Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
1 MAART 1994. - Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen. - Collectieve arbeidsovereenkomst van 1 maart 1994. - Financiële bijdrage van de werkgever in de vervoerkosten van de werknemers in de thuislozenzorg (Vlaamse Gemeenschap) (Overeenkomst geregistreerd op 26 mei 1994 onder het nummer 35.663/CO/319).
Titre
1 MARS 1994. - Commission paritaire des maisons d'éducation et d'hébergement. - Convention collective de travail du 1er mars 1994. - Intervention financière de l'employeur dans les frais de transport des travailleurs dans le secteur des soins aux personnes isolées (Communauté flamande) (Convention enregistrée le 26 mai 1994 sous le numéro 35.663/CO/319).
Dokumentinformationen
Tekst (26)
Texte (26)
Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op alle werknemers en werkgevers van de instellingen en diensten erkend door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap als:
  1. Centrum voor Residentieel Welzijnswerk;
  2. of als Centrum voor Residentiële Opvang van Jong-Volwassenen;
  3. of als dienst Begeleid Zelfstandig Wonen voor Jong-Volwassenen voor zover deze dienst toegevoegd is aan een erkend Centrum voor Residentiële Opvang van Jong-Volwassenen,
  in de mate dat zij betrekking hebben op de functies welke zijn voorzien door de subsidienormen die gelden voor de instellingen en diensten waar de betrokken werknemers zijn tewerkgesteld.
  Onder werknemers wordt verstaan, het mannelijk en vrouwelijk werklieden- en bediendenpersoneel.
Article 1. La présente convention collective de travail s'applique à tous les employeurs et aux travailleurs des établissements et services agréés et subsidiés par la Communauté flamande comme:
  1. "Centrum voor Residentieel Welzijnswerk";
  2. ou comme "Centrum voor Residentiële Opvang van Jong-Volwassenen";
  3. ou comme service "Begeleid Zelfstandig Wonen voor Jong-Volwassenen", pour autant que ce service est affecté à un "Centrum voor Residentiële Opvang van Jong-Volwassenen",
  dans la mesure où elle porte sur les fonctions prévues par les normes de subsidiation qui s'appliquent aux institutions et aux services où sont occupés les travailleurs concernés.
  Par travailleurs, on entend le personnel ouvrier et employé masculin et féminin.
HOOFDSTUK I. - Beginsel.
CHAPITRE 1er. - Principe.
Art.2. Behoudens voor wat betreft de werknemers die zich per gemeenschappelijk openbaar vervoer van en naar het werk begeven, dragen de werkgevers niet bij in de vervoerkosten van de werknemers voor de afstand, heen en terug, tussen hun verblijfplaats en de werkplaats.
Art.2. Sauf en ce qui concerne les travailleurs qui se déplacent du domicile au lieu de travail et vice-versa avec le transport public en commun, les employeurs n'interviennent pas dans les frais de transport des travailleurs pour la distances aller et retour, entre le lieu de résidence et leur lieu de travail.
HOOFDSTUK II. - Rechthebbenden.
CHAPITRE II. - Ayants droit.
Art.3. Enkel de werknemers die aanspraak kunnen maken op een treinkaart die geldt als sociaal abonnement in de zin van de wet van 27 juli 1962 tot vaststelling van de werkgeversbijdrage in het verlies geleden door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ingevolge de uitgifte van abonnementen voor werklieden en bedienden, komen in aanmerking voor de toekenning van deze bijdrage.
Art.3. Seuls les travailleurs qui peuvent faire valoir leurs droits à une carte-train tenant lieu d'abonnement social, au sens de la loi du 27 juillet 1962 établissant une intervention des employeurs dans la perte subie par la Société nationale des Chemins de Fer belges par l'émission d'abonnements pour ouvriers et employés, entrent en ligne de compte pour l'octroi de cette intervention.
Art.4. Zij is derhalve niet van toepassing op de bedienden wier jaarlijkse brutobezoldiging, desgevallend vermeerderd met inkomsten van andere werkgevers, berekend volgens de artikelen 6 en 7, 1.200.000 frank overschrijdt.
Art.4. Elle ne s'applique dès lors pas aux employés dont la rémunération annuelle brute, augmentée le cas échéant de revenus acquis au service d'autres employeurs, et calculée suivant les articles 6 et 7 inclus, dépasse 1.200.000 francs.
Art.5. Iedere latere aanpassing van dit grensloon - incluis eventueel door indexering ervan - langs een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad, wordt toegepast.
Art.5. Toute adaptation ultérieure de cette rémunération plafonnée - inclusivement indexation éventuelle - intervenue par voie de convention collective de travail conclue au sein du Conseil national du travail est appliquée.
HOOFDSTUK III. - Bepaling van de loongrens voor de toekenning van de tussenkomst van de werkgever.
CHAPITRE III. - Détermination du plafond de rémunération pour l'octroi de l'intervention patronale.
Art.6. Voor de raming van de jaarlijkse brutobezoldiging zoals in artikel 4 omschreven, wordt als volgt tewerk gegaan:
  § 1. Voor de bedienden die de maand voor de aanvraag reeds in dienst van de werkgever waren, wordt de eventuele overschrijding van de loongrens vastgesteld op basis van een referteloon.
  Dit referteloon omvat het tijdens het laatste kwartaal van het vorig jaar werkelijk verdiende of gelijkgestelde brutoloon van de werknemer, zoals aangegeven aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid.
  Dit bedrag wordt evenwel verminderd met:
  - de haard- of standplaatstoelagen;
  - de eindejaarstoelage;
  - het eventuele dubbel vakantiegeld;
  - de eventuele bijkomende gezinsvergoedingen en allerlei vrijgevigheden;
  - de bedragen toegekend als vergoeding voor gemaakte kosten, bv.
  reiskosten.
  Het wordt daarna vermenigvuldigd met vier om het jaarloon te verkrijgen. Het resultaat van deze bewerking mag de loongrens niet overschrijden.
  § 2. Voor de bedienden die bij de aanvraag in dienst treden van de werkgever, wordt de eventuele overschrijding van de loongrens vastgesteld door het geïndexeerd brutomaandloon, te vermenigvuldigen met twaalf.
  Het eventueel recht op de toekenning van de bijdrage kan slechts worden herzien na een volledig kwartaal met prestaties of gelijkgestelde periodes. In voorkomend geval wordt de in vorige paragraaf voorziene berekeningswijze gehanteerd, met dien verstande dat het loon van hier bedoelde kwartaal als referteloon dient.
  Een eventuele aanpassing heeft geen invloed op het verleden.
  § 3. Indien de bediende tijdens het kwartaal dat voor de bepaling van het referteloon dient, geen of slechts een onvolledig loon heeft genoten, zal een fictief loon gehanteerd worden.
  Het fictief loon wordt bekomen door het door de werknemer werkelijk verdiende brutoloon voor de drie laatste maanden of delen van maanden met prestaties als referteloon te nemen, het desgevallend om te zetten naar een kwartaalloon en vervolgens naar een jaarloon, volgens de in § 1 gehanteerde berekeningswijze.
  Bovendien wordt er desgevallend rekening gehouden met de aanpassingen, opgesomd in artikel 7, die tijdens het laatste kwartaal van dat jaar zijn of zouden zijn opgetreden indien de werknemer loon zou hebben genoten.
  Voor de werknemer echter die sinds meer dan twaalf maanden geen loon meer ontvangt, zal er gewerkt worden alsof het een nieuwe werknemer betrof in de zin van § 2 hierboven.
Art.6. Pour l'évaluation de la rémunération annuelle brute comme définie à l'article 4, il est procédé comme suit:
  § 1er. Pour les employés qui étaient déjà en service de l'employeur le mois précédant la demande, le dépassement éventuel du plafond salarial est déterminé sur la base d'un salaire de référence.
  Ce salaire de référence comporte le salaire brut effectivement gagné par le travailleur pendant le dernier trimestre de l'année précédente ou le salaire y assimilé, comme déclaré à l'Office national de sécurité sociale.
  Ce montant est toutefois diminué:
  - de l'allocation de foyer ou de résidence;
  - de l'allocation de fin d'année;
  - du double pécule de vacances éventuel;
  - des allocations familiales complémentaires éventuelles et de libéralités diverses;
  - des montants octroyés à titre d'indemnisation de frais supportés, par exemple des frais de voyage.
  Il est ensuite multiplié par quatre pour obtenir le salaire annuel. Le résultat de cette opération ne peut pas dépasser le plafond salarial.
  § 2. Pour les employés entrant au service de l'employeur au moment de la demande, le dépassement éventuel du plafond salarial est déterminé en multipliant par douze le salaire mensuel brut indexé.
  Le droit éventuel à l'octroi de l'intervention ne peut faire l'objet d'une révision qu'après un trimestre complet de prestations ou de périodes assimilées. Le cas échéant, le mode de calcul prévue dans le paragraphe précédent est utilisé, étant entendu que le salaire du trimestre visé sert de salaire de référence.
  Une éventuelle adaptation n'a pas d'incidence pour le passé.
  § 3. Si l'employé n'a bénéficié d'aucun salaire ou d'un salaire incomplet pendant le trimestre pris comme base pour la détermination du salaire de référence, un salaire fictif sera utilisé.
  Le salaire fictif est obtenu en prenant comme salaire de référence le salaire brut effectivement gagné par le travailleur pour les trois derniers mois ou fractions de mois, en le convertissant le cas échéant en un salaire trimestriel et ensuite en un salaire annuel, suivant le mode de calcul utilisé au § 1er.
  De plus, il est tenu compte le cas échéant des adaptations, énumérées à l'article 7, qui sont intervenues pendant le dernier trimestre de cette année ou qui seraient intervenues au cas où le travailleur aurait bénéficié d'un salaire.
  Toutefois, pour le travailleur qui ne reçoit plus de salaire depuis plus de douze mois, on procédera comme s'il s'agissait d'un nouveau travailleur au sens du § 2 ci-dessus.
Art.7. § 1. Het recht op de bijdrage wordt voor de duurtijd van de aanvraag gevestigd, zonder evenwel het einde van het jaar van de aanvraag te overschrijden.
  § 2. Het kan evenwel in volgende omstandigheden worden herzien:
  - bij een anciënniteitsverhoging;
  - bij de toekenning van een hogere loonschaal;
  - bij een wijziging van de tewerkstellingsduur, incluis bij de overgang van een loonstelsel waarbij weinig of geen premies, vergoedingen en toeslagen worden toegekend of omgekeerd;
  - wanneer de loonindexering de indexering van de loongrens overstijgt.
  § 3. Het recht vervalt of wordt hersteld, indien, bij de in § 2 hierboven opgesomde omstandigheden, de vermenigvuldiging met twaalf van het geïndexeerd brutomaandloon van de werknemer, al dan niet de overschrijding van de loongrens als resultaat heeft.
  Indien dit niet het geval is, wordt het behoud van het recht opnieuw getoetst, zoals voor een nieuwe werknemer bedoeld in artikel 6, § 2, na een volledig kwartaal met toepassing van de voornoemde omstandigheden.
  Een eventuele aanpassing heeft geen invloed op het verleden.
Art.7. § 1er. Le droit à l'intervention est établi pour la durée de validité de la demande, sans toutefois dépasser la fin de l'année pendant laquelle la demande est faite.
  § 2. Le droit peut toutefois faire l'objet d'une révision dans les circonstances suivantes:
  - en cas d'augmentation de l'ancienneté;
  - lors de l'octroi d'une échelle de rémunérations plus élevée;
  - en cas de modification de la durée de l'occupation, et ce également lors du passage à un régime salarial comportant peu ou pas de primes, d'indemnités et de suppléments ou vice versa;
  - lorsque l'indexation des salaires dépasse l'indexation du plafond salarial.
  § 3. Le droit expire ou est rétabli lorsque, dans les circonstances énumérées au § 2 ci-dessus, la multiplication par douze du salaire mensuel brut indexé du travailleur donne lieu ou non au dépassement du plafond salarial.
  Si tel n'est pas le cas, le maintien du droit est à nouveau examiné, comme pour un nouveau travailleur au sens de l'article 6, § 2, après un trimestre complet, compte tenu de circonstances précitées.
  Une éventuelle adaptation n'a pas d'incidence pour le passé.
HOOFDSTUK IV. - Vaststelling van de bijdrage van de werkgever.
CHAPITRE IV. - Détermination de l'intervention patronale.
Art.8. § 1. De werkgever draagt, op aanvraag van de betrokkene, vanaf de vijfde kilometer indien het geen treinvervoer betreft, bij in de vervoerkosten van de werknemer overeenkomstig de tabel als bijlage gevoegd bij het koninklijk besluit van 28 juli 1962 tot vaststelling van het bedrag en de wijze van betaling van de werkgeversbijdrage in het verlies geleden door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ingevolge de uitgifte van abonnementen voor werklieden en bedienden, voor het aantal kilometers afgelegd tussen de verblijfplaats van de werknemer en de werkplaats.
  Met de werkplaats wordt iedere plaats gelijkgesteld waar de werknemers worden opgenomen door een vervoermiddel dat eigendom is van de voorziening of volledig door deze laatste wordt betaald.
  Eventuele latere aanpassingen van deze tabellen zullen worden toegepast, behoudens uitdrukkelijk verzet van de werkgevers, betekend aan de voorzitter van het paritair comité.
  § 2. In geval de werknemer echter gebruik maakt van het gemeenschappelijk openbaar vervoer, waarvan de prijs niet in verhouding staat tot de afstand of wanneer het een eenheidsprijs is, ongeacht de afstand, wordt de bijdrage van de werkgever forfaitair vastgesteld en bedraagt zij 50 pct. van de effectief door de werknemer betaalde prijs, zonder evenwel het bedrag van de werkgeverstussenkomst in de prijs van de treinkaart geldend als sociaal abonnement voor een afstand van 7 kilometer te overschrijden.
  § 3. Bij gebruik van verscheidene vervoermiddelen worden de afstanden samengesteld om het totaal aantal afgelegde kilometers te bepalen, met uitzondering van het forfait voorzien in § 2 hierboven.
  In voorkomend geval wordt deze forfaitaire tussenkomst toegevoegd aan het totaal bedrag.
  § 4. Voor het door de werkgevers met financiële deelneming van de werknemers georganiseerd vervoer, mag de deelneming van de werknemers niet meer bedragen dan 50 pct. van de prijs van een treinkaart 2e klasse, die geldt als sociaal abonnement.
Art.8. § 1er. L'employeur intervient, à la demande de l'intéressé, à partir du cinquième kilomètre, s'il ne s'agit pas de transport en train, dans les frais de transport du travailleur conformément au tableau repris à l'annexe de l'arrêté royal du 28 juillet 1962 fixant le montant et les modalités du paiement de l'intervention des employeurs dans la perte subie par la Société nationale des Chemins de Fer belges par l'émission d'abonnements pour ouvriers et employés, pour le nombre de kilomètres parcourus entre le lieu de résidence du travailleur et le lieu de travail.
  Est assimilé au lieu de travail, tout lieu où les travailleurs sont pris en charge par un moyen de transport qui est la propriété de l'établissement ou qui est complètement payé par ce dernier.
  D'éventuelles adaptations ultérieures de ces tableaux seront appliquées, sauf opposition explicite des employeurs, notifiée au président de la commission paritaire.
  § 2. Lorsque le travailleur utilise toutefois le transport en commun public, dont la distance n'est pas le déterminant pour le prix ou dont le prix est un prix unitaire, quelle que soit la distance, l'intervention de l'employeur est fixée forfaitairement et représente 50 p.c. du prix effectivement payé par le travailleur, sans toutefois dépasser le montant de l'intervention patronale dans le prix de la carte-train tenant lieu d'abonnement social pour une distance de 7 kilomètres.
  § 3. En cas d'utilisation de plusieurs moyens de transport, les distances parcourues, à l'exception de celles couvertes par le forfait prévu au § 2 ci-dessus, sont additionnées pour déterminer le nombre total de kilomètres parcourus.
  Si le cas se produit, cette intervention forfaitaire est ajoutée au montant total.
  § 4. Pour ce qui concerne le transport organisé par les employeurs moyennant la participation financière des travailleurs, la participation des travailleurs ne peut pas dépasser 50 p.c. du prix d'une carte-train, 2e classe, tenant lieu d'abonnement social.
HOOFDSTUK V. - Verdere modaliteiten inzake de toekenning van de bijdrage.
CHAPITRE V. - Modalités complémentaires relatives à l'octroi de l'intervention.
Art.9. Wat de toepassing van artikel 8, § 1 betreft, wordt ingeval de werknemer de afstand niet kan bewijzen aan de hand van reisbewijzen, deze afstand in de voorziening of dienst vastgesteld.
Art.9. Pour ce qui est de l'application de l'article 8, § 1er, lorsque le travailleur ne peut apporter la preuve de la distance à l'aide de titres de transport, cette distance est fixée au niveau de l'institution ou du service.
Art.10. De bijdrage van de werkgever geldt niet voor de dagen waarop de werknemer niet heeft gewerkt, om welke reden het ook zij, behalve in geval de gerechtigde een reisbewijs heeft moeten kopen dat niet nog eens kan worden gebruikt, noch terugbetaald.
  De maandelijkse bijdrage wordt dan verminderd met 1/25e van het maandbedrag per niet gepresteerde dag.
Art.10. L'intervention de l'employeur n'est pas due pour les jours pendant lesquels le travailleur n'a pas travaillé, quelle que soit la cause, sauf au cas où le bénéficiaire aurait dû acquérir un titre de transport qui ne pourrait plus être utilisé, ni remboursé.
  L'intervention mensuelle est réduite dans ce cas de 1/25ème du montant mensuel par jour non effectué.
Art.11. De bijdrage van de werkgever in de door de werknemer gedragen vervoerkosten wordt maandelijks betaald aan de werknemer met een maandabonnement, of ter gelegenheid van de betaalperiode welke in de voorziening of dienst gebruikelijk is voor de vervoerbewijzen welke geldig zijn voor een week. Elk bedrag dat ten onrechte werd uitbetaald, wordt teruggevorderd bij de volgende loonuitbetaling.
Art.11. L'intervention de l'employeur dans les frais de transport supportés par le travailleur est payée mensuellement pour le travailleur possédant un abonnement mensuel ou au moment habituel du payement dans l'institution ou le service pour les titres de transport valables une semaine. Tout montant payé indûment est réclamé lors de la prochaine paie.
Art.12. Ten einde de werknemers toe te laten te kunnen genieten van de in de voorgaande artikelen voorziene financiële bijdragen moet de werkgever de werknemers een verklaring op eer laten invullen, waarvan het model als bijlage, I. aan deze collectieve arbeidsovereenkomst is toegevoegd.
Art.12. Afin de permettre aux travailleurs de bénéficier des interventions financières prévues aux articles précédents, l'employeur doit faire compléter par les travailleurs une attestation sur l'honneur, dont le modèle est repris à l'annexe, I. de la présente convention collective de travail.
Art.13. De werknemers die de maand voor de indiening van de aanvraag bedoeld in artikel 8, § 1, reeds in dienst van de werkgever waren, dienen deze in de loop van de maand januari bij de werkgever in.
  De werknemers die nieuw in dienst treden, dienen ze bij de aanwerving in.
  Ze wordt minstens jaarlijks, in de loop van de maand januari hernieuwd.
Art.13. Les travailleurs qui étaient déjà au service de l'employeur le mois précédant l'introduction de la demande visée à l'article 8, § 1er introduisent cette demande auprès de leur employeur dans le courant du mois de janvier.
  Les travailleurs nouvellement embauchés l'introduisent lors de l'embauche.
  Elle est renouvelée au moins chaque année dans le courant du mois de janvier.
HOOFDSTUK VI. - Vergoedingen van de werkgevers voor het gebruik van persoonlijke vervoermiddelen om dienstredenen.
CHAPITRE VI. - Indemnités patronales pour l'utilisation de moyens de transport personnels pour des raisons de service.
Art.14. De werknemer die om dienstredenen gebruikt maakt van zijn persoonlijk voertuig en voor zover de toelating door de hiërarchische verantwoordelijke hiervoor is verleend, heeft recht op een vergoeding voor de afgelegde kilometers.
Art.14. Le travailleur utilisant un véhicule personnel pour des raisons de service, et pour autant qu'une autorisation soit donnée à cet effet par le responsable hiérarchique, a droit à une indemnité pour les kilomètres parcourus.
Art.15. Deze vergoeding is het bedrag zoals dit vastgesteld wordt krachtens het laatst geldende ministerieel besluit in uitvoering van artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, meer bepaald met betrekking tot de personen die niet tot het Rijkspersoneel behoren.
Art.15. Cette indemnité est le montant tel qu'il est fixé en vertu du dernier arrêté ministériel en vigueur, pris en exécution de l'article 13 de l'arrêté royal du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours, notamment en ce qui concerne les personnes qui ne font pas partie des agents de l'Etat.
Art.16. Op het ogenblik van het sluiten van deze collectieve arbeidsovereenkomst zijn de toe te passen bedragen deze die in bijlage, II, opgenomen zijn.
Art.16. Au moment de la conclusion de la présente convention collective de travail, les montants à appliquer sont ceux qui figurent à l'annexe, II.
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions finales.
Art.17. Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang van 1 november 1993.
  Zij is gesloten voor onbepaalde duur en kan worden opgezegd door elk van de partijen, mits een opzeggingstermijn van drie maanden, gericht bij een ter post aangetekende brief, aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen.
  Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 oktober 1994.
  De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
  Mevr. M. SMET
Art.17. La présente convention collective de travail produit ses effets le 1er novembre 1993.
  Elle est conclue pour une durée indéterminée et peut être dénoncée par chacune des parties, moyennant un préavis de trois mois notifié par lettre recommandée à la poste adressée au président de la Commission paritaire des maisons d'éducation et d'hébergement.
  Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 13 octobre 1994.
  La Ministre de l'Emploi et du Travail,
  Mme M. SMET
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N1. Bijlage 1. Verklaring op eer.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen Zie B.St. 17/12/1994, p. 31122 en 31124).
  (Voor het KB, zie %%1994-10-13/43%%)
Art. N1. Annexe 1. Déclaration sur l'honneur.
  (Annexe non reprise pour des raisons techniques.
  Voir MB. 17/12/1994, p. 31123 et 31124).
  (Pour l'AR, voir %%1994-10-13/43%%)