Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
4 AUGUSTUS 1992. - Wet op het hypothecair krediet. (NOTA 1 : De woorden "Controledienst voor de Verzekeringen", "Controledienst" en "Dienst" worden vervangen door ofwel "CBFA", ofwel "Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen", volgens de art. 27 en 33 van KB 2003-03-25/34 ; 01-01-2004) (NOTA : Opgeheven bij <KB2014-04-19/39, art. 53, 3°, 015; Inwerkingtreding : 01-04-2015, [behalve voor wat betreft de artikelen 37 en 43 tot 44], vastgesteld door KB2014-04-19/40, art. 2; gewijzigd bij KB2015-06-28/02, art. 1>) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-07-1994 en tekstbijwerking tot 28-05-2014)
Titre
4 AOUT 1992. - Loi relative au crédit hypothécaire. (NOTE 1 : les termes "Office de Contrôle des Assurances", "Office de Contrôle" et "Office" sont remplacés par soit "CBFA", soit par "Commission bancaire, financière et des assurances", selon les art. 27 et 33 de l'AR 2003-03-25/34 ; En vigueur : 01-01-2004) (NOTE : Abrogé par <AR2014-04-19/39, art. 53, 3°, 015; En vigueur : 01-04-2015, [sauf pour ce qui concerne les articles 37 et 43 à 44], fixée par AR2014-04-19/40, art. 2; modifié par AR2015-06-28/02, art. 1>)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-07-1994 et mise à jour au 28-05-2014)
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (86)
Texte (86)
TITEL I. - Het hypothecair krediet.
TITRE I. - Le crédit hypothécaire.
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Artikel 1. Deze titel is van toepassing op het hypothecair krediet bestemd voor het financieren van het verwerven of behouden van onroerende zakelijke rechten, toegekend aan een natuurlijke persoon die (hoofdzakelijk) handelt met een oogmerk dat geacht kan worden vreemd te zijn aan zijn handels-, beroeps- of ambachtelijke activiteiten en die, op het ogenblik van het sluiten van het contract, zijn gewone verblijfplaats in België heeft : <W 2003-03-24/40, art. 83, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  a) hetzij door een kredietgever die zijn hoofdzetel of hoofdverblijfplaats in België heeft;
  b) hetzij door een kredietgever die zijn hoofdzetel of hoofdverblijfplaats buiten België heeft op voorwaarde dat de overeenkomst is voorafgegaan in België door een bijzonder voorstel of publiciteit en dat de kredietnemer de voor de sluiting van de overeenkomst noodzakelijke handelingen in België verricht heeft.
Article 1. Le présent titre s'applique au crédit hypothécaire ayant pour objet le financement de l'acquisition ou la conservation de droits réels immobiliers, consenti à une personne physique qui agit (principalement) dans un but pouvant être considéré comme étranger à ses activités commerciales, professionnelles ou artisanales et qui, au moment de la conclusion du contrat, a sa résidence habituelle en Belgique : <L 2003-03-24/40, art. 83, 009; En vigueur : 01-01-2004>
  a) soit par un prêteur ayant son siège principal ou sa résidence principale en Belgique;
  b) soit par un prêteur ayant son siège principal ou sa résidence principale en dehors de la Belgique à la condition que le contrat ait été précédé en Belgique d'une proposition particulière ou d'une publicité et que l'emprunteur ait accompli en Belgique les actes nécessaires à la conclusion du contrat.
Art.2. Voor de toepassing van deze wet wordt beschouwd als hypothecair krediet :
  1. het krediet gewaarborgd door een hypotheek of een voorrecht op onroerend goed of door de inpandgeving van een op dezelfde wijze gewaarborgde schuldvordering;
  2. de schuldvordering die voortspruit uit de indeplaatsstelling van één of meer derde personen in de rechten van een schuldeiser die bevoorrecht is op een onroerend goed;
  3. het krediet bedongen met het recht een hypothecaire waarborg te eisen, zelfs indien dit recht in een afzonderlijke akte bedongen is;
  4. het garantiekrediet waarbij aan de borg of garant een hypothecaire waarborg wordt toegekend.
Art.2. Pour l'application de la présente loi, est considéré comme crédit hypothécaire :
  1. le crédit garanti par une hypothèque ou un privilège sur un immeuble ou par le nantissement d'une créance garantie de la même manière;
  2. la créance résultant de la subrogation d'une ou plusieurs tierces personnes dans les droits d'un créancier privilégié sur un immeuble;
  3. le crédit stipulant le droit de requérir une garantie hypothécaire, même si ce droit est stipulé dans un acte distinct;
  4. le crédit sur garantie lorsqu'une garantie hypothécaire est consentie au profit de la caution ou du garant.
HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions générales.
Art.3. Elk beding strijdig met de bepalingen van deze titel en van zijn uitvoeringsbesluiten is nietig.
  Onverminderd de toepassing van internationale verdragen of overeenkomsten, zijn nietig alle clausules en privaatrechtelijke overeenkomsten die, met uitsluiting van de Belgische rechter, aan de buitenlandse rechtbanken de bevoegdheid toewijzen om kennis te nemen van alle geschillen die betrekking hebben op de contracten van hypothecair krediet.
Art.3. Toute stipulation contraire aux dispositions du présent titre et de ses arrêtés d'exécution est nulle.
  Sans préjudice de l'application des traités et accords internationaux, sont nuls toutes clauses et tous accords de droit privé attribuant aux tribunaux étrangers, à l'exclusion du juge belge, compétence pour connaître de toutes contestations relatives aux contrats de crédit hypothécaire.
Art.4. In de zin van deze wet moet worden verstaan onder :
  1° " kapitaal " : de schuld in hoofdsom die het voorwerp uitmaakt van de kredietovereenkomst;
  2° " kredietopening " : elke kredietovereenkomst waarbij geld ter beschikking wordt gesteld van de kredietnemer die ervan gebruik kan maken door middel van geldopname of op een andere wijze;
  3° " verschuldigd blijvend saldo " : het bedrag in hoofdsom dat moet gestort worden om het kapitaal af te lossen, te reconstitueren of terug te betalen;
  (4° "rentevoet" : de voet, uitgedrukt in percent per periode waartegen de interesten voor dezelfde periode berekend worden : iedere vermindering of vermeerdering van de kredietkosten, om welke reden ook en die niet bedoeld is in hoofdstuk III van deze titel, moet in de rentevoet worden verrekend.) <W 1998-03-13/37, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1998>
  5° " vestigingsakte " : het geheel van de authentieke en onderhandse akten en elk document dat bepalingen bevat die eenzelfde krediet regelen.
Art.4. Au sens de la présente loi, il faut entendre par :
  1° " capital " : la dette en principal sur lequel porte le contrat de crédit;
  2° " ouverture de crédit " : tout contrat de crédit aux termes duquel une somme d'argent est mise à la disposition de l'emprunter qui peut l'utiliser en prélevant de l'argent ou d'une autre manière;
  3° " solde restant dû " : le montant à verser en principal pour amortir, reconstituer ou rembourser le capital;
  (4° "taux d'intérêt" : le taux, exprimé en pourcentage par période, auquel les intérêts sont calculés pour la même période : toute diminution ou toute majoration de coût du crédit, pour quelque raison que ce soit et qui n'est pas visée au chapitre III du présent titre, doit être reprise dans le taux d'intérêt.) <L 1998-03-13/37, art. 2, 004; En vigueur : 01-09-1998>
  5° " acte constitutif " : l'ensemble des actes authentiques et sous seing privé ainsi que tout document contenant des dispositions régissant un même crédit.
Art.5. In de zin van deze wet is er :
  1° " aflossing van het kapitaal " wanneer de kredietnemer de verplichting aangaat tijdens de looptijd van het krediet stortingen te verrichten die het kapitaal onmiddellijk met de overeenkomstige som verminderen;
  2° " reconstitutie van het kapitaal " wanneer de kredietnemer de verplichting aangaat tijdens de looptijd van het krediet stortingen te doen die, alhoewel contractueel aangewend voor de terugbetaling van het kapitaal, niet onmiddellijk een overeenkomstige bevrijding tegenover de kredietgever meebrengen; zij komen slechts in mindering van het kapitaal op de tijdstippen en in de voorwaarden die in het contract of door de wet bepaald worden.
  De reconstitutie moet gebeuren door middel van een aan het krediet toegevoegd contract.
  Dit toegevoegd contract mag enkel bestaan uit een levensverzekeringscontract, uit een kapitalisatiecontract of uit een andere vorm van sparen.
  Het gereconstitueerde kapitaal is op eender welk ogenblik de afkoopwaarde of het verzekerd of gevormd kapitaal in geval van een levensverzekerings- of kapitalisatieovereenkomst of het reeds gespaarde kapitaal in de andere gevallen van spaarovereenkomsten.
  Wanneer de reconstitutie bij de kredietgever gebeurt, wordt, ingeval van wettelijke of gerechtelijke ontbinding of van faillissement van deze laatste, het gereconstitueerd kapitaal bij schuldvergelijking aangewend voor de vermindering van de schuldvordering van de kredietgever zonder dat enige vergoeding verschuldigd is.
  Wanneer de reconstitutie niet bij de kredietgever gebeurt, wordt de reconstituerende derde, op het ogenblik waarop het krediet opeisbaar of terugbetaalbaar wordt, de enige schuldenaar van de kredietgever voor het gereconstitueerd kapitaal. In dit geval oefent de kredietgever de rechten uit van de kredietnemer tegenover de reconstituerende derde.
  De Koning kan bijkomende regels bepalen waaraan de reconstitutie moet voldoen.
  3° " terugbetaling van het kapitaal " wanneer het bedrag van het krediet verminderd wordt hetzij op de eindvervaldag hetzij vervroegd, zonder dat in het laatste geval enige verplichting van periodiciteit moet worden geëerbiedigd.
Art.5. Au sens de la présente loi, il y a :
  1° " amortissement du capital " lorsque l'emprunteur contracte l'obligation d'effectuer, pendant la durée du crédit, des versements qui réduisent immédiatement le capital à due concurrence;
  2° " reconstitution du capital " lorsque l'emprunteur contracte l'obligation d'effectuer, pendant la durée du crédit, des versements qui, quoique conventionnellement affectés au remboursement du capital, n'entraînent pas libération immédiate correspondante envers le prêteur; ils ne réduisent le capital qu'aux époques et dans les conditions prévues par le contrat ou par la loi.
  La reconstitution doit s'effectuer par un contrat adjoint au crédit.
  Ce contrat adjoint ne peut être qu'un contrat d'assurance-vie, un contrat de capitalisation ou une autre constitution d'épargne.
  Le capital reconstitué est à tout moment la valeur de rachat ou le capital assuré ou constitué en cas de contrat d'assurance-vie ou de capitalisation ou le capital déjà épargné dans les autres cas de contrats d'épargne.
  Si la reconstitution s'opère auprès du prêteur, en cas de dissolution légale ou judiciaire ou de faillite de ce dernier, le capital reconstitué est affecté par compensation à la réduction de la créance du prêteur sans qu'une indemnité ne soit due.
  Si la reconstitution ne s'opère pas auprès du prêteur, au moment où le crédit devient exigible ou remboursable, le tiers reconstituant devient envers le prêteur le seul débiteur du capital reconstitué. Dans ce cas, le prêteur exerce les droits de l'emprunteur envers ce tiers reconstituant.
  Le Roi peut fixer des règles complémentaires auxquelles la reconstitution doit satisfaire.
  3° " remboursement du capital " lorsque le montant du crédit est réduit, soit à son terme, soit par anticipation, sans que, dans ce dernier cas, aucune obligation de périodicité ne doive être respectée.
Art.6. § 1. Er bestaat in de zin van deze wet en met het oog op haar toepassing " aangehecht contract " wanneer de kredietnemer, in uitvoering van een voorwaarde van het krediet waarvan het niet-naleven de opeisbaarheid van de schuldvordering kan veroorzaken, een verzekeringsovereenkomst onderschrijft of handhaaft. Dat aangehecht contract mag niets anders zijn dan :
  - een schuldsaldoverzekering die het overlijdensrisico dekt teneinde contractueel de terugbetaling van het krediet te waarborgen;
  - een verzekering die het risico dekt van de beschadiging van het onroerend goed dat in waarborg aangeboden werd;
  - een borgtochtverzekering.
  § 2. Het is de kredietgever verboden zich in de vestigingsakte het recht voor te behouden in de loop van het contract een verhoging van de dekking op te leggen.
  Het is de kredietgever verboden de kredietnemer rechtstreeks of zijdelings te verplichten het aangehecht contract te sluiten bij een door de kredietgever aangewezen verzekeraar.
  § 3. Wanneer er een aangehecht contract van schuldsaldoverzekering is, wordt, op het ogenblik van het overlijden van de verzekerde, het verzekerd kapitaal gebruikt om het verschuldigd blijvend saldo terug te betalen en om, in voorkomend geval, de lopende en niet-vervallen interesten te betalen.
  Wanneer het kapitaal van zulke verzekering hoger is dan het verschuldigd blijvend saldo, mag de kredietnemer op elk ogenblik dat kapitaal doen verminderen tot het passend bedrag.
  Wanneer de verzekering slechts op een gedeelte van het kapitaal van het krediet betrekking heeft, worden dezelfde regels proportioneel toegepast.
  § 4. De Koning bepaalt de bijkomende regels waaraan de aanhechting moet voldoen.
Art.6. § 1. Il y a, au sens et en vue de l'application de la présente loi, " contrat annexé " lorsque l'emprunteur souscrit ou maintient en vigueur un contrat d'assurance, en exécution d'une condition du crédit dont le non-respect pourrait entraîner l'exigibilité de la créance. Ce contrat annexé ne peut être que :
  - une assurance du solde restant dû couvrant le risque de décès, destinée conventionnellement à garantir le remboursement du crédit;
  - une assurance couvrant le risque de dégradation de l'immeuble offert en garantie;
  - une assurance caution.
  § 2. Il est interdit au prêteur de se réserver dans l'acte constitutif la faculté d'imposer au cours du contrat une majoration de la couverture.
  Il est interdit au prêteur d'obliger directement ou indirectement l'emprunteur à souscrire le contrat annexé auprès d'un assureur désigné par le prêteur.
  § 3. Lorsqu'il existe un contrat annexé d'assurance du solde restant dû, le capital assuré est utilisé, au moment du décès de l'assuré, au remboursement du solde restant dû et, le cas échéant, au paiement des intérêts courus et non échus.
  Lorsque le capital d'une telle assurance est supérieur au solde restant dû, l'emprunteur peut à tout moment faire réduire ce capital à due concurrence.
  Lorsque l'assurance ne porte que sur une quotité du capital du crédit, les mêmes règles s'appliquent proportionnellement.
  § 4. Les règles complémentaires auxquelles l'annexion doit satisfaire sont déterminées par le Roi.
Art.7. De rentevoet is vast of veranderlijk.
Art.7. Le taux d'intérêt est fixe ou variable.
Art.8. Indien één of meer vaste rentevoeten bedongen zijn, gelden deze voor de duur bedongen in de kredietovereenkomst.
Art.8. Si un ou plusieurs taux d'intérêt fixes ont été stipulés, celui-ci ou ceux-ci s'appliquent pendant la durée stipulée dans la convention de crédit.
Art.9. <W 1998-03-13/37, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1998> § 1. Indien de veranderlijkheid van rentevoet overeengekomen werd, mag er maar één rentevoet zijn per kredietovereenkomst. Op deze rentevoet zijn de volgende regels van toepassing :
  1° De rentevoet moet zowel in meer als in min schommelen.
  2° De rentevoet mag slechts veranderen bij het verstrijken van bepaalde periodes die niet minder dan één jaar mogen bedragen.
  3° De verandering van de rentevoet moet gebonden zijn aan de schommelingen van een referteïndex, genomen uit een reeks referteindexen in functie van de duur van de perioden van verandering van de rentevoet.
  De lijst en de berekeningswijze van de referteïndexen worden bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de Nationale Bank van België, van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen en van de [1 FSMA]1 nadat deze de Commissie voor Verzekeringen geraadpleegd heeft. <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  4° De oorspronkelijke rentevoet is de rentevoet waartegen de rente wordt berekend die de kredietnemer verschuldigd is op het tijdstip van de eerste rentebetaling.
  5° De oorspronkelijke waarde van de referteïndex is die van de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van het aanbod bedoeld in artikel 14. In afwijking op die regel dienen de aan titel II van deze wet onderworpen hypotheekondernemingen echter de waarde van de referteïndex te hanteren die voorkomt op hun tarieflijst van rentevoeten voor het desbetreffende type van krediet. In dat geval is die waarde die van de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van dat tarief.
  6° Bij het verstrijken van de periodes bepaald in de vestigingsakte is de rentevoet voor de nieuwe periode gelijk aan de oorspronkelijke rentevoet vermeerderd met het verschil tussen de waarde van de referteïndex verschenen in de kalendermaand die voorafgaat aan de datum van de verandering, en de oorspronkelijke waarde van die index.
  Indien de oorspronkelijke rentevoet het resultaat is van een voorwaardelijke vermindering, mag de kredietgever voor het bepalen van de nieuwe rentevoet uitgaan van een hogere rentevoet indien de kredietnemer de gestelde voorwaarde of voorwaarden niet langer nakomt. De verhoging mag niet meer bedragen dan de vermindering toegekend in het begin van het krediet uitgedrukt in percent per periode.
  7° Onverminderd hetgeen bepaald is in 8° hierna, moet de vestigingsakte bepalen dat de verandering van de rentevoet beperkt wordt zowel in meer als in min, tot een bepaald verschil ten opzichte van de oorspronkelijke rentevoet, zonder dat dit verschil in geval van stijging van de rentevoet meer mag bedragen dan het verschil in geval van daling.
  Indien de oorspronkelijke rentevoet het resultaat is van een voorwaardelijke vermindering, mag de vestigingsakte bepalen dat bij de in het eerste lid beoogde verandering rekening wordt gehouden met een hogere rentevoet, indien de gestelde voorwaarde of voorwaarden voor de vermindering niet langer worden nagekomen. De toegepaste verhoging mag niet meer bedragen dan de vermindering toegekend in het begin van het krediet uitgedrukt in percent per periode.
  De vestigingsakte mag verder bepalen dat er geen wijziging van rentevoet is dan wanneer de wijziging in meer of in min, ten aanzien van de rentevoet van de vorige periode, een bepaald minimumverschil bereikt.
  8° Indien de eerste periode een kortere duur heeft dan drie jaren, kan een verhoging van de rentevoet niet tot gevolg hebben dat de rentevoet die van toepassing is gedurende het tweede jaar verhoogd wordt met meer dan wat overeenstemt met één procentpunt 's jaars ten opzichte van de oorspronkelijke rentevoet, noch dat de rentevoet die van toepassing is gedurende het derde jaar verhoogd wordt met meer dan wat overeenstemt met twee procentpunten 's jaars ten opzichte van die oorspronkelijke rentevoet.
  § 2. a) In geval van verandering van de rentevoet en wanneer er aflossing is van het kapitaal, worden de bedragen der periodieke lasten berekend aan de nieuwe rentevoet volgens de bepalingen van de vestigingsakte.
  Bij gebrek aan zulke bepalingen worden de periodieke lasten berekend in functie van het verschuldigd blijvend saldo en van de overblijvende looptijd, volgens de technische methode die oorspronkelijk gebruikt werd.
  b) In geval van verandering van de rentevoet en wanneer er geen aflossing is van het kapitaal, worden de interesten berekend aan de nieuwe rentevoet volgens de technische methode die oorspronkelijk gebruikt werd.
  § 3. De tijdstippen, voorwaarden en modaliteiten van de verandering van de rentevoet evenals de oorspronkelijke waarde van de referteindex moeten voorkomen in de vestigingsakte.
  § 4. Bij verandering van de rentevoet moet de wijziging medegedeeld worden aan de kredietnemer ten laatste op de datum dat de interesten aan de nieuwe rentevoet beginnen te lopen. In voorkomend geval moet bij die mededeling kosteloos een nieuw aflossingsplan worden gevoegd waarin de gegevens bedoeld in artikel 21, § 1, zijn opgenomen voor de overblijvende looptijd.
  § 5. Bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt de Koning de nadere regels welke voor de toepassing van dit artikel nodig zijn.
  
Art.9. <L 1998-03-13/37, art. 3, 004; En vigueur : 01-09-1998> § 1er. Si la variabilité du taux d'intérêt a été convenue, il ne peut y avoir qu'un taux d'intérêt par contrat de crédit. Les règles suivantes sont applicables à ce taux d'intérêt :
  1° Le taux d'intérêt doit fluctuer tant à la hausse qu'à la baisse.
  2° Le taux d'intérêt ne peut varier qu'à l'expiration de périodes déterminées, qui ne peuvent être inférieures à un an.
  3° La variation du taux d'intérêt doit être liée aux fluctuations d'un indice de référence pris parmi une série d'indices de référence en fonction de la durée des périodes de variation du taux d'intérêt.
  La liste et le mode de calcul des indices de référence sont déterminés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pris sur avis de la Banque Nationale de Belgique, de la Commission bancaire et financière et de la [1 FSMA]1 après consultation, par ce dernier, de la Commission des Assurances. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  4° Le taux d'intérêt initial est le taux qui sert de base au calcul des intérêts dus par l'emprunteur lors du premier versement en intérêt.
  5° La valeur initiale de l'indice de référence est celle du mois civil précédant la date de l'offre visée à l'article 14. Toutefois, par dérogation à cette règle, les entreprises hypothécaires soumises au titre II de la présente loi doivent utiliser la valeur de l'indice de référence figurant à leur tarif de taux d'intérêt pour le type de crédit considéré. Dans ce cas, cette valeur est celle du mois civil précédant la date de ce tarif.
  6° A l'expiration des périodes déterminées dans l'acte constitutif, le taux d'intérêt afférent à la nouvelle période est égal au taux d'intérêt initial augmenté de la différence entre la valeur de l'indice de référence publiée dans le mois civil précédant la date de la variation, et la valeur initiale de cet indice.
  Si le taux d'intérêt initial est le résultat d'une réduction conditionnelle, le prêteur peut, pour la fixation du nouveau taux d'intérêt, se baser sur un taux d'intérêt plus élevé si l'emprunteur ne respecte pas la ou les conditions prévues. La majoration ne peut excéder la réduction accordée au début du crédit, exprimée en pourcentage par période.
  7° Sans préjudice de ce qui est prévu au 8° ci-dessous, l'acte constitutif doit stipuler que la variation du taux d'intérêt est limitée, tant à la hausse qu'à la baisse, à un écart déterminé par rapport au taux d'intérêt initial, sans que cet écart en cas de hausse du taux d'intérêt puisse être supérieur à l'écart en cas de baisse.
  Si le taux d'intérêt initial résulte d'une réduction conditionnelle, l'acte constitutif peut prévoir que la variation visée à l'alinéa 1er s'opère sur la base d'un taux d'intérêt supérieur si la ou les conditions fixées pour l'octroi de la réduction ne sont plus remplies. La hausse appliquée ne peut être supérieure à la réduction accordée au moment de la prise de cours du crédit, exprimée en pourcentage par période.
  L'acte constitutif peut également prévoir que le taux d'intérêt ne varie que si la modification à la hausse ou à la baisse produit, par rapport au taux d'intérêt de la période précédente, une différence minimale déterminée.
  8° Si la première période a une durée inférieure à trois années, une variation à la hausse du taux d'intérêt ne peut pas avoir pour effet d'augmenter le taux d'intérêt applicable à la deuxième année de plus de l'équivalent d'un point pour cent l'an par rapport au taux d'intérêt initial, ni d'augmenter le taux d'intérêt applicable à la troisième année de plus de l'équivalent de deux points pour cent l'an par rapport à ce taux d'intérêt initial.
  § 2. a) En cas de variation du taux d'intérêt et lorsqu'il y a amortissement du capital, les montants des charges périodiques sont calculés au nouveau taux d'intérêt et selon les dispositions de l'acte constitutif.
  A défaut de telles dispositions, les charges périodiques sont calculées en fonction du solde restant dû et de la durée restant à courir, suivant la méthode technique utilisée initialement.
  b) En cas de variation du taux d'intérêt et lorsqu'il n'y a pas d'amortissement du capital, les intérêts sont calculés au nouveau taux suivant la méthode technique utilisée initialement.
  § 3. Les époques, conditions et modalités de variation du taux d'intérêt ainsi que la valeur initiale de l'indice de référence doivent figurer dans l'acte constitutif.
  § 4. Lorsqu'il y a variation du taux d'intérêt, la modification doit être communiquée à l'emprunteur au plus tard à la date de prise de cours des intérêts au nouveau taux d'intérêt. Elle doit être, le cas échéant, accompagnée, sans frais, d'un nouveau tableau d'amortissement reprenant les données visées à l'article 21, § 1er, pour la durée restant à courir.
  § 5. Le Roi détermine les modalités d'application du présent article par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  
Art.10. De interesten moeten berekend worden :
  - in geval van aflossing, op het verschuldigd blijvend saldo;
  - in geval van reconstitutie, op het kapitaal of, na een gedeeltelijke terugbetaling, op het nog terug te betalen kapitaal.
  In het geval van een kredietopening moeten de interesten berekend worden op het gedeelte van het kapitaal dat opgenomen is.
  Is verboden, het eisen of het doen betalen :
  a) van interesten vóór het verstrijken van de periode waarvoor zij berekend zijn;
  b) van interesten in gedeelten van de perioden waarvoor zij berekend zijn.
  Indien de interesten krachtens de vestigingsakte aan een derde moeten worden betaald, is deze betaling bevrijdend voor de kredietnemer tegenover de kredietgever.
Art.10. Les intérêts doivent être calculés :
  - en cas d'amortissement, sur le solde restant dû;
  - en cas de reconstitution, sur le capital ou, après un remboursement partiel, sur le capital restant à rembourser.
  Dans le cas d'une ouverture de crédit, les intérêts doivent être calculés sur la partie du capital qui a été prélevée.
  Il est interdit d'exiger ou de faire payer :
  a) des intérêts avant l'expiration de la période pour laquelle ils sont calculés;
  b) des intérêts par fractions des périodes pour lesquelles ils sont calculés.
  Si les intérêts doivent, en vertu de l'acte constitutif, être payés à un tiers, ce paiement est libératoire pour l'emprunteur envers le prêteur.
HOOFDSTUK III. - Kosten en vergoedingen.
CHAPITRE III. - Frais et indemnités.
Art.11. Behoudens de wettelijke kosten behorend bij de hypotheek en wat krachtens andere wettelijke of reglementaire bepalingen kan verschuldigd zijn, mogen slechts kosten voor de samenstelling van het dossier en kosten voor de schatting der in waarborg aangeboden goederen ten laste van de kredietaanvrager of de kredietnemer gelegd worden.
  Geen kosten voor schatting zijn verschuldigd dan nadat de schatting is geschied. Geen dossierkosten zijn verschuldigd dan nadat het in artikel 14 bedoelde aanbod is gedaan. Voorschotten dienen in het tegenovergestelde geval terug betaald te worden.
  Indien de schattingskosten ten laste van de kredietaanvrager worden gelegd, moeten zij hem vooraf worden medegedeeld. Hij ontvangt onverwijld kopie van het schattingsverslag.
Art.11. En dehors des frais légaux inhérents à l'hypothèque et de ce qui pourrait être dû en vertu d'autres dispositions légales ou réglementaires, ne peuvent être mis à charge du demandeur de crédit ou de l'emprunteur que des frais de constitution de dossier et des frais d'expertise des biens offerts en garantie.
  Les frais d'expertise ne sont dus que si l'expertise a eu lieu. Les frais de dossier ne sont dus qu'après que l'offre visée à l'article 14 a été faite. Dans le cas contraire, toute avance doit être remboursée.
  Si les frais d'expertise sont mis à la charge du demandeur de crédit, ils doivent lui être communiqués au préalable. Il reçoit sans délai une copie du rapport d'expertise.
Art.12. § 1. De kredietgever mag een vergoeding bedingen voor het geval van een gehele of gedeeltelijke vervroegde terugbetaling.
  Deze vergoeding dient berekend te worden, aan de rentevoet van het krediet, op het bedrag van het verschuldigd blijvend saldo.
  Voor deze berekening dient dat bedrag, wanneer er een toegevoegd contract is waarvan de afkoopwaarde niet aangewend wordt voor de terugbetaling, verminderd te worden met die afkoopwaarde.
  Bij gedeeltelijke terugbetaling moeten deze regels proportioneel toegepast worden.
  Deze vergoeding mag niet méér bedragen dan drie maanden interest.
  Er is geen vergoeding verschuldigd in geval van terugbetaling na overlijden, in uitvoering van een aangehecht of toegevoegd contract.
  § 2. In het geval van een kredietopening mag de kredietgever een vergoeding bedingen voor terbeschikkingstelling van het kapitaal.
  Deze vergoeding wordt berekend op het niet-opgenomen deel van het toegestane krediet.
  § 3. De vergoedingen bedoeld in de §§ 1 en 2 moeten in de vestigingsakte worden vermeld.
Art.12. § 1. Le prêteur peut stipuler une indemnité pour le cas de remboursement anticipé total ou partiel.
  Cette indemnité doit être calculée, au taux d'intérêt du crédit, sur le montant du solde restant dû.
  Pour le calcul, lorsqu'il existe un contrat adjoint dont la valeur de rachat n'est pas affectée au remboursement, ce montant doit être diminué de cette valeur de rachat.
  En cas de remboursement partiel, ces règles doivent être appliquées proportionnellement.
  Cette indemnité ne peut excéder trois mois d'intérêt.
  Aucune indemnité n'est due dans le cas d'un remboursement consécutif au décès, en exécution d'un contrat annexé ou adjoint.
  § 2. Dans le cas d'une ouverture de crédit, le prêteur peut stipuler une indemnité pour mise à disposition du capital.
  Cette indemnité est calculée sur la fraction non prélevée du crédit accordé.
  § 3. Les indemnités visées aux §§ 1er et 2 doivent être mentionnées dans l'acte constitutif.
Art.13. Geen andere vergoeding dan deze voorzien in artikel 12, noch een bezoldiging voor bemiddeling, onder welke benaming of vorm en voor wie ook bestemd, mogen ten laste gelegd worden van de kredietaanvrager of van de kredietnemer.
Art.13. Aucune indemnité autre que celles prévues à l'article 12, ni une rémunération de négociation quels qu'en soient la dénomination, la forme ou le bénéficiaire ne peuvent être mises à charge du demandeur de crédit ou de l'emprunteur.
HOOFDSTUK IV. - De kredietovereenkomst.
CHAPITRE IV. - Le contrat de crédit.
Art.14. Vooraleer de kredietovereenkomst ondertekend wordt, dient de kredietgever aan de kandidaat-kredietnemer een schriftelijk aanbod over te maken dat alle contractvoorwaarden bevat en de geldigheidsduur van het aanbod vermeldt.
  (Ten laatste bij het overmaken van het aanbod dient de kredietgever aan de kandidaat-kredietnemer het aflossingsplan van het aangeboden krediet over te maken.) <W 1998-03-13/37, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1998>
Art.14. Avant la signature du contrat, le prêteur doit fournir au candidat-emprunteur une offre écrite qui contient toutes les conditions du contrat, ainsi que la durée de validité de l'offre.
  (Au plus tard au moment de la remise de l'offre, le prêteur remet au candidat-emprunteur un tableau d'amortissement relatif au crédit faisant l'objet de cette offre.) <L 1998-03-13/37, art. 4, 004; En vigueur : 01-09-1998>
Art.15. De vestigingsakte mag niet bedingen dat de rechten en verplichtingen van de kredietnemer eenzijdig kunnen gewijzigd worden.
  Bij de ondertekening van het contract moet aan de kredietnemer een kopie van de vestigingsakte overhandigd worden.
Art.15. L'acte constitutif ne peut pas stipuler que les droits et obligations de l'emprunteur peuvent être modifiés unilatéralement.
  Au moment de la signature du contrat, une copie de l'acte constitutif doit être remise à l'emprunteur.
Art.16. Het kapitaal moet ter beschikking gesteld worden van de kredietnemer in gereed geld of op girale wijze.
  Het kapitaal mag aan geen enkele index gekoppeld worden, behalve wanneer het krediet toegestaan is onder de vorm van een lening zonder beding van interest; in dit geval mag geen andere index gebruikt worden dan de index der consumptieprijzen.
Art.16. Le capital doit être mis à la disposition de l'emprunteur en espèces ou en monnaie scripturale.
  Le capital ne peut être lié à aucun index, sauf si le crédit est accordé sous forme de prêt sans stipulation d'intérêt; dans ce cas, l'index ne peut être que l'indice des prix à la consommation.
Art.17. § 1. Wanneer de kredietnemer het kapitaal geheel of gedeeltelijk aan de kredietgever in pand geeft, brengen de in pand gehouden bedragen interest op ten voordele van de kredietnemer aan de rentevoet van het krediet. Bij terugbetaling van het krediet bestaat er schuldvergelijking tussen de in pand gehouden bedragen en hun interesten, en de schuldvordering van de kredietgever.
  § 2. Ingeval van wettelijke of gerechtelijke ontbinding of ingeval van faillissement van de kredietgever worden de in pand gehouden bedragen en hun interesten bij schuldvergelijking aangewend voor de vermindering van de schuldvordering van de kredietgever zonder dat enige vergoeding verschuldigd is.
Art.17. § 1. Lorsque l'emprunteur remet en gage, en tout ou en partie, le capital au prêteur, les sommes mises en gage portent intérêt au profit de l'emprunteur au taux d'intérêt du crédit. En cas de remboursement du crédit, les sommes mises en gage et leurs intérêts compensent la créance du prêteur.
  § 2. En cas de dissolution légale ou judiciaire ou de faillite du prêteur, les sommes mises en gage et leurs intérêts sont affectés par compensation à la réduction de la créance du prêteur sans qu'une indemnité soit due.
Art.18. Het is verboden een hypothecair krediet rechtstreeks of zijdelings afhankelijk te stellen van de verplichting effecten zoals obligaties, aandelen, deelbewijzen of deelnemingen, in welke vorm ook, te kopen, te ruilen of erop in te schrijven.
  Het in het vorige lid bedoelde verbod geldt niet voor de inschrijving op de deelbewijzen van de coöperatieve vennootschap of van de onderlinge maatschappij, die het krediet toestaat, voor zover het bedrag van de inschrijving of de storting niet meer bedraagt dan twee ten honderd van het kapitaal van het krediet.
Art.18. Il est interdit de subordonner directement ou indirectement un crédit hypothécaire à l'obligation d'acheter, d'échanger ou de souscrire, sous quelque forme que ce soit, des valeurs mobilières, telles que des obligations, des actions, des parts ou participations.
  L'interdiction visée à l'alinéa précédent ne s'applique pas à la souscription aux parts de la société coopérative ou mutuelle qui accorde le crédit, pour autant que le montant de l'inscription ou du versement n'excède pas deux pour cent du capital du crédit.
Art.19. Het verstrekken van hypothecair krediet mag noch rechtstreeks noch zijdelings afhankelijk worden gemaakt van de verplichting een verzekerings- of kapitalisatieovereenkomst te sluiten of van de verplichting te sparen, tenzij bij wege van een toegevoegd of aangehecht contract bedoeld in de artikelen 5 en 6.
  Wanneer een verzekerings-, kapitalisatie- of spaartegoed wordt aangewend als bijkomende waarborg, anders dan op grond van een toegevoegd contract, kan zulks niet verplichten tot het betalen van premies of het doen van spaarverrichtingen.
Art.19. L'octroi d'un crédit hypothécaire ne peut être subordonné directement ou indirectement à l'obligation de souscrire un contrat d'assurance ou de capitalisation ou à la constitution d'une épargne, si ce n'est par un contrat adjoint ou annexé visé par les articles 5 et 6.
  Lorsqu'un capital d'assurance, de capitalisation ou d'épargne est affecté à titre de garantie complémentaire, autrement que sur la base d'un contrat adjoint, il ne saurait s'ensuivre d'obligation de payer des primes ou d'effectuer des opérations d'épargne.
Art.20. § 1. De uitgifte van wissels en de ondertekening van orderbriefjes ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet zijn verboden.
  § 2. Onverminderd hun geldigheid als handelspapier, zijn de uitgifte van wissels en de ondertekening van orderbriefjes ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet evenwel onder de volgende voorwaarden toegelaten :
  a) het handelspapier dient betaalbaar gesteld op vaste datum, deze vervaldag dient overeen te stemmen met een van de vervaldagen van een aflossingsstorting van het kapitaal zoals bedoeld in artikel 21, § 1;
  b) het handelspapier mag enkel een bedrag weergeven dat niet hoger is dan het bedrag van de aflossingsstortingen die vervallen gedurende het jaar voorafgaand aan de vervaldag van het effect;
  c) het handelspapier dient aan order van de kredietgever te luiden;
  d) de kredietgever verbindt zich ertoe het handelspapier dat aldus werd of zal worden opgemaakt slechts aan een hypotheekonderneming die conform artikel 43, § 1, ingeschreven is, te endosseren, op het handelspapier een verbod te bepalen dit opnieuw te endosseren en het handelspapier slechts te endosseren indien de geëndosseerde voorafgaand en schriftelijk :
  - zich ertoe verbindt het handelspapier niet meer te endosseren;
  - zich ertoe verbindt elke gehele of gedeeltelijke voorafbetaling van het handelspapier te aanvaarden;
  - mandaat geeft aan de kredietgever om elke gehele of gedeeltelijke betaling, voorafgaand of op de vervaldag, te ontvangen en kwijting hiervoor te verlenen. De herroeping van dit mandaat zal tegenwerpelijk zijn aan de kredietnemer op voorwaarde dat de kennisgeving hiervan geschiedt bij aangetekend schrijven;
  - zich ertoe verbindt de betaling waarvoor de kredietgever kwijting heeft verleend op het handelspapier zelf te vermelden.
  De vestigingsakte herneemt de tekst van dit artikel in haar geheel en bepaalt uitdrukkelijk dat de kredietgever de verbintenissen aangegeven in punt d) hierboven op zich neemt. Elke uitgifte van een wissel of ondertekening van een orderbriefje dient in een vestigingsakte te worden vastgesteld met vermelding van de datum van uitgifte of ondertekening van het handelspapier, zijn vervaldag en zijn bedrag.
  De bepalingen van de artikelen 31 en 34, § 2, zijn van toepassing in het geval een handelspapier zou worden opgemaakt in vertegenwoordiging van een hypothecair krediet zonder dat één van deze voorwaarden werd nageleefd.
  (§ 3. Onverminderd hun geldigheid als handelspapieren, zijn de uitgifte van wissels en de ondertekening van orderbriefjes ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet eveneens toegelaten onder de volgende voorwaarden :
  a) elk handelspapier dient aan order van de kredietgever opgemaakt en de volledige identiteit van deze laatste te vermelden;
  b) het totale bedrag vertegenwoordigd door het handelspapier of de handelspapieren opgemaakt ter vertegenwoordiging van eenzelfde hypothecair krediet mag niet hoger zijn dan het kapitaal van het krediet;
  c) elke uitgifte van een wissel of ondertekening van een orderbriefje in het kader van deze paragraaf moet vastgesteld worden in een onderhands of authentiek document dat deel uitmaakt van de vestigingsakte van het krediet. Dit document zal de datum van het opmaken van de handelspapieren vermelden evenals hun respectieve bedragen. De vestigingsakte moet bovendien uitdrukkelijk bepalen dat het opmaken van wissels of orderbriefjes ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet niet toegelaten is dan in de voorwaarden voorzien in artikel 20 en dat in geval van niet naleven van deze voorwaarden, de kredietnemer op grond van artikel 31 recht heeft op de terugbetaling van de opgelopen rente van de kredietovereenkomst;
  d) het endossement van de handelspapieren bedoeld in deze paragraaf kan slechts gebeuren ten voordele van een hypotheekonderneming onderworpen aan Titel II van de huidige wet. Deze beperking moet door de kredietgever vermeld worden op de desbetreffende handelspapieren, op het moment van hun eerste endossement, evenals de verbintenis bedoeld onder littera a) van paragraaf 4.
  § 4. Onverminderd hun geldigheid als handelspapieren, is het ter betaling voorleggen van handelspapieren die opgemaakt werden ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet onderworpen aan de volgende voorwaarden :
  a) de begunstigde van een handelspapier mag dit slechts ter betaling voorleggen nadat hij, in voorkomend geval, zijn bedrag verminderd heeft door gedeeltelijke kwijting, tot een bedrag gelijk aan of lager dan het eisbaar bedrag van het in het kader van het krediet verschuldigd blijvend saldo - zonder het endossement van handelspapieren opgemaakt ter vertegenwoordiging van dit krediet in aanmerking te nemen - op het moment van deze voorlegging;
  b) met het op de toepassing van littera a) van deze paragraaf verbindt de kredietgever er zich toe om aan elke geëndosseerde van het handelspapier, op eenvoudig verzoek, de inlichtingen mede te delen die toelaten om het eisbaar bedrag van het verschuldigd blijvend saldo te bepalen.
  Onverminderd het eventueel verhaal van de kredietgever tegen een geëndosseerde van dusdanig handelspapier, wordt elke betaling verricht door de kredietnemer op voorlegging van een handelspapier opgemaakt ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet, aangerekend op het verschuldigd blijvend saldo van dat krediet en bevrijdt de kredietnemer tegenover de kredietgever tot het passende bedrag. De geëndosseerde kan de kredietnemer beletten nog langere aan de kredietgever te betalen.) <W 1995-04-13/42, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
Art.20. § 1. L'émission de lettres de change et la souscription de billets à ordre en représentation d'un crédit hypothécaire sont interdites.
  § 2. Sans préjudice de la validité de ceux-ci en tant qu'effets de commerce, l'émission de lettres de change et la souscription de billets à ordre en représentation d'un crédit hypothécaire sont toutefois autorisées aux conditions suivantes :
  a) l'effet sera stipulé payable à jour fixe, cette date d'échéance devant correspondre à l'une des dates d'échéance de versement en amortissement du capital tel que visé à l'article 21, § 1er;
  b) l'effet ne pourra stipuler qu'une somme qui ne soit pas supérieure au montant des versements en amortissement dus pendant l'année précédant l'échéance de l'effet;
  c) l'effet devra être à l'ordre du prêteur;
  d) le prêteur s'engage à n'endosser l'effet qui a été ou qui serait ainsi créé qu'à une entreprise hypothécaire inscrite conformément à l'article 43, § 1er, à inscrire sur l'effet lui-même une interdiction d'endosser à nouveau celui-ci et à n'endosser l'effet que si l'endossataire, préalablement et par écrit :
  - s'engage à ne plus endosser l'effet;
  - s'engage à accepter tout payement anticipé, total ou partiel, de l'effet;
  - donne mandat au prêteur de recevoir tout payement de l'effet, partiel ou total, anticipé ou à échéance, et de donner quittance pour celui-ci. La révocation de ce mandat sera opposable à l'emprunteur moyennant notification de celle-ci par lettre recommandée;
  - s'engage à mentionner le payement dont le prêteur a donné quittance sur l'effet lui-même.
  L'acte constitutif reprend l'intégralité du texte du présent article et stipule expressément que le prêteur prend les engagements visés au point d) ci-dessus. Toute émission de lettre de change ou souscription de billet à ordre doit être constatée dans un acte constitutif mentionnant la date d'émission ou de souscription de l'effet, sa date d'échéance et son montant.
  Les dispositions des articles 31 et 34, § 2 sont d'application au cas où un effet serait créé en représentation d'un crédit hypothécaire en ne respectant pas l'une de ces conditions.
  (§ 3. Sans préjudice de leur validité en tant qu'effets de commerce, l'émission de lettres de change ou la souscription de billets à ordre en représentation d'un crédit hypothécaire sont également autorisées aux conditions suivantes :
  a) chaque effet devra être créé à l'ordre du prêteur et mentionner l'identité complète de celui-ci ;
  b) le montant total porté par l'effet ou les effets créés en représentation d'un même crédit hypothécaire ne pourra être supérieur au capital de ce crédit ;
  c) toute émission de lettre de change ou souscription de billet à ordre dans le cadre du présent paragraphe doit être constatée dans un document, sous seing privé ou authentique, faisant partie de l'acte constitutif du crédit. Ce document mentionnera la date de création des effets ainsi que leurs montants respectifs. L'acte constitutif doit également stipuler expressément que la création de lettres de change ou de billets à ordre en représentation d'un crédit hypothécaire n'est autorisée que dans les conditions prévues à l'article 20 et qu'à défaut de respect de ces conditions, l'emprunteur a droit, en vertu de l'article 31, au remboursement des intérêts courus du contrat de crédit ;
  d) l'endossement des effets visés au présent paragraphe ne peut être réalisé qu'au profit d'une entreprise hypothécaire soumise au Titre II de la présente loi. Cette limitation ainsi que l'obligation visée sous le littera a) du paragraphe 4 doivent être mentionnées sur les effets concernés, par le prêteur, au moment de leur premier endossement.
  § 4. Sans préjudice de leur validité en tant qu'effets de commerce, la présentation au paiement d'effets créés en représentation d'un crédit est soumise aux conditions suivantes :
  a) le bénéficiaire d'un effet ne peut présenter celui-ci au paiement qu'après, le cas échéant, avoir réduit son montant, par quittance partielle, à un montant égal ou inférieur au montant exigible du solde restant dû dans le cadre du crédit - abstraction faite de l'endossement d'effets créés en représentation de ce crédit - au moment de ladite présentation ;
  b) en vue de l'application du littera a) du présent paragraphe, le prêteur a l'obligation de communiquer à tout endossataire de l'effet, sur simple demande, les renseignements permettant de déterminer le montant exigible du solde restant dû.
  Sans préjudice du recours éventuel du prêteur contre un endossataire d'un tel effet, tout paiement effectué par l'emprunteur sur présentation d'un effet créé en représentation d'un crédit hypothécaire s'impute sur le solde restant dû dans le cadre de ce crédit et libère l'emprunteur à due concurrence vis-à-vis du prêteur. L'endossataire peut empêcher l'emprunteur d'encore payer au prêteur.) <L 1995-04-13/42, art. 2, 003; En vigueur : 14-02-1997>
Art.21. (§ 1. Bij aflossing van het kapitaal moet de vestigingsakte de periodieke lasten bestaande uit de aflossingsstorting en de interesten vaststellen, evenals de tijdstippen waarop en de voorwaarden waaronder deze bedragen moeten worden betaald.
  Zij moet bovendien een aflossingsplan bevatten dat de samenstelling van iedere periodieke last moet aangeven, alsook het verschuldigd blijvend saldo na iedere betaling.
  Wanneer een rentevoetvermindering wordt toegekend, geeft het aflossingsplan de te betalen bedragen evenals de verschuldigde saldi aan, rekening houdend met die vermindering. Wijzigt de vermindering, dan wordt een nieuw aflossingsplan medegedeeld, dat met de wijzigingen rekening houdt.) <W 1998-03-13/37, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1998>
  § 2. Bij reconstitutie van het kapitaal moet de vestigingsakte de tijdstippen vaststellen waarop en de voorwaarden waaronder de interesten dienen betaald en de reconstitutiestortingen dienen uitgevoerd te worden. Het toegevoegd contract moet nauwkeurig de verplichtingen vermelden die voor de kredietnemer voortvloeien uit de toevoeging.
  § 3. Wanneer noch aflossing noch reconstitutie van het kapitaal is bedongen moet de vestigingsakte de tijdstippen en de voorwaarden van betaling van de interesten vermelden.
Art.21. (§ 1er. S'il y a amortissement du capital, l'acte constitutif doit déterminer les charges périodiques constituées par le versement amortissant et les intérêts, ainsi que les époques et conditions auxquelles doivent être payés ces montants.
  Il doit en plus comprendre un tableau d'amortissement qui doit contenir la décomposition de chaque charge périodique, ainsi que l'indication du solde restant dû après chaque paiement.
  Lorsqu'une réduction de taux d'intérêt est accordée, le tableau d'amortissement indique les montants à payer ainsi que les soldes restant dus compte tenu de cette réduction. Si la réduction subit des changements, un nouveau tableau d'amortissement est communiqué, qui tient compte desdits changements.) <L 1998-03-13/37, art. 5, 004; En vigueur : 01-09-1998>
  § 2. S'il y a reconstitution du capital, l'acte constitutif doit déterminer les époques et conditions auxquelles les intérêts doivent être payés et les versements reconstitutifs effectués. Le contrat adjoint doit indiquer précisément les obligations de l'emprunteur résultant de l'adjonction.
  § 3. Lorsque ni l'amortissement ni la reconstitution du capital ne sont stipulés, l'acte constitutif doit mentionner les époques et les conditions de paiement des intérêts.
Art.22. De reconstitutie mag niet slaan op een bedrag dat groter is dan het kapitaal of, na een gedeeltelijke terugbetaling, het nog terug te betalen kapitaal.
  Indien voor eenzelfde kapitaal meerdere wijzen van aflossing of reconstitutie worden gebruikt, moet de vestigingsakte aanduiden op welk gedeelte van het kapitaal elke wijze betrekking heeft.
Art.22. La reconstitution ne peut porter sur un montant supérieur au capital ou, après un remboursement partiel, au capital restant à rembourser.
  S'il est fait usage, pour un même capital, de plusieurs modes d'amortissement ou de reconstitution, l'acte constitutif doit indiquer la quotité du capital à laquelle se rapporte chacun de ces modes.
Art.23. Wanneer de duur bepaald voor de reconstitutie langer is dan de looptijd van het krediet, heeft de kredietnemer het recht te eisen dat de kredietgever het krediet verder zet, tot op het ogenblik dat het kapitaal gereconstitueerd is, zonder enige vergoeding of renteverhoging.
  In voorkomend geval wordt de nieuwe vestigingsakte verleden op kosten van de kredietnemer.
Art.23. Lorsque la durée prévue pour la reconstitution est supérieure à celle du crédit, l'emprunteur a le droit d'exiger que le prêteur proroge le crédit, sans indemnité ou majoration de taux d'intérêt quelconques, jusqu'au moment de la reconstitution du capital.
  Le cas échéant, le nouvel acte constitutif est passé aux frais de l'emprunteur.
Art.24. Werd als bijkomende waarborg voor het krediet loonsoverdracht bedongen, zo kan deze slechts uitgevoerd en aangewend worden tot beloop van de ten dage van de betekening van de overdracht krachtens de vestigingsakte opeisbare bedragen.
  De aldus geïnde sommen moeten op het ogenblik van de inning aangewend worden ter betaling van de alsdan opeisbare bedragen.
Art.24. Lorsqu'à titre de garantie complémentaire du crédit, une cession de rémunération a été stipulée, celle-ci ne peut être exécutée et affectée qu'à concurrence des montants exigibles en vertu de l'acte constitutif à la date de la notification de la cession.
  Les sommes ainsi percues doivent, lors de leur perception, être affectées au paiement des montants exigibles à ce moment.
Art.25. De oorzaken van vervroegde opeisbaarheid moeten in een afzonderlijke bepaling voorkomen in de vestigingsakte. Zij mogen niet voortvloeien uit een toedoen van de kredietgever.
Art.25. Les causes d'exigibilité avant terme doivent être reprises dans l'acte constitutif par une clause distincte. Elles ne peuvent pas résulter d'un fait du prêteur.
Art.26. § 1. De kredietnemer heeft het recht op ieder ogenblik het kapitaal geheel terug te betalen.
  Behoudens andersluidend beding in de vestigingsakte, heeft de kredietnemer het recht op ieder ogenblik het kapitaal gedeeltelijk terug te betalen. Het andersluidend beding mag niet uitsluiten dat er eenmaal per kalenderjaar een gedeeltelijke terugbetaling is, noch dat er terugbetaling is van een bedrag gelijk aan minstens 10 % van het kapitaal.
  § 2. In geval van reconstitutie heeft de kredietnemer bij de terugbetaling de keuze :
  - wanneer het gaat om een gehele terugbetaling, het gereconstitueerd kapitaal er geheel of gedeeltelijk toe aan te wenden of het niet aan te wenden;
  - wanneer het gaat om een terugbetaling van een fractie van de gehele terugbetaling, dezelfde fractie van het gereconstitueerd kapitaal er geheel of gedeeltelijk toe aan te wenden of niet aan te wenden.
  Bovendien heeft de kredietnemer het recht het niet meer toegevoegd gedeelte van zijn contract te doen in aanmerking nemen om de premies van het contract te verminderen tot hetgeen nodig is om het toegevoegd gedeelte in stand te houden.
  De vestigingsakte moet deze modaliteiten vermelden.
  § 3. De kredietgever mag de afkoop van een toegevoegd contract niet te zijnen gunste bedingen dan voor het geval de opbrengst van de verkoop van het in waarborg gegeven onroerend goed hem niet toelaat de terugbetaling van zijn krediet te bekomen.
  § 4. Zijn bevrijdend tegenover de kredietgever, de stortingen in kapitaal en vergoeding gedaan krachtens de vestigingsakte aan een derde, met het oog op een vervroegde terugbetaling.
Art.26. § 1. L'emprunteur a le droit d'effectuer à tout moment le remboursement total du capital.
  Sauf disposition contraire de l'acte constitutif, l'emprunteur a le droit d'effectuer à tout moment un remboursement partiel du capital. La disposition contraire ne peut exclure un remboursement partiel une fois par année civile, ni le remboursement d'un montant égal à un minimum de 10 % du capital.
  § 2. En cas de reconstitution, l'emprunteur a, au moment du remboursement, le choix :
  - lorsqu'il s'agit d'un remboursement total, d'y affecter totalement ou partiellement le capital reconstitué ou de ne pas l'affecter;
  - lorsqu'il s'agit d'un remboursement d'une fraction du remboursement total, d'y affecter totalement ou partiellement une même fraction du capital reconstitué ou de ne pas l'affecter.
  En outre, l'emprunteur a le droit de faire prendre en considération la partie du contrat qui n'est plus adjointe, pour réduire les primes du contrat à ce qui est requis pour maintenir la partie adjointe.
  L'acte constitutif doit énoncer ces modalités.
  § 3. Le prêteur ne peut stipuler à son bénéfice le rachat d'un contrat adjoint que pour le cas où le produit de la vente du bien immobilier donné en garantie ne lui permet pas d'obtenir le remboursement de son crédit.
  § 4. Sont libératoires envers le prêteur les versements en capital et indemnité effectués en vertu de l'acte constitutif à un tiers, en vue d'un remboursement anticipé.
Art.27. Het gereconstitueerd kapitaal wordt eisbaar op het ogenblik dat :
  1° het krediet de vervaldag bereikt;
  2° de kredietnemer gebruik maakt van zijn wettelijk of bedongen recht het kapitaal terug te betalen;
  3° de kredietgever de door de kredietnemer voorgestelde vervroegde terugbetaling aanvaardt.
Art.27. Le capital reconstitué devient exigible au moment où :
  1° le crédit arrive à échéance;
  2° l'emprunteur exerce son droit légal ou conventionnel de rembourser le capital;
  3° le prêteur accepte le remboursement anticipe proposé par l'emprunteur.
HOOFDSTUK V. - Burgerlijke sancties.
CHAPITRE V. - Sanctions civiles.
Art.28. § 1. Indien de kredietgever de verplichtingen of verbodsbepalingen, vervat in deze titel of in de in uitvoering ervan genomen besluiten, schendt, mag de kredietnemer op ieder ogenblik en zonder enige vergoeding het krediet terug betalen. Indien de kredietnemer van dit recht gebruik maakt en de rentevoet niet kan worden bepaald doordat de vestigingsakte niet de nodige elementen bevat, worden de gelopen interesten berekend aan de wettelijke rentevoet.
  Het vorige lid geldt niet indien de kredietgever bewijst dat de bedoelde schending de kredietnemer geen nadeel heeft berokkend.
  § 2. Het in paragraaf 1 bedoelde rechtsmiddel doet geen afbreuk aan alle overige rechten of middelen van verhaal die de kredietnemer kan doen gelden.
Art.28. § 1. Si le prêteur ne respecte pas les obligations ou interdictions contenues dans le présent titre ou dans ses arrêtés d'exécution, l'emprunteur peut rembourser le crédit à tout moment et sans indemnité quelconque à sa charge. Si l'emprunteur fait usage de ce droit et qu'il n'est pas possible de déterminer le taux d'intérêt parce que l'acte constitutif n'indique pas les éléments nécessaires, les intérêts courus sont calculés au taux légal.
  L'alinéa précédent ne s'applique pas lorsque le prêteur prouve que le non-respect visé ne porte pas préjudice à l'emprunteur.
  § 2. Le droit visé au paragraphe 1er ne porte pas préjudice aux autres droits et recours que l'emprunteur peut faire valoir.
Art.29. Zijn van rechtswege nietig :
  a) de toevoeging of aanhechting van een ander contract dan bedoeld in de artikelen 5 en 6;
  b) de verplichting effecten te verwerven in strijd met artikel 18;
  c) de verplichting tot betaling van premies of tot enig sparen, in strijd met artikel 19.
Art.29. Sont nulles de plein droit :
  a) l'adjonction ou l'annexion d'un contrat autre que visé aux articles 5 et 6;
  b) l'obligation d'acquérir des valeurs mobilières en infraction de l'article 18;
  c) l'obligation de payer des primes ou d'épargner en infraction de l'article 19.
Art.30. Indien aan de verplichting vervat in artikel 16, eerste lid, niet voldaan werd, zijn de rechten van de kredietgever en de verplichtingen van de kredietnemer beperkt tot het gedeelte van het kapitaal dat werkelijk in gereed geld of op girale wijze betaald werd.
Art.30. S'il n'est pas satisfait à l'obligation contenue dans l'article 16, alinéa 1er, les droits du prêteur et les obligations de l'emprunteur sont réduits à la partie du capital effectivement payée en espèces ou en monnaie scripturale.
Art.31. <W 1995-04-13/42, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997> Hij die ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet een wissel of een orderbriefje doet ondertekenen of een dergelijk handelspapier ter betaling voorlegt zonder de bepalingen van artikel 20 na te leven, is ertoe gehouden de opgelopen rente van de kredietovereenkomst aan de kredietnemer terug te betalen.
Art.31. <L 1995-04-13/42, art. 3, 003; En vigueur : 14-02-1997> Celui qui fait signer une lettre de change ou un billet à ordre en représentation d'un crédit hypothécaire ou présente un tel effet au paiement sans se conformer aux dispositions de l'article 20, est tenu de rembourser à l'emprunteur les intérêts courus du contrat de crédit.
Art.32. Wanneer, wegens het niet-naleven van artikel 21 :
  a) het niet mogelijk is de bedragen der aflossingsstortingen te bepalen, is de kredietnemer niet verplicht dergelijke stortingen te doen;
  b) het niet mogelijk is de tijdstippen te bepalen waarop en de voorwaarden waaronder de periodieke lasten, de interesten of de reconstitutiestortingen verschuldigd zijn, is de kredietnemer maar verplicht ze te betalen op de verjaardata van het krediet.
Art.32. Lorsque, par suite d'inobservation de l'article 21 :
  a) il n'est pas possible de déterminer les montants des versements amortissants, l'emprunteur n'est pas tenu d'effectuer de tels versements;
  b) il n'est pas possible de déterminer les époques et conditions auxquelles les charges périodiques, les intérêts ou les versements reconstitutifs sont dus, l'emprunteur n'est tenu de les payer qu'aux dates anniversaires du crédit.
Art.33. Wanneer, wegens het niet-naleven van artikel 21, § 2, de verplichtingen die voortvloeien uit de toevoeging niet aangeduid zijn in het toegevoegd contract, verliest het deze hoedanigheid en is de kredietnemer niet verplicht tot enige reconstitutie.
Art.33. Lorsque, par suite d'inobservation de l'article 21, § 2, les obligations résultant de l'adjonction ne sont pas indiquées dans le contrat adjoint, celui-ci perd ce caractère et l'emprunteur n'est tenu à aucune reconstitution.
HOOFDSTUK VI. - Strafbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions pénales.
Art.34. § 1. Met een gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en met een geldboete van 1 000 frank tot 10 000 frank of met één van deze straffen alleen worden gestraft de kredietgevers evenals de makelaars of andere tussenpersonen die de bepalingen der artikelen 5, 2°, 6, § 2, 18, 19 en 24 overtreden.
  § 2. (Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die ter vertegenwoordiging van een hypothecair krediet, een wisselbrief of een orderbriefje doet ondertekenen of een dergelijk handelspapier ter betaling voorlegt zonder de bepalingen van artikel 20 na te leven.) <W 1995-04-13/42, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
Art.34. § 1. Sont punis d'un emprisonnement d'un mois à cinq ans et d'une amende de 1 000 francs à 10 000 francs ou d'une de ces peines seulement, les prêteurs ainsi que les courtiers ou autres intermédiaires qui contreviennent aux dispositions des articles 5, 2°, 6, § 2, 18, 19 et 24.
  § 2. (Est puni des mêmes peines celui qui fait signer une lettre de change ou un billet à ordre en représentation d'un crédit hypothécaire ou présente un tel effet au paiement sans se conformer aux dispositions de l'article 20.) <L 1995-04-13/42, art. 4, 003; En vigueur : 14-02-1997>
Art.35. Boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 inbegrepen, is toepasselijk op de in dit hoofdstuk bedoelde inbreuken.
Art.35. Le livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, est applicable aux infractions visées par le présent chapitre.
Art.36. Als de overtreder een vennootschap, een vereniging of een instelling met rechtspersoonlijkheid is, zijn de straffen toepasselijk op de schuldige bestuurders, zaakvoerders of vennoten, en is de vennootschap, de vereniging of de instelling burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldelijke veroordelingen.
Art.36. Si le contrevenant est une société, une association ou une institution sous forme de personne juridique, les peines de prison sont applicables aux administrateurs, gérants ou associés coupables et la société, l'association ou l'institution est civilement responsable du paiement des condamnations aux sanctions pécuniaires.
TITEL II. - Controle van de hypotheekondernemingen en de tussenpersonen bij hypothecair krediet.
TITRE II. - Contrôle des entreprises hypothécaires et des intermédiaires de crédit hypothécaire.
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Art.37. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 42, 48 en 49 zijn de bepalingen van deze titel van toepassing op de personen die hoofdzakelijk of aanvullend hun gewoon beroep maken van hypothecaire kredietverrichtingen zoals bedoeld in artikel 1. Zij worden hierna " hypotheekondernemingen " genoemd.
Art.37. Sans préjudice des dispositions des articles 42, 48 et 49, les dispositions du présent titre sont applicables aux personnes qui pratiquent les opérations de crédit hypothécaire visées à l'article 1er et qui en font leur profession habituelle, soit à titre principal, soit à titre d'appoint. Elles sont dénommées ci-après " entreprises hypothécaires ".
HOOFDSTUK II. - De controle.
CHAPITRE II. - Le contrôle.
Art.38. <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De controle wordt uitgeoefend door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, verkort [1 FSMA]1 genoemd.
  
Art.38. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004> Le contrôle est exercé par [1 l'Autorité des services et marchés financiers]1, visée à l'article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, denommée en abrégé [1 FSMA]1.
  
Art.39. § 1. De artikelen 21, §§ 2, 3 en 4, 33, 37, 53 en 55 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zijn van toepassing.
  Voor de toepassing van deze artikelen moeten de uitdrukkingen " toelating ", " verzekeraar " of " onderneming " en " in België een verzekeringscontract als bedoeld in artikel 3 " vervangen worden door de uitdrukkingen " inschrijving ", " hypotheekonderneming " en " verrichtingen van hypothecair krediet ".
  § 2. Voor de toepassing van de huidige wet en haar uitvoeringsbesluiten, kan de Controledienst bij verordening aan de hypotheekondernemingen bepaalde verplichtingen en verbodsbepalingen opleggen om hun verrichtingen in overeenstemming te brengen én met de techniek van het hypothecair krediet én met het algemeen belang van de kredietnemers.
  Die verordeningen worden voor advies voorgelegd aan de in artikel 41 van deze wet voorziene Commissie en zijn onderworpen aan de goedkeuring van de Minister van Economische Zaken. Zij worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  § 3. [1 FSMA]1 kan in het Belgisch Staatsblad en in de media op eigen initiatief elke publicatie doen die hij nodig acht voor de voorlichting en de bescherming van het publiek.
  
Art.39. § 1. Les articles 21, §§ 2, 3 et 4, 33, 37, 53 et 55 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, sont d'application.
  Pour l'application de ces articles les termes " agrément ", " assureur " ou " entreprise " et " un contrat d'assurance en Belgique, tel que visé par l'article 3 " doivent être remplacés par les termes " inscription ", " entreprise hypothécaire " et " des opérations de crédit hypothécaire ".
  § 2. Pour l'application de la presente loi et de ses arrêtés d'exécution, la [1 FSMA]1 peut imposer aux entreprises hypothécaires, par voie de règlement, certaines obligations et interdictions afin de rendre leurs opérations conformes à la fois à la technique du crédit hypothécaire et l'intérêt général des emprunteurs.
  Ces règlements sont soumis à l'avis de la Commission prévue à l'article 41 de cette loi et à l'approbation du Ministre des Affaires économiques. Ils sont publiés au Moniteur belge.
  § 3. la [1 FSMA]1 peut faire publier de sa propre initiative, dans le Moniteur belge ou dans les médias, toute information qu'il juge nécessaire pour renseigner et protéger le public. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  
Art.40. De bevoegdheid van de Commissie voor Verzekeringen, zoals zij uit artikel 41 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen voortvloeit, wordt uitgebreid tot de in deze wet bedoelde ondernemingen en verrichtingen.
Art.40. La compétence de la Commission des Assurances, telle qu'elle résulte de l'article 41 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, est étendue aux entreprises et opérations visées par la présente loi.
Art.42. Met het oog op de doelmatigheid van de controle ingesteld door deze wet kan de Koning de verplichtingen van de makelaars en andere tussenpersonen bij hypothecair krediet alsook de controlemodaliteiten ervan regelen.
Art.42. En vue d'assurer l'efficacité du contrôle institué par la présente loi, le Roi peut réglementer les obligations des courtiers et autres intermédiaires de crédit hypothécaire ainsi que les modalités de contrôle y afferentes.
HOOFDSTUK III. - De hypotheekonderneming.
CHAPITRE III. - L'entreprise hypothécaire.
Art.43. § 1. Een hypotheekonderneming mag haar activiteit niet uitoefenen of verderzetten zonder vooraf te zijn ingeschreven door de (CBFA). <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  De inschrijving wordt verleend aan de ondernemingen die voldoen aan de voorwaarden gesteld in de wet en haar uitvoeringsbesluiten.
  De beslissing om de inschrijving te verlenen wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  Elke weigering van inschrijving moet met redenen worden omkleed en wordt aan de onderneming ter kennis gebracht bij een ter post aangetekende brief.
  § 2. Een hypotheekonderneming kan afstand doen van de inschrijving.
  § 3. De inschrijving kan door de [1 FSMA]1 worden geschrapt wanneer een hypotheekonderneming ernstig te kort komt aan de verplichtingen haar door deze wet of haar uitvoeringsbesluiten opgelegd.
  De inschrijving wordt ambtshalve geschrapt in geval van faillissement of ontbinding van de onderneming.
  De beslissing van de [1 FSMA]1 waarbij de inschrijving wordt geschrapt is met redenen omkleed en wordt aan de hypotheekonderneming bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht; zij wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  Een beroep tegen deze beslissing is niet opschortend.
  § 4. De afstand of de schrapping van de inschrijving houden voor de hypotheekonderneming het verbod in om de activiteit van hypotheekonderneming voort te zetten.
  De [1 FSMA]1 kan alle passende maatregelen opleggen tot vrijwaring van de rechten van de kredietnemers.
  § 5. De nadere regels betreffende de inschrijving, betreffende de voor te leggen documenten en inlichtingen en hun latere wijzigingen, evenals de regels betreffende de afstand en de schrapping van de inschrijving worden bepaald door de Koning.
  § 6. Elke wijziging aan de documenten en inlichtingen bedoeld in § 5 moet vooraf aan de [1 FSMA]1 worden medegedeeld die er ontvangstmelding van doet. [1 FSMA]1 tekent verzet aan tegen de voorgestelde wijziging wanneer deze een inbreuk betekent op de bepalingen van de wet en haar uitvoeringsbesluiten.
  De hypotheekonderneming mag het voorstel toepassen indien geen verzet is aangetekend binnen de maand vanaf de datum van ontvangstmelding.
  § 7. De Koning legt de regels vast betreffende de bewaring en voorlegging van de documenten en inlichtingen die de [1 FSMA]1 nodig acht voor de uitoefening van zijn taak.
  § 8. (opgeheven) <W 2002-08-02/64, art. 127, 007; Inwerkingtreding : onbepaald >
  
Art.43. § 1. Une entreprise hypothécaire ne peut exercer ou continuer son activité sans inscription préalable par la (CBFA).
  L'inscription est accordée aux entreprises qui remplissent les conditions fixées par la loi et ses arrêtés d'exécution.
  La décision d'accorder l'inscription est publiée par extrait au Moniteur belge.
  Tout refus d'inscription doit être motivé et est notifié à l'entreprise par lettre recommandee à la poste.
  § 2. Une entreprise hypothécaire a la faculté de renoncer à l'inscription.
  § 3. L'inscription peut être radiée par la [1 FSMA]1 si une entreprise hypothécaire manque gravement aux obligations imposées par la présente loi ou ses arrêtés d'exécution.
  L'inscription est radiée d'office en cas de faillite ou de dissolution de l'entreprise.
  La décision de la [1 FSMA]1 de radier l'inscription est motivée et notifiée par lettre recommandée à la poste à l'entreprise hypothécaire; elle fait l'objet d'une publication par extrait au Moniteur belge.
  Un recours contre cette décision n'est pas suspensif.
  § 4. La renonciation à l'inscription ou sa radiation emportent pour l'entreprise hypothécaire l'interdiction de poursuivre l'activité d'entreprise hypothécaire.
  La [1 FSMA]1 peut imposer toutes mesures propres à sauvegarder les droits des emprunteurs.
  § 5. Les regles concernant l'inscription, concernant les documents et renseignements à fournir et leurs modifications ultérieures, ainsi que les règles concernant la renonciation à l'inscription et sa radiation sont déterminées par le Roi.
  § 6. Toute modification aux documents et renseignements visés au § 5 doit être communiquée au préalable à [1 FSMA]1 qui en accuse réception. la [1 FSMA]1 s'oppose à la modification projetée lorsque celle-ci viole les dispositions de la loi et de ses arrêtés d'exécution.
  L'entreprise hypothécaire peut exécuter le projet si aucune opposition n'a été faite dans le mois à compter de la date de l'accusé de réception.
  § 7. Le Roi fixe les règles concernant la conservation et la communication des documents et renseignements que la [1 FSMA]1 juge nécessaires à l'exercice de sa mission.
  § 8. (abrogé) <L 2002-08-02/64, art. 127, 007; En vigueur : indéterminée >
  
Art. 43bis. <INGEVOEGD bij W 1994-02-11/30, art. 1, Inwerkingtreding : 1994-03-26>
  § 1. Iedere kredietinstelling die ressorteert onder een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap en op grond van haar nationaal recht hypothecair krediet mag verstrekken in haar land van herkomst, mag, via vestiging van een bijkantoor of in het kader van het vrij verrichten van diensten, hypothecaire kredietovereenkomsten sluiten als bedoeld in artikel 1 zonder voorafgaande inschrijving door de (CBFA). <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  Zodra de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, [2 overeenkomstig de artikelen 312 en 313 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen,]2 door de controle-autoriteit van het land van herkomst van de instelling ervan in kennis wordt gesteld dat de instelling hypothecaire kredietovereenkomsten wil sluiten als bedoeld in artikel 1, deelt zij dit aan de [1 FSMA]1 mee samen met de relevante gegevens die haar door de controle-autoriteit van het land van herkomst zijn toegezonden. <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  (CBFA) stelt de betrokken instellingen in kennis van de bepalingen van deze wet die bij zijn weten van algemeen belang zijn, evenals van de verplichting om de documenten die door de Koning krachtens artikel 43, § 5, van deze wet zijn aangeduid, aan de [1 FSMA]1 voor te leggen vooraleer hypothecaire kredietovereenkomsten als bedoeld in artikel 1 te sluiten. <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  De [1 FSMA]1 meldt onverwijld ontvangst van deze documenten.
  Oordeelt de [1 FSMA]1 dat de voorgelegde documenten in overeenstemming zijn met de bepalingen van algemeen belang van deze wet, dan registreert hij de instelling als hypotheekonderneming en stelt hij de instelling hiervan in kennis, met kopie aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen. De registratie wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  Bij gebrek aan kennisgeving binnen de maand vanaf de datum van ontvangstmelding mag de instelling de voorgenomen werkzaamheden aanvatten na de [1 FSMA]1 hiervan op de hoogte te hebben gebracht. <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  Oordeelt de [1 FSMA]1 dat de voorgelegde documenten niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van algemeen belang van deze wet, dan geeft hij de instelling hiervan kennis. <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  Wordt met deze kennisgeving geen rekening gehouden, dan kan de (CBFA), na de Commissie voor het Bank- en Financiewezen van zijn voornemen te hebben geïnformeerd, de instelling verbieden hypothecaire kredietovereenkomsten als bedoeld in artikel 1 te sluiten. Deze beslissing wordt met een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de instelling, met kopie aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen. Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 43, § 8.
  § 2. De bepalingen van § 1 zijn eveneens toepasselijk op de financiële instellingen [2 als bedoeld in artikel 332 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen]2 die daadwerkelijk hypothecair krediet verstrekken in hun land van herkomst.
  § 3. Wanneer de [1 FSMA]1 vaststelt dat een kredietinstelling of een financiële instelling die onder andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap ressorteert en hypothecaire kredietovereenkomsten sluit als bedoeld in artikel 1, zich niet conformeert aan de bepalingen van algemeen belang van deze wet, maant hij de instelling aan om, binnen de termijn die hij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
  Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, kan de (CBFA), na de Commissie voor het Bank- en Financiewezen van zijn voornemen te hebben geïnformeerd en [2 onverminderd artikel 329, § 6, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen,]2 de instelling verbieden nieuwe hypothecaire kredietovereenkomsten als bedoeld in artikel 1 te sluiten. Deze beslissing wordt met een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de instelling, met kopie aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen. (...) <W 2002-08-02/64, art. 127, 007; Inwerkingtreding : onbepaald > <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  De [1 FSMA]1 kan alle passende maatregelen opleggen tot vrijwaring van de rechten van de kredietnemers. <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 4. Artikel 53 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen is van toepassing op de bestuurders, directeurs, zaakvoerders en lasthebbers van een instelling die kredietovereenkomsten als bedoeld in artikel 1 sluit zonder daartoe gerechtigd te zijn op grond van § 1, leden 4 en 5, of tegen het verbod in dat de [1 FSMA]1 op grond van §§ 1 en 3 heeft opgelegd.
  
Art. 43bis.
  § 1. Les établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre de la Communauté européenne, qui sont habilités en vertu de leur droit national à accorder des crédits hypothécaires dans leur Etat d'origine, peuvent, par voie d'installation de succursales ou dans le cadre de la libre prestation de services, conclure des contrats de crédits hypothécaires visés à l'article 1er, sans inscription préalable par la (CBFA). <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  Dès que, [2 conformément aux articles 312 et 313 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit,]2 la Commission bancaire et financière est informée par l'autorité de contrôle de l'Etat d'origine de l'établissement que celui-ci envisage la conclusion de contrats de crédits hypothécaires visés à l'article 1er, elle en avise la [1 FSMA]1 et lui transmet les informations significatives qui lui ont été communiquées par l'autorité de contrôle de l'Etat d'origine. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  La [1 FSMA]1 informe les établissements concernés des dispositions de la présente loi qui, à sa connaissance, sont d'intérêt général et leur fait part de l'obligation de soumettre préalablement à la [1 FSMA]1 les documents déterminés par le Roi en vertu de l'article 43, § 5, de cette loi. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  La [1 FSMA]1 accuse sans délai réception de ces documents. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  S'il estime que les documents produits sont conformes aux dispositions d'intérêt général de la présente loi, la [1 FSMA]1 procède à l'enregistrement de l'établissement comme entreprise hypothécaire et le notifie à l'établissement une copie de cette notification étant adressée à la Commission bancaire et financière. L'enregistrement est publié par extrait au Moniteur belge.
  A défaut de notification dans le mois à compter de la date de l'accusé de réception, l'établissement peut entamer les activités annoncées, moyennant un avis donné à la (CBFA). <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  S'il estime que les documents produits ne sont pas conformes aux dispositions d'intérêt général de la présente loi, la [1 FSMA]1 le notifie à l'établissement. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  Si celui-ci ne tient pas compte de cet avis, la (CBFA), après avoir informé la Commission bancaire et financière de son intention, peut interdire a l'établissement de conclure des contrats de crédits hypothécaires visés à l'article 1er. Cette décision est notifiée à l'établissement par lettre recommandée à la poste, une copie de celle-ci étant adressée à la Commission bancaire et financière. Un recours est ouvert contre cette décision, conformément à l'article 43, § 8. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  § 2. Les dispositions du § 1er s'appliquent également aux établissements financiers [2 visés par l'article 332 la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit,]2 qui accordent effectivement des crédits hypothécaires dans leur Etat d'origine.
  § 3. Lorsque la [1 FSMA]1 constate qu'un établissement de crédit ou un établissement financier qui relève d'un autre Etat membre de la Communauté européenne et qui conclut des contrats de crédits hypothécaires visés à l'article 1er, ne se conforme pas aux dispositions d'intérêt général de la présente loi, il met l'établissement en demeure de remédier, dans le délai qu'il fixe, à la situation constatée. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  Si, au terme de ce délai, il n'a pas été remédié a la situation, la (CBFA), après avoir informe la Commission bancaire et financière de son intention, et [2 sans préjudice de l'article 329, § 6 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit,]2 peut interdire à l'établissement de conclure de nouveaux contrats de crédits hypothécaires visés à l'article 1er. Cette décision est notifiée à l'établissement par lettre recommandée à la poste, une copie de celle-ci étant adressée à la Commission bancaire et financière. (...) <L 2002-08-02/64, art. 127, 007; En vigueur : indéterminée >
  La [1 FSMA]1 peut imposer toutes les mesures propres à sauvegarder les droits des emprunteurs. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  § 4. L'article 53 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances s'applique aux administrateurs, directeurs, gérants et mandataires d'un établissement qui conclut des contrats de crédit visés à l'article 1er sans y être habilité en vertu du § 1er, alinéas 4 et 5, ou en violation de l'interdiction qui lui a été imposée par la [1 FSMA]1 en vertu des §§ 1er et 3. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  
Art.44. § 1. De ondernemingen gevestigd buiten een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen zijn ertoe gehouden een algemene lasthebber aan te wijzen die zijn woon- en verblijfplaats in België heeft en een voldoende bevoegdheid bezit om de onderneming tegenover derden te verbinden en haar ten overstaan van de Belgische overheden en rechtscolleges te vertegenwoordigen.
  Indien de lasthebber een rechtspersoon is dient deze zijn maatschappelijke zetel in België te hebben en op zijn beurt een natuurlijk persoon aan te wijzen die de hierboven vermelde voorwaarden vervult.
  In geval van verzaking aan of intrekking van het mandaat of in geval van overlijden van de algemene lasthebber of van de natuurlijke persoon aangeduid om hem te vertegenwoordigen doet de onderneming het nodige opdat de opvolger in functie zou zijn binnen de maand.
  § 2. De inschrijving kan aan de ondernemingen bedoeld in § 1 geweigerd worden wanneer hun land van herkomst een gelijkwaardige behandeling weigert aan de Belgische ondernemingen.
Art.44. § 1. Les entreprises établies en dehors d'un Etat Membre des Communautés européennes sont tenues de désigner un mandataire général ayant son domicile et sa résidence en Belgique et doté de pouvoirs suffisants pour engager l'entreprise à l'égard des tiers et pour la représenter vis-à-vis des autorités et des juridictions belges.
  Si le mandataire est une personne morale, celle-ci doit avoir son siège social en Belgique et désigner à son tour, pour la représenter, une personne physique remplissant les conditions indiquées ci-dessus.
  En cas de renonciation au mandat ou de révocation de celui-ci ou en cas de décès du mandataire général ou de la personne physique désignée pour le représenter, l'entreprise doit prendre les mesures nécessaires pour que le successeur soit en fonction dans le mois.
  § 2. L'inscription peut être refusée aux entreprises visées au § 1er lorsque leur pays d'origine refuse un traitement équivalent aux entreprises belges.
HOOFDSTUK IV. - Wanbetaling.
CHAPITRE IV. - Défaut de paiement.
Art.45. Bij wanbetaling van een verschuldigd bedrag dient de hypotheekonderneming, binnen drie maanden na de vervaldag, aan de kredietnemer een ter post aangetekende verwittiging te zenden die de gevolgen van de wanbetaling vermeldt.
  Bij niet-naleving van deze verplichting mag de contractuele verhoging van de rentevoet wegens vertraging in de betaling zoals voorzien in artikel 1907 van het Burgerlijk Wetboek voor deze vervaldag niet worden toegepast; bovendien moet voor deze vervaldag een betalingsuitstel van zes maanden te rekenen vanaf de achterstallige vervaldag zonder bijkomende kosten of interesten worden toegekend.
Art.45. En cas de défaut de paiement d'une somme due, l'entreprise hypothécaire doit, dans les trois mois de l'échéance, faire parvenir à l'emprunteur un avertissement envoyé par lettre recommandée à la poste reprenant les conséquences du non paiement.
  En cas d'inobservation de cette obligation, la majoration contractuelle du taux d'intérêt pour retard de paiement telle que prévue à l'article 1907 du Code Civil ne peut pas être appliquée sur ladite échéance; en outre, pour cette échéance, un délai de paiement de six mois sans frais ni intérêts complémentaires doit être accordé; ce délai prend cours le jour de l'échéance non payée.
HOOFDSTUK V. - Reclame en kosten.
CHAPITRE V. - Publicité et frais.
Art.47. § 1. Onverminderd andere wets- of reglementsbepalingen, moet elke reclame voor de verrichtingen vermeld in artikel 2 van deze wet de identiteit of de benaming van de hypotheekonderneming vermelden. Indien de reclame uitgaat van een tussenpersoon, moet hij zulks uitdrukkelijk vermelden met opgave van zijn adres.
  § 2. De hypotheekonderneming moet de belangstellenden een informatie ter beschikking stellen onder de vorm van prospectussen.
  (Wat de kredieten die de hypotheekonderneming aanbiedt betreft, moet deze prospectus het tarief van de rentevoeten bevatten, alle eventuele verminderingen en vermeerderingen van rentevoet en alle toekenningsvoorwaarden inbegrepen.
  De partijen kunnen van de prospectus afwijkende verminderingen of vermeerderingen overeenkomen indien deze voordeliger zijn voor de kredietnemer of op zijn initiatief onderhandeld werden.) <W 1998-03-13/37, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1998>
  § 3. Wanneer de kandidaat-kredietnemer zich verbindt tot de betaling van dossiers- of schattingskosten, moeten deze worden vermeld in een door hem ondertekend aanvraagformulier.
  § 4. (De Koning bepaalt de nadere regels waaraan de reclame, prospectussen en aanvraagformulieren moeten voldoen. Hij kan, in het bijzonder, de hypotheekondernemingen en de tussenpersonen het gebruik opleggen van een actuariële rentevoet, bedoeld om de vergelijking van de hypothecaire kredieten te vergemakkelijken.) <W 1998-03-13/37, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1998>
Art.47. § 1. Sans préjudice d'autres dispositions légales ou reglementaires, toute publicité pour les opérations visées à l'article 2 de la présente loi doit mentionner l'identité ou la dénomination de l'entreprise hypothécaire. Si la publicité provient d'un intermédiaire, il doit l'indiquer expressément avec son adresse.
  § 2. L'entreprise hypothécaire doit mettre à la disposition des intéressés une information sous forme de prospectus.
  (En ce qui concerne les crédits offerts par l'entreprise hypothécaire, ce prospectus doit contenir le tarif des taux d'interêt, y compris toutes les réductions et majorations de taux éventuelles et toutes les conditions d'octroi.
  Les parties peuvent convenir de reductions ou de majorations dérogeant au prospectus, si celles-ci sont plus avantageuses pour l'emprunteur ou si elles ont été négociées à son initiative.) <L 1998-03-13/37, art. 6, 004; En vigueur : 01-09-1998>
  § 3. Lorsque le candidat-emprunteur s'oblige a payer des frais de dossier ou d'expertise, ceux-ci doivent être mentionnés dans un formulaire de demande signé par lui.
  § 4. (Le Roi fixe les règles à suivre pour la publicité, les prospectus et les formulaires de demande. En particulier, Il peut imposer aux entreprises hypothécaires et aux intermédiaires l'utilisation d'un taux actuariel destiné à faciliter la comparaison des credits hypothécaires.) <L 1998-03-13/37, art. 6, 004; En vigueur : 01-09-1998>
Art.48. Het is een makelaar of een andere tussenpersoon verboden rechtstreeks of zijdelings kosten ten laste van de kredietaanvrager te leggen.
Art.48. Il est interdit à un courtier ou autre intermédiaire de mettre directement ou indirectement des frais à charge du demandeur de crédit.
Art.49. Met gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en met geldboete van 1 000 tot 10 000 frank of met een van die straffen alleen worden gestraft de makelaars en andere tussenpersonen die handelen in strijd met de bepalingen van de artikelen 47, § 1 en 48 van deze wet.
  Boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 inbegrepen, is toepasselijk op die inbreuken.
Art.49. Sont punis d'un emprisonnement d'un mois à cinq ans et d'une amende de 1 000 à 10 000 francs ou d'une de ces peines seulement, les courtiers et autres intermédiaires qui contreviennent aux dispositions des articles 47, § 1er et 48 de la présente loi.
  Le livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, est applicable a ces infractions.
TITEL III. - (Overdracht van bevoorrechte en hypothecaire schuldvorderingen en bijzondere vormen van hypotheekvestiging.)
TITRE III. - (Cession de créances privilégiées et hypothécaires et formes particulières de constitution d'hypothèques.)
Art.50. <W 1995-04-13/42, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 19-07-1995> Deze titel is van toepassing op alle schuldvorderingen gewaarborgd door een hypotheek [1 , alle schuldvorderingen waarvoor een recht werd bedongen om een hypotheekgarantie te eisen, met inbegrip van een hypothecair mandaat of een hypotheekbelofte]1 alsmede op alle schuldvorderingen gewaarborgd door een voorrecht op een onroerend goed, ongeacht of deze schuldvorderingen al dan niet bedoeld zijn in Titel I van deze wet.
  
Art.50. <L 1995-04-13/42, art. 6, 003; En vigueur : 19-07-1995> Le présent titre s'applique à toutes les créances garanties par une hypothèque [1 , toutes les créances pour lesquelles a été stipulé un droit d'exiger une garantie hypothécaire, en ce compris un mandat hypothécaire ou une promesse d'hypothèque]1 ainsi qu'à toutes les créances garanties par un privilège sur un immeuble, que ces créances soient visées ou non au Titre Ier de la présente loi.
  
Art.51. <W 1994-07-06/32, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 1994-07-25>
  § 1. [1 Wanneer een schuldvordering waarvan sprake is in artikel 50 wordt overgedragen of in pand gegeven door of aan een instelling of, in voorkomend geval, aan of door een bijzonder vermogen of een compartiment van een instelling dat, op het ogenblik van de overdracht of van de inpandgeving :
   1° een mobiliseringsinstelling is in de zin van artikel 2 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende diverse maatregelen ter vergemakkelijking van de mobilisering van schuldvorderingen in de financiële sector; of
   2° een Belgische kredietinstelling is in de zin van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, met inbegrip van, in voorkomend geval, een bijzonder vermogen van een kredietinstelling die Belgische covered bonds uitgeeft in de zin van deze wet;
   3° een financiële instelling in de zin van artikel 3, 12°, van de wet betreffende de financiële zekerheden;
   zijn artikelen 5 en 92, derde lid, van de hypotheekwet van 16 december 1851 niet van toepassing op deze overdracht of op deze inpandgeving. De overdrager of de pandgevende schuldenaar van de schuldvordering moet, op verzoek van derden, de nodige informatie verstrekken betreffende de identiteit van de overnemer of van de pandhoudende schuldeiser.]1

  § 2. Een voorschot toegestaan in het raam van een bevoorrechte of hypothecaire kredietopening [1 of in het kader van een kredietopening bedongen met het recht om een hypotheekgarantie te eisen, met inbegrip van een hypothecair mandaat of een hypotheekbelofte]1 kan worden overgedragen.
  (In het geval bedoeld in de vorige paragraaf) geniet de overnemer eveneens de voorrechten en zekerheden die de kredietopening waarborgen, [1 en, behoudens andersluidende overeenkomst tussen de overdrager en de overnemer, de rechten om een hypotheekgarantie te eisen]1 ongeacht het bedrag dat krachtens de kredietopening zal verschuldigd blijven. Het overgedragen voorschot wordt bij voorrang betaald boven de voorschotten die na de overdracht in het kader van de kredietopening zijn toegestaan. [1 De voorschotten die vóór of op datum van de overdracht zijn toegestaan, worden betaald in gelijke rang met de overgedragen voorschotten, behalve indien de overdrager en de overnemer een andere rangregeling of achterstelling zijn overeengekomen. Artikel 5 van de hypotheekwet van 16 december 1851 is niet van toepassing op een dergelijke rangregeling of achterstelling. Een dergelijke rangregeling of achterstelling mag geen afbreuk doen aan de rechten die door derden werden verworven vóór de datum van de overdracht of, in voorkomend geval, vóór de datum van de rangregeling of achterstelling, met inbegrip van de rechten van de overnemer of van de pandhoudende schuldeiser van bestaande schuldvorderingen met betrekking tot voorschotten die vooraf werden overgedragen of in pand gegeven, behoudens uitdrukkelijk akkoord van deze derden.]1 <W 1995-04-13/42, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 19-07-1995>
  Het recht op benuttiging van het krediet wordt geschorst ten belope van het bedrag dat de kredietnemer verschuldigd blijft uit hoofde van het overgedragen voorschot. De overdrager kan op elk ogenblik eisen dat de overnemer hem informeert over het verschuldigde bedrag bedoeld in het vorige lid.
  § 3. [1 Onverminderd artikel 92, tweede lid, van de hypotheekwet van 16 december 1851, wordt de akte van toestemming tot doorhaling of vermindering]1 vergezeld van een voor eensluidend verklaard afschrift of van een voor eensluidend verklaard woordelijk uittreksel van de onderhandse akte van overdracht.
  [1 § 4. Behoudens andersluidende overeenkomst, waarborgt een hypotheek verleend voor bestaande en toekomstige schulden, die bepaald of bepaalbaar zijn op grond van de in de hypotheekakte voorkomende beschrijving van de gewaarborgde schuldvorderingen, eveneens van rechtswege de schuldvorderingen die overeenstemmen met deze beschrijving en die eerder door de hypothecaire schuldeiser werden overgedragen aan een instelling, aan een compartiment van een instelling of een bijzonder vermogen, zoals vermeld in § 1, op voorwaarde dat de schuldenaar van de schuldvordering nog niet in kennis werd gesteld van deze overdracht en evenmin werd erkend door deze schuldenaar op het ogenblik van de hypotheekvestiging.
   Het eerste lid is eveneens van toepassing op overgedragen schuldvorderingen die, op het ogenblik van de overdracht, niet worden gewaarborgd door een hypotheek, een voorrecht op een onroerend goed of een recht om een hypotheekgarantie te eisen, met inbegrip van een hypothecair mandaat of een hypotheekbelofte.]1

  
Art.51. <L 1994-07-06/32, art. 10, 002; En vigueur : 1994-07-25>
  § 1. [1 Lorsqu'une créance visée à l'article 50 est cédée ou donnée en gage par ou à une institution ou, le cas échéant, à ou par un patrimoine spécial ou un compartiment d'une institution qui, au moment de la cession ou de la mise en gage :
   1° est un organisme de mobilisation au sens de l'article 2 de la loi du 3 août 2012 relative à des mesures diverses pour faciliter la mobilisation de créances dans le secteur financier; ou
   2° est un établissement de crédit belge au sens de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, y compris, le cas échéant, un patrimoine spécial d'un établissement de crédit émetteur de covered bonds belges au sens de cette loi;
   3° est un établissement financier au sens de l'article 3, 12°, de la loi relative aux sûretés financières;
   les articles 5 et 92, alinéa 3, de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851 ne s'appliquent pas à cette cession ou à cette mise en gage. Le cédant ou le débiteur gagiste de la créance est tenu de fournir, à la demande de tiers, les informations nécessaires quant à l'identité du cessionnaire ou du créancier gagiste.]1

  § 2. Une avance consentie dans le cadre d'une ouverture de crédit privilégiée ou hypothécaire [1 ou dans le cadre d'une ouverture de crédit stipulée avec le droit d'exiger une garantie hypothécaire, en ce compris un mandat hypothécaire ou une promesse d'hypothèque]1 peut être cédée.
  (Dans le cas visé au paragraphe précédent), le cessionnaire profite également des privilèges et sûretés qui garantissent l'ouverture de crédit [1 et, sauf convention contraire entre le cédant et le cessionnaire, les droits d'exiger une garantie hypothécaire]1, quel que soit le montant qui restera dû en vertu de l'ouverture de crédit. L'avance cédée est payée par priorité aux avances consenties dans le cadre de l'ouverture de crédit après la cession. [1 Les avances consenties avant ou à la date de la cession sont payées à un rang égal aux avances cédées, sauf si le cédant et le cessionnaire se sont accordés sur un autre règlement de rang ou une subordination. L'article 5 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851 ne s'applique pas à un tel règlement de rang ou une telle subordination. Un tel règlement de rang ou une telle subordination ne peut porter préjudice aux droits acquis par des tiers avant la date de la cession ou, le cas échéant, avant la date du règlement de rang ou de la subordination, en ce compris les droits du cessionnaire ou du créancier gagiste de créances existantes relatives à des avances qui ont été préalablement cédées ou mises en gage, sauf accord exprès de ces tiers]1 <L 1995-04-13/42, art. 7, 003; En vigueur : 19-07-1995>
  Le droit à l'utilisation de l'ouverture de crédit est suspendu à concurrence du montant de l'avance cédée restant dû par l'emprunteur. Le cédant peut à tout moment exiger d'être informé par le cessionnaire du montant restant dû visé à l'alinéa précédent.
  § 3. [1 Sans préjudice de l'article 92, alinéa 2, de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, l'acte]1 du consentement à radiation ou à réduction est accompagne d'une copie certifiée conforme ou d'un extrait littéral certifié conforme de l'acte sous seing privé de cession.
  [1 § 4. Sauf convention contraire, une hypothèque constituée pour des dettes existantes et futures, déterminées ou déterminables sur base de la description des créances garanties figurant dans l'acte d'hypothèque, garantit également de plein droit les créances qui correspondent à cette description et qui ont été précédemment cédées par le créancier hypothécaire à une institution, à un compartiment d'une institution ou à un patrimoine spécial, tel que visé au § 1er, à condition que cette cession n'ait pas encore été notifiée au débiteur de la créance ni reconnue par ce débiteur au moment de la constitution de l'hypothèque.
   Le premier alinéa s'applique également à des créances cédées qui, au moment de la cession, ne sont pas garanties par une hypothèque, un privilège sur immeuble ou un droit d'exiger une garantie hypothécaire, y compris un mandat hypothécaire ou une promesse d'hypothèque.]1

  
Art. 51bis. <INGEVOEGD bij W 1995-04-13/42, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 19-07-1995> § 1. Een hypotheek mag verleend worden tot zekerheid van toekomstige schuldvorderingen indien de gewaarborgde schuldvorderingen bepaald zijn of bepaalbaar zijn op het ogenblik van de hypotheekstelling; haar rang wordt bepaald naar de dagtekening van haar inschrijving, ongeacht de tijdstippen waarop de gewaarborgde schuldvorderingen ontstaan.
  § 2. Indien een hypotheek wordt gevestigd tot zekerheid van toekomstige schuldvorderingen die over een onbepaalde duur kunnen ontstaan of tot zekerheid van schuldvorderingen uit hoofde van een overeenkomst van onbepaalde duur, kan de persoon tegen wie de hypotheek wordt ingeschreven of de derde-bezitter van het met hypotheek bezwaarde goed, de hypotheek steeds opzeggen met een opzegging van minstens drie maanden en maximum zes maanden, dat aan de schuldeiser wordt gericht bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding. De opzeggingstermijn gaat in op de dag van de ontvangstmelding.
  Inzake toekomstige schuldvorderingen heeft de opzegging tot gevolg dat de hypotheek enkel nog strekt tot zekerheid van gewaarborgde schuldvorderingen die bestaan bij het verstrijken van de opzeggingstermijn. Inzake overeenkomsten van onbepaalde duur, blijven slechts die schuldvorderingen gewaarborgd die bij het verstrijken van de opzeggingstermijn bestaan tengevolge van de uitvoering van de overeenkomst.
  Wie de hypotheek opzegt, kan eisen dat de schuldeiser hem schriftelijk de inventaris meedeelt van de schuldvorderingen die nog gewaarborgd zijn op het einde van de opzeggingstermijn.
  § 3. Wanneer eenzelfde hypotheek [1 ongeacht of dit al dan niet in het kader van een kredietopening gebeurt]1 meerdere schuldvorderingen waarborgt waarvan één is overgedragen [1 aan een instelling of aan een compartiment van een instelling, zoals bepaald in]1 artikel 51, § 1, dan wordt deze [1 overgedragen]1 schuldvordering bij voorrang betaald boven de schuldvorderingen ontstaan na de datum van de overdracht. [1 De schuldvorderingen ontstaan vóór of op de datum van de overdracht worden betaald in gelijke rang met de overgedragen schuldvorderingen, behalve indien de overdrager en de overnemer een andere rangregeling of een achterstelling zijn overeengekomen. Artikel 5 van de hypotheekwet van 16 december 1851 is niet van toepassing op een dergelijke rangregeling of achterstelling. Een dergelijke rangregeling of achterstelling mag geen afbreuk doen aan de rechten die door derden werden verworven vóór de datum van de overdracht of, in voorkomend geval, vóór de datum van de rangregeling of achterstelling, met inbegrip van de rechten van de overnemer of van de pandhoudende schuldeiser van bestaande schuldvorderingen met betrekking tot voorschotten die vooraf werden overgedragen of in pand gegeven, behoudens uitdrukkelijk akkoord van deze derden.]1
  
Art. 51bis. § 1er. Une hypothèque peut être constituée pour sûreté de créances futures, a la condition qu'au moment de la constitution de l'hypothèque, les créances garanties soient déterminées ou déterminables ; son rang est fixé au jour de son inscription, sans égard aux époques auxquelles les créances garanties prennent naissance.
  § 2. Si une hypothèque est constituée pour sûreté de créances futures pouvant naître pendant une durée indéterminée ou pour sûreté de créances découlant d'un contrat à durée indéterminée, la personne contre laquelle une telle hypothèque est inscrite ou le tiers détenteur du bien affecté de l'hypothèque peut à tout moment résilier l'hypothèque, moyennant un préavis d'au moins trois mois et de maximum six mois, lequel préavis est adressé au créancier par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception. Le délai de préavis prend cours à la date de l'accusé de réception.
  Quant aux créances futures, la résiliation a pour conséquence que l'hypothèque ne garantit plus que les créances garanties qui existent à l'expiration du délai de préavis. Quant aux contrats à durée indéterminée, restent garanties par l'hypothèque, les seules créances issues de l'exécution de ces contrats qui existent à l'expiration du délai de préavis.
  Celui qui résilie l'hypothèque peut exiger que le créancier lui notifie par écrit l'inventaire des créances encore garanties au terme du délai de préavis.
  § 3. Au cas où une même hypothèque [1 que ce soit ou non dans le cadre d'une ouverture de crédit]1 garantit plusieurs créances dont l'une est cédée [1 à une institution ou à un compartiment d'une institution, tel que prévu]1 à l'article 51, § 1er, cette créance [1 cédée]1 est payée par priorité sur les créances nées après la date de la cession. [1 Les créances nées avant ou à la date de la cession sont payées à un rang égal aux créances cédées, sauf si le cédant et le cessionnaire se sont accordés sur un autre règlement de rang ou une subordination. L'article 5 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851 ne s'applique pas à un tel règlement de rang ou une telle subordination. Un tel règlement de rang ou une telle subordination ne peut porter préjudice aux droits acquis par des tiers avant la date de la cession ou, le cas échéant, avant la date du règlement de rang ou de la subordination, en ce compris les droits du cessionnaire ou du créancier gagiste de créances existantes qui ont été préalablement cédées ou mises en gage, sauf accord exprès de ces tiers.]1
  
Art. 51ter. [1 § 1. Een hypothecair mandaat wordt, behoudens uitdrukkelijk andersluidend beding in het mandaat, van rechtswege geacht te zijn bedongen ten gunste van de erfopvolgers ten bijzondere of ten algemene titel van de houder van de gewaarborgde schuldvordering, met inbegrip van de overnemers van de schuldvordering. Een hypotheekbelofte wordt, behoudens uitdrukkelijk andersluidend beding, van rechtswege geacht te zijn bedongen ten gunste van de erfopvolgers ten bijzondere of ten algemene titel van de houder van de gewaarborgde schuldvordering, met inbegrip van de overnemers van de schuldvordering.
   § 2. Wanneer een schuldvordering wordt overgedragen overeenkomstig artikel 51, § 1, verwerft de overnemer, behoudens andersluidende overeenkomst tussen de overdrager en de overnemer, de rechten die de overdrager geniet ten titel van een hypothecair mandaat of van een hypotheekbelofte, ten belope van de overgedragen schuldvordering. De overnemer mag, behoudens andersluidende overeenkomst tussen de overdrager en de overnemer, deze rechten uitoefenen ten aanzien van de lastgever en ten aanzien van de in het mandaat aangewezen lasthebbers of ten aanzien van hen die de hypotheekbelofte hebben verstrekt. Op grond van het mandaat of de hypotheekbelofte mag de hypotheek worden gevestigd ten gunste van de overnemer voordat de lastgever(s) en de schuldenaar van de overgedragen verbintenissen kennis hadden van de overdracht.
   § 3. Wanneer een of meer schuldvorderingen die worden gewaarborgd door een hypothecair mandaat of een hypotheekbelofte, vóór de hypotheekvestiging worden overgedragen aan een instelling, een compartiment van een instelling of een bijzonder vermogen, waarvan sprake is in artikel 51, § 1, waarborgt de hypotheek die wordt gevestigd ter uitvoering van het mandaat of van de hypotheekbelofte, behoudens andersluidende overeenkomst tussen de overdrager en de overnemer, niet alleen de in de hypotheekakte beschreven bestaande en toekomstige schuldvorderingen van de overdrager, maar ook van rechtswege de schuldvorderingen die eerder werden overgedragen door de overdrager aan de overnemer. De hypotheek kan naar keuze worden ingeschreven alleen op naam van de overdrager, op naam van de overdrager en de overnemer, of alleen op naam van de overnemer. Ongeacht de keuze van inschrijvingswijze, geniet de overnemer de hypothecaire rechten ten belope van de schuldvordering(en) die aan hem werd (of werden) overgedragen en kan hij deze rechten uitoefenen ten aanzien van degene die de hypotheek verleent en ten aanzien van derden.
   § 4. Wanneer een hypotheek wordt gevestigd ter uitvoering van een hypothecair mandaat of van een hypotheekbelofte, worden de schuldvorderingen die vóór of na de hypotheekvestiging zijn overgedragen aan een instelling, een bijzonder vermogen of aan een compartiment van een instelling, waarvan sprake is in artikel 51, § 1, bij voorrang betaald ten opzichte van de schuldvorderingen die zijn ontstaan na de datum van de overdracht, ongeacht of de schuldvordering al dan niet geschiedt in het kader van een kredietopening. De schuldvorderingen die vóór of op datum van de overdracht zijn ontstaan, worden betaald in gelijke rang met de overgedragen schuldvorderingen, behalve indien de overdrager en de overnemer een andere rangregeling of achterstelling zijn overeengekomen. Artikel 5 van de hypotheekwet van 16 december 1851 is niet van toepassing op de rangregeling of de achterstelling krachtens deze § . Een dergelijke rangregeling of achterstelling mag geen afbreuk doen aan de rechten die door derden werden verworven vóór de datum van de overdracht of, in voorkomend geval, vóór de datum van de rangregeling of achterstelling, met inbegrip van de rechten van de overnemer of van de pandhoudende schuldeiser van bestaande schuldvorderingen die vooraf werden overgedragen of in pand gegeven, behoudens uitdrukkelijk akkoord van deze derden.]1

  
Art. 51ter. [1 § 1er. Un mandat hypothécaire est, sauf clause contraire expresse dans le mandat, considéré de plein droit comme stipulé au profit des successeurs à titre universel ou particulier du titulaire de la créance garantie, en ce compris les cessionnaires de la créance. Une promesse d'hypothèque est, sauf clause contraire expresse, considérée de plein droit comme stipulée au profit des successeurs à titre universel ou particulier du titulaire de la créance garantie, en ce compris les cessionnaires de la créance.
   § 2. Lorsqu'une créance est cédée conformément à l'article 51, § 1er, le cessionnaire acquiert, sauf convention contraire entre le cédant et le cessionnaire, les droits dont jouit le cédant au titre d'un mandat hypothécaire ou d'une promesse d'hypothèque et ce, à concurrence de la créance cédée. Le cessionnaire peut, sauf convention contraire entre le cédant et le cessionnaire, exercer ces droits à l'égard du mandant et envers les mandataires désignés dans le mandat ou à l'égard de ceux qui ont fourni la promesse d'hypothèque. Sur la base du mandat ou de la promesse d'hypothèque, l'hypothèque peut être constituée au profit du cessionnaire avant que le ou les mandant(s) et le débiteur des obligations cédées aient connaissance de la cession.
   § 3. Lorsqu'une ou plusieurs créances qui sont garanties par un mandat hypothécaire ou une promesse d'hypothèque sont, préalablement à la constitution de l'hypothèque, cédées à une institution, à un compartiment d'une institution ou à un patrimoine spécial, tel que visé à l'article 51, § 1er, l'hypothèque qui est constituée en exécution du mandat ou de la promesse d'hypothèque garantit, sauf convention contraire entre le cédant et le cessionnaire, non seulement les créances existantes et futures du cédant décrites dans l'acte d'hypothèque, mais garantit aussi de plein droit les créances qui ont été précédemment cédées par le cédant au cessionnaire. L'hypothèque peut, au choix, être inscrite, soit au seul nom du cédant, soit au nom du cédant et du cessionnaire, soit au seul nom du cessionnaire. Quel que soit le choix du mode d'inscription, le cessionnaire jouit des droits hypothécaires à concurrence de la (des) créance(s) qui lui a (ont) été cédée(s) et il peut exercer ces droits à l'égard de celui qui consent l'hypothèque et à l'égard des tiers.
   § 4. Lorsqu'une hypothèque est constituée en exécution d'un mandat hypothécaire ou d'une promesse d'hypothèque, les créances cédées avant ou après la constitution de l'hypothèque à une institution, à un patrimoine spécial ou à un compartiment d'une institution, tel que visé à l'article 51, § 1er, sont payées par préférence par rapport aux créances qui sont nées après la date de la cession et cela sans distinction quant au fait que la créance entre ou non dans le cadre d'une ouverture de crédit. Les créances qui sont nées préalablement ou à la date de la cession sont payées par rang égal aux créances cédées, sauf si le cédant et le cessionnaire se sont accordés sur un autre règlement de rang ou une subordination. L'article 5 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851 ne s'applique pas au règlement de rang ou à la subordination en vertu du présent § . Un tel règlement de rang ou une telle subordination ne peut porter préjudice aux droits acquis par les tiers préalablement à la date de la cession, ou le cas échéant préalablement à la date du règlement de rang ou de la subordination, en ce compris les droits du cessionnaire ou du créancier gagiste de créances existantes qui ont été préalablement cédées ou mises en gage, sauf accord exprès de ces tiers.]1

  
Art. 51quater. [1 Wanneer ter vervanging van een hypothecair mandaat, een hypotheekbelofte of een bestaande hypotheek, een nieuw hypothecair mandaat of een nieuwe hypotheekbelofte wordt verleend of een nieuwe hypotheek wordt gevestigd, wordt een dergelijk hypothecair mandaat, een dergelijke hypotheekbelofte of een dergelijke hypotheek, behoudens andersluidende overeenkomst gesloten tussen de overdrager en de overnemer, of tussen de pandgever en de pandhoudende schuldeiser, en in dezelfde mate als deze bestaande zekerheden, van rechtswege geacht te zijn verleend of gevestigd ten gunste van de overnemer of van de pandhoudende schuldeiser van de schuldvorderingen die worden gewaarborgd door het bestaande hypothecaire mandaat, de bestaande hypotheekbelofte of de bestaande hypotheek en die vóór de vervanging werden overgedragen of in pand gegeven aan of door een instelling, een bijzonder vermogen of een compartiment van een instelling, zoals vermeld in artikel 51, § 1.]1
  
Art. 51quater. [1 Lorsqu'en remplacement d'un mandat hypothécaire, d'une promesse d'hypothèque ou d'une hypothèque existante, un nouveau mandat hypothécaire, une nouvelle promesse d'hypothèque est consenti(e) ou une nouvelle hypothèque est constituée, un tel mandat hypothécaire, une telle promesse d'hypothèque ou une telle hypothèque, sera de plein droit réputé(e), sauf convention contraire conclue entre le cédant et le cessionnaire, ou entre le constituant du gage et le créancier gagiste, et dans la même mesure que ces sûretés existantes, consenti(e) ou constituée, au profit du cessionnaire ou du créancier gagiste des créances garanties par le mandat hypothécaire existant, la promesse d'hypothèque existante ou l'hypothèque existante et qui ont été cédées ou mises en gage, préalablement au remplacement, à ou par une institution, un patrimoine spécial ou un compartiment d'une institution, tel que visé à l'article 51, § 1er.]1
  
Art. 51quinquies. [1 § 1. Wanneer een schuldvordering die werd overgedragen aan een instelling, een bijzonder vermogen of een compartiment van een instelling, waarvan sprake is in artikel 51, § 1, wordt overgedragen door deze instelling, dit bijzonder vermogen of dit compartiment van een instelling :
   1° verwerft de overnemer eveneens de rechten die de instelling, het bijzondere vermogen of het compartiment bezit overeenkomstig artikelen 50 tot 51quater, met inbegrip van de rechten die betrekking hebben op de voorrechten, hypotheken, hypotheekbeloften en hypothecaire mandaten of de hypotheken die worden gevestigd krachtens een mandaat of een hypotheekbelofte;
   2° behoudt de schuldvordering haar rang die wordt bepaald afhankelijk van artikelen 51bis, § 3, en 51ter, § 4, behoudens andersluidend beding in de overeenkomst van overdracht. Artikel 5 van de hypotheekwet van 16 december 1851 is niet van toepassing op een dergelijke rangregeling of achterstelling.
   § 2. Wanneer een schuldvordering in pand wordt gegeven ten gunste van of door een instelling, een bijzonder vermogen of een compartiment van een instelling, waarvan sprake is in artikel 51, § 1 :
   1° omvat het pand, behoudens andersluidend beding in de pandakte, de rechten van de pandgever met betrekking tot het hypothecair mandaat, de hypotheekbelofte of de hypotheek gevestigd krachtens het hypothecair mandaat of de hypotheekbelofte;
   2° kan de pandhoudende schuldeiser, behoudens andersluidend beding in de pandakte, ten aanzien van derden, van de lastgever en de in het mandaat aangewezen lasthebbers alsook ten aanzien van degene die de hypotheekbelofte heeft verstrekt, de rechten van de pandgever uitoefenen betreffende het hypothecair mandaat of de hypotheekbelofte of de hypotheek gevestigd krachtens het hypothecair mandaat of de hypotheekbelofte die ten gunste van hem in pand zijn gegeven. De hypotheek kan naar keuze worden ingeschreven alleen op naam van de pandgever, op naam van de pandgever en de overdrager die de schuldvordering heeft overgedragen aan de pandgever, of alleen op naam van de overdrager van de schuldvordering.]1

  
Art. 51quinquies. [1 § 1er. Lorsqu'une créance qui a été cédée à une institution, un patrimoine spécial ou un compartiment d'une institution, tel que visé à l'article 51, § 1er, est cédée par cette institution, ce patrimoine spécial ou ce compartiment d'une institution :
   1° le cessionnaire acquiert également les droits que l'institution, le patrimoine spécial ou le compartiment détient conformément aux articles 50 à 51quater, en ce compris les droits qui ont trait aux privilèges, hypothèques, promesses d'hypothèques et mandats hypothécaires ou les hypothèques constituées en vertu d'un mandat ou d'une promesse d'hypothèque;
   2° la créance conserve son rang déterminé en fonction des articles 51bis, § 3, et 51ter, § 4, sauf clause contraire dans la convention de cession. L'article 5 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851 ne s'applique pas à un tel règlement de rang ou une telle subordination.
   § 2. Lorsqu'une créance est mise en gage au profit de ou par une institution, un patrimoine spécial ou un compartiment d'une institution, tel que visé à l'article 51 § 1er :
   1° le gage s'étend, sauf clause contraire dans l'acte de gage, aux droits du constituant du gage en ce qui concerne le mandat hypothécaire, la promesse d'hypothèque ou l'hypothèque constituée en vertu du mandat hypothécaire ou de la promesse d'hypothèque;
   2° le créancier gagiste peut, sauf clause contraire dans l'acte de gage, exercer à l'égard des tiers, du mandant et des mandataires indiqués dans le mandat ainsi qu'à l'égard de celui qui a fourni la promesse d'hypothèque, les droits du constituant du gage concernant le mandat hypothécaire ou la promesse d'hypothèque ou l'hypothèque constituée en vertu du mandat hypothécaire ou de la promesse d'hypothèque gagés en sa faveur. L'hypothèque peut, au choix, être inscrite, soit au seul nom du constituant du gage, soit au nom du constituant du gage et du cédant qui a cédé la créance au constituant du gage, soit au seul nom du cédant de la créance.]1

  
Art. 51sexies. [1 Wanneer een schuldvordering die opgenomen is in een hypothecaire grosse aan toonder of aan order, wordt overgedragen of in pand gegeven ten gunste van of door een instelling, een bijzonder vermogen of een compartiment van een instelling, waarvan sprake is in artikel 51, § 1, zijn de bepalingen van artikelen 50 tot en met 51quinquies van toepassing op die overdracht of op die inpandgeving, zonder dat een endossement of een afgifte van de titel aan de overnemer of aan de pandhoudende schuldeiser nodig is.]1
  
Art. 51sexies. [1 Dans l'hypothèse où une créance intégrée à une grosse hypothécaire au porteur ou à ordre est cédée ou mise en gage au profit de ou par une institution, un patrimoine spécial ou un compartiment d'une institution, au sens de l'article 51, § 1er, les dispositions des articles 50 à 51quinquies inclus sont applicables à cette cession ou à cette mise en gage, sans qu'un endossement ou une remise du titre au cessionnaire ou au créancier gagiste ne soit nécessaire.]1
  
Art. 51septies. [1 § 1. Een registratie van een schuldvordering overeenkomstig artikel 64/20, § 2, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen of de schrapping van een schuldvordering uit dit register voor een wederbelegging in het algemene vermogen van de instelling die de Belgische covered bonds uitgeeft waarvoor het register wordt gehouden, wordt op dezelfde manier behandeld als een overdracht van die schuldvorderingen voor de toepassing van de bepalingen in artikelen 51 tot 51sexies van deze wet. Het bijzondere vermogen heeft dan de hoedanigheid van overnemer in geval van registratie en de hoedanigheid van overdrager in geval van schrapping uit het register.
   § 2. In geval van schrapping uit het register wegens overdracht van schuldvordering aan een andere overnemer dan een kredietinstelling die de Belgische covered bonds uitgeeft waarvoor het register wordt gehouden, zijn de bepalingen van artikelen 51 tot 51sexies van deze wet van toepassing op de overdracht aan de overnemer en maakt de schrapping een loutere uitvoeringsdaad uit met betrekking tot deze overdracht.]1

  
Art. 51septies. [1 § 1er. L'enregistrement d'une créance conformément à l'article 64/20, § 2, de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit ou la radiation d'une créance de ce registre pour un remploi dans le patrimoine général de l'institution émettrice de covered bonds belges pour lesquels le registre est tenu, est traité(e) de la même manière qu'une cession de ces créances pour l'application des dispositions stipulées dans les articles 51 à 51sexies de la présente loi. Le patrimoine spécial a alors la qualité de cessionnaire en cas d'enregistrement et la qualité de cédant en cas de radiation du registre.
   § 2. S'il y a une radiation du registre pour cause de cession de créance à un cessionnaire autre qu'un établissement de crédit-émetteur de covered bonds belges pour lesquels le registre est tenu, les dispositions des articles 51 à 51sexies de la présente loi sont applicables à la cession au cessionnaire et la radiation constitue un simple acte d'exécution relatif à cette cession.]1

  
Art.52. Ingeval van overdracht van hypothecaire schuldvorderingen onderworpen aan Titel I van deze wet door een onderneming onderworpen aan Titel II van deze wet is de overnemer eveneens onderworpen aan Titel II.
Art.52. En cas de cession de créances hypothécaires soumises au Titre Ier de la présente loi par une entreprise soumise au Titre II de la présente loi le cessionnaire est également soumis au Titre II.
Art.53. <W 1995-04-13/42, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 17-06-1995> Zonder afbreuk te doen aan artikel 31 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, kan een overdracht van schuldvorderingen zoals bedoeld in artikel 50 van deze wet, in het raam van een fusie, overneming of splitsing van ondernemingen of in het raam van de inbreng of verkoop van [2 het geheel of een gedeelte van]2 de hypothecaire bedrijvigheid [2 of van de gehele of een gedeelte van de portefeuille van deze schuldvorderingen]2, door een onderneming onderworpen aan Titel II van deze wet, worden tegengeworpen aan alle derden door haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad door toedoen van de [1 FSMA]1. <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [2 Artikelen 51, 51bis, § 3, 51ter, 51quater, 51quinquies en 51sexies zijn eveneens van toepassing wanneer de betrokken overdracht overeenkomstig dit artikel 53 wordt verricht door of aan een onderneming die valt onder Titel II van deze wet.]2
  
Art.53. <L 1995-04-13/42, art. 9, 003; En vigueur : 17-06-1995> Sans préjudice de l'article 31 de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, une cession de créances visées à l'article 50 de la présente loi, dans le cadre d'une fusion, absorption ou scission d'entreprises ou dans le cadre de l'apport ou de la vente de [2 la totalité ou une partie de]2 l'activité hypothécaire [2 ou de la totalité ou une partie du portefeuille de ces créances]2, par une entreprise soumise au Titre II de la présente loi, est opposable à tous les tiers par sa publication au Moniteur belge par les soins de la [1 FSMA]1. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  [2 Les articles 51, 51bis, § 3, 51ter, 51quater, 51quinquies et 51sexies sont également applicables lorsque la cession visée est effectuée conformément au présent article 53 par ou à une entreprise soumise au Titre II de la présente loi.]2
  
TITEL IV. - Slotbepalingen.
TITRE IV. - Dispositions finales.
Art.54. De ondernemingen ingeschreven of vrijgesteld van de inschrijving in uitvoering van het koninklijk besluit nr 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen mogen, als overgangsregel, leningen en kredietopeningen toestaan volgens de bepalingen van dat besluit tot hun inschrijving in toepassing van deze wet.
  Deze overgangsregel verstrijkt twee jaren na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  De Koning bepaalt de modaliteiten van deze overgangsregeling.
Art.54. Les entreprises inscrites ou dispensées de l'inscription en exécution de l'arrêté royal n° 225 du 7 janvier 1936 réglementant les prêts hypothécaires et organisant le contrôle des entreprises de prêts hypothécaires, peuvent octroyer des prêts et ouvertures de crédit selon les dispositions de cet arrêté, à titre transitoire, jusqu'à leur inscription en application de la présente loi.
  La mesure transitoire visée prend fin deux ans après la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
  Le Roi fixe les modalités de cette mesure transitoire.
Art.55. Het koninklijk besluit nr 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen alsook de uitvoeringsbesluiten blijven van toepassing op de hypotheekondernemingen voor hun overeenkomsten gesloten in toepassing van Titel I van dat besluit.
  Titel III van deze wet is mede van toepassing op de overeenkomsten bedoeld in het eerste lid.
Art.55. L'arrêté royal n° 225 du 7 janvier 1936 réglementant les prêts hypothécaires et organisant le controle des entreprises de prêts hypothécaires ainsi que ses arrêtés d'exécution restent d'application aux entreprises hypothécaires pour leurs contrats conclus en application du Titre Ier de cet arrêté.
  Le Titre III de la présente loi est également applicable aux contrats visés à l'alinéa 1er.
Art.56. Hoofdstuk IV van titel II en titel III van deze wet zijn van toepassing op de overeenkomsten onderworpen aan het koninklijk besluit nr 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen.
Art.56. Le Chapitre IV du Titre II et le Titre III de la présente loi sont applicables aux contrats soumis à l'arrêté royal n° 225 du 7 janvier 1936 réglementant les prêts hypothécaires et organisant le contrôle des entreprises de prêts hypothecaires.
Art.57. § 1. <wijzigingsbepaling van artikel 25, zevende lid, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen : W 1975-07-09/30>
  § 2.
Art.57. § 1.
  § 2.
Art.58. <wijzigingsbepaling van het eerste lid van artikel 90 van de hypotheekwet van 16 december 1851 : 1851-12-16/01>
Art.58.
Art.59. § 1. Elke tenuitvoerlegging of beslag dat plaats heeft krachtens een vonnis of een andere authentieke akte, moet in het kader van deze wet, op straffe van nietigheid, worden voorafgegaan door een poging tot minnelijke schikking, die op het zittingsblad wordt aangetekend, voor de beslagrechter.
  Elke aanvraag tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten door de kredietnemer, de borg en in voorkomend geval, de steller van een persoonlijke zekerheid, wordt gericht aan de beslagrechter.
  De artikelen 732 en 733 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
  In afwijking van de artikelen 2032, 4°, en 2039 van het Burgerlijk Wetboek, moet de borg en, in voorkomend geval, elke steller van een persoonlijke zekerheid, zich houden aan het door de beslagrechter aan de kredietnemer toegestane betalingsfaciliteitenplan.
  § 2. <wijzigingsbepaling van artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek : 1967-10-10/03>
  § 3. <wijzigingsbepaling van artikel 629 van het Gerechtelijk Wetboek : 1967-10-10/03>
Art.59. § 1. Toute exécution ou saisie à laquelle il est procéde en vertu d'un jugement ou d'un autre acte authentique doit, dans le cadre de la présente loi, être précédée, à peine de nullite, d'une tentative de conciliation devant le juge de saisies, qui doit être actée à la feuille d'audience.
  Toute demande de facilités de paiement par l'emprunteur, la caution et, le cas échéant, la personne qui constitue une sûreté personnelle est adressée au juge des saisies.
  Les articles 732 et 733 du Code judiciaire sont d'application.
  Par dérogation aux articles 2032, 4°, et 2039 du Code civil, la caution et, le cas échéant, toute personne qui constitue une sûreté personnelle doivent respecter le plan de facilités de paiement octroyé par le juge des saisies à l'emprunteur.
  § 2.
  § 3.
Art.60. § 1. <wijzigingsbepaling van artikel 3, § 1 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet : 1991-06-12/30>
  § 2. <wijzigingsbepaling van artikel 69, § 4, van W 1991-06-12/30>
Art.60. § 1.
  § 2.
Art.61. § 1. <wijzigingsbepaling van artikel 12 van het koninklijk besluit nr 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime van titels en effecten : 1935-07-09/30>
  § 2.
  § 3.
Art.61. § 1.
  § 2.
  § 3.
Art.62. De besluiten tot uitvoering van deze wet worden genomen op advies van de [1 FSMA]1 nadat deze de Commissie voor Verzekeringen geraadpleegd heeft. <KB 2003-03-25/34, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  (De raadpleging van de Commissie voor Verzekeringen is niet vereist voor de door de Koning met toepassing van artikel 41 te bepalen regels.) <W 2005-06-20/40, art. 79, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  
Art.62. Les arrêtés d'exécution de la présente loi sont pris sur avis de la [1 FSMA]1 après consultation, par ce dernier, de la Commission des Assurances. <AR 2003-03-25/34, art. 27, 008; En vigueur : 01-01-2004>
  (La consultation de la Commission des Assurances n'est pas requise pour ce qui est des règles à fixer par le Roi en application de l'article 41.) <L 2005-06-20/40, art. 79, 010; En vigueur : 01-01-2004>
  
Art. 63. Deze wet treedt in werking op de door de Koning bepaalde datum en ten laatste op 1 januari 1993.
Art. 63. La présente loi entre en vigueur à la date fixée par le Roi et au plus tard le 1er janvier 1993.