Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
17 MAART 1997. - Koninklijk besluit houdende organisatie van het epidemiologisch toezicht op overdraagbare spongiforme encephalopathies bij herkauwers. - (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-04-1997 en tekstbijwerking tot 03-04-2018)
Titre
17 MARS 1997. - Arrêté royal organisant la surveillance épidémiologique des encéphalopathies spongiformes transmissibles chez les ruminants. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-04-1997 et mise à jour au 03-04-2018)
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (26)
Texte (26)
HOOFDSTUK I. - Algemeenheden.
CHAPITRE I. -Généralités.
Artikel 1. Overdraagbare spongiforme encephalopathies bij herkauwers worden in dit besluit verder aangeduid met de afkorting OSE.
  De OSE. zijn dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.
  Elke behandeling van OSE. wordt verboden.
Article 1. Les encéphalopathies spongiformes transmissibles chez les ruminants sont désignées en abrégé, dans le présent arrêté par les lettres majuscules EST.
  Les EST sont des maladies des animaux, qui tombent sous l'application du chapitre III de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux.
  Tout traitement contre les EST est interdit.
HOOFDSTUK II. - Definities.
CHAPITRE II. - Définitions.
Art.2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° herkauwers : de schapen, geiten, runderen, buffels, bizons, hertachtigen en andere herkauwers voor zover zij in een veebeslag worden gehouden;
  (2° herkauwer verdacht van O.S.E. : de herkauwer, levend, geslacht of dood, die neurologische en gedragsstoornissen of een progressieve verslechtering van de algemene toestand ten gevolge van een aantasting van het centraal zenuwstelsel vertoont of vertoond heeft, en voor dewelke de inlichtingen, verzameld op basis van een klinisch onderzoek, van het resultaat van een behandeling, van een post mortem onderzoek of van een ante of post mortem laboratoriumanalyse, niet toelaten een andere diagnose te stellen; wordt ook beschouwd als verdacht van O.S.E. elke herkauwer die positief gereageerd heeft op de opsporingstest, vermeld in het artikel 3bis, § 1;) <KB 2000-12-18/32, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  3° door OSE. aangetaste herkauwer : de herkauwer die, na zijn dood of na zijn afslachting, karakteristieke spongiforme letsels in de hersenen vertoont, die de oorzaak van de ziekte bevestigen en waarvan het histopathologisch onderzoek, de extractie en het scrapie geassocieerde fibrillen-onderzoek of SAF-onderzoek evenals de immuno-cytochemie (of ieder andere methode die toelaat om de met de ziekte geassocieerde vorm van het prioneiwit op te sporen,) werden uitgevoerd [2 door Sciensano]2; <KB 2000-12-18/32, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <KB 2004-01-14/32, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 02-02-2004>
  4° veebeslag : het geheel van herkauwers gehouden in een geografische entiteit, die een duidelijk omschreven eenheid vormt op basis van epidemiologische banden vastgesteld door de inspecteur-dierenarts. Aan het veebeslag mag slechts één OSE.-statuut worden toegekend. De localisatie van het veebeslag wordt vastgesteld aan de hand van het adres en de coördinaten van de geografische entiteit;
  5° OSE.-statuut : statuut toegekend door de Dienst aan een veebeslag na een jaarlijks verslag door de bedrijfsdierenarts, dat verzekert, dat alle verdachte gevallen werden onderzocht. De Minister bepaalt de bijzondere voorwaarden voor de toekenning;
  6° geografische entiteit : elk gebouw of gebouwencomplex dat een eenheid vormt, met inbegrip van de erbij horende terreinen waar de herkauwers worden gehouden of die daarvoor bestemd zijn;
  7° verantwoordelijke : de eigenaar of de houder die gewoonlijk het onmiddellijk beheer van en het toezicht op de herkauwers uitoefent;
  8° [1 Bedrijfsdierenarts : de dierenarts natuurlijke persoon, erkend overeenkomstig artikel 4 van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde of de diergeneeskundige rechtspersoon erkend overeenkomstig hetzelfde artikel, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 door de verantwoordelijke is aangewezen om in de geografische entiteit de reglementaire controles en profylactische ingrepen op de herkauwers van het veebeslag uit te voeren;]1
  9° (Dienst : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;) <KB 2004-01-14/32, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 02-02-2004>
  10° (Inspecteur-dierenarts : de inspecteur-dierenarts van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;) <KB 2004-01-14/32, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 02-02-2004>
  11° (Minister : de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;) <KB 2004-01-14/32, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 02-02-2004>
  12° burgemeester : de burgemeester van de gemeente, waar het betrokken veebeslag gelegen is en/of de aangetaste herkauwer(s) zich bevind(t)(en).
  (13° [2 Sciensano : de openbare instelling bedoeld in artikel 3 van de wet van 25 februari 2018 tot oprichting van Sciensano]2) <KB 2000-12-18/32, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (14° Cohort : de cohort zoals gedefinieerd in bijlage I van de verordening (EG) Nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001, houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën;) <KB 2004-01-14/32, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 02-02-2004>
  (15° " Karkas " : het karkas aangeboden in overeenkomst met het ministerieel besluit van 22 januari 1992 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten voor de indeling van geslachte volwassen runderen.) <KB 2004-01-14/32, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 02-02-2004>
  [1 16° Diergeneeskundige rechtspersoon : de rechtspersoon bedoeld in het artikel 2 van de wet van 19 december 1950 houdende oprichting van de Orde der Dierenartsen die de diergeneeskunde mag uitoefenen overeenkomstig artikel 4 van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde.]1
  
Art.2. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
  1° ruminants : les ovins, caprins, bovins, buffles, bisons, cervidés et autres ruminants dans la mesure où ils sont détenus dans un troupeau;
  (2° ruminant suspect d'E.S.T. : le ruminant, vivant, abattu ou mort, présentant ou ayant présenté des troubles neurologiques et comportementaux ou une détérioration progressive de l'état général liée à une atteinte du système nerveux central, et pour lequel les informations recueillies sur la base d'un examen clinique, de la réponse au traitement, d'un examen post-mortem ou d'une analyse de laboratoire ante ou post-mortem ne permettent pas d'établir un autre diagnostic; est aussi considéré comme suspect d'E.S.T. tout ruminant ayant réagi positivement au test de dépistage repris à l'article 3bis, § 1er;) <AR 2000-12-18/32, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2001>
  3° ruminant atteint d'EST : le ruminant qui, après sa mort ou son abattage présente dans l'encéphale des lésions spongiformes caractéristiques confirmant l'origine de la maladie, l'examen histopathologique, l'extraction et l'examen des fibrilles associées à la scrapie ou examen SAF ainsi que l'immunocytochimie (ou toute autre méthode permettant de détecter la forme de la protéine prion associée à la maladie,) ayant été effectués [2 par Sciensano]2; <AR 2000-12-18/32, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2001> <AR 2004-01-14/32, art. 1, 006; En vigueur : 02-02-2004>
  4° troupeau : l'ensemble des ruminants détenus dans une entité géographique et formant une unité distincte sur base des liens épidémiologiques constatés par l'inspecteur vétérinaire. Il ne peut être attribué au troupeau qu'un statut sanitaire pour l'EST. La localisation du troupeau est fixée sur base de l'adresse et des coordonnées de l'entité géographique;
  5° statut EST : statut attribué à un troupeau par le Service après un rapport annuel du vétérinaire d'exploitation, certifiant que tous les cas suspects ont été examinés. Le Ministre en fixe les modalités particulières de transcription;
  6° entité géographique : toute construction ou complexe de constructions formant une unité, y compris les terrains annexes où sont détenus des ruminants ou qui y sont destinés;
  7° responsable : le propriétaire ou le détenteur qui exerce habituellement la gestion et la surveillance directes sur les ruminants;
  8° [1 Vétérinaire d'exploitation : le vétérinaire personne physique, agréé conformément à l'article 4 de la loi du 28 août 1991 sur l'exercice de la médecine vétérinaire ou la personne morale vétérinaire agréée conformément au même article, désigné par le responsable pour exécuter les contrôles réglementaires dans l'entité géographique et les interventions prophylactiques sur les ruminants du troupeau;]1
  9° (Service : l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire;) <AR 2004-01-14/32, art. 1, 006; En vigueur : 02-02-2004>
  10° (Inspecteur vétérinaire : l'inspecteur vétérinaire de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire;) <AR 2004-01-14/32, art. 1, 006; En vigueur : 02-02-2004>
  11° (Ministre : le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions;) <AR 2004-01-14/32, art. 1, 006; En vigueur : 02-02-2004>
  12° bourgmestre : le bourgmestre de la commune dans laquelle se trouve le troupeau concerné et/ou le(s) ruminant(s) suspect(s);
  (13° [2 Sciensano : l'institution publique visée à l'article 3 de la loi du 25 février 2018 portant création de l'Institut Sciensano]2) <AR 2000-12-18/32, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2001>
  14° (Cohorte : la cohorte telle que définie à l'annexe Ire du Règlement (CE) N° 999/2001 du Parlement européen et du Conseil du 22 mai 2001 fixant les règles pour la prévention, le contrôle et l'éradication de certaines encéphalopathies spongiformes transmissibles;) <AR 2004-01-14/32, art. 1, 006; En vigueur : 02-02-2004>
  (15° Carcasse : la carcasse présentée conformément à l'arrêté ministériel du 22 janvier 1992 portant les modalités d'application pour la classification des carcasses de gros bovins.) <AR 2004-01-14/32, art. 1, 006; En vigueur : 02-02-2004>
  [1 16° Personne morale vétérinaire : celle visée à l'article 2 de la loi du 19 décembre 1950 créant l'Ordre des Médecins vétérinaires qui peut exercer la médecine vétérinaire conformément à l'article 4 de la loi du 28 août 1991 sur l'exercice de la médecine vétérinaire.]1
  
HOOFDSTUK III. - Epidemiologisch toezicht op OSE.
CHAPITRE III. - Epidémiosurveillance des EST.
Art.3. <KB 2000-12-18/32, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2001> Elke verdenking van O.S.E. moet onverwijld verplicht bij de Dienst worden aangegeven door de verantwoordelijke van het veebeslag. Dezelfde verplichting geldt ook voor elke persoon die de aanwezigheid ervan vermoedt.
  De verantwoordelijke moet de bedrijfdierenarts ontbieden, die het dier moet onderzoeken.
Art.3. <AR 2000-12-18/32, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-2001> Toute suspicion d'E.S.T. doit sans délai être obligatoirement déclarée au Service par le responsable du troupeau. La même obligation incombe aussi à toute personne qui en suspecte l'existence.
  Le responsable doit faire appel au vétérinaire d'exploitation qui est tenu d'examiner l'animal.
Art. 3bis. <INGEVOEGD bij KB 2000-12-18/32, art. 32; Inwerkingtreding : 01-01-2001> § 1. (De Dienst organiseert een bewakingsprogramma voor OSE bij herkauwers met de opsporingstests erkend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 6 van de voormelde verordening (EG) Nr. 999/2001 van 22 mei 2001.) <KB 2004-01-14/32, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 02-02-2004>
  (§ 2. De opsporingstest op de krengen van herkauwers in het destructiebedrijf wordt uitgevoerd door een geaccrediteerd laboratorium, volgens de instructies van de Dienst en onder het technisch toezicht [1 van Sciensano]1) <KB 2004-01-14/32, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 02-02-2004>
  § 3. De hersenen, genomen in het kader van de toepassing van § 1, moeten bewaard worden om de diagnose van O.S.E. te bevestigen.
  § 4. Het veebeslag van hetwelke het voor de onder § 1 bedoelde opsporingstest positieve dier herkomstig is, wordt onmiddellijk door de Dienst onder toezicht geplaatst en elke aan- en afvoer van herkauwers is verboden.
  § 5. (Indien de in § 1 bedoelde opsporingstest een positief resultaat geeft dat bevestigd wordt door één van de in artikel 2, 3°, bedoelde laboratoriumonderzoeken, is hoofdstuk IV van toepassing.) <KB 2004-01-14/32, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 02-02-2004>
  
Art. 3bis. § 1er. (Le Service organise un programme de surveillance d'EST chez des ruminants au moyen des tests de dépistage agréés conformément aux dispositions de l'article 6 du Règlement (CE) N° 999/2001 du 22 mai 2001 précité.) <AR 2004-01-14/32, art. 2, 006; En vigueur : 02-02-2004>
  § 2. (Le test de dépistage est effectué sur les cadavres de ruminants à l'usine de destruction par un laboratoire accrédité, selon les instructions du Service et sous la surveillance technique [1 de Sciensano]1) <AR 2004-01-14/32, art. 2, 006; En vigueur : 02-02-2004>
  § 3. Les cerveaux prélevés dans le cadre de l'application du § 1er doivent être conservés pour confirmer le diagnostic d'.E.S.T.
  § 4. Le troupeau dont provient l'animal positif au test de dépistage repris au § 1er est aussitôt placé sous surveillance par le Service et toute introduction et sortie de ruminants sont interdites.
  § 5. (Lorsque le test de dépistage visé au § 1er donne un résultat positif qui est confirmé par l'un des examens de laboratoire visés à l'article 2, 3°, le chapitre IV est d'application.) <AR 2004-01-14/32, art. 2, 006; En vigueur : 02-02-2004>
  
Art.4. (§ 1. De bedrijfsdierenarts die ontboden werd om de van O.S.E. verdachte herkauwer te onderzoeken in toepassing van artikel 3, brengt onmiddellijk verslag van zijn bevindingen uit aan de inspecteur-dierenarts.) <KB 2000-12-18/32, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  § 2. Om de verdenking te bestatigen, laat de inspecteur-dierenarts het dier, bedoeld in § 1 van dit artikel, isoleren en hij kan dit dier onder observatie plaatsen.
Art.4. (§ 1er. Le vétérinaire d'exploitation, appelé à visiter le ruminant suspect d'E.S.T., en application de l'article 3, fait immédiatement rapport de ses constatations à l'inspecteur vétérinaire.) <AR 2000-12-18/32, art. 4, 002; En vigueur : 01-01-2001>
  § 2. En vue d'établir la suspicion, l'inspecteur vétérinaire fait isoler l'animal visé au § 1er du présent article et peut le faire mettre en observation.
Art.5. <KB 2001-07-19/52, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 18-08-2001> § 1. Van zodra er verdenking is dient de inspecteur-dierenarts :
  1° de verantwoordelijke, de bedrijfsdierenarts, de burgemeester en [1 Sciensano]1 te verwittigen;
  2° het veebeslag van oorsprong van de verdachte herkauwer onder toezicht te plaatsen, evenals het (de) veebeslag(en) waar de verdachte herkauwer(s) sinds de geboorte heeft (hebben) verbleven;
  3° de afmaking van de verdachte herkauwer bevelen;
  4° de verdachte herkauwer zo vlug mogelijk te laten overbrengen naar [1 Sciensano]1 te Machelen, vergezeld van de informatie betreffende de reden van verdenking. [1 Sciensano]1 moet de onderzoeken vermeld in artikel 2, 3°, uitvoeren.
  § 2. De Dienst bepaalt de modaliteiten voor het afmaken, voor het decapiteren en voor het vervoer van de kop.
  § 3. Alle delen van het karkas van de verdachte herkauwer, met inbegrip van de huid, worden onder officieel toezicht bewaard tot dat er een negatieve diagnose gesteld is of worden vernietigd door verbranding.
  
Art.5. <AR 2001-07-19/52, art. 4, 005; En vigueur : 18-08-2001> § 1er. Dès l'établissement de la suspicion, l'inspecteur vétérinaire :
  1° informe le responsable, le vétérinaire d'exploitation, le bourgmestre et [1 Sciensano]1;
  2° met sous surveillance le troupeau de provenance du ruminant suspect ainsi que les troupeaux dans lesquels le(s) ruminant(s) suspect(s) a/ont résidé depuis la naissance;
  3° ordonne la mise à mort du ruminant suspect;
  4° organise le plus vite possible l'enlèvement du ruminant suspect vers [1 Sciensano ]1 de Machelen, accompagné de l'information concernant les raisons de la suspicion. [1 Sciensano ]1 doit réaliser les examens repris à l'article 2, 3°.
  § 2. Le Service fixe les modalités de mise à mort ainsi que du prélèvement de la tête et de son transport.
  § 3. Toutes les parties du corps du ruminant suspect, y compris la peau, sont conservées sous surveillance officielle jusqu'à ce qu'un diagnostic négatif ait été établi ou bien sont détruites par incinération.
  
Art.6. Aan de verantwoordelijke van de verdachte en voor hersenonderzoek afgemaakte herkauwers wordt een vergoeding toegekend, die gelijk is aan de waarde van het dier. In geen geval mag deze vergoeding meer bedragen dan (2 500 EUR) per dier. <KB 2001-07-13/49, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art.6. Il est accordé au responsable des ruminants suspects d'EST. et mis à mort en vue des examens de l'encéphale, une indemnité égale à la valeur de l'animal. En aucun cas le montant de cette indemnité ne peut dépasser la somme de (2 500 EUR) par animal. <AR 2001-07-13/49, art. 19, 004; En vigueur : 01-01-2002>
Art.7. De waarde van de afgemaakte dieren wordt bepaald door een deskundige.
  Deze deskundige en zijn plaatsvervanger worden aangewezen voor de duur van één jaar en beëdigd voor elke provinciale standplaats door de gouverneur van de betrokken provincie.
  De deskundige gaat onmiddellijk ter plaatse, samen met de inspecteur-dierenarts, die hem de te schatten dieren aanwijst.
  De deskundige maakt zijn deskundig verslag, waartegen geen verhaal mogelijk is, binnen de vierentwintig uur na de eerste oproep over aan de inspecteur-dierenarts.
Art.7. La valeur des animaux mis à mort est fixée par un expert.
  Cet expert et son suppléant sont désignés pour un terme d'un an et assermentés pour chaque site provincial par le gouverneur de la province.
  L'expert se rend immédiatement sur place en présence de l'inspecteur vétérinaire qui lui désigne les animaux à expertiser.
  Il remet son expertise, qui est sans recours, dans les vingt-quatre heures du premier appel, à l'inspecteur vétérinaire.
Art.8. [1 De vacaties van de deskundigen worden bepaald volgens de artikelen 1, 2 en 3 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 betreffende de vacaties van de deskundigen die schatting van dieren uitvoeren voor het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten.]1
  
Art.8. [1 Les vacations des experts sont déterminées conformément aux articles 1, 2 et 3 de l'arrêté royal du 19 avril 2014 relatif aux vacations des experts chargés de l'estimation des animaux pour le Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux.]1
  
Art.9. Het onder toezicht plaatsen van het beslag van herkomst van de verdachte herkauwer evenals van de veebeslagen waar de herkauwer(s) sedert de geboorte heeft (hebben) verbleven, houdt in :
  1° het bezoek aan de geografische entiteit, het volledig tellen, de identificatie en controleren van de identificatie van alle herkauwers van het veebeslag;
  2° een tijdelijk verbod op het verkopen, verplaatsen of tentoonstellen van herkauwers en op het binnenbrengen ervan;
  3° het uitvoeren van een epidemiologisch onderzoek om de aanwezigheid van ouders, afstammelingen en bloedverwanten vast te stellen.
Art.9. La mise sous surveillance du troupeau de provenance du ruminant suspect ainsi que des troupeaux dans lesquels le(s) ruminant(s) suspect(s) a/ont résidé depuis la naissance comprend :
  1° la visite de l'entité géographique, le recensement complet, l'identification et le contrôle de l'identification de tous les ruminants du troupeau;
  2° l'interdiction temporaire de vendre, de déplacer ou d'exposer des ruminants ainsi que d'en introduire;
  3° l'exécution d'une enquête épidémiologique afin de constater la présence des ascendants, descendants et collatéraux.
HOOFDSTUK IV. - Te nemen maatregelen bij bevestiging van OSE.
CHAPITRE IV. - Mesures applicables lors de confirmation d'EST.
Art.10. <KB 2004-01-14/32, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 02-02-2004> Wanneer het bestaan van OSE bij een herkauwer bevestigd wordt door het resultaat van de onderzoeken bedoeld in artikel 2, 3° :
  1° licht de inspecteur-dierenarts de Dienst in over het bestaan van OSE;
  2° voert de inspecteur-dierenarts een onderzoek uit dat de dieren bedoeld in punt 1 van bijlage VII van de bovenvermelde Verordening (EG) Nr. 999/2001 van 22 mei 2001 moet identificeren;
  3° zijn de maatregelen bedoeld in punt 2 van bijlage VII van de bovenvermelde Verordening (EG) Nr 999/2001 van 22 mei 2001 van toepassing. Niettemin, in geval van bevestiging van boviene spongiforme encefalopathie bij een rund worden ook alle door het onderzoek in 2° bedoelde geïdentificeerde schapen en geiten gedood en vernietigd. De Minister kan bijkomende maatregelen vaststellen.
Art.10. <AR 2004-01-14/32, art. 3, 006; En vigueur : 02-02-2004> Lorsque l'existence d'EST est confirmée chez un ruminant par le résultat des examens visés à l'article 2, 3° :
  1° l'inspecteur vétérinaire informe le Service de l'existence d'EST;
  2° l'inspecteur vétérinaire exécute une enquête qui doit identifier les animaux visés au point 1er de l'annexe VII du Règlement (CE) N° 999/2001 du 22 mai 2001 précité;
  3° les mesures visées au point 2 de l'annexe VII du Règlement (CE) N° 999/2001 du 22 mai 2001 précité sont d'application. Toutefois, en cas de confirmation de l'encéphalopathie spongiforme bovine chez un bovin, tous les ovins et caprins identifiés par l'enquête visée au 2° sont également mis à mort et détruits. Le Ministre peut fixer des mesures additionnelles.
Art.13. <KB 2004-01-14/32, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 02-02-2004> Bij alle onder artikel 10 bedoelde herkauwers, worden alle runderen vanaf de leeftijd van een jaar en alle schapen en geiten vanaf de leeftijd van zes maanden door [1 Sciensano]1 onderzocht op O.S.E.
  
Art.13. <AR 2004-01-14/32, art. 4, 006; En vigueur : 02-02-2004> Parmi tous les ruminants visés à l'article 10, tous les bovins âgés d'au moins un an ainsi que tous les ovins et caprins âgés d'au moins six mois sont examinés pour l'E.S.T. par [1 Sciensano.]1
  
Art.14. De Minister bepaalt de modaliteiten voor het vervoer naar de inrichting voor destructie en/of verbranding evenals de modaliteiten voor het afmaken van de herkauwers bedoeld in de artikelen 10, 11, 12 en 13, §§ 1 en 3. Hij bepaalt eveneens de modaliteiten voor de vernietiging van embryo's bedoeld in artikel 13, § 2.
Art.14. Le Ministre détermine les modalités de transport vers l'établissement de destruction et/ou d'incinération ainsi que celles de mise à mort des ruminants visés aux articles 10, 11, 12 et 13, §§ 1er et 3. Il détermine aussi les modalités de destruction des embryons visés à l'article 13, § 2.
Art.15. § 1. Aan de verantwoordelijken van de herkauwers, afgemaakt in toepassing van de artikelen 10, 11, 12 en 13, §§ 1 en 3, wordt een vergoeding toegekend die gelijk is aan de waarde van de dieren en die niet hoger mag liggen dan (2 500 EUR) per dier. De schattingsprocedure is vastgelegd in de artikelen 7 en 8 van dit besluit. <KB 2001-07-13/49, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Aan de verantwoordelijken van de embryo's, vernietigd in toepassing (van artikel 10, 3°), wordt een forfaitaire vergoeding van (250 EUR) per geregistreerd embryo toegekend. <KB 2001-07-13/49, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2004-01-14/32, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 02-02-2004>
  (§ 3. Een vergoeding wordt toegekend aan de verantwoordelijke van runderen die geslacht werden vóór de verdenking en waarvan de karkassen in beslag genomen werden na het epidemiologisch onderzoek bedoeld in artikel 9. Deze vergoeding die niet hoger mag liggen dan 2 500,00 EUR per karkas wordt opgesteld op basis van de karkasindeling bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juni 2001, betreffende de schadevergoeding van dieren die positief zijn in de goedgekeurde snelle boviene spongiforme encefalopathietest.) (NOTA van Justel : het KB 2004-01-14/32, art. 6, beschikt : "Voor de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2001, geldt in de plaats van de maximale vergoeding van 2 500,00 EUR, bedoeld in artikel 15, § 1, het bedrag van 100 000 Belgische frank. " Misschien geldt dat voor de vergoeding bedoeld in onderhavig § 3.) <KB 2004-01-14/32, art. 5, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  (§ 4. Binnen de perken van het daartoe bestemde begrotingsartikel wordt aan de eigenaar(s) van het door de expert in beslag genomen karkas dat voor en de twee door de expert in beslag genomen karkassen die onmiddellijk na het betreffende karkas kwamen dat positief heeft gereageerd op een snelle test voor bovine spongiforme encephalopathie, een vergoeding toegekend ten laste van het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten op basis van de karkasindeling volgens de volgende formule : de schadevergoeding (S) is gelijk aan het gewicht (G) vermenigvuldigd met de officiële prijs (P) : S = G x P.
  Als overgangsmaatregel zal het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, de eigenaars van de hierboven vermelde karkassen die niet zouden geklasseerd zijn conform het koninklijk besluit van 21 januari 1992 houdende vaststelling van het indelingsschema voor geslachte volwassen runderen, vergoeden op basis van relevante criteria die nog beschikbaar zijn bij het Bestuur.
  Deze vergoeding mag niet hogerliggen dan 2.500 EUR per karkas.) <KB 2005-07-14/42, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2001>
Art.15. § 1. Il est accordé au responsable des ruminants mis à mort en application des articles 10, 11, 12 et 13, §§ 1er et 3, une indemnité égale à la valeur de l'animal et qui ne peut dépasser la somme de (2 500 EUR). La procédure d'expertise est décrite aux articles 7 et 8 du présent arrêté. <AR 2001-07-13/49, art. 19, 004; En vigueur : 01-01-2002>
  § 2. Il est accordé au responsable des embryons détruits en application (de l'article 10, 3°), une indemnité forfaitaire de (250 EUR) par embryon enregistré. <AR 2001-07-13/49, art. 19, 004; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2004-01-14/32, art. 5, 006; En vigueur : 02-02-2004>
  (§ 3. Une indemnité est accordée au responsable des bovins qui ont été abattus avant la suspicion et dont les carcasses ont été saisies après l'enquête épidémiologique visée à l'article 9. Cette indemnité qui ne peut dépasser la somme de 2 500,00 EUR par carcasse, est établie sur base du classement de la carcasse visé à l'arrêté royal du 10 juin 2001, relatif à l'indemnisation des animaux positifs au test rapide agréé de l'encéphalopathie spongiforme bovine.) (NOTE de Justel : l'AR 2004-01-14/32, art. 6, stipule que pour la période du 1er janvier 2001 au 31 décembre 2001, l'indemnité maximale applicable est de 100 000 francs belges au lieu du montant de 2 500,00 EUR, visé à l'article 15, § 1er. Ceci est peut-être valable pour l'indemnité prévue au présent § 3.) <AR 2004-01-14/32, art. 5, 002; En vigueur : 01-01-2001>
  (§ 4. Dans les limites de l'article budgétaire destiné à cette fin, une indemnité est accordée à charge du Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux au(x) propriétaire(s) de la carcasse saisie par l'expert qui précède, et des deux carcasses saisies par l'expert qui suivent celle d'un bovin déclaré positif au test rapide pour l'encéphalopathie spongiforme bovine sur base du classement de la carcasse et ce, selon la formule suivante : l'indemnisation (I) est égale au poids (Po) multiplié par le prix officiel (Pc) soit : I = Po x Pc.
  A titre transitoire, les propriétaires des carcasses mentionnées ci-dessus qui n'auraient pas été classées conformément à l'arrêté royal du 21 janvier 1992 portant détermination de la grille de classement des carcasses de gros bovins, seront indemnisés par le Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux sur base de critères pertinents encore disponibles rassemblés par l'Administration.
  Cette indemnité ne peut dépasser la somme de 2.500 EUR par carcasse.) <AR 2005-07-14/42, art. 1, 007; En vigueur : 01-07-2001>
Art.16. De Dienst registreert het aantal uitgevoerde onderzoeken evenals de bevestigde gevallen.
Art.16. Le Service enregistre le nombre d'examens pratiqués ainsi que les cas confirmés.
HOOFDSTUK V. - Sancties.
CHAPITRE V. - Sanctions.
Art.17. § 1. Indien de verantwoordelijke weigert om het afmakingsbevel uit te voeren, laat de burgemeester het ambtshalve en zonder vergoeding uitvoeren, onder toezicht van de plaatselijke politie. Indien nodig eist de burgemeester de rijkswacht op.
  § 2. De verantwoordelijke, van wie de herkauwers niet beantwoorden aan de bepalingen van dit besluit, verliest elk recht op vergoeding bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.
  (De verantwoordelijke die niet voldoet aan de bepalingen van dit besluit, verliest elk recht op vergoedingen bedoeld in artikel 15.) <KB 2000-12-18/32, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  § 3. Behoudens toepassing van § 2 worden de overtredingen van de bepalingen van dit besluit opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.
Art.17. § 1. Lorsque le responsable refuse d'exécuter l'ordre de mise à mort, le bourgmestre fait appliquer la mesure d'office et sans indemnité sous la surveillance de la police locale. Il requiert au besoin le concours des forces de gendarmerie.
  § 2. Le responsable dont les ruminants ne satisfont pas aux dispositions du présent arrêté, perd tout droit à l'indemnité visée à l'article 8, alinéa 2, de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux.
  (Le responsable qui ne satisfait pas aux dispositions du présent arrêté perd tout droit aux indemnités prévues à l'article 15.) <AR 2000-12-18/32, art. 7, 002; En vigueur : 01-01-2001>
  § 3. Sans préjudice de l'application du § 2, les infractions au présent arrêté sont recherchées, constatées et sanctionnées conformément aux dispositions du chapitre VI de la loi du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux.
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions finales.
Art.18. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Art.18. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il aura été publié au Moniteur belge.
Art. 19. Onze Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 19. Notre Ministre de l'Agriculture et des Petites et Moyennes Entreprises est chargé de l'exécution du présent arrêté.