Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 AUGUSTUS 1992. - Wet op het politieambt (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-04-1998 en tekstbijwerking tot 27-05-2024)
Titre
5 AOUT 1992. - Loi sur la fonction de police (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 02-04-1998 et mise à jour au 27-05-2024)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK II. - Gezag over de politiediensten e... Afdeling 1. - (Algemene bepalingen). Afdeling 2. - (Betrekkingen van de politiediens... Afdeling 3. - (Coördinatie en leiding van de op... Afdeling 4. - (De vorderingen). Onderafdeling 1. - (Algemene bepalingen). Onderafdeling 2. - (Vorderingen van bestuurlijk... Onderafdeling 3. - (Vorderingen van gerechtelij... Afdeling 5. - (Maatregelen tot overleg en coörd... Afdeling 6. - (De bevoegdheden inzake bestuurli... HOOFDSTUK III. [1 - Opdrachten van de politiedi... Afdeling 1. Onderafdeling 1. Onderafdeling 2. HOOFDSTUK IV. [1 - De algemene vorm en voorwaar... Afdeling 1. [1 - Zichtbaar gebruik van camera's]1 Afdeling 2. [1 - Bezoek van bepaalde plaatsen]1 Afdeling 3. [1 - Fouilleringen]1 Afdeling 4. [1 - Bestuurlijke inbeslagneming en... Afdeling 5. [1 - Identiteitscontrole]1 Afdeling 6. [1 - Bescherming tegen publieke nie... Afdeling 7. [1 - Berekening van de termijnen]1 Afdeling 8. [1 - Gebruik van dwangmiddelen]1 Afdeling 9. [1 - Processen-verbaal]1 Afdeling 10. [1 - Identificatie en legitimatie]1 Afdeling 11. [1 - Bijstand bij de uitvoering va... Afdeling 12. [1 - Het informatiebeheer]1 Onderafdeling 1. - [1 Algemene regels betreffen... Onderafdeling 2. Onderafdeling 3. [1 Categorieën van in de A.N.G... Onderafdeling 4 Onderafdeling 5. - [1 De A.N.G.]1 Onderafdeling 6. - [1 Basisgegevensbanken]1 Onderafdeling 7. [1 Bijzondere gegevensbanken]1 Onderafdeling 7bis. Onderafdeling 7ter. [1 - Technische gegevensban... Onderafdeling 8. [1 De mededeling van gegevens ... Afdeling 13. [1 - De vorm waarin en de voorwaar... Afdeling 14. [1 De vorm waarin en de voorwaarde... Afdeling 15. [1 - Territoriale bevoegdheid]1 Afdeling 16. [1 - Bijstand.]1 HOOFDSTUK IV/1. [1 - De specifieke vorm en voor... Afdeling 1. [1 - Toezicht op het gebruik van de... Afdeling 2. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van cam... Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1 Onderafdeling 2. [1 - Niet-zichtbaar gebruik va... Onderafdeling 3. [1 - Niet-zichtbaar gebruik va... Onderafdeling 4. [1 - Niet-zichtbaar gebruik va... Onderafdeling 5. [1 - Niet-zichtbaar gebruik va... Onderafdeling 6. [1 - Registratie, bewaring en ... HOOFDSTUK V. - Burgerlijke aansprakelijkheid en... HOOFDSTUK Vbis. - Overgangsbepaling. HOOFDSTUK VI. - Wijzigings-, opheffings- en slo...
Inhoud
CHAPITRE I. - Dispositions générales. CHAPITRE II. - Autorité sur les services de pol... Section 1. - (Dispositions générales). Section 2. - (Rapports des services de police a... Section 3. - (Coordination et direction des opé... Section 4. - (Des réquisitions). Sous-section 1. - (Dispositions générales). Sous-section 2. - (Réquisitions de police admin... Sous-section 3. - (Réquisitions de police judic... Section 5. - (Mesures de concertation et de coo... Section 6. - (Des compétences de police adminis... CHAPITRE III. [1 - Missions des services de pol... Section 1. Sous-section 1. Sous-section 2. CHAPITRE IV. [1 - De la forme et des conditions... Section 1re. [1 - Utilisation visible de caméras]1 Section 2. [1 - Visite de certains lieux]1 Section 3. [1 - Fouilles]1 Section 4. [1 - La saisie et l'arrestation admi... Section 5. [1 - Contrôle d'identité]1 Section 6. [1 - Protection contre la curiosité ... Section 7. [1 - Calcul des délais]1 Section 8. [1 - Usage des moyens de contrainte]1 Section 9. [1 - Procès- verbaux]1 Section 10. [1 - Identification et légitimation]1 Section 11. [1 - Assistance dans l'exercice des... Section 12. - [1 De la gestion des informations]1 Sous-section 1re. - [1 Des règles générales de ... Sous-section 2. Sous-section 3. - [1 Catégories de données à ca... Sous-section 4. Sous-section 5. - [1 La B.N.G.]1 Sous-section 6. [1 Les banques de données de ba... Sous-section 7. [1 Les banques de données parti... Sous-section 7bis. Sous-section 7ter. [1 - Des banques de données ... Sous-section 8. - [1 La communication des donné... section 13. [1 De la forme et des conditions d'... Section 14. [1 De la forme et des conditions se... Section 15. [1 - Compétence territoriale.]1 Section 16. [1 - Assistance.]1 CHAPITRE IV/1. [1 - De la forme et des conditio... Section 1re. [1 - Surveillance de l'utilisation... Section 2. [1 - Utilisations non visibles de ca... Sous-section 1re. [1 - Dispositions générales]1 Sous-section 2. [1 - Utilisations non visibles ... Sous-section 3. [1 - Utilisations non visibles ... Sous-section 4. [1 - Utilisations non visibles ... Sous-section 5. [1 - Utilisations non visibles ... Sous-section 6. [1 - Enregistrement, conservati... CHAPITRE V. - Responsabilité civile et assistan... CHAPITRE Vbis. - Disposition transitoire. CHAPITRE VI. - Dispositions modificatives, abro...
Tekst (221)
Texte (221)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Artikel 1. De politiediensten vervullen hun opdrachten onder het gezag en de verantwoordelijkheid van de overheden die daartoe door of krachtens de wet worden aangewezen.
  Bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie, waken de politiediensten over de naleving en dragen zij bij tot de bescherming van de individuele rechten en vrijheden, evenals tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij.
  Om hun opdrachten te vervullen, gebruiken zij slechts dwangmiddelen onder de voorwaarden die door de wet worden bepaald.
Article 1. Les services de police accomplissent leurs missions sous l'autorité et la responsabilité des autorités désignées à cette fin par ou en vertu de la loi.
  Dans l'exercice de leurs missions de police administrative ou judiciaire, les services de police veillent au respect et contribuent à la protection des libertés et des droits individuels, ainsi qu'au développement démocratique de la société.
  Pour accomplir leurs missions, ils n'utilisent des moyens de contrainte que dans les conditions prévues par la loi.
Art.2. Deze wet is van toepassing op de federale politie en de lokale politie.
  Deze politiediensten maken deel uit van de openbare macht.
Art.2. La présente loi s'applique à la police fédérale et à la police locale.
  Ces services de police font partie de la force publique.
Art.3. In deze wet wordt verstaan onder :
  1° politiemaatregel : elke juridische of materiële uitvoerbare handeling van bestuurlijke of gerechtelijke politie die voor de burgers een aanwijzing, een verplichting of een verbod inhoudt;
  2° politieoverheid : de overheid door of krachtens de wet aangewezen om juridische politiemaatregelen te nemen en om politiemaatregelen uit te voeren of door de politiediensten te doen uitvoeren;
  3° politieambtenaar : een lid van een politiedienst door of krachtens de wet bevoegd om bepaalde politiemaatregelen te nemen of uit te voeren en daden van bestuurlijke of gerechtelijke politie te stellen;
  4° agent van gerechtelijke politie : de politieambtenaar door of krachtens de wet belast met opdrachten van gerechtelijke politie zonder bekleed te zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings [3 ...]3 of met deze van officier van gerechtelijke politie;
  5° agent van bestuurlijke politie : [4 het lid van het operationeel kader]4 door of krachtens de wet belast met opdrachten van bestuurlijke politie zonder bekleed te zijn met de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie.
  [1 6° : Controleorgaan op de politionele informatie, hierna benoemd "Controleorgaan" : het orgaan bedoeld in [5 artikel 71 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens]5.]1
  [4 7° lid van het operationeel kader: categorie van personeelsleden van de politiediensten die bestaat uit de politieambtenaren, de beveiligingsassistenten van politie, de agenten van politie en de beveiligingsagenten van politie.]4
  [2 8° gekwalificeerde elektronische handtekening: de handtekening bedoeld in artikel 3.12 van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG;
   9° geavanceerd elektronisch zegel: het zegel bedoeld in artikel 3. 26 van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG;]2

  [5 10° wet gegevensbescherming: de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.]5
  
Art.3. Dans la présente loi, on entend par :
  1° mesure de police : tout acte exécutoire de police administrative ou de police judiciaire, juridique ou matériel, portant une indication, une obligation ou une interdiction pour les citoyens;
  2° autorité de police : l'autorité désignée par ou en vertu de la loi pour prendre des mesures de police juridiques, et pour exécuter des mesures de police ou les faire exécuter par les services de police;
  3° fonctionnaire de police : un membre d'un service de police habilité par ou en vertu de la loi à prendre ou à exécuter certaines mesures de police et à accomplir des actes de police administrative ou judiciaire;
  4° agent de police judiciaire : le fonctionnaire de police chargé par ou en vertu de la loi de missions de police judiciaire sans être revêtu de la qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi [3 ...]3 ou de celle d'officier de police judiciaire;
  5° agent de police administrative : le [4 membre du cadre opérationnel]4 chargé par ou en vertu de la loi de missions de police administrative sans être revêtu de la qualité d'officier de police administrative.
  [1 6° Organe de contrôle de l'information policière, ci-après dénommé "Organe de contrôle" : l'organe visé à l'[5 article 71 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement de données à caractère personnel]5.]1
  [4 7° membre du cadre opérationnel: catégorie de membres du personnel des services de police comprenant les fonctionnaires de police, les assistants de sécurisation de police, les agents de police et les agents de sécurisation de police.]4
  [2 8° signature électronique qualifiée: la signature visée à l'article 3.12 du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE;
   9° cachet électronique avancé: le cachet visé à l'article 3. 26 du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE;]2

  [5 10° loi relative à la protection des données: la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement de données à caractère personnel.]5
  
Art.4. (Met de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie zijn bekleed :
  - de provinciegouverneurs;
  - de arrondissementscommissarissen;
  - de burgemeesters;
  - de officieren van de federale politie en van de lokale politie). <W 1998-12-07/31, art. 151, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Bij in Ministerraad overlegd besluit kan de Koning aan de politieambtenaren bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficieren van de procureur des Konings, die de leiding van de door Hem bepaalde permanente interventiediensten uitoefenen, de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie toekennen tijdens de uitoefening van die functie.
  [1 De Koning bepaalt de gevallen waarin de hoedanigheid van agent of officier van bestuurlijke politie van een personeelslid dat buiten de politiediensten is tewerkgesteld, wordt geschorst.]1
  
Art.4. (Sont revêtus de la qualité d'officier de police administrative :
  - les gouverneurs de province;
  - les commissaires d'arrondissement;
  - les bourgmestres;
  - les officiers de la police fédérale et de la police locale.) <L 1998-12-07/31, art. 151, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi peut attribuer la qualité d'officier de police administrative aux fonctionnaires de police revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi qui assurent la direction des services d'intervention permanents qu'Il détermine, pendant l'exercice de cette fonction.
  [1 Le Roi fixe les cas où la qualité d'agent ou d'officier de police administrative d'un membre du personnel qui est employé en dehors des services de police est suspendue.]1
  
HOOFDSTUK II. - Gezag over de politiediensten en leiding ervan.
CHAPITRE II. - Autorité sur les services de police et direction de ces services.
Afdeling 1. - (Algemene bepalingen).
Section 1. - (Dispositions générales).
Art.5. Voor het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie staan de politiediensten onder het gezag van de bestuurlijke overheden, waaronder zij overeenkomstig de wet ressorteren.
  Onverminderd de eigen bevoegdheden van de Hoven van beroep, van de procureurs-generaal bij de Hoven van beroep [1 ...]1, (van de federale procureur, van de onderzoeksrechters,) van de procureurs des Konings [1 ...]1 en van de arbeidsauditeurs, staan de politiediensten voor het vervullen van de opdrachten van gerechtelijke politie onder het gezag van de Minister van Justitie, die hun de algemene richtlijnen kan geven die nodig zijn voor het vervullen van die opdrachten. De algemene richtlijnen van de Minister van Justitie worden ter informatie aan de burgemeester gegeven als ze een rechtstreekse invloed hebben op de organisatie van de (lokale) politie. <W 1998-12-07/31, art. 153, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (Overeenkomstig artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek en uitgaande van de principes van specialiteit en subsidiariteit, bepaalt de minister van Justitie bij richtlijn de opdrachten van gerechtelijke politie die prioritair worden vervuld, enerzijds, door de lokale politie, anderzijds, door de (gedeconcentreerde gerechtelijke directies) en andere diensten van de federale politie.) <W 1998-12-07/31, art. 153, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2006-06-20/34, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-03-2007>
  
Art.5. Pour l'exercice des missions de police administrative, les services de police sont soumis aux autorités administratives dont ils relèvent conformément à la loi.
  Sans préjudice des compétences propres des Cours d'appel, des procureurs généraux près les Cours d'appel [1 ...]1, (du procureur fédéral, des juge d'instruction,) des procureurs du Roi [1 ...]1 et des auditeurs du travail, les services de police sont placés, pour l'exécution des missions de police judiciaire, sous l'autorité du ministre de la Justice qui peut leur donner les directives générales nécessaires à l'accomplissement de ces tâches. Les directives générales du ministre de la Justice sont communiquées pour information aux bourgmestres, si elles ont une influence directe sur l'organisation de la police (local). <L 1998-12-07/31, art. 153, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  (Conformément à l'article 143ter du Code judiciaire, le ministre de la Justice détermine par directive, en partant des principes de spécialité et de subsidiarité, les missions de police judiciaire qui sont réalisées prioritairement, d'une part, par la police locale, d'autre part, par les (directions judiciaires déconcentrées) et autres services de la police fédérale.) <L 1998-12-07/31, art. 153, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 2006-06-20/34, art. 3, 014; En vigueur : 01-03-2007>
  
Afdeling 2. - (Betrekkingen van de politiediensten met de overheden).
Section 2. - (Rapports des services de police avec les autorités).
Art. 5/1. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 154; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De overheden van bestuurlijke politie en de politiediensten moeten elkaar de hen toegekomen inlichtingen betreffende de openbare orde mededelen, die tot preventieve of beteugelende maatregelen aanleiding kunnen geven.
Art. 5/1. Les autorités de police administrative et les services de police doivent se communiquer les renseignements qui leur parviennent au sujet de l'ordre public et qui peuvent donner lieu à des mesures de prévention ou de répression.
Art. 5/2. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 154; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De politiediensten moeten bij bijzonder verslag de betrokken bestuurlijke overheden informeren over de buitengewone gebeurtenissen betreffende de openbare orde waarvan zij kennis hebben.
  Om de burgemeester in staat te stellen zijn verantwoordelijkheden van bestuurlijke politie uit te oefenen, informeren de korpschef van de lokale politie, de bestuurlijke directeur-coördinator en de gerechtelijke directeur van de federale politie hem onverwijld over de gewichtige feiten die de openbare rust, veiligheid of gezondheid in de gemeente kunnen verstoren.
  De korpschef van de lokale politie brengt bij hem verslag uit over de veiligheidsproblemen in de gemeente, over de vervulling van de opdrachten van bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente en over de gedane en voorziene uitvoering van het zonaal veiligheidsplan.
  De korpschef van de lokale politie informeert hem bovendien voorafgaandelijk over de initiatieven die de lokale politie overweegt te nemen op het grondgebied van de gemeente en die een invloed hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
  De bestuurlijke directeur-coördinator informeert voorafgaandelijk de burgemeester over alle initiatieven die hij wil ondernemen in het kader van zijn bevoegdheden op het grondgebied van de gemeente, en die een invloed hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid. Hij brengt hem bovendien verslag uit over het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie, waarvan hij de coördinatie waarneemt en die betrekking hebben op het grondgebied van zijn gemeente.
  (De gerechtelijke directeur) informeert voorafgaandelijk de bestuurlijke directeur-coördinator en de burgemeester over alle operaties die de (gerechtelijke directie) onderneemt op het grondgebied van de gemeente en die van aard zijn om de openbare rust te verstoren. <W 2006-06-20/34, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-03-2007>
Art. 5/2. Les services de police informent par rapport spécial les autorités administratives intéressées des événements extraordinaires concernant l'ordre public dont elles ont connaissance.
  Pour lui permettre d'assurer ses responsabilités de police administrative, le chef de corps de la police locale, le directeur coordonnateur administratif et le directeur judiciaire de la police fédérale informent le bourgmestre sans délai des faits importants qui sont de nature à troubler la tranquillité, la sécurité ou la salubrité publique dans sa commune.
  Le chef de corps de la police locale lui fait rapport sur les problèmes de sécurité dans la commune, sur la réalisation des missions de police administrative sur le territoire de la commune et sur l'exécution passée et prévisible du plan zonal de sécurité.
  Le chef de corps de la police locale l'informe en outre préalablement des initiatives que la police locale compte prendre sur le territoire de la commune et qui ont une influence sur la politique communale de sécurité.
  Le directeur coordonnateur administratif informe le bourgmestre préalablement de toutes les initiatives qu'il compte prendre dans le cadre de ses compétences sur le territoire de la commune, et qui ont une influence sur la politique communale de sécurité. Il lui fait en outre rapport sur la réalisation des missions de police administrative dont il assume la coordination et qui concernent le territoire de sa commune.
  Le directeur (judiciaire) informe préalablement le directeur coordonnateur administratif et le bourgmestre de toutes les opérations que (la direction judiciaire) entreprend sur le territoire de la commune et qui sont de nature à troubler la tranquillité publique. <L 2006-06-20/34, art. 4, 014; En vigueur : 01-03-2007>
Art. 5/3. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 154; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Voor het vervullen van de opdrachten van gerechtelijke politie worden geregelde dienstbetrekkingen onderhouden :
  1° met de procureur des Konings, door de korpschef van de lokale politie en door de gerechtelijke directeur en in de gevallen bedoeld in artikel 104 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie;
  2° met de procureurs-generaal, met het college van procureurs-generaal en met de federale procureur door de commissaris-generaal en de directeurs-generaal van de federale politie.
Art. 5/3. Pour la réalisation des missions de police judiciaire, des rapports de service réguliers sont entretenus :
  1° avec le procureur du Roi, par le chef de corps de la police locale et par le directeur judiciaire et, dans les cas visés à l'article 104 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, par le directeur coordonnateur administratif de la police fédérale;
  2° avec les procureurs généraux, le collège des procureurs généraux et le procureur fédéral, par le commissaire général et les directeurs généraux de la police fédérale.
Art. 5/4. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 154; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Telkens zij er kennis van krijgen, brengen de politiediensten de territoriale militaire overheden, bij bijzonder verslag, op de hoogte van alles wat de veiligheid van de strijdkrachten kan schaden, van alle propaganda waarbij de militairen tot tuchteloosheid worden aangezet, alsook van alle voorvallen waarbij militairen betrokken zijn.
Art. 5/4. Chaque fois qu'ils en acquièrent connaissance, les services de police informent, par rapport spécial, les autorités militaires territoriales de tout ce qui peut porter atteinte à la sûreté des forces armées, de toute propagande incitant les militaires à l'indiscipline, de même que de tous les incidents auxquels ceux-ci sont mêlés.
Art. 5/5. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 154; Inwerkingtreding : 01-01-2001> In de gebieden in staat van beleg, wanneer de macht waarmede de burgerlijke overheden voor de handhaving van de orde en van de politie bekleed zijn, door de militaire overheid wordt uitgeoefend, kan deze, met het oog op het vervullen van die opdracht, de door de omstandigheden geboden vorderingen aan de politiedienaren richten.
Art. 5/5. Dans les territoires en état de siège, lorsque les pouvoirs dont l'autorité civile est revêtue pour le maintien de l'ordre et de la police sont exercés par l'autorité militaire, celle-ci peut, en vue de réaliser cette mission, adresser aux services de police les réquisitions nécessitées par les circonstances.
Art. 5/6. De politiediensten vervullen hun opdrachten overeenkomstig (de bevelen, onderrichtingen, vorderingen en richtlijnen) van de bevoegde overheden, onverminderd de bevoegdheden en verplichtingen die voor bepaalde politieambtenaren voortvloeien uit hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings [1 ...]1. <W 1998-12-07/31, art. 155, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (Leden 2 en 3 opgeheven) <W 1998-12-07/31, art. 155, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  
Art. 5/6. Les services de police exercent leurs missions conformément aux (ordres, instructions, réquisitions et directives) des autorités compétentes, sans préjudice des compétences et des obligations qui découlent, pour certains fonctionnaires de police de leur qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi [1 ...]1. <L 1998-12-07/31, art. 155, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  (Alinéas 2 et 3 abrogés) <L 1998-12-07/31, art. 155, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  
Art.6. <W 1998-12-07/31, art. 156, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> In de gevallen waarin de politiediensten krachtens de wet op eigen initiatief kunnen optreden, blijven zij overeenkomstig de wet ressorteren onder de bevoegde overheden.
Art.6. <L 1998-12-07/31, art. 156, 005; En vigueur : 01-01-2001> Dans les cas où les services de police peuvent agir d'initiative en vertu de la loi, ils restent soumis aux autorités compétentes, conformément à la loi.
Afdeling 3. - (Coördinatie en leiding van de operaties).
Section 3. - (Coordination et direction des opérations).
Art.7. Bij het vervullen van hun opdrachten staan (de leden van het operationeel kader van de politiediensten) uitsluitend onder de leiding van de meerderen van de politiedienst waartoe (deze leden van het operationeel kader) behoren, (behalve wanneer een politieambtenaar van een ander politiekorps wordt belast met de leiding op basis van een uitdrukkelijk akkoord of van een wetsbepaling). <W 1998-12-07/31, art. 158, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2006-04-01/38, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 10-05-2006>
  (In afwijking van het eerste lid, is dat akkoord niet noodzakelijk, wanneer de gerechtelijke overheid, in uitvoering van de artikelen 28ter, § 4 of 56, § 3, van het Wetboek van Strafvordering, in een bepaald onderzoek verscheidene politiediensten heeft belast met opdrachten van gerechtelijke politie en de operationele leiding van dat onderzoek aan één onder hen heeft toegewezen.) <W 1998-12-07/31, art. 158, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.7. Dans l'exécution de leurs missions, (les membres du cadre opérationnel des services de police) sont placés sous la direction exclusive des supérieurs du service de police auquel (ces membres du cadre opérationnel) appartiennent, (sauf lorsque la direction est confiée à un fonctionnaire de police d'un autre corps de police sur la base d'un accord exprès ou d'une disposition légale). <L 1998-12-07/31, art. 158, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 2006-04-01/38, art. 4, 011; En vigueur : 10-05-2006>
  (Par dérogation à l'alinéa 1er, cet accord n'est pas nécessaire lorsque l'autorité judiciaire a, en exécution des articles 28ter, § 4, ou 56, § 3, du Code d'instruction criminelle, chargé dans une enquête particulière plusieurs services de police de missions de police judiciaire et a désigné l'un d'entre eux pour la direction opérationnelle de cette enquête.) <L 1998-12-07/31, art. 158, 005; En vigueur : 01-01-2001>
Art. 7/1. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 159; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Met uitzondering van de opdrachten bedoeld bij artikel 102 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden de operationele coördinatie en leiding van de opdrachten van politie waarvan de uitvoering zich uitstrekt over het grondgebied van meer dan een politiezone, als volgt toevertrouwd :
  1° in geval van gezamenlijk optreden op basis van een akkoord tussen verschillende lokale politiekorpsen, aan een korpschef van de lokale politie, die hiervoor wordt aangewezen door de betrokken burgemeester of burgemeesters;
  2° in geval van gezamenlijk optreden van verschillende lokale politiekorpsen en van de federale politie, met inbegrip wanneer deze laatste tussenkomt na vordering, aan de bestuurlijke directeur-coördinator;
  3° voor de uitvoering, door een lokale politie, van een vordering door de minister van Binnenlandse Zaken bedoeld bij artikel 64 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, aan de bestuurlijke directeur-coördinator.
  De zonale veiligheidsraden kunnen de onder 1° bepaalde opdrachten organiseren bij middel van protocollen.
  In de gevallen bedoeld in 2° en 3°, kan de operationele coördinatie en leiding worden toevertrouwd aan een daartoe aangeduide lokale korpschef indien de betrokken lokale en federale politieoverheden dit samen beslissen.
Art. 7/1. A l'exception des missions visées à l'article 102 de la loi du 7 décembre 1998 portant organisation d'un service de police intégré, structuré à deux niveaux, la coordination et la direction opérationnelles des missions de police dont l'exécution s'étend sur le territoire de plus d'une zone de police sont confiées :
  1° en cas d'intervention conjointe sur la base d'un accord de différents corps de police locale, au chef de corps de la police locale désigné à cet effet par le ou les bourgmestres concernés;
  2° en cas d'intervention conjointe de différents corps de police locale et de la police fédérale, y compris lorsque celle-ci intervient sur réquisition, au directeur coordonnateur administratif;
  3° pour l'exécution, par une police locale, d'une réquisition du ministre de l'Intérieur visée à l'article 64 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, au directeur coordonnateur administratif.
  Les conseils zonaux de sécurité peuvent organiser les missions prévues au 1° par des protocoles.
  Dans les cas visés au 2° et 3°, la coordination et la direction opérationnelle peuvent être confiées à un chef de corps local désigné à cet effet si les autorités de police locales et fédérales concernées le décident conjointement.
Art. 7/2. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 159; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Met uitzondering van de opdrachten bedoeld bij artikel 102 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden de operationele coördinatie en leiding van de opdrachten van politie waarvan de uitvoering beperkt is tot het grondgebied van één politiezone, toevertrouwd aan de korpschef van de lokale politie.
  De operationele coördinatie en leiding worden evenwel toevertrouwd aan de bestuurlijke directeur-coördinator in de volgende gevallen :
  1° wanneer hij gevolg geeft aan het verzoek van de korpschef van de lokale politie, om deze opdracht waar te nemen;
  2° wanneer de federale politie ambtshalve of op bevel van de minister van Binnenlandse Zaken optreedt bij de uitvoering van bovenlokale opdrachten, en deze laatste, gelet op de specifieke omstandigheden van deze tussenkomst, beslist deze functie toe te vertrouwen aan de bestuurlijke directeur-coördinator. Deze beslissing wordt, behoudens in geval van hoogdringendheid, genomen is overleg met de burgemeester;
  3° wanneer de federale politie of een lokale politie tussenkomt in het kader van een vordering, respectievelijk bedoeld bij de artikelen 43 en 64 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en dat de minister van Binnenlandse Zaken heeft beslist deze functies aan de bestuurlijke directeur-coördinator toe te vertrouwen.
Art. 7/2. A l'exception des missions visées à l'article 102 de la loi du 7 décembre 1998 portant organisation d'un service de police intégré, structuré à deux niveaux, la coordination et la direction opérationnelles des missions de police dont l'exécution est limitée au territoire d'une zone de police, sont confiées au chef de corps de la police locale.
  La coordination et la direction opérationnelles sont cependant confiées au directeur coordonnateur administratif dans les cas suivants :
  1° lorsqu'il donne suite à la demande du chef de corps de la police locale d'assurer cette mission;
  2° lorsque la police fédérale intervient d'initiative ou sur ordre du ministre de l'Intérieur pour l'exécution de missions supralocales et que celui-ci décide, au vu des circonstances propres à cette intervention, de confier cette fonction au directeur coordonnateur administratif. Cette décision est prise, sauf urgence, après concertation avec le bourgmestre;
  3° lorsque la police fédérale ou une police locale intervient dans le cadre d'une réquisition visée respectivement aux articles 43 et 64 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, et que le ministre de l'Intérieur a décidé de confier ces fonctions au directeur coordonnateur administratif.
Art. 7/3. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 159; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De operationele coördinatie en leiding van een opdracht van federale aard in de zin van artikel 61 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en die het gezamenlijk optreden van één of verschillende lokale politiekorpsen en de federale politie vereist, worden uitgeoefend door het politieniveau dat in de richtlijn is aangewezen.
  Behoudens andersluidende beslissing van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie worden de operationele coördinatie en leiding van een opdracht van federale aard in de omstandigheid bedoeld bij artikel 63 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, evenwel uitgeoefend door de bestuurlijke directeur-coördinator.
Art. 7/3. La coordination et la direction opérationnelles d'une mission à caractère fédéral au sens de l'article 61 de la loi du 7 décembre 1998 portant organisation d'un service de police intégré, structuré à deux niveaux, et qui exige l'intervention conjointe d'un ou plusieurs corps de police locale et de la police fédérale, sont assurées par le niveau de police désigné dans la directive.
  La coordination et la direction opérationnelles d'une mission à caractère fédéral dans la circonstance visée à l'article 63 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, sont cependant assurées par le directeur coordonnateur administratif sauf en cas de décision contraire des ministres de l'Intérieur et de la Justice.
Art. 7/4. <INGEVOEGD bij 1998-12-07/31, art. 159; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Met het oog op de uitvoering van de opdrachten bedoeld bij de artikelen 7/1, 7/2 en 7/3, ontvangt de bestuurlijke directeur-coördinator op zijn vraag elke nuttige inlichting vanwege de oversten van de betrokken lokale politiekorpsen.
Art. 7/4. En vue de l'exécution des missions visées aux articles 7/1, 7/2 et 7/3, le directeur coordonnateur administratif reçoit à sa demande tout renseignement utile de la part des supérieurs des corps de police locale concernés.
Art. 7/5. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 159; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De commandant van elk detachement van de krijgsmacht die samen met de politie moet optreden, is verplicht de instructies in acht te nemen, welke aan hem worden gericht door de politieambtenaar die de leiding heeft van de operaties.
  Hoewel de politieambtenaar de leiding van de operaties heeft, behoudt de commandant van het detachement van de krijgsmacht het bevel over zijn detachement.
  Het gebruik van wapens door de personen die niet tot de politie behoren, wordt in dat geval geregeld overeenkomstig artikel 38, 1° en 3°.
Art. 7/5. Le commandant de tout détachement des forces armées appelé à intervenir avec un service de police est tenu de se conformer aux instructions qui lui sont adressées par le fonctionnaire de police qui a la direction des opérations.
  Bien que le fonctionnaire de police ait la direction des opérations, le commandant du détachement des forces armées conserve le commandement de son détachement.
  L'usage des armes par les personnes qui n'appartiennent pas à la police est, dans ce cas, régi conformément à l'article 38, 1° et 3°.
Afdeling 4. - (De vorderingen).
Section 4. - (Des réquisitions).
Onderafdeling 1. - (Algemene bepalingen).
Sous-section 1. - (Dispositions générales).
Art.8. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Iedere vordering moet schriftelijk geschieden en moet de wetsbepaling vermelden krachtens welke zij wordt verricht, alsmede het voorwerp; zij moet gedateerd zijn en de naam en hoedanigheid, alsook de handtekening van de vorderende overheid dragen.
  In spoedeisende gevallen kunnen de politiediensten met om het even welk communicatiemiddel worden gevorderd. Die vordering moet zo snel mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald bij het vorige lid.
Art.8. Toute réquisition doit être écrite, mentionner la disposition légale en vertu de laquelle elle est faite, en indiquer l'objet, être datée, et porter les nom et qualité ainsi que la signature de l'autorité requérante.
  En cas d'urgence, les services de police peuvent être requis par tout moyen de communication. Cette réquisition doit être confirmée le plus rapidement possible dans les formes prévues par l'alinéa précédent.
Art. 8/1. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Ter uitvoering van de aan de politiediensten gerichte vorderingen verduidelijken de bevoegde overheden, zonder zich te mengen in de organisatie van de dienst, het onderwerp van de vordering en kunnen zij aanbevelingen en precieze aanwijzingen geven omtrent de middelen die moeten worden ingezet en die moeten worden aangewend.
  Wanneer het niet mogelijk is gevolg te geven aan die aanbevelingen en precieze aanwijzingen omdat hun uitvoering de vervulling van andere politieopdrachten in het gedrang zou brengen, wordt de vorderende overheid hiervan zo spoedig mogelijk ingelicht. Daarbij worden de bijzondere omstandigheden die het opvolgen van die aanbevelingen en precieze aanwijzingen onmogelijk maken, vermeld. Deze bepaling ontheft de politiediensten niet van de verplichting om de vorderingen uit te voeren.
Art. 8/1. Pour l'exécution des réquisitions adressées aux services de police, les autorités compétentes, sans s'immiscer dans l'organisation du service, précisent l'objet de la réquisition et peuvent faire des recommandations et donner des indications précises sur les moyens à mettre en ouvre et les ressources à utiliser.
  Lorsqu'il est impossible de se conformer à ces recommandations et indications précises parce que leur exécution porterait atteinte à la réalisation d'autres missions de police, l'autorité requérante en est informée dans les meilleurs délais. A cette occasion, les circonstances particulières qui rendent impossible le respect de ces recommandations et indications précises sont mentionnées. Cette disposition ne dispense pas les services de police de l'obligation d'exécuter les réquisitions.
Art. 8/2. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De gevorderde politie mag over de gepastheid van de vordering niet oordelen. Zij moet ze uitvoeren. Indien de vordering haar evenwel als kennelijk onwettelijk voorkomt, mag zij ze niet uitvoeren. In dat geval licht zij schriftelijk de vorderende overheid daarvan onverwijld in met opgave van de redenen.
Art. 8/2. La police requise ne peut discuter l'opportunité de la réquisition. Elle doit l'exécuter. Cependant, si la réquisition lui paraît manifestement illégale, elle ne peut pas l'exécuter. Dans ce cas, elle en informe par écrit sans délai l'autorité requérante en indiquant les motifs.
Art. 8/3. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De werking van de vordering houdt op wanneer ze is uitgevoerd of wanneer de vorderende overheid de opheffing van de vordering, schriftelijk of mondeling, aan de chef van het gevorderde politiekorps of aan de chef van de met de uitvoering van de vordering belaste eenheid, ter kennis brengt.
Art. 8/3. Les effets de la réquisition cessent lorsqu'elle est exécutée ou lorsque l'autorité requérante signifie par écrit ou verbalement la levée de la réquisition au chef de corps de la police qui avait été requise ou au chef de l'unité chargée d'exécuter la réquisition.
Onderafdeling 2. - (Vorderingen van bestuurlijke politie).
Sous-section 2. - (Réquisitions de police administrative).
Art. 8/4. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De operaties die nodig zijn voor de uitvoering van de vorderingen van bestuurlijke politie, worden uitgevoerd onder de leiding van een politieambtenaar die bekleed is met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie.
  De gevorderde politiedienst bepaalt de organisatie van de dienst alsook de aard en, onverminderd artikel 64, vierde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, de omvang van de aan te wenden middelen, teneinde de vordering uit te voeren en gevolg te geven aan de aanbevelingen en aanwijzingen van de vorderende overheid. Indien de coördinatie en de operationele leiding in uitvoering van de artikelen 7/1 of 7/2 is toevertrouwd aan een korpschef van de lokale politie, dan zal de verantwoordelijke van de gevorderde politiedienst hieromtrent met de betrokken korpschef vooraf overleg plegen.
  Zonder zich in te laten met het verloop van de operaties van bestuurlijke politie, zorgen de bevoegde oversten van de gevorderde politie voor de coördinatie, verschaffen zij de nodige steun en controleren zij de vervulling van de opdrachten verricht ten gevolge van een vordering. Deze maatregelen worden, door tussenkomst van de overste van de gevorderde politie, ter kennis gebracht van de vorderende overheden.
  Gedurende de uitvoering van een vordering van bestuurlijke politie, moet de in het eerste lid bedoelde politieambtenaar contact blijven houden met de vorderende bestuurlijke overheid en die, behoudens in geval van overmacht, op de hoogte brengen van de middelen die hij voornemens is aan te wenden.
  De vorderende overheid, van haar kant, moet die politieambtenaar alle inlichtingen verstrekken, die nuttig zijn voor het vervullen van zijn opdracht.
Art. 8/4. Les opérations nécessaires à l'exécution des réquisitions de police administrative sont menées sous la direction d'un fonctionnaire de police revêtu de la qualité d'officier de police judiciaire.
  Le service de police requis détermine l'organisation du service ainsi que la nature et, sans préjudice de l'article 64, alinéa 4, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, l'importance des moyens à mettre en oeuvre afin d'exécuter la réquisition et de donner suite aux recommandations et indications de l'autorité requérante. Si la coordination et la direction opérationnelles est confiée à un chef de corps de la police locale en exécution des articles 7/1 ou 7/2, le responsable du service de police requis se concerte à cet effet préalablement avec le chef de corps concerné.
  Les supérieurs compétents de la police requise, sans s'immiscer dans le déroulement des opérations de police administrative, coordonnent, apportent le soutien nécessaire et contrôlent la réalisation des missions effectuées à la suite d'une réquisition. Ces mesures sont portées à la connaissance des autorités requérantes par l'intermédiaire du supérieur de la police requise.
  Au cours de l'exécution d'une réquisition de police administrative, le fonctionnaire de police visé à l'alinéa 1er doit se maintenir en liaison avec l'autorité administrative requérante et l'informer, sauf en cas de force majeure, des moyens d'action qu'il se propose de mettre en oeuvre.
  De son coté, l'autorité requérante doit transmettre à ce fonctionnaire de police toutes les informations utiles à la réalisation de sa mission.
Art. 8/5. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> In het bij artikel 8/1, tweede lid, bedoeld geval, kan de minister van Binnenlandse Zaken, op verzoek van de vorderende overheid, aan de federale politie het bevel geven zich te schikken naar de aanbevelingen en precieze aanwijzingen van die overheid.
Art. 8/5. Dans le cas visé à l'article 8/1, alinéa 2, le ministre de l'Intérieur peut, à la demande de l'autorité requérante, donner l'ordre à la police fédérale de se conformer à ces recommandations et indications précises.
Onderafdeling 3. - (Vorderingen van gerechtelijke politie).
Sous-section 3. - (Réquisitions de police judiciaire).
Art. 8/6. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Op de aan de politiediensten gerichte vorderingen van gerechtelijke politie zijn de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, inzonderheid de artikelen 28ter, § 3, en 56, § 2, van toepassing.
  De operaties die nodig zijn voor de uitvoering van de vorderingen van gerechtelijke politie worden uitgevoerd onder de leiding van politieambtenaren die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie hebben.
  De in het vorige lid vermelde politieambtenaren bepalen de organisatie van de dienst en de aard en de omvang van de aan te wenden middelen, teneinde de vordering uit te voeren en gevolg te geven aan de aanbevelingen en aan de precieze aanwijzingen van de vorderende overheid.
  Zonder zich in te laten met het verloop van gerechtelijke onderzoeken, zorgen de bevoegde oversten van de gevorderde politie voor de coördinatie, verschaffen zij de nodige steun en controleren zij de vervulling van de opdrachten verricht ten gevolge van een vordering. Deze maatregelen worden, door tussenkomst van de overste van de gevorderde politie, ter kennis gebracht van de vorderende gerechtelijke overheden.
  De in artikel 8, tweede lid, bedoelde bevestiging van een vordering van gerechtelijke politie kan blijken uit het proces-verbaal, opgesteld door de politieambtenaar die deze vordering heeft uitgevoerd.
Art. 8/6. Les dispositions du Code d'instruction criminelle, notamment les articles 28ter, § 3, et 56, § 2, s'appliquent aux réquisitions de police judiciaire adressées aux services de police.
  Les opérations nécessaires à l'exécution des réquisitions de police judiciaire sont menées, sous leur direction, par les fonctionnaires de police qui ont la qualité d'officier de police judiciaire.
  Les fonctionnaires de police visés à l'alinéa précédent déterminent l'organisation du service ainsi que la nature et l'importance des moyens à mettre en oeuvre afin d'exécuter la réquisition et de donner suite aux recommandations et indications précises de l'autorité requérante.
  Les supérieurs compétents de la police requise, sans s'immiscer dans le déroulement des enquêtes judiciaires, coordonnent, apportent le soutien nécessaire et contrôlent la réalisation des missions effectuées à la suite d'une réquisition. Ces mesures sont portées à la connaissance des autorités judiciaires requérantes par l'intermédiaire du supérieur de la police requise.
  La confirmation visée à l'article 8, alinéa 2, d'une réquisition de police judiciaire peut résulter du procès-verbal établi par le fonctionnaire de police qui aura exécuté cette réquisition.
Art. 8/7. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Indien de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie niet over het vereiste personeel en de nodige middelen beschikt om gelijktijdig de vorderingen van verschillende gerechtelijke overheden uit te voeren, beslist de federale procureur, of bij delegatie de bij artikel 47quater van het Wetboek van Strafvordering bedoelde, federale magistraat, na overleg met de directeur-generaal van deze algemene directie, aan welke vordering bij voorrang gevolg wordt gegeven.
Art. 8/7. Lorsque la direction générale de la police judiciaire de la police fédérale ne dispose pas des effectifs et des moyens nécessaires pour exécuter simultanément les réquisitions de différentes autorités judiciaires, le procureur fédéral, ou par délégation, le magistrat fédéral visé à l'article 47quater du Code d'instruction criminelle, décide, après concertation avec le directeur général de cette direction générale, quelle réquisition est exécutée prioritairement.
Art. 8/8. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 160; Inwerkingtreding : 01-01-2001> In het bij artikel 8/1, tweede lid, bedoeld geval, en ter uitvoering, door de federale politie, van een vordering, kan de minister van Justitie, op initiatief van de federale procureur, of bij delegatie, van de in het artikel 8/7 bedoelde, federale magistraat, aan de federale politie het bevel geven zich te schikken naar de aanbevelingen en precieze aanwijzingen van de vorderende gerechtelijke overheid.
Art. 8/8. Dans le cas visé à l'article 8/1, alinéa 2, lors de l'exécution d'une réquisition par la police fédérale, le ministre de la Justice peut, à l'initiative du procureur fédéral ou, par délégation, du magistrat fédéral visé à l'article 8/7, lui donner l'ordre de se conformer aux recommandations et indications précises de l'autorité judiciaire requérante.
Afdeling 5. - (Maatregelen tot overleg en coördinatie).
Section 5. - (Mesures de concertation et de coordination).
Art.9. <W 1998-12-07/31, art. 162, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> In elke provincie, alsook in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, wordt een overleg georganiseerd tussen de procureur-generaal bij het hof van beroep, de gouverneur, de bestuurlijke directeurs-coördinator of hun gemachtigden, de gerechtelijke directeurs of hun gemachtigden en vertegenwoordigers van de lokale politiediensten. Dit overleg heeft tot doel de zonale veiligheidsraden te stimuleren. De op het vlak van het provinciaal overleg uitgebrachte adviezen worden ter kennis gebracht van de zonale veiligheidsraden en van de federale overheden. Deskundigen kunnen worden uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen.
  Per gerechtelijk arrondissement wordt een rechercheoverleg georganiseerd tussen de bestuurlijke directeur-coördinator of zijn gemachtigde, de (gerechtelijke directeur) of zijn gemachtigde, vertegenwoordigers van de lokale politiediensten en de procureur des Konings, onder leiding van deze laatste. Dit overleg heeft hoofdzakelijk betrekking op de coördinatie van de opdrachten van gerechtelijke politie en op de organisatie van de uitwisseling van de informatie. De minister van Justitie bepaalt de nadere regels inzake dit rechercheoverleg. <W 2006-06-20/34, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 01-03-2007>
  [1 In het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt het overleg bedoeld in het tweede lid georganiseerd in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, onder leiding van respectievelijk de procureur des Konings van Brussel en de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde.]1
  
Art.9. <L 1998-12-07/31, art. 162, 005; En vigueur : 01-01-2001> Dans chaque province, ainsi que dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, une concertation est organisée entre le procureur général près la cour d'appel, le gouverneur, les directeurs coordonnateurs administratifs ou leurs délégués, les directeurs judiciaires ou leurs délégués et des représentants des polices locales. Cette concertation vise à stimuler les conseils zonaux de sécurité. Les avis formulés au niveau de la concertation provinciale sont portés à la connaissance des conseils zonaux de sécurité et des autorités fédérales. Des experts peuvent êtres invités à participer aux réunions.
  Par arrondissement judiciaire est organisée une concertation de recherche entre le directeur coordonnateur administratif ou son délégué, le directeur (judiciaire) ou son délégué, des représentants des polices locales et le procureur du Roi, sous la direction de ce dernier. Cette concertation porte essentiellement sur la coordination des missions de police judiciaire et sur l'organisation de l'échange de l'information. Le ministre de la Justice détermine les modalités de cette concertation de recherche. <L 2006-06-20/34, art. 5, 014; En vigueur : 01-03-2007>
  [1 Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, la concertation visée à l'alinéa 2 a lieu au sein de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale et au sein de l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde, sous la direction respectivement du procureur du Roi de Bruxelles et du procureur du Roi de Hal-Vilvorde.]1
  
Art. 9bis. <W 2005-12-27/30, art. 80; Inwerkingtreding : 09-01-2006> De Koning regelt de voorwaarden voor het gebruik van de kredieten die de Minister van Binnenlandse Zaken aan de provinciegouverneurs [1 en aan de Brusselse agglomeratie]1 toekent voor de coördinatie van hun beleid inzake veiligheid en preventie.
  
Art. 9bis. Le Roi règle les conditions d'utilisation des crédits attribués par le Ministre de l'Intérieur aux gouverneurs de province [1 et à l'agglomération bruxelloise]1 pour la coordination de leur politique en matière de sécurité et de prévention.
  
Art.10. § 1. (...). <W 1998-12-07/31, art. 163, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  § 2. (...). <W 1998-12-07/31, art. 163, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  § 3. (...). <W 1998-12-07/31, art. 163, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (...) (De uitvoering van opdrachten van politie der luchtwegen, die een weerslag hebben op het beheer of de exploitatie van de luchthavens, maakt het voorwerp uit van een overleg georganiseerd op verzoek van de bevoegde overheden. De naar aanleiding van dit overleg aangegane verbintenissen worden opgenomen in een protocolakkoord. <W 1998-12-07/31, art. 163, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  De uitvoering van opdrachten van politie der spoorwegen, die een weerslag hebben op het beheer of de exploitatie van de spoorwegen, maakt het voorwerp uit van een overleg georganiseerd op verzoek van de bevoegde overheden. De naar aanleiding van dit overleg aangegane verbintenissen worden opgenomen in een protocolakkoord.
  De uitvoering van opdrachten van politie der zeevaart en van politie der scheepvaart, die een weerslag hebben op het beheer of de exploitatie van de havens, maakt het voorwerp uit van een overleg georganiseerd op verzoek van de bevoegde overheden. De naar aanleiding van dit overleg aangegane verbintenissen worden opgenomen in een protocolakkoord.) <W 1998-11-17/33, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 01-04-1999 wat betreft de zeevaartpolitie; 01-03-1999 wat betreft de luchtvaartpolitie; 01-06-1999 wat betreft de spoorwegpolitie>
Art.10. § 1. (...). <L 1998-12-07/31, art. 163, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  § 2. (...). <L 1998-12-07/31, art. 163, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  § 3. (...). <L 1998-12-07/31, art. 163, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  (...) (L'exécution des missions de police aéronautique ayant une incidence sur la gestion ou l'exploitation des aéroports, fait l'objet d'une concertation organisée à la demande des autorités compétentes. Les accords qui découlent de cette concertation sont repris dans un protocole d'accord. <L 1998-12-07/31, art. 163, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  L'exécution des missions de police de chemins de fer, ayant une incidence sur la gestion ou l'exploitation des chemins de fer, fait l'objet d'une concertation organisée à la demande des autorités compétentes. Les accords qui découlent de cette concertation sont repris dans un protocole d'accord.
  L'exécution des missions de police maritime et de police de la navigation ayant une incidence sur la gestion ou l'exploitation des ports, fait l'objet d'une concertation organisée à la demande des autorités compétentes. Les accords qui découlent de cette concertation sont repris dans un protocole d'accord.)
Afdeling 6. - (De bevoegdheden inzake bestuurlijke politie).
Section 6. - (Des compétences de police administrative).
Art.11. <W 1998-12-07/31, art. 165, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Onverminderd de bevoegdheden die hun zijn toegekend door of krachtens de wet, oefenen de minister van Binnenlandse Zaken en de gouverneur de bevoegdheden van de burgemeester of van de gemeentelijke instellingen in subsidiaire orde uit wanneer deze, al dan niet vrijwillig, hun verantwoordelijkheden niet nakomen, wanneer de verstoring van de openbare orde zich uitstrekt over het grondgebied van verscheidene gemeenten of, wanneer, ook al is de gebeurtenis of de situatie slechts in een enkele gemeente gelokaliseerd, het algemeen belang hun tussenkomst vereist.
  De bij het eerste lid bedoelde bevoegdheden betreffen maatregelen van bestuurlijke politie in de zin van artikel 3, 1°, behalve diegene die het voorwerp uitmaken van artikel 42 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
Art.11. <L 1998-12-07/31, art. 165, 005; En vigueur : 01-01-2001> Sans préjudice des compétences qui leur sont attribuées par ou en vertu de la loi, le ministre de l'Intérieur et le gouverneur exercent à titre subsidiaire les attributions du bourgmestre ou des institutions communales lorsqu'ils manquent, volontairement ou non, à leurs responsabilités, lorsque les troubles à l'ordre public s'étendent au territoire de plusieurs communes, ou lorsque, bien que l'événement ou la situation soit localisée dans une seule commune, l'intérêt général exige leur intervention.
  Les compétences visées à l'alinéa premier concernent les mesures de police administrative au sens de l'article 3, 1°, à l'exclusion de celles qui font l'objet de l'article 42 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux.
Art.12. Indien, naar aanleiding van een zelfde gebeurtenis, maatregelen van algemene bestuurlijke politie en van bijzondere bestuurlijke politie gelijktijdig moeten worden getroffen, worden de beslissingen, bevelen en vorderingen van de overheden van algemene bestuurlijke politie bij voorrang uitgevoerd.
Art.12. Lorsque, à l'occasion d'un même événement des mesures de police administrative générale et de police administrative spéciale doivent être prises simultanément, les décisions, ordres et réquisitions des autorités de police administrative générale sont exécutées en priorité.
Art.13. De maatregelen van bestuurlijke of gerechtelijke politie worden getroffen onverminderd de voor de bescherming van personen noodzakelijke maatregelen.
Art.13. Les mesures de police administrative ou judiciaire sont prises sans préjudice des mesures indispensables à la protection des personnes.
Art. 13bis. [1 De gerechtelijke overheden, de ambtenaren en agenten van de openbare diensten delen aan de minister van Binnenlandse Zaken alle nuttige inlichtingen mee die ze bezitten en die betrekking hebben op de bescherming van het leven of de fysieke integriteit van de te beschermen personen met inachtneming van de door hun verantwoordelijke overheid bepaalde regels.
   De minister van Binnenlandse Zaken deelt aan de algemene directie bestuurlijke politie van de federale politie alle inlichtingen mee noodzakelijk ter uitvoering van de beschermingsopdrachten die haar zijn opgedragen.]1

  
Art. 13bis. [1 Les autorités judiciaires, les fonctionnaires et les agents des services publics communiquent au ministre de l'Intérieur toutes les informations utiles en leur possession qui ont trait à la protection de la vie ou de l'intégrité physique des personnes à protéger, en se conformant aux règles déterminées par leurs autorités responsables.
   Le ministre de l'Intérieur communique à la direction générale de la police administrative de la police fédérale tous les renseignements nécessaires à l'exécution des missions de protection qui lui sont confiées.]1

  
HOOFDSTUK III. [1 - Opdrachten van de politiediensten.]1
CHAPITRE III. [1 - Missions des services de police.]1
Afdeling 1.
Section 1.
Onderafdeling 1.
Sous-section 1.
Art.14. Bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie, zien (de politiediensten) toe op de handhaving van de openbare orde met inbegrip van de naleving van de politiewetten en -verordeningen, de voorkoming van misdrijven en de bescherming van personen en goederen. <W 1998-12-07/31, art. 166, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Zij verlenen tevens bijstand aan eenieder die in gevaar verkeert.
  Daartoe zorgen zij voor een algemeen toezicht en voor controles op de plaatsen waartoe zij wettelijk toegang hebben, bezorgen zij het verslag van hun opdrachten en de inlichtingen die zij naar aanleiding van die opdrachten hebben ingewonnen aan de bevoegde overheden, voeren zij maatregelen van bestuurlijke politie uit, treffen zij materiële maatregelen van bestuurlijke politie waarvoor zij bevoegd zijn en onderhouden zij contact met elkaar, (alsmede met de bevoegde overheidsdiensten). <W 2001-04-02/34, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (Lid 4 opgeheven) <W 1998-12-07/31, art. 166, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.14. Dans l'exercice de leurs missions de police administrative, (les services de police) veillent au maintien de l'ordre public en ce compris le respect des lois et règlements de police, la prévention des infractions et la protection des personnes et des biens. <L 1998-12-07/31, art. 166, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  (Ils) portent également assistance à toute personne en danger. <L 1998-12-07/31, art. 166, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  A cet effet, (ils) assurent une surveillance générale et des contrôles dans les lieux qui leur sont légalement accessibles, transmettent le compte rendu de leurs missions aux autorités compétentes ainsi que les renseignements recueillis à l'occasion de ces missions, exécutent des mesures de police administrative, prennent des mesures matérielles de police administrative de leur compétence et entretiennent des contacts entre (eux), (ainsi qu'avec les administrations compétentes). <L 1998-12-07/31, art. 166, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 2001-04-02/34, art. 2, 007; En vigueur : 01-01-2001>
  (Alinéa 4 abrogé) <L 1998-12-07/31, art. 166, 005; En vigueur : 01-01-2001>
Art.15. Bij het vervullen van hun opdrachten van gerechtelijke politie, hebben (de politiediensten) als taak : <W 1998-12-07/31, art. 167, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  1° de misdaden, de wanbedrijven en de overtredingen op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen, daarvan kennis te geven aan de bevoegde overheden, de daders ervan te vatten, [2 te arresteren]2 en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheid, op de wijze en in de vormen bepaald door de wet;
  2° de personen in wier [2 vrijheidsbeneming ]2 door de wet wordt voorzien, op te sporen, te vatten, [2 te arresteren]2 en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheden;
  3° de voorwerpen waarvan de inbeslagneming voorgeschreven is, op te sporen, in beslag te nemen en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheden;
  4° het verslag van hun opdrachten en de inlichtingen die zij naar aanleiding ervan hebben ingewonnen aan de bevoegde overheden te bezorgen.
  [1 Dit artikel is eveneens van toepassing op de inbreuken op de reglementen betreffende de politie over het wegverkeer die bestraft worden met administratieve sancties.]1
  
Art.15. Dans l'exercice de leurs missions de police judiciaire, (les services de police) ont pour tâche : <L 1998-12-07/31, art. 167, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  1° de rechercher les crimes, les délits et les contraventions, d'en rassembler les preuves, d'en donner connaissance aux autorités compétentes, d'en saisir, arrêter et mettre à la disposition de l'autorité compétente les auteurs, de la manière et dans les formes déterminées par la loi;
  2° de rechercher les personnes dont [2 la privation de liberté]2 est prévue par la loi, de s'en saisir, de les arrêter et de les mettre à la disposition des autorités compétentes;
  3° de rechercher, de saisir et de mettre à la disposition de l'autorité compétente les objets dont la saisie est prescrite;
  4° de transmettre aux autorités compétentes le compte rendu de leurs missions ainsi que les renseignements recueillis à cette occasion.
  [1 Cet article est également applicable aux infractions aux règlements relatifs à la police de la circulation routière qui sont sanctionnées administrativement.]1
  
Art. 15bis. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 168; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De federale en de lokale politie vervullen de in deze onderafdeling bepaalde opdrachten overeenkomstig artikel 3 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
Art. 15bis. La police fédérale et la police locale remplissent les missions déterminées dans la présente sous-section conformément à l'article 3 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux.
Art.16. (De politiediensten) zijn belast met de politie over het wegverkeer. Zij houden te allen tijde het verkeer vrij. <W 1998-12-07/31, art. 169, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (Lid 2 opgeheven) <W 1998-12-07/31, art. 169, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.16. (Les services de police) sont (chargés) de la police de la circulation routière. (Ils) veillent en tout temps à assurer la liberté de la circulation. <L 1998-12-07/31, art. 169, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 1999-04-19/50, art. 22, 006; En vigueur : 5555-55-55>
  (Alinéa 2 abrogé) <L 1998-12-07/31, art. 169, 005; En vigueur : 01-01-2001>
Art. 16bis. <INGEVOEGD bij W 1998-11-17/33, art. 10; Inwerkingtreding : 01-04-1999> (De federale politie) is belast met de uitoefening van de opdrachten inzake politie der zeevaart en politie der scheepvaart, zonder afbreuk te doen aan door de wet aan bepaalde agenten van de bevoegde openbare besturen toegekende politiebevoegdheden. <W 1998-12-07/31, art. 170, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 16bis. (La police fédérale) est chargée d'exercer les missions de police maritime et de police de la navigation sans préjudice des compétences de police attribuées par la loi à certains agents des administrations publiques compétentes. <L 1998-12-07/31, art. 170, 005; En vigueur : 01-01-2001>
Art. 16ter. <INGEVOEGD bij W 1998-11-17/33, art. 11; Inwerkingtreding : 01-03-1999> (De federale politie) is belast met de uitoefening van de opdrachten inzake politie der luchtwegen, zonder afbreuk te doen aan door de wet aan bepaalde agenten van de bevoegde openbare besturen toegekende politiebevoegdheden. <W 1998-12-07/31, art. 171, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 16ter. (La police fédérale) est chargée d'exercer les missions de police aéronautique, sans préjudice des compétences de police attribuées par la loi à certains agents des administrations publiques compétentes. <L 1998-12-07/31, art. 171, 005; En vigueur : 01-01-2001>
Art. 16quater. <INGEVOEGD bij W 1998-11-17/33, art. 12; Inwerkingtreding : 01-03-1999> (De federale politie) is belast met de uitoefening van de opdrachten inzake politie der spoorwegen. <W 1998-12-07/31, art. 172, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 16quater. (La police fédérale) est chargée d'exercer les missions de police des chemins de fer. <L 1998-12-07/31, art. 172, 005; En vigueur : 01-01-2001>
Art. 16quinquies. [1 De federale politie is belast met de uitoefening van de bijzondere opdrachten inzake bescherming en beveiliging.]1
  
Art. 16quinquies. [1 La police fédérale est chargée d'exécuter les missions spécialisées de protection et de sécurisation.]1
  
Art.17. Bij ramp, onheil of schadegeval in de zin van de wetgeving op de civiele bescherming, begeven (de politiediensten), zich ter plaatse en waarschuwen de bevoegde bestuurlijke en gerechtelijke overheden. <W 1998-12-07/31, art. 173, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  In afwachting dat deze overheden optreden, treffen zij in onderling akkoord alle maatregelen om de in gevaar verkerende personen te redden, het evacueren van personen en goederen te beschermen en plundering te voorkomen.
  Te dien einde kunnen zij de medewerking van de bevolking vorderen die hieraan gevolg moet geven en in voorkomend geval de nodige middelen moet verschaffen.
  Zij verlaten pas de plaats van de ramp, het onheil, of het schadegeval na hiervan een officier van bestuurlijke politie te hebben ingelicht en zich ervan te hebben vergewist dat hun aanwezigheid niet langer vereist is om opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie te vervullen.
Art.17. En cas de calamité, de catastrophe ou de sinistre au sens de la législation sur la protection civile, (les services de police), se rendent sur les lieux et avertissent les autorités administratives et judiciaires compétentes. <L 1998-12-07/31, art. 173, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  En attendant l'intervention de ces autorités, ils prennent de commun accord toutes les mesures propres à sauver les personnes en danger, à protéger l'évacuation des personnes et des biens et à empêcher le pillage.
  A cette fin, ils peuvent requérir le concours de la population qui est tenue d'obtempérer et de fournir, s'il échet, les moyens nécessaires.
  Ils ne quittent les lieux de la calamité, de la catastrophe ùu du sinistre qu'après en avoir averti un officier de police administrative et s'être assurés que leur présence n'est plus nécessaire pour exécuter des missions de police administrative et judiciaire.
Art.18. (De politiediensten) houden toezicht op de [1 personen met een psychiatrische aandoening]1 die hun gezondheid en veiligheid ernstig in gevaar brengen of die een ernstige bedreiging vormen voor het leven en de lichamelijke integriteit van anderen. Zij beletten dat zij ronddwalen, vatten hen en lichten onmiddellijk de procureur des Konings in. <W 1998-12-07/31, art. 174, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (Zij) vatten degenen die hun gemeld zijn als ontvlucht uit de psychiatrische dienst waar zij in observatie waren gesteld of waren weerhouden overeenkomstig de wet en houden ze ter beschikking van de bevoegde overheden. <W 1998-12-07/31, art. 174, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  
Art.18. (Les services de police) surveillent les [1 personnes atteintes d'un trouble psychiatrique]1 qui mettent gravement en péril leur santé et leur sécurité ou qui constituent une menace grave pour la vie et l'intégrité physique d'autrui. (Ils) empêchent leur divagation, s'en saisissent et en avisent immédiatement le procureur du Roi. <L 1998-12-07/31, art. 174, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 1999-04-19/50, art. 23, 006; En vigueur : 01-01-2001>
  (Ils) se saisissent de ceux qui leur sont signalés comme étant évadés du service psychiatrique où ils avaient été mis en observation ou maintenus conformément à la loi et les tiennent à la disposition des autorités compétentes. <L 1998-12-07/31, art. 174, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  
Art.19. [2 De politiediensten houden toezicht op de geïnterneerde personen aan wie door de strafuitvoeringsrechtbank een in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen bedoelde uitvoeringsmodaliteit van de internering werd toegekend [3 evenals op de veroordeelden tot een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij aan dewelke een uitvoeringsmodaliteit overeenkomstig de wet van 29 februari 2024 tot invoering van een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij werd toegekend]3. Zij houden eveneens toezicht op de naleving van de hen daartoe meegedeelde voorwaarden.]2
  (Zij) vatten de ontvluchte geïnterneerden [3 en veroordeelden tot een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij]3, verwittigen onmiddellijk de procureur des Konings ervan en schikken zich naar zijn richtlijnen. <W 1998-12-07/31, art. 174, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  
Art.19. [2 Les services de police surveillent les personnes internées à qui le tribunal de l'application des peines a octroyé une des modalités d'exécution de l'internement visées aux articles 20, 21, 23, 24, 25 et 28 de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement des personnes [3 ainsi que les personnes condamnées à une mesure de sûreté pour la protection de la société auxquelles une modalité d'exécution a été octroyée conformément à la loi du 29 février 2024 en vue d'insérer une mesure de sûreté pour la protection de la société]3. Ils contrôlent également le respect des conditions qui leur ont été communiquées à cet effet.]2
  (Ils) se saisissent des internés évadés [3 et des personnes condamnées à une mesure de sûreté pour la protection de la société]3, en avisent immédiatement le procureur du Roi et se conforment à ses instructions. <L 1998-12-07/31, art. 174, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  
Art.20. [1 De politiediensten houden toezicht op de veroordeelden die een strafuitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf genieten, of die een uitvoeringsmodaliteit van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank genieten, op de veroordeelden die enige andere maatregel genieten die de strafuitvoering schorst, op de veroordeelden in penitentiair verlof, op de personen ten aanzien van wie een probatieopschorting is uitgesproken of de veroordeelden met uitstel, op de veroordeelden die in vrijheid werden gesteld onder toezicht, alsook op de verdachten [2 onder een bevel tot aanhouding dat wordt uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht of]2 die in vrijheid gesteld of gelaten zijn overeenkomstig de wet betreffende de voorlopige hechtenis [3 , op de veroordeelden die een straf onder elektronisch toezicht in de zin van de artikelen 37ter en 37quater van het Strafwetboek ondergaan]3 [4 en op de veroordeelden die een autonome probatiestraf in de zin van de artikelen 37octies tot 37undecies van het Strafwetboek ondergaan]4.
   Zij houden eveneens toezicht op de naleving van de hen daartoe meegedeelde voorwaarden die zijn opgelegd aan de veroordeelden die een strafuitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf genieten, of die een uitvoeringsmodaliteit van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank genieten, aan de veroordeelden die enige andere maatregel genieten die de strafuitvoering schorst, aan de veroordeelden in penitentiair verlof, op de personen ten aanzien van wie een probatieopschorting is uitgesproken of de veroordeelden met uitstel, aan de veroordeelden die in vrijheid werden gesteld onder toezicht, alsook aan de verdachten [2 onder een bevel tot aanhouding dat wordt uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht of]2 die in vrijheid gesteld of gelaten zijn overeenkomstig de wet betreffende de voorlopige hechtenis]1
[4 , aan de veroordeelden die een straf onder elektronisch toezicht in de zin van de artikelen 37ter en 37quater van het Strafwetboek ondergaan en aan de veroordeelden die een autonome probatiestraf in de zin van de artikelen 37octies tot 37undecies van het Strafwetboek ondergaan]4.
  (Zij) vatten de ontvluchte veroordeelden en gevangenen en stellen ze ter beschikking van de bevoegde overheden. <W 1998-12-07/31, art. 174, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  
Art.20. [1 Les services de police surveillent les condamnés qui bénéficient d'une modalité d'exécution de la peine privative de liberté ou qui bénéficient d'une modalité d'exécution de la mise à disposition du tribunal de l'application des peines, les condamnés qui bénéficient de toute autre mesure qui suspend l'exécution de la peine, les condamnés en congé pénitentiaire, les personnes ayant fait l'objet d'une suspension probatoire ou les condamnés avec sursis, les condamnés qui ont été remis en liberté sous surveillance, ainsi que les inculpés [2 placés sous un mandat d'arrêt qui est exécuté par une détention sous surveillance électronique ou]2 laissés ou mis en liberté conformément à la loi relative à la détention préventive [4 , les condamnés qui purgent une peine de surveillance électronique au sens des articles 37ter et 37quater du Code pénal et les condamnés qui purgent une peine de probation autonome au sens des articles 37octies à 37undecies du Code pénal]4.
   Ils veillent également que soient respectées les conditions qui leur sont communiquées à cet effet et qui sont imposées aux condamnés qui bénéficient d'une modalité d'exécution de la peine privative de liberté ou qui bénéficient d'une modalité d'exécution de la mise à disposition du tribunal de l'application des peines, aux condamnés qui bénéficient de toute autre mesure qui suspend l'exécution de la peine, aux condamnés en congé pénitentiaire, aux personnes ayant fait l'objet d'une suspension probatoire ou aux condamnés avec sursis, aux condamnés qui ont été remis en liberté sous surveillance ainsi qu'aux inculpés [2 placés sous un mandat d'arrêt qui est exécuté par une détention sous surveillance électronique ou]2 laissés ou mis en liberté conformément à la loi relative à la détention préventive]1
[4 , aux condamnés qui purgent une peine de surveillance électronique au sens des articles 37ter et 37quater du Code pénal et aux condamnés qui purgent une peine de probation autonome au sens des articles 37octies à 37undecies du Code pénal]4.
  (Ils) se saisissent des condamnés et des détenus évadés et les mettent à la disposition des autorités compétentes. <L 1998-12-07/31, art. 174, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  
Art.21. (De politiediensten) zien toe op de naleving van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. <W 1998-12-07/31, art. 175, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (Zij) vatten de vreemdelingen die geen houder zijn van de identiteitsstukken of van de documenten vereist door de reglementering op de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en nemen te hunnen opzichte de maatregelen voorgeschreven door de wet of de bevoegde overheid. <W 1998-12-07/31, art. 175, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.21. (Les services de police) veillent au respect des dispositions légales relatives à l'accès au territoire, au séjour, à l'établissement et à l'éloignement des étrangers. <L 1998-12-07/31, art. 175, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  (Ils) se saisissent des étrangers qui ne sont pas porteurs des pièces d'identité ou des documents requis par la réglementation sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, et prennent à leur égard les mesures prescrites par la loi ou par l'autorité compétente. <L 1998-12-07/31, art. 175, 005; En vigueur : 01-01-2001>
Art.22. (De politiediensten) houden zich op in de nabijheid van elke grote volkstoeloop en nemen de gepaste maatregelen voor het rustige verloop ervan. <W 1998-12-07/31, art. 176, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  [1 Op beslissing van de bestuurlijke politieoverheid of op initiatief van de politieambtenaar die, overeenkomstig de artikelen 7/1, 7/2 of 7/3, belast is met de operationele leiding van de ordedienst, gaan zij over tot het uiteendrijven van]1 :
  1° alle gewapende samenscholingen;
  2° de samenscholingen die gepaard gaan met misdaden en wanbedrijven [2 tegen personen of goederen]2 of met overtreding van de wet van 29 juli 1934 waarbij de privé-milities verboden worden;
  3° de samenscholingen waarvan blijkt dat zij gevormd zijn of zich vormen met het oog op verwoesting, moord of plundering, of om een aanslag te plegen op de lichamelijke integriteit of het leven van personen;
  4° de samenscholingen die de uitvoering van de wet, van een politieverordening, van een politiemaatregel, van een gerechtelijke beslissing of van een dwangbevel hinderen.
  Wanneer (de [1 ...]1 politie) op grond van artikel 16 of van dit artikel ambtshalve samenscholingen uiteendrijft of zich ophoudt in de nabijheid van een grote volkstoeloop, stelt ze de burgemeester van de betrokken gemeente (en de korpschef van de betrokken lokale politie) hiervan tevoren of, als dat niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk op de hoogte en blijft ze bij dergelijke interventies bestendig met hen in contact. <W 1998-12-07/31, art. 176, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  
Art.22. (Les services de police) se tiennent à portée des grands rassemblements et prennent les mesures utiles à leur déroulement paisible. <L 1998-12-07/31, art. 176, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  [1 Sur décision de l'autorité de police administrative ou à l'initiative du fonctionnaire de police chargé de la direction opérationnelle du service d'ordre conformément aux articles 7/1, 7/2 ou 7/3, ils dispersent]1 :
  1° tous les attroupements armés;
  2° les attroupements qui s'accompagnent de crimes et de délits [2 contre les personnes ou les biens]2 ou d'infractions à la loi du 29 juillet 1934 interdisant les milices privées;
  3° les attroupements dont il apparaît qu'ils sont constitués ou se constituent en vue de porter la dévastation, le massacre ou le pillage ou d'attenter à l'intégrité physique ou à la vie des personnes;
  4° les attroupements faisant obstacle à l'exécution de la loi, d'une ordonnance de police, d'une mesure de police, d'une décision de justice ou d'une contrainte.
  Lorsque (la police [1 ...]1) disperse d'office des attroupements ou se tient à portée de grands rassemblements, sur base des articles 16 ou du présent articles, elle en informe au préalable ou, si ce n'est pas possible, dans les plus brefs délais, le bourgmestre de la commune concernée (et le chef de corps de la police locale concernée) et maintient avec ceux-ci un contact permanent à l'occasion de telles interventions. <L 1998-12-07/31, art. 176, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  
Art.23. § 1. Behoudens een bijzondere vordering van de gerechtelijke overheden, zorgen de politiediensten met het oog op de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke politie waarmee zij belast zijn, voor het halen van gevangenen uit hun plaats van opsluiting.
  § 2. De politiediensten zorgen voor de bewaking van de overeenkomstig artikel 15, 1° en 2°, [2 van hun vrijheid benomen]2 personen en leiden ze voor de bevoegde procureur des Konings [1 ...]1 of onderzoeksrechter of naar het aangewezen huis van bewaring.
  Zij brengen de ter uitvoering van een vonnis of een arrest [2 van hun vrijheid benomen]2 personen naar de dichtstbij gelegen strafinrichting.
  § 3. (De lokale politie) voert de opdrachten waarin de §§ 1 en 2 voorzien uit binnen de grenzen van het gerechtelijk arrondissement (onverminderd de toepassing van de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus). <W 1998-12-07/31, art. 177, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  § 4. (De federale politie en, in de door de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus, bepaalde omstandigheden, de lokale politie zorgen) voor de handhaving van de orde in de hoven en rechtbanken en voor de bewaking van de gevangenen ter gelegenheid van hun verschijning voor de gerechtelijke overheden. <W 1998-12-07/31, art. 177, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  [3 Zij zorgen voor de uitvoering en de bescherming bij de overbrenging van gevangenen tussen strafinrichtingen en bij het halen van gevangenen uit strafinrichtingen om ze naar de hoven en rechtbanken of naar een andere plaats over te brengen. In deze gevallen zorgen zij ook voor de bewaking van de gevangenen op deze plaatsen.]3
  [3 § 4bis. In het raam van de uitvoering van de in de §§ 2 en 4 voorziene opdrachten voeren de politieambtenaren, de beveiligingsagenten van politie en de beveiligingsassistenten van politie, onverminderd de toepassing van artikel 37bis, de met toepassing van de artikelen 759 tot 763 van het Gerechtelijk Wetboek door het vonnisgerecht bevolen dwangmaatregelen, alsook de met toepassing van de bepalingen van het Wetboek van strafvordering door het vonnisgerecht bevolen vrijheidsberovingsmaatregelen uit.]3
  § 5. ((De federale politie) en, in de omstandigheden bedoeld in artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, de lokale politie zorgen voor) de handhaving van de orde en de veiligheid in de gevangenissen in geval van oproer of onlusten die van aard zijn de openbare orde ernstig in gevaar te brengen, (wanneer zij daartoe gevorderd worden) door de Directeur-generaal van [1 de penitentiaire inrichtingen]1 of zijn afgevaardigde omdat de middelen en het personeel van het gevangeniswezen ontoereikend blijken. <W 1998-12-07/31, art. 177, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2001-04-02/34, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  [3 § 6. De federale politie en, in de door de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalde omstandigheden, de lokale politie zorgen, op verzoek van de gerechtelijke overheden, voor de overbrenging van de minderjarigen naar specifieke instellingen, alsook voor de uitvoering en de bescherming van de overbrengingen en de uithalingen van de minderjarigen tussen deze instellingen en naar een andere plaats.]3
  [3 § 7. De federale politie en, in de door de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalde omstandigheden, de lokale politie zorgen, op verzoek van de bevoegde overheden, voor de overbrenging van de geïnterneerden naar private instellingen of inrichtingen tot bescherming van de maatschappij.]3
  [3 § 8. De federale politie en, in de door de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bepaalde omstandigheden, de lokale politie zorgen voor de uitvoering en de bescherming van de uithalingen van gevangenen met het oog op overdracht aan buitenlandse overheden.
   Zij zorgen eveneens voor de in ontvangstneming van gevangenen die aan de Belgische overheden worden overgedragen.]3

  [3 § 9. De federale politie en, in de door de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus bepaalde omstandigheden, de lokale politie zorgen voor de overbrenging van gerechtelijke dossiers met het oog op de uitoefening van het wettelijk inzagerecht.]3
  
Art.23. § 1. Sauf réquisition particulière des autorités judiciaires, les services de police assurent l'extraction des détenus nécessaire à l'exécution des missions de police judiciaire dont ils sont chargés.
  § 2. Les services de police assurent la garde des personnes [2 privées de liberté]2 conformément à l'article 15, 1° et 2°, et les conduisent auprès du procureur du Roi [1 ...]1 ou du juge d'instruction compétent, ou à la maison d'arrêt indiquée.
  Ils conduisent les personnes arrêtées en exécution d'un jugement ou d'un arrêt dans l'établissement pénitentiaire le plus proche.
  § 3. (La police locale) exécute les missions prévues aux §§ 1er et 2 dans les limites de l'arrondissement judiciaire (sans préjudice de l'application des articles 61 et 62 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux). <L 1998-12-07/31, art. 177, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  § 4. (La police fédérale et, dans les circonstances prévues aux articles 61 et 62 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, la police locale assurent) la police des cours et tribunaux et la garde des détenus à l'occasion de leur comparution devant les autorités judiciaires. <L 1998-12-07/31, art. 177, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  [3 Elles assurent l'exécution et la protection des transfèrements des détenus entre les établissements pénitentiaires et des extractions des détenus des établissements pénitentiaires vers les cours et tribunaux ou vers un autre lieu. Dans ces cas, elles assurent également la surveillance des détenus dans ces lieux.]3
  [3 § 4bis. Dans le cadre de l'exécution des missions prévues aux §§ 2 et 4, les fonctionnaires de police, les agents de sécurisation de police et les assistants de sécurisation de police exécutent, sans préjudice de l'article 37bis, les mesures contraignantes ordonnées par la juridiction de jugement en application des articles 759 à 763 du Code judiciaire, ainsi que les mesures privatives de liberté ordonnées par la juridiction de jugement en application des dispositions du Code d'instruction criminelle.]3
  § 5. ((La police fédérale) et, dans les circonstances visées aux articles 61 et 62 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, la police locale assurent) assure le maintien de l'ordre et la sécurité dans les prisons en cas d'émeute ou de troubles susceptibles de menacer gravement l'ordre public, (lorsqu'elles y est requises) par le Directeur général des établissements pénitentiaires ou par son délégué parce que les moyens et le personnel de l'administration pénitentiaire se révèlent inopérants. <L 1998-12-07/31, art. 177, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 2001-04-02/34, art. 3, 007; En vigueur : 01-01-2001>
  [3 § 6. La police fédérale et, dans les circonstances prévues aux articles 61 et 62 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, la police locale assurent, à la demande des autorités judiciaires, la conduite des mineurs vers les institutions spécifiques, ainsi que l'exécution et la protection des transfèrements et des extractions des mineurs entre ces institutions et vers un autre lieu.]3
  [3 § 7. La police fédérale et, dans les circonstances prévues aux articles 61 et 62 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, la police locale assurent, à la demande des autorités compétentes, la conduite des internés vers les institutions privées ou les établissements de défense sociale.]3
  [3 § 8. La police fédérale et, dans les circonstances prévues aux articles 61 et 62 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, la police locale assurent l'exécution et la protection des extractions de détenus en vue de leur remise aux autorités étrangères.
   Elles assurent également la prise en charge des détenus remis aux autorités belges.]3

  [3 § 9. La police fédérale et, dans les circonstances prévues aux articles 61 et 62 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, la police locale assurent le transfert des dossiers judiciaires en vue de l'exercice du droit légal de consultation.]3
  
Art.24. (De politiediensten) nemen ten aanzien van de gevaarlijke of verlaten dieren alle nodige beveiligingsmaatregelen om een einde te maken aan hun rondzwerven. <W 1998-12-07/31, art. 178, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.24. (Les services de police) prennent à l'égard des animaux dangereux ou abandonnés toutes les mesures de sûreté nécessaires pour mettre fin à leur divagation. <L 1998-12-07/31, art. 178, 005; En vigueur : 01-01-2001>
Art.25. (De leden van het operationeel kader van de politiediensten) (...) kunnen niet met andere administratieve taken worden belast dan die welke hun uitdrukkelijk worden opgedragen door of krachtens de wet. <W 1998-12-07/31, art. 179, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2006-04-01/38, art. 5, 011; Inwerkingtreding : 10-05-2006>
  In afwijking van het eerste lid, kunnen (hen) administratieve taken worden toevertrouwd ten aanzien waarvan de uitoefening van politiebevoegdheden is vereist voor het volbrengen ervan en waarvan de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Justitie in onderling akkoord de lijst bepalen. <W 1998-12-07/31, art. 179, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (Aan de politieambtenaren kunnen door de gerechtelijke overheden onderzoeken in tuchtrechtelijke aangelegenheden worden toevertrouwd.) <W 1998-12-07/31, art. 179, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Bij openbare plechtigheden kunnen (de politiediensten) worden opgedragen te zorgen voor een protocollaire aanwezigheid en voor de begeleiding van overheden en gestelde lichamen. <W 1998-12-07/31, art. 179, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.25. (Les membres du cadre opérationnel des services de police) (...) ne peuvent être chargés de tâches administratives autres que celles qui leur sont attribuées expressément par ou en vertu de la loi. <L 1998-12-07/31, art. 179, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 2006-04-01/38, art. 5, 011; En vigueur : 10-05-2006>
  Par dérogation de l'alinéa 1er, peuvent (leur être (confiées)) des tâches administratives qui exigent, pour leur réalisation, l'exercice de compétences de police, et dont le Ministre de l'Intérieur et le Ministre de la Justice arrêtent la liste de commun accord. <L 1998-12-07/31, art. 179, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 1999-04-19/50, art. 25, 006; En vigueur : 01-01-2001>
  (Les autorités judiciaires peuvent confier aux fonctionnaires de police des enquêtes en matière disciplinaire.) <L 1998-12-07/31, art. 179, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  Lors de cérémonies publiques, (les services de police) peuvent être chargées d'assurer une présence protocolaire ainsi que l'escorte des autorités et des corps constitués. <L 1998-12-07/31, art. 179, 005; En vigueur : 01-01-2001>
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
HOOFDSTUK IV. [1 - De algemene vorm en voorwaarden van uitvoering van de opdrachten.]1
CHAPITRE IV. [1 - De la forme et des conditions générales d'exercice des missions.]1
Afdeling 1. [1 - Zichtbaar gebruik van camera's]1
Section 1re. [1 - Utilisation visible de caméras]1
Art. 25/1. [1 § 1. Deze afdeling regelt de plaatsing en het gebruik van camera's op zichtbare wijze door de politiediensten.
   De camera's waarvan de modaliteiten voor plaatsing en gebruik door de politiediensten worden geregeld door of krachtens een bijzondere wetgeving worden niet beoogd door deze afdeling.
   § 2. De bepalingen onder deze afdeling zijn van toepassing op de politiediensten, wanneer ze in real time toegang hebben tot beelden van bewakingscamera's geplaatst door andere verantwoordelijken voor de verwerking, met toepassing van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's of van andere wetten, als deze toegang opname van de beelden bij de politiediensten zelf inhoudt.]1

  
Art. 25/1. [1 § 1er. La présente section règle l'installation et l'utilisation de caméras de manière visible par les services de police.
   Les caméras dont les modalités d'installation et d'utilisation par les services de police sont réglées par ou en vertu d'une législation particulière ne sont pas visées par la présente section.
   § 2. Les dispositions de la présente section sont applicables aux services de police lorsqu'ils ont accès en temps réel aux images de caméras de surveillance installées par d'autres responsables du traitement, en application de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance ou d'autres lois, si cet accès implique un enregistrement des images au sein des services de police mêmes.]1

  
Art. 25/2. [1 § 1. Voor de toepassing van deze wet, wordt verstaan onder :
   1° mobiele camera : de camera die wordt verplaatst tijdens het gebruik ervan;
  [3 1bis° individuele camera: een door een lid van het operationeel kader gedragen mobiele camera die audiovisuele opnames maakt;]3
   2° tijdelijk vaste camera : de camera die voor een beperkte tijd op een plaats wordt opgesteld;
   3° intelligente camera : de camera die ook onderdelen en software bevat, die al dan niet gekoppeld aan registers of bestanden, de verzamelde beelden al dan niet autonoom kunnen verwerken;
   4° niet-besloten plaats : elke plaats die niet door een omsluiting is afgebakend en vrij toegankelijk is voor het publiek, waaronder de openbare wegen beheerd door de openbare overheden bevoegd voor het wegbeheer;
   5° voor het publiek toegankelijke besloten plaats : elk gebouw of elke door een omsluiting afgebakende plaats, bestemd voor het gebruik door het publiek waar diensten aan het publiek kunnen worden verstrekt;
   6° niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats : elk gebouw of elke door een omsluiting afgebakende plaats die uitsluitend bestemd is voor het gebruik door de gewoonlijke gebruikers;
   7° omsluiting : afbakening van een plaats bestaande uit minstens een duidelijke visuele afscheiding of een aanduiding waardoor de plaatsen duidelijk van elkaar onderscheiden kunnen worden;
  [3 8° pre-opname: een camerafunctie die ervoor zorgt dat er voortdurend en tegelijk geluid en beeld wordt opgenomen zodra de camera wordt ingeschakeld. Die gegevens worden automatisch, systematisch en geleidelijk aan overschreven door nieuwe gegevens zodat de totale beschikbare opname de vooraf bepaalde duur niet overschrijdt;]3
  [3 9° groene ruimten onder het beheer van openbare overheden: de publiek toegankelijke besloten plaatsen die onder het beheer staan van openbare overheden en die onder meer de vorm kunnen aannemen van bossen, parken, tuinen, groene pleinen, speeltuinen in open lucht en begraafplaatsen en die een omsluiting hebben in de zin van deze wet.]3
   § 2. Wordt als zichtbaar beschouwd :
   1° het gebruik van vaste camera's, in voorkomend geval tijdelijk, aangegeven met een door de Koning vastgesteld pictogram, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens;
   2° het gebruik van mobiele camera's [3 , met inbegrip van de individuele camera's]3
   a) hetzij gemonteerd aan boord van politievoertuigen, -vaartuigen, -luchtvaartuigen of elk ander vervoermiddel van de politie, dat als dusdanig geïdentificeerd kan worden;
   b) [3 hetzij gedragen door een lid van het operationeel kader van de politiediensten, dat als dusdanig identificeerbaar is overeenkomstig artikel 41;]3]1

  [2 3° wat het gebruik van vaste camera's in de Belgische maritieme zones zoals bepaald in artikel 1.1.1.4 van het Belgisch Scheepvaartwetboek wordt het pictogram bedoeld in de bepaling onder 1° vervangen door de bekendmaking zoals bepaald in artikel 4.6.1.6, § 3, van het Belgisch Scheepvaartwetboek.]2
  [3 Aan elk gebruik van een mobiele camera in de zin van paragraaf 2, eerste lid, 2°, b), gaat een mondelinge waarschuwing vooraf, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.
   Een gebruik is in het bijzonder onwerkzaam in de volgende omstandigheden:
   1° het kan een gevaar inhouden voor de veiligheid van het lid van het operationeel kader of van derden;
   2° het is moeilijk of zelfs onmogelijk te realiseren, gelet op het aantal te waarschuwen aanwezige personen of de afstand tussen hen en het lid van het operationeel kader;
   3° het is inopportuun, want het zou het goede verloop van de opdracht aanzienlijk schaden.]3

  
Art. 25/2. [1 § 1er. Pour l'application de la présente loi, l'on entend par :
   1° caméra mobile : la caméra qui est déplacée au cours de son utilisation;
  [3 1bis° caméra individuelle: une caméra mobile réalisant des enregistrements audiovisuels portée par un membre du cadre opérationnel;]3
   2° caméra fixe temporaire : la caméra fixée pour un temps limité dans un lieu;
   3° caméra intelligente : la caméra qui comprend également des composantes ainsi que des logiciels qui, couplés ou non à des registres ou à des fichiers, peuvent traiter de manière autonome ou non les images recueillies;
   4° lieu ouvert : tout lieu non délimité par une enceinte et accessible librement au public, dont les voies publiques gérées par les autorités publiques gestionnaires de voiries;
   5° lieu fermé accessible au public : tout bâtiment ou lieu délimité par une enceinte, destiné à l'usage du public, où des services peuvent lui être fournis;
   6° lieu fermé non accessible au public : tout bâtiment ou lieu délimité par une enceinte, destiné uniquement à l'usage des utilisateurs habituels;
   7° enceinte : délimitation d'un lieu composée au minimum d'une démarcation visuelle claire ou d'une indication permettant de clairement distinguer les lieux;
  [3 8° pré-enregistrement: une fonctionnalité d'une caméra qui consiste à enregistrer continuellement et simultanément le son et l'image dès la mise sous tension de la caméra. Ces données sont automatiquement, systématiquement et progressivement écrasées par de nouvelles données pour que l'enregistrement disponible total n'excède pas la durée prédéterminée;]3
  [3 9° espaces verts gérés par des autorités publiques: les lieux fermés accessibles au public gérés par des autorités publiques qui peuvent revêtir la forme notamment de bois, parcs, jardins, squares végétalisés, d'aires de jeux en plein air ainsi que de cimetières et qui disposent d'une enceinte au sens de la présente loi.]3
   § 2. Est réputée visible :
   1° l'utilisation de caméras fixes, le cas échéant temporaires, signalées par un pictogramme déterminé par le Roi, après avis de l'autorité compétente de contrôle des traitements de données à caractère personnel;
   2° l'utilisation de caméras mobiles [3 , y compris les caméras individuelles]3
   a) soit montées à bord de véhicules de police, de navires de police, d'aéronefs de police, ou de tout autre moyen de transport de police, identifiables comme tels;
   b) [3 soit portées par un membre du cadre opérationnel des services de police, identifiable comme tel conformément à l'article 41;]3]1

  [2 3° en ce qui concerne l'utilisation de caméras fixes dans les zones maritimes belges énoncée à l'article 1.1.1.4 du Code belge de la Navigation, le pictogramme visé au 1° est remplacé par l'annonce énoncée à l'article 4.6.1.6, § 3, du Code belge de la Navigation.]2
  [3 Tout usage d'une caméra mobile au sens du paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, b), est précédé d'un avertissement oral, à moins que cela ne rende cet usage inopérant.
   Un usage est notamment inopérant dans les circonstances suivantes:
   1° il peut constituer un danger pour la sécurité du membre du cadre opérationnel ou de tiers;
   2° il est difficilement réalisable voire impossible vu le nombre de personnes présentes à prévenir ou la distance qui les sépare du membre du cadre opérationnel;
   3° il est inopportun car il nuirait substantiellement au bon déroulement de la mission.]3

  
Art. 25/3. [1 § 1. In het kader van hun opdrachten, kunnen de politiediensten camera's op zichtbare wijze gebruiken, onder de volgende voorwaarden :
   1° in de niet-besloten plaatsen en de besloten plaatsen waarvan zij de beheerder zijn : vaste, tijdelijk vaste of mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn;
   2° in voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen, waarvan zij niet de beheerder zijn :
   a) mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, tijdens de duur van een interventie;
   b) vaste en tijdelijk vaste camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, mits het akkoord van de beheerder van de plaats, in de luchthavens, havenfaciliteiten zoals bedoeld in artikel 5, 6°, van de wet van 5 februari 2007 betreffende de maritieme beveiliging, stations van het openbaar vervoer, [2 de groene ruimten onder het beheer van openbare overheden,]2 en plaatsen die door hun aard aan een bijzonder veiligheidsrisico onderhevig zijn, aangeduid bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, waarvan het ontwerp voor advies wordt voorgelegd aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens;
   c) tijdelijk vaste camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, in het kader van de uitvoering van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van personen, tijdens de duur van de operatie;
   d) tijdelijk vaste camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, in het kader van de uitvoering van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van goederen, voor zover de beheerder van de plaats zich hiertegen niet heeft verzet, tijdens de duur van de operatie;
   3° in niet voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen, waarvan zij niet de beheerders zijn :
   a) mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, tijdens de duur van een interventie;
   b) tijdelijk vaste camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, in het kader van de uitvoering van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van personen, tijdens de duur van de operatie;
   c) tijdelijk vaste camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, in het kader van de uitvoering van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van goederen, voor zover de beheerder van de plaats zich hiertegen niet heeft verzet, tijdens de duur van de operatie.
  [2 § 1bis. In het raam van de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie mogen de leden van het operationeel kader gebruikmaken van hun individuele camera tijdens de duur en op de plaats van hun interventie, in de volgende situaties:
   1° in geval van een incident van een zekere ernst, in het bijzonder in het geval van concrete aanwijzingen van risico's op het ontstaan van geweld, voor het gebruik van dwang, voor de schending van de integriteit van leden van de politiediensten of van de oproeper of nog van derden;
   2° wanneer er op basis van het gedrag van de personen, materiële aanwijzingen of omstandigheden van plaats en tijd redelijke gronden zijn om te denken dat er personen zijn die gezocht worden of die geprobeerd hebben een misdrijf te plegen of een misdrijf voorbereiden, of die een misdrijf hebben gepleegd of die de openbare orde zouden kunnen verstoren of hebben verstoord;
   3° in geval van noodzaak om materiële bewijzen van inbreuken te verzamelen en de betrokken personen te identificeren;
   4° bij de uitvoering van opdrachten tijdens dewelke de politiediensten bijstand verlenen wanneer ze daartoe wettelijk worden gevorderd;
   5° bij de uitvoering van opdrachten tijdens dewelke de politiediensten gevorderd worden om de gerechtelijke bevelen te betekenen en ten uitvoer te leggen.]2

   § 2. Het zichtbare gebruik van camera's voor het inwinnen van informatie van bestuurlijke politie bedoeld in artikel 44/5, § 1, is uitsluitend toegelaten in de gevallen bedoeld in artikel 44/5, § 1, eerste lid, 2° tot 6°. Wat artikel 44/5, § 1, eerste lid, 5°, betreft, kan dat gebruik bovendien alleen worden toegelaten ten aanzien van de categorieën van personen bedoeld in artikelen 18, 19 en 20.
   § 3. Camera's mogen noch beelden opleveren die de intimiteit van een persoon schenden, noch gericht zijn op het inwinnen van informatie over de raciale of etnische oorsprong van een persoon, zijn religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, zijn politieke opvattingen, zijn vakbondslidmaatschap, zijn gezondheidstoestand, zijn seksleven of zijn seksuele geaardheid.]1

  [2 § 4. Bij individuele camera's wordt gebruikgemaakt van de pre-opname, die de beelden en het geluid gedurende een periode van 30 seconden verzamelt en bewaart en die toevoegt aan het begin van de opname wanneer de individuele camera geactiveerd wordt.]2
  
Art. 25/3. [1 § 1er. Les services de police peuvent avoir recours à des caméras de manière visible dans le cadre de leurs missions, dans les conditions suivantes :
   1° dans les lieux ouverts et les lieux fermés dont ils sont les gestionnaires : caméras fixes, fixes temporaires ou mobiles, le cas échéant intelligentes;
   2° dans les lieux fermés accessibles au public, dont ils ne sont pas les gestionnaires :
   a) caméras mobiles, le cas échéant intelligentes, pendant la durée d'une intervention;
   b) caméras fixes et fixes temporaires, le cas échéant intelligentes, moyennant l'accord du gestionnaire du lieu, dans les aéroports, les installations portuaires visées à l'article 5, 6°, de la loi du 5 février 2007 relative à la sûreté maritime, les stations de transport public, [2 les espaces verts gérés par des autorités publiques]2 et les lieux qui, en raison de leur nature, sont sujets à un risque particulier pour la sécurité, désignés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, dont le projet est soumis pour avis à l'autorité compétente de contrôle des traitements de données à caractère personnel;
   c) caméras fixes temporaires, le cas échéant intelligentes, dans le cadre de l'exécution de missions spécialisées de protection de personnes, pendant la durée de l'opération;
   d) caméras fixes temporaires, le cas échéant intelligentes, dans le cadre de l'exécution de missions spécialisées de protection de biens, pour autant que le gestionnaire du lieu ne s'y oppose pas, pendant la durée de l'opération;
   3° dans les lieux fermés non accessibles au public, dont ils ne sont pas les gestionnaires :
   a) caméras mobiles, le cas échéant intelligentes, pendant la durée d'une intervention;
   b) caméras fixes temporaires, le cas échéant intelligentes, dans le cadre de l'exécution de missions spécialisées de protection de personnes, pendant la durée de l'opération;
   c) caméras fixes temporaires, le cas échéant intelligentes, dans le cadre de l'exécution de missions spécialisées de protection de biens, pour autant que le gestionnaire du lieu ne s'y oppose pas, pendant la durée de l'opération.
  [2 § 1bis. Dans le cadre de l'exercice de leurs missions de police administrative et judiciaire, les membres du cadre opérationnel peuvent faire usage de leur caméra individuelle pendant la durée et en tous lieux de leur intervention, dans les situations suivantes:
   1° en cas d'incident d'une certaine gravité, notamment s'il y a des indices concrets de risques d'émergence de la violence, d'utilisation de la contrainte, d'atteinte à l'intégrité de membres des services de police ou de l'appelant ou encore de tiers;
   2° lorsqu'il y a des motifs raisonnables de croire, en fonction du comportement des personnes, d'indices matériels ou de circonstances de temps et de lieu, qu'il y a des personnes qui sont recherchées, ou qui ont tenté de commettre une infraction ou se préparent à la commettre, ou qui ont commis une infraction, ou qui pourraient troubler l'ordre public ou qui l'ont troublé;
   3° en cas de nécessité de recueillir des preuves matérielles d`infractions et d'identifier les personnes impliquées;
   4° lors de l'exécution de missions au cours desquelles les services de police prêtent main forte lorsqu'ils y sont légalement requis;
   5° lors de l'exécution de missions au cours desquelles les services de police sont requis pour notifier et mettre à exécution les mandats de justice.]2

   § 2. L'utilisation visible des caméras pour le recueil de l'information de police administrative visée à l'article 44/5, § 1er, n'est autorisée que dans les hypothèses visées à l'article 44/5, § 1er, alinéa 1er, 2° à 6°. En ce qui concerne l'article 44/5, § 1er, alinéa 1er, 5°, cette utilisation ne peut en outre être autorisée qu'à l'égard des catégories de personnes visées aux articles 18, 19 et 20.
   § 3. Les caméras ne peuvent fournir d'images qui portent atteinte à l'intimité d'une personne, ni viser à recueillir des informations relatives à l'origine raciale ou ethnique d'une personne, ses convictions religieuses ou philosophiques, ses opinions politiques, son appartenance à une organisation syndicale, son état de santé, sa vie sexuelle ou son orientation sexuelle.]1

  [2 § 4. Les caméras individuelles font usage du pré-enregistrement qui récolte et conserve d'office les images et le son pendant une durée de 30 secondes, et les ajoute au début de l'enregistrement lors de l'activation de la caméra individuelle.]2
  
Art. 25/4. [1 § 1.Een politiedienst kan camera's plaatsen en gebruiken overeenkomstig artikel 25/3, of op zichtbare wijze gebruik maken van camera's geplaatst door derden zoals bedoeld in artikel 25/1, § 2, op het grondgebied dat onder zijn bevoegdheid valt, na voorafgaande principiële toestemming van :
   1° de gemeenteraad, wanneer het gaat om een politiezone;
   2° de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde, voor de diensten van de federale politie.
   § 2. Om deze toestemming te bekomen wordt er een aanvraag ingediend bij de in paragraaf 1 aangewezen bevoegde overheid door :
   1° de korpschef, wanneer het gaat om een politiezone;
   2° de territoriaal bevoegde bestuurlijke directeur- coördinator, of de directeur van de aanvragende dienst, wanneer het gaat om een dienst die deel uitmaakt van de federale politie.
   De in het eerste lid bedoelde toestemmingsaanvraag preciseert het type camera, de doeleinden waarvoor de camera's zullen worden geïnstalleerd of gebruikt, evenals de gebruiksmodaliteiten ervan, en voor wat betreft de vaste camera's ook de plaats. Deze aanvraag houdt rekening met een impact- en risicoanalyse op het vlak van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en op operationeel niveau, met name wat de categorieën van verwerkte persoonsgegevens betreft, de proportionaliteit van de aangewende middelen, de te bereiken operationele doelstellingen en de bewaartermijn van de gegevens die nodig is om deze doelstellingen te bereiken.
   Bij wijziging van het type camera of van de gebruiksdoeleinden ervan, alsook wat de vaste camera's betreft, in geval van wijziging van de plaats, wordt een nieuwe toestemming aangevraagd.
   § 3. In geval van met redenen omklede hoogdringendheid, waarbij de in paragraaf 1 bedoelde toestemming nog niet werd bekomen, vraagt de korpschef dan wel de bestuurlijke directeur-coördinator of de directeur van de aanvragende dienst, afhankelijk van het geval, mondeling de toestemming aan de bevoegde overheid om gebruik te maken van camera's in het kader van de specifieke opdracht die de hoogdringendheid rechtvaardigt. Deze mondelinge toestemming wordt vervolgens zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd door de bevoegde overheid.
   Wat betreft de politiezones, kan de bevoegde overheid vertegenwoordigd worden door de betrokken burgmeester om de mondelinge toestemming te geven in het geval van hoogdringendheid zoals bedoeld in het eerste lid.
   § 4. Elke beslissing tot toestemming bedoeld in paragraaf 1 wordt ter kennis gebracht van de procureur des Konings.
   In het geval bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt de beslissing tot toestemming ter kennis gebracht van de burgemeester en de korpschef.
   De in paragraaf 1 bedoelde toestemming wordt openbaar gemaakt wanneer zij betrekking heeft op opdrachten van bestuurlijke politie.
   § 5. De in paragraaf 1 bedoelde toestemming wordt niet gevraagd, als het gaat om het plaatsen en het gebruik van camera's in besloten plaatsen waarvan de politiediensten de beheerders zijn.]1

  [2 § 6. De toestemming bedoeld in paragraaf 1 is evenmin van toepassing op de mobiele camera's, zodat het gebruik ervan geen enkele territoriale beperking inhoudt.]2
  
Art. 25/4. [1 § 1er. Un service de police peut installer et utiliser des caméras conformément à l'article 25/3, ou utiliser de manière visible les caméras placées par des tiers comme visé à l'article 25/1, § 2, sur le territoire qui ressort de sa compétence, après autorisation préalable de principe :
   1° du conseil communal, lorsqu'il s'agit d'une zone de police;
   2° du ministre de l'Intérieur ou son délégué, pour les services de la police fédérale.
   § 2. Pour obtenir cette autorisation, une demande est introduite auprès de l'autorité compétente visée au paragraphe 1er par :
   1° le chef de corps, lorsqu'il s'agit d'une zone de police;
   2° le directeur coordonnateur administratif territorialement compétent, ou le directeur du service demandeur, lorsqu'il s'agit d'un service qui appartient à la police fédérale.
   La demande d'autorisation visée à l'alinéa 1er précise le type de caméras, les finalités pour lesquelles les caméras vont être installées ou utilisées, ainsi que leurs modalités d'utilisation, et en ce qui concerne les caméras fixes également le lieu. Cette demande tient compte d'une analyse d'impact et de risques au niveau de la protection de la vie privée et au niveau opérationnel, notamment quant aux catégories de données à caractère personnel traitées, à la proportionnalité des moyens mis en oeuvre, aux objectifs opérationnels à atteindre et à la durée de conservation des données nécessaire pour atteindre ces objectifs.
   En cas de changement du type de caméras ou des finalités d'utilisation de celles-ci, ainsi que, en ce qui concerne les caméras fixes, en cas de changement de lieu, une nouvelle autorisation est demandée.
   § 3. En cas d'urgence motivée, où l'autorisation visée au paragraphe 1er n'a pas encore été obtenue, soit le chef de corps soit le directeur coordonnateur administratif ou le directeur du service demandeur, selon le cas, demande oralement l'autorisation à l'autorité compétente pour y avoir recours dans le cadre de la mission spécifique justifiant l'urgence. Cette autorisation orale est par la suite confirmée par écrit par l'autorité compétente dans les plus brefs délais.
   En ce qui concerne les zones de police, l'autorité compétente peut être représentée par le bourgmestre concerné pour donner l'autorisation orale dans le cas d'urgence visé à l'alinéa 1er.
   § 4. Toute décision d'autorisation visée au paragraphe 1er est portée à la connaissance du procureur du Roi.
   Dans le cas visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, la décision d'autorisation est portée à la connaissance du bourgmestre et du chef de corps.
   L'autorisation visée au paragraphe 1er fait l'objet d'une publicité, lorsqu'elle concerne des missions de police administrative.
   § 5. L'autorisation visée au paragraphe 1er n'est pas demandée lorsqu'il s'agit d'installer et d'utiliser des caméras dans les lieux fermés dont les services de police sont les gestionnaires.]1

  [2 § 6. L'autorisation visée au paragraphe 1er ne s'applique pas non plus aux caméras mobiles de sorte que leur utilisation n'implique aucune restriction territoriale.]2
  
Art. 25/5. [1 § 1. Het gebruik van camera's vindt plaats op beslissing en onder de verantwoordelijkheid van de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3, die waakt over de naleving van de proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginselen.
   § 2. Wanneer andere personen dan leden van de politiediensten in real time toegang hebben tot de beelden van de camera's waarvan de plaatsing en het gebruik door deze wet worden geregeld, in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden die hen worden toevertrouwd door of krachtens de wet die hun opdrachten regelt, gebeurt het bekijken van deze beelden in real time onder toezicht van de politiediensten, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet.]1

  
Art. 25/5. [1 § 1er. L'utilisation de caméras a lieu sur décision et sous la responsabilité du fonctionnaire de police visé aux articles 7 à 7/3, lequel veille au respect des principes de proportionnalité et de subsidiarité.
   § 2. Lorsque d'autres personnes que des membres des services de police ont accès en temps réel aux images des caméras dont l'installation et l'utilisation sont réglées par la présente loi, dans le cadre de l'exercice des compétences qui leur sont confiées par ou en vertu de la loi qui régit leurs missions, le visionnage en temps réel des images s'exerce sous le contrôle des services de police, sauf dans les cas prévus par la loi.]1

  
Art. 25/6. [1 De informatie en persoonsgegevens die verzameld worden door middel van camera's kunnen worden geregistreerd en bewaard voor een duur van niet meer dan [2 365 dagen]2, te rekenen vanaf de registratie ervan, tenzij in een andere termijn voorzien wordt in afdeling 12 van dit hoofdstuk.]1
  [2 De persoonsgegevens en informatie worden door de volgende camera's bewaard gedurende een minimale termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf het moment van de opname:
   1° individuele camera's;
   2° [...]
   De maximale bewaartermijn van de in het tweede lid bedoelde gegevens en informatie wordt bepaald overeenkomstig het eerste lid.]2

  
Art. 25/6. [1 Les informations et données à caractère personnel collectées au moyen de caméras, peuvent être enregistrées et conservées pour une durée n'excédant pas [2 365 jours]2 à compter de leur enregistrement, sauf si un autre délai est prévu dans la section 12 du présent chapitre.]1
  [2 Les données à caractère personnel et informations sont conservées par les caméras suivantes pendant une durée minimale de trente jours à compter du moment de l'enregistrement:
   1° les caméras individuelles;
   2° [...]
   Le délai maximal de conservation des données et informations visées à l'alinéa 2 est déterminé conformément à l'alinéa 1er.]2

  
Art. 25/6 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 De informatie en persoonsgegevens die verzameld worden door middel van camera's kunnen worden geregistreerd en bewaard voor een duur van niet meer dan [2 365 dagen]2, te rekenen vanaf de registratie ervan, tenzij in een andere termijn voorzien wordt in afdeling 12 van dit hoofdstuk.]1
  [2 De persoonsgegevens en informatie worden door de volgende camera's bewaard gedurende een minimale termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf het moment van de opname:
   1° individuele camera's;
   [3 2° camera's geplaatst in opsluitingsplaatsen onder het beheer van de politiediensten.]3
   De maximale bewaartermijn van de in het tweede lid bedoelde gegevens en informatie wordt bepaald overeenkomstig het eerste lid.]2
Art. 25/6 DROIT FUTUR.    [1 Les informations et données à caractère personnel collectées au moyen de caméras, peuvent être enregistrées et conservées pour une durée n'excédant pas [2 365 jours]2 à compter de leur enregistrement, sauf si un autre délai est prévu dans la section 12 du présent chapitre.]1
  [2 Les données à caractère personnel et informations sont conservées par les caméras suivantes pendant une durée minimale de trente jours à compter du moment de l'enregistrement:
   1° les caméras individuelles;
   [3 2° les caméras installées dans les lieux de détention gérés par les services de police.]3
   Le délai maximal de conservation des données et informations visées à l'alinéa 2 est déterminé conformément à l'alinéa 1er.]2
Art. 25/7. [1 § 1. De toegang tot de in artikel 25/6 bedoelde persoonsgegevens en informatie wordt toegelaten gedurende een periode van [2 dertig dagen]2, te rekenen vanaf de registratie ervan, op voorwaarde dat het operationeel gemotiveerd is en dat het noodzakelijk is voor de uitoefening van een welbepaalde opdracht.
   Na de [2 eerste dertig dagen]2 is de toegang tot die persoonsgegevens en informatie enkel voor doeleinden van gerechtelijke politie mogelijk mits een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van de procureur des Konings.
   De toegang tot deze persoonsgegevens en informatie is beveiligd, alle toegangen worden dagelijks bijgewerkt en de concrete redenen van de bevragingen worden geregistreerd.
   § 2. De persoonsgegevens en informatie bedoeld in paragraaf 1 kunnen na anonimisering worden gebruikt voor didactische en pedagogische doeleinden in het kader van de opleiding van de leden van de politiediensten.]1

  
Art. 25/7. [1 § 1er. L'accès aux données à caractère personnel et informations visées à l'article 25/6 est autorisé pendant une période [2 de trente jours]2 à compter de leur enregistrement, à condition qu'il soit motivé sur le plan opérationnel et nécessaire pour l'exercice d'une mission précise.
   Après [2 les trente premiers jours]2, l'accès à ces données à caractère personnel et informations n'est possible que pour des finalités de police judiciaire et moyennant une décision écrite et motivée du procureur du Roi.
   L'accès à ces informations et données à caractère personnel est protégé, tous les accès sont journalisés et les raisons concrètes des accès sont enregistrées.
   § 2. Après anonymisation, les données à caractère personnel et informations visées au paragraphe 1er peuvent être utilisées à des fins didactiques et pédagogiques dans le cadre de la formation des membres des services de police.]1

  
Art. 25/8. [3 § 1.]3 [1 [3 Alle verwerkingen met betrekking tot het gebruik van camera's worden bijgehouden in het unieke register van verwerkingsactiviteiten van de politiediensten bedoeld in artikel 145 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.]3
   Een nationaal register met de geolocalisatie van alle door de politiediensten gebruikte vaste camera's wordt door de federale politie bijgehouden en op digitale wijze bewaard.
   [2 De in het eerste en tweede lid bedoelde registers worden, op verzoek, ter beschikking gesteld van het Controleorgaan, van de bestuurlijke en gerechtelijke politieoverheden en van de functionaris voor gegevensbescherming bedoeld in artikel 144 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.]2]1

  [3 § 2. De korpschef, de commissaris-generaal, de directeur-generaal of de directeur, verantwoordelijk voor de verwerking, neemt de nodige maatregelen opdat de volgende middels de individuele camera verwerkte gegevens automatisch of onverwijld na de opname in een register worden bijgehouden:
   1° de audiovisuele opnames;
   2° het tijdstip of de periode van het gebruik;
   3° de identificatie van het lid van het operationeel kader dat gebruik heeft gemaakt van de individuele camera;
   4° de plaats of het traject waarvoor de gegevens bewaard zijn geweest.
   Deze gegevens kunnen worden verwerkt voor de volgende doeleinden:
   1° hulp bij het opstellen van de verslagen of de processen-verbaal van de politie-interventies, met inbegrip van de identificatie van de bij die interventies betrokken of aanwezige personen;
   2° de procedures van gerechtelijke en bestuurlijke politie;
   3° de behandeling van klachten en de tuchtprocedure door de bevoegde overheden en personen;
   4° voor een pedagogisch doeleinde voor zover de gegevens geanonimiseerd of gepseudonimiseerd zijn.
   Voor de gegevens bedoeld in het eerste lid, 2° tot 4°, geldt dezelfde minimale en maximale bewaartermijn als voor de gegevens bedoeld in het eerste lid, 1°.
   Na die termijn worden die gegevens gewist.
   Wanneer er een extractie is geweest van de gegevens en ze ten behoeve van het opstellen van de verslagen of de processen-verbaal, de bestuurlijke of gerechtelijke procedures, de behandeling van klachten of tuchtprocedures of een pedagogisch doeleinde werden overgezonden, worden ze bewaard volgens de regels eigen aan elk van die procedures.
   Binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden en hun kennisbehoefte, hebben de leden van de politiediensten die door de verwerkingsverantwoordelijke zijn aangewezen rechtstreeks toegang tot deze gegevens.
   De verwerkingsverantwoordelijke wijst de personen aan die zijn gemachtigd om een extractie te maken van de gegevens voor de doeleinden bedoeld in het tweede lid.
   Kunnen ontvangers zijn van alle of een deel van de in het register geregistreerde gegevens:
   1° de leden van de politiediensten die de behoefte hebben om er kennis van te hebben voor het uitvoeren van hun opdrachten;
   2° de bevoegde bestuurlijke en gerechtelijke overheid;
   3° de overheden en de door hen aangestelde personen bevoegd voor de klachtenbehandeling en tuchtrechtelijke procedures;
   4° de leden van de politie die met de opleiding en de training van het personeel belast zijn.]3

  
Art. 25/8. [3 § 1er]3 [1 [3 Tous les traitements relatifs à l'usage des caméras sont inventoriés dans le registre unique des activités de traitement des services de police visé à l'article 145 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux.]3
   Un registre national reprenant la géolocalisation de toutes les caméras fixes utilisées par les services de police est tenu, au sein de la police fédérale, et conservé sous une forme digitale.
   [2 Les registres visés aux alinéas 1er et 2 sont mis sur demande à la disposition de l'Organe de contrôle, des autorités de police administrative et judiciaire et du délégué à la protection des données visé à l'article 144 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux.]2]1

  [3 § 2. Le chef de corps, le commissaire général, le directeur général ou le directeur, responsable du traitement, prend les mesures nécessaires pour que les données suivantes traitées par le biais de la caméra individuelle soient conservées dans un registre, automatiquement ou dans les meilleurs délais, après leur enregistrement:
   1° les enregistrements audiovisuels;
   2° le moment ou la période d'utilisation;
   3° l'identification du membre du cadre opérationnel qui a fait usage de la caméra individuelle;
   4° le lieu ou le trajet pour lequel les données ont été conservées.
   Ces données peuvent être traitées pour les finalités suivantes:
   1° l'aide à l'établissement des comptes-rendus ou des procès-verbaux des interventions policières, en ce compris l'identification des personnes impliquées ou présentes lors de ces interventions;
   2° les procédures de police judiciaire et administrative;
   3° le traitement des plaintes et la procédure disciplinaire par les autorités et les personnes compétentes;
   4° dans un objectif pédagogique pour autant que les données soient anonymisées ou pseudonymisées.
   Les données visées à l'alinéa 1er, 2° à 4°, sont soumises au même délai minimum et maximum de conservation que les données visées à l'alinéa 1er, 1°.
   Après ce délai, ces données sont effacées.
   Lorsque les données ont été extraites et transmises pour les besoins de l'établissement des comptes-rendus ou des procès-verbaux, des procédures administratives ou judiciaires, du traitement des plaintes ou des procédures disciplinaires, ou d'un objectif pédagogique, elles sont conservées selon les règles propres à chacune de ces procédures.
   Dans la limite de leurs attributions respectives et de leur besoin d'en connaitre, seuls les membres des services de police désignés par le responsable du traitement ont accès directs à ces données.
   Le responsable de traitement désigne les personnes qui sont habilitées à procéder à l'extraction des données pour les finalités visées à l'alinéa 2.
   Peuvent être destinataires de tout ou partie des données et informations enregistrées dans le registre:
   1° les membres des services de police qui ont le besoin d'en avoir connaissance pour l'exercice de leurs missions;
   2° l'autorité administrative et judiciaire compétente;
   3° les autorités et les personnes désignées par celles-ci compétentes pour le traitement des plaintes et des procédures disciplinaires;
   4° les membres de la police, chargés de la formation et de l'entrainement du personnel.]3

  
Art. 25/9. [1 In afwijking van artikel 259bis van het Strafwetboek kunnen de hiernavolgende camera's bij hun gebruik naast beelden tevens geluid opnemen, op voorwaarde dat deze opnames noodzakelijk zijn om het beoogde doel te bereiken:
   1° individuele camera's, inclusief tijdens de pre-opname;
   2° vaste camera's, in voorkomend geval tijdelijke, op besloten plaatsen die door de politiediensten worden beheerd, met uitzondering van de omstandigheden waarin deze communicatie door bijzondere wetgeving wordt beschermd, mits en zolang deze opnames noodzakelijk zijn om de veiligheid van de gebouwen, de bezoekers, de personen die van hun vrijheid zijn beroofd of de personeelsleden te garanderen.]1

  
Art. 25/9. [1 Par dérogation à l'article 259bis du Code pénal, lors de leurs utilisations, les caméras suivantes peuvent enregistrer du son en plus des images, à condition que ces enregistrements soient nécessaires pour atteindre le but recherché:
   1° les caméras individuelles, en ce compris lors du pré-enregistrement;
   2° les caméras fixes, le cas échéant temporaires, dans les lieux fermés gérés par les services de police, sauf dans les cas où cette communication est protégée par une législation spécifique, à condition que et aussi longtemps que ces enregistrements sont nécessaires pour assurer la sécurité des lieux, des visiteurs, des personnes privées de liberté ou des membres du personnel.]1

  
Afdeling 2. [1 - Bezoek van bepaalde plaatsen]1
Section 2. [1 - Visite de certains lieux]1
Art.26. (De politieambtenaren) kunnen steeds de voor het publiek toegankelijke plaatsen alsook de verlaten onroerende goederen betreden teneinde toe te zien op de handhaving van de openbare orde en de naleving van de politiewetten en -verordeningen. <W 1998-12-07/31, art. 180, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (Zij) kunnen steeds diezelfde plaatsen betreden teneinde opdrachten van gerechtelijke politie uit te voeren. <W 1998-12-07/31, art. 180, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Met inachtneming van de onschendbaarheid van de woning kunnen zij hotelinrichtingen en andere logiesverstrekkende inrichtingen bezoeken. Zij kunnen zich door de eigenaars, exploitanten of aangestelden van die inrichtingen de inschrijvingsdocumenten van de reizigers doen overleggen.
Art.26. (Les fonctionnaires de police) peuvent toujours pénétrer dans les lieux accessibles au public ainsi que dans les biens immeubles abandonnés, afin de veiller au maintien de l'ordre public et au respect des lois et des règlements de police. <L 1998-12-07/31, art. 180, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  (Ils) peuvent toujours pénétrer en ces mêmes lieux afin d'exécuter des missions de police judiciaire. <L 1998-12-07/31, art. 180, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  Dans le respect de l'inviolabilité du domicile, ils peuvent visiter les établissements hôteliers et autres établissements de logement. Ils peuvent se faire présenter par les propriétaires, tenanciers ou préposés de ces établissements, les documents d'inscription des voyageurs.
Afdeling 3. [1 - Fouilleringen]1
Section 3. [1 - Fouilles]1
Art.27. [1 Onverminderd de bepalingen betreffende de noodplanning, kunnen de politieambtenaren, bij het uitoefenen van hun opdrachten van bestuurlijke politie, bij ernstig en nakend gevaar voor rampen, onheil of schadegevallen of wanneer het leven of de lichamelijke integriteit van personen ernstig wordt bedreigd, zowel `s nachts als overdag gebouwen, bijgebouwen en vervoermiddelen doorzoeken in elk van de volgende gevallen :
   1° op verzoek van de persoon die het werkelijk genot heeft van een niet voor het publiek toegankelijke plaats of mits de toestemming van die persoon;
   2° wanneer het hun op die plaats gemelde gevaar een uitermate ernstig en ophanden zijnde karakter vertoont dat het leven of de lichamelijke integriteit van personen bedreigt en op geen andere wijze kan worden afgewend.]1

  Bij het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie, kunnen de politieambtenaren (...), in geval van ernstig en nakend gevaar, eveneens onbebouwde zones doorzoeken. <W 1998-12-07/31, art. 181, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Het in dit artikel bedoelde doorzoeken mag slechts geschieden om personen op te sporen die in gevaar verkeren of om de oorzaak van het gevaar op te sporen en, in voorkomend geval, te verhelpen.
  De ontruiming van die gebouwen of zones evenals van hun onmiddellijke omgeving kan in diezelfde gevallen door een officier van bestuurlijke politie bevolen worden.
  In deze verschillende gevallen, dient de bevoegde burgemeester zo spoedig mogelijk op de hoogte te worden gebracht alsmede, naargelang de omstandigheden en in de mate van het mogelijke, de persoon die het werkelijk genot heeft van het gebouw, van het vervoermiddel of van de doorzochte zone of van het gebouw of de zone die werd ontruimd.
  
Art.27. [1 Sans préjudice des dispositions relatives à la planification d'urgence, les fonctionnaires de police peuvent, dans l'exercice de leurs missions de police administrative, en cas de danger grave et imminent de calamités, de catastrophes ou de sinistres, ou lorsque la vie ou l'intégrité physique de personnes sont gravement menacées, fouiller des bâtiments, leurs annexes ainsi que des moyens de transport, tant de jour que de nuit, dans chacun des cas suivants :
   1° à la demande de la personne qui a la jouissance effective d'un lieu non accessible au public ou moyennant le consentement de cette personne;
   2° lorsque le danger qui leur est signalé en ce lieu, représente un caractère extrêmement grave et imminent qui menace la vie ou l'intégrité physique de personnes et ne peut être écarté d'aucune autre manière.]1

  Dans l'exercice des missions de police administrative, les fonctionnaires de police (...) peuvent également en cas de danger grave et imminent fouiller des zones non bâties. <L 1998-12-07/31, art. 181, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  Les fouilles visées au présent article ne peuvent être effectuées qu'en vue de rechercher les personnes en danger ou la cause du danger et, s'il échet, d'y porter remède.
  L'évacuation de ces bâtiments ou zones ainsi que de leurs abords immédiats peut être ordonnée par un officier de police administrative dans les mêmes cas que ci-avant.
  Dans ces différents cas, le bourgmestre compétent doit être informé dans les plus brefs délais, de même que, selon les circonstances et dans la mesure du possible, la personne ayant la jouissance effective du bâtiment, du moyen de transport ou de la zone fouillée ou du bâtiment ou de la zone évacuée.
  
Art.28. § 1. De politieambtenaren kunnen bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie en om er zich van te vergewissen dat een persoon geen wapen draagt of enig voorwerp dat gevaarlijk is voor de openbare orde, een veiligheidsfouillering doen in de volgende gevallen :
  1° Indien de politieambtenaar, op grond van de gedragingen van deze persoon, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden, redelijke gronden heeft om te denken dat de persoon die aan een identiteitscontrole wordt onderworpen in de gevallen en de voorwaarden bepaald in artikel 34, een wapen zou kunnen dragen of enig voorwerp dat gevaarlijk is voor de openbare orde;
  2° wanneer een persoon het voorwerp uitmaakt van een [1 bestuurlijke arrestatie of gerechtelijke vrijheidsbeneming]1;
  3° wanneer personen deelnemen aan openbare bijeenkomsten die een reële bedreiging vormen voor de openbare orde;
  4° wanneer personen toegang hebben tot plaatsen waar de openbare orde wordt bedreigd.
  De veiligheidsfouillering gebeurt door het betasten van het lichaam en de kleding van de gefouilleerde persoon evenals door de controle van de bagage. Zij mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd en de persoon mag te dien einde niet langer dan één uur worden opgehouden.
  In de in 3° en 4° bedoelde gevallen wordt de fouillering uitgevoerd op bevel en onder verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke politie; zij wordt uitgevoerd door een politieambtenaar van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde.
  § 2. Bij het vervullen van hun gerechtelijke opdrachten, kunnen de politieambtenaren een gerechtelijke fouillering verrichten van de personen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke [1 vrijheidsbeneming]1, alsook van de personen ten aanzien van wie aanwijzingen bestaan dat zij overtuigingsstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdaad of wanbedrijf bij zich dragen.
  De gerechtelijke fouillering mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd en de persoon mag te dien einde niet langer dan zes uur worden opgehouden.
  De gerechtelijke fouillering wordt uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen en onder verantwoordelijkheid van een officier van gerechtelijke politie.
  § 3. De politieambtenaren kunnen personen die in een cel worden opgesloten vooraf op het lichaam fouilleren.
  Deze fouillering heeft tot doel zich ervan te vergewissen dat de persoon niet in het bezit is van voorwerpen of stoffen die gevaarlijk zijn voor hemzelf of voor anderen of die van die aard zijn een ontvluchting te vergemakkelijken en mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd. Zij wordt uitgevoerd door een politieambtenaar of een andere persoon van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde en naargelang van het geval, overeenkomstig de richtlijnen en onder verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie.
  § 4. (Om de veiligheid van het internationaal vervoer te verzekeren, (kan) (de overheid van bestuurlijke politie), binnen de perken van (haar) bevoegdheden, veiligheidsfouilleringen voorschrijven, uit te voeren in de omstandigheden en volgens de nadere regels die (zij bepaalt).) <W 1998-11-17/33, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 01-04-1999 wat betreft de zeevaartpolitie; 01-03-1999 wat betreft de luchtvaartpolitie> <W 1998-12-07/31, art. 182, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 1999-04-19/50, art. 25, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  [2 § 5. De politieambtenaar kan beslissen tot het volledig, in fasen, ontkleden van de te fouilleren persoon, indien er individuele aanwijzingen zijn die dit noodzakelijk maken en wanneer het te bereiken doel niet verwezenlijkt kan worden door een onderzoek van de kledij en het betasten van het lichaam, of door het gebruik van een metaaldetector of ieder ander technisch middel.
   De fouillering met volledige ontkleding wordt uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen en onder de verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie.
   De ontkleding moet gradueel, in fasen, gebeuren, door eerst het bovenlichaam te ontbloten en vervolgens, nadat de persoon zich opnieuw heeft kunnen aankleden, het onderlichaam te ontbloten. De graad van ontkleding moet legitiem en redelijk zijn en in verhouding staan tot de gezochte voorwerpen of stoffen.
   In geval van weigering door de gecontroleerde persoon om zich vrijwillig aan een fouillering met volledige ontkleding te onderwerpen, kan de officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie opdracht geven tot het gebruik van dwang om over te gaan tot de ontkleding van de betrokkene.
   Zowel systematische als collectieve fouilleringen met volledige ontkleding zijn verboden.
   De fouillering met volledige ontkleding, desgevallend met het oog op het uitwendig schouwen van de openingen en de holten van het lichaam, dient aan de volgende bijkomende voorwaarden te beantwoorden:
   1° de fouillering gebeurt in een gesloten ruimte, in afwezigheid van onbevoegde derden;
   2° de fouillering wordt uitgevoerd door twee of meer politieambtenaren van hetzelfde geslacht als de te fouilleren persoon; er zijn evenwel slechts zo veel personen aanwezig als strikt noodzakelijk;
   3° de te fouilleren persoon die vrijwillig de procedure inzake de fouillering ondergaat wordt niet aangeraakt;
   4° de fouillering gebeurt met eerbied voor de waardigheid van de te fouilleren persoon, heeft geen tergend karakter en duurt niet langer dan strikt noodzakelijk is.
   Minderjarigen kunnen slechts onderworpen worden aan een fouillering met volledige ontkleding, na een gerechtelijke vrijheidsbeneming en mits toestemming van de procureur des Konings.
   Elke fouillering, met volledige ontkleding, moet gemotiveerd worden en die motivatie moet aan de persoon die deze dwangmaatregel ondergaat meegedeeld worden, en maakt het voorwerp uit van een registratieplicht in het proces-verbaal en desgevallend in het register van de vrijheidsberovingen bedoeld in artikel 33bis. Dit register wordt opgenomen in de basisgegevensbanken bedoeld in artikel 44/11/2.
   Minstens volgende elementen worden met toepassing van de in het vorige lid bedoelde registratieplicht in het proces-verbaal geregistreerd:
   1° de identiteit van de persoon die wordt gefouilleerd;
   2° de plaats en het tijdstip van de fouillering;
   3° het identificatienummer of het interventienummer van elk lid van de politiediensten dat daadwerkelijk deelnam aan of assisteerde bij de fouillering met volledige ontkleding, alsook de identiteit van elke andere persoon die geen lid was van de politiediensten en die bij deze fouillering met volledige ontkleding aanwezig was;
   4° de concrete elementen die de individuele aanwijzingen vormden, die deze fouillering en het ontkleden noodzaakten;
   5° de beschrijving van het eventueel gebruik van dwang om over te gaan tot ontkleding;
   6° de incidenten die zich tijdens de fouillering hebben voorgedaan;
   7° de graad van ontkleding;
   8° het resultaat van de fouillering;
   9° het identificatienummer of het interventienummer van de verantwoordelijke officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie.]2

  
Art.28. § 1. Les fonctionnaires de police peuvent, dans l'exercice de leurs missions de police administrative et afin de s'assurer qu'une personne ne porte pas une arme ou un objet dangereux pour l'ordre public, procéder à une fouille de sécurité dans les cas suivants :
  1° Lorsque, en fonction du comportement de cette personne, d'indices matériels ou des circonstances, le fonctionnaire de police a des motifs raisonnables de croire que la personne faisant l'objet d'un contrôle d'identité dans le cas et les conditions prévus à l'article 34, porte une arme ou un objet dangereux pour l'ordre public;
  2° lorsqu'une personne fait l'objet d'[1 une arrestation administrative ou une privation de liberté judiciaire]1;
  3° lorsque des personnes participent à des rassemblements publics qui présentent une menace réelle pour l'ordre public;
  4° lorsque des personnes accèdent à des lieux où l'ordre public est menacé.
  La fouille de sécurité s'effectue par la palpation du corps et des vêtements de la personne fouillée ainsi que par le contrôle de ses bagages. Elle ne peut durer plus longtemps que le temps nécessaire à cette fin et la personne ne peut être retenue pendant plus d'une heure à cet effet.
  Dans les cas visés au 3° et au 4°, la fouille est exécutée sur ordre et sous la responsabilité d'un officier de police administrative; elle est effectuée par un fonctionnaire de police du même sexe que la personne fouillée.
  § 2. Dans l'exercice de leurs missions judiciaires, les fonctionnaires de police peuvent procéder à la fouille judiciaire des personnes qui font l'objet d'[1 une privation de liberté judiciaire]1 ainsi que des personnes à l'égard desquelles existent des indices qu'elles détiennent sur elles des pièces à conviction ou des éléments de preuve d'un crime ou d'un délit.
  La fouille judiciaire ne peut durer plus longtemps que le temps nécessaire à cette fin et la personne ne peut être retenue plus de six heures à cet effet.
  La fouille judiciaire est exécutée conformément aux instructions et sous la responsabilité d'un officier de police judiciaire.
  § 3. Les fonctionnaires de police peuvent fouiller à corps les personnes avant leur mise en cellule.
  Cette fouille a pour but de s'assurer que la personne n'est pas en possession d'objets ou de substances dangereux pour elle-même ou pour autrui ou encore de nature à favoriser une évasion et ne peut durer plus longtemps que le temps nécessaire à cette fin. Elle est exécutée par un fonctionnaire de police ou par une autre personne du même sexe que la personne fouillée, conformément aux instructions et sous la responsabilité, suivant les cas, d'un officier de police administrative ou judiciaire.
  § 4. (Afin d'assurer la sécurité du transport international, (l'autorité de police administrative compétente) (peut), dans les limites de (ses) compétences, prescrire des fouilles de sécurité, à effectuer dans les circonstances et selon les modalités (qu'elle détermine).) <L 1998-11-17/33, art. 16, 003; En vigueur : 01-04-1999 en ce qui concerne la police maritime; 01-03-1999 en ce qui concerne la police aéronautique> <L 1998-12-07/31, art. 182, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 1999-04-19/50, art. 25, 006; En vigueur : 01-01-2001>
  [2 § 5. Le fonctionnaire de police peut décider de procéder au déshabillage complet, en plusieurs étapes, de la personne à fouiller si des indices individualisés le justifient et si l'objectif visé ne peut pas être atteint ni par la fouille des vêtements et la palpation du corps, ni à l'aide d'un détecteur de métaux ou de tout autre moyen technique.
   La fouille avec déshabillage complet est exécutée conformément aux directives et sous la responsabilité d'un officier de police administrative ou judiciaire.
   Le déshabillage doit se faire progressivement, par étapes: la personne se dénude d'abord le haut du corps et, après avoir pu se rhabiller, retire les vêtements du bas. Le degré de déshabillage doit être légitime, raisonnable et proportionnel aux objets ou substances recherchés.
   En cas de refus de la personne contrôlée de se soumettre volontairement à une fouille complète, l'officier de police administrative ou judiciaire peut demander l'usage de la contrainte afin de procéder au déshabillage de l'intéressé.
   Il est interdit de procéder à des fouilles systématiques ou collectives au cours desquelles des personnes doivent se déshabiller complètement.
   Pour procéder à la fouille avec déshabillage complet, le cas échéant en vue de l'inspection externe des orifices et cavités du corps, il faut que les conditions supplémentaires suivantes soient remplies:
   1° la fouille a lieu dans un espace fermé en l'absence de tiers non autorisés;
   2° la fouille est effectuée par au moins deux fonctionnaires de police du même sexe que la personne à fouiller; le nombre de personnes présentes doit cependant être limité au strict nécessaire;
   3° la personne à fouiller qui se soumet volontairement à la procédure de fouille n'est pas touchée;
   4° la fouille se déroule dans le respect de la dignité de la personne à fouiller, n'a pas de caractère vexatoire et ne dure pas plus longtemps que strictement nécessaire.
   Les mineurs ne peuvent être soumis à une fouille avec déshabillage complet qu'après une privation de liberté judiciaire et moyennant l'autorisation du procureur du Roi.
   Toute fouille avec déshabillage complet doit être motivée à l'égard de la personne soumise à cette mesure de contrainte, et soumise à une obligation d'enregistrement dans le procès-verbal et, le cas échéant, dans le registre des privations de liberté visé à l'article 33bis. Ce registre est repris dans les banques de données de base visées à l'article 44/11/2.
   En application de l'obligation d'enregistrement visée à l'alinéa précédent, l'enregistrement dans le procès-verbal doit au moins mentionner les éléments suivants:
   1° l'identité de la personne qui fait l'objet de la fouille;
   2° le lieu et le moment de la fouille;
   3° le numéro d'identification ou le numéro d'intervention de chaque membre des services de police ayant effectivement participé ou assisté à la fouille avec déshabillage complet, ainsi que l'identité de chaque membre extérieur aux services de police qui était présent lors de cette fouille;
   4° les éléments concrets constituant les indices individualisés qui ont nécessité la fouille et le déshabillage;
   5° la description de l'usage de la contrainte pour procéder au déshabillage;
   6° les incidents survenus au cours de la fouille;
   7° le degré de déshabillage;
   8° le résultat de la fouille;
   9° le numéro d'identification ou le numéro d'intervention de l'officier de police administrative ou judiciaire responsable.]2

  
Art.29. De politieambtenaren kunnen overgaan tot het doorzoeken van een voertuig of enig ander vervoermiddel zowel in het verkeer als geparkeerd, op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen indien zij, op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig of vervoermiddel werd gebruikt, wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt :
  1° om een misdrijf te plegen;
  2° om opgespoorde personen of personen die aan een identiteitscontrole willen ontsnappen een schuilplaats te geven of te vervoeren;
  3° om een voor de openbare orde gevaarlijk voorwerp, overtuigingsstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf op te slaan of te vervoeren.
  Zij kunnen dit eveneens wanneer de bestuurder weigert te laten controleren of zijn voertuig in overeenstemming is met de wet.
  Het doorzoeken van een voertuig mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die het rechtvaardigen. Het voertuig mag niet langer dan één uur worden opgehouden voor het doorzoeken uitgevoerd in het raam van het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie.
  Het doorzoeken van een voertuig dat permanent als woning is ingericht en dat op het ogenblik van het doorzoeken daadwerkelijk als woning wordt gebruikt, wordt gelijkgesteld met huiszoeking.
Art.29. Les fonctionnaires de police peuvent procéder à la fouille d'un véhicule ou de tout autre moyen de transport qu'il soit en circulation ou en stationnement sur la voie publique ou dans des lieux accessibles au public, lorsqu'ils ont des motifs raisonnables de croire, en fonction du comportement du conducteur ou des passagers, d'indices matériels ou des circonstances de temps et de lieu, que le véhicule ou le moyen de transport a servi, sert ou pourrait servir :
  1° à commettre une infraction;
  2° à abriter ou à transporter des personnes recherchées ou qui veulent se soustraire à un contrôle d'identité;
  3° à entreposer ou à transporter des objets dangereux pour l'ordre public, des pièces à conviction ou des éléments de preuve d'une infraction.
  Il en est de même lorsque le conducteur refuse un contrôle de la conformité du véhicule à la loi.
  La fouille exécutée dans un véhicule ne peut durer plus longtemps que le temps exigé par les circonstances qui la justifient. Le véhicule ne peut être retenu pendant plus d'une heure à l'effet d'une fouille effectuée dans le cadre de l'exercice des missions de police administrative.
  La fouille d'un véhicule aménagé de façon permanente en logement et qui est effectivement utilisé comme logement au moment du contrôle est assimilée à la visite domiciliaire.
Afdeling 4. [1 - Bestuurlijke inbeslagneming en aanhouding]1
Section 4. [1 - La saisie et l'arrestation administratives]1
Art.30. [1 § 1. De [2 leden van het operationeel kader]2 mogen, in de plaatsen waartoe zij wettelijk toegang hebben, de voorwerpen of dieren die een gevaar betekenen voor het leven of de lichamelijke integriteit van personen of de veiligheid van goederen aan het vrije beschikkingsrecht van de eigenaar, de bezitter of de houder onttrekken, zolang zulks met het oog op de openbare veiligheid of de openbare rust vereist is.
   Deze bestuurlijke inbeslagneming geschiedt overeenkomstig de richtlijnen en onder de verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke politie.
   § 2. De voorwerpen die zijn in beslag genomen bij wijze van bestuurlijke maatregel, worden gedurende maximaal zes maanden ter beschikking gehouden van de houder, bezitter of eigenaar tenzij het om dwingende redenen van openbare veiligheid gerechtvaardigd is om ze onmiddellijk te vernietigen.
   Tot die vernietiging wordt besloten door de bevoegde overheid van bestuurlijke politie.
   § 3. De Koning kan de nadere regels bepalen voor het bewaren, teruggeven of vernietigen van de in beslag genomen voorwerpen.]1

  
Art.30. [1 § 1er. Les [2 membres du cadre opérationnel]2 peuvent, dans les lieux qui leur sont légalement accessibles, soustraire à la libre disposition du propriétaire, du possesseur ou du détenteur les objets ou les animaux qui présentent un danger pour la vie ou l'intégrité physique des personnes ou la sécurité des biens, aussi longtemps que les nécessités de la sécurité publique ou de la tranquillité publique l'exigent.
   Cette saisie administrative se fait conformément aux instructions et sous la responsabilité d'un officier de police administrative.
   § 2. Les objets saisis par voie de mesure administrative sont tenus à la disposition du détenteur, du possesseur ou du propriétaire pendant six mois maximum, sauf si les nécessités impérieuses de la sécurité publique en justifient la destruction immédiate.
   Cette destruction est décidée par l'autorité de police administrative compétente.
   § 3. Le Roi peut régler les modalités selon lesquelles les objets saisis sont conservés, restitués ou détruits.]1

  
Art.31. Bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie en onverminderd de bevoegdheden uitdrukkelijk toegekend bij wetten van bijzondere politie, kunnen de (politieambtenaren) in geval van volstrekte noodzaak overgaan tot de bestuurlijke aanhouding : <W 1998-12-07/31, art. 184, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  1° van een persoon die hen hindert in het vervullen van hun opdracht het verkeer vrij te houden;
  2° van een persoon die de openbare rust daadwerkelijk verstoort;
  3° van een persoon, ten aanzien van wie er op grond van zijn gedragingen, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden, redelijke gronden zijn om te denken dat hij voorbereidingen treft om een misdrijf te plegen dat de openbare rust of de openbare veiligheid ernstig in gevaar brengt, met als doel hem te beletten een dergelijk misdrijf te plegen;
  4° van een persoon die een misdrijf pleegt dat de openbare rust of de openbare veiligheid ernstig in gevaar brengt, teneinde dit misdrijf te doen ophouden.
  In de in het tweede lid van artikel 22 gepreciseerde gevallen kunnen de politieambtenaren overgaan tot de bestuurlijke aanhouding van personen die de openbare rust verstoren en hen van de plaats van de samenscholing verwijderen.
  De vrijheidsbeneming mag nooit langer duren dan de tijd vereist door de omstandigheden die haar rechtvaardigen en mag in geen geval twaalf uur te boven gaan [1 , behalve wanneer een andere termijn van vrijheidsbeneming voorzien is in de nationale reglementering of de internationale reglementering die België verbindt]1.
  (lid 4 opgeheven) <W 2007-04-25/38, art. 53, 018; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  [1 ...]1
  
Art.31. Dans l'exercice de leurs missions de police administrative et sans préjudice des compétences expressément prévues dans des lois de police spéciale, les (fonctionnaires de police) peuvent en cas d'absolue nécessité procéder à l'arrestation administrative : <L 1998-12-07/31, art. 184, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  1° d'une personne qui fait obstacle à l'accomplissement de leur mission d'assurer la liberté de la circulation;
  2° d'une personne qui perturbe effectivement la tranquillité publique;
  3° d'une personne à l'égard de laquelle il existe des motifs raisonnables de croire, en fonction de son comportement, d'indices matériels ou des circonstances, qu'elle se prépare à commettre une infraction qui met gravement en danger la tranquillité ou la sécurité publiques, et afin de l'empêcher de commettre une telle infraction;
  4° d'une personne qui commet une infraction qui met gravement en danger la tranquillité ou la sécurité publiques, afin de faire cesser cette infraction.
  Dans les cas prévus à l'article 22, alinéa 2, les fonctionnaires de police peuvent procéder à l'arrestation administrative des personnes qui perturbent la tranquillité publique et les éloigner des lieux de l'attroupement.
  La privation de liberté ne peut jamais durer plus longtemps que le temps requis par les circonstances qui la justifient et ne peut en aucun cas dépasser douze heures [1 , sauf lorsqu'un autre délai de privation de liberté est prévu par une réglementation nationale ou internationale liant la Belgique]1.
  (alinéa 4 abrogé) <L 2007-04-25/38, art. 53, 018; En vigueur : 18-05-2007>
  [1 ...]1
  
Art.32. In geval van samenloop van een gerechtelijke [1 arrestatie ]1 in de zin van het artikel 15, 1° en 2°, met een bestuurlijke [1 arrestatie]1, mag de vrijheidsbeneming niet langer dan [1 achtenveertig]1 uur duren.
  
Art.32. En cas de concours d'une arrestation judiciaire au sens de l'article 15, 1° et 2°, et d'une arrestation administrative, la privation de liberté ne peut durer plus de [1 quarante-huit heures]1.
  
Art.33. De agent van bestuurlijke politie die een bestuurlijke aanhouding verricht, verwittigt hiervan zo spoedig mogelijk de officier van bestuurlijke politie onder wiens gezag hij ressorteert.
  De officier van bestuurlijke politie die een bestuurlijke aanhouding verricht of handhaaft, doet die aanhouding registreren en brengt hiervan zo spoedig mogelijk de burgemeester (van de betrokken gemeente) of, in voorkomend geval, de speciaal bevoegde bestuurlijke politieoverheid op de hoogte. <W 1998-12-07/31, art. 185, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (lid 3 opgeheven) <W 2007-04-25/38, art. 54, 018; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  (lid 4 opgeheven) <W 2007-04-25/38, art. 54, 018; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
Art.33. L'agent de police administrative, qui procède à une arrestation administrative, en informe dans les plus brefs délais l'officier de police administrative dont il relève.
  L'officier de police administrative, qui effectue ou maintient une arrestation administrative, fait enregistrer cette arrestation et en réfère dans les plus brefs délais au bourgmestre (de la commune concernée) ou, le cas échéant, à l'autorité de police administrative spécialement compétente. <L 1998-12-07/31, art. 185, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  (alinéa 3 abrogé) <L 2007-04-25/38, art. 54, 018; En vigueur : 18-05-2007>
  (alinéa 4 abrogé) <L 2007-04-25/38, art. 54, 018; En vigueur : 18-05-2007>
Art. 33bis. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/38, art. 55; Inwerkingtreding : 18-05-2007> Elke vrijheidsberoving wordt ingeschreven in het register van de vrijheidsberovingen.
  Dit register is de weergave van het chronologisch verloop van de vrijheidsberoving vanaf het begin tot het einde ervan of tot het ogenblik van de overdracht van de betrokken persoon aan de bevoegde overheden of diensten.
  De inhoud en de vorm van het register van de vrijheidsberovingen en de voorwaarden waaronder de gegevens worden bewaard, worden door de Koning bepaald.
Art. 33bis. Toute privation de liberté est inscrite dans le registre des privations de liberté.
  Ce registre est le compte-rendu du déroulement chronologique de la privation de liberté de son début jusqu'à sa fin ou jusqu'au moment du transfert de la personne concernée aux autorités ou aux services compétents.
  Le contenu et la forme du registre des privations de liberté ainsi que les conditions de conservation des données sont déterminés par le Roi.
Art. 33ter. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/38, art. 56; Inwerkingtreding : 18-05-2007> Elke bestuurlijke aangehouden persoon moet in kennis worden gesteld van :
  - de vrijheidsberoving;
  - de redenen van de vrijheidsberoving;
  - de maximale duur van deze vrijheidsberoving;
  - de materiële procedure van de opsluiting;
  - de mogelijkheid tot het nemen van dwangmaatregelen.
  De in deze wet bedoelde rechten die uit de vrijheidsberoving voortvloeien worden hetzij mondeling hetzij schriftelijk en in een taal die hij begrijpt medegedeeld aan elke persoon die het voorwerp uitmaakt van een bestuurlijke aanhouding, en dit op het ogenblik dat de officier van bestuurlijke politie de vrijheidsberoving verricht of handhaaft.
  Deze kennisgeving wordt schriftelijk bevestigd in het register van de vrijheidsberovingen. De mededeling van de rechten van de aangehoudenen kan collectief georganiseerd worden mits deze procedure als dusdanig wordt opgenomen in het register.
Art. 33ter. Toute personne arrêtée administrativement doit être informée :
  -de la privation de liberté;
  - des motifs qui la sous-tendent;
  - de la durée maximale de cette privation de liberté;
  - de la procédure matérielle de la mise en cellule;
  - de la possibilité de recourir à des mesures de contrainte.
  Les droits liés à la privation de liberté visés par la présente loi sont notifiés, soit oralement soit par écrit et dans une langue qu'elle comprend, à toute personne qui fait l'objet d'une arrestation administrative et ce au moment où l'officier de police administrative effectue ou confirme cette privation de liberté.
  Cette notification est confirmée par écrit dans le [1 registre des privations de liberté]1. La communication des droits des personnes arrêtées peut s'organiser collectivement a condition que cette procédure soit mentionnée dans le registre.
  
Art. 33quater. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/38, art. 57; Inwerkingtreding : 18-05-2007> Elke persoon die het voorwerp uitmaakt van een bestuurlijke aanhouding, mag vragen dat een vertrouwenspersoon wordt verwittigd.
  Wanneer de officier van bestuurlijke politie ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verwittigen van een derde persoon een gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid, kan hij beslissen aan dit verzoek geen gevolg te geven en maakt hij hiervan melding in het register van de vrijheidsberovingen met opgave van de redenen die tot zijn beslissing heeft geleid.
  Indien de van de vrijheid beroofde persoon minderjarig is, wordt de persoon die belast is met het toezicht erop hiervan ambtshalve verwittigd.
Art. 33quater. Toute personne qui fait l'objet d'une arrestation administrative peut demander qu'une personne de confiance soit avertie.
  Lorsque l'officier de police administrative a des raisons sérieuses de penser que le fait d'avertir une tierce personne comporte un danger pour l'ordre public et la sécurité, il peut décider de ne pas donner suite à la demande; il mentionne les motifs de cette décision dans le registre des privations de liberté.
  Lorsque la personne privée de sa liberté est mineur d'âge, la personne chargée de sa surveillance en est d'office avertie.
Art. 33quinquies. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/38, art. 58; Inwerkingtreding : 18-05-2007> Elke persoon die het voorwerp uitmaakt van een bestuurlijke aanhouding heeft recht op medische bijstand.
  Onverminderd het recht voorzien in het eerste lid, heeft elke persoon die het voorwerp uitmaakt van een bestuurlijke aanhouding subsidiair het recht een onderzoek door een arts naar keuze te vragen. De kosten voor dit onderzoek vallen ten laste van de betrokken persoon.
Art. 33quinquies. Toute personne qui fait l'objet d'une arrestation administrative a le droit à l'assistance médicale.
  Sans préjudice du droit prévu à l'alinéa premier, toute personne qui fait l'objet d'une arrestation administrative a le droit subsidiaire à un examen médical par un médecin de son choix. Les frais liés à cet examen sont à charge de l'intéressé.
Art. 33sexies. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/38, art. 58; Inwerkingtreding : 18-05-2007> Elke persoon die het voorwerp uitmaakt van een vrijheidsberoving heeft tijdens de ganse duur van zijn vrijheidsberoving recht op voldoende drinkwater, het gebruik van aangepast sanitair en, rekening houdende met het tijdstip, recht op een maaltijd.
Art. 33sexies. Toute personne qui fait l'objet d'une privation de liberté a le droit, pendant toute la durée de sa privation de liberté, de recevoir une quantité suffisante d'eau potable, d'utiliser des sanitaires adéquats et, compte tenu du moment, de recevoir un repas.
Art. 33septies. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/38, art. 62; Inwerkingtreding : 18-05-2007> De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de toerekening van de kosten en de praktische organisatie ingevolge de toepassing van de artikelen 33quinquies, eerste alinea, en 33sexies.
Art. 33septies. Le Roi détermine les modalités relatives à l'imputation des frais et à l'organisation pratique qui découlent de l'application des article s 33quinquies, alinéa 1er, et 33sexies.
Afdeling 5. [1 - Identiteitscontrole]1
Section 5. [1 - Contrôle d'identité]1
Art.34. § 1. De politieambtenaren controleren de identiteit van ieder persoon wiens vrijheid wordt benomen of die [1 een feit strafbaar met een administratieve of strafrechtelijke sanctie]1 heeft gepleegd.
  Zij kunnen eveneens de identiteit controleren van ieder persoon indien zij, op grond van zijn gedragingen, materiële aanwijzingen of omstandigheden van tijd of plaats redelijke gronden hebben om te denken dat hij wordt opgespoord, dat hij heeft gepoogd of zich voorbereidt om een misdrijf te plegen of dat hij de openbare orde zou kunnen verstoren of heeft verstoord.
  § 2. Overeenkomstig de richtlijnen en onder de verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke politie, kunnen (de politieambtenaren) eveneens de identiteit controleren van ieder persoon die een plaats wenst te betreden die het voorwerp is van een bedreiging in de zin van artikel 28, § 1, 3° en 4°. <W 1998-12-07/31, art. 186, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  § 3. Teneinde de openbare veiligheid te handhaven of de naleving te verzekeren van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kunnen de overheden van bestuurlijke politie, binnen de perken van hun bevoegdheden, identiteitscontroles voorschrijven, uit te voeren door de politiediensten in de omstandigheden die deze overheden bepalen.
  § 4. De identiteitsstukken die aan de politieambtenaar overhandigd worden, mogen slechts ingehouden worden gedurende de voor de verificatie van de identiteit noodzakelijke tijd en moeten daarna onmiddellijk aan de betrokkene worden teruggegeven.
  Indien de persoon waarvan sprake in voorgaande paragrafen weigert of in de onmogelijkheid verkeert het bewijs te leveren van zijn identiteit, alsook indien zijn identiteit twijfelachtig is, mag hij worden opgehouden gedurende de voor de verificatie van zijn identiteit noodzakelijke tijd.
  De mogelijkheid moet hem worden geboden zijn identiteit te bewijzen op eender welke wijze.
  In geen geval mag de betrokkene te dien einde langer dan twaalf uur worden opgehouden.
  (Indien de vrijheidsberoving geschiedt met het oog op het verifiëren van de identiteit, maakt de politieambtenaar die deze verrichting doet, daarvan melding in het register van de vrijheidsberovingen.) <W 2007-04-25/38, art. 60, 018; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  
Art.34. § 1. Les fonctionnaires de police contrôlent l'identité de toute personne qui est privée de sa liberté ou qui a commis [1 un fait passible d'une sanction administrative ou pénale]1.
  Ils peuvent contrôler l'identité de toute personne s'ils ont des motifs raisonnables de croire, en fonction de son comportement, d'indices matériels ou de circonstances de temps et de lieu, qu'elle est recherchée, qu'elle a tenté de commettre une infraction ou se prépare à la commettre, qu'elle pourrait troubler l'ordre public ou qu'elle l'a troublé.
  § 2. Conformément aux instructions et sous la responsabilité d'un officier de police administrative, tout (fonctionnaire de police) peut également contrôler l'identité de toute personne qui souhaite pénétrer en un lieu faisant l'objet d'une menace au sens de l'article 28, § 1er, 3° et 4°. <L 1998-12-07/31, art. 186, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  § 3. Dans les limites de leurs compétences, les autorités de police administrative peuvent, afin de maintenir la sécurité publique ou d'assurer le respect des dispositions légales relatives à l'accès au territoire, au séjour, à l'établissement et à l'éloignement des étrangers, prescrire des contrôles d'identité à effectuer par les services de police dans des circonstances qu'elles déterminent.
  § 4. Les pièces d'identité qui sont remises au fonctionnaire de police ne peuvent être retenues que pendant le temps nécessaire à la vérification de l'identité et doivent ensuite être immédiatement remises à l'intéressé.
  Si la personne visée aux paragraphes précédents refuse ou est dans l'impossibilité de faire la preuve de son identité, de même que si son identité est douteuse, elle peut être retenue pendant le temps nécessaire à la vérification de son identité.
  La possibilité doit lui être donnée de prouver son identité de quelque manière que ce soit.
  En aucun cas, l'intéressé ne peut être retenu plus de douze heures à cet effet.
  (Si la privation de liberté est effectuée en vue de la vérification de l'identité, le fonctionnaire de police qui procède à cette opération en fait mention dans le registre des privations de liberté.) <L 2007-04-25/38, art. 60, 018; En vigueur : 18-05-2007>
  
Afdeling 6. [1 - Bescherming tegen publieke nieuwsgierigheid]1
Section 6. [1 - Protection contre la curiosité publique]1
Art.35. [3 De leden van het operationeel kader]3 mogen [2 van hun vrijheid benomen]2 personen, buiten noodzaak, niet aan publieke nieuwsgierigheid blootstellen. <W 1998-12-07/31, art. 187, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  [1 Zij mogen deze personen zonder hun instemming niet onderwerpen of laten onderwerpen aan vragen of beeldopnamen gemaakt door journalisten of derden die vreemd zijn aan hun zaak.]1
  Behalve om hun verwanten te verwittigen, mogen zij de identiteit van de betrokken personen niet bekend maken zonder daartoe de instemming van de bevoegde gerechtelijke instantie te hebben gekregen.
  
Art.35. Les [3 membres du cadre opérationnel]3 ne peuvent, sans nécessité, exposer à la curiosité publique les personnes [2 privées de liberté]2.
  [1 Ils ne peuvent soumettre ou laisser soumettre ces personnes, sans leur accord, aux questions ou aux prises de vues de journalistes ou de tiers étrangers à leur cas.]1
  Ils ne peuvent, sans l'accord de l'autorité judiciaire compétente révéler l'identité desdites personnes sauf pour avertir leurs proches.
  
Afdeling 7. [1 - Berekening van de termijnen]1
Section 7. [1 - Calcul des délais]1
Art.36. De termijnen bedoeld in de artikelen 28, 29, 31, 32 en 34 gaan in vanaf het ogenblik waarop de betrokken persoon [1 ...]1 niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan.
  
Art.36. Les délais visés aux articles 28, 29, 31, 32 et 34 prennent cours à partir du moment où la personne concernée ne dispose plus [1 ...]1 de la liberté d'aller et de venir.
  
Afdeling 8. [1 - Gebruik van dwangmiddelen]1
Section 8. [1 - Usage des moyens de contrainte]1
Art.37. Bij het vervullen van zijn opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie kan [1 elk lid van het operationeel kader]1, rekening houdend met de risico's die zulks meebrengt, geweld gebruiken om een wettig doel na te streven dat niet op een andere wijze kan worden bereikt.
  Elk gebruik van geweld moet redelijk zijn en in verhouding tot het nagestreefde doel.
  Aan elk gebruik van geweld gaat een waarschuwing vooraf, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.
  
Art.37. Dans l'exercice de ses missions de police administrative ou judiciaire tout [1 membre du cadre opérationnel]1 peut, en tenant compte des risques que cela comporte, recourir à la force pour poursuivre un objectif légitime qui ne peut être atteint autrement.
  Tout recours à la force doit être raisonnable et proportionné à l'objectif poursuivi.
  Tout usage de la force est précédé d'un avertissement, à moins que cela ne rende cet usage inopérant.
  
Art. 37bis. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/38, art. 61; Inwerkingtreding : 18-05-2007> Onverminderd de bepalingen van artikel 37, mogen de [2 leden van het operationeel kader]2 enkel in de volgende gevallen een persoon boeien :
  1° bij de overbrenging, de uithaling en de bewaking van gedetineerden.
  2° bij de bewaking van een persoon die het voorwerp uitmaakt van een [1 gerechtelijke vrijheidsbeneming of bestuurlijke arrestatie]1, als het noodzakelijk wordt beschouwd, gelet op de omstandigheden onder meer op grond van :
  - [1 het gedrag van de persoon bij of tijdens de vrijheidsbeneming;]1
  - diens gedrag bij vroegere vrijheidsberovingen;
  - de aard van het gepleegd misdrijf;
  - de aard van de veroorzaakte storing van de openbare orde;
  - het verzet of geweld tegen de [1 vrijheidsbeneming]1;
  - het ontvluchtingsgevaar;
  - het gevaar dat betrokkene voor zichzelf, voor [2 het lid van het operationeel kader]2, agent van politie of derden vormt;
  - het gevaar dat betrokkene zal trachten bewijzen te vernietigen of schade te veroorzaken.
  
Art. 37bis. Sans préjudice des dispositions de l'article 37, les [2 membres du cadre opérationnel]2 ne peuvent menotter une personne que dans les cas suivants :
  1° lors du transfèrement, de l'extraction et de la surveillance des détenus.
  2° lors de la surveillance d'une personne [1 sous le coup d'une privation de liberté judiciaire ou d'une arrestation administrative]1, si cela est rendu nécessaire par les circonstances et, notamment, par :
  - [1 - le comportement de l'intéressé lors de sa privation de liberté ou au cours de celle-ci;]1
  - le comportement de l'intéressé lors de privations de liberté antérieures;
  - la nature de l'infraction commise;
  - la nature du trouble occasionné à l'ordre public;
  - la résistance ou la violence manifestée [1 lors de sa privation de liberté]1;
  - le danger d'évasion;
  - le danger que l'intéressé représente pour lui-même, pour le [2 membre du cadre opérationnel]2 ou pour les tiers;
  - le risque de voir l'intéressé tenter de détruire des preuves ou d'occasionner des dommages.
  
Art. 37ter. [1 Onverminderd de bepalingen van artikel 37, is het boeien van een minderjarige persoon door leden van het operationeel kader verboden, behalve in de volgende gevallen:
   1° bij de overbrenging, de uithaling en de bewaking van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit gepleegd hebben of daarvan verdacht worden;
   2° bij de bewaking van een minderjarige die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke vrijheidsbeneming of een bestuurlijke arrestatie.
   In beide gevallen mag een minderjarige slechts uitzonderlijk geboeid worden en alleen als het noodzakelijk wordt beschouwd, gelet op de omstandigheden op grond van:
   1° het verzet of geweld tegen de vrijheidsbeneming;
   2° het acute ontvluchtingsgevaar;
   3° het gevaar dat betrokkene voor zichzelf, voor het lid van het operationeel kader, of voor derden vormt;
   4° het acute gevaar dat betrokkene zal trachten bewijzen te vernietigen.
   Het aanleggen van handboeien mag niet langer duren dan noodzakelijk op basis van de omstandigheden en moet steeds tot een zo kort mogelijke duurtijd beperkt worden. In geen geval mag de minderjarige geboeid blijven wanneer de omstandigheden die het boeien rechtvaardigen, ophouden te bestaan.
   In geval van twijfel over de meerderjarigheid wordt de regeling van toepassing op minderjarigen toegepast.
   Van elk geval van het aanleggen van handboeien bij minderjarigen wordt melding gemaakt in, naargelang van het geval, het proces-verbaal of in het register van de vrijheidsberovingen, waarbij het aanleggen van handboeien uitdrukkelijk met redenen moet worden omkleed op basis van de wettelijke voorwaarden. Dit register wordt opgenomen in de basisgegevensbanken zoals bedoeld in artikel 44/11/2.]1

  
Art. 37ter. [1 Sans préjudice des dispositions de l'article 37, il est interdit pour les membres du cadre opérationnel de menotter une personne mineure sauf dans les cas suivants:
   1° lors du transfèrement, de l'extraction et de la surveillance de mineurs qui ont commis un fait qualifié d'infraction ou qui sont suspectés d'en avoir commis;
   2° lors de la surveillance d'un mineur sous le coup d'une privation de liberté judiciaire ou d'une arrestation administrative.
   Dans les deux cas, le mineur ne peut être menotté qu'à titre exceptionnel et que si cela est jugé nécessaire, compte tenu des circonstances, vu:
   1° la résistance ou la violence manifestée lors de la privation de liberté;
   2° le danger imminent d'évasion;
   3° le danger que l'intéressé représente pour lui-même, pour le membre du cadre opérationnel ou pour les tiers;
   4° le risque imminent de voir l'intéressé tenter de détruire des preuves.
   Le menottage ne peut pas durer plus longtemps que nécessaire sur la base des circonstances et sa durée doit toujours être aussi courte que possible. Le mineur ne peut en aucun cas rester menotté si les circonstances qui justifient le menottage cessent d'exister.
   En cas de doute au sujet de la majorité, la réglementation applicable aux mineurs est appliquée.
   Tout menottage de mineur est mentionné dans le procès-verbal ou dans le registre des privations de liberté, selon le cas, le menottage devant être expressément motivé sur la base des conditions légales. Ce registre est enregistré dans les banques de données de base telles que visées dans l'article 44/11/2.]1

  
Art.38. Onverminderd de bepalingen van artikel 37, kunnen de [1 leden van het operationeel kader]1 slechts gebruik maken van vuurwapens tegen personen in de volgende gevallen :
  1° in het geval van wettige verdediging in de zin van de artikelen 416 en 417 van het Strafwetboek;
  2° tegen gewapende personen of in de richting van voertuigen aan boord waarvan zich gewapende personen bevinden, in geval van misdaad of van een op heterdaad ontdekt wanbedrijf in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafvordering, welke misdaad of welk wanbedrijf met geweld zijn gepleegd, indien redelijkerwijze mag aangenomen worden dat die personen in het bezit zijn van vuurwapens klaar voor gebruik en dat zij deze wapens zullen gebruiken tegen personen;
  3° wanneer in het geval van volstrekte noodzakelijkheid, de [1 leden van het operationeel kader]1 (...) de aan hun bescherming toevertrouwde personen, posten, vervoer van gevaarlijke goederen of plaatsen op geen andere wijze kunnen verdedigen. <W 1998-12-07/31, art. 188, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  In dit geval mogen de vuurwapens slechts gebruikt worden overeenkomstig de richtlijnen en onder verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke politie;
  4° wanneer in het geval van volstrekte noodzakelijkheid, de [1 leden van het operationeel kader]1 (...) de personen die aan hun bescherming zijn toevertrouwd in het raam van de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie op geen andere wijze kunnen verdedigen. <W 1998-12-07/31, art. 188, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  In dit geval mogen de vuurwapens enkel worden gebruikt overeenkomstig de richtlijnen en onder verantwoordelijkheid van een officier van gerechtelijke politie.
  Het gebruik van wapens geregeld in 2°, 3° en 4°, geschiedt eerst na waarschuwing met luide stem of met enig ander beschikbaar middel, een waarschuwingsschot inbegrepen, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.
  
Art.38. Sans préjudice des dispositions de l'article 37, les [1 membres du cadre opérationnel]1 ne peuvent faire usage d'armes à feu contre des personnes que dans les cas suivants :
  1° en cas de légitime défense au sens des articles 416 et 417 du Code pénal;
  2° contre des personnes armées ou en direction de véhicules à bord desquels se trouvent des personnes armées, en cas de crime ou de délit flagrant au sens de l'article 41 du Code d'instruction criminelle, commis avec violences, lorsqu'il est raisonnablement permis de supposer que ces personnes disposent d'une arme à feu prête à l'emploi et qu'elles l'utiliseront contre des personnes;
  3° lorsqu'en cas d'absolue nécessité, les [1 membres du cadre opérationnel]1 (...) ne peuvent défendre autrement les personnes, les postes, le transport de biens dangereux ou les lieux confiés à leur protection. <L 1998-12-07/31, art. 188, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  Dans ces cas, les armes à feu ne peuvent être utilisées que conformément aux instructions et sous la responsabilité d'un officier de police administrative;
  4° lorsqu'en cas d'absolue nécessité, les [1 membres du cadre opérationnel]1 (...) ne peuvent défendre autrement les personnes confiées à leur protection dans le cadre de l'exécution d'une mission de police judiciaire. <L 1998-12-07/31, art. 188, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  Dans ce cas, les armes à feu ne peuvent être utilisées que conformément aux instructions et sous la responsabilité d'un officier de police judiciaire.
  Le recours aux armes prévu aux 2°, 3° et 4°, ne s'effectue qu'après avertissement donné à haute voix ou par tout autre moyen disponible, y compris par un coup de semonce, à moins que cela ne rende ce recours inopérant.
  
Afdeling 9. [1 - Processen-verbaal]1
Section 9. [1 - Procès- verbaux]1
Art.40. [1 § 1. De klachten en aangiften die worden ingediend bij de leden van het operationeel kader evenals de inlichtingen die zij hebben verkregen en de vaststellingen die zij gedaan hebben in verband met misdrijven, alsook de vaststellingen gedaan door de leden van het administratief en logistiek kader bedoeld in artikel 118 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wanneer zij gemachtigd zijn om processen-verbaal op te stellen, maken het voorwerp uit van processen-verbaal die aan de bevoegde gerechtelijke overheid worden overgezonden.
   De processen-verbaal worden opgesteld in gematerialiseerde of gedematerialiseerde vorm.
   § 2. Het gedematerialiseerde proces-verbaal wordt door de verbalisant ondertekend door middel van een gekwalificeerde elektronische handtekening.
   § 3. In afwijking van § 2 wordt een geavanceerd elektronisch zegel als elektronische handtekening gebruikt:
   1° wanneer de verbalisant wettelijk niet gehouden is zich bij naam te identificeren in het proces-verbaal;
   2° voor de processen-verbaal met betrekking tot de vaststellingen verricht in het kader van artikelen 62 en 65, § 1, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer;
   3° voor bepaalde categorieën processen-verbaal met betrekking tot bepaalde strafbare feiten die, afhankelijk van de aard van de feiten en omstandigheden van de zaak, niet of nog niet worden vervolgd door het openbaar ministerie.
   Het College van procureurs-generaal bepaalt deze categorieën in een richtlijn.
   De processen-verbaal ondertekend met behulp van een geavanceerd elektronisch zegel worden gelijkgesteld met de processen-verbaal ondertekend met behulp van een handgeschreven handtekening.
   De Koning bepaalt de veiligheidsmaatregelen en de minimale technische normen waaraan politie-informaticasystemen moeten voldoen die het geavanceerd elektronisch zegel produceren, evenals de vermeldingen die voorkomen in het geavanceerd elektronisch zegel en in de gekwalificeerde elektronische handtekening.
   § 4. Er wordt een systeem voor het beheer van de toegangen tot de systemen voor de verwerking van de processen-verbaal ingevoerd om te verzekeren dat alleen de gemachtigde personen na authenticatie beschikken over een toegang of een schrijfrecht in deze systemen.
   De systemen voor de verwerking van de processen-verbaal maken het voorwerp uit van veiligheidsmaatregelen die de vertrouwelijkheid, de beschikbaarheid, de traceerbaarheid en de integriteit van deze systemen en van de gegevens van de processen-verbaal verzekeren.
   De elektronische of handmatige doorgifte van de processen-verbaal moet worden beveiligd volgens de regels van de kunst.
   § 5. De voorkeur gaat uit naar de elektronische doorgifte van de gedematerialiseerde processen-verbaal aan de bevoegde gerechtelijke overheid.
   De minister van Justitie en het College van procureurs-generaal bepalen door middel van een gemeenschappelijke richtlijn de nadere regels van deze elektronische doorgifte en de datum waarop de doorgifte van de elektronisch ondertekende processen-verbaal aanvang neemt.]1

  [2 § 6. De digitale kopieën en digitale uittreksels van processen-verbaal worden ondertekend met behulp van een geavanceerd elektronisch zegel.]2
  [3 § 7. De leden van het operationeel kader die op basis van de wet van 20 december 2022 betreffende de meldingskanalen en de bescherming van de melders van integriteitsschendingen in de federale overheidsinstanties en bij de geïntegreerde politie, gebruik maken van het meldingssysteem, worden van de in dit artikel bedoelde verplichtingen vrijgesteld.]3
  
Art.40. [1 § 1er. Les plaintes et dénonciations faites aux membres du cadre opérationnel, de même que les renseignements qu'ils ont obtenus et les constatations qu'ils ont faites au sujet d'infractions, ainsi que les constations faites par les membres du cadre administratif et logistique visés à l'article 118 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, lorsqu'ils sont habilités à dresser des procès-verbaux, font l'objet de procès-verbaux qui sont transmis à l'autorité judiciaire compétente.
   Les procès-verbaux sont établis sous forme matérialisée ou dématérialisée.
   § 2. Le procès-verbal dématérialisé est signé par le verbalisant à l'aide d'une signature électronique qualifiée.
   § 3. Par dérogation au § 2, un cachet électronique avancé est utilisé comme signature électronique:
   1° lorsque le verbalisant n'est légalement pas tenu de s'identifier nominativement dans le procès-verbal;
   2° pour les procès-verbaux relatifs aux constatations effectuées dans le cadre des articles 62 et 65, § 1er, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière;
   3° pour certaines catégories de procès-verbaux relatifs à des infractions déterminées qui, en fonction de la nature des faits et des circonstances de l'affaire, ne font pas ou pas encore l'objet de poursuites de la part du ministère public.
   Le Collège des procureurs généraux détermine ces catégories dans une directive.
   Les procès-verbaux signés à l'aide d'un cachet électronique avancé sont assimilés aux procès-verbaux signés à l'aide d'une signature manuscrite.
   Le Roi fixe les mesures de sécurité et les normes techniques minimales auxquelles doivent répondre les systèmes informatiques policiers qui produisent le cachet électronique avancé, ainsi que les mentions qui figurent dans le cachet électronique avancé et dans la signature électronique qualifiée.
   § 4. Un système permettant de gérer les accès aux systèmes de traitement des procès-verbaux est mis en place pour garantir que seules les personnes autorisées disposent, après authentification, d'un accès ou d'un droit d'écriture dans ces systèmes.
   Les systèmes de traitement des procès-verbaux font l'objet de mesures de sécurité visant à assurer notamment la confidentialité, la disponibilité, la traçabilité et l'intégrité de ces systèmes et des données des procès-verbaux.
   La transmission électronique ou manuelle des procès-verbaux doit être sécurisée selon les règles de l'art.
   § 5. La transmission électronique des procès-verbaux dématérialisés à l'autorité judiciaire compétente est privilégiée.
   Le ministre de la Justice et le Collège des procureurs généraux précisent par directive commune les modalités de cette transmission électronique et la date à laquelle la transmission électronique des procès-verbaux signés électroniquement prend cours.]1

  [2 § 6. Les copies digitales et les extraits digitaux des procès-verbaux sont signés à l'aide d'un cachet électronique avancé.]2
  [3 § 7. Les membres du cadre opérationnel qui recourent au système de signalement en vertu de la loi du 20 décembre 2022 relative aux canaux de signalement et à la protection des auteurs de signalement d'atteintes à l'intégrité dans les organismes du secteur public fédéral et au sein de la police intégrée sont dispensés des obligations visées au présent article.]3
  
Afdeling 10. [1 - Identificatie en legitimatie]1
Section 10. [1 - Identification et légitimation]1
Art.41. [1 § 1. Alle [3 leden van het operationeel kader]3 in functie dienen in alle omstandigheden te kunnen worden geïdentificeerd.
   Politieambtenaren en politieagenten in uniform dragen een naamplaatje dat op zichtbare en leesbare wijze is aangebracht op een welbepaalde plaats van hun uniform.
   Voor bepaalde interventies kunnen de korpschef, de commissaris-generaal, de directeur-generaal of hun afgevaardigde evenwel beslissen het naamplaatje te vervangen door een interventienummer.
   De [3 leden van het operationeel kader]3 die in burgerkledij tegenover een persoon optreden, of ten minste een van hen, dragen een armband die op zichtbare en leesbare wijze het interventienummer vermeldt waarvan zij houder zijn, behalve wanneer de omstandigheden het niet toelaten.
   Wanneer de persoon tegenover wie zij optreden hierom verzoekt, doen de [3 leden van het operationeel kader]3 van hun hoedanigheid blijken door middel van het legitimatiebewijs waarvan zij houder zijn, behalve wanneer de omstandigheden het niet toelaten.
   Hetzelfde geldt wanneer [3 leden van het operationeel kader]3 in uniform zich aanmelden aan de woning van een persoon.
   [2 Het in het derde lid bedoelde interventienummer bestaat uit vijf cijfers die afgeleid zijn van het identificatienummer van [3 het lid van het operationeel kader]3.]2
   De Koning legt de nadere regels vast die de identificatie, in alle omstandigheden, van de [3 leden van het operationeel kader]3 mogelijk maken.
   § 2. Onverminderd artikel 47bis, § 1, 3, van het Wetboek van strafvordering, staat de naam van de [3 leden van het operationeel kader]3 niet vermeld in de aanvankelijke voor die gelegenheid opgestelde processen-verbaal indien zij optreden onder een interventienummer met toepassing van § 1.]1

  
Art.41. [1 § 1er. Tout [3 membre du cadre opérationnel]3 en service doit pouvoir être identifié en toutes circonstances.
   Les [3 membres du cadre opérationnel]3 en uniforme portent une plaquette nominative apposée de manière visible et lisible à un endroit déterminé de leur uniforme.
   Toutefois, le chef de corps, le commissaire général, le directeur général ou leur délégué peuvent, pour certaines interventions, décider de remplacer la plaquette nominative par un numéro d'intervention.
   Sauf si les circonstances ne le permettent pas, les [3 membres du cadre opérationnel]3 qui interviennent en habits civils à l'égard d'une personne, ou au moins l'un d'entre eux, portent un brassard indiquant de manière visible et lisible le numéro d'intervention dont ils sont titulaires.
   Sauf si les circonstances ne le permettent pas, lorsqu'une personne à l'égard de laquelle ils interviennent en fait la demande, les [3 membres du cadre opérationnel]3 justifient de leur qualité au moyen de la carte de légitimation dont ils sont porteurs.
   Il en est de même lorsque des [3 membres du cadre opérationnel]3 en uniforme se présentent au domicile d'une personne.
   [2 Le numéro d'intervention visé à l'alinéa 3 se compose de cinq chiffres qui sont dérivés du numéro d'identification du [3 membre du cadre opérationnel]3.]2
   Le Roi fixe les modalités qui permettent en toutes circonstances l'identification des [3 membres du cadre opérationnel]3.
   § 2. Sans préjudice de l'article 47bis, § 1er, 3, du Code d`instruction criminelle, dans les cas où les [3 membres du cadre opérationnel]3 interviennent sous un numéro d'intervention en application du § 1er, les procès-verbaux initiaux établis à cette occasion ne mentionnent pas leur nom.]1

  
Afdeling 11. [1 - Bijstand bij de uitvoering van de opdrachten en "sterke arm"]1
Section 11. [1 - Assistance dans l'exercice des missions et main-forte]1
Art.42. [2 § 1.]2 Wanneer hij in gevaar gebracht wordt bij het vervullen van zijn opdracht of wanneer personen in gevaar zijn, kan ieder [1 lid van het operationeel kader]1 de hulp of bijstand vorderen van de ter plaatse aanwezige personen en in geval van absolute noodzaak kan hij eveneens de hulp of bijstand vorderen van enig ander nuttig persoon.
  De gevorderde hulp of bijstand mag de persoon die ze verleent niet in gevaar brengen.
  [2 § 2. Een officier van gerechtelijke politie van de Cel Vermiste Personen van de federale politie kan, in het kader van zijn opdracht tot het verlenen van hulp aan personen in nood en de opsporing van personen van wie de verdwijning onrustwekkend is, en wanneer er ernstige vermoedens of aanwijzingen bestaan dat de fysieke integriteit van de vermiste persoon in onmiddellijk gevaar is, gegevens met betrekking tot de elektronische communicatie betreffende de vermiste persoon opvorderen.
   Enkel de gegevens ter identificatie van de gebruiker of de abonnee en de communicatiemiddelen en met betrekking tot de toegang tot en de verbinding van de eindapparatuur met het netwerk en met de dienst en met betrekking tot de plaats van die apparatuur, inclusief het netwerkaansluitpunt, betreffende de vermiste persoon en bewaard gedurende de 48 uur voorafgaand aan de opvordering, worden meegedeeld.
   De vordering wordt via de officier van gerechtelijke politie bedoeld in het eerste lid, gericht aan:
   - de operator van een elektronische communicatienetwerk; of
   - iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronische communicatienetwerk informatie te verkrijgen, te ontvangen of te verspreiden. Hieronder wordt ook de verstrekker van een elektronische communicatiedienst begrepen.
   § 3. De Cel Vermiste Personen stelt het Controleorgaan uiterlijk binnen 48 uur na de vordering in kennis van de vordering en de motivering ervan.
   Indien het Controleorgaan van oordeel is dat niet aan de voorwaarden voor de uitvoering van deze vordering is voldaan, beveelt zij, met opgave van redenen, dat de aldus verkregen gegevens niet mogen worden gebruikt en vernietigd moeten worden.
   Deze met redenen omklede beslissing wordt door het Controleorgaan zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de Cel Vermiste Personen.]2

  
Art.42. [2 § 1er.]2 Lorsqu'il est mis en danger dans l'exercice de sa mission ou lorsque des personnes sont en danger, tout [1 membre du cadre opérationnel]1 peut requérir l'aide ou l'assistance des personnes présentes sur place. En cas d'absolue nécessité, il peut de même requérir l'aide ou l'assistance de toute autre personne utile.
  L'aide ou l'assistance requise ne peut mettre en danger la personne qui la prête.
  [2 § 2. Un officier de police judiciaire de la Cellule Personnes disparues de la police fédérale peut, dans le cadre de sa mission d'assistance à personne en danger et de recherche de personnes dont la disparition est inquiétante, et lorsqu'il existe des présomptions ou indices sérieux que l'intégrité physique de la personne disparue se trouve en danger imminent, requérir d'obtenir les données relatives aux communications électroniques concernant la personne disparue.
   Seules les données visant à identifier l'utilisateur ou l'abonné et les moyens de communication et relatives à l'accès et la connexion de l'équipement terminal au réseau et au service et à la localisation de cet équipement, y compris le point de terminaison du réseau, concernant la personne disparue et conservées au cours des 48 heures précédant la demande d'obtention des données, sont communiquées.
   La réquisition est adressée par l'officier de police judiciaire visé à l'alinéa 1er, à:
   - l'opérateur d'un réseau de communications électroniques; ou
   - toute personne qui met à disposition ou offre, sur le territoire belge, d'une quelconque manière, un service qui consiste à transmettre des signaux via des réseaux de communications électroniques ou à autoriser des utilisateurs à obtenir, recevoir ou diffuser des informations via un réseau de communications électroniques. Est également compris le fournisseur d'un service de communications électroniques.
   § 3. La réquisition et sa justification sont notifiées par la Cellule Personnes disparues à l'Organe de contrôle, au plus tard dans les 48 heures après la réquisition.
   Si l'Organe de contrôle estime que les conditions pour effectuer cette réquisition ne sont pas remplies, il ordonne, de manière motivée, l'interdiction d'exploiter les données obtenues par ce moyen et l'effacement des données.
   Cette décision motivée est notifiée dans les meilleurs délais possibles par l'Organe de contrôle à la Cellule Personnes disparues.]2

  
Art.43. Bij het vervullen van hun opdrachten verlenen de [1 leden van het operationeel kader]1 elkaar te allen tijde wederzijdse bijstand en zorgen zij voor een doeltreffende samenwerking.
  (Lid 2 opgeheven) <W 1998-11-17/33, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  Bij onmiddellijk gevaar voor personen en indien zijn middelen ontoereikend blijken, kan ieder officier van bestuurlijke politie van een bepaalde politiedienst de bijstand vorderen van andere bevoegde [1 leden van het operationeel kader]1.
  De gevorderde politiedienst brengt de overheid onder wiens gezag hij ressorteert hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.
  
Art.43. Dans l'exercice de leurs missions, les [1 membres du cadre opérationnel]1 se prêtent en tout temps assistance mutuelle et veillent à assurer une coopération efficace.
  (Alinéa 2 abrogé) <L 1998-11-17/33, art. 17, 003; En vigueur : 01-03-1999>
  En cas de danger imminent pour les personnes et si ses moyens se révèlent être insuffisants, tout officier de police administrative d'un service de police déterminé peut requérir l'assistance d'autres [1 membres du cadre opérationnel]1 compétents.
  Le service de police requis en avise dans les plus brefs délais l'autorité dont il relève.
  
Art.44. De politiediensten lenen de sterke arm wanneer zij daartoe wettelijk worden gevorderd.
  Zij kunnen eveneens worden belast met het betekenen en ten uitvoer leggen van gerechtelijke bevelen.
  Wanneer de politiediensten worden gevorderd om aan de officieren van gerechtelijke politie en aan de ministeriële ambtenaren de sterke arm te lenen, staan zij hen bij om hen te beschermen tegen gewelddaden en feitelijkheden die tegen hen kunnen worden gepleegd of om hen in staat te stellen de moeilijkheden weg te nemen waardoor zij zouden worden belet hun opdracht te vervullen.
Art.44. Les services de police prêtent main forte lorsqu'ils y sont légalement requis.
  Ils peuvent pareillement être chargés de notifier et de mettre à exécution les mandats de justice.
  Lorsque les services de police sont requis pour prêter main forte aux officiers de police judiciaire et aux officiers ministériels, ils les assistent afin de les protéger contre les violences et les voies de fait qui seraient exercées contre eux ou de leur permettre de lever les difficultés qui les empêcheraient de remplir leur mission.
Afdeling 12. [1 - Het informatiebeheer]1
Section 12. - [1 De la gestion des informations]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemene regels betreffende het informatiebeheer]1
Sous-section 1re. - [1 Des règles générales de la gestion des informations]1
Art. 44/1. [1 § 1. In het kader van de uitoefening van hun opdrachten, bedoeld in [2 hoofdstuk III]2, afdeling 1, [3 en overeenkomstig de doeleinden omschreven in artikel 27 van de wet gegevensbescherming]3 kunnen de politiediensten informatie en persoonsgegevens verwerken voor zover deze laatste toereikend, terzake dienend en niet overmatig van aard zijn in het licht van de doeleinden van bestuurlijke en van gerechtelijke politie waarvoor ze verkregen worden en waarvoor ze later verwerkt worden.
   § 2. [3 Met het oog op het uitoefenen van hun opdrachten mogen de politiediensten de persoonsgegevens bedoeld in artikel 34 van de wet gegevensbescherming verwerken ter aanvulling of ondersteuning van de andere categorieën van gegevens zoals bedoeld in artikel 44/5.
   Naast de voorwaarde bedoeld in het eerste lid geldt het volgende:
   1° de biometrische gegevens worden enkel verwerkt met het oog op het verzekeren van de ondubbelzinnige identificatie van de betrokken persoon als bedoeld in artikel 44/5, § 1, 2° tot en met 7 en § 3, 1° tot 6°. De biometrische gegevens van de personen, bedoeld in § 3, 7° tot en met 9°, en § 4 van artikel 44/5 worden uitsluitend verwerkt op basis van de toestemming van de betrokken persoon of wanneer zij duidelijk openbaar worden gemaakt door de betrokkene of om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen. Wanneer de verwerking van biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van de betrokken personen, in het bijzonder een verwerking waarbij nieuwe technologieën worden gebruikt, waarschijnlijk een hoog risico voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen oplevert, raadpleegt de verwerkingsverantwoordelijke of zijn verwerker het controleorgaan;
   2° de gegevens betreffende gezondheid worden enkel verwerkt met het oog op het begrijpen van de omstandigheden waarin de betrokken persoon zich bevindt, evenals het garanderen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van elke persoon die mogelijks in contact zou komen met de betrokken personen in het raam van politionele interventie. Wanneer gezondheidsgegevens worden verwerkt, wordt vermeld of deze gegevens al dan niet afkomstig zijn van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg. De verwerking van gezondheidsgegevens waarnaar in dit artikel wordt verwezen, heeft nooit als gevolg de betrokkenen te laten onderwerpen aan medische onderzoeken;
   3° [4 De verwerking van genetische gegevens vindt uitsluitend plaats in het kader van de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke politie en de toepassing van de wetgeving inzake civiele bescherming en bestaat desgevallend uit:
   a) het inwinnen van genetische gegevens;
   b) de registratie van administratieve vermeldingen in verband met het DNA-profiel;
   c) of, op basis van een voorafgaande opdracht van de bevoegde gerechtelijke autoriteit, de punctuele uitwisseling van DNA-profielen met buitenlandse politiediensten, Europese of internationale organisaties voor justitiële en politionele samenwerking en internationale ordehandhavingsdiensten met het oog op de vergelijking van deze profielen met hun DNA-profielverwerkingssysteem.]4

  [4 Het doel van de vergelijking bedoeld in het tweede lid, 3°, c), is te helpen bij de identificatie van een verdachte of dader, of te helpen bij de identificatie van onbekende overledenen, of te helpen bij het zoeken naar vermiste personen bedoeld in artikel 44ter, 9°, van het Wetboek van strafvordering. Bij punctuele uitwisselingen wordt de Directie Internationale Politiesamenwerking van de federale politie aangesteld als uniek contactpunt. De beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken, bedoeld in artikel 2, 9°, van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken, wordt van deze punctuele uitwisselingen op de hoogte gebracht.]4
   Tijdens de in deze paragraaf bedoelde verwerkingen van persoonsgegevens zijn de volgende waarborgen inzake bescherming van persoonsgegevens van toepassing:
   1° de categorieën personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens worden aangewezen door de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, door de verwerker, met een beschrijving van hun functie ten aanzien van de verwerking van de gegevens in kwestie;
   2° de lijst van de aangewezen personen om de in deze paragraaf bedoelde gegevens te verwerken, stelt de verwerkingsverantwoordelijke of, in voorkomend geval, de verwerker ter beschikking van het Controleorgaan;
   3° de aangewezen personen moeten, op grond van een wettelijke of statutaire verplichting, of een overeenkomstige contractuele bepaling, het vertrouwelijke karakter van de gegevens in kwestie in acht nemen;
   4° er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de in artikel 44/5 bedoelde categorieën van personen;
   5° er worden gepaste technische of organisatorische maatregelen getroffen om de persoonsgegevens tegen toevallige of niet-toegelaten vernietiging, tegen toevallig verlies of wijziging of elke andere niet-toegelaten verwerking van die gegevens te beschermen;
   6° de verwerkingsverantwoordelijken vermelden in hun gegevensbeschermingsbeleid de te ondernemen acties om de verwerking van die gegevenscategorieën te beschermen en om de kwaliteit van de verwerkte gegevens te waarborgen, met name voor aspecten in verband met de beoordeling van de kwaliteit van de gegevens die in deze gegevensbestanden worden verwerkt, onder andere voor de aspecten in verband met de juistheid, volledigheid, betrouwbaarheid en de mate waarin zij actueel zijn. De bevoegde functionarissen voor gegevensbe-scherming zien erop toe dat dat beleid gevolgd wordt.
   De Koning kan in andere gepaste aanvullende waarborgen voorzien.]3

   § 3. Wanneer de politiediensten in het kader van de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke politie kennis krijgen van persoonsgegevens en informatie die van belang zijn voor de uitoefening van de gerechtelijke politie, stellen zij de bevoegde gerechtelijke overheden daarvan onverwijld, zonder enige beperking en met schriftelijke bevestiging in kennis.
   § 4. Wanneer de politiediensten in het kader van de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke politie kennis krijgen van persoonsgegevens en informatie die van belang zijn voor de uitoefening van de bestuurlijke politie en die aanleiding kunnen geven tot beslissingen van bestuurlijke politie, stellen zij de bevoegde bestuurlijke politieoverheden daarvan onverwijld, zonder enige beperking en met schriftelijke bevestiging in kennis, behoudens wanneer dit de uitoefening van de strafvordering in het gedrang kan brengen, maar onverminderd de maatregelen die noodzakelijk zijn in geval van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de bescherming van personen en van de openbare veiligheid of gezondheid.]1

  
Art. 44/1. [1 § 1er. Dans le cadre de l'exercice de leurs missions, visées au [2 chapitre III]2, section 1re, [3 et conformément aux finalités fixées à l'article 27 de la loi relative à la protection des données]3 les services de police peuvent traiter des informations et des données à caractère personnel pour autant que ces dernières présentent un caractère adéquat, pertinent et non excessif au regard des finalités de police administrative et de police judiciaire pour lesquelles elles sont obtenues et pour lesquelles elles sont traitées ultérieurement.
   § 2. [3 En vue d'exercer leurs missions, les services de police peuvent traiter les catégories particulières de données à caractère personnel visées à l'article 34 de la loi relative à la protection des données en complément ou en soutien d'autres catégories de données visées à l'article 44/5.
   En plus de la condition visée à l'alinéa 1er:
   1° les données biométriques sont traitées uniquement dans le but d'assurer l'identification certaine de la personne concernée visée à l'article 44/5, § 1er, 2° à 7° et § 3 1° à 6°. Les données biométriques des personnes visées au § 3, 7° à 9°, et au § 4 de l'article 44/5 sont traitées uniquement sur la base du consentement de la personne concernée ou lorsqu'elles sont manifestement rendues publiques par la personne concernée ou encore pour sauvegarder les intérêts vitaux de la personne concernée ou d'une autre personne physique. Lorsque le traitement des données biométriques en vue de l'identification unique des personnes concernées, en particulier par le recours aux nouvelles technologies, est susceptible d'engendrer un risque élevé pour les droits et libertés des personnes concernées, le responsable du traitement ou son sous-traitant consulte l'Organe de contrôle;
   2° les données relatives à la santé sont traitées uniquement dans le but de comprendre le contexte lié à la personne concernée, ainsi que pour assurer la sécurité et protéger la santé de toute personne susceptible d'entrer en contact avec les personnes concernées dans le cadre de l'intervention policière. Lorsque des données relatives à la santé sont traitées, il est mentionné si ces données proviennent ou non de professionnels de soins de la santé. Le traitement de données relatives à la santé visé dans cet article n'a jamais pour conséquence de contraindre les personnes concernées à se soumettre à des examens médicaux;
   3° [4 Le traitement des données génétiques s'effectue uniquement dans le cadre de l'exercice des missions de police judiciaire et de l'application de la législation relative à la protection civile et consiste le cas échéant:
   a) en la collecte des données génétiques;
   b) en l'enregistrement des mentions administratives liées au profil ADN;
   c) ou, sur la base d'une instruction préalable de l'autorité judiciaire compétente, l'échange ponctuel de profils ADN avec les services de police étrangers, les organisations européennes ou internationales de coopération judiciaire et policières et les services de répression internationaux en vue d'effectuer la comparaison de ces profils avec leur système de traitement de profils ADN.]4

  [4 La comparaison visée à l'alinéa 2, 3°, c), a pour finalité l'aide à l'identification d'un suspect ou d'un auteur, ou l'aide à l'identification des personnes décédées inconnues, ou l'aide à la recherche de personnes disparues visée à l'article 44ter, 9°, du Code d'instruction criminelle. Lors d'échanges ponctuels, la direction de la coopération policière internationale de la Police Fédérale est désignée comme unique point de contact. Le gestionnaire des banques nationales de données ADN visé à l'article 2, 9°, de la loi du 22 mars 1999 relative à la procédure d'identification par analyse ADN en matière pénale est avisé de ces échanges ponctuels.]4
   Lors des traitements de données à caractère personnel visés dans ce paragraphe, les garanties suivantes en matière de protection des données à caractère personnel sont d'application:
   1° les catégories de personnes, ayant accès aux données à caractère personnel, sont désignées par le responsable du traitement ou, le cas échéant, par le sous-traitant, avec une description de leur fonction par rapport au traitement des données visées;
   2° la liste des catégories des personnes ainsi désignées pour traiter les données visées dans ce paragraphe est tenue à la disposition de l'Organe de contrôle par le responsable du traitement ou, le cas échéant, par le sous-traitant;
   3° les personnes désignées sont tenues, par une obligation légale ou statutaire, ou par une disposition contractuelle équivalente, au respect du caractère confidentiel des données visées;
   4° une distinction claire est opérée entre les catégories de personnes visées à l'article 44/5;
   5° des mesures techniques ou organisationnelles appropriées sont adoptées pour protéger les données à caractère personnel contre la destruction accidentelle ou non autorisée, contre la perte accidentelle ainsi que contre la modification ou tout autre traitement non autorisé de ces données;
   6° les responsables du traitement indiquent dans leur politique de protection des données les actions à mener pour protéger le traitement de ces catégories de données et pour assurer la qualité des données traitées notamment pour les aspects liés à l'évaluation de leur exactitude, leur exhaustivité, leur fiabilité et leur niveau de mise à jour. Les délégués à la protection des données compétents veillent à assurer le suivi de cette politique.
   Le Roi peut prévoir d'autres garanties complémentaires appropriées.]3

   § 3. Lorsque, dans le cadre de l'exercice de leurs missions de police administrative, les services de police acquièrent la connaissance de données à caractère personnel et d'informations intéressant l'exercice de la police judiciaire, ils en informent sans délai ni restriction, avec confirmation écrite, les autorités judiciaires compétentes.
   § 4. Lorsque, dans le cadre de l'exercice de leurs missions de police judiciaire, les services de police acquièrent la connaissance de données à caractère personnel et d'informations intéressant l'exercice de la police administrative et qui peuvent donner lieu à des décisions de police administrative, ils en informent sans délai ni restriction, avec confirmation écrite, les autorités de police administrative compétentes, sauf si cela peut porter atteinte à l'exercice de l'action publique, mais sans préjudice des mesures nécessaires à la protection des personnes et de la sécurité ou de la santé publique en cas de péril grave et immédiat pour celle-ci.]1

  
Art. 44/2. [2 § 1.]2 [1 Wanneer de uitoefening van de opdrachten van bestuurlijke politie en van gerechtelijke politie vereist dat de politiediensten de persoonsgegevens en de informatie bedoeld in artikel 44/1 structureren zodat ze rechtstreeks kunnen worden teruggevonden, worden deze verwerkt in een operationele politionele gegevensbank die behoort tot een van de in het tweede lid bedoelde categorieën van gegevensbanken volgens de eigen doelstellingen van elke categorie van gegevensbanken.
   De categorieën van operationele politionele gegevensbanken zijn :
   1° de Algemene Nationale Gegevensbank, hierna "A.N.G." genoemd;
   2° de basisgegevensbanken;
   3° de bijzondere gegevensbanken.
   De in het eerste lid bedoelde doelstellingen worden respectievelijk nader bepaald in de artikelen 44/7, 44/11/2, § 1 en 44/11/3, § 2.]1

  [2 § 2. [4 ...]4]2
  [3 § 3. Wanneer in de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie, technische hulpmiddelen worden gebruikt om automatisch persoonsgegevens en informatie van technische aard te verzamelen, zodanig gestructureerd dat zij rechtstreeks kunnen worden teruggevonden, worden deze gegevens verwerkt in een technische gegevensbank.
   Een technische gegevensbank wordt gecreëerd ingevolge het gebruik van :
   1° intelligente camera's voor de automatische nummerplaatherkenning;
   2° intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning.
   Onder intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning wordt verstaan elke intelligente software die het mogelijk maakt om automatisch de door camera's geregistreerde beelden te verwerken, om de nummerplaatgegevens eruit te halen op basis van bepaalde vooropgestelde criteria.
   Een technische gegevensbank kan zowel op lokaal als op nationaal niveau gecreëerd worden.
   De voorwaarden voor de oprichting van dit type van gegevensbank en de voorwaarden voor de verwerking van de persoonsgegevens en informatie die hierin worden bijgehouden worden verder bepaald in artikelen 44/11/3sexies tot 44/11/3decies.]3

  
Art. 44/2. [2 § 1er.]2 [1 Lorsque l'exercice des missions de police administrative et de police judicaire nécessite que les services de police structurent les données à caractère personnel et les informations visées à l'article 44/1 de sorte qu'elles puissent être directement retrouvées, celles-ci sont traitées dans une banque de données policière opérationnelle, appartenant à l'une des catégories de banques de données visées à l'alinéa 2 selon les finalités propres à chaque catégorie de banques de données.
   Les catégories de banques de données policières opérationnelles sont les suivantes :
   1° la Banque de données Nationale Générale, ci-après dénommée "B.N.G.";
   2° les banques de données de base;
   3° les banques de données particulières.
   Les finalités visées à l'alinéa 1er sont spécifiées respectivement dans les articles 44/7, 44/11/2, § 1er et 44/11/3, § 2.]1

  [2 § 2. [4 ...]4]2
  [3 § 3. Lorsque dans le cadre de l'exercice des missions de police administrative et judiciaire, des outils techniques sont utilisés pour collecter de manière automatique des données à caractère personnel et des informations de nature technique, structurées de sorte qu'elles puissent être directement retrouvées, ces données sont traitées dans une banque de données technique.
   Une banque de données technique est créée suite à l'utilisation de :
   1° caméras intelligentes de reconnaissance automatique de plaques d'immatriculation;
   2° systèmes intelligents de reconnaissance automatique de plaques d'immatriculation.
   Par systèmes intelligents de reconnaissance automatique de plaques d'immatriculation, l'on entend tout logiciel informatique intelligent permettant de traiter automatiquement les images enregistrées au moyen de caméras, pour en extraire les données de plaques d'immatriculation, sur la base de certains critères préétablis.
   Une banque de données technique peut être créée tant au niveau local qu'au niveau national.
   Les conditions de création de ce type de banques de données et les conditions de traitement des données à caractère personnel et informations qui y figurent sont spécifiées aux articles 44/11/3sexies à 44/11/3decies.]3

  
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
Art. 44/3. [1 § 1. De verwerking van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 44/1 met inbegrip van deze uitgevoerd in de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2 gebeurt overeenkomstig [5 de wet gegevensbescherming]5 en zonder afbreuk te doen aan de wet van 24 juni 1955 betreffende de archieven.
   Deze persoonsgegevens en de in artikel 44/2 bedoelde informatie staan in rechtstreeks verband met de finaliteit van de verwerking.
  [5 ...]5
  [3 § 1/1. [5 ...]5]3
   § 2. [5 ...]5]1

  
Art. 44/3. [1 § 1er. Le traitement des données à caractère personnel visées à l'article 44/1 y compris celui effectué dans les banques de données visées à l'article 44/2 se fait conformément à [5 la loi relative à la protection des données]5 et sans préjudice de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives.
   Ces données à caractère personnel et les informations visées à l'article 44/2 présentent un lien direct avec la finalité du traitement.
  [5 ...]5
  [3 § 1er/1. [5 ...]5]3
   § 2. [5 ...]5]1

  
Art. 44/4. [1 § 1. Voor de verwerking van persoonsgegevens en informatie bedoeld in artikel 44/1 met inbegrip van deze ingevoegd in de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 1, tweede lid, 1° en 2°, is,voor wat betreft bestuurlijke politie, de verwerkingsverantwoordelijke de minister van Binnenlandse Zaken.
   Voor de verwerking van persoonsgegevens en informatie bedoeld in artikel 44/1 met inbegrip van deze ingevoegd in de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 1, tweede lid, 1° en 2°, is, voor wat betreft gerechtelijke politie, de verwerkingsverantwoordelijke de minister van Justitie.
   Voor wat betreft de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 1, tweede lid, 3°, zijn de verwerkingsverantwoordelijken de korpschefs, de commissaris-generaal, de directeurs-generaal of de directeurs die de doeleinden van en de middelen voor deze bijzondere gegevensbanken hebben bepaald.
   § 2. De ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie bepalen, elk binnen het kader van hun bevoegdheden en onverminderd de eigen bevoegdheden van de gerechtelijke overheden, bij dwingende richtlijn de maatregelen die nodig zijn om het beheer en de veiligheid, waaronder in het bijzonder de aspecten met betrekking tot de betrouwbaarheid, de vertrouwelijkheid, de beschikbaarheid, de traceerbaarheid en de integriteit van de persoonsgegevens en de informatie die worden verwerkt in de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, te verzekeren.
   De logbestanden worden op zijn minst voor de volgende verwerkingen in de in artikel 44/2 bedoelde gegevensbanken aangemaakt: de verzameling, de wijziging, de raadpleging, de mededeling, met inbegrip van de doorgiften, de archivering, de koppeling en de uitwissing.
   De logbestanden van de raadpleging en de mededeling laten toe om:
   1° de beweegreden, de datum en het tijdstip van die verwerkingen vast te stellen;
   2° vast te stellen welke categorieën van personen de persoonsgegevens hebben geraadpleegd alsook de persoon die die gegevens heeft geraadpleegd te identificeren;
   3° vast te stellen welke systemen die gegevens hebben meegedeeld;
   4° de categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens vast te stellen en indien mogelijk de identiteit van de ontvangers van die gegevens.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Controleorgaan, andere types verwerkingen vastleggen waarvoor de logbestanden worden aangemaakt.
   Er worden gepaste maatregelen getroffen om de veiligheid van de logbestanden te verzekeren, in het bijzonder om elke niet-toegelaten verwerking te beletten en de integriteit van de verwerkte gegevens te verzekeren.
   De procedures voor de toegang tot de logbestanden waarborgen de noodzaak en de proportionaliteit van de toegang tot de logginggegevens om de in artikel 56, § 2, van de wet gegevensbescherming bedoelde doeleinden te bereiken.
   Die procedures worden voor advies voorgelegd aan het Controleorgaan.
   De korpschefs voor de lokale politie en de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de directeurs voor de federale politie staan borg voor de goede uitvoering van deze richtlijnen voor wat de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, §§ 1 en 3, betreft.
  [2 ...]2
   § 3. Onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke overheden, bepalen de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, elk binnen het kader van hun bevoegdheden, bij algemene en bindende richtlijn, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad de toegangsregels voor de leden van de politiediensten tot de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, §§ 1 en 3.
   § 4. De ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie bepalen, elk binnen het kader van hun bevoegdheden, bij algemene en bindende richtlijn, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad de nadere regels betreffende de koppeling van de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2 onderling of met andere gegevensbanken waartoe de politiediensten toegang hebben door of krachtens de wet of internationale verdragen die België binden.
   Deze richtlijnen bepalen minstens op basis van de toereikende, terzake dienende en niet overmatige aard, de categorieën van gegevensbanken die onderling kunnen worden verbonden, de nadere regels betreffende de koppeling en de toegangsregels van de leden van de politiediensten betreffende het bestaan van relevante informatie in deze onderling gekoppelde gegevensbanken of, in voorkomend geval, betreffende de gegevens zelf, alsmede tot de daaruit voortvloeiende verwerkingen.
   § 5. De in de §§ 3 en 4 bedoelde profielen en nadere regels voor de toegang worden bepaald, onder andere op basis:
   1° van de nood er kennis van te nemen, met inbegrip van de noodzaak de verwerkte gegevens te kruisen of te coördineren;
   2° van de wettelijke doeleinden van elke gegevensbank;
   3° van de verschillende categorieën van de in artikel 44/5 bedoelde personen;
   4° van de evaluatie van de gegevens;
   5° van de validatiestatus van de verwerkte gegevens.
   De in de §§ 3 en 4 bedoelde toegangen moeten, oorspronkelijk of standaard, zo ontworpen worden dat de geëvalueerde en gevalideerde gegevens duidelijk zichtbaar zijn en prioritair kunnen worden geëxploiteerd.
   De toegangsprofielen en de identificatie van personen die toegang hebben, worden ter beschikking gesteld van het Controleorgaan.
   § 6. De ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie bepalen, elk binnen het kader van hun bevoegdheden, bij algemene en bindende richtlijn gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, de toereikende, terzake dienende en niet overmatige maatregelen met betrekking tot de koppeling of correlatie van de technische gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 3, met de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, §§ 1 en 2, of met andere gegevensbanken waartoe de politiediensten toegang hebben door of krachtens de wet of internationale verdragen die België binden.
   Deze richtlijn houdt rekening met criteria inzake tijd, ruimte en frequentie van de koppelingen en correlaties. Zij wijst minstens de overheid aan die dit soort maatregelen toestaat, alsook de gegevensbanken die onderling kunnen worden verbonden.]1

  
Art. 44/4. [1 § 1er. En matière de police administrative, le responsable du traitement des données à caractère personnel et des informations visées à l'article 44/1, y compris celles incluses dans les banques de données visées à l'article 44/2, § 1er, alinéa 2, 1° et 2°, est le ministre de l'Intérieur.
   En matière de police judiciaire, le responsable du traitement des données à caractère personnel et des informations visées à l'article 44/1, y compris celles incluses dans les banques de données visées à l'article 44/2, § 1er, alinéa 2, 1° et 2°, est le ministre de la Justice.
   Pour ce qui concerne les banques de données visées à l'article 44/2, § 1er, alinéa 2, 3°, les chefs de corps, le commissaire général, les directeurs généraux ou les directeurs qui ont fixé les objectifs et les moyens relatifs à ces banques de données particulières sont les responsables du traitement.
   § 2. Les ministres de l'Intérieur et de la Justice, chacun dans le cadre de leurs compétences et sans préjudice des compétences propres des autorités judiciaires, déterminent par directives contraignantes les mesures nécessaires en vue d'assurer la gestion et la sécurité dont notamment les aspects relatifs à la fiabilité, la confidentialité, la disponibilité, la traçabilité et l'intégrité des données à caractère personnel et des informations traitées dans les banques de données visées à l'article 44/2.
   Les fichiers de journalisation sont établis dans les banques de données visées à l'article 44/2 au moins pour les traitements suivants: la collecte, la modification, la consultation, la communication, y compris les transferts, l'archivage, l'interconnexion et l'effacement.
   Les fichiers de journalisation de consultation et de communication permettent d'établir:
   1° le motif, la date et l'heure de ces traitements;
   2° les catégories de personnes qui ont consulté les données à caractère personnel, ainsi que l'identification de la personne qui a consulté ces données;
   3° les systèmes qui ont communiqué ces données;
   4° les catégories de destinataires des données à caractère personnel, et si possible, l'identité des destinataires de ces données.
   Le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres après avis de l'Organe de contrôle, d'autres types de traitements pour lesquels les fichiers de journalisation sont établis.
   Des mesures appropriées sont adoptées pour assurer la sécurité des fichiers de journalisation et, en particulier, pour empêcher tout traitement non autorisé et pour assurer l'intégrité des données traitées.
   Les procédures d'accès aux fichiers de journalisation garantissent la nécessité et la proportionnalité de l'accès aux données de journalisation en vue d'atteindre les finalités visées à l'article 56, § 2, de la loi relative à la protection des données.
   Ces procédures sont soumises à l'avis de l'Organe de contrôle.
   Les chefs de corps pour la police locale et le commissaire général, les directeurs généraux et les directeurs pour la police fédérale sont les garants de la bonne exécution de ces directives en ce qui concerne les banques de données visées à l'article 44/2, §§ 1er, et 3.
  [2 ...]2
   § 3. Sans préjudice des compétences des autorités judiciaires, les ministres de l'Intérieur et de la Justice, chacun dans le cadre de leurs compétences, déterminent par directive générale et contraignante, publiée au Moniteur belge, les règles d'accès des membres des services de police aux banques de données visées à l'article 44/2, §§ 1er, et 3.
   § 4. Les ministres de l'Intérieur et de la Justice, chacun dans le cadre de leurs compétences, déterminent par directive générale et contraignante publiée au Moniteur belge, les modalités relatives à l'interconnexion des banques de données visées à l'article 44/2 entre elles ou avec d'autres banques de données auxquelles les services de police ont accès par ou en vertu de la loi ou de traités internationaux liant la Belgique.
   Ces directives déterminent au moins, sur la base du caractère pertinent, adéquat et non excessif, les catégories de banques de données qui peuvent être connectées entre elles, les modalités relatives à l'interconnexion et les règles d'accès des membres des services de police relatives à l'existence d'une information pertinente au sein de ces banques de données interconnectées ou, le cas échéant, aux données elles-mêmes ainsi qu'aux traitements qui en résultent.
   § 5. Les profils et les modalités d'accès visés aux §§ 3 et 4 sont déterminés notamment sur la base:
   1° du besoin d'en connaître, en ce compris de la nécessité de croiser ou coordonner les données traitées;
   2° des finalités légales de chaque banque de données;
   3° des différentes catégories de personnes visées à l'article 44/5;
   4° de l'évaluation des données;
   5° de l'état de validation des données traitées.
   Les accès visés aux §§ 3 et 4 doivent être conçus à la base ou par défaut de telle sorte que les données évaluées et validées apparaissent de manière claire et puissent être exploitées prioritairement.
   Les profils d'accès et l'identification des personnes ayant accès sont tenus à la disposition de l'Organe de contrôle.
   § 6. Les ministres de l'Intérieur et de la Justice, chacun dans le cadre de leurs compétences, déterminent par directive générale et contraignante publiée au Moniteur belge les mesures adéquates, pertinentes et non excessives relatives à l'interconnexion ou la corrélation des banques de données techniques visées à l'article 44/2, § 3, avec les banques de données visées à l'article 44/2, §§ 1er et 2, ou avec d'autres banques de données auxquelles les services de police ont accès par ou en vertu de la loi ou de traités internationaux liant la Belgique.
   Cette directive tient compte des critères de temps, d'espace et de fréquence des interconnexions et corrélations. Elles déterminent au moins l'autorité qui permet ce genre de mesures, ainsi que les banques de données qui peuvent être connectées entre elles.]1

  
Onderafdeling 3. [1 Categorieën van in de A.N.G. en in de basisgegevensbanken geregistreerde persoonsgegevens]1
Sous-section 3. - [1 Catégories de données à caractère personnel enregistrées dans la B.N.G et les banques de données de base]1
Art. 44/5. [1 § 1. De persoonsgegevens die voor doeleinden van bestuurlijke politie verwerkt worden in de gegevensbanken bedoeld in [3 artikel 44/2, § 1]3, tweede lid, 1° en 2°, zijn :
   1° de contactgegevens van de vertegenwoordigers van verenigingen die vrijwillig door laatstgenoemden worden meegedeeld of die openbaar beschikbaar zijn, om het beheer van gebeurtenissen mogelijk te maken;
   2° de gegevens met betrekking tot de personen die betrokken zijn bij fenomenen van bestuurlijke politie waaronder verstaan wordt het geheel van problemen die de openbare orde verstoren en die gepaste maatregelen van bestuurlijke politie vereisen omdat zij van dezelfde aard en terugkerend zijn, door dezelfde personen gepleegd worden of gericht zijn op dezelfde categorieën van slachtoffers of plaatsen;
   3° de gegevens met betrekking tot de leden van een nationale of internationale groepering die de openbare orde zoals bedoeld in artikel 14 zou kunnen verstoren;
   4° de gegevens met betrekking tot de personen die schade kunnen toebrengen aan te beschermen personen of roerende en onroerende goederen en de gegevens met betrekking tot de personen die er het doelwit van kunnen uitmaken;
   5° de gegevens met betrekking tot de in de artikelen 18 tot 21 bedoelde personen;
   6° de gegevens met betrekking tot de personen die geregistreerd zijn inzake gerechtelijke politie voor een strafbaar feit dat gepleegd werd in het kader van de openbare ordehandhaving;
  [4 7° de gegevens betreffende personen die het voorwerp uitmaken van een bestuurlijke maatregel genomen door een bevoegde bestuurlijke overheid en dewelke de politiediensten krachtens de wet, het decreet of de ordonnantie gelast zijn deze op te volgen.]4
   De gegevens bedoeld in deze paragraaf omvatten eveneens de gegevens die verwerkt worden in het kader van de internationale politionele samenwerking in strafzaken.
   § 2. De lijst met de fenomenen bedoeld in § 1, 2° en de groeperingen bedoeld in § 1, 3°, wordt minstens jaarlijks uitgewerkt door de minister van Binnenlandse Zaken, op basis van een gezamenlijk voorstel van de federale politie, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
   § 3. De persoonsgegevens die voor doeleinden van gerechtelijke politie verwerkt worden in de gegevensbanken bedoeld in [3 artikel 44/2, § 1]3, tweede lid, 1° en 2°, zijn :
   1° de gegevens met betrekking tot de verdachten van een strafbaar feit en de veroordeelde personen;
   2° de gegevens met betrekking tot de daders en verdachten van een door de politie vastgestelde administratief gesanctioneerde inbreuk;
   3° de gegevens met betrekking tot de personen die op verdachte wijze overleden zijn;
   4° de gegevens met betrekking tot de vermiste personen;
   5° de gegevens met betrekking tot de ontsnapte personen of de personen die gepoogd hebben te ontsnappen;
   6° de gegevens met betrekking tot de strafuitvoering en de strafuitvoeringsmodaliteiten;
   7° de gegevens met betrekking tot de getuigen van een strafbaar feit;
   8° [4 de gegevens met betrekking tot de personen bedoeld in de artikelen 47novies/1, § 1, 47decies, § 1, en 102, 1° tot 3°, van het Wetboek van strafvordering;]4
  [2 9° de gegevens met betrekking tot de slachtoffers van een strafbaar feit.]2
   § 4. De persoonsgegevens die voor doeleinden van gerechtelijke politie verwerkt worden in de gegevensbanken bedoeld in [3 artikel 44/2, § 1]3, tweede lid, 2°, zijn bovendien :
   1° de gegevens met betrekking tot de personen die zich burgerlijke partij hebben gesteld of de benadeelde personen;
   2° de gegevens met betrekking tot de burgerrechtelijk aansprakelijke personen van een strafbaar feit.
   § 5. De in §§ 3 en 4 bedoelde gegevens omvatten eveneens de gegevens die verwerkt worden in het kader van de internationale gerechtelijke en politionele samenwerking in strafzaken.
   § 6. Wanneer de politie ambtshalve, door de betrokken persoon of zijn advocaat, bij toepassing van artikel 646 van het Wetboek van strafvordering of op enige andere wijze, kennis heeft van het feit dat de gegevens [4 niet langer juist zijn of]4 niet langer beantwoorden aan de voorwaarden om verwerkt te worden in het kader van de §§ 1, 3 of 4, worden deze gegevens bijgewerkt.]1

  [4 § 7. In specifieke omstandigheden kunnen de gegevens bedoeld in § 4 daarenboven verwerkt worden in de A.N.G.]4
  
Art. 44/5. [1 § 1er. Les données à caractère personnel traitées dans les banques de données visées à l'[3 article 44/2, § 1er]3, alinéa 2, 1° et 2°, aux fins de police administrative sont les suivantes :
   1° les données de contact des représentants des associations, communiquées volontairement par celles-ci ou disponibles publiquement pour permettre la gestion des événements;
   2° les données relatives aux personnes impliquées dans les phénomènes de police administrative entendus comme, l'ensemble des problèmes, portant atteinte à l'ordre public et nécessitant des mesures appropriées de police administrative, parce qu'ils sont de même nature et répétitifs, qu'ils sont commis par les mêmes personnes ou qu'ils visent les mêmes catégories de victimes ou de lieux;
   3° les données relatives aux membres d'un groupement national ou international susceptible de porter atteinte à l'ordre public tel que visé à l'article 14;
   4° les données relatives aux personnes susceptibles de porter atteinte aux personnes ou aux biens mobiliers et immobiliers à protéger et les données relatives aux personnes qui peuvent en être la cible;
   5° les données relatives aux personnes visées aux articles 18 à 21;
   6° les données relatives aux personnes enregistrées en police judiciaire pour un fait infractionnel commis dans le cadre du maintien de l'ordre public;
  [4 7° les données relatives aux personnes faisant l'objet d'une mesure administrative prise par une autorité administrative compétente et que les services de police sont chargés de suivre par ou en vertu de la loi, du décret ou de l'ordonnance.]4
   Les données visées au présent paragraphe incluent également les données traitées dans le cadre de la coopération policière internationale en matière pénale.
   § 2. La liste des phénomènes visés au § 1er, 2°, et des groupements visés au § 1er, 3°, est établie au moins annuellement par le ministre de l'Intérieur, sur la base d'une proposition conjointe de la police fédérale, de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace et des services de renseignements et de sécurité.
   § 3. Les données à caractère personnel traitées dans les banques de données visées à l'[3 article 44/2, § 1er]3, alinéa 2, 1° et 2°, aux fins de police judiciaire sont les suivantes :
   1° les données relatives aux suspects d'un fait pénal et aux personnes condamnées;
   2° les données relatives aux auteurs et suspects d'une infraction sanctionnée administrativement et constatée par la police;
   3° les données relatives aux personnes décédées de manière suspecte;
   4° les données relatives aux personnes disparues;
   5° les données relatives aux personnes évadées ou qui ont tenté de s'évader;
   6° les données relatives à l'exécution des peines et à ses modalités d'exécution;
   7° les données relatives aux témoins d'un fait pénal;
   8° [4 les données relatives aux personnes visées aux articles 47novies/1, § 1er, 47decies, § 1er, et 102, 1° à 3°, du Code d'instruction criminelle;]4
  [2 9° les données relatives aux victimes d'un fait pénal.]2
   § 4. Les données à caractère personnel traitées dans les banques de données visées à l'[3 article 44/2, § 1er]3, alinéa 2, 2°, aux fins de police judiciaire sont en outre les suivantes :
   1° les données relatives aux personnes qui se sont constituées partie civile ou aux personnes lésées;
   2° les données relatives aux personnes civilement responsables d'un fait pénal.
   § 5. Les données visées aux §§ 3 et 4 incluent également les données traitées dans le cadre de la coopération judiciaire et policière internationale en matière pénale.
   § 6. Lorsque la police a connaissance, par elle- même, par la personne concernée ou son avocat, en application de l'article 646 du Code d'instruction criminelle ou par tout autre moyen, du fait que les données [4 ne sont plus exactes ou]4 ne remplissent plus les conditions pour être traitées dans le cadre des §§ 1er, 3 ou 4, ces données sont mises à jours.]1

  [4 § 7. Dans des circonstances spécifiques, les données visées au § 4 peuvent en outre être traitées dans la B.N.G.]4
  
Onderafdeling 4
Sous-section 4.
Onderafdeling 5. - [1 De A.N.G.]1
Sous-section 5. - [1 La B.N.G.]1
Art. 44/7. [1 De A.N.G. is de politionele gegevensbank die de gegevens bedoeld in artikel 44/5 en de informatie bevat die voor het geheel van de politiediensten nodig zijn om hun opdrachten uit te oefenen en die het mogelijk maakt :
   1° de personen bedoeld in artikel 44/5, §§ 1 en 3, te identificeren;
   2° de personen die toegang hebben tot de A.N.G. te identificeren;
   3° de politionele persoonsgegevens en informatie te coördineren en te kruisen;
   4° de antecedenten van bestuurlijke politie en van gerechtelijke politie op nationaal niveau te controleren;
   5° de door de politiediensten uitgevoerde controles te ondersteunen door aan te geven welke maatregelen moeten genomen worden, hetzij op basis van een beslissing van de bevoegde overheden van bestuurlijke of van gerechtelijke politie, hetzij op basis van het bestaan van antecedenten van bestuurlijke of van gerechtelijke politie;
   6° de bepaling en de uitwerking van het politie-en veiligheidsbeleid te ondersteunen.
   Wat de registratie in de A.N.G. betreft van de gegevens bedoeld in artikel 44/5, § 3, 1°, met betrekking tot een minderjarige jonger dan 14 jaar, is de toestemming van de bevoegde magistraat vereist.
   De politiediensten zenden ambtshalve de in het eerste lid bedoelde gegevens en informatie aan de A.N.G. toe.]1

  
Art. 44/7. [1 La B.N.G. est la banque de données policière qui contient les données visées à l'article 44/5 et les informations dont l'ensemble des services de police ont besoin pour exercer leurs missions et permettant :
   1° l'identification des personnes visées à l'article 44/5, §§ 1er et 3;
   2° l'identification des personnes ayant accès à la B.N.G.;
   3° la coordination et le croisement des données à caractère personnel et informations policières;
   4° la vérification au niveau national des antécédents de police administrative et de police judiciaire;
   5° l'aide aux contrôles effectués par les services de police par l'indication des mesures à prendre soit sur la base d'une décision des autorités de police administrative ou des autorités de police judiciaire compétentes, soit en fonction de l'existence des antécédents de police administrative ou de police judiciaire;
   6° l'appui à la définition et à la réalisation de la politique policière et de sécurité.
   Pour ce qui concerne l'enregistrement dans la B.N.G. des données visées à l'article 44/5, § 3, 1°, relatives à un mineur qui n'a pas 14 ans accomplis, l'autorisation du magistrat compétent est requise.
   Les services de police transmettent d'office à la B.N.G. les données et les informations visées à l'alinéa 1er ]1

  
Art. 44/8. [1 In afwijking van artikel 44/7, derde lid, wordt de verplichting tot voeding van de A.N.G. uitgesteld wanneer en zolang de bevoegde magistraat, met instemming van de federale procureur, meent dat deze voeding de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van een persoon in het gedrang kan brengen. In voorkomend geval kan de federale procureur de regels voor deze afwijking bepalen.
   De federale procureur gaat op regelmatige tijdstippen de noodzaak tot behoud van het uitstel van de voeding van de A.N.G. na.]1

  
Art. 44/8. [1 Par dérogation à l'article 44/7, alinéa 3, l'obligation d'alimenter la B.N.G. est différée lorsque et aussi longtemps que le magistrat compétent, avec l'accord du procureur fédéral, estime que cette alimentation peut compromettre l'exercice de l'action publique ou la sécurité d'une personne. Le cas échéant, le procureur fédéral peut déterminer les modalités de cette dérogation.
   Le procureur fédéral vérifie à échéances régulières la nécessité du maintien de l'ajournement de l'alimentation de la B.N.G.]1

  
Art. 44/9. [1 § 1. De persoonsgegevens bedoeld in artikel 44/5, § 1, verwerkt in de A.N.G. voor doeleinden van bestuurlijke politie, worden gearchiveerd wanneer zij ontoereikend, niet ter zake dienend of overmatig van aard zijn, en in ieder geval :
   1° voor de persoonsgegevens bedoeld in [3 artikel 44/5, § 1, 1° en 7°]3, drie jaar vanaf de laatste registratie;
   2° voor de persoonsgegevens bedoeld in artikel 44/5, § 1, 2° tot 6°, vijf jaar vanaf de laatste registratie;
   De gegevens bedoeld in artikel 44/5, § 1, [3 2° tot 7°]3, worden niet gearchiveerd zolang :
   a) er een te nemen maatregel is op basis van een beslissing van een bevoegde bestuurlijke of gerechtelijke overheid of
   b) de gegevens betreffende de betrokkene die in de A.N.G. verwerkt worden op basis van artikel 44/5, § 3, 1°, 2° of 6°, niet gearchiveerd werden met toepassing van § 2, a), 2°.
   § 2. De persoonsgegevens bedoeld in artikel 44/5, § 3, verwerkt in de A.N.G. voor doeleinden van gerechtelijke politie, worden gearchiveerd wanneer zij ontoereikend, niet ter zake dienend of overmatig van aard zijn, en in ieder geval :
   a) voor de in artikel 44/5, § 3, 1°, 2° en 6° [3 en § 4, 2°]3, bedoelde personen :
   1° een jaar vanaf de registratie van het feit wanneer het een als overtreding gekwalificeerd feit betreft;
   2° tien jaar vanaf de registratie van het feit wanneer het een als wanbedrijf gekwalificeerd feit betreft, en dertig jaar vanaf de registratie van het feit wanneer het een als misdaad gekwalificeerd feit betreft.
   Wanneer door dezelfde persoon een nieuw feit wordt gepleegd terwijl de archiveringstermijn van het vorige feit of van één van de vorige feiten nog niet bereikt is, wordt de regel van het eerste lid toegepast op elk gepleegd feit en vindt de archivering van de persoonsgegevens voor het geheel van de feiten plaats wanneer de termijnen voor alle feiten bereikt zijn.
   Wanneer een in artikel 44/5, § 3, 1°, 2° en 6°, bedoelde persoon die zich in de in het eerste lid, 2°, bedoelde voorwaarden bevindt, voor een periode van minstens 5 jaar het voorwerp uitmaakt van een effectieve gevangenisstraf, een terbeschikkingstelling van de regering of een internering, wordt de in het eerste lid, 2°, bedoelde bewaartermijn opgeschort ten belope van de duur van de straf of van de maatregel.
   De gegevens bedoeld in artikel 44/5, § 3, worden niet gearchiveerd zolang :
   - er een te nemen maatregel is op basis van een beslissing van een bevoegde bestuurlijke of gerechtelijke overheid of
   - er een openstaand opsporings- of gerechtelijk onderzoek in de zin van de artikelen 28bis en 55 van het Wetboek van strafvordering is en waarvoor aan de politie onderzoeksopdrachten werden bevolen, zolang de politie niet ingelicht werd door de bevoegde magistraat over het eind van het genoemde opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek.
   b) voor de in artikel 44/5, § 3, 4°, bedoelde personen, vijf jaar vanaf het ogenblik waarop de persoon teruggevonden werd;
   c) voor de in artikel 44/5, § 3, 5°, bedoelde personen, tien jaar vanaf het ogenblik waarop de persoon opnieuw [2 van zijn vrijheid benomen]2 werd of vanaf de ontsnappingspoging;
   d) voor de in artikel 44/5, § 3, 7° tot 9° [3 en § 4, 1°]3, bedoelde personen, tien jaar vanaf de registratie van het laatste strafbaar feit waarvan zij getuige of slachtoffer zijn, met dien verstande dat de gegevens niet gearchiveerd worden zolang :
   - er een te nemen maatregel is op basis van een beslissing van een bevoegde bestuurlijke of gerechtelijke overheid of
   - er een openstaand opsporings- of gerechtelijk onderzoek in de zin van de artikelen 28bis en 55 van het Wetboek van strafvordering is en waarvoor aan de politie onderzoeksopdrachten werden bevolen, zolang de politie niet ingelicht werd door de bevoegde magistraat over het einde van het genoemde opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek.
   De in artikel 44/5, § 3, 3°, bedoelde personen kunnen niet gearchiveerd worden zolang er een openstaand onderzoek is.
   In afwijking van eerste lid, a) tot d) worden de gegevens met betrekking tot de in artikel 44/5, § 3, 1° tot 9°, bedoelde personen in ieder geval gearchiveerd vijf jaar vanaf de registratie van de laatste informatie betreffende een strafbaar feit, wanneer dit niet gelokaliseerd is in de tijd of in de ruimte.]1

  [3 § 3. Alle uitgevoerde verwerkingen in de A.N.G. maken het voorwerp uit van logbestanden die bewaard worden gedurende dertig jaar vanaf de in de A.N.G. uitgevoerde verwerking.]3
  
Art. 44/9. [1 § 1er Les données à caractère personnel visées à l'article 44/5, § 1er, traitées dans la B.N.G. à des fins de police administrative sont archivées lorsqu'elles présentent un caractère non adéquat, non pertinent ou excessif et en tout cas :
   1° pour les données à caractère personnel visées à [3 l'article 44/5, § 1er, 1° et 7°]3, trois ans à partir du dernier enregistrement;
   2° pour les données à caractère personnel visées à l'article 44/5, § 1er, 2° à 6°, cinq ans à partir du dernier enregistrement;
   Les données visées à l'article 44/5, § 1er, [3 2° à 7°]3, ne sont pas archivées tant que :
   a) il y a une mesure à prendre sur la base d'une décision d'une autorité administrative ou judiciaire compétente ou
   b) des données relatives à la personne concernée, traitées dans la B.N.G. sur base de l'article 44/5, § 3, 1°, 2° ou 6°, n'ont pas été archivées en application du § 2, a), 2°.
   § 2. Les données à caractère personnel visées à l'article 44/5, § 3, traitées dans la B.N.G. à des fins de police judiciaire sont archivées lorsqu'elles présentent un caractère non adéquat, non pertinent ou excessif et en tout cas :
   a) pour les personnes visées à l'article 44/5, § 3, 1°, 2° et 6° [3 et § 4, 2°]3 :
   1° un an à partir de l'enregistrement du fait s'il s'agit d'un fait qualifié de contravention;
   2° dix ans s'il s'agit d'un d'un fait qualifié de délit, et trente ans s'il s'agit d'un d'un fait qualifié de crime, à partir de l'enregistrement du fait.
   Si un nouveau fait est commis par la même personne alors que le délai d'archivage du fait antérieur ou de l'un des faits antérieurs n'est pas atteint, la règle de l'alinéa 1er est appliquée à chaque fait commis et l'archivage des données à caractère personnel de l'ensemble des faits a lieu lorsque les délais pour tous les faits sont atteints.
   Lorsqu'une personne visée à l'article 44/5, § 3, 1°, 2° et 6°, et qui se trouve dans les conditions visées à l'alinéa 1er, 2°, fait l'objet d'un emprisonnement ferme, d'une mise à disposition du gouvernement ou d'un internement, pour une période d'au moins 5 ans, le délai de conservation visé à l'alinéa 1er, 2°, est suspendu à concurrence de la durée de la peine ou de la mesure.
   Les données visées à l'article 44/5, § 3, ne sont pas archivées tant que :
   - il y a une mesure à prendre sur la base d'une décision d'une autorité administrative ou judiciaire compétente ou
   - une information ou une instruction judiciaire au sens des articles 28bis et 55 du Code d'instruction criminelle est ouverte et pour laquelle des devoirs d'enquête ont été prescrits à la police et tant que cette dernière n'a pas été informée par le magistrat compétent de la fin de ladite information ou instruction judiciaire.
   b) pour les personnes visées à l'article 44/5, § 3, 4°, cinq ans à partir du moment où la personne a été retrouvée;
   c) pour les personnes visées à l'article 44/5, § 3, 5°, dix ans à partir du moment où la personne a été à nouveau [2 lors de sa privation de liberté]2 ou à partir de la tentative d'évasion;
   d) pour les personnes visées à l'article 44/5, § 3, 7° à 9° [3 et § 4, 1°]3, dix ans à partir de l'enregistrement du dernier fait pénal dont elles sont témoins ou victimes, étant entendu que les données ne sont pas archivées tant que :
   - il y a une mesure à prendre sur la base d'une décision d'une autorité administrative ou judiciaire compétente ou
   - une information ou une instruction judiciaire au sens des articles 28bis et 55 du Code d'instruction criminelle est ouverte et pour laquelle des devoirs d'enquête ont été prescrits à la police et tant que cette dernière n'a pas été informée par le magistrat compétent de la fin de ladite information ou instruction judiciaire.
   Les données relatives aux personnes visées à l'article 44/5, § 3, 3°, ne peuvent pas être archivées tant qu'une enquête est ouverte.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, a) à d), les données relatives aux personnes visées à l'article 44/5, § 3, 1° à 9°, sont archivées en tout cas cinq ans à partir de l'enregistrement de la dernière information relative à un fait pénal lorsqu'il n'est pas localisé dans le temps ou dans l'espace.]1

  [3 § 3. Tous les traitements réalisés dans la B.N.G. font l'objet d'une journalisation qui est conservée pendant trente ans à partir du traitement réalisé dans la B.N.G.]3
  
Art. 44/10. [1 § 1. De persoonsgegevens en informatie die in de A.N.G. worden verwerkt voor doeleinden van bestuurlijke of van gerechtelijke politie worden gedurende dertig jaar gearchiveerd.
   Na afloop van deze termijn, worden de persoonsgegevens en informatie gewist onverminderd de archiefwet van 24 juni 1955.
  [2 Alle uitgevoerde verwerkingen in de archieven van de A.N.G. maken het voorwerp uit van logbestanden die bewaard worden gedurende dertig jaar vanaf de in de archieven van de A.N.G. uitgevoerde verwerking.]2
   § 2. De archieven van de A.N.G. kunnen beperkt worden geraadpleegd voor de volgende doeleinden :
   1° de kennisneming en de exploitatie van de antecedenten inzake bestuurlijke of gerechtelijke politie in het kader van een onderzoek met betrekking tot een misdaad;
   2° de hulp, in het kader van onderzoeken, bij de identificatie op basis van de vingerafdrukken van de personen bedoeld in artikel 44/5, § 3, 1° ;
   3° de ondersteuning bij het bepalen en het uitwerken van het politie- en veiligheidsbeleid;
   4° op basis van een schriftelijke vraag van de minister van Binnenlandse Zaken, de verdediging van de politiediensten in rechte en de opvolging van de processen in herziening waarbij in de A.N.G. vervatte gegevens betrokken zijn.
   Het resultaat van de exploitatie van de archieven van de A.N.G. voor het in het eerste lid, 3° bedoelde doeleinde is geanonimiseerd.]1

  
Art. 44/10. [1 § 1er. Les données à caractère personnel et les informations traitées dans la B.N.G. à des fins de police administrative ou de police judiciaire sont archivées pendant trente ans.
   A l'issue de ce délai, les données à caractère personnel et les informations sont effacées, sans préjudice de la loi du 24 juin 1955 relatives aux archives.
  [2 Tous les traitements réalisés dans les archives de la B.N.G. font l'objet d'une journalisation qui est conservée pendant trente ans à partir du traitement réalisé dans les archives de la B.N.G.]2
   § 2. La consultation des archives de la B.N.G. est réalisée limitativement pour les finalités suivantes :
   1° la prise de connaissance et l'exploitation des antécédents de police administrative ou de police judiciaire dans le cadre d'une enquête relative à un crime;
   2° l'aide dans le cadre des enquêtes à l'identification, sur la base des empreintes digitales des personnes visées à l'article 44/5, § 3, 1° ;
   3° l'appui à la définition et à la réalisation de la politique policière et de sécurité;
   4° sur base d'une demande écrite du ministre de l'Intérieur, la défense des services de police en justice et le suivi des procès en révision impliquant des données contenues dans la B.N.G.
   Le résultat de l'exploitation des archives de la B.N.G. pour la finalité visée à l'alinéa 1er, 3°, est anonymisé.]1

  
Art. 44/11. [1 § 1. De A.N.G. wordt ontwikkeld en beheerd door een directie [2 van de algemene directie van het middelenbeheer en de informatie]2 van de federale politie.
   [2 ...]2
   Deze directie wordt geleid door een directeur die wordt bijgestaan door een adjunct-directeur. Eén ervan is lid van de federale politie en de andere behoort tot de lokale politie.
   De Koning bepaalt de nadere regels van hun aanwijzing.
   § 2. De politieambtenaren belast met het beheer van de A.N.G. worden aangewezen door de Koning na advies van [3 het Controleorgaan]3.
   Een benoeming, aanwijzing of herplaatsing wordt hen uitsluitend toegekend op initiatief of met het akkoord van de bevoegde minister en na advies van dit Controleorgaan. De nadere regels hiervan worden bepaald door de Koning.
   Een tuchtrechtelijke procedure ten aanzien van deze politieambtenaren voor feiten gepleegd tijdens de duur van hun aanwijzing kan slechts worden ingesteld met instemming of op bevel van de minister van Binnenlandse Zaken.
   Het advies van het Controleorgaan wordt ingewonnen voor tuchtprocedures die niet door de minister bevolen worden.]1
  
Art. 44/11. [1 § 1er. La B.N.G. est développée et gérée par une direction [2 de la direction générale de la gestion des ressources et de l'information]2 de la police fédérale.
   [2 ...]2
   Cette direction est dirigée par un directeur, qui est assisté d'un directeur adjoint. L'un est membre de la police fédérale et l'autre appartient à la police locale.
   Le Roi arrête les modalités de leur désignation.
   § 2. Les fonctionnaires de police chargés de la gestion de la B.N.G. sont désignés par le Roi après avis de [3 l'Organe de contrôle]3.
   Une nomination, une affectation ou une réaffectation leur est octroyée uniquement sur initiative ou avec l'accord du ministre compétent et après avis de cet Organe de contrôle. Les modalités en sont déterminées par le Roi.
   Une procédure disciplinaire à l'égard de ces fonctionnaires de police pour des faits commis pendant la durée de leur désignation ne peut être intentée qu'avec l'accord ou sur ordre du ministre de l'Intérieur.
   L'avis de l'Organe de contrôle est recueilli pour les procédures disciplinaires qui ne sont pas ordonnées par le ministre.]1

  
Art. 44/11/1. [1 Elk lid van de politiediensten dat, ofwel willens en wetens persoonsgegevens of informatie achterhoudt die van belang zijn voor de uitoefening van de strafvordering of persoonsgegevens of informatie van bestuurlijke politie die aanleiding kunnen geven tot het nemen van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van personen, van de openbare veiligheid of van de openbare gezondheid achterhoudt, ofwel willens en wetens nalaat de A.N.G. te voeden overeenkomstig artikel 44/7, zal worden gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot zes maanden en een geldboete van zesentwintig tot vijfhonderd euro of met één van die straffen alleen.
   De bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op dit misdrijf.]1

  [2 Dit artikel is niet van toepassing op de leden van de politiediensten die op basis van de wet van 20 december 2022 betreffende de meldingskanalen en de bescherming van de melders van integriteitsschendingen in de federale overheidsinstanties en bij de geïntegreerde politie gebruik maken van het meldingssysteem.]2
  
Art. 44/11/1. [1 Tout membre des services de police qui, soit retient sciemment et volontairement des données à caractère personnel ou des informations présentant un intérêt pour l'exécution de l'action publique ou des données à caractère personnel ou des informations de police administrative qui peuvent donner lieu à la prise de mesures indispensables à la protection des personnes, à la sécurité publique ou à la santé publique, ou soit s'abstient sciemment et volontairement d'alimenter la B.N.G. conformément à l'article 44/7 sera puni d'un emprisonnement d'un mois à six mois et d'une amende de vingt-six à cinq cents euros, ou d'une de ces peines seulement.
   Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont d'application à cette infraction.]1

  [2 Le présent article ne s'applique pas aux membres des services de police qui recourent au système de signalement en vertu de la loi du 20 décembre 2022 relative aux canaux de signalement et à la protection des auteurs de signalement d'atteintes à l'intégrité dans les organismes du secteur public fédéral et au sein de la police intégrée.]2
  
Onderafdeling 6. - [1 Basisgegevensbanken]1
Sous-section 6. [1 Les banques de données de base]1
Art. 44/11/2. [1 § 1. De basisgegevensbanken zijn de politionele gegevensbanken die opgericht worden ten behoeve van het geheel van de geïntegreerde politie en die tot doel hebben de opdrachten van bestuurlijke en van gerechtelijke politie uit te oefenen door de erin vervatte persoonsgegevens en informatie te exploiteren en door de bevoegde overheden te informeren over de uitoefening van deze opdrachten.
   Deze gegevensbanken worden ontwikkeld [4 en beheerd]4 door de in artikel 44/11, § 1, eerste lid. bedoelde directie [3 van de algemene directie van het middelenbeheer en de informatie]3 van de federale politie
   [3 ...]3
   § 2. [4 De gegevens die betrekking hebben op de opdrachten van bestuurlijke politie zijn toegankelijk gedurende vijf jaar vanaf de dag van de registratie ervan.
   De gegevens die betrekking hebben op de opdrachten van gerechtelijke politie zijn toegankelijk gedurende vijftien jaar vanaf de dag van de registratie ervan.]4

   § 3. Na het verstrijken van de termijn van vijftien jaar bedoeld [4 in § 2, tweede lid]4, zijn de persoonsgegevens en de informatie die enkel betrekking hebben op de opdrachten van gerechtelijke politie raadpleegbaar :
   1° gedurende een nieuwe termijn van vijftien jaar en dit uitsluitend op basis van het notitienummer van het proces-verbaal, het nummer van het informatierapport of het dossiernummer;
   2° gedurende een nieuwe termijn van dertig jaar en dit uitsluitend in het kader van een onderzoek betreffende misdaden.
   § 4. In afwijking van [4 § 2, tweede lid]4, en van § 3, zijn de gegevens en informatie betreffende de opdrachten van gerechtelijke politie met betrekking tot de niet-concrete feiten toegankelijk gedurende vijf jaar vanaf hun registratie.
   § 5. In afwijking van [4 § 2, tweede lid]4, en van § 3, zijn de in de basisgegevensbanken verwerkte gegevens en informatie die betrekking hebben op de in het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg bepaalde misdrijven toegankelijk gedurende vijf jaar vanaf de registratie ervan.
   § 6. De in de basisgegevensbanken betreffende het beheer van de onderzoeken verwerkte gegevens en informatie over de onderzoeken die gevoerd worden in het kader van een opsporingsonderzoek in de zin van artikel 28bis van het Wetboek van strafvordering of in het kader van een gerechtelijk onderzoek in de zin van artikel 56 van het Wetboek van strafvordering waarvoor er aan de politie onderzoeksopdrachten bevolen werden, zijn beschikbaar gedurende dertig jaar vanaf het ogenblik dat het eind van het onderzoek door de bevoegde magistraat aan de politie meegedeeld wordt.
   In uitzonderlijke omstandigheden, kan de bevoegde procureur-generaal op met redenen omklede wijze beslissen dat bij het verstrijken van deze termijn, alle of een gedeelte van de onderzoeksgegevens die vervat zijn in een basisgegevensbank die betrekking heeft op de onderzoeken, bewaard dienen te blijven gedurende een nieuwe hernieuwbare periode van hoogstens tien jaar.]2
   § 7. Onverminderd de archiefwet van 24 juni 1955 worden de persoonsgegevens en de informatie gewist na het verstrijken van de in dit artikel bedoelde termijnen.]1

  [4 § 8. Alle uitgevoerde verwerkingen in de basisgegevensbanken maken het voorwerp uit van logbestanden die bewaard worden gedurende vijftien jaar vanaf de in de basisgegevensbanken uitgevoerde verwerking. De verwerkingsverantwoordelijke kan, indien nodig, deze termijn verlengen met een maximale periode van vijftien jaar.]4
  
Art. 44/11/2. [1 § 1er. Les banques de données de base sont les banques de données policières créées au profit de l'ensemble de la police intégrée et qui ont pour finalité d'exécuter les missions de police administrative et de police judiciaire en exploitant les données à caractère personnel et informations qui y sont incluses et en informant les autorités compétentes de l'exercice de ces missions.
   Ces banques de données sont développées [4 et gérées]4 par la direction [3 de la direction générale de la gestion des ressources et de l'information]3 de la police fédérale, visée à l'article 44/11, § 1er, alinéa 1er.
   [3 ...]3
   § 2. [2 [4 Les données relatives aux missions de police administrative sont accessibles durant cinq ans à partir du jour de leur enregistrement.
   Les données relatives aux missions de police judiciaire sont accessibles durant quinze ans à partir du jour de leur enregistrement.]4

  § 3. Après l'écoulement du délai de quinze ans visé [4 au § 2, alinéa 2]4, les données à caractère personnel et les informations relatives uniquement aux missions de police judiciaire sont consultables :
   1° pendant un nouveau délai de quinze ans et ce, uniquement sur la base du numéro de notice du procès-verbal, du numéro de rapport d'information ou du numéro de dossier;
   2° pendant un nouveau délai de trente ans et ce, uniquement dans le cadre d'une enquête relative à des crimes.
   § 4. Par dérogation [4 au § 2, alinéa 2]4, et au § 3, les données et informations relatives aux missions de police judiciaire relatives à des faits non concrets sont accessibles durant cinq ans à partir de leur enregistrement.
   § 5. Par dérogation [4 au § 2, alinéa 2]4, et au § 3, les données et informations traitées dans les banques de données de base relatives aux infractions visées à l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique sont accessibles durant cinq ans à partir de leur enregistrement.
   § 6. Les données et informations traitées dans les banques de données de base relatives à la gestion des enquêtes menées dans le cadre d'une information au sens de l'article 28bis du Code d'instruction criminelle ou d'une instruction judiciaire au sens de l'article 56 du Code d'instruction criminelle pour laquelle des devoirs d'enquête ont été prescrits à la police sont disponibles durant trente ans à partir du moment où la fin de l'enquête a été communiquée par le magistrat compétent à la police.
   Le procureur général compétent peut, dans des circonstances exceptionnelles, décider de manière motivée qu'à l'échéance de ce délai toute ou partie des données d'une enquête contenue dans une banque de données de base relative aux enquêtes doivent être conservées pendant une nouvelle période renouvelable de maximum dix ans.]2

   § 7. Sans préjudice de la loi du 24 juin 1955 relatives aux archives, les données à caractère personnel et les informations sont effacées, après l'écoulement des délais visés au présent article.]1

  [4 § 8. Tous les traitements réalisés dans les banques de données de base font l'objet d'une journalisation qui est conservée pendant quinze ans à partir du traitement réalisé dans les banques de données de base. Le responsable du traitement peut, si nécessaire, prolonger ce délai de maximum quinze ans.]4
  
Onderafdeling 7. [1 Bijzondere gegevensbanken]1
Sous-section 7. [1 Les banques de données particulières]1
Art. 44/11/3. [1 § 1. [4 In specifieke omstandigheden kunnen de korpschefs, de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de directeurs, voor bijzondere behoeften, bijzondere gegevensbanken oprichten waarvoor ze de verwerkingsverantwoordelijke zijn, teneinde de erin vervatte gegevens verder te verwerken in het kader van de uitoefening van hun opdrachten en doeleinden van bestuurlijke en gerechtelijke politie.
   De categorieën van gegevens bedoeld in artikel 44/5 mogen eveneens verwerkt worden in de bijzondere gegevensbanken voor zover de verwerking toereikend, terzake dienend en niet overmatig van aard is.]4

   § 2. De oprichting van een bijzondere gegevensbank wordt door minstens een van de volgende bijzondere behoeften verantwoord :
   a) de noodzaak om persoonsgegevens en informatie te classificeren in de zin van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
   b) de technische of functionele onmogelijkheid om de A.N.G. te voeden met alle of een gedeelte van de in deze gegevensbanken verwerkte persoonsgegevens en informatie;
   c) het niet ter zake dienend of overmatige karakter van de centralisering van alle of een gedeelte van de persoonsgegevens of de informatie in de A.N.G., in het kader van de uitoefening van de opdrachten van bestuurlijke politie en van gerechtelijke politie.
   § 3. [4 De verwerkingsverantwoordelijke duidt de opdrachten en doeleinden, die de creatie van een bijzondere gegevensbank verantwoorden, aan.
   Het Controleorgaan wordt, via het unieke register van de verwerkingsactiviteiten van de politiediensten bedoeld in artikel 145 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, actief op de hoogte gebracht van de aanmaak of van wijzigingen in dat register met betrekking tot een bijzondere gegevensbank.]4

   § 4. [4 nverminderd de registratie of de archivering van de gegevens in overeenstemming met de artiklen 44/2, § 1, tweede lid, 1°, en 44/10, worden deze gegevens en de bijzondere gegevensbanken gewist van zodra de in § 1 bedoelde bijzondere behoeften verdwijnen.
   De logbestanden van de verwerkingen worden bewaard gedurende minimum tien jaar. De verwerkingsverantwoordelijke kan, indien nodig, bij een gemotiveerde beslissing en na evaluatie deze termijn verlengen met een maximale periode van twintig jaar.]4

   § 5. [4 ...]4]1

  
Art. 44/11/3. [1 § 1er. [4 Dans des circonstances spécifiques, les chefs de corps, le commissaire général, les directeurs généraux et les directeurs peuvent créer, pour des besoins particuliers, des banques de données particulières dont ils sont responsables du traitement, dans le but de traiter les données qu'elles contiennent dans le cadre de l'exercice de leurs missions et finalités de police administrative et judiciaire.
   Les catégories de données visées à l'article 44/5 peuvent également être traitées dans des banques de données particulières pour autant que ce traitement soit adéquat, pertinent et non excessif.]4

   § 2. La création d'une banque de données particulière est motivée par au moins un des besoins particuliers suivants :
   a) la nécessité de classifier des données à caractère personnel ou informations au sens de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité;
   b) l'impossibilité technique ou fonctionnelle d'alimenter la B.N.G. de tout ou partie des données à caractère personnel et informations traitées dans ces banques de données;
   c) le caractère non pertinent ou excessif de la centralisation dans la B.N.G. de tout ou partie des données à caractère personnel ou des informations, dans le cadre de l'exercice des missions de police administrative et de police judiciaire.
   § 3. [4 Le responsable du traitement rend compte des missions et finalités qui justifient la création d'une banque de données particulière.
   L'Organe de contrôle est averti activement, via le registre unique des activités de traitement des services de police visé à l'article 145 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, de la création ou de modifications dans ce registre relatives à une banque de données particulière.]4

   § 4. [4 Sans préjudice de l'enregistrement ou de l'archivage des données conformément aux articles 44/2, § 1er, alinéa 2, 1°, et 44/10, ces données et les banques de données particulières sont supprimées dès que les besoins particuliers visés au § 1er disparaissent.
   La journalisation des traitements est conservée pendant au minimum dix ans. Le responsable du traitement peut, si nécessaire, après évaluation et de manière motivée, prolonger ce délai de maximum vingt ans.]4

   § 5. [4 ...]4]1

  
Onderafdeling 7bis.
Sous-section 7bis.
Onderafdeling 7ter. [1 - Technische gegevensbanken]1
Sous-section 7ter. [1 - Des banques de données techniques]1
Art. 44/11/3sexies. [1 § 1. Voor de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie kunnen de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, gezamenlijk indien het gaat om middelen gewijd aan de verwezenlijking van doeleinden van bestuurlijke en gerechtelijke politie, of elk afzonderlijk indien het gaat om exclusieve doeleinden, technische gegevensbanken creëren zoals bedoeld in artikel 44/2, § 3, waarvan zij de verantwoordelijke(n) voor de verwerking worden.
   Voor de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie kan de korpschef van een lokale politiezone technische gegevensbanken zoals bedoeld in artikel 44/2, § 3, creëren, waarvan hij de verantwoordelijke voor de verwerking wordt.
   § 2. De in de lokale technische gegevensbanken vervatte persoonsgegevens en informatie worden doorgezonden aan de overeenstemmende nationale technische gegevensbank.]1

  
Art. 44/11/3sexies. [1 § 1er. Pour l'exercice des missions de police administrative et de police judiciaire, les ministres de l'Intérieur et de la Justice peuvent conjointement s'il s'agit de moyens dédiés à la réalisation de finalités de police administrative et de police judiciaire, ou chacun séparément s'il s'agit de finalités exclusives, créer des banques de données techniques telles que visées à l'article 44/2, § 3, dont ils deviennent le ou les responsables du traitement.
   Pour l'exercice des missions de police administrative et de police judiciaire, le chef de corps d'une zone de police locale peut créer des banques de données techniques telles que visées à l'article 44/2, § 3, dont il devient le responsable du traitement.
   § 2. Les données à caractère personnel et informations contenues dans les banques de données techniques locales sont transmises à la banque de données technique nationale correspondante.]1

  
Art. 44/11/3septies. [1 De opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie die het gebruik van een technische gegevensbank rechtvaardigen, zijn de volgende :
   1° de hulp bij de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke politie betreffende :
   a) het opsporen en de vervolging van wanbedrijven en misdaden, met inbegrip van de uitvoering van straffen of vrijheidsbeperkende maatregelen;
   b) de inbreuken betreffende de politie over het wegverkeer, met toepassing van artikel 62 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer;
   c) het opsporen van personen van wie de verdwijning onrustwekkend is, wanneer er ernstige vermoedens of aanwijzingen bestaan dat de fysieke integriteit van de vermiste persoon in onmiddellijk gevaar is;
   2° de hulp bij de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke politie voor de categorieën van personen bedoeld in artikel 44/5, § 1, eerste lid, [2 2° tot 5° en 7°]2 ; wat artikel 44/5, § 1, eerste lid, 5°, betreft, kan dat alleen betrekking hebben op de categorieën van personen bedoeld in de artikelen 18, 19 en 20.]1

  
Art. 44/11/3septies. [1 Les missions de police administrative ou de police judiciaire qui justifient le recours à une banque de données technique sont les suivantes :
   1° l'aide à l'exécution des missions de police judiciaire relatives :
   a) à la recherche et la poursuite des délits et des crimes, en ce compris l'exécution des peines ou des mesures limitatives de liberté;
   b) aux infractions relatives à la police de circulation routière, en application de l'article 62 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière;
   c) à la recherche des personnes dont la disparition est inquiétante, lorsqu'il existe des présomptions ou indices sérieux que l'intégrité physique de la personne disparue se trouve en danger imminent;
   2° l'aide à l'exécution des missions de police administrative pour les catégories de personnes visées à l'article 44/5, § 1er, alinéa 1er, [2 2° à 5° et 7°]2 ; en ce qui concerne l'article 44/5, § 1er, alinéa 1er, 5°, cela ne peut concerner que les catégories de personnes visées aux articles 18, 19 et 20.]1

  
Art. 44/11/3octies. [1 De verantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in artikel 44/11/3sexies, legt, voorafgaand aan de oprichting ervan, het ontwerp van oprichting van de technische gegevensbank, haar doeleinden en haar verwerkingsmodaliteiten voor advies voor aan de functionaris voor gegevensbescherming.
   Deze adviesaanvraag wordt vergezeld door een impact- en risicoanalyse op het vlak van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en op operationeel niveau, met name wat de categorieën van verwerkte persoonsgegevens betreft, de proportionaliteit van de aangewende middelen, de te bereiken operationele doelstellingen en de bewaartermijn van de gegevens die nodig is om deze doelstellingen te bereiken.
   De functionaris voor gegevensbescherming verstrekt een advies binnen de dertig dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag.
   In het geval waarin de functionaris voor gegevensbescherming aanbevelingen uitvaardigt met betrekking tot de technische gegevensbank en de verantwoordelijke voor de verwerking geen gevolg geeft aan deze aanbevelingen, zendt de functionaris voor gegevensbescherming zijn analyse over aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens.]1

  
Art. 44/11/3octies. [1 Préalablement à sa création, le responsable du traitement visé à l'article 44/11/3sexies soumet à l'avis du délégué à la protection des données le projet de création de la banque de données technique, ses finalités et ses modalités de traitement.
   Cette demande d'avis est accompagnée d'une analyse d'impact et de risques au niveau de la protection de la vie privée et au niveau opérationnel, notamment quant aux catégories de données à caractère personnel traitées, à la proportionnalité des moyens mis en oeuvre, aux objectifs opérationnels à atteindre et à la durée de conservation des données nécessaire pour atteindre ces objectifs.
   Le délégué à la protection des données émet un avis dans les trente jours à partir de la réception de la demande.
   Dans le cas où le délégué à la protection des données émet des recommandations concernant la banque de données technique, et où le responsable du traitement ne donne pas suite à ces recommandations, le délégué à la protection de données transmet son analyse à l'autorité compétente de contrôle des traitements de données à caractère personnel.]1

  
Art. 44/11/3novies. [1 Alle verwerkingen die in de technische gegevensbanken werden uitgevoerd, worden opgenomen in een logging die gedurende tien jaar vanaf de verwerking in de technische gegevensbanken wordt bewaard.]1
  
Art. 44/11/3novies. [1 Tous les traitements réalisés dans les banques de données techniques font l'objet d'une journalisation conservée pendant dix ans à partir du traitement réalisé dans les banques de données techniques.]1
  
Art. 44/11/3decies. [1 § 1. De technische gegevensbanken die werden gecreëerd naar aanleiding van het gebruik van intelligente camera's voor de automatische nummerplaatherkenning of van intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning bevatten de volgende gegevens, indien zij verschijnen op de beelden van de camera's :
   1° de datum, het tijdstip en de precieze plaats van langsrijden van de nummerplaat,
   2° de kenmerken van het voertuig dat verbonden is aan deze nummerplaat,
   3° een foto van de nummerplaat aan de voorkant van het voertuig en in voorkomend geval, aan de achterkant,
   4° een foto van het voertuig,
   5° in voorkomend geval, een foto van de bestuurder en van de passagiers,
   6° de logginggegevens van de verwerkingen.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde persoonsgegevens en informatie kunnen worden bewaard voor een duur van niet meer dan twaalf maanden, te rekenen vanaf de registratie ervan.
   Zodra deze gegevens voldoen aan de voorwaarden om een gegevensbank bedoeld in artikel 44/2 § 1, 1° en 2°, te voeden, worden zij hierin gekopieerd en bewaard, na manuele validatie binnen een termijn van één maand nadat deze voorwaarden zijn voldaan.
   § 3. De verwerking van de persoonsgegevens en informatie bedoeld in paragraaf 1, voor gerichte opsporingen in het kader van de opdrachten van bestuurlijke politie, met inachtneming van de doeleinden bedoeld in artikel 44/11/3septies, is toegestaan gedurende een periode van één maand te rekenen vanaf de registratie ervan, op voorwaarde dat zij gemotiveerd wordt op operationeel vlak en noodzakelijk voor de uitoefening van een precieze opdracht. De beslissing wordt genomen door een directeur of de door hem aangewezen officieren van bestuurlijke politie, wanneer het gaat om een dienst die deel uitmaakt van de federale politie, hetzij door de korpschef of de door hem aangewezen officieren van bestuurlijke politie, wanneer het gaat om een politiezone.
   De verwerking van de persoonsgegevens en informatie bedoeld in paragraaf 1 voor gerichte opsporingen in het kader van de opdrachten van gerechtelijke politie, met inachtneming van de doeleinden bedoeld in artikel 44/11/3septies, is toegestaan gedurende de hele bewaringsperiode van de gegevens, op voorwaarde dat deze gemotiveerd wordt op operationeel vlak en noodzakelijk voor de uitoefening van een precieze opdracht. De beslissing wordt genomen door een directeur of de door hem aangewezen officieren van gerechtelijke politie, wanneer het gaat om een dienst die deel uitmaakt van de federale politie, hetzij door de korpschef of de door hem aangewezen officieren van gerechtelijke politie, wanneer het gaat om een politiezone, hetzij door de procureur des Konings. Na de eerste maand van bewaring, wordt de beslissing genomen door de procureur des Konings en ze kan enkel betrekking hebben op strafbare feiten die een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben.
   § 4. Met inachtneming van de doeleinden bedoeld in artikel 44/11/3septies, kunnen de persoonsgegevens en informatie bedoeld in paragraaf 1 in correlatie worden gebracht met :
   1° lijsten waartoe de politiediensten wettelijk toegang hebben of uittreksels van nationale of internationale politionele gegevensbanken waartoe de politiediensten toegang hebben door of krachtens de wet of internationale verdragen die België binden;
   2° vooraf bepaalde beoordelingscriteria.
   De inhoud van de lijsten of de uittreksels van de gegevensbanken bedoeld in het eerste lid, 1°, die gebruikt worden voor een correlatie, is onderworpen aan de toelating van :
   1° voor de opdrachten van bestuurlijke politie : hetzij een directeur of de door hem aangewezen officieren van bestuurlijke politie, wanneer het gaat om een dienst die deel uitmaakt van de federale politie, hetzij de korpschef of de door hem aangewezen officieren van bestuurlijke politie, wanneer het gaat om een politiezone;
   2° voor de opdrachten van gerechtelijke politie : hetzij een directeur of de door hem aangewezen officieren van gerechtelijke politie, wanneer het gaat om een dienst die deel uitmaakt van de federale politie, hetzij de korpschef of de door hem aangewezen officieren van gerechtelijke politie, wanneer het gaat om een politiezone, hetzij door de procureur des Konings.
   De beoordelingscriteria bedoeld in het eerste lid, 2°, worden opgesteld na goedkeuring van de functionaris voor gegevensbescherming, mogen niet gericht zijn op de identificatie van een individu en moeten doelgericht, evenredig en specifiek zijn. Zij mogen niet gebaseerd zijn op gegevens die de raciale of etnische oorsprong van een persoon, zijn religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, zijn politieke opvattingen, zijn vakbondslidmaatschap, zijn gezondheidstoestand, zijn seksleven of zijn seksuele geaardheid onthullen.
   De lijsten of uittreksels van gegevensbanken of de vooraf bepaalde beoordelingscriteria die in correlatie moeten worden gebracht met de persoonsgegevens en informatie bedoeld in paragraaf 1 kunnen worden voorbereid met als doel deze correlatie in real time tot stand te brengen, op het moment van de verzameling van de gegevens door de intelligente camera's of de intelligente systemen voor de automatische nummerplaatherkenning, of na registratie van de gegevens.
   Wanneer de correlatie bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, wordt gerealiseerd in het kader van de uitoefening van de opdrachten van bestuurlijke politie, kan het slechts plaatsvinden :
   1° in real time of tijdens een periode van één maand te rekenen vanaf de registratie van de gegevens;
   2° na kennisgeving aan het Controleorgaan, wanneer het gaat om een correlatie met lijsten of uittreksels van gegevensbanken bedoeld in het eerste lid, 1°.
   Wanneer de correlatie bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, wordt gerealiseerd in het kader van de uitoefening van de opdrachten van gerechtelijke politie, kan het plaatsvinden in real time of tijdens de hele bewaringsduur van de gegevens. Na de eerste bewaarmaand, kan het slechts plaatsvinden mits toestemming van de procureur des Konings en het kan enkel betrekking hebben op strafbare feiten die een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben.]1

  
Art. 44/11/3decies. [1 § 1er. Les banques de données techniques créées suite à l'utilisation de caméras intelligentes de reconnaissance automatique de plaques d'immatriculation ou de systèmes intelligents de reconnaissance automatique de plaques d'immatriculation contiennent les données suivantes, si elles apparaissent sur les images des caméras :
   1° la date, le moment et l'endroit précis du passage de la plaque d'immatriculation,
   2° les caractéristiques du véhicule lié à cette plaque,
   3° une photo de la plaque d'immatriculation à l'avant du véhicule et le cas échéant, à l'arrière,
   4° une photo du véhicule,
   5° le cas échéant, une photo du conducteur et des passagers,
   6° les données de journalisation des traitements.
   § 2. Les données à caractère personnel et informations visées au paragraphe 1er peuvent être conservées pour une durée n'excédant pas douze mois à compter de leur enregistrement.
   Dès que ces données entrent dans les conditions pour alimenter une banque de données visée à l'article 44/2 § 1er, 1° et 2°, elles y sont copiées et conservées, après validation manuelle dans un délai d'un mois après la réunion de ces conditions.
   § 3. Le traitement des données à caractère personnel et informations visées au paragraphe 1er, pour des recherches ponctuelles dans le cadre des missions de police administrative, dans le respect des finalités visées à l'article 44/11/3septies, est autorisé pendant une période d'un mois à compter de leur enregistrement, à condition qu'il soit motivé sur le plan opérationnel et nécessaire pour l'exercice d'une mission précise. La décision est prise soit par un directeur ou les officiers de police administrative qu'il désigne, lorsqu'il s'agit d'un service qui appartient à la police fédérale, soit par le chef de corps ou les officiers de police administrative qu'il désigne, lorsqu'il s'agit d'une zone de police.
   Le traitement des données à caractère personnel et informations visées au paragraphe 1er pour des recherches ponctuelles dans le cadre des missions de police judiciaire, dans le respect des finalités visées à l'article 44/11/3septies, est autorisé pendant toute la période de conservation des données, à condition qu'il soit motivé sur le plan opérationnel et nécessaire pour l'exercice d'une mission précise. La décision est prise soit par un directeur ou les officiers de police judiciaire qu'il désigne, lorsqu'il s'agit d'un service qui appartient à la police fédérale, soit par le chef de corps ou les officiers de police judiciaire qu'il désigne, lorsqu'il s'agit d'une zone de police, soit par le procureur du Roi. Après le premier mois de conservation, la décision est prise par le procureur du Roi et ne peut concerner que des infractions de nature à entraîner un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou une peine plus lourde.
   § 4. Dans le respect des finalités visées à l'article 44/11/3septies, les données à caractère personnel et informations visées au paragraphe 1er peuvent être mises en corrélation avec :
   1° des listes auxquelles les services de police ont légalement accès ou des extraits de banques de données policières nationales ou internationales auxquelles les services de police ont accès par ou en vertu de la loi ou de traités internationaux liant la Belgique;
   2° des critères d'évaluation préétablis.
   Le contenu des listes ou des extraits de banques de données visés à l'alinéa 1er, 1°, utilisés en vue d'une corrélation, est soumis à l'autorisation :
   1° pour les missions police administrative : soit d'un directeur ou des officiers de police administrative qu'il désigne, lorsqu'il s'agit d'un service qui appartient à la police fédérale, soit du chef de corps ou des officiers de police administrative qu'il désigne, lorsqu'il s'agit d'une zone de police;
   2° pour les missions de police judiciaire : soit d'un directeur ou des officiers de police judiciaire qu'il désigne, lorsqu'il s'agit d'un service qui appartient à la police fédérale, soit du chef de corps ou des officiers de police judiciaire qu'il désigne, lorsqu'il s'agit d'une zone de police, soit par le procureur du Roi.
   Les critères d'évaluation visés à l'alinéa 1er, 2°, sont établis après approbation du délégué à la protection des données, ne peuvent viser l'identification d'un individu et doivent être ciblés, proportionnés et spécifiques. Ils ne peuvent être fondés sur des données qui révèlent l'origine raciale ou ethnique d'une personne, ses convictions religieuses ou philosophiques, ses opinions politiques, son appartenance à une organisation syndicale, son état de santé, sa vie ou son orientation sexuelle.
   Les listes ou extraits de banques de données, ou les critères d'évaluation préétablis à mettre en corrélation avec les données à caractère personnel et informations visées au paragraphe 1er peuvent être préparés dans le but de réaliser cette corrélation en temps réel, au moment de la collecte des données par les caméras intelligentes ou les systèmes intelligents de reconnaissance automatique de plaques d'immatriculation, ou après enregistrement des données.
   Lorsque la corrélation visée à l'alinéa 1er, 1° et 2°, est réalisée dans le cadre de l'exercice des missions de police administrative, elle ne peut avoir lieu :
   1° qu'en temps réel ou pendant une période d'un mois à partir de l'enregistrement des données;
   2° qu'après notification à l 'Organe de contrôle, lorsqu'il s'agit d'une corrélation avec des listes ou extraits de banques de données visées à l'alinéa 1er, 1°.
   Lorsque la corrélation visée à l'alinéa 1er, 1° et 2°, est réalisée dans le cadre de l'exercice des missions de police judiciaire, elle peut avoir lieu en temps réel ou pendant toute la durée de conservation des données. Après le premier mois de conservation, elle ne peut avoir lieu que moyennant l'autorisation du procureur du Roi et ne peut concerner que des infractions de nature à entraîner un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou une peine plus lourde.]1

  
Onderafdeling 8. [1 De mededeling van gegevens en de toegang tot de A.N.G.]1
Sous-section 8. - [1 La communication des données et l'accès à la B.N.G.]1
Art. 44/11/4. [1 § 1. Onder "mededeling van gegevens en informatie" wordt verstaan, het doorzenden, met welk middel ook, van persoonsgegevens bedoeld in artikel 44/1, met inbegrip van deze vervat in de in artikel 44/2 bedoelde gegevensbanken.
   § 2. Onder "rechtstreekse toegang" wordt een geautomatiseerde verbinding met de A.N.G. verstaan die het mogelijk maakt toegang te hebben tot de erin vervatte gegevens.
   § 3. Onder "rechtstreekse bevraging" wordt een beperkte rechtstreekse toegang tot alle of een gedeelte van de volgende gegevens verstaan :
   a) het bestaan van gegevens over een persoon met toepassing van de artikelen 44/5, § 1, eerste lid, 2° tot 6°, en § 3, 1° tot 9° ;
   b) de door de politie weerhouden kwalificatie betreffende de feiten waarvoor de persoon geregistreerd werd;
   c) de noodzakelijke gegevens om meer informatie te bekomen vanwege de bevoegde overheid;
   d) de gegevens met betrekking tot de te nemen maatregelen voor de in punt a) bedoelde personen.]1

  
Art. 44/11/4. [1 § 1er. Par "communication de données et information", il faut entendre, la transmission par quelque support que ce soit de données à caractère personnel visées à l'article 44/1 y compris celles incluses dans les banques de données visées à l'article 44/2.
   § 2. Par "accès direct", il faut entendre une liaison automatisée à la B.N.G. permettant un accès aux données contenues dans celle-ci.
   § 3. Par "interrogation directe", il faut entendre un accès direct limité à tout ou partie des données suivantes :
   a) l'existence de données sur une personne en application de l'article 44/5, § 1er, alinéa 1er, 2° à 6°, et § 3, 1° à 9° ;
   b) la qualification retenue par la police concernant les faits pour lesquels la personne est enregistrée;
   c) les données nécessaires pour obtenir plus d'informations auprès de l'autorité compétente;
   d) les données relatives aux mesures à prendre pour les personnes visées au point a).]1

  
Art. 44/11/5. [1 § 1. De mededeling, de rechtstreekse toegang en de rechtstreekse bevraging gebeuren onverminderd de artikelen 44/1, §§ 3 en 4 en 44/8.
   § 2. De Koning kan de algemene nadere regels bepalen met betrekking tot de veiligheidsmaatregelen en de duur van de bewaring van de gegevens en informatie die verkregen werden of waar een toegang toe verschaft werd met toepassing van deze onderafdeling.]1

  
Art. 44/11/5. [1 § 1er. La communication, l'accès direct et l'interrogation directe s'effectuent sans préjudice des articles 44/1, §§ 3 et 4, et 44/8.
   § 2. Le Roi peut déterminer les modalités générales relatives aux mesures de sécurité et à la durée de conservation des données et informations qui ont été reçues ou auxquelles il a été accédé en application de la présente sous-section.]1

  
Art. 44/11/6. [1 De in artikelen 44/11/7, 44/11/10 en 44/11/13 bedoelde overzending van gerechtelijke informatie wordt onderworpen aan de toelating van de bevoegde gerechtelijke overheid [2 behalve de in de in hoofdstuk I/1 van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering, bedoelde gevallen]2 .]1
  
Art. 44/11/6. [1 La transmission d'informations judiciaires visée aux articles 44/11/7, 44/11/10 et 44/11/13, est soumise à l'autorisation de l'autorité judiciaire compétente [2 sauf dans les cas visés au chapitre Ier/1er de la loi du 9 décembre 2004 sur l'entraide judiciaire internationale en matière pénale et modifiant l'article 90ter du Code d'instruction criminelle]2 .]1
  
Art. 44/11/7. [1 De persoonsgegevens en informatie worden meegedeeld aan de bevoegde gerechtelijke overheden of overheden van bestuurlijke politie om hen toe te laten hun wettelijke opdrachten uit te oefenen.]1
  
Art. 44/11/7. [1 Les données à caractère personnel et informations sont communiquées aux autorités judiciaires ou aux autorités de police administrative compétentes pour leur permettre d'exercer leurs missions légales.]1
  
Art. 44/11/7bis. [1 De persoonsgegevens en informatie worden meegedeeld aan de Directie Integriteits-beoordeling voor Openbare Besturen bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet van 15 januari 2024 betreffende de gemeentelijke bestuurlijke handhaving, de instelling van een gemeentelijk integriteitsonderzoek en houdende oprichting van een Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen, om deze toe te laten haar wettelijke opdrachten uit te oefenen.]1
  
Art. 44/11/7bis. [1 Les données à caractère personnel et informations sont communiquées à la Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics, visée à l'article 2, 2°, de la loi du 15 janvier 2024 relative à l'approche administrative communale, à la mise en place d'une enquête d'intégrité communale et portant création d'une Direction chargée de l'Evaluation de l'Intégrité pour les Pouvoirs publics, afin de lui permettre d'exercer ses missions légales.]1
  
Art. 44/11/8. [1 De persoonsgegevens en de informatie kunnen ook worden meegedeeld aan het Vast Comité P en aan de Dienst Enquêtes ervan, aan het Vast Comité I en aan de Dienst Enquêtes ervan, aan het Controleorgaan [2 , aan de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie]2 [3 ...]3 om hen toe te laten hun wettelijke opdrachten uit te oefenen.]1
  
Art. 44/11/8. [1 Les données à caractère personnel et les informations peuvent aussi être communiquées au Comité permanent P et à son Service d'enquêtes, au Comité Permanent R et à son Service d'enquêtes, à l'Organe de contrôle [2 , à l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale]2 [3 ...]3 pour leur permettre d'exercer leurs missions légales.]1
  
Art. 44/11/8bis. [1 Overeenkomstig de nadere regels vastgelegd in de richtlijnen van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie, elk in het kader van hun bevoegdheden, kunnen de persoonsgegevens en de informatie ook worden meegedeeld aan het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse en aan de veiligheidsdiensten, onverminderd artikel 14 van de organieke wet van 30 november 1998 betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, om hen toe te laten hun wettelijke opdrachten uit te oefenen.
   De nadere regels voor mededeling aan de politie van de gegevens van de veiligheidsdiensten zijn bepaald in een juridisch instrument waarvan de datum van inwerkingtreding simultaan is aan die van de rechtstreekse toegang van de inlichtingen en veiligheidsdiensten tot de A.N.G.]1

  
Art. 44/11/8bis. [1 Selon les modalités déterminées par les directives des ministres de l'Intérieur et de la Justice, chacun dans le cadre de ses compétences, les données à caractère personnel et les informations peuvent aussi être communiquées à l'Organe pour la coordination de l'analyse de la menace et aux services de renseignement et de sécurité, sans préjudice de l'article 14 de la loi organique du 30 novembre 1998 des services de renseignement et de sécurité, pour leur permettre d'exercer leurs missions légales.
   Les modalités de communication vers la police des données des services de renseignement sont déterminées dans un instrument juridique dont la date d'entrée en vigueur est simultanée à celle de l'accès direct des services de renseignement et de sécurité à la B.N.G.]1

  
Art. 44/11/9. [1 § 1. Om hen toe te laten hun wettelijke opdrachten uit te oefenen, kunnen de persoonsgegevens en de informatie, volgens de bij richtlijnen van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, elk binnen het kader van zijn bevoegdheden, bepaalde nadere regels ook meegedeeld worden aan de volgende organen en diensten :
   [3 1° de Cel voor financiële informatieverwerking;
   2° de Dienst Vreemdelingenzaken;
   3° de onderzoeks- en opsporingsdiensten en de administratie toezicht, controle en vaststellingen van de Algemene Administratie der douane en accijnzen.]3

   § 2. [3 Overeenkomstig de nadere regels vastgelegd in de richtlijnen van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie, elk in het kader van hun bevoegdheden, kunnen ze eveneens meegedeeld worden aan de Belgische openbare overheden, publieke organen of instellingen of instellingen van openbaar nut die door de wet belast zijn met de toepassing van de strafwet of die wettelijke verplichtingen inzake de openbare veiligheid hebben, wanneer deze ze nodig hebben voor de uitoefening van hun wettelijke opdrachten.
   De lijst van deze overheden, organen of instellingen wordt vastgesteld door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie op basis van een voorstel van het Comité Informatie en ICT bedoeld in artikel 8sexies van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. Het advies van het Controleorgaan met betrekking tot dit voorstel wordt gevraagd.]3

   § 3. De herhaalde of volumineuze mededeling van persoonsgegevens of informatie maakt het voorwerp uit van een protocolakkoord tussen de diensten, organisaties, instellingen of overheden die bestemmeling zijn van deze gegevens of informatie en de [3 verwerkingsverantwoordelijke]3.
   Dit protocol heeft minstens betrekking op de veiligheidsmaatregelen in verband met deze mededeling en op de duur van de bewaring van deze gegevens en informatie.
   § 4. Onverminderd de op hen van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en zonder dat dit de uitoefening van hun opdrachten in gevaar zou kunnen brengen, delen de in §§ 1 en 2 bedoelde overheden, diensten, organen, organisaties of instellingen aan de politiediensten de gegevens en informatie mee die zij in het kader van hun opdrachten verwerken en die toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn in het licht van het waarborgen van de uitoefening van de politieopdrachten.
   De nadere regels betreffende deze mededeling worden nader bepaald in een door de betrokken ministers goedgekeurd protocolakkoord.]1

  
Art. 44/11/9. [1 § 1er. Selon les modalités déterminées par les directives des ministres de l'Intérieur et de la Justice, chacun dans le cadre de ses compétences, les données à caractère personnel et les informations peuvent également être communiquées aux organes et services suivants pour leur permettre d'exercer leurs missions légales :
   [3 1° la Cellule de traitement des informations financières;
   2° l'Office des étrangers;
   3° les services d'enquête et recherche et l'administration surveillance, contrôle et constatation de l'Administration générale des douanes et accises.]3

   § 2. [3 Selon les modalités déterminées par les directives des ministres de l'Intérieur et de la Justice, chacun dans le cadre de ses compétences, elles peuvent également être communiquées aux autorités publiques belges, organes ou organismes publics ou d'intérêt public chargés par la loi de l'application de la loi pénale ou qui ont des missions légales de sécurité publique lorsque ceux-ci en ont besoin pour l'exécution de leurs missions légales.
   La liste de ces autorités, organes ou organismes est arrêtée par les ministres de l'Intérieur et de la Justice sur la base d'une proposition du Comité information et ICT visé à l'article 8sexies de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux. L'avis de l'Organe de Contrôle concernant cette proposition est sollicité.]3

   § 3. La communication récurrente ou volumineuse de données à caractère personnel ou informations fait l'objet d'un protocole d'accord entre les services, organisations, organismes ou autorités destinataires de ces données ou informations et le [3 responsable du traitement]3.
   Ce protocole porte au moins sur les mesures de sécurité en relation avec cette communication et la durée de conservation de ces données et informations.
   § 4. Sans préjudice des dispositions légales qui leur sont applicables et sans que cela puisse mettre en péril l'exercice de leurs missions, les autorités, services, organes, organisations ou organismes visés aux §§ 1er et 2 communiquent aux services de police les données et informations qu'ils traitent dans le cadre de leurs missions et qui sont adéquates, pertinentes et non excessives en vue d'assurer l'exécution des missions de la police."
   Les modalités de cette communication sont précisées dans un protocole d'accord approuvé par les ministres concernés.]1

  
Art. 44/11/9bis. [1 Wanneer de leden van de politiediensten in het kader van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie moeten samenwerken met de gezondheids-, hulp- en/of reddingsdiensten, kunnen zij persoonsgegevens en informatie meedelen voor zover deze toereikend, ter zake dienend en strikt noodzakelijk zijn om de leden van de gezondheids-, hulp- en/of reddingsdiensten in staat te stellen hun taken in optimale veiligheidsomstandigheden uit te voeren en om de veiligheid en de psychische en fysieke integriteit te waarborgen van eenieder bij de uitvoering van die taken.]1
  
Art. 44/11/9bis. [1 Lorsque dans leurs missions de police administrative ou de police judiciaire, les membres des services de police sont appelés à coopérer avec les services de la santé, d'urgence et/ou de secours, ils peuvent communiquer des données à caractère personnel et des informations pour autant qu'elles soient adéquates, pertinentes et strictement nécessaires pour permettre aux membres des services de la de santé, d'urgence et/ou de secours, d'effectuer leurs missions dans des conditions de sécurité optimales et d'assurer la sécurité et l'intégrité psychologique et physique de toute personne dans l'exercice de ces fonctions.]1
  
Art. 44/11/10. [1 De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [2 het Controleorgaan]2, aan welke instellingen of personen de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor het vervullen van de hen door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie toevertrouwde opdrachten van openbaar nut die aan wetenschappelijk onderzoek verbonden zijn, kunnen meegedeeld worden. Hij bepaalt tevens de nadere regels van deze mededeling.]1
  
Art. 44/11/10. [1 Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, après avis de [2 l'Organe de contrôle]2, à quels organismes ou personnes, les données à caractère personnel qui sont nécessaires à l'accomplissement de tâches d'intérêt général liées à la recherche scientifique qui leur sont confiées par ou en vertu d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance peuvent être communiquées, ainsi que les modalités de cette communication.]1
  
Art. 44/11/11. [1 Onverminderd artikel 13, § 3 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [2 het Controleorgaan]2, de persoonsgegevens en informatie die kunnen meegedeeld worden aan Bpost met het oog op de administratieve behandeling van de onmiddellijke inningen evenals de nadere regels van deze mededeling.]1
  
Art. 44/11/11. [1 Sans préjudice de l'article 13, § 3, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres après avis de [2 l'Organe de contrôle]2, les données à caractère personnel et les informations qui peuvent être communiquées à Bpost en vue du traitement administratif des perceptions immédiates, ainsi que les modalités de cette communication.]1
  
Art. 44/11/12. [1 § 1. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van [3 het Controleorgaan]3 :
   1° de nadere regels van de rechtstreekse toegang tot de in de A.N.G. vervatte persoonsgegevens en informatie voor de overheden bedoeld [3 in artikelen 44/11/7, 44/11/8 en 44/11/8bis]3 in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
   2° de nadere regels van de rechtstreekse bevraging van de A.N.G. voor de overheden bedoeld in artikel 44/11/9 in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten.
   § 2. De nadere regels van de rechtstreekse bevraging of van de rechtstreekse toegang, bedoeld in dit artikel hebben minstens betrekking op :
   a) de behoefte om te kennen;
   b) de categorieën van personeelsleden die op basis van de uitoefening van hun opdrachten over een rechtstreekse toegang beschikken of over een mogelijkheid beschikken om de A.N.G. rechtstreeks te bevragen;
   c) de geautomatiseerde verwerkingen die uitgevoerd worden op basis van de gegevens en informatie van de A.N.G.;
   d) de verplichting tot naleving van het beroepsgeheim door alle personen die rechtstreeks of onrechtstreeks kennis nemen van de gegevens en informatie van de A.N.G.;
   e) de veiligheidsmaatregelen, waaronder :
   1° de beveiliging van de gebouwen en netwerken;
   2° de verplichting om alle transacties op te lijsten en deze opgelijste gegevens gedurende minimaal tien jaar te bewaren;
   f) de verplichting om voorafgaand aan het verkrijgen van de rechtstreekse toegang of het recht op rechtstreekse bevraging een opleiding te volgen;]1

  [2 g) de evaluatie van de betrouwbaarheid, de omgeving en de antecedenten van de personeelsleden bedoeld in punt b).]2
  
Art. 44/11/12. [1 § 1er. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après avis de [3 l'Organe de contrôle]3 :
   1° les modalités d'accès direct aux données à caractère personnel et informations contenues dans la B.N.G. pour les autorités visées [3 aux articles 44/11/7, 44/11/8 et 44/11/8bis]3 dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
   2° les modalités d'interrogation directe de la B.N.G. pour les autorités visées à l'article 44/11/9, dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales.
   § 2. Les modalités d'interrogation directe ou d'accès direct, visées au présent article portent au moins sur :
   a) le besoin d'en connaître;
   b) les catégories de membres du personnel qui sur la base de l'exécution de leurs missions disposent d'un accès direct à ou d'une possibilité d'interroger directement la B.N.G.;
   c) les traitements automatisés qui sont effectués sur la base des données et informations de la B.N.G.;
   d) l'obligation du respect du secret professionnel par toutes les personnes qui prennent directement ou indirectement connaissance des données et informations de la B.N.G.;
   e) les mesures de sécurité dont notamment :
   1° la sécurité des infrastructures et des réseaux;
   2° l'obligation de journalisation de toutes les transactions et de conserver ces données de journalisation pendant dix ans minimum;
   f) l'obligation de suivre une formation préalablement à l'obtention de l'accès direct ou du droit à l'interrogation directe;]1

  [2 g) l'évaluation de la fiabilité, du milieu et des antécédents des membres du personnel visés au point b).]2
  
Art. 44/11/13. [1 § 1. De persoonsgegevens en informatie kunnen meegedeeld worden aan de buitenlandse politiediensten, aan de internationale organisaties voor gerechtelijke en politionele samenwerking en aan de internationale rechtshandhavingdiensten onder de voorwaarden bepaald in een internationale rechtsregel die België verbindt of bedoeld in [2 de bepalingen van Titel 2, Hoofdstuk V van de wet gegevensbescherming]2. Wat de politiediensten van de lidstaten van de Europese Unie en Interpol betreft, kunnen de persoonsgegevens en informatie tevens meegedeeld worden onder de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de in Ministerraad, na advies van [2 het Controleorgaan]2, bepaalde voorwaarden.
   § 2. De herhaalde of volumineuze mededeling van persoonsgegevens of informatie aan een in § 1 bedoelde dienst of organisatie is enkel mogelijk onder de voorwaarden die bepaald worden in een internationale rechtsregel die België verbindt of, wat de diensten en organisaties van de Europese Unie of van een van zijn lidstaten en wat Interpol betreft, onder de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de in Ministerraad, bepaalde voorwaarden.
   § 3. Wanneer een overeenkomstig § 1 meegedeeld gegeven niet meer correct blijkt, stellen de politiediensten de bestemmeling op de hoogte en stellen zij alles in het werk om de rechtzetting te bewerkstelligen.
   § 4. Een rechtstreekse toegang tot alle of een gedeelte van de gegevens en informatie van de A.N.G. of een rechtstreekse bevraging van alle of een gedeelte van deze gegevens en informatie wordt enkel toegekend aan een in § 1 bedoelde dienst of organisatie onder de voorwaarden bepaald door een internationale rechtsregel die België verbindt.
   § 5. Dit artikel is van toepassing onverminderd de regels die van toepassing zijn op de gerechtelijke samenwerking in strafzaken.]1

  
Art. 44/11/13. [1 Les données à caractère personnel et les informations peuvent être communiquées aux services de police étrangers, aux organisations internationales de coopération judiciaire et policière et aux services de répression internationaux dans les conditions prévues par une règle de droit international liant la Belgique ou visées [2 aux dispositions du Titre 2, Chapitre V, de la loi relative à la protection des données]2. S'agissant des services de police des Etats membres de l'Union européenne et d'Interpol, les données à caractère personnel et les informations peuvent également être communiquées dans les conditions déterminées par le Roi, après avis de [2 l'Organe de contrôle]2, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
   § 2. La communication récurrente ou volumineuse de données à caractère personnel ou informations vers un service ou organisation visé au § 1er n'est possible que dans les conditions prévues par une règle de droit international liant la Belgique ou, pour les services et organisations de l'Union européenne ou d'un de ses Etats membres et pour Interpol, dans les conditions déterminées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
   § 3. S'il apparaît qu'une donnée qui a été communiquée conformément au § 1er n'est plus exacte, les services de police informent le destinataire et s'efforcent d'obtenir la rectification.
   § 4. Un accès direct à tout ou partie des données et informations de la B.N.G. ou une interrogation directe de tout ou partie de ces données et informations n'est octroyé à un service ou organisation visé au § 1er que dans les conditions visées par une règle de droit international liant la Belgique.
   § 5. Le présent article s'applique sans préjudice des règles applicables à la coopération judiciaire en matière pénale.]1

  
Art. 44/11/14. [1 Voor de toepassing van afdeling 12 betreffende het informatiebeheer, omvat de notie van politiediensten alle leden van het personeel van de politiediensten, inclusief de leden van het administratief en logistiek kader in de zin van artikel 118 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.]1
  
Art. 44/11/14. [1 Pour l'application de la section 12, relative à la gestion de l'information, la notion de services de police comprend tous les membres du personnel des services de police en ce compris les membres du cadre administratif et logistique au sens de l'article 118 de la loi 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux.]1
  
Afdeling 13. [1 - De vorm waarin en de voorwaarden waaronder de opdrachten door de agenten van politie worden vervuld]1
section 13. [1 De la forme et des conditions d'exercice des missions pour les agents de police]1
Art. 44/12. <INGEVOEGD bij W 2006-04-01/38, art. 6; Inwerkingtreding : 10-05-2006> In geval van noodzaak, verlenen de agenten van politie bijstand aan de politieambtenaren, wanneer zij daartoe worden verzocht.
Art. 44/12. En cas de nécessité, les agents de police prêtent assistance aux fonctionnaires de police, lorsqu'ils sont sollicités à cette fin.
Art. 44/13. [1 In het raam van de bijstand voorzien in artikel 44/12 :
   1° voeren de agenten van politie, op bevel en onder de verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie, de doorzoeking van gebouwen en vervoermiddelen bedoeld in artikel 27 en de veiligheidsfouillering en gerechtelijke fouillering bedoeld in artikel 28, uit;
   2° verzekeren de agenten van politie, op bevel en onder de verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie, de bewaking van de personen die van hun vrijheid zijn beroofd in uitvoering van de artikelen 15, 1° en 2°, 31 en 34.]1

  
Art. 44/13. [1 Dans le cadre de l'assistance visée à l'article 44/12, les agents de police :
   1° exécutent, sur ordre et sous la responsabilité d'un officier de police administrative ou judiciaire, des fouilles de bâtiments et de moyens de transport visées à l'article 27 et des fouilles de sécurité et judiciaires visées à l'article 28;
   2° assurent, sur ordre et sous la responsabilité d'un officier de police administrative ou judiciaire, la surveillance des personnes privées de leur liberté en exécution des articles 15, 1° et 2°, 31 et 34.]1

  
Art. 44/14. <INGEVOEGD bij W 2006-04-01/38, art. 6; Inwerkingtreding : 10-05-2006> De in de artikelen 44/12 en 44/13, 1°, bedoelde bijstand wordt, onder de verantwoordelijkheid van de politieambtenaar aan wie de bijstand wordt verleend of van de officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie die er het bevel toe heeft gegeven, door de agenten van politie verleend met naleving van de voorwaarden waaraan deze wet de uitvoering van de opdrachten van een politieambtenaar onderwerpt, in het bijzonder die welke bepaald zijn in de [1 artikelen 1, 37, 37bis en 38]1 wanneer de verleende bijstand een beroep op dwang noodzaakt.
  
Art. 44/14. L'assistance prévue aux articles 44/12 et 44/13, 1°, est prêtée par les agents de police, sous la responsabilité du fonctionnaire de police à qui l'assistance est prêtée ou de l'officier de police administrative ou judiciaire qui en a formulé l'ordre, dans le respect des conditions auxquelles la présente loi soumet l'accomplissement des missions d'un fonctionnaire de police, particulièrement celles prévues aux [1 articles 1er, 37, 37bis et 38]1 lorsque l'assistance prêtée nécessite un recours à la contrainte.
  
Art. 44/15. <INGEVOEGD bij W 2006-04-01/38, art. 6; Inwerkingtreding : 10-05-2006> De agenten van politie kunnen, tot de tussenkomst van een politieambtenaar die zij onmiddellijk op de hoogte brengen, de persoon die een misdaad of een wanbedrijf pleegt of zopas heeft gepleegd, ophouden. Zij kunnen, in dezelfde omstandigheden, een persoon ophouden die wordt vervolgd door het openbaar geroep.
  In dezelfde gevallen kunnen de agenten van politie overgaan tot een veiligheidsfouillering overeenkomstig de nadere regels bedoeld in artikel 28, § 1, tweede lid, wanneer er, omwille van zijn gedraging, van materiële aanwijzingen of van de omstandigheden, redelijke gronden zijn om te geloven dat de opgehouden persoon wapens of voorwerpen bij zich heeft die gevaarlijk zijn voor de openbare orde.
  In dezelfde gevallen kunnen zij het voertuig of het transportmiddel waarvan de in het eerste lid bedoelde persoon vermoedelijk gebruik heeft gemaakt, ophouden tot de tussenkomst van een politieambtenaar die het vervolgens, onder de voorwaarden van artikel 29, kan doorzoeken wanneer zij, op grond van materiële aanwijzingen, redelijke grond hebben om te geloven dat dit voertuig of dit vervoermiddel gediend heeft om de inbreuk te plegen of om er voor de openbare orde gevaarlijke voorwerpen, bewijsmateriaal of bewijsstukken van de inbreuk in onder te brengen.
  De agenten van politie mogen, indien de politiemaatregelen bedoeld in de leden 1 tot 3 het vereisen, beroep doen op dwang onder de voorwaarden bepaald in de [1 artikelen 1, 37, 37bis en 38]17.
  
Art. 44/15. Les agents de police peuvent, jusqu'à l'intervention d'un fonctionnaire de police qu'ils avisent immédiatement, retenir la personne qui commet ou qui vient de commettre un crime ou un délit. Ils peuvent, dans les mêmes conditions, retenir une personne poursuivie par la clameur publique.
  Dans les mêmes cas, les agents de police peuvent procéder à une fouille de sécurité conformément aux modalités visées à l'article 28, § 1er, alinéa 2, lorsqu'il existe des motifs raisonnables de croire, en fonction de son comportement, d'indices matériels ou des circonstances, que la personne retenue porte sur elle des armes ou des objets dangereux pour l'ordre public.
  Dans les mêmes cas, ils peuvent, jusqu'à l'intervention d'un fonctionnaire de police, retenir le véhicule ou le moyen de transport dont la personne visée à l'alinéa 1er est présumée avoir fait usage, afin de permettre la fouille de celui-ci aux conditions de l'article 29, lorsqu'ils ont des motifs raisonnables de croire, en fonction d'indices matériels, que ce véhicule ou ce moyen de transport a servi à commettre l'infraction ou à entreposer des objets dangereux pour l'ordre public, des pièces à conviction ou des éléments de preuve de l'infraction.
  Les agents de police peuvent recourir à la contrainte, dans les conditions définies aux [1 articles 1er, 37, 37bis et 38]1, lorsque les mesures de police visées aux alinéas 1er à 3 le nécessitent.
  
Afdeling 14. [1 De vorm waarin en de voorwaarden waaronder de opdrachten door de beveiligingsassistenten en -agenten van politie worden vervuld]1
Section 14. [1 De la forme et des conditions selon lesquelles les missions sont remplies par les assistants et les agents de sécurisation de police]1
Art. 44/16. [1 Onverminderd de bevoegdheden van de politieambtenaren en de toepassing van de artikelen 61 en 62 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, zijn de beveiligingsassistenten en -agenten van politie belast met de uitvoering van de volgende opdrachten :
   1° de in artikel 23 bedoelde opdrachten;
   2° de uitvoering van de volgende beveiligingsopdrachten :
   - beveiliging van de koninklijke paleizen;
   - beveiliging van de instellingen van de SHAPE en de NAVO;
   - beveiliging van de internationale en Europese instellingen;
   - beveiliging van de nationale en internationale overheidsgebouwen;
   - beveiliging van de kritieke infrastructuren;
   - beveiliging van de nucleaire sites;
   - beveiliging van de infrastructuren van de luchthaven Brussel-Nationaal;
   3° op subsidiaire en punctuele wijze, de beveiliging van de politionele operaties en de uitvoering van de in artikel 25, vierde lid, bedoelde begeleidingen met een supralokaal karakter.]1

  
Art. 44/16. [1 Sans préjudice des compétences des fonctionnaires de police et de l'application des articles 61 et 62 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, les assistants et agents de sécurisation de police sont chargés de l'exécution des missions suivantes :
   1° les missions visées à l'article 23;
   2° l'exécution des missions de sécurisation suivantes :
   - sécurisation des palais royaux;
   - sécurisation des infrastructures du SHAPE et de l'OTAN;
   - sécurisation des institutions internationales et européennes;
   - sécurisation des bâtiments des autorités nationales et internationales;
   - sécurisation des infrastructures critiques;
   - sécurisation des sites nucléaires;
   - sécurisation des infrastructures de l'aéroport Bruxelles-National;
   3° de manière subsidiaire et ponctuelle, la sécurisation des opérations de police et l'exécution des escortes visées à l'article 25, alinéa 4, qui présentent un caractère supralocal.]1

  
Art. 44/17. [1 In het kader van de uitvoering van de in deze afdeling bedoelde opdrachten worden de beveiligingsassistenten en -agenten van politie, voor de toepassing van de artikelen 26, eerste lid, 27, 28, 29, 31, 34 en 40 gelijkgesteld met politieambtenaren.]1
  
Art. 44/17. [1 Dans le cadre de l'exécution des missions visées à la présente section, les assistants et agents de sécurisation de police sont assimilés aux fonctionnaires de police pour l'application des articles 26, alinéa 1er, 27, 28, 29, 31, 34 et 40.]1
  
Afdeling 15. [1 - Territoriale bevoegdheid]1
Section 15. [1 - Compétence territoriale.]1
Art.45. De (leden van het operationeel kader) (van de federale politie en van de lokale politie) zijn bevoegd om hun opdrachten te vervullen op het geheel van het grondgebied van het Rijk. <W 1998-12-07/31, art. 192, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2006-04-01/38, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 10-05-2006>
  (De politieambtenaren van de lokale politie vervullen hun opdrachten in principe op het grondgebied van de politiezone.) <W 1998-12-07/31, art. 192, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art.45. Les (membres du cadre opérationnel) (de la police fédérale et de la police locale) sont compétents pour exercer leurs missions sur l'ensemble du territoire national. <L 1998-12-07/31, art. 192, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 2006-04-01/38, art. 7, 011; En vigueur : 10-05-2006>
  (Les fonctionnaires de police de la police locale réalisent en principe leurs missions sur le territoire de la zone de police.) <L 1998-12-07/31, art. 192 005; En vigueur : 01-01-2001>
Afdeling 16. [1 - Bijstand.]1
Section 16. [1 - Assistance.]1
Art.46. De politiediensten brengen de personen die hulp of bijstand vragen in contact met gespecialiseerde diensten.
  Zij verlenen bijstand aan de slachtoffers van misdrijven, inzonderheid door hun de nodige informatie te verstrekken.
Art.46. Les services de police mettent les personnes qui demandent du secours ou de l'assistance en contact avec des services spécialisés.
  Ils portent assistance aux victimes d'infractions, notamment en leur procurant l'information nécessaire.
HOOFDSTUK IV/1. [1 - De specifieke vorm en voorwaarden van uitvoering van de opdrachten.]1
CHAPITRE IV/1. [1 - De la forme et des conditions spécifiques d'exercice des missions.]1
Afdeling 1. [1 - Toezicht op het gebruik van de specifieke vorm en voorwaarden van uitvoering van de opdrachten]1
Section 1re. [1 - Surveillance de l'utilisation des formes et conditions spécifiques d'exercice des missions]1
Art. 46/1. [1 Het Controleorgaan [2 ...]2, wordt belast met het toezicht op de in dit hoofdstuk bedoelde specifieke vormen en voorwaarden van uitvoering van de opdrachten van de politiediensten.]1
  
Art. 46/1. [1 L'Organe de contrôle [2 ...]2, est chargé de la surveillance des formes et conditions spécifiques d'exercice des missions des services de police, visées au présent chapitre.]1
  
Afdeling 2. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's]1
Section 2. [1 - Utilisations non visibles de caméras]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Sous-section 1re. [1 - Dispositions générales]1
Art. 46/2. [1 Behalve wanneer deze afdeling expliciet een andersluidende bepaling bevat, zijn de regels bedoeld in de artikelen 25/1 tot 25/8 en de artikelen 44/1 tot 44/11/13 van toepassing op het niet-zichtbaar gebruik van camera's.]1
  
Art. 46/2. [1 Sauf lorsque la présente section prévoit une disposition contraire expresse, les règles prévues aux articles 25/1 à 25/8 et aux articles 44/1 à 44/11/13 sont d'application aux utilisations non visibles de caméras.]1
  
Art. 46/3. [1 De camera's waarvan de modaliteiten voor plaatsing en gebruik door de politiediensten op niet-zichtbare wijze worden geregeld door een bijzondere wetgeving worden niet beoogd door deze afdeling.]1
  
Art. 46/3. [1 Les caméras dont les modalités d'installation et d'utilisation non visible par les services de police sont réglées par une législation particulière ne sont pas visées par la présente section.]1
  
Onderafdeling 2. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's omwille van bijzondere omstandigheden]1
Sous-section 2. [1 - Utilisations non visibles de caméras en raison de circonstances particulières]1
Art. 46/4. [1 In afwijking van artikel 25/3, kunnen de tijdelijk vaste en mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, op niet-zichtbare wijze worden gebruikt in niet-besloten plaatsen en voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen, mits voorafgaandelijke toestemming, indien de omstandigheden de politieambtenaren niet in staat stellen zich te identificeren of van die aard zijn dat ze het zichtbaar gebruik van camera's ondoeltreffend maken, en wanneer het gaat om één van de volgende situaties :
   1° de situaties bedoeld in artikel 22, tweede lid;
   2° het inwinnen van informatie van bestuurlijke politie bedoeld in artikel 44/5, § 1, eerste lid, 2° en 3°, voor zover het gaat om :
   a) personen die geradicaliseerd zijn in de zin van artikel 3, 15°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst;
   b) personen waarvoor er gegronde en zeer ernstige aanwijzingen bestaan dat zij zich naar een gebied wensen te begeven waar terroristische groepen actief zijn, zoals gedefinieerd in artikel 139 van het Strafwetboek in zulke omstandigheden dat zij bij hun terugkeer in België een ernstige dreiging van terroristische misdrijven kunnen vertegenwoordigen, zoals gedefinieerd in artikel 137 van het Strafwetboek of dat deze personen buiten het nationale grondgebied terroristische misdrijven willen plegen, zoals gedefinieerd in artikel 137 van het Strafwetboek;
   3° het gebruik op een vervoermiddel van de politie, dat niet als dusdanig herkenbaar is, voor het automatisch inlezen van nummerplaten, teneinde geseinde voertuigen op te sporen.]1

  
Art. 46/4. [1 Par dérogation à l'article 25/3, les caméras fixes temporaires et mobiles, le cas échéant intelligentes, peuvent être utilisées de manière non visible, dans les lieux ouverts et les lieux fermés accessibles au public, moyennant une autorisation préalable, lorsque les circonstances ne permettent pas aux fonctionnaires de police d'être identifiables ou sont de nature à rendre inopérante l'utilisation de caméras de manière visible, et qu'il s'agit d'une des situations suivantes :
   1° les situations visées à l'article 22, alinéa 2;
   2° le recueil de l'information de police administrative visée à l'article 44/5, § 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, pour autant qu'il s'agisse de :
   a) personnes radicalisées au sens de l'article 3, 15°, de la loi du 30 novembre 1998 organique des services de renseignement et de sécurité;
   b) personnes à l'égard desquelles il existe des indices fondés et très sérieux qu'elles souhaitent se rendre sur un territoire où des groupes terroristes, tels que définis à l'article 139 du Code pénal, sont actifs dans des conditions telles qu'elles peuvent présenter à leur retour en Belgique une menace sérieuse d'infraction terroriste telle que définie à l'article 137 du Code pénal ou que ces personnes ont l'intention de commettre hors du territoire national des infractions terroristes telles que définies à l'article 137 du Code pénal;
   3° l'utilisation sur un moyen de transport de police, non identifiable comme tel, pour la lecture automatique de plaques d'immatriculation, en vue de détecter des véhicules signalés.]1

  
Art. 46/5. [1 De in artikel 46/4 bedoelde voorafgaandelijke toestemming wordt gevraagd hetzij aan de commissaris-generaal van de federale politie of aan het lid van het directiecomité van de federale politie dat hij aanwijst, wanneer de aanvragende dienst deel uitmaakt van de federale politie, hetzij aan de korpschef van de lokale politiezone, wanneer het gaat om een lokale politiezone.
   In de gevallen bedoeld in artikel 46/4, eerste lid, 1° en 3°, wordt de toestemming geval per geval gegeven voor het gebruik van een bepaald type, tijdelijk vaste of mobiele camera, voor specifieke doeleinden, en voor een beperkte duur. Indien hiermee tevens doeleinden van gerechtelijke politie gepaard gaan, is het voorafgaand bindend advies van de procureur des Konings vereist. De toestemming kan worden verlengd onder dezelfde voorwaarden.
   In het geval bedoeld in artikel 46/4, eerste lid, 2°, wordt de toestemming verleend, na voorafgaand bindend advies van de procureur des Konings en van de Veiligheid van de Staat, met betrekking tot het risico dat de maatregel kan hebben voor lopende onderzoeken. Deze toestemming wordt geval per geval, schriftelijk en gemotiveerd verleend voor het gebruik van een bepaald type tijdelijk vaste of mobiele camera, voor specifieke doeleinden, en voor een duur van niet langer dan een maand. De beslissing weerspiegelt in het bijzonder de naleving van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De toestemming kan worden verlengd onder dezelfde voorwaarden.]1

  
Art. 46/5. [1 L'autorisation préalable visée à l'article 46/4 est demandée soit au commissaire général de la police fédérale ou au membre du comité de direction de la police fédérale qu'il désigne, lorsque le service demandeur appartient à la police fédérale, soit au chef de corps de la zone de police locale, lorsqu'il s'agit d'une zone de police locale.
   Dans les cas visés à l'article 46/4, alinéa 1er, 1° et 3°, l'autorisation est donnée au cas par cas pour l'utilisation d'un type déterminé de caméras fixes temporaires ou mobiles, pour des finalités spécifiques, et pour une durée limitée. Si à cette occasion des finalités de police judiciaire sont également visées, l'avis préalable contraignant du procureur du Roi est exigé. L'autorisation peut être prolongée aux mêmes conditions.
   Dans le cas visé à l'article 46/4, alinéa 1er, 2°, l'autorisation est donnée après avis préalable contraignant du procureur du Roi et de la Sûreté de l'Etat, concernant le risque que la mesure peut présenter pour toute enquête en cours. Cette autorisation est donnée au cas par cas, par écrit et de manière motivée dans le cadre de l'utilisation d'un type déterminé de caméra temporaire fixe ou mobile, à des fins spécifiques, et pour une durée n'excédant pas un mois. La décision reflète en particulier le respect des principes de proportionnalité et de subsidiarité. L'autorisation peut être prolongée aux mêmes conditions.]1

  
Art. 46/6. [1 Elke toestemming en verlenging voor niet-zichtbaar gebruik van camera's in de gevallen bedoeld in artikel 46/4 wordt meegedeeld aan het Controleorgaan, behalve wanneer het gebruik van camera's wordt uitgevoerd onder het gezag van een magistraat.
   Indien het Controleorgaan oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de beslissing, de verlenging of de uitvoering van de maatregel, beveelt het op gemotiveerde wijze de schorsing of stopzetting ervan en beveelt het dat de gegevens die op deze wijze werden verkregen niet mogen worden geëxploiteerd.
   Deze met redenen omklede beslissing wordt onverwijld meegedeeld hetzij aan de commissaris-generaal van de federale politie of aan het lid van het directiecomité van de federale politie dat hij heeft aangewezen, hetzij aan de korpschef van de betrokken lokale politiezone, afhankelijk van het geval. Zij informeren hierover zelf onverwijld de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3, verantwoordelijk voor de operatie.]1

  
Art. 46/6. [1 Toute autorisation et prolongation d'utilisation non visible de caméras dans les cas visés à l'article 46/4 est notifiée à l'Organe de contrôle sauf lorsque l'utilisation des caméras est réalisée sous le contrôle d'un magistrat.
   Si l'Organe de contrôle estime que les conditions pour la décision, la prolongation ou l 'exécution de cette mesure ne sont pas remplies, il en ordonne de manière motivée la suspension ou l'interruption ainsi que l'impossibilité d'exploiter les données obtenues par ce moyen.
   Cette décision motivée est notifiée sans délai soit au commissaire général de la police fédérale ou au membre du comité de direction de la police fédérale qu'il a désigné, soit au chef de corps de la zone de police locale concernée, selon le cas. Ils en informent eux-mêmes sans délai le fonctionnaire de police visé aux articles 7 à 7/3, responsable de l'opération.]1

  
Onderafdeling 3. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's bij de voorbereiding van acties van gerechtelijke politie of bij de handhaving van de openbare orde tijdens deze acties]1
Sous-section 3. [1 - Utilisations non visibles de caméras lors de la préparation d'actions de police judiciaire ou du maintien de l'ordre public lors de celles-ci]1
Art. 46/7. [1 In afwijking van artikel 25/3, kan de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3 beslissen om op niet-zichtbare wijze gebruik te maken van tijdelijk vaste of mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, voor het voorbereiden van acties van gerechtelijke politie die gedekt zijn door een mandaat van de procureur des Konings of van de onderzoeksrechter, teneinde het vlot verloop ervan te verzekeren, en om de openbare orde en de veiligheid van de betrokken politieambtenaren tijdens deze acties te garanderen, en dit meer bepaald in de gevallen waarin de omstandigheden de politieambtenaren niet in staat stellen zich te identificeren of in de gevallen die van die aard zijn dat ze het zichtbaar gebruik van camera's ondoeltreffend maken.]1
  
Art. 46/7. [1 Par dérogation à l'article 25/3, le fonctionnaire de police visé aux articles 7 à 7/3 peut décider d'utiliser des caméras fixes temporaires ou mobiles, le cas échéant intelligentes, de manière non visible pour la préparation d'actions de police judiciaire couvertes par un mandat du procureur du Roi ou du juge d'instruction, afin d'en assurer le bon déroulement, et afin de garantir l'ordre public et la sécurité des fonctionnaires de police concernés lors de ces actions, plus précisément dans des cas où les circonstances ne permettent pas aux fonctionnaires de police d'être identifiables ou sont de nature à rendre inopérante l'utilisation de caméras de manière visible.]1
  
Art. 46/8. [1 De in artikel 46/7 bedoelde beslissing wordt meegedeeld aan de procureur des Konings of aan de onderzoeksrechter die het mandaat heeft geleverd voor de betrokken actie van gerechtelijke politie.
   Indien de procureur des Konings of de onderzoeksrechter bedoeld in het eerste lid oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de beslissing of de uitvoering van de maatregel, beveelt hij op gemotiveerde wijze de schorsing of stopzetting ervan en beveelt hij dat de gegevens die op deze wijze werden verkregen niet mogen worden geëxploiteerd.
   Deze met redenen omklede beslissing wordt onverwijld meegedeeld hetzij aan de commissaris-generaal van de federale politie of aan het lid van het directiecomité van de federale politie dat hij heeft aangewezen, hetzij aan de korpschef van de betrokken lokale politiezone, afhankelijk van het geval. Zij informeren hierover zelf onverwijld de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3, verantwoordelijk voor de operatie.]1

  
Art. 46/8. [1 La décision visée à l'article 46/7 est notifiée au procureur du Roi ou au juge d'instruction qui a délivré le mandat pour l'action de police judiciaire concernée.
   Si le procureur du Roi ou le juge d'instruction visé à l'alinéa 1er estime que les conditions pour la décision ou l'exécution de cette mesure ne sont pas remplies, il en ordonne de manière motivée la suspension ou l'interruption ainsi que l'impossibilité d'exploiter les données obtenues par ce moyen.
   Cette décision motivée est notifiée sans délai soit au commissaire général de la police fédérale ou au membre du comité de direction de la police fédérale qu'il a désigné, soit au chef de corps de la zone de police locale concernée, selon le cas. Ils en informent eux-mêmes sans délai le fonctionnaire de police visé aux articles 7 à 7/3, responsable de l'opération.]1

  
Onderafdeling 4. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's in het kader van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van personen]1
Sous-section 4. [1 - Utilisations non visibles de caméras dans le cadre de missions spécialisées de protection de personnes]1
Art. 46/9. [1 In het kader van de uitvoering van gespecialiseerde opdrachten van bescherming van personen, waarbij de omstandigheden de politieambtenaren en de beschermingsassistenten niet in staat stellen zich te identificeren en de tijdelijk vaste of mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, zichtbaar te gebruiken, kan de in de artikelen 7 tot 7/3 bedoelde politieambtenaar, in afwijking van artikel 25/3, beslissen om deze camera's op niet-zichtbare wijze te gebruiken in niet-besloten plaatsen en voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen, onder de volgende voorwaarden :
   1° deze mogelijkheid heeft het voorwerp uitgemaakt van een principiële toestemming hetzij van de korpschef hetzij van de commissaris-generaal of het lid van het directiecomité van de federale politie dat hij aanwijst, afhankelijk van of het om de lokale of federale politie gaat;
   2° de persoon die het voorwerp uitmaakt van deze beschermingsmaatregel heeft dit niet geweigerd.]1

  
Art. 46/9. [1 Par dérogation à l'article 25/3, dans le cadre de l'exécution de missions spécialisées de protection de personnes, où les circonstances ne permettent pas aux fonctionnaires de police et aux assistants de protection d'être identifiables et d'utiliser les caméras fixes temporaires ou mobiles, le cas échéant intelligentes, de manière visible, le fonctionnaire de police visé aux articles 7 à 7/3 peut décider d'utiliser ces caméras de manière non visible, dans les lieux ouverts et les lieux fermés accessibles au public, aux conditions suivantes :
   1° cette possibilité a fait l'objet d'une autorisation de principe soit du chef de corps soit du commissaire général ou du membre du comité de direction de la police fédérale qu'il désigne, selon qu'il s'agisse de la police locale ou fédérale;
   2° la personne faisant l'objet de la mesure de protection n'a pas marqué son refus.]1

  
Art. 46/10. [1 De in artikel 46/9 bedoelde beslissing wordt meegedeeld aan het Controleorgaan.
   Indien het Controleorgaan oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de beslissing of de uitvoering van de maatregel, beveelt het op gemotiveerde wijze de schorsing of stopzetting ervan en beveelt het dat de gegevens die op deze wijze werden verkregen niet mogen worden geëxploiteerd.
   Deze met redenen omklede beslissing wordt onverwijld meegedeeld hetzij aan de commissaris-generaal van de federale politie of aan het lid van het directiecomité van de federale politie dat hij heeft aangewezen hetzij aan de korpschef van de betrokken lokale politiezone, afhankelijk van het geval. Zij informeren hierover zelf onverwijld de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3, verantwoordelijk voor de operatie.]1

  
Art. 46/10. [1 La décision visée à l'article 46/9 est notifiée à l'Organe de contrôle.
   Si l'Organe de contrôle estime que les conditions pour la décision ou l'exécution de cette mesure ne sont pas remplies, il en ordonne de manière motivée la suspension ou l'interruption ainsi que l'impossibilité d'exploiter les données obtenues par ce moyen.
   Cette décision motivée est notifiée sans délai soit au commissaire général de la police fédérale ou au membre du comité de direction de la police fédérale qu'il a désigné, soit au chef de corps de la zone de police locale concernée, selon le cas. Ils en informent eux-mêmes sans délai le fonctionnaire de police visé aux articles 7 à 7/3, responsable de l'opération.]1

  
Onderafdeling 5. [1 - Niet-zichtbaar gebruik van camera's in het kader van het overbrengen van aangehouden of opgesloten personen, bedoeld in artikel 23]1
Sous-section 5. [1 - Utilisations non visibles de caméras dans le cadre du transfert de personnes arrêtées ou détenues, visé à l'article 23]1
Art. 46/11. [1 In afwijking van artikel 25/3, in het kader van de uitvoering van opdrachten van overbrenging van aangehouden of opgesloten personen, bedoeld in artikel 23, waarbij de omstandigheden de politieambtenaren niet in staat stellen zich te identificeren en op zichtbare wijze gebruik te maken van de tijdelijk vaste of mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, kan de politieambtenaar bedoeld in de artikelen 7 tot 7/3 beslissen om deze camera's op niet-zichtbare wijze te gebruiken, op de niet-besloten plaatsen en de voor het publiek toegankelijke besloten plaatsen om de veiligheid van de personen tijdens deze overbrenging te garanderen, op voorwaarde dat
   1° deze mogelijkheid voorafgaand het voorwerp heeft uitgemaakt van een gezamenlijke principiële machtiging van de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie;
   2° deze politieambtenaar deel uitmaakt van een dienst die gespecialiseerd is in de overbrenging van gevaarlijke gedetineerden, die gebanaliseerde voertuigen gebruikt om deze opdracht uit te voeren.]1

  
Art. 46/11. [1 Par dérogation à l'article 25/3, dans le cadre de l'exécution de missions de transfert de personnes détenues ou arrêtées, visées à l'article 23, où les circonstances ne permettent pas aux fonctionnaires de police d'être identifiables et d'utiliser les caméras fixes temporaires ou mobiles, le cas échéant intelligentes, de manière visible, le fonctionnaire de police visé aux articles 7 à 7/3 peut décider d'utiliser ces caméras de manière non visible, dans les lieux ouverts et les lieux fermés accessibles au public en vue de garantir la sécurité des personnes lors de ce transfert, à la condition que
   1° cette possibilité ait préalablement fait l'objet d'une autorisation conjointe de principe des ministres de l'Intérieur et de la Justice;
   2° ce fonctionnaire de police fasse partie d'un service spécialisé dans le transfert de détenus dangereux, qui utilise des véhicules banalisés pour effectuer cette mission.]1

  
Onderafdeling 6. [1 - Registratie, bewaring en toegang tot de persoonsgegevens en informatie, en het register]1
Sous-section 6. [1 - Enregistrement, conservation, accès aux données à caractère personnel et informations, et registre]1
Art. 46/12. [1 De informatie en persoonsgegevens die verzameld worden door middel van niet zichtbare camera's kunnen worden geregistreerd en bewaard voor een duur van niet meer dan [2 365 dagen]2, te rekenen vanaf de registratie ervan tenzij in een andere termijn voorzien wordt in afdeling 12 van hoofdstuk IV.
   In afwijking van het eerste lid, kunnen de persoonsgegevens en informatie die via niet-zichtbare camera's zijn verzameld krachtens artikel 46/7, geregistreerd, bewaard en gebruikt worden voor tactische doeleinden vanaf de voorbereiding van de actie van gerechtelijke politie tot de afloop van die actie. De persoonsgegevens en informatie kunnen enkel langer worden bewaard en worden gebruikt om toevallig vastgestelde strafbare feiten te bewijzen of om de daders ervan te identificeren.
   In afwijking van het eerste lid, kunnen de persoonsgegevens en informatie die via niet-zichtbare camera's zijn verzameld in het kader van de uitvoering van in artikel 46/9 bedoelde gespecialiseerde opdrachten ter bescherming van personen, geregistreerd, bewaard en gebruikt worden voor tactische doeleinden voor de duur van de opdracht, behalve indien de persoon die het voorwerp uitmaakt van deze beschermingsmaatregel, dit weigert. De persoonsgegevens en informatie kunnen enkel langer worden bewaard en worden gebruikt bij toevallig vastgestelde strafbare feiten teneinde deze feiten te bewijzen of om de daders ervan te identificeren.
   In afwijking van het eerste lid, kunnen de persoonsgegevens en de informatie die werden verzameld door middel van niet-zichtbare camera's, in het kader van de uitvoering van opdrachten van overbrenging van aangehouden of opgesloten personen, bedoeld in artikel 46/11, geregistreerd, bewaard en gebruikt worden voor tactische doeleinden voor de duur van de opdracht. De persoonsgegevens en informatie kunnen uitsluitend voor een langere duur worden bewaard en gebruikt bij toevallig vastgestelde strafbare feiten, teneinde deze feiten te bewijzen of de daders ervan te identificeren.]1

  
Art. 46/12. [1 Les informations et données à caractère personnel collectées au moyen de caméras non visibles peuvent être enregistrées et conservées pour une durée n'excédant pas [2 365 jours]2 à compter de leur enregistrement, sauf si un autre délai est prévu dans la section 12 du chapitre IV.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les données à caractère personnel et informations collectées au moyen de caméras non visibles en vertu de l'article 46/7 peuvent être enregistrées, conservées et utilisées à des fins tactiques dès la préparation de l'action de police judiciaire et jusqu'à ce que celle-ci ait pris fin. Les données à caractère personnel et informations peuvent uniquement être conservées et utilisées pour une durée plus longue afin de prouver des faits punissables constatés par hasard ou d'en identifier les auteurs.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les données à caractère personnel et informations collectées au moyen de caméras non visibles, dans le cadre de l'exécution de missions spécialisées de protection de personnes visées à l'article 46/9, peuvent être enregistrées, conservées et utilisées à des fins tactiques pour la durée de la mission, à moins que la personne faisant l'objet d'une mesure de protection n'ait marqué son refus. Les données à caractère personnel et informations peuvent uniquement être conservées et utilisées pour une durée plus longue en cas de faits punissables constatés par hasard, afin de prouver ces faits ou d'en identifier les auteurs.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les données à caractère personnel et informations collectées au moyen de caméras non visibles, dans le cadre de l'exécution de missions transfert de personnes arrêtées ou détenues, visées à l'article 46/11, peuvent être enregistrées, conservées et utilisées à des fins tactiques pour la durée de la mission. Les données à caractère personnel et informations peuvent uniquement être conservées et utilisées pour une durée plus longue en cas de faits punissables constatés par hasard, afin de prouver ces faits ou d'en identifier les auteurs.]1

  
Art. 46/13. [1 De toegang tot de in artikel 46/12 bedoelde persoonsgegevens en informatie wordt toegelaten tijdens een periode van [2 dertig dagen]2, te rekenen vanaf de registratie ervan, op voorwaarde dat het operationeel gemotiveerd is en dat het noodzakelijk is voor de uitoefening van een welbepaalde opdracht.
   Na de [2 eerste dertig dagen]2 is de toegang tot die persoonsgegevens en informatie enkel voor doeleinden van gerechtelijke politie mogelijk mits een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van de procureur des Konings of de onderzoeksrechter.
   De toegang tot deze persoonsgegevens en informatie is beveiligd en alle toegangen worden dagelijks bijgewerkt.]1

  
Art. 46/13. [1 L'accès aux données à caractère personnel et informations visées à l 'article 46/12 est autorisé pendant une période [2 de trente jours]2 à compter de leur enregistrement, à condition qu'il soit motivé sur le plan opérationnel et nécessaire pour l'exercice d'une mission précise.
   Après [2 les trente premiers jours]2, l'accès à ces données à caractère personnel et informations n'est possible que pour des finalités de police judiciaire et moyennant une décision écrite et motivée du procureur du Roi ou du juge d'instruction.
   L'accès à ces informations et données à caractère personnel est protégé et tous les accès sont journalisés.]1

  
Art. 46/14. [1 Het in artikel 25/8 bedoelde register met een overzicht met alle gebruiken van camera's, bevat een onderdeel betreffende het niet-zichtbare gebruik van camera's.]1
  
Art. 46/14. [1 Le registre visé à l'article 25/8, reprenant toutes les utilisations de caméras, comprend une section relative aux utilisations non visibles de caméras.]1
  
HOOFDSTUK V. - Burgerlijke aansprakelijkheid en rechtshulp.
CHAPITRE V. - Responsabilité civile et assistance en justice.
Art.47. De Staat is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de [2 personeelsleden]2 (van de fedrale politie) in de functies waarin hij hen heeft aangewend, net zoals de aanstellers aansprakelijk zijn voor de schade aangericht door toedoen van hun aangestelden. <W 1998-12-07/31, art. 193, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  De Staat is eveneens aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de (verbindingsambtenaren bedoeld in artikel 134 van de provinciewet) in de functies waarin hij hen heeft aangewend, net zoals de aanstellers aansprakelijk zijn voor de schade aangericht door toedoen van hun aangestelden. <W 1998-12-07/31, art. 193, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (De Staat is eveneens aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de [2 personeelsleden]2 aangeduid bij de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, in de functies waarin hij hen heeft aangewezen, net als de aanstellers aansprakelijk zijn voor de schade aangericht door toedoen van hun aangestelden.) <W 2007-05-15/43, art. 30, 019; Inwerkingtreding : 15-06-2007>
  (De gemeente of desgevallend, de meergemeentezone is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de [2 personeelsleden]2 van de lokale politie in de functies waarin de Staat, de gemeente of de meergemeentezone hen heeft aangewend, net zoals de aanstellers aansprakelijk zijn voor de schade aangericht door toedoen van hun aangestelden.
  De gemeente of, desgevallend, de meergemeentezone kan verhaal nemen op de Staat voor de schade veroorzaakt door een [2 personeelslid]2 van de lokale politie bij opdrachten die de Staat hem heeft toevertrouwd.) <W 1998-12-07/31, art. 193, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  [1 De Koning bepaalt de bevoegde overheid betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid voor de [2 personeelsleden]2 die door een andere dienst worden aangewend.
   De Koning bepaalt tevens in welke gevallen de [2 personeelsleden]2 door een andere dienst zoals bedoeld in het zesde lid worden aangewend.]1

  
Art.47. L'Etat est responsable du dommage causé par les [2 membres du personnel]2 (de la police fédérale) dans les fonctions auxquelles ils les a employés, comme les commettants sont responsables du dommage causé par le fait de leurs préposés. <L 1998-12-07/31, art. 193, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  L'Etat est également responsable du dommage causé par (les fonctionnaires de liaison visés à l'article 134 de la loi provinciale) dans les fonctions auxquelles il les a employés, comme les commettants sont responsables du dommage causé par le fait de leurs préposés. <L 1998-12-07/31, art. 193, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  (L'Etat est également responsable du dommage causé par les [2 membres du personnel]2 désignés à l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale, dans les fonctions auxquelles il les a employés comme les commettants, sont responsables du dommage causé par le fait de leurs préposés.) <L 2007-05-15/43, art. 30, 019; En vigueur : 15-06-2007>
  (La commune ou, le cas échéant, la zone pluricommunale est responsable du dommage causé par les [2 membres du personnel]2 de la police locale dans les fonctions auxquelles l'Etat, la commune ou la zone pluricommunale les a employés, comme les commettants sont responsables du dommage causé par le fait de leurs préposés.
  La commune ou, le cas échéant, la zone pluricommunale peut exercer un recours contre l'Etat pour le dommage causé par le [2 membre du personnel]2 de la police locale dans les missions que l'Etat lui a confiées.) <L 1998-12-07/31, art. 193, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  [1 Le Roi détermine l'autorité compétente en matière de responsabilité civile pour les [2 membres du personnel]2 qui sont employés par un autre service.
   Le Roi détermine également les cas dans lesquels les [2 membres du personnel]2 sont employés par un autre service, tel que visé à l'alinéa 6.]1

  
Art.48. De in artikel 47 bedoelde [1 personeelsleden]1, die in hun functies aan de Staat, aan de gemeente (, aan de meergemeentezone) of aan derden schade berokkenen, moeten deze slechts vergoeden, wanneer zij een opzettelijke fout, een zware fout, of een lichte fout die bij hen gewoonlijk voorkomt, begaan. <W 1998-12-07/31, art. 194, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (Een lasthebber, aangestelde of orgaan van de Staat, de gemeente of de meergemeentezone die het slachtoffer is van een arbeidsongeval veroorzaakt door één van de in artikel 47 bedoelde [1 personeelsleden]1, kan slechts een rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid tegen [1 dat personeelslid]1 instellen voor zover die het arbeidsongeval opzettelijk heeft veroorzaakt.) <W 1998-12-07/31, art. 194, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Bovendien kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de [1 personeelsleden]1, wat de aansprakelijkheid tegenover de staat betreft, geheel of gedeeltelijk ontslaan van de verplichting de schade overeenkomstig (het eerste lid) te vergoeden. <W 1998-12-07/31, art. 194, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  
Art.48. Les [1 membres du personnel]1 visés à l'article 47, qui dans leurs fonctions causent un dommage à l'Etat, à la commune (, à la zone pluricommunale) ou à des tiers, ne doivent le réparer que s'ils commettent une faute intentionnelle, une faute lourde, ou une faute légère qui présente dans leur chef un caractère habituel. <L 1998-12-07/31, art. 194, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  (Un mandataire, un préposé ou un organe de l'Etat, de la commune ou de la zone pluricommunale, victime d'un accident de travail causé par un des [1 membres du personnel]1 visés à l'article 47, ne peut intenter une action en justice en responsabilité civile contre ce [1 membre du personnel]1 que pour autant que celui-ci ait intentionnellement causé l'accident de travail.) <L 1998-12-07/31, art. 194, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  En outre, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, exonérer en tout ou en partie les [1 membres du personnel]1 de l'obligation de réparer le dommage conformément (à l'alinéa 1) en ce qui concerne la responsabilité à l'égard de l'Etat. <L 1998-12-07/31, art. 194, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  
Art.49. § 1. De rechtsvordering die tegen een [1 personeelslid]1 wordt ingesteld door de Staat (, de gemeente of de meergemeentezone) op grond van artikel 48 is pas ontvankelijk indien zij wordt voorafgegaan door een aanbod tot dading aan de verweerder. Dit aanbod tot dading gaat uit van de overheid aangewezen door de Koning. <W 1998-12-07/31, art. 195, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Dit aanbod omvat, afgezien van de evaluatie van het gevorderde bedrag, de nadere regels van de betaling.
  De in het eerste lid bedoelde overheid kan beslissen dat de schade slechts gedeeltelijk moet worden vergoed.
  § 2. De schadevergoeding die verschuldigd is aan de Staat (, de gemeente of de meergemeentezone) door [1 het personeelslid]1 bedoeld in artikel 47 en waarvan het bedrag hetzij overeengekomen is bij dading, hetzij bij gerechtelijke beslissing werd bepaald, kan worden ingehouden op zijn bezoldiging onder de voorwaarden bepaald bij artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. <W 1998-12-07/31, art. 195, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  
Art.49. § 1. L'action exercée contre un [1 membre du personnel]1 par l'Etat (, la commune ou la zone pluricommunale) sur la base de l'article 48, n'est recevable que si elle est précédée d'une offre de transaction faite au défendeur. Cette offre de transaction émane de l'autorité désignée par le Roi. <L 1998-12-07/31, art. 195, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  Cette offre comporte, outre l'évaluation du montant de la somme exigée, les modalités de son paiement.
  L'autorité visée à l'alinéa premier peut décider que le dommage ne sera que partiellement réparé.
  § 2. Les dommages et intérêts dus à l'Etat (, la commune ou la zone pluricommunale) par le [1 membre du personnel]1 visé à l'article 47 et dont le montant a été soit convenu par transaction, soit fixé par décision judiciaire, peuvent être imputés sur sa rémunération, dans les limites fixées par l'article 23 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs. <L 1998-12-07/31, art. 195, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  
Art.50. [1 Het in artikel 47 bedoelde personeelslid]1 tegen wie een vordering tot schadeloosstelling wordt ingesteld voor de burgerlijke of de strafrechter kan de Staat (, de gemeente of meergemeentezone) in het geding betrekken; deze kunnen vrijwillig tussenkomen. <W 1998-12-07/31, art. 196, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (Wat de daden van de personeelsleden van de federale politie (of van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie) betreft, wordt de Staat steeds vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken.) <W 1998-12-07/31, art. 196, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2007-05-15/43, art. 31, 019; Inwerkingtreding : 15-06-2007>
  
Art.50. Le [1 membre du personnel]1 visé à l'article 47 qui fait l'objet d'une action en dommages et intérêts devant la juridiction civile ou répressive peut appeler à la cause l'Etat (, la commune ou la zone pluricommunale); ceux-ci peuvent intervenir volontairement. <L 1998-12-07/31, art. 196, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  (En ce qui concerne les actes des membres du personnel de la police fédérale, (ou de l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale) l'Etat est toujours représenté par le ministre de l'Intérieur.) <L 1998-12-07/31, art. 196, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 2007-05-15/43, art. 31, 019; En vigueur : 15-06-2007>
  
Art.51. [2 De Staat, de gemeente of de meergemeentezone]2, naargelang van het geval, neemt de proceskosten ten laste waartoe [1 het personeelslid]1 bedoeld in artikel 47, in rechte veroordeeld wordt wegens feiten gepleegd in zijn functies, tenzij hij een opzettelijke fout, een zware fout, of een lichte fout die bij hem gewoonlijk voorkomt, heeft begaan.
  (Wordt één van dergelijke fouten aangetoond, dan beslist de Staat, de gemeente of de meergemeentezone, na [1 het personeelslid]1 te hebben gehoord, of de proceskosten geheel dan wel gedeeltelijk door hem moeten worden gedragen.) <W 1998-12-07/31, art. 197, 005; Inwerkingtreding : 05-01-1999>
  
Art.51. [2 L'Etat, la commune ou la zone pluricommunale]2 selon le cas prend en charge les frais de justice auxquels le [1 membre du personnel]1 visé à l'article 47 est condamné en justice pour des faits commis dans ses fonctions, sauf s'il a commis une faute intentionnelle, une faute lourde, ou une faute légère qui présente dans son chef un caractère habituel.
  (Lorsqu'une de ces fautes est établie, l'Etat, la commune ou la zone pluricommunale décide, après avoir entendu le [1 membre du personnel]1, si celui-ci doit supporter la totalité ou bien une partie des frais de justice.) <L 1998-12-07/31, art. 197, 005; En vigueur : 05-01-1999>
  
Art.52. § 1. [2 [4 Het in artikel 47 bedoelde personeelslid of ex-personeelslid dat]4, voor daden gesteld in de uitoefening van zijn functies, beroep wenst te doen op bijstand van een advocaat zoals voorzien in [5 de artikelen 47bis en 62 van het Wetboek van strafvordering, in de artikelen 2bis, 15bis, 16, 20 en 24bis/1 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, en in artikel 10/1 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel]5, heeft recht op rechtshulp van een advocaat ten laste van de gemeente, de meergemeentezone of de Staat.]2
  [4 Het in artikel 47 bedoelde personeelslid of ex-personeelslid dat]4 in rechte wordt gedagvaard of tegen wie de strafvordering wordt ingesteld wegens daden gesteld in de uitoefening van zijn functies, heeft recht op rechtshulp van een advocaat ten laste van de gemeente (, de meergemeentezone) of de Staat. <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (Dit is eveneens het geval voor [4 het personeelslid bedoeld in artikel 47 of het ex-personeelslid dat]4, hetzij omwille van zijn hoedanigheid van [4 personeelslid]4 en in de uitoefening van zijn functies, slachtoffer is van een [1 schadelijk feit]1, hetzij omwille van zijn loutere hoedanigheid van [4 personeelslid]4 het slachtoffer is van een ingrijpende wraakactie.) <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 05-01-1999>
  (In geval van overlijden van [4 het personeelslid of ex-personeelslid]4, komt het in [2 het tweede en derde lid]2 bedoelde recht op rechtshulp toe aan diens rechthebbenden in de volgorde vastgesteld in artikel 4 van de wet van 12 januari 1970 betreffende de toekenning van een bijzondere vergoeding in geval van luchtvaartongeval in vredestijd.) <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 05-01-1999>
  § 2. Aan [4 het personeelslid]4 tegen wie de Staat (, de gemeente of de meergemeentezone) de in de artikelen 48 en 49 bedoelde burgerlijke rechtsvordering instelt, wordt geen enkele rechtshulp verleend. <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  § 3. [1 De rechtshulp kan naar gelang van het geval door de gemeente, de meergemeentezone of door de Staat worden geweigerd wanneer [4 het personeelslid]4 een louter morele schadevergoeding nastreeft. De politieambtenaar aan wie de rechtshulp aldus wordt geweigerd, kan, op zijn vraag, zijn standpunt uiteenzetten binnen de tien dagen volgend op de weigeringsbeslissing. De beslissing wordt vervolgens bevestigd of gewijzigd.]1
  De rechtshulp kan naargelang van het geval door de gemeente (, de meergemeentezone) of door de Staat worden geweigerd wanneer de feiten klaarblijkelijk in geen enkel verband staan met de uitoefening van de functies. <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  De rechtshulp kan eveneens worden geweigerd wanneer [4 het betrokken personeelslid]4 kennelijk een opzettelijke of zware fout heeft begaan (of, als slachtoffer, de strafbemiddeling bedoeld in artikel 216ter, § 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, van meet af aan en zonder gegronde redenen afwijst). <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 05-01-1999>
  [3 Aan het personeelslid dat een vordering tegen de Staat, de gemeente of de meergemeentezone instelt, wordt geen rechtshulp verleend.
   De rechtshulp kan worden geweigerd aan het personeelslid dat een vordering tegen een ander personeelslid instelt.]3

  § 4. Wanneer de rechtshulp niet is verleend overeenkomstig [3 § 3, tweede, derde en vijfde lid]3 en uit de rechterlijke beslissing blijkt dat deze weigering niet gegrond was, heeft [4 het personeelslid]4 recht op terugbetaling van de kosten die hij voor zijn verdediging heeft gemaakt.
  Wanneer de rechtshulp toegestaan is maar uit de gerechtelijke beslissing blijkt dat dit niet diende te geschieden, kunnen de kosten die gemaakt zijn voor zijn verdediging, van [4 het personeelslid]4 teruggevorderd worden, op de wijze bepaald in artikel 49.
  § 5. De Koning bepaalt de voorwaarden onder welke de honoraria van de advocaat gekozen om de rechtshulp te verlenen ten laste van de Staat (, de gemeente of de meergemeentezone) worden genomen. <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (De rechtshulp aan de personeelsleden van de federale politie (of van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie) komt ten laste van het ministerie van Binnenlandse Zaken.) <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2007-05-15/43, art. 32, 019; Inwerkingtreding : 15-06-2007>
  (De rechtshulp aan de leden van de lokale politie komt ten laste van de gemeente of, desgevallend, de meergemeentezone, behoudens het verhaal van de gemeente of de meergemeentezone op de Staat, indien [4 het personeelslid]4 van de lokale politie in rechte wordt gedagvaard wegens daden gesteld bij het vervullen van een opdracht voor rekening van de Staat.) <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  [1 De Koning bepaalt de nadere regels van de tenlasteneming van de rechtshulp voor [4 personeelsleden]4 die door een andere dienst worden aangewend.
   De Koning bepaalt tevens in welke gevallen [4 personeelsleden]4 door een andere dienst worden aangewend zoals bedoeld in het vierde lid.]1

  § 6. De voorgeschreven rechtshulp houdt niet in dat de Staat (, de gemeente of de meergemeentezone) enige aansprakelijkheid erkent. <W 1998-12-07/31, art. 198, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  
Art.52. § 1. [2 Le [4 membre du personnel]4 ou l'[4 ex-membre du personnel]4 visé à l'article 47 qui, pour des actes commis dans l'exercice de ses fonctions, souhaite se faire assister d'un avocat comme prévu [5 aux articles 47bis et 62 du Code d'instruction criminelle, aux articles 2bis, 15bis, 16, 20 et 24bis/1 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, et à l'article 10/1 de la loi du 19 décembre 2003 relative au mandat d'arrêt européen]5, bénéficie de l'assistance en justice d'un avocat à charge de la commune, de la zone pluricommunale ou de l'Etat.]2
  Le [4 membre du personnel]4 visé à l'article 47 (ou l'[4 ex-membre du personnel]4) qui est cité en justice ou contre lequel l'action publique est intentée pour des actes commis dans l'exercice de ses fonctions, bénéficie de l'assistance en justice d'un avocat à charge de la commune (, la zone pluricommunale) ou de l'Etat. <L 1998-12-07/31, art. 198, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  (Il en est de même pour [4 membre du personnel]4 visé à l'article 47 ou l'[4 ex-membre du personnel]4 qui, soit en sa qualité de [4 membre du personnel]4 et en raison de l'exécution de ses fonctions, est victime d'un [1 fait dommageable]1, soit, en raison de sa seule qualité de [4 membre du personnel]4, est victime d'un acte de vengeance conséquent.) <L 1998-12-07/31, art. 198, 005; En vigueur : 05-01-1999>
  (En cas de décès du [4 membre du personnel]4 ou de l'[4 ex-membre du personnel]4, le droit à l'assistance en justice visé [2 aux alinéas 2 et 3]2 revient à ses ayants droit dans l'ordre fixé à l'article 4 de la loi du 12 janvier 1970 relative à l'octroi d'une indemnité spéciale en cas d'accident aéronautique survenu en temps de paix.) <L 1998-12-07/31, art. 198, 005; En vigueur : 05-01-1999>
  § 2. Aucune assistance en justice n'est fournie au [4 membre du personnel]4 contre lequel l'Etat (, la commune ou la zone pluricommunale) exerce l'action civile prévue aux articles 48 et 49. <L 1998-12-07/31, art. 198, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  § 3. [1 L'assistance en justice peut être refusée, selon le cas, par la commune, la zone pluricommunale ou par l'Etat lorsque le dédommagement poursuivi par le [4 membre du personnel]4 est purement moral. Le [4 membre du personnel]4 à qui l'assistance en justice est ainsi refusée, peut, à sa demande, présenter son point de vue dans les dix jours qui suivent la décision de refus. La décision est ensuite confirmée ou modifiée.]1
  L'assistance en justice peut être refusée selon le cas par la commune (, la zone pluricommunale) ou par l'Etat, lorsque les faits ne présentent manifestement aucun lien avec l'exercice des fonctions. <L 1998-12-07/31, art. 198, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  L'assistance en justice peut également être refusée lorsqu'il est manifeste que le [4 membre du personnel]4 concerné a commis une faute intentionnelle ou une faute lourde (ou qu'il a, en tant que victime, refusé d'emblée et sans motifs fondés la médiation pénale visée à l'article 216ter, § 1er, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle). <L 1998-12-07/31, art. 198, 005; En vigueur : 05-01-1999>
  [3 Aucune assistance en justice n'est accordée au membre du personnel qui intente une action contre l'Etat, la commune ou la zone pluricommunale.
   L'assistance en justice peut être refusée au membre du personnel qui intente une action contre un autre membre du personnel.]3

  § 4. Lorsque l'assistance en justice n'a pas été accordée conformément au [3 § 3, alinéas 2, 3 et 5]3 et qu'il ressort de la décision de justice que ce refus n'était pas fondé, le fonctionnaire de police a droit au remboursement des frais qu'il a exposés pour assurer sa défense.
  Lorsque l'assistance en justice a été accordée mais qu'il ressort de la décision de justice qu'elle n'aurait pas dû l'être, les frais exposés afin d'assurer sa défense, peuvent être récupérés auprès du [4 membre du personnel]4, de la manière prévue à l'article 49.
  § 5. Le Roi détermine les conditions dans lesquelles les honoraires de l'avocat choisi pour prêter l'assistance en justice sont prises en charge par l'Etat (, par la commune ou par la zone pluricommunale). <L 1998-12-07/31, art. 198, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  (L'assistance en justice des membres du personnel de la police fédérale (ou de l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale) est à charge du ministère de l'Intérieur.) <L 1998-12-07/31, art. 198, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 2007-05-15/43, art. 32, 019; En vigueur : 15-06-2007>
  (L'assistance en justice des membres de la police locale est à charge de la commune ou, le cas échéant, de la zone pluricommunale, sauf le recours de celle-ci contre l'Etat si le [4 membre du personnel]4 locale est attrait en justice pour des actes accomplis lors d'une mission réalisée pour le compte de l'Etat.) <L 1998-12-07/31, art. 198, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  [1 Le Roi détermine les modalités de la prise en charge de l'assistance en justice pour les [4 membres du personnel]4 qui sont employés par un autre service.
   Le Roi détermine en même temps les cas dans lesquels les [4 membres du personnel]4 sont employés par un autre service, tel que visé à l'alinéa 4.]1

  § 6. L'assistance en justice prévue n'entraîne de la part de l'Etat (, de la commune ou de la zone pluricommunale) aucune reconnaissance de sa responsabilité. <L 1998-12-07/31, art. 198, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  
Art.53. § 1. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels volgens welke [2 het personeelslid]2 bedoeld in artikel 47 wordt vergoed voor de zaakschade die hij, in [1 of ingevolge]1 zijn functies in vredestijd, heeft geleden.
  Onder zaakschade wordt begrepen, de schade toegebracht aan goederen waarvan [2 het personeelslid]2 eigenaar of houder is en die onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van zijn functies.
  § 2. (De vergoeding komt ten laste van de Staat voor [2 de personeelsleden]2 van de federale politie (of van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie), ten laste van de provincie voor de verbindingsambtenaren bedoeld in artikel 134 van de provinciewet, en ten laste van de gemeente of, desgevallend, de meergemeentezone, voor [2 de personeelsleden]2 van de lokale politie.) <W 1998-12-07/31, art. 199, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2007-05-15/43, art. 33, 019; Inwerkingtreding : 15-06-2007>
  § 3. De vergoeding is uitgesloten wanneer de zaakschade te wijten is aan een opzettelijke of zware fout die toegeschreven kan worden aan [2 het personeelslid]2.
  Hetzelfde geldt ten belope van het toegekende of toe te kennen bedrag, wanneer de zaakschade vergoed wordt of kan vergoed worden :
  1° krachtens een door [2 het betrokken personeelslid]2 of in zijn voordeel afgesloten verzekering behoudens niet-betaling door de verzekeraar binnen een termijn van één jaar vanaf het ontstaan van de schade;
  2° als gerechtskosten in strafzaken.
  § 4. De Staat, de provincie (, de gemeente of de meergemeentezone) treedt in de rechten en vorderingen van [2 het personeelslid]2 ten belope van het betaalde bedrag. <W 1998-12-07/31, art. 199, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  § 5. De vergoeding door de Staat, de provincie (, de gemeente of de meergemeentezone) sluit, ten belope van het toegekende bedrag en voor hetzelfde schadelijk feit elk verhaal uit op de Staat, de provincie (, de gemeente of de meergemeentezone), de organen of aangestelden hiervan. <W 1998-12-07/31, art. 199, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  § 6. (Wat de personeelsleden van de federale politie betreft komt de vergoeding ten laste van het ministerie van Binnenlandse Zaken (of van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie).) <W 1998-12-07/31, art. 199, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2007-05-15/43, art. 33, 019; Inwerkingtreding : 15-06-2007>
  [1 § 7. De Koning bepaalt de nadere regels van de tenlasteneming van de zaakschade voor [2 personeelsleden]2 die door een andere dienst worden aangewend.
   De Koning bepaalt tevens in welke gevallen [2 personeelsleden]2 door een andere dienst worden aangewend zoals bedoeld in het eerste lid.]1

  
Art.53. § 1. Le Roi détermine les conditions et les modalités selon lesquelles le [2 membre du personnel]2 visé à l'article 47 est indemnisé, en temps de paix, du dommage aux biens subi dans [1 ou à la suite de]1 ses fonctions.
  On entend par dommage aux biens, le dommage occasionné aux biens dont le [2 membre du personnel]2 est propriétaire ou détenteur et qui sont indispensables pour l'exercice de ses fonctions.
  § 2. (L'indemnisation est à charge de l'Etat pour les [2 membres du personnel]2 de la police fédérale, (ou de l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale) à charge de la province pour les fonctionnaires de liaison visés à l'article 134 de la loi provinciale et à charge de la commune ou, le cas échéant, de la zone pluricommunale, pour les [2 membres du personnel]2 de la police locale.) <L 1998-12-07/31, art. 199, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 2007-05-15/43, art. 33, 019; En vigueur : 15-06-2007>
  § 3. L'indemnisation est exclue, lorsque le dommage aux biens est dû à une faute intentionnelle ou à une faute lourde imputable au [2 membre du personnel]2 concerné.
  Il en va de même, à concurrence du montant accordé ou à accorder, lorsque le dommage aux biens a été ou est susceptible d'être indemnisé :
  1° en vertu d'une assurance contractée par le [2 membre du personnel]2 intéressé ou à son profit, sous réserve du défaut de paiement par l'organisme assureur dans le délai d'un an à dater de la réalisation du dommage;
  2° à titre de frais de justice en matière répressive.
  § 4. L'Etat, la province (, la commune ou la zone pluricommunale) est subrogé dans les droits et actions du [2 membre du personnel]2 concerné à concurrence de la somme payée. <L 1998-12-07/31, art. 199, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  § 5. L'indemnisation par l'Etat, la province (, la commune ou la zone pluricommunale) exclut tout recours pour le même fait dommageable, à concurrence du montant octroyé, contre l'Etat, la province ou la commune, ses organes ou préposés. <L 1998-12-07/31, art. 199, 005; En vigueur : 01-01-2001>
  § 6. (L'indemnisation est à charge du ministère de l'Intérieur en ce qui concerne le personnel de la police fédérale (ou de l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale).) <L 1998-12-07/31, art. 199, 005; En vigueur : 01-01-2001> <L 2007-05-15/43, art. 33, 019; En vigueur : 15-06-2007>
  [1 § 7. Le Roi détermine les modalités de la prise en charge du dommage aux biens pour les [2 membres du personnel]2 qui sont employés par un autre service.
   Le Roi détermine en même temps les cas dans lesquels les [2 membres du personnel]2 sont employés par un autre service, tel que visé à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 53ter. <INGEVOEGD bij W 1998-12-07/31, art. 201; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De wet van 5 augustus 1992 op het politieambt wordt "wet op het politieambt" genoemd.
Art. 53ter. La loi du 5 août 1992 sur la fonction de police est appelée "loi sur la fonction de police".
HOOFDSTUK Vbis. - Overgangsbepaling.
CHAPITRE Vbis. - Disposition transitoire.
Art. 53quater. <INGEVOEGD door 2002-08-02/45, art. 156; Inwerkingtreding : 29-08-2002> Onverminderd artikel 4 van de wet op het politieambt, wordt de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie toegekend aan de personeelsleden die aangesteld zijn in de graad van commissaris van politie krachtens de artikelen XII.VII.23, XII.VII.24 of XII.VII.26 RPPol, bevestigd door dezelfde wet.
Art. 53quater. Sans préjudice de l'article 4 de la loi sur la fonction de police, la qualite d'officier de police administrative est conférée aux membres du personnel qui sont commissionnés dans le grade de commissaire de police en vertu des articles XII.VII.23, XII.VII.24 ou XII.VII.26 PJPol, confirmés par la même loi.
HOOFDSTUK VI. - Wijzigings-, opheffings- en slotbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions modificatives, abrogatoires et finales.
Art.54. <Wijzigingsbepaling van art. 569, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek : 1967-10-10/03>
Art.54.
Art.55.
Art.55.
Art.56. <Wijzigingsbepaling van art. 1 van de W 1919-04-07/30>
Art.56.
Art.57. § 1. Artikel 170 van de nieuwe gemeentewet wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Behoudens de opdrachten bepaald door deze wet, alsook door de bijzondere wetten, worden de opdrachten van de gemeentepolitie vastgelegd door de wet op het politieambt. "
  § 2. In artikel 172 van dezelfde wet, worden de woorden " namelijk het toezien op de naleving van de wetten en politieverordeningen, de handhaving van de openbare orde, de bescherming van personen en goederen, en de hulpverlening aan al wie in gevaar verkeert " geschrapt.
Art.57. § 1. L'article 170 de la nouvelle loi communale est complété par l'alinéa suivant :
  " Sans préjudice des missions fixées par la présente loi, ainsi que par des lois particulières, les missions de la police communale sont fixées par la loi sur la fonction de police. "
  § 2. Dans l'article 172 de la même loi, les mots " à savoir, veiller au respect des lois et règlements de police, au maintien de l'ordre public, à la protection des personnes et des biens et à porter assistance à toute personne en danger " sont supprimés.
Art.58. <Wijzigingsbepaling van het opschrift van de W 1934-07-29/30>
Art.58.
Art.59. § 1. <Wijzigingsbepaling van art. 15 van de W 1957-12-02/32>
  § 2. <Wijzigingsbepaling van art. 18 van de W 1957-12-02/32>
  § 3. <Wijzigingsbepaling van art. 29 van de W 1957-12-02/32>
  § 4. <Wijzigingsbepaling van art. 60 van de W 1957-12-02/32>
Art.59. § 1.
  § 2.
  § 3.
  § 4.
Art.60. § 1. <Wijzigingsbepaling van art. 10 van de W 1891-07-25/30>
  § 2. <Wijzigingsbepaling in de nederlandstalige tekst van de art. 10, 11, 12, 14 en 15 van de W 1891-07-25/30>
Art.60. § 1.
  § 2.
Art. 61. Worden opgeheven :
  1°
  2° in de nieuwe gemeentewet, de artikelen 173, 174, 176 tot 188, 222, 223 en 224;
  3°
Art. 61. Sont abrogés:
  1°
  2° dans la nouvelle loi communale, les articles 173, 174, 176 à 188 et 222, 223 et 224;
  3°