Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
22 JUNI 1994. - Ministeriële omzendbrief met betrekking tot de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten.
Titre
22 JUIN 1994. - Circulaire ministérielle relative à la loi du 24 décembre 1993 sur les marchés publics.
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (14)
Texte (14)
Artikel M1. I. Inleiding.
Article M1. I. Introduction.
Art. 1M 1. 1. Algemeen.
De wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 januari 1994.
De benaming alleen van de wet doet blijken dat zij een uitgebreider toepassingsgebied heeft dan de wet van 14 juli 1976 betreffende deze zelfde aangelegenheid.
Volgens de Memorie van toelichting (Parlementaire documenten, Senaat, zitting 1992-1993, document 656-1) " toont deze titel immers duidelijk aan dat de wet niet alleen van toepassing is op de overheidsopdrachten maar onder meer ook op sommige opdrachten van privé-ondernemingen die genieten van speciale of exclusieve rechten, verleend door de overheid ".
Artikel 69 van de wet bepaalt :
" De Koning stelt voor boek I, voor boek II en voor iedere bepaling van boek III van deze wet de datum van inwerkingtreding vast.
Dit artikel en artikel 68 treden in werking op de dag van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. "
Welnu, de betrokken koninklijke besluiten, die in de Ministerraad moeten worden overlegd (artikel 68), zijn nog niet goedgekeurd.
Hieruit blijkt dat - artikelen 68 en 69 uitgezonderd - voormelde wet nog niet van toepassing is.
Ten gevolge daarvan blijft de wet van 14 juli 1976 en haar uitvoeringsbesluiten de aangelegenheid van de overheidsopdrachten nu nog regelen.
Tegenover de onzekerheid betreffende de inkrachttreding van de wet en zonder te spreken over het feit dat, volgens de voorbereidingswerken, deze inkrachttreding sectorieel zal zijn, kan men zich tevreden stellen met een afwachtende houding of van nu af aan het bestaansrecht van de wet en haar belangrijkste bepalingen trachten te begrijpen.
Wat mij betreft, heb ik de voorkeur gegeven voor de tweede oplossing.
Ik nodig U dus uit kennis te nemen met deze omzendbrief die, door een bondige uitleg van de context van de nieuwe wet, een opsomming bevat van de belangrijkste bepalingen of wijzigingen die tussengekomen zijn.
De wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 januari 1994.
De benaming alleen van de wet doet blijken dat zij een uitgebreider toepassingsgebied heeft dan de wet van 14 juli 1976 betreffende deze zelfde aangelegenheid.
Volgens de Memorie van toelichting (Parlementaire documenten, Senaat, zitting 1992-1993, document 656-1) " toont deze titel immers duidelijk aan dat de wet niet alleen van toepassing is op de overheidsopdrachten maar onder meer ook op sommige opdrachten van privé-ondernemingen die genieten van speciale of exclusieve rechten, verleend door de overheid ".
Artikel 69 van de wet bepaalt :
" De Koning stelt voor boek I, voor boek II en voor iedere bepaling van boek III van deze wet de datum van inwerkingtreding vast.
Dit artikel en artikel 68 treden in werking op de dag van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. "
Welnu, de betrokken koninklijke besluiten, die in de Ministerraad moeten worden overlegd (artikel 68), zijn nog niet goedgekeurd.
Hieruit blijkt dat - artikelen 68 en 69 uitgezonderd - voormelde wet nog niet van toepassing is.
Ten gevolge daarvan blijft de wet van 14 juli 1976 en haar uitvoeringsbesluiten de aangelegenheid van de overheidsopdrachten nu nog regelen.
Tegenover de onzekerheid betreffende de inkrachttreding van de wet en zonder te spreken over het feit dat, volgens de voorbereidingswerken, deze inkrachttreding sectorieel zal zijn, kan men zich tevreden stellen met een afwachtende houding of van nu af aan het bestaansrecht van de wet en haar belangrijkste bepalingen trachten te begrijpen.
Wat mij betreft, heb ik de voorkeur gegeven voor de tweede oplossing.
Ik nodig U dus uit kennis te nemen met deze omzendbrief die, door een bondige uitleg van de context van de nieuwe wet, een opsomming bevat van de belangrijkste bepalingen of wijzigingen die tussengekomen zijn.
Art. 1M 1. 1. Généralités.
Le Moniteur belge du 22 janvier 1994 a publié la loi du 24 décembre 1993 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services.
Le seul intitulé de la loi fait apparaître a un champ d'application plus étendu que la loi du 14 juillet 1976 sur cette même matière.
Suivant l'Exposé des motifs (documents parlementaires, Sénat, session 1992-1993, document 656-1) " Ce titre fait en effet ressortir que la loi s'applique non seulement aux marchés publics mais notamment aussi à des marchés d'entreprises privées bénéficiant de droits spéciaux ou exclusifs octroyés par les autorités. "
L'article 69 de la loi dispose :
" Le Roi fixe la date de l'entrée en vigueur du livre Ier, du livre II et de chacune des dispositions du livre III de la présente loi.
Le présent article et l'article 68 entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge. "
Or, les arrêtés royaux concernés, qui doivent être délibérés en Conseil des Ministres (article 68), n'ont pas encore été adoptés.
Il en résulte que - hormis les articles 68 et 69 - la loi précitée n'est pas encore d'application.
Par conséquent, actuellement, c'est toujours la loi du 14 juillet 1976 et ses arrêtés d'exécution qui régissent la matière des marchés publics.
Face à cette incertitude quant à l'entrée en vigueur de la loi et sans parler du fait que d'après les travaux préparatoires cette entrée en vigueur sera sectorielle, l'on peut soit se résigner à l'attentisme soit dès à présent s'efforcer de comprendre la raison d'être de la loi et ses principales dispositions.
J'ai, pour ma part, opté pour la seconde solution.
Je vous invite dès lors à prendre connaissance de la présente circulaire qui, tout en exposant brièvement le contexte de la nouvelle loi, comporte un relevé des principales dispositions ou modifications intervenues.
Le Moniteur belge du 22 janvier 1994 a publié la loi du 24 décembre 1993 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services.
Le seul intitulé de la loi fait apparaître a un champ d'application plus étendu que la loi du 14 juillet 1976 sur cette même matière.
Suivant l'Exposé des motifs (documents parlementaires, Sénat, session 1992-1993, document 656-1) " Ce titre fait en effet ressortir que la loi s'applique non seulement aux marchés publics mais notamment aussi à des marchés d'entreprises privées bénéficiant de droits spéciaux ou exclusifs octroyés par les autorités. "
L'article 69 de la loi dispose :
" Le Roi fixe la date de l'entrée en vigueur du livre Ier, du livre II et de chacune des dispositions du livre III de la présente loi.
Le présent article et l'article 68 entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge. "
Or, les arrêtés royaux concernés, qui doivent être délibérés en Conseil des Ministres (article 68), n'ont pas encore été adoptés.
Il en résulte que - hormis les articles 68 et 69 - la loi précitée n'est pas encore d'application.
Par conséquent, actuellement, c'est toujours la loi du 14 juillet 1976 et ses arrêtés d'exécution qui régissent la matière des marchés publics.
Face à cette incertitude quant à l'entrée en vigueur de la loi et sans parler du fait que d'après les travaux préparatoires cette entrée en vigueur sera sectorielle, l'on peut soit se résigner à l'attentisme soit dès à présent s'efforcer de comprendre la raison d'être de la loi et ses principales dispositions.
J'ai, pour ma part, opté pour la seconde solution.
Je vous invite dès lors à prendre connaissance de la présente circulaire qui, tout en exposant brièvement le contexte de la nouvelle loi, comporte un relevé des principales dispositions ou modifications intervenues.
Art. 2M 1. 2. Algemene opvatting van de nieuwe wet.
De oorsprong van de wet ligt in een wetsontwerp ingediend door de Federale Regering bij de Senaat.
Daarna werd zij besproken in de Kamer van de volksvertegenwoordigers.
Het onderwerp van de wet en haar belangrijkste kenmerken werden namelijk uiteengezet voor de Commissie voor de Financiën van de Kamer (Parlementaire documenten - Kamer - Gewone zitting 1993-1994 - Document 1073/3 - 92/93).
Wat betreft het onderwerp heeft de Vice-Eerste Minister uiteraard verklaard : " Dit ontwerp, dat betrekking heeft zowel op herstructurering van de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten als met name op het verzekeren van de omzetting van ettelijke Europese richtlijnen, is de aanleiding geweest tot zeer vruchtbare besprekingen binnen de Commissie voor Financiën van de Senaat. "
Daarna spreekt de Vice-Eerste Minister over de hoofdkenmerken van de nieuwe wet :
" 1) het invoeren in de wetgeving van een modulaire structuur die toelaat te onderscheiden :
a) enerzijds de " klassieke " overheidsopdrachten en concessies voor openbare werken, zijnde deze van de overheid (van federaal tot lokaal niveau), evenals de publiekrechtelijke verenigingen en organismen (eerste boek, titels II en III);
b) anderzijds de overheidsopdrachten in de sectoren water, energie, verkeer en telecommunicatie (Richtlijn 90/531/EEG), zijnde deze van de voornoemde overheiden voorzover zij dergelijke sectoren beheren en deze van de overheidsbedrijven zoals Belgacom of de NMBS (eerste boek, titel IV);
c) tot slot de opdrachten van privé-ondernemingen die genieten van speciale of exclusieve rechten voor het beheer van werkzaamheden in die zelfde sectoren water, energie, verkeer en telecommunicatie (Richtlijn 90/531/EEG), zoals bijvoorbeeld Electrabel, Distrigas of BATC (boek II);
2) de aanpassing van het toepassingsveld van de wetgeving in functie van de richtlijnen en de internationale akkoorden terzake. Het nagestreefde doel is de harmonisering zowel van het toepassingsveld wat de overheden en de bedoelde personen betreft, als andere fundamentele begrippen zoals bijvoorbeeld de definities van de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, of de gunningsprocedures van de opdrachten en de wijze van bekendmaking ervan;
3) de invoering in de wetgeving, voor het eerst, van regels opgelegd door Richtlijn 90/531/EEG en die betrekking hebben op de privé-ondernemingen waarvan sprake in punt 1, c. Deze regels zijn gegroepeerd in een afzonderlijk en onafhankelijk wetboek II. Op dezelfde wijze zal dit boek worden uitgevoerd door een eigen koninklijk besluit ten einde rekening te houden met de specifiteiten van het beheer en de financiële verantwoordelijkheid van de privé-ondernemingen;
4) de aanpassing van de regels voor de gunning en de uitvoering van de overheidsopdrachten en de opdrachten van de overheidsbedrijven onderworpen aan Richtlijn 90/531/EEG. Deze regels vervat in het eerste boek, titel IV van de wet, hebben enerzijds een versoepeling tot gevolg ten aanzien van de bestaande gunningswijzen vermits de onderhandelingsprocedure er een gewone gunningsprocedure wordt. Anderzijds echter zijn de regels voor de controle en de bekendmaking uitgebreider dan deze die nu opgenomen zijn in de wet van 14 juli 1976. Het doel is eveneens de uitwerking van een specifiek bestek te verplichten teneinde een gelijkwaardige behandeling van de ondernemingen te garanderen;
5) de verbetering van bepalingen vervat in de wetgeving, die, in tegenstelling tot de richtlijnen, toepasbaar is op de overheidsopdrachten welke ook hun bedrag is. De ervaring opgedaan in de loop van de jongste vijftien jaren heeft het nut aangetoond van een herziening en een modernisering van de teksten zowel deze van de wet als deze van haar uitvoeringsbesluiten (aanpassing van de bepalingen betreffende de aanbesteding en de offerteaanvraag, beter onderscheid tussen de kwalitatieve selectiecriteria van de ondernemingen en de gunningscriteria van de overheidsopdrachten, versoepeling van de regels betreffende de promoties, duidelijkere eisen inzake motivatie en doorzichtigheid...)
Het is gepast te onderstrepen dat de hier bewerkstelligde hervorming te situeren valt binnen het ruimer proces van de opening van de markten op internationaal vlak. Het gaat om een dynamisch proces. De huidige onderhandelingen in het raam van de Uruguay Round, de inwerkingtreding op korte of middellange termijn van nieuwe richtlijnen en van het Akkoord over de Europese Economische Ruimte evenals van andere door de Gemeenschappen gesloten overeenkomsten drukken hun stempel op de wetgeving die ter aanneming aan u worden voorgelegd. Nieuwe tekstaanpassingen, zij het van minder belang, zullen dus in de toekomst noodzakelijk blijken, en zullen te gepasten tijde in het Parlement aanhangig worden gemaakt. "
Aanpassing van de wetgeving volgens drie sectoren, omzetting van de Europese richtlijnen in het Belgisch recht, verbetering van de Belgische bepalingen in verband met de opgedane ervaring zijn de hoofdkenmerken van de nieuwe wet.
De oorsprong van de wet ligt in een wetsontwerp ingediend door de Federale Regering bij de Senaat.
Daarna werd zij besproken in de Kamer van de volksvertegenwoordigers.
Het onderwerp van de wet en haar belangrijkste kenmerken werden namelijk uiteengezet voor de Commissie voor de Financiën van de Kamer (Parlementaire documenten - Kamer - Gewone zitting 1993-1994 - Document 1073/3 - 92/93).
Wat betreft het onderwerp heeft de Vice-Eerste Minister uiteraard verklaard : " Dit ontwerp, dat betrekking heeft zowel op herstructurering van de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten als met name op het verzekeren van de omzetting van ettelijke Europese richtlijnen, is de aanleiding geweest tot zeer vruchtbare besprekingen binnen de Commissie voor Financiën van de Senaat. "
Daarna spreekt de Vice-Eerste Minister over de hoofdkenmerken van de nieuwe wet :
" 1) het invoeren in de wetgeving van een modulaire structuur die toelaat te onderscheiden :
a) enerzijds de " klassieke " overheidsopdrachten en concessies voor openbare werken, zijnde deze van de overheid (van federaal tot lokaal niveau), evenals de publiekrechtelijke verenigingen en organismen (eerste boek, titels II en III);
b) anderzijds de overheidsopdrachten in de sectoren water, energie, verkeer en telecommunicatie (Richtlijn 90/531/EEG), zijnde deze van de voornoemde overheiden voorzover zij dergelijke sectoren beheren en deze van de overheidsbedrijven zoals Belgacom of de NMBS (eerste boek, titel IV);
c) tot slot de opdrachten van privé-ondernemingen die genieten van speciale of exclusieve rechten voor het beheer van werkzaamheden in die zelfde sectoren water, energie, verkeer en telecommunicatie (Richtlijn 90/531/EEG), zoals bijvoorbeeld Electrabel, Distrigas of BATC (boek II);
2) de aanpassing van het toepassingsveld van de wetgeving in functie van de richtlijnen en de internationale akkoorden terzake. Het nagestreefde doel is de harmonisering zowel van het toepassingsveld wat de overheden en de bedoelde personen betreft, als andere fundamentele begrippen zoals bijvoorbeeld de definities van de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, of de gunningsprocedures van de opdrachten en de wijze van bekendmaking ervan;
3) de invoering in de wetgeving, voor het eerst, van regels opgelegd door Richtlijn 90/531/EEG en die betrekking hebben op de privé-ondernemingen waarvan sprake in punt 1, c. Deze regels zijn gegroepeerd in een afzonderlijk en onafhankelijk wetboek II. Op dezelfde wijze zal dit boek worden uitgevoerd door een eigen koninklijk besluit ten einde rekening te houden met de specifiteiten van het beheer en de financiële verantwoordelijkheid van de privé-ondernemingen;
4) de aanpassing van de regels voor de gunning en de uitvoering van de overheidsopdrachten en de opdrachten van de overheidsbedrijven onderworpen aan Richtlijn 90/531/EEG. Deze regels vervat in het eerste boek, titel IV van de wet, hebben enerzijds een versoepeling tot gevolg ten aanzien van de bestaande gunningswijzen vermits de onderhandelingsprocedure er een gewone gunningsprocedure wordt. Anderzijds echter zijn de regels voor de controle en de bekendmaking uitgebreider dan deze die nu opgenomen zijn in de wet van 14 juli 1976. Het doel is eveneens de uitwerking van een specifiek bestek te verplichten teneinde een gelijkwaardige behandeling van de ondernemingen te garanderen;
5) de verbetering van bepalingen vervat in de wetgeving, die, in tegenstelling tot de richtlijnen, toepasbaar is op de overheidsopdrachten welke ook hun bedrag is. De ervaring opgedaan in de loop van de jongste vijftien jaren heeft het nut aangetoond van een herziening en een modernisering van de teksten zowel deze van de wet als deze van haar uitvoeringsbesluiten (aanpassing van de bepalingen betreffende de aanbesteding en de offerteaanvraag, beter onderscheid tussen de kwalitatieve selectiecriteria van de ondernemingen en de gunningscriteria van de overheidsopdrachten, versoepeling van de regels betreffende de promoties, duidelijkere eisen inzake motivatie en doorzichtigheid...)
Het is gepast te onderstrepen dat de hier bewerkstelligde hervorming te situeren valt binnen het ruimer proces van de opening van de markten op internationaal vlak. Het gaat om een dynamisch proces. De huidige onderhandelingen in het raam van de Uruguay Round, de inwerkingtreding op korte of middellange termijn van nieuwe richtlijnen en van het Akkoord over de Europese Economische Ruimte evenals van andere door de Gemeenschappen gesloten overeenkomsten drukken hun stempel op de wetgeving die ter aanneming aan u worden voorgelegd. Nieuwe tekstaanpassingen, zij het van minder belang, zullen dus in de toekomst noodzakelijk blijken, en zullen te gepasten tijde in het Parlement aanhangig worden gemaakt. "
Aanpassing van de wetgeving volgens drie sectoren, omzetting van de Europese richtlijnen in het Belgisch recht, verbetering van de Belgische bepalingen in verband met de opgedane ervaring zijn de hoofdkenmerken van de nieuwe wet.
Art. 2M 1. 2. Philosophie générale de la nouvelle loi.
La loi trouve son origine dans un projet de loi déposé par le Gouvernement fédéral sur le bureau du Sénat.
Elle a ensuite été discutée à la Chambre des représentants.
L'objet de la loi et ses principales caractéristiques ont été notamment exposés devant la Commission des Finances de la Chambre (Documents parlementaires - Chambre - Session ordinaire 1993-1994 - document 1073/3 - 92/93).
En ce qui concerne l'objet, le Vice-Premier Ministre a déclaré en effet : " Ce projet, qui a pour objet tant de restructuer la législation relative aux marchés publics que d'assurer notamment la transposition de plusieurs directives européennes, a donné lieu à une discussion très fructueuse en Commission des Finances du Sénat. "
Le Vice-Premier Ministre rappelle ensuite les principales caractéristiques de la nouvelle loi :
" 1) l'introduction dans la législation d'une structure modulaire permettant de distinguer :
a) d'une part, les marchés publics et les concessions de travaux publics " classiques ", c'est-à-dire ceux des pouvoirs publics du niveau fédéral jusqu'au niveau local, ainsi que des associations et organismes de droit public (livre Ier, titres II et III);
b) d'autre part, les marchés publics dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications (Directive 90/531/CEE), c'est-à-dire ceux des pouvoirs publics cités ci-avant dans la mesure où ils gèrent de tels secteurs et ceux d'entreprises publiques telles Belgacom ou la SNCB (livre Ier, titre IV);
c) enfin, les marchés d'entreprises privées bénéficiant de droits spéciaux ou exclusifs pour gérer des activités dans ces mêmes secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications (Directive 90/531/CEE), comme par exemple Electrabel, Distrigaz ou BATC (livre II);
2) l'ajustement du champ d'application de la législation en fonction des directives et des accords internationaux en la matière. L'objectif poursuivi est d'harmoniser tant le champ des pouvoirs publics et des personnes visés que celui relatif à d'autres notions fondamentales comme, par exemple, les définitions des marchés publics de travaux, de fournitures et de services ou les procédures de passation des marchés et leurs modes de publicité;
3) l'introduction, pour la première fois dans la législation, de règles imposées par la Directive 90/531/CEE et visant les entreprises privées dont question au point 1, c. Ces règles sont groupées dans un livre II de la loi séparé et indépendant. De même, ce livre sera exécuté par un arrêté royal propre afin de tenir compte des spécificités de la gestion et de la responsabilité financière des entreprises privées;
4) l'adaptation des règles de passation et d'exécution des marchés des pouvoirs publics et entreprises publiques soumis à la Directive 90/531/CEE. Ces règles, contenues dans le livre Ier, titre IV de la loi, impliquent d'une part, un assouplissement par rapport aux modes de passation existants puisque la procédure négociée y devient une procédure de passation ordinaire. D'autre part, cependant, les règles de contrôle et de publicité se révèlent plus étendues que celles prévues actuellement dans la loi du 14 juillet 1976, l'objectif étant également d'obliger à l'élaboration d'un cahier spécial des charges spécifique afin de garantir une égalité de traitement des entreprises;
5) l'amélioration de dispositions contenues dans la législation, qui, contrairement aux directives, est applicable aux marchés publics quel que soit leur montant. L'expérience acquise au cours de ces quinze dernières années a démontré l'utilité d'une révision et d'une modernisation des textes tant de la loi que de ses arrêtés d'exécution (adaptation de dispositions relatives à l'adjudication et à l'appel d'offres, meilleure distinction entre critères de sélection qualitative des entreprises et critères d'attribution des marchés publics, assouplissement des règles relatives aux promotions, exigences plus nettes en matière de motivation et de transparence...)
Il convient de souligner que la réforme ici concrétisée s'inscrit dans le processus plus large de l'ouverture des marchés au niveau international. Il s'agit d'un processus dynamique. Les négociations actuelles dans le cadre de l'Uruguay Round, l'entrée envigueur à court ou moyen terme de nouvelles directives et de l'Accord sur l'Espace économique européen ainsi que d'autres accords conclus par la Communauté pourraient marquer de leur empreinte la législation soumise à votre adoption. De nouvelles adaptations de textes, mais de portée moindre, s'avéreront donc nécessaires à l'avenir, ce dont le Parlement sera saisi en temps utile. "
Modulation de la législation en trois secteurs, transposition en droit belge des directives européennes, amélioration des dispositions belges au regard de l'expérience acquise, tels sont les maîtres-mots de la nouvelle loi.
La loi trouve son origine dans un projet de loi déposé par le Gouvernement fédéral sur le bureau du Sénat.
Elle a ensuite été discutée à la Chambre des représentants.
L'objet de la loi et ses principales caractéristiques ont été notamment exposés devant la Commission des Finances de la Chambre (Documents parlementaires - Chambre - Session ordinaire 1993-1994 - document 1073/3 - 92/93).
En ce qui concerne l'objet, le Vice-Premier Ministre a déclaré en effet : " Ce projet, qui a pour objet tant de restructuer la législation relative aux marchés publics que d'assurer notamment la transposition de plusieurs directives européennes, a donné lieu à une discussion très fructueuse en Commission des Finances du Sénat. "
Le Vice-Premier Ministre rappelle ensuite les principales caractéristiques de la nouvelle loi :
" 1) l'introduction dans la législation d'une structure modulaire permettant de distinguer :
a) d'une part, les marchés publics et les concessions de travaux publics " classiques ", c'est-à-dire ceux des pouvoirs publics du niveau fédéral jusqu'au niveau local, ainsi que des associations et organismes de droit public (livre Ier, titres II et III);
b) d'autre part, les marchés publics dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications (Directive 90/531/CEE), c'est-à-dire ceux des pouvoirs publics cités ci-avant dans la mesure où ils gèrent de tels secteurs et ceux d'entreprises publiques telles Belgacom ou la SNCB (livre Ier, titre IV);
c) enfin, les marchés d'entreprises privées bénéficiant de droits spéciaux ou exclusifs pour gérer des activités dans ces mêmes secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications (Directive 90/531/CEE), comme par exemple Electrabel, Distrigaz ou BATC (livre II);
2) l'ajustement du champ d'application de la législation en fonction des directives et des accords internationaux en la matière. L'objectif poursuivi est d'harmoniser tant le champ des pouvoirs publics et des personnes visés que celui relatif à d'autres notions fondamentales comme, par exemple, les définitions des marchés publics de travaux, de fournitures et de services ou les procédures de passation des marchés et leurs modes de publicité;
3) l'introduction, pour la première fois dans la législation, de règles imposées par la Directive 90/531/CEE et visant les entreprises privées dont question au point 1, c. Ces règles sont groupées dans un livre II de la loi séparé et indépendant. De même, ce livre sera exécuté par un arrêté royal propre afin de tenir compte des spécificités de la gestion et de la responsabilité financière des entreprises privées;
4) l'adaptation des règles de passation et d'exécution des marchés des pouvoirs publics et entreprises publiques soumis à la Directive 90/531/CEE. Ces règles, contenues dans le livre Ier, titre IV de la loi, impliquent d'une part, un assouplissement par rapport aux modes de passation existants puisque la procédure négociée y devient une procédure de passation ordinaire. D'autre part, cependant, les règles de contrôle et de publicité se révèlent plus étendues que celles prévues actuellement dans la loi du 14 juillet 1976, l'objectif étant également d'obliger à l'élaboration d'un cahier spécial des charges spécifique afin de garantir une égalité de traitement des entreprises;
5) l'amélioration de dispositions contenues dans la législation, qui, contrairement aux directives, est applicable aux marchés publics quel que soit leur montant. L'expérience acquise au cours de ces quinze dernières années a démontré l'utilité d'une révision et d'une modernisation des textes tant de la loi que de ses arrêtés d'exécution (adaptation de dispositions relatives à l'adjudication et à l'appel d'offres, meilleure distinction entre critères de sélection qualitative des entreprises et critères d'attribution des marchés publics, assouplissement des règles relatives aux promotions, exigences plus nettes en matière de motivation et de transparence...)
Il convient de souligner que la réforme ici concrétisée s'inscrit dans le processus plus large de l'ouverture des marchés au niveau international. Il s'agit d'un processus dynamique. Les négociations actuelles dans le cadre de l'Uruguay Round, l'entrée envigueur à court ou moyen terme de nouvelles directives et de l'Accord sur l'Espace économique européen ainsi que d'autres accords conclus par la Communauté pourraient marquer de leur empreinte la législation soumise à votre adoption. De nouvelles adaptations de textes, mais de portée moindre, s'avéreront donc nécessaires à l'avenir, ce dont le Parlement sera saisi en temps utile. "
Modulation de la législation en trois secteurs, transposition en droit belge des directives européennes, amélioration des dispositions belges au regard de l'expérience acquise, tels sont les maîtres-mots de la nouvelle loi.
Art. 3M 1. 3. Structuur van de nieuwe wet.
De nieuwe wet is ingedeeld in drie boeken :
1) Boek I : " Overheidsopdrachten ", dat bestaat uit 5 titels, namelijk :
- algemene beginselen;
- overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten (toepassingsgebied, algemene bepalingen, gunningswijzen);
- concessies voor openbare werken en van werken gegund in naam van concessiehouders van openbare werken;
- overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en telecmmunicatie;
- diverse bepalingen (deze titel bevat o.m. twee wijzigingen in de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers).
2) Boek II : " Mededinging in het raam van de Europese Gemeenschap van bepaalde opdrachten voor aanneming van werken en leveringen in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie ".
Dit boek bevat drie titels die respectievelijk betrekking hebben op :
- voornoemde opdrachten gegund door privé-ondernemingen;
- voornoemde opdrachten gegund enerzijds door overheidsbedrijven maar voor de opdrachten die geen betrekking hebben op hun taken van openbare dienst en anderzijds door de in artikel 4 bedoelde aanbestedende overheden voor de opdrachten betreffende de produktie van elektriciteit.
- diverse bepalingen.
Men dient te onthouden dat boek I hoofdzakelijk betrekking heeft op de algemene regeling van de overheidsopdrachten in tegenstelling met boek II dat meer beperkend is en betrekking heeft op :
- opdrachten voor aanneming van werken en leveringen (geen diensten);
- met een bedrag gelijk aan of hoger dan de door de Koning te bepalen bedragen (nog vast te stellen);
- in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie.
3) Boek III bevat de slotbepalingen betreffende de inwerkingtreding van de wet en een wijziging in artikel 314 van het Strafwetboek.
Bekijken we nu welke de belangrijkse bepalingen zijn, die door de wet vastgesteld zijn.
De nieuwe wet is ingedeeld in drie boeken :
1) Boek I : " Overheidsopdrachten ", dat bestaat uit 5 titels, namelijk :
- algemene beginselen;
- overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten (toepassingsgebied, algemene bepalingen, gunningswijzen);
- concessies voor openbare werken en van werken gegund in naam van concessiehouders van openbare werken;
- overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en telecmmunicatie;
- diverse bepalingen (deze titel bevat o.m. twee wijzigingen in de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers).
2) Boek II : " Mededinging in het raam van de Europese Gemeenschap van bepaalde opdrachten voor aanneming van werken en leveringen in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie ".
Dit boek bevat drie titels die respectievelijk betrekking hebben op :
- voornoemde opdrachten gegund door privé-ondernemingen;
- voornoemde opdrachten gegund enerzijds door overheidsbedrijven maar voor de opdrachten die geen betrekking hebben op hun taken van openbare dienst en anderzijds door de in artikel 4 bedoelde aanbestedende overheden voor de opdrachten betreffende de produktie van elektriciteit.
- diverse bepalingen.
Men dient te onthouden dat boek I hoofdzakelijk betrekking heeft op de algemene regeling van de overheidsopdrachten in tegenstelling met boek II dat meer beperkend is en betrekking heeft op :
- opdrachten voor aanneming van werken en leveringen (geen diensten);
- met een bedrag gelijk aan of hoger dan de door de Koning te bepalen bedragen (nog vast te stellen);
- in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie.
3) Boek III bevat de slotbepalingen betreffende de inwerkingtreding van de wet en een wijziging in artikel 314 van het Strafwetboek.
Bekijken we nu welke de belangrijkse bepalingen zijn, die door de wet vastgesteld zijn.
Art. 3M 1. 3. Structure de la nouvelle loi.
La nouvelle loi est divisée en trois livres :
1) le livre Ier : " Des marchés publics " qui comporte 5 titres à savoir :
- les principes généraux;
- les marchés de travaux, de fournitures et de services (champ d'application, dispostions générales, modes de passation);
- les concessions de travaux publics et les marchés de travaux passés au nom des concessionnaires de travaux publics;
- les marchés publics de travaux, de fournitures et de services dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications;
- des dispositions diverses (ce titre comporte notamment deux modifications de la loi du 20 mars 1991 organisant l'agréation d'entrepreneurs de travaux);
2) le livre II intitulé : " De la mise en concurrence dans le cadre de la Communauté européenne de certains marchés de travaux et de fournitures dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications ".
Ce livre comporte trois titres concernant respectivement :
- les marchés précités conclus par les entreprises privées;
- les marchés précités conclus d'une part, par des entreprises publiques mais pour les marchés qui n'ont pas trait à leurs tâches de service public, et, d'autre part, par les pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4 pour les marchés qui concernent la production d'électricité;
- des dispositions diverses.
Il faut retenir que le livre Ier comporte principalement le régime général des marchés publics tandis que le livre II est plus restrictif, il est relatif :
- aux marchés de travaux et de fournitures (pas les services);
- d'un montant égal ou supérieur aux montants à fixer par le Roi (encore à déterminer);
- dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications;
3) le livre III comporte les dispositions finales concernant l'entrée en vigueur de la loi et une modification de l'article 314 du Code pénal.
Voyons à présent, quelles sont les principales dispositions adoptées par la nouvelle loi.
La nouvelle loi est divisée en trois livres :
1) le livre Ier : " Des marchés publics " qui comporte 5 titres à savoir :
- les principes généraux;
- les marchés de travaux, de fournitures et de services (champ d'application, dispostions générales, modes de passation);
- les concessions de travaux publics et les marchés de travaux passés au nom des concessionnaires de travaux publics;
- les marchés publics de travaux, de fournitures et de services dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications;
- des dispositions diverses (ce titre comporte notamment deux modifications de la loi du 20 mars 1991 organisant l'agréation d'entrepreneurs de travaux);
2) le livre II intitulé : " De la mise en concurrence dans le cadre de la Communauté européenne de certains marchés de travaux et de fournitures dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications ".
Ce livre comporte trois titres concernant respectivement :
- les marchés précités conclus par les entreprises privées;
- les marchés précités conclus d'une part, par des entreprises publiques mais pour les marchés qui n'ont pas trait à leurs tâches de service public, et, d'autre part, par les pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4 pour les marchés qui concernent la production d'électricité;
- des dispositions diverses.
Il faut retenir que le livre Ier comporte principalement le régime général des marchés publics tandis que le livre II est plus restrictif, il est relatif :
- aux marchés de travaux et de fournitures (pas les services);
- d'un montant égal ou supérieur aux montants à fixer par le Roi (encore à déterminer);
- dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications;
3) le livre III comporte les dispositions finales concernant l'entrée en vigueur de la loi et une modification de l'article 314 du Code pénal.
Voyons à présent, quelles sont les principales dispositions adoptées par la nouvelle loi.
Art. M2. II. Belangrijkste bepalingen.
Art. M2. II. Principales dispositions.
Art. 1M 2. HOOFDSTUK I. - Boek I.
Art. 1M 2. CHAPITRE I. - Livre I.
Art. 1.1M 2. Titel I. Algemene beginselen.
Deze beginselen zijn toepasselijk op de traditionele overheidsopdrachten (algemene regeling), de concessies inbegrepen, en op de overheidsopdrachten gegund door publiekrechtelijke personen die de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie beheren. (Memorie van toelichting, blz. 10).
Deze bepalingen kunnen samengevat worden als volgt :
1) Volgens artikel 1 van de wet worden de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in naam van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4 (ik zal dit later behandelen) gegund na mededinging en op forfaitaire grondslag (zie wet van 14 juli 1976) volgens de wijzen bepaald in titel II (algemene regeling), onder voorbehoud van wat in § 2 en in artikel 2 voorzien is.
Deze twee beperkingen zijn de volgende :
a) de wet is niet toepasselijk op de opdrachten van de overheidsbedrijven, wanneer zij geen betrekking hebben op de taken van openbare dienst van vermelde overheidsbedrijven in de zin van een wet, een decreet of een ordonnantie - behalve voor de opdrachten voor aanneming van werken en leveringen van een bepaald bedrag (door de Koning vast te stellen) die betrekking hebben op de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie en die het onderwerp zijn van specifieke regels inzake mededinging op Europees vlak (artikel 63 - boek II);
b) in de sectoren water, energie vervoer en telecommunicatie worden de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 26 gegund na mededinging en op forfaitaire basis, volgens de wijzen voorzien in titel IV van boek I (artikel 2).
Artikel 26, dat het toepassingsgebied van titel IV bepaalt, stelt dat deze titel betrekking heeft op de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, evenals op de overheidsbedrijven (wat deze laatsten betreft, worden opdrachten bedoeld die betrekking hebben op hun taken van openbare dienst).
Maar voormeld artikel 4, dat ik later zal behandelen en dat het toepassingsgebied van de algemene regeling van de opdrachten beschrijft (boek I, titel II), beoogt o.a. de provincies, de gemeenten en de verenigingen van gemeenten.
Dientengevolge wanneer een van deze eenheden een opdracht betreffende voormelde sectoren (water, energie, enz.) wil gunnen, is titel IV van toepassing en niet de algemene regeling (Memorie van toelichting, blz. 34).
De door voormelde diensten geplande opdrachten moeten echter in het raam passen van de bijzonder bedoelde activiteiten of mogen geen activiteit zijn die bij artikelen 28 tot 38 uitgesloten is.
Zonder deze bepalingen nader te bespreken dient men te onthouden dat zij in de meeste gevallen betrekking hebben op de terbeschikkingstelling of de uitbating van netten bestemd voor dienstverlening aan het publiek.
2) Volgens artikel 3, § 2, vallen niet onder de toepassing van de bepalingen van de wet de diensten in de zin van artikel 5 die toegewezen worden aan een aanbestedende overheid bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, op basis van een uitsluitend recht dat ze uit hoofde van bekendgemaakte wetteljke of reglementaire bepalingen geniet en die verenigbaar zijn met het verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap.
In feite is deze bepaling nagenoeg de omzetting van artikel 6 van de Richtlijn 92/50 van 18 juni 1992 van de Raad van de Europese Gemeenschappen (van kracht sinds 1 juli 1993) betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
Men dient op te merken dat in tegenstelling met bovenvermelde richtlijn betreffende enkel de opdrachten voor aanneming van dienstn gelijk aan of hoger dan 8 200 000 BEF (bedrag in voege op 1 januari 1994), de voormelde bepaling betrekking heeft op alle opdrachten voor aanneming van diensten.
Deze beginselen zijn toepasselijk op de traditionele overheidsopdrachten (algemene regeling), de concessies inbegrepen, en op de overheidsopdrachten gegund door publiekrechtelijke personen die de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie beheren. (Memorie van toelichting, blz. 10).
Deze bepalingen kunnen samengevat worden als volgt :
1) Volgens artikel 1 van de wet worden de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in naam van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4 (ik zal dit later behandelen) gegund na mededinging en op forfaitaire grondslag (zie wet van 14 juli 1976) volgens de wijzen bepaald in titel II (algemene regeling), onder voorbehoud van wat in § 2 en in artikel 2 voorzien is.
Deze twee beperkingen zijn de volgende :
a) de wet is niet toepasselijk op de opdrachten van de overheidsbedrijven, wanneer zij geen betrekking hebben op de taken van openbare dienst van vermelde overheidsbedrijven in de zin van een wet, een decreet of een ordonnantie - behalve voor de opdrachten voor aanneming van werken en leveringen van een bepaald bedrag (door de Koning vast te stellen) die betrekking hebben op de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie en die het onderwerp zijn van specifieke regels inzake mededinging op Europees vlak (artikel 63 - boek II);
b) in de sectoren water, energie vervoer en telecommunicatie worden de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten van de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 26 gegund na mededinging en op forfaitaire basis, volgens de wijzen voorzien in titel IV van boek I (artikel 2).
Artikel 26, dat het toepassingsgebied van titel IV bepaalt, stelt dat deze titel betrekking heeft op de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, evenals op de overheidsbedrijven (wat deze laatsten betreft, worden opdrachten bedoeld die betrekking hebben op hun taken van openbare dienst).
Maar voormeld artikel 4, dat ik later zal behandelen en dat het toepassingsgebied van de algemene regeling van de opdrachten beschrijft (boek I, titel II), beoogt o.a. de provincies, de gemeenten en de verenigingen van gemeenten.
Dientengevolge wanneer een van deze eenheden een opdracht betreffende voormelde sectoren (water, energie, enz.) wil gunnen, is titel IV van toepassing en niet de algemene regeling (Memorie van toelichting, blz. 34).
De door voormelde diensten geplande opdrachten moeten echter in het raam passen van de bijzonder bedoelde activiteiten of mogen geen activiteit zijn die bij artikelen 28 tot 38 uitgesloten is.
Zonder deze bepalingen nader te bespreken dient men te onthouden dat zij in de meeste gevallen betrekking hebben op de terbeschikkingstelling of de uitbating van netten bestemd voor dienstverlening aan het publiek.
2) Volgens artikel 3, § 2, vallen niet onder de toepassing van de bepalingen van de wet de diensten in de zin van artikel 5 die toegewezen worden aan een aanbestedende overheid bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, op basis van een uitsluitend recht dat ze uit hoofde van bekendgemaakte wetteljke of reglementaire bepalingen geniet en die verenigbaar zijn met het verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap.
In feite is deze bepaling nagenoeg de omzetting van artikel 6 van de Richtlijn 92/50 van 18 juni 1992 van de Raad van de Europese Gemeenschappen (van kracht sinds 1 juli 1993) betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
Men dient op te merken dat in tegenstelling met bovenvermelde richtlijn betreffende enkel de opdrachten voor aanneming van dienstn gelijk aan of hoger dan 8 200 000 BEF (bedrag in voege op 1 januari 1994), de voormelde bepaling betrekking heeft op alle opdrachten voor aanneming van diensten.
Art. 1.1M 2. Titre I. Principes généraux.
Ces principes s'appliquent aux marchés publics traditionnels (régime général), y compris les concessions, et aux marchés publics passés au nom des personnes de droit public gérant les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications.
(Exposé des motifs, p. 10).
Ces dispositions peuvent être résumées comme suit :
1) suivant l'article 1er de la loi, les marchés de travaux, fournitures et services au nom des pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4 (j'y reviendrai) sont passés avec concurrence et forfait (cfr. loi du 14 juillet 1976) suivant les modes prévus au titre II (= régime général) sous réserve du § 2 et de l'article 2.
Ces deux restrictions sont les suivantes :
a) la loi ne s'applique pas aux marchés passés par les entreprises publiques lorsqu'ils n'ont pas trait aux tâches de service public desdites entreprises publiques au sens d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance - sauf pour les marchés de travaux et de fournitures d'un certain montant (à fixer par le Roi) qui se rapportent aux secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications et qui font l'objet de règles spécifiques de mise en concurrence au plan européen (article 63 - livre II);
b) dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications, les marchés publics de travaux, de fournitures et de services au nom des pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 26 sont passés avec concurrence et à forfait suivant les modes prévus au titre IV du livre Ier (article 2).
L'article 26 - qui fixe le champ d'application du titre IV - dispose que ledit titre concerne les pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4, § 1er, § 2, 1° à 8° et 10° ainsi que les entreprises publiques (il s'agit, en ce qui concerne ces dernières, des marchés ayant trait à leur tâche de service public).
Or, l'article 4 précité, sur lequel je reviendrai, article qui précise le champ d'application du régime général des marchés (livre Ier, titre II), vise notamment les provinces, les communes et les associations de celles-ci.
Dès lors, lorsqu'une de ces entités s'apprête à conclure un marché dans les secteurs précités (eau, énergie, etc.), c'est le titre IV qui est d'application et non le régime général (Exposé des motifs, p. 34).
Il faut cependant que les marchés projetés par les entités précitées entrent dans le cadre des activités spécialement visées ou ne se trouvent pas dans les activités exclues par les articles 28 à 38.
Sans entrer dans le détail de ces dispositions, on retiendra qu'elles concernent le plus souvent la mise à disposition ou l'exploitation de réseaux en vue de fournir un service au public;
2) l'article 3, § 2, soustrait à la loi les services au sens de l'article 5, attribués à un pouvoir adjudicateur visé à l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 8° et 10°, sur la base d'un droit exclusif dont il bénéficie en vertu de dispositions législatives ou réglementaires publiées et conformes au traité instituant la Communauté économique européenne.
Cette disposition est en fait la reproduction quasi intégrale de l'article 6 de la Directive 92/50 du 18 juin 1992 du Conseil des Communautés européennes (en vigueur depuis le 1er juillet 1993) portant coordination des procédures de passation des marchés publics de services.
Il faut cependant noter qu'alors que la Directive susvisée ne concerne que les marchés de services égaux ou supérieurs à F 8 200 000 (taux au 1er janvier 1994), la disposition précitée porte sur tous les marchés de services.
Ces principes s'appliquent aux marchés publics traditionnels (régime général), y compris les concessions, et aux marchés publics passés au nom des personnes de droit public gérant les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications.
(Exposé des motifs, p. 10).
Ces dispositions peuvent être résumées comme suit :
1) suivant l'article 1er de la loi, les marchés de travaux, fournitures et services au nom des pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4 (j'y reviendrai) sont passés avec concurrence et forfait (cfr. loi du 14 juillet 1976) suivant les modes prévus au titre II (= régime général) sous réserve du § 2 et de l'article 2.
Ces deux restrictions sont les suivantes :
a) la loi ne s'applique pas aux marchés passés par les entreprises publiques lorsqu'ils n'ont pas trait aux tâches de service public desdites entreprises publiques au sens d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance - sauf pour les marchés de travaux et de fournitures d'un certain montant (à fixer par le Roi) qui se rapportent aux secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications et qui font l'objet de règles spécifiques de mise en concurrence au plan européen (article 63 - livre II);
b) dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications, les marchés publics de travaux, de fournitures et de services au nom des pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 26 sont passés avec concurrence et à forfait suivant les modes prévus au titre IV du livre Ier (article 2).
L'article 26 - qui fixe le champ d'application du titre IV - dispose que ledit titre concerne les pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4, § 1er, § 2, 1° à 8° et 10° ainsi que les entreprises publiques (il s'agit, en ce qui concerne ces dernières, des marchés ayant trait à leur tâche de service public).
Or, l'article 4 précité, sur lequel je reviendrai, article qui précise le champ d'application du régime général des marchés (livre Ier, titre II), vise notamment les provinces, les communes et les associations de celles-ci.
Dès lors, lorsqu'une de ces entités s'apprête à conclure un marché dans les secteurs précités (eau, énergie, etc.), c'est le titre IV qui est d'application et non le régime général (Exposé des motifs, p. 34).
Il faut cependant que les marchés projetés par les entités précitées entrent dans le cadre des activités spécialement visées ou ne se trouvent pas dans les activités exclues par les articles 28 à 38.
Sans entrer dans le détail de ces dispositions, on retiendra qu'elles concernent le plus souvent la mise à disposition ou l'exploitation de réseaux en vue de fournir un service au public;
2) l'article 3, § 2, soustrait à la loi les services au sens de l'article 5, attribués à un pouvoir adjudicateur visé à l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 8° et 10°, sur la base d'un droit exclusif dont il bénéficie en vertu de dispositions législatives ou réglementaires publiées et conformes au traité instituant la Communauté économique européenne.
Cette disposition est en fait la reproduction quasi intégrale de l'article 6 de la Directive 92/50 du 18 juin 1992 du Conseil des Communautés européennes (en vigueur depuis le 1er juillet 1993) portant coordination des procédures de passation des marchés publics de services.
Il faut cependant noter qu'alors que la Directive susvisée ne concerne que les marchés de services égaux ou supérieurs à F 8 200 000 (taux au 1er janvier 1994), la disposition précitée porte sur tous les marchés de services.
Art. 1.2M 2. Titel II. Overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten (= ALGEMENE REGELING).
1. Toepassingsgebied (art. 4).
In tegenstelling met de wet van 14 juli 1976 die zeer beknopt is (zij spreekt enkel van opdrachten in naam van de Staat en van elk ander publiekrechtelijk persoon, evenals van een mogelijke verruiming bij koninklijk besluit van het toepassingsgebied van de wet), geeft de nieuwe wet de voorkeur, hoofdzakelijk in haar artikel 4, aan een lijst van de betrokken overheden.
Zonder deze lijst gedetailleerd op te sommen, vermelden wij dat zij toepasselijk is op de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de gemeenten, de verenigingen gevormd door een of meerdere van deze (dus o.m. de intercommunales), de kerkfabrieken, de OCMW's en de rechtspersonen die op de datum van de beslissing om tot een opdracht over te gaan sommige voorwaarden vervullen (artikel 4, § 2, 8°).
Dit brengt mij ertoe deze laatste categorie, die haar oorsprong in het Europese recht vindt, nader te omschrijven.
Volgens voormelde bepaling is de wet toepasselijk op deze rechtspersonen indien :
a) zij opgericht zijn met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn;
b) zij rechtspersoonlijkheid hebben;
c) waarvan :
* ofwel de werkzaamheden in hoofdzaak gefinancierd worden door de overheden of instellingen vermeld in § 1 en § 2, 1° tot 8°;
* ofwel het beheer onderworpen is aan toezicht van die overheden of instellingen;
* ofwel de leden van de directie, van de raad van bestuur of van de raad van toezicht voor meer dan de helft door die overheden of instellingen zijn aangewezen.
Deze criteria zijn cumulatief.
Men dient op te merken dat elke financieringsvorm moet in overweging worden genomen en dus ook de dekking van een eventueel jaarlijks deficiet (Memorie van toelichting, blz. 14).
Een niet-limitatieve lijst van de vermelde instellingen zal door de Koning opgesteld worden (artikel 4, § 3).
Uit de algemene discussie in de Commissie van de Senaat blijkt dat de v.z.w.'s, die de bij artikel 4, § 2, 8° vastgestelde voorwaarden vervullen, in het toepassingsgebied van de wet vallen (Parlementaire documenten, Senaat, zitting 1992-1993, document 656-2, blzn. 23-24). Een gemeentelijke v.z.w., die voormelde criteria zou vervullen, zou dus aan d wet onderworpen zijn.
De hogervermelde bepaling (artikel 4, § 2, 8°) is echter niet toepasselijk op privaatrechtelijke personen bedoeld bij artikel 4, § 4.
Volgens artikel 4, § 4, kan de Koning de bepalingen van de wet of sommige ervan van toepassing maken op de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten gegund door privaatrechtelijke personen die hiertoe subsidies genieten van de rechtspersonen bedoeld in § 1 en § 2.
Deze bepaling is toepasselijk op de instellingen van het vrij onderwijs, alsook op de hospitalen en private verzorgingsinstellingen (Memorie van toelichting, blz. 15).
Feitelijk is het een weergave van artikel 1, § 3, van de wet van 14 juli 1976 die nooit door de Koning in werking gesteld werd.
2. Definities (artikel 5).
In tegenstelling met de wet van 14 juli 1976 geeft de nieuwe wet een definitie van de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.
Deze definities zijn beïnvloed door richtlijnen van de Europese Gemeenschappen.
Zo, wat betreft de opdrachten voor aanneming van werken, stelt men vast dat de tekst de voorkeur geeft aan een economische opvatting die niet meer noodzakelijk verbonden is aan die van goederen, onroerend wegens hun aard en hun bestemming.
Men stelt ook vast dat de definities betrekking hebben op overeenkomsten zonder het bijvoegelijk naamwoord " schriftelijk " erbij te voegen omdat in sommige gevallen geen geschreven document noodzakelijk is (onderhandse aanbesteding).
Voor meer inlichtingen verwijze men naar artikel 5.
3. Forfaitaire grondslag van de opdrachten en herziening (artikel 7).
De nieuwe wet neemt de beginselen van de wet van 4 juli 1976 (artikel 3) over en is dan ook duidelijk voor zover zij bepaalt dat de herziening moet tegemoet komen aan de prijsevolutie van de bijzonderste componenten van de kostprijs, overeenkomstig de bij koninklijk besluit te voorziene modaliteiten.
4. Betalingen en voorschotten (artikel 7).
De nieuwe wet neemt de beginselen van de wet van 14 juli 1976 (artikel 4) over onder voorbehoud van twee wijzigingen :
1° wat betreft de betalingen (hetzij geld gestort voor een verstrekte en aanvaarde dienst), zijn de woorden " die door het bestuur zijn goedgekeurd " vervangen door " die door de aanbestedende overheid zijn goedgekeurd ";
2° wat betreft de voorschotten (geld gestort zonder tegenprestatie), zijn de woorden " als provisie " geschrapt.
5. Opdracht bij wege van een promotieovereenkomst (artikel 9).
De wet van 14 juli 1976 geeft geen definitie van de opdrachten bij wege van een promotieovereenkomst.
Zij bepaalt dat een opdracht bij wege van een promotieovereenkomst enkel onder de voorwaarden vastgesteld bij koninklijk besluit, na beraadslaging in de Raad van de Ministers, gegund wordt en zij bepaalt de minimale voorwaarden die nader moeten beschreven worden.
Deze uitvoeringsmodaliteiten werden vastgesteld bij het koninklijk besluit van 18 mei 1981 dat een definitie van de opdracht bij wege van een promotieovereenkomst heeft gegeven.
De nieuwe wet definieert zelf de opdrachten bij wege van een promotieovereenkomst. Wat dit betreft, merkt men op dat zij de gunning van opdrachten voor aanneming niet meer beperkt tot de enige privaatrechtelijke personen.
Bovendien, dient te worden vastgesteld dat de nieuwe wet niet meer vermeldt onder de door de Koning vast te stellen voorwaarden :
- de vaststelling van een waarborg op het ogenblik van de neerlegging van het aanbod;
- een financieringswaarborg afgeleverd door een erkende financiële instelling;
- de eerbiediging, in de betrekkingen tussen de promotor en de aannemers, van de bepalingen van het algemeen lastenkohier.
6. Gunningswijzen (artikelen 13 en volgende).
1) Algemeen (artikel 13).
Volgens de Memorie van toelichting (blz. 21) kunnen de verklaringen gewijd aan de artikelen 10 tot 17 van de wet van 14 juli 1976 in overweging genomen worden, onder voorbehoud nochtans van een reeks wijzigingen.
De wet behoudt het beginsel van de vrije keuze tussen de openbare en beperkte procedures, alhoewel de Koning, bij uitzondering op dit beginsel, de voorwaarden kan bepalen waar de keuze van de gunningswijze van afhangt voor sommige opdrachten.
Laten wij ook opmerken dat er gesproken wordt van het begrip offerte in plaats van het begrip inschrijving.
2) Aanbesteding en offerteaanvraag (artikelen 14 tot 16).
a) De grondbeginselen die de bekendmaking van de opdrachten regelen, die gegund worden volgens een openbare of een beperkte procedure, worden enkel in artikel 14 behandeld.
Volgens de wet van 14 juli 1976 zijn de beperkte aanbestedingen, die niet onder het toepassingsgebied van Europese richtlijnen vallen, niet onderworpen aan een voorafgaande bekendmaking.
Voottaan zijn de beperkte procedures (= beperkte aanbesteding en beperkte offerteaanvraag) onderworpen aan een verplichte bekendmaking volgens vast te stellen modaliteiten (Memorie van toelichting, blz. 23).
Steeds met betrekking tot de beperkte procedures wordt benadrukt dat de door de bevoegde overheid geselecteerde aannemers, leveranciers of dienstverleners moeten geraadpleegd worden (artikel 14, 2e lid).
b) Bij aanbesteding wordt de forfaitaire schadeloosstelling van 10 % behouden en is er geen enkele afwijking meer voorzien voor de keuze van de laagste regelmatige offerte; bovendien wordt aangeduid (artikel 15) dat voor de bepalingen van de laagste regelmatige offerte, de bevoegde overheid rekening houdt met de aangeboden prijzen en met de andere berekenbare gegevens die met zekerheid de uitgaven ervan zullen verhogen.
c) Bij algemene of beperkte offerteaanvraag geeft artikel 16 van de nieuwe wet geen enkele criteriaopsomming meer zoals bij artikel 14 van de wet van 14 juli 1976; daar staat dat de gunningscriteria vermeld moeten zijn in het bestek of eventueel in de aankondiging van de opdracht.
De gunningscriteria moeten onderscheiden worden van de criteria van kwalitatieve selectie.
Volgens de Memorie van toelichting (blz. 25) :
" De gunningscriteria zijn bestemd om de intrinsieke waarde van de neergelegde offerte te beoordelen. De kwalitatieve selectiecriteria moeten op hun beurt toelaten aan de aanbestedende overheid om de bekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers om deze of gene opdracht tot een goed einde te brengen te beoordelen, met nazicht van het feit dat ze zich niet in een uitsluitingspositie bevinden (faling, niet-naleving van sociale en fiscale verplichtingen...) en over voldoende financiële, economische en technische draagkracht beschikken.
Dit belangrijk onderscheid zal in de uitvoeringsbesluiten nader omvat zijn maar nu reeds in het van belang dat de kwalitatieve selectie moet gebeuren, welke ook de procedure zij en ongeacht of deze algemeen of beperkt is.
Bovendien is de mogelijkheid behouden de " vrije varianten " (woorden die het begrip " suggesties " vervangen) te aanvaarden (of te weigeren). De inschrijvers moeten echter voldoen aan de in het bestek vermelde minimumvoorwaarden en aan de voor hun indiening gestelde eisen.
Tenslotte heeft de nieuwe wet de verplichting afgeschaft, tijdens de openingszitting, de prijzen bekend te maken (zij wordt dus enkel bejouden voor de aannemingen van opdrachten).
3) Onderhandelingsprocedure (artikel 17).
Onder invloed van de Europese richtlijnen heeft de nieuwe wet de terminologie " onderhands " door " onderhandelingsprocedure " vervangen.
Zoals in de wet van 14 juli 1976 is artikel 17 de kern van deze aangelegenheid.
Het bepaalt : " De overheidsopdracht geschiedt " bij onderhandelingsprocedure " wanneer de aanbestedende overheid meerdere aannemers, leveranciers of dienstenverleners van haar keuze raadpleegt en over de voorwaarden van de opdracht onderhandelt met één of meer van hen. "
Het vervolg van artikel 17 is in twee paragrafen ingedeeld met de gevallen waarin de door de Koning vast te leggen bekendmakingsregels bij de aanvang van de procedure (§ 2) en de gevallen waarin de bekendmakingsregels moeten nageleefd worden (§ 3).
Bekijken wij deze twee hypotheses.
a) Niet-naleving van de door de Koning vastgestelde bekendmakingsregels voor zover en indien mogelijk na raadpleging van meerdere aannemers, leveranciers of dienstenverleners. De bedoelde gevallen zijn de volgende :
1° de uitgave overschrijdt niet een door de Koning vastgesteld bedrag (dit geval is bedoeld in artikel 14, § 2, 1°, van de wet van 14 juli 1976);
2° het voorwerp van de opdracht betreft werken, leveringen of diensten die geheim verklaard werden, of waarvan de uitvoering gepaard moet gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen of indien de bescherming van de fundamentele belangen van de veiligheid van het land dit vereist.
(De tekst is, in grote lijnen, de weergave van de inhoud van artikel 17, 7°, van de wet van 14 juli 1976);
3° voor zover strikt noodzakelijk, wanneer het dringend karakter voortvloeiend uit niet te voorziene gebeurtenissen niet toelaat de bij de andere procedures gestelde termijnen na te leven (zie artikel 17, 6° van de wet van 14 juli 1976);
4° waneer enkel onregelmatige offertes ingediend werden ingevolge aanbesteding of offerteaanvraag, of indien slechts onaanvaardbare prijzen voorgesteld werden, voor zover :
- de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht niet wezenlijk gewijzigd werden en
- de aanbestedende overheid alle inschrijvers raadpleegt die voldoen aan de minimumeisen op beroeps-, economisch en technisch vlak, zoals bepaald door de Koning, en die een offerte indienden die aan de formele eisen van de eerste procedure voldeed.
Dit geval hervat de hypothese bedoeld in artikel 17, 2°, van de wet van 14 juli 1976 en verplicht een nieuwe raadpleging van de inschrijvers die de voormelde voorwaarden vervullen.
Dit betekent dat, indien de aanbestedende overheid de bedoelde inschrijvers niet opnieuw raadpleegt, zij de door de Koning te bepalen bekendmakingsregels moet naleven (zie punt b, 1°, hiernavolgend);
5° wanneer geen enkele offerte werd ingediend ingevolge een aanbesteding of een offerteaanvraag, voor zover de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht niet wezenlijk gewijzigd werden.
(Dit geval werd niet besproken in de wet van 14 juli 1976.);
6° wanneer de werken, leveringen of diensten omwille van hun technische of artistieke specificiteit of omwille van de bescherming van exclusieve rechten, slechts aan een bepaalde aannemer, leverancier of dienstenverlener kunnen toevertrouwd worden.
(Deze tekst is een samenvatting van de gevallen bedoeld bij artikel 17, § 2, 3°, 4° en 12°, van de wet van 14 juli 1976.);
7° in het geval van een overheidsopdracht voor aanneming van werken of diensten;
a) wanneer aanvullende werken of diensten die noch in het toegewezen oorspronkelijke ontwerp noch in de eerste gesloten overeenkomst voorkwamen en die ingevolge onvoorziene omstandigheden noodzakelijk geworden zijn voor de uitvoering van het werk of van de dienst zoals beschreven, voor zover ze worden toegewezen aan de aannemer die het werk of de dienst uitvoert, en voor zover het samengevoegde bedrag van de opdrachten gegund voor de aanvullende werken of diensten niet hoger is dan 50 % van het bedrag van de hoofdopdracht :
- wanneer deze werken of diensten, technisch of economisch niet zonder ernstig bezwaar van de hoofdopdracht kunnen gescheiden worden;
- wanneer deze werken of diensten, alhoewel scheidbaar van de uitvoering van de hoofdopdracht, strikt noodzakelijk zijn voor de vervolmaking ervan;
b) wanneer nieuwe werken of diensten, bestaande uit de herhaling van soortgelijke werken of diensten, aan de aannemer die de eerste opdracht kreeg, dienen toegewezen te worden door dezelfde aanbestedende overheid, op voorwaarde dat deze werken of diensten overeenstemmen met een basisontwerp en dat dit ontwerp het voorwerp uitmaakte van een eerste opdracht, gegund na aanbesteding of offerteaanvraag. (De mogelijkheid tot aanwending van deze procedure moet alleszins reeds bij de uitschrijving van de eerste opdracht vermeld worden. Ze is bovendien beperkt tot een periode van drie jaar na de gunning van de oorspronkelijke opdracht.
Punt a is de weergave van de hypothese bedoeld in artikel 17, § 2, 8°, van de wet van 14 juli 1976 en breidt het uit tot de diensten.
Punt b is de weergave van de hypothese bedoeld in artikel 17, § 2, 10°, van de wet van 14 juli 1976 en breidt het tevens uit tot de diensten.
8° in het geval van opdrachten voor aanneming van leveringen :
a) worden de betrokken artikelen alleen vervaardigd bij wijze van onderzoek, proefneming, studie of ontwikkeling, en is geen massaproduktie voorzien met het oog op het in omloop brengen van het produkt in het handelscircuit of op het opvangen van de kosten die het onderzoek en de ontwikkeling meebrengen;
b) zijn door de oorspronkelijke leverancier bijkomende leveringen te verrichten, bestemd voor de gedeeltelijke vernieuwing van leveringen of installaties voor gewoon gebruik of voor de uitbreiding van bestaande leveringen of installaties indien bij verandering van leverancier de aanbestedende overheid zich verplicht zou zien ander technisch materieel aan te werven dat onveenigbaarheden of buitenmaatse technische moeilijkheden inzake gebruik en onderhoud met zich meebrengt. De duur van deze opdrachten evenals van de hernieuwbare opdrachten mag algemeen genomen de drie jaar niet overschrijden.
Wat de leveringen betreft is punt a de weergave van artikel 17, § 2, 5°, van de wet.
Punt b komt de in artikel 17, § 2, 9° bedoelde hypothese tegemoet maar verbetert ze (het is o.m. niet meer nodig dat de aanvullende leveringen de oorspronkelijke opdrachten met 20 % niet overschrijden; daarentegen mag de duur van de betrokken opdrachten algemeen genomen de drie jaar niet overschrijden);
9° in het geval van opdrachten voor aanneming van diensten :
de dienstenopdracht die volgt op een prijsaanvraag voor ontwerpen en die, overeenkomstig de toepasselijke regels, gegund moet worden aan de laureaat of aan één van de laureaten van de prijsvraag. In dit laatste geval moeten alle laureaten uitgenodigd worden om aan de onderhandelingen deel te nemen.
Dit geval is niet vermeld in de wet van 14 juli 1976;
b) naleving van de door de Koning bepaalde bekendmakingsregels.
Dit zijn de bedoelde gevallen :
1° in het geval van een opdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten :
wanneer ingevolge aanbesteding of offerteaanvraag, enkel onregelmatige offertes werden ingediend of enkel onaanvaardbare prijzen werden voorgesteld, voor zover :
- de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht niet wezenlijk gewijzigd werden en
- de aanbestedende overheid niet alle inschrijvers raadpleegt die voldoen aan de minimumvoorwaarden van beroeps-, economische en technische aard, bepaald door de Koning, en die een offerte ingediend hebben die aan de formele eisen van de eerste procedure voldeed.
Dit geval werd besproken in punt a, 4°;
2° in het geval van een opdracht voor aanneming van werken of diensten :
wanneer het gaat om werken of diensten waarvan de aard of de onzekere omstandigheden verhinderen op voorhand een globale prijs vast te stellen.
Dit geval is een weergave van de hypothese bedoeld in artikel 17, § 2, 11°, maar breidt het uit tot de diensten;
3° in het geval van een opdracht voor aanneming van werken :
wanneer de werken enkel onderzoek, proefneming of afstelling als doel hebben en niet het nastreven van rendabiliteit of het dekken van de kosten voor onderzoek en ontwikkeling.
Dit geval is een weergave van de hypothese bedoeld in artikel 17, § 2, 5°, voor de opdracht voor aanneming van werken;
4° in het geval van een overheidsopdracht voor aanneming van diensten :
wanneer de aard van de dienst zodanig is dat de specificaties van de opdracht niet kunnen bepaald worden met voldoende nauwkeurigheid om de toewijzing toe te laten volgens de procedure van aanbesteding of offerteaanvraag.
Dit is een geval dat niet voorzien is in de wet van 14 juli 1976.
Men dient eindelijk op te merken dat de gevallen bedoeld in artikel 17, § 2, 13° tot 15°, van de wet van 14 juli 1976 niet opgenomen zijn in de nieuwe wet.
7. Uitvoering van opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten voor rekening van verschillende aanbestedende overheden (artikel 19).
Artikel 19 neemt de mogelijkheid over, die voorgesteld was door artikel 16 van de wet van 14 juli 1976, de betrokken opdrachten te gunnen door één enkele opdracht maar met uitbreiding tot de onderhandelingsprocedure.
8. Prijsvraag voor ontwerpen (artikelen 20 en 21).
Artikelen 20 en 21 handelen over de prijsvragen voor ontwerpen, een aangelegenheid die bevestigd werd bij de Europese Richtlijn 92/50 van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
In artikel 20 wordt de prijsvraag voor ontwerpen beschreven als een procedure die een aanbestedende overheid toelaat een plan of een ontwerp, gekozen door een jury, aan te schaffen.
De prijsvraag leidt :
- hetzij tot de gunning van een opdracht voor aanneming van diensten;
- hetzij - na raadpleging van de mededinging - tot de keuze van een of meer ontwerpen met of zonder toekenning van prijzen aan de laureaten.
(De uitvoeringsmaatregelen worden door de Koning bepaald.)
Op een later stadium, indien de aanbestedende overheid beslist over te gaan tot een afstelling voor een uitvoering van de plannen of ontwerpen, kan zij beroep doen op een overheidsopdracht voor aanneming van diensten ingevolge de onderhandelingsprocedure op grond van artikel 17, § 2, 4°, onder de voorwaarde dat alle laureaten uitgenodigd worden om aan de onderhandelingen deel te nemen (zie onderhandelingsprocedure, punt a, 9° hierboven).
Men dient ook op te merken dat, zoals tegenwoordig, het een aanbestedende overheid uiteraard vrijstaat beroep te doen op een wedstrijdofferteaanvraag die terzelfdertijd slaat op het maken van een ontwerp en op de uitvoering van de hiermee samengaande diensten. In dit geval gaat het van in het begin om een overheidsopdracht voor aanneming van diensten (Memorie van toelichting, blz. 28-29).
9. Schuldvorderingen verschuldigd bij de uitvoering van opdrachten.
Artikel 23 voert nieuwe bepalingen in de wet betreffende het beslag, de afstand, de inpandgeving van de schuldvorderingen verschuldigd bij de uitvoering van een overheidsopdracht.
In feite vervangen zij de bepalingen van de wet van 3 januari 1958 betreffende de cessies en inpandgevingen van schuldvorderingen op de Belgische staat uit hoofde van werken en leveringen en hebben zij een ruimer toepassingsgebied in de mate dat zij toepasselijk zijn op alle publiekrechtelijke personen onderworpen aan boek I voor schuldvorderingen betreffende werken, leveringen of diensten.
Artikel 23, § 1, stelt als volgt het beginsel ter zake :
" De schuldvorderingen van de aannemers uit hoofde van de uitvoering van een door een in artikel 4, m 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, bedoelde aanbestedende overheid gegunde overheidsopdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten, mogen tot aan de voorlopige oplevering niet het voorwerp zijn van belang, overdracht of inpandgeving. "
Artikel 23, § 2 en § 3 voorziet echter uitzonderingen waarnaar men moet verwijzen.
1. Toepassingsgebied (art. 4).
In tegenstelling met de wet van 14 juli 1976 die zeer beknopt is (zij spreekt enkel van opdrachten in naam van de Staat en van elk ander publiekrechtelijk persoon, evenals van een mogelijke verruiming bij koninklijk besluit van het toepassingsgebied van de wet), geeft de nieuwe wet de voorkeur, hoofdzakelijk in haar artikel 4, aan een lijst van de betrokken overheden.
Zonder deze lijst gedetailleerd op te sommen, vermelden wij dat zij toepasselijk is op de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de gemeenten, de verenigingen gevormd door een of meerdere van deze (dus o.m. de intercommunales), de kerkfabrieken, de OCMW's en de rechtspersonen die op de datum van de beslissing om tot een opdracht over te gaan sommige voorwaarden vervullen (artikel 4, § 2, 8°).
Dit brengt mij ertoe deze laatste categorie, die haar oorsprong in het Europese recht vindt, nader te omschrijven.
Volgens voormelde bepaling is de wet toepasselijk op deze rechtspersonen indien :
a) zij opgericht zijn met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn;
b) zij rechtspersoonlijkheid hebben;
c) waarvan :
* ofwel de werkzaamheden in hoofdzaak gefinancierd worden door de overheden of instellingen vermeld in § 1 en § 2, 1° tot 8°;
* ofwel het beheer onderworpen is aan toezicht van die overheden of instellingen;
* ofwel de leden van de directie, van de raad van bestuur of van de raad van toezicht voor meer dan de helft door die overheden of instellingen zijn aangewezen.
Deze criteria zijn cumulatief.
Men dient op te merken dat elke financieringsvorm moet in overweging worden genomen en dus ook de dekking van een eventueel jaarlijks deficiet (Memorie van toelichting, blz. 14).
Een niet-limitatieve lijst van de vermelde instellingen zal door de Koning opgesteld worden (artikel 4, § 3).
Uit de algemene discussie in de Commissie van de Senaat blijkt dat de v.z.w.'s, die de bij artikel 4, § 2, 8° vastgestelde voorwaarden vervullen, in het toepassingsgebied van de wet vallen (Parlementaire documenten, Senaat, zitting 1992-1993, document 656-2, blzn. 23-24). Een gemeentelijke v.z.w., die voormelde criteria zou vervullen, zou dus aan d wet onderworpen zijn.
De hogervermelde bepaling (artikel 4, § 2, 8°) is echter niet toepasselijk op privaatrechtelijke personen bedoeld bij artikel 4, § 4.
Volgens artikel 4, § 4, kan de Koning de bepalingen van de wet of sommige ervan van toepassing maken op de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten gegund door privaatrechtelijke personen die hiertoe subsidies genieten van de rechtspersonen bedoeld in § 1 en § 2.
Deze bepaling is toepasselijk op de instellingen van het vrij onderwijs, alsook op de hospitalen en private verzorgingsinstellingen (Memorie van toelichting, blz. 15).
Feitelijk is het een weergave van artikel 1, § 3, van de wet van 14 juli 1976 die nooit door de Koning in werking gesteld werd.
2. Definities (artikel 5).
In tegenstelling met de wet van 14 juli 1976 geeft de nieuwe wet een definitie van de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.
Deze definities zijn beïnvloed door richtlijnen van de Europese Gemeenschappen.
Zo, wat betreft de opdrachten voor aanneming van werken, stelt men vast dat de tekst de voorkeur geeft aan een economische opvatting die niet meer noodzakelijk verbonden is aan die van goederen, onroerend wegens hun aard en hun bestemming.
Men stelt ook vast dat de definities betrekking hebben op overeenkomsten zonder het bijvoegelijk naamwoord " schriftelijk " erbij te voegen omdat in sommige gevallen geen geschreven document noodzakelijk is (onderhandse aanbesteding).
Voor meer inlichtingen verwijze men naar artikel 5.
3. Forfaitaire grondslag van de opdrachten en herziening (artikel 7).
De nieuwe wet neemt de beginselen van de wet van 4 juli 1976 (artikel 3) over en is dan ook duidelijk voor zover zij bepaalt dat de herziening moet tegemoet komen aan de prijsevolutie van de bijzonderste componenten van de kostprijs, overeenkomstig de bij koninklijk besluit te voorziene modaliteiten.
4. Betalingen en voorschotten (artikel 7).
De nieuwe wet neemt de beginselen van de wet van 14 juli 1976 (artikel 4) over onder voorbehoud van twee wijzigingen :
1° wat betreft de betalingen (hetzij geld gestort voor een verstrekte en aanvaarde dienst), zijn de woorden " die door het bestuur zijn goedgekeurd " vervangen door " die door de aanbestedende overheid zijn goedgekeurd ";
2° wat betreft de voorschotten (geld gestort zonder tegenprestatie), zijn de woorden " als provisie " geschrapt.
5. Opdracht bij wege van een promotieovereenkomst (artikel 9).
De wet van 14 juli 1976 geeft geen definitie van de opdrachten bij wege van een promotieovereenkomst.
Zij bepaalt dat een opdracht bij wege van een promotieovereenkomst enkel onder de voorwaarden vastgesteld bij koninklijk besluit, na beraadslaging in de Raad van de Ministers, gegund wordt en zij bepaalt de minimale voorwaarden die nader moeten beschreven worden.
Deze uitvoeringsmodaliteiten werden vastgesteld bij het koninklijk besluit van 18 mei 1981 dat een definitie van de opdracht bij wege van een promotieovereenkomst heeft gegeven.
De nieuwe wet definieert zelf de opdrachten bij wege van een promotieovereenkomst. Wat dit betreft, merkt men op dat zij de gunning van opdrachten voor aanneming niet meer beperkt tot de enige privaatrechtelijke personen.
Bovendien, dient te worden vastgesteld dat de nieuwe wet niet meer vermeldt onder de door de Koning vast te stellen voorwaarden :
- de vaststelling van een waarborg op het ogenblik van de neerlegging van het aanbod;
- een financieringswaarborg afgeleverd door een erkende financiële instelling;
- de eerbiediging, in de betrekkingen tussen de promotor en de aannemers, van de bepalingen van het algemeen lastenkohier.
6. Gunningswijzen (artikelen 13 en volgende).
1) Algemeen (artikel 13).
Volgens de Memorie van toelichting (blz. 21) kunnen de verklaringen gewijd aan de artikelen 10 tot 17 van de wet van 14 juli 1976 in overweging genomen worden, onder voorbehoud nochtans van een reeks wijzigingen.
De wet behoudt het beginsel van de vrije keuze tussen de openbare en beperkte procedures, alhoewel de Koning, bij uitzondering op dit beginsel, de voorwaarden kan bepalen waar de keuze van de gunningswijze van afhangt voor sommige opdrachten.
Laten wij ook opmerken dat er gesproken wordt van het begrip offerte in plaats van het begrip inschrijving.
2) Aanbesteding en offerteaanvraag (artikelen 14 tot 16).
a) De grondbeginselen die de bekendmaking van de opdrachten regelen, die gegund worden volgens een openbare of een beperkte procedure, worden enkel in artikel 14 behandeld.
Volgens de wet van 14 juli 1976 zijn de beperkte aanbestedingen, die niet onder het toepassingsgebied van Europese richtlijnen vallen, niet onderworpen aan een voorafgaande bekendmaking.
Voottaan zijn de beperkte procedures (= beperkte aanbesteding en beperkte offerteaanvraag) onderworpen aan een verplichte bekendmaking volgens vast te stellen modaliteiten (Memorie van toelichting, blz. 23).
Steeds met betrekking tot de beperkte procedures wordt benadrukt dat de door de bevoegde overheid geselecteerde aannemers, leveranciers of dienstverleners moeten geraadpleegd worden (artikel 14, 2e lid).
b) Bij aanbesteding wordt de forfaitaire schadeloosstelling van 10 % behouden en is er geen enkele afwijking meer voorzien voor de keuze van de laagste regelmatige offerte; bovendien wordt aangeduid (artikel 15) dat voor de bepalingen van de laagste regelmatige offerte, de bevoegde overheid rekening houdt met de aangeboden prijzen en met de andere berekenbare gegevens die met zekerheid de uitgaven ervan zullen verhogen.
c) Bij algemene of beperkte offerteaanvraag geeft artikel 16 van de nieuwe wet geen enkele criteriaopsomming meer zoals bij artikel 14 van de wet van 14 juli 1976; daar staat dat de gunningscriteria vermeld moeten zijn in het bestek of eventueel in de aankondiging van de opdracht.
De gunningscriteria moeten onderscheiden worden van de criteria van kwalitatieve selectie.
Volgens de Memorie van toelichting (blz. 25) :
" De gunningscriteria zijn bestemd om de intrinsieke waarde van de neergelegde offerte te beoordelen. De kwalitatieve selectiecriteria moeten op hun beurt toelaten aan de aanbestedende overheid om de bekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers om deze of gene opdracht tot een goed einde te brengen te beoordelen, met nazicht van het feit dat ze zich niet in een uitsluitingspositie bevinden (faling, niet-naleving van sociale en fiscale verplichtingen...) en over voldoende financiële, economische en technische draagkracht beschikken.
Dit belangrijk onderscheid zal in de uitvoeringsbesluiten nader omvat zijn maar nu reeds in het van belang dat de kwalitatieve selectie moet gebeuren, welke ook de procedure zij en ongeacht of deze algemeen of beperkt is.
Bovendien is de mogelijkheid behouden de " vrije varianten " (woorden die het begrip " suggesties " vervangen) te aanvaarden (of te weigeren). De inschrijvers moeten echter voldoen aan de in het bestek vermelde minimumvoorwaarden en aan de voor hun indiening gestelde eisen.
Tenslotte heeft de nieuwe wet de verplichting afgeschaft, tijdens de openingszitting, de prijzen bekend te maken (zij wordt dus enkel bejouden voor de aannemingen van opdrachten).
3) Onderhandelingsprocedure (artikel 17).
Onder invloed van de Europese richtlijnen heeft de nieuwe wet de terminologie " onderhands " door " onderhandelingsprocedure " vervangen.
Zoals in de wet van 14 juli 1976 is artikel 17 de kern van deze aangelegenheid.
Het bepaalt : " De overheidsopdracht geschiedt " bij onderhandelingsprocedure " wanneer de aanbestedende overheid meerdere aannemers, leveranciers of dienstenverleners van haar keuze raadpleegt en over de voorwaarden van de opdracht onderhandelt met één of meer van hen. "
Het vervolg van artikel 17 is in twee paragrafen ingedeeld met de gevallen waarin de door de Koning vast te leggen bekendmakingsregels bij de aanvang van de procedure (§ 2) en de gevallen waarin de bekendmakingsregels moeten nageleefd worden (§ 3).
Bekijken wij deze twee hypotheses.
a) Niet-naleving van de door de Koning vastgestelde bekendmakingsregels voor zover en indien mogelijk na raadpleging van meerdere aannemers, leveranciers of dienstenverleners. De bedoelde gevallen zijn de volgende :
1° de uitgave overschrijdt niet een door de Koning vastgesteld bedrag (dit geval is bedoeld in artikel 14, § 2, 1°, van de wet van 14 juli 1976);
2° het voorwerp van de opdracht betreft werken, leveringen of diensten die geheim verklaard werden, of waarvan de uitvoering gepaard moet gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen of indien de bescherming van de fundamentele belangen van de veiligheid van het land dit vereist.
(De tekst is, in grote lijnen, de weergave van de inhoud van artikel 17, 7°, van de wet van 14 juli 1976);
3° voor zover strikt noodzakelijk, wanneer het dringend karakter voortvloeiend uit niet te voorziene gebeurtenissen niet toelaat de bij de andere procedures gestelde termijnen na te leven (zie artikel 17, 6° van de wet van 14 juli 1976);
4° waneer enkel onregelmatige offertes ingediend werden ingevolge aanbesteding of offerteaanvraag, of indien slechts onaanvaardbare prijzen voorgesteld werden, voor zover :
- de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht niet wezenlijk gewijzigd werden en
- de aanbestedende overheid alle inschrijvers raadpleegt die voldoen aan de minimumeisen op beroeps-, economisch en technisch vlak, zoals bepaald door de Koning, en die een offerte indienden die aan de formele eisen van de eerste procedure voldeed.
Dit geval hervat de hypothese bedoeld in artikel 17, 2°, van de wet van 14 juli 1976 en verplicht een nieuwe raadpleging van de inschrijvers die de voormelde voorwaarden vervullen.
Dit betekent dat, indien de aanbestedende overheid de bedoelde inschrijvers niet opnieuw raadpleegt, zij de door de Koning te bepalen bekendmakingsregels moet naleven (zie punt b, 1°, hiernavolgend);
5° wanneer geen enkele offerte werd ingediend ingevolge een aanbesteding of een offerteaanvraag, voor zover de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht niet wezenlijk gewijzigd werden.
(Dit geval werd niet besproken in de wet van 14 juli 1976.);
6° wanneer de werken, leveringen of diensten omwille van hun technische of artistieke specificiteit of omwille van de bescherming van exclusieve rechten, slechts aan een bepaalde aannemer, leverancier of dienstenverlener kunnen toevertrouwd worden.
(Deze tekst is een samenvatting van de gevallen bedoeld bij artikel 17, § 2, 3°, 4° en 12°, van de wet van 14 juli 1976.);
7° in het geval van een overheidsopdracht voor aanneming van werken of diensten;
a) wanneer aanvullende werken of diensten die noch in het toegewezen oorspronkelijke ontwerp noch in de eerste gesloten overeenkomst voorkwamen en die ingevolge onvoorziene omstandigheden noodzakelijk geworden zijn voor de uitvoering van het werk of van de dienst zoals beschreven, voor zover ze worden toegewezen aan de aannemer die het werk of de dienst uitvoert, en voor zover het samengevoegde bedrag van de opdrachten gegund voor de aanvullende werken of diensten niet hoger is dan 50 % van het bedrag van de hoofdopdracht :
- wanneer deze werken of diensten, technisch of economisch niet zonder ernstig bezwaar van de hoofdopdracht kunnen gescheiden worden;
- wanneer deze werken of diensten, alhoewel scheidbaar van de uitvoering van de hoofdopdracht, strikt noodzakelijk zijn voor de vervolmaking ervan;
b) wanneer nieuwe werken of diensten, bestaande uit de herhaling van soortgelijke werken of diensten, aan de aannemer die de eerste opdracht kreeg, dienen toegewezen te worden door dezelfde aanbestedende overheid, op voorwaarde dat deze werken of diensten overeenstemmen met een basisontwerp en dat dit ontwerp het voorwerp uitmaakte van een eerste opdracht, gegund na aanbesteding of offerteaanvraag. (De mogelijkheid tot aanwending van deze procedure moet alleszins reeds bij de uitschrijving van de eerste opdracht vermeld worden. Ze is bovendien beperkt tot een periode van drie jaar na de gunning van de oorspronkelijke opdracht.
Punt a is de weergave van de hypothese bedoeld in artikel 17, § 2, 8°, van de wet van 14 juli 1976 en breidt het uit tot de diensten.
Punt b is de weergave van de hypothese bedoeld in artikel 17, § 2, 10°, van de wet van 14 juli 1976 en breidt het tevens uit tot de diensten.
8° in het geval van opdrachten voor aanneming van leveringen :
a) worden de betrokken artikelen alleen vervaardigd bij wijze van onderzoek, proefneming, studie of ontwikkeling, en is geen massaproduktie voorzien met het oog op het in omloop brengen van het produkt in het handelscircuit of op het opvangen van de kosten die het onderzoek en de ontwikkeling meebrengen;
b) zijn door de oorspronkelijke leverancier bijkomende leveringen te verrichten, bestemd voor de gedeeltelijke vernieuwing van leveringen of installaties voor gewoon gebruik of voor de uitbreiding van bestaande leveringen of installaties indien bij verandering van leverancier de aanbestedende overheid zich verplicht zou zien ander technisch materieel aan te werven dat onveenigbaarheden of buitenmaatse technische moeilijkheden inzake gebruik en onderhoud met zich meebrengt. De duur van deze opdrachten evenals van de hernieuwbare opdrachten mag algemeen genomen de drie jaar niet overschrijden.
Wat de leveringen betreft is punt a de weergave van artikel 17, § 2, 5°, van de wet.
Punt b komt de in artikel 17, § 2, 9° bedoelde hypothese tegemoet maar verbetert ze (het is o.m. niet meer nodig dat de aanvullende leveringen de oorspronkelijke opdrachten met 20 % niet overschrijden; daarentegen mag de duur van de betrokken opdrachten algemeen genomen de drie jaar niet overschrijden);
9° in het geval van opdrachten voor aanneming van diensten :
de dienstenopdracht die volgt op een prijsaanvraag voor ontwerpen en die, overeenkomstig de toepasselijke regels, gegund moet worden aan de laureaat of aan één van de laureaten van de prijsvraag. In dit laatste geval moeten alle laureaten uitgenodigd worden om aan de onderhandelingen deel te nemen.
Dit geval is niet vermeld in de wet van 14 juli 1976;
b) naleving van de door de Koning bepaalde bekendmakingsregels.
Dit zijn de bedoelde gevallen :
1° in het geval van een opdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten :
wanneer ingevolge aanbesteding of offerteaanvraag, enkel onregelmatige offertes werden ingediend of enkel onaanvaardbare prijzen werden voorgesteld, voor zover :
- de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht niet wezenlijk gewijzigd werden en
- de aanbestedende overheid niet alle inschrijvers raadpleegt die voldoen aan de minimumvoorwaarden van beroeps-, economische en technische aard, bepaald door de Koning, en die een offerte ingediend hebben die aan de formele eisen van de eerste procedure voldeed.
Dit geval werd besproken in punt a, 4°;
2° in het geval van een opdracht voor aanneming van werken of diensten :
wanneer het gaat om werken of diensten waarvan de aard of de onzekere omstandigheden verhinderen op voorhand een globale prijs vast te stellen.
Dit geval is een weergave van de hypothese bedoeld in artikel 17, § 2, 11°, maar breidt het uit tot de diensten;
3° in het geval van een opdracht voor aanneming van werken :
wanneer de werken enkel onderzoek, proefneming of afstelling als doel hebben en niet het nastreven van rendabiliteit of het dekken van de kosten voor onderzoek en ontwikkeling.
Dit geval is een weergave van de hypothese bedoeld in artikel 17, § 2, 5°, voor de opdracht voor aanneming van werken;
4° in het geval van een overheidsopdracht voor aanneming van diensten :
wanneer de aard van de dienst zodanig is dat de specificaties van de opdracht niet kunnen bepaald worden met voldoende nauwkeurigheid om de toewijzing toe te laten volgens de procedure van aanbesteding of offerteaanvraag.
Dit is een geval dat niet voorzien is in de wet van 14 juli 1976.
Men dient eindelijk op te merken dat de gevallen bedoeld in artikel 17, § 2, 13° tot 15°, van de wet van 14 juli 1976 niet opgenomen zijn in de nieuwe wet.
7. Uitvoering van opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten voor rekening van verschillende aanbestedende overheden (artikel 19).
Artikel 19 neemt de mogelijkheid over, die voorgesteld was door artikel 16 van de wet van 14 juli 1976, de betrokken opdrachten te gunnen door één enkele opdracht maar met uitbreiding tot de onderhandelingsprocedure.
8. Prijsvraag voor ontwerpen (artikelen 20 en 21).
Artikelen 20 en 21 handelen over de prijsvragen voor ontwerpen, een aangelegenheid die bevestigd werd bij de Europese Richtlijn 92/50 van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor aanneming van diensten.
In artikel 20 wordt de prijsvraag voor ontwerpen beschreven als een procedure die een aanbestedende overheid toelaat een plan of een ontwerp, gekozen door een jury, aan te schaffen.
De prijsvraag leidt :
- hetzij tot de gunning van een opdracht voor aanneming van diensten;
- hetzij - na raadpleging van de mededinging - tot de keuze van een of meer ontwerpen met of zonder toekenning van prijzen aan de laureaten.
(De uitvoeringsmaatregelen worden door de Koning bepaald.)
Op een later stadium, indien de aanbestedende overheid beslist over te gaan tot een afstelling voor een uitvoering van de plannen of ontwerpen, kan zij beroep doen op een overheidsopdracht voor aanneming van diensten ingevolge de onderhandelingsprocedure op grond van artikel 17, § 2, 4°, onder de voorwaarde dat alle laureaten uitgenodigd worden om aan de onderhandelingen deel te nemen (zie onderhandelingsprocedure, punt a, 9° hierboven).
Men dient ook op te merken dat, zoals tegenwoordig, het een aanbestedende overheid uiteraard vrijstaat beroep te doen op een wedstrijdofferteaanvraag die terzelfdertijd slaat op het maken van een ontwerp en op de uitvoering van de hiermee samengaande diensten. In dit geval gaat het van in het begin om een overheidsopdracht voor aanneming van diensten (Memorie van toelichting, blz. 28-29).
9. Schuldvorderingen verschuldigd bij de uitvoering van opdrachten.
Artikel 23 voert nieuwe bepalingen in de wet betreffende het beslag, de afstand, de inpandgeving van de schuldvorderingen verschuldigd bij de uitvoering van een overheidsopdracht.
In feite vervangen zij de bepalingen van de wet van 3 januari 1958 betreffende de cessies en inpandgevingen van schuldvorderingen op de Belgische staat uit hoofde van werken en leveringen en hebben zij een ruimer toepassingsgebied in de mate dat zij toepasselijk zijn op alle publiekrechtelijke personen onderworpen aan boek I voor schuldvorderingen betreffende werken, leveringen of diensten.
Artikel 23, § 1, stelt als volgt het beginsel ter zake :
" De schuldvorderingen van de aannemers uit hoofde van de uitvoering van een door een in artikel 4, m 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, bedoelde aanbestedende overheid gegunde overheidsopdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten, mogen tot aan de voorlopige oplevering niet het voorwerp zijn van belang, overdracht of inpandgeving. "
Artikel 23, § 2 en § 3 voorziet echter uitzonderingen waarnaar men moet verwijzen.
Art. 1.2M 2. Titre II. Des marchés publics de travaux, de fournitures et de services (= REGIME GENERAL).
1. Champ d'application (article 4).
Contrairement à la loi du 14 juillet 1976 qui est assez laconique (elle se borne à parler de marchés passés au nom de l'Etat ou de toute autre personne de droit public ainsi que de possibilité d'extension du champ d'application de la loi par arrêté royal), la nouvelle loi opte, principalement en son article 4, pour une énumération des autorités concernées.
Sans entrer dans le détail de cette énumération, on relève qu'elle cite l'Etat, les Communautés, les Régions, les provinces, les communes, les associations formées par un ou plusieurs de ceux-ci (donc notamment les intercommunales), les fabriques d'église, les CPAS et les peronnes qui, à la date de la décision de lancer un marché, remplissent certaines conditions (article 4, § 2, 8°).
Ceci m'amène à apporter quelques précisions au sujet de cette dernière catégorie qui trouve son origine dans le droit européen.
Suivant la disposition précitée, les personnes en cause sont concernées par la loi lorsque :
a) elles ont été créées pour satisfaire spécifiquement des besoins d'intérêt général ayant un caractère autre qu'industriel ou commercial;
b) sont dotées d'une personnalité juridique;
c) dont
- soit l'activité est financée majoritairement par les autorités ou organismes mentionnés au § 1er et au § 2, 1° à 8°;
- soit la gestion est soumise à un contrôle de ces autorités ou organismes;
- soit plus de la moitié des membres de l'organe d'administration, de direction ou de surveillance sont désignés par ces autorités ou organismes.
Ces critères sont cumulatifs.
A noter que toute forme de financement est à prendre en considération et donc également la couverture d'un éventuel déficit annuel (Exposé des motifs, p. 14).
Une liste non limitative des organismes précités sera établie par le Roi (article 4, § 3).
Il ressort de la discussion générale au sein de la Commission du Sénat que les A.S.B.L. qui réunissent les conditions fixées à l'article 4, § 2, 8° entrent dans le champ d'application de la loi (Documents parlementaires, Sénat, session 1992-1993, document 656-2, pp. 23-24). Une A.S.B.L. communale qui remplirait les critères précités serait donc soumise à la loi.
La disposition précitée (article 4, § 2, 8°) ne s'applique cependant pas aux personnes de droit privé visée à l'article 4, § 4.
Aux termes de l'article 4, § 4, le Roi peut rendre les dispositions de la loi, ou certaines d'entre elles, applicables aux marchés de travaux, de fournitures et de services subventionnés par les personnes morales visées au § 1er et § 2 et passés par des personnes de droit privé.
Cette disposition s'applique notamment aux établissements de l'enseignement libre ainsi qu'aux hôpitaux et établissements de soins privés (Exposé des motifs, p. 15).
Elle est en fait une reproduction de l'article 1er, § 3, de la loi du 14 juillet 1976 qui n'a jamais été mis en oeuvre par le Roi.
2. Définitions (article 5).
Contrairement à la loi du 14 juillet 1976, la nouvelle loi donne une définition des marchés de travaux, de fournitures et de services.
Ces définitions ont subi l'influence des Direcctives émanant des Communautés européennes.
Ainsi, en ce qui concerne les marchés de travaux, l'on constate que le texte fait prévaloir une conception économique qui n'est plus nécessairement liée à celle de biens immeubles par nature et par destination.
On notera aussi que les définitions font état de contrat sans y ajouter l'adjectif " écrit " du fait que dans certains cas aucun écrit n'est requis (gré à gré).
Pour plus de détails, il convient de se référer à l'article 5.
3. Caractère forfaitaire des marchés et révision (article 7).
La nouvelle loi reprend les principes de la loi du 14 juillet 1976 (article 3) tout en étant plus explicite dans la mesure où elle dispose que la révision doit rencontrer l'évolution des prix des principaux composants du prix de revient, selon des modalités à prévoir par arrêté royal.
4. Acomptes et avances (article 8).
La nouvelle loi reprend les principes de la loi du 14 juillet 1976 (article 4) sous réserve de deux modifications :
1° en ce qui concerne les acomptes (c'est-à-dire les sommes d'argent versées en contrepartie d'un service fait et accepté) : les termes " dont la réception a été faite par l'Administration " sont remplacés par " approuvés par le pouvoir adjudicateur ";
2° en ce qui concerne les avances (= somme versée sans contrepartie) : les termes " à titre de provision " ont été supprimés.
5. Marchés de promotion (article 9).
La loi du 14 juillet 1976 ne définit pas les marchés de promotion.
Elle stipule qu'il ne peut être passé de marché de promotion que dans les conditions déterminées par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres et fixe les conditions minimum qui devront être précisées.
Ces modalités d'exécution ont été déterminées par l'arrêté royal du 18 mai 1981 qui a adopté une définition du marché de promotion.
La nouvelle loi définit elle-même les marchés de promotion. On notera à cet égard qu'elle ne limite plus l'attribution des marchés aux seuls personnes de droit privé.
Par ailleurs, il faut relever que la nouvelle loi ne reprend plus parmi les conditions à fixer par le Roi :
- la fixation d'un cautionnement au moment du dépôt de l'offre;
- une garantie de financement fournie par un organisme financier agréé;
- l'application du cahier général des charges dans les relations promoteur-entrepreneur.
6. Les modes de passation (articles 13 et suivants).
1) Généralités (article 13).
Suivant l'exposé des motifs (p. 21), les commentaires consacrés aux articles 10 à 17 de la loi du 14 juillet 1976 peuvent être pris en considération, sous réserve toutefois d'une série de modifications.
La loi maintient le principe du libre choix entre les procédures ouvertes et restreintes bien que le Roi puisse, par exception au principe, déterminer les conditions auxquelles le choix du mode de passation est subordonné pour certains marchés.
On notera aussi que l'on parle d'offre et non plus de soumission.
2) Adjudication et appel d'offre (articles 14 à 16).
a). Les principes de base régissant la publicité des marchés, qu'ils soient passés en procédure ouverte ou restreinte, sont régis par le seul article 14.
D'après la loi du 14 juillet 1976, les marchés publics à passer par procédure restreinte et ne tombant pas dans le champ d'application des directives européennes, ne sont pas soumis à une publicité préalable.
Désormais, les procédures restreintes (= adjudication restreinte et appel d'offres restreint) sont soumises à une publicité obligatoire selon des modalités à fixer (Exposé des motifs, p. 23).
Toujours au sujet des procédures restreintes, il est précisé que la consultation doit s'adresser aux entrepreneurs, fournisseurs ou prestataires de services que l'autorité compétente a sélectionnés (article 14, alinéa 2).
b) En adjudication, l'indemnisation forfaitaire de 10 % est maintenue mais plus aucune dérogation n'est prévue au choix du soumissionnaire le plus bas; il est en outre précisé (article 15) que pour la détermination de l'offre régulière la plus basse, l'autorité compétente tient compte des prix offerts et des autres éléments chiffrables qui viennent d'une manière certaine augmenter ses débours.
c) En ce qui concerne l'appel d'offres - général ou restreint - l'article 16 de la nouvelle loi ne reprend plus aucune énumération de critères, comme le fait l'article 14 de la loi du 14 juillet 1976; il est indiqué que les critères d'attribution doivent mentionnés dans le cahier spécial des charges ou, le cas échéant, dans l'avis de marché.
Les critères d'attribution sont à distinguer des critères de sélection qualitative.
Suivant l'exposé des motifs (p. 25) :
" Les critères d'attribution sont destinés à apprécier la valeur intrinsèque de l'offre déposée. Les critères de sélection qualitative doivent quant à eux permettre au pouvoir adjudicateur d'apprécier la capacité des candidats ou des soumissionnaires à exécuter tel ou tel marché, en vérifiant s'ils ne se trouvent pas en situation d'exclusion (faillite, irrespect des obligations sociales ou fiscales...) et s'ils disposent bien d'une capacité financière, économique et technique suffisante.
Cette importante distinction sera concrétisée dans les arrêtés d'exécution mais il faut dès à présent souligner que la sélection qualitative s'applique quelle que soit la procédure et que celle-ci soit ouverte ou restreinte. "
Par ailleurs, la possibilité d'accepter (ou de refuser) des " variantes libres " (termes remplacant celui de " suggestions ") est maintenue. Obligation est toutefois faite aux soumissionnaires de respecter les conditions minimales indiquées dans le cahier spécial des charges et les exigences requises pour la soumission.
Enfin, la loi nouvelle a supprimé l'obligation, lors de la séance d'ouverture, de la proclamation des prix (elle n'est donc plus maintenue que pour les adjudications).
3) Procédure négociée (article 17).
Sous l'influence des Directives européennes, la nouvelle loi a remplacé la terminologie " gré à gré " par " procédure négociée ".
Comme sous l'empire de la loi du 14 juillet 1976, c'est l'article 17 qui constitue le siège de la matière.
Il stipule :
" Le marché public est dit " par procédure négociée " lorsque le pouvoir adjudicateur consulte plusieurs entrepreneurs, fournisseurs ou prestataires de services de son choix et négocie les conditions du marché avec un ou plusieurs d'entre eux. "
La suite de l'article 17 est divisée en deux paragraphes comportant les cas pour lesquels il n'y a pas lieu de respecter les règles de publicité à fixer par le Roi lors du lancement de la procédure (§ 2) et ceux pour lesquels il y a lieu de respecter les règles de publicité (§ 3).
Envisageons ces deux hypothèses.
a) Non-respect des règles de publicité fixées par le Roi pour autant que, dans la mesure du possible, il y ait eu consultation de plusieurs entrepreneurs, fournisseurs ou prestataires de services - Les cas visés sont les suivants :
1° la dépense est inférieure à un montant fixé par le Roi (ce cas est visé à l'article 17, § 2, 1° de la loi du 14 juillet 1976);
2° le marché a pour objet des travaux, fournitures ou services déclarés secrets ou dont l'exécution doit s'accompagner de mesurs particulières de sécurité ou lorsque la protection des intérêts essentiels de la sécurité du pays l'exige.
(Le texte reprend grosso modo les termes de l'article 17, 7° de la loi du 14 juillet 1976);
3° dans la mesure strictement nécessaire, lorsque l'urgence impérieuse résultant d'événéments imprévisibles ne permet pas de respecter les délais exigés par les autres procédures (cfr. article 17, 6° de la loi du 14 juillet 1976);
4° lorsque seules des offres irrégulières ont été déposées à la suite d'une adjudication ou d'un appel d'offres, ou qu'il n'a été proposé que des prix inacceptables, pour autant que :
- les conditions initiales du marché ne soient pas substantiellement modifiées et que
- le pouvoir adjudicateur consulte tous les soumissionnaires qui répondaient aux conditions minimales de caractère professionnel, économique et technique déterminées par le Roi et qui ont déposé une offre conforme aux exigences formelles de la première procédure.
Ce cas reprend l'hypothèse visée à l'article 17, 2° de la loi du 14 juillet 1976 en imposant de reconsulter les soumissionnaires remplissant les conditions précitées.
Cela signifie que si le pouvoir adjudicateur ne reconsulte pas les soumissionnaires en cause, il doit respecter les règles de publicité à déterminer par le Roi (cfr. point b, 1°, ci-après);
5° lorsqu'aucune offre n'a été déposée à la suite d'une adjudication ou d'un appel d'offres, pour autant que les conditions initiales du marché ne soient pas substantiellement modifiées;(ce cas n'est pas formulé dans la loi du 14 juillet 1976);
6° lorsque les travaux, fournitures ou services ne peuvent, en raison de leur spécificité technique, artistique ou tenant à la protection des droits d'exclusivité, être confiés qu'à un entrepreneur, fournisseur ou prestataire de services déterminé.
(Ce texte est une synthèse des cas visés à l'article 17, § 2, 3°, 4° et 12° de la loi du 14 juillet 1976);
7° pour les marchés des travaux et de services.
a) lorsque des travaux ou services complémentaires ne figurant pas au projet initial adjugé ni au premier contrat conclu sont, à la suite d'une circonstance imprévue, devenus nécessaires à l'exécution de l'ouvrage ou du service tel qu'il y est décrit, pour autant que l'attribution soit faite à l'adjudicataire qui exécute ledit ouvrage ou service et que le montant cumulé des marchés passés pour les travaux ou services complémentaires n'excède pas 50 % du montant du marché principal :
- lorsque ces travaux ou services ne peuvent être techniquement ou économiquement séparés du marché principal sans inconvénient majeur;
- lorsque ces travaux ou services, quoique séparables de l'exécution du marché principal, sont strictement nécessaires à son perfectionnement;
b) lorsque des travaux ou services nouveaux consistant dans la répétition d'ovrages ou services similaires sont attribués à l'adjudicataire d'un premier marché par le même pouvoir adjudicateur, à condition que ces travaux ou services soient conformes à un projet de base et que ce projet ait fait l'objet d'un premier marché passé par adjudication ou sur appel d'offres (la possibilité de recourir à cette procédure doit être indiquée dès la mise en concurrence du premier marché. Elle est en outre limitée à une période de trois ans après la conclusion du marché initial).
Le point a reprend l'hypothèse visée à l'article 17, § 2, 8° de la loi du 14 juillet 1976 tout en l'étendant aux services.
Le point b reprend l'hypothèse mentionnée à l'article 17, § 2, 10°, en l'étendant également aux services;
8° pour les marchés de fournitures.
a) les articles concernés sont fabriqués uniquement à titre de recherche, d'expérimentation, d'étude ou de développement, cette disposition ne comprenant pas la production en grandes quantités en vue d'établir la viabilité commerciale du produit ou d'amortir les frais de recherche et de développement;
b) des fournitures complémentaires sont à effectuer par le fournisseur initial et sont destinées soit au renouvellement partiel de fournitures ou d'installations d'usage courant, soit à l'extension de fournitures ou d'installations existantes, si le changement de fournisseur obligeait le pouvoir adjudicateur d'acquérir un matériel de technique différente entraînant une incompataibilité ou des difficultés techniques d'utilisation et d'entretien disproportionnées. La durée de ces marchés, ainsi que des marchés renouvelables, ne peut en règle générale dépasser trois ans.
Le point a reprend, pour les fournitures, l'article 17, § 2, 5° de la loi.
Le point b rencontre l'hypothèse visée à l'article 17, § 2, 9° mais en l'amendant (notamment : il n'est plus requis que les fournitures complémentaires n'excèdent pas 20 % du marché initial; par contre, la durée des marchés concernés ne peut en règle générale dépasser trois ans);
9° pour les marchés de services :
le marché de services fait suite à un concours de projets et doit, conformément aux règles y applicables, être attribué au lauréat ou à un des lauréats de ce concours. Dans ce dernier cas, tous les lauréats doivent être invités à participer aux négociations.
Ce cas n'est pas mentionné dans la loi du 14 juillet 1976.
b) Respect des règles de publicité fixées par le Roi.
Les cas visés sont les suivants :
1° dans le cas d'un marché de travaux, de fournitures ou de services :
lorsque seules des offres irrégulières ont été déposées à la suite d'une adjudication ou d'un appel d'offres ou qu'il n'a été proposé que des prix inacceptables, pour autant que :
- les conditions initiales du marché ne soient pas substantiellement modifiées et que
- le pouvoir adjudicateur ne consulte pas tous les soumissionnaires qui répondaient aux conditions minimales de caractère professionnel, économique et technique déterminées par le Roi et qui ont déposé une offre conforme aux exigences formelles de la première procédure.
Ce cas a été explicité au point a, 4°;
2° dans le cas d'un marché de travaux ou de services :
lorsqu'il s'agit de travaux ou de services dont la nature ou les aléas ne permettent pas une fixation préable et globale des prix.
Ce cas reprend l'hypothèse visée à l'article 17, § 2, 2, 11° mais en l'étendant aux services;
3° dans le cas d'un marché de travaux :
lorsque les travaux sont réalisés uniquement à des fins de recherche, d'expérimentation ou de mise au point et non dans le but d'assurer une rentabilité ou le recouvrement des coûts de recherche et de développement.
Ce cas reprend, pour les marchés de travaux, l'hypothèse visée à l'article 17, § 2, 5°;
4° dans le cas d'un marché public de services :
lorsque la nature des services est telle que les spécifications du marché ne peuvent être établies avec une précision suffisante pour permettre son attribution selon la procédure d'adjudication ou d'appel d'offres.
Il s'agit d'un cas non prévu dans la loi du 14 juillet 1976.
A noter enfin que les cas visés à l'article 17, § 2, 13° à 15° de la loi du 14 juillet 1976 n'ont pas été repris dans la nouvelle loi.
7. Exécution de marchés de travaux, de fournitures et de services, pour compte des pouvoirs adjudicateurs différents (articles 19).
L'article 19 reprend la possibilité offerte par l'article 16 de la loi du 14 juillet 1976 d'attribuer les marchés en cause par un marché unique mais en l'étendant à la procédure négociée.
8. Concours de projets (articles 20 et 21).
Les articles 20 et 21 traitent des concours de projets, matière qui a été consacrés dans la Directive européenne 92/50 du 18 juin 1992 portant coordination des procédures de passation des marchés publics de services.
L'article 20 définit le concours de projets comme une procédure permettant à un pouvoir adjudicateur d'acquérir un plan ou un projet, sur la base d'un choix effectué par un jury.
Le concours donne lieu :
- soit à l'attribution d'un marché de services;
- soit, après un appel à la concurrence, au choix d'un ou de plusieurs projets, avec ou sans octroi de prix aux lauréats.
(Les mesures d'exécution sont à fixer par le Roi.)
Au stade ultérieur, si le pouvoir adjudicateur décide de passer à une mise au point en vue d'une exécution des plans ou projets, il pourra recourir à un marché public de services par procédure négociée sur base de l'article 17, § 2, 4°, à condition que tous les lauréats soient invités à participer aux négociations (cfr. procédure négociée, point a, 9° ci-avant).
A noter qu'il est aussi possible, comme actuellement, qu'un pouvoir adjudicateur ait recours à un appel d'offres concours portant à la fois sur l'établissement d'un projet et l'exécution des services y liés. Dans ce cas, il s'agit, dès le départ, d'un marché public de services (Exposé des motifs, pp. 28-29).
9. Créances dues en exécution des marchés.
L'article 23 introduit dans la loi des dispositions nouvelles ayant trait à la saisie, la cession, la mise en gage des créances dues en exécution d'un marché public.
En fait, elles remplacent les dispositions de la loi du 3 janvier 1958 relative aux cessions et mises en gage de créances sur l'Etat du chef de travaux et de fournitures tous en ayant un champ d'application beaucoup plus large dans la mesure où elles s'appliquent à toutes les personnes publiques soumises au livre Ier, et ce, pour des créances concernant des travaux des fournitures ou des services.
L'article 23, § 1er émet comme suit le principe en la matière :
" Les créances des adjudicateurs dues en exécution d'un marché public de travaux de fournitures ou de services, passé par un pouvoir adjudicateur visé à l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 10°, ne peuvent être ni saisies, ni cédées, ni données en gage jusqu'à la réception provisoire.
L'article 23, § 2 et § 3, prévoit cependant des exceptions auxquelles il y a lieu de se référer.
1. Champ d'application (article 4).
Contrairement à la loi du 14 juillet 1976 qui est assez laconique (elle se borne à parler de marchés passés au nom de l'Etat ou de toute autre personne de droit public ainsi que de possibilité d'extension du champ d'application de la loi par arrêté royal), la nouvelle loi opte, principalement en son article 4, pour une énumération des autorités concernées.
Sans entrer dans le détail de cette énumération, on relève qu'elle cite l'Etat, les Communautés, les Régions, les provinces, les communes, les associations formées par un ou plusieurs de ceux-ci (donc notamment les intercommunales), les fabriques d'église, les CPAS et les peronnes qui, à la date de la décision de lancer un marché, remplissent certaines conditions (article 4, § 2, 8°).
Ceci m'amène à apporter quelques précisions au sujet de cette dernière catégorie qui trouve son origine dans le droit européen.
Suivant la disposition précitée, les personnes en cause sont concernées par la loi lorsque :
a) elles ont été créées pour satisfaire spécifiquement des besoins d'intérêt général ayant un caractère autre qu'industriel ou commercial;
b) sont dotées d'une personnalité juridique;
c) dont
- soit l'activité est financée majoritairement par les autorités ou organismes mentionnés au § 1er et au § 2, 1° à 8°;
- soit la gestion est soumise à un contrôle de ces autorités ou organismes;
- soit plus de la moitié des membres de l'organe d'administration, de direction ou de surveillance sont désignés par ces autorités ou organismes.
Ces critères sont cumulatifs.
A noter que toute forme de financement est à prendre en considération et donc également la couverture d'un éventuel déficit annuel (Exposé des motifs, p. 14).
Une liste non limitative des organismes précités sera établie par le Roi (article 4, § 3).
Il ressort de la discussion générale au sein de la Commission du Sénat que les A.S.B.L. qui réunissent les conditions fixées à l'article 4, § 2, 8° entrent dans le champ d'application de la loi (Documents parlementaires, Sénat, session 1992-1993, document 656-2, pp. 23-24). Une A.S.B.L. communale qui remplirait les critères précités serait donc soumise à la loi.
La disposition précitée (article 4, § 2, 8°) ne s'applique cependant pas aux personnes de droit privé visée à l'article 4, § 4.
Aux termes de l'article 4, § 4, le Roi peut rendre les dispositions de la loi, ou certaines d'entre elles, applicables aux marchés de travaux, de fournitures et de services subventionnés par les personnes morales visées au § 1er et § 2 et passés par des personnes de droit privé.
Cette disposition s'applique notamment aux établissements de l'enseignement libre ainsi qu'aux hôpitaux et établissements de soins privés (Exposé des motifs, p. 15).
Elle est en fait une reproduction de l'article 1er, § 3, de la loi du 14 juillet 1976 qui n'a jamais été mis en oeuvre par le Roi.
2. Définitions (article 5).
Contrairement à la loi du 14 juillet 1976, la nouvelle loi donne une définition des marchés de travaux, de fournitures et de services.
Ces définitions ont subi l'influence des Direcctives émanant des Communautés européennes.
Ainsi, en ce qui concerne les marchés de travaux, l'on constate que le texte fait prévaloir une conception économique qui n'est plus nécessairement liée à celle de biens immeubles par nature et par destination.
On notera aussi que les définitions font état de contrat sans y ajouter l'adjectif " écrit " du fait que dans certains cas aucun écrit n'est requis (gré à gré).
Pour plus de détails, il convient de se référer à l'article 5.
3. Caractère forfaitaire des marchés et révision (article 7).
La nouvelle loi reprend les principes de la loi du 14 juillet 1976 (article 3) tout en étant plus explicite dans la mesure où elle dispose que la révision doit rencontrer l'évolution des prix des principaux composants du prix de revient, selon des modalités à prévoir par arrêté royal.
4. Acomptes et avances (article 8).
La nouvelle loi reprend les principes de la loi du 14 juillet 1976 (article 4) sous réserve de deux modifications :
1° en ce qui concerne les acomptes (c'est-à-dire les sommes d'argent versées en contrepartie d'un service fait et accepté) : les termes " dont la réception a été faite par l'Administration " sont remplacés par " approuvés par le pouvoir adjudicateur ";
2° en ce qui concerne les avances (= somme versée sans contrepartie) : les termes " à titre de provision " ont été supprimés.
5. Marchés de promotion (article 9).
La loi du 14 juillet 1976 ne définit pas les marchés de promotion.
Elle stipule qu'il ne peut être passé de marché de promotion que dans les conditions déterminées par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres et fixe les conditions minimum qui devront être précisées.
Ces modalités d'exécution ont été déterminées par l'arrêté royal du 18 mai 1981 qui a adopté une définition du marché de promotion.
La nouvelle loi définit elle-même les marchés de promotion. On notera à cet égard qu'elle ne limite plus l'attribution des marchés aux seuls personnes de droit privé.
Par ailleurs, il faut relever que la nouvelle loi ne reprend plus parmi les conditions à fixer par le Roi :
- la fixation d'un cautionnement au moment du dépôt de l'offre;
- une garantie de financement fournie par un organisme financier agréé;
- l'application du cahier général des charges dans les relations promoteur-entrepreneur.
6. Les modes de passation (articles 13 et suivants).
1) Généralités (article 13).
Suivant l'exposé des motifs (p. 21), les commentaires consacrés aux articles 10 à 17 de la loi du 14 juillet 1976 peuvent être pris en considération, sous réserve toutefois d'une série de modifications.
La loi maintient le principe du libre choix entre les procédures ouvertes et restreintes bien que le Roi puisse, par exception au principe, déterminer les conditions auxquelles le choix du mode de passation est subordonné pour certains marchés.
On notera aussi que l'on parle d'offre et non plus de soumission.
2) Adjudication et appel d'offre (articles 14 à 16).
a). Les principes de base régissant la publicité des marchés, qu'ils soient passés en procédure ouverte ou restreinte, sont régis par le seul article 14.
D'après la loi du 14 juillet 1976, les marchés publics à passer par procédure restreinte et ne tombant pas dans le champ d'application des directives européennes, ne sont pas soumis à une publicité préalable.
Désormais, les procédures restreintes (= adjudication restreinte et appel d'offres restreint) sont soumises à une publicité obligatoire selon des modalités à fixer (Exposé des motifs, p. 23).
Toujours au sujet des procédures restreintes, il est précisé que la consultation doit s'adresser aux entrepreneurs, fournisseurs ou prestataires de services que l'autorité compétente a sélectionnés (article 14, alinéa 2).
b) En adjudication, l'indemnisation forfaitaire de 10 % est maintenue mais plus aucune dérogation n'est prévue au choix du soumissionnaire le plus bas; il est en outre précisé (article 15) que pour la détermination de l'offre régulière la plus basse, l'autorité compétente tient compte des prix offerts et des autres éléments chiffrables qui viennent d'une manière certaine augmenter ses débours.
c) En ce qui concerne l'appel d'offres - général ou restreint - l'article 16 de la nouvelle loi ne reprend plus aucune énumération de critères, comme le fait l'article 14 de la loi du 14 juillet 1976; il est indiqué que les critères d'attribution doivent mentionnés dans le cahier spécial des charges ou, le cas échéant, dans l'avis de marché.
Les critères d'attribution sont à distinguer des critères de sélection qualitative.
Suivant l'exposé des motifs (p. 25) :
" Les critères d'attribution sont destinés à apprécier la valeur intrinsèque de l'offre déposée. Les critères de sélection qualitative doivent quant à eux permettre au pouvoir adjudicateur d'apprécier la capacité des candidats ou des soumissionnaires à exécuter tel ou tel marché, en vérifiant s'ils ne se trouvent pas en situation d'exclusion (faillite, irrespect des obligations sociales ou fiscales...) et s'ils disposent bien d'une capacité financière, économique et technique suffisante.
Cette importante distinction sera concrétisée dans les arrêtés d'exécution mais il faut dès à présent souligner que la sélection qualitative s'applique quelle que soit la procédure et que celle-ci soit ouverte ou restreinte. "
Par ailleurs, la possibilité d'accepter (ou de refuser) des " variantes libres " (termes remplacant celui de " suggestions ") est maintenue. Obligation est toutefois faite aux soumissionnaires de respecter les conditions minimales indiquées dans le cahier spécial des charges et les exigences requises pour la soumission.
Enfin, la loi nouvelle a supprimé l'obligation, lors de la séance d'ouverture, de la proclamation des prix (elle n'est donc plus maintenue que pour les adjudications).
3) Procédure négociée (article 17).
Sous l'influence des Directives européennes, la nouvelle loi a remplacé la terminologie " gré à gré " par " procédure négociée ".
Comme sous l'empire de la loi du 14 juillet 1976, c'est l'article 17 qui constitue le siège de la matière.
Il stipule :
" Le marché public est dit " par procédure négociée " lorsque le pouvoir adjudicateur consulte plusieurs entrepreneurs, fournisseurs ou prestataires de services de son choix et négocie les conditions du marché avec un ou plusieurs d'entre eux. "
La suite de l'article 17 est divisée en deux paragraphes comportant les cas pour lesquels il n'y a pas lieu de respecter les règles de publicité à fixer par le Roi lors du lancement de la procédure (§ 2) et ceux pour lesquels il y a lieu de respecter les règles de publicité (§ 3).
Envisageons ces deux hypothèses.
a) Non-respect des règles de publicité fixées par le Roi pour autant que, dans la mesure du possible, il y ait eu consultation de plusieurs entrepreneurs, fournisseurs ou prestataires de services - Les cas visés sont les suivants :
1° la dépense est inférieure à un montant fixé par le Roi (ce cas est visé à l'article 17, § 2, 1° de la loi du 14 juillet 1976);
2° le marché a pour objet des travaux, fournitures ou services déclarés secrets ou dont l'exécution doit s'accompagner de mesurs particulières de sécurité ou lorsque la protection des intérêts essentiels de la sécurité du pays l'exige.
(Le texte reprend grosso modo les termes de l'article 17, 7° de la loi du 14 juillet 1976);
3° dans la mesure strictement nécessaire, lorsque l'urgence impérieuse résultant d'événéments imprévisibles ne permet pas de respecter les délais exigés par les autres procédures (cfr. article 17, 6° de la loi du 14 juillet 1976);
4° lorsque seules des offres irrégulières ont été déposées à la suite d'une adjudication ou d'un appel d'offres, ou qu'il n'a été proposé que des prix inacceptables, pour autant que :
- les conditions initiales du marché ne soient pas substantiellement modifiées et que
- le pouvoir adjudicateur consulte tous les soumissionnaires qui répondaient aux conditions minimales de caractère professionnel, économique et technique déterminées par le Roi et qui ont déposé une offre conforme aux exigences formelles de la première procédure.
Ce cas reprend l'hypothèse visée à l'article 17, 2° de la loi du 14 juillet 1976 en imposant de reconsulter les soumissionnaires remplissant les conditions précitées.
Cela signifie que si le pouvoir adjudicateur ne reconsulte pas les soumissionnaires en cause, il doit respecter les règles de publicité à déterminer par le Roi (cfr. point b, 1°, ci-après);
5° lorsqu'aucune offre n'a été déposée à la suite d'une adjudication ou d'un appel d'offres, pour autant que les conditions initiales du marché ne soient pas substantiellement modifiées;(ce cas n'est pas formulé dans la loi du 14 juillet 1976);
6° lorsque les travaux, fournitures ou services ne peuvent, en raison de leur spécificité technique, artistique ou tenant à la protection des droits d'exclusivité, être confiés qu'à un entrepreneur, fournisseur ou prestataire de services déterminé.
(Ce texte est une synthèse des cas visés à l'article 17, § 2, 3°, 4° et 12° de la loi du 14 juillet 1976);
7° pour les marchés des travaux et de services.
a) lorsque des travaux ou services complémentaires ne figurant pas au projet initial adjugé ni au premier contrat conclu sont, à la suite d'une circonstance imprévue, devenus nécessaires à l'exécution de l'ouvrage ou du service tel qu'il y est décrit, pour autant que l'attribution soit faite à l'adjudicataire qui exécute ledit ouvrage ou service et que le montant cumulé des marchés passés pour les travaux ou services complémentaires n'excède pas 50 % du montant du marché principal :
- lorsque ces travaux ou services ne peuvent être techniquement ou économiquement séparés du marché principal sans inconvénient majeur;
- lorsque ces travaux ou services, quoique séparables de l'exécution du marché principal, sont strictement nécessaires à son perfectionnement;
b) lorsque des travaux ou services nouveaux consistant dans la répétition d'ovrages ou services similaires sont attribués à l'adjudicataire d'un premier marché par le même pouvoir adjudicateur, à condition que ces travaux ou services soient conformes à un projet de base et que ce projet ait fait l'objet d'un premier marché passé par adjudication ou sur appel d'offres (la possibilité de recourir à cette procédure doit être indiquée dès la mise en concurrence du premier marché. Elle est en outre limitée à une période de trois ans après la conclusion du marché initial).
Le point a reprend l'hypothèse visée à l'article 17, § 2, 8° de la loi du 14 juillet 1976 tout en l'étendant aux services.
Le point b reprend l'hypothèse mentionnée à l'article 17, § 2, 10°, en l'étendant également aux services;
8° pour les marchés de fournitures.
a) les articles concernés sont fabriqués uniquement à titre de recherche, d'expérimentation, d'étude ou de développement, cette disposition ne comprenant pas la production en grandes quantités en vue d'établir la viabilité commerciale du produit ou d'amortir les frais de recherche et de développement;
b) des fournitures complémentaires sont à effectuer par le fournisseur initial et sont destinées soit au renouvellement partiel de fournitures ou d'installations d'usage courant, soit à l'extension de fournitures ou d'installations existantes, si le changement de fournisseur obligeait le pouvoir adjudicateur d'acquérir un matériel de technique différente entraînant une incompataibilité ou des difficultés techniques d'utilisation et d'entretien disproportionnées. La durée de ces marchés, ainsi que des marchés renouvelables, ne peut en règle générale dépasser trois ans.
Le point a reprend, pour les fournitures, l'article 17, § 2, 5° de la loi.
Le point b rencontre l'hypothèse visée à l'article 17, § 2, 9° mais en l'amendant (notamment : il n'est plus requis que les fournitures complémentaires n'excèdent pas 20 % du marché initial; par contre, la durée des marchés concernés ne peut en règle générale dépasser trois ans);
9° pour les marchés de services :
le marché de services fait suite à un concours de projets et doit, conformément aux règles y applicables, être attribué au lauréat ou à un des lauréats de ce concours. Dans ce dernier cas, tous les lauréats doivent être invités à participer aux négociations.
Ce cas n'est pas mentionné dans la loi du 14 juillet 1976.
b) Respect des règles de publicité fixées par le Roi.
Les cas visés sont les suivants :
1° dans le cas d'un marché de travaux, de fournitures ou de services :
lorsque seules des offres irrégulières ont été déposées à la suite d'une adjudication ou d'un appel d'offres ou qu'il n'a été proposé que des prix inacceptables, pour autant que :
- les conditions initiales du marché ne soient pas substantiellement modifiées et que
- le pouvoir adjudicateur ne consulte pas tous les soumissionnaires qui répondaient aux conditions minimales de caractère professionnel, économique et technique déterminées par le Roi et qui ont déposé une offre conforme aux exigences formelles de la première procédure.
Ce cas a été explicité au point a, 4°;
2° dans le cas d'un marché de travaux ou de services :
lorsqu'il s'agit de travaux ou de services dont la nature ou les aléas ne permettent pas une fixation préable et globale des prix.
Ce cas reprend l'hypothèse visée à l'article 17, § 2, 2, 11° mais en l'étendant aux services;
3° dans le cas d'un marché de travaux :
lorsque les travaux sont réalisés uniquement à des fins de recherche, d'expérimentation ou de mise au point et non dans le but d'assurer une rentabilité ou le recouvrement des coûts de recherche et de développement.
Ce cas reprend, pour les marchés de travaux, l'hypothèse visée à l'article 17, § 2, 5°;
4° dans le cas d'un marché public de services :
lorsque la nature des services est telle que les spécifications du marché ne peuvent être établies avec une précision suffisante pour permettre son attribution selon la procédure d'adjudication ou d'appel d'offres.
Il s'agit d'un cas non prévu dans la loi du 14 juillet 1976.
A noter enfin que les cas visés à l'article 17, § 2, 13° à 15° de la loi du 14 juillet 1976 n'ont pas été repris dans la nouvelle loi.
7. Exécution de marchés de travaux, de fournitures et de services, pour compte des pouvoirs adjudicateurs différents (articles 19).
L'article 19 reprend la possibilité offerte par l'article 16 de la loi du 14 juillet 1976 d'attribuer les marchés en cause par un marché unique mais en l'étendant à la procédure négociée.
8. Concours de projets (articles 20 et 21).
Les articles 20 et 21 traitent des concours de projets, matière qui a été consacrés dans la Directive européenne 92/50 du 18 juin 1992 portant coordination des procédures de passation des marchés publics de services.
L'article 20 définit le concours de projets comme une procédure permettant à un pouvoir adjudicateur d'acquérir un plan ou un projet, sur la base d'un choix effectué par un jury.
Le concours donne lieu :
- soit à l'attribution d'un marché de services;
- soit, après un appel à la concurrence, au choix d'un ou de plusieurs projets, avec ou sans octroi de prix aux lauréats.
(Les mesures d'exécution sont à fixer par le Roi.)
Au stade ultérieur, si le pouvoir adjudicateur décide de passer à une mise au point en vue d'une exécution des plans ou projets, il pourra recourir à un marché public de services par procédure négociée sur base de l'article 17, § 2, 4°, à condition que tous les lauréats soient invités à participer aux négociations (cfr. procédure négociée, point a, 9° ci-avant).
A noter qu'il est aussi possible, comme actuellement, qu'un pouvoir adjudicateur ait recours à un appel d'offres concours portant à la fois sur l'établissement d'un projet et l'exécution des services y liés. Dans ce cas, il s'agit, dès le départ, d'un marché public de services (Exposé des motifs, pp. 28-29).
9. Créances dues en exécution des marchés.
L'article 23 introduit dans la loi des dispositions nouvelles ayant trait à la saisie, la cession, la mise en gage des créances dues en exécution d'un marché public.
En fait, elles remplacent les dispositions de la loi du 3 janvier 1958 relative aux cessions et mises en gage de créances sur l'Etat du chef de travaux et de fournitures tous en ayant un champ d'application beaucoup plus large dans la mesure où elles s'appliquent à toutes les personnes publiques soumises au livre Ier, et ce, pour des créances concernant des travaux des fournitures ou des services.
L'article 23, § 1er émet comme suit le principe en la matière :
" Les créances des adjudicateurs dues en exécution d'un marché public de travaux de fournitures ou de services, passé par un pouvoir adjudicateur visé à l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 10°, ne peuvent être ni saisies, ni cédées, ni données en gage jusqu'à la réception provisoire.
L'article 23, § 2 et § 3, prévoit cependant des exceptions auxquelles il y a lieu de se référer.
Art. 1.3M 2. Titel III. - Concessies voor openbare werken en van werken gegund in naam van concessiehouders van openbare werken.
De wet van 14 juli 1976 beperkt zich tot de vermelding van de concessieopdrachten (artikel 5).
Daarna werden deze opdrachten geregeld bij het koninklijk besluit van 14 november 1979, herhaaldelijk aangevuld.
In de nieuwe wet is titel III (artikelen 24 en 25) toegewijd aan voormelde opdrachten alhoewel uitvoeringsmaatregelen door de Koning bepaald moeten worden.
Deze bepalingen zijn ook beïnvloed door de Europese richtlijnen.
Het is zo dat artikel 24 de bewoording " opdrachten voor concessie voor werken " vervangt door " concessie voor openbare werken ".
Bovendien geeft het hiervan een ruimere definitie :
" ... de schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel door dewelke een in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, bedoelde aanbestedende overheid aan een ander privaatrechtelijk of publiekrechtelijk persoon, de concessiehouder genoemd, het recht toekent om de werken of het werk uit te baten, zo nodig vergezeld van een prijs, waarvoor de concessiehouder hetzij de verbintenis aanging ze uit te voeren, hetzij gezamenlijk de conceptie en de uitvoering ervan op zich te nemen, hetzij ze te doen uitvoeren met eender welk middel. "
Men dient echter op de merken - steeds in het raam van de harmonisering voorgeschreven door de Europese richtlijnen - dat er afgezien wordt van de gunningsprocedures in het stadium van het toekennen van de concessies (Memorie van toelichting, blz. 33). Bekendmakingsregels moeten echter door de Koning worden bepaald.
Wanner de concessie voor openbare werken toegekend is, is het mogelijk dat de concessiehouder zelf de werken in het raam van de concessie uitvoert, en in dit geval wordt er geen opdracht voor aanneming van werken toegekend. Het is ook mogelijk dat de concessiehouder een overeenkomst met derden afsluit voor de uitvoering van zijn werken, en in dat geval moeten twee situaties onderscheiden worden naar gelang de concessiehouder zelf een aanbestedende overheid is in de zin van artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, van de wet of een persoon die een dergelijke aanbestedende overheid niet is.
Deze twee hypotheses zijn in artikel 25 beschreven.
In het eerste geval dient de concessiehouder de bepalingen van artikel 1 en van titel II na te leven voor de gunning aan derden van de werken of het werk (hetzelfde geldt voor de gunning van een opdracht voor aanneming van leveringen of van diensten.
In het tweede geval dient de concessiehouder de door de Koning bepaalde bekendmakingsregels na te leven voor de gunning aan derden van de werken of het werk waarvoor hij zich verbonden heeft ze uit te voeren. Worden evenwel niet aanzien als derden, de ondernemingen die zich verenigd hebben om de concessie te bekomen, noch de ondernemingen die met hen zijn gebonden.
Artikel 25, § 2, in fine, bepaalt wat dient te worden verstaan onder gebonden onderneming.
De wet van 14 juli 1976 beperkt zich tot de vermelding van de concessieopdrachten (artikel 5).
Daarna werden deze opdrachten geregeld bij het koninklijk besluit van 14 november 1979, herhaaldelijk aangevuld.
In de nieuwe wet is titel III (artikelen 24 en 25) toegewijd aan voormelde opdrachten alhoewel uitvoeringsmaatregelen door de Koning bepaald moeten worden.
Deze bepalingen zijn ook beïnvloed door de Europese richtlijnen.
Het is zo dat artikel 24 de bewoording " opdrachten voor concessie voor werken " vervangt door " concessie voor openbare werken ".
Bovendien geeft het hiervan een ruimere definitie :
" ... de schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel door dewelke een in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, bedoelde aanbestedende overheid aan een ander privaatrechtelijk of publiekrechtelijk persoon, de concessiehouder genoemd, het recht toekent om de werken of het werk uit te baten, zo nodig vergezeld van een prijs, waarvoor de concessiehouder hetzij de verbintenis aanging ze uit te voeren, hetzij gezamenlijk de conceptie en de uitvoering ervan op zich te nemen, hetzij ze te doen uitvoeren met eender welk middel. "
Men dient echter op de merken - steeds in het raam van de harmonisering voorgeschreven door de Europese richtlijnen - dat er afgezien wordt van de gunningsprocedures in het stadium van het toekennen van de concessies (Memorie van toelichting, blz. 33). Bekendmakingsregels moeten echter door de Koning worden bepaald.
Wanner de concessie voor openbare werken toegekend is, is het mogelijk dat de concessiehouder zelf de werken in het raam van de concessie uitvoert, en in dit geval wordt er geen opdracht voor aanneming van werken toegekend. Het is ook mogelijk dat de concessiehouder een overeenkomst met derden afsluit voor de uitvoering van zijn werken, en in dat geval moeten twee situaties onderscheiden worden naar gelang de concessiehouder zelf een aanbestedende overheid is in de zin van artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, van de wet of een persoon die een dergelijke aanbestedende overheid niet is.
Deze twee hypotheses zijn in artikel 25 beschreven.
In het eerste geval dient de concessiehouder de bepalingen van artikel 1 en van titel II na te leven voor de gunning aan derden van de werken of het werk (hetzelfde geldt voor de gunning van een opdracht voor aanneming van leveringen of van diensten.
In het tweede geval dient de concessiehouder de door de Koning bepaalde bekendmakingsregels na te leven voor de gunning aan derden van de werken of het werk waarvoor hij zich verbonden heeft ze uit te voeren. Worden evenwel niet aanzien als derden, de ondernemingen die zich verenigd hebben om de concessie te bekomen, noch de ondernemingen die met hen zijn gebonden.
Artikel 25, § 2, in fine, bepaalt wat dient te worden verstaan onder gebonden onderneming.
Art. 1.3M 2. Titre III. - Des concessions de travaux publics et des marchés de travaux passés au nom des concessionnaires de travaix publics.
La loi du 14 juillet 1976 se borne à mentionner les marchés de consession (article 5).
Ces marchés ont été ensuite réglementés par l'arrêté royal du 14 novembre 1979 amendé à diverses reprises.
La nouvelle loi consacre le titre III (articles 24 et 25) aux marchés susvisés bien que des mesures d'exécution doivent être prises par le Roi.
Ces dispositions ont également subi l'influence des Directives européennes.
C'est ainsi que l'article 24 a remplacé le vocable " marchés de concession d'ouvrages " par " concession de travaux publics ".
En outre, il donne de ce dernier une définition élargie :
" Le contrat à titre onéreux conclu par écrit par lequel un pouvoir adjudicateur visé à l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 8° et 10° octroie à une autre personne de droit privé ou de droit public, dénommée le concessionnaire, le droit d'exploiter, le cas échéant assorti d'un prix, les travaux ou l'ouvrage que le concessionnaire s'engage soit à exécuter, soit conjointement à concevoir et exécuter, soit à faire réaliser par quelque moyen que ce soit. "
Il convient également de noter - toujours dans le cadre de l'harmonisation préconisée par les Directives européennes - l'abandon des procédures de passation au stade de l'octroi des concessions (Exposé des motifs, p. 33). Des règles de publicité devront cependant être fixées par la Roi.
Une fois la concession de travaux publics octroyée, il se peut que le concessionnaire exécute lui-même les travaux se situant dans le cadre de la concession, et dans ce cas aucun marché de travaux ne sera conclu. Il se peut aussi que le concessionnaire contracte avec des tiers pour l'exécution de ses travaux, et dans ce cas, deux situations doivent être distinguées selon que le concessionnaire est lui-même un pouvoir adjudicateur au sens de l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 8° et 10° de la loi ou une personne qui n'est pas un tel pouvoir adjudicateur.
Ces deux hypothèses sont décrites à l'article 25.
Dans le premier cas, le concessionnaire est tenu de respecter l'article 1er et le titre II pour la passation à des tiers de travaux ou d'un ouvrage (idem pour attribuer un marché de fournitures ou de services).
Dans le second cas, le concessionnaire est tenu de respecter un régime de publicité à fixer par le Roi pour la passation à une personne tierce des travaux ou de l'ouvrage qu'il s'est engagé à exécuter. Toutefois, ne sont pas considérées comme tierces, les entreprises qui se sont groupées pour obtenir la concession ni les entreprises qui leur sont liées.
L'article 25, § 21, in fine, précise ce qu'il y a lieu d'entendre par entreprises liées.
La loi du 14 juillet 1976 se borne à mentionner les marchés de consession (article 5).
Ces marchés ont été ensuite réglementés par l'arrêté royal du 14 novembre 1979 amendé à diverses reprises.
La nouvelle loi consacre le titre III (articles 24 et 25) aux marchés susvisés bien que des mesures d'exécution doivent être prises par le Roi.
Ces dispositions ont également subi l'influence des Directives européennes.
C'est ainsi que l'article 24 a remplacé le vocable " marchés de concession d'ouvrages " par " concession de travaux publics ".
En outre, il donne de ce dernier une définition élargie :
" Le contrat à titre onéreux conclu par écrit par lequel un pouvoir adjudicateur visé à l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 8° et 10° octroie à une autre personne de droit privé ou de droit public, dénommée le concessionnaire, le droit d'exploiter, le cas échéant assorti d'un prix, les travaux ou l'ouvrage que le concessionnaire s'engage soit à exécuter, soit conjointement à concevoir et exécuter, soit à faire réaliser par quelque moyen que ce soit. "
Il convient également de noter - toujours dans le cadre de l'harmonisation préconisée par les Directives européennes - l'abandon des procédures de passation au stade de l'octroi des concessions (Exposé des motifs, p. 33). Des règles de publicité devront cependant être fixées par la Roi.
Une fois la concession de travaux publics octroyée, il se peut que le concessionnaire exécute lui-même les travaux se situant dans le cadre de la concession, et dans ce cas aucun marché de travaux ne sera conclu. Il se peut aussi que le concessionnaire contracte avec des tiers pour l'exécution de ses travaux, et dans ce cas, deux situations doivent être distinguées selon que le concessionnaire est lui-même un pouvoir adjudicateur au sens de l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 8° et 10° de la loi ou une personne qui n'est pas un tel pouvoir adjudicateur.
Ces deux hypothèses sont décrites à l'article 25.
Dans le premier cas, le concessionnaire est tenu de respecter l'article 1er et le titre II pour la passation à des tiers de travaux ou d'un ouvrage (idem pour attribuer un marché de fournitures ou de services).
Dans le second cas, le concessionnaire est tenu de respecter un régime de publicité à fixer par le Roi pour la passation à une personne tierce des travaux ou de l'ouvrage qu'il s'est engagé à exécuter. Toutefois, ne sont pas considérées comme tierces, les entreprises qui se sont groupées pour obtenir la concession ni les entreprises qui leur sont liées.
L'article 25, § 21, in fine, précise ce qu'il y a lieu d'entendre par entreprises liées.
Art. 1.4M 2. Titel IV. Overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie (Titel IV van de wet).
1. Algemene bepalingen - Toepassingsgebied.
Deze titel draagt uitsluitend op voormelde secctoren.
De verklaarde regels voortvloeiende uit de Europese Richtlijn 90/531 van 17 september 1990 die nooit in het Belgisch recht overgenomen werd alhoewel er geen rekening werd gehouden met de uiterste datum voor deze weergave, vastgesteld op 1 januari 1993.
Volgens de memorie van toelichting (blz. 5) :
" De uitvoering van de Richtlijn 90/531/EEG plaatst ons voor problemen die binnen de wet van 14 juli 1976 niet meer op te lossen zijn. Deze richtlijn beoogt de uniformisering van de gunnings- en controleregels voor de opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie.
Deze regels betreffende de opdrachten van alle organismen uit deze sectoren, welke ook hun juridische structuur weze. In feite komen in het toepassingsveld zowel zuiver publiek- als privaatrechtelijke personen voor, als hun tussenvormen...
Deze voorschriften zijn minder stringent dan deze van de andere richtlijnen en onze eigen reglementering betreffende de gunningsprocedures, omdat zij de gunning na onderhandeling mogelijk maken; aan de andere kant zijn zij weer even streng als, zoniet strenger dan de andere richtlijnen voor de bekendmakingsverplichtingen, voornamelijk wat de inlichtingen betreft die na de gunning moeten worden bekendgemaakt. "
Deze verklaringen leggen uit waarom gewacht heeft op de goedkeuring van een nieuwe wet om de voorschriften van voormelde richtlijn toe te passen.
Maar de aandacht moet erop gevestigd worden dat uitvoeringsmaatregelen door de Koning moeten genomen worden.
Artikel 26 van de wet maakt titel IV toepasselijk op de in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, bedoelde aanbestedende overheid evenals op de overheidsbedrijven, wanneer ze één van de werkzaamheden omschreven in deze titel uitoefenen.
Dit artikel vestigt de aandacht evenwel op het feit dat, wat betreft de overheidsbedrijven waarvan een niet-limitatieve lijst door de Koning zal worden opgesteld, deze bepalingen slechts van toepassing zijn op de overheidsopdrachten die betrekking hebben op hun taken van openbare dienst in de zin van een wet, een decreet of een ordonnantie.
Artikel 26 is dus fundamenteel.
Wij onthouden dus dat het van toepassing is namelijk op de " openbare " aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4 van de wet (gemeenten, provincies, intercommunales...) en, in het algemeen, dat titel IV betrekking heeft op alle betrokken opdrachten, ongeacht hun bedrag.
2. Algemene bepalingen (artikelen 27 tot 38).
Artikel 27 omschrijft de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de zin van deze titel. Men dient op te merken dat deze definities niet volledig identiek zijn met deze vermeld in de algemene regeling van de overheidsopdrachten (artikel 5).
Bovendien definieert het ook wat dient te worden verstaan onder " overheidsbedrijf " :
elke onderneming waarover aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, rechtstreeks of onrechtstreeks een overheersende invloed kunnen uitoefenen uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of in het bedrijf heersende voorschriften. De overheersende invloed wordt verondersteld wanneer deze overheden, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten opzichte van het bedrijf :
- de meerderheid van het maatschappelijk kapitaal beziten, of
- beschikken over de meerderheid van de stemmen verbonden aan de door het bedrijf uitgegeven aandelen, of
- meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan kunnen aanwijzen.
Het brengt ook het begrip van raamovereenkomst in, dat de overeenkomst is tussen een aanbestedende overheid en één of meer aannemers of leveranciers met betrekking tot het vastleggen van de voorwaarden, met name inzake prijzen, en, in voorkomend geval, de beoogde hoeveelheden, van opdrachten die zullen gegund worden in de loop van een gegeven periode.
Artikelen 28 tot 38 beschrijven welke de activiteiten zijn in de betrokken sectoren, die in het toepassingsgebied vallen van titel IV en welke uitgesloten zijn.
Deze bepalingen moeten ook in verband gebracht worden met artikel 42 van de wet dat de opdrachten gegund dor de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, onttrekt aan de toepassing van boek I wanneer zij betrekking hebben op de produktie van elektriciteit (deze opdrachten vallen dus onder de regeling van boek II - ten minste wanneer zij de door de Koning vastgestelde bedragen bereiken; zie artikel 63).
Kortom, de bij de wet bedoelde publiekrechtelijke personen of de overheidsbedrijven zijn uitsluitend onderworpen aan voormelde bepalingen wanneer zij een van de bedoelde activiteiten uitoefenen (Memorie van toelichting, blz. 34).
Wat betreft in het bijzonder de intercommunales, staat in de Memorie van toelichting (blz. 34) :
" Het past hier de toestand van de intercommunales op te helderen, waarvan de rol bijzonder belangrijk blijkt te zijn in sommige sectoren, zoals deze van het water, de energie en het vervoer. De intercommunales, of ze nu zuiver of gemengd zijn, vormen publiekrechtelijke rechtspersonen onderworpen aan dit wetsontwerp. Deze rechtspersonen waren overigens reeds onderworpen aan de wet van 14 juli 1976. Men moet bovendien duidelijk stellen dat een eventuele aanwezigheid in haar schoot van een privé-partnership niets wijzigt aan het openbaar statuut van de intercommunale. Dientengevolge dienen alle overheidsopdrachten die in naam van de intercommunale te sluiten zijn met derden, te gebeuren met naleving van de huidige wetgeving en de voorwaarden die erin voorzien zijn; elke tegenstrijdige bepaling zal de sanctie van artikel 44 ondergaan. "
3. Gunningswijzen (artikelen 39 tot 41).
" De verschillende gunningswijzen stemmen overeen met deze omschreven in titel II voor de klassieke overheidsopdrachten, op één belangrijke uitzondering na : in vier betrokken activiteitssectoren beschikken de aanbestedende overheden over de vrije keuze tussen de openbare, beperkte of onderhandelingsprocedure, voor zover de mededinging van de opdrachten de bekendmakingsregels van de opdrachten aangeduid door de Koning, in acht neemt. (...) Deze onderhandelingssoepelheid was gewild om zo goed mogelijk tegemoet te komen aan de beheersvoorschriften van de bedoelde aanbestedende overheden, doch deze soepelheid roept als tegengewicht bekendmakingsregels op, die van toepassing zijn zelfs voor deze onderhandelingsprocedures en een grotere doorzichtigheid op het vlak van de motivering van de gedane keuzes. Bij uitzondering nochtans op dit beginsel mogen opdrachten bij onderhandelingsprocedure gegund worden zonder naleving van voorafgaande bekendmakingsvoorschriften, in de gevallen vermeld in § 2 (Memorie van toelichting, blz. 40). "
Men dient op te merken dat, in de zin van artikel 40, § 1, in het geval van een opdracht voor aanneming van leveringen, de aanbestedende overheid elke offerte mag afwijzen die voor meer dan de helft van de totale waarde produkten bevat die afkomstig zijn uit derde landen.
Artikel 41 vermeldt de artikelen van de algemene regeling van de opdrachten voor aannemingen die, uitgezonderd artikelen 14 tot 16 en 17, eveneens van toepassing zijn op de specifieke sectoren van titel IV. Het zijn volgende artikelen :
- artike 6 (bevoegde overheden - delegatie);
- artikel 7 (forfaitaire grondslag en herziening van de prijzen);
- artikel 8 (betalingen en voorschotten);
- artikel 9 (opdrachten bij wijze van promotieovereenkomst);
- artikel 10 (verbod opgelegd aan personen);
- artikel 11 (verbod van overeenkomsten en afspraken);
- artikel 12 (naleving van de sociale wetgeving);
- artikel 18 (geen verplichting tot het toewijzen van de opdracht);
- artikel 19 (één enkele opdracht voor rekening van verschillende aanbestedende overheden);
- artikel 22 (koninklijke macht voor de vaststelling van de modaliteiten van de technische specificaties, enz.);
- artikel 23 (schuldvorderingen uit hoofde van de uitvoering van een opdracht).
1. Algemene bepalingen - Toepassingsgebied.
Deze titel draagt uitsluitend op voormelde secctoren.
De verklaarde regels voortvloeiende uit de Europese Richtlijn 90/531 van 17 september 1990 die nooit in het Belgisch recht overgenomen werd alhoewel er geen rekening werd gehouden met de uiterste datum voor deze weergave, vastgesteld op 1 januari 1993.
Volgens de memorie van toelichting (blz. 5) :
" De uitvoering van de Richtlijn 90/531/EEG plaatst ons voor problemen die binnen de wet van 14 juli 1976 niet meer op te lossen zijn. Deze richtlijn beoogt de uniformisering van de gunnings- en controleregels voor de opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie.
Deze regels betreffende de opdrachten van alle organismen uit deze sectoren, welke ook hun juridische structuur weze. In feite komen in het toepassingsveld zowel zuiver publiek- als privaatrechtelijke personen voor, als hun tussenvormen...
Deze voorschriften zijn minder stringent dan deze van de andere richtlijnen en onze eigen reglementering betreffende de gunningsprocedures, omdat zij de gunning na onderhandeling mogelijk maken; aan de andere kant zijn zij weer even streng als, zoniet strenger dan de andere richtlijnen voor de bekendmakingsverplichtingen, voornamelijk wat de inlichtingen betreft die na de gunning moeten worden bekendgemaakt. "
Deze verklaringen leggen uit waarom gewacht heeft op de goedkeuring van een nieuwe wet om de voorschriften van voormelde richtlijn toe te passen.
Maar de aandacht moet erop gevestigd worden dat uitvoeringsmaatregelen door de Koning moeten genomen worden.
Artikel 26 van de wet maakt titel IV toepasselijk op de in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, bedoelde aanbestedende overheid evenals op de overheidsbedrijven, wanneer ze één van de werkzaamheden omschreven in deze titel uitoefenen.
Dit artikel vestigt de aandacht evenwel op het feit dat, wat betreft de overheidsbedrijven waarvan een niet-limitatieve lijst door de Koning zal worden opgesteld, deze bepalingen slechts van toepassing zijn op de overheidsopdrachten die betrekking hebben op hun taken van openbare dienst in de zin van een wet, een decreet of een ordonnantie.
Artikel 26 is dus fundamenteel.
Wij onthouden dus dat het van toepassing is namelijk op de " openbare " aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4 van de wet (gemeenten, provincies, intercommunales...) en, in het algemeen, dat titel IV betrekking heeft op alle betrokken opdrachten, ongeacht hun bedrag.
2. Algemene bepalingen (artikelen 27 tot 38).
Artikel 27 omschrijft de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de zin van deze titel. Men dient op te merken dat deze definities niet volledig identiek zijn met deze vermeld in de algemene regeling van de overheidsopdrachten (artikel 5).
Bovendien definieert het ook wat dient te worden verstaan onder " overheidsbedrijf " :
elke onderneming waarover aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, rechtstreeks of onrechtstreeks een overheersende invloed kunnen uitoefenen uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of in het bedrijf heersende voorschriften. De overheersende invloed wordt verondersteld wanneer deze overheden, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten opzichte van het bedrijf :
- de meerderheid van het maatschappelijk kapitaal beziten, of
- beschikken over de meerderheid van de stemmen verbonden aan de door het bedrijf uitgegeven aandelen, of
- meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan kunnen aanwijzen.
Het brengt ook het begrip van raamovereenkomst in, dat de overeenkomst is tussen een aanbestedende overheid en één of meer aannemers of leveranciers met betrekking tot het vastleggen van de voorwaarden, met name inzake prijzen, en, in voorkomend geval, de beoogde hoeveelheden, van opdrachten die zullen gegund worden in de loop van een gegeven periode.
Artikelen 28 tot 38 beschrijven welke de activiteiten zijn in de betrokken sectoren, die in het toepassingsgebied vallen van titel IV en welke uitgesloten zijn.
Deze bepalingen moeten ook in verband gebracht worden met artikel 42 van de wet dat de opdrachten gegund dor de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, onttrekt aan de toepassing van boek I wanneer zij betrekking hebben op de produktie van elektriciteit (deze opdrachten vallen dus onder de regeling van boek II - ten minste wanneer zij de door de Koning vastgestelde bedragen bereiken; zie artikel 63).
Kortom, de bij de wet bedoelde publiekrechtelijke personen of de overheidsbedrijven zijn uitsluitend onderworpen aan voormelde bepalingen wanneer zij een van de bedoelde activiteiten uitoefenen (Memorie van toelichting, blz. 34).
Wat betreft in het bijzonder de intercommunales, staat in de Memorie van toelichting (blz. 34) :
" Het past hier de toestand van de intercommunales op te helderen, waarvan de rol bijzonder belangrijk blijkt te zijn in sommige sectoren, zoals deze van het water, de energie en het vervoer. De intercommunales, of ze nu zuiver of gemengd zijn, vormen publiekrechtelijke rechtspersonen onderworpen aan dit wetsontwerp. Deze rechtspersonen waren overigens reeds onderworpen aan de wet van 14 juli 1976. Men moet bovendien duidelijk stellen dat een eventuele aanwezigheid in haar schoot van een privé-partnership niets wijzigt aan het openbaar statuut van de intercommunale. Dientengevolge dienen alle overheidsopdrachten die in naam van de intercommunale te sluiten zijn met derden, te gebeuren met naleving van de huidige wetgeving en de voorwaarden die erin voorzien zijn; elke tegenstrijdige bepaling zal de sanctie van artikel 44 ondergaan. "
3. Gunningswijzen (artikelen 39 tot 41).
" De verschillende gunningswijzen stemmen overeen met deze omschreven in titel II voor de klassieke overheidsopdrachten, op één belangrijke uitzondering na : in vier betrokken activiteitssectoren beschikken de aanbestedende overheden over de vrije keuze tussen de openbare, beperkte of onderhandelingsprocedure, voor zover de mededinging van de opdrachten de bekendmakingsregels van de opdrachten aangeduid door de Koning, in acht neemt. (...) Deze onderhandelingssoepelheid was gewild om zo goed mogelijk tegemoet te komen aan de beheersvoorschriften van de bedoelde aanbestedende overheden, doch deze soepelheid roept als tegengewicht bekendmakingsregels op, die van toepassing zijn zelfs voor deze onderhandelingsprocedures en een grotere doorzichtigheid op het vlak van de motivering van de gedane keuzes. Bij uitzondering nochtans op dit beginsel mogen opdrachten bij onderhandelingsprocedure gegund worden zonder naleving van voorafgaande bekendmakingsvoorschriften, in de gevallen vermeld in § 2 (Memorie van toelichting, blz. 40). "
Men dient op te merken dat, in de zin van artikel 40, § 1, in het geval van een opdracht voor aanneming van leveringen, de aanbestedende overheid elke offerte mag afwijzen die voor meer dan de helft van de totale waarde produkten bevat die afkomstig zijn uit derde landen.
Artikel 41 vermeldt de artikelen van de algemene regeling van de opdrachten voor aannemingen die, uitgezonderd artikelen 14 tot 16 en 17, eveneens van toepassing zijn op de specifieke sectoren van titel IV. Het zijn volgende artikelen :
- artike 6 (bevoegde overheden - delegatie);
- artikel 7 (forfaitaire grondslag en herziening van de prijzen);
- artikel 8 (betalingen en voorschotten);
- artikel 9 (opdrachten bij wijze van promotieovereenkomst);
- artikel 10 (verbod opgelegd aan personen);
- artikel 11 (verbod van overeenkomsten en afspraken);
- artikel 12 (naleving van de sociale wetgeving);
- artikel 18 (geen verplichting tot het toewijzen van de opdracht);
- artikel 19 (één enkele opdracht voor rekening van verschillende aanbestedende overheden);
- artikel 22 (koninklijke macht voor de vaststelling van de modaliteiten van de technische specificaties, enz.);
- artikel 23 (schuldvorderingen uit hoofde van de uitvoering van een opdracht).
Art. 1.4M 2. Titre IV. Des marchés publics de travaux, de fournitures et de services dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications (titre IV de la loi).
1. Généralités - Champ d'application.
Ce titre vise exclusivement les secteurs prémentionnés.
Les règles exposées trouvent leur origine dans la Directive européenne 90/531 du 17 septembre 1990 qui n'avait jamais été transposée en droit belge alors que la date ultime pour cette transposition, fixée au 1er janvier 1993, n'a pas été respectée.
Suivant l'exposé des motifs (p. 5).
" L'exécution de la Directive 90/531/CEE nous confronte à des problèmes qu'on ne peut que difficilement résoudre dans le cadre de la loi du 14 juillet 1976.
Cette directive tend à uniformiser les règles de passation et de contrôle des marchés des secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications.
Les règles visent les marchés de tous les organismes de ces secteurs, quelle que soit leur structure juridique. En fait, tant les personnes purement de droit public ou de droit privé que leurs formes intermédiaires entrent dans le champ d'application...
Ces prescriptions sont, en matière de procédures de passation, moins contraignantes que celles des autres directives et de notre propre réglementation, étant donné qu'elles permettent la passation des marchés après négociation. Par ailleurs, elles sont strictes, sinon plus strictes que les autres directives pour les obligations de publication, essentiellement en ce qui concerne les informations devant être publiées après la passation. "
Ces considérations expliquent que l'on a attendu l'adoption d'une nouvelle loi pour transposer les prescriptions de la directive précitée.
Mais il faut souligner que des mesures d'exécution doivent être prises par le Roi.
L'article 26 de la loi rend le titre IV applicable aux pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4, § 1er et 2, 1° à 8° et 10° ainsi qu'aux entreprises publiques lorsqu'ils exercent une des activités visées au titre précité.
Cet article précise toutefois que pour les entreprises publiques - dont une liste non limitative devra être établie par le Roi - ces dispositions ne sont applicables qu'aux marchés publics ayant trait à leurs tâches de service public telles que déterminées par une loi, un décret ou une ordonnance.
L'article 26 est donc fondamental.
Nous retiendrons qu'il s'applique notamment aux pouvoirs adjudicateurs " publics " mentionnés à l'article 4 de la loi (communes, provinces, intercommunales...) et, de manière générale, que le titre IV concerne tous les marchés concernés, quel que soit le montant.
2. Dispositions générales (articles 27 à 38).
L'article 27 définit les marches de travaux, de fournitures et de services au sens du titre concerné. Il faut noter que ces définitions ne sont pas tout à fait identiques à celles mentionnées dans le régime général des marchés publics (article 5).
Par ailleurs, il précise également ce qu'il y a lieu d'entendre par " entreprise publique " :
Toute entreprise sur laquelle les pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 8° et 10°, peuvent exercer directement ou indirectement une influence dominante du fait de la proprité, de la participation financière ou des règles qui la régisent. L'influence dominante est présumée lorsque ceux-ci, directement ou indirectement, à l'égard de l'entreprise :
- détiennent la majorité du capital de l'entreprise, ou
- disposent de la majorite des voix attachées aux parts émises par l'entreprise, ou
- peuvent désigner plus de la moitié des membres de l'organe d'administration, de direction ou de surveillance de l'entreprise.
Il introduit également la notion d'accord - cadre qui vise l'accord entre un pouvoir adjudicateur et un ou plusieurs entrepreneur ou fournisseurs, ayant pour objet de fixer les termes, notamment en matière de prix, et, le cas échéant, de quantités envisagées, de marchés à passer au cours d'une période donnée.
Les articles 28 à 27 précisent quelles sont les activités, dans les secteurs concernés, qui tombent dans le champ d'application du titre IV et celles qui sont exclues.
Il faut aussi mettre ces dispositions en liaison avec l'article 42 de la loi qui soustrait au livre Ier les marchés passés par les pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 8° et 10° lorsqu'ils se rapportent à la production d'électricité (ces marchés sont donc régis par le libre II - tout au moins lorsqu'ils atteignent les seuils fixés par le Roi - cfr. article 63).
En conclusion, les personnes publiques ou les entreprises publiques visées par la loi sont exclusivement soumises aux dispositions précitées lorsqu'elles exercent une des activités concernées (Exposé des motifs, p. 34).
En ce qui concerne en particulier le cas des intercommunales, on relève dans l'exposé des motifs (p. 34) :
" Il convient ici de clarifier la situation des intercommunales, dont le rôle s'avère particulièrement important dans certains secteurs, comme ceux de l'eau, de l'énergie et des transports. Les intercommunales, qu'elles soient pures ou mixtes, constituent des personnes morales de droit public soumises à la présente loi en projet. Ces personnes étaient d'ailleurs déjà soumises à la loi du 14 juillet 1976. Il faut en outre nettement préciser que la presence éventuelle en leur sein d'un partenariat privé ne modifie en rien le statut public de l'intercommunale. Dès lors, tous les marchés publics à conclure au nom de l'intercommunale avec des tiers doivent l'être dans le respect de la présente législation et des conditions y prévues, toute disposition contraire subissant la sanction de l'article 44. "
3. Modes de passation (articles 39 à 41).
" Les différents modes de passation correspondent à ceux définis au titre Ii pour les marchés publics classiques à une importante exception près : dans les quatre secteurs d'activités concernés, les pouvoirs adjudicateurs disposent du libre choix entre les procédures ouvertes, restreintes ou négociées, pour autant que la mise en concurrence des marchés se traduise par le respect de règles de publicité des marchés spécifiées par le Roi. Cette souplesse de négociation a été voulue pour rencontrer au mieux les impératifs de gestion des pouvoirs adjudicateurs visés, mais cette souplesse appelle en contrepartie des règles de publicité applicables même pour ces procédures négociées et une transparence plus grande au niveau de la motivation des choix. Par exception cependant à ce principe, des marchés peuvent être passés par procédure négociée sans respecter des règles de publicité préalables dans les cas déterminées au § 2 " (Exposé des motifs p. 40).
On notera aussi qu'aux termes de l'article 40, § 1er, dans le cadre d'un marché de fournitures, le pouvoir adjudicateur peut rejeter toute offre dont la part de produits originaires de pays ties à la Communauté européenne excède la moitié de la valeur totale des produits composant cette offre.
L'article 41 établit la liste des articles du régime général des marchés qui - outre les articles 14 à 16 et 17 - s'appliquent également aux secteurs spécifiques concernés par le titre IV. Il s'agit des articles suivants :
- article 6 (autorités compétentes - délégation);
- article 7 (caractère forfaitaire et révision des prix);
- article 8 (acomptes et avances);
- article 9 (marchés de promotion);
- article 10 (interdictions lies aux personnes);
- article 11 (interdiction des conventions et ententes);
- article 12 (respect des lois sociales);
- article 18 (non-obligation d'attribuer le marché);
- article 19 (marché unique pour compte de pouvoirs adjudicateurs différents);
- article 22 (pouvoir royal de fixer les modalités des spécifications techniques, etc.);
- article 23 (créances dues en exécution d'un marché).
1. Généralités - Champ d'application.
Ce titre vise exclusivement les secteurs prémentionnés.
Les règles exposées trouvent leur origine dans la Directive européenne 90/531 du 17 septembre 1990 qui n'avait jamais été transposée en droit belge alors que la date ultime pour cette transposition, fixée au 1er janvier 1993, n'a pas été respectée.
Suivant l'exposé des motifs (p. 5).
" L'exécution de la Directive 90/531/CEE nous confronte à des problèmes qu'on ne peut que difficilement résoudre dans le cadre de la loi du 14 juillet 1976.
Cette directive tend à uniformiser les règles de passation et de contrôle des marchés des secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications.
Les règles visent les marchés de tous les organismes de ces secteurs, quelle que soit leur structure juridique. En fait, tant les personnes purement de droit public ou de droit privé que leurs formes intermédiaires entrent dans le champ d'application...
Ces prescriptions sont, en matière de procédures de passation, moins contraignantes que celles des autres directives et de notre propre réglementation, étant donné qu'elles permettent la passation des marchés après négociation. Par ailleurs, elles sont strictes, sinon plus strictes que les autres directives pour les obligations de publication, essentiellement en ce qui concerne les informations devant être publiées après la passation. "
Ces considérations expliquent que l'on a attendu l'adoption d'une nouvelle loi pour transposer les prescriptions de la directive précitée.
Mais il faut souligner que des mesures d'exécution doivent être prises par le Roi.
L'article 26 de la loi rend le titre IV applicable aux pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4, § 1er et 2, 1° à 8° et 10° ainsi qu'aux entreprises publiques lorsqu'ils exercent une des activités visées au titre précité.
Cet article précise toutefois que pour les entreprises publiques - dont une liste non limitative devra être établie par le Roi - ces dispositions ne sont applicables qu'aux marchés publics ayant trait à leurs tâches de service public telles que déterminées par une loi, un décret ou une ordonnance.
L'article 26 est donc fondamental.
Nous retiendrons qu'il s'applique notamment aux pouvoirs adjudicateurs " publics " mentionnés à l'article 4 de la loi (communes, provinces, intercommunales...) et, de manière générale, que le titre IV concerne tous les marchés concernés, quel que soit le montant.
2. Dispositions générales (articles 27 à 38).
L'article 27 définit les marches de travaux, de fournitures et de services au sens du titre concerné. Il faut noter que ces définitions ne sont pas tout à fait identiques à celles mentionnées dans le régime général des marchés publics (article 5).
Par ailleurs, il précise également ce qu'il y a lieu d'entendre par " entreprise publique " :
Toute entreprise sur laquelle les pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 8° et 10°, peuvent exercer directement ou indirectement une influence dominante du fait de la proprité, de la participation financière ou des règles qui la régisent. L'influence dominante est présumée lorsque ceux-ci, directement ou indirectement, à l'égard de l'entreprise :
- détiennent la majorité du capital de l'entreprise, ou
- disposent de la majorite des voix attachées aux parts émises par l'entreprise, ou
- peuvent désigner plus de la moitié des membres de l'organe d'administration, de direction ou de surveillance de l'entreprise.
Il introduit également la notion d'accord - cadre qui vise l'accord entre un pouvoir adjudicateur et un ou plusieurs entrepreneur ou fournisseurs, ayant pour objet de fixer les termes, notamment en matière de prix, et, le cas échéant, de quantités envisagées, de marchés à passer au cours d'une période donnée.
Les articles 28 à 27 précisent quelles sont les activités, dans les secteurs concernés, qui tombent dans le champ d'application du titre IV et celles qui sont exclues.
Il faut aussi mettre ces dispositions en liaison avec l'article 42 de la loi qui soustrait au livre Ier les marchés passés par les pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 8° et 10° lorsqu'ils se rapportent à la production d'électricité (ces marchés sont donc régis par le libre II - tout au moins lorsqu'ils atteignent les seuils fixés par le Roi - cfr. article 63).
En conclusion, les personnes publiques ou les entreprises publiques visées par la loi sont exclusivement soumises aux dispositions précitées lorsqu'elles exercent une des activités concernées (Exposé des motifs, p. 34).
En ce qui concerne en particulier le cas des intercommunales, on relève dans l'exposé des motifs (p. 34) :
" Il convient ici de clarifier la situation des intercommunales, dont le rôle s'avère particulièrement important dans certains secteurs, comme ceux de l'eau, de l'énergie et des transports. Les intercommunales, qu'elles soient pures ou mixtes, constituent des personnes morales de droit public soumises à la présente loi en projet. Ces personnes étaient d'ailleurs déjà soumises à la loi du 14 juillet 1976. Il faut en outre nettement préciser que la presence éventuelle en leur sein d'un partenariat privé ne modifie en rien le statut public de l'intercommunale. Dès lors, tous les marchés publics à conclure au nom de l'intercommunale avec des tiers doivent l'être dans le respect de la présente législation et des conditions y prévues, toute disposition contraire subissant la sanction de l'article 44. "
3. Modes de passation (articles 39 à 41).
" Les différents modes de passation correspondent à ceux définis au titre Ii pour les marchés publics classiques à une importante exception près : dans les quatre secteurs d'activités concernés, les pouvoirs adjudicateurs disposent du libre choix entre les procédures ouvertes, restreintes ou négociées, pour autant que la mise en concurrence des marchés se traduise par le respect de règles de publicité des marchés spécifiées par le Roi. Cette souplesse de négociation a été voulue pour rencontrer au mieux les impératifs de gestion des pouvoirs adjudicateurs visés, mais cette souplesse appelle en contrepartie des règles de publicité applicables même pour ces procédures négociées et une transparence plus grande au niveau de la motivation des choix. Par exception cependant à ce principe, des marchés peuvent être passés par procédure négociée sans respecter des règles de publicité préalables dans les cas déterminées au § 2 " (Exposé des motifs p. 40).
On notera aussi qu'aux termes de l'article 40, § 1er, dans le cadre d'un marché de fournitures, le pouvoir adjudicateur peut rejeter toute offre dont la part de produits originaires de pays ties à la Communauté européenne excède la moitié de la valeur totale des produits composant cette offre.
L'article 41 établit la liste des articles du régime général des marchés qui - outre les articles 14 à 16 et 17 - s'appliquent également aux secteurs spécifiques concernés par le titre IV. Il s'agit des articles suivants :
- article 6 (autorités compétentes - délégation);
- article 7 (caractère forfaitaire et révision des prix);
- article 8 (acomptes et avances);
- article 9 (marchés de promotion);
- article 10 (interdictions lies aux personnes);
- article 11 (interdiction des conventions et ententes);
- article 12 (respect des lois sociales);
- article 18 (non-obligation d'attribuer le marché);
- article 19 (marché unique pour compte de pouvoirs adjudicateurs différents);
- article 22 (pouvoir royal de fixer les modalités des spécifications techniques, etc.);
- article 23 (créances dues en exécution d'un marché).
Art. 1.5M 2. Titel V. Diverse bepalingen (titel V van de wet).
Artikel 42 werd reeds besproken.
Artikel 45 wijzigt de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken.
Artikel 45 bevat feitelijk twee formele wijzigingen die erin bestaan, enerzijds, de verwijzing naar de wet van 14 juli 1976 te vervangen door de verwijzing naar de nieuwe wet (artikel 1, 2°) en, anderzijds, het toepassingsgebied van de wet uit te breiden tot de erkenning van alle personen bedoeld bij boek I van de nieuwe wet op de overheidsopdrachten (artikel 2).
Artikel 42 werd reeds besproken.
Artikel 45 wijzigt de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken.
Artikel 45 bevat feitelijk twee formele wijzigingen die erin bestaan, enerzijds, de verwijzing naar de wet van 14 juli 1976 te vervangen door de verwijzing naar de nieuwe wet (artikel 1, 2°) en, anderzijds, het toepassingsgebied van de wet uit te breiden tot de erkenning van alle personen bedoeld bij boek I van de nieuwe wet op de overheidsopdrachten (artikel 2).
Art. 1.5M 2. Titre V. Dispositions diverses (titre V de la loi).
L'article 42 a déjà été mentionné.
L'article 45 modifie la loi du 20 mars 1991 concernant l'agréation des entrepreneurs.
En fait, l'article 45 comporte deux modifications formelles qui consistent, d'une part à remplacer la référence à la loi du 14 juillet 1976 par la référence à la loi nouvelle (article 1er, 2°) et, d'autre part, à étendre le champ d'application de la loi sur l'agréation à toutes les personnes visées par le livre Ier de la nouvelle loi sur les marchés (article 2).
L'article 42 a déjà été mentionné.
L'article 45 modifie la loi du 20 mars 1991 concernant l'agréation des entrepreneurs.
En fait, l'article 45 comporte deux modifications formelles qui consistent, d'une part à remplacer la référence à la loi du 14 juillet 1976 par la référence à la loi nouvelle (article 1er, 2°) et, d'autre part, à étendre le champ d'application de la loi sur l'agréation à toutes les personnes visées par le livre Ier de la nouvelle loi sur les marchés (article 2).
Art. 2M 2. HOOFDSTUK II. - Boek II.
Dit boek betreft de mededinging in het raam van de Europese Gemeenschap van bepaalde opdrachten voor aanneming van werken en leveringen in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie.
Voor de concurrerende sectoren is het de transpositie van voormelde Richtlijn 90/531 van 17 september 1990 in het Belgisch recht.
Titel I van boek II is toepasselijk op opdrachten voor aanneming van werken en leveringen waarvan de bedragen gelijk zijn aan of hoger liggen dan de bedragen vastgesteld door de Koning en die gegund zijn aan privaatrechtelijke personen die bijzondere of uitsluitende rechten genieten, " aanbestedende diensten " genoemd, wanneer zij werkzaamheden uitvoeren zoals bedoeld in deze titel (artikel 47).
Voor meer inlichtingen dient men artikelen 47 tot 62 van de wet te raadplegen.
Onthouden wij dat net als artikel 39 (opdrachten gegund door de overheid in specifieke sectoren), artikel 59 de keuze laat de gunningswijze van de opdracht, onder voorbehoud van de naleving van sommige mededingingsvoorwaarden vastgelegd door de Koning.
Titel II voorziet in de toepassing van boek II - dus van voormelde artikelen - op de opdrachten voor aanneming van werken en leveringen, steeds in specifieke sectoren waarvan de bedragen gelijk zijn aan of hoger zijn dan de bedragen vastgesteld voor de toepassing van titel 1 wanneer zij gegund zijn :
a) door de overheidsbedrijven voor de opdrachten die geen betrekking hebben op hun taken van openbare dienst in de zin van een wet, een decreet of een ordonnantie;
b) door de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, voor de opdrachten die betrekking hebben op de produktie van elektriciteit.
Het is dus belangrijk te onthouden dat de bepalingen van boek II enkel van toepassing zijn op de opdrachten van een zeker bedrag.
Dit boek betreft de mededinging in het raam van de Europese Gemeenschap van bepaalde opdrachten voor aanneming van werken en leveringen in de sectoren water, energie, vervoer en telecommunicatie.
Voor de concurrerende sectoren is het de transpositie van voormelde Richtlijn 90/531 van 17 september 1990 in het Belgisch recht.
Titel I van boek II is toepasselijk op opdrachten voor aanneming van werken en leveringen waarvan de bedragen gelijk zijn aan of hoger liggen dan de bedragen vastgesteld door de Koning en die gegund zijn aan privaatrechtelijke personen die bijzondere of uitsluitende rechten genieten, " aanbestedende diensten " genoemd, wanneer zij werkzaamheden uitvoeren zoals bedoeld in deze titel (artikel 47).
Voor meer inlichtingen dient men artikelen 47 tot 62 van de wet te raadplegen.
Onthouden wij dat net als artikel 39 (opdrachten gegund door de overheid in specifieke sectoren), artikel 59 de keuze laat de gunningswijze van de opdracht, onder voorbehoud van de naleving van sommige mededingingsvoorwaarden vastgelegd door de Koning.
Titel II voorziet in de toepassing van boek II - dus van voormelde artikelen - op de opdrachten voor aanneming van werken en leveringen, steeds in specifieke sectoren waarvan de bedragen gelijk zijn aan of hoger zijn dan de bedragen vastgesteld voor de toepassing van titel 1 wanneer zij gegund zijn :
a) door de overheidsbedrijven voor de opdrachten die geen betrekking hebben op hun taken van openbare dienst in de zin van een wet, een decreet of een ordonnantie;
b) door de aanbestedende overheden bedoeld in artikel 4, § 1 en § 2, 1° tot 8° en 10°, voor de opdrachten die betrekking hebben op de produktie van elektriciteit.
Het is dus belangrijk te onthouden dat de bepalingen van boek II enkel van toepassing zijn op de opdrachten van een zeker bedrag.
Art. 2M 2. CHAPITRE II. - Livre II.
Ce livre concerne la mise en concurrence au niveau de la Communauté européenne de certains marchés de travaux et de fournitures dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications.
Il constitue pour les secteurs concurrentiels, la transposition dans le droit belge de la Directive prérappelée n° 90/531 du 17 septembre 1990.
Le titre Ier du livre II est applicable aux marchés de travaux et de fournitures qui atteignent ou dépassent les montants à fixer par le Roi - conclus par des personnes privées bénéficiant de droits spéciaux ou exclusifs, dénommées entités adjudicatrices, lorsqu'elles exercent une activité visée au titre susdit (article 47).
Pour plus de détails, il y a lieu de se reférer aux articles 47 à 62 de la loi.
Retenons qu'à l'instar de l'article 39 (marchés conclus par les pouvoirs publics dans les secteurs spécifiques), l'article 59 laisse le choix du mode de passation du marché, sous réserve du respect de certains règles de concurrence à fixer par le Roi.
Le titre II prévoit l'application du livre II - donc des articles susmentionnés - aux marchés de travaux et de fournitures, toujours dans les secteurs spécifiques, qui atteignent ou dépassent les mêmes montants que ceux pris en compte pour l'application du titre Ier, lorsqu'ils sont conclus :
a) par les entreprises publiques : pour les marchés qui n'ont pas trait à leurs tâches de service public au sens d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance;
b) par les pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 8° et 10° : pour les marchés qui se rapportent à la production d'électricité.
Il est donc essentiel de retenir que les règles fixées au livre II ne jouent que pour les marchés qui atteignent certains montants.
Ce livre concerne la mise en concurrence au niveau de la Communauté européenne de certains marchés de travaux et de fournitures dans les secteurs de l'eau, de l'énergie, des transports et des télécommunications.
Il constitue pour les secteurs concurrentiels, la transposition dans le droit belge de la Directive prérappelée n° 90/531 du 17 septembre 1990.
Le titre Ier du livre II est applicable aux marchés de travaux et de fournitures qui atteignent ou dépassent les montants à fixer par le Roi - conclus par des personnes privées bénéficiant de droits spéciaux ou exclusifs, dénommées entités adjudicatrices, lorsqu'elles exercent une activité visée au titre susdit (article 47).
Pour plus de détails, il y a lieu de se reférer aux articles 47 à 62 de la loi.
Retenons qu'à l'instar de l'article 39 (marchés conclus par les pouvoirs publics dans les secteurs spécifiques), l'article 59 laisse le choix du mode de passation du marché, sous réserve du respect de certains règles de concurrence à fixer par le Roi.
Le titre II prévoit l'application du livre II - donc des articles susmentionnés - aux marchés de travaux et de fournitures, toujours dans les secteurs spécifiques, qui atteignent ou dépassent les mêmes montants que ceux pris en compte pour l'application du titre Ier, lorsqu'ils sont conclus :
a) par les entreprises publiques : pour les marchés qui n'ont pas trait à leurs tâches de service public au sens d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance;
b) par les pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 4, § 1er et § 2, 1° à 8° et 10° : pour les marchés qui se rapportent à la production d'électricité.
Il est donc essentiel de retenir que les règles fixées au livre II ne jouent que pour les marchés qui atteignent certains montants.
Art. 3M 2. HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen.
Ik heb reeds de vraag van de inwerkingteding van de wet (artikelen 68 en 69) behandeld.
Artikel 66 wijzigt artikel 314 van het Strafwetboek om de ongeoorloofde afspraken tussen ondernemers, leveranciers of dienstenverleners beter te straffen.
Daarvoor :
1) beperkt het de betrokken inbreuken niet meer op de enige gevallen waarin zij door geweld of bedreigingen gepleegd zijn, maar breidt ze uit tot de gevallen van schenkingen, beloften of tot gelijk welk ander frauduleus middel;
2) schrapt het de beperking voortkomend uit de woorden " hetzij voor, hetzij tijdens het opbod of de inschrijven " en zodoende de afspraken te allen tijde strafbaar maakt.
Artikel 314 van het Strafwetboek luidt dus als volgt :
" Zij die bij toewijzingen van de eigendom van het vruchtgebruik of van de huur van roerende of onroerende zaken, van een aanneming, van een levering, van een bedrijf of van enige dienst, de vrijheid van opbod of van inschrijving door geweld of bedreiging of door schenkingen of beloften of door gelijk welk ander frauduleus middel belemmeren of storen, worden gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot drieduizend frank. "
Ik heb reeds de vraag van de inwerkingteding van de wet (artikelen 68 en 69) behandeld.
Artikel 66 wijzigt artikel 314 van het Strafwetboek om de ongeoorloofde afspraken tussen ondernemers, leveranciers of dienstenverleners beter te straffen.
Daarvoor :
1) beperkt het de betrokken inbreuken niet meer op de enige gevallen waarin zij door geweld of bedreigingen gepleegd zijn, maar breidt ze uit tot de gevallen van schenkingen, beloften of tot gelijk welk ander frauduleus middel;
2) schrapt het de beperking voortkomend uit de woorden " hetzij voor, hetzij tijdens het opbod of de inschrijven " en zodoende de afspraken te allen tijde strafbaar maakt.
Artikel 314 van het Strafwetboek luidt dus als volgt :
" Zij die bij toewijzingen van de eigendom van het vruchtgebruik of van de huur van roerende of onroerende zaken, van een aanneming, van een levering, van een bedrijf of van enige dienst, de vrijheid van opbod of van inschrijving door geweld of bedreiging of door schenkingen of beloften of door gelijk welk ander frauduleus middel belemmeren of storen, worden gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot drieduizend frank. "
Art. 3M 2. CHAPITRE III. - Dispositions finales.
J'ai déjà évoqué la question de l'entrée en vigueur de la loi (articles 68 et 69).
L'article 66 quant à lui modifie l'article 314 du Code pénal afin de mieux sanctionner les ententes illicites entre entrepreneurs, fournisseurs ou prestataires de services.
Pour ce faire :
1) il ne limite plus les infractions en cause aux seuls cas où elles sont commises par violences ou menaces mais les étend aux cas de dons, promesses ou tout autre moyen frauduleux;
2) il supprime la limitation résultant des mots " soit avant, soit pendant les enchères ou les soumissions ", permettant la sanction des ententes en tout temps.
L'article 314 du Code pénal se présente dès lors comme suit :
" Les personnes qui, dans les adjudications de la proprieté, de l'usufruit ou de la location des choses mobilières ou immobilières, d'une entreprise, d'une fourniture, d'une exploitation ou d'un service quelconque, auront entravé ou troublé la liberté des enchères ou des soumissions par violences ou par menances, par dons ou promesses ou par tout autre moyen frauduleux, seront punies d'un emprisonnement de quinze jours à six mois et d'une amende de cent francs à trois mille francs. "
J'ai déjà évoqué la question de l'entrée en vigueur de la loi (articles 68 et 69).
L'article 66 quant à lui modifie l'article 314 du Code pénal afin de mieux sanctionner les ententes illicites entre entrepreneurs, fournisseurs ou prestataires de services.
Pour ce faire :
1) il ne limite plus les infractions en cause aux seuls cas où elles sont commises par violences ou menaces mais les étend aux cas de dons, promesses ou tout autre moyen frauduleux;
2) il supprime la limitation résultant des mots " soit avant, soit pendant les enchères ou les soumissions ", permettant la sanction des ententes en tout temps.
L'article 314 du Code pénal se présente dès lors comme suit :
" Les personnes qui, dans les adjudications de la proprieté, de l'usufruit ou de la location des choses mobilières ou immobilières, d'une entreprise, d'une fourniture, d'une exploitation ou d'un service quelconque, auront entravé ou troublé la liberté des enchères ou des soumissions par violences ou par menances, par dons ou promesses ou par tout autre moyen frauduleux, seront punies d'un emprisonnement de quinze jours à six mois et d'une amende de cent francs à trois mille francs. "
Art. M3. III. Besluit.
Zelfs indien, in haar geheel, de beginselen die de wet van 14 juli 1976 regelen, geldig blijven, kan met niet ontkennen dat de nieuwe wet op de overheidsopdrachten een belangrijke hervorming is zowel op kwantitatief vlak (69 artikelen tegen 32) als op kwalitatief vlak.
Ten opzichte daarvan zal het U niet ontsnappen dat de inwerkingtreding van de nieuwe wet sectorieel zal zijn en dat de klassieke sector, hetzij de sector met betrekking op de meeste handelingen van de gemeenten, provincies en intercommunales, waarschijnlijk de laatste zal zijn.
Het lezen van de wet van 24 december 1993 en van deze omzendbrief zal zeker bij U vragen of opmerkingen wekken.
Rekening houdend evenwel dat de te treffen uitvoeringsbesluiten het door de wetgever opgerichte bouwwerk zullen aanvullen en daardoor zeker antwoorden op uw vragen zullen brengen, nodig ik U uit mij zo vlug mogelijk de vragen die deze wet wekt mee te delen.
Ik zal trachten er het nodig gevolg aan te geven.
Mij dunkt dat deze procedure van aard zal zijn een doeltreffende toepassing van de nieuwe wet toe te laten wanneer zij in werking zal treden.
Namen, 22 juni 1994.
De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Begroting,
B. Anselme.
Zelfs indien, in haar geheel, de beginselen die de wet van 14 juli 1976 regelen, geldig blijven, kan met niet ontkennen dat de nieuwe wet op de overheidsopdrachten een belangrijke hervorming is zowel op kwantitatief vlak (69 artikelen tegen 32) als op kwalitatief vlak.
Ten opzichte daarvan zal het U niet ontsnappen dat de inwerkingtreding van de nieuwe wet sectorieel zal zijn en dat de klassieke sector, hetzij de sector met betrekking op de meeste handelingen van de gemeenten, provincies en intercommunales, waarschijnlijk de laatste zal zijn.
Het lezen van de wet van 24 december 1993 en van deze omzendbrief zal zeker bij U vragen of opmerkingen wekken.
Rekening houdend evenwel dat de te treffen uitvoeringsbesluiten het door de wetgever opgerichte bouwwerk zullen aanvullen en daardoor zeker antwoorden op uw vragen zullen brengen, nodig ik U uit mij zo vlug mogelijk de vragen die deze wet wekt mee te delen.
Ik zal trachten er het nodig gevolg aan te geven.
Mij dunkt dat deze procedure van aard zal zijn een doeltreffende toepassing van de nieuwe wet toe te laten wanneer zij in werking zal treden.
Namen, 22 juni 1994.
De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Begroting,
B. Anselme.
Art. M3. III. Conclusions.
Même si, dans l'ensemble, les principes qui sous-tendent la loi du 14 juillet 1976 restent valables, on ne peut nier que la nouvelle loi sur les marchés publics constitue une importante réforme tant sur le plan quantitatif (69 articles contre 32) que sur le plan qualitatif.
A cet égard, il ne vous a pas échappé que l'entrée en vigueur de la nouvelle loi sera sectorielle, le secteur classique, c'est-à-dire celui qui concerne la plupart des actes des communes, des provinces et des intercommunales, étant probablement le dernier concerné.
La lecture de la loi du 24 décembre 1993 et de la présente circulaire ne manquera pas de susciter de votre part diverses questions ou observations.
Aussi, en considérant toutefois que les arrêtés d'exécution à intervenir compléteront l'édifice mis en place par le législateur et apporteront donc certainement des réponses à vois préoccupations, je vous invite à me faire part dans les meilleurs délais des questions que soulève la nouvelle loi.
Je m'efforcerai d'y apporter la suite requise.
Il me paraît que cette procédure sera de nature à permettre une application efficace de la nouvelle loi lorsqu'elle sera en vigueur.
Namur, le 22 juin 1994.
Le Ministre des Affaires intérieures, de la Fonction publique et du Budget,
B. Anselme.
Même si, dans l'ensemble, les principes qui sous-tendent la loi du 14 juillet 1976 restent valables, on ne peut nier que la nouvelle loi sur les marchés publics constitue une importante réforme tant sur le plan quantitatif (69 articles contre 32) que sur le plan qualitatif.
A cet égard, il ne vous a pas échappé que l'entrée en vigueur de la nouvelle loi sera sectorielle, le secteur classique, c'est-à-dire celui qui concerne la plupart des actes des communes, des provinces et des intercommunales, étant probablement le dernier concerné.
La lecture de la loi du 24 décembre 1993 et de la présente circulaire ne manquera pas de susciter de votre part diverses questions ou observations.
Aussi, en considérant toutefois que les arrêtés d'exécution à intervenir compléteront l'édifice mis en place par le législateur et apporteront donc certainement des réponses à vois préoccupations, je vous invite à me faire part dans les meilleurs délais des questions que soulève la nouvelle loi.
Je m'efforcerai d'y apporter la suite requise.
Il me paraît que cette procédure sera de nature à permettre une application efficace de la nouvelle loi lorsqu'elle sera en vigueur.
Namur, le 22 juin 1994.
Le Ministre des Affaires intérieures, de la Fonction publique et du Budget,
B. Anselme.