Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 APRIL 1995. - Collectieve arbeidsovereenkomst van 21 april 1995. - Arbeidsvoorwaarden voor de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1996 (Overeenkomst geregistreerd op 17 juli 1995 onder het nummer 38458/CO/114).
Titre
21 AVRIL 1995. - Convention collective de travail du 21 avril 1995. - Conditions de travail pour la période du 1er janvier 1995 au 31 décembre 1996 (Convention enregistrée le 17 juillet 1995 sous le numéro 38458/CO/114).
Dokumentinformationen
Tekst (57)
Texte (58)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en werklieden van de ondernemingen welke ressorteren onder het Paritair Comité voor de steenbakkerij.
  Deze collectieve arbeidsovereenkomst is niet van toepassing op de N.V. Scheerders-Van Kerchove's Verenigde Fabrieken te Sint-Niklaas en op de werklieden die er zijn tewerkgesteld.
  Onder "werklieden" wordt verstaan werklieden en werksters.
Article 1. La présente convention collective de travail s'applique aux employeurs et aux ouvriers des entreprises ressortissant à la Commission paritaire de l'industrie des briques.
  La présente convention collective de travail ne s'applique pas à la firme N.V. Scheerders-Van Kerchove' s Verenigde Fabrieken à Saint-Nicolas, ni aux ouvriers qui y sont occupés.
  Par "ouvriers", on entend les ouvriers et les ouvrières.
HOOFDSTUK II. - Arbeidsduur.
CHAPITRE II. - Durée du travail.
Art.2. De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur is vastgesteld op 38uur.
Art.2. La durée hebdomadaire moyenne du travail est fixée à 38 heures.
HOOFDSTUK III. - Koppeling van de bezoldigingen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.
CHAPITRE III. - Liaison des rémunérations à l'indice des prix à la consommation.
Art.3. De in hoofdstuk IV vastgestelde lonen, de werkelijk uitbetaalde lonen, alsook de lonen van de werklieden die geheel of gedeeltelijk per stuk worden betaald, de ploegenpremies bedoeld bij hoofdstuk VI, worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen en staan tegenover het referte-indexcijfer 115,27.
Art.3. Les salaires fixés au chapitre IV, les salaires effectivement payés, ainsi que les salaires des ouvriers rémunérés complètement ou partiellement aux pièces et les primes d'équipes visées au chapitre VI, sont liés à l'indice des prix à la consommation et correspondent à l'indice de référence 115,27.
Art. 4. Het referte-indexcijfer 115,27 is de spil van de stabilisatieschijf waarvan 113,01 de laagste grens en 117,58 de hoogste grens is.
Art. 4. L'indice de référence 115,27 est le pivot de la tranche de stabilisation dont 113,01 est la limite inférieure et 117,58 la limite supérieure.
  Laagste          Spil               Hoogste
  grens                               grens
  

Änderungen

113,01          115,27              117,58
115,27          117,58              119,93
117,58          119,93              122,33
119,93          122,33              124,78
122,33          124,78              127,28
124,78          127,28              129,83
  Limite               Pivot               Limite
  inferieure                               superieure
  

Änderungen

113,01               115,27               117,58
115,27               117,58               119,93
117,58               119,93               122,33
119,93               122,33               124,78
122,33               124,78               127,28
124,78               127,28               129,83
Art.5. De lonen en tarieven worden verlaagd of verhoogd met 2 pct. wanneer het indexcijfer de laagste of hoogste grens van de van kracht zijnde stabilisatieschijf heeft bereikt.
  Het resultaat van deze berekening wordt op de dichtst benaderende halve deciem afgerond, met dien verstande dat 2,4 centiemen en minder wegvallen en 7,5 centiemen en meer op de juist hoger gelegen deciem worden afgerond.
  Wat de tarieven betreft wordt, wanneer de derde decimaal van de uitkomst vijf is, de tweede decimaal met één eenheid verhoogd.
Art.5. Les salaires et les tarifs diminuent ou augmentent de 2 p.c. lorsque l'indice a atteint la limite inférieure ou la limite supérieure de la tranche de stabilisation en vigueur.
  Le résultat de ce calcul est arrondi au demi-décime le plus proche, étant entendu que 24 centimes et moins sont négligés et que 75 centimes et plus sont arrondis au décime immédiatement supérieur.
  Quant aux tarifs, la deuxième décimale est augmentée d'une unité lorsque la troisième décimale du résultat est cinq.
Art.6. De loonaanpassingen zijn van toepassing vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarvan het indexcijfer aanleiding geeft tot aanpassing.
Art.6. Les adaptations salariales s'appliquent à partir du premier jour du mois suivant le mois dont l'indice donne lieu à une adaptation.
Art.7. Wanneer algemene loonsverhogingen gelijktijdig geschieden in uitvoering van de gesloten collectieve arbeidsovereenkomst en in uitvoering van de bepalingen tot koppeling van de lonen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, worden de nieuwe lonen als volgt berekend :
  a) indien een loonsverhoging bij toepassing van de bepalingen van de artikelen 3 tot 6, samenvalt met een algemene loonsverhoging bij het ingaan van een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst, worden de lonen eerst aangepast aan de nieuwe indexschijf en daarna verhoogd zoals voorzien door de nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst;
  b) indien een loonsverhoging, door de collectieve arbeidsovereenkomst voorzien in de loop van haar geldigheidsduur, samenvalt met een loonsverhoging bij toepassing van de bepalingen voorzien in de artikelen 3 tot 6, worden de lonen eerst verhoogd zoals voorzien door de collectieve arbeidsovereenkomst en de aldus bekomen nieuwe lonen daarna aangepast aan de nieuwe indexschijf.
Art.7. Lorsque les augmentations générales des salaires ont lieu simultanément en exécution de la convention collective de travail conclue et des dispositions concernant la liaison des salaires à l'indice des prix à la consommation, les nouveaux salaires sont calculés comme suit :
  a) si une augmentation des salaires résultant de l'application des dispositions des articles 3 à 6 coïncide avec une augmentation générale des salaires au moment de l'entrée en vigueur d'une nouvelle convention collective de travail, les salaires sont d'abord adaptés à la nouvelle tranche d'indices et majorés ensuite comme le prévoit la nouvelle convention collective de travail;
  b) si une augmentation des salaires, prévue par la convention collective de travail pendant sa durée de validité, coïncide avec une augmentation des salaires résultant de l'application des dispositions des articles 3 à 6, les salaires sont d'abord majorés comme le prévoit la convention collective de travail et les nouveaux salaires ainsi obtenus sont ensuite adaptés à la nouvelle tranche d'indices.
HOOFDSTUK IV. - Lonen.
CHAPITRE IV. - Salaires.
Art. 8. De minimumuurlonen van de werklieden vanaf 18 jaar worden met ingang van 1 januari 1995 als volgt vastgesteld :
Art. 8. Les salaires horaires minimums des ouvriers âgés de 18 ans et plus sont fixés comme suit à partir du 1er janvier 1995 :
  1° Salaires horaires minimums généraux :
  1° Algemene minimumuurlonen.
  a) Maneuver                                                 374,40 F
  b) Stokers van ringovens (ploegenpremie niet inbegrepen     379,10 F
  c) Produktiewerklieden
  1. tegen uurloon bezoldigd                                  380,80 F
  2. Gewaarborgd gemiddeld uurloon voor een                   390,00 F
  normaal rendement voor werklieden die tegen
  stukloon bezoldigd worden
  d) Geschoolden                                              380,80 F
  a) Manoeuvres                                374,40 F
  b) Cuiseurs de fours circulaires
  (prime d'equipe non comprise)                379,10 F
  c) Ouvriers de production :
  1. remuneres a l'heure                       380,80 F
  2. salaire horaire moyen garanti pour un
  rendement normal pour les ouvriers
  remuneres aux pieces                         390,00 F
  d) Qualifies                                 380,80 F
  2° Bijzondere minimumuurlonen.
  Voor de volgende omschrijvingen worden volgende bijzondere minimumuurlonen vastgesteld :
  1°) Gewest Rupel, omvattende de gemeenten Boom, Niel en Rumst :
  2° Salaires horaires minimums spéciaux.
  Pour les circonscriptions suivantes, les salaires horaires minimums spéciaux suivants sont fixés :
  1°) Région du Rupel, comprenant les communes de Boom, Niel et Rumst :
  1. Licht maneuverwerk                                       360,40 F
  is licht maneuverwerk : - kuisen van sanitaires, refters
  en burelen; - onderhoud werkkleding; - opkuisen en
  goedleggen van "pladekken".
  2. Onderhoudspersoneel (geschoolde werklieden) :
  categorie B                                                 396,05 F
  categorie C                                                 409,70 F
  categorie D                                                 423,40 F
  3. Toeslag per uur bij de stuklonen                         223,85 F
  1. Travail leger de manoeuvre                360,40 F
  est du travail leger de manoeuvre :
  - nettoyage des sanitaires, refectoires et
  bureaux;
  - entretien des vetements de travail;
  - nettoyage et mise en place des
  revetements plats.
  2. Personnel d'entretien (ouvriers
  qualifies) :
  categorie B                                  396,05 F
  categorie C                                  409,70 F
  categorie D                                  423,40 F
  3. Supplement horaire s'ajoutant
  aux salaires aux pieces                      223,85 F
  2°) Gewest Kempen, omvattende de gemeenten Beerse, Brecht, Essen, Hoogstraten, Malle, Merksplas, Oud-Turnhout en Rijkevorsel :
  1. Stokers van ringovens (ploegenpremie niet inbegrepen) : 390,20 F
  2. Onderhoudspersoneel :
  a) bij het vaststellen van de lonen voor de bouwvak- en metaalarbeiders worden de lonen, welke respectievelijk vastgesteld zijn in de sectoren van het bouwbedrijf en van de metaalverwerkende nijverheid als richtlonen genomen;
  b) helper-metser, -timmerman, -smid : 386,05 F
  Onder helper-metser, -timmerman en -smid moeten verstaan worden, diegenen die zonder vakman te zijn, mede helpen metsen, timmeren of smeden. Worden niet beschouwd als helpers, degenen die toevallig metselen, timmeren, enz. Hieronder worden dus geen metserdienders, noch aanbrengers van materiaal verstaan, noch werklieden tewerkgesteld aan het afbreken van gebouwen, loodsen enz.
  3. Toeslag per uur bij stuklonen: 232,00 F.
  3°) Vlaams-Brabant en de arrondissementen Aalst, Gent-Eeklo en Oudenaarde :
  1. Minimumstuklonen (voor werken in de ondernemingen waar de bakstenen worden gemaakt aan de tafel of met de gewone motorpers en/of gebakken in veldovens :
  a) referentieloon voor de volledige ploeg produktiewerklieden aan de gewone motorpers, per 1000 steen, op normale werf, voorbewerkte klei : 782,00 F.
  b) referentieloon met inbegrip van de bijslag van 1,5 pct. overeenkomstig het koninklijk besluit van 21 september 1972 betreffende de bezoldiging van sommige werklieden van de steenbakkerijen voor de ingevolge slecht weder verloren arbeidsuren: 795,00 F.
  2. Overeenkomstig de beslissing van 5 maart 1962 van het Nationaal Paritair Comité voor de steenbakkerij tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden in de ondernemingen waar bakstenen worden gemaakt met de hand of met de motorpers en/of gebakken in veldovens algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 28 augustus 1962, verlengd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 september 1970, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 4 november 1970, worden de minimumstuklonen van de hierna vermelde ploegen werklieden als volgt vastgesteld :
  a) voor de volledige ploeg produktiewerklieden aan de ronde pers, ongeacht het aantal werklieden van de ploeg, met inbegrip van de toeslag van 1,5 pct. zoals hierboven onder 3°), 1, b) vermeld : 727,00 F
  b) voor de volledige ploeg inzetters van veldovens in open lucht, met inbegrip van de forfaitaire vergoeding van 4 pct. voor de tien betaalde feestdagen : 670,00 F
  3. Bij het loon bekomen door toepassing van de van kracht zijnde stukloontarieven wordt een eenvormige toeslag per uur toegevoegd van : 128,20 F.
  2°) Région de la Campine, comprenant les communes de Beerse, Brecht, Essen, Hoogstraten, Malle, Merksplas, Oud-Turnhout et Rijkevorsel :
  1. Cuiseurs de fours circulaires (prime d'équipes non comprise) : 390,20 F.
  2. Personnel d'entretien :
  a) lors de la fixation des salaires pour les ouvriers de la construction et des fabrications métalliques, les salaires fixés respectivement dans les secteurs de la construction et de l'industrie des fabrications métalliques serviront de salaires indicatifs;
  b) aide-macon, aide-charpentier, aide-forgeron : 386,05 F.
  Par aide-macon, aide-charpentier et aide-forgeron, il faut entendre ceux qui sans être du métier, aident à maconner, à charpenter ou à forger. Ne sont pas considérés comme aides, ceux qui maconnent, charpentent, etc., occasionnellement. Ne font donc pas partie de ces ouvriers, les manoeuvres macons, les ouvriers qui amènent le matériel sur place, ou ceux qui sont occupés à la démolition de bâtiments, hangars, etc..
  3. Supplément horaire s'ajoutant aux salaires aux pièces : 232,00 F.
  3°) Brabant flamand et les arrondissements d'Alost, de Gand-Eeklo et d'Audenarde :
  1. Salaires minimums aux pièces (pour les travaux effectués dans les entreprises où les briques sont fabriquées à la table ou à la presse ordinaire à moteur et/ou cuites en fours de campagne) :
  a) salaire de référence pour l'équipe complète d'ouvriers de la production à la presse ordinaire à moteur, par mille briques, sur chantier normal, terre préparée : 782,00 F;
  b) salaire de référence, y compris le supplément de 1,5 p.c., conformément à l'arrêté royal du 21 septembre 1972 relatif à la rémunération de certains ouvriers de l'industrie des briques pour les heures de travail perdues en raison d'intempéries : 795,00 F.
  2. Conformément à la décision du 5 mars 1962 de la Commission paritaire nationale de l'industrie des briques, fixant les conditions de travail dans les entreprises où les briques sont fabriquées à la table ou à la presse à moteur et/ou cuites en fours de campagne, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 28 août 1962, reconduite par la convention collective de travail du 25 septembre 1970, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 4 novembre 1970, les salaires minimums aux pièces pour les équipes d'ouvriers mentionnées ci-après sont fixés comme suit :
  a) pour l'équipe complète d'ouvriers de la production à la presse circulaire, quel que soit le nombre d'ouvriers de l'équipe, y compris le supplément de 1,5 p.c., tel que mentionné au 3°), 1, b) ci-dessus : 727,00 F;
  b) pour l'équipe complète d'enfourneurs de fours de campagne en plein air, y compris le paiement forfaitaire de 4 p.c. pour les dix jours fériés payés : 670,00 F.
  3. Au salaire obtenu en appliquant les tarifs des salaires aux pièces en vigueur s'ajoute un supplément horaire uniforme de : 128,20 F.
Art. 9. § 1. De minimumuurlonen van de minderjarige werklieden worden vastgesteld naargelang hun leeftijd op de hierna vermelde percentages van het loon van de meerderjarige werklieden van de categorie waartoe ze behoren, en onverminderd gunstiger voorwaarden welke van toepassing zijn in de onderneming: vanaf 17 jaar tot minder dan 18 jaar = 90 pct. vanaf 16 jaar tot minder dan 17 jaar = 80 pct. vanaf 15 jaar tot minder dan 16 jaar = 70 pct.
  § 2. De jongeren van 18 tot 21 jaar die volledig werkloos zijn en voor de eerste maal in een steenbakkerij worden aangeworven, kunnen gedurende maximum 1 jaar vergoed worden aan 90 pct. van het met de beroepskwalifikatie overeenstemmend uurloon.
  § 3. Ingeval van tewerkstelling van studenten dienen de loonsvoorwaarden te worden vastgelegd op bedrijfsvlak, in onderling overleg tussen de werkgever en de syndicale afvaardiging.
  Deze loonsvoorwaarden vastgesteld op bedrijfsvlak dienen onderwerp uit te maken van een akkoord ondertekend door de werkgever en de syndicale afvaardiging. Bij ontstentenis van een dergelijke overeenkomst zijn de minimumuurlonen van toepassing zoals vermeld in vorige artikelen van dit hoofdstuk.
Art. 9. § 1er. Les salaires horaires minimums des ouvriers mineurs d'âge sont fixés suivant leur âge aux pourcentages mentionnés ci-dessous du salaire des ouvriers majeurs de la catégorie à laquelle ils appartiennent et sans préjudice des dispositions plus favorables qui sont en vigueur dans l'entreprise :
  de 17 ans à moins de 18 ans = 90 p.c.;
  de 16 ans à moins de 17 ans = 80 p.c.;
  de 15 ans à moins de 16 ans = 70 p.c..
  § 2. Les jeunes chômeurs complets de 18 à 21 ans, qui sont embauchés pour la première fois dans une briqueterie, peuvent être rémunérés pendant 1 an au maximum à 90 p.c. du salaire horaire correspondant à leur qualification professionnelle.
  § 3. En cas d'embauche d'étudiants, les conditions salariales doivent être fixées au niveau de l'entreprise, en commun accord entre l'employeur et la délégation syndicale.
  Ces conditions salariales fixées au niveau de l'entreprise doivent faire l'objet d'un accord signé par l'employeur et la délégation syndicale. A défaut d'un pareil accord, les salaires horaires minimums sont d'application comme mentionné dans les articles précédents de ce chapitre.
  2°) Gewest Kempen, omvattende de gemeenten Beerse, Brecht, Essen, Hoogstraten, Malle, Merksplas, Oud-Turnhout en Rijkevorsel :
  1. Stokers van ringovens (ploegenpremie niet inbegrepen) : 390,20 F
  2. Onderhoudspersoneel :
  a) bij het vaststellen van de lonen voor de bouwvak- en metaalarbeiders worden de lonen, welke respectievelijk vastgesteld zijn in de sectoren van het bouwbedrijf en van de metaalverwerkende nijverheid als richtlonen genomen;
  b) helper-metser, -timmerman, -smid : 386,05 F
  Onder helper-metser, -timmerman en -smid moeten verstaan worden, diegenen die zonder vakman te zijn, mede helpen metsen, timmeren of smeden. Worden niet beschouwd als helpers, degenen die toevallig metselen, timmeren, enz. Hieronder worden dus geen metserdienders, noch aanbrengers van materiaal verstaan, noch werklieden tewerkgesteld aan het afbreken van gebouwen, loodsen enz.
  3. Toeslag per uur bij stuklonen: 232,00 F.
  3°) Vlaams-Brabant en de arrondissementen Aalst, Gent-Eeklo en Oudenaarde :
  1. Minimumstuklonen (voor werken in de ondernemingen waar de bakstenen worden gemaakt aan de tafel of met de gewone motorpers en/of gebakken in veldovens :
  a) referentieloon voor de volledige ploeg produktiewerklieden aan de gewone motorpers, per 1000 steen, op normale werf, voorbewerkte klei : 782,00 F.
  b) referentieloon met inbegrip van de bijslag van 1,5 pct. overeenkomstig het koninklijk besluit van 21 september 1972 betreffende de bezoldiging van sommige werklieden van de steenbakkerijen voor de ingevolge slecht weder verloren arbeidsuren: 795,00 F.
  2. Overeenkomstig de beslissing van 5 maart 1962 van het Nationaal Paritair Comité voor de steenbakkerij tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden in de ondernemingen waar bakstenen worden gemaakt met de hand of met de motorpers en/of gebakken in veldovens algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 28 augustus 1962, verlengd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 september 1970, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 4 november 1970, worden de minimumstuklonen van de hierna vermelde ploegen werklieden als volgt vastgesteld :
  a) voor de volledige ploeg produktiewerklieden aan de ronde pers, ongeacht het aantal werklieden van de ploeg, met inbegrip van de toeslag van 1,5 pct. zoals hierboven onder 3°), 1, b) vermeld : 727,00 F
  b) voor de volledige ploeg inzetters van veldovens in open lucht, met inbegrip van de forfaitaire vergoeding van 4 pct. voor de tien betaalde feestdagen : 670,00 F
  3. Bij het loon bekomen door toepassing van de van kracht zijnde stukloontarieven wordt een eenvormige toeslag per uur toegevoegd van : 128,20 F.
  2°) Région de la Campine, comprenant les communes de Beerse, Brecht, Essen, Hoogstraten, Malle, Merksplas, Oud-Turnhout et Rijkevorsel :
  1. Cuiseurs de fours circulaires (prime d'équipes non comprise) : 390,20 F.
  2. Personnel d'entretien :
  a) lors de la fixation des salaires pour les ouvriers de la construction et des fabrications métalliques, les salaires fixés respectivement dans les secteurs de la construction et de l'industrie des fabrications métalliques serviront de salaires indicatifs;
  b) aide-macon, aide-charpentier, aide-forgeron : 386,05 F.
  Par aide-macon, aide-charpentier et aide-forgeron, il faut entendre ceux qui sans être du métier, aident à maconner, à charpenter ou à forger. Ne sont pas considérés comme aides, ceux qui maconnent, charpentent, etc., occasionnellement. Ne font donc pas partie de ces ouvriers, les manoeuvres macons, les ouvriers qui amènent le matériel sur place, ou ceux qui sont occupés à la démolition de bâtiments, hangars, etc..
  3. Supplément horaire s'ajoutant aux salaires aux pièces : 232,00 F.
  3°) Brabant flamand et les arrondissements d'Alost, de Gand-Eeklo et d'Audenarde :
  1. Salaires minimums aux pièces (pour les travaux effectués dans les entreprises où les briques sont fabriquées à la table ou à la presse ordinaire à moteur et/ou cuites en fours de campagne) :
  a) salaire de référence pour l'équipe complète d'ouvriers de la production à la presse ordinaire à moteur, par mille briques, sur chantier normal, terre préparée : 782,00 F;
  b) salaire de référence, y compris le supplément de 1,5 p.c., conformément à l'arrêté royal du 21 septembre 1972 relatif à la rémunération de certains ouvriers de l'industrie des briques pour les heures de travail perdues en raison d'intempéries : 795,00 F.
  2. Conformément à la décision du 5 mars 1962 de la Commission paritaire nationale de l'industrie des briques, fixant les conditions de travail dans les entreprises où les briques sont fabriquées à la table ou à la presse à moteur et/ou cuites en fours de campagne, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 28 août 1962, reconduite par la convention collective de travail du 25 septembre 1970, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 4 novembre 1970, les salaires minimums aux pièces pour les équipes d'ouvriers mentionnées ci-après sont fixés comme suit :
  a) pour l'équipe complète d'ouvriers de la production à la presse circulaire, quel que soit le nombre d'ouvriers de l'équipe, y compris le supplément de 1,5 p.c., tel que mentionné au 3°), 1, b) ci-dessus : 727,00 F;
  b) pour l'équipe complète d'enfourneurs de fours de campagne en plein air, y compris le paiement forfaitaire de 4 p.c. pour les dix jours fériés payés : 670,00 F.
  3. Au salaire obtenu en appliquant les tarifs des salaires aux pièces en vigueur s'ajoute un supplément horaire uniforme de : 128,20 F.
Art.9. § 1. De minimumuurlonen van de minderjarige werklieden worden vastgesteld naargelang hun leeftijd op de hierna vermelde percentages van het loon van de meerderjarige werklieden van de categorie waartoe ze behoren, en onverminderd gunstiger voorwaarden welke van toepassing zijn in de onderneming: vanaf 17 jaar tot minder dan 18 jaar = 90 pct. vanaf 16 jaar tot minder dan 17 jaar = 80 pct. vanaf 15 jaar tot minder dan 16 jaar = 70 pct.
Art.9. § 1er. Les salaires horaires minimums des ouvriers mineurs d'âge sont fixés suivant leur âge aux pourcentages mentionnés ci-dessous du salaire des ouvriers majeurs de la catégorie à laquelle ils appartiennent et sans préjudice des dispositions plus favorables qui sont en vigueur dans l'entreprise :
Art.10. Bij het berekenen van de in dit hoofdstuk bepaalde uurlonen wordt het resultaat van deze berekening tot op de dichtst benaderende halve deciem afgerond, met dien verstande dat 2,4 centiemen en minder wegvallen en 7,5 centiemen en meer op de hoger gelegen deciem worden afgerond.
  Bij het berekenen van de in dit hoofdstuk bepaalde stuklonen wordt het resultaat van deze berekening afgerond tot de lagere frank, indien de eerste twee cijfers na de komma lager zijn dan of gelijk zijn aan 49; ze worden daarentegen afgerond tot de hogere frank, indien de eerste twee cijfers na de komma de 49 overtreffen.
Art.10. Lors du calcul des salaires horaires mentionnés dans le présent chapitre, le résultat de ce calcul est arrondi au demi-décime le plus proche, étant entendu que 24 centimes et moins sont négligés et que 75 centimes et plus sont arrondis au décime supérieur.
  Lors du calcul des salaires aux pièces fixés dans le présent chapitre, le résultat de ce calcul est arrondi au franc inférieur si les deux premiers chiffres après la virgule sont inférieurs ou égaux à 49; ils sont, par contre, arrondis au franc supérieur si les deux premiers chiffres après la virgule dépassent 49.
Art. 12. § 1. Een extra wettelijke toeslag van 100 pct. van het loon, wordt betaald voor het werk op zondag en op een wettelijke feestdag.
  § 2. Voor het werk op een wettelijke feestdag ontvangen de ovenstokers, in de gewesten Rupel, Kempen, en de gemeente Temse, in totaal, betaling van de feestdag inbegrepen, drie maal vierentwintig uren, zijnde tweeënzeventig uren loon te verdelen onder de stokers in onderling akkoord en zoals gebruikelijk in de onderneming.
  § 3. In het gewest Kempen ontvangen de ovenstokers onverminderd de bepalingen van § 1 van dit artikel, voor zondagwerk de ploegenpremie dubbel.
Art. 12. § 1er. Un supplément extra-légal de 100 p.c. du salaire est payé pour le travail effectué le dimanche, et les jours fériés légaux.
  § 2. Pour le travail effectué les jours fériés légaux, les cuiseurs de fours dans les régions du Rupel et de la Campine et dans la commune de Tamise reçoivent au total, le paiement du jour férié compris, trois fois vingt-quatre heures, soit septante-deux heures de salaire, à partager entre les cuiseurs d'un commun accord et tel qu'il est d'usage dans l'entreprise.
  § 3. Dans la région de la Campine, les cuiseurs de fours recoivent, sans préjudice des dispositions du § 1er du présent article, une double prime d'équipe pour le travail du dimanche.
Art.11. Aan alle werklieden die op zaterdag worden tewerkgesteld, wordt een toeslag betaald van 33,33 pct., berekend op het werkelijk betaalde uurloon, ploegenpremie uitgezonderd.
Art.11. Un supplément de salaire de 33,33 p.c., calculé sur la base du salaire horaire effectivement payé, prime d'équipe non comprise, est payé à tous les ouvriers mis au travail le samedi.
Art. 13. De werklieden, die in ploegen werken, ontvangen een ploegenpremie die als volgt is vastgesteld :
  a) voor de uren gepresteerd tussen 6 uur en 22 uur : 4 pct. van het minimumuurloon van de produktiewerklieden tegen uurloon bezoldigd, zoals voorzien in artikel 8, 1°, c), 1, voor de morgenploeg en voor de namiddagploeg;
  b) voor de uren gepresteerd tussen 22 uur en 6 uur : 16 pct. van het minimumuurloon van de produktiewerklieden tegen uurloon bezoldigd, zoals voorzien in artikel 8, 1°, c), 1, voor de nachtploeg.
  De ploegenpremie wordt betaald aan alle werklieden die het werk aanvangen voor 7 uur of vanaf 9 uur uitgezonderd voor de voorbereidende en aanvullende werkzaamheden, welke noodzakelijk zijn om de produktie op het vastgestelde uur te kunnen aanvangen.
  De berekening van de in dit artikel bepaalde ploegenpremie geschiedt tot de derde decimaal zonder enige afronding.
Art. 13. Les ouvriers travaillant en équipes reçoivent une prime d'équipes qui est fixée comme suit :
  a) pour les heures effectuées entre 6 heures et 22 heures : 4 p.c. du salaire horaire minimum des ouvriers de la production rémunérés à l'heure, comme prévu à l'article 8, 1°, c), 1, pour l'équipe du matin et l'équipe de l'après-midi;
  b) pour les heures effectuées entre 22 heures et 6 heures : 16 p.c. du salaire horaire minimum des ouvriers de la production rémunérés à l'heure, comme prévu à l'article 8, 1°, c), 1, pour l'équipe de nuit.
  La prime d'équipes est payée à tous les ouvriers qui commencent le travail avant 7 heures ou à partir de 9 heures, à l'exception des travaux préparatoires, qui sont nécessaires pour pouvoir commencer la production à l'heure fixée.
  Le calcul de la prime d'équipes fixée par le présent article est effectué jusqu'à la troisième décimale, sans que le résultat ne soit arrondi.
HOOFDSTUK VII. - Oproepingspremie.
CHAPITRE VI. - Primes d'équipes.
Art.13. De werklieden, die in ploegen werken, ontvangen een ploegenpremie die als volgt is vastgesteld :
  a) voor de uren gepresteerd tussen 6 uur en 22 uur : 4 pct. van het minimumuurloon van de produktiewerklieden tegen uurloon bezoldigd, zoals voorzien in artikel 8, 1°, c), 1, voor de morgenploeg en voor de namiddagploeg;
  b) voor de uren gepresteerd tussen 22 uur en 6 uur : 16 pct. van het minimumuurloon van de produktiewerklieden tegen uurloon bezoldigd, zoals voorzien in artikel 8, 1°, c), 1, voor de nachtploeg.
  De ploegenpremie wordt betaald aan alle werklieden die het werk aanvangen voor 7 uur of vanaf 9 uur uitgezonderd voor de voorbereidende en aanvullende werkzaamheden, welke noodzakelijk zijn om de produktie op het vastgestelde uur te kunnen aanvangen.
  De berekening van de in dit artikel bepaalde ploegenpremie geschiedt tot de derde decimaal zonder enige afronding.
Art.13. Les ouvriers travaillant en équipes reçoivent une prime d'équipes qui est fixée comme suit :
  a) pour les heures effectuées entre 6 heures et 22 heures : 4 p.c. du salaire horaire minimum des ouvriers de la production rémunérés à l'heure, comme prévu à l'article 8, 1°, c), 1, pour l'équipe du matin et l'équipe de l'après-midi;
  b) pour les heures effectuées entre 22 heures et 6 heures : 16 p.c. du salaire horaire minimum des ouvriers de la production rémunérés à l'heure, comme prévu à l'article 8, 1°, c), 1, pour l'équipe de nuit.
  La prime d'équipes est payée à tous les ouvriers qui commencent le travail avant 7 heures ou à partir de 9 heures, à l'exception des travaux préparatoires, qui sont nécessaires pour pouvoir commencer la production à l'heure fixée.
  Le calcul de la prime d'équipes fixée par le présent article est effectué jusqu'à la troisième décimale, sans que le résultat ne soit arrondi.
HOOFDSTUK VIII. - Toeslag in geval van ziekte of ongeval.
CHAPITRE VIII. - Supplément en cas de maladie ou d'accident.
Art. 15. Een toeslag wordt betaald aan de werklieden die arbeidsongeschikt zijn ten gevolge van ziekte, andere dan een beroepsziekte of van een ongeval, andere dan arbeidsongeval.
  Een toeslag van 30 F per werkdag wordt betaald vanaf de 31e kalenderdag van arbeidsongeschiktheid bedoeld in vorig lid, voor een maximum van vijfentwintig werkdagen.
  De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de werklieden met minder dan één jaar anciënniteit in de onderneming.
Art.14. Moyennant des dispositions existantes plus favorables au niveau de l'entreprise, les ouvriers qui sont appelés pour un travail de contrôle ou de surveillance reçoivent une prime d'appel qui est égale à une heure du salaire de base.
  Par appel, il faut comprendre : les cas pour lesquels les ouvriers qui se trouvent chez eux ou en dehors de l'entreprise sont appelés pour fournir une prestation pour laquelle ils n'ont pas été avertis au moins 8 heures à l'avance, à l'exclusion des cas de remplacement de malades ou d'absences inattendues.
HOOFDSTUK IX. - Kort verzuim.
CHAPITRE VIII. - Supplément en cas de maladie ou d'accident.
Art. 16. Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 augustus 1963 het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 februari 1991, wordt het werkverzuim wegens navermelde redenen voor de daarbij aangegeven duur, betaald op grond van het normaal loon berekend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen :
Art.15. Un supplément est payé aux ouvriers frappés d'une incapacité de travail résultant d'une maladie, autre qu'une maladie professionnelle, ou d'un accident, autre qu'un accident de travail.
Art. 17. De betaling gebeurt bij de eerstvolgende uitbetaling van loon op voorlegging door de werklieden van de rechtvaardiging van hun afwezigheid. De werklieden moeten zo mogelijk het ondernemingshoofd of diens aangestelde van hun afwezigheid vooraf kennis geven.
Art. 16. Sans préjudice des dispositions de l'arrêté royal du 28 août 1963, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 7 février 1991, l'absence au travail, pour la durée déterminée et pour la raison citée ci-après, est payée sur la base du salaire normal, calculé conformément aux dispositions du chapitre II de l'arrêté royal du 18 avril 1974 déterminant les modalités générales d'exécution de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés :
-
  1° a) temoin a un mariage                     le jour du mariage
  b) deces du chef de famille, si               le jour du deces
  l'interesse habite sous le meme               jusqu'au jour des
  toit ou, s'il n'habite pas sous le            funerailles avec un
  meme toit, lorsqu'il a rempli les             maximum de trois
  formalites auprès de l'etat civil             jours
  c) arret de l'entreprise en signe             la durée de l'arret
  de deuil                                      avec un minimum
                                                d'une demi-journee
  d) designation par l'employeur                la durée de la
  pour faire partie d'une                       designation
  delegation du personnel lors
  de funerailles
  e) deces d'un frere ou d'une                  une journee
  soeur de l'ouvrier concerne                   supplementaire
  qui habite chez lui                           d'absence au
                                                travail a prendre
                                                au cours de la
                                                periode qui
                                                commence le
                                                jour du deces
                                                et qui se termine
                                                le jour des funerailles
-
  2° l'indemnisation pour les ouvriers de l'équipe de nuit.
  Lorsque les ouvriers de l'équipe de nuit ont droit à un jour d'absence au travail avec maintien du salaire lors :
  - du décès d'un frère, d'une soeur, d'un beau-frère, d'une belle-soeur, d'un grand-père, d'une grand-mère, d'un petit-enfant ou d'un beau-fils ou d'une belle-fille;
  - du mariage d'un enfant légitime, légitimé, adopté ou naturel reconnu, d'un frère, d'une soeur, d'un beau-frère, d'une belle-soeur, du père, de la mère, du beau-père, du second mari de la mère, de la seconde femme du père, de belle-mère ou d'un petit-enfant;
  - de l'ordination, de l'entrée au couvent, de la communion solennelle et de la fête de la jeunesse laïque,
  et lorsqu'ils auraient normalement travaillé dans l'équipe de nuit qui commence ou qui se termine le jour d'un des événements précités, les heures, pendant lesquelles ils auraient normalement travaillé au cours d'une des nuits, leur sont payées.
Art.16. Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 augustus 1963 het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 februari 1991, wordt het werkverzuim wegens navermelde redenen voor de daarbij aangegeven duur, betaald op grond van het normaal loon berekend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen :  1° a) getuige bij een huwelijk               de dag van het huwelijk  b) overlijden van een gezinshoofd zo  betrokkene bij deze inwoont of  indien hij niet inwonend is, de forma-       de dag van het overlijden tot  liteiten bij de burgerlijke stand heeft      de dag van de begrafenis met  vervuld                                      een maximum van drie dagen  c) stillegging van het bedrijf ten           de duur van de stillegging  teken van rouw                               met een minimum van een                                               halve dag  d) aanduiding door de werkgever om           de duur van de aanduiding  deel uit te maken van een personeels-  afvaardiging bij een begrafenis  e) overlijden van een broer of zuster        een bijkomende dag  van de betrokken werknemer, die bij          afwezigheid van het werk te  hem inwoont                                  nemen in de periode die                                               begint met de dag van het                                               overlijden en eindigt met de                                               dag van de begrafenis
Art. 17. Le paiement est effectué lors du premier jour de paie sur présentation par les ouvriers de la justification de leur absence.
Art. 18. § 1. De werklieden waarvan de arbeidsovereenkomsten definitief verbroken worden door de werkgever, hebben recht op een afdankingspremie op voorwaarde dat de betrokken werklieden bij deze werkgever een anciënniteit verworven hebben van ten minste drie jaar op het ogenblik van de verbreking van de overeenkomst.
Art.16. Sans préjudice des dispositions de l'arrêté royal du 28 août 1963, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 7 février 1991, l'absence au travail, pour la durée déterminée et pour la raison citée ci-après, est payée sur la base du salaire normal, calculé conformément aux dispositions du chapitre II de l'arrêté royal du 18 avril 1974 déterminant les modalités générales d'exécution de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés :  1° a) temoin a un mariage                     le jour du mariage  b) deces du chef de famille, si               le jour du deces  l'interesse habite sous le meme               jusqu'au jour des  toit ou, s'il n'habite pas sous le            funerailles avec un  meme toit, lorsqu'il a rempli les             maximum de trois  formalites auprès de l'etat civil             jours  c) arret de l'entreprise en signe             la durée de l'arret  de deuil                                      avec un minimum                                                d'une demi-journee  d) designation par l'employeur                la durée de la  pour faire partie d'une                       designation  delegation du personnel lors  de funerailles  e) deces d'un frere ou d'une                  une journee  soeur de l'ouvrier concerne                   supplementaire  qui habite chez lui                           d'absence au                                                travail a prendre                                                au cours de la                                                periode qui                                                commence le                                                jour du deces                                                et qui se termine                                                le jour des funerailles
Art.17. De betaling gebeurt bij de eerstvolgende uitbetaling van loon op voorlegging door de werklieden van de rechtvaardiging van hun afwezigheid. De werklieden moeten zo mogelijk het ondernemingshoofd of diens aangestelde van hun afwezigheid vooraf kennis geven.
Art. 18. § 1er. Les ouvriers, dont le contrat de travail est définitivement rompu par l'employeur, ont droit à une prime de licenciement, à condition qu'ils aient acquis une ancienneté chez cet employeur d'au moins trois ans au moment de la rupture du contrat.
Art. 19. § 1. In geval van noodzakelijke vermindering van het tewerkgesteld personeel en vooraleer over te gaan tot afdankingen wordt overleg gepleegd tussen de werkgever en de werknemersafgevaardigden, bijgestaan door de gewestelijke vakbondsafgevaardigden.
Art.17. Le paiement est effectué lors du premier jour de paie sur présentation par les ouvriers de la justification de leur absence.
Art.18. § 1. De werklieden waarvan de arbeidsovereenkomsten definitief verbroken worden door de werkgever, hebben recht op een afdankingspremie op voorwaarde dat de betrokken werklieden bij deze werkgever een anciënniteit verworven hebben van ten minste drie jaar op het ogenblik van de verbreking van de overeenkomst.
  De verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werkgever om dringende redenen komt niet in aanmerking.
  § 2. Hebben eveneens recht op de afdankingspremie :
  - de gepensioneerden;
  - de bruggepensioneerden.
  § 3. Deze premie wordt in een eenmalige uitbetaling toegekend op de laatste loonsuitbetaling voor het definitief vertrek van de werklieden.
  § 4. Deze premie bedraagt voor drie jaar anciënniteit, bruto 2.000 F.
  Dit bedrag wordt verhoogd met 200 F per jaar anciënniteit boven de voormelde anciënniteit van drie jaar.
  § 5. In afwijking op § 4 wordt de afdankingspremie, ten gunste van de werklieden beoogd in § 2, die recht hebben op de afscheidspremie ten laste van het "Sociaal Fonds voor de Baksteenindustrie", als volgt berekend :
  Indien het recht op de afscheidspremie ten laste van het sociaal fonds 100 pct. bedraagt, ontvangt de betrokkene van zijn werkgever 50 pct. van de afdankingspremie vastgesteld in § 4.
  Indien het recht op de afscheidspremie, ten laste van het sociaal fonds, minder dan 100 pct. bedraagt ontvangt de betrokkene van zijn werkgever een afdankingspremie berekend volgens onderstaand barema :    Recht op afscheidspremie ten laste       Recht op afdankingspremie    van het sociaal fonds met een            ten laste van de werkgevers    maximmum van 11.000 F  

Änderungen

Pct.                                        Pct.            100                                          50             90                                          55             80                                          60             70                                          65             60                                          70             50                                          75             40                                          80             30                                          85             20                                          90             10                                          95              -                                         100
Art. 19. § 1er. En cas de réduction indispensable du personnel occupé et avant de procéder à des licenciements, il y a concertation entre l'employeur et les représentants des travailleurs, assistés par les secrétaires syndicaux régionaux.
  Ils examinent les possibilités suivantes :
  a) d'instaurer en priorité un régime de chômage par roulement réparti entre le plus grand nombre possible de membres du personnel, pour autant que la qualification de leur fonction et l'organisation du travail le permettent;
  b) de procéder au reclassement et à la réadaptation du personnel concerné.
  Si aucune convention ne peut être souscrite sur le plan de l'entreprise, cette question est soumise à la sous-commission paritaire compétente.
  Les dispositions du présent paragraphe ne sont pas applicables aux ouvriers ayant une ancienneté de moins d'un an dans l'entreprise.
  § 2. Dans la mesure où cela se justifie économiquement, on évitera de faire exécuter par des tiers des travaux qui peuvent l'être par le personnel même de l'entreprise.
  § 3. Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, en ce qui concerne les entreprises dont le processus de production a un caractère saisonnier, le problème de la sécurité d'emploi est examiné sur le plan de l'entreprise concernée avec sa délégation syndicale et les secrétaires syndicaux régionaux.
Art.18. § 1er. Les ouvriers, dont le contrat de travail est définitivement rompu par l'employeur, ont droit à une prime de licenciement, à condition qu'ils aient acquis une ancienneté chez cet employeur d'au moins trois ans au moment de la rupture du contrat.
Art.19. § 1. In geval van noodzakelijke vermindering van het tewerkgesteld personeel en vooraleer over te gaan tot afdankingen wordt overleg gepleegd tussen de werkgever en de werknemersafgevaardigden, bijgestaan door de gewestelijke vakbondsafgevaardigden.
Art.20. De werklieden die menen te zijn afgedankt met schending van de bepalingen van artikel 19, § 1 hebben de mogelijkheid tot het paritair comité het verzoek te richten, binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van de afdanking, om vast te stellen dat de in voornoemd artikel voorziene procedure niet werd nageleefd.
  Indien het paritair comité dat zetelt binnen de dertig dagen na ontvangst van het in vorig lid bedoeld verzoek, inderdaad tot het besluit komt dat de procedure niet is nageleefd, geeft dit aan de werklieden het recht opnieuw in de onderneming te worden opgenomen overeenkomstig de clausules en de voorwaarden van hun arbeidsovereenkomst voor zover zij dit bij een ter post aangetekend schrijven hebben aangevraagd binnen de dertig dagen na het besluit van het paritair comité.
  Bij gebrek aan wederopneming is de werkgever gehouden aan de betrokken werklieden een aanvullende vergoeding te betalen, derwijze dat aan de werklieden het netto-referentieloon wordt gewaarborgd tot het einde van de lopende collectieve arbeidsovereenkomst, met een minimum van zes maanden, voor zover zij tot die datum, of tijdens deze periode onvrijwillig werkloos blijven.
  Deze aanvullende vergoeding is eveneens verschuldigd voor de periode die ligt tussen het einde van de arbeidsovereenkomst en de datum van de wederopneming voor zover deze periode ligt tussen 1 april en het einde van de lopende collectieve arbeidsovereenkomst.
  Het netto-referentieloon is datgene dat bepaald wordt door hoofdstuk III, C. van de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op 19 december 1974 in de Nationale Arbeidsraad tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers, indien zij worden ontslagen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 en de collectieve arbeidsovereenkomsten tot uitvoering ervan.
  Indien het paritair comité zich niet heeft kunnen uitspreken, kunnen de betrokken werklieden, de betrokken syndicale organisatie of de patronale organisatie het geschil aanhangig maken bij de arbeidsrechtbank.
Art.19. § 1er. En cas de réduction indispensable du personnel occupé et avant de procéder à des licenciements, il y a concertation entre l'employeur et les représentants des travailleurs, assistés par les secrétaires syndicaux régionaux.
  Ils examinent les possibilités suivantes :
  a) d'instaurer en priorité un régime de chômage par roulement réparti entre le plus grand nombre possible de membres du personnel, pour autant que la qualification de leur fonction et l'organisation du travail le permettent;
  b) de procéder au reclassement et à la réadaptation du personnel concerné.
  Si aucune convention ne peut être souscrite sur le plan de l'entreprise, cette question est soumise à la sous-commission paritaire compétente.
  Les dispositions du présent paragraphe ne sont pas applicables aux ouvriers ayant une ancienneté de moins d'un an dans l'entreprise.
  § 2. Dans la mesure où cela se justifie économiquement, on évitera de faire exécuter par des tiers des travaux qui peuvent l'être par le personnel même de l'entreprise.
  § 3. Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, en ce qui concerne les entreprises dont le processus de production a un caractère saisonnier, le problème de la sécurité d'emploi est examiné sur le plan de l'entreprise concernée avec sa délégation syndicale et les secrétaires syndicaux régionaux.
Art. 23. § 1. Het recht op eindejaarspremie wordt eveneens verworven door :
  - de gepensioneerden;
  - de bruggepensioneerden, op voorwaarde dat zij in de loop van het dienstjaar :
  a) prestaties geleverd hebben voorzien in art. 22 § 1, a);
  b) niet ontslagen werden wegens dringende redenen.
  § 2. In het geval dat in het dienstjaar minder arbeidsdagen gepresteerd worden of ermede gelijkgesteld dan voorzien in art. 22, § 1, a), wordt de eindejaarspremie berekend zoals voorzien in artikel 22, § 2.
Art.20. Les ouvriers qui croient avoir été licenciés en violation des dispositions prévues à l'article 19, § 1er, ont la possibilité d'adresser une demande à la commission paritaire, dans un délai de trente jours après la notification du licenciement, afin de constater le non-respect de la procédure prévue par l'article susmentionné.
  Si la commission paritaire, qui siège dans les trente jours de la réception de la demande visée à l'alinéa précédent, constate effectivement que la procédure n'a pas été respectée, les ouvriers peuvent faire valoir leur droit à être réintégrés dans l'entreprise, conformément aux clauses et aux conditions prévues par leur contrat de travail, pour autant qu'ils en aient fait la demande par lettre recommandée dans les trente jours qui suivent la décision de la commission paritaire.
  A défaut de réintégration dans l'entreprise, l'employeur est tenu de payer aux ouvriers concernés une indemnité complémentaire, de façon à garantir aux ouvriers le salaire net de référence jusqu'à l'expiration de la convention collective de travail en vigueur, avec un minimum de six mois, pour autant qu'ils restent chômeurs involontaires jusqu'à cette date ou pendant cette période.
  Cette indemnité complémentaire est également due pour la période qui se situe entre la cessation du contrat de travail et la date de la réintégration, pour autant que cette période soit comprise entre le 1er avril et l'expiration de la convention collective de travail en vigueur.
  Le salaire net de référence est le salaire déterminé au chapitre III, C. de la convention collective de travail conclue le 19 décembre 1974 au sein du Conseil national du travail, instituant un régime d'indemnité complémentaire en faveur de certains travailleurs âgés, en cas de licenciement, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 16 janvier 1975, et dans les conventions collectives de travail conclues en exécution de celle-ci.
  Si la commission paritaire n'a pas pu se prononcer, les ouvriers concernés, l'organisation syndicale concernée ou l'organisation patronale peuvent porter le litige devant le tribunal du travail.
Art. 24. Worden voor de toepassing van de artikelen 22 en 23 met arbeidsprestaties gelijkgesteld :
  1° 1. de dagen waarop werkelijk arbeid wordt verricht, wanneer de duur van de dagelijkse prestaties acht uur overschrijdt en het aantal van deze dagen wekelijks minder dan vijf beloopt, wordt het aantal effektief gewerkte dagen verkregen door het aantal uren werkelijke arbeid tijdens het kwartaal door acht te delen, indien dit quotiënt een breuk bevat, wordt het tot de hogere eenheid afgerond;
  2. de dagen waarop geen arbeid wordt verricht, maar waarvoor de werkgever aan de werkman een loon moet betalen, dat aanleiding geeft tot berekening van bijdragen. Het zijn inzonderheid de wettelijke feestdagen, de dagen van klein verlet, de dagen tijdens welke de arbeid is geschorst met behoud van het recht op het volledig of gedeeltelijk loon, enz.;
  3. de inhaalrustdagen toegekend krachtens de wetgeving op de arbeidsduur en bestemd om de wekelijkse arbeidsduur op een gemiddelde van 40 uren of minder te brengen;
  4. de wettelijke en bijkomende vakantiedagen tot beloop van de dagen van gewone aktiviteit;
  5. de dag waarop geen arbeid wordt verricht of die niet betaald is tijdens elk van de weken die vijf arbeidsdagen bevatten, behorende tot hogervermelde categorieën 1 tot 4, wanneer de wekelijkse arbeid van de werklieden ml eens over vijf dagen, dan weer over meer dan vijf dagen in de loop van het kwartaal is verdeeld;
  6. de dagen verlof om dwingende redenen.
  Elk daggedeelte, ongeacht de duur van de arbeidsprestaties of het bedrag van het loon dat hierop betrekking heeft, moet als een volledige dag worden aangezien.
  2° § 1. a) de dagen van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval, met uitsluiting van arbeidsongeval, voor een maximum duur van drie kalendermaanden;
  b) de dagen van arbeidsongeschiktheid ingevolge arbeidsongeval;
  c) de dagen van onvrijwillige werkloosheid ingevolge schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens slecht weder en wegens economische oorzaken overeenkomstig respectievelijk artikel 50 en 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten voor een maximum duur van twee kalendermaanden.
  § 2.) Indien geen arbeidsprestaties geleverd worden zoals voorzien in artikel 22, § 1, a) en 23, § 1, a), is de uitwerking van de gelijkstellingen voorzien in vorige § 1 beperkt tot het dienstjaar volgend op datgene tijdens hetwelk de arbeidsongschiktheid bedoeld bij § 1, a) of de onvrijwillige werkloosheid, voorzien in § 1, c) is ontstaan en dit in zover het dienstverband van de betrokken werkman niet werd verbroken.
  3° Voor de vrouwelijke werklieden tewerkgesteld in de ondernemingen met seizoenbedrijvigheid en die met natuurlijke middelen drogen, gelegen in het gewest Rupel, gelden de bepalingen van artikel 24, 2° tijdens de normale produktieperiode, op voorwaarde dat deze periode per onderneming wordt vastgesteld, in overleg met de syndicale afvaardiging en aan de syndicale organisaties wordt medegedeeld. In tegengesteld geval is de algemene regeling van toepassing.
Art. 23. § 1er. Le droit à la prime de fin d'année est également acquis par :
  - les pensionnés;
  - les prépensionnés,
  à condition qu'au cours de l'exercice, ils :
  a) aient fourni des prestations de travail, comme prévues à l'article 22, § 1er, a);
  b) n'aient pas été licenciés pour motifs graves.
  § 2. Lorsqu'au cours de l'exercice, moins de jours de travail effectifs ou assimilés sont pris en considération que ceux prévus à l'article 22, § 1er, a), la prime de fin d'année est calculée comme prévu à l'article 22, § 2.
Art.22. § 1. Het recht op de eindejaarspremie wordt verworven door de werklieden op voorwaarde dat zij in de loop van het dienstjaar voorzien in artikel 27 :
  a) prestaties geleverd hebben van ten minste honderdvierenzestig en tweederden arbeidsdagen;
  b) de arbeidsovereenkomst niet vrijwillig verbroken hebben waarvoor § 3 geldt;
  c) niet ontslagen werden wegens dringende redenen.
  § 2. In geval dat in het dienstjaar minder dan honderd vierenzestig en tweederden arbeidsdagen gepresteerd werden, of daarmee gelijkgesteld wordt de eindejaarspremie berekend naar rato van één uur per gepresteerde of gelijkgestelde dag vermenigvuldigd met het in artikel 21 bepaald desbetreffend minimumuurloon.
  § 3. De werklieden die in de loop van het dienstjaar vrijwillig hun arbeidsovereenkomst verbroken hebben, hebben recht op uitkering van een eindejaarspremie die gelijk is aan het in artikel 21 voorziene bedrag gedeeld door twaalf en vermenigvuldigd met het aantal gepresteerde maanden.
  De werklieden die voor de 16de van de maand in dienst zijn getreden en de werklieden die na de 15de van de maand uit dienst zijn getreden, worden voor deze berekening beschouwd als hebbende een maand gepresteerd.
Art. 24. Sont assimilés à des prestations de travail pour l'application des articles 22 et 23 :
  1° 1. les journées effectivement consacrées au travail; lorsque la durée des prestations journalières dépasse huit heures et que le nombre hebdomadaire de ces journées est inférieur à cinq, le nombre de journées de travail effectif s'obtient en divisant par huit le nombre d'heures effectivement consacrées au travail pendant le trimestre, le quotient étant arrondi à l'unité supérieure s'il comporte une fraction;
  2. les journées non consacrées au travail, pour lesquelles l'employeur est toutefois tenu de payer au travailleur une somme qui intervient dans le calcul des cotisations. Il s'agit notamment des jours fériés légaux, des jours de petits chômages, des journées au cours desquelles le travail est suspendu avec maintien du droit à la rémunération complète ou partielle, etc.;
  3. les journées de repos compensatoire accordées en vertu de la législation sur la durée du travail, en vue de réduire la durée hebdomadaire du travail à une moyenne de 40 heures ou moins;
  4. les jours de vacances légales et supplémentaires à concurrence des journées habituelles d'activité;
  5. la journée d'inactivité ou la journée non rémunérée de chacune des semaines comportant cinq journées de travail qui relèvent des catégories 1 à 4 ci-dessus, lorsque le travail hebdomadaire du travailleur a été réparti tantôt sur cinq jours, tantôt sur plus de cinq jours au cours du trimestre;
  6. les jours de congé pour motifs impérieux.
  Toute fraction de journée complète, quels que soient la durée des prestations ou le montant de la rémunération qui s'y rapporte, doit être considérée comme une journée complète.
  2° § 1er. a) les journées d'incapacité de travail résultant d'une maladie ou d'un accident, à l'exclusion d'un accident du travail, pour une durée maximum de trois mois civils;
  b) les journées d'incapacité de travail résultant d'un accident du travail;
  c) les journées de chômage involontaire par suite de la suspension du contrat de travail pour intempéries ou causes économiques, conformément respectivement aux articles 50 et 51 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, pour une durée maximum de deux mois civils.
  § 2. A défaut de prestations de travail effectuées comme prévu à l'article 22, § 1er, a) et à l'article 23, § 1er, a), l'effet des assimilations prévues au § 1er précédent se limite à l'exercice qui suit l'exercice au cours duquel l'incapacité de travail visée au § 1er, a) ou le chômage involontaire prévu au § 1er, c) précédent sont intervenus, pour autant que le contrat de travail de l'ouvrier concerné n'ait pas été rompu.
  3° Pour les ouvrières occupées dans les entreprises à caractère saisonnier et celles où le séchage s'effectue par des moyens naturels, situées dans la région du Rupel, les dispositions de l'article 24, 2°, sont applicables pendant la période normale de production, à condition que cette période soit fixée par entreprise, en concertation avec la délégation syndicale, et qu'elle soit communiquée aux organisations syndicales. Dans le cas contraire, la réglementation générale est applicable.
Art.23. § 1. Het recht op eindejaarspremie wordt eveneens verworven door :
  - de gepensioneerden;
  - de bruggepensioneerden, op voorwaarde dat zij in de loop van het dienstjaar :
  a) prestaties geleverd hebben voorzien in art. 22 § 1, a);
  b) niet ontslagen werden wegens dringende redenen.
  § 2. In het geval dat in het dienstjaar minder arbeidsdagen gepresteerd worden of ermede gelijkgesteld dan voorzien in art. 22, § 1, a), wordt de eindejaarspremie berekend zoals voorzien in artikel 22, § 2.
Art.22. § 1er. Le droit à la prime de fin d'année est acquis par les ouvriers à condition qu'au cours de l'exercice prévu à l'article 27, ils :
  a) aient effectué des prestations comportant au moins cent soixante-quatre jours et deux tiers;
  b) n'aient pas rompu volontairement le contrat de travail, cas dans lequel s'applique le § 3;
  c) n'aient pas été licenciés pour motifs graves.
  § 2. Lorsqu'au cours de l'exercice moins de cent soixante-quatre jours et deux tiers de travail effectifs ou assimilés sont pris en considération, la prime de fin d'année est calculée à raison d'une heure par journée de travail ou assimilée, multipliée par le salaire horaire minimum y afférent déterminé à l'article 21.
  § 3. Les ouvriers qui, au cours de l'exercice, ont rompu volontairement leur contrat de travail, ont droit au paiement d'une prime de fin d'année qui est égale au montant prévu à l'article 21, divisé par douze et multiplié par le nombre de mois de travail.
  Les ouvriers qui sont entrés en service avant le 16 du mois et les ouvriers qui ont quitté le service après le 15 du mois sont considérés pour ce calcul comme ayant travaillé un mois.
Art.24. Worden voor de toepassing van de artikelen 22 en 23 met arbeidsprestaties gelijkgesteld :
  1° 1. de dagen waarop werkelijk arbeid wordt verricht, wanneer de duur van de dagelijkse prestaties acht uur overschrijdt en het aantal van deze dagen wekelijks minder dan vijf beloopt, wordt het aantal effektief gewerkte dagen verkregen door het aantal uren werkelijke arbeid tijdens het kwartaal door acht te delen, indien dit quotiënt een breuk bevat, wordt het tot de hogere eenheid afgerond;
  2. de dagen waarop geen arbeid wordt verricht, maar waarvoor de werkgever aan de werkman een loon moet betalen, dat aanleiding geeft tot berekening van bijdragen. Het zijn inzonderheid de wettelijke feestdagen, de dagen van klein verlet, de dagen tijdens welke de arbeid is geschorst met behoud van het recht op het volledig of gedeeltelijk loon, enz.;
  3. de inhaalrustdagen toegekend krachtens de wetgeving op de arbeidsduur en bestemd om de wekelijkse arbeidsduur op een gemiddelde van 40 uren of minder te brengen;
  4. de wettelijke en bijkomende vakantiedagen tot beloop van de dagen van gewone aktiviteit;
  5. de dag waarop geen arbeid wordt verricht of die niet betaald is tijdens elk van de weken die vijf arbeidsdagen bevatten, behorende tot hogervermelde categorieën 1 tot 4, wanneer de wekelijkse arbeid van de werklieden ml eens over vijf dagen, dan weer over meer dan vijf dagen in de loop van het kwartaal is verdeeld;
  6. de dagen verlof om dwingende redenen.
  Elk daggedeelte, ongeacht de duur van de arbeidsprestaties of het bedrag van het loon dat hierop betrekking heeft, moet als een volledige dag worden aangezien.
  2° § 1. a) de dagen van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval, met uitsluiting van arbeidsongeval, voor een maximum duur van drie kalendermaanden;
  b) de dagen van arbeidsongeschiktheid ingevolge arbeidsongeval;
  c) de dagen van onvrijwillige werkloosheid ingevolge schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens slecht weder en wegens economische oorzaken overeenkomstig respectievelijk artikel 50 en 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten voor een maximum duur van twee kalendermaanden.
  § 2.) Indien geen arbeidsprestaties geleverd worden zoals voorzien in artikel 22, § 1, a) en 23, § 1, a), is de uitwerking van de gelijkstellingen voorzien in vorige § 1 beperkt tot het dienstjaar volgend op datgene tijdens hetwelk de arbeidsongschiktheid bedoeld bij § 1, a) of de onvrijwillige werkloosheid, voorzien in § 1, c) is ontstaan en dit in zover het dienstverband van de betrokken werkman niet werd verbroken.
  3° Voor de vrouwelijke werklieden tewerkgesteld in de ondernemingen met seizoenbedrijvigheid en die met natuurlijke middelen drogen, gelegen in het gewest Rupel, gelden de bepalingen van artikel 24, 2° tijdens de normale produktieperiode, op voorwaarde dat deze periode per onderneming wordt vastgesteld, in overleg met de syndicale afvaardiging en aan de syndicale organisaties wordt medegedeeld. In tegengesteld geval is de algemene regeling van toepassing.
Art.23. § 1er. Le droit à la prime de fin d'année est également acquis par :
  - les pensionnés;
  - les prépensionnés,
  à condition qu'au cours de l'exercice, ils :
  a) aient fourni des prestations de travail, comme prévues à l'article 22, § 1er, a);
  b) n'aient pas été licenciés pour motifs graves.
  § 2. Lorsqu'au cours de l'exercice, moins de jours de travail effectifs ou assimilés sont pris en considération que ceux prévus à l'article 22, § 1er, a), la prime de fin d'année est calculée comme prévu à l'article 22, § 2.
Art.25. Een ongeoorloofde afwezigheid van meer dan één dag per maand geeft, voor elke bijkomende dag ongeoorloofde afwezigheid, aanleiding tot vermindering van de eindejaarspremie met het bedrag gelijk aan het verworven recht voor vijf arbeidsdagen. Deze vermindering is nochtans beperkt tot het bedrag van de eindejaarspremie dat betrekking heeft op het maximum aantal arbeidsdagen van de betrokken maand.
Art.24. Sont assimilés à des prestations de travail pour l'application des articles 22 et 23 :
Art. 28. De in artikel 1 bedoelde werklieden, zonder onderscheid van leeftijd hebben recht op de toekenning van een bestaanszekerheidsvergoeding op voorwaarde dat zij in de onderneming :
Art.25. Une absence injustifiée de plus d'un jour par mois entraîne, pour chaque jour supplémentaire d'absence injustifiée, une réduction de la prime de fin d'année d'un montant égal au droit acquis pour cinq journées de travail. Cette réduction est cependant limitée au montant de la prime de fin d'année se rapportant au nombre maximum de journées de travail du mois en considéré.
Art. 29. De bestaanszekerheidsvergoeding bedraagt per in aanmerking komende werkloosheidsdag : 193,80 F vanaf 1995, met uitzondering van de saisonaal werkende bedrijven waar het bedrag behouden blijft op 173,40 F.
  Het bedrag van de bestaanszekerheidsvergoeding zal telkens bij aanvang van een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst worden aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen die, overeenkomstig hoofdstuk III, tijdens de duurtijd van de vorige overeenkomst heeft plaatsgehad.
Art. 28. Les ouvriers visés à l'article 1er, sans distinction d'âge, ont droit à l'octroi d'une indemnité de sécurité d'existence, à condition :
  - qu'ils aient fourni, dans l'entreprise, les prestations de travail requises;
  - qu'ils aient été mis au chômage involontairement;
  - et qu'ils aient droit aux allocations de chômage prévues par l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage.
Art. 30. Voor de toepassing van onderhavige beschikkingen wordt als dienstjaar beschouwd, de periode ingaande op 1 april van eik jaar en eindigend op 31 maart van het volgend jaar.
Art. 29. L'indemnité de sécurité d'existence s'élève par jour de chômage pris en considération à 193,80 F à partir de 1995, à l'exception des entreprises saisonnières pour lesquelles le montant reste maintenu à 173,40 F.
  Le montant de l'indemnité de sécurité d'existence sera à chaque fois au début d'une nouvelle convention collective de travail adapté à l'évolution de l'indice des prix à la consommation qui, conformément au chapitre III, a eu lieu au cours de la durée de la convention précédente.
Art.28. De in artikel 1 bedoelde werklieden, zonder onderscheid van leeftijd hebben recht op de toekenning van een bestaanszekerheidsvergoeding op voorwaarde dat zij in de onderneming :
  - de vereiste arbeidsprestaties geleverd hebben;
  - onvrijwillig werkloos werden gesteld,
  - en recht hebben op werkloosheidsuitkering voorzien door het koninklijk besluit van 20 december 1963, betreffende de arbeidsvoorziening en werkloosheid.
Art. 30. Pour l'application des présentes dispositions, est considérée comme exercice, la période allant du 1er avril de chaque année jusqu'au 31 mars de l'année suivante.
Art. 32. § 1. Wanneer op het einde van het dienstjaar het verworven recht op bestaanszekerheidsvergoeding niet uitgeput is, kan het niet uitgeput gedeelte voor maximum zesenzestig dagen en enkel in de loop van het eerste kwartaal van het daaropvolgend dienstjaar (tweede kalenderkwartaal) verder uitgeput worden, dit onverminderd het recht verworven in de loop van het nieuw dienstjaar.
  § 2. Wanneer op het einde van het dienstjaar het recht op bestaanszekerheidsvergoeding uitgeput is en in geval van onvrijwillige werkloosheid met ingang van het daaropvolgend dienstjaar zonder dat een recht of een voldoende recht voor dit dienstjaar werd verworven, geven deze werkloosheidsdagen aanleiding tot uitkering van bestaanszekerheidsvergoeding op voorwaarde dat hiervoor een recht verworven werd door een tewerkstelling na voornoemde onvrijwillige werkloosheid.
  § 3. Voor het gewest Rupel, beperkt dit artikel zich tot enkel de werklieden. Voor de vrouwelijke werklieden geldt artikel 42.
Art.28. Les ouvriers visés à l'article 1er, sans distinction d'âge, ont droit à l'octroi d'une indemnité de sécurité d'existence, à condition :
  - qu'ils aient fourni, dans l'entreprise, les prestations de travail requises;
  - qu'ils aient été mis au chômage involontairement;
  - et qu'ils aient droit aux allocations de chômage prévues par l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage.
Art. 33. Voor de toepassing van artikel 31, gelden de volgende regels :
  1° de duur van de tewerkstelling wordt berekend vanaf de datum van de aanwerving en ten vroegste vanaf 1 april van elk jaar;
  2° zowel bij toepassing van de zesdagenweek als van de vijfdagenweek worden de zaterdagen en de zondagen niet medegerekend;
  3° voor de gestempelde zaterdagen wordt geen bestaanszekerheidsvergoeding betaald;
  4° arbeidsprestaties verricht in eenzelfde onderneming en onvrijwillig onderbroken worden samengeteld.
Art. 32. § 1er. Lorsqu'à la fin de l'exercice, le droit acquis à l'indemnité de sécurité d'existence n'est pas épuisé, la partie non utilisée peut encore être épuisée jusqu'à concurrence d'un maximum de soixante-six jours et ce uniquement au cours du premier trimestre de l'exercice suivant (second trimestre civil), sans préjudice du droit acquis au cours du nouvel exercice.
  § 2. Lorsqu'à la fin de l'exercice, le droit à l'indemnité de sécurité d'existence est épuisé et en cas de chômage involontaire au début de l'exercice suivant, sans qu'un droit ou un droit suffisant ait été acquis pour cet exercice, ces jours de chômage involontaire donnent lieu au paiement de l'indemnité de sécurité d'existence, à condition qu'un droit soit acquis à cet effet par une occupation après le chômage involontaire précité.
  § 3. Pour la région du Rupel, le présent article se limite aux ouvriers. Pour les ouvrières, l'article 42 est applicable.
Art. 34. Wanneer de werklieden in een onder artikel 1 bedoelde onderneming in de loop van het dienstjaar, tijdelijk onvrijwillig werkloos gesteld worden en nadien in dienst genomen worden door een onderneming behorende tot een andere bedrijfstak, behouden zij hun recht op bestaanszekerheidsvergoeding, verworven bij de onderneming bedoeld in artikel 1, zonder dat dit een verhoging van het verworven recht mag ten gevolge hebben.
  Indien in de loop van het dienstjaar de arbeidsovereenkomst van werklieden wordt verbroken door een onder artikel 1 bedoelde onderneming en deze werklieden in een andere onderneming bedoeld in artikel 1 worden tewerkgesteld, zal de duur van de arbeid verricht in beide ondernemingen worden samengeteld voor het bepalen van het krachtens artikel 31 verworven recht op bestaanszekerheidsvergoeding, deze wordt betaald door de laatste werkgever van de belanghebbenden voor het in zijn dienst verworven recht en gebeurlijk voor het overige gedeelte van hun recht door hun voorgaande werkgevers bij toepassing van de artikelen 28,31 en 33 voor zover het verworven recht strekt.
Art. 33. Pour l'application de l'article 31, les règles suivantes doivent être observées :
  1° la durée de l'occupation est calculée à partir de la date d'embauche et au plus tôt à partir du 1er avril de chaque année;
  2° tant en application de la semaine de six jours que de la semaine de cinq jours, les samedis et les dimanches ne sont pas comptés;
  3° pour les samedis chômés, il n'est pas payé d'indemnité de sécurité d'existence;
  4° les prestations effectuées dans une même entreprise et involontairement interrompues sont additionnées.
Art.32. § 1. Wanneer op het einde van het dienstjaar het verworven recht op bestaanszekerheidsvergoeding niet uitgeput is, kan het niet uitgeput gedeelte voor maximum zesenzestig dagen en enkel in de loop van het eerste kwartaal van het daaropvolgend dienstjaar (tweede kalenderkwartaal) verder uitgeput worden, dit onverminderd het recht verworven in de loop van het nieuw dienstjaar.
  § 2. Wanneer op het einde van het dienstjaar het recht op bestaanszekerheidsvergoeding uitgeput is en in geval van onvrijwillige werkloosheid met ingang van het daaropvolgend dienstjaar zonder dat een recht of een voldoende recht voor dit dienstjaar werd verworven, geven deze werkloosheidsdagen aanleiding tot uitkering van bestaanszekerheidsvergoeding op voorwaarde dat hiervoor een recht verworven werd door een tewerkstelling na voornoemde onvrijwillige werkloosheid.
  § 3. Voor het gewest Rupel, beperkt dit artikel zich tot enkel de werklieden. Voor de vrouwelijke werklieden geldt artikel 42.
Art. 34. Lorsque les ouvriers occupés dans une entreprise visée à l'article 1er sont mis temporairement au chômage involontaire au cours de l'exercice et sont ensuite réintégrés par une entreprise appartenant à une autre branche d'activité, ils conservent le droit à l'indemnité de sécurité d'existence acquis dans l'entreprise visée à l'article 1er, sans que cela puisse entraîner une augmentation du droit acquis.
  Si, au cours de l'exercice, le contrat de travail des ouvriers est rompu par une entreprise visée à l'article 1er, et s'ils sont mis au travail par une autre entreprise visée à l'article 1er, les périodes de travail dans les deux entreprises seront additionnées pour déterminer le droit acquis à l'indemnité de sécurité d'existence en vertu de l'article 31; celle-ci sera payée par le dernier employeur des intéressés pour le droit acquis à son service et, le cas échéant, pour la partie restante de leur droit, par leurs employeurs précédents en application des articles 28, 31 et 33, à concurrence du droit acquis.
Art. 36. Het recht op bestaanszekerheidsvergoeding vervalt :
  1° op het einde van het dienstjaar, behoudens uitzondering voorzien in artikel 32;
  2° bij vrijwillige verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werklieden;
  3° ingeval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever zonder opzegging noch vergoeding wegens dringende redenen;
  4° indien de werklieden die het voordeel van de bestaanszekerheidsvergoeding genieten, geen gevolg geven aan het gebeurlijk verzoek van de werkgever om de arbeid onmiddellijk te hervatten.
  In afwijking op 2° hierboven doet het vrijwillig vertrek na 22 september van de werklieden tewerkgesteld in de ondernemingen waar de stenen worden gemaakt met de hand of met de motorpers en/of gebakken in veldovens, vallende onder de toepassing van de beslissing van 5 maart 1962, verlengd door de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 september 1970, algemeen verbindend verklaard bij de koninklijke besluiten van 28 augustus 1962 en 4 november 1970, het recht op bestaanszekerheid niet verliezen.
  In afwijking op de bepalingen van 4° hierboven vervalt het recht op bestaanszekerheidsvergoeding niet indien de werklieden bedoeld in vorig lid geen gevolg geven aan het gebeurlijk verzoek van de werkgever gedaan na 22 september om de arbeid onmiddellijk te hervatten. Dit recht vervalt wel, indien de betrokken werklieden werkloos zijn op het ogenblik van dit verzoek.
Art.32. § 1er. Lorsqu'à la fin de l'exercice, le droit acquis à l'indemnité de sécurité d'existence n'est pas épuisé, la partie non utilisée peut encore être épuisée jusqu'à concurrence d'un maximum de soixante-six jours et ce uniquement au cours du premier trimestre de l'exercice suivant (second trimestre civil), sans préjudice du droit acquis au cours du nouvel exercice.
  § 2. Lorsqu'à la fin de l'exercice, le droit à l'indemnité de sécurité d'existence est épuisé et en cas de chômage involontaire au début de l'exercice suivant, sans qu'un droit ou un droit suffisant ait été acquis pour cet exercice, ces jours de chômage involontaire donnent lieu au paiement de l'indemnité de sécurité d'existence, à condition qu'un droit soit acquis à cet effet par une occupation après le chômage involontaire précité.
  § 3. Pour la région du Rupel, le présent article se limite aux ouvriers. Pour les ouvrières, l'article 42 est applicable.
Art.34. Wanneer de werklieden in een onder artikel 1 bedoelde onderneming in de loop van het dienstjaar, tijdelijk onvrijwillig werkloos gesteld worden en nadien in dienst genomen worden door een onderneming behorende tot een andere bedrijfstak, behouden zij hun recht op bestaanszekerheidsvergoeding, verworven bij de onderneming bedoeld in artikel 1, zonder dat dit een verhoging van het verworven recht mag ten gevolge hebben.
  Indien in de loop van het dienstjaar de arbeidsovereenkomst van werklieden wordt verbroken door een onder artikel 1 bedoelde onderneming en deze werklieden in een andere onderneming bedoeld in artikel 1 worden tewerkgesteld, zal de duur van de arbeid verricht in beide ondernemingen worden samengeteld voor het bepalen van het krachtens artikel 31 verworven recht op bestaanszekerheidsvergoeding, deze wordt betaald door de laatste werkgever van de belanghebbenden voor het in zijn dienst verworven recht en gebeurlijk voor het overige gedeelte van hun recht door hun voorgaande werkgevers bij toepassing van de artikelen 28,31 en 33 voor zover het verworven recht strekt.
Art. 36. Le droit à l'indemnité de sécurité d'existence s'éteint :
  1° à la fin de l'exercice, sauf l'exception prévue à l'article 32;
  2° en cas de rupture volontaire du contrat de travail par les ouvriers;
  3° en cas de rupture du contrat de travail par l'employeur pour motifs graves, sans préavis ni indemnité;
  4° lorsque les ouvriers bénéficiant de l'indemnité de sécurité d'existence, ne donnent pas suite à la demande éventuelle de l'employeur visant à reprendre immédiatement le travail.
  Par dérogation au 2° ci-dessus, le départ volontaire le 22 septembre des ouvriers occupés dans les entreprises où les briques sont faites à la main ou à la presse à moteur et/ou cuites en fours de campagne, tombant sous l'application de la décision du 5 mars 1962, prorogée par la convention collective de travail du 25 septembre 1970, rendue obligatoire par les arrêtés royaux des 28 août 1962 et 4 novembre 1970, ne fait pas perdre le droit à la sécurité d'existence.
  Par dérogation aux dispositions du 4° ci-dessus, le droit à l'indemnité de sécurité d'existence ne s'éteint pas si les ouvriers visés à l'alinéa précédent ne donnent pas suite à la demande éventuelle de l'employeur de reprendre immédiatement le travail, faite après le 22 septembre. Ce droit s'éteint toutefois si les intéressés sont chômeurs au moment de cette demande.
Art. 38. Werklieden met meer dan twintig jaar anciënniteit in de onderneming hebben, indien zij worden afgedankt ingevolge een herstrukturering of rationalizering van het bedrijf, recht op een bestaanszekerheidsvergoeding die samengesteld is als volgt :
  a) het aantal dagen bestaanszekerheid waarop zij recht hebben ingevolge de voorgaande artikelen;
  b) een bijkomend recht van 132 dagen.
  Indien het aantal dazen bestaanszekerheid onder punt b) zijnde 132 dagen, gevoegd bij het aantal dagen onder punt a), tezamen geen 264 dagen vertegenwoordigen, zal aan de betrokken werklieden minimaal dit laatste aantal dagen bestaanszekerheid uitgekeerd worden.
Art.34. Lorsque les ouvriers occupés dans une entreprise visée à l'article 1er sont mis temporairement au chômage involontaire au cours de l'exercice et sont ensuite réintégrés par une entreprise appartenant à une autre branche d'activité, ils conservent le droit à l'indemnité de sécurité d'existence acquis dans l'entreprise visée à l'article 1er, sans que cela puisse entraîner une augmentation du droit acquis.
  Si, au cours de l'exercice, le contrat de travail des ouvriers est rompu par une entreprise visée à l'article 1er, et s'ils sont mis au travail par une autre entreprise visée à l'article 1er, les périodes de travail dans les deux entreprises seront additionnées pour déterminer le droit acquis à l'indemnité de sécurité d'existence en vertu de l'article 31; celle-ci sera payée par le dernier employeur des intéressés pour le droit acquis à son service et, le cas échéant, pour la partie restante de leur droit, par leurs employeurs précédents en application des articles 28, 31 et 33, à concurrence du droit acquis.
Art. 39. Worden voor de toepassing van onderhavige overeenkomst met arbeid gelijkgesteld :
  § 1. a) de dagen waarop werkelijk arbeid wordt verricht, wanneer de duur van de dagelijkse prestaties 8 uren overschrijdt en het aantal dezer dagen wekelijks minder dan 5 beloopt wordt het aantal effektief gewerkte dagen verkregen door het aantal uren werkelijke arbeid tijdens het kwartaal door 8 te delen, indien dit quotiënt een breuk bevat, dan wordt het tot de hogere eenheid afgerond;
  b) de dagen waarop geen arbeid wordt verricht, maar waarvoor de werkgever aan de werknemer een loon moet betalen dat aanleiding geeft tot berekening van bijdragen. Het zijn inzonderheid de wettelijke feestdagen, de dagen van klein verlet, de dagen tijdens welke de arbeid is geschorst met behoud van het recht op het volledig of gedeeltelijk loon, enz.;
  c) de inhaalrustdagen toegekend krachtens de wetgeving op de arbeidsduur en bestemd om de wekelijkse arbeidsduur op een gemiddelde van veertig uren of minder te brengen;
  d) de wettelijke en bijkomende vakantiedagen tot beloop van de dagen van gewone aktiviteit;
  e) de dag waarop geen arbeid wordt verricht of die niet betaald is tijdens elk van de weken die vijf arbeidsdagen bevatten behorende tot hogervermelde categorieën a) tot d), wanneer de wekelijkse arbeid van de werknemer nu eens over vijf dagen dan weer over meer dan vijf dagen in de loop van het kwartaal is verdeeld;
  f) de dagen verlof om dwingende redenen.
  Elk daggedeelte, ongeacht de duur van de arbeidsprestatie of het bedrag van het loon dat hierop betrekking heeft, moet als een volledige dag worden aangezien.
  § 2. a) de dagen van werkonbekwaamheid uit oorzaak van ziekte of ongeval, met uitsluiting van arbeidsongeval, voor een maximumduur van dertig kalenderdagen.
  Voor het vaststellen van deze gelijkstelling zijn de bepalingen van artikel 52 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en van de artikelen 3 en 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 26 februari 1979 tot aanpassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12 van 28 juni 1973 betreffende het toekennen van een gewaarborgd maandloon aan de werklieden ingeval van arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 23 maart 1979, van toepassing.
  b) de dagen van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval vanaf de datum van het ongeval tot het werk wordt hervat of de invaliditeit definitief is geconsolideerd.
Art. 38. Les ouvriers ayant plus de vingt ans d'ancienneté dans l'entreprise ont droit, s'ils sont licenciés à la suite d'une restructuration ou d'une rationalisation de l'entreprise, à une indemnité de sécurité d'existence comprenant :
  a) le nombre de jours de sécurité d'existence auquel ils ont droit en vertu des articles précédents;
  b) un droit supplémentaire de 132 jours.
  Si le nombre de sécurité d'existence prévu sous b), soit 132 jours, ajouté au nombre de jours prévu sous a), ne représentent pas au total 264 jours, ce dernier nombre de jours de sécurité d'existence sera au minimum versé aux ouvriers concernés.
Art. 40. Voor een maximum van 30 dagen van het lopend dienstjaar geven de dagen werkloosheid, waarvoor uit oorzaak van ziekte geen stempelcontrole heeft kunnen plaatshebben, recht op uitkering van de bestaanszekerheidsvergoeding, op voorwaarde dat door de betrokkene een attest wordt voorgelegd, uitgaande van de mutualiteit, waarbij hij aangesloten is en waaruit blijkt dat de ziektevergoeding voor die bepaalde dagen verworven is.
  De in vorig lid bedoelde uitkering houdt op te worden verstrekt op de dag, waarop het werk door de betrokken werklieden normaal moest hervat worden, indien zij niet arbeidsongeschikt waren geweest uit oorzaak van ziekte.
  In afwijking van de artikelen 28 en 31 wordt, voor de geldigheidsduur van het koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het gebrek aan werk wegens economische oorzaken de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor werklieden schorst voor de ondernemingen die onder het Paritair Comité voor de steenbakkerij ressorteren, tijdens het tweede en derde kwartaal een recht op bestaanszekerheid verworven van 10 dagen à rato van 25 dagen onvrijwillige werkloosheid met een maximum van 50 dagen bestaanszekerheid.
Art. 39. Sont assimilés à des prestations pour l'application de la présente convention :
  § 1er. a) les journées consacrées réellement au travail; lorsque la durée des prestations journalières dépasse 8 heures et que le nombre hebdomadaire de ces jours est inférieur à 5 heures, le nombre de journées de travail effectif s'obtient en divisant par 8 le nombre d'heures consacrées réellement au travail au cours du trimestre, le quotient étant arrondi à l'unité supérieure s'il comporte une fraction;
  b) les journées non consacrées au travail, mais pour lesquelles l'employeur est tenu de payer une somme qui intervient dans le calcul des cotisations. Il s'agit notamment des jours fériés légaux, des jours de petits chômages, des journées auxquelles le travail est suspendu avec maintien du droit à la rémunération complète ou partielle, etc.;
  c) les journées de repos compensatoire accordées en vertu de la législation sur la durée du travail, en vue de réduire la durée hebdomadaire du travail à une moyenne de quarante heures ou moins;
  d) les jours de vacances légales et supplémentaires, jusqu'à concurrence des journées habituelles d'activité;
  e) la journée non consacrée au travail ou non rémunérée pendant chacune des semaines comportant cinq jours ouvrables qui relèvent des catégories a) à d) susmentionnées, lorsque le travail hebdomadaire de l'ouvrier est réparti tantôt sur cinq jours, tantôt sur plus de cinq jours au cours du trimestre;
  f) les jours de congé pour motifs impérieux.
  Chaque fraction de journée complète, quels que soient la durée des prestations ou le montant de la rémunération qui s'y rapporte, doit être considérée comme une journée complète.
  § 2. a) les journées d'incapacité de travail par suite d'une maladie ou d'un accident, à l'exclusion d'un accident de travail, pour une durée maximum de trente jours civils.
  Pour déterminer cette assimilation, les dispositions de l'article 52 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et des articles 3 et 5 de la convention collective de travail conclue le 26 février 1979 au sein du Conseil national du travail, adaptant la convention collective de travail n° 12 du 28 juin 1973 concernant l'octroi d'un salaire mensuel garanti aux ouvriers en cas d'incapacité de travail résultant d'une maladie, d'un accident de droit commun, d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, rendue obligatoire par arrêté royal du 23 mars 1979, sont applicables;
  b) les journées d'incapacité de travail par suite d'un accident du travail à partir de la date de l'accident jusqu'à la reprise du travail ou la consolidation définitive de l'invalidité.
Art.38. Werklieden met meer dan twintig jaar anciënniteit in de onderneming hebben, indien zij worden afgedankt ingevolge een herstrukturering of rationalizering van het bedrijf, recht op een bestaanszekerheidsvergoeding die samengesteld is als volgt :
  a) het aantal dagen bestaanszekerheid waarop zij recht hebben ingevolge de voorgaande artikelen;
  b) een bijkomend recht van 132 dagen.
  Indien het aantal dazen bestaanszekerheid onder punt b) zijnde 132 dagen, gevoegd bij het aantal dagen onder punt a), tezamen geen 264 dagen vertegenwoordigen, zal aan de betrokken werklieden minimaal dit laatste aantal dagen bestaanszekerheid uitgekeerd worden.
Art. 40. Pour un maximum de 30 jours de l'exercice en cours, les journées de chômage pour le contrôle du chômage n'a pas pu avoir lieu pour cause de maladie, donnent droit à la liquidation de l'indemnité de sécurité d'existence, à condition que l'intéressé produise une attestation délivrée par la mutualité à laquelle il est affilié et d'où il apparaît que l'indemnité de maladie est acquise pour ces journées.
  L'indemnité visée par l'alinéa précédent cesse d'être liquidée le jour auquel les ouvriers concernés auraient normalement dû reprendre le travail s'ils n'avaient pas été frappés d'une incapacité de travail résultant d'une maladie.
  Par dérogation aux articles 28 et 31, le droit à une allocation de sécurité d'existence de 10 jours, à rato de 25 jours de chômage involontaire, avec un maximum de 50 jours, est accordé pendant les deuxième et troisième trimestres, pour la durée de validité de l'arrêté royal fixant, pour les entreprises ressortissant à la Commission paritaire de l'industrie des briques, les conditions dans lesquelles le manque de travail résultant de causes économiques suspend l'exécution du contrat de travail des ouvriers.
Art.39. Worden voor de toepassing van onderhavige overeenkomst met arbeid gelijkgesteld :
  § 1. a) de dagen waarop werkelijk arbeid wordt verricht, wanneer de duur van de dagelijkse prestaties 8 uren overschrijdt en het aantal dezer dagen wekelijks minder dan 5 beloopt wordt het aantal effektief gewerkte dagen verkregen door het aantal uren werkelijke arbeid tijdens het kwartaal door 8 te delen, indien dit quotiënt een breuk bevat, dan wordt het tot de hogere eenheid afgerond;
  b) de dagen waarop geen arbeid wordt verricht, maar waarvoor de werkgever aan de werknemer een loon moet betalen dat aanleiding geeft tot berekening van bijdragen. Het zijn inzonderheid de wettelijke feestdagen, de dagen van klein verlet, de dagen tijdens welke de arbeid is geschorst met behoud van het recht op het volledig of gedeeltelijk loon, enz.;
  c) de inhaalrustdagen toegekend krachtens de wetgeving op de arbeidsduur en bestemd om de wekelijkse arbeidsduur op een gemiddelde van veertig uren of minder te brengen;
  d) de wettelijke en bijkomende vakantiedagen tot beloop van de dagen van gewone aktiviteit;
  e) de dag waarop geen arbeid wordt verricht of die niet betaald is tijdens elk van de weken die vijf arbeidsdagen bevatten behorende tot hogervermelde categorieën a) tot d), wanneer de wekelijkse arbeid van de werknemer nu eens over vijf dagen dan weer over meer dan vijf dagen in de loop van het kwartaal is verdeeld;
  f) de dagen verlof om dwingende redenen.
  Elk daggedeelte, ongeacht de duur van de arbeidsprestatie of het bedrag van het loon dat hierop betrekking heeft, moet als een volledige dag worden aangezien.
  § 2. a) de dagen van werkonbekwaamheid uit oorzaak van ziekte of ongeval, met uitsluiting van arbeidsongeval, voor een maximumduur van dertig kalenderdagen.
  Voor het vaststellen van deze gelijkstelling zijn de bepalingen van artikel 52 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en van de artikelen 3 en 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 26 februari 1979 tot aanpassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12 van 28 juni 1973 betreffende het toekennen van een gewaarborgd maandloon aan de werklieden ingeval van arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 23 maart 1979, van toepassing.
  b) de dagen van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval vanaf de datum van het ongeval tot het werk wordt hervat of de invaliditeit definitief is geconsolideerd.
Art.38. Les ouvriers ayant plus de vingt ans d'ancienneté dans l'entreprise ont droit, s'ils sont licenciés à la suite d'une restructuration ou d'une rationalisation de l'entreprise, à une indemnité de sécurité d'existence comprenant :
  a) le nombre de jours de sécurité d'existence auquel ils ont droit en vertu des articles précédents;
  b) un droit supplémentaire de 132 jours.
  Si le nombre de sécurité d'existence prévu sous b), soit 132 jours, ajouté au nombre de jours prévu sous a), ne représentent pas au total 264 jours, ce dernier nombre de jours de sécurité d'existence sera au minimum versé aux ouvriers concernés.
Art.40. Voor een maximum van 30 dagen van het lopend dienstjaar geven de dagen werkloosheid, waarvoor uit oorzaak van ziekte geen stempelcontrole heeft kunnen plaatshebben, recht op uitkering van de bestaanszekerheidsvergoeding, op voorwaarde dat door de betrokkene een attest wordt voorgelegd, uitgaande van de mutualiteit, waarbij hij aangesloten is en waaruit blijkt dat de ziektevergoeding voor die bepaalde dagen verworven is.
Art.39. Sont assimilés à des prestations pour l'application de la présente convention :
Art. 43. Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1995 en houdt op van kracht te zijn op 1 januari 1997, met uitzondering van de hoofdstukken II en III, betreffende de arbeidsduur en de koppeling van de bezoldigingen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, die voor onbepaalde tijd worden gesloten.
Art.40. Pour un maximum de 30 jours de l'exercice en cours, les journées de chômage pour le contrôle du chômage n'a pas pu avoir lieu pour cause de maladie, donnent droit à la liquidation de l'indemnité de sécurité d'existence, à condition que l'intéressé produise une attestation délivrée par la mutualité à laquelle il est affilié et d'où il apparaît que l'indemnité de maladie est acquise pour ces journées.
-
Art. 43. La présente convention collective de travail produit ses effets le 1er janvier 1995 et cesse d'être en vigueur le 1er janvier 1997, à l'exception des chapitres II et III, concernant la durée du travail et la liaison des salaires à l'indice des prix à la consommation, qui sont conclus pour une durée indéterminée.
  Ces derniers chapitres peuvent être dénoncés par l'une des parties, moyennant le respect d'un préavis de trois mois avant l'expiration de la présente convention collective de travail.
  La dénonciation est notifiée par lettre recommandée adressée au président de la Commission paritaire de l'industrie des briques et aux organisations représentées au sein de la commission paritaire précitée.
  Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 14 novembre 1995.
  (Pour l'AR, voir %%1995-11-14/35%%).
  La Ministre de l'Emploi et du Travail,
  Mme M. SMET