Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
8 OKTOBER 1998. - Koninklijk besluit tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de ambtsuitoefening van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht.
Titre
8 OCTOBRE 1998. - Arrêté royal modifiant certaines dispositions relatives à l'exercice de l'emploi du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie.
Dokumentinformationen
Numac: 1998000594
Datum: 1998-10-08
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1998000594
Date: 1998-10-08
Moniteur: Voir
Tekst (27)
Texte (27)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 25 april 1979 betreffende het ambt en de ambtsontheffing van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht.
CHAPITRE I. - Modifications de l'arrêté royal du 25 avril 1979 relatif à l'emploi et au retrait d'emploi du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie.
Artikel 1. Artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 25 april 1979 betreffende het ambt en de ambtsontheffing van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, wordt opgeheven.
Article 1. L'article 17, § 2, de l'arrêté royal du 25 avril 1979 relatif à l'emploi et au retrait d'emploi du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie, est abrogé.
Art. 2. In titel I van hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk IV ingevoegd, luidende :
"HOOFDSTUK IV. - De evaluatie.
Art. 19bis. De eerste evaluatie geschiedt twee jaar na het toetreden tot het beroepspersoneel. Het evalueren geschiedt vervolgens om de twee jaar na het opstellen van de laatste evaluatie.
Onverminderd het eerste lid, wordt een evaluatie opgesteld :
1° bij een aanvraag tot mutatie wanneer bijzondere bekwaamheden vereist zijn en een gedetailleerde evaluatie van het personeelslid is voorgeschreven;
2° bij een voorstel tot bevordering in een hogere graad, al dan niet gepaard gaande met een overgang naar een hogere personeelscategorie;
3° op vraag van het personeelslid zelf;
4° op initiatief van de rechtstreekse functionele meerdere;
5° op vraag van de functionele meerderen van de meerdere bedoeld in 4°.
Wanneer overeenkomstig het tweede lid een evaluatie zou moeten worden opgesteld voor een personeelslid dat echter het voorwerp heeft uitgemaakt van een evaluatie die geen zes maanden oud is, moet, behoudens nieuwe feiten, geen nieuwe evaluatie worden opgesteld.
Een evaluatie kan evenwel te allen tijde worden opgesteld op grond van disciplinaire redenen. Wordt de tuchtstraf bedoeld in artikel 24/13, § 1, 1°, van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, opgelegd, dan is het de overheid die ze oplegt, die de evaluatie aanpast.
Art. 19ter. § 1. Het model van het evaluatieformulier wordt vastgelegd in een reglement vastgesteld door de commandant van de rijkswacht. Behoudens de in § 2 bedoelde evaluatiecriteria bevat het model alleszins ook een rubriek "gezamenlijk afgesproken te ondernemen acties".
§ 2. Het evaluatieformulier bevat de volgende evaluatiecriteria :
1° inzake de persoonlijkheidskenmerken :
1. eerlijkheid - loyauteit - integriteit - onpartijdigheid;
2. discretie;
3. objectiviteit - oordeel - open geest;
4. morele moed;
5. bekwaamheid tot het bevorderen van een positieve werksfeer;
6. klantgerichtheid (extern en intern);
7. zin voor maat - doordacht en gematigd gebruik van de toevertrouwde macht;
8. zelfbeheersing - koelbloedigheid - stressbeheer;
9. orde - methode - stiptheid - respect voor de termijnen;
10. disciplinegeest;
11. opvoeding - beleefdheid - handigheid om met mensen om te gaan - takt;
12. voorkomen - kledij;
2° inzake de professionele bekwaamheden :
13. professionele kennis;
14. technisch kunnen;
15. fysieke inzetbaarheid;
16. schriftelijke manier van uitdrukken : duidelijkheid - juistheid - synthesegeest;
17. mondelinge manier van uitdrukken : duidelijkheid - juistheid;
3° inzake de prestaties :
18. verantwoordelijkheidszin - aanvaarding van de taken;
19. beschikbaarheid - zin voor dienstverlening;
20. hoeveelheid nuttig gepresteerd werk - energie- en aktiviteitsniveau;
21. kwaliteit van de geleverde dienst - professioneel bewustzijn;
22. initiatief - creativiteit;
23. leadership (luistervaardigheid, voorbeeld-functie, assertiviteit, flexibiliteit);
24. bekwaamheid om zijn medewerkers te motiveren;
25. bekwaamheid om te delegeren;
26. bekwaamheid om te leiden en te controleren;
27. bekwaamheid om de werking van de eenheid te verbeteren;
28. opleidingscapaciteit;
29. pertinentie in de evaluatie van zijn medewerkers;
30. organisatiezin;
31. wijze van rekenschap geven - openheid;
32. ruimheid van blik - visie;
4° inzake het potentieel :
33. wil tot verbeteren - volharding;
34. bereidheid tot veranderen - aanpassingsvermogen;
35. vooruitgangspotentieel;
36. mogelijkheid om meer complexe taken op zich te nemen.
§ 3. Voor elk van die criteria alsmede voor de in artikel 24/12bis, § 2, van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, bedoelde vier deeldomeinen van de evaluatie, zijn er vijf mogelijke kwalificaties : -, G -, G (gemiddelde), G +, +. Aldus wordt het niveau van het geëvalueerde personeelslid telkenmale en globaal getoetst aan het niveau bereikt door de meerderheid van de andere personeelsleden bekleed met dezelfde graad.
Indien de evaluator van oordeel is dat hij niet over voldoende gegevens beschikt om te kunnen evalueren of dat het personeelslid niet voor een criterium kan worden geëvalueerd, brengt hij geen evaluatie uit en rechtvaardigt hij dit, tenzij het een evaluatie van een onderofficier, niet keurof hoofdonderofficier, betreft voor de criteria 23 tot en met 32.
De kwalificaties - of + voor een criterium alsmede elke lagere kwalificatie dan de voorgaande, moeten formeel worden gemotiveerd aan de hand van concrete gegevens.
De betekenis van de onderscheiden evaluatiecriteria wordt nader bepaald in een reglement vastgesteld door de commandant van de rijkswacht.
§ 4. De criteria "schriftelijke manier van uitdrukken" en "mondelinge manier van uitdrukken" betreffen de taal waarin het geëvalueerde personeelslid het volgende examen heeft afgelegd op basis waarvan hij werd toegelaten :
1° het examen over de grondige kennis van de taal bedoeld in artikel 2 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, ingeval het officier is;
2° het examen over de werkelijke kennis van de taal bedoeld in artikel 8 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, ingeval het onderofficier is.
Voor een officier kunnen die twee criteria slechts worden beoordeeld door een officier die de grondige kennis van de taal van het geëvalueerde personeelslid bezit, overeenkomstig de artikelen 2 of 7 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger en, voor een onderofficier, door een officier dan wel een onderofficier die de werkelijke kennis van de taal van het geëvalueerde personeelslid bezit, overeenkomstig artikel 8 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger.
Art. 19quater. § 1. Mag geen evaluatie van een personeelslid opstellen, de rechtstreekse functionele meerdere, de eenheidscommandant voor de onderofficieren, en de korpscommandant voor de officieren, die :
1° het personeelslid minder dan vier maanden onder zijn bevel heeft. In voorkomend geval treden de respectieve vorige meerderen op : hun evaluaties slaan dan enkel op de periode waarin zij zijn meerderen waren;
2° bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad is van het personeelslid of er mee samenwoont;
3° dezelfde graad heeft als het personeelslid en op dezelfde bevorderingslijst voorkomt;
4° kandidaat is voor dezelfde functie als het personeelslid.
§ 2. Indien personeelsleden betrokken in de evaluatieprocedure, oordelen dat er te hunnen opzichte een reden tot wraking in de zin van artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek bestaat of dat zij onmogelijk op een onpartijdige wijze kunnen evalueren of kunnen worden geëvalueerd, brengen zij dat ter kennis van de directeur-generaal van het personeelsbeheer die, in voorkomend geval, een vervanger aanwijst.
Art. 19quinquies. Wanneer de rechtstreekse functionele meerdere van een te evalueren personeelslid tevens diens eenheids- of korpscommandant is, treedt hij in die twee hoedanigheden op. Een beroep is mogelijk bij het hogere echelon.
Wanneer een personeelslid sedert meer dan zes maanden afgedeeld is in een eenheid, is het zijn rechtstreekse functionele meerdere in de eenheid van afdeling die, in voorkomend geval, het evaluatievoorstel opstelt en het voor beslissing bezorgt aan, naar gelang van het geval, de korps- of eenheidscommandant van de plaats van afdeling.
Art. 19sexies. § 1. Het personeelslid wordt uiterlijk twee werkdagen voordien ingelicht over de datum van het evaluatiegesprek bedoeld in artikel 24/12bis, § 3, 1°, van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht.
Na dat evaluatiegesprek of uiterlijk binnen de vijf daaropvolgende werkdagen, kan het personeelslid zijn commentaren rechtstreeks in het daarvoor voorziene deel van het evaluatieformulier neerschrijven. In voorkomend geval voegt hij een verweerschrift als bijlage.
Treedt de rechtstreekse functionele meerdere die commentaren bij, dan stelt hij een nieuw evaluatievoorstel op in die zin en verzendt hij enkel dit voorstel naar het volgende evaluatie-echelon. De initiële documenten worden vernietigd op het einde van de evaluatieprocedure.
Treedt hij de commentaren niet bij, dan voegt hij binnen de vijf daaropvolgende werkdagen een repliek bij het evaluatieformulier. Na ontvangst daarvan, beschikt het personeelslid over vijf werkdagen om, in voorkomend geval, een bijkomend verweerschrift op te stellen. Na kennisneming ervan door de rechtstreekse functionele meerdere, wordt het geheel aan het volgende evaluatie-echelon bezorgd.
§ 2. De korps- of eenheidscommandant kan de evaluatie uitgebracht door de rechtstreekse functionele meerdere bevestigen dan wel wijzigen.
In beide gevallen wordt die beslissing ter kennis gebracht van het personeelslid en diens eerste evaluator.
§ 3. Bij de wijziging van de evaluatie, bedoeld in artikel 24/12bis, § 3, 3°, van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht en, in voorkomend geval, wanneer artikel 19quinquies, eerste lid, toepassing vindt, beschikt het geëvalueerde personeelslid, vanaf de kennisgeving van die wijziging of tweede afwijzing van het verweerschrift, over vijf werkdagen om een afzonderlijk verweerschrift op te stellen, waaraan zijn evaluatoren vervolgens hun beschouwingen kunnen hechten.
§ 4. Het personeelslid ontvangt na het beëindigen van de evaluatieprocedure een kopie van zijn evaluatieformulier en bijgaande documenten.
De evaluatieformulieren en bijgaande documenten worden bijgehouden door de korpscommandant, voor de officier, en de eenheidscommandant, voor de onderofficier.
Art. 19septies. De overheden bedoeld in artikel 24/12bis, § 3, 1° en 3°, van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, worden aangewezen door de commandant van de rijkswacht.
Art. 19octies. De verdere praktische regelen van de evaluatie worden opgenomen in een reglement vastgesteld door de commandant van de rijkswacht.".
Art. 2. Il est inséré dans le titre premier du même arrêté, un chapitre IV, rédigé comme suit :
" CHAPITRE IV. - L'évaluation. ".
" Art. 19bis. La première évaluation intervient deux ans après l'accès au personnel de carrière. Ensuite l'évaluation a lieu tous les deux ans après la rédaction de la dernière évaluation.
Sans préjudice de l'alinéa premier, une évaluation est établie :
1° en cas de demande de mutation, lorsque des aptitudes particulières sont exigées et qu'une évaluation détaillée du membre du personnel est prescrite;
2° en cas de proposition de nomination au grade supérieur, liée ou non à un passage à une catégorie de personnel supérieure;
3° à la demande du membre du personnel même;
4° à l'initiative du supérieur fonctionnel direct;
5° à la demande des supérieurs fonctionnels du supérieur visé au 4°.
Lorsque conformément à l'alinéa 2 une évaluation doit être établie pour un membre du personnel qui, toutefois, a déjà fait l'objet d'une évaluation moins de six mois auparavant, une nouvelle évaluation ne doit pas être rédigée sauf si des faits nouveaux interviennent.
Une évaluation peut toutefois être établie, en tout temps, pour des motifs disciplinaires. Dans le cas où la sanction disciplinaire visée à l'article 24/13, § 1er, 1°, de la loi du 27 décembre 1973 relative au statut du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie, est infligée, c'est l'autorité qui l'a infligée, qui adapte l'évaluation. ".
" Art. 19ter. § 1er. Le modèle du formulaire d'évaluation est fixé dans un règlement arrêté par le commandant de la gendarmerie. Outre les critères d'évaluation visés au § 2, le modèle comprend en tout cas aussi une rubrique " actions à mener et décidées conjointement ".
§ 2. Le formulaire d'évaluation comporte les critères d'évaluation suivants :
1° en ce qui concerne les caractéristiques personnelles :
1. probité - loyauté - intégrité - impartialité;
2. discrétion;
3. objectivité - jugement - ouverture d'esprit;
4. courage moral;
5. capacité à favoriser un climat de travail positif;
6. orientation vers le bénéficiaire de service (externe et interne);
7. sens de la mesure - usage réfléchi et modéré des pouvoirs conférés;
8. maîtrise de soi - sang-froid - gestion du stress;
9. ordre - méthode - ponctualité - respect des délais;
10. esprit de discipline;
11. éducation - politesse - entregent - tact;
12. présentation - tenue;
2° en ce qui concerne les capacités professionnelles :
13. connaissances professionnelles;
14. savoir-faire technique;
15. capacité d'engagement physique;
16. expression écrite : clarté - correction - esprit de synthèse;
17. expression orale : clarté - correction;
3° en ce qui concerne les prestations :
18. sens des responsabilités - acceptation des tâches;
19. disponibilité - esprit de service;
20. quantité de travail utile presté - niveau d'énergie, d'activité;
21. qualité du service presté - conscience professionnelle;
22. initiative - créativité;
23. leadership (écoute, valeur d'exemple, assertivité, flexibilité);
24. capacité à motiver ses collaborateurs;
25. capacité à déléguer;
26. capacité à diriger et à contrôler;
27. capacité à améliorer le fonctionnement de l'unité;
28. capacité à former;
29. pertinence dans l'évaluation de ses collaborateurs;
30. sens de l'organisation;
31. manière de rendre compte - transparence;
32. ampleur de vue - vision;
4° en ce qui concerne le potentiel :
33. volonté de progrès - persévérance;
34. ouverture au changement - capacité d'adaptation;
35. potentiel de progrès;
36. aptitude à assumer des tâches plus complexes.
§ 3. Il existe cinq cotations possibles pour chacun de ces critères ainsi que pour les quatre différents domaines de l'évaluation visés à l'article 24/12bis, § 2, de la loi du 27 décembre 1973 relative au statut du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie : -, M-, M (moyen), M+, +. Ainsi, le niveau du membre du personnel évalué est systématiquement et globalement comparé au niveau atteint par la majorité des autres membres du personnel revêtus du même grade.
Lorsque l'évaluateur estime ne pas disposer de suffisamment de données pour évaluer ou que le membre du personnel ne peut être évalué pour un critère, il ne porte pas d'appréciation et le justifie, à moins qu'il s'agisse d'une évaluation d'un sous-officier, non sous-officier d'élite ou supérieur, pour les critères 23 à 32 inclus.
Les cotations - ou + pour un critère ainsi que toute cotation inférieure à la précédente, doivent être motivées formellement à l'aide de données concrètes.
La signification des différents critères d'évaluation est explicitée dans un règlement établi par le commandant de la gendarmerie.
§ 4. Les critères " expression écrite " et " expression orale " ont trait à la langue dans laquelle le membre du personnel évalué a subi l'épreuve suivante sur la base de laquelle il a été admis :
1° l'épreuve sur la connaissance approfondie de la langue visée à l'article 2 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée, s'il est officier;
2° l'épreuve sur la connaissance effective de la langue visée à l'article 8 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée, s'il est sous-officier.
Dans le chef d'un officier, ces deux critères ne peuvent être évalués que par un officier qui, conformément aux articles 2 ou 7 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée, possède la connaissance approfondie de la langue qui est celle du membre du personnel évalué, et dans le chef d'un sous-officier par un officier, sinon par un sous-officier qui, conformément à l'article 8 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée, possède la connaissance effective de la langue qui est celle du membre du personnel évalué. ".
" Art. 19quater. § 1er. Ne peut établir une évaluation d'un membre du personnel, le supérieur fonctionnel direct, le commandant d'unité pour les sous-officiers et le chef de corps pour les officiers, qui :
1° a le membre du personnel sous ses ordres depuis moins de quatre mois. Le cas échéant il sera fait appel aux supérieurs antérieurs respectifs :
leurs évaluations ne porteront alors que sur la période pendant laquelle ils étaient ses supérieurs;
2° cohabite avec le membre du personnel ou qui est parent ou allié de celui-ci jusqu'au quatrième degré inclusivement;
3° est revêtu du même grade que le membre du personnel et qui figure sur la même liste d'avancement que lui;
4° est candidat à une même fonction que le membre du personnel.
§ 2. Si des membres du personnel impliqués dans la procédure d'évaluation estiment qu'il existe à leur égard un motif de récusation au sens de l'article 828 du code judiciaire ou qu'il leur est impossible d'évaluer ou d'être évalués de manière impartiale, ils en avertissent le directeur général de la gestion du personnel qui, le cas échéant, désigne un remplacant. ".
" Art. 19quinquies. Si le supérieur fonctionnel direct d'un membre du personnel à évaluer est en même temps son commandant d'unité ou son chef de corps, il agit dans ces deux qualités. Un recours peut être introduit auprès de l'échelon supérieur.
Dans le cas où un membre du personnel est détaché depuis plus de six mois dans une unité, c'est son supérieur fonctionnel direct de l'unité dans laquelle il est détaché, qui, le cas échéant, établit la proposition d'évaluation et la transmet pour décision, selon le cas, au chef de corps ou au commandant d'unité du lieu de détachement. ".
" Art. 19sexies. § 1er. Au plus tard deux jours ouvrables avant la date de l'entretien d'évaluation visé à l'article 24/12bis, § 3, 1°, de la loi du 27 décembre 1973 relative au statut du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie, le membre du personnel en est averti.
Après cet entretien d'évaluation et au plus tard dans les cinq jours ouvrables qui suivent, le membre du personnel peut apporter ses commentaires dans la partie du formulaire d'évaluation réservée à cette fin. Le cas échéant, il joint en annexe un mémoire.
Si le supérieur fonctionnel direct estime ces commentaires fondés, il rédige une nouvelle proposition d'évaluation dans ce sens et transmet uniquement celle-ci à l'échelon d'évaluation suivant. Les documents initiaux sont détruits à la fin de la procédure d'évaluation.
S'il ne peut adhérer aux commentaires, il joint dans les cinq jours ouvrables qui suivent une réplique au formulaire d'évaluation. Le membre du personnel dispose de cinq jours ouvrables à partir de la notification de celle-ci pour établir, le cas échéant, un mémoire complémentaire. Le supérieur fonctionnel direct en prend connaissance et transmet le tout à l'échelon d'évaluation suivant.
§ 2. Le chef de corps ou le commandant d'unité peut, soit confirmer l'évaluation portée par le supérieur fonctionnel direct, soit la modifier.
Dans les deux cas, la décision est portée à la connaissance du membre du personnel et de son premier évaluateur.
§ 3. En cas de modification de l'évaluation visée à l'article 24/12bis, § 3, 3°, de la loi du 27 décembre 1973 relative au statut du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie et, le cas échéant, lorsque l'article 19quinquies, alinéa 1er, trouve à s'appliquer, le membre du personnel évalué dispose de cinq jours ouvrables à partir de la notification de cette modification ou du deuxième rejet du mémoire, pour établir un mémoire distinct auquel ses évaluateurs peuvent ajouter leurs considérations.
§ 4. A la fin de la procédure d'évaluation, une copie du formulaire d'évaluation et des documents joints est remise au membre du personnel.
Les formulaires d'évaluation et documents joints sont conservés par le chef de corps, pour les officiers, et par le commandant d'unité pour les sous-officiers. ".
" Art. 19septies. Les autorités visées à l'article 24/12bis, § 3, 1° et 3°, de la loi du 27 décembre 1973 relative au statut du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie, sont désignées par le commandant de la gendarmerie. ".
" Art. 19octies. Les autres modalités pratiques de l'évaluation sont reprises dans un règlement établi par le commandant de la gendarmerie. ".
Art. 3. Artikel 20 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 juni 1994, wordt aangevuld als volgt :
"3° de laatste twee evaluatieformulieren.".
Art. 3. L'article 20 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 17 juin 1994, est complété comme suit :
" 3° les deux derniers formulaires d'évaluation. ".
Art. 4. In artikel 55 van hetzelfde besluit, worden het derde, vierde, vijfde en zesde lid, opgeheven bij het koninklijk besluit van 17 juni 1994 en hersteld bij het koninklijk besluit van 20 december 1995, opgeheven.
Art. 4. A l'article 55 du même arrêté, les alinéas 3, 4, 5 et 6, abrogés par l'arrêté royal du 17 juin 1994 et rétablis par l'arrêté royal du 20 décembre 1995, sont abrogés.
Art. 5. Artikel 45, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 september 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"3° de directeurs-generaal en de door de commandant van de rijkswacht aangewezen directeurs van de algemene directies;".
Art. 5. L'article 45, alinéa 1er, 3°, modifié par l'arrêté royal du 14 septembre 1995, est remplacé par la disposition suivante :
" 3° les directeurs généraux et les directeurs des directions générales désignés par le commandant de la gendarmerie; ".
Art. 6. Hoofdstuk 5 van titel III van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 1995, wordt opgeheven.
Art. 6. Le chapitre 5 du titre III du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 20 décembre 1995, est abr
gé.
HOOFDSTUK II. - Andere wijzigingen.
CHAPITRE II. - Autres modifications.
Afdeling 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 29 november 1977 betreffende de graden en de bevordering van de officieren van het operationeel korps van de rijkswacht.
Section première. - Modifications de l'arrêté royal du 29 novembre 1977 relatif aux grades et à l'avancement des officiers du corps opérationnel de la gendarmerie.
Art. 7. In artikel 9 van het koninklijk besluit van 29 november 1977 betreffende de graden en de bevordering van de officieren van het operationeel korps van de rijkswacht, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, 1° en 2°, worden de woorden "het signalement" vervangen door de woorden "de evaluatie";
2° § 2 wordt opgeheven.
Art. 7. A l'article 9 de l'arrêté royal du 29 novembre 1977 relatif aux grades et à l'avancement des officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, 1° et 2°, les mots " au signalement " sont remplacés par les mots " à l'évaluation ";
2° le § 2 est abrogé.
Art. 8. Artikel 10 van hetzelfde besluit, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Artikel 10. De in artikel 8, § 2, vermelde meerderen mogen geen adviezen uitbrengen indien zij :
1° bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad zijn van de kandidaat of er mee samenwonen;
2° dezelfde graad hebben als de kandidaat en op dezelfde bevorderingslijst voorkomen.".
Art. 8. L'article 10 du même arrêté, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 10. Les supérieurs visés à l'article 8, § 2, ne peuvent émettre d'avis :
1° s'ils sont parents ou alliés du candidat jusqu'au quatrième degré inclusivement ou lorsqu'ils cohabitent avec le candidat;
2° s'ils sont revêtus du même grade que le candidat et figurent sur la même liste d'avancement que lui. ".
Art. 9. In artikel 11 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2, 1°, wordt opgeheven;
2° § 2, 3°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"3° de regelen die betrekking hebben op het bijhouden van de persoonlijke dossiers en de nadere regelen inzake het bijhouden van de evaluatiedocumenten;".
Art. 9. A l'article 11 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 2, 1°, est abrogé;
2° le § 2, 3°, est remplacé par la disposition suivante :
" 3° les règles relatives à la tenue à jour des dossiers personnels et les modalités de la tenue à jour des documents d'évaluation; ".
Afdeling 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 10 augustus 1978 betreffende de graden en de bevordering van de onderofficieren van het operationeel korps van de rijkswacht.
Section 2. - Modifications de l'arrêté royal du 10 août 1978 relatif aux grades et à l'avancement des sous-officiers du corps opérationnel de la gendarmerie.
Art. 10. In artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1978 betreffende de graden en de bevordering van de onderofficieren van het operationeel korps van de rijkswacht, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, 1° en 2°, worden de woorden "het signalement" vervangen door de woorden "de evaluatie";
2° § 2 wordt opgeheven.
Art. 10. A l'article 9 de l'arrêté royal du 10 août 1978 relatif aux grades et à l'avancement des sous-officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, 1° et 2°, les mots " au signalement " sont remplacés par les mots " à l'évaluation ";
2° le § 2 est abrogé.
Art. 11. Artikel 10 van hetzelfde besluit, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Artikel 10. De in artikel 8, § 2, vermelde meerderen mogen geen adviezen uitbrengen indien zij :
1° bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad zijn van de kandidaat of er mee samenwonen;
2° dezelfde graad hebben als de kandidaat en op dezelfde bevorderingslijst voorkomen.".
Art. 11. L'article 10 du même arrêté, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 10. Les supérieurs visés à l'article 8, § 2, ne peuvent émettre d'avis :
1° s'ils sont parents ou alliés du candidat jusqu'au quatrième degré inclusivement ou lorsqu'ils cohabitent avec le candidat;
2° s'ils sont revêtus du même grade que le candidat et figurent sur la même liste d'avancement que lui. ".
Art. 12. In artikel 11 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2, 1°, wordt opgeheven;
2° § 2, 3°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"3° de regelen die betrekking hebben op het bijhouden van de persoonlijke dossiers en de nadere regelen inzake het bijhouden van de evaluatiedocumenten;".
Art. 12. A l'article 11 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 2, 1°, est abrogé;
2° le § 2, 3°, est remplacé par la disposition suivante :
" 3° les règles relatives à la tenue à jour des dossiers personnels et les modalités de la tenue à jour des documents d'évaluation; ".
Afdeling 3. - Wijziging van het koninklijk besluit van 13 januari 1988 betreffende de vertegenwoordigers van de syndicale organisaties van het rijkswachtpersoneel.
Section 3. - Modification de l'arrêté royal du 13 janvier 1988 relatif aux représentants des organisations syndicales du personnel de la gendarmerie.
Art. 13. In artikel 7, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 13 januari 1988 betreffende de vertegenwoordigers van de syndicale organisaties van het rijkswachtpersoneel, wordt het woord "beoordeling" vervangen door het woord "evaluatie".
Art. 13. Dans l'article 7, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal du 13 janvier 1988 relatif aux représentants des organisations syndicales du personnel de la gendarmerie, les mots " le signalement qui est le sien " sont remplacés par les mots " l'évaluation qui est la sienne ".
Afdeling 4. - Wijziging van het koninklijk besluit van 10 november 1993 betreffende de aanwijzing van de grondregelingen in de zin van de wet van 11 juli 1978 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het rijkswachtpersoneel van het actief kader en betreffende een bepaling gemeen aan onderhandeling en overleg.
Section 4. - Modification de l'arrêté royal du 10 novembre 1993 déterminant les réglementations de base au sens de la loi du 11 juillet 1978 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats du personnel du cadre actif de la gendarmerie et relatif à une disposition commune à la négociation et à la concertation.
Art. 14. In artikel 2, 11°, van het koninklijk besluit van 10 november 1993 betreffende de aanwijzing van de grondregelingen in de zin van de wet van 11 juli 1978 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het rijkswachtpersoneel van het actief kader en betreffende een bepaling gemeen aan onderhandeling en overleg, wordt het woord "beoordeling" vervangen door het woord "evaluatie".
Art. 14. Dans l'article 2, 11°, de l'arrêté royal du 10 novembre 1993 déterminant les réglementations de base au sens de la loi du 11 juillet 1978 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats du personnel du cadre actif de la gendarmerie et relatif à une disposition commune à la négociation et à la concertation, les mots " de signalement " sont remplacés par les mots " d'évaluation ".
Afdeling 5. - Wijziging van het koninklijk besluit van 30 december 1993 betreffende de bevordering tot de graad van majoor bij de rijkswacht.
Section 5. - Modification de l'arrêté royal du 30 décembre 1993 relatif à l'avancement au grade de major de gendarmerie.
Art. 15. In artikel 7, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 30 december 1993 betreffende de bevordering tot de graad van majoor bij de rijkswacht, worden de woorden "het signalement" vervangen door de woorden "de evaluatie".
Art. 15. Dans l'article 7, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 30 décembre 1993 relatif à l'avancement au grade de major de gendarmerie, les mots " le signalement " sont remplacés par les mots " l'évaluation ".
Afdeling 6. - Wijziging van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht.
Section 6. - Modification de l'arrêté royal du 1er avril 1996 relatif à l'avancement au grade d'adjudant de gendarmerie.
Art. 16. In artikel 8, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht, worden de woorden "het signalement" vervangen door de woorden "de evaluatie".
Art. 16. Dans l'article 8, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 1er avril 1996 relatif à l'avancement au grade d'adjudant de gendarmerie, les mots " le signalement " sont remplacés par les mots " l'évaluation ".
Afdeling 7. - Wijziging van de ministeriële besluiten van 29 november 1977 betreffende de procedure inzake bevordering van de officieren van het operationeel korps van de rijkswacht, en van 10 augustus 1978 betreffende de bevorderingsprocedure van de onderofficieren van het operationeel korps van de rijkswacht.
Section 7. - Modification des arrêtés ministériels des 29 novembre 1977 relatif à la procédure d'avancement des officiers du corps opérationnel de la gendarmerie et 10 août 1978 relatif à la procédure d'avancement des sous-officiers du corps opérationnel de la gendarmerie.
Art. 17. In artikel 6, eerste en tweede lid, van, respectievelijk, het ministerieel besluit van 29 november 1977 betreffende de procedure inzake bevordering van de officieren van het operationeel korps van de rijkswacht en het ministerieel besluit van 10 augustus 1978 betreffende de bevorderingsprocedure van de onderofficieren van het operationeel korps van de rijkswacht, worden de woorden "het signalement" vervangen door de woorden "de evaluatie".
Art. 17. Dans l'article 6, alinéas 1er et 2 de, respectivement l'arrêté ministériel du 29 novembre 1977 relatif à la procédure d'avancement des officiers du corps opérationnel de la gendarmerie et l'arrêté ministériel du 10 août 1978 relatif à la procédure d'avancement des sous-officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, les mots " le signalement " sont remplacés par les mots " l'évaluation ".
Art. 18. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 8 oktober 1998.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
L. VAN DEN BOSSCHE
Art. 18. Notre Ministre de l'Intérieur est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 8 octobre 1998.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
L. VAN DEN BOSSCHE