Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
10 OKTOBER 1995. - Omzendbrief betreffende de relatie politiediensten en pers.
Titre
10 OCTOBRE 1995. - Circulaire concernant la relation services de police et presse.
Dokumentinformationen
Tekst (1)
Texte (1)
Artikel M. Artikel 35 is enerzijds een explicitering en een concretisering van het beroepsgeheim (artikel 458 SWB) en van het geheim van het vooronderzoek, waarvan de ambtenaren van politie drager zijn; anderzijds moet dit artikel ook worden begrepen als een concrete maatregel ter bescherming van de privacy zoals gewaarborgd door artikel 8 EVRM.
  Artikel 35 legt een verbod op aan de ambtenaren van bestuurlijke of gerechtelijke politie om het initiatief te nemen of hun medewerking te verlenen tot "media-exposure" van aangehouden, gevangen of opgehouden personen. Artikel 35 is dus geen verbod dat wordt opgelegd aan de journalistieke sector. Het legt dus geen bijkomende beperking op aan de pers en is evenmin geformuleerd als een beperking van verslaggeving door de media. De wet voorziet enkel in een mogelijke sanctionering van de betreffende ambtenaren van bestuurlijke of gerechtelijke politie in geval van inbreuk op artikel 35.
  De bepalingen van artikel 35 zijn van toepassing voor zover het aan "aangehouden, gevangen of opgehouden" personen betreft. De algemene ratio legis van artikel 35 is er dus op gericht om aan politieambtenaren te verbieden om personen die zij in hun macht hebben aan publieke nieuwsgierigheid of mediabelangstelling bloot te stellen. Dat geldt voor personen die bestuurlijk zijn aangehouden, gerechtelijk zijn aangehouden, personen in voorlopige hechtenis, gevangenen, geïnterneerden en personen die door de politie tijdelijk zijn opgehouden. In dezelfde geest dient ook de privacy van slachtoffers van ongevallen, rampen of misdrijven te worden beschermd.
  Artikel 35, lid 1 houdt het verbod in voor de politiediensten om aangehouden, gevangen of opgehouden personen aan de publieke nieuwsgierigheid bloot te stellen, tenzij in geval van noodzaak, met name enkel in die gevallen waar de blootstelling werkelijk noodzakelijk is in het kader van de taken en verplichtingen van de politieambtenaar.
  Dit betekent niet dat de politieambtenaren extern het recht hebben om de pers of het publiek te verhinderen om op een voor het publiek toegankelijke plaats getuige te zijn van een aanhouding of identiteitscontrole van bepaalde personen, doch dit artikel strekt er enkel toe dat.
  de ambtenaren van politie bij de organisatie en uitoefening van hun functie zelf geen aanleiding geven tot blootstelling van de betrokken personen aan de publieke nieuwsgierigheid.
  Met andere woorden, intern mag de uitvoering van politietaken geen aanleiding geven tot de schending van de privacy van de betrokken personen die zich in hun macht bevinden.
  Meer nog, de politiediensten hebben een zorgvuldigheidsplicht ten aanzien van de eerbiediging van het privéleven, en dienen de burger te beschermen tegen elke schending ervan.
  Artikel 35, lid 2 houdt in dat politieambtenaren geen medewerkingmogen verlenen aan het organiseren van een interview met of aan het nemen van beeldopnames van de bedoelde categorieën van personen.
  Politieambtenaren moeten er bij de uitoefening en organisatie van hun taak maximaal op toezien dat zij zelf niet de aanleiding zijn, zelf niet aan de basis liggen, zelf niet nodeloos de mogelijkheid creëren dat van aangehouden, gevangen of opgehouden personen beeldopnames kunnen worden gemaakt.
  Dit verbod geldt evenwel enkel wanneer de bedoelde personen hun instemming niet hebben verleend aan het afnemen van een interview of het nemen van beeldopnames.
  Wanneer de betrokkenen te kennen geven geen bezwaar te maken tegen contacten met de pers of het maken van beeldopnames, of dit zelfs uitdrukkelijk verkiezen, kan artikel 35 niet worden ingeroepen om deze vormen van blootstelling aan de media te verhinderen.
  Het artikel verhindert dus geenszins dat een journalist een interview afneemt met een gevangen of aangehouden persoon die instemt met het interview en tevens instemt met het nemen van een foto met het oog op de publikatie ervan.
  Van een op eerlijke wijze onderhandelde toestemming kan dan ook geen sprake zijn wanneer politiediensten samen met een cameraploeg hun intentie ondernemen. Ook slachtoffers die meestal in panieksituaties verkeren kunnen op het moment zelf niet in alle rationaliteit hun toestemming verlenen. Wanneer na een interventie de pers verzoekt met de betrokkene aangehouden, gevangen of opgehouden persoon, of slachtoffer contact te hebben of opnames te maken, kan deze daartoe -eventueel via bemiddeling van een politieambtenaar- zijn toestemming verlenen.
  Bovendien dient te worden opgemerkt dat het onherkenbaar maken van de aangehouden, gevangen of opgehouden personen op zich niet volstaat voor de ambtenaren van politie om zich aan het verbod van artikel 35 te onttrekken. Ook indien door de pers wordt verzekerd dat de bedoelde personen onherkenbaar zullen worden gemaakt, hebben de politieambtenaren niet het recht de pers omtrent eventuele politieinterventies te verwittigen, aangezien ook op basis van kledij, omgeving en context, bedoelde personen kunnen worden herkend.
  Artikel 35, lid 3 verbiedt aan politiemensen om de identiteit van personen die aangehouden, gevangen of opgehouden zijn, bekend te maken. Uiteraard geldt dit verbod niet in het kader van het verwittigen van de verwanten van de betrokken personen. Alleen met toelating van de bevoegde gerechtelijke instantie, kan vanuit principieel verbod tot niet bekendmaking van de identiteit van aangehouden, gevangen of opgehouden personen worden afgeweken.
  De bepalingen van artikel 35 dienen in verband te worden gebracht met het recht op bescherming van de privacy, zoals gewaarborgd door artikel 8 EVRM. De ambtenaren van politie hebben dan ook de plicht al het mogelijke te doen opdat van de bedoelde personen geen beeldopnames kunnen worden gemaakt, of nog, zij hebben de plicht de burgers in hun privacy te beschermen. De publikatie van een foto of de uitzending van beeldopnames van een verdachte of aangehouden persoon, zonder uitdrukkelijke toestemming van de geportretteerde, is onrechtmatig.
  De draagwijdte van dit artikel 35 hierbij is dat men niet het onmogelijke mag verwachten van politieambtenaren, gelet op de technische middelen die de persfotografen en journalisten van de audiovisuele media ter beschikking staan om eventueel vanaf grote afstand toch beeldopnames te maken (Hand., Senaat, 15 juli 1992, 1520).
  A contrario ligt het wel in de mogelijkheid van de politieambtenaren om te verhinderen dat bedoelde personen onnodig aan de publieke nieuwsgierigheid worden blootgesteld.
  Er weze benadrukt dat artikel 35 bijgevolg geen beperking invoert op de persvrijheid en de nieuwsgaring, aangezien het verbod enkel wordt opgelegd aan de ambtenaren van bestuurlijke of gerechtelijke politie, en geen bijkomende beperking wordt opgelegd aan de pers, die politie-interventies mag volgen en zelfs filmen.
  Artikel 35 biedt dus geen rechtsgrond aan de politieambtenaren om bepaalde maatregelen te nemen opdat de pers zou worden verhinderd beeldopnames te maken van tussenkomsten van de politiediensten naar aanleiding van bijv. manifestaties of straatrellen. Op dat moment gaat het dus niet om beeldopnames van aangehouden, gevangen of opgehouden personen, maar om een bepaalde politie-actie tegenover burgers die zich op een voor het publiek toegankelijke plaats bevinden.
  Binnen de grenzen van de gemeenrechtelijke principes is het de pers dan ook toegestaan daarover verslag uit te brengen in woord en beeld.
  Het is niet aan de ambtenaren van politie om preventief de nieuwsgaring en de berichtgeving te verhinderen.
  De verbodsbepaling houdt echter wel in dat de pers niet mag worden verwittigd omtrent eventuele politie-operaties, door de pers op voorhand te tippen of a fortiori uit te nodigen, wanneer redelijkerwijze mag worden aangenomen dat hierdoor de privacy van mensen die aangehouden, gevangen of opgehouden worden door politieambtenaren in het gedrang zou kunnen komen. Zoals reeds gesteld dient een politieambtenaar dezelfde voorzichtigheid aan de dag te leggen m.b.t. slachtoffers van ongevallen, rampen en misdrijven. Dit sluit overigens aan bij de deontologie van het politieambt, het beroepsgeheim (artikel 458 Sw.) en het geheim van het vooronderzoek waarvan de ambtenaren van politie drager zijn. Ik wens in die context nogmaals te wijzen op de eerder vermelde zorgvuldigheidsplicht van politieambtenaren ten aanzien van de eerbiediging van het privé-leven. Tekortkomingen op dat vlak kunnen leiden tot disciplinaire maatregelen.
  Ten slotte wil ik hieraan een algemene bedenking toevoegen. Ik heb er niets op tegen dat de politiediensten hun vaak moeizaam werk in de media willen brengen. Integendeel, de burgers duidelijkheid brengen over uw werk is belangrijk. Evenmin wens ik terug te komen op belangrijke principes als de persvrijheid of de openbaarheid van bestuur. Deze grondwettelijke principes blijven onverkort gelden en worden gestimuleerd. Zoals ieder grondwettelijk recht moeten ze echter worden uitgewerkt binnen het kader van andere rechten (i.c. de privacy) die net zo goed grondwettelijk worden gewaarborgd.
  De wet heeft tussen deze rechten een, naar mijn oordeel, behartenswaardig evenwicht gebracht waar de politiediensten strak de hand aan moeten houden.
  Mag ik u verzoeken, Mijnheer de Gouverneur, het standpunt in deze omzendbrief in acht te nemen en ter kennis te brengen aan de Dames en Heren burgemeesters van uw provincie, met de vraag om inzake meer terughoudendheid aan de dag te leggen.
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  J. Vande Lanotte.
Article M. L'article 35 est d'une part une explicitation et une concrétisation du secret professionnel (article 458 Code pén.) et du secret de l'instruction préparatoire, auxquels sont tenus les fonctionnaires de police; d'autre part, cet article doit également être compris comme une mesure concrète de protection de la vie privée telle que garantie par l'article 8 de la CEDH..
  L'article 35 interdit aux fonctionnaires de police administrative ou judiciaire de prendre l'initiative ou de prêter leur concours à la "media exposure" de personnes arrêtées, détenues ou retenues. L'article 35 n'est donc pas une interdiction faite au secteur journalistique.
  Il ne soumet donc pas la presse à une restriction supplémentaire et n'est pas formulé non plus comme une limitation du rapportage par les médias. La loi prévoit seulement une sanction possible des fonctionnaires concernés de police administrative ou judiciaire en cas de violation de l'article 35.
  Les dispositions de l'article 35 sont d'application pour autant qu'il s'agisse de personnes "arrêtées, détenues ou retenues". La ratio legis générale de l'article 35 vise donc à interdire aux fonctionnaires de police d'exposer les personnes qu'ils ont en leur pouvoir à la curiosité publique ou à l'intérêt des médias. Cela vaut pour les personnes en état d'arrestation administrative, en état d'arrestation judiciaire, les personnes détenues préventivement, les emprisonnés, les internés et les personnes temporairement retenues. Dans le même esprit, il faut également protéger la vie privée des victimes d'accidents, de catastrophes ou de délits.
  L'article 35, alinéa 1er, contient l'interdiction pour les services de police d'exposer à la curiosité publique les personnes arrêtées, détenues ou retenues, sauf en cas de nécessité, c.à.d. dans les seuls cas où l'exposition est effectivement nécessaire dans le cadre des tâches et des obligations du fonctionnaire de police.
  Cela ne signifie pas que les fonctionnaires de police ont le droit d'empêcher, au niveau externe, la presse ou le public d'être témoin, dans un endroit accessible au public, d'une arrestation ou d'un contrôle d'identité de certaines personnes; l'article ne vise qu'à éviter que les fonctionnaires de police eux-mêmes ne provoquent l'exposition des personnes concernées à la curiosité publique.
  En d'autres termes, au niveau interne, l'exécution de tâches policières ne peut donner lieu à la violation du droit au respect de la vie privée de la personne concernée que la police a en son pouvoir.
  De plus, les services de police ont un devoir de prévoyance et de prudence à l'égard du respect de la vie privée, et doivent protéger le citoyen contre toute atteinte à celle-ci.
  L'article 35, alinéa 2, implique que les fonctionnaires de police ne peuvent prêter leur concours à l'organisation d'une interview avec, ou à la réalisation de prises de vues des catégories de personnes visées. Les fonctionnaires de police doivent dans l'exécution et l'organisation de leurs tâches veiller au maximum à ne pas donner lieu, à ne pas être à la base, ou à ne pas créer eux-mêmes, sans nécessité, la possibilité de réaliser des prises de vues de personnes arrêtées, détenues ou retenues.
  Cette interdiction n'est toutefois d'application que si les personnes visées n'ont pas consenti à une interview ou à la réalisation de prises de vues.
  Lorsque les personnes concernées déclarent ne pas faire d'objections aux contacts avec la presse ou à la réalisation de prises de vues, ou lorsqu'elles le préfèrent même explicitement, l'article 35 ne peut être invoqué pour empêcher ces formes d'exposition aux médias.
  L'article ne fait nullement obstacle à ce qu'un journaliste prenne une interview d'une personne détenue ou arrêtée qui est d'accord avec l'interview ainsi qu'avec la prise d'une photo destinée à publication.
  Il ne peut toutefois être question d'un accord négocié de manière correcte lorsque les services de police entreprennent leur intervention en compagnie d'une équipe d'opérateurs de prises de vues. De même, les victimes, généralement prises de panique, ne sont pas en état de donner au moment même leur consentement de manière rationnelle. Si, à l'issue d'une intervention, la presse demande à avoir un entretien ou à faire des prises de vues de la personne arrêtée, détenue ou retenue, ou victime, cette dernière peut donner son accord, éventuellement par l'intermédiaire d'un fonctionnaire de police.
  Il convient en outre de faire remarquer que le fait de rendre méconnaissable les personnes arrêtées, détenues ou retenues ne suffit pas en soi à soustraire les fonctionnaires de police à l'interdiction de l'article 35. De même, si la presse donne la garantie que les personnes en question seront rendues méconnaissables, les fonctionnaires de police n'ont toujours pas le droit d'avertir la presse d'éventuelles interventions policières, étant donné que les personnes en question peuvent également être reconnues sur base de leur tenue vestimentaire, de l'environnement et du contexte.
  L'article 35, alinéa 3, interdit aux policiers de rendre publique l'identité de personnes arrêtées, détenues ou retenues. Il va de soi que cette interdiction n'est pas d'application lorsqu'il s'agit d'avertir les proches des personnes concernées. Il ne peut être dérogé à l'interdiction de principe de rendre publique l'identité des personnes arrêtées, détenues ou retenues que moyennant l'autorisation de l'instance judiciaire compétente.
  Les dispositions de l'article 35 doivent être mises en relation avec le droit à la protection de la vie privée, tel que garanti par l'article 8 de la CEDH.. Il est alors du devoir des fonctionnaires de police de faire tout ce qui est possible pour que des prises de vues des personnes concernées ne puissent être faites, voire de protéger les citoyens contre la violation du droit au respect de leur vie privée. La publication d'une photo ou l'émission de prises de vues d'une personne suspecte ou arrêtée, sans accord explicite de cette dernière, est illicite.
  La portée de cet article 35 n'implique pas que les fonctionnaires de police soient tenus à l'impossible, étant donné les moyens techniques qui sont à la disposition des photographes de presse et des journalistes des médias audiovisuels, leur permettant de réaliser tout de même, éventuellement à une grande distance, des prises de vues (Ann. parl., Sénat, 15 juillet 1992, 1520).
  Il entre par contre dans les possibilités des fonctionnaires de police d'éviter que les personnes concernées ne soient, sans nécessité, exposées à la curiosité publique.
  Il convient de souligner que l'article 35 n'instaure donc pas une restriction de la liberté de la presse et de la collecte d'informations, vu que l'interdiction n'est imposée qu'aux fonctionnaires de police administrative ou judiciaire, et que la presse n'est soumise à aucune restriction supplémentaire; elle peut suivre et même filmer les interventions de la police.
  L'article 35 ne procure donc pas de fondement légal aux fonctionnaires de police justifiant la prise de certaines mesures en vue d'empêcher la presse de faire des prises de vues des interventions des services de police p.e. lors de manifestations ou de bagarres sur la voie publique. A ce moment, il ne s'agit pas de prises de vue de personnes arrêtées, détenues ou retenues, mais d'une action policière déterminée à l'encontre de citoyens qui se trouvent dans un endroit accessible au public. Dans les limites des principes du droit commun, la presse est autorisée à en faire rapport par la parole et par l'image. Il n'appartient pas aux fonctionnaires de police d'empêcher de manière préventive la collecte d'informations et l'information.
  L'interdiction implique toutefois que la presse ne peut être mise au courant d'opérations policières éventuelles, en l'informant d'avance ou, a fortiori, en l'invitant, lorsqu'il peut être raisonnablement admis que cela pourrait conduire à une atteinte à la vie privée des personnes arrêtées, détenues ou retenues par les fonctionnaires de police. Ainsi qu'il a déjà été exposé, un fonctionnaire de police doit faire preuve de la même circonspection à l'égard de victimes d'accidents, de catastrophes ou de délits. Cela s'inscrit d'ailleurs dans la déontologie de la fonction de la police, du secret professionnel (article 458 Code pén.) et du secret de l'instruction préparatoire auxquels sont tenus les fonctionnaires de police. Dans ce contexte, je souhaite rappeler une fois de plus le devoir de prévoyance et de prudence existant dans le chef des fonctionnaires de police à l'égard du respect de la vie privée. Les négligences en la matière peuvent donner lieu à la prise de mesures disciplinaires.
  En conclusion, je voudrais encore ajouter une remarque générale. Je n'ai pas d'objection à ce que les services de police aient envie de médiatiser leur travail souvent pénible. Au contraire, le fait d'informer de manière précise les citoyens sur leur travail est important. Je ne veux pas non plus revenir sur ces principes importants tels que la liberté de la presse ou de la publicité de l'administration. Ces principes constitutionnels continuent à s'appliquer pleinement et sont stimulés. Toutefois, comme chaque droit constitutionnel, ils doivent être élaborés dans le cadre d'autres droits (i.c. le droit au respect de la vie privée) qui sont tout aussi bien garantis par la Constitution.
  La loi a, à mon avis, apporté un équilibre valable entre ces droits, qu'il appartient aux services de police de respecter strictement.
  Je vous prie de bien vouloir observer, Monsieur le Gouverneur, la position formulée dans cette circulaire et de la porter à la connaissance des Mesdames et Messieurs les Bourgmestres de votre province, en les invitant à faire preuve de plus de réserve en la matière.
  Le Ministre de l'Intérieur,
  J. Vande Lanotte.