuniaire, il est tenu compte des arrêtés royaux de nomination et des décisions du Conseil général.
  Les agents transférés conservent tous les avantages administratifs et pécuniaires qui découlent de l'ancienneté administrative et pécuniaire ainsi acquise.
  L'assurance-groupe que l'Office de promotion industrielle avait souscrite en faveur de son personnel est résiliée à partir du 1er avril 1984. A l'égard des droits acquis, l'Etat obtient un droit de subrogation conformément aux services réellement prestés à l'Office de promotion industrielle.
Art.156. Deze afdeling heeft, wat de pensioenrechten aangaat, uitwerking met ingang van 31 maart 1984.
Art.156. Pour les droits à la pension la présente section sort ses effets à partir du 31 mars 1984.
AFDELING 2. - Bevestiging van het statuut van het personeel van het Planbureau.
SECTION 2. - Confirmation du statut du personnel du Bureau du Plan.
Art.157. (§ 1.) De aanneembare diensten die in aanmerking werden genomen voor de berekening van de bezoldiging van de leden en van het administratief en meesterpersoneel van het Planbureau, benoemd bij wege van eerste benoeming in elk der betrekkingen voorzien op de eerste personeelsformatie van het Planbureau, worden bevestigd. <W 2000-08-12/62, art. 14, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2000>
  (§ 2. De leden en het administratief en meesterpersoneel van het Federaal Planbureau die door deze instelling voor 1 januari 1992 werden aangeworven hetzij in de hoedanigheid van contractueel, hetzij in de hoedanigheid van statutair, en die hun werkzaamheden bij dat bureau hebben stopgezet of stopzetten om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, genieten een pensioencomplement. Hetzelfde geldt voor de langstlevende echtgenoten en de wezen van de hiervoor bepaalde personen of van dergelijke personen die overleden zijn tijdens hun loopbaan bij dat bureau.
  Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde pensioencomplement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het bedrag van het pensioen dat betrokkene had kunnen verkrijgen met toepassing van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, indien de diensten waarvoor hij aanspraak kan maken op een pensioen in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel in aanmerking werden genomen, en anderzijds het pensioenbedrag waarop betrokkene werkelijk recht heeft met toepassing van die wet vermeerderd met het pensioenbedrag waarop hij recht heeft in het andere Belgisch wettelijk pensioenstelsel. Dit complement maakt integraal deel uit van het pensioen en is ten laste van het Federaal Planbureau.
  § 3. De leden en het administratief en meesterpersoneel van het Federaal Planbureau die door deze instelling voor 1 januari 1992 werden aangeworven het bij in de hoedanigheid van contractueel, het bij in de hoedanigheid van statutair, en die hun werkzaamheden bij dat bureau stopzetten vooraleer de minimumleeftijd te bereiken om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, alsook de langstlevende echtgenoten en de wezen van de hiervoor bepaalde personen, genieten een pensioencomplement.
  Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde pensioencomplement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het bedrag van het pensioen dat de betrokkene had kunnen verkrijgen met toepassing van de wet van 28 april 1958, indien de bij het Federaal Planbureau gepresteerde diensten waarvoor hij aanspraak kan maken op een pensioen in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel in aanmerking werden genomen en anderzijds het pensioenbedrag waarop de betrokkene werkelijk recht heeft met toepassing van die wet vermeerderd met het pensioenbedrag waarop hij recht heeft in het andere Belgisch wettelijk pensioenstelsel.
  Dit complement maakt integraal deel uit van het pensioen en is ten laste van het Federaal Planbureau.
  § 4. De voor 1 januari 1992 krachtens artikel 10 van het koninklijk besluit van 24 mei 1971 houdende statuut, organisatie en werkingsmodaliteiten van het Planbureau, in dienst genomen experten die ten minste 20 jaar diensten als expert tellen en die hun loopbaan in die hoedanigheid beëindigen bij dat bureau om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, alsook de langstlevende echtgenoten en de wezen van dergelijke experten of van experten die voor 1 januari 1992 in dienst werden genomen en die overleden zijn tijdens hun loopbaan bij dat bureau hebben, voor de periode gedurende welke zij in die hoedanigheid diensten hebben verricht, recht op een pensioencomplement. In geval van overlijden in dienstactiviteit wordt de periode begrepen tussen de datum van het overlijden en de 65e verjaardag van de expert gevoegd bij de duur van de diensten in de hoedanigheid van expert om na te gaan of de minimumduur van 20 jaar werd bereikt.
  Het in het eerste lid bedoelde complement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds, het pensioen dat hun zou zijn verschuldigd indien voor de betrokken periode, de bepalingen van voormelde wet van 28 april 1958 op hen van toepassing waren en anderzijds, het bedrag van het pensioen waarop zij recht hebben voor dezelfde periode in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel. Dit complement is ten laste van het Federaal Planbureau.
  § 5. Het in §§ 2 en 3 bedoelde pensioencomplement wordt berekend door de administratie der Pensioenen van het ministerie van Financiën. Het wordt uitbetaald door de Centrale Dienst der Vaste Uitgaven van de administratie der Thesaurie van het ministerie van Financiën.
  § 6. Het Federaal Planbureau dient aan de administratie der Pensioenen maandelijkse voorschotten te storten, waarvan het bedrag aan dit bureau wordt meegedeeld door deze administratie. Het bedrag van deze voorschotten, dat op ieder ogenblik kan worden aangepast, wordt vastgesteld op basis van een raming van de uitgaven die voor het jaar in kwestie voortvloeien uit de toepassing van §§ 2 en 3. Deze voorschotten moeten uiterlijk vijf werkdagen voor de datum van betaling van de voordelen waarop ze betrekking hebben, bij de administratie der Pensioenen toekomen.
  In het begin van ieder kalenderjaar zendt de administratie der Pensioenen aan het Federaal Planbureau een samenvattend overzicht betreffende het voorafgaande jaar dat enerzijds de voor dat jaar gestorte voorschotten vermeldt en anderzijds het totaal van de met toepassing van §§ 2 en 3 verschuldigde bedragen. Indien blijkt dat het totaal aan gestorte voorschotten lager is dan het totaal van de verschuldigde bedragen, dient het resterende saldo bij de administratie der Pensioenen toe te komen uiterlijk de laatste werkdag van de tweede maand volgend op die tijdens dewelke het nog verschuldigde bedrag werd meegedeeld. Indien blijkt dat het totaal aan gestorte voorschotten hoger is dan het totaal van de verschuldigde bedragen, wordt het overschot in mindering gebracht van een latere storting van voorschotten.) <W 2000-08-12/62, art. 14, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2000>
Art.157. (§ 1.) Sont confirmés les services admissibles pris en considération pour le calcul du traitement des membres et du personnel administratif et de maîtrise du Bureau du Plan nommés lors des premières nominations à chacun des emplois prévus au premier cadre organique du personnel du Bureau du Plan. <L 2000-08-12/62, art. 14, 1°, 013; En vigueur : 01-07-2000>
  (§ 2. Les membres et le personnel administratif et de maîtrise du Bureau fédéral du Plan recrutés par cet organisme avant le 1er janvier 1992, soit en qualité de contractuel, soit en qualité de statutaire, et qui ont cessé ou cessent leurs activités au sein dudit bureau pour faire valoir leur droit à une pension de retraite, bénéficient d'un complément de pension. Il en est de même pour les conjoints survivants et les orphelins des personnes définies ci-avant ou de telles personnes qui sont décédées durant leur carrière au sein dudit bureau.
  Le montant du complément de pension visé à l'alinéa 1er est égal à la différence entre, d'une part, le montant de la pension que l'intéressé aurait pu obtenir en application de la loi du 28 avril 1958 relative a la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit si les services pour lesquels il peut prétendre à une pension dans un autre régime légal belge de pension avaient été pris en compte et, d'autre part, le montant de la pension à laquelle l'intéressé a effectivement droit en application de cette loi augmenté à concurrence du montant de la pension à laquelle il a droit dans l'autre régime légal belge de pension. Ce complément, qui fait partie intégrante de la pension, est à charge du Bureau fédéral du Plan.
  § 3. Les membres et le personnel administratif et de maîtrise du Bureau fédéral du Plan recrutés par cet organisme avant le 1er janvier 1992, soit en qualité de contractuel, soit en qualité de statutaire, et qui cessent leurs activités au sein dudit bureau avant d'avoir atteint l'âge minimum pour faire valoir leur droit à une pension de retraite, de même que les conjoints survivants et les orphelins des personnes définies ci-avant, bénéficient d'un complément de pension.
  Le montant du complément de pension visé à L'alinéa 1er est égal a la différence entre, d'une part, le montant de la pension que l'intéressé aurait pu obtenir en application de la loi du 28 avril 1958 précitée si les services prestés auprès du Bureau fédéral du Plan pour lesquels il peut prétendre à une pension dans un autre régime légal belge de pension avaient été pris en compte et, d'autre part, le montant de la pension à laquelle L'intéressé a effectivement droit en application de cette loi augmenté à concurrence du montant de la pension à laquelle il a droit dans l'autre régime légal belge de pension.
  Ce complément, qui fait partie intégrante de la pension, est à charge du Bureau fédéral du Plan.
  § 4. Les experts qui ont été engagés avant le 1er janvier 1992 en vertu de l'article 10 de l'arrêté royal du 24 mai 1971 portant statut du Bureau du Plan et en déterminant l'organisation et les modalités de son fonctionnement, qui comptent au moins 20 années de services en tant qu'expert et qui terminent leur carrière en cette qualité au sein dudit bureau pour faire valoir leur droit à une pension de retraite, de même que les conjoints survivants et les orphelins de tels experts ou d'experts qui ont été engagés avant le 1er janvier 1992 et qui sont décédés durant leur carrière au sein dudit bureau ont droit, pour la période durant laquelle ils ont presté des services en cette qualité, à un complément de pension. En cas de décès en activité de service, la période comprise entre la date du décès et le 65e anniversaire de l'expert est ajoutée à la durée des services en qualité d'expert pour apprécier si la durée minimum de vingt ans est atteinte.
  Le montant du complément visé à l'alinéa 1er est égal à la différence entre, d'une part, la pension qui leur serait due s'ils avaient bénéficié, pour la période considérée, des dispositions de la loi du 28 avril 1958 précitée et, d'autre part, le montant de la pension à laquelle ils ont droit pour cette même période dans un autre régime légal belge de pension. Ce complément est à charge du Bureau fédéral du Plan.
  § 5. Le complément de pension visé aux §§ 2 et 3 est calculé par l'administration des Pensions du ministère des Finances. Il est liquidé par le Service central des Dépenses fixes de l'administration de la Trésorerie du ministère des Finances.
  § 6. Le Bureau fédéral du Plan est tenu de verser à L'administration des Pensions des provisions mensuelles dont le montant lui est communiqué par celle-ci. Le montant de ces provisions, qui peut être adapté à tout moment, est établi sur la base d'une estimation des dépenses qui, pour l'année considérée, résulteront de L'application des §§ 2 et 3. Ces provisions doivent parvenir à l'administration des Pensions au plus tard cinq jours ouvrables avant la date de paiement des prestations auxquelles elles se rapportent.
  Au début de chaque année civile, L'administration des Pensions adresse au Bureau fédéral du Plan un relevé récapitulatif pour l'année précédente mentionnant, d'une part, les provisions versées pour cette année et, d'autre part, le total des sommes dues en application des §§ 2 et 3. Si le total des provisions versées s'avère inférieur au total des sommes dues, le solde restant dû doit parvenir à l'administration des Pensions au plus tard le dernier jour ouvrable du deuxième mois qui suit la communication du montant restant dû. Si le total des provisions versées s'avère supérieur au total des sommes dues, L'excédent est déduit d'un versement ultérieur de provisions.) <L 2000-08-12/62, art. 14, 2°, 013; En vigueur : 01-07-2000>
HOOFDSTUK V. - Middenstand.
CHAPITRE V. - Classes moyennes.
Art.158. Voor de berekening van een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist of door deze uitbetaald, worden de diensten gepresteerd bij het Nationaal Instituut ter bevordering van het Scheppend Ambacht en bij het Nationaal Centrum voor de Economische Expansie der Kleine en Middelgrote Ondernemingen, gelijkgesteld met de diensten gepresteerd bij het Economisch en Sociaal Instituut voor de Middenstand.
  (Het eerste lid is ook van toepassing op de pensioenen lopende op de datum van inwerkingtreding van die bepaling.) <W 1992-12-30/40, art. 132, 003; Inwerkingtreding : 01-09-1991>
Art.158. Pour le calcul d'une pension à charge du Trésor public ou payée par celui-ci, les services rendus à l'Institut national pour la promotion des Métiers d'Art et au Centre national pour l'expansion économique des Petites et Moyennes Entreprises sont considérés comme services prestés auprès de l'Institut économique et social des Classes moyennes.
  (L'alinéa 1 est également applicable aux pensions en cours à la date de l'entrée en vigueur de cette disposition.) <L 1992-12-30/40, art. 132, 003; En vigueur : 01-09-1991>
HOOFDSTUK VI. - Vast Wervingssecretariaat.
CHAPITRE VI. - Secrétariat permanent de recrutement.
TITEL VII. - Justitie. - Coöperatieve vennootschappen.
TITRE VII. - Justice. - Des sociétés coopératives.
HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions modificatives.
Art.160. <wijzigingsbepaling van art. 2, lid 1, van W 1935-11-30/31>
Art.160.
Art.161. <wijzigingsbepaling van art. 4 van W 1935-11-30/31>
Art.161.
Art.162. <wijzigingsbepaling van art. 4, 1°, van het KB 1967-06-23/30>
Art.162.
Art.163. <wijzigingsbepaling van art. 7 van W 1935-11-30/31>
Art.163.
Art.164. <wijzigingsbepalingen van artikelen 141 tot 164 van W 1935-11-30/31>
Art.164.
HOOFDSTUK II. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions transitoires.
Art.165. De voordien opgerichte vennootschappen moeten hun statuten in overeenstemming brengen met de bepalingen van deze wet, binnen een door de Koning te bepalen termijn die niet minder mag bedragen dan een jaar en niet meer dan vijf jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de wet. Zolang hun statuten niet gewijzigd zijn, blijven die vennootschappen onder de toepassing vallen van de vroegere wets- en verordeningsbepalingen.
Art.165. Les sociétés antérieurement constituées doivent rendre leurs statuts conformes aux dispositions de la présente loi dans un délai à fixer par le Roi, qui ne peut être inférieur à un an et supérieur à cinq ans à compter de l'entrée en vigueur de la loi. Aussi longtemps que leurs statuts ne sont pas modifiés, ces sociétés demeurent régies par les dispositions législatives et réglementaires antérieures.
Art.166. De beslissingen betreffende de aanpassing van de statuten worden genomen in de vorm en bekendgemaakt op de wijze voorgeschreven voor de statutenwijziging.
Art.166. Les décisions de mise en concordance des statuts sont prises dans les formes et sont sujettes aux publications requises pour la modification des statuts.
Art.167. Binnen de in artikel 165 gestelde termijn kan de aanpassing van de statuten worden vervangen door een omzetting van de vennootschap volgens de wettelijke bepalingen.
Art.167. Pendant le délai prévu à l'article 165, la mise en concordance des statuts peut être remplacée par une transformation de la société, conformément aux dispositions légales.
Art.168. Bij gebreke van aanpassing van de statuten of van regelmatige omzetting voordat de in artikel 165 gestelde termijn is verstreken, worden de statutaire bepalingen die strijdig zijn met deze wet voor niet geschreven gehouden en zijn de bepalingen van dwingend recht van deze wet toepasselijk. Indien daardoor de werking van de vennootschap onmogelijk wordt, kan iedere belanghebbende in rechte de ontbinding vorderen.
Art.168. A défaut de mise en concordance des statuts ou de transformation régulière avant l'expiration du délai prévu à l'article 165, les clauses statutaires contraires aux dispositions de la présente loi seront réputées non écrites et les dispositions impératives de celle-ci seront applicables. Si de ce fait, le fonctionnement de la société est rendu impossible, tout intéressé peut demander au tribunal d'en prononcer la dissolution.
Art.169. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze titel.
Art.169. Le Roi fixe la date de l'entrée en vigueur du présent titre.
TITEL VIII. - Wijzigingsbepalingen betreffende Boek I, titel IX, afdeling 8 (Omzetting van vennootschappen) der gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.
TITRE VIII. - Dispositions modificatives du Livre Ier, titre IX, section 8 (De la transformation des sociétés) des lois coordonnées sur les sociétés commerciales.
Art.170. <wijzigingsbepaling van art. 166 van W 1935-11-30/31>
Art.170.
Art.171. <wijzigingsbepaling van art. 167 van W 1935-11-30/31>
Art.171.
Art.172. <wijzigingsbepaling van art. 168 van W 1935-11-30/31>
Art.172.
Art.173. <wijzigingsbepaling van art. 170 van W 1935-11-30/31>
Art.173.
Art.174. <wijzigingsbepaling van art. 171 van W 1935-11-30/31>
Art.174.
Art.175. <wijzigingsbepaling van art. 173 van W 1935-11-30/31>
Art.175.
Art. 176. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze titel.
Art. 176. Le Roi fixe la date de l'entrée en vigueur du présent titre.