Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werklieden en werksters van de ondernemingen welke onder het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf ressorteren, met inbegrip van de huisarbeider(ster)s.
Telkens wanneer hierna de term "werklieden" wordt gebruikt, wordt bedoeld : de werklieden en werksters, huisarbeiders en huisarbeidsters.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
13 MEI 1997. - Collectieve arbeidsovereenkomst van 13 mei 1997 van het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf. - Betaling van een aanvullende vergoeding aan het dubbel vakantiegeld (Overeenkomst geregistreerd op 16 september 1997 onder het nummer 45048/CO/109). (NOTA : De wijzigingen van deze CAO, gepubliceerd vanaf 1 juli 2002, zijn niet meer opgenomen in deze tekst)
Titre
13 MAI 1997. - Convention collective de travail du 13 mai 1997 de la Commission paritaire de l'habillement et de la confection. - Paiement d'une allocation complémentaire au double pécule de vacances (Convention enregistrée le 16 septembre 1997, sous le numéro 45048/CO/109). (NOTE : Les modifications de cette CCT, publiées à partir du 1er juillet 2002, ne sont plus intégrées à ce texte)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (11)
Texte (11)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Article 1. La présente convention collective de travail s'applique aux employeurs et aux ouvriers et ouvrières des entreprises ressortissant à la Commission paritaire de l'industrie de l'habillement et de la confection, y compris les travailleurs(euses) à domicile.
Chaque fois que le terme " ouvriers " est utilisé ci-après : des ouvriers et ouvrières, des travailleurs et travailleuses à domicile.
Chaque fois que le terme " ouvriers " est utilisé ci-après : des ouvriers et ouvrières, des travailleurs et travailleuses à domicile.
HOOFDSTUK II. - Aanvullende vergoeding aan het dubbel vakantiegeld.
CHAPITRE II. - Allocation complémentaire au double pécule de vacances.
Art.2. In de ondernemingen bedoeld in artikel 1 wordt een aanvullende vergoeding aan het dubbel vakantiegeld uitgekeerd :
1° ofwel jaarlijks aan alle werklieden die op 30 juni in dienst zijn van de onderneming;
2° ofwel bij hun vertrek, behalve in het geval van ontslag om dringende redenen, voor de periode die aanvangt hetzij op 1 juli van een nog niet vergoede referentieperiode, hetzij op de dag van indiensttreding na voormelde datum van 1 juli en die eindigt op de datum van het vertrek uit de onderneming, op voorwaarde dat zij minstens drie maanden dienst tellen in de onderneming, waarvoor alle vormen van tewerkstelling in rekening genomen worden;
3° ofwel op het ogenblik dat zij een voltijdse loopbaanonderbreking aangaan in uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 februari 1985, gesloten in het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf inzake onderbreking van de beroepsloopbaan, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 2 augustus 1985, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 oktober 1985.
1° ofwel jaarlijks aan alle werklieden die op 30 juni in dienst zijn van de onderneming;
2° ofwel bij hun vertrek, behalve in het geval van ontslag om dringende redenen, voor de periode die aanvangt hetzij op 1 juli van een nog niet vergoede referentieperiode, hetzij op de dag van indiensttreding na voormelde datum van 1 juli en die eindigt op de datum van het vertrek uit de onderneming, op voorwaarde dat zij minstens drie maanden dienst tellen in de onderneming, waarvoor alle vormen van tewerkstelling in rekening genomen worden;
3° ofwel op het ogenblik dat zij een voltijdse loopbaanonderbreking aangaan in uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 februari 1985, gesloten in het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf inzake onderbreking van de beroepsloopbaan, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 2 augustus 1985, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 oktober 1985.
Art.2. Dans les entreprises visée à l'article 1er, une allocation complémentaire au double pécule de vacances est octroyée :
1° soit annuellement à tous les ouvriers qui sont au service de l'entreprise au 30 juin;
2° soit au moment de leur départ, sauf en cas de licenciement pour motifs graves, pour la période qui commence, soit le 1er juillet d'une période de référence pour laquelle aucune allocation n'a encore été versée, soit le jour de l'entrée en service après la date du 1er juillet précitée, et qui prend fin à la date du départ de l'entreprise, à condition qu'ils aient au moins trois mois de service dans l'entreprise, pour lesquels toutes les formes d'emploi sont prises en considération;
3° ou bien au moment où ils commencent une interruption complète de la carrière professionnelle, en exécution de la convention collective de travail du 18 février 1985, conclue au sein de la Commission paritaire de l'industrie de l'habillement et de la confection, concernant l'interruption de la carrière professionnelle, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 2 août 1985, publié au Moniteur belge du 25 octobre 1985.
1° soit annuellement à tous les ouvriers qui sont au service de l'entreprise au 30 juin;
2° soit au moment de leur départ, sauf en cas de licenciement pour motifs graves, pour la période qui commence, soit le 1er juillet d'une période de référence pour laquelle aucune allocation n'a encore été versée, soit le jour de l'entrée en service après la date du 1er juillet précitée, et qui prend fin à la date du départ de l'entreprise, à condition qu'ils aient au moins trois mois de service dans l'entreprise, pour lesquels toutes les formes d'emploi sont prises en considération;
3° ou bien au moment où ils commencent une interruption complète de la carrière professionnelle, en exécution de la convention collective de travail du 18 février 1985, conclue au sein de la Commission paritaire de l'industrie de l'habillement et de la confection, concernant l'interruption de la carrière professionnelle, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 2 août 1985, publié au Moniteur belge du 25 octobre 1985.
Art.3. De aanvullende vergoeding bedoeld in artikel 2, 1°, is gelijk aan 6,5 pct. van het in de onderneming verdiende brutoloon in de referentieperiode.
Worden in aanmerking genomen : de brutolonen met betrekking tot de dagen waarop arbeid werd verricht, de eventuele meerbanendagen forfaitair vermeerderd met 40 dagen, voor wettelijke feestdagen, wettelijke vakantiedagen en dagen van schorsing van de arbeidsovereenkomst voorzien bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Het brutodagloon in aanmerking te nemen voor deze forfaitaire dagen is gelijk aan het gemiddeld dagloon van de laatste betaalperiode voorafgaand aan de uitkering van de aanvulling op het dubbel vakantiegeld overeenkomstig de berekeningswijze voorzien in het koninklijk besluit van 18 april 1974 op de wettelijke feestdagen.
Wordt als referentieperiode beschouwd : de periode van 12 maanden die aanvangt op 1 juli van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de uitkering en eindigt op 30 juni van het kalenderjaar waarin de uitkering geschiedt.
Deze aanvullende vergoeding wordt uitbetaald naar aanleiding van het verlenen van de hoofdvakantie in de onderneming en uiterlijk samen met de eerste loonuitkering na 15 augustus.
Worden in aanmerking genomen : de brutolonen met betrekking tot de dagen waarop arbeid werd verricht, de eventuele meerbanendagen forfaitair vermeerderd met 40 dagen, voor wettelijke feestdagen, wettelijke vakantiedagen en dagen van schorsing van de arbeidsovereenkomst voorzien bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Het brutodagloon in aanmerking te nemen voor deze forfaitaire dagen is gelijk aan het gemiddeld dagloon van de laatste betaalperiode voorafgaand aan de uitkering van de aanvulling op het dubbel vakantiegeld overeenkomstig de berekeningswijze voorzien in het koninklijk besluit van 18 april 1974 op de wettelijke feestdagen.
Wordt als referentieperiode beschouwd : de periode van 12 maanden die aanvangt op 1 juli van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de uitkering en eindigt op 30 juni van het kalenderjaar waarin de uitkering geschiedt.
Deze aanvullende vergoeding wordt uitbetaald naar aanleiding van het verlenen van de hoofdvakantie in de onderneming en uiterlijk samen met de eerste loonuitkering na 15 augustus.
Art.3. L'allocation complémentaire dont il est question à l'article 2, 1°, est égale à 6,5 p.c. du salaire brut, gagné dans l'entreprise pendant la période de référence.
Sont pris en considération : les salaires bruts afférents aux journées de travail prestées, éventuellement les jours pour l'emploi, majorés de façon forfaitaire de 40 jours, pour les jours fériés légaux, les jours de vacances légales et les jours de suspension du contrat de travail prévus par la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail.
Le salaire journalier brut, à prendre en considération pour ces journées forfaitaires, est égal au salaire journalier moyen de la dernière période de paie, qui précède le paiement du complément au double pécule de vacances, conformément au mode de calcul prévu dans l'arrêté royal du 18 avril 1974 sur les jours fériés.
Est considérée comme période de référence : la période de 12 mois, qui prend cours le 1er juillet de l'année civile qui précède l'année de l'allocation et qui prend fin le 30 juin de l'année civile pendant laquelle l'allocation est payée.
Cette allocation complémentaire est payée à l'occasion des vacances principales dans l'entreprise et au plus tard avec la première paie suivant le 15 août.
Sont pris en considération : les salaires bruts afférents aux journées de travail prestées, éventuellement les jours pour l'emploi, majorés de façon forfaitaire de 40 jours, pour les jours fériés légaux, les jours de vacances légales et les jours de suspension du contrat de travail prévus par la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail.
Le salaire journalier brut, à prendre en considération pour ces journées forfaitaires, est égal au salaire journalier moyen de la dernière période de paie, qui précède le paiement du complément au double pécule de vacances, conformément au mode de calcul prévu dans l'arrêté royal du 18 avril 1974 sur les jours fériés.
Est considérée comme période de référence : la période de 12 mois, qui prend cours le 1er juillet de l'année civile qui précède l'année de l'allocation et qui prend fin le 30 juin de l'année civile pendant laquelle l'allocation est payée.
Cette allocation complémentaire est payée à l'occasion des vacances principales dans l'entreprise et au plus tard avec la première paie suivant le 15 août.
Art.4. De aanvullende vergoeding bedoeld in artikel 2, 2°, is gelijk aan 6,5 pct. van het brutoloon voor de periode die aanvangt volgens het geval, ofwel op 1 juli van een nog niet vergoede referentieperiode, ofwel op de dag van de indiensttreding na de hiervoren bedoelde datum van 1 juli en die eindigt op de datum van het vertrek uit de onderneming.
Deze aanvullende vergoeding moet aan de werknemer worden betaald door de werkgever van de onderneming die hij verlaat, samen met de laatste loonuitbetaling.
De forfaitaire dagen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, worden toegekend in verhouding tot de duur tijdens dewelke de werknemer in de referentieperiode verbonden was met een arbeidsovereenkomst, a rata van 3,33 dagen per begonnen kalendermaand.
Deze aanvullende vergoeding moet aan de werknemer worden betaald door de werkgever van de onderneming die hij verlaat, samen met de laatste loonuitbetaling.
De forfaitaire dagen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, worden toegekend in verhouding tot de duur tijdens dewelke de werknemer in de referentieperiode verbonden was met een arbeidsovereenkomst, a rata van 3,33 dagen per begonnen kalendermaand.
Art.4. L'allocation complémentaire visée à l'article 2, 2° est égale à 6,5 p.c. du salaire brut pour la période qui prend cours, selon le cas, soit le 1er juillet d'une période de référence pour laquelle aucune allocation n'a encore été payée, soit le jour de l'entrée en service après la date du 1er juillet visée ci-dessus et qui prend fin à la date du départ de l'entreprise.
Cette allocation complémentaire doit être payée au travailleur par l'employeur de l'entreprise qu'il quitte, avec la dernière paie.
Les journées forfaitaires, visées à l'article 3, alinéa 2, sont octroyées en rapport avec la durée pendant laquelle le travailleur était lié par un contrat de travail pendant la période de référence, à raison de 3,33 jours par mois calendrier entamé.
Cette allocation complémentaire doit être payée au travailleur par l'employeur de l'entreprise qu'il quitte, avec la dernière paie.
Les journées forfaitaires, visées à l'article 3, alinéa 2, sont octroyées en rapport avec la durée pendant laquelle le travailleur était lié par un contrat de travail pendant la période de référence, à raison de 3,33 jours par mois calendrier entamé.
Art.5. De aanvullende vergoeding bepaald in artikel 2, derde lid, is gelijk aan 6,5 pct. van het brutoloon voor de periode die aanvangt volgens het geval ofwel op 1 juli van een nog niet vergoede referentieperiode ofwel op de dag van de indiensttreding na de hiervoren bedoelde datum van 1 juli en die eindigt op de datum van het effectief begin van de voltijdse loopbaanonderbreking.
Deze aanvullende vergoeding moet aan de werknemer betaald worden door de werkgever samen met de laatste loonsuitbetaling.
De forfaitaire dagen bedoeld in artikel 3, derde lid worden toegekend in verhouding tot de duur tijdens dewelke de werknemer in de referentieperiode verbonden was met een arbeidsovereenkomst vóór het begin van de voltijdse loopbaanonderbreking, naar rata van 3,33 dagen per begonnen kalendermaand.
Deze aanvullende vergoeding moet aan de werknemer betaald worden door de werkgever samen met de laatste loonsuitbetaling.
De forfaitaire dagen bedoeld in artikel 3, derde lid worden toegekend in verhouding tot de duur tijdens dewelke de werknemer in de referentieperiode verbonden was met een arbeidsovereenkomst vóór het begin van de voltijdse loopbaanonderbreking, naar rata van 3,33 dagen per begonnen kalendermaand.
Art.5. L'allocation complémentaire stipulée dans l'article 2, alinéa 3, est égale à 6,5 p.c. du salaire brut pour la période qui commence, selon le cas, ou bien le 1er juillet d'une période de référence qui n'a pas encore été rémunérée, ou bien le jour de l'entrée en service après la date visée ci-avant du 1er juillet et qui prend fin à la date du commencement effectif de l'interruption complète de la carrière professionnelle.
Cette allocation complémentaire doit être payée au travailleur par l'employeur en même temps que la dernière paie.
Les jours forfaitaires visés à l'article 3, alinéa 2, sont octroyés proportionnellement à la durée pendant laquelle le travailleur a été lié par un contrat de travail au cours de la période de référence, avant le début de l'interruption complète de la carrière professionnelle, à raison de 3,33 jours par mois civil entamé.
Cette allocation complémentaire doit être payée au travailleur par l'employeur en même temps que la dernière paie.
Les jours forfaitaires visés à l'article 3, alinéa 2, sont octroyés proportionnellement à la durée pendant laquelle le travailleur a été lié par un contrat de travail au cours de la période de référence, avant le début de l'interruption complète de la carrière professionnelle, à raison de 3,33 jours par mois civil entamé.
Art.6. De hiervoor bedoelde bepalingen doen geen afbreuk aan de rechten van de werklieden van de ondernemingen die voorheen de verbintenis hadden aangegaan hen een gelijkaardig voordeel van grotere omvang toe te kennen.
Art.6. Les dispositions prévues ci-dessus ne portent pas préjudice aux droits des ouvriers des entreprises qui s'étaient engagées antérieurement à leur accorder un avantage de même nature et de plus grande importance.
HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions finales.
Art.7. Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 1998. Zij wordt van jaar tot jaar verlengd, indien zij vóór haar jaarlijkse vervaldag niet door één van de ondertekenende partijen wordt opgezegd. Deze opzegging wordt bij aangetekende brief aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf betekend.
Art.7. La présente convention collective de travail produit ses effets le 1er janvier 1997 et cesse d'être en vigueur le 31 décembre 1998. Elle est reconduite d'année en année si, avant son échéance annuelle, elle n'est pas dénoncée par l'une des parties signataires. La dénonciation est notifiée par lettre recommandée au président de la Commission paritaire de l'industrie de l'habillement et de la confection.
Art. 8. Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 februari 1983, gesloten in het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf, betreffende de betaling van een aanvullende vergoeding aan het dubbel vakantiegeld, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 8 maart 1984.
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 10 augustus 1998.
(Voor het KB, zie %%1998-08-10/71%%).
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 10 augustus 1998.
(Voor het KB, zie %%1998-08-10/71%%).
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
Art. 8. La présente convention collective de travail remplace la convention collective de travail du 24 février 1983, conclue au sein de la Commission paritaire de l'industrie de l'habillement et de la confection, concernant le paiement d'une allocation complémentaire au double pécule de vacances, rendue obligatoire par arrêté royal du 8 mars 1984.
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 10 août 1998.
(Pour l'AR, voir %%1998-08-10/71%%).
La Ministre de l'Emploi et du Travail,
Mme M. SMET
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 10 août 1998.
(Pour l'AR, voir %%1998-08-10/71%%).
La Ministre de l'Emploi et du Travail,
Mme M. SMET