Artikel 1. Een vakantiegeld wordt toegekend aan de personen bedoeld in artikel 1 van de wet van 4 juli 1966 tot toekenning van een jaarlijks vakantiegeld aan de gepensioneerden van de openbare diensten, die op 1 mei van het jaar waarvoor het vakantiegeld verschuldigd is, de volgende voorwaarden vervullen:
1° voor de gerechtigden op een rustpensioen:
a) de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt;
b) voor de maand mei daadwerkelijk een pensioen genieten waarvan het maandbedrag lager is dan [1 1.350,00 EUR]1 en dat niet verminderd wordt wegens de uitoefening van een beroepsactiviteit;
c) voor de maand mei het in b) bedoelde pensioen niet cumuleren met één of meer rust- of overlevingspensioenen of met om het even welk als zodanig geldend voordeel toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens een pensioenregeling van een instelling van internationaal publiek recht, voor een totaal maandbedrag dat meer bedraagt dan [1 1.350,00 EUR]1.
2° voor de gerechtigden op een pensioen van langstlevende echtgenoot of van uit de echt gescheiden echtgenoot:
a) de leeftijd van 45 jaar hebben bereikt tenzij men het bewijs levert van een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of tenzij men een kind ten laste heeft, in de zin van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 29 januari 1985 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten van sommige bepalingen van boek I van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen;
b) niet hertrouwd zijn;
c) voor de maand mei daadwerkelijk een pensioen genieten waarvan het maandbedrag lager is dan [1 1.080 EUR]1 en dat niet verminderd wordt (krachtens de bepalingen van de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen); <KB 2005-03-14/32, art. 1, 3°, 002 ; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
d) voor de maand mei het in c) bedoelde pensioen niet cumuleren met één of meer rust- of overlevingspensioenen of met om het even welk als zodanig geldend voordeel toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens een pensioenregeling van een instelling van internationaal publiek recht, voor een totaal maandbedrag dat meer bedraagt dan [1 1.080 EUR]1.
3° voor de gerechtigden op een wezenpensioen:
a) hele wees zijn of als zodanig beschouwd worden met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen;
b) de onder 2°, c) en d) vermelde voorwaarden vervullen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
1 APRIL 1992. - Koninklijk besluit houdende toekenning van een vakantiegeld en van een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld aan de gepensioneerden van de openbare diensten. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-10-2009 en tekstbijwerking tot 22-10-2009)
Titre
1 AVRIL 1992. - Arrêté royal accordant un pécule de vacances et un pécule complémentaire au pécule de vacances aux pensionnés des services publics. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-10-2009 et mise à jour au 22-10-2009)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (18)
Texte (18)
Hoofdstuk I. Het vakantiegeld.
Chapitre Ier. Le pécule de vacances.
Article 1. Un pécule de vacances est attribué aux personnes visées à l'article 1er de la loi du 4 juillet 1966 accordant un pécule de vacances aux pensionnés des services publics, qui réunissent au 1er mai de l'année pour laquelle ce pécule de vacances est dû, les conditions suivantes:
1° pour les titulaires d'une pension de retraite:
a)avoir atteint l'âge de 60 ans;
b) bénéficier effectivement pour le mois de mai d'une pension dont le montant mensuel est inférieur à [1 1.350,00 EUR]1 et qui n'est pas réduite en raison de l'exercice d'une activité professionnelle;
c) ne pas cumuler pour le mois de mai la pension visée au b) avec une ou plusieurs pensions de retraite et de survie ou avec tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation belge ou étrangère ou en vertu d'un régime de pension d'une institution de droit international public pour un montant mensuel global qui excède [1 1.350,00 EUR]1.
2° pour les titulaires d'une pension de conjoint survivant ou de conjoint divorcé:
a) avoir atteint l'âge de 45 ans, à moins de justifier d'une incapacité permanente de 66 p.c. au moins ou d'avoir un enfant à charge, au sens des articles 1er et 2 de l'arrêté royal du 29 janvier 1985 fixant les modalités, d'application de certaines dispositions du livre Ier de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.;
b) ne pas être remariés;
c) bénéficier effectivement pour le mois de mai d'une pension dont le montant mensuel est inférieur à [1 1.080,00 EUR]1 et qui n'est pas réduite (en vertu des dispositions de la loi du 5 avril 1994 régissant le cumul des pensions du secteur public avec des revenus provenant de l'exercice d'une activité professionnelle ou avec un revenu de remplacement;) <AR 2005-03-14/32, art. 1, 3°, 002 ; En vigueur : 01-01-1994>
d) de ne pas cumuler pour le mois de mai, la pension visée au c) avec une ou plusieurs pensions de retraite et de survie ou avec tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation belge ou étrangère ou en vertu d'un régime de pension d'une institution de droit international public pour un montant mensuel global qui excède [1 1.080,00 EUR]1.
3° pour les titulaires d'une pension d'orphelin:
a) être orphelin de père et de mère ou être considéré comme tel en application de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions;
b) satisfaire aux conditions prévues au 2°, c) et d).
1° pour les titulaires d'une pension de retraite:
a)avoir atteint l'âge de 60 ans;
b) bénéficier effectivement pour le mois de mai d'une pension dont le montant mensuel est inférieur à [1 1.350,00 EUR]1 et qui n'est pas réduite en raison de l'exercice d'une activité professionnelle;
c) ne pas cumuler pour le mois de mai la pension visée au b) avec une ou plusieurs pensions de retraite et de survie ou avec tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation belge ou étrangère ou en vertu d'un régime de pension d'une institution de droit international public pour un montant mensuel global qui excède [1 1.350,00 EUR]1.
2° pour les titulaires d'une pension de conjoint survivant ou de conjoint divorcé:
a) avoir atteint l'âge de 45 ans, à moins de justifier d'une incapacité permanente de 66 p.c. au moins ou d'avoir un enfant à charge, au sens des articles 1er et 2 de l'arrêté royal du 29 janvier 1985 fixant les modalités, d'application de certaines dispositions du livre Ier de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.;
b) ne pas être remariés;
c) bénéficier effectivement pour le mois de mai d'une pension dont le montant mensuel est inférieur à [1 1.080,00 EUR]1 et qui n'est pas réduite (en vertu des dispositions de la loi du 5 avril 1994 régissant le cumul des pensions du secteur public avec des revenus provenant de l'exercice d'une activité professionnelle ou avec un revenu de remplacement;) <AR 2005-03-14/32, art. 1, 3°, 002 ; En vigueur : 01-01-1994>
d) de ne pas cumuler pour le mois de mai, la pension visée au c) avec une ou plusieurs pensions de retraite et de survie ou avec tout avantage en tenant lieu, octroyés en vertu d'une législation belge ou étrangère ou en vertu d'un régime de pension d'une institution de droit international public pour un montant mensuel global qui excède [1 1.080,00 EUR]1.
3° pour les titulaires d'une pension d'orphelin:
a) être orphelin de père et de mère ou être considéré comme tel en application de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions;
b) satisfaire aux conditions prévues au 2°, c) et d).
Änderungen
Art. 2. § 1. Het bedrag van het vakantiegeld wordt vastgesteld op (155,58 EUR). <KB 2000-07-20/63, art. 3, 33, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. Het in § 1 vastgestelde bedrag wordt op (207,44 EUR) gebracht voor gehuwde personen die een rustpensioen genieten en wier echtgenoot de volgende voorwaarden vervult:
1° geen inkomen genieten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit;
2° geen uitkering wegens primaire ongeschiktheid of invaliditeit, wegens werkloosheid of loopbaanonderbreking genieten, toegekend krachtens een Belgische wetgeving, of geen voordelen van dezelfde aard, toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving of ten laste van een instelling van internationaal publiek recht;
3° geen rust- of overlevingspensioen of ouderdoms- of overlevingsrente dan wel enig als zodanig geldend voordeel genieten, toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens een pensioenregeling van een instelling van internationaal publiek recht, of zulk een inkomen genieten ten belope van een totaal maandbedrag van minder dan (51,86 EUR). <KB 2000-07-20/63, art. 3, 33, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. Het in § 1 vastgestelde bedrag wordt op (207,44 EUR) gebracht voor gehuwde personen die een rustpensioen genieten en wier echtgenoot de volgende voorwaarden vervult:
1° geen inkomen genieten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit;
2° geen uitkering wegens primaire ongeschiktheid of invaliditeit, wegens werkloosheid of loopbaanonderbreking genieten, toegekend krachtens een Belgische wetgeving, of geen voordelen van dezelfde aard, toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving of ten laste van een instelling van internationaal publiek recht;
3° geen rust- of overlevingspensioen of ouderdoms- of overlevingsrente dan wel enig als zodanig geldend voordeel genieten, toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens een pensioenregeling van een instelling van internationaal publiek recht, of zulk een inkomen genieten ten belope van een totaal maandbedrag van minder dan (51,86 EUR). <KB 2000-07-20/63, art. 3, 33, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 2. § 1er. Le montant du pécule de vacances est fixé à (155,58 EUR). <AR 2000-07-20/63, art. 3, 33, En vigueur : 01-01-2002>
§ 2. Le montant fixé au § 1er est porté à (207,44 EUR) pour les personnes mariées qui sont titulaires d'une pension de retraite et dont le conjoint remplit les conditions suivantes : <AR 2000-07-20/63, art. 3, 33, En vigueur : 01-01-2002>
1° ne pas bénéficier de revenus provenant de l'exercice d'une activité professionnelle;
2° ne pas bénéficier d'une indemnité d'incapacité primaire ou d'invalidité, d'une allocation de chômage ou d'interruption de carrière, accordées en vertu d'une législation belge, ou d'avantages de même nature accordés en vertu d'une législation étrangère ou à charge d'une institution de droit international public;
3° ne pas bénéficier d'une pension ou d'une rente de retraite ou de survie ou de tout avantage en tenant lieu, octroyé en vertu d'une législation belge ou étrangère ou en vertu d'un régime de pension d'une institution de droit international public, ou bénéficier de tels revenus à concurrence d'un montant mensuel global inférieur à (51,86 EUR). <AR 2000-07-20/63, art. 3, 33, En vigueur : 01-01-2002>
§ 2. Le montant fixé au § 1er est porté à (207,44 EUR) pour les personnes mariées qui sont titulaires d'une pension de retraite et dont le conjoint remplit les conditions suivantes : <AR 2000-07-20/63, art. 3, 33, En vigueur : 01-01-2002>
1° ne pas bénéficier de revenus provenant de l'exercice d'une activité professionnelle;
2° ne pas bénéficier d'une indemnité d'incapacité primaire ou d'invalidité, d'une allocation de chômage ou d'interruption de carrière, accordées en vertu d'une législation belge, ou d'avantages de même nature accordés en vertu d'une législation étrangère ou à charge d'une institution de droit international public;
3° ne pas bénéficier d'une pension ou d'une rente de retraite ou de survie ou de tout avantage en tenant lieu, octroyé en vertu d'une législation belge ou étrangère ou en vertu d'un régime de pension d'une institution de droit international public, ou bénéficier de tels revenus à concurrence d'un montant mensuel global inférieur à (51,86 EUR). <AR 2000-07-20/63, art. 3, 33, En vigueur : 01-01-2002>
Hoofdstuk II. De aanvullende toeslag bij het vakantiegeld.
Chapitre II. Le pécule complémentaire au pécule de vacances.
Art. 3. (Opgeheven) <KB 2000-06-06/31, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 3. (Abrogé) <2000-06-06/31, art. 1, En vigueur : 01-01-2000>
Art. 4. § 1. Het bedrag van de aanvullende toeslag wordt vastgesteld op (235,21 EUR). <KB 2000-07-20/63, art. 3, 33, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. (Het in § 1 vastgestelde bedrag wordt op (282,03 EUR) gebracht voor de personen die het gewaarborgd minimumbedrag voor een gehuwde gepensioneerde genieten.) <KB 2000-06-06/31, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-2000> <KB 2000-07-20/63, art. 3, 33, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. (Het in § 1 vastgestelde bedrag wordt op (282,03 EUR) gebracht voor de personen die het gewaarborgd minimumbedrag voor een gehuwde gepensioneerde genieten.) <KB 2000-06-06/31, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-2000> <KB 2000-07-20/63, art. 3, 33, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 4. § 1er. Le montant du pécule complémentaire est fixé à (235,21 EUR). <AR 2000-07-20/63, art. 3, 33, En vigueur : 01-01-2002>
§ 2. (Le montant fixé au § 1er est porté à (282,03EUR) pour les personnes bénéficiaires du montant minimum garanti prévu en faveur d'un retraité marié.) <AR 2000-06-06/31, art. 2, En vigueur : 01-01-2000> <AR 2000-07-20/63, art. 3, 33, En vigueur : 01-01-2002>
§ 2. (Le montant fixé au § 1er est porté à (282,03EUR) pour les personnes bénéficiaires du montant minimum garanti prévu en faveur d'un retraité marié.) <AR 2000-06-06/31, art. 2, En vigueur : 01-01-2000> <AR 2000-07-20/63, art. 3, 33, En vigueur : 01-01-2002>
Hoofdstuk III. Gemeenschappelijke bepalingen.
Chapitre III. Dispositions communes.
Art. 5. Het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld worden uitbetaald in de loop van de maand mei van het jaar waarvoor zij verschuldigd zijn.
Art. 5. Le pécule de vacances et le pécule complémentaire au pécule de vacances sont payés dans le courant du mois de mai de l'année pour laquelle ils sont dus.
Art. 6. Het totale bedrag van het vakantiegeld en van de aanvullende toeslag wordt beperkt tot het maandelijkse pensioenbedrag betaald in de loop van de maand mei van het jaar waarvoor dit of deze voordelen verschuldigd zijn. Deze beperking wordt bij voorrang toegepast op de aanvullende toeslag.
Voor de toepassing van deze bepaling worden de rust- en overlevingspensioenen die de betrokkene ten laste van één of meerdere van de in artikel 1 van de voormelde wet van 4 juli 1966 bedoelde pensioenregelingen geniet, samengeteld.
Voor de toepassing van deze bepaling worden de rust- en overlevingspensioenen die de betrokkene ten laste van één of meerdere van de in artikel 1 van de voormelde wet van 4 juli 1966 bedoelde pensioenregelingen geniet, samengeteld.
Art. 6. Le montant global du pécule de vacances et du pécule complémentaire est limité au montant mensuel de la pension payée au cours du mois de mai de l'année pour laquelle ce ou ces pécules sont dus, cette limitation étant prioritairement appliquée sur le pécule complémentaire.
Pour l'application de cette disposition, les pensions de retraite et de survie dont l'intéressé bénéfice à charge d'un ou de plusieurs des régimes de pension visés à l'article 1er de la loi du 4 juillet 1966 précitée sont additionnées.
Pour l'application de cette disposition, les pensions de retraite et de survie dont l'intéressé bénéfice à charge d'un ou de plusieurs des régimes de pension visés à l'article 1er de la loi du 4 juillet 1966 précitée sont additionnées.
Art. 7. De bedragen van het vakantiegeld en van de aanvullende toeslag zoals zij voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 2, 4 en 6, worden respectievelijk verminderd met de bedragen van het vakantiegeld en van de aanvullende toeslag toegekend aan de betrokkene met toepassing van de bepalingen van de regeling voor werknemerspensioenen en, indien het gaat om (een gehuwde gepensioneerde), met het bedrag van de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld die zijn echtgenoot eventueel geniet. <KB 1994-03-24/30, art. 6, Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 7. Les montants du pécule de vacances et du pécule complémentaire tels qu'ils découlent de l'application des articles 2, 4 et 6, sont respectivement diminués des montants du pécule de vacances et du pécule complémentaire attribués à l'intéressé par application des dispositions du régime de pensions des travailleurs salariés et, s'il s'agit d'(un retraité marié), du montant du pécule complémentaire au pécule de vacances dont bénéficie éventuellement son conjoint. <AR 1994-03-24/30, art. 6, En vigueur : 01-01-1993>
Art. 8. Aan een gerechtigde op meerdere pensioenen bedoeld in artikel 1 van de voormelde wet van 4 juli 1966 mag slechts één enkel vakantiegeld toegekend worden.
Indien meerdere pensioenen aanleiding kunnen geven tot een recht op een vakantiegeld, wordt dit vakantiegeld betaald uit hoofde van het hoogste rustpensioen.
Indien het vakantiegeld enkel vanwege het genot van meerdere overlevingspensioenen verschuldigd is, wordt dit voordeel betaald uit hoofde van het hoogste overlevingspensioen.
Indien meerdere pensioenen aanleiding kunnen geven tot een recht op een vakantiegeld, wordt dit vakantiegeld betaald uit hoofde van het hoogste rustpensioen.
Indien het vakantiegeld enkel vanwege het genot van meerdere overlevingspensioenen verschuldigd is, wordt dit voordeel betaald uit hoofde van het hoogste overlevingspensioen.
Art. 8. Il ne peut être alloué qu'un seul pécule de vacances dans le chef d'un titulaire de plusieurs pensions visées à l'article 1er de la loi du 4 juillet 1966 précitée.
Lorsque plusieurs pensions sont susceptibles de donner droit à un pécule de vacances, ce pécule est payé du chef de la pension de retraite la plus élevée.
Si le pécule de vacances est dû uniquement en raison du bénéfice de plusieurs pensions de survie, ce pécule est payé du chef de la pension de survie la plus élevée.
Lorsque plusieurs pensions sont susceptibles de donner droit à un pécule de vacances, ce pécule est payé du chef de la pension de retraite la plus élevée.
Si le pécule de vacances est dû uniquement en raison du bénéfice de plusieurs pensions de survie, ce pécule est payé du chef de la pension de survie la plus élevée.
Art. 9. De last van het vakantiegeld en van de aanvullende toeslag wordt gedragen door de macht of de instelling die het pensioen betaalt dat er recht op geeft.
Die last wordt verdeeld overeenkomstig artikel 13 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, wanneer het bedrag van het pensioen dat recht geeft op vakantiegeld, is vastgesteld met toepassing van die wet.
Die last wordt verdeeld overeenkomstig artikel 13 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, wanneer het bedrag van het pensioen dat recht geeft op vakantiegeld, is vastgesteld met toepassing van die wet.
Art. 9. La charge du pécule de vacances et du pécule complémentaire est supportée par le pouvoir ou l'organisme qui paye la pension qui y donne droit.
Cette charge est répartie conformément à l'article 13 de la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public, lorsqu'il a été fait application de cette loi pour la fixation du taux de la pension qui donne droit à un pécule.
Cette charge est répartie conformément à l'article 13 de la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public, lorsqu'il a été fait application de cette loi pour la fixation du taux de la pension qui donne droit à un pécule.
Art. 10. Het bedrag van het vakantiegeld, het bedrag van de aanvullende toeslag alsook de maximumbedragen bepaald in de artikelen 1 en 2, worden gekoppeld aan het indexcijfer 138,01 van de consumptieprijzen en schommelen op dezelfde wijze als de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.
Art. 10. Le montant du pécule de vacances, le montant du pécule complémentaire ainsi que les montants maximums prévus aux articles 1 et 2 sont liés à l'indice 138,01 des prix à la consommation et varient de la même manière que les pensions de retraite et de survie à charge du Trésor public.
Art. 11. Indien het vakantiegeld of de aanvullende toeslag niet kon worden uitbetaald aan de rechthebbende wegens diens overlijden, wordt het voordeel in kwestie uitbetaald aan de langstlevende echtgenoot of aan de wezen voor wie dit overlijden rechten op een overlevingspensioen doet ontstaan.
Art. 11. Si le pécule de vacances ou le pécule complémentaire n'a pu être payé au bénéficiaire en raison de son décès, il est payé au conjoint survivant ou aux orphelins auxquels ce décès ouvre un droit à une pension de survie.
Art. 12. In de titel van het koninklijk besluit van 12 juli 1979 tot uitvoering van de artikelen 55, 60 en 68 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen worden de woorden "artikelen 55, 60 en 68" vervangen door de woorden "artikelen 55 en 60".
Art. 12. Dans l'intitulé de l'arrêté royal du 12 juillet 1979 portant exécution des articles 55, 60 et 68 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires, les mots "articles 55, 60 et 68" sont remplacés par les mots "articles 55 et 60".
Art. 13. Opgeheven worden:
1° het koninklijk besluit van 23 augustus 1966 betreffende de uitvoering van de wet van 4 juli 1966 houdende toekenning van een vakantiegeld aan de gepensioneerden van de openbare diensten;
2° artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 12 juli 1979.
1° het koninklijk besluit van 23 augustus 1966 betreffende de uitvoering van de wet van 4 juli 1966 houdende toekenning van een vakantiegeld aan de gepensioneerden van de openbare diensten;
2° artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 12 juli 1979.
Art. 13. Sont abrogés:
1° l'arrêté royal du 23 août 1966 relatif à l'exécution de la loi du 4 juillet 1966 accordant un pécule de vacances aux pensionnés des services publics;
2° l'article 2 de l'arrêté royal du 12 juillet 1979 précité.
1° l'arrêté royal du 23 août 1966 relatif à l'exécution de la loi du 4 juillet 1966 accordant un pécule de vacances aux pensionnés des services publics;
2° l'article 2 de l'arrêté royal du 12 juillet 1979 précité.
Art. 14. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1992.
Art. 14. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 1992.
Art. 15. Onze Minister van Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 15. Notre Ministre des Pensions est chargé de l'exécution du présent arrêté.