Artikel 1. Artikel 8, eerste lid, van het koninklijk besluit van 4 juli 1994 betreffende de bezoldigingsregeling van de militairen van alle rangen en betreffende het stelsel van de dienstprestaties van de militairen van het aktief kader beneden de rang van officier wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Voor de toekenning van de tussentijdse verhogingen komen in aanmerking :
1° de werkelijke diensten die de militair heeft verricht in de diensten, inrichtingen, instellingen en centra bedoeld in artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries;
2° de diensten met volledige prestaties, die de militair voorheen heeft verricht in de besturen en andere diensten van de ministeries als contractueel personeelslid in dienst genomen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken."
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
2 JULI 1996. - Koninklijk besluit houdende diverse wijzigingsbepalingen inzake de bezoldigingsregeling van de militairen.
Titre
2 JUILLET 1996. - Arrêté royal portant diverses dispositions modificatives en matière de statut pécuniaire des militaires.
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (20)
Texte (20)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 4 juli 1994 betreffende de bezoldigingsregeling van de militairen van alle rangen en betreffende het stelsel van de dienstprestaties van de militairen van het aktief kader beneden de rang van officier.
CHAPITRE I. - Modifications à l'arrêté royal du 4 juillet 1994 relatif au statut pécuniaire des militaires de tous rangs et au régime des prestations de service des militaires du cadre actif au-dessous du rang d'officier.
Article 1. L'article 8, alinéa premier de l'arrêté royal du 4 juillet 1994 relatif au statut pécuniaire des militaires de tous rangs et au régime des prestations de service des militaires du cadre actif au-dessous du rang d'officier est remplacé par la disposition suivante :
"Sont admissibles pour l'octroi des augmentations intercalaires :
1° les services effectifs que le militaire a accomplis dans les services, établissements, offices et centres visés à l'article 14 de l'arrêté royal du 29 juin 1973 portant statut pécuniaire du personnel des ministères;
2° les services à temps plein que le militaire a presté antérieurement dans les administrations et les autres services des ministères comme contractuel engagé conformément aux dispositions de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique."
"Sont admissibles pour l'octroi des augmentations intercalaires :
1° les services effectifs que le militaire a accomplis dans les services, établissements, offices et centres visés à l'article 14 de l'arrêté royal du 29 juin 1973 portant statut pécuniaire du personnel des ministères;
2° les services à temps plein que le militaire a presté antérieurement dans les administrations et les autres services des ministères comme contractuel engagé conformément aux dispositions de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique."
Art. 2. Titel III van hetzelfde besluit, welke de artikelen 19 en 20 bevat, wordt vervangen door de volgende bepalingen : "TITEL III. - Bepalingen betreffende de toelagen en vergoedingen toegekend aan de militair in intensieve dienst, in hulpverlening en in operationele inzet.
- HOOFDSTUK I. - Toelage toegekend aan de militair in intensieve dienst.
- Art. 19. De militair ontvangt in de deelstand intensieve dienst een toelage waarvan het bedrag per dag vastgesteld wordt op 5/1850 van de brutojaarwedde.
- HOOFDSTUK II. - Toelage en vergoeding toegekend aan de militair in hulpverlening en in operationele inzet.
- Art. 20. De militair ontvangt in de deelstanden hulpverlening er operationele inzet een toelage waarvan het dagbedrag vastgesteld wordt op 5/1850 van de brutojaarwedde.
- Art. 20bis. De militair ontvangt bovendien in de deelstanden hulp verlening, voor zover deze plaats heeft buiten het nationale grondgebied, en operationele inzet, een forfaitaire dagvergoeding van 400 Belgische frank. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met de volgende coëfficiënten :
1° in de deelstand hulpverlening, voor zover deze plaats heeft buiten het nationale grondgebied : 2;
2° in de deelstand operationele inzet:
a) in geval van handhaving van de orde : 1;
b) in geval van waarnemingsinzet : 2;
c) in geval van beschermingsinzet : 3;
d) in geval van passieve gewapende inzet : 4;
e) in geval van aktieve gewapende inzet : 5.
De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt gekoppeld aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de wedden van het personeel der ministeries. Ze is gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
De toekenning van de vergoeding bepaald in het eerste lid heft het recht op de vergoeding voor kleine uitgaven op, gevestigd in artikel 4, § 1 van het ministerieel besluit van 3 februari 1975 genomen ter uitvoering van het koninklijk besluit van 15 januari 1962 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen die dienstreizen volbrengen in het buitenland.
- HOOFDSTUK III. - Gemeenschappelijke bepalingen.
- Art. 20ter. De brutojaarwedde die in aanmerking moet worden genomen is die welke heeft gediend voor het berekenen van de bezoldiging voor de maand tijdens welke de prestatie is verricht.
Voor de militair in vorming in een school betreft dit de brutojaarwedde vóór toepassing van de in artikel 13 bedoelde vermindering.
- Art. 20quater. De personen die niet behoren tot het leger en wier aanwezigheid bij de militairen noodzakelijk is tijdens het verrichten van prestaties in de deelstand "intensieve dienst", "hulpverlening" en "operationele inzet", kunnen onder dezelfde voorwaarden aanspraak maken op de toelagen en vergoedingen bepaald in de artikelen 19, 20 en 20bis."
- HOOFDSTUK I. - Toelage toegekend aan de militair in intensieve dienst.
- Art. 19. De militair ontvangt in de deelstand intensieve dienst een toelage waarvan het bedrag per dag vastgesteld wordt op 5/1850 van de brutojaarwedde.
- HOOFDSTUK II. - Toelage en vergoeding toegekend aan de militair in hulpverlening en in operationele inzet.
- Art. 20. De militair ontvangt in de deelstanden hulpverlening er operationele inzet een toelage waarvan het dagbedrag vastgesteld wordt op 5/1850 van de brutojaarwedde.
- Art. 20bis. De militair ontvangt bovendien in de deelstanden hulp verlening, voor zover deze plaats heeft buiten het nationale grondgebied, en operationele inzet, een forfaitaire dagvergoeding van 400 Belgische frank. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met de volgende coëfficiënten :
1° in de deelstand hulpverlening, voor zover deze plaats heeft buiten het nationale grondgebied : 2;
2° in de deelstand operationele inzet:
a) in geval van handhaving van de orde : 1;
b) in geval van waarnemingsinzet : 2;
c) in geval van beschermingsinzet : 3;
d) in geval van passieve gewapende inzet : 4;
e) in geval van aktieve gewapende inzet : 5.
De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt gekoppeld aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de wedden van het personeel der ministeries. Ze is gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
De toekenning van de vergoeding bepaald in het eerste lid heft het recht op de vergoeding voor kleine uitgaven op, gevestigd in artikel 4, § 1 van het ministerieel besluit van 3 februari 1975 genomen ter uitvoering van het koninklijk besluit van 15 januari 1962 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen die dienstreizen volbrengen in het buitenland.
- HOOFDSTUK III. - Gemeenschappelijke bepalingen.
- Art. 20ter. De brutojaarwedde die in aanmerking moet worden genomen is die welke heeft gediend voor het berekenen van de bezoldiging voor de maand tijdens welke de prestatie is verricht.
Voor de militair in vorming in een school betreft dit de brutojaarwedde vóór toepassing van de in artikel 13 bedoelde vermindering.
- Art. 20quater. De personen die niet behoren tot het leger en wier aanwezigheid bij de militairen noodzakelijk is tijdens het verrichten van prestaties in de deelstand "intensieve dienst", "hulpverlening" en "operationele inzet", kunnen onder dezelfde voorwaarden aanspraak maken op de toelagen en vergoedingen bepaald in de artikelen 19, 20 en 20bis."
Art. 2. Le titre III du même arrêté, comprenant les articles 19 et 20, est remplacé par les dispositions suivantes : "TITRE III. - Dispositions relatives aux allocations et indemnités accordées au militaire en service intensif, en assistance et en engagement opérationnel.
- CHAPITRE I. - De l'allocation accordée au militaire en service intensif.
- Art. 19. Le militaire percoit dans la sous-position service intensif une allocation dont le montant journalier est fixé à 5/1850 du traitement annuel brut.
- CHAPITRE II. - De l'allocation et de l'indemnité accordées au militaire en assistance et en engagement opérationnel.
- Art. 20. Le militaire percoit dans les sous-positions assistance et engagement opérationnel une allocation dont le montant journalier est fixé à 5/1850 du traitement annuel brut.
- Art. 20bis. Le militaire percoit en outre dans les sous-positions assistance, pour autant qu'elle ait lieu hors du territoire national, et engagement opérationnel, une indemnité journalière forfaitaire de 400 francs belges. Ce montant est multiplié par les coefficients suivants :
1° dans la sous-position assistance, pour autant qu'elle ait lieu hors du territoire national : 2;
2° dans la sous-position engagement opérationnel :
a) en cas de maintien de l'ordre : 1;
b) en cas d'engagement d'observation : 2;
c) en cas d'engagement de protection : 3;
d) en cas d'engagement armé passif : 4;
e) en cas d'engagement armé actif : 5.
L'indemnité visée à l'alinéa 1er est liée au régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des ministères. Elle est liée à l'indice-pivot 138,01.
L'octroi de l'indemnité visée à l'alinéa 1er suspend le droit à l'indemnité pour menues dépenses établi par l'article 4, § 1er, de l'arrêté ministériel du 3 février 1975 pris en exécution de l'arrête royal du 15 janvier 1962 fixant le régime d'indemnisation. applicable aux militaires accomplissant des déplacements de service à l'extérieur du Royaume.
- CHAPITRE III. - Dispositions communes.
- Art. 20ter. Le traitement annuel brut à prendre en considération est celui qui a servi au calcul de la rémunération du mois au cours duquel la prestation a été effectuée.
En ce qui concerne le militaire en formation dans une école, il s'agit du traitement annuel brut avant application de la réduction visée à l'article 13.
- Art. 20quater. Les personnes étrangères à l'armée dont la présence est requise auprès des militaires accomplissant des prestations en sous-position "service intensif", "assistance" et "engagement opérationnel" peuvent prétendre, aux mêmes conditions, au bénéfice des allocations et indemnités visées aux articles 19, 20 et 20bis."
- CHAPITRE I. - De l'allocation accordée au militaire en service intensif.
- Art. 19. Le militaire percoit dans la sous-position service intensif une allocation dont le montant journalier est fixé à 5/1850 du traitement annuel brut.
- CHAPITRE II. - De l'allocation et de l'indemnité accordées au militaire en assistance et en engagement opérationnel.
- Art. 20. Le militaire percoit dans les sous-positions assistance et engagement opérationnel une allocation dont le montant journalier est fixé à 5/1850 du traitement annuel brut.
- Art. 20bis. Le militaire percoit en outre dans les sous-positions assistance, pour autant qu'elle ait lieu hors du territoire national, et engagement opérationnel, une indemnité journalière forfaitaire de 400 francs belges. Ce montant est multiplié par les coefficients suivants :
1° dans la sous-position assistance, pour autant qu'elle ait lieu hors du territoire national : 2;
2° dans la sous-position engagement opérationnel :
a) en cas de maintien de l'ordre : 1;
b) en cas d'engagement d'observation : 2;
c) en cas d'engagement de protection : 3;
d) en cas d'engagement armé passif : 4;
e) en cas d'engagement armé actif : 5.
L'indemnité visée à l'alinéa 1er est liée au régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des ministères. Elle est liée à l'indice-pivot 138,01.
L'octroi de l'indemnité visée à l'alinéa 1er suspend le droit à l'indemnité pour menues dépenses établi par l'article 4, § 1er, de l'arrêté ministériel du 3 février 1975 pris en exécution de l'arrête royal du 15 janvier 1962 fixant le régime d'indemnisation. applicable aux militaires accomplissant des déplacements de service à l'extérieur du Royaume.
- CHAPITRE III. - Dispositions communes.
- Art. 20ter. Le traitement annuel brut à prendre en considération est celui qui a servi au calcul de la rémunération du mois au cours duquel la prestation a été effectuée.
En ce qui concerne le militaire en formation dans une école, il s'agit du traitement annuel brut avant application de la réduction visée à l'article 13.
- Art. 20quater. Les personnes étrangères à l'armée dont la présence est requise auprès des militaires accomplissant des prestations en sous-position "service intensif", "assistance" et "engagement opérationnel" peuvent prétendre, aux mêmes conditions, au bénéfice des allocations et indemnités visées aux articles 19, 20 et 20bis."
Art. 3. Artikel 23, 1°, van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
"1° week- of dagdienst verzekerd door een militair in het kwartier;"
"1° week- of dagdienst verzekerd door een militair in het kwartier;"
Art. 3. L'article 23, 1°, du même arrêté est remplacé par la disposition suivante : "1° le service de semaine ou de jour assuré par un militaire au quartier;"
Art. 4. Artikel 24, 2°, van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
"2° week- of dagdienst verzekerd door een militair thuis of in zijn kamer in het kwartier als hij in het kwartier gehuisvest is."
"2° week- of dagdienst verzekerd door een militair thuis of in zijn kamer in het kwartier als hij in het kwartier gehuisvest is."
Art. 4. L'article 24, 2°, du même arrêté est remplacé par la disposition suivante : "2° le service de semaine ou de jour assuré par un militaire à son domicile ou dans sa chambre dans le quartier s'il est domicilié dans le quartier. "
Art. 5. Artikel 29 van hetzelfde besluit wordt opgehe
en.
en.
Art. 5. L'article 29 du même arrêté est abr
gé.
gé.
Art. 6. In hetzelfde besluit wordt een artikel 38bis ingevoegd luidende :
"Art. 38bis. In afwijking van artikel I zijn hoofdstuk I van titel III, titel IV en titel V niet van toepassing op de volgende militairen :
1° de reserveofficieren die wederoproepingen en prestaties verrichten als bedoeld in artikel 62 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de land-, de lucht-, de zeemacht en de medische dienst en der reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst of in artikel 31, §§ 1 en 3, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader;
2° de reserveonderofficieren die wederoproepingen en prestaties verrichten als bedoeld in artikel 10 van de wet van 10 februari 1987 betreffende het statuut van de onderofficieren van het reservekader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst of in artikel 31, §§1 en 3, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader;
3° de militairen gebezigd in de ministeries of in de instellingen van openbaar nut met toepassing van het koninklijk besluit nr. 26 van 29 juni 1967 betreffende de mobiliteit der leden van de krijgsmacht;
4° de militairen in vorming;
5° de militairen met vaste dienst in het buitenland;
6° de militairen met vaste dienst bij de internationale hoofdkwartieren, generale staven en instellingen die in België zijn gevestigd, uitgezonderd de militairen van de 4e Belgische Pipe-Line Divisie."
"Art. 38bis. In afwijking van artikel I zijn hoofdstuk I van titel III, titel IV en titel V niet van toepassing op de volgende militairen :
1° de reserveofficieren die wederoproepingen en prestaties verrichten als bedoeld in artikel 62 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de land-, de lucht-, de zeemacht en de medische dienst en der reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst of in artikel 31, §§ 1 en 3, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader;
2° de reserveonderofficieren die wederoproepingen en prestaties verrichten als bedoeld in artikel 10 van de wet van 10 februari 1987 betreffende het statuut van de onderofficieren van het reservekader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst of in artikel 31, §§1 en 3, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader;
3° de militairen gebezigd in de ministeries of in de instellingen van openbaar nut met toepassing van het koninklijk besluit nr. 26 van 29 juni 1967 betreffende de mobiliteit der leden van de krijgsmacht;
4° de militairen in vorming;
5° de militairen met vaste dienst in het buitenland;
6° de militairen met vaste dienst bij de internationale hoofdkwartieren, generale staven en instellingen die in België zijn gevestigd, uitgezonderd de militairen van de 4e Belgische Pipe-Line Divisie."
Art. 6. Dans le même arrête, il est inséré un article 38bis rédigé comme suit : "Art. 38bis. Par dérogation à l'article 1er, le chapitre 1er du titre III, le titre IV et le titre V ne sont pas d'application aux militaires suivants :
1° les officiers de réserve effectuant les rappels et prestations visés à l'article 62 de la loi du 1er mars 1958 relative au statut des officiers de carrière des forces terrestre, aérienne et navale et du service médical, ainsi que des officiers de réserve de toutes les forces armées et du service médical ou à l'article 31, §§ 1er et 3, de la loi du 21 décembre 1990 portant statut des candidats militaires du cadre actif;
2° les sous-officiers de réserve effectuant les rappels et prestations visés à l'article 10 de la loi du 18 février 1987 relative au statut des sous-officiers du cadre de réserve des forces terrestre aérienne et navale et du service médical ou à l'article 31, §§ 1er et 3, de la loi du 21 décembre 1990 portant statut des candidats militaires en cadre actif;
3° les militaires utilisés dans les ministères ou dans les organismes d'intérêt public en application de l'arrêté royal n° 26 du 29 juin 1967 relatif à la mobilité dès membres des forces armées;
4° les militaires en formation;
5° les militaires en service permanent à l'étranger;
6° les militaires en service permanent auprès des quartiers généraux, états-majors et organismes internationaux installés en Belgique, sauf en ce qui concerne les militaires de la 4e Division belge Pipe-Line."
1° les officiers de réserve effectuant les rappels et prestations visés à l'article 62 de la loi du 1er mars 1958 relative au statut des officiers de carrière des forces terrestre, aérienne et navale et du service médical, ainsi que des officiers de réserve de toutes les forces armées et du service médical ou à l'article 31, §§ 1er et 3, de la loi du 21 décembre 1990 portant statut des candidats militaires du cadre actif;
2° les sous-officiers de réserve effectuant les rappels et prestations visés à l'article 10 de la loi du 18 février 1987 relative au statut des sous-officiers du cadre de réserve des forces terrestre aérienne et navale et du service médical ou à l'article 31, §§ 1er et 3, de la loi du 21 décembre 1990 portant statut des candidats militaires en cadre actif;
3° les militaires utilisés dans les ministères ou dans les organismes d'intérêt public en application de l'arrêté royal n° 26 du 29 juin 1967 relatif à la mobilité dès membres des forces armées;
4° les militaires en formation;
5° les militaires en service permanent à l'étranger;
6° les militaires en service permanent auprès des quartiers généraux, états-majors et organismes internationaux installés en Belgique, sauf en ce qui concerne les militaires de la 4e Division belge Pipe-Line."
Art. 7. Artikel 44, 1°, van hetzelfde besluit wordt opgehe
en.
en.
Art. 7. L'article 44, 1°, du même arrêté est abrogé.
Art. 8. Tabellen 7, 8 en 9 van bijlage A bij hetzelfde besluit worden vervangen door tabellen 7, 8 en 9 in bijlage.
Art. 8. Les tableaux 7, 8 et 9 de l'annexe A du même arrêté sont remplacés par les tableaux 7, 8 et 9 en ann
xe.
xe.
HOOFDSTUK II. - Wijziging van het koninklijk besluit van 15 januari 1962 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen die dienstreizen volbrengen in het buitenland.
CHAPITRE II. - Modification à l'arrêté royal du 15 janvier 1962 fixant le régime d'indemnisation applicable aux militaires accomplissant des déplacements de service à l'extérieur du royaume.
Art. 9. In artikel 8 van het koninklijk besluit van 15 januari 1962 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen die dienstreizen volbrengen in het buitenland, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 februari 1978, wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidende :
"§ 2bis. In afwijking van artikel 6, is de vergoeding voor vaste dienst niet meer verschuldigd aan de militair die opgeroepen wordt om deel te nemen aan een activiteit waarvoor hij zich in deelstand "hulpverlening" of "operationele inzet" bevindt, in de zin van artikel 10, derde en vierde lid, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden.
Zij blijft nochtans behouden ten belope van de helft, voor zover de desbetreffende militair op de zetel van de instelling geen kosteloze huisvesting geniet.
"§ 2bis. In afwijking van artikel 6, is de vergoeding voor vaste dienst niet meer verschuldigd aan de militair die opgeroepen wordt om deel te nemen aan een activiteit waarvoor hij zich in deelstand "hulpverlening" of "operationele inzet" bevindt, in de zin van artikel 10, derde en vierde lid, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden.
Zij blijft nochtans behouden ten belope van de helft, voor zover de desbetreffende militair op de zetel van de instelling geen kosteloze huisvesting geniet.
Art. 9. Dans l'article 8 de l'arrêté royal du 15 janvier 1962 fixant le régime d'indemnisation applicable aux militaires accomplissant des déplacements de service à l'extérieur du Royaume, modifié par l'arrêté royal du 14 février 1978, est inséré un paragraphe 2bis rédigé comme suit :
"§ 2bis. Par dérogation à l'article 6, l'indemnité de service permanent cesse d'être due au militaire appelé à participer à une activité en raison de laquelle il se trouve en sous-position "assistance" ou "engagement opérationnel au sens de l'article 10, alinéas 3 et 4, de la loi du 20 mai 1994 relative à la mise en oeuvre des forces armées, à la mise en condition ainsi qu'aux périodes et positions dans lesquelles le militaire peut se trouver.
Elle est toutefois maintenue à concurrence de la moitié, pour autant que le militaire concerné ne bénéficie pas au siège de l'organisme du logement gratuit."
"§ 2bis. Par dérogation à l'article 6, l'indemnité de service permanent cesse d'être due au militaire appelé à participer à une activité en raison de laquelle il se trouve en sous-position "assistance" ou "engagement opérationnel au sens de l'article 10, alinéas 3 et 4, de la loi du 20 mai 1994 relative à la mise en oeuvre des forces armées, à la mise en condition ainsi qu'aux périodes et positions dans lesquelles le militaire peut se trouver.
Elle est toutefois maintenue à concurrence de la moitié, pour autant que le militaire concerné ne bénéficie pas au siège de l'organisme du logement gratuit."
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 1 maart 1977 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen en de met militairen gelijkgestelde personen die bij de Belgische strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland in dienst zijn of daarbij op dienstreis zijn.
CHAPITRE III. - Modification à l'arrêté royal du 1er mars 1977 fixant le régime d'indemnisation applicable aux militaires et aux personnes assimilées aux militaires en service aux forces belges en République fédérale d'Allemagne ou accomplissant des déplacements de service auprès de ces forces.
Art. 10. In het koninklijk besluit van 1 maart 1977 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen en de met militairen gelijkgestelde personen die bij de Belgische strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland in dienst zijn of daarbij op dienstreis zijn, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 september 1984, 30 september 1987, 17 juli 1989, 7 mei 1991 en 7 december 1992, wordt een artikel 5bis ingevoegd, luidende :
"Art. 5bis. De verwijderingsvergoeding is niet meer verschuldigd aan de militair die wordt opgeroepen om deel te nemen aan een activiteit waarvoor hij zich in deelstand "hulpverlening" of "operationele inzet" bevindt, in de zin van artikel 10, derde en vierde lid, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden.
Zij blijft nochtans in haar geheel behouden voor de militair wiens gezin in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigd is."
"Art. 5bis. De verwijderingsvergoeding is niet meer verschuldigd aan de militair die wordt opgeroepen om deel te nemen aan een activiteit waarvoor hij zich in deelstand "hulpverlening" of "operationele inzet" bevindt, in de zin van artikel 10, derde en vierde lid, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden.
Zij blijft nochtans in haar geheel behouden voor de militair wiens gezin in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigd is."
Art. 10. Dans l'arrêté royal du 1er mars 1977 fixant le régime d'indemnisation applicable aux militaires et aux personnes assimilées aux militaires en service aux forces belges en République fédérale d'Allemagne ou accomplissant des déplacements de service auprès de ces forces, modifié par les arrêtés royaux des 18 septembre 1984, 30 septembre 1987, 17 juillet 1989, 7 mai 1991 et 7 décembre 1992 est inséré un article 5bis rédigé comme suit :
"Art. 5bis. L'indemnité d'éloignement cesse d'être due au militaire appelé à participer à une activité en raison de laquelle il se trouve en sous-position "assistance" ou "engagement opérationnel" au sens de l'article 10, alinéas 3 et 4, de la loi du 20 mai 1994 relative à la mise en oeuvre des forces armées, à la mise en condition ainsi qu'aux périodes et positions dans lesquelles le militaire peut se trouver.
Elle est toutefois maintenue dans sa totalité pour le militaire dont la famille est installée en République fédérale d'Allemagne."
"Art. 5bis. L'indemnité d'éloignement cesse d'être due au militaire appelé à participer à une activité en raison de laquelle il se trouve en sous-position "assistance" ou "engagement opérationnel" au sens de l'article 10, alinéas 3 et 4, de la loi du 20 mai 1994 relative à la mise en oeuvre des forces armées, à la mise en condition ainsi qu'aux périodes et positions dans lesquelles le militaire peut se trouver.
Elle est toutefois maintenue dans sa totalité pour le militaire dont la famille est installée en République fédérale d'Allemagne."
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions finales.
Art. 11. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 15 augustus 1994, met uitzondering van :
1° de artikelen 1 en 8, die uitwerking hebben met ingang van 1 juni 1994;
2° de artikelen 4 en 7, die in werking treden de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
1° de artikelen 1 en 8, die uitwerking hebben met ingang van 1 juni 1994;
2° de artikelen 4 en 7, die in werking treden de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 11. Le présent arrêté produit ses effets le 15 août 1994, à l'exception : 1° des articles 1er et 8, qui produisent leurs effets le 1er juin 1994;
2° des articles 4 et 7, qui entrent en vigueur le jour de la publication du présent arrêté au Moniteur belge.
2° des articles 4 et 7, qui entrent en vigueur le jour de la publication du présent arrêté au Moniteur belge.
Art. 12. Onze Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 2 juli 1996.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Landsverdediging,
J.-P. PONCELET
De Minister van Begroting,
H. VAN ROMPUY
Gegeven te Brussel, 2 juli 1996.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Landsverdediging,
J.-P. PONCELET
De Minister van Begroting,
H. VAN ROMPUY
Art. 12. Notre Ministre de la Défense nationale est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 2 juillet 1996.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Défense nationale,
J.-P. PONCELET
Le Ministre du Budget,
H. VAN ROMPUY
Donné à Bruxelles, le 2 juillet 1996.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Défense nationale,
J.-P. PONCELET
Le Ministre du Budget,
H. VAN ROMPUY
Bijlagen.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage A. Tabel 7. - Onderofficieren (anderen dan degenen bedoeld bij tabellen 8, 9, 10 en 11).
Art. N1. Annexe A. Tableau 7. Sous-officiers (autres que ceux visés aux tableaux 8, 9, 10 et 11).
Minimumwedde Maximumwedde Tussentijdse
verhogingen
verhogingen
Änderungen
Sergeant 600 000 882 500 3 exponent 1 x 10 000
3 exponent 2 x 17 500
10 exponent 2 x 20 000
1ste sergeant 620 000 902 500 3 exponent 1 x 10 000
3 exponent 2 x 17 500
10 exponent 2 x 20 000
1ste sergeant-chef 640 000 922 500 3 exponent 1 x 10 000
3 exponent 2 x 17 500
10 exponent 2 x 20 000
1ste sergeant-majoor 650 000 950 000 3 exponent 1 x 15 000
3 exponent 2 x 15 000
6 exponent 2 x 17 500
3 exponent 2 x 25 000
1 exponent 2 x 30 000
Adjudant 700 000 987 500 3 exponent 1 x 20 000
13 exponent 2 x 17 500
Adjudant van het 700 000 987 500 3 exponent 1 x 20 000
gebrevetteerd-varend 12 exponent 2 x 17 500
[1]personeel van de land- [1 exponent 1 x 17 500
en zeemacht (Err. 13-09-1996, p. 23990).
Adjudant-chef 745 000 1 095 000 3 exponent 1 x 10 000
3 exponent 2 x 15 000
5 exponent 2 x 25 000
5 exponent 2 x 30 000
Adjudant-chef van het 745 000 1 095 000 3 exponent 1 x 10 000
gebrevetteerd-varend 3 exponent 2 x 15 000
personeel van de land- 5 exponent 2 x 25 000
en zeemacht 4 exponent 2 x 30 000
[1][1 exponent 1 x 30 000
(Err. 13-09-1996, p. 23990).
Adjudant-majoor 795 000 1 145 000 3 exponent 1 x 10 000
3 exponent 2 x 15 000
5 exponent 2 x 25 000
5 exponent 2 x 30 000
Adjudant-majoor van het 795 000 1 145 000 3 exponent 1 x 10 000
gebrevetteerd-varend 3 exponent 2 x 15 000
personeel van de land- 5 exponent 2 x 25 000
en zeemacht 4 exponent 2 x 30 000
[1][1 exponent 1 x 30 000
(Err. 13-09-1996, p. 23990).
Traitement Traitement Augmentations
minimum maximum intercalaires
minimum maximum intercalaires
Änderungen
Sergent 600 000 882 500 3 exposant 1 x 10 000
3 exposant 2 x 17 500
10 exposant 2 x 20 000
1er sergent 620 000 902 500 3 exposant 1 x 10 000
3 exposant 2 x 17 500
10 exposant 2 x 20 000
1er sergent-chef 640 000 922 500 3 exposant 1 x 10 000
3 exposant 2 x 17 500
10 exposant 2 x 20 000
1er sergent-major 650 000 950 000 3 exposant 1 x 15 000
3 exposant 2 x 15 000
6 exposant 2 x 17 500
3 exposant 2 x 25 000
1 exposant 2 x 30 000
Adjudant 700 000 987 500 3 exposant 1 x 20 000
13 exposant 2 x 17 500
Adjudant du personnel 700 000 987 500 3 exposant 1 x 20 000
navigant brevete des 12 exposant 2 x 17 500
[1]forces terrestre et navale [1 exposant 1 x 17 500]
(Err. 13-09-1996, p. 23990).
Adjudant-chef 745 000 1 095 000 3 exposant 1 x 10 000
3 exposant 2 x 15 000
5 exposant 2 x 25 000
5 exposant 2 x 30 000
Adjudant-chef du
personnel navigant 745 000 1 095 000 3 exposant 1 x 10 000
brevete des forces 3 exposant 2 x 15 000
terrestre et navale 5 exposant 2 x 25 000
4 exposant 2 x 30 000
[1][1 exposant 1 x 30 000]
(Err. 13-09-1996, p. 23990).
Adjudant-major 795 000 1 145 000 3 exposant 1 x 10 000
3 exposant 2 x 15 000
5 exposant 2 x 25 000
5 exposant 2 x 30 000
Adjudant-major du 795 000 1 145 000 3 exposant 1 x 10 000
personnel navigant 3 exposant 2 x 15 000
brevete des forces 5 exposant 2 x 25 000
terrestre et navale 4 exposant 2 x 30 000
[1][1 exposant 1 x 30 000]
(Err. 13-09-1996, p. 23990).
Art. N2. Tabel 8. Onderofficieren van het gebrevetteerd-varend personeel van de luchtmacht (anderen dan degenen bedoeld bij tabel 11).
Art. N2. Tableau 8. Sous-officiers du personnel navigant breveté de la force aérienne (autres que ceux visés aux tableau 11).
Minimumwedde Maximumwedde Tussentijdse
verhogingen
verhogingen
Änderungen
Sergeant 600 000 882 500 3 exponent 1 x 10 000
3 exponent 2 x 17 500
10 exponent 2 x 20 000
1ste sergeant 620 000 902 500 3 exponent 1 x 10 000
3 exponent 2 x 17 500
10 exponent 2 x 20 000
1ste sergeant-chef 640 000 922 500 3 exponent 1 x 10 000
3 exponent 2 x 17 500
10 exponent 2 x 20 000
1ste sergeant-majoor 650 000 950 000 3 exponent 1 x 15 000
3 exponent 2 x 15 000
6 exponent 2 x 17 500
3 exponent 2 x 25 000
1 exponent 2 x 30 000
Adjudant 777 500 987 500 12 exponent 2 x 17 500
Adjudant-chef 805 000 1 095 000 1 exponent 2 x 15 000
5 exponent 2 x 25 000
5 exponent 2 x 30 000
Adjudant-majoor 870 000 1 145 000 5 exponent 2 x 25 000
5 exponent 2 x 30 000
Traitement Traitement Augmentations
minimum maximum intercalaires
minimum maximum intercalaires
Änderungen
Sergent 600 000 882 500 3 exposant 1 x 10 000
3 exposant 2 x 17 500
10 exposant 2 x 20 000
1er sergent 620 000 902 500 3 exposant 1 x 10 000
3 exposant 2 x 17 500
10 exposant 2 x 20 000
1er sergent-chef 640 000 922 500 3 exposant 1 x 10 000
3 exposant 2 x 17 500
10 exposant 2 x 20 000
1er sergent-major 650 000 950 000 3 exposant 1 x 15 000
3 exposant 2 x 15 000
6 exposant 2 x 17 500
3 exposant 2 x 25 000
1 exposant 2 x 30 000
Adjudant 777500 987 500 12 exposant 2 x 17 500
Adjudant-chef 805 000 1 095 000 1 exposant 2 x 15 000
5 exposant 2 x 25 000
5 exposant 2 x 30 000
Adjudant-major 870 000 1 145 000 5 exposant 2 x 25 000
5 exposant 2 x 30 000
Art. N3. Tabel 9. Muzikanten van het orkest van de Muziekkapel der Gidsen.
Art. N3. Tableau 9. Musiciens de l'orchestre de la Musique des Guides.
Minimumwedde Maximumwedde Tussentijdse
verhogingen
verhogingen
Änderungen
Muzikant 1ste klasse 650 000 950 000 3 exponent 1 x 15 000
3 exponent 2 x 15 000
6 exponent 2 x 17 500
3 exponent 2 x 25 000
1 exponent 2 x 30 000
Onderkapelmeester 700 000 987 500 3 exponent 1 x 20 000
13 exponent 2 x 17 500
Instrumentist
2e solist 740 000 1 065 000 3 exponent 1 x 10 000
3 exponent 2 x 15 000
10 exponent 2 x 25 000
1e solist 795 000 1 145 000 3 exponent 1 x 10 000
3 exponent 2 x 15 000
5 exponent 2 x 25 000
5 exponent 2 x 30 000
Hoofdonderkapelmeester 870 1 220 000 3 exponent 1 x 10 000
3 exponent 2 x 15 000
5 exponent 2 x 25 000
5 exponent 2 x 30 000
Traitement Traitement Augmentations
minimum maximum intercalaires
minimum maximum intercalaires
Änderungen
Musicien de 1re classe 650 000 950 000 3 exposant 1 x 15 000
3 exposant 2 x 15 000
6 exposant 2 x 17 500
3 exposant 2 x 25 000
1 exposant 2 x 30 000
Sous-chef de musique 700 000 987 500 3 exposant 1 x 20 000
13 exposant 2 x 17 500
Instrumentiste
2e soliste 740 000 1 065 000 3 exposant 1 x 10 000
3 exposant 2 x 15 000
10 exposant 2 x 25 000
1er soliste 795 000 1 145 000 3 exposant 1 x 10 000
3 exposant 2 x 15 000
5 exposant 2 x 25 000
5 exposant 2 x 30 000
Sous-chef de 870 000 1 220 000 3 exposant 1 x 10 000
musique principal 3 exposant 2 x 15 000
5 exposant 2 x 25 000
5 exposant 2 x 30 000