Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
13 JANUARI 1965. - Tekst van de gewijzigde en gecoördineerde statuten. - Fonds voor bestaanszekerheid opgericht bij beslissing van 13 januari 1965 van het Nationaal Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 februari 1965. Coördinatie van 1997 en volgende. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-09-1998 en tekstbijwerking tot 20-04-2002.)
Titre
13 JANVIER 1965. - Texte des statuts modifiés et coordonnés. - Fonds de sécurité d'existence, institué par décision du 13 janvier 1965 de la Commission paritaire nationale des constructions métallique, mécanique et électrique, rendue obligatoire par arrêté royal du 10 février 1965. Coordination de 1997 et suivantes. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-09-1998 et mise à jour au 20-04-2002.)
Dokumentinformationen
Tekst (68)
Texte (68)
HOOFDSTUK I. - Benaming, zetel, doel, duur.
CHAPITRE I. - Dénomination, siège, objet, durée.
Artikel 1. Er wordt vanaf 1 januari 1965 een Fonds voor bestaanszekerheid opgericht voor de werklieden en werksters tewerkgesteld in de ondernemingen die door hun activiteit in België ressorteren onder het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, genaamd " Fonds voor bestaanszekerheid van de metaalverwerkende nijverheid ".
Article 1. Il est institué, à partir du 1er janvier 1965, un Fonds de sécurité d'existence pour les ouvriers et ouvrières occupés dans les entreprises qui par leur activité en Belgique ressortissent à la Commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique, dénommé " Fonds de sécurité d'existence des fabrications métalliques ".
Art.2. De zetel van het Fonds bevindt zich in het Arrondissement Brussel.
Art.2. Le siège du Fonds se trouve à l'Arrondissement de Bruxelles.
Art.3. § 1. Het Fonds heeft tot doel :
  1° de bijdragen vereist voor zijn werking te innen;
  2° aan de werklieden en werksters tewerkgesteld in de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, en volgens de hierna vermelde voorwaarden :
  a) een vergoeding uit te keren die de werkloosheidsuitkering aanvult;
  b) een toeslag te verlenen die de vergoedingen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering aanvult;
  c) gebeurlijk andere sociale voordelen toe te kennen, vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst van bovengenoemd Paritair Comité, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit;
  3° de verdeling van die voordelen te verzekeren;
  4° een bijzondere jaarlijkse compensatietoeslag te betalen aan de in artikel 1 bedoelde werklieden en werksters, leden van één van de representatieve interprofessionele organisaties die op nationaal vlak verbonden zijn;
  5° de organisatie te financieren van concrete opleidingsacties voor werknemers of potentiële werknemers van de metaalverwerkende nijverheid in het raam en door bemiddeling van het " Instituut voor Naschoolse opleiding van de metaalverwerkende nijverheid " afgekort : " I.N.O.M. " met maatschappelijke zetel te Schaarbeek, A. Reyerslaan 80, opgericht op 15 september 1969, waarvan de statuten bekendgemaakt werden in de bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 6 november 1969;
  6° de organisatie te financieren van de initiatieven voor de opleiding en de tewerkstelling van risicogroepen onder de werkzoekenden in het raam en door de bemiddeling van de Vereniging zonder winstoogmerk " Tewerkstelling en opleiding van risicogroepen - arbeider M.V.E.N. " met maatschappelijke zetel te Schaarbeek, A. Reyerslaan 80, opgericht op 3 januari 1990, waarvan de statuten bekendgemaakt werden in de bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 10 mei 1990 en van de Vereniging zonder winstoogmerk " Montage - nationaal Fonds voor tewerkstelling en de opleiding van jongeren " met maatschappelijke zetel te 1040 Brussel, square Ch.-M. Wiser 19, bus 14, opgericht op 28 januari 1988, waarvan de statuten bekendgemaakt werden in de bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 7 maart 1988;
  7° een tegemoetkoming toe te kennen in de kosten voor de vorming van de werkgevers- en werknemersorganisaties;
  8° jaarlijks tewerkstellingsattesten afleveren aan de werklieden en werksters, tewerkgesteld in de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw.
  § 2. Het Fonds wordt belast met de praktische uitwerking en concretisering van specifieke opdrachten en bepalingen vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst van bovengenoemd Paritair Comité, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit.
Art.3. § 1er. Le Fonds a pour objet :
  1° de percevoir les cotisations nécessaires à son fonctionnement;
  2° d'allouer aux ouvriers et ouvrières occupés dans les entreprises ressortissant à la Commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique, et ce dans les conditions déterminées ci-après :
  a) une indemnité complémentaire aux allocations de chômage;
  b) une allocation complémentaire aux indemnités de l'assurance maladie-invalidité;
  c) éventuellement d'autres avantages sociaux, à déterminer par convention collective de travail de la susdite Commission paritaire, rendue obligatoire par arrêté royal;
  3° d'assurer la répartition de ces avantages;
  4° de payer une allocation spéciale compensatoire annuelle aux ouvriers et ouvrières visés par l'article 1er, membres d'une des organisations de travailleurs représentatives interprofessionnelles qui sont fédérées sur le plan national;
  5° de financer l'organisation d'actions de formation concrètes pour les travailleurs ou des travailleurs potentiels de l'industrie des fabrications métalliques dans le cadre et par l'intermédiaire de l'" Institut de Formation postscolaire de l'industrie des fabrications métalliques ", en abrégé " I.F.P.M. ", dont le siège social se trouve à Schaerbeek, Boulevard A. Reyers 80, constitué le 15 septembre 1969, dont les statuts ont été publiés à l'annexe au Moniteur belge du 6 novembre 1969;
  6° de financer l'organisation d'initiatives pour la formation et l'emploi en faveur de groupes à risque parmi les demandeurs d'emploi dans le cadre et par l'intermédiaire de l'Association sans but lucratif " Emploi et Formation de groupes à risque - ouvriers I.F.M.E. " dont le siège social se trouve à Schaerbeek, Boulevard A. Reyers 80, constituée le 3 janvier 1990, dont les statuts ont été publiés à l'annexe au Moniteur belge du 10 mai 1990 et de l'Association sans but lucratif " Montage - Fonds national pour l'emploi et la formation des jeunes " avec siège social à Bruxelles 1040, Square Ch.-M. Wiser 19, bte 14, constituée le 28 janvier 1988, dont les statuts ont été publiés à l'annexe au Moniteur belge du 7 mars 1988;
  7° d'attribuer une intervention dans les frais de formation des organisations d'employeurs et de travailleurs;
  8° de délivrer annuellement des attestations d'emploi aux ouvriers et ouvrières occupés dans les entreprises ressortissant à la Commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique.
  § 2. Le Fonds est chargé de l'exécution pratique et de la concrétisation des missions et dispositions spécifiques définies par les conventions collectives de travail, conclues au sein de la Commission paritaire susmentionnée, rendues obligatoires par arrêté royal.
Art.4. Het Fonds wordt voor onbepaalde duur opgericht.
Art.4. Le Fonds est créé pour une durée indéterminée.
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE II. - Champ d'application.
Art.5. § 1. Deze statuten, evenals de wijze van uitvoering, bepaald door het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw zijn toepasselijk op de werkgevers die door hun activiteit in België ressorteren onder het bovenvermeld Paritair Comité, evenals op de door hen in België tewerkgestelde werklieden, werksters en industriële leerlingen.
  § 2. De statuten zijn echter voor wat betreft het artikel 14, § 2, en de bepalingen onder Hoofdstuk V, A, B en C niet van toepassing op de ondernemingen en hun werklieden en werksters die bij de oprichting van het Fonds vrijgesteld waren van de betaling van de bijdragen voor bestaanszekerheid, bepaald in artikel 14, § 2, door het bestaan op ondernemingsvlak van een overeenkomst die gelijkwaardige voordelen toekent aan de werklieden en werksters en voor zover deze overeenkomst nog steeds van kracht blijft en door het College van de voorzitters van het Fonds als dusdanig erkend is.
  De statuten zijn evenmin van toepassing, voor wat betreft het artikel 14, § 2, en de bepalingen onder Hoofdstuk V, A, B en C, op de ondernemingen en hun werklieden en werksters, die ontstaan zijn na de oprichting van het Fonds als gevolg van een afsplitsing van de in vorige alinea bedoelde ondernemingen voor zover door een overeenkomst op ondernemingsvlak gelijkwaardige voordelen worden toegekend aan de werklieden en werksters en voor zolang deze overeenkomst van kracht blijft en door het College van de voorzitters van het Fonds als dusdanig erkend wordt.
Art.5. § 1er. Les présents statuts, de même que les modalités d'exécution prescrites par la Commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique sont applicables aux employeurs qui par leur activité en Belgique ressortissent à ladite Commission paritaire et aux ouvriers, ouvrières et apprentis industriels qu'ils occupent en Belgique.
  § 2. Les statuts ne sont pas applicables en ce qui concerne l'article 14, § 2, et les dispositions du Chapitre V, A, B et C aux entreprises et leurs ouvriers et ouvrières qui, au moment de la création du Fonds, étaient exonérées du paiement des cotisations de sécurité d'existence de l'article 14, § 2, par l'existence au niveau de l'entreprise d'une convention qui accorde les mêmes avantages aux ouvriers et ouvrières et pour autant que cette convention soit encore toujours en vigueur et reconnue comme telle par le Collège des présidents du Fonds.
  Les statuts ne sont pas non plus applicables en ce qui concerne l'article 14, § 2, et les dispositions du Chapitre V, A, B et C aux entreprises et leurs ouvriers et ouvrières qui ont été créées après l'institution du Fonds, suite à une scission des entreprises mentionnées à l'alinéa précédent pour autant que des avantages équivalents soient accordés par convention au niveau de l'entreprise aux ouvriers et ouvrières et pour aussi longtemps que cette convention reste en vigueur et est reconnue comme telle par le Collège des présidents du Fonds.
Art. 5bis. <INGEVOEGD bij CAO 1999-12-14/39, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2000> § 1. Deze statuten, evenals de wijze van uitvoering, bepaald door het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, zijn eveneens toepasselijk op de buiten België gevestigde werkgevers die door hun activiteit in België ressorteren onder het bovenvermeld Paritair Comité, evenals op hun werklieden en werksters, voor zover deze minstens 15 dagen door hen in België tewerkgesteld zijn.
  § 2. Elke werkgever die gevestigd is in een Staat die deel uitmaakt van de Europese economische Ruimte, dient vanaf 1 januari 2000 in België bij het Fonds voor bestaanszekerheid aangifte te doen van de duur van zijn voorgenomen activiteit door middel van een geldig E101 formulier, overeenkomstig het artikel 14bis, § 1, a, van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad en het artikel 11 van de Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad, of, indien het een werkgever betreft van een derde staat, door middel van een vergelijkbaar attest van zijn land van oorsprong.
  Vanaf een aangegeven activiteit van 12 maanden binnen een periode van 24 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag aangegeven activiteit in België, moet deze onderneming daarenboven aan het Fonds voor bestaanszekerheid een lijst overmaken van de door haar in België tewerkgestelde werklieden en werksters, alsook van de aan hen betaalde brutolonen, die in aanmerking komen voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen in hun land van oorsprong en die betrekking hebben op hun activiteit in België.
  Bij wijze van overgang wordt de activiteit van deze ondernemingen in België vanaf 1 januari 1998 tot 31 december 1999 meegerekend voor de bepaling van genoemde termijn van 12 maanden.
  Deze aangifteverplichting is geldig vanaf 1 januari 2000.
  § 3. Vanaf de eerste dag activiteit na de genoemde periode van 12 maanden, zijn de ondernemingen bedoeld in § 2, de in artikel 14, § 2 tot en met § 5 vermelde bijdragen verschuldigd.
  Deze bijdragen worden berekend op basis van de volgens § 2, aangegeven lonen.
  Indien echter aan het Fonds voor bestaanszekerheid aangetoond kan worden dat in het land van oorsprong de gedetacheerde arbeider van dezelfde bescherming geniet of van een bescherming geniet die essentieel vergelijkbaar is, als gevolg van de verplichtingen waaraan de buitenlandse werkgever in zijn land van oorsprong reeds onderworpen is, is deze werkgever vrijgesteld van de betaling van de bijdrage.
  Het College van voorzitters beoordeelt de aanvragen tot vrijstelling. In geval van betwisting is de Arbeidsrechtbank van Brussel bevoegd.
  § 4. Als een onderneming geen of geen geldige aangifte heeft gedaan zoals voorzien in § 2, is deze onderneming vanaf de eerste dag activiteit in België een door het Fonds voor bestaanszekerheid bepaalde en gepubliceerde forfaitaire bijdrage verschuldigd.
  Deze onderneming kan haar toestand regulariseren door alsnog te voldoen aan de aangifteplicht voorzien in § 2, binnen een termijn van 90 dagen na de datum van de bijdrage opvraging.
  § 5. Het Fonds voor bestaanszekerheid zal de buitenlandse werkgevers informeren over hun rechten en plichten ten aanzien van het Fonds voor bestaanszekerheid ten laatste nadat dezen hun aangifte bedoeld in § 2, hebben ingediend.
  § 6. Werklieden en werksters van buitenlandse ondernemingen bedoeld in § 2, genieten, op hun aanvraag, van de uitkeringen bepaald in deze statuten, voor zover :
  - zij op het ogenblik dat het recht geopend wordt in dienst zijn van een bijdrageplichtige onderneming;
  - de werkman of werkster gedurende minstens 15 kalenderdagen in België werd tewerkgesteld in deze onderneming, te rekenen vanaf het moment dat deze bijdrageplichtig is;
  - de werkman of werkster in zijn land van oorsprong recht heeft op de uitkeringen van een sociale zekerheidsregime waarop de uitkering van het Fonds voor bestaanszekerheid een aanvulling is.
  Het Fonds voor bestaanszekerheid bepaalt en publiceert welke documenten voorgelegd moeten worden om recht te hebben op een aanvullende uitkering.
  Werklieden en werksters vermeld in de door hun werkgever ingediende aangifte, bedoeld in § 2, 2de lid, worden door het Fonds voor bestaanszekerheid over hun rechten geïnformeerd.
Art. 5bis. § 1er. Les présents statuts, ainsi que leur mode d'exécution, tels que déterminés par la Commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique, s'appliquent également aux employeurs établis en dehors de la Belgique qui ressortissent à la Commission paritaire susmentionnée, en raison de leur activité en Belgique, ainsi qu'à leurs ouvriers et ouvrières, pour autant que ces employeurs les occupent pendant 15 jours au moins en Belgique.
  § 2. Chaque employeur établi dans un Etat, partie contractante de l'Espace économique européen est tenu de déclarer, à partir du 1er janvier 2000 en Belgique la durée de son activité envisagée au Fonds de sécurité d'existence, au moyen d'un formulaire E101 valide, conformément à l'article 14bis, § 1er, a, du Règlement (CEE) n° 1408/71 du Conseil et de l'article 11 du Règlement (CEE) n° 574/72 du Conseil, ou, lorsqu'il s'agit d'un ressortissant de pays-tiers, au moyen d'une attestation comparable de l'Etat d'origine.
  A partir d'une activité déclarée de 12 mois dans une période de 24 mois, à compter du premier jour d'activité déclarée en Belgique, cette entreprise doit en outre transmettre au Fonds de sécurité d'existence la liste des ouvriers et ouvrières qu'elle occupe en Belgique, ainsi que les rémunérations brutes qui leur ont été payées, qui entrent en ligne de compte pour le calcul des cotisations de sécurité sociale dans leur pays d'origine et qui se rapportent à leur activité en Belgique.
  A titre de mesure transitoire, l'activité de ces entreprises en Belgique est prise en considération du 1er janvier 1998 au 31 décembre 1999 pour déterminer le délai susvisé de 12 mois.
  Cette déclaration est obligatoire à partir du 1er janvier 2000.
  § 3. A partir du premier jour d'activité suivant la période de 12 mois susmentionnée, les entreprises visées au § 2, sont redevables des cotisations mentionnées à l'article 14, §§ 2 à 5.
  Ces cotisations se calculent sur la base des rémunérations déclarées, conformément au § 2.
  S'il peut toutefois être démontré au Fonds de sécurité d'existence que, dans le pays d'origine, l'ouvrier détaché jouit de la même protection ou d'une protection essentiellement comparable en vertu des obligations auxquelles l'employeur étranger est déjà soumis dans son Etat d'origine, ce dernier est dispensé du versement des cotisations.
  Le Collège des présidents se prononce sur les demandes de dispense. En cas de contestation, le Tribunal du travail de Bruxelles est compétent.
  § 4. Si une entreprise n'a pas introduit de déclaration ou de déclaration valide, telle que prévue au § 2, cette entreprise est redevable, à partir du premier jour d'activité en Belgique, d'une cotisation forfaitaire déterminée et publiée par le Fonds de sécurité d'existence.
  Cependant, cette entreprise peut régulariser sa situation en satisfaisant encore à l'obligation de déclaration prescrite au § 2, dans un délai de 90 jours suivant la date de la réclamation des cotisations.
  § 5. Le Fonds de sécurité d'existence informera les employeurs étrangers de leurs droits et devoirs à l'égard du Fonds de sécurité d'existence au plus tard après que ces derniers ont introduit la déclaration visée au § 2.
  § 6. Les ouvriers et ouvrières d'entreprises étrangères visées au § 2, bénéficient, à leur demande, des prestations prévues dans les présents statuts, pour autant :
  - qu'ils sont occupés par une entreprise qui est tenue de verser la cotisation, au moment que le droit est ouvert;
  - que l'ouvrier ou l'ouvrière ait été occupé(e) dans cette entreprise durant 15 jours civils au moins en Belgique, à compter du moment qu'elle est tenue de payer la cotisation;
  - que l'ouvrier ou l'ouvrière ait droit, dans son pays d'origine, aux prestations d'un régime de sécurité sociale pour lesquelles l'allocation du Fonds de sécurité d'existence constitue un complément.
  Le Fonds de sécurité d'existence détermine et publie quels documents doivent être produits pour avoir droit à une prestation complémentaire.
  Les ouvriers et ouvrières mentionnés dans la déclaration visée au § 2, alinéa 2, introduite par leur employeur, sont informés de leurs droits par le Fonds de sécurité d'existence.
HOOFDSTUK III. - Beheer.
CHAPITRE III. - Administration.
Art.6. Het Fonds wordt beheerd door een Raad van beheer, paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van de meest representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties.
  De Raad van beheer bestaat uit 30 leden, hetzij 15 vertegenwoordigers van de werknemers en 15 vertegenwoordigers van de werkgevers.
  Het mandaat van de leden van de Raad van beheer wordt niet vergoed.
  Het Paritair Comité benoemt en ontslaat de leden van de Raad van beheer; het kan het aantal in het tweede lid vastgestelde beheerders wijzigen.
Art.6. Le Fonds est administré par un Conseil d'administration composé paritairement de représentants des organisations les plus représentatives des travailleurs et des employeurs.
  Le Conseil d'administration est composé de 30 membres, soit 15 représentants des travailleurs et 15 représentants des employeurs.
  Le mandat des membres du Conseil d'administration est gratuit.
  La Commission paritaire désigne et révoque les membres du Conseil d'administration; elle peut modifier le nombre d'administrateurs fixé à l'alinéa 2.
Art.7. Elk jaar stelt de Raad van beheer in zijn schoot een voorzitter, een eerste ondervoorzitter en een tweede ondervoorzitter aan. Hij duidt eveneens de persoon of personen aan, belast met het secretariaat.
  Het voorzitterschap wordt beurtelings toevertrouwd aan een lid van de werkliedenvertegenwoordiging en aan een lid van de werkgeversvertegenwoordiging.
  Het eerste jaar wordt de categorie waartoe de voorzitter en de eerste ondervoorzitter behoren door loting vastgesteld.
  Bij afwezigheid van de voorzitter wordt de zitting van de Raad van beheer voorgezeten door de eerste ondervoorzitter en, bij ontstentenis van deze laatste, door de tweede ondervoorzitter. Bij gelijktijdige afwezigheid van de voorzitter en van de ondervoorzitters wordt de vergadering voorgezeten door de oudste in jaren.
Art.7. Chaque année, le Conseil d'administration nomme dans son sein un président, un premier vice-président et un second vice-président. Il désigne également la ou les personnes chargées du secrétariat.
  La présidence est confiée à tour de rôle à un membre de la représentation ouvrière et à un membre de la représentation patronale.
  Pour la première année, la catégorie à laquelle appartiennent le président et le premier vice-président est déterminée par tirage au sort.
  En cas d'absence du président, la séance du Conseil d'administration est présidée par le premier vice-président et, à défaut de celui-ci, par le second vice-président. En cas d'absence simultanée du président et des vice-présidents, la séance est présidée par le doyen d'âge.
Art.8. De leden van de Raad van beheer worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Hun mandaat is hernieuwbaar.
  Bij overlijden of ontslag van een beheerder, voorziet het Paritair Comité in zijn vervanging. Het nieuw aangeduid lid voleindigt het mandaat van zijn voorganger.
Art.8. Les membres du Conseil d'administration sont nommés pour un terme de six ans. Leur mandat est renouvelable.
  En cas de décès ou de démission d'un administrateur, la Commission paritaire pourvoit à son remplacement. Le nouveau membre désigné achève le mandat de son prédécesseur.
Art.9. De Raad van beheer wordt door de voorzitter bijeengeroepen.
  Deze is gehouden de Raad minstens éénmaal per jaar bijeen te roepen.
  Wanneer vijf beheerders dit vragen, roept de voorzitter de Raad in vergadering bijeen uiterlijk binnen tien dagen volgend op de ontvangst van het verzoek.
  De oproepingen vermelden de agenda.
  De Raad kan slechts geldig beslissen over de punten die op de agenda voorkomen en enkel wanneer er minstens de helft van de leden deel uitmakend van de werkliedenafvaardiging en minstens de helft van de leden van de werkgeversafvaardiging aanwezig is.
  De verslagen van de zittingen van de Raad worden in het notulenboek ingeschreven. Ze worden ondertekend door de voorzitter of zijn plaatsvervanger en door de secretaris.
  De leden van de Raad ontvangen uiterlijk voor de volgende zitting een afschrift van de beraadslagingen.
  De afschriften of uittreksels van de notulen die bij de rechtbank of elders moeten gedeponeerd worden zijn ondertekend door de voorzitter van de Raad van beheer en door twee beheerders waarvan één van de zijde van de werklieden, de andere van die van de werkgevers.
  Wanneer tot de stemming moet overgegaan worden, dient een gelijk aantal leden van elke afvaardiging aan de stemming deel te nemen. Is het getal ongelijk, dan onthoudt (onthouden) zich het jongste lid (de jongste leden).
  De beslissingen worden met een meerderheid van twee derden van de stemmers genomen.
  De beheerders kunnen echter niet deelnemen aan de beraadslagingen waarbij zij persoonlijk belang hebben. Hun onthouding wordt in de notulen vermeld.
Art.9. Le Conseil d'administration se réunit sur convocation du président.
  Celui-ci est tenu de réunir le Conseil au moins une fois par an.
  Lorsque cinq administrateurs le demandent, le président convoque le Conseil en séance au plus tard dans les dix jours qui suivent la réception de la demande.
  Les convocations portent l'ordre du jour.
  Le Conseil ne peut décider valablement que sur les questions figurant à l'ordre du jour et en présence d'au moins la moitié de membres appartenant à la délégation ouvrière et d'au moins la moitié des membres de la délégation patronale.
  Les comptes rendus des séances du Conseil sont consignés dans le registre des procès-verbaux. Ils sont signés par le président ou son remplacant et par le secrétaire.
  Les membres du Conseil reçoivent une copie des délibérations au plus tard pour la séance suivante.
  Les copies ou extraits des procès-verbaux qui doivent être déposés au tribunal ou ailleurs sont signés par le président du Conseil d'administration et par deux administrateurs dont un représentant les travailleurs, l'autre représentant les employeurs.
  Lorsqu'il y a lieu de procéder au vote, un nombre égal de membres de chaque délégation doit prendre part au vote. Si le nombre est inégal, le ou les membres les moins âgés s'abstiennent.
  Les décisions sont prises à la majorité des deux tiers des votants.
  Toutefois, les administrateurs ne peuvent pas prendre part aux délibérations dans lesquelles ils ont un intérêt personnel. Leur abstention est consignée aux procès-verbaux.
Art.10. De Raad van beheer heeft tot taak het Fonds te beheren en alle maatregelen te nemen die voor zijn goede werking zijn vereist.
  Hij beschikt over de meest uitgebreide bevoegdheid inzake het beheer en de administratie van het Fonds en de verwezenlijking van zijn doel.
  De Raad van beheer bepaalt in zijn jaarlijks budget de beheerskosten die van de inkomsten van het Fonds zullen afgetrokken worden.
  De Raad van beheer treedt op in rechten in naam van het Fonds op vervolging en ten verzoeke van de voorzitter en van de ondervoorzitters.
  Hij kan bijzondere bevoegdheden overdragen aan één of meer van zijn leden, en zelfs aan derden.
  De Raad van beheer richt in zijn schoot een College van voorzitters op dat is samengesteld uit de voorzitter, de eerste ondervoorzitter en de tweede ondervoorzitter van de Raad van beheer. Dit College van de voorzitters staat in voor het dagelijkse beheer van het Fonds en werkt volgens de beslissingen of richtlijnen van de Raad van beheer. Het College van de voorzitters kan derden met het dagelijks beheer van het Fonds belasten of zich erdoor laten bijstaan. Het College van de voorzitters kan zich eveneens laten bijstaan door deskundigen die voorafgaandelijk advies uitbrengen. Bij beslissing van het College van de voorzitters worden de werking, het aantal deskundigen en hun bevoegdheden vastgelegd.
Art.10. Le Conseil d'administration a pour mission de gérer le Fonds et de prendre toutes mesures nécessaires à son bon fonctionnement.
  Il dispose des pouvoirs les plus étendus pour la gestion et l'administration du Fonds et pour la réalisation de son objet.
  Le Conseil d'administration détermine dans son budget annuel les frais d'administration à imputer sur les recettes du Fonds.
  Le Conseil d'administration agit en justice au nom du Fonds à la poursuite et à la diligence du président et des vice-présidents.
  Il peut déléguer des compétences spéciales à un ou plusieurs de ses membres et même à des tiers.
  Le Conseil d'administration établit en son sein un Collège de présidents composé du président, du premier vice-président et du second vice-président du Conseil d'administration. Ce Collège des présidents assure la gestion courante du Fonds et fonctionne selon les décisions ou directives du Conseil d'administration. Le Collège des présidents peut charger des tiers de la gestion journalière du Fonds ou peut se faire assister par ceux-ci. Le Collège des présidents peut également se faire assister par des spécialistes qui donnent préalablement leur avis. Le fonctionnement, le nombre de spécialistes et leurs pouvoirs sont déterminés par décision du Collège des présidents.
Art.11. Voor al de andere handelingen dan deze waarvoor de Raad een speciale volmacht heeft verleend, zal het Fonds geldig tegenover derden vertegenwoordigd zijn door de gezamenlijke handtekeningen van drie beheerders (twee van de zijde van de werknemers één van de zijde van de werkgevers) zonder dat deze beheerders enigerlei beslissing of een bijzondere volmacht moeten overleggen.
Art.11. Pour tous les actes autres que ceux pour lesquels le Conseil a donné un pouvoir spécial, le Fonds sera valablement représenté à l'égard des tiers par les signatures conjointes de trois administrateurs (deux représentants des travailleurs, un représentant des employeurs) sans que ces administrateurs doivent produire une quelconque délibération ou une procuration particulière.
Art.12. De beheerders zijn alleen verantwoordelijk wat de uitvoering van hun mandaat betreft en persoonlijk gaan ze, omwille van hun beheer, geen enkele verbintenis aan ten opzichte van de verplichtingen van het Fonds.
Art.12. Les administrateurs ne sont responsables que de l'exécution de leur mandat et ils ne prennent aucun engagement personnel, à cause de leur gestion, à l'égard des obligations du Fonds.
HOOFDSTUK IV. - Financiering.
CHAPITRE IV. - Financement.
Art.13. Het Fonds wordt gespijsd door de bijdragen verschuldigd door de werkgevers, bedoeld bij artikel 5 en artikel 5bis, evenals door de interesten uit de belegde fondsen.
Art.13. Le Fonds est alimenté par les cotisations dues par les employeurs visés à l'article 5 et l'article 5bis, ainsi que par les intérêts des fonds investis.
Art.14. § 1. Tenzij anders vermeld worden de bijdragen berekend op de brutobezoldigingen van de bij artikel 5 en artikel 5bis, bedoelde werklieden en werksters en de brutovergoedingen van de bij artikel 5, bedoelde industriële leerlingen, die in België tewerkgesteld zijn. De brutobezoldiging en de brutovergoeding worden bepaald volgens de van toepassing zijnde bepalingen voor het opstellen van de aangifteformulieren bestemd voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
  § 2. Bijdragen voor bestaanszekerheid.
  Vanaf 1 januari 1975 wordt een bijdrage van onbepaalde duur geheven van 0,60 pct..
  Deze bijdrage wordt vanaf 1 juli 1981 verhoogd met een bijdrage van onbepaalde duur van 0,20 pct.. Deze verhoging kan door elk van de partijen, die in het Paritair Comité vertegenwoordigd zijn, worden opgezegd mits een opzegging van één maand. Deze opzegging wordt door de partij, die het initiatief ertoe neemt, bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de andere organisaties en verstrijkt op het einde van de maand volgend op deze van de verzending van de aangetekende brief. De partijen verbinden zich ertoe het bedrag van de bijdrage te herzien zodra de wiskundige reserves van het Fonds weer op peil zijn.
  Met ingang van 1 januari 1988 wordt een speciale bijdrage van onbepaalde duur geheven van 0,10 pct.. Deze bijdrage is bestemd voor de financiering van de verhoogde tegemoetkoming van het Fonds vanaf 1 januari 1987 bij werkloosheid en in geval van ziekte.
  Met ingang van 1 april 2000 wordt, ter uitvoering van het nationaal akkoord 1999-2000 voor de arbeiders van de metaal-, machine- en elektrische bouw van 19 april 1999, de bijdrage voor bestaanszekerheid voor onbepaalde duur verhoogd met 1 pct..
  Deze bijdrage is bestemd voor de financiering van een sectoraal stelsel ter aanvulling van de wettelijke pensioenregeling.
  Kunnen vrijgesteld worden van de betaling van deze bijkomende bijdrage van 1 pct., de ondernemingen die uiterlijk op 31 december 1999 op ondernemingsvlak een collectieve arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur tot instelling of uitbreiding van aanvulling van de wettelijke pensioenregeling hebben gesloten, voor zover deze collectieve arbeidsovereenkomst en het reglement die deze aanvulling op de wettelijke pensioenregeling regelt, werden goedgekeurd door het Fonds voor bestaanszekerheid.
  Bovengenoemde op ondernemingsvlak gesloten collectieve arbeidsovereenkomst en reglement moeten minstens aan volgende criteria voldoen :
  - de financiering door de werkgever moet equivalent zijn aan de genoemde bijdrage van 1 pct. aan het Fonds voor bestaanszekerheid;
  - de rechthebbenden zijn alle arbeiders en arbeidsters, tewerkgesteld in de onderneming met een contract van onbepaalde duur;
  - er moet een aanvulling op het wettelijk pensioen worden gegarandeerd.
  Kunnen eveneens vrijgesteld worden van de betaling van deze bijkomende bijdrage van 1 pct., de ondernemingen die gedekt zijn door een eigen koopkrachtakkoord voor de jaren 1999 en 2000, gesloten vóór 22 maart 1999 en als dusdanig aanvaard door het Fonds voor bestaanszekerheid. Nochtans kunnen deze ondernemingen na 1 januari 2001 nog toetreden tot het sectoraal stelsel ter aanvulling van de wettelijke pensioenregeling door middel van een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op ondernemingsvlak.
  De in artikel 5bis, bedoelde werkgevers kunnen vrijgesteld worden van deze bijdrage indien aangetoond kan worden dat in het land van oorsprong de gedetacheerde arbeider van dezelfde bescherming geniet of van een bescherming geniet die essentieel vergelijkbaar is, als gevolg van de verplichtingen waaraan de buitenlandse werkgever in zijn land van oorsprong reeds onderworpen is.
  Voor de periode van 1 januari 1987 tot 31 december 2000 wordt een bijkomende bijdrage van bepaalde duur geheven van 0,30 pct.. Deze bijdrageverhoging dient ter financiering van de vervroegde tegemoetkoming in de last van het brugpensioen vanaf 57 jaar voor de werklieden waarvan het brugpensioen ingaat tijdens de periode van 1 januari 1987 tot 30 juni 2001. (NOTA : krachtens CAO 2000-12-18/58, art. 3, worden de bepalingen van bepaalde duur tot 31 december 2000 van onderhavige statuten tot 31 maart 2001 verlengd.)
  De werkgevers die tussen 1 juli 1997 en 31 december 2000 werklieden of werksters ontslaan, die op het moment van de betekening van het ontslag minstens 50 jaar oud zijn, zijn per ontslagen werkman of werkster een forfaitaire eenmalige bijdrage verschuldigd aan het Fonds voor bestaanszekerheid. (NOTA : krachtens CAO 2000-12-18/58, art. 3, worden de bepalingen van bepaalde duur tot 31 december 2000 van onderhavige statuten tot 31 maart 2001 verlengd.)
  Deze eenmalige forfaitaire bijdrage bedraagt 24 500 F, 21 000 F, 17 500 F, 14 000 F, 10 500 F, 7 000 F of 3 500 F indien op het moment van de betekening van het ontslag de werkman of werkvrouw respectievelijk 50 jaar, 51 jaar, 52 jaar, 53 jaar, 54 jaar, 55 jaar of 56 jaar is.
  De werkgevers die oudere werknemers op brugpensioen stellen zijn het totaal van de bijdragen voor bestaanszekerheid verschuldigd vanaf de leeftijd dat de werknemer op brugpensioen gesteld wordt tot aan de leeftijd van 60 jaar voor de werklieden (57 jaar voor de werklieden van wie de werkloosheid begon tussen 1 januari 1985 en 30 juni 2001) en van 55 jaar voor de werksters. Deze bijdragen worden berekend op de laatste brutobezoldiging die door de in artikel 19ter, §§ 2, 3, 4, 5 en 7 bedoelde werklieden en werksters werd verdiend.
  Deze brutobezoldiging zal jaarlijks worden aangepast met een coëfficiënt die rekening houdt met de evolutie van de regelingslonen overeenkomstig de procedure voorzien in de artikelen 6 en 8 van de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op 19 december 1974 in de nationale Arbeidsraad, tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen.
  Voor de periode van 1 januari 1991 tot 31 december 2000 wordt een bijkomende bijdrage van bepaalde duur geïnd van 0,13 pct.. Deze bijdrageverhoging dient ter financiering van de tegemoetkoming, vanaf de leeftijd van 57 jaar voor de mannen en 55 jaar voor de vrouwen, in de door de werkgevers verschuldigde capitatieve bijdragen aan de Rijksdienst voor Pensioenen en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, voor de werknemers waarvan het brugpensioen ingaat tijdens de periode van 1 januari 1991 tot 30 juni 2001.
  § 3. Bijzondere jaarlijkse compensatietoeslag.
  Met ingang van 1 juli 1983 tot 31 december 2000 wordt een bijdrage van bepaalde duur geheven van 0,60 pct.. (NOTA : krachtens CAO 2000-12-18/58, art. 3, worden de bepalingen van bepaalde duur tot 31 december 2000 van onderhavige statuten tot 31 maart 2001 verlengd.)
  Vanaf 1 januari 1989 wordt een bijkomende bijdrage van onbepaalde duur geheven van 0,15 pct..
  Met ingang van 1 april 1998 tot 31 december 2000 wordt een bijkomende bijdrage van bepaalde duur gegeven van 0,10 pct.. (NOTA : krachtens CAO 2000-12-18/58, art. 3, worden de bepalingen van bepaalde duur tot 31 december 2000 van onderhavige statuten tot 31 maart 2001 verlengd.)
  Deze bijdrage is bestemd voor de betaling van de in artikel 3, 4°, van de statuten bedoelde bijzondere compensatietoeslag.
  § 4. Vorming van de werkgevers- en werknemersorganisaties.
  Vanaf 1 januari 1989 wordt een bijzondere bijdrage van onbepaalde duur van 0,10 pct. geheven.
  Deze bijdrage is bestemd voor de financiering van de kosten voor de vorming van de werkgevers- en werknemersorganisaties.
  § 5. Opleiding en tewerkstelling.
  Met ingang van 1 juli 1983 wordt een speciale bijdrage van onbepaalde duur geheven van 0,10 pct..
  Deze bijdrage is bestemd voor de beroepsopleiding in het raam van het " I.N.O.M. " zoals bepaald in artikel 3, 5°.
  Voor de periode van 1 januari 1999 tot 31 december 2000 wordt een bijkomende bijdrage geheven van 0,10 pct. ter bevordering van initiatieven voor de opleiding en tewerkstelling van de risicogroepen onder de werkzoekenden, zoals bepaald in artikel 3, 6°. (NOTA : krachtens CAO 2000-12-18/58, art. 3, worden de bepalingen van bepaalde duur tot 31 december 2000 van onderhavige statuten tot 31 maart 2001 verlengd.)
Art.14. § 1er. Sauf mention contraire, les cotisations sont calculées sur les rémunérations brutes des ouvriers et ouvrières visés à l'article 5 et l'article 5bis, et les indemnités brutes des apprentis industriels visés à l'article 5, qui sont occupés en Belgique. La rémunération brute et l'indemnité brute sont déterminées, conformément aux dispositions en vigueur, pour l'établissement des formulaires de déclarations destinées à l'Office national de Sécurité sociale.
  § 2. Cotisations pour la sécurité d'existence.
  A partir du 1er janvier 1975, une cotisation de 0,60 p.c. à durée déterminée est percue.
  A partir du 1er juillet 1981, cette cotisation est majorée d'une cotisation à durée déterminée de 0,20 p.c.. Cette majoration peut être rapportée, à l'initiative de chacune des parties représentées au sein de la Commission paritaire, moyennant un préavis d'un mois. Ce préavis est adressé par la partie qui a pris l'initiative, aux autres organisations, par lettre recommandée à la poste et expire à la fin du mois suivant celui de l'envoi de la lettre recommandée. Les parties s'engagent à revoir le taux de la cotisation quand les réserves mathématiques du Fonds auront été reconstituées.
  A partir du 1er janvier 1988, il est percu une cotisation spéciale à durée indéterminée de 0,10 p.c.. Cette cotisation est affectée au financement de l'intervention augmentée du Fonds à partir du 1er janvier 1987 en matière de chômage et en cas de maladie.
  A compter du 1er avril 2000, en application de l'accord national 1999-2000 du 19 avril 1999 pour les ouvriers des constructions métallique, mécanique et électrique, la cotisation de sécurité d'existence est majorée de 1 p.c. pour une durée indéterminée.
  Cette cotisation est destinée au financement d'un système sectoriel de complément au régime légal de pension.
  Peuvent être exemptées du paiement de cette cotisation complémentaire de 1 p.c. les entreprises qui ont conclu le 31 décembre 1999 au plus tard une convention collective de travail de durée indéterminée instaurant ou élargissant un complément au régime légal de pension, pour autant que cette convention collective de travail et le règlement qui règle ce complément au régime légal de pension, aient été approuvés par le Fonds de sécurité d'existence.
  La convention collective conclue au niveau de l'entreprise et le règlement susmentionnés doivent satisfaire au moins aux critères suivants :
  - le financement par l'employeur doit être équivalent à la cotisation susmentionnée de 1 p.c. au Fonds de sécurité d'existence;
  - les ayants-droit sont tous les ouvriers et ouvrières employés par l'entreprise sous contrat à durée indéterminée;
  - un complément à la pension légale doit être garanti.
  Peuvent également être exemptées du paiement de cette cotisation de 1 p.c. les entreprises qui sont couvertes par un propre accord sur le pouvoir d'achat pour les années 1999 et 2000, conclu avant le 22 mars 1999 et accepté en tant que tel par le Fonds de sécurité d'existence. Toutefois, ces entreprises peuvent encore adhérer après le 1er janvier 2001 au système sectoriel de complément au régime légal de pension, en concluant une convention collective de travail au niveau de l'entreprise.
  Les employeurs mentionnés à l'article 5bis, peuvent être exemptés de cette cotisation pour autant qu'ils puissent démontrer au Fonds de sécurité d'existence que, dans le pays d'origine, l'ouvrier détaché jouit de la même protection ou d'une protection essentiellement comparable en vertu des obligations auxquelles l'employeur étranger est déjà soumis dans son Etat d'origine.
  Pour la période du 1er janvier 1987 au 31 décembre 2000, une cotisation supplémentaire à durée déterminée de 0,30 p.c. est percue. Cette majoration est affectée au financement de l'intervention anticipée du Fonds dans la charge de la prépension à partir de 57 ans pour les ouvriers dont la prépension débute entre le 1er janvier 1987 et le 30 juin 2001. (NOTE : en vertu de la CCT 2000-12-18/58, art. 3, les dispositions de durée déterminée jusqu'au 31 décembre 2000 des présents statuts sont prolongées jusqu'au 31 mars 2001.)
  Les employeurs qui licencient, entre le 1er juillet 1997 et le 31 décembre 2000, des ouvriers ou des ouvrières âgés d'au moins 50 ans au moment de la notification du licenciement sont tenus de verser une cotisation forfaitaire unique par ouvrier ou ouvrière licencié(e) au Fonds de sécurité d'existence. (NOTE : en vertu de la CCT 2000-12-18/58, art. 3, les dispositions de durée déterminée jusqu'au 31 décembre 2000 des présents statuts sont prolongées jusqu'au 31 mars 2001.)
  Cette cotisation forfaitaire unique s'élève à 24 500 F, 21 000 F, 17 500 F, 14 000 F, 10 500 F, 7 000 F ou 3 500 F si, au moment de la notification du licenciement, l'ouvrier ou l'ouvrière a respectivement 50 ans, 51 ans, 52 ans, 53 ans, 54 ans, 55 ans ou 56 ans.
  Les employeurs qui mettent des travailleurs âgés en prépension sont redevables de la totalité des cotisations de sécurité d'existence dès la mise en prépension du travailleur jusqu'à l'âge de 60 ans pour les ouvriers (57 ans pour les ouvriers dont le chômage a débuté entre le 1er janvier 1985 et le 30 juin 2001) de 55 ans pour les ouvrières. Ces cotisations sont calculées sur la dernière rémunération brute gagnée par les ouvriers et ouvrières visés à l'article 19ter, §§ 2, 3, 4, 5 et 7.
  Cette rémunération brute sera adaptée annuellement par un coefficient tenant compte de l'évolution conventionnelle des salaires suivant la procédure prévue aux articles 6 et 8 de la convention collective de travail, conclue le 19 décembre 1974 au sein du Conseil national du Travail, instituant un régime d'indemnité complémentaire pour certains travailleurs âgés en cas de licenciement.
  Pour la période du 1er janvier 1991 jusqu'au 31 décembre 1998, une cotisation supplémentaire de 0,13 p.c. de durée déterminée est percue en vue de financer l'intervention, à partir de l'âge de 57 ans pour les hommes et de 55 ans pour les femmes, dans les cotisations capitatives dues par l'employeur à l'Office national des Pensions et à l'Office national de Sécurité sociale, pour les travailleurs dont la prépension prend cours dans la période du 1er janvier 1991 au 30 juin 2001.
  § 3. Allocation spéciale compensatoire annuelle.
  A partir du 1er juillet 1983 jusqu'au 31 décembre 2000, il est percu une cotisation à durée déterminée de 0,60 p.c.. (NOTE : en vertu de la CCT 2000-12-18/58, art. 3, les dispositions de durée déterminée jusqu'au 31 décembre 2000 des présents statuts sont prolongées jusqu'au 31 mars 2001.)
  A partir du 1er janvier 1989, une cotisation supplémentaire à durée indéterminée de 0,15 p.c. est percue.
  A partir du 1er avril 1998 jusqu'au 31 décembre 2000 il est percu une cotisation supplémentaire à durée déterminée de 0,10 p.c.. (NOTE : en vertu de la CCT 2000-12-18/58, art. 3, les dispositions de durée déterminée jusqu'au 31 décembre 2000 des présents statuts sont prolongées jusqu'au 31 mars 2001.)
  Cette cotisation est destinée au paiement de l'allocation spéciale compensatoire visée à l'article 3, 4°, des statuts.
  § 4. Formation des organisations d'employeurs et de travailleurs.
  A partir du 1er janvier 1989, il est percu une cotisation spéciale à durée indéterminée de 0,10 p.c..
  Cette cotisation est destinée au financement des frais pour la formation des organisations d'employeurs et de travailleurs.
  § 5. Emploi et formation.
  A partir du 1er juillet 1983 il est percu une cotisation spéciale à durée indéterminée de 0,10 p.c..
  Cette cotisation est affectée à la formation professionnelle dans le cadre de l' "I.F.P.M." défini à l'article 3, 5°.
  Pour la période du 1er janvier 1999 au 31 décembre 2000, une cotisation supplémentaire de 0,10 p.c. est percue pour favoriser les initiatives pour la formation et l'emploi des groupes à risque parmi les demandeurs d'emploi comme stipulé à l'article 3, 6°. (NOTE : en vertu de la CCT 2000-12-18/58, art. 3, les dispositions de durée déterminée jusqu'au 31 décembre 2000 des présents statuts sont prolongées jusqu'au 31 mars 2001.)
Art.15. Het Fonds neemt de inning van de bijdragen op zich alsmede deze van de bijdragetoeslag en van de nalatigheidsinteresten voorzien in artikel 17.
  De bijdragen zijn elk kwartaal door de bijdrageplichtige werkgevers verschuldigd; de voor een kwartaal vervallen bedragen moeten betaald worden door storting of overschrijving op de door het Fonds geopende financiële rekening.
  De bedragen moeten op het credit van deze rekening ingeschreven zijn uiterlijk de laatste dag van de maand die volgt op het kwartaal.
  Voor de ondernemingen bedoeld onder artikel 5, § 2, wordt de inning van de bijdragen bepaald in artikel 14, §§ 3, 4 en 5, eerste lid, vanaf 1 januari 1990 verzekerd door de werkgeversorganisatie waarvan zij lid zijn. Een jaarlijkse afrekening van de aldus geïnde bijdragen zal door de betrokken werkgeversorganisatie aan het College van de voorzitters voorgelegd worden.
Art.15. Le Fonds assure la perception de la cotisation, ainsi que de la majoration de cotisation et des intérêts de retard prévus à l'article 17.
  Les cotisations sont dues chaque trimestre par les employeurs assujettis; les montants échus pour un trimestre doivent être payés par versement ou virement au compte financier ouvert par le Fonds.
  Les montants doivent être inscrits au crédit de ce compte au plus tard le dernier jour du mois qui suit ce trimestre.
  Pour les entreprises visées à l'article 5, § 2, la perception des cotisations dont question dans l'article 14, §§ 3, 4 et 5, premier alinéa, est assurée à partir du 1er janvier 1990 par les organisations patronales dont elles sont membres. Un décompte des cotisations ainsi percues sera présenté annuellement par l'organisation patronale au Collège des présidents.
Art.16. Het Fonds kan eisen dat de werkgever, binnen dezelfde termijn als voorzien in artikel 15, om de drie maanden aan het Fonds een verklaring stuurt waarbij hij de verschuldigde bedragen rechtvaardigt en waarvoor hij de formulieren gebruikt die hem door het Fonds ter beschikking worden gesteld.
Art.16. Le Fonds a le pouvoir d'exiger que l'employeur, dans le même délai que celui prévu à l'article 15, adresse trimestriellement au Fonds une déclaration justifiant les montants dus et rédigée sur les formulaires mis à sa disposition par le Fonds.
Art.17. Behoudens gevallen van terdege gerechtvaardigde overmacht, geeft de wanbetaling van de bijdragen binnen de in artikel 15, derde lid, voorziene termijn aanleiding tot het belasten van de werkgever met een verhoging van 10 pct. van het bedrag ervan. Bijdragen die niet betaald zijn de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal waarvoor zij verschuldigd zijn, geven bovendien aanleiding tot de tenlastelegging van een nalatigheidsinterest aan dezelfde voet als de wettelijke rentevoet vanaf het verstrijken van bedoelde maand tot de dag van de betaling ervan.
  Het College van de voorzitters is gemachtigd een huishoudelijk reglement op te stellen, ertoe strekkend in uitzonderlijke omstandigheden het bedrag van de bijdragetoeslag en van de nalatigheidsinteresten te verminderen.
  Het feit niet in het bezit te zijn van het gebeurlijk formulier voorzien in artikel 16 vormt voor de werkgever geen geval van overmacht noch een uitzonderlijke omstandigheid die de niet-betaling of de vertraagde betaling van de in artikel 14 voorziene bijdrage wettigt.
Art.17. Sauf cas de force majeure dûment justifié, le défaut de paiement des cotisations dans le délai prévu à l'article 15, alinéa 3, donne lieu à débitions à l'employeur d'une majoration de 10 p.c. de leur montant. Les cotisations non payées le dernier jour du mois qui suit le trimestre pour lequel elles sont dues donnent en outre, lieu à débitions d'un intérêt de retard au même taux que celui de l'intérêt légal à partir de l'expiration dudit mois jusqu'au jour de leur paiement.
  Le Collège des présidents est autorisé à instaurer un règlement d'ordre intérieur, tendant dans des circonstances exceptionnelles à diminuer le montant de la majoration de cotisation et des intérêts de retard.
  Le fait de n'être pas en possession du formulaire éventuel prévu à l'article 16 ne constitue pas pour l'employeur un cas de force majeure ou une circonstance exceptionnelle justifiant le non-paiement ou le paiement avec retard de la cotisation prévue à l'article 14.
Art.18. Onverminderd de toepassing van artikel 14 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de fondsen voor bestaanszekerheid, gewijzigd bij artikel 10, 3°, van het koninklijk besluit van 1 maart 1971, kan het bedrag van de bijdragen slechts gewijzigd worden bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in het Paritair Comité, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit.
Art.18. Sans préjudice de l'application de l'article 14 de la loi du 7 janvier 1958 concernant les fonds de sécurité d'existence, modifié par l'article 10, 3°, de l'arrêté royal du 1er mars 1971, le montant des cotisations ne peut être modifié que par convention collective de travail, conclue au sein de la Commission paritaire, rendue obligatoire par arrêté royal.
HOOFDSTUK V. - Rechthebbenden en bijslagen.
CHAPITRE V. - Bénéficiaires et allocations.
A. Werkloosheidsuitkeringen.
A. Indemnités de chômage.
A.A. Tijdelijke werkloosheid.
A.A. Chômage temporaire.
Art.19. § 1. De in artikel 5, § 1, en artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden en werksters, tewerkgesteld zowel in voltijdse als deeltijdse dienstbetrekking, hebben recht op de vergoeding vastgesteld in artikel 20, voor de werkloosheid ingevolge de toepassing van de volgende artikelen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten :
  - 26, eerste lid, (geval van overmacht met uitzondering van de door staking veroorzaakte werkloosheidsdagen, waarvan de vergoedingsvoorwaarden in § 2 nader worden bepaald),
  - 28, 1°, (werkloosheid in geval van sluiting van de onderneming tijdens de jaarlijkse vakantie),
  - 48, (schorsing van de overeenkomst ten gevolge van technische stoornis),
  - 50, (slecht weder in de mate waarin dit het werk onmogelijk maakt, op voorwaarde dat de werknemer gewaarschuwd werd dat hij zich niet op het werk moet aanbieden),
  - 51, (tijdelijke werkloosheid),
  indien deze werklieden of werksters aan volgende voorwaarden voldoen :
  1. op het ogenblik van de werkloosheid in dienst zijn van een in artikel 5, § 1, of artikel 5bis bedoelde werkgever;
  2. op het ogenblik van de werkloosheid een anciënniteit van vijftien dagen hebben in de onderneming;
  3. gerechtigd zijn op de werkloosheidsuitkeringen bij toepassing van de wetgeving op de werkloosheidsverzekering.
  Het aantal vergoedingen waarop zij recht hebben is gelijk aan het aantal uitkeringen die toegekend worden door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
  § 2. De werkloosheid ingevolge een staking wordt vergoed, zoals bepaald in het laatste lid van § 1, onder volgende voorwaarden :
  a) de werkloosheid ingevolge een gedeeltelijke staking in de onderneming, wordt vergoed op voorwaarde dat de eis waarvan de verwerping ten grondslag ligt aan de staking geen schending van de collectieve arbeidsovereenkomst vormt en dat de van kracht zijnde verzoeningsprocedure nageleefd werd;
  b) de werkloosheid ingevolge een staking buiten de onderneming wordt slechts vergoed volgens een beslissing van het College van de voorzitters.
  § 3. Onverminderd de bevoegdheid van de eigenlijke rechtsmachten, oordeelt het College van de voorzitters in de twijfelachtige gevallen of de voor de vergoeding van de werkloosheid bepaalde voorwaarden verenigd zijn, wanneer de werkloosheid het gevolg is van een geval van overmacht, bedoeld in het eerste lid van artikel 26 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of van een gedeeltelijke staking in de onderneming.
  § 4. Indien werklieden en werksters, bedoeld in artikel 5bis, § 6, en grensarbeiders van in België gevestigde ondernemingen, niet voldoen aan voorwaarde 3 vermeld in artikel 19, § 1, dan wordt een gelijkwaardige forfaitaire vergoeding toegekend volgens de modaliteiten en de voorwaarden vastgesteld door het College van de voorzitters, voor zover de tijdelijke werkloosheid zich voordoet tijdens de prestaties in België.
Art.19. § 1er. Les ouvriers et ouvrières visés à l'article 5, § 1er et l'article 5bis, § 6, travaillant tant à temps plein qu'à temps partiel, ont droit à l'indemnité prévue à l'article 20, pour le chômage consécutif à l'application à leur égard des articles suivants de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail :
  - 26, alinéa 1er, (cas de force majeure à l'exception des journées chômées consécutives à une grève dont les conditions d'indemnisation sont précisées dans le § 2),
  - 28, 1°, (chômage en cas de fermeture d'entreprise pendant les vacances annuelles),
  - 48, (suspension du contrat pour accidents techniques),
  - 50, (intempéries empêchant le travail, à condition que le travailleur soit averti de n'avoir pas à se présenter au travail),
  - 51, (chômage temporaire),
  si ces ouvriers ou ouvrières remplissent les conditions suivantes :
  1. au moment de la mise en chômage, être au service d'un employeur visé à l'article 5, § 1er ou l'article 5bis;
  2. au moment de la mise en chômage, avoir quinze jours d'ancienneté dans l'entreprise;
  3. bénéficier des allocations de chômage en application de la législation sur l'assurance chômage.
  Le nombre d'indemnités auxquelles ils ont droit est égal au nombre d'allocations allouées par l'Office national de l'Emploi.
  § 2. Le chômage qui est la conséquence d'une grève est indemnisé comme déterminé au dernier alinéa du § 1er, aux conditions suivantes :
  a) le chômage consécutif à une grève partielle dans l'entreprise est indemnisé à la condition que la revendication dont le rejet est à l'origine de la grève ne constitue pas une violation d'une convention collective de travail et que la procédure de conciliation en vigueur ait été respectée;
  b) le chômage qui résulte d'une grève à l'extérieur de l'entreprise n'est indemnisé que sur la décision du Collège des présidents.
  § 3. Sans préjudice de la compétence des juridictions contentieuses, le Collège des présidents apprécie dans les cas douteux si les conditions prévues pour l'indemnisation des jours de chômage sont réunies lorsque la mise en chômage résulte d'un cas de force majeure visé à l'alinéa premier de l'article 26 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ou d'une grève partielle dans l'entreprise.
  § 4. Lorsque les travailleurs et travailleuses visés à l'article 5bis, § 6, et les travailleurs frontaliers des entreprises établies en Belgique, ne satisfont pas à la condition 3 mentionnée à l'article 19, § 1er, une indemnité forfaitaire équivalente est accordée suivant les modalités et conditions fixées par le Collège des présidents, pour autant que le chômage temporaire se produise dans le cadre de prestations effectuées en Belgique.
A.B. Volledige werkloosheid.
A.B. Chômage complet.
Art. 19bis. § 1. De in artikel 5, § 1 en in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden van minder dan 60 jaar en werksters van minder dan 55 jaar, tewerkgesteld in een voltijdse dienstbetrekking, die aan de voorwaarden voldoen, gesteld in artikel 19, § 1, en dus niet gerechtigd zijn op de vergoedingen voorzien in artikel 19ter, hebben recht op de vergoeding vastgesteld in artikel 20, en dit voor een maximum van honderd tachtig dagen per ononderbroken werkloosheidsperiode (tweehonderd zestig voor werklieden en werksters van 45 jaar en ouder), voor elke werkloosheidsdag die onmiddellijk volgt :
  - op het einde van hun arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk op voorwaarde dat die langer is dan drie maanden, maar met uitsluiting van een stageovereenkomst;
  - voor de periode van 1 januari 1989 tot 31 december 2000 wordt echter ook het einde van een stage overeenkomst in aanmerking genomen, voor zover deze een duur heeft van niet minder dan drie maanden; (NOTA : krachtens CAO 2000-12-18/58, art. 3, worden de bepalingen van bepaalde duur tot 31 december 2000 van onderhavige statuten tot 31 maart 2001 verlengd.)
  - op hun ontslag om economische redenen.
  § 2. De in artikel 5, § 1, en in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden van minder dan 60 jaar en werksters van minder dan 55 jaar, tewerkgesteld in een deeltijdse dienstbetrekking, en die zich bevinden in de situatie zoals beschreven in § 1, hebben recht op de vergoeding vastgesteld in artikel 20, en dit voor een maximum van honderd tachtig halve dagen per ononderbroken werkloosheidsperiode (tweehonderd zestig voor werklieden en werksters van 45 jaar en ouder), voor elke halve werkloosheidsdag indien ze voldoen aan de eerste en tweede voorwaarde gesteld in artikel 19, § 1, en daarenboven gerechtigd zijn op de werkloosheidsuitkeringen voor een halve dag bij toepassing van de wetgeving op de werkloosheidsverzekering.
  § 3. 1° Voor de werklieden en werksters bedoeld in de §§ 1 en 2, van minder dan 35 jaar oud van wie de eerste werkloosheidsdag zich situeert na 1 april 1999 wordt de genoemde vergoedingsperiode van 180 dagen gebracht naar 120 dagen.
  2° Voor de werklieden en werksters bedoeld in de §§ 1 en 2, van 35 tot en met 44 jaar oud van wie de eerste werkloosheidsdag zich situeert na 1 april 1999 wordt de genoemde vergoedingsperiode van 180 dagen gebracht naar 210 dagen.
  3° Voor de werklieden en werksters bedoeld in de §§ 1 en 2, van 45 jaar en ouder van wie de eerste werkloosheidsdag zich situeert na 1 april 1999 wordt de genoemde vergoedingsperiode van 260 dagen gebracht naar 300 dagen.
  § 4. De in artikel 5, § 1, en in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden van ten minste 60 jaar en werksters van ten minste 55 jaar die voldoen aan de voorwaarden voorzien in § 1 of 2, hebben, na uitputting van het krediet voorzien bij artikel 19bis, § 3, 2°, recht op de vergoeding vastgesteld in artikel 20bis.
  § 5. De werklieden die zonder op brugpensioen gesteld te zijn ontslagen worden en op de eerste dag van de werkloosheid minstens 57 jaar oud zijn, hebben voor zover hun eerste werkloosheidsdag zich situeert in de periode van 1 januari 1989 tot 31 december 2000 en na uitputting van het krediet voorzien bij artikel 19bis, § 3, 2°, recht op de vergoeding bepaald in artikel 20bis tot hun pensioenleeftijd. (NOTA : krachtens CAO 2000-12-18/58, art. 3, worden de bepalingen van bepaalde duur tot 31 december 2000 van onderhavige statuten tot 31 maart 2001 verlengd.)
  § 6. De werklieden en werksters die zonder op brugpensioen gesteld te zijn, tussen 1 januari 1997 en 31 december 2000 ontslagen worden en op moment van de betekening van het ontslag minstens 50 jaar oud zijn, hebben na uitputting van het krediet voorzien bij artikel 19bis, § 3, 2°, recht op de vergoeding bepaald in artikel 20bis vanaf de leeftijd van 57 jaar, voor zover zij op dat ogenblik volledig werkloos zijn en geen aanspraak kunnen maken op een brugpensioenregeling, en dit tot hun pensioenleeftijd. (NOTA : krachtens CAO 2000-12-18/58, art. 3, worden de bepalingen van bepaalde duur tot 31 december 2000 van onderhavige statuten tot 31 maart 2001 verlengd.)
  § 7. Indien werklieden en werksters, bedoeld in artikel 5bis, § 6, en de grensarbeiders van in België gevestigde ondernemingen, niet voldoen aan voorwaarde 3 vermeld in artikel 19, § 1, dan wordt een gelijkwaardige forfaitaire vergoeding toegekend volgens de modaliteiten en de voorwaarden vastgesteld door het College van de voorzitters.
  § 8. Indien het gaat om een bruggepensioneerde zoals bedoeld in artikel 19ter, § 1, a), is artikel 19bis niet van toepassing.
  § 9. De werkgeversbijdragen op vergoedingen voor sommige oudere werklozen, ingesteld door het koninklijk besluit van 21 maart 1997 (Belgisch Staatsblad van 11 april 1997), worden vanaf 1 januari 1997 door het Fonds ten laste genomen vanaf de leeftijd van 57 jaar, voor zover het ontslag betekend werd tussen 1 januari 1997 en 31 december 2000 en zij de vergoedingen bedoeld in artikel 20bis ontvangen. (NOTA : krachtens CAO 2000-12-18/58, art. 3, worden de bepalingen van bepaalde duur tot 31 december 2000 van onderhavige statuten tot 31 maart 2001 verlengd.)
Art. 19bis. § 1er. Les ouvriers de moins de 60 ans et les ouvrières de moins de 55 ans visés à l'article 5, § 1er et à l'article 5bis, § 6, travaillant à temps plein et qui remplissent les conditions prévues à l'article 19, § 1er, et qui n'ont par conséquent pas droit aux indemnités prévues à l'article 19ter, ont droit aux indemnités prévues à l'article 20, et ceci pour un maximum de cent quatre-vingt jours par période ininterrompue de chômage (deux cent soixante jours pour les ouvriers et ouvrières de 45 ans et plus), pour chaque jour de chômage qui suit immédiatement :
  - l'expiration de leur contrat de travail à durée déterminée ou pour un travail nettement défini, pour autant qu'il soit d'une durée supérieure à trois mois, mais à l'exclusion d'un contrat de stage;
  - pendant la période du 1er janvier 1989 jusqu'au 31 décembre 2000, l'expiration d'un contrat de stage est également prise en considération, pour autant qu'il n'ait pas une durée inférieure à trois mois; (NOTE : en vertu de la CCT 2000-12-18/58, art. 3, les dispositions de durée déterminée jusqu'au 31 décembre 2000 des présents statuts sont prolongées jusqu'au 31 mars 2001.)
  - leur licenciement pour motifs économiques.
  § 2. Les ouvriers de moins de 60 ans et les ouvrières de moins de 55 ans visés à l'article 5, § 1er et à l'article 5bis, § 6, travaillant à temps partiel et qui se trouvent dans la situation décrite au § 1er, ont droit à l'indemnité prevue à l'article 20 et ceci pour un maximum de cent quatre-vingt demi-jours par période ininterrompue de chômage (deux cent soixante pour les ouvriers et ouvrières de 45 ans et plus), pour chaque demi-jour de chômage s'ils satisfont aux première et deuxième conditions prévues à l'article 19, § 1er, et s'ils ont droit en outre aux allocations de chômage pour une demi-journée en application de la législation sur l'assurance chômage.
  § 3. 1° La période d'indemnité précitée passe de 180 jours à 120 jours pour les travailleurs et travailleuses visés aux §§ 1er et 2, âgés de moins de 35 ans dont le premier jour de chômage se situe après le 1er avril 1999.
  2° Pour les ouvriers et ouvrières visés aux §§ 1er et 2, de 35 à 44 ans et dont le premier jour de chômage se situe après le 1er avril 1999, la période d'indemnisation mentionnée est relevée de 180 jours à 210 jours.
  3° La période d'indemnité précitée passe de 260 jours à 300 jours pour les travailleurs et travailleuses visés aux §§ 1er et 2, âgés de 45 ans et plus et dont le premier jour de chômage se situe après le 1er avril 1999.
  § 4. Les ouvriers âgés de 60 ans au moins et les ouvrières âgées de 55 ans au moins visés à l'article 5, § 1er, et à l'article 5bis, § 6, ont droit, après avoir épuisé le crédit prévu à l'article 19bis, § 3, 2°, à l'indemnité prévue à l'article 20bis, s'ils remplissent les conditions prévues au § 1er ou 2.
  § 5. Les ouvriers qui ont été licenciés en dehors d'un régime de prépension et qui ont atteint au premier jour de chômage l'âge d'au moins 57 ans ont droit, pour autant que leur premier jour de chômage se situe entre le 1er janvier 1989 et le 31 décembre 2000 et après avoir épuisé le crédit prévu à l'article 19bis, § 3, 2°, à l'indemnité prévue à l'article 20bis jusqu'à l'âge de la pension. (NOTE : en vertu de la CCT 2000-12-18/58, art. 3, les dispositions de durée déterminée jusqu'au 31 décembre 2000 des présents statuts sont prolongées jusqu'au 31 mars 2001.)
  § 6. Les ouvriers et ouvrières qui sont licenciés en dehors d'un régime de prépension entre le 1er janvier 1997 et le 31 décembre 2000 et qui sont âgés d'au moins 50 ans au moment de la notification du licenciement, ont droit, après avoir épuisé le crédit prévu à l'article 19bis, § 3, 2°, à l'indemnité prévue à l'article 20bis à partir de l'âge de 57 ans et jusqu'à l'âge de leur pension, pour autant qu'ils soient encore chômeurs complets à ce moment et qu'ils ne puissent revendiquer le droit à la prépension. (NOTE : en vertu de la CCT 2000-12-18/58, art. 3, les dispositions de durée déterminée jusqu'au 31 décembre 2000 des présents statuts sont prolongées jusqu'au 31 mars 2001.)
  § 7. Lorsque les travailleurs et travailleuses visés à l'article 5bis, § 6, et les travailleurs frontaliers des entreprises établies en Belgique ne satisfont pas à la condition 3 mentionnée à l'article 19, § 1er, une indemnité forfaitaire équivalente est accordée suivant les modalités et conditions fixées par le Collège des présidents.
  § 8. Toutefois, lorsqu'il s'agit d'un prépensionné, tel que défini à l'article 19ter, § 1er, a), l'article 19bis n'est pas d'application.
  § 9. Les cotisations patronales pour certains chômeurs âgés, instituées par l'arrêté royal du 21 mars 1997 (Moniteur belge du 11 avril 1997), sont prises en charge par le Fonds à partir du 1er janvier 1997 à partir de l'âge de 57 ans, pour autant que leur licenciement ait été notifié entre le 1er janvier 1997 et le 31 décembre 2000 et pour autant qu'ils bénéficient des indemnités prévues à l'article 20bis. (NOTE : en vertu de la CCT 2000-12-18/58, art. 3, les dispositions de durée déterminée jusqu'au 31 décembre 2000 des présents statuts sont prolongées jusqu'au 31 mars 2001.)
A.C. Brugpensioen.
A.C. Prépension.
Art. 19ter. § 1. Voor de toepassing van dit artikel, wordt verstaan onder :
  a) bruggepensioneerden : de in artikel 5, § 1, bedoelde werklieden en werksters die werkloosheidsuitkeringen genieten en die ontslagen worden door de in artikel 5, § 1, bedoelde werkgever binnen het raam van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974, gesloten in de nationale Arbeidsraad, tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 januari 1975, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 januari 1975, of in het raam van een collectieve arbeidsovereenkomst waarbij gelijkaardige voordelen worden toegekend als deze voorzien in de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17;
  b) ingaan van het brugpensioen : de dag vanaf dewelke de bruggepensioneerde recht heeft op werkloosheidsuitkeringen.
  § 2. De werklieden en werksters die op brugpensioen gesteld werden hebben recht, vanaf hun zestigste verjaardag voor de mannen en vanaf hun vijfenvijftigste verjaardag voor de vrouwen, op de vergoedingen vastgesteld in artikel 20bis, voor zover het brugpensioen ingaat ten vroegste op de leeftijd van 55 jaar voor de mannen en 50 jaar voor de vrouwen.
  § 3. De werklieden waarvan het brugpensioen ingaat vanaf 1 juni 1984, hebben eveneens recht op de vergoedingen zoals bepaald in artikel 20bis, indien het brugpensioen ingaat ten vroegste op de leeftijd van 50 jaar.
  § 4. In afwijking van de §§ 2 en 3, hebben de werklieden waarvan het brugpensioen ingaat tussen 1 januari 1985 en 30 juni 2001 vanaf hun zevenenvijftigste verjaardag recht op de vergoeding voorzien in artikel 20bis. Dit recht wordt verkregen ongeacht de leeftijd waarop het brugpensioen ingaat, met dien verstande dat de minimumleeftijd van 50 jaar dient nageleefd te worden.
  § 5. Het College van de voorzitters kan, indien zich bijzondere randgevallen voordoen met betrekking tot werklieden of werksters die voldoen aan de voorwaarden gesteld in de §§ 2, 3 of 4, de toekenningsmodaliteiten preciseren van de vergoeding vastgesteld in artikel 20bis.
  § 6. Voor werklieden en werksters, bedoeld in artikel 5bis, § 6, en voor de grensarbeiders van in België gevestigde ondernemingen, die voldoen aan de voorwaarden gesteld in de §§ 2, 3 of 4, kan het College van de voorzitters de toekenningsmodaliteiten preciseren van een gelijkwaardige forfaitaire vergoedingen zoals bepaald in artikel 20bis.
Art. 19ter. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
  a) prépensionnés : les ouvriers et ouvrières visés à l'article 5, § 1er, qui bénéficient des allocations de chômage et qui ont été licenciés par l'employeur visé à l'article 5, § 1er, dans le cadre de la convention collective de travail n° 17 du 19 décembre 1974, conclue au sein du Conseil national du Travail, instituant un régime d'indemnité complémentaire pour certains travailleurs âgé en cas de licenciement, rendue obligatoire par arrêté royal du 16 janvier 1975, publié au Moniteur belge du 31 janvier 1975, ou dans le cadre d'une convention collective de travail octroyant des avantages similaires à ceux prévus par la convention collective de travail n° 17 précitée;
  b) début de la prépension : le jour à partir duquel le prépensionné a droit aux allocations de chômage.
  § 2. Les ouvriers et ouvrières prépensionnés ont droit aux indemnités visées à l'article 20bis à partir de leur soixantième anniversaire pour les hommes et de leur cinquante-cinquième anniversaire pour les femmes, pour autant que la prépension débute au plus tot à l'âge de 55 ans pour les hommes et de 50 ans pour les femmes.
  § 3. Pour les ouvriers dont la prépension débute à partir du 1er juin 1984, le droit aux indemnités prévues par l'article 20bis est également acquis si la prépension débute au plus tôt à l'âge de 50 ans.
  § 4. Par dérogation aux §§ 2 et 3, les ouvriers dont la prépension débute entre le 1er janvier 1985 et le 30 juin 2001 ont droit aux indemnités visées à l'article 20bis à partir de leur cinquante-septième anniversaire. Ce droit est acquis quel que soit l'âge du début de la prépension, étant entendu que l'âge minimal de 50 ans doit être respecté.
  § 5. Dans des cas marginaux d'ouvriers ou d'ouvrières, qui remplissent les conditions posées aux §§ 2, 3 ou 4, le Collège des présidents peut préciser les modalités d'octroi de l'indemnité prévue à l'article 20bis.
  § 6. Le Collège des présidents peut préciser les modalités d'octroi d'une indemnité forfaitaire équivalente, comme stipulé à l'article 20bis, pour les travailleurs et travailleuses visés à l'article 5bis, § 6, et les travailleurs frontaliers des entreprises etablies en Belgique qui satisfont aux conditions posées aux §§ 2, 3 ou 4.
Art. 19quater. Overeenkomstig artikel 9, derde lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 december 1974 gesloten in de nationale Arbeidsraad, tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 januari 1975, worden de uitkeringen bepaald bij de artikelen 19ter en 20bis afgetrokken van de bijkomende vergoeding toegekend krachtens de artikelen 4 en 5 van voormelde collectieve arbeidsovereenkomst van 19 december 1974.
  Dezelfde regeling geldt in het raam van een collectieve arbeidsovereenkomst waarbij gelijkaardige voordelen worden toegekend als deze voorzien in de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17.
Art. 19quater. Conformément à l'article 9, alinéa 3, de la convention collective de travail du 19 décembre 1974, conclue au sein du Conseil national du Travail, instituant un régime d'indemnité complémentaire pour certains travailleurs âgés en cas de licenciement, rendue obligatoire par arrêté royal du 16 janvier 1975, les indemnités fixées aux articles 19ter et 20bis sont imputees sur le montant de l'indemnité complémentaire allouée en vertu des articles 4 et 5 de la convention collective de travail du 19 décembre 1974 précitée.
  La même disposition est valable dans le cadre d'une convention collective de travail octroyant des avantages similaires à ceux prévus par la convention collective de travail n° 17 précitée.
Art. 19quinquies. Aan werklieden en werksters, die op brugpensioen gesteld waren of worden op het ogenblik van de sluiting van hun onderneming en die nog geen vergoeding ontvingen zoals bepaald in artikel 20bis, §§ 1 en 2, wordt deze vergoeding niet toegekend.
  Het College van de voorzitters kan afwijkingen toestaan voor individuele gevallen voor dewelke de statuten en reglementen van het Fonds voor sluiting van ondernemingen geen tussenkomst toelaten.
Art. 19quinquies. Les ouvriers et ouvrières etant en prépension ou mis en prépension au moment de la fermeture de leur entreprise et qui n'ont pas encore bénéficié de l'indemnité prévue par l'article 20bis, §§ 1er et 2, n'ont pas droit à cette indemnité.
  Le Collège des présidents peut accorder des dérogations dans des cas individuels pour lesquels les statuts et règlements du Fonds de fermeture d'entreprises ne permettent pas une intervention.
Art. 19sexies. In toepassing van artikel 3, a, tweede lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op 19 december 1974 in de nationale Arbeidsraad, tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding, ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 januari 1975, wordt voormelde regeling uitgebreid tot de werksters die minstens 55 jaar oud zijn.
  De leeftijd wordt behouden op 55, 56 of 57 jaar tot 30 juni 2001 voor zover de werksters een beroepsverleden aantonen van 38 jaar zoals bepaald in het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen.
Art. 19sexies. En application de l'article 3, a, alinéa deux, de la convention collective de travail, conclue le 19 décembre 1974 au sein du Conseil national du Travail, instituant un régime d'indemnité complémentaire pour certains travailleurs âgés en cas de licenciement, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 16 janvier 1975, le régime prévu ci-dessus est étendu aux ouvrières d'au moins 55 ans.
  L'âge est maintenu à 55, 56 ou 57 ans jusqu'au 30 juin 2001 pour autant que les ouvrieres puissent prouver une carrière de 38 ans comme stipulé dans l'arrêté royal du 7 décembre 1992 relatif à l'octroi d'allocations de chômage en cas de prépension conventionnelle.
Art. 19septies. De bijzondere werkgeversbijdragen op het conventioneel brugpensioen, enerzijds deze ingesteld door de programmawet van 22 december 1989, te betalen aan de Rijksdienst voor Pensioenen en anderzijds deze ingesteld door de programmawet van 19 december 1990, te betalen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, worden vanaf 1 januari 1991 door het Fonds ten laste genomen voor de mannen vanaf de leeftijd van 57 jaar en voor de vrouwen vanaf de leeftijd van 55 jaar, voor zover zij op brugpensioen gesteld werden tussen 1 januari 1991 en 30 juni 2001 en zij de vergoedingen bedoeld in artikel 20bis ontvangen.
Art. 19septies. Les cotisations spéciales à charge de l'employeur sur la prépension conventionnelle, introduites d'une part par la loi-programme du 22 décembre 1989, dues à l'Office national des Pensions, et d'autre part par la loi-programme du 19 décembre 1990, dues à l'Office national de Sécurité sociale, sont prises à charge par le Fonds à partir du 1er janvier 1991 pour les hommes à partir de l'âge de 57 ans et pour les femmes à partir de l'âge de 55 ans, pour autant que leur prépension débute entre le 1er janvier 1991 et le 30 juin 2001 et pour autant qu'ils bénéficient de l'indemnité prévue par l'article 20bis.
Art. 19octies. § 1. De bijzondere compenserende maandelijkse werkgeversbijdrage op het brugpensioen in uitvoering enerzijds van het interprofessioneel akkoord van 7 december 1994 en anderzijds van artikel 11 van de wet van 3 april 1995, wordt, binnen de bestaande mogelijkheden, door het Fonds voor bestaanszekerheid ten laste genomen voor de werklieden en werksters, die in het kader van deze regeling tussen 19 juni 1995 en 31 december 1996 in brugpensioen worden gesteld.
  § 2. De bijzondere compenserende maandelijkse werkgeversbijdragen op het brugpensioen, in uitvoering van het koninklijk besluit van 21 maart 1997, wordt, binnen de bestaande mogelijkheden, door het Fonds ten laste genomen voor de werklieden en werksters, die in het kader van deze regeling tussen 13 mei 1997 en 31 december 2000 in brugpensioen worden gesteld. (NOTA : krachtens CAO 2000-12-18/58, art. 3, worden de bepalingen van bepaalde duur tot 31 december 2000 van onderhavige statuten tot 31 maart 2001 verlengd.)
Art. 19octies. § 1er. La cotisation patronale mensuelle compensatoire particulière sur la prépension, en exécution de l'accord interprofessionnel du 7 décembre 1994 d'une part et de l'article 11 de la loi du 3 avril 1995 d'autre part, est prise en charge, dans la limite des possibilités existantes, par le Fonds de sécurité d'existence pour les ouvriers et ouvrières mis en prépension dans le cadre de cette réglementation entre le 19 juin 1995 et le 31 décembre 1996.
  § 2. La cotisation patronale mensuelle compensatoire particulière sur la prépension, en exécution de l'arrêté royal du 21 mars 1997, est prise en charge, dans la limite des possibilités existantes, par le Fonds pour les ouvriers et ouvrières mis en prépension dans le cadre de cette réglementation entre le 13 mai 1997 et le 31 décembre 2000. (NOTE : en vertu de la CCT 2000-12-18/58, art. 3, les dispositions de durée déterminée jusqu'au 31 décembre 2000 des présents statuts sont prolongées jusqu'au 31 mars 2001.)
A.D. Bedrag van de uitkeringen.
A.D. Montant des indemnités.
Art.20. De aanvullende vergoeding bij werkloosheid bedraagt 170 F voor een hele uitkering en 85 F voor een halve uitkering vanaf 1 januari 1993.
  Vanaf 1 juli 1997 wordt de aanvullende vergoeding bij werkloosheid gebracht op 180 F voor een hele uitkering en 90 F voor een halve uitkering.
  Vanaf 1 april 1999 wordt de aanvullende vergoeding bij werkloosheid gebracht op 200 F voor een hele uitkering en 100 F voor een halve uitkering.
Art.20. L'indemnité complémentaire en cas de chomage est fixée à 170 F pour une allocation complète et à 85 F pour une demi-allocation à partir du 1er janvier 1993.
  A partir du 1er juillet 1997, l'indemnité complémentaire en cas de chômage est portée à 180 F pour une allocation complète et à 90 F pour une demi-allocation.
  A partir du 1er avril 1999, l'indemnité complémentaire en cas de chômage est portée à 200 F pour une allocation complète et à 100 F pour une demi-allocation.
Art. 20bis. § 1. Het bedrag van de aanvullende vergoeding, uitgekeerd krachtens artikel 19ter, wordt bepaald op 2 600 F per maand voor de werklieden en werksters die tewerkgesteld waren in een voltijdse dienstbetrekking, die werkloosheidsuitkeringen genieten bij toepassing van de wetgeving op de werkloosheidsverzekering.
  Het bedrag van de aanvullende vergoeding wordt bepaald op 3 100 F per maand voor de werklieden en werksters waarvan het brugpensioen ingaat tijdens de periode van 1 januari 1987 tot 30 juni 2001 voor zover zij voldoen aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden.
  De werklieden en werksters bedoeld in artikel 19bis, §§ 4 en 5, zullen een verhoogde maandelijkse vergoeding van 3 100 F ontvangen, voor zover zij tewerkgesteld waren in een voltijdse dienstbetrekking.
  Het College van de voorzitters bepaalt de berekeningsmodaliteiten in de gevallen waarin aan de gestelde voorwaarden niet gedurende de ganse maand voldaan wordt.
  § 2. Het bedrag van de aanvullende vergoeding, uitgekeerd krachtens artikel 19ter, wordt bepaald op 1 300 F per maand voor de werklieden en werksters die tewerkgesteld waren in een deeltijdse dienstbetrekking, die werkloosheidsuitkeringen genieten bij toepassing van de wetgeving op de werkloosheidsverzekering.
  Het bedrag van de aanvullende vergoeding wordt bepaald op 1 550 F per maand voor de werklieden en werksters waarvan het brugpensioen ingaat tijdens de periode van 1 januari 1987 tot 30 juni 2001 voor zover zij voldoen aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden.
  De werklieden en werksters bedoeld in artikel 19bis, §§ 4 en 5, zullen een verhoogde maandelijkse vergoeding van 1 550 F per maand ontvangen indien zij tewerkgesteld waren in een deeltijdse dienstbetrekking.
  Het College van de voorzitters bepaalt de berekeningsmodaliteiten in de gevallen waarin aan de gestelde voorwaarden niet gedurende de ganse maand voldaan wordt.
  § 3. De toekenning van de vergoeding, voorzien in de §§ 1 en 2, houdt op wanneer de werkman of de werkster volgens de wetgeving op de werkloosheidsverzekering verondersteld wordt met pensioen te zijn gegaan.
Art. 20bis. § 1er. Le montant de l'indemnité complémentaire octroyée en vertu de l'article 19ter, est fixé à 2 600 F par mois pour les ouvriers et ouvrières ayant travaillé à temps plein, qui bénéficient des allocations de chômage en application de la législation sur l'assurance chômage.
  Le montant de l'indemnité complémentaire est fixé à 3 100 F par mois pour les ouvriers et ouvrières dont la prépension débute entre le 1er janvier 1987 et le 30 juin 2001 pour autant qu'ils remplissent les conditions posées au premier alinea.
  Les ouvriers et ouvrières dont question à l'article 19bis, §§ 4 et 5, bénéficieront d'une indemnité majorée et mensuelle de 3 100 F, pour autant qu'ils aient travaillé à temps plein.
  Le Collège des présidents fixe les modalités de calcul dans les cas où les conditions requises ne sont pas remplies pendant tout le mois.
  § 2. Le montant de l'indemnité complémentaire octroyée en vertu de l'article 19ter, est fixé à 1 300 F par mois pour les ouvriers et ouvrières ayant travaillé à temps partiel, qui bénéficient des allocations de chômage en application de la législation sur l'assurance chômage.
  Le montant de l'indemnité complémentaire est fixé à 1 550 F par mois pour les ouvriers et ouvrières dont la prépension débute entre le 1er janvier 1987 et le 30 juin 2001 pour autant qu'ils remplissent les conditions posées au premier alinéa.
  Les ouvriers et ouvrières dont question à l'article 19bis, §§ 4 et 5, bénéficieront d'une indemnité majorée et mensuelle de 1 550 F pour autant qu'ils aient travaillé à temps partiel.
  Le Collège des présidents fixe les modalites de calcul dans les cas où les conditions requises ne sont pas remplies pendant tout le mois.
  § 3. L'octroi de l'avantage prévu aux §§ 1er et 2, cesse lorsque, au regard de la législation sur l'assurance chômage, l'ouvrier ou l'ouvrière est censé avoir pris sa pension.
B. Ziekte-, bevallings- en ongevallenbijslagen.
B. Allocations de maladie, d'accouchement et d'accidents.
Art.21. § 1. De in artikel 5, § 1, en in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden en werksters, tewerkgesteld in een voltijdse dienstbetrekking, hebben na ten minste zestig kalenderdagen voortdurende arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, bevalling of ongeval, met uitsluiting van de beroepsziekten en de arbeidsongevallen, recht op de bijslagen, vastgesteld in artikel 22, § 1, die de vergoeding van de ziekte- en invaliditeitsverzekering aanvullen, voor zover deze werknemers de volgende voorwaarden vervullen :
  1. op het ogenblik waarop de ongeschiktheid zich voordoet, in dienst zijn van een in artikel 5, § 1, of een in artikel 5bis bedoelde werkgever;
  2. gerechtigd zijn op de primaire vergoedingen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering bij toepassing van de wetgeving terzake, zonder dat deze vergoedingen gedurende de ganse periode van de ongeschiktheid effectief moeten zijn toegekend;
  3. op het ogenblik waarop de ongeschiktheid zich voordoet, een anciënniteit van vijftien dagen hebben in de onderneming.
  § 2. De in artikel 5, § 1, en de in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden en werksters, tewerkgesteld in een deeltijdse dienstbetrekking hebben, na ten minste zestig kalenderdagen voortdurende arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, bevalling of ongeval, met uitsluiting van de beroepsziekten en de arbeidsongevallen, recht op de bijslagen, vastgesteld in artikel 22, § 2, die de vergoeding van de ziekte- en invaliditeitsverzekering aanvult, voor zover deze werknemers de voorwaarden vervullen, vastgesteld in § 1.
  § 3. Indien werklieden en werksters, bedoeld in artikel 5bis, § 6, en grensarbeiders van in België gevestigde ondernemingen, niet voldoen aan de tweede voorwaarde vermeld in artikel 21, § 1, dan wordt een gelijkwaardige toeslag zoals voorzien in artikel 22 toegekend, volgens de modaliteiten en onder de voorwaarden vastgesteld door het College van de voorzitters.
Art.21. § 1er. Les ouvriers et ouvrières visés à l'article 5, § 1er, et à l'article 5bis, § 6, travaillant à temps plein, ont droit après soixante jours civils au moins d'incapacité continue de travail pour cause de maladie, d'accouchement ou d'accident, à l'exclusion des maladies professionnelles et des accidents de travail, aux allocations complémentaires à l'indemnité de l'assurance maladie-invalidité, prévues à l'article 22, § 1er, dans la mesure où ces travailleurs remplissent les conditions suivantes :
  1. au moment où se déclare l'incapacité, être au service d'un employeur visé à l'article 5, § 1er ou à l'article 5bis;
  2. bénéficier des indemnités primaires de l'assurance maladie-invalidité en application de la législation en la matière, sans que ces indemnités soient allouées pendant toute la période de l'incapacité;
  3. au moment où se déclare l'incapacité, avoir quinze jours d'ancienneté dans l'entreprise.
  § 2. Les ouvriers et ouvrières vises à l'article 5, § 1er et à l'article 5bis, § 6, travaillant à temps partiel, ont droit après soixante jours civils au moins d'incapacité continue de travail pour cause de maladie, d'accouchement ou d'accident, à l'exclusion des maladies professionnelles et des accidents de travail, aux allocations complémentaires à l'indemnité de l'assurance maladie-invalidité, fixées à l'article 22, § 2, dans la mesure où ces travailleurs remplissent les conditions posées au § 1er.
  § 3. Lorsque les travailleurs et travailleuses visés à l'article 5bis, § 6, et les travailleurs frontaliers des entreprises établies en Belgique ne satisfont pas a la deuxième condition mentionnée à l'article 21, § 1er, une indemnité forfaitaire équivalente comme prévue à l'article 22 est accordée suivant les modalités et conditions fixées par le Collège des présidents.
Art.22. § 1. Het bedrag van de bij artikel 21, § 1, bedoelde bijslag wordt als volgt vastgesteld :
  1 300 F na de eerste 60 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid;
  1 950 F meer na de eerste 100 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid;
  2 600 F meer na de eerste 140 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid;
  3 250 F meer na de eerste 180 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid;
  4 000 F meer na de eerste 220 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid;
  5 000 F meer na de eerste 260 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid;
  5 000 F meer na de eerste 300 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid.
  Ongeacht de duur ervan kan een ziekte slechts aanleiding geven tot de toekenning van één enkele reeks bijslagen; het hervallen in dezelfde ziekte wordt beschouwd als integraal deel uitmakend van de vorige ongeschiktheid indien deze zich voordoet binnen twaalf dagen volgend op de werkhervatting.
  § 2. Het bedrag van de bij artikel 21, § 2, bedoelde bijslag wordt als volgt vastgesteld :
  650 F na de eerste 60 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid;
  975 F meer na de eerste 100 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid;
  1 300 F meer na de eerste 140 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid;
  1 625 F meer na de eerste 180 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid;
  2 000 F meer na de eerste 220 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid;
  2 500 F meer na de eerste 260 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid;
  2 500 F meer na de eerste 300 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid.
  Ongeacht de duur ervan kan een ziekte slechts aanleiding geven tot de toekenning van één enkele reeks bijslagen, het hervallen in dezelfde ziekte wordt beschouwd als integraal deel uitmakend van de vorige ongeschiktheid indien deze zich voordoet binnen twaalf dagen volgend op de werkhervatting.
Art.22. § 1er. Le montant de l'allocation visée à l'article 21, § 1er, est fixé comme suit :
  1 300 F après les 60 premiers jours civils d'incapacité continue;
  1 950 F en plus après les 100 premiers jours civils d'incapacité continue;
  2 600 F en plus après les 140 premiers jours civils d'incapacite continue;
  3 250 F en plus après les 180 premiers jours civils d'incapacité continue;
  4 000 F en plus après les 220 premiers jours civils d'incapacité continue;
  5 000 F en plus après les 260 premiers jours civils d'incapacité continue;
  5 000 F en plus après les 300 premiers jours civils d'incapacité continue.
  Quelle que soit sa durée, une maladie ne peut donner lieu à l'octroi que d'une seule série d'allocations; la rechute d'une même maladie est considérée comme faisant partie integrante de l'incapacité précédente si elle survient dans les douze jours qui suivent la reprise du travail.
  § 2. Le montant de l'allocation visée à l'article 21, § 2, est fixé comme suit :
  650 F apres les 60 premiers jours civils d'incapacité continue;
  975 F en plus après les 100 premiers jours civils d'incapacité continue;
  1 300 F en plus apres les 140 premiers jours civils d'incapacité continue;
  1 625 F en plus après les 180 premiers jours civils d'incapacité continue;
  2 000 F en plus après les 220 premiers jours civils d'incapacité continue;
  2 500 F en plus après les 260 premiers jours civils d'incapacité continue;
  2 500 F en plus après les 300 premiers jours civils d'incapacité continue.
  Quelle que soit sa durée, une maladie ne peut donner lieu à l'octroi que d'une seule série d'allocations; la rechute d'une même maladie est considérée comme faisant partie intégrante de l'incapacité précédente si elle survient dans les douze jours qui suivent la reprise du travail.
Art. 22bis. De werklieden en werksters die het bij artikel 19ter, voorziene voordeel genieten die ziek of invalide worden verklaard en die ziekte- of invaliditeitsuitkeringen genieten, behouden hun recht op het bij artikel 19ter, voorziene voordeel.
  Het in dit artikel voorziene voordeel houdt op wanneer de werkman of werkster volgens de wetgeving inzake de ziekte- en invaliditeitsverzekering verondersteld wordt met pensioen te zijn gegaan.
Art. 22bis. Les ouvriers et ouvrières qui bénéficient de l'avantage prévu à l'article 19ter, qui sont déclarés malades ou invalides et qui bénéficient des indemnités de maladie ou d'invalidité, maintiennent leur droit à l'avantage prévu à l'article 19ter.
  L'avantage prévu par le présent article cesse lorsque, au regard de la législation sur l'assurance maladie-invalidité, l'ouvrier ou l'ouvrière est censé avoir pris sa pension.
Art. 22ter. § 1. De in artikel 5, § 1, en de in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden en werksters, tewerkgesteld in een voltijdse dienstbetrekking en die ziek worden verklaard, hebben na het verstrijken van de eerste periode van 260 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid bepaald in artikel 22, § 1, recht op de vergoeding vastgesteld in artikel 20bis, § 1, voor zover ze voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1. op het ogenblik waarop de ongeschiktheid zich voordoet, in dienst zijn van een bij artikel 5, § 1, of een bij artikel 5bis bedoelde werkgever;
  2. arbeidsongeschikt zijn ingevolge ziekte, bevalling of ongeval, met uitsluiting van de beroepsziekten en de arbeidsongevallen;
  3. gerechtigd zijn op de vergoedingen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering bij toepassing van de wetgeving terzake;
  4. 60 jaar zijn voor de mannen en 55 jaar voor de vrouwen op de datum waarop de in artikel 22, § 1, bedoelde 260e kalenderdag wordt bereikt.
  § 2. De in artikel 5, § 1 en de in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden en werksters, tewerkgesteld in een deeltijdse dienstbetrekking en die ziek worden verklaard, hebben na het verstrijken van de eerste periode van 260 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid bepaald in artikel 22, § 2, recht op de vergoeding, vastgesteld in artikel 20bis, § 2, voor zover ze voldoen aan de eerste drie voorwaarden gesteld in artikel 22ter, § 1, en daarenboven ten minste 60 jaar zijn voor de mannen en 55 jaar voor de vrouwen op de datum waarop de in artikel 22, § 2, bedoelde 260e kalenderdag wordt bereikt.
  § 3. Indien werklieden en werksters, bedoeld in artikel 5bis, § 6, en grensarbeiders van in België gevestigde ondernemingen, niet voldoen aan de derde voorwaarde vermeld in artikel 22ter, § 1, dan wordt een gelijkwaardige toeslag zoals voorzien in artikel 20bis toegekend, volgens de modaliteiten en onder de voorwaarden vastgesteld door het College van de voorzitters.
  § 4. De in dit artikel voorziene voordelen houden op wanneer de werkman of werkster volgens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering verondersteld wordt met pensioen te zijn gegaan, of wanneer hij of zij het werk heeft hervat voor ten minste twaalf dagen.
Art. 22ter. § 1er. Les ouvriers et ouvrières visés à l'article 5, § 1er et à l'article 5bis, § 6, travaillant à temps plein et déclarés malades, ont droit, à l'expiration de la première période de 260 jours civils d'incapacité continue prévue à l'article 22, § 1er, à l'indemnité prévue à l'article 20bis, § 1er, dans la mesure où ils remplissent les conditions suivantes :
  1. au moment où se déclare l'incapacité, être au service d'un employeur visé à l'article 5, § 1er ou à l'article 5bis;
  2. être incapables de travailler pour cause de maladie, d'accouchement ou d'accident, à l'exclusion des maladies professionnelles et des accidents de travail;
  3. bénéficier des indemnités de l'assurance maladie-invalidité en application de la législation en la matière;
  4. être âgés de 60 ans pour les hommes et de 55 ans pour les femmes à la date du 260ème jour civil visé à l'article 22, § 1er.
  § 2. Les ouvriers et ouvrières visés à l'article 5, § 1er et à l'article 5bis, § 6, travaillant à temps partiel et déclarés malades, ont droit, à l'expiration de la première période de 260 jours civils d'incapacité continue prevue à l'article 22, § 2, à l'indemnité prévue à l'article 20bis, § 2, dans la mesure où ils répondent aux trois premières conditions posées à l'article 22ter, § 1er, et ont, en outre, au moins 60 ans pour les hommes et 55 ans pour les femmes à la date du 260ème jour civil visé à l'article 22, § 2.
  § 3. Lorsque les travailleurs et travailleuses visés à l'article 5bis, § 6, et les travailleurs frontaliers des entreprises établies en Belgique ne satisfont pas à la troisième condition mentionnée à l'article 22ter, § 1er, une indemnité forfaitaire équivalente comme prévue à l'article 20bis est accordée suivant les modalités et conditions fixées par le Collège des présidents.
  § 4. Les avantages prévus par le présent article cessent lorsque au regard de la législation sur l'assurance maladie-invalidité, l'ouvrier ou l'ouvrière est censé avoir pris sa pension ou lorsqu'il ou elle a repris le travail pendant douze jours au moins.
Art. 22quater. § 1. De in artikel 5, § 1, en in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden en werksters, tewerkgesteld in een voltijdse dienstbetrekking en die ziek worden verklaard, hebben, na het verstrijken van de eerste periode van 300 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid bepaald in artikel 22, § 1, tussen 1 januari 1989 en 31 maart 1999, recht op de verhoogde maandelijkse vergoeding vastgesteld in artikel 20bis, § 1, voor zover ze voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1. op het ogenblik waarop de ongeschiktheid zich voordoet, in dienst zijn van een bij artikel 5, § 1, of een bij artikel 5bis, bedoelde werkgever;
  2. arbeidsongeschikt zijn ingevolge ziekte, bevalling of ongeval, met uitsluiting van de beroepsziekten en de arbeidsongevallen;
  3. gerechtigd zijn op de vergoedingen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering bij toepassing van de wetgeving terzake;
  4. 57 jaar zijn voor de mannen en 55 jaar voor de vrouwen op de datum waarop de in artikel 22, § 1, bedoelde 300e kalenderdag wordt bereikt.
  § 2. De in artikel 5, § 1 en de in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden en werksters, tewerkgesteld in een deeltijdse dienstbetrekking en die ziek worden verklaard, hebben, na het verstrijken van de eerste periode van 300 kalenderdagen voortdurende ongeschiktheid bepaald in artikel 22, § 2, tussen 1 januari 1989 en 31 maart 1999, recht op de verhoogde maandelijkse vergoeding, vastgesteld in artikel 20bis, § 2, voor zover zij voldoen aan de eerste drie voorwaarden gesteld in artikel 22ter, § 1, en daarenboven ten minste 57 jaar zijn voor de mannen en 55 jaar voor de vrouwen op de datum waarop de in artikel 22, § 2, bedoelde 300e kalenderdag wordt bereikt.
  § 3. Indien werklieden en werksters, bedoeld in artikel 5bis, § 6, en grensarbeiders van in België gevestigde ondernemingen, niet voldoen aan de derde voorwaarde vermeld in artikel 22quater, § 1, dan wordt een gelijkwaardige toeslag zoals voorzien in artikel 20bis toegekend, volgens de modaliteiten en onder de voorwaarden vastgesteld door het College van de voorzitters.
  § 4. De in dit artikel voorziene voordelen houden op wanneer de werkman of werkster volgens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering verondersteld wordt met pensioen te zijn gegaan, of wanneer hij of zij het werk heeft hervat voor ten minste twaalf dagen.
Art. 22quater. § 1er. Les ouvriers et ouvrieres visés à l'article 5, § 1er, et à l'article 5bis, § 6, travaillant à temps plein et déclarés malades, ont droit, à l'expiration de la première période de 300 jours civils d'incapacité continue prévue à l'article 22, § 1er, entre le 1er janvier 1989 et le 31 mars 1999, à l'indemnité mensuelle majorée prévue à l'article 20bis, § 1er, dans la mesure où ils remplissent les conditions suivantes :
  1. au moment où se déclare l'incapacite, être au service d'un employeur visé à l'article 5, § 1er ou à l'article 5bis;
  2. être incapables de travailler pour cause de maladie, d'accouchement ou d'accident, à l'exclusion des maladies professionnelles et des accidents du travail;
  3. bénéficier des indemnités de l'assurance maladie-invalidité en application de la législation en la matière;
  4. être âgés de 57 ans pour les hommes et de 55 ans pour les femmes à la date du 300ème jour civil visé à l'article 22, § 1er.
  § 2. Les ouvriers et ouvrières visés à l'article 5, § 1er et à l'article 5bis, § 6, travaillant à temps partiel et déclarés malades, ont droit, à l'expiration de la première période de 300 jours civils d'incapacité continue prévue à l'article 22, § 2, entre le 1er janvier 1989 et le 31 mars 1999, à l'indemnité mensuelle majorée prévue à l'article 20bis, § 2, dans la mesure où ils répondent aux trois premieres conditions posées à l'article 22ter, § 1er, et ont, en outre, au moins 57 ans pour les hommes et 55 ans pour les femmes à la date du 300ème jour civil visé à l'article 22, § 2.
  § 3. Lorsque les travailleurs et travailleuses visés à l'article 5bis, § 6, et les travailleurs frontaliers des entreprises établies en Belgique ne satisfont pas à la troisième condition mentionnée à l'article 22quater, § 1er, une indemnité forfaitaire équivalente comme prévue à l'article 20bis est accordée suivant les modalités et conditions fixées par le Collège des présidents.
  § 4. Les avantages prévus par le présent article cessent lorsque au regard de la législation sur l'assurance maladie-invalidite, l'ouvrier ou l'ouvrière est censé avoir pris sa pension ou lorsqu'il ou elle a repris le travail pendant douze jours au moins.
Art. 22quinquies. § 1. De in artikel 5, § 1, en in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden en werksters, tewerkgesteld in een voltijdse dienstbetrekking hebben, voor zover hun eerste door de ziekte- en invaliditeitsverzekering vergoede dag valt op 1 april 1999 of later en na de periode gedekt door het gewaarborgd loon, recht op de vergoeding vastgesteld in artikel 20bis, § 1, voor zover ze voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1. op het ogenblik waarop de ongeschiktheid zich voordoet, in dienst zijn van een in artikel 5, § 1, of een in artikel 5bis bedoelde werkgever;
  2. gerechtigd zijn op de primaire vergoedingen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering bij toepassing van de wetgeving terzake, zonder dat deze vergoedingen gedurende de ganse periode van de ongeschiktheid effectief moeten zijn toegekend;
  3. op het ogenblik waarop de ongeschiktheid zich voordoet, een anciënniteit van vijftien dagen hebben in de onderneming.
  § 2. De in artikel 5, § 1, en in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden en werksters, tewerkgesteld in een deeltijdse dienstbetrekking hebben, voor zover hun eerste door de ziekte- en invaliditeitsverzekering vergoede dag valt op 1 april 1999 of later en na de periode gedekt door het gewaarborgd loon, recht op de vergoeding vastgesteld in artikel 20bis, § 2 voor zover ze voldoen aan de voorwaarden vastgesteld in § 1.
  § 3. Deze forfaitaire maandelijkse vergoeding wordt gedurende maximaal 11 maanden betaald.
  De eerste forfaitaire vergoeding kan ten vroegste betaald worden voor de maand volgend op deze waarin de eerste effectieve ziektedag viel.
  Elke begonnen maand wordt beschouwd als een volledige maand.
  § 4. Indien werklieden en werksters, bedoeld in artikel 5bis, § 6, en grensarbeiders van in België gevestigde ondernemingen, niet voldoen aan de tweede voorwaarde vermeld in artikel 22quinquies, § 1, dan wordt een gelijkwaardige toeslag zoals voorzien in artikel 20bis toegekend, volgens de modaliteiten en onder de voorwaarden vastgesteld door het College van de voorzitters.
  § 5. Ongeacht de duur van een werkhervatting geeft een nieuwe ziekteperiode, onder dezelfde voorwaarden, opnieuw recht op de maandelijkse forfaitaire vergoeding voor zover betrokkene opnieuw gewaarborgd loon ontving.
Art. 22quinquies. § 1er. Les ouvriers et ouvrières visés à l'article 5, § 1er, et à l'article 5bis, § 6, occupant un emploi à temps plein, pour autant que leur premier jour indemnisé par l'assurance maladie-invalidité tombe le 1er avril 1999 ou plus tard et après la période couverte par le salaire garanti, ont droit à l'indemnité fixée à l'article 20bis, § 1er, pour autant qu'ils remplissent les conditions suivantes :
  1. au moment où se déclare l'incapacité, être au service d'un employeur visé à l'article 5, § 1er ou à l'article 5bis;
  2. béneficier des indemnités primaires de l'assurance maladie-invalidité en application de la législation en la matière, sans que ces indemnités soient allouées pendant toute la période de l'incapacité;
  3. au moment où se déclare l'incapacité, avoir quinze jours d'ancienneté dans l'entreprise.
  § 2. Les ouvriers et ouvrières visés à l'article 5, § 1er, et à l'article 5bis, § 6, occupant un emploi à temps partiel, pour autant que leur premier jour indemnisé par l'assurance maladie-invalidité tombe le 1er avril 1999 ou plus tard et après la période couverte par le salaire garanti, ont droit à l'indemnité fixée à l'article 20bis, § 2, pour autant qu'ils remplissent les conditions fixées au § 1er.
  § 3. Cette indemnité mensuelle forfaitaire sera payée durant 11 mois maximum.
  La première indemnité forfaitaire pourra être payée au plus tôt pour le mois qui suit celui dans lequel le premier jour de maladie effectif tombait.
  Chaque mois entamé est considéré comme un mois complet.
  § 4. Si des ouvriers et ouvrières visés à l'article 5bis, § 6, et des ouvriers frontaliers d'entreprises établies en Belgique ne remplissent pas la deuxième condition figurant à l'article 22quinquies, § 1er, une allocation équivalente sera octroyée comme prévu à l'article 20bis, suivant les modalités et sous les conditions fixées par le Collège des présidents.
  § 5. Indépendamment de la durée d'une reprise du travail, une nouvelle période de maladie donne de nouveau droit, sous les mêmes conditions, à l'indemnité mensuelle forfaitaire pour autant que l'intéressé ait touché de nouveau un salaire garanti.
Art. 22sexies. § 1. De in artikel 5, § 1, en in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden en werksters, tewerkgesteld in een voltijdse dienstbetrekking, voor zover hun eerste door de ziekte- en invaliditeitsverzekering vergoede dag valt op 1 april 1999 of later en na de periode gedekt door het gewaarborgd loon, recht op de vergoeding vastgesteld in artikel 20bis, § 1, voor zover ze voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1. op het ogenblik waarop de ongeschiktheid zich voordoet, in dienst zijn van een bij artikel 5, § 1, of een bij artikel 5bis, bedoelde werkgever;
  2. arbeidsongeschikt zijn ingevolge ziekte, bevalling of ongeval, met uitsluiting van de beroepsziekten en de arbeidsongevallen;
  3. gerechtigd zijn op de vergoedingen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering bij toepassing van de wetgeving terzake;
  4. 57 jaar zijn voor de mannen en 55 jaar voor de vrouwen op de eerste door de ziekte- en invaliditeitsverzekering vergoede dag of, deze leeftijd bereiken gedurende de periode waarin de vergoedingen zoals bepaald in artikel 22quinquies betaald worden.
  § 2. De in artikel 5, § 1, en in artikel 5bis, § 6, bedoelde werklieden en werksters, tewerkgesteld in een deeltijdse dienstbetrekking, voor zover hun eerste door de ziekte- en invaliditeitsverzekering vergoede dag valt op 1 april 1999 of later en na de periode gedekt door het gewaarborgd loon, recht op de vergoeding vastgesteld in artikel 20bis, § 2, voor zover ze voldoen aan de voorwaarden vastgesteld in § 1.
  § 3. Indien werklieden en werksters, bedoeld in artikel 5bis, § 6, en grensarbeiders van in België gevestigde ondernemingen, niet voldoen aan de derde voorwaarde vermeld in artikel 22sexies, § 1, dan wordt een gelijkwaardige toeslag zoals voorzien in artikel 20bis toegekend, volgens de modaliteiten en onder de voorwaarden vastgesteld door het College van de voorzitters.
  § 4. De in dit artikel voorziene voordelen houden op wanneer de werkman of werkster volgens de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering verondersteld wordt met pensioen te zijn gegaan.
  De eerste forfaitaire vergoeding kan ten vroegste betaald worden voor de maand volgend op deze waarin de eerste effectieve ziektedag viel.
  Elke begonnen maand wordt beschouwd als een volledige maand.
  Ongeacht de duur van een werkhervatting geeft een nieuwe ziekteperiode, onder dezelfde voorwaarden, opnieuw recht op de maandelijkse forfaitaire vergoeding voor zover betrokkene opnieuw gewaarborgd loon ontving.
Art. 22sexies. § 1er. Les ouvriers et ouvrières visés à l'article 5, § 1er, et à l'article 5bis, § 6, occupant un emploi à temps plein, pour autant que leur premier jour indemnisé par l'assurance maladie-invalidite tombe le 1er avril 1999 ou plus tard et après la période couverte par le salaire garanti, ont droit à l'indemnité fixée a l'article 20bis, § 1er, pour autant qu'ils remplissent les conditions suivantes :
  1. au moment où se déclare l'incapacité, être au service d'un employeur visé à l'article 5, § 1er ou à l'article 5bis;
  2. être incapables de travailler pour cause de maladie, d'accouchement ou d'accident, à l'exclusion des maladies professionnelles et des accidents du travail;
  3. bénéficier des indemnités de l'assurance maladie-invalidité en application de la législation en la matière;
  4. les hommes doivent avoir 57 ans et les femmes 55 ans au premier jour indemnisé par l'assurance maladie-invalidité ou atteindre cet âge durant la période dans laquelle les indemnités comme stipulées à l'article 22quinquies sont payées.
  § 2. Les ouvriers et ouvrières visés à l'article 5, § 1er, et à l'article 5bis, § 6, occupant un emploi à temps partiel, pour autant que leur premier jour indemnisé par l'assurance maladie-invalidite tombe le 1er avril 1999 ou plus tard et après la période couverte par le salaire garanti, ont droit à l'indemnité fixée à l'article 20bis, § 2, pour autant qu'ils remplissent les conditions fixées au § 1er.
  § 3. Si des ouvriers et ouvrières visés à l'article 5bis, § 6, et des ouvriers frontaliers d'entreprises établies en Belgique ne remplissent pas la troisième condition figurant à l'article 22sexies, § 1er, une allocation équivalente sera octroyée comme prévu à l'article 20bis, suivant les modalités et sous les conditions fixées par le Collège des presidents.
  § 4. Les ouvriers et ouvrières ne peuvent plus bénéficier des avantages prévus à cet article des qu'ils sont supposés être partis en pension en vertu de la législation sur l'assurance maladie-invalidité.
  La première indemnité forfaitaire pourra être payée au plus tôt pour le mois qui suit celui dans lequel le premier jour de maladie effectif tombait.
  Chaque mois entamé est considéré comme un mois complet.
  Indépendamment de la durée d'une reprise du travail, une nouvelle période de maladie donne de nouveau droit, sous les mêmes conditions, à l'indemnite mensuelle forfaitaire pour autant que l'interesse ait touché de nouveau un salaire garanti.
C. Beschikkingen gemeen aan de werkloosheidsuitkeringen, bijslagen ingevolge werkonbekwaamheid en andere voordelen toegekend door het Fonds.
C. Dispositions communes aux indemnités de chômage, allocations d'incapacité et autres avantages accordés par le Fonds.
Art.23. De Raad van beheer bepaalt de datum en de modaliteiten van betaling van de door het Fonds toegekende uitkeringen en bijslagen; in geen geval mag de betaling van uitkeringen en bijslagen afhankelijk zijn van de storting van de bijdragen verschuldigd door de aan het Fonds onderworpen werkgever.
Art.23. Le Conseil d'administration détermine la date et les modalités de paiement des indemnités et allocations accordées par le Fonds; en aucun cas, le paiement des allocations et indemnités ne peut dépendre du versement des cotisations dues par l'employeur assujetti au Fonds.
Art.24. De bijslagen en uitkeringen worden aan de werknemers betaald door de in het Paritair Comité vertegenwoordigde syndicale organisaties, volgens de door de Raad van beheer vastgestelde modaliteiten.
  De werklieden en werksters kunnen zich nochtans rechtstreeks tot het Fonds wenden. De onkosten, veroorzaakt door de betaling van de uitkeringen en vergoedingen worden afgehouden van het te betalen bedrag volgens een door de Raad van beheer van het Fonds vastgestelde schaal.
Art.24. Les allocations et indemnités sont payées aux travailleurs par les organisations syndicales représentées à la Commission paritaire, suivant les modalités fixées par le Conseil d'administration.
  Les ouvriers et ouvrières ont néanmoins la faculté de s'adresser directement au Fonds. Les frais occasionnés par le paiement des indemnités et allocations sont retenus sur le montant à payer suivant un bareme déterminé par le Conseil d'administration du Fonds.
Art.25. De voorwaarden van toekenning van de door het Fonds verleende bijslagen en uitkeringen, evenals het bedrag ervan, kunnen gewijzigd worden op voorstel van de Raad van beheer bij collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit.
Art.25. Les conditions d'octroi des allocations et indemnités accordées par le Fonds, de même que le montant de celles-ci, peuvent être modifiés sur proposition du Conseil d'administration, par convention collective de travail, conclue au sein de la Commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique, rendue obligatoire par arrêté royal.
Art.26. Onverminderd de bevoegdheid van de rechtbanken, worden de geschillen betreffende de toekenning van uitkeringen en bijslagen voorzien door de onderhavige statuten, voorgelegd aan een raadgevende Commissie opgericht door de Raad van beheer. Deze kan eveneens gewestelijke raadgevende commissies oprichten.
Art.26. Sans préjudice de la compétence des juridictions contentieuses, les litiges relatifs à l'octroi des indemnités et allocations prévues par les présents statuts sont soumis à une Commission consultative constituée par le Conseil d'administration. Celui-ci peut également instituer des commissions consultatives régionales.
D. Betaling van de bijzondere compensatietoeslag.
D. Financement de l'allocation spéciale compensatoire.
Art. 26bis. De in artikel 3, 4°, van de statuten bedoelde bijzondere compensatietoeslag wordt betaald door bemiddeling van de organisaties waarvan sprake in hetzelfde artikel aan de in artikel 5 en artikel 5bis bedoelde werklieden en werksters die in regel zijn met de bijdragen. Te dien einde stort het Fonds voor bestaanszekerheid, of in voorkomend geval de werkgeversorganisatie die voor de ondernemingen bedoeld in artikel 5, § 2, de bijdrage int, bij elk verlopen kwartaal op de syndicale rekeningen de opbrengst van de in artikel 14, § 3, bedoelde bijdragen, rekening houdend met de verdeelsleutel zoals vastgesteld door de bedoelde vakbondsorganisaties.
Art. 26bis. L'allocation spéciale compensatoire visée à l'article 3, 4°, des statuts est payée par l'intermédiaire des organisations dont question au même article, aux ouvriers et ouvrières visés à l'article 5 et à l'article 5bis, qui sont en ordre de cotisations. A cet effet, le Fonds de sécurité d'existence ou, le cas échéant, l'organisation patronale qui percoit la cotisation pour les entreprises de l'article 5, § 2, versé à trimestre échu aux comptes syndicaux le produit des cotisations supplémentaires prévues à l'article 14, § 3, selon les modalités de répartitions fixées par les organisations syndicales.
Art. 26ter. Het bedrag van de bijzondere compensatietoeslag bedoeld in artikel 14, § 3, wordt op voorstel van de Raad van beheer van het Fonds voor bestaanszekerheid jaarlijks vastgesteld, bij collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit.
Art. 26ter. Le montant de l'allocation spéciale compensatoire prévue à l'article 14, § 3, est fixé annuellement, sur proposition du Conseil d'administration du Fonds de sécurité d'existence, par convention collective de travail, conclue en Commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique, rendue obligatoire par arrêté royal.
E. Financiering van de beroepsopleiding.
E. Financement de la formation professionnelle.
Art. 26quater. Het Fonds voor bestaanszekerheid of in voorkomend geval de werkgeversorganisatie die voor de ondernemingen bedoeld in artikel 5, § 2, de bijdrage int, stort bij elk verlopen kwartaal de in artikel 14, § 5, bedoelde speciale bijdrage aan het " I.N.O.M. ".
  Het Fonds voor bestaanszekerheid stort bij elk verlopen kwartaal de in artikel 14, § 5, bedoelde bijkomende bijdrage geïnd voor de industriële en ambachtelijke ondernemingen aan de Vereniging zonder winstoogmerk " Tewerkstelling en opleiding van risicogroepen - arbeiders M.V.E.N. ", en voor de ondernemingen die bruggen en metalen gebinten monteren aan de Vereniging zonder winstoogmerk " Montage - nationaal Fonds voor tewerkstelling en de opleiding voor jongeren ".
Art. 26quater. Le Fonds de sécurité d'existence ou, le cas échéant, l'organisation patronale qui percoit la cotisation pour les entreprises de l'article 5, § 2, verse, à trimestre échu, à l'" I.F.P.M. ", la cotisation spéciale dont question à l'article 14, § 5.
  Le Fonds de sécurité d'existence verse, à trimestre échu, la cotisation supplémentaire dont question à l'article 14, § 5, percue pour les entreprises industrielles et artisanales à l'Association sans but lucratif " Emploi et Formation de groupes à risque - ouvriers I.F.M.E. " et pour les entreprises de montage de ponts et charpentes métalliques à l'Association sans but lucratif " Montage - Fonds national pour l'emploi et la formation des jeunes ".
F. Financiering van de kosten van opleiding van de werkgevers- en werknemersorganisaties.
F. Financement de l'intervention dans les frais de formation des organisations d'employeurs et de travailleurs.
Art. 26quinquies. Het Fonds, of in voorkomend geval de werkgeversorganisatie die voor de ondernemingen bedoeld in artikel 5, § 2, de bijdrage int, stort, bij elk verlopen kwartaal, de in artikel 14, § 4, bedoelde bijdrage aan de werkgeversorganisaties, vertegenwoordigd in het Paritair Comité. Tussen werkgevers- en werknemersorganisaties wordt paritair overeengekomen welk deel ervan wordt voorbehouden voor de syndicale opleiding.
Art. 26quinquies. Le Fonds ou, le cas échéant, l'organisation patronale qui percoit la cotisation pour les entreprises visées à l'article 5, § 2, verse, à trimestre échu, la cotisation dont question à l'article 14, § 4, aux organisations d'employeurs, représentées à la Commission paritaire. Entre organisations d'employeurs et de travailleurs, ils sera convenu paritairement quelle partie sera réservée pour la formation syndicale.
G. Jaarlijkse tewerkstellingsattesten.
G. Attestations d'emploi annuelles.
Art. 26sexies. Het Fonds levert jaarlijks tewerkstellingsattesten af aan de werklieden en werksters tewerkgesteld in de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw. Het Fonds kan zich hierbij laten bijstaan door derden. Het College van de voorzitters bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten tot aflevering van de tewerkstellingsattesten.
Art. 26sexies. Le Fonds délivre annuellement des attestations d'emploi aux ouvriers et ouvrières occupés dans les entreprises ressortissant à la Commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique. Le Fonds peut se faire assister par des tiers. Le Collège des présidents détermine les conditions et les modalités du délivrance des attestations d'emploi.
HOOFDSTUK VI. - Begroting, rekeningen.
CHAPITRE VI. - Budget, comptes.
Art.27. Het dienstjaar neemt een aanvang op 1 januari en sluit op 31 december. Het jaar 1965 is het eerste dienstjaar van het Fonds.
Art.27. L'exercice prend cours le 1er janvier et se clôture le 31 décembre. L'année 1965 constitue le premier exercice du Fonds.
Art.28. Elk jaar, en uiterlijk in de loop van de maand december, wordt het budget voor het volgend jaar onderworpen aan de goedkeuring van het Paritair Comité dat hiertoe zijn bevoegdheden aan een Paritair Subcomité mag overdragen.
Art.28. Chaque année, et au plus tard dans le courant du mois de décembre, le budget pour l'année suivante est soumis à l'approbation de la Commission paritaire qui peut, à cet effet, déléguer ses pouvoirs à une Sous-commission paritaire.
Art.29. De rekeningen van het verlopen jaar worden op 31 december afgesloten.
  De Raad van beheer, evenals de door het Paritair Comité krachtens artikel 12 van de wet van 7 januari 1958 aangeduide revisor, overhandigen elk een schriftelijk verslag betreffende de uitvoering van hun opdracht tijdens het verlopen jaar.
Art.29. Les comptes de l'année écoulée sont clôturés le 31 décembre.
  Le Conseil d'administration, ainsi que le réviseur désigné par la Commission paritaire en vertu de l'article 12 de la loi du 7 janvier 1958, remettent chacun, par écrit, un rapport concernant l'execution de leur mission au cours de l'année écoulée.
HOOFDSTUK VII. - Ontbinding, vereffening.
CHAPITRE VII. - Dissolution, liquidation.
Art.30. Het Fonds kan slechts bij eenparige beslissing van het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw worden ontbonden.
  Het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw dient tegelijkertijd de vereffenaars aan te stellen, hun bevoegdheden te omschrijven, hun vergoeding vast te stellen en de bestemming van het netto-actief van het Fonds te bepalen.
Art.30. Le Fonds ne peut être dissous que par décision unanime de la Commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique.
  La Commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique devra nommer en même temps les liquidateurs, déterminer leurs pouvoirs et leur rémunération, et définir la destination de l'actif net du Fonds.
Art. 31. De bepalingen van artikel 19sexies houden op van kracht te zijn op 30 juni 2001.
Art. 31. Les dispositions de l'article 19sexies cessent d'être en vigueur le 30 juin 2001.