Artikel 1. [1 Deze wet is toepasselijk op de militairen van het actief kader bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, en van het reservekader bedoeld in artikel 2 van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht, hierna genoemd "de militairen".]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
20 MEI 1994. - Wet houdende de geldelijke rechten van de militairen. (NOTA : art. 9bis, § 1 en art. 10 zijn gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum door <W2006-03-05/57, art. 6 en 7, 010; Inwerkingtreding : onbepaald >) (NOTA : verschillende art. gewijzigd door W2007-02-28/35, art. 225 tot 228, 011; Inwerkingtreding : 31-12-2013 (voir art. 272)) (NOTA : Artikel 225 tot artikel 228 van de W 28/02/2007 dat oorspronkelijk in wijzigingen van de W 20/05/1994 voorzag is, voor zijn inwerkingtreding, vervangen door de artikelen 314 tot 326 van de wet van 31 juli 2013 (2013-07-31/04) tot wijziging van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht en tot wijziging van sommige bepalingen betreffende het statuut van het militair personeel. Deze artikelen vervangen de oorspronkelijke artikelen 225 tot 228 van de W 28/02/2007 door een nieuwe bepaling die de artikelen 1, 3, 4, 5, 9bis, 10, 10bis, 10ter, 11, 13ter, 13quater en 14 van de Wet 20/05/1994 wijzigt. Hiermee heeft de wetgever te kennen gegeven dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke wijzigingen. Met andere woorden zullen de artikelen 225 tot 228 van de W 28/02/2007, zoals deze voor zijn vervanging door de W 31/07/2013 bestond, nooit in werking treden) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-08-1997 en tekstbijwerking tot 29-12-2025)
Titre
20 MAI 1994. - Loi relative aux droits pécuniaires des militaires. (NOTE : Art. 9bis, § 1 et art. 10 sont modifiés avec effet à une date indéterminée par <L2006-03-05/57, art. 6 et 7, 010; En vigueur : indéterminée >) (NOTE : divers art. modifiés par L2007-02-28/35, art. 225 à 228, 011; En vigueur : 31-12-2013 (voir art. 272)) (NOTE : L'article 225 à 228 de la L 28/02/2007 qui prévoyait à l'origine des modifications de la L 20/05/1994 a été remplacé, avant son entrée en vigueur, par l'article 314 à 326 de la loi du 31 juillet 2013 (2013-07-31/04) modifiant la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires du cadre actif des Forces armées et modifiant certaines dispositions relatives au statut du personnel militaire. Ces articles remplacent les articles 225 à 228 de la L 28/02/2007 par une nouvelle disposition qui modifient les articles 1, 3, 4, 5, 9bis, 10, 10bis, 10ter, 11, 13ter, 13quater et 14 de la loi du 20/05/1994. Cela étant, la volonté d'abroger cette dernière loi que le législateur avait initialement exprimée. En d'autres mots, les articles 225 à 228 de la L 28/02/2007, tel que ces articles existaient avant leur remplacement par la loi précitée du 31/07/2013, n'entreront jamais en vigueur.) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-08-1997 et mise à jour au 29-12-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - De begunstigden.
HOOFDSTUK II. - Het recht op wedde.
HOOFDSTUK III. - De gewaarborgde bezoldiging.
HOOFDSTUK IV. - (De toelagen, vergoedingen, pre...
HOOFDSTUK V. - [1 Bijzondere stelsels.]1
HOOFDSTUK VI. - De betaling.
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE I. - Des bénéficiaires.
CHAPITRE II. - Du droit au traitement.
CHAPITRE III. - De la rétribution garantie.
CHAPITRE IV. - (Des allocations, des indemnités...
CHAPITRE V. - [1 Régimes particuliers.]1
CHAPITRE VI. - Du paiement.
CHAPITRE VII. - Dispositions finales.
CHAPITRE VIII. - Dispositions transitoires.
Tekst (36)
Texte (36)
HOOFDSTUK I. - De begunstigden.
CHAPITRE I. - Des bénéficiaires.
Article 1. [1 La présente loi est applicable aux militaires du cadre actif visés à l'article 2, alinéa 1er, de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des Forces armées, et du cadre de réserve visé à l'article 2 de la loi du 16 mai 2001 portant statut des militaires du cadre de réserve des Forces armées, ci-après dénommés "les militaires".]1
HOOFDSTUK II. - Het recht op wedde.
CHAPITRE II. - Du droit au traitement.
Art. 2. § 1. De militair wordt bezoldigd met een wedde.
(De Koning stelt de weddeschalen vast binnen de hierna bepaalde grenzen :
1° de opperofficieren :
minimumbedrag : het minimumbedrag van de weddeschalen van toepassing op de management- en staffuncties van de federale overheidsdiensten;
maximumbedrag : het maximumbedrag van de weddeschalen van toepassing op de management- en staffuncties van de federale overheidsdiensten;
2° de andere officieren :
minimumbedrag : het minimumbedrag van de weddeschalen van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten van het niveau B;
maximumbedrag : het maximumbedrag van de weddeschalen van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten van het niveau A;
3° de onderofficieren :
minimumbedrag : het minimumbedrag van de weddeschalen van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten van het niveau C;
maximumbedrag : het maximumbedrag van de weddeschalen van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten van het niveau B;
4° de vrijwilligers, met uitzondering van diegenen bedoeld in artikel 17 :
minimumbedrag : het minimumbedrag van de weddeschalen van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten van het niveau D;
maximumbedrag : het maximumbedrag van de weddeschalen van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten van het niveau D.)
§ 2. (opgeheven)
§ 3. De wedden van de militairen worden gekoppeld aan de mobiliteitsregeling van toepassing op de wedden van het personeel der ministeries. Zij zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
(De Koning stelt de weddeschalen vast binnen de hierna bepaalde grenzen :
1° de opperofficieren :
minimumbedrag : het minimumbedrag van de weddeschalen van toepassing op de management- en staffuncties van de federale overheidsdiensten;
maximumbedrag : het maximumbedrag van de weddeschalen van toepassing op de management- en staffuncties van de federale overheidsdiensten;
2° de andere officieren :
minimumbedrag : het minimumbedrag van de weddeschalen van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten van het niveau B;
maximumbedrag : het maximumbedrag van de weddeschalen van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten van het niveau A;
3° de onderofficieren :
minimumbedrag : het minimumbedrag van de weddeschalen van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten van het niveau C;
maximumbedrag : het maximumbedrag van de weddeschalen van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten van het niveau B;
4° de vrijwilligers, met uitzondering van diegenen bedoeld in artikel 17 :
minimumbedrag : het minimumbedrag van de weddeschalen van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten van het niveau D;
maximumbedrag : het maximumbedrag van de weddeschalen van toepassing op het personeel van de federale overheidsdiensten van het niveau D.)
§ 2. (opgeheven)
§ 3. De wedden van de militairen worden gekoppeld aan de mobiliteitsregeling van toepassing op de wedden van het personeel der ministeries. Zij zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
Art. 2. § 1. Le militaire est rémunéré par un traitement.
(Le Roi fixe les échelles de traitement dans les limites ci-après :
1° les officiers généraux :
montant minimum : le montant minimum des échelles de traitement applicables aux fonctions de management et d'encadrement des services publics fédéraux;
montant maximum : le montant maximum des échelles de traitement applicable aux fonction de management et d'encadrement des services publics fédéraux;
2° les autres officiers :
montant minimum : le montant minimum des échelles de traitement applicable au personnel des services publics fédéraux de niveau B;
Montant maximum : le montant maximum des échelles de traitement applicable au personnel des services publics fédéraux de niveau A;
3° les sous-officiers :
montant minimum : le montant minimum des échelles de traitement applicable au personnel des services publics fédéraux de niveau C;
montant maximum : le montant maximum des échelles de traitement applicable au personnel des services publics fédéraux de niveau B;
4° les volontaires, à l'exception de ceux visés à l'article 17 :
montant minimum : le montant minimum des échelles de traitement applicable au personnel des services publics fédéraux de niveau D;
montant maximum : le montant maximum des échelles de traitement applicable au personnel des services publics fédéraux de niveau D.)
§ 2. (abrogé)
§ 3. Les traitements des militaire sont liés au régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des ministères. Ils sont liés à l'indice-pivot 138,01.
(Le Roi fixe les échelles de traitement dans les limites ci-après :
1° les officiers généraux :
montant minimum : le montant minimum des échelles de traitement applicables aux fonctions de management et d'encadrement des services publics fédéraux;
montant maximum : le montant maximum des échelles de traitement applicable aux fonction de management et d'encadrement des services publics fédéraux;
2° les autres officiers :
montant minimum : le montant minimum des échelles de traitement applicable au personnel des services publics fédéraux de niveau B;
Montant maximum : le montant maximum des échelles de traitement applicable au personnel des services publics fédéraux de niveau A;
3° les sous-officiers :
montant minimum : le montant minimum des échelles de traitement applicable au personnel des services publics fédéraux de niveau C;
montant maximum : le montant maximum des échelles de traitement applicable au personnel des services publics fédéraux de niveau B;
4° les volontaires, à l'exception de ceux visés à l'article 17 :
montant minimum : le montant minimum des échelles de traitement applicable au personnel des services publics fédéraux de niveau D;
montant maximum : le montant maximum des échelles de traitement applicable au personnel des services publics fédéraux de niveau D.)
§ 2. (abrogé)
§ 3. Les traitements des militaire sont liés au régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des ministères. Ils sont liés à l'indice-pivot 138,01.
Art. 3. § 1. De militair heeft recht op zijn wedde, wanneer hij in " werkelijke dienst " is.
[1 [2 De militair van het reservekader die een periode van vorming, een wederoproeping of een bijkomende prestatie bedoeld in artikel 38 van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht, verricht en die een militair rustpensioen geniet, heeft recht op een wedde die gelijk is aan het verschil tussen de wedde waarop hij aanspraak zou kunnen maken als militair van het actief kader enerzijds, en het bedrag van zijn pensioen anderzijds.
In afwijking van het eerste lid, heeft de militair van het reservekader die een periode van vorming, een wederoproeping of een bijkomende prestatie bedoeld in artikel 38 van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht, verricht, en wanneer hij statutair ambtenaar is wiens bezoldiging, krachtens zijn statuut, door de rechtspersoon van publiek recht of door de gesubsidieerde instelling van het vrij onderwijs, die zijn werkgever is, niet of slechts na verloop van tijd mag geschorst worden, recht op een weddecomplement gelijk aan het verschil tussen de wedde van militair waarop hij aanspraak kan maken enerzijds, en de wedde waarop hij aanspraak kan maken als statutair ambtenaar anderzijds, op voorwaarde dat de wedde van militair hoger is.
Inzake pensioenen, wordt de in het tweede lid bedoelde wedde en het in het derde lid bedoelde weddecomplement onderworpen aan de verplichte afhouding bedoeld in artikel 60 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.]2]1
§ 1bis. [1 ...]1
§ 2. De militair op " non-activiteit " ingevolge tijdelijke ambtsontheffing om gezondheidsredenen :
1° behoudt het recht op zijn totale wedde, wanneer de aandoening die aan de basis lag van de tijdelijke ambtsontheffing is opgelopen naar aanleiding van de dienst;
2° behoudt het recht op 75 pct. van zijn totale wedde, wanneer de aandoening die aan de basis lag van de tijdelijke ambtsontheffing niet is opgelopen naar aanleiding van de dienst.
§ 3. De militair op " non-activiteit " als gevolg van een tijdelijke ambtshontheffing bij tuchtmaatregel heeft recht op 75 pct. van de laatste wedde.
(§ 3bis. De militair in non-activiteit ingevolge een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking heeft geen recht op wedde. (Hij ontvangt niettemin een onderbrekingstoelage tegen de tarieven en onder de voorwaarden vastgesteld voor het personeel van de federale overheidsdiensten.) )
(De wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, is van toepassing op de onderbrekingsuitkering.)
(De onderbrekingsuitkering wordt betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, behalve wanneer hij een beroepsactiviteit uitoefent, overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht. Wanneer de beroepsactiviteit evenwel een zelfstandige activiteit is, blijft de onderbrekingsuitkering betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening gedurende de eerste twaalf maanden van deze activiteit.)
[1 De militair met palliatief verlof heeft geen recht op wedde. Hij ontvangt niettemin een onderbrekingstoelage tegen de tarieven en onder de voorwaarden vastgesteld voor het personeel van de federale overheidsdiensten.]1
§ 3ter. [1 ...]1
§ 4. [1 De militair die een vrijheidsberovende straf ondergaat, waartoe hij door een Belgisch gerecht veroordeeld is of door een buitenlands gerecht als de beslissing wordt erkend in België, ontvangt 50 procent van de laatste wedde, zonder dat het bedrag minder mag bedragen dan het bedrag van het leefloon bedoeld in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.]1
In afwijking van vorig lid :
1° (heeft de militair die zijn straf ondergaat [1 onder de wijze van uitvoering van de beperkte detentie, de voorwaardelijke invrijheidstelling]1 of het elektronisch toezicht, recht op volle wedde;)
2° Blijft de volle wedde verworven voor de periode van voorlopige hechtenis die eerst gevolgd werd door de opschorting van de uitspraak van de veroordeling en vervolgens door de herroeping van voornoemde opschorting.
§ 5. Onder voorbehoud van latere definitieve vereffening van zijn rechten (, en zonder dat het bedrag minder mag bedragen dan het [1 bedrag van het leefloon bedoeld in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie]1,) ontvangt de militair :
1° 75 pct. van de wedde als hij bij ordemaatregel geschorst is;
2° 50 pct. van de wedde als hij in voorlopige hechtenis zit;
3° 75 pct. van de wedde als hij gescheiden is van het leger.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 3°, wordt de wedde gestort aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of, bij ontstentenis, aan de familieleden die fiscaal ten laste zijn van de militair.
[1 Wanneer een einde wordt gesteld aan de schorsing bij ordemaatregel van een militair in de loop van een tegen hem ingestelde strafvordering of van een procedure die een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben, die ingesteld werd voor dezelfde feiten, kan de betrokken militair pas aanspraak maken op de vereffening van het deel van de wedde dat hij niet ontvangen heeft op basis van het eerste lid, 1°, vanaf het ogenblik waarop er geen rechtsmiddel meer ingesteld kan worden tegen het vonnis, het arrest of de statutaire maatregel. Deze vereffening is niet verschuldigd voor de periode van schorsing bij ordemaatregel die omgezet wordt in een periode van non-activiteit.]1
De op grond van [1 het eerste tot het derde lid]1 berekende bedragen kunnen niet worden teruggevorderd.
[1 [2 De militair van het reservekader die een periode van vorming, een wederoproeping of een bijkomende prestatie bedoeld in artikel 38 van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht, verricht en die een militair rustpensioen geniet, heeft recht op een wedde die gelijk is aan het verschil tussen de wedde waarop hij aanspraak zou kunnen maken als militair van het actief kader enerzijds, en het bedrag van zijn pensioen anderzijds.
In afwijking van het eerste lid, heeft de militair van het reservekader die een periode van vorming, een wederoproeping of een bijkomende prestatie bedoeld in artikel 38 van de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de Krijgsmacht, verricht, en wanneer hij statutair ambtenaar is wiens bezoldiging, krachtens zijn statuut, door de rechtspersoon van publiek recht of door de gesubsidieerde instelling van het vrij onderwijs, die zijn werkgever is, niet of slechts na verloop van tijd mag geschorst worden, recht op een weddecomplement gelijk aan het verschil tussen de wedde van militair waarop hij aanspraak kan maken enerzijds, en de wedde waarop hij aanspraak kan maken als statutair ambtenaar anderzijds, op voorwaarde dat de wedde van militair hoger is.
Inzake pensioenen, wordt de in het tweede lid bedoelde wedde en het in het derde lid bedoelde weddecomplement onderworpen aan de verplichte afhouding bedoeld in artikel 60 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.]2]1
§ 1bis. [1 ...]1
§ 2. De militair op " non-activiteit " ingevolge tijdelijke ambtsontheffing om gezondheidsredenen :
1° behoudt het recht op zijn totale wedde, wanneer de aandoening die aan de basis lag van de tijdelijke ambtsontheffing is opgelopen naar aanleiding van de dienst;
2° behoudt het recht op 75 pct. van zijn totale wedde, wanneer de aandoening die aan de basis lag van de tijdelijke ambtsontheffing niet is opgelopen naar aanleiding van de dienst.
§ 3. De militair op " non-activiteit " als gevolg van een tijdelijke ambtshontheffing bij tuchtmaatregel heeft recht op 75 pct. van de laatste wedde.
(§ 3bis. De militair in non-activiteit ingevolge een tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking heeft geen recht op wedde. (Hij ontvangt niettemin een onderbrekingstoelage tegen de tarieven en onder de voorwaarden vastgesteld voor het personeel van de federale overheidsdiensten.) )
(De wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, is van toepassing op de onderbrekingsuitkering.)
(De onderbrekingsuitkering wordt betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, behalve wanneer hij een beroepsactiviteit uitoefent, overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht. Wanneer de beroepsactiviteit evenwel een zelfstandige activiteit is, blijft de onderbrekingsuitkering betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening gedurende de eerste twaalf maanden van deze activiteit.)
[1 De militair met palliatief verlof heeft geen recht op wedde. Hij ontvangt niettemin een onderbrekingstoelage tegen de tarieven en onder de voorwaarden vastgesteld voor het personeel van de federale overheidsdiensten.]1
§ 3ter. [1 ...]1
§ 4. [1 De militair die een vrijheidsberovende straf ondergaat, waartoe hij door een Belgisch gerecht veroordeeld is of door een buitenlands gerecht als de beslissing wordt erkend in België, ontvangt 50 procent van de laatste wedde, zonder dat het bedrag minder mag bedragen dan het bedrag van het leefloon bedoeld in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.]1
In afwijking van vorig lid :
1° (heeft de militair die zijn straf ondergaat [1 onder de wijze van uitvoering van de beperkte detentie, de voorwaardelijke invrijheidstelling]1 of het elektronisch toezicht, recht op volle wedde;)
2° Blijft de volle wedde verworven voor de periode van voorlopige hechtenis die eerst gevolgd werd door de opschorting van de uitspraak van de veroordeling en vervolgens door de herroeping van voornoemde opschorting.
§ 5. Onder voorbehoud van latere definitieve vereffening van zijn rechten (, en zonder dat het bedrag minder mag bedragen dan het [1 bedrag van het leefloon bedoeld in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie]1,) ontvangt de militair :
1° 75 pct. van de wedde als hij bij ordemaatregel geschorst is;
2° 50 pct. van de wedde als hij in voorlopige hechtenis zit;
3° 75 pct. van de wedde als hij gescheiden is van het leger.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 3°, wordt de wedde gestort aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of, bij ontstentenis, aan de familieleden die fiscaal ten laste zijn van de militair.
[1 Wanneer een einde wordt gesteld aan de schorsing bij ordemaatregel van een militair in de loop van een tegen hem ingestelde strafvordering of van een procedure die een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben, die ingesteld werd voor dezelfde feiten, kan de betrokken militair pas aanspraak maken op de vereffening van het deel van de wedde dat hij niet ontvangen heeft op basis van het eerste lid, 1°, vanaf het ogenblik waarop er geen rechtsmiddel meer ingesteld kan worden tegen het vonnis, het arrest of de statutaire maatregel. Deze vereffening is niet verschuldigd voor de periode van schorsing bij ordemaatregel die omgezet wordt in een periode van non-activiteit.]1
De op grond van [1 het eerste tot het derde lid]1 berekende bedragen kunnen niet worden teruggevorderd.
Art. 3. § 1. Le militaire a droit à son traitement lorsqu'il est en " service actif ".
[1 [2 Le militaire du cadre de réserve qui effectue une période de formation, un rappel ou une prestation complémentaire visée à l'article 38 de la loi du 16 mai 2001 portant statut des militaires du cadre de réserve des Forces armées et qui bénéficie d'une pension de retraite militaire, a droit à un traitement égal à la différence entre d'une part le traitement auquel il pourrait prétendre comme militaire du cadre actif, et d'autre part le montant de sa pension.
En dérogation à l'alinéa 1er, le militaire du cadre de réserve qui effectue une période de formation, un rappel ou une prestation complémentaire visée à l'article 38 de la loi du 16 mai 2001 portant statut des militaires du cadre de réserve des Forces armées et lorsqu'il est agent statutaire dont, en vertu de son statut, la rémunération n'est pas suspendue, ou n'est suspendue qu'après un certain temps, par la personne morale de droit public ou par l'établissement d'enseignement libre subventionné, qui est son employeur, a droit à un complément de traitement égal à la différence entre, d'une part le traitement de militaire auquel il peut prétendre, et d'autre part le traitement auquel il peut prétendre en tant qu'agent statutaire, à condition que le traitement de militaire soit supérieur.
En matière de pensions, le traitement visé à l'alinéa 2 et le complément de traitement visé à l'alinéa 3 sont soumis à la retenue obligatoire visée à l'article 60 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.]2]1
§ 1bis. [1 ...]1
§ 2. Le militaire en " non-activité " à la suite d'un retrait temporaire d'emploi pour motif de santé :
1° conserve le droit à la totalité de son traitement, lorsque l'affection qui a justifié le retrait temporaire d'emploi a été contractée à l'occasion du service;
2° conserve le droit à 75 p.c. de son traitement, lorsque l'affection qui a justifié le retrait temporaire d'emploi n'a pas été contractée à l'occasion du service.
§ 3. Le militaire en " non-activité " suite à un retrait temporaire d'emploi par mesure disciplinaire, a droit à 75 p.c. du dernier traitement.
(§ 3bis. Le militaire en non-activité à la suite d'un retrait temporaire d'emploi par interruption de carrière n'a pas droit au traitement. (Toutefois, il perçoit une allocation d'interruption aux taux et aux conditions fixés pour le personnel des services publics fédéraux.) )
(La loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, est applicable à l'allocation d'interruption.)
(L'allocation d'interruption est payée par l'Office national de l'Emploi, sauf lorsqu'il exerce une activité professionnelle, conformément aux dispositions de l'article 19 de la loi du 14 janvier 1975 portant le règlement de discipline des forces armées. Toutefois, lorsque l'activité professionnelle est une activité indépendante, l'allocation d'interruption reste payée par l'Office national de l'Emploi pendant les douze premiers mois de l'exercice de cette activité.)
[1 Le militaire en congé pour soins palliatifs n'a pas droit au traitement. Toutefois, il perçoit une allocation d'interruption aux taux et aux conditions fixées pour le personnel des services publics fédéraux.]1
§ 3ter. [1 ...]1
§ 4. [1 Le militaire qui subit une peine privative de liberté, à laquelle il a été condamné par une juridiction belge ou par une juridiction étrangère si la décision est reconnue en Belgique, perçoit 50 pour cent du dernier traitement, sans que le montant puisse être inférieur au montant du revenu d'intégration visé à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.]1
Par dérogation à l'alinéa précédent :
1° (le militaire qui exécute sa peine [1 sous le mode d'exécution de la détention limitée, de la libération conditionnelle]1 ou de la surveillance électronique, conserve ses droits au traitement entier;)
2° le traitement entier reste acquis pour la période de détention préventive, qui a été suivie d'abord de la suspension du prononcé de la condamnation et ensuite de la révocation de la suspension précitée.
§ 5. (Perçoit, sans que le montant puisse être inférieur au [1 montant du revenu d'intégration visé à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale]1, et sous réserve de liquidation ultérieure définitive de ses droits :)
1° 75 p.c. du traitement, le militaire suspendu par mesure d'ordre;
2° 50 p.c. du traitement, le militaire détenu préventivement;
3° 75 p.c. du traitement, le militaire séparé de l'armée.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 3°, le traitement est versé au profit du conjoint non séparé de corps ou, à défaut, au profit des membres de la famille qui sont fiscalement à charge du militaire.
[1 Lorsqu'il est mis fin à la suspension par mesure d'ordre d'un militaire au cours d'une procédure pénale engagée à son encontre ou d'une procédure pouvant donner lieu à une mesure statutaire, entamée pour les mêmes faits, le militaire concerné ne peut prétendre à la liquidation de la quote-part du traitement non perçu sur la base de l'alinéa 1er, 1°, qu'à partir du moment où le jugement, l'arrêt ou la mesure statutaire n'est plus susceptible de recours. Cette liquidation n'est pas due pour la période de suspension par mesure d'ordre qui est convertie en une période de non-activité.]1
Les sommes liquidées sur la base [1 des alinéas 1er à 3]1 ne sont pas sujettes à répétition.
[1 [2 Le militaire du cadre de réserve qui effectue une période de formation, un rappel ou une prestation complémentaire visée à l'article 38 de la loi du 16 mai 2001 portant statut des militaires du cadre de réserve des Forces armées et qui bénéficie d'une pension de retraite militaire, a droit à un traitement égal à la différence entre d'une part le traitement auquel il pourrait prétendre comme militaire du cadre actif, et d'autre part le montant de sa pension.
En dérogation à l'alinéa 1er, le militaire du cadre de réserve qui effectue une période de formation, un rappel ou une prestation complémentaire visée à l'article 38 de la loi du 16 mai 2001 portant statut des militaires du cadre de réserve des Forces armées et lorsqu'il est agent statutaire dont, en vertu de son statut, la rémunération n'est pas suspendue, ou n'est suspendue qu'après un certain temps, par la personne morale de droit public ou par l'établissement d'enseignement libre subventionné, qui est son employeur, a droit à un complément de traitement égal à la différence entre, d'une part le traitement de militaire auquel il peut prétendre, et d'autre part le traitement auquel il peut prétendre en tant qu'agent statutaire, à condition que le traitement de militaire soit supérieur.
En matière de pensions, le traitement visé à l'alinéa 2 et le complément de traitement visé à l'alinéa 3 sont soumis à la retenue obligatoire visée à l'article 60 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.]2]1
§ 1bis. [1 ...]1
§ 2. Le militaire en " non-activité " à la suite d'un retrait temporaire d'emploi pour motif de santé :
1° conserve le droit à la totalité de son traitement, lorsque l'affection qui a justifié le retrait temporaire d'emploi a été contractée à l'occasion du service;
2° conserve le droit à 75 p.c. de son traitement, lorsque l'affection qui a justifié le retrait temporaire d'emploi n'a pas été contractée à l'occasion du service.
§ 3. Le militaire en " non-activité " suite à un retrait temporaire d'emploi par mesure disciplinaire, a droit à 75 p.c. du dernier traitement.
(§ 3bis. Le militaire en non-activité à la suite d'un retrait temporaire d'emploi par interruption de carrière n'a pas droit au traitement. (Toutefois, il perçoit une allocation d'interruption aux taux et aux conditions fixés pour le personnel des services publics fédéraux.) )
(La loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, est applicable à l'allocation d'interruption.)
(L'allocation d'interruption est payée par l'Office national de l'Emploi, sauf lorsqu'il exerce une activité professionnelle, conformément aux dispositions de l'article 19 de la loi du 14 janvier 1975 portant le règlement de discipline des forces armées. Toutefois, lorsque l'activité professionnelle est une activité indépendante, l'allocation d'interruption reste payée par l'Office national de l'Emploi pendant les douze premiers mois de l'exercice de cette activité.)
[1 Le militaire en congé pour soins palliatifs n'a pas droit au traitement. Toutefois, il perçoit une allocation d'interruption aux taux et aux conditions fixées pour le personnel des services publics fédéraux.]1
§ 3ter. [1 ...]1
§ 4. [1 Le militaire qui subit une peine privative de liberté, à laquelle il a été condamné par une juridiction belge ou par une juridiction étrangère si la décision est reconnue en Belgique, perçoit 50 pour cent du dernier traitement, sans que le montant puisse être inférieur au montant du revenu d'intégration visé à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.]1
Par dérogation à l'alinéa précédent :
1° (le militaire qui exécute sa peine [1 sous le mode d'exécution de la détention limitée, de la libération conditionnelle]1 ou de la surveillance électronique, conserve ses droits au traitement entier;)
2° le traitement entier reste acquis pour la période de détention préventive, qui a été suivie d'abord de la suspension du prononcé de la condamnation et ensuite de la révocation de la suspension précitée.
§ 5. (Perçoit, sans que le montant puisse être inférieur au [1 montant du revenu d'intégration visé à l'article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale]1, et sous réserve de liquidation ultérieure définitive de ses droits :)
1° 75 p.c. du traitement, le militaire suspendu par mesure d'ordre;
2° 50 p.c. du traitement, le militaire détenu préventivement;
3° 75 p.c. du traitement, le militaire séparé de l'armée.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 3°, le traitement est versé au profit du conjoint non séparé de corps ou, à défaut, au profit des membres de la famille qui sont fiscalement à charge du militaire.
[1 Lorsqu'il est mis fin à la suspension par mesure d'ordre d'un militaire au cours d'une procédure pénale engagée à son encontre ou d'une procédure pouvant donner lieu à une mesure statutaire, entamée pour les mêmes faits, le militaire concerné ne peut prétendre à la liquidation de la quote-part du traitement non perçu sur la base de l'alinéa 1er, 1°, qu'à partir du moment où le jugement, l'arrêt ou la mesure statutaire n'est plus susceptible de recours. Cette liquidation n'est pas due pour la période de suspension par mesure d'ordre qui est convertie en une période de non-activité.]1
Les sommes liquidées sur la base [1 des alinéas 1er à 3]1 ne sont pas sujettes à répétition.
Art. 4. [1 § 1. De wedde van de kandidaat-militair "in periode van schoolvorming" wordt verminderd met een bedrag dat wordt vastgesteld op basis van een door de Koning bepaalde coëfficiënt. Deze coëfficiënt mag niet hoger zijn dan 0,5.
Onder kandidaat-militair "in periode van schoolvorming" wordt verstaan :
1° de kandidaat-officier die cursussen volgt in de Koninklijke Militaire School, in een industriële hogeschool of in de hogere zeevaartschool, of in een universiteit met het oog op het behalen van het diploma van arts, dierenarts, tandarts of apotheker, of in eender welke andere door de Koning bepaalde instelling die onderwijs verstrekt dat toegang verleent tot het niveau A;
2° de kandidaat-onderofficier van niveau B die cursussen volgt in een instelling van het hoger onderwijs met het oog op het behalen van een bachelor.
§ 2. [2 ...]2]1
Onder kandidaat-militair "in periode van schoolvorming" wordt verstaan :
1° de kandidaat-officier die cursussen volgt in de Koninklijke Militaire School, in een industriële hogeschool of in de hogere zeevaartschool, of in een universiteit met het oog op het behalen van het diploma van arts, dierenarts, tandarts of apotheker, of in eender welke andere door de Koning bepaalde instelling die onderwijs verstrekt dat toegang verleent tot het niveau A;
2° de kandidaat-onderofficier van niveau B die cursussen volgt in een instelling van het hoger onderwijs met het oog op het behalen van een bachelor.
§ 2. [2 ...]2]1
Art. 4. [1 § 1er. Le traitement du candidat militaire "en période de formation scolaire" est réduit d'un montant correspondant à un coefficient fixé par le Roi. Ce coefficient ne peut être supérieur à 0,5.
Par candidat militaire "en période de formation scolaire", on entend :
1° le candidat officier qui suit les cours de l'Ecole royale militaire, d'un institut supérieur industriel, de l'école supérieure de navigation, d'une université en vue de l'obtention du diplôme de médecine, de vétérinaire, de dentiste ou de pharmacien, ou de tout autre établissement déterminé par le Roi, qui dispense un enseignement permettant l'accès au niveau A;
2° le candidat sous-officier du niveau B qui suit les cours d'un établissement de l'enseignement supérieur en vue de l'obtention d'un bachelier.
§ 2. [2 ...]2]1
Par candidat militaire "en période de formation scolaire", on entend :
1° le candidat officier qui suit les cours de l'Ecole royale militaire, d'un institut supérieur industriel, de l'école supérieure de navigation, d'une université en vue de l'obtention du diplôme de médecine, de vétérinaire, de dentiste ou de pharmacien, ou de tout autre établissement déterminé par le Roi, qui dispense un enseignement permettant l'accès au niveau A;
2° le candidat sous-officier du niveau B qui suit les cours d'un établissement de l'enseignement supérieur en vue de l'obtention d'un bachelier.
§ 2. [2 ...]2]1
Art. 5. § 1. De militair die krijsgevangene of oorlogsgeïnterneerde is, of die gevangene of geïnterneerde is of als gijzelaar vastgehouden wordt, of vermist wordt gedurende een opdracht uitgevoerd in de deelstand " operationele inzet " [1 , " militaire bijstand "]1 of " hulpverlening ", behoudt het recht op de totale wedde.
De Koning kan echter, bij een besluit vastgesteld op de voordracht van de Minister van Landsverdediging, de wedde verminderen of inhouden voor de hele periode van gevangenschap of internering of gijzeling of vermist zijn of voor een gedeelte ervan, wanneer de feiten die de aanleiding zijn geweest van zijn gevangenschap, de internering, de gijzeling of het vermist zijn, onverenigbaar zijn met zijn militaire staat. De militair wordt op de hoogte gebracht van de met redenen omklede voordracht van de Minister van Landsverdediging en beschikt over de mogelijkheid om zijn middelen van verweer te doen gelden, voordat het koninklijk besluit uitgevaardigd wordt.
§ 2. In de gevallen bedoeld in § 1 wordt de wedde gestort aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of, bij ontstentenis, aan de familieleden die fiscaal ten laste zijn van de militair.
De Koning kan echter, bij een besluit vastgesteld op de voordracht van de Minister van Landsverdediging, de wedde verminderen of inhouden voor de hele periode van gevangenschap of internering of gijzeling of vermist zijn of voor een gedeelte ervan, wanneer de feiten die de aanleiding zijn geweest van zijn gevangenschap, de internering, de gijzeling of het vermist zijn, onverenigbaar zijn met zijn militaire staat. De militair wordt op de hoogte gebracht van de met redenen omklede voordracht van de Minister van Landsverdediging en beschikt over de mogelijkheid om zijn middelen van verweer te doen gelden, voordat het koninklijk besluit uitgevaardigd wordt.
§ 2. In de gevallen bedoeld in § 1 wordt de wedde gestort aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of, bij ontstentenis, aan de familieleden die fiscaal ten laste zijn van de militair.
Art. 5. § 1. Le militaire, qui est prisonnier ou interné de guerre, ou prisonnier ou interné, ou pris en otage, ou porté disparu au cours d'une mission effectuée en sous-position d'" engagement opérationnel " [2 , " d'appui militaire "]2 ou d'" assistance ", conserve le droit à la totalité du traitement.
Toutefois, par arrêté pris sur la proposition du Ministre [1 de la Défense]1, le Roi peut réduire ou supprimer le traitement pour tout ou partie de la période de captivité ou d'internement ou de prise d'otage ou de disparition, lorsque les faits qui sont à l'origine de la capture ou la conduite de l'intéressé pendant la captivité ou l'internement, la prise d'otage ou la disparition sont incompatibles avec son état militaire. Le militaire sera informé de la proposition motivée du Ministre [1 de la Défense]1 et aura la faculté de faire valoir ses moyens de défense avant que l'arrêté royal soit pris.
§ 2. Dans les cas visés au § 1er, le traitement est versé au profit du conjoint non séparé de corps ou, à défaut, au profit des membres de la famille qui sont fiscalement à charge du militaire.
Toutefois, par arrêté pris sur la proposition du Ministre [1 de la Défense]1, le Roi peut réduire ou supprimer le traitement pour tout ou partie de la période de captivité ou d'internement ou de prise d'otage ou de disparition, lorsque les faits qui sont à l'origine de la capture ou la conduite de l'intéressé pendant la captivité ou l'internement, la prise d'otage ou la disparition sont incompatibles avec son état militaire. Le militaire sera informé de la proposition motivée du Ministre [1 de la Défense]1 et aura la faculté de faire valoir ses moyens de défense avant que l'arrêté royal soit pris.
§ 2. Dans les cas visés au § 1er, le traitement est versé au profit du conjoint non séparé de corps ou, à défaut, au profit des membres de la famille qui sont fiscalement à charge du militaire.
HOOFDSTUK III. - De gewaarborgde bezoldiging.
CHAPITRE III. - De la rétribution garantie.
Art. 6. § 1. De militair ontvangt een gewaarborgde minimumbezoldiging.
[1 De gewaarborgde minimumbezoldiging is evenwel niet van toepassing op de kandidaat-militair "in periode van schoolvorming" bedoeld in artikel 4, § 1.]1
§ 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet onder " bezoldiging " worden verstaan, de basiswedde vermeerderd met de hiernavermelde toelagen :
1° de haard- of standplaatstoelage;
2° de toelage voor huisvesting of de waarde van de door de Staat in België kosteloos geleverde huisvesting;
3° de toelage aan militairen die de opleiding tot parachutist hebben ontvangen.
§ 3. Voor de vaststelling van de " bezoldiging " komen niet in aanmerking :
1° de vergoedingen en toelagen die werkelijke lasten dekken;
2° de kinderbijslagen en de maandelijkse supplementen daarvan.
[1 De gewaarborgde minimumbezoldiging is evenwel niet van toepassing op de kandidaat-militair "in periode van schoolvorming" bedoeld in artikel 4, § 1.]1
§ 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet onder " bezoldiging " worden verstaan, de basiswedde vermeerderd met de hiernavermelde toelagen :
1° de haard- of standplaatstoelage;
2° de toelage voor huisvesting of de waarde van de door de Staat in België kosteloos geleverde huisvesting;
3° de toelage aan militairen die de opleiding tot parachutist hebben ontvangen.
§ 3. Voor de vaststelling van de " bezoldiging " komen niet in aanmerking :
1° de vergoedingen en toelagen die werkelijke lasten dekken;
2° de kinderbijslagen en de maandelijkse supplementen daarvan.
Art. 6. § 1. Le militaire perçoit une rétribution minimum garantie.
[1 Toutefois, la rétribution minimum garantie n'est pas d'application au candidat militaire "en période de formation scolaire" visé à l'article 4, § 1er.]1
§ 2. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par " rétribution ", le traitement de base augmenté des allocations mentionnées ci-après :
1° l'allocation de foyer ou de résidence;
2° l'allocation de logement ou la valeur du logement fourni gratuitement par l'Etat en Belgique;
3° l'allocation accordée aux militaires ayant reçu l'instruction de parachutiste.
§ 3. N'interviennent pas dans la détermination de la " rétribution " :
1° les indemnités et allocations qui couvrent des charges réelles;
2° les allocations familiales et leurs suppléments mensuels.
[1 Toutefois, la rétribution minimum garantie n'est pas d'application au candidat militaire "en période de formation scolaire" visé à l'article 4, § 1er.]1
§ 2. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par " rétribution ", le traitement de base augmenté des allocations mentionnées ci-après :
1° l'allocation de foyer ou de résidence;
2° l'allocation de logement ou la valeur du logement fourni gratuitement par l'Etat en Belgique;
3° l'allocation accordée aux militaires ayant reçu l'instruction de parachutiste.
§ 3. N'interviennent pas dans la détermination de la " rétribution " :
1° les indemnités et allocations qui couvrent des charges réelles;
2° les allocations familiales et leurs suppléments mensuels.
Änderungen
Art. 7. De jaarbezoldiging van de militair die de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft, bedraagt nooit, voor volledige prestaties, minder dan :
- (13.234,20 EUR), indien de betrokkene, wat de sociale zekerheid betreft, onderworpen is aan de regeling inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging;
- (112.478,10 EUR) frank in de andere gevallen.
(De Koning past de in het eerste lid bepaalde bedragen aan, overeenkomstig de intersectorale programmaties die van toepassing zijn op geheel het Openbaar Ambt.)
- (13.234,20 EUR), indien de betrokkene, wat de sociale zekerheid betreft, onderworpen is aan de regeling inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging;
- (112.478,10 EUR) frank in de andere gevallen.
(De Koning past de in het eerste lid bepaalde bedragen aan, overeenkomstig de intersectorale programmaties die van toepassing zijn op geheel het Openbaar Ambt.)
Art. 7. La rétribution annuelle du militaire ayant atteint l'âge de 21 ans n'est, pour des prestations complètes, jamais inférieure :
- à (13.234,20 EUR), si, en matière de sécurité sociale, l'intéressé est soumis au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé;
- (12.478,10 EUR), dans les autres cas.
(Le Roi adapte les montants prévus à l'alinéa 1er, conformément aux programmations intersectorielles applicables à l'ensemble de la Fonction publique.)
- à (13.234,20 EUR), si, en matière de sécurité sociale, l'intéressé est soumis au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé;
- (12.478,10 EUR), dans les autres cas.
(Le Roi adapte les montants prévus à l'alinéa 1er, conformément aux programmations intersectorielles applicables à l'ensemble de la Fonction publique.)
Art. 8. Het verschil tussen de in artikel 7 bedoelde jaarbezoldiging en die waarop de militair normaal zou recht hebben, wordt hem toegekend in de vorm van een weddebijslag en in zijn wedde opgenomen.
De in het eerste lid bedoelde weddebijslag wordt evenwel in dezelfde mate verminderd als de wedde van de maand waarop hij betrekking heeft.
De in het eerste lid bedoelde weddebijslag wordt evenwel in dezelfde mate verminderd als de wedde van de maand waarop hij betrekking heeft.
Art. 8. La différence entre la rétribution annuelle visée à l'article 7 et celle qui reviendrait normalement au militaire, lui est octroyée sous la forme d'un supplément de traitement et incorporée à son traitement.
Le supplément de traitement visé à l'alinéa premier est réduit éventuellement dans la même mesure que le traitement du mois auquel il se rapporte.
Le supplément de traitement visé à l'alinéa premier est réduit éventuellement dans la même mesure que le traitement du mois auquel il se rapporte.
HOOFDSTUK IV. - (De toelagen, vergoedingen, premies, voordelen van alle aard en sociale voordelen.)
CHAPITRE IV. - (Des allocations, des indemnités, des primes, des avantages de toute nature et des avantages sociaux.)
Art. 9. Het stelsel der toelagen en vergoedingen toepasselijk op de militair in " [1 werkelijke]1 dienst " in periode van oorlog wordt vastgesteld door de Koning.
Art. 9. Le régime des allocations et des indemnités au militaire en " service actif " en période de guerre est fixé par le Roi.
Art. 9bis. § 1. Naast de wedde ontvangt de militair in werkelijke dienst in periode van vrede, in de deelstanden " in intensieve dienst ", " in hulpverlening " [1 , "in militaire bijstand"]1 en " in operationele inzet " een toelage waarvan het bedrag per dag overeenstemt met een breuk van de bruto jaarwedde met in de noemer het getal 1 850 en in de teller het getal bepaald door de Koning.
§ 2. Het vervullen van bijzondere prestaties en het bezit van bijzondere kwalificaties die niet als normaal en inherent aan het ambt van militair kunnen worden beschouwd, kunnen eveneens aanleiding geven tot het toekennen van een toelage.
Onder bijzondere prestaties worden verstaan :
1° de prestaties die buiten de normale regeling van de dienstprestaties geleverd worden;
2° de prestaties die geen verband houden met de normale functie van de betrokken militair;
3° de prestaties die, alhoewel zij verband houden met de functie van betrokken militair, bijzonder hoge eisen stellen.
Een toelage voor bijzondere kwalificaties kan slechts verleend worden op basis van diploma's, van getuigschriften of van door de minister van Landsverdediging of door de Chef Defensie verleende brevetten.
De Koning bepaalt de bedragen en regelt de toekenning van de in het eerste lid bedoelde voordelen.
Hij mag evenwel de Minister van Landsverdediging belasten met het bepalen van de aanvullende maatregelen nodig voor de uitvoering van een door Hem vastgestelde regeling.
§ 3. Toelagen op grond van kwalificaties, waarvan de toekenning of het behoud ervan bijkomend afhankelijk zijn van het uitvoeren van een minimum aantal specifieke prestaties binnen een welbepaalde periode, kunnen, wanneer de betrokkene de vereiste prestaties niet tijdig heeft kunnen uitvoeren wegens gerechtvaardigde dienstredenen, of omwille van een tijdelijke lichamelijke ongeschiktheid tot het uitvoeren van de beoogde prestaties die te wijten is aan de uitvoering van de militaire dienst, blijven toegekend worden door de autoriteit die de Koning aanduidt en volgens de nadere regels die Hij bepaalt.
[1 § 4. De Koning kan een toelage creëren om aan de militair dezelfde voordelen toe te kennen als deze die toegekend worden aan het personeel van de federale overheidsdiensten. Hij bepaalt, desgevallend forfaitair, het bedrag ervan en regelt de toekenning ervan.
De Koning kan, eventueel voor een beperkte duur, een toelage of een weddecomplement toekennen om een eventueel verlies van inkomsten of van perspectieven van inkomsten te compenseren, te wijten aan een wijziging van bestaande geldelijke rechten. Hij bepaalt, desgevallend forfaitair, het bedrag ervan en regelt de toekenning ervan.
Hij kan evenwel de Minister van Landsverdediging belasten met het bepalen van de aanvullende maatregelen nodig voor de uitvoering van een door Hem vastgestelde regeling.]1
§ 2. Het vervullen van bijzondere prestaties en het bezit van bijzondere kwalificaties die niet als normaal en inherent aan het ambt van militair kunnen worden beschouwd, kunnen eveneens aanleiding geven tot het toekennen van een toelage.
Onder bijzondere prestaties worden verstaan :
1° de prestaties die buiten de normale regeling van de dienstprestaties geleverd worden;
2° de prestaties die geen verband houden met de normale functie van de betrokken militair;
3° de prestaties die, alhoewel zij verband houden met de functie van betrokken militair, bijzonder hoge eisen stellen.
Een toelage voor bijzondere kwalificaties kan slechts verleend worden op basis van diploma's, van getuigschriften of van door de minister van Landsverdediging of door de Chef Defensie verleende brevetten.
De Koning bepaalt de bedragen en regelt de toekenning van de in het eerste lid bedoelde voordelen.
Hij mag evenwel de Minister van Landsverdediging belasten met het bepalen van de aanvullende maatregelen nodig voor de uitvoering van een door Hem vastgestelde regeling.
§ 3. Toelagen op grond van kwalificaties, waarvan de toekenning of het behoud ervan bijkomend afhankelijk zijn van het uitvoeren van een minimum aantal specifieke prestaties binnen een welbepaalde periode, kunnen, wanneer de betrokkene de vereiste prestaties niet tijdig heeft kunnen uitvoeren wegens gerechtvaardigde dienstredenen, of omwille van een tijdelijke lichamelijke ongeschiktheid tot het uitvoeren van de beoogde prestaties die te wijten is aan de uitvoering van de militaire dienst, blijven toegekend worden door de autoriteit die de Koning aanduidt en volgens de nadere regels die Hij bepaalt.
[1 § 4. De Koning kan een toelage creëren om aan de militair dezelfde voordelen toe te kennen als deze die toegekend worden aan het personeel van de federale overheidsdiensten. Hij bepaalt, desgevallend forfaitair, het bedrag ervan en regelt de toekenning ervan.
De Koning kan, eventueel voor een beperkte duur, een toelage of een weddecomplement toekennen om een eventueel verlies van inkomsten of van perspectieven van inkomsten te compenseren, te wijten aan een wijziging van bestaande geldelijke rechten. Hij bepaalt, desgevallend forfaitair, het bedrag ervan en regelt de toekenning ervan.
Hij kan evenwel de Minister van Landsverdediging belasten met het bepalen van de aanvullende maatregelen nodig voor de uitvoering van een door Hem vastgestelde regeling.]1
Art. 9bis. § 1er. Outre le traitement, le militaire en service actif en période de paix perçoit, dans les sous-positions " en service intensif ", " en assistance " [1 , "en appui militaire"]1 et " en engagement opérationnel ", une allocation dont le montant journalier correspond à une fraction du traitement annuel brut dont le dénominateur est le nombre 1 850 et dont le numérateur est fixé par le Roi.
§ 2. Des qualifications particulières, ainsi que l'accomplissement de prestations particulières, qui ne peuvent pas être considérées comme normales et inhérentes à la fonction de militaire, peuvent également donner lieu à l'octroi d'une allocation.
Par prestations particulières, on entend :
1° les prestations qui sont effectuées en dehors du régime normal des prestations de service;
2° les prestations qui sont étrangères à la fonction normale du militaire concerné;
3° les prestations qui, quoique liées à la fonction du militaire concerné, revêtent un caractère particulièrement exigeant.
Une allocation pour des qualifications particulières, ne peut être octroyée que sur la base de diplômes, de certificats, ou de brevets accordés par le ministre de la Défense ou par le chef de la Défense.
Le Roi détermine les montants et règle l'octroi des avantages visés à l'alinéa 1er.
Toutefois, il peut charger le Ministre de la Défense de fixer les mesures complémentaires nécessaires à l'exécution de la réglementation arrêtée par Lui.
§ 3. Des allocations sur la base de qualifications, dont l'octroi ou le maintien dépendent en outre de l'exécution d'un nombre minimal de prestations spécifiques au cours d'une période définie, peuvent être maintenues par l'autorité désignée par le Roi et suivant les modalités qu'Il détermine, lorsque l'intéressé n'a pas pu effectuer en temps voulu les prestations requises du fait de raisons de service justifiées, ou par suite d'une inaptitude physique temporaire à exécuter les prestations requises attribuable à l'exécution du service militaire.
[1 § 4. Le Roi peut créer une allocation visant à accorder au militaire les mêmes avantages que ceux accordés au personnel des services publics fédéraux. Il en détermine, le cas échéant forfaitairement le montant et en règle l'octroi.
Le Roi peut accorder, éventuellement pour une durée limitée, une allocation ou un complément de traitement visant à compenser une perte éventuelle de revenus ou de perspectives de revenus, due à une modification de droits pécuniaires existants. Il en détermine, le cas échéant forfaitairement, le montant et en règle l'octroi.
Toutefois, Il peut charger le Ministre de la Défense de fixer les mesures complémentaires nécessaires à l'exécution de la réglementation arrêtée par Lui.]1
§ 2. Des qualifications particulières, ainsi que l'accomplissement de prestations particulières, qui ne peuvent pas être considérées comme normales et inhérentes à la fonction de militaire, peuvent également donner lieu à l'octroi d'une allocation.
Par prestations particulières, on entend :
1° les prestations qui sont effectuées en dehors du régime normal des prestations de service;
2° les prestations qui sont étrangères à la fonction normale du militaire concerné;
3° les prestations qui, quoique liées à la fonction du militaire concerné, revêtent un caractère particulièrement exigeant.
Une allocation pour des qualifications particulières, ne peut être octroyée que sur la base de diplômes, de certificats, ou de brevets accordés par le ministre de la Défense ou par le chef de la Défense.
Le Roi détermine les montants et règle l'octroi des avantages visés à l'alinéa 1er.
Toutefois, il peut charger le Ministre de la Défense de fixer les mesures complémentaires nécessaires à l'exécution de la réglementation arrêtée par Lui.
§ 3. Des allocations sur la base de qualifications, dont l'octroi ou le maintien dépendent en outre de l'exécution d'un nombre minimal de prestations spécifiques au cours d'une période définie, peuvent être maintenues par l'autorité désignée par le Roi et suivant les modalités qu'Il détermine, lorsque l'intéressé n'a pas pu effectuer en temps voulu les prestations requises du fait de raisons de service justifiées, ou par suite d'une inaptitude physique temporaire à exécuter les prestations requises attribuable à l'exécution du service militaire.
[1 § 4. Le Roi peut créer une allocation visant à accorder au militaire les mêmes avantages que ceux accordés au personnel des services publics fédéraux. Il en détermine, le cas échéant forfaitairement le montant et en règle l'octroi.
Le Roi peut accorder, éventuellement pour une durée limitée, une allocation ou un complément de traitement visant à compenser une perte éventuelle de revenus ou de perspectives de revenus, due à une modification de droits pécuniaires existants. Il en détermine, le cas échéant forfaitairement, le montant et en règle l'octroi.
Toutefois, Il peut charger le Ministre de la Défense de fixer les mesures complémentaires nécessaires à l'exécution de la réglementation arrêtée par Lui.]1
Art. 10. (eerste lid opgeheven)
Wanneer hij zich [1 bevindt in de deelstand "hulpverlening", "militaire bijstand" of "operationele inzet"]1, ontvangt de militair in " werkelijke dienst " bovendien een dagelijkse forfaitaire vergoeding waarvan het bedrag gelijk is voor alle categorieën van het militair personeel en door de Koning wordt vastgesteld. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt die door de Koning wordt vastgesteld afhankelijk van de aanwendingsvormen, die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 3 van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de krijgsmacht, de paraatstelling alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden, waarbij deze coëfficiënt niet hoger mag zijn dan 7.
Wanneer hij zich [1 bevindt in de deelstand "hulpverlening", "militaire bijstand" of "operationele inzet"]1, ontvangt de militair in " werkelijke dienst " bovendien een dagelijkse forfaitaire vergoeding waarvan het bedrag gelijk is voor alle categorieën van het militair personeel en door de Koning wordt vastgesteld. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt die door de Koning wordt vastgesteld afhankelijk van de aanwendingsvormen, die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 3 van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de krijgsmacht, de paraatstelling alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden, waarbij deze coëfficiënt niet hoger mag zijn dan 7.
Art. 10. (alinéa abrogé)
Lorsqu'il est dans la sous-position " assistance " [1 , "appui militaire", ou "engagement opérationnel"]1, le militaire en " service actif " perçoit, en outre, une indemnité forfaitaire journalière dont le montant est identique pour toutes les catégories du personnel militaire et est fixé par le Roi. Ce montant est multiplié par un coefficient fixé par le Roi en fonction des formes d'engagement, déterminées en application de l'article 3 de la loi du 20 mai 1994 relative à la mise en oeuvre des forces armées, à la mise en condition, ainsi qu'aux périodes et positions dans lesquelles le militaire peut se trouver, ce coefficient ne pouvant être supérieur à 7.
Lorsqu'il est dans la sous-position " assistance " [1 , "appui militaire", ou "engagement opérationnel"]1, le militaire en " service actif " perçoit, en outre, une indemnité forfaitaire journalière dont le montant est identique pour toutes les catégories du personnel militaire et est fixé par le Roi. Ce montant est multiplié par un coefficient fixé par le Roi en fonction des formes d'engagement, déterminées en application de l'article 3 de la loi du 20 mai 1994 relative à la mise en oeuvre des forces armées, à la mise en condition, ainsi qu'aux périodes et positions dans lesquelles le militaire peut se trouver, ce coefficient ne pouvant être supérieur à 7.
Art. 10bis. § 1. Een vergoeding wordt [2 ...]2 toegekend aan de militair, die verplicht wordt werkelijke lasten te dragen die niet als normaal en inherent aan het ambt van militair kunnen worden beschouwd.
Wanneer de situatie, die aanleiding geeft tot het toekennen van een vergoeding, onderhevig is aan herhaling, kan het bedrag (forfaitair) worden vastgesteld.
§ 2. De Koning bepaalt de bedragen en regelt de toekenning van de in § 1 bedoelde voordelen.
Hij mag evenwel de Minister van Landsverdediging belasten met het bepalen van de aanvullende maatregelen nodig voor de uitvoering van een door Hem vastgestelde regeling.
§ 3. De militair bekomt op zijn verzoek een voorschot op vergoedingen, in de volgende gevallen :
1° naar aanleiding van een dienstverplaatsing;
2° bij het vertrek naar het buitenland om er een dienstperiode uit te voeren;
3° bij de terugkeer uit het buitenland na afloop van een dienstperiode aldaar;
4° bij de terugkeer uit het buitenland om dringende en ernstige redenen;
5° voor kosten gebonden aan het onderwijs van de kinderen, die voortvloeien uit de affectaties van de militair.
(6° naar aanleiding van een verandering van de woon- of verblijfplaats ten gevolge van de overbrenging van de gewone plaats van het werk of van een, door de Koning bepaalde, omstandigheid.)
De Minister van Landsverdediging regelt de modaliteiten volgens dewelke de militair dit voorschot kan bekomen, alsook de grootte ervan.
[1 7° voor de militair die een vrijwillige militaire inzet vervult, die een soldij ontvangt, bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel, voor de opgelopen kosten in het kader van de ten laste neming door de Staat van de kosten verbonden aan het woonwerkverkeer.]1
Wanneer de situatie, die aanleiding geeft tot het toekennen van een vergoeding, onderhevig is aan herhaling, kan het bedrag (forfaitair) worden vastgesteld.
§ 2. De Koning bepaalt de bedragen en regelt de toekenning van de in § 1 bedoelde voordelen.
Hij mag evenwel de Minister van Landsverdediging belasten met het bepalen van de aanvullende maatregelen nodig voor de uitvoering van een door Hem vastgestelde regeling.
§ 3. De militair bekomt op zijn verzoek een voorschot op vergoedingen, in de volgende gevallen :
1° naar aanleiding van een dienstverplaatsing;
2° bij het vertrek naar het buitenland om er een dienstperiode uit te voeren;
3° bij de terugkeer uit het buitenland na afloop van een dienstperiode aldaar;
4° bij de terugkeer uit het buitenland om dringende en ernstige redenen;
5° voor kosten gebonden aan het onderwijs van de kinderen, die voortvloeien uit de affectaties van de militair.
(6° naar aanleiding van een verandering van de woon- of verblijfplaats ten gevolge van de overbrenging van de gewone plaats van het werk of van een, door de Koning bepaalde, omstandigheid.)
De Minister van Landsverdediging regelt de modaliteiten volgens dewelke de militair dit voorschot kan bekomen, alsook de grootte ervan.
[1 7° voor de militair die een vrijwillige militaire inzet vervult, die een soldij ontvangt, bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel, voor de opgelopen kosten in het kader van de ten laste neming door de Staat van de kosten verbonden aan het woonwerkverkeer.]1
Art. 10bis. § 1er. Une indemnité est [2 ...]2 octroyée au militaire astreint à supporter des charges réelles qui ne peuvent être considérées comme normales et inhérentes à la fonction de militaire.
Lorsque la situation qui donne lieu à l'octroi d'une indemnité est susceptible de se reproduire, le montant peut être établi forfaitairement.
§ 2. Le Roi détermine les montants et règle l'octroi des avantages visés au § 1er.
Toutefois, il peut charger le Ministre de la Défense de fixer les mesures complémentaires nécessaires à l'exécution de la réglementation arrêtée par Lui.
§ 3. Le militaire obtient à sa demande une avance sur indemnités, dans les cas suivants :
1° à l'occasion d'un déplacement de service;
2° lors du départ vers l'étranger afin d'y effectuer une période de service;
3° lors du retour de l'étranger au terme d'une période de service;
4° lors du retour de l'étranger pour des motifs urgents et graves;
5° pour des frais liés à l'enseignement des enfants, qui découlent de l'affectation du militaire.
(6° à l'occasion d'un changement de domicile ou de résidence consécutif au transfert du lieu habituel de travail ou à une circonstance déterminée par le Roi.)
Le Ministre de la Défense règle les modalités selon lesquelles le militaire peut obtenir cette avance, ainsi que sa valeur.
[1 7° pour le militaire qui effectue un engagement volontaire militaire, qui perçoit une solde, visé à l'article 50, alinéa 2, de la loi du 10 janvier 2010 instituant l'engagement volontaire militaire et modifiant diverses lois applicables au personnel militaire, pour les frais encourus dans le cadre de la prise en charge par l'Etat des frais de déplacement en transports publics entre son domicile et son lieu habituel de travail.]1
Lorsque la situation qui donne lieu à l'octroi d'une indemnité est susceptible de se reproduire, le montant peut être établi forfaitairement.
§ 2. Le Roi détermine les montants et règle l'octroi des avantages visés au § 1er.
Toutefois, il peut charger le Ministre de la Défense de fixer les mesures complémentaires nécessaires à l'exécution de la réglementation arrêtée par Lui.
§ 3. Le militaire obtient à sa demande une avance sur indemnités, dans les cas suivants :
1° à l'occasion d'un déplacement de service;
2° lors du départ vers l'étranger afin d'y effectuer une période de service;
3° lors du retour de l'étranger au terme d'une période de service;
4° lors du retour de l'étranger pour des motifs urgents et graves;
5° pour des frais liés à l'enseignement des enfants, qui découlent de l'affectation du militaire.
(6° à l'occasion d'un changement de domicile ou de résidence consécutif au transfert du lieu habituel de travail ou à une circonstance déterminée par le Roi.)
Le Ministre de la Défense règle les modalités selon lesquelles le militaire peut obtenir cette avance, ainsi que sa valeur.
[1 7° pour le militaire qui effectue un engagement volontaire militaire, qui perçoit une solde, visé à l'article 50, alinéa 2, de la loi du 10 janvier 2010 instituant l'engagement volontaire militaire et modifiant diverses lois applicables au personnel militaire, pour les frais encourus dans le cadre de la prise en charge par l'Etat des frais de déplacement en transports publics entre son domicile et son lieu habituel de travail.]1
Art. 10ter. § 1. De Koning kan de Minister van Landsverdediging toelaten buitengewone kosten die de militair oploopt naar aanleiding van een dienstreis, een dienstperiode in het buitenland en een mutatie terug te betalen volgens de nadere regels die Hij bepaalt.
§ 2. Hij kan de Minister van Landsverdediging eveneens toelaten, om de in § 1 bedoelde bevoegdheid op herroepelijke wijze en onder diens verantwoordelijkheid en toezicht, ten belope van een door de Koning te bepalen bedrag, over te dragen aan de militaire en burgerlijke overheden die Hij bepaalt.
De militaire en burgerlijke overheden bedoeld in het eerste lid moeten bekleed zijn met de bevoegdheden van :
1° hetzij korpscommandant van een militaire eenheid;
2° hetzij sectie- of divisiechef binnen een algemene directie of een stafdepartement;
3° hetzij onderstafchef of directeur-generaal;
4° hetzij chef defensie [1 ...]1.
§ 3. Onder buitengewone kosten worden onafwendbare kosten verstaan, die de militair oploopt bij de uitvoering van zijn opdracht, waarvoor géén specifieke vergoedingsregeling bestaat, en die [2 onder andere]2 betrekking hebben op :
1° hetzij, logement tijdens een dienstperiode in het buitenland;
2° hetzij, onderwijs voor de kinderen naar aanleiding van een dienstperiode in het buitenland;
3° hetzij, logement of transport tijdens een dienstverplaatsing;
4° hetzij, een terugroeping wegens dringende familiale of sociale redenen;
5° hetzij, representatieve opdrachten;
[2 6° hetzij, persoonlijke (para)medische en farmaceutische kosten.]2
§ 4. [2 Het bedrag dat de Koning bepaalt in toepassing van paragraaf 2, eerste lid, mag niet hoger zijn dan 1500 euro, tenzij in het specifieke geval van de buitengewone kosten voor:
1° onderwijs van de kinderen tijdens een dienstperiode in het buitenland, waar het niet hoger mag zijn dan 4000 euro;
2° persoonlijke (para)medische en farmaceutische kosten, waar het niet hoger mag zijn dan 30.000 euro per verantwoordingsstuk.]2
De in het eerste lid bepaalde bedragen worden gekoppeld aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de wedden van het personeel der ministeries. Ze worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
[2 § 5. In het kader van een periode van vaste dienst in het buitenland, zoals bedoeld in artikel 2, 4°, van het koninklijk besluit van 15 januari 1962 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen die dienstreizen volbrengen in het buitenland, kan de Koning de minister van Landsverdediging toelaten, voor wat betreft de echtgenoot en de kinderen ten laste, zoals bedoeld in artikel 2, 2° en 3°, van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 1962, om de kosten ten laste te nemen, ter ondersteuning van maatregelen die gericht zijn op beroepsomschakeling, via met name begeleiding, adviezen, inlichtingen verstrekt door diensten gespecialiseerd in dit domein alsook het volgen van opleidingen.
De Koning kan de minister van Landsverdediging toelaten de uitvoeringsmaatregelen ter zake te nemen.]2
§ 2. Hij kan de Minister van Landsverdediging eveneens toelaten, om de in § 1 bedoelde bevoegdheid op herroepelijke wijze en onder diens verantwoordelijkheid en toezicht, ten belope van een door de Koning te bepalen bedrag, over te dragen aan de militaire en burgerlijke overheden die Hij bepaalt.
De militaire en burgerlijke overheden bedoeld in het eerste lid moeten bekleed zijn met de bevoegdheden van :
1° hetzij korpscommandant van een militaire eenheid;
2° hetzij sectie- of divisiechef binnen een algemene directie of een stafdepartement;
3° hetzij onderstafchef of directeur-generaal;
4° hetzij chef defensie [1 ...]1.
§ 3. Onder buitengewone kosten worden onafwendbare kosten verstaan, die de militair oploopt bij de uitvoering van zijn opdracht, waarvoor géén specifieke vergoedingsregeling bestaat, en die [2 onder andere]2 betrekking hebben op :
1° hetzij, logement tijdens een dienstperiode in het buitenland;
2° hetzij, onderwijs voor de kinderen naar aanleiding van een dienstperiode in het buitenland;
3° hetzij, logement of transport tijdens een dienstverplaatsing;
4° hetzij, een terugroeping wegens dringende familiale of sociale redenen;
5° hetzij, representatieve opdrachten;
[2 6° hetzij, persoonlijke (para)medische en farmaceutische kosten.]2
§ 4. [2 Het bedrag dat de Koning bepaalt in toepassing van paragraaf 2, eerste lid, mag niet hoger zijn dan 1500 euro, tenzij in het specifieke geval van de buitengewone kosten voor:
1° onderwijs van de kinderen tijdens een dienstperiode in het buitenland, waar het niet hoger mag zijn dan 4000 euro;
2° persoonlijke (para)medische en farmaceutische kosten, waar het niet hoger mag zijn dan 30.000 euro per verantwoordingsstuk.]2
De in het eerste lid bepaalde bedragen worden gekoppeld aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de wedden van het personeel der ministeries. Ze worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
[2 § 5. In het kader van een periode van vaste dienst in het buitenland, zoals bedoeld in artikel 2, 4°, van het koninklijk besluit van 15 januari 1962 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen die dienstreizen volbrengen in het buitenland, kan de Koning de minister van Landsverdediging toelaten, voor wat betreft de echtgenoot en de kinderen ten laste, zoals bedoeld in artikel 2, 2° en 3°, van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 1962, om de kosten ten laste te nemen, ter ondersteuning van maatregelen die gericht zijn op beroepsomschakeling, via met name begeleiding, adviezen, inlichtingen verstrekt door diensten gespecialiseerd in dit domein alsook het volgen van opleidingen.
De Koning kan de minister van Landsverdediging toelaten de uitvoeringsmaatregelen ter zake te nemen.]2
Art. 10ter. § 1er. Le Roi peut, selon les modalités qu'Il fixe, autoriser le Ministre de la Défense à rembourser des frais exceptionnels encourus par le militaire lors d'un déplacement de service, lors d'une période de service à l'étranger, et lors d'une mutation.
§ 2. Il peut également autoriser le Ministre de la Défense, de manière révocable et sous ses propres responsabilité et surveillance, à transférer la compétence visée au § 1er aux autorités militaires et civiles que le Roi détermine, et à concurrence d'un montant qu'Il fixe.
Les autorités militaires et civiles visées à l'alinéa 1er, doivent être revêtues de la compétence :
1° soit de chef de corps d'une unité militaire;
2° soit de chef de section ou de division au sein d'une direction générale ou d'un département d'état-major;
3° soit de sous-chef d'état-major ou de directeur général;
4° soit de chef de la défense [1 ...]1.
§ 3. Par frais exceptionnels, on entend les frais inéluctables que le militaire encourt lors de l'exécution de sa mission, pour lesquels il n'existe aucun régime d'indemnisation spécifique, et qui ont [2 notamment]2 trait :
1° soit au logement pendant une période de service à l'étranger;
2° soit à l'enseignement des enfants à l'occasion d'une période de service à l'étranger;
3° soit au logement ou au transport pendant un déplacement de service;
4° soit à un rappel d'urgence imposé par des motifs familiaux ou sociaux graves;
5° soit à des missions de représentation;
[2 6° soit à des frais (para)médicaux et pharmaceutiques personnels.]2
§ 4. [2 Le montant que le Roi fixe en application du paragraphe 2, alinéa 1er, ne peut pas être supérieur à 1500 euros, hormis dans le cas spécifique des frais exceptionnels pour:
1° l'enseignement des enfants pendant une période de service à l'étranger, où il ne peut pas être supérieur à 4000 euros;
2° les frais (para)médicaux et pharmaceutiques personnels, où il ne peut pas être supérieur à 30.000 euros par mémoire justificatif.]2
Les montants visés à l'alinéa 1er sont liés au régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des ministères. Ils sont liés à l'indice-pivot 138,01.
[2 § 5. Dans le cadre d'une période de service permanent à l'étranger, telle que définie à l'article 2, 4°, de l'arrêté royal du 15 janvier 1962 fixant le régime d'indemnisation applicable aux militaires accomplissant des déplacements de service à l'extérieur du royaume, le Roi peut autoriser le ministre de la Défense, en ce qui concerne le conjoint et les enfants à charge, tels que définis à l'article 2, 2° et 3°, de l'arrêté royal du 15 janvier 1962 précité, à prendre en charge les coûts destinés à soutenir des mesures visant la reconversion professionnelle par le biais notamment de guidance, de conseils, d'informations fournies par des services spécialisés en la matière ainsi que le suivi de formation.
Le Roi peut autoriser le ministre de la Défense à prendre les mesures d'exécution en la matière.]2
§ 2. Il peut également autoriser le Ministre de la Défense, de manière révocable et sous ses propres responsabilité et surveillance, à transférer la compétence visée au § 1er aux autorités militaires et civiles que le Roi détermine, et à concurrence d'un montant qu'Il fixe.
Les autorités militaires et civiles visées à l'alinéa 1er, doivent être revêtues de la compétence :
1° soit de chef de corps d'une unité militaire;
2° soit de chef de section ou de division au sein d'une direction générale ou d'un département d'état-major;
3° soit de sous-chef d'état-major ou de directeur général;
4° soit de chef de la défense [1 ...]1.
§ 3. Par frais exceptionnels, on entend les frais inéluctables que le militaire encourt lors de l'exécution de sa mission, pour lesquels il n'existe aucun régime d'indemnisation spécifique, et qui ont [2 notamment]2 trait :
1° soit au logement pendant une période de service à l'étranger;
2° soit à l'enseignement des enfants à l'occasion d'une période de service à l'étranger;
3° soit au logement ou au transport pendant un déplacement de service;
4° soit à un rappel d'urgence imposé par des motifs familiaux ou sociaux graves;
5° soit à des missions de représentation;
[2 6° soit à des frais (para)médicaux et pharmaceutiques personnels.]2
§ 4. [2 Le montant que le Roi fixe en application du paragraphe 2, alinéa 1er, ne peut pas être supérieur à 1500 euros, hormis dans le cas spécifique des frais exceptionnels pour:
1° l'enseignement des enfants pendant une période de service à l'étranger, où il ne peut pas être supérieur à 4000 euros;
2° les frais (para)médicaux et pharmaceutiques personnels, où il ne peut pas être supérieur à 30.000 euros par mémoire justificatif.]2
Les montants visés à l'alinéa 1er sont liés au régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des ministères. Ils sont liés à l'indice-pivot 138,01.
[2 § 5. Dans le cadre d'une période de service permanent à l'étranger, telle que définie à l'article 2, 4°, de l'arrêté royal du 15 janvier 1962 fixant le régime d'indemnisation applicable aux militaires accomplissant des déplacements de service à l'extérieur du royaume, le Roi peut autoriser le ministre de la Défense, en ce qui concerne le conjoint et les enfants à charge, tels que définis à l'article 2, 2° et 3°, de l'arrêté royal du 15 janvier 1962 précité, à prendre en charge les coûts destinés à soutenir des mesures visant la reconversion professionnelle par le biais notamment de guidance, de conseils, d'informations fournies par des services spécialisés en la matière ainsi que le suivi de formation.
Le Roi peut autoriser le ministre de la Défense à prendre les mesures d'exécution en la matière.]2
Art. 11. § 1. De militair ontvangt een haard- of standplaatstoelage, vakantiegeld en een eindejaarstoelage tegen de tarieven en onder de voorwaarden vastgesteld voor [2 het personeel van de federale overheidsdiensten]2.
§ 2. [2 ...]2
§ 3. (opgeheven)
(§ 4. Daarenboven, kan de Koning, in het kader van herstructureringen van de krijgsmacht of in geval van conjuncturele personeelsproblemen :
1° herklasserings- of vertrekvergoedingen toekennen aan militairen die, op hun aanvraag, de krijgsmacht vroegtijdig verlaten;
2° recruteringspremies toekennen aan kandidaat-militairen, hetzij op het einde van de periode van initiële vorming, hetzij op een moment dat Hij bepaalt;
[1 3° toelagen toekennen om de retentie van bepaalde militairen te bevorderen binnen de Krijgsmacht.]1
Wat de toekenning van de in het eerste lid, 1° bedoelde vergoedingen betreft, kan de Koning volgende aspecten bepalen :
1° het bedrag en de nadere toekenningsvoorwaarden van de vergoeding;
2° per personeelscategorie, de voorwaarden waaraan de militairen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor toekenning van deze vergoedingen;
3° per personeelscategorie, het maximum aantal militairen dat hiervan kan genieten;
4° de eventuele nadere terugbetalingsvoorwaarden indien de militair niet langer aan de gestelde voorwaarden voldoet.
Wat de toekenning van de in het eerste lid, 2° bedoelde recruteringspremies betreft, kan de Koning bepalen :
1° het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de premie;
2° de personeelscategorieën die voor toekenning van de premie in aanmerking kunnen komen;
3° de minimum duur tijdens dewelke de begunstigde in werkelijke dienst moet blijven;
4° de nadere terugbetalingsvoorwaarden indien de begunstigde de krijgsmacht verlaat of moet verlaten vóór het verstrijken van deze termijn om andere redenen dan :
a) omdat hij niet langer voldoet aan de eisen op medisch gebied en zijn vorming om die reden niet kan voortzetten;
b) de oppensioenstelling wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid voor elke militaire dienst.)
[1 Wat de toekenning van de in het eerste lid, 3°, bedoelde retentietoelagen betreft, bepaalt de Koning :
1° het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de toelagen;
2° per personeelscategorie, de voorwaarden waaraan de militairen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor toekenning van deze toelagen;
3° per personeelscategorie, het maximum aantal militairen dat hiervan kan genieten;
4° de eventuele nadere terugbetalingsvoorwaarden indien de militair niet langer aan de gestelde voorwaarden voldoet.]1
§ 2. [2 ...]2
§ 3. (opgeheven)
(§ 4. Daarenboven, kan de Koning, in het kader van herstructureringen van de krijgsmacht of in geval van conjuncturele personeelsproblemen :
1° herklasserings- of vertrekvergoedingen toekennen aan militairen die, op hun aanvraag, de krijgsmacht vroegtijdig verlaten;
2° recruteringspremies toekennen aan kandidaat-militairen, hetzij op het einde van de periode van initiële vorming, hetzij op een moment dat Hij bepaalt;
[1 3° toelagen toekennen om de retentie van bepaalde militairen te bevorderen binnen de Krijgsmacht.]1
Wat de toekenning van de in het eerste lid, 1° bedoelde vergoedingen betreft, kan de Koning volgende aspecten bepalen :
1° het bedrag en de nadere toekenningsvoorwaarden van de vergoeding;
2° per personeelscategorie, de voorwaarden waaraan de militairen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor toekenning van deze vergoedingen;
3° per personeelscategorie, het maximum aantal militairen dat hiervan kan genieten;
4° de eventuele nadere terugbetalingsvoorwaarden indien de militair niet langer aan de gestelde voorwaarden voldoet.
Wat de toekenning van de in het eerste lid, 2° bedoelde recruteringspremies betreft, kan de Koning bepalen :
1° het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de premie;
2° de personeelscategorieën die voor toekenning van de premie in aanmerking kunnen komen;
3° de minimum duur tijdens dewelke de begunstigde in werkelijke dienst moet blijven;
4° de nadere terugbetalingsvoorwaarden indien de begunstigde de krijgsmacht verlaat of moet verlaten vóór het verstrijken van deze termijn om andere redenen dan :
a) omdat hij niet langer voldoet aan de eisen op medisch gebied en zijn vorming om die reden niet kan voortzetten;
b) de oppensioenstelling wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid voor elke militaire dienst.)
[1 Wat de toekenning van de in het eerste lid, 3°, bedoelde retentietoelagen betreft, bepaalt de Koning :
1° het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de toelagen;
2° per personeelscategorie, de voorwaarden waaraan de militairen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor toekenning van deze toelagen;
3° per personeelscategorie, het maximum aantal militairen dat hiervan kan genieten;
4° de eventuele nadere terugbetalingsvoorwaarden indien de militair niet langer aan de gestelde voorwaarden voldoet.]1
Art. 11. § 1. Le militaire perçoit une allocation de foyer ou de résidence, un pécule de vacances et une allocation de fin d'année aux taux et conditions fixés pour le personnel [2 des services publics fédéraux]2.
§ 2. [2 ...]2
§ 3. (abrogé)
(§ 4. En outre, le Roi peut, dans le cadre de restructurations des forces armées ou en cas de problèmes conjoncturels de personnel :
1° accorder des indemnités de reclassement ou de départ à des militaires qui, à leur demande, quittent prématurément les forces armées;
2° accorder des primes de recrutement à des candidats-militaires soit à la fin de la période de formation initiale, soit à un moment qu'Il fixe;
[1 3° accorder des allocations visant à promouvoir la rétention de certains militaires au sein des Forces armées.]1
Concernant les indemnités visées à l'alinéa 1er, 1°, le Roi peut fixer :
1° le montant et les modalités d'octroi de l'indemnité;
2° par catégorie de personnel, les conditions auxquelles les militaires doivent répondre, afin d'être pris en compte pour l'octroi de ces indemnités;
3° par catégorie de personnel, le nombre maximal de militaires qui peuvent en bénéficier;
4° les modalités éventuelles de remboursement, si le militaire ne satisfait plus aux conditions fixées.
Concernant les primes de recrutement visées à l'alinéa 1er, 2°, le Roi peut fixer :
1° le montant et les modalités d'octroi de la prime;
2° les catégories de personnel qui peuvent être prises en compte pour l'octroi de la prime;
3° la durée minimale pendant laquelle le bénéficiaire doit rester en service actif;
4° les modalités de remboursement, si l'intéressé quitte ou doit quitter les forces armées avant l'expiration de cette période pour des raisons autres que :
a) parce qu'il ne répond plus aux exigences médicales requises et ne peut, pour cette raison, poursuivre sa formation;
b) la mise à la pension pour cause d'inaptitude physique définitive à tout service militaire.)
[1 Concernant les allocations de rétention visées à l'alinéa 1er, 3°, le Roi fixe :
1° le montant et les modalités d'octroi des allocations;
2° par catégorie de personnel, les conditions auxquelles les militaires doivent répondre afin d'être pris en compte pour l'octroi de ces allocations;
3° par catégorie de personnel, le nombre maximal de militaires qui peuvent en bénéficier;
4° les modalités éventuelles de remboursement si le militaire ne satisfait plus aux conditions fixées.]1
§ 2. [2 ...]2
§ 3. (abrogé)
(§ 4. En outre, le Roi peut, dans le cadre de restructurations des forces armées ou en cas de problèmes conjoncturels de personnel :
1° accorder des indemnités de reclassement ou de départ à des militaires qui, à leur demande, quittent prématurément les forces armées;
2° accorder des primes de recrutement à des candidats-militaires soit à la fin de la période de formation initiale, soit à un moment qu'Il fixe;
[1 3° accorder des allocations visant à promouvoir la rétention de certains militaires au sein des Forces armées.]1
Concernant les indemnités visées à l'alinéa 1er, 1°, le Roi peut fixer :
1° le montant et les modalités d'octroi de l'indemnité;
2° par catégorie de personnel, les conditions auxquelles les militaires doivent répondre, afin d'être pris en compte pour l'octroi de ces indemnités;
3° par catégorie de personnel, le nombre maximal de militaires qui peuvent en bénéficier;
4° les modalités éventuelles de remboursement, si le militaire ne satisfait plus aux conditions fixées.
Concernant les primes de recrutement visées à l'alinéa 1er, 2°, le Roi peut fixer :
1° le montant et les modalités d'octroi de la prime;
2° les catégories de personnel qui peuvent être prises en compte pour l'octroi de la prime;
3° la durée minimale pendant laquelle le bénéficiaire doit rester en service actif;
4° les modalités de remboursement, si l'intéressé quitte ou doit quitter les forces armées avant l'expiration de cette période pour des raisons autres que :
a) parce qu'il ne répond plus aux exigences médicales requises et ne peut, pour cette raison, poursuivre sa formation;
b) la mise à la pension pour cause d'inaptitude physique définitive à tout service militaire.)
[1 Concernant les allocations de rétention visées à l'alinéa 1er, 3°, le Roi fixe :
1° le montant et les modalités d'octroi des allocations;
2° par catégorie de personnel, les conditions auxquelles les militaires doivent répondre afin d'être pris en compte pour l'octroi de ces allocations;
3° par catégorie de personnel, le nombre maximal de militaires qui peuvent en bénéficier;
4° les modalités éventuelles de remboursement si le militaire ne satisfait plus aux conditions fixées.]1
Art. 11bis. De Koning kan daarenboven het recht openen op voordelen van alle aard en sociale voordelen.
Hij mag evenwel de Minister van Landsverdediging belasten met het bepalen van de aanvullende maatregelen nodig voor de uitvoering van een door Hem vastgestelde regeling.
Hij mag evenwel de Minister van Landsverdediging belasten met het bepalen van de aanvullende maatregelen nodig voor de uitvoering van een door Hem vastgestelde regeling.
Art. 11bis. Le Roi peut en outre créer le droit à des avantages de toute nature et à des avantages sociaux.
Toutefois, Il peut charger le Ministre de la Défense de fixer les mesures complémentaires nécessaires à l'exécution de la réglementation arrêtée par Lui.
Toutefois, Il peut charger le Ministre de la Défense de fixer les mesures complémentaires nécessaires à l'exécution de la réglementation arrêtée par Lui.
Art. 12. De Koning kan de bedragen van de toelagen en vergoedingen bedoeld in (dit hoofdstuk) koppelen aan de mobiliteitsregeling die van toepassing is op de wedden van het personeel der ministeries.
Art. 12. Le Roi peut lier les montants des allocations et indemnités visées (au présent chapitre) au régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des ministères.
HOOFDSTUK V. - [1 Bijzondere stelsels.]1
CHAPITRE V. - [1 Régimes particuliers.]1
Art. 13. Het personeel dat dient in het kader van de militaire technische samenwerking, geniet de geldelijke voordelen en waarborgen verleend aan de binnen het raam der technische samenwerking erkende technici en deskundigen.
De Koning bepaalt de toepassingswijze van deze geldelijke waarborgen en voordelen voor de militairen.
De Koning bepaalt de toepassingswijze van deze geldelijke waarborgen en voordelen voor de militairen.
Art. 13. Le personnel prestant des services dans le cadre de la coopération technique militaire bénéficie des garanties et avantages pécuniaires accordés aux techniciens et experts agréés au titre de la coopération technique.
Le Roi détermine le mode d'application de ces garanties et avantages pécuniaires aux militaires.
Le Roi détermine le mode d'application de ces garanties et avantages pécuniaires aux militaires.
Art. 13bis. [1 Genieten per dag werkelijke dienst, een soldij waarvan de bedragen en de toekenningsmodaliteiten bepaald worden door de Koning :
1° de niet-militaire leerling in vorming in een school of in periode van schoolvorming, die dient aan de hand van een dienstneming of wederdienstneming;
2° de militair die een vrijwillige militaire inzet vervult, gedurende de periode die begint op de dag waarop hij een dienstneming aangaat en die eindigt de laatste dag [2 van de zevende kalenderweek die volgt op de week]2 tijdens dewelke hij deze dienstneming heeft aangegaan.
Het dagbedrag van de soldij mag 5 euro niet [2 overschrijden voor de soldij bedoeld in het eerste lid, 1°, en mag 10 euro niet overschrijden voor de soldij bedoeld in het eerste lid, 2°]2. De Koning kan dit bedrag koppelen aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de wedden van het personeel der federale overheidsdiensten.]1
1° de niet-militaire leerling in vorming in een school of in periode van schoolvorming, die dient aan de hand van een dienstneming of wederdienstneming;
2° de militair die een vrijwillige militaire inzet vervult, gedurende de periode die begint op de dag waarop hij een dienstneming aangaat en die eindigt de laatste dag [2 van de zevende kalenderweek die volgt op de week]2 tijdens dewelke hij deze dienstneming heeft aangegaan.
Het dagbedrag van de soldij mag 5 euro niet [2 overschrijden voor de soldij bedoeld in het eerste lid, 1°, en mag 10 euro niet overschrijden voor de soldij bedoeld in het eerste lid, 2°]2. De Koning kan dit bedrag koppelen aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de wedden van het personeel der federale overheidsdiensten.]1
Art. 13bis. [1 Perçoivent par journée de service actif, une solde dont les taux et les modalités d'octroi sont fixés par le Roi :
1° l'élève non militaire en formation dans une école ou en période de formation scolaire, qui sert à la faveur d'un engagement ou rengagement;
2° le militaire qui effectue un engagement volontaire militaire, pendant la période qui débute le jour où il souscrit un engagement et qui se termine le dernier jour [2 de la septième semaine calendrier qui suit la semaine au cours de laquelle]2 il a souscrit cet engagement.
Le montant journalier de la solde ne peut pas être supérieur à [2 5 euros pour la solde visée à l'alinéa 1er, 1°, et à 10 euros pour la solde visée à l'alinéa 1er, 2° ]2. Le Roi peut lier ce montant au régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des services publics fédéraux.]1
1° l'élève non militaire en formation dans une école ou en période de formation scolaire, qui sert à la faveur d'un engagement ou rengagement;
2° le militaire qui effectue un engagement volontaire militaire, pendant la période qui débute le jour où il souscrit un engagement et qui se termine le dernier jour [2 de la septième semaine calendrier qui suit la semaine au cours de laquelle]2 il a souscrit cet engagement.
Le montant journalier de la solde ne peut pas être supérieur à [2 5 euros pour la solde visée à l'alinéa 1er, 1°, et à 10 euros pour la solde visée à l'alinéa 1er, 2° ]2. Le Roi peut lier ce montant au régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des services publics fédéraux.]1
Art. 13ter. [1 § 1. [2 De militair die gedetacheerd wordt in toepassing van artikel 44 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, wordt niet meer door Defensie bezoldigd gedurende de periode van de terbeschikkingstelling of van de officiële opdracht. Gedurende deze periode geniet de militair in principe van de geldelijke voordelen toegekend door de instelling waarbij hij gedetacheerd wordt.]2
De Koning, of de overheid die Hij aanwijst, kan evenwel in bijzondere gevallen, om de geldelijke rechten van de militair te beschermen, van het in het eerste lid bedoelde principe afwijken en betrokkene het recht op de militaire geldelijke voordelen laten behouden die Hij bepaalt.
De militair tekent deze beslissing voor kennisname.
§ 2. De militair die, in het kader van de uitvoering van een opdracht niet bedoeld in § 1, vergoedingen ontvangt van zowel Defensie als van een andere instelling, dient maandelijks, na vervallen termijn, aan Defensie terug te storten, naargelang het geval :
1° ofwel een bedrag gelijk aan het bedrag van de vergoedingen toegekend door deze instelling, indien deze vergoedingen lager zijn dan de vergoedingen toegekend door Defensie;
2° ofwel een bedrag gelijk aan het bedrag van de vergoedingen toegekend door Defensie, indien deze vergoedingen lager zijn dan, of gelijk zijn aan, de vergoedingen toegekend door deze instelling.
Vóór het begin van de opdracht, dient de militair ingelicht te worden over de in het eerste lid bepaalde rechten en plichten. De militair mag bovendien Defensie toelaten rechtstreeks op zijn vergoedingen de sommen in te houden, die hij dient terug te storten aan Defensie in toepassing van het eerste lid.]1
De Koning, of de overheid die Hij aanwijst, kan evenwel in bijzondere gevallen, om de geldelijke rechten van de militair te beschermen, van het in het eerste lid bedoelde principe afwijken en betrokkene het recht op de militaire geldelijke voordelen laten behouden die Hij bepaalt.
De militair tekent deze beslissing voor kennisname.
§ 2. De militair die, in het kader van de uitvoering van een opdracht niet bedoeld in § 1, vergoedingen ontvangt van zowel Defensie als van een andere instelling, dient maandelijks, na vervallen termijn, aan Defensie terug te storten, naargelang het geval :
1° ofwel een bedrag gelijk aan het bedrag van de vergoedingen toegekend door deze instelling, indien deze vergoedingen lager zijn dan de vergoedingen toegekend door Defensie;
2° ofwel een bedrag gelijk aan het bedrag van de vergoedingen toegekend door Defensie, indien deze vergoedingen lager zijn dan, of gelijk zijn aan, de vergoedingen toegekend door deze instelling.
Vóór het begin van de opdracht, dient de militair ingelicht te worden over de in het eerste lid bepaalde rechten en plichten. De militair mag bovendien Defensie toelaten rechtstreeks op zijn vergoedingen de sommen in te houden, die hij dient terug te storten aan Defensie in toepassing van het eerste lid.]1
Art. 13ter. [1 § 1er. [2 Le militaire qui est détaché en application de l'article 44 de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des Forces armées, n'est plus rémunéré par la Défense pendant la période de mise à la disposition ou de la mission officielle. Pendant cette période, le militaire bénéficie en principe des avantages pécuniaires octroyés par l'organisme auprès duquel il est détaché.]2
Toutefois, le Roi, ou l'autorité qu'Il désigne, peut, dans des cas particuliers, pour sauvegarder les droits pécuniaires du militaire, déroger au principe visé à l'alinéa 1er et maintenir au profit de l'intéressé le droit aux avantages pécuniaires militaires qu'Il détermine.
Le militaire signe cette décision pour prise de connaissance.
§ 2. Le militaire qui, dans le cadre de l'exécution d'une mission non visée au § 1er, perçoit des indemnités tant de la Défense que d'un autre organisme, est tenu de reverser à la Défense mensuellement, à terme échu, selon le cas :
1° soit un montant équivalent au montant des indemnités octroyées par cet organisme, si ces indemnités sont inférieures aux indemnités octroyées par la Défense;
2° soit un montant équivalent au montant des indemnités octroyées par la Défense, si ces indemnités sont inférieures ou égales aux indemnités octroyées par cet organisme.
Le militaire doit, avant le début de la mission, être informé sur ses droits et obligations, visés à l'alinéa 1er. Le militaire peut en outre autoriser la Défense à retenir directement sur ses indemnités les sommes qu'il doit reverser à la Défense en application de l'alinéa 1er.]1
Toutefois, le Roi, ou l'autorité qu'Il désigne, peut, dans des cas particuliers, pour sauvegarder les droits pécuniaires du militaire, déroger au principe visé à l'alinéa 1er et maintenir au profit de l'intéressé le droit aux avantages pécuniaires militaires qu'Il détermine.
Le militaire signe cette décision pour prise de connaissance.
§ 2. Le militaire qui, dans le cadre de l'exécution d'une mission non visée au § 1er, perçoit des indemnités tant de la Défense que d'un autre organisme, est tenu de reverser à la Défense mensuellement, à terme échu, selon le cas :
1° soit un montant équivalent au montant des indemnités octroyées par cet organisme, si ces indemnités sont inférieures aux indemnités octroyées par la Défense;
2° soit un montant équivalent au montant des indemnités octroyées par la Défense, si ces indemnités sont inférieures ou égales aux indemnités octroyées par cet organisme.
Le militaire doit, avant le début de la mission, être informé sur ses droits et obligations, visés à l'alinéa 1er. Le militaire peut en outre autoriser la Défense à retenir directement sur ses indemnités les sommes qu'il doit reverser à la Défense en application de l'alinéa 1er.]1
Art. 13quater. [1 De militair die onderworpen is aan de dienstregeling van de nachtwakers of van de ploegendienst en die, op 31 december van het jaar bepaald door de door de Koning aangewezen overheid, beschikt over meer dan 200 teveel gepresteerde uren die niet konden worden gerecupereerd in tijd, ontvangt voor elk uur boven de norm van 200 uren een toelage waarvan het bedrag is vastgesteld op 1/1850 van de brutojaarwedde die als basis diende voor de berekening van de bezoldiging verschuldigd voor de maand voorafgaand aan de bepaalde datum.]1
Art. 13quater. [1 Le militaire qui est soumis au régime de travail des veilleurs de nuit ou du travail en équipe, et qui, au 31 décembre de l'année fixée par l'autorité que le Roi désigne, compte plus de 200 heures prestées en trop qui n'ont pu être récupérées en temps, perçoit pour chaque heure au-delà de la norme de 200 heures, une allocation dont le montant est fixé à 1/1850 du traitement annuel brut qui a servi de base au calcul de la rémunération due pour le mois précédent la date fixée.]1
HOOFDSTUK VI. - De betaling.
CHAPITRE VI. - Du paiement.
Art. 14. De betalingen op grond van deze wet of van de besluiten die zijn uitgevaardigd met het oog op de uitvoering ervan, worden verricht op een rekening geopend op naam van de militair of van de begunstigden.
De Minister van Landsverdediging kan toestaan dat sommige betalingen onderhands geschieden.
De Minister van Landsverdediging kan toestaan dat sommige betalingen onderhands geschieden.
Art. 14. Les paiements effectués en vertu de la présente loi ou des arrêtés pris en vue de son exécution se font sur un compte ouvert au nom du militaire ou des bénéficiaires.
Le Ministre [1 de la Défense]1 peut autoriser certains paiements de la main à la main.
Le Ministre [1 de la Défense]1 peut autoriser certains paiements de la main à la main.
Art. 14bis. De militairen die voldoen aan de voorwaarden die de Koning bepaalt, kunnen een weddevoorschot bekomen.
(tweede lid opgeheven)
(tweede lid opgeheven)
Art. 14bis. Les militaires, qui se trouvent dans les conditions déterminées par le Roi, peuvent obtenir une avance sur traitement.
(alinéa abrogé)
(alinéa abrogé)
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions finales.
Art. 15. De koninklijke besluiten die, ten gunste van de militairen, het recht doen ingaan op een of ander geldelijk voordeel en die in werking zijn op de dag van inwerkingtreding van deze wet, worden geacht ter uitvoering van deze wet te zijn genomen.
Art. 15. Les arrêtés royaux, créant le droit à un avantage pécuniaire quelconque en faveur des militaires, qui sont en vigueur le jour de l'entrée en vigueur de la présente loi, sont censés être pris en exécution de cette loi.
Art. 16. Voor de militairen in de zin van deze wet wordt de wet van 19 december 1980 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, gewijzigd bij de wet van 21 december 1990, opgeheven.
Art. 16. Pour les militaires au sens de la présente loi, la loi du 19 décembre 1980 relative aux droits pécuniaires des militaires, modifiée par la loi du 21 décembre 1990, est abrogée.
Art. 16bis. Het hoofdstuk IV van deze wet is tevens van toepassing op de dienstplichtigen, alsook op de personen die niet behoren tot het leger en wier aanwezigheid bij de militairen noodzakelijk is.
Art. 16bis. Le chapitre IV de la présente loi est également applicable aux miliciens, ainsi qu'aux personnes n'appartenant pas à l'armée et dont la présence est requise auprès des militaires.
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Dispositions transitoires.
Art. 17. De Minister van Landsverdediging organiseert een examen tot ovegang naar niveau 3 voor de vrijwilligers en kandidaat-vrijwilligers die reeds in dienst zijn bij de inwerkingtreding van deze bepaling of die in dienst treden vóór de inwerkingtreding van artikel 2, § 1.
(De Koning bepaalt de weddeschalen van de vrijwilligers en van de kandidaat-vrijwilligers die niet geslaagd zijn voor het examen tot overgang naar niveau 3 binnen de hierna bepaalde grenzen : minimumbedrag : 12.112,78 euro maximumbedrag : 17.798,86 euro.)
De bepalingen van artikel 2, §§ 2 en 3, zijn van toepassing op deze weddeschalen.
De bepalingen van de voorafgaande leden zijn niet van toepassing op de vrijwilligers die een wederoproeping of vrijwllige prestaties verrichten. Zij genieten de weddeschalen van de vrijwilligers van niveau 3.
(De Koning bepaalt de weddeschalen van de vrijwilligers en van de kandidaat-vrijwilligers die niet geslaagd zijn voor het examen tot overgang naar niveau 3 binnen de hierna bepaalde grenzen : minimumbedrag : 12.112,78 euro maximumbedrag : 17.798,86 euro.)
De bepalingen van artikel 2, §§ 2 en 3, zijn van toepassing op deze weddeschalen.
De bepalingen van de voorafgaande leden zijn niet van toepassing op de vrijwilligers die een wederoproeping of vrijwllige prestaties verrichten. Zij genieten de weddeschalen van de vrijwilligers van niveau 3.
Art. 17. Le Ministre de la Défense [1 ...]1 organise un examen de passage au niveau 3 pour les volontaires et candidats-volontaires déjà en service lors de l'entrée en vigueur de la présente disposition ou entrant en service avant l'entrée en vigueur de l'article 2, § 1er.
(Le Roi fixe les échelles de traitement des volontaires et des candidats volontaires, qui n'ont pas réussi l'examen de passage au niveau 3, dans les limites fixées ci-après : montant minimum : 12.112,78 euros montant maximum : 17.798,86 euros.)
Les dispositions de l'article 2, §§ 2 et 3, sont applicables à ces échelles de traitement.
Les dispositions des alinéas précédents ne sont pas applicables aux volontaires qui effectuent un rappel ou des prestations volontaires. Ils bénéficient des échelles de traitement des volontaires de niveau 3.
(Le Roi fixe les échelles de traitement des volontaires et des candidats volontaires, qui n'ont pas réussi l'examen de passage au niveau 3, dans les limites fixées ci-après : montant minimum : 12.112,78 euros montant maximum : 17.798,86 euros.)
Les dispositions de l'article 2, §§ 2 et 3, sont applicables à ces échelles de traitement.
Les dispositions des alinéas précédents ne sont pas applicables aux volontaires qui effectuent un rappel ou des prestations volontaires. Ils bénéficient des échelles de traitement des volontaires de niveau 3.
Änderungen
Art. 18.
Art. 18.
Art. 19. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van iedere bepaling van deze wet, behalve van :
1° artikel 3, § 5, 3°, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 1993;
2° artikel 17, eerste lid, dat in werking treedt de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
1° artikel 3, § 5, 3°, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 1993;
2° artikel 17, eerste lid, dat in werking treedt de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 19. Le Roi détermine la date d'entrée en vigueur de chacune des dispositions de la présente loi, à l'exception de :
1° l'article 3, § 5, 3°, qui entre en vigueur le 1er janvier 1993;
2° l'article 17, alinéa 1er, qui entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
1° l'article 3, § 5, 3°, qui entre en vigueur le 1er janvier 1993;
2° l'article 17, alinéa 1er, qui entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.