Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
29 JULI 1997. - Koninklijk besluit betreffende de procedure van in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader van de krijgsmacht. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-08-1997 en tekstbijwerking tot 01-03-2016)
Titre
29 JUILLET 1997. - Arrêté royal relatif à la procédure de mise en disponibilité de certains militaires du cadre actif des forces armées. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-08-1997 et mise à jour au 01-03-2016)
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (9)
Texte (9)
Artikel 1. (Elke militair die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 mei 2000 betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader van de krijgsmacht kan, onder de voorwaarden bepaald bij deze wet, een indisponibiliteitstelling aanvragen.)
Article 1. (Tout militaire qui remplit les conditions visées à l'article 2 de la loi du 25 mai 2000 relative à la mise en disponibilité de certains militaires du cadre actif des forces armées, peut demander à bénéficier d'une mise en disponibilité aux conditions fixées dans cette loi.)
Art. 2. § 1. De officieren richten hun aanvraag tot in disponibiliteit stelling per bij post aangetekend schrijven met ontvangstmelding rechtstreeks aan de minister van [1 Defensie]1, Lambermontstraat 8, te 1000 Brussel;
De militairen beneden de rang van officier richten hun aanvraag tot in disponibiliteit stelling met een formulier " model B " rechtstreeks tot de chef van de Divisie Personeel van de Generale Staf.
De hiërarchische meerderen van de aanvrager mogen diens aanvraag noch inhouden, noch vertragen, noch er enig advies met betrekking tot de opportuniteit over uitbrengen.
§ 2. De aanvraag moet ondertekend zijn en het volgende vermelden :
1° de naam, de voornamen, de graad, het stamnummer en de eenheid van de aanvrager;
2° de normaal voorziene datum van oppensioenstelling wegens het bereiken van de leeftijdsgrens;
3° het voorwerp van de aanvraag en de gewenste aanvangsdatum van het in disponibiliteit stellen;
4° voor de officieren, de eventuele aanvraag om de toelating te bekomen om een beroepsactiviteit uit te oefenen in cumul tijdens de periode van in disponibiliteit stelling;
5° een verklaring van verzaking aan de bevordering in het actief kader voor zover de aanvraag ingewilligd wordt;
6° een verklaring dat de aanvraag onherroepelijk is.
Voor de militairen beneden de rang van officier moet het eventuele aanvraagdossier betreffende het uitoefenen van een beroepsactiviteit in cumul in bijlage worden gevoegd.
De aanvraag die niet ondertekend is, of die de naam, de graad, het stamnummer, de juiste eenheid van de aanvrager, het voorwerp van de aanvraag, of de gewenste aanvangsdatum niet vermeldt, kan niet in aanmerking worden genomen.
§ 3. Indien de aanvraag de vereiste vermeldingen bedoeld in § 2, eerste lid niet bevat zal de aanvrager onmiddellijk verzocht worden deze mede te delen.
De militairen beneden de rang van officier richten hun aanvraag tot in disponibiliteit stelling met een formulier " model B " rechtstreeks tot de chef van de Divisie Personeel van de Generale Staf.
De hiërarchische meerderen van de aanvrager mogen diens aanvraag noch inhouden, noch vertragen, noch er enig advies met betrekking tot de opportuniteit over uitbrengen.
§ 2. De aanvraag moet ondertekend zijn en het volgende vermelden :
1° de naam, de voornamen, de graad, het stamnummer en de eenheid van de aanvrager;
2° de normaal voorziene datum van oppensioenstelling wegens het bereiken van de leeftijdsgrens;
3° het voorwerp van de aanvraag en de gewenste aanvangsdatum van het in disponibiliteit stellen;
4° voor de officieren, de eventuele aanvraag om de toelating te bekomen om een beroepsactiviteit uit te oefenen in cumul tijdens de periode van in disponibiliteit stelling;
5° een verklaring van verzaking aan de bevordering in het actief kader voor zover de aanvraag ingewilligd wordt;
6° een verklaring dat de aanvraag onherroepelijk is.
Voor de militairen beneden de rang van officier moet het eventuele aanvraagdossier betreffende het uitoefenen van een beroepsactiviteit in cumul in bijlage worden gevoegd.
De aanvraag die niet ondertekend is, of die de naam, de graad, het stamnummer, de juiste eenheid van de aanvrager, het voorwerp van de aanvraag, of de gewenste aanvangsdatum niet vermeldt, kan niet in aanmerking worden genomen.
§ 3. Indien de aanvraag de vereiste vermeldingen bedoeld in § 2, eerste lid niet bevat zal de aanvrager onmiddellijk verzocht worden deze mede te delen.
Art. 2. § 1er. Les officiers introduisent leur demande de mise en disponibilité directement par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception adressée au Ministre de la [1 Défense]1, rue Lambermont 8, à 1000 Bruxelles.
Les militaires en dessous du rang d'officier introduisent leur demande de mise en disponibilité par formulaire " modèle B " directement auprès du chef de la Division personnel de l'Etat-major général.
Les supérieurs hiérarchiques du demandeur ne peuvent ni arrêter, ni freiner sa demande, ni émettre aucun avis quant à son opportunité.
§ 2. La demande doit être signée et mentionner ce qui suit :
1° le nom, les prénoms, le grade, le numéro matricule et l'unité du demandeur;
2° la date normale prévue de mise à la retraite par limite d'âge;
3° l'objet de la demande et la date souhaitée pour le début de la mise en disponibilité;
4° pour les officiers, la demande éventuelle d'autorisation d'exercer une activité professionnelle en cumul durant la période de mise en disponibilité;
5° une déclaration de renonciation à l'avancement dans le cadre actif au cas où la demande est acceptée;
6° une déclaration selon laquelle la demande est irrévocable.
Pour les militaires en dessous du rang d'officier le dossier éventuel de demande concernant l'exercice d'une activité professionnelle en cumul doit être joint en annexe.
La demande qui n'est pas signée, ou qui ne reprend pas le nom, le grade, le numéro matricule, l'unité exacte du demandeur, l'objet de la demande, ou la date souhaitée, pour le début de la mise en disponibilité, ne peut être prise en considération.
§ 3. Si la demande ne contient pas toutes les mentions exigées visées au § 2, alinéa 1er, le demandeur est immédiatement invité à les communiquer.
Les militaires en dessous du rang d'officier introduisent leur demande de mise en disponibilité par formulaire " modèle B " directement auprès du chef de la Division personnel de l'Etat-major général.
Les supérieurs hiérarchiques du demandeur ne peuvent ni arrêter, ni freiner sa demande, ni émettre aucun avis quant à son opportunité.
§ 2. La demande doit être signée et mentionner ce qui suit :
1° le nom, les prénoms, le grade, le numéro matricule et l'unité du demandeur;
2° la date normale prévue de mise à la retraite par limite d'âge;
3° l'objet de la demande et la date souhaitée pour le début de la mise en disponibilité;
4° pour les officiers, la demande éventuelle d'autorisation d'exercer une activité professionnelle en cumul durant la période de mise en disponibilité;
5° une déclaration de renonciation à l'avancement dans le cadre actif au cas où la demande est acceptée;
6° une déclaration selon laquelle la demande est irrévocable.
Pour les militaires en dessous du rang d'officier le dossier éventuel de demande concernant l'exercice d'une activité professionnelle en cumul doit être joint en annexe.
La demande qui n'est pas signée, ou qui ne reprend pas le nom, le grade, le numéro matricule, l'unité exacte du demandeur, l'objet de la demande, ou la date souhaitée, pour le début de la mise en disponibilité, ne peut être prise en considération.
§ 3. Si la demande ne contient pas toutes les mentions exigées visées au § 2, alinéa 1er, le demandeur est immédiatement invité à les communiquer.
Art. 3. § 1. De aanvraag van de militair die in de periode van 1 oktober 1997 tot en met 1 januari 1999 aan de voorwaarde voldoet bedoeld in artikel 1, eerste lid, 3°, van voormeld besluit, om een in disponibiliteit stelling te bekomen, en die niet meer deelneemt aan de bevordering, moet ten laatste op 1 oktober 1997 ingediend zijn.
In afwijking van het eerste lid, moet de aanvraag van de militair wiens kandidatuur voor de bevordering voor de laatste maal in 1997 onderzocht wordt door een bevorderingscomité, vóór 1 december 1997 ingediend worden.
In afwijking van het eerste en het tweede lid, kan de minister van [1 Defensie]1, in uitzonderlijke omstandigheden die hij beoordeelt, nog een aanvraag aanvaarden die voldoet aan de bedoelde voorwaarden en na voormelde data werd ingediend.
§ 2. De aanvraag van de militair die in de periode van 2 januari 1999 tot en met 1 oktober 2000 aan de voorwaarde bepaald in artikel 1, eerste lid, 3°, van voormeld besluit voldoet om een in disponibiliteit stelling te bekomen, en die niet meer deelneemt aan de bevordering, kan ten vroegste ingediend worden zes maanden voor de datum waarop hij voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 1, eerste lid, 3° van voormeld besluit.
§ 3. De aanvraag van de militair die aan de voorwaarde bedoeld in artikel 1, eerste lid, 3°, van voormeld besluit voldoet om een in disponibiliteit stelling te bekomen en die na 1 oktober 1997 nog deelneemt aan de bevordering, kan op elk moment worden ingediend. In dit geval moet de in disponibiliteit stelling ten laatste zes maanden na het indienen van de aanvraag aanvangen.
In afwijking van het eerste lid, moet de aanvraag van de militair wiens kandidatuur voor de bevordering voor de laatste maal in 1997 onderzocht wordt door een bevorderingscomité, vóór 1 december 1997 ingediend worden.
In afwijking van het eerste en het tweede lid, kan de minister van [1 Defensie]1, in uitzonderlijke omstandigheden die hij beoordeelt, nog een aanvraag aanvaarden die voldoet aan de bedoelde voorwaarden en na voormelde data werd ingediend.
§ 2. De aanvraag van de militair die in de periode van 2 januari 1999 tot en met 1 oktober 2000 aan de voorwaarde bepaald in artikel 1, eerste lid, 3°, van voormeld besluit voldoet om een in disponibiliteit stelling te bekomen, en die niet meer deelneemt aan de bevordering, kan ten vroegste ingediend worden zes maanden voor de datum waarop hij voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 1, eerste lid, 3° van voormeld besluit.
§ 3. De aanvraag van de militair die aan de voorwaarde bedoeld in artikel 1, eerste lid, 3°, van voormeld besluit voldoet om een in disponibiliteit stelling te bekomen en die na 1 oktober 1997 nog deelneemt aan de bevordering, kan op elk moment worden ingediend. In dit geval moet de in disponibiliteit stelling ten laatste zes maanden na het indienen van de aanvraag aanvangen.
Art. 3. § 1er. La demande du militaire qui répond à la condition visée à l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté précité, pour bénéficier d'une mise en disponibilité et qui ne participe plus à l'avancement au cours de la période du 1er octobre 1997 au 1er janvier 1999 inclus, doit être introduite au plus tard le 1er octobre 1997.
En dérogation à l'alinéa 1er, la demande du militaire dont la candidature à l'avancement est examinée en 1997 pour la dernière fois par un comité d'avancement, doit être introduite avant le 1er décembre 1997.
En dérogation aux alinéas 1er et 2, le Ministre de la [1 Défense]1 peut, dans des circonstances exceptionnelles qu'il apprécie, encore accepter une demande qui satisfait aux conditions visées et est introduite après les dates précitées.
§ 2. La demande du militaire qui répond à la condition visée à l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté précité pour bénéficier d'une mise en disponibilité et qui ne participe plus à l'avancement au cours de la période du 2 janvier 1999 au 1er octobre 2000 inclus peut être introduite au plus tôt six mois avant la date à laquelle il répond à la condition visée à l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté précité.
§ 3. La demande du militaire qui répond à la condition visée à l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté précité pour bénéficier d'une mise en disponibilité et qui participe encore à l'avancement après le 1er octobre 1997, peut être introduite à tout moment. Dans ce cas, la mise en disponibilité doit débuter au plus tard six mois après l'introduction de la demande.
En dérogation à l'alinéa 1er, la demande du militaire dont la candidature à l'avancement est examinée en 1997 pour la dernière fois par un comité d'avancement, doit être introduite avant le 1er décembre 1997.
En dérogation aux alinéas 1er et 2, le Ministre de la [1 Défense]1 peut, dans des circonstances exceptionnelles qu'il apprécie, encore accepter une demande qui satisfait aux conditions visées et est introduite après les dates précitées.
§ 2. La demande du militaire qui répond à la condition visée à l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté précité pour bénéficier d'une mise en disponibilité et qui ne participe plus à l'avancement au cours de la période du 2 janvier 1999 au 1er octobre 2000 inclus peut être introduite au plus tôt six mois avant la date à laquelle il répond à la condition visée à l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté précité.
§ 3. La demande du militaire qui répond à la condition visée à l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté précité pour bénéficier d'une mise en disponibilité et qui participe encore à l'avancement après le 1er octobre 1997, peut être introduite à tout moment. Dans ce cas, la mise en disponibilité doit débuter au plus tard six mois après l'introduction de la demande.
Art. 4. (NOTA : zie afwijking van onderhavig artikel 4 bij KB 1999-12-30/38, art. 2.) De in disponibiliteit stelling vangt voor het eerst aan op 1 oktober 1997 en vervolgens steeds op 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober.
De in disponibiliteit stelling vangt aan ten minste drie maanden na het indienen van de aanvraag, behalve op uitdrukkelijk aanvraag van betrokkene en mits akkoord van zijn korpscommandant.
Voor de militair die op 1 oktober 1997 nog niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 1, eerste lid, 3°, van voormeld besluit, is de normale ingangsdatum voor de in disponibiliteit stelling mits andersluidend akkoord, de eerste dag van het trimester dat volgt op het trimester tijdens hetwelk betrokkene door zijn verjaring aan voormelde voorwaarde voldoet.
Onverminderd de bepalingen van artikel 3, § 3, kan de militair een uitstel van maximum zes maanden bekomen van de datum van de in disponibiliteit stelling bedoeld in het voorgaande lid.
Het uitstel bedraagt maximum negen maanden voor de militair die op 1 oktober 1997 aan de voorwaarde voldoet bepaald in artikel 1, eerste lid, 3°, van voormeld besluit en die niet meer deelneemt aan de bevordering.
In het geval bedoeld in artikel 3, § 1, derde lid, van dit besluit, vangt de in disponibiliteit stelling aan op de eerste dag van het trimester dat volgt op de datum van de beslissing tot toekenning van de in disponibiliteit stelling.
De in disponibiliteit stelling vangt aan ten minste drie maanden na het indienen van de aanvraag, behalve op uitdrukkelijk aanvraag van betrokkene en mits akkoord van zijn korpscommandant.
Voor de militair die op 1 oktober 1997 nog niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 1, eerste lid, 3°, van voormeld besluit, is de normale ingangsdatum voor de in disponibiliteit stelling mits andersluidend akkoord, de eerste dag van het trimester dat volgt op het trimester tijdens hetwelk betrokkene door zijn verjaring aan voormelde voorwaarde voldoet.
Onverminderd de bepalingen van artikel 3, § 3, kan de militair een uitstel van maximum zes maanden bekomen van de datum van de in disponibiliteit stelling bedoeld in het voorgaande lid.
Het uitstel bedraagt maximum negen maanden voor de militair die op 1 oktober 1997 aan de voorwaarde voldoet bepaald in artikel 1, eerste lid, 3°, van voormeld besluit en die niet meer deelneemt aan de bevordering.
In het geval bedoeld in artikel 3, § 1, derde lid, van dit besluit, vangt de in disponibiliteit stelling aan op de eerste dag van het trimester dat volgt op de datum van de beslissing tot toekenning van de in disponibiliteit stelling.
Art. 4. (NOTE : voir dérogation au présent article 4 par AR 1999-12-30/38, art. 2.) La mise en disponibilité prend cours pour la première fois le 1er octobre 1997 et ensuite toujours un 1er janvier, 1er avril, 1er juillet ou un 1er octobre.
La mise en disponibilité ne débute, sauf demande expresse de l'intéressé et moyennant l'accord de son chef de corps, qu'au moins trois mois après l'introduction de la demande.
Pour le militaire qui à la date du 1er octobre 1997 ne répond pas à la condition visée à l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté précité, la date normale de début de la mise en disponibilité est, sauf accord contraire, le premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel l'intéressé satisfait à la condition précitée de par son anniversaire.
Sans préjudice des dispositions de l'article 3, § 3, le militaire peut obtenir un report de maximum six mois de la date de mise en disponibilité visée à l'alinéa précédent.
Le report est de maximum neuf mois pour le militaire qui au 1er octobre 1997 répond à la condition fixée à l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté précité et qui ne participe plus à l'avancement.
Dans le cas visé à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du présent arrêté, la mise en disponibilité débute le premier jour du trimestre qui suit la date de la décision d'accorder la mise en disponibilité.
La mise en disponibilité ne débute, sauf demande expresse de l'intéressé et moyennant l'accord de son chef de corps, qu'au moins trois mois après l'introduction de la demande.
Pour le militaire qui à la date du 1er octobre 1997 ne répond pas à la condition visée à l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté précité, la date normale de début de la mise en disponibilité est, sauf accord contraire, le premier jour du trimestre qui suit le trimestre au cours duquel l'intéressé satisfait à la condition précitée de par son anniversaire.
Sans préjudice des dispositions de l'article 3, § 3, le militaire peut obtenir un report de maximum six mois de la date de mise en disponibilité visée à l'alinéa précédent.
Le report est de maximum neuf mois pour le militaire qui au 1er octobre 1997 répond à la condition fixée à l'article 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté précité et qui ne participe plus à l'avancement.
Dans le cas visé à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du présent arrêté, la mise en disponibilité débute le premier jour du trimestre qui suit la date de la décision d'accorder la mise en disponibilité.
Art. 5. § 1. De militair die in disponibiliteit gesteld is mag een beroepsactiviteit in cumul uitoefenen voor zover hij hiervoor de toelating heeft gekregen van de minister van [1 Defensie]1.
De toelating om een beroepsactiviteit in cumul uit te oefenen wordt steeds toegekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop de toelating wordt verleend en loopt steeds tot de laatste dag van de maand tijdens dewelke betrokkene melding maakt van de stopzetting van elke beroepsactiviteit.
Een aanvraag tot in disponibiliteit stelling waarbij niet het inzicht kenbaar gemaakt wordt een beroepsactiviteit in cumul uit te oefenen impliceert dat de begunstigde van de maatregel er zich toe verbindt geen enkele beroepsactiviteit uit te oefenen zolang een later ingediende aanvraag tot cumul niet werd toegestaan.
§ 2. De militair mag geen enkele beroepsactiviteit beginnen zonder de toelating van de minister van [1 Defensie]1.
§ 3. Elke aanvraag tot toelating om een beroepsactiviteit in cumul te mogen uitoefenen nadat de militair in disponibiliteit werd gesteld moet per bij post aangetekende brief met ontvangstmelding gericht worden aan de (directeur-generaal human resources).
§ 4. De in disponibiliteit gestelde militair wordt geacht de toelating verkregen te hebben een beroepsactiviteit in cumul uit te oefenen, dertig dagen na het indienen van de aanvraag.
§ 5. De militair die tijdens zijn in disponibiliteit stelling een beroepsactiviteit stopzet, meldt dit per bij post aangetekende brief met ontvangstmelding aan de (directeur-generaal human resources), na de stopzetting van elke beroepsactiviteit.
Hij voegt er de relevante bewijsstukken bij van de volledige stopzetting van de activiteit en bij gebrek daaraan, een verklaring op eer waarin hij bevestigt dat hij definitief opgehouden heeft de beroepsactiviteiten uit te oefenen die hij voorheen uitoefende.
De toelating om een beroepsactiviteit in cumul uit te oefenen wordt steeds toegekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop de toelating wordt verleend en loopt steeds tot de laatste dag van de maand tijdens dewelke betrokkene melding maakt van de stopzetting van elke beroepsactiviteit.
Een aanvraag tot in disponibiliteit stelling waarbij niet het inzicht kenbaar gemaakt wordt een beroepsactiviteit in cumul uit te oefenen impliceert dat de begunstigde van de maatregel er zich toe verbindt geen enkele beroepsactiviteit uit te oefenen zolang een later ingediende aanvraag tot cumul niet werd toegestaan.
§ 2. De militair mag geen enkele beroepsactiviteit beginnen zonder de toelating van de minister van [1 Defensie]1.
§ 3. Elke aanvraag tot toelating om een beroepsactiviteit in cumul te mogen uitoefenen nadat de militair in disponibiliteit werd gesteld moet per bij post aangetekende brief met ontvangstmelding gericht worden aan de (directeur-generaal human resources).
§ 4. De in disponibiliteit gestelde militair wordt geacht de toelating verkregen te hebben een beroepsactiviteit in cumul uit te oefenen, dertig dagen na het indienen van de aanvraag.
§ 5. De militair die tijdens zijn in disponibiliteit stelling een beroepsactiviteit stopzet, meldt dit per bij post aangetekende brief met ontvangstmelding aan de (directeur-generaal human resources), na de stopzetting van elke beroepsactiviteit.
Hij voegt er de relevante bewijsstukken bij van de volledige stopzetting van de activiteit en bij gebrek daaraan, een verklaring op eer waarin hij bevestigt dat hij definitief opgehouden heeft de beroepsactiviteiten uit te oefenen die hij voorheen uitoefende.
Art. 5. § 1er. Le militaire mis en disponibilité peut exercer une activité professionnelle en cumul pour autant qu'il en ait reçu l'autorisation du Ministre de la [1 Défense]1.
L'autorisation d'exercer une activité professionnelle en cumul est toujours accordée à partir du premier jour du mois suivant la date à laquelle l'autorisation est accordée et se termine toujours le dernier jour du mois durant lequel l'intéressé annonce la cessation de toute activité professionnelle.
Une demande de mise en disponibilité d'un militaire qui ne mentionne pas l'intention d'exercer une activité professionnelle en cumul implique que le bénéficiaire de la mesure s'engage à n'exercer aucune activité professionnelle tant qu'une demande ultérieure de cumul n'a pas été accordée.
§ 2. Le militaire ne peut commencer aucune activité professionnelle tant qu'il n'y a pas été autorisé par le Ministre de la [1 Défense]1.
§ 3. Toute de demande d'autorisation d'exercice d'une activité professionnelle en cumul après que le militaire ait été mis en disponibilité doit être adressée par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception auprès du (directeur général human resources).
§ 4. Le militaire mis en disponibilité est présumé être autorisé à exercer une activité professionnelle en cumul trente jours après en avoir introduit la demande.
§ 5. Le militaire qui durant la mise en disponibilité cesse d'exercer une activité professionnelle en cumul en informe le (directeur général human resources) par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception après la cessation de toute activité professionnelle.
Il y joint les preuves relevantes de cessation complète d'activité et, à défaut, une déclaration sur l'honneur certifiant qu'il a cessé définitivement d'exercer les activités professionnelles qu'il exercait précédemment.
L'autorisation d'exercer une activité professionnelle en cumul est toujours accordée à partir du premier jour du mois suivant la date à laquelle l'autorisation est accordée et se termine toujours le dernier jour du mois durant lequel l'intéressé annonce la cessation de toute activité professionnelle.
Une demande de mise en disponibilité d'un militaire qui ne mentionne pas l'intention d'exercer une activité professionnelle en cumul implique que le bénéficiaire de la mesure s'engage à n'exercer aucune activité professionnelle tant qu'une demande ultérieure de cumul n'a pas été accordée.
§ 2. Le militaire ne peut commencer aucune activité professionnelle tant qu'il n'y a pas été autorisé par le Ministre de la [1 Défense]1.
§ 3. Toute de demande d'autorisation d'exercice d'une activité professionnelle en cumul après que le militaire ait été mis en disponibilité doit être adressée par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception auprès du (directeur général human resources).
§ 4. Le militaire mis en disponibilité est présumé être autorisé à exercer une activité professionnelle en cumul trente jours après en avoir introduit la demande.
§ 5. Le militaire qui durant la mise en disponibilité cesse d'exercer une activité professionnelle en cumul en informe le (directeur général human resources) par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception après la cessation de toute activité professionnelle.
Il y joint les preuves relevantes de cessation complète d'activité et, à défaut, une déclaration sur l'honneur certifiant qu'il a cessé définitivement d'exercer les activités professionnelles qu'il exercait précédemment.
Art. 6. De in disponibiliteit gestelde militair is verplicht spontaan en zonder verwijl aan de (directeur-generaal budget en financiën) elke gebeurtenis te melden die zijn geldelijke toestand zou kunnen beïnvloeden.
Art. 6. Le militaire mis en disponibilité doit communiquer d'office et sans délai au (directeur général budget et finances) tout événement susceptible d'influencer sa situation pécuniaire.
Art. 7. (Opgeheven)
Art. 7. (Abrogé)
Art. 8. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 8. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 9. Onze Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 9. Notre Ministre de la Défense nationale est chargé de l'exécution du présent arrêté.