Artikel 1. § 1. [1 Dit besluit is van toepassing op de volgende personeelsleden als ze vastbenoemd zijn en hun ambt uitoefenen als hoofdambt :
1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
3° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;]1
[2 4° de personeelsleden vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017.]2
[3 5° de personeelsleden, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.]3
§ 2. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden, genoemd in § 1, die :
1° tijdelijk belast worden met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt ter uitvoering van :
a) Hoofdstuk Vbis van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 1997;
b) Titel II, Hoofdstuk IVbis van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en [3 de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding]3, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 1997;
[2 c) hoofdstuk 12, afdeling 1, van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.]2
2° als tijdelijk personeelslid aangesteld worden ter uitvoering van :
a) Hoofdstuk III van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;
b) Titel II, Hoofdstuk III van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en [3 de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding]3;
[2 c) hoofdstuk 9 en 10 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.]2
3° [1 tijdelijk een ambt uitoefenen ter uitvoering van :
a) artikel 50 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
b) artikel 42 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en [3 "de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding]3;
c) artikel 11, § 2, van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;]1
[2 d) "hoofdstuk 11, van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.]2
§ 3. Dit besluit is niet van toepassing op [3 de personeelsleden van de hogescholen, vermeld in artikel II.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013]3.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
28 APRIL 1998. - Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vast benoemd zijn (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-05-1998 en tekstbijwerking tot 28-08-2019)
Titre
28 AVRIL 1998. - Arrêté du Gouvernement flamand fixant le statut administratif et pécuniaire de certains personnels nommés à titre définitif de l'enseignement, des centres psycho-médico-sociaux et des services d'encadrement pédagogique, de l'inspection et du service d'études, désignés temporairement pour ou chargés temporairement d'une mission pour laquelle ils ne sont pas nommés à titre définitif (TRADUCTION) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-05-1998 et mise à jour au 28-08-2019)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (16)
Texte (16)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Article 1. § 1er. [1 Le présent arrêté est d'application aux personnels suivants lorsqu'ils sont nommés à titre définitif et exercent leur fonction comme fonction principale :
1° aux membres du personnel, visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
2° aux membres du personnel, visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves;
3° aux membres du personnel, visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques;]1
[2 4° aux membres du personnel, visés à l'article 3 du décret du 7 juillet 2017.]2
[3 5° aux membres du personnel, visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement.]3
§ 2. Le présent arrêté est applicable aux personnels, visés au § 1er, qui :
1° sont chargés temporairement d'une autre mission dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion en exécution du :
a) Chapitre Vbis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire, inséré par le décret du 15 juillet 1997;
b) Titre II, Chapitre IVbis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et [3 des centres d'encadrement des élèves subventionnés]3, inséré par le décret du 15 juillet 1997;
[2 c) Chapitre 12, Section 1re du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel dans l'éducation de base.]2
2° sont désignés en tant que membre du personnel temporaire en exécution du :
a) Chapitre III du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire;
b) Titre II, Chapitre III du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et [3 des centres d'encadrement des élèves subventionnés ]3;
[2 c) Chapitres 9 et 10 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base.]2
3° [1 exercent temporairement une fonction en exécution de :
a) l'article 50 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire;
b) l'article 42, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et [3 des centres d'encadrement des élèves subventionnés]3;
c) l'article 11, § 2, du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques;]1
[2 d) " Chapitre 11 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base.]2
§ 3. Le présent arrêté n'est pas applicable [3 aux personnels des instituts supérieurs, visés à l'article II.3 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013]3.
1° aux membres du personnel, visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
2° aux membres du personnel, visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves;
3° aux membres du personnel, visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques;]1
[2 4° aux membres du personnel, visés à l'article 3 du décret du 7 juillet 2017.]2
[3 5° aux membres du personnel, visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement.]3
§ 2. Le présent arrêté est applicable aux personnels, visés au § 1er, qui :
1° sont chargés temporairement d'une autre mission dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion en exécution du :
a) Chapitre Vbis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire, inséré par le décret du 15 juillet 1997;
b) Titre II, Chapitre IVbis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et [3 des centres d'encadrement des élèves subventionnés]3, inséré par le décret du 15 juillet 1997;
[2 c) Chapitre 12, Section 1re du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel dans l'éducation de base.]2
2° sont désignés en tant que membre du personnel temporaire en exécution du :
a) Chapitre III du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire;
b) Titre II, Chapitre III du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et [3 des centres d'encadrement des élèves subventionnés ]3;
[2 c) Chapitres 9 et 10 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base.]2
3° [1 exercent temporairement une fonction en exécution de :
a) l'article 50 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire;
b) l'article 42, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et [3 des centres d'encadrement des élèves subventionnés]3;
c) l'article 11, § 2, du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques;]1
[2 d) " Chapitre 11 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel de l'éducation de base.]2
§ 3. Le présent arrêté n'est pas applicable [3 aux personnels des instituts supérieurs, visés à l'article II.3 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013]3.
HOOFDSTUK II. - Administratieve toestand van vastbenoemde personeelsleden die tijdelijk een andere opdracht uitoefenen.
CHAPITRE II. - Position administrative des personnels nommés à titre définitif s'acquittant temporairement d'une autre mission.
Art. 2. § 1. De personeelsleden, genoemd in artikel 1, § 1, kunnen een verlof krijgen om tijdelijk een andere opdracht als bedoeld in artikel 1, § 2, uit te oefenen.
§ 2. Het personeelslid krijgt het verlof, bedoeld in § 1, ambtshalve als het tijdelijk aangesteld wordt voor of tijdelijk belast wordt met een andere opdracht door de Vlaamse regering of door de inrichtende macht die het vast benoemd heeft.
[1 Op verzoek van het vastbenoemde personeelslid kan een inrichtende macht of, voor de inspectie, de inspecteur-generaal het personeelslid tijdelijk aanstellen of tijdelijk belasten met een andere opdracht. De inspecteur-generaal kan het verlof op hun verzoek toekennen voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur]1.
Als het personeelslid tijdelijk aangesteld wordt voor of tijdelijk belast wordt met een andere opdracht door een andere inrichtende macht dan de inrichtende macht die het vast benoemd heeft, kan die laatste op verzoek van het personeelslid het verlof toekennen. [1 Voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur kan de inspecteur-generaal het verlof toekennen.]1
§ 3. Het verlof kan worden verleend voor de volledige opdracht waarvoor het personeelslid vast benoemd is of voor een gedeelte ervan. Het aantal uren waarvoor aan het vastbenoemde personeelslid het verlof wordt verleend, is gelijk aan een daarmee overeenstemmend gepondereerd aantal uren van de opdracht waarvoor het tijdelijk aangesteld wordt of waarmee het tijdelijk belast wordt, in voorkomend geval, afgerond naar de lagere eenheid. Voor het bepalen van het gepondereerde aantal uren wordt de ponderatieregeling toegepast die geldt voor de berekening van de [1 het salaris]1.
In afwijking van het eerste lid wordt aan de personeelsleden die vast benoemd zijn in een ambt dat slechts kan worden toegewezen aan één personeelslid of aan twee personeelsleden die elk met een halve opdracht worden belast, het verlof verleend voor de volledige opdracht of voor de halve opdracht. In dat geval is het niet nodig dat de omvang van dit verlof in overeenstemming is met het gepondereerde aantal uren van de opdracht waarvoor het personeelslid tijdelijk aangesteld wordt of waarmee het personeelslid tijdelijk belast wordt.
§ 2. Het personeelslid krijgt het verlof, bedoeld in § 1, ambtshalve als het tijdelijk aangesteld wordt voor of tijdelijk belast wordt met een andere opdracht door de Vlaamse regering of door de inrichtende macht die het vast benoemd heeft.
[1 Op verzoek van het vastbenoemde personeelslid kan een inrichtende macht of, voor de inspectie, de inspecteur-generaal het personeelslid tijdelijk aanstellen of tijdelijk belasten met een andere opdracht. De inspecteur-generaal kan het verlof op hun verzoek toekennen voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur]1.
Als het personeelslid tijdelijk aangesteld wordt voor of tijdelijk belast wordt met een andere opdracht door een andere inrichtende macht dan de inrichtende macht die het vast benoemd heeft, kan die laatste op verzoek van het personeelslid het verlof toekennen. [1 Voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur kan de inspecteur-generaal het verlof toekennen.]1
§ 3. Het verlof kan worden verleend voor de volledige opdracht waarvoor het personeelslid vast benoemd is of voor een gedeelte ervan. Het aantal uren waarvoor aan het vastbenoemde personeelslid het verlof wordt verleend, is gelijk aan een daarmee overeenstemmend gepondereerd aantal uren van de opdracht waarvoor het tijdelijk aangesteld wordt of waarmee het tijdelijk belast wordt, in voorkomend geval, afgerond naar de lagere eenheid. Voor het bepalen van het gepondereerde aantal uren wordt de ponderatieregeling toegepast die geldt voor de berekening van de [1 het salaris]1.
In afwijking van het eerste lid wordt aan de personeelsleden die vast benoemd zijn in een ambt dat slechts kan worden toegewezen aan één personeelslid of aan twee personeelsleden die elk met een halve opdracht worden belast, het verlof verleend voor de volledige opdracht of voor de halve opdracht. In dat geval is het niet nodig dat de omvang van dit verlof in overeenstemming is met het gepondereerde aantal uren van de opdracht waarvoor het personeelslid tijdelijk aangesteld wordt of waarmee het personeelslid tijdelijk belast wordt.
Art. 2. § 1er. Les personnels, visés à l'article 1er, § 1er, peuvent obtenir un congé afin d'exercer temporairement une autre mission telle que visée à l'article 1er, § 2.
§ 2. Le membre du personnel obtient d'office le congé, visé au § 1er, s'il est désigné temporairement pour ou chargé temporairement d'une autre mission par le Gouvernement flamand ou par le pouvoir organisateur qui l'a nommé à titre définitif.
[1 A la demande du membre du personnel nommé à titre définitif, un pouvoir organisateur ou, pour l'inspection, l'inspecteur général peut désigner le membre du personnel à titre temporaire ou le charger temporairement d'une autre mission. L'inspecteur général peut, à leur demande, accorder le congé à l'inspecteur et l'inspecteur coordinateur]1.
Si le membre du personnel est désigné temporairement pour ou chargé temporairement d'une autre mission par un autre pouvoir organisateur que celui qui l'a nommé à titre définitif, ce dernier peut accorder le congé à la demande du membre du personnel. [1 L'inspecteur général peut accorder le congé à l'inspecteur et à l'inspecteur coordinateur.]1
§ 3. Le congé peut être attribué pour la charge complète pour laquelle le membre du personnel est nommé à titre définitif ou pour une partie de la charge. Le nombre d'heures pour lequel le congé est accordé au membre du personnel définitif, est égal au nombre d'heures pondéré y correspondant de la mission pour laquelle il est désigné temporairement ou dont il est chargé temporairement; ce nombre est arrondi, le cas échéant, à l'unité inférieure. Pour la fixation du nombre d'heures pondéré, la pondération en vigueur pour le calcul du traitement est appliquée.
Par dérogation au premier alinéa, le congé est accordé pour la charge complète ou la demi-charge aux membres du personnel nommés à titre définitif dans une fonction qui ne peut être attribuée qu'à un seul membre du personnel ou qu'à deux membres du personnel accomplissant chacun une demi-charge. Dans ce cas, le volume de ce congé ne doit pas correspondre au nombre d'heures pondéré de la mission pour laquelle le membre du personnel est désigné temporairement ou dont le membre du personnel est chargé temporairement.
§ 2. Le membre du personnel obtient d'office le congé, visé au § 1er, s'il est désigné temporairement pour ou chargé temporairement d'une autre mission par le Gouvernement flamand ou par le pouvoir organisateur qui l'a nommé à titre définitif.
[1 A la demande du membre du personnel nommé à titre définitif, un pouvoir organisateur ou, pour l'inspection, l'inspecteur général peut désigner le membre du personnel à titre temporaire ou le charger temporairement d'une autre mission. L'inspecteur général peut, à leur demande, accorder le congé à l'inspecteur et l'inspecteur coordinateur]1.
Si le membre du personnel est désigné temporairement pour ou chargé temporairement d'une autre mission par un autre pouvoir organisateur que celui qui l'a nommé à titre définitif, ce dernier peut accorder le congé à la demande du membre du personnel. [1 L'inspecteur général peut accorder le congé à l'inspecteur et à l'inspecteur coordinateur.]1
§ 3. Le congé peut être attribué pour la charge complète pour laquelle le membre du personnel est nommé à titre définitif ou pour une partie de la charge. Le nombre d'heures pour lequel le congé est accordé au membre du personnel définitif, est égal au nombre d'heures pondéré y correspondant de la mission pour laquelle il est désigné temporairement ou dont il est chargé temporairement; ce nombre est arrondi, le cas échéant, à l'unité inférieure. Pour la fixation du nombre d'heures pondéré, la pondération en vigueur pour le calcul du traitement est appliquée.
Par dérogation au premier alinéa, le congé est accordé pour la charge complète ou la demi-charge aux membres du personnel nommés à titre définitif dans une fonction qui ne peut être attribuée qu'à un seul membre du personnel ou qu'à deux membres du personnel accomplissant chacun une demi-charge. Dans ce cas, le volume de ce congé ne doit pas correspondre au nombre d'heures pondéré de la mission pour laquelle le membre du personnel est désigné temporairement ou dont le membre du personnel est chargé temporairement.
Art. 3. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het wordt toegekend voor de duur van de opdracht of de aanstelling en uiterlijk tot 31 augustus.
Onverminderd hoofdstuk III en IV van dit besluit heeft het personeelslid tijdens het verlof geen recht op [1 het salaris]1 of [1 salaristoelage]1 voor de prestaties waarvoor het verlof werd toegekend.
Onverminderd hoofdstuk III en IV van dit besluit heeft het personeelslid tijdens het verlof geen recht op [1 het salaris]1 of [1 salaristoelage]1 voor de prestaties waarvoor het verlof werd toegekend.
Art. 3. Le congé est assimilé à une période d'activité de service. Il est accordé pour la durée de la charge ou de la désignation et au 31 août au plus tard.
Sans préjudice des chapitres III et IV du présent arrêté, le membre du personnel ne peut prévaloir ses droits sur un traitement ou une subvention-traitement pour les prestations pour lesquelles le congé a été attribué.
Sans préjudice des chapitres III et IV du présent arrêté, le membre du personnel ne peut prévaloir ses droits sur un traitement ou une subvention-traitement pour les prestations pour lesquelles le congé a été attribué.
Änderungen
[1]pas en français
Art. 4. § 1. [1 [2 In afwijking van artikel 2, § 1, kunnen:
1° de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, van dit besluit, het verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, ook krijgen om tijdelijk een ambt uit te oefenen in een hogeschool als vermeld in artikel II.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
2° de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, 1° tot en met 4°, van dit besluit, het verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, ook krijgen om tijdelijk een ambt uit te oefenen als vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs onder de voorwaarden, vermeld in artikel 89 tot en met 105 van het voormelde decreet]2.]1
§ 2. [2 . De inrichtende macht die het personeelslid vast benoemd heeft, kan het verlof op verzoek van het personeelslid toekennen. Op verzoek van de inspecteur en de coördinerend inspecteur kan de inspecteur-generaal het verlof toekennen. Voor de toekenning van het voormelde verlof gelden de bepalingen van artikel 2, § 3.]2.
§ 3. Het verlof, bedoeld in § 1, wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het personeelslid heeft tijdens het verlof geen recht op [2 salaris]2 of [2 salaristoelage]2 voor de prestaties waarvoor het verlof werd toegekend.
§ 4. De vastbenoemde personeelsleden, bedoeld in artikel 1, § 1, die in de periode van 1 september 1995 tot 31 augustus 1996 tijdelijk een ambt hebben uitgeoefend in een hogeschool als bedoeld in artikel 4 van voormeld decreet van 13 juli 1994, worden geacht, wat hun administratieve toestand betreft, in die periode, een verlof te hebben verkregen als bedoeld in § 1.
1° de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, van dit besluit, het verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, ook krijgen om tijdelijk een ambt uit te oefenen in een hogeschool als vermeld in artikel II.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
2° de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, 1° tot en met 4°, van dit besluit, het verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, ook krijgen om tijdelijk een ambt uit te oefenen als vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs onder de voorwaarden, vermeld in artikel 89 tot en met 105 van het voormelde decreet]2.]1
§ 2. [2 . De inrichtende macht die het personeelslid vast benoemd heeft, kan het verlof op verzoek van het personeelslid toekennen. Op verzoek van de inspecteur en de coördinerend inspecteur kan de inspecteur-generaal het verlof toekennen. Voor de toekenning van het voormelde verlof gelden de bepalingen van artikel 2, § 3.]2.
§ 3. Het verlof, bedoeld in § 1, wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het personeelslid heeft tijdens het verlof geen recht op [2 salaris]2 of [2 salaristoelage]2 voor de prestaties waarvoor het verlof werd toegekend.
§ 4. De vastbenoemde personeelsleden, bedoeld in artikel 1, § 1, die in de periode van 1 september 1995 tot 31 augustus 1996 tijdelijk een ambt hebben uitgeoefend in een hogeschool als bedoeld in artikel 4 van voormeld decreet van 13 juli 1994, worden geacht, wat hun administratieve toestand betreft, in die periode, een verlof te hebben verkregen als bedoeld in § 1.
Art. 4. § 1er. [1 [2 Par dérogation à l'article 2, § 1er, :
1° les membres du personnel, visés à l'article 1er, § 1er, du présent arrêté peuvent également obtenir le congé pour exercer temporairement une autre charge, pour exercer temporairement une fonction dans un institut supérieur, tel que visé à l'article II.3 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ;
2° les membres du personnel, visés à l'article 1er, § 1er, 1° à 4, du présent arrêté peuvent également obtenir le congé pour exercer temporairement une autre charge, pour exercer temporairement une fonction telle que visée à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement aux conditions visées aux articles 89 à 105 du décret précité]2.]1
§ 2. [2 § 2. Le pouvoir organisateur qui a nommé définitivement le membre du personnel, peut accorder le congé à la demande du membre du personnel. L'inspecteur général peut accorder le congé à la demande de l'inspecteur et de l'inspecteur coordinateur. Les dispositions de l'article 2, § 3 sont applicables à l'attribution du congé précité]2.
§ 3. Le congé, visé au § 1er, est assimilé à une période d'activité de service. Pendant ce congé, le membre du personnel n'a pas droit à un traitement ou une subvention-traitement pour les prestations pour lesquelles le congé a été accordé.
§ 4. Les personnels nommés à titre définitif, visés à l'article 1er, § 1er, ayant accompli dans la période du 1er septembre 1995 au 31 août 1996 temporairement une fonction dans un institut supérieur tel que visé à l'article 4 du décret précité du 13 juillet 1994, sont censés, pour ce qui concerne leur position administrative, avoir obtenu un congé tel que visé au § 1er.
1° les membres du personnel, visés à l'article 1er, § 1er, du présent arrêté peuvent également obtenir le congé pour exercer temporairement une autre charge, pour exercer temporairement une fonction dans un institut supérieur, tel que visé à l'article II.3 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ;
2° les membres du personnel, visés à l'article 1er, § 1er, 1° à 4, du présent arrêté peuvent également obtenir le congé pour exercer temporairement une autre charge, pour exercer temporairement une fonction telle que visée à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement aux conditions visées aux articles 89 à 105 du décret précité]2.]1
§ 2. [2 § 2. Le pouvoir organisateur qui a nommé définitivement le membre du personnel, peut accorder le congé à la demande du membre du personnel. L'inspecteur général peut accorder le congé à la demande de l'inspecteur et de l'inspecteur coordinateur. Les dispositions de l'article 2, § 3 sont applicables à l'attribution du congé précité]2.
§ 3. Le congé, visé au § 1er, est assimilé à une période d'activité de service. Pendant ce congé, le membre du personnel n'a pas droit à un traitement ou une subvention-traitement pour les prestations pour lesquelles le congé a été accordé.
§ 4. Les personnels nommés à titre définitif, visés à l'article 1er, § 1er, ayant accompli dans la période du 1er septembre 1995 au 31 août 1996 temporairement une fonction dans un institut supérieur tel que visé à l'article 4 du décret précité du 13 juillet 1994, sont censés, pour ce qui concerne leur position administrative, avoir obtenu un congé tel que visé au § 1er.
HOOFDSTUK III. - Geldelijke toestand van vastbenoemde personeelsleden die tijdelijk een andere opdracht uitoefenen.
CHAPITRE III. - Statut pécuniaire des personnels nommés à titre définitif s'acquittant temporairement d'une autre mission.
Art. 5. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op :
1° de personeelsleden aan wie een verlof wordt toegekend om tijdelijk een ambt uit te oefenen [2 in een hogeschool als vermeld in artikel II.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013]2;
2° [2 de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, 1° tot en met 4°, van dit besluit, aan wie een verlof]2 wordt toegekend om tijdelijk een ambt uit te oefenen als vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.]1
1° de personeelsleden aan wie een verlof wordt toegekend om tijdelijk een ambt uit te oefenen [2 in een hogeschool als vermeld in artikel II.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013]2;
2° [2 de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1, 1° tot en met 4°, van dit besluit, aan wie een verlof]2 wordt toegekend om tijdelijk een ambt uit te oefenen als vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.]1
Art. 5. [1 Les dispositions du présent chapitre ne sont pas d'application aux :
1° personnels auxquels un congé est accordé pour exercer temporairement une fonction [2 dans un institut supérieur tel que visé à l'article II.3 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013]2;
2° [2 personnels visés à l'article 1er, § 1er, 1° à 4°, du présent arrêté, auxquels un congé ]2 est accordé pour exercer temporairement une fonction telle que visée à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement.]1
1° personnels auxquels un congé est accordé pour exercer temporairement une fonction [2 dans un institut supérieur tel que visé à l'article II.3 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013]2;
2° [2 personnels visés à l'article 1er, § 1er, 1° à 4°, du présent arrêté, auxquels un congé ]2 est accordé pour exercer temporairement une fonction telle que visée à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement.]1
Art. 6. § 1. [1 Voor de toepassing van de onderstaande bepalingen wordt voor het personeel van het gesubsidieerde onderwijs en de gesubsidieerde [2 centra voor leerlingenbegeleiding]2, onder [2 salaris]2 ook [2 salaristoelage]2 verstaan.]1
§ 2. Voor het vaststellen van [2 het salaris]2 van het personeelslid dat onder de voorwaarden, bedoeld in hoofdstuk I en II, een opdracht uitoefent, wordt [2 het brutojaarsalaris]2 vastbenoemde vergeleken met [2 het brutojaarsalaris]2 werkelijke opdracht.
[2 Het brutojaarsalaris]2 vastbenoemde is [2 het brutojaarsalaris]2 waarop het personeelslid aanspraak kan maken voor het geheel van de opdracht waarvoor het vast benoemd is, met inbegrip van het deel van de opdracht waarvoor het verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
[2 Het brutojaarsalaris]2 werkelijke opdracht is [2 het brutojaarsalaris]2 waarop het personeelslid aanspraak kan maken voor het geheel van de opdracht die het werkelijk uitoefent, met uitzondering van [2 het brutojaarsalaris]2, bedoeld in § 3.
[2 Het brutojaarsalaris]2 is telkens [2 het salaris]2 à 100 %, vastgesteld in de [2 salarisschaal]2, verbonden aan het ambt waarin het personeelslid zijn opdracht uitoefent of waarvoor het vast benoemd is, rekening houdend met het bekwaamheidsbewijs dat het personeelslid bezit. [2 Dat salaris]2 schommelt met het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138.01 gekoppeld.
§ 3. Voor het aantal uren van de opdracht waarvoor het personeelslid tijdelijk aangesteld is en dat het gepondereerde aantal uren overschrijdt waarvoor het als vastbenoemde een verlof verkregen heeft om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen overeenkomstig artikel 2 van dit besluit, verkrijgt het personeelslid een [2 het brutojaarsalaris]2 als tijdelijk personeelslid.
§ 4. Als [2 het brutojaarsalaris]2 vastbenoemde hoger is dan of gelijk is aan [2 het brutojaarsalaris]2 werkelijke opdracht verkrijgt het personeelslid [2 het brutojaarsalaris]2 werkelijke opdracht. [2 Het salaris]2 wordt hem uitgekeerd als vastbenoemd personeelslid.
Als [2 het brutojaarsalaris]2 vastbenoemde lager is dan [2 het brutojaarsalaris]2 werkelijke opdracht verkrijgt het personeelslid [2 het brutojaarsalaris]2 vastbenoemde die hem uitgekeerd wordt als vastbenoemd personeelslid. [2 Dit salaris ]2 wordt verhoogd met een toelage, vastgesteld krachtens hoofdstuk IV.
§ 2. Voor het vaststellen van [2 het salaris]2 van het personeelslid dat onder de voorwaarden, bedoeld in hoofdstuk I en II, een opdracht uitoefent, wordt [2 het brutojaarsalaris]2 vastbenoemde vergeleken met [2 het brutojaarsalaris]2 werkelijke opdracht.
[2 Het brutojaarsalaris]2 vastbenoemde is [2 het brutojaarsalaris]2 waarop het personeelslid aanspraak kan maken voor het geheel van de opdracht waarvoor het vast benoemd is, met inbegrip van het deel van de opdracht waarvoor het verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
[2 Het brutojaarsalaris]2 werkelijke opdracht is [2 het brutojaarsalaris]2 waarop het personeelslid aanspraak kan maken voor het geheel van de opdracht die het werkelijk uitoefent, met uitzondering van [2 het brutojaarsalaris]2, bedoeld in § 3.
[2 Het brutojaarsalaris]2 is telkens [2 het salaris]2 à 100 %, vastgesteld in de [2 salarisschaal]2, verbonden aan het ambt waarin het personeelslid zijn opdracht uitoefent of waarvoor het vast benoemd is, rekening houdend met het bekwaamheidsbewijs dat het personeelslid bezit. [2 Dat salaris]2 schommelt met het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138.01 gekoppeld.
§ 3. Voor het aantal uren van de opdracht waarvoor het personeelslid tijdelijk aangesteld is en dat het gepondereerde aantal uren overschrijdt waarvoor het als vastbenoemde een verlof verkregen heeft om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen overeenkomstig artikel 2 van dit besluit, verkrijgt het personeelslid een [2 het brutojaarsalaris]2 als tijdelijk personeelslid.
§ 4. Als [2 het brutojaarsalaris]2 vastbenoemde hoger is dan of gelijk is aan [2 het brutojaarsalaris]2 werkelijke opdracht verkrijgt het personeelslid [2 het brutojaarsalaris]2 werkelijke opdracht. [2 Het salaris]2 wordt hem uitgekeerd als vastbenoemd personeelslid.
Als [2 het brutojaarsalaris]2 vastbenoemde lager is dan [2 het brutojaarsalaris]2 werkelijke opdracht verkrijgt het personeelslid [2 het brutojaarsalaris]2 vastbenoemde die hem uitgekeerd wordt als vastbenoemd personeelslid. [2 Dit salaris ]2 wordt verhoogd met een toelage, vastgesteld krachtens hoofdstuk IV.
Art. 6. § 1er. [1 Dans le présent article, on entend par traitement également la subvention-traitement pour les personnels de l'enseignement subventionné, des [2 centres d'encadrement des élèves]2 subventionnés et pour les personnels des centres d'éducation de base]1.
§ 2. Pour la fixation du traitement du membre du personnel exerçant une mission aux conditions, visées aux chapitres I et II, le traitement annuel brut du membre définitif est comparé au traitement annuel brut de la charge réelle.
Le traitement annuel brut du membre définitif est le traitement annuel brut auquel peut prétendre le membre du personnel pour la totalité de la charge pour laquelle il est nommé à titre définitif, y compris la partie de la charge pour laquelle il a obtenu le congé pour exercer temporairement une autre mission.
Le traitement annuel brut de la charge réelle est le traitement annuel brut auquel peut prétendre le membre du personnel pour la totalité de la mission qu'il exerce réellement, à l'exception du traitement annuel brut, visé au § 3.
Le traitement annuel brut est chaque fois le traitement à 100 %, fixé dans l'échelle attachée à la fonction dans laquelle le membre du personnel exerce sa mission ou pour laquelle il est nommé à titre définitif, tenant compte du titre d'aptitude que le membre du personnel possède. Ce traitement est lié aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. Le montant est lié à l'indice 138.01.
§ 3. Pour le nombre d'heures de la mission pour lequel le membre du personnel est engagé temporairement et qui excède le nombre d'heures pondéré pour lequel il a obtenu un congé comme membre du personnel définitif pour exécuter temporairement une autre mission conformément à l'article 2 du présent arrêté, le membre du personnel bénéficie d'un traitement annuel brut comme membre temporaire.
§ 4. Si le traitement annuel brut du membre du personnel définitif est supérieur ou égal au traitement annuel brut de la charge réelle, le membre du personnel jouit du traitement annuel brut de la charge réelle. Le traitement lui est alloué comme membre du personnel définitif.
Si le traitement annuel brut du membre du personnel définitif est inférieur au traitement annuel brut de la charge réelle, le membre du personnel jouit du traitement annuel brut de membre du personnel définitif. Ce traitement lui est alloué comme membre du personnel définitif et est augmenté d'une subvention, fixée conformément au chapitre IV.
§ 2. Pour la fixation du traitement du membre du personnel exerçant une mission aux conditions, visées aux chapitres I et II, le traitement annuel brut du membre définitif est comparé au traitement annuel brut de la charge réelle.
Le traitement annuel brut du membre définitif est le traitement annuel brut auquel peut prétendre le membre du personnel pour la totalité de la charge pour laquelle il est nommé à titre définitif, y compris la partie de la charge pour laquelle il a obtenu le congé pour exercer temporairement une autre mission.
Le traitement annuel brut de la charge réelle est le traitement annuel brut auquel peut prétendre le membre du personnel pour la totalité de la mission qu'il exerce réellement, à l'exception du traitement annuel brut, visé au § 3.
Le traitement annuel brut est chaque fois le traitement à 100 %, fixé dans l'échelle attachée à la fonction dans laquelle le membre du personnel exerce sa mission ou pour laquelle il est nommé à titre définitif, tenant compte du titre d'aptitude que le membre du personnel possède. Ce traitement est lié aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. Le montant est lié à l'indice 138.01.
§ 3. Pour le nombre d'heures de la mission pour lequel le membre du personnel est engagé temporairement et qui excède le nombre d'heures pondéré pour lequel il a obtenu un congé comme membre du personnel définitif pour exécuter temporairement une autre mission conformément à l'article 2 du présent arrêté, le membre du personnel bénéficie d'un traitement annuel brut comme membre temporaire.
§ 4. Si le traitement annuel brut du membre du personnel définitif est supérieur ou égal au traitement annuel brut de la charge réelle, le membre du personnel jouit du traitement annuel brut de la charge réelle. Le traitement lui est alloué comme membre du personnel définitif.
Si le traitement annuel brut du membre du personnel définitif est inférieur au traitement annuel brut de la charge réelle, le membre du personnel jouit du traitement annuel brut de membre du personnel définitif. Ce traitement lui est alloué comme membre du personnel définitif et est augmenté d'une subvention, fixée conformément au chapitre IV.
HOOFDSTUK IV. - Toelage voor het uitoefenen van een beter bezoldigde opdracht
CHAPITRE IV. - Subvention pour l'exercice d'une mission donnant lieu à une rémunération plus élevée.
Art. 7. § 1. Het personeelslid dat overeenkomstig artikel 6, § 4, tweede lid, van dit besluit aanspraak kan maken op een toelage, krijgt de toelage voor het uitoefenen van een beter bezoldigde opdracht.
§ 2. De toelage wordt aan het personeelslid verleend vanaf de dag waarop het de andere opdracht die het toekennen van de toelage wettigt, daadwerkelijk uitoefent.
Het personeelslid behoudt de toelage gedurende de ontspanningsverloven en de kerst- en paasvakantie voorzover die vallen binnen de periode van de aanstelling voor de bedoelde opdracht.
[1 Onder dezelfde voorwaarde behoudt het personeelslid de toelage gedurende de zomervakantie, behalve als het tijdelijk aangesteld is in of tijdelijk belast is met een wervingsambt in de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel, met uitzondering van de wervingsambten in de centra voor basiseducatie]1.
§ 3. Met uitzondering van de verloven en vakanties, bedoeld in § 2, is de toelage bij een onderbreking van de opdracht die het toekennen van de toelage wettigt, alleen verschuldigd als de onderbreking niet langer dan veertien opeenvolgende kalenderdagen duurt.
§ 2. De toelage wordt aan het personeelslid verleend vanaf de dag waarop het de andere opdracht die het toekennen van de toelage wettigt, daadwerkelijk uitoefent.
Het personeelslid behoudt de toelage gedurende de ontspanningsverloven en de kerst- en paasvakantie voorzover die vallen binnen de periode van de aanstelling voor de bedoelde opdracht.
[1 Onder dezelfde voorwaarde behoudt het personeelslid de toelage gedurende de zomervakantie, behalve als het tijdelijk aangesteld is in of tijdelijk belast is met een wervingsambt in de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel, met uitzondering van de wervingsambten in de centra voor basiseducatie]1.
§ 3. Met uitzondering van de verloven en vakanties, bedoeld in § 2, is de toelage bij een onderbreking van de opdracht die het toekennen van de toelage wettigt, alleen verschuldigd als de onderbreking niet langer dan veertien opeenvolgende kalenderdagen duurt.
Art. 7. § 1er. Le membre du personnel qui, conformément à l'article 6, § 4, deuxième alinéa, du présent arrêté peut prétendre à une subvention, bénéficie de la subvention pour l'exercice d'une mission donnant lieu à une rémunération plus élevée.
§ 2. La subvention est procurée au membre du personnel à partir du jour où il exerce réellement l'autre mission justifiant l'octroi d'une subvention.
Le membre du personnel maintient la subvention pendant les congés de détente et les vacances de Noël et de Pâques pour autant que ceux-ci tombent dans la période de sa désignation pour la mission visée.
[1 A la même condition, le membre du personnel maintient la subvention pendant les vacances d'été sauf s'il est temporairement désigné pour ou chargé d'une fonction de recrutement dans la catégorie du personnel directeur et enseignant, à l'exception des fonctions de recrutement dans les centres d'éducation de base.]1.
§ 3. A l'exception des congés et des vacances, visés au § 2, la subvention lors d'une interruption de la mission justifiant l'octroi d'une subvention, n'est due que lorsque l'interruption n'excède pas une période de quatorze jours civils consécutifs.
§ 2. La subvention est procurée au membre du personnel à partir du jour où il exerce réellement l'autre mission justifiant l'octroi d'une subvention.
Le membre du personnel maintient la subvention pendant les congés de détente et les vacances de Noël et de Pâques pour autant que ceux-ci tombent dans la période de sa désignation pour la mission visée.
[1 A la même condition, le membre du personnel maintient la subvention pendant les vacances d'été sauf s'il est temporairement désigné pour ou chargé d'une fonction de recrutement dans la catégorie du personnel directeur et enseignant, à l'exception des fonctions de recrutement dans les centres d'éducation de base.]1.
§ 3. A l'exception des congés et des vacances, visés au § 2, la subvention lors d'une interruption de la mission justifiant l'octroi d'une subvention, n'est due que lorsque l'interruption n'excède pas une période de quatorze jours civils consécutifs.
Art. 8. § 1. Het jaarbedrag van de toelage is gelijk aan het verschil tussen [1 het brutojaarsalaris]1 werkelijke opdracht en [1 het brutojaarsalaris]1 vastbenoemde, beide bepaald overeenkomstig artikel 6, § 2, van dit besluit.
§ 2. Het maandbedrag van de toelage is gelijk aan één twaalfde van het jaarbedrag. Als de toelage niet voor de volledige maand verschuldigd is, wordt ze in dertigsten verdeeld, overeenkomstig de regels voor de uitbetaling van [1 het salaris]1.
§ 3. De toelage wordt maandelijks na vervallen termijn betaald.
§ 2. Het maandbedrag van de toelage is gelijk aan één twaalfde van het jaarbedrag. Als de toelage niet voor de volledige maand verschuldigd is, wordt ze in dertigsten verdeeld, overeenkomstig de regels voor de uitbetaling van [1 het salaris]1.
§ 3. De toelage wordt maandelijks na vervallen termijn betaald.
Art. 8. § 1er. Le montant annuel de la subvention est égal à la différence entre le traitement annuel brut charge réelle et le traitement brut membre du personnel définitif; ces deux traitements étant fixés conformément à l'article 6, § 2, du présent arrêté.
§ 2. Le montant mensuel de la subvention est égal à un douzième du montant annuel. Si la subvention n'est pas due pour le mois entier, elle est divisée en trentièmes, conformément à la réglementation pour le paiement du traitement.
§ 3. La subvention est payée mensuellement à terme échu.
§ 2. Le montant mensuel de la subvention est égal à un douzième du montant annuel. Si la subvention n'est pas due pour le mois entier, elle est divisée en trentièmes, conformément à la réglementation pour le paiement du traitement.
§ 3. La subvention est payée mensuellement à terme échu.
Änderungen
[1]pas en français
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions finales.
Art. 9. Het koninklijk besluit van 13 juni 1976 tot regeling van de toekenning van een toelage aan de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel van het rijksonderwijs die voorlopig aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt, wordt opgeheven.
Art. 9. L'arrêté royal du 13 juin 1976 réglant l'octroi d'une allocation aux membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation et du personnel paramédical de l'enseignement de l'Etat désignés provisoirement à une fonction de sélection ou à une fonction de promotion est abrogé.
Art. 10. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1996, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 1996 tot en met 31 augustus 1997 geen gevolgen met betrekking tot bezoldiging kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten.
In afwijking van het eerste lid heeft artikel 4, § 4, echter uitwerking op 1 september 1995.
In afwijking van het eerste lid heeft artikel 4, § 4, echter uitwerking op 1 september 1995.
Art. 10. Le présent arrêté produit ses effets le 1er septembre 1996, avec la restriction néanmoins que pendant la période du 1er septembre 1996 au 31 août 1997 inclus il n'y a aucune incidence sur la rémunération des personnels et des pouvoirs organisateurs.
Par dérogation au premier alinéa, l'article 4, § 4, produit ses effets le 1er septembre 1995.
Par dérogation au premier alinéa, l'article 4, § 4, produit ses effets le 1er septembre 1995.
Art. 11. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 11. Le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.