Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 APRIL 1994. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra. (NOTA : Opgeheven, wat de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap betreft, bij BVR 2002-02-22/43, art. 33; Inwerkingtreding : 01-09-1996) (NOTA : geschort <DVR2009-12-18/05, art. 72, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2010>) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-07-1994 en tekstbijwerking tot 30-12-2009)
Titre
20 AVRIL 1994. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à la mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite pour les membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux. <Traduction> (NOTE : Abrogé pour ce qui est des personnels des instituts supérieurs en Communauté flamande, par AGF 2002-02-22/43, art. 33; En vigueur : 01-09-1996) (NOTE : Suspendu <DCFL2009-12-18/05, art. 72, 004; En vigueur : 01-09-2010>) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 14-07-1994 et mise à jour au 30-12-2009)
Dokumentinformationen
Numac: 1994035722
Datum: 1994-04-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1994035722
Date: 1994-04-20
Moniteur: Voir
Tekst (10)
Texte (10)
Artikel 1. (zie NOTA onder TITEL) Dit besluit is van toepassing op :
de personeelsleden die onderworpen zijn aan het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
de personeelsleden die onderworpen zijn aan het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, voor zover ze behoren tot een van de onderstaande categorieën :
a) bestuurs- en onderwijzend personeel, met inbegrip van de godsdienstleerkrachten;
b) opvoedend hulppersoneel;
c) paramedisch personeel;
d) medisch personeel;
e) sociaal personeel;
f) psychologisch personeel;
g) orthopedagogisch personeel;
h) technisch personeel;
i) administratief personeel;
j) ondersteunend personeel.
Article 1. (voir NOTE sous TITRE) Le présent arrêté s'applique :
aux membres du personnel qui sont soumis au décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
aux membres du personnel qui sont soumis au décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psycho-médico-sociaux subventionnés;
pour autant qu'ils appartiennent à une des catégories suivantes :
a) le personnel directeur et enseignant, y compris les maîtres et professeurs de religion;
b) le personnel auxiliaire d'éducation;
c) le personnel paramédical;
d) le personnel médical;
e) le personnel social;
f) le personnel psychologique;
g) le personnel orthopédagogique;
h) le personnel technique;
i) le personnel administratif;
j) le personnel d'appui.
Art. 2. (zie NOTA onder TITEL) (De personeelsleden, genoemd in artikel 1, kunnen een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgen, als zij :
vast benoemd zijn; 2° de leeftijd van vijfenvijftig jaar hebben bereikt;
ten minste twintig dienstjaren tellen die in aanmerking komen voor de opening van het recht op een rustpensioen ten laste van de Schatkist;
hun ambt uitoefenen als hoofdambt;
zich ertoe verbinden op de eerste van de maand volgend op hun zestigste verjaardag met pensioen te gaan;
geen aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van de Schatkist.)
Daarenboven moeten de personeelsleden die een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgen bij de aanvang van deze terbeschikkingstelling, voor een overeenstemmend volume van de opdracht die ze niet meer uitoefenen, worden vervangen overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage door een personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens volledige of gedeeltelijke ontstentenis van betrekking en nog niet werd gereaffecteerd of wedertewerkgesteld. Dit personeelslid wordt beschouwd als zijnde gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in de zin van voormeld besluit.
In afwijking van titel IV van voormeld besluit van 29 april 1992 kan een personeelslid dat door een inrichtende macht geheel of gedeeltelijk ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en dat gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een andere instelling van dezelfde inrichtende macht of van een andere inrichtende macht, niet terug in dienst treden bij de instelling waaraan het ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking op de datum van de aanvang van een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen van een personeelslid van dezelfde instelling. Op het personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking bij de betrokken instelling moet echter terug een beroep gedaan worden met ingang van het schooljaar volgend op de datum van de aanvang van de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen.
De voorgaande voorwaarde inzake vervanging geldt niet voor het personeelslid dat de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt op het ogenblik dat het ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking.
Art. 2. (voir NOTE sous TITRE) (Les membres du personnel mentionnés à l'article 1er peuvent bénéficier d'une mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite, à condition qu'ils :
soient nommés à titre définitif;
aient atteint l'âge de cinquante-cinq ans;
comptent au moins vingt ans d'activité de service qui entrent en ligne de compte pour l'ouverture du droit à une pension de retraite à charge du Trésor;
exercent leur fonction en tant que fonction principale;
s'engagent à prendre la retraite le premier du mois qui suit leur soixantième anniversaire;
ne puissent prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor.)
De plus, les membres du personnel qui obtiennent une mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite, doivent, au début de cette mise en disponibilité et pour un volume correspondant de la fonction qu'ils ne remplissent plus, être remplacés, conformément aux dispositons de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente, par un membre du personnel mis en disponibilité par défaut complet ou partiel d'emploi et n'ayant pas encore été réaffecté ou remis au travail. Ce membre du personnel est considéré comme étant réaffecté ou remis au travail au sens de l'arrêté précité.
Par dérogation au titre IV de l'arrêté précité du 29 avril 1992, un membre du personnel que le pouvoir organisateur a mis en disponibilité complète ou partielle par défaut d'emploi et qui est réaffecté ou remis au travail dans un autre établissement du même pouvoir organisateur ou d'un autre pouvoir organisateur, ne peut reprendre ses fonctions dans l'établissement auquel il a été mis en disponibilité par défaut d'emploi à la date du début d'une mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite d'un membre du personnel du même établissement. Cependant, il y a lieu de refaire appel au membre du personnel étant mis en disponibilité par défaut d'emploi auprès de l'établissement concerné, à partir de l'année scolaire suivant la date de la demande de la mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite.
La condition précitée en matière de remplacement ne s'applique pas au membre du personnel qui obtient une mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite au moment où il est mis en disponibilité par défaut d'emploi.
Art. 3. (zie NOTA onder TITEL) Het personeelslid dat een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt, moet titularis blijven van of, in het geval van terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, beschikbaar blijven voor een betrekking die de helft bedraagt van de omvang van de volledige prestaties die normaal voor het door hem uitgeoefende ambt bepaald is. De nog te verrichten prestaties moeten eventueel steeds worden afgerond naar de hogere eenheid, naar gelang van het geval, tot een volledig lesuur of tot een volledig uur.
Indien het personeelslid dat een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt, ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking, worden voor de eerstvermelde deeltijdse terbeschikkingstelling eerst die uren in aanmerking genomen waarvoor het ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking.
Art. 3. (voir NOTE sous TITRE) Le membre du personnel qui obtient une mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite, doit soit rester titulaire d'un emploi dont le volume égale la moitié des prestations complètes normalement fixées pour la fonction qu'il exerce, soit, en cas de mise en disponibilité par défaut d'emploi, rester disponible pour un tel emploi. Le cas échéant, les prestations devant encore être effectuées, seront toujours arrondies à l'unité supérieure, selon le cas, à une heure de cours entière ou à une heure entière.
Si le membre du personnel qui obtient une mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite est mis en disponibilité par défaut d'emploi, les heures pour lesquelles il est mis en disponibilité par défaut d'emploi entrent d'abord en ligne de compte pour la mise en disponibilité à temps partiel premièrement citée.
Art. 4. (zie NOTA onder TITEL) § 1. De deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen is onherroepelijk.
§ 2. Ze kan door de inrichtende macht aan het personeelslid op zijn verzoek worden toegekend tot het einde van de maand waarin het de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt. Wanneer de aanvraag niet wordt ingewilligd, wordt de beslissing omstandig en schriftelijk gemotiveerd.
§ 3. Na de maand waarin de leeftijd van zestig jaar is bereikt, wordt geen wedde of weddetoelage en geen wachtgeld of wachtgeldtoelage meer verleend.
§ 4. Het personeelslid dat een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt, kan de eerste van elke maand overgaan naar een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen.
Art. 4. (voir NOTE sous TITRE) § 1. La mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite est irrévocable.
§ 2. Elle peut être octroyée par le pouvoir organisateur au membre du personnel, à sa demande, jusqu'à la fin du mois pendant lequel il a atteint l'âge de soixante ans. S'il n'est pas satisfait à la demande, cette décision est motivée amplement et par écrit.
§ 3. Après le mois pendant lequel l'âge de soixante ans est atteint, il ne sera plus octroyé ni de traitement ou de subvention-traitement, ni de traitement d'attente ou de subvention-traitement d'attente.
§ 4. Le membre du personnel qui obtient une mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite, a la possibilité de passer, le premier de chaque mois, au régime de mise en disponibilité complète pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite.
Art. 5. (zie NOTA onder TITEL) Het personeelslid dat een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt, geniet :
- de wedde of weddetoelage verbonden aan de opdracht die nog werkelijk uitgeoefend wordt of, in geval van terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking al naar gelang van het geval het wachtgeld of de wachtgeldtoelage, de wedde of de weddetoelage, verbonden aan de opdracht waarvoor het verder ter beschikking gesteld blijft wegens ontstentenis van betrekking;
- een wachtgeld of wachtgeldtoelage voor het gedeelte van de opdracht waarvoor de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen verleend wordt.
Art. 5. (voir NOTE sous TITRE) Le membre du personnel qui obtient une mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite, bénéficie :
- du traitement ou de la subvention-traitement liés à la charge qu'il effectue encore effectivement ou, en cas de mise en disponibilité par défaut d'emploi selon le cas, du traitement d'attente ou de la subvention-traitement d'attente pour la partie de la charge pour laquelle il continue à être mis en disponibilité par défaut d'emploi;
- d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente pour la partie de la charge pour laquelle est accordée la mise en disponibilité à temps partiel poour convenance personnelle préalable à la pension de retraite.
Art. 6. (zie NOTA onder TITEL) Het bedrag van het wachtgeld of van de wachtgeldtoelage bij deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen wordt vastgesteld op 60 % van de laatste activiteitswedde of de laatste activiteitsweddetoelage verbonden aan het gedeelte van de opdracht waarvoor de terbeschikkingstelling wordt verleend.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor het personeelslid dat overgaat van :
- een verlof of afwezigheid voor verminderde prestaties;
- een volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking;
- een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking,
naar een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, als laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddetoelage beschouwd, de wedde of weddetoelage die het personeelslid zou hebben genoten indien het zijn prestaties voorafgaand aan bovenvermelde periode van :
- verlof of afwezigheid voor verminderde prestaties;
- volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking;
- terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking,
tot op de vooravond van de deeltijdse terbeschikkingstelling verder zou hebben uitgeoefend.
Voor de toepassing van hetzelfde lid worden als prestaties beschouwd die waarvoor het personeelslid vast benoemd is (...).
Het bedrag van voormeld wachtgeld of voormelde wachtgeldtoelage schommelt met het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de regelen voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138,01 gekoppeld. Het bedrag zal, in voorkomend geval, worden aangepast overeenkomstig de intersectorale akkoorden van sociale programmatie en de akkoorden van sectorale sociale programmatie.
Het bedrag van voormeld wachtgeld of voormelde wachtgeldtoelage zal echter niet worden aangepast rekening houdend met de weddetrappen die het resultaat zijn van de periodieke verhogingen binnen de weddeschaal, indien het personeelslid op het ogenblik van de terbeschikkingstelling niet het maximum van de weddeschaal heeft bereikt.
Art. 6. (voir NOTE sous TITRE) Le montant du traitement d'attente ou de la subvention-traitement d'attente en cas de mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite est fixé à 60 % du dernier traitement d'activité ou de la dernière subvention-traitement d'activité liés à la partie de la charge pour laquelle est accordée la mise en disponibilité.
Pour l'application du premier alinéa, il y a lieu d'entendre par dernier traitement d'activité ou dernière subvention-traitement d'activité d'un membre du personnel qui quitte le régime :
- de congé ou d'absence pour prestations réduites;
- d'interruption partielle professionnelle;
- de mise en disponibilité par défaut d'emploi,
pour une mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite, le traitement ou la subvention-traitement dont l'intéressé aurait bénéficié s'il avait continué à effectuer ses prestations préalablement à la période précitée :
- de congé ou d'absence pour prestations réduites;
- d'interruption partielle ou complète de la carrière professionnelle;
- de mise en disponibilité par défaut d'emploi,
jusqu'à la veille de la mise en disponibilité à temps partiel.
Pour l'application du même alinéa, sont considérées comme des prestations, les prestations pour lesquelles le membre du personnel est soit nommé à titre définitif (...).
Le montant du traitement d'attente ou de la subvention-traitement d'attente précités suit l'évolution de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions prescrites par la loi du 1er mars 1977 organisant un régime liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, modifié par l'arrêté royal n° 178 du 30 décembre 1982. Le montant est lié à l'indice-pivot 138,01. Le cas échéant, le montant sera adapté conformément aux accords intersectoriels de programmation sociale et aux accords de programmation sociale sectorielle.
Lors de l'adaptation du traitement d'attente ou de la subvention-traitement d'attente, il ne sera toutefois pas tenu compte des barèmes résultant des augmentations intercalaires à l'intérieur de l'échelle de traitement, si le membre du personnel n'a pas atteint le maximum de l'échelle de traitement au moment de la mise en disponibilité.
Art. 7. (zie NOTA onder TITEL) § 1. Gedurende de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, mag het personeelslid, naast zijn onderwijsopdracht zoals bepaald in artikel 3, in het onderwijs geen andere opdracht uitoefenen.
§ 2. Buiten het onderwijs mag het betrokken personeelslid geen andere winstgevende activiteit uitoefenen dan die welke, bij toepassing van de reglementering inzake cumulatie van een rustpensioen met een beroepsactiviteit, toegestaan is.
§ 3. In afwijking van § 1 mag het personeelslid de onderwijsopdracht die het op de dag voor de ingangsdatum van de deeltijdse terbeschikkingstelling, als bijbetrekking in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan uitoefende, verder blijven uitoefenen als bijbetrekking.
Art. 7. (voir NOTE sous TITRE) § 1. Pendant la mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite, le membre du personnel ne peut effectuer aucune charge dans l'enseignement autre que sa charge d'enseignant telle que visée à l'article 3.
§ 2. En dehors de l'enseignement, le membre du personnel intéressé ne peut exercer aucune autre activité lucrative que celle autorisée en application de la réglementation en matière de cumul d'une pension de retraite avec une activité professionnelle.
§ 3. Par dérogation au § 1er, le membre du personnel peut continuer à exercer comme fonction accessoire, la charge qu'il exercait comme fonction accessoire dans l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit le jour avant la date d'entrée en vigeur de la mise en disposition à temps partiel.
Art. 8. (zie NOTA onder TITEL) De deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen vangt aan op 1 januari of 1 april. De aanvraag moet worden ingediend drie maanden voor de aanvangsdatum.
(Voor de personeelsleden vermeld in artikel 1 die tewerkgesteld zijn in instellingen van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra, kan de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen ook aanvangen op de eerste dag van de maand volgend op de ingangsdatum van de reaffectaties en wedertewerkstellingen door de interprovinciale reaffectatiecommissie. De aanvraag voor de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, die op deze datum van het jaar 1996 een aanvang neemt, wordt uiterlijk op 31 augustus 1996 ingediend.)
Voor de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen die een aanvang neemt op 1 januari 1994 en op 1 april 1994, moet de aanvraag uiterlijk op respectievelijk 31 december 1993 en 1 februari 1994 worden ingediend.
Art. 8. (voir NOTE sous TITRE) La mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite prend cours le 1er janvier ou le 1er avril. La demande doit être introduite trois mois avant la date de la mise en disponibilité.
(Pour les membres du personnel visés par l'article 1er, employés par des établissements de l'enseignement secondaire ordinaire et spécial et les centres psycho-médico-sociaux, la mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite peut également prendre cours le premier jour du mois qui suit la date de début de la réaffectation et la remise au travail décidées par la commission de réaffectation interprovinciale. La demande relative à la mise en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite, qui prend cours à cette date de l'année 1996, doit être présentée au plus tard le 31 août 1996.)
Pour les mises en disponibilité à temps partiel pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite prenant cours le 1er janvier 1994 et le 1er avril 1994, la demande doit être introduite respectivement le 31 décembre 1993 et le 1er février 1994 au plus tard.
Art. 9. (zie NOTA onder TITEL) Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 31 december 1993.
Art. 9. (voir NOTE sous TITRE) Le présent arrêté produit ses effets le 31 décembre 1993.
Art. 10. (zie NOTA onder TITEL) De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 20 april 1994.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE
De Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken,
L. VAN DEN BOSSCHE
Art. 10. (voir NOTE sous TITRE) Le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 20 avril 1994.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
L. VAN DEN BRANDE
Le Ministre flamand de l'Enseignement et de la Foncton publique,
L. VAN DEN BOSSCHE