Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 JANUARI 1999. - Wet houdende nieuwe maatregelen ten voordele van de oorlogsslachtoffers. (NOTA : raadpleging van vroegere versies vanaf 26-02-1999 en tekstbijwerking tot 05-07-2001)
Titre
26 JANVIER 1999. - Loi instaurant de nouvelles mesures en faveur des victimes de la guerre. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-02-1999 et mise à jour au 05-07-2001)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (12)
Texte (12)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE I. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Commissie van nationale erkentelijkheid.
CHAPITRE II. - Commission de reconnaissance nationale.
Art. 2. § 1. Een Commissie van nationale erkentelijkheid wordt opgericht om de bevoegde Minister advies te verstrekken voor het toekennen van een statuut, dat hij krachtens deze wet eershalve verleent.
(De minister tot wiens bevoegdheid de oorlogsslachtoffers behoren, kan evenwel in laatste aanleg uitspraak doen over de krachtens deze wet ingediende aanvragen tot erkenning van de statuten als bedoeld in artikel 3, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 12°, 13°, 16° en 17°, en in de artikelen 6 en 7, op grond van een dossier dat enerzijds, wat de burgerlijke statuten betreft, werd behandeld door de dienst van de oorlogsslachtoffers en anderzijds, wat de militaire statuten betreft, door de centrale dient van de naamrol. Wordt de aanvraag afgewezen, dan dient die beslissing met redenen te worden omkleed.) <W 2001-06-10/46, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 15-07-2001>
§ 2. Voor elk statuut zal, in de schoot van deze Commissie, een kamer worden ingesteld, samengesteld als volgt :
- een voorzitter;
- een ambtenaar van de bevoegde administratie;
- een afgevaardigde van een erkende vaderlandslievende vereniging.
Plaatsvervangende leden kunnen benoemd worden.
§ 3. De Koning benoemt de leden van de Commissie en regelt haar werkzaamheden.
(De minister tot wiens bevoegdheid de oorlogsslachtoffers behoren, kan evenwel in laatste aanleg uitspraak doen over de krachtens deze wet ingediende aanvragen tot erkenning van de statuten als bedoeld in artikel 3, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 12°, 13°, 16° en 17°, en in de artikelen 6 en 7, op grond van een dossier dat enerzijds, wat de burgerlijke statuten betreft, werd behandeld door de dienst van de oorlogsslachtoffers en anderzijds, wat de militaire statuten betreft, door de centrale dient van de naamrol. Wordt de aanvraag afgewezen, dan dient die beslissing met redenen te worden omkleed.) <W 2001-06-10/46, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 15-07-2001>
§ 2. Voor elk statuut zal, in de schoot van deze Commissie, een kamer worden ingesteld, samengesteld als volgt :
- een voorzitter;
- een ambtenaar van de bevoegde administratie;
- een afgevaardigde van een erkende vaderlandslievende vereniging.
Plaatsvervangende leden kunnen benoemd worden.
§ 3. De Koning benoemt de leden van de Commissie en regelt haar werkzaamheden.
Art. 2. § 1er. Une Commission de reconnaissance nationale est créée afin de donner un avis au Ministre compétent pour l'attribution d'un statut, qu'il accorde en vertu de la présente loi à titre honorifique.
(Cependant, le ministre qui a la compétence des victimes de la guerre dans ses attributions statue, en dernier ressort, sur les demandes introduites en vertu de la présente loi en reconnaissance des statuts visés à l'article 3, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 12°, 13°, 16° et 17° et aux articles 6 et 7, sur base d'un dossier instruit, d'une part, par le service des victimes de la guerre en ce qui concerne les statuts civils et, d'autre part, l'office central de la matricule en ce qui concerne les statuts militaires. En cas de rejet de la demande, la décision est motivée.) <L 2001-06-10/46, art. 3, 002; En vigueur : 15-07-2001>
§ 2. Au sein de cette Commission, il sera institué pour chaque statut, une Chambre composée comme suit :
- un président;
- un fonctionnaire de l'administration compétente;
- un délégué d'une association patriotique reconnue.
Des membres suppléants pourront être nommés.
§ 3. Le Roi nomme les membres de la Commission et règle ses activités.
(Cependant, le ministre qui a la compétence des victimes de la guerre dans ses attributions statue, en dernier ressort, sur les demandes introduites en vertu de la présente loi en reconnaissance des statuts visés à l'article 3, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 12°, 13°, 16° et 17° et aux articles 6 et 7, sur base d'un dossier instruit, d'une part, par le service des victimes de la guerre en ce qui concerne les statuts civils et, d'autre part, l'office central de la matricule en ce qui concerne les statuts militaires. En cas de rejet de la demande, la décision est motivée.) <L 2001-06-10/46, art. 3, 002; En vigueur : 15-07-2001>
§ 2. Au sein de cette Commission, il sera institué pour chaque statut, une Chambre composée comme suit :
- un président;
- un fonctionnaire de l'administration compétente;
- un délégué d'une association patriotique reconnue.
Des membres suppléants pourront être nommés.
§ 3. Le Roi nomme les membres de la Commission et règle ses activités.
HOOFDSTUK III. - Heropening van de termijnen voor het indienen van aanvragen tot het bekomen van een statuut van nationale erkentelijkheid van de oorlog 1940-1945 en van de veldtocht in Korea.
CHAPITRE III. - Réouverture des délais d'introduction des demandes pour l'obtention d'un statut de reconnaissance nationale de la guerre 1940-1945 et de la campagne de Corée.
Art. 3. De termijnen voor het indienen van aanvragen tot het bekomen van de volgende statuten van nationale erkentelijkheid worden heropend :
1° het statuut van gewapend weerstander, ingesteld bij de besluitwet van 19 september 1945, gewijzigd bij de wetten van 30 mei 1953 en 1 april 1965;
2° het statuut van inlichtings- en actieagent, ingesteld bij de besluitwet van 16 februari 1946 ter aanvulling en vervanging van de besluitwet van 1 september 1944;
3° het statuut van gedeporteerde tot de verplichte tewerkstelling, ingesteld bij de besluitwet van 24 december 1946, ingetrokken bij de wet van 7 juli 1953;
4° het statuut van burgerlijk weerstander en werkweigeraar, ingesteld bij de besluitwet van 24 december 1946, gewijzigd bij de wet van 2 april 1958;
5° het statuut van buitenlander politiek gevangene, ingesteld bij de wet van 5 februari 1947, gewijzigd bij wet van 10 maart 1954;
6° het statuut van krijgsgevangene, ingesteld bij de wet van 18 augustus 1947, gewijzigd bij de wetten van 25 februari 1957 en 10 oktober 1967;
7° het statuut van weerstander door de sluikpers, ingesteld bij de wet van 1 september 1948, gewijzigd bij de wetten van 9 juli 1951 en 24 juli 1952;
8° het statuut van politiek gevangene en zijn rechthebbenden, geco"rdineerd bij het koninklijk besluit van 16 oktober 1954;
9° het statuut van lid van de Belgische Strijdkrachten in Groot-Brittannië, ingesteld bij de wet van 21 juni 1960, gewijzigd bij de wetten van 10 oktober 1967 en 10 juli 1969;
10° het statuut van Belgisch militair die tijdens de verschillende fazen van de oorlog 1940-1945 dienst volbracht heeft, ingesteld bij het koninklijk besluit van 28 augustus 1964;
11° het statuut van oorlogsvrijwilliger, ingesteld bij het koninklijk besluit van 4 december 1974;
12° het statuut van weerstander tegen het nazisme, ingesteld bij de wet van 21 november 1974, gewijzigd bij de wet van 4 juni 1982;
13° het statuut van verplicht ingelijfde, ingesteld bij de wet van 21 november 1974;
14° het statuut van gemobiliseerde, ingesteld bij het koninklijk besluit van 20 februari 1975;
15° het statuut van ontvluchte, ingesteld bij het koninklijk besluit van 11 maart 1975, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 maart 1979 en 13 december 1983;
16° het statuut van zeevisser, ingesteld bij het koninklijk besluit van 8 februari 1984;
17° het statuut van vrijwilliger bij de Recruteringscentra van het Belgisch Leger, ingesteld bij het koninklijk besluit van 12 april 1990;
18° het statuut van geïnterneerde-verzetsstrijder, ingesteld bij het koninklijk besluit van 10 december 1990;
19° het statuut van lid van het Expeditiekorps voor Korea, ingesteld bij het koninklijk besluit van 22 juni 1983, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 oktober 1983.
1° het statuut van gewapend weerstander, ingesteld bij de besluitwet van 19 september 1945, gewijzigd bij de wetten van 30 mei 1953 en 1 april 1965;
2° het statuut van inlichtings- en actieagent, ingesteld bij de besluitwet van 16 februari 1946 ter aanvulling en vervanging van de besluitwet van 1 september 1944;
3° het statuut van gedeporteerde tot de verplichte tewerkstelling, ingesteld bij de besluitwet van 24 december 1946, ingetrokken bij de wet van 7 juli 1953;
4° het statuut van burgerlijk weerstander en werkweigeraar, ingesteld bij de besluitwet van 24 december 1946, gewijzigd bij de wet van 2 april 1958;
5° het statuut van buitenlander politiek gevangene, ingesteld bij de wet van 5 februari 1947, gewijzigd bij wet van 10 maart 1954;
6° het statuut van krijgsgevangene, ingesteld bij de wet van 18 augustus 1947, gewijzigd bij de wetten van 25 februari 1957 en 10 oktober 1967;
7° het statuut van weerstander door de sluikpers, ingesteld bij de wet van 1 september 1948, gewijzigd bij de wetten van 9 juli 1951 en 24 juli 1952;
8° het statuut van politiek gevangene en zijn rechthebbenden, geco"rdineerd bij het koninklijk besluit van 16 oktober 1954;
9° het statuut van lid van de Belgische Strijdkrachten in Groot-Brittannië, ingesteld bij de wet van 21 juni 1960, gewijzigd bij de wetten van 10 oktober 1967 en 10 juli 1969;
10° het statuut van Belgisch militair die tijdens de verschillende fazen van de oorlog 1940-1945 dienst volbracht heeft, ingesteld bij het koninklijk besluit van 28 augustus 1964;
11° het statuut van oorlogsvrijwilliger, ingesteld bij het koninklijk besluit van 4 december 1974;
12° het statuut van weerstander tegen het nazisme, ingesteld bij de wet van 21 november 1974, gewijzigd bij de wet van 4 juni 1982;
13° het statuut van verplicht ingelijfde, ingesteld bij de wet van 21 november 1974;
14° het statuut van gemobiliseerde, ingesteld bij het koninklijk besluit van 20 februari 1975;
15° het statuut van ontvluchte, ingesteld bij het koninklijk besluit van 11 maart 1975, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 maart 1979 en 13 december 1983;
16° het statuut van zeevisser, ingesteld bij het koninklijk besluit van 8 februari 1984;
17° het statuut van vrijwilliger bij de Recruteringscentra van het Belgisch Leger, ingesteld bij het koninklijk besluit van 12 april 1990;
18° het statuut van geïnterneerde-verzetsstrijder, ingesteld bij het koninklijk besluit van 10 december 1990;
19° het statuut van lid van het Expeditiekorps voor Korea, ingesteld bij het koninklijk besluit van 22 juni 1983, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 oktober 1983.
Art. 3. Les délais d'introduction des demandes pour l'obtention des statuts de reconnaissance nationale suivants sont rouverts :
1° le statut de résistant armé, créé par l'arrêté-loi du 19 septembre 1945, modifié par les lois des 30 mai 1953 et 1er avril 1965;
2° le statut d'agent de renseignements et d'action, créé par l'arrêté-loi du 16 février 1946 complétant et remplacant l'arrêté-loi du 1er septembre 1944;
3° le statut de déporté pour le travail obligatoire, créé par l'arrêté-loi du 24 décembre 1946, abrogé par la loi du 7 juillet 1953;
4° le statut de résistant civil et de réfractaire, créé par l'arrêté-loi du 24 décembre 1946, modifié par la loi du 2 avril 1958;
5° le statut d'étranger prisonnier politique, créé par la loi du 5 février 1947, modifié par la loi du 10 mars 1954;
6° le statut de prisonnier de guerre, créé par la loi du 18 août 1947, modifié par les lois des 25 février 1957 et 10 octobre 1967;
7° le statut de résistant par la presse clandestine. créé par la loi du 1er septembre 1948, modifié par les lois des 9 juillet 1951 et 24 juillet 1952;
8° le statut de prisonnier politique et de ses ayants-droit, coordonné par l'arrêté royal du 16 octobre 1954;
9° le statut de membre des Forces belges en Grande-Bretagne, créé par la loi du 21 juin 1960, modifié par les lois des 10 octobre 1967 et 10 juillet 1969;
10° le statut de militaire belge qui a effectué du service au cours des différentes phases de la guerre 1940-1945, créé par l'arrêté royal du 28 août 1964;
11° le statut de volontaire de guerre, créé par l'arrêté royal du 4 décembre 1974;
12° le statut de résistant au nazisme, créé par la loi du 21 novembre 1974, modifié par la loi du 4 juin 1982;
13° le statut d'incorporé de force, créé par la loi du 21 novembre 1974;
14° le statut de mobilisé, créé par l'arrêté royal du 20 février 1975:
15° le statut d'évadé, créé par l'arrêté royal du 11 mars 1975, modifié par les arrêtés royaux des 15 mars 1979 et 13 décembre 1983;
16° le statut de pêcheur marin, créé par l'arrêté royal du 8 février 1984;
17° le statut de volontaire auprès des centres de recrutement de l'armée belge, créé par l'arrêté royal du 12 avril 1990;
18° le statut d'interné-résistant, créé par l'arrêté royal du 10 décembre 1990;
19° le statut de membre du Corps expéditionnaire pour la Corée, créé par l'arrêté royal du 22 juin 1983, modifié par l'arrêté royal du 24 octobre 1983.
1° le statut de résistant armé, créé par l'arrêté-loi du 19 septembre 1945, modifié par les lois des 30 mai 1953 et 1er avril 1965;
2° le statut d'agent de renseignements et d'action, créé par l'arrêté-loi du 16 février 1946 complétant et remplacant l'arrêté-loi du 1er septembre 1944;
3° le statut de déporté pour le travail obligatoire, créé par l'arrêté-loi du 24 décembre 1946, abrogé par la loi du 7 juillet 1953;
4° le statut de résistant civil et de réfractaire, créé par l'arrêté-loi du 24 décembre 1946, modifié par la loi du 2 avril 1958;
5° le statut d'étranger prisonnier politique, créé par la loi du 5 février 1947, modifié par la loi du 10 mars 1954;
6° le statut de prisonnier de guerre, créé par la loi du 18 août 1947, modifié par les lois des 25 février 1957 et 10 octobre 1967;
7° le statut de résistant par la presse clandestine. créé par la loi du 1er septembre 1948, modifié par les lois des 9 juillet 1951 et 24 juillet 1952;
8° le statut de prisonnier politique et de ses ayants-droit, coordonné par l'arrêté royal du 16 octobre 1954;
9° le statut de membre des Forces belges en Grande-Bretagne, créé par la loi du 21 juin 1960, modifié par les lois des 10 octobre 1967 et 10 juillet 1969;
10° le statut de militaire belge qui a effectué du service au cours des différentes phases de la guerre 1940-1945, créé par l'arrêté royal du 28 août 1964;
11° le statut de volontaire de guerre, créé par l'arrêté royal du 4 décembre 1974;
12° le statut de résistant au nazisme, créé par la loi du 21 novembre 1974, modifié par la loi du 4 juin 1982;
13° le statut d'incorporé de force, créé par la loi du 21 novembre 1974;
14° le statut de mobilisé, créé par l'arrêté royal du 20 février 1975:
15° le statut d'évadé, créé par l'arrêté royal du 11 mars 1975, modifié par les arrêtés royaux des 15 mars 1979 et 13 décembre 1983;
16° le statut de pêcheur marin, créé par l'arrêté royal du 8 février 1984;
17° le statut de volontaire auprès des centres de recrutement de l'armée belge, créé par l'arrêté royal du 12 avril 1990;
18° le statut d'interné-résistant, créé par l'arrêté royal du 10 décembre 1990;
19° le statut de membre du Corps expéditionnaire pour la Corée, créé par l'arrêté royal du 22 juin 1983, modifié par l'arrêté royal du 24 octobre 1983.
Art. 4. De toekenning van een statuut, ingevolge de heropening van de termijnen bedoeld in artikel 3, kan geen financiële weerslag hebben.
Art. 4. L'octroi d'un statut, suite à la réouverture des délais visés à l'article 3, ne peut entraîner aucune incidence financière.
Art. 5. § 1. Het statuut wordt verleend aan de aanvrager die voldoet aan de voorwaarden voorzien bij de wetten en besluiten van het betrokken statuut.
§ 2. De aanvragen tot het verkrijgen van het statuut, moeten door de belanghebbenden per aangetekend schrijven worden ingediend bij de Minister, bevoegd inzake de oorlogsslachtoffers, binnen een termijn van 12 maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
§ 2. De aanvragen tot het verkrijgen van het statuut, moeten door de belanghebbenden per aangetekend schrijven worden ingediend bij de Minister, bevoegd inzake de oorlogsslachtoffers, binnen een termijn van 12 maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
Art. 5. § 1er. Le statut est accordé au demandeur qui remplit les conditions prévues par les lois et arrêtés du statut concerné.
§ 2. Les demandes tendant à obtenir le statut, doivent être introduites par les intéressés, par pli recommandé, auprès du Ministre, compétent en ce qui concerne les Victimes de la guerre, endéans un délai de 12 mois prenant cours à l'entrée en vigueur de la présente loi.
§ 2. Les demandes tendant à obtenir le statut, doivent être introduites par les intéressés, par pli recommandé, auprès du Ministre, compétent en ce qui concerne les Victimes de la guerre, endéans un délai de 12 mois prenant cours à l'entrée en vigueur de la présente loi.
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen die de leden van de joodse gemeenschap betreffen.
CHAPITRE IV. - Dispositions relatives aux membres de la communauté juive.
Art. 6. § 1. Er wordt een statuut van het tijdens de tweede wereldoorlog ondergedoken joodse kind, ingesteld.
§ 2. De toekenning van het statuut bedoeld in § 1 kan geen financiële weerslag hebben.
§ 3. De aanvragen om aanspraak te maken op het statuut van het ondergedoken joodse kind, zullen, per aangetekend schrijven, door de belanghebbenden moeten worden ingediend bij de Minister die bevoegd is inzake burgerlijke oorlogsslachtoffers, binnen een termijn van 12 maanden vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit dat dit statuut regelt.
§ 2. De toekenning van het statuut bedoeld in § 1 kan geen financiële weerslag hebben.
§ 3. De aanvragen om aanspraak te maken op het statuut van het ondergedoken joodse kind, zullen, per aangetekend schrijven, door de belanghebbenden moeten worden ingediend bij de Minister die bevoegd is inzake burgerlijke oorlogsslachtoffers, binnen een termijn van 12 maanden vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit dat dit statuut regelt.
Art. 6. § 1er. Il est créé un statut de l'enfant juif caché pendant la seconde guerre mondiale.
§ 2. L'octroi du statut visé au § 1er ne peut entraîner aucune incidence financière.
§ 3. Les demandes tendant à obtenir le bénéfice du statut de l'enfant juif caché devront être introduites par les intéressés, par pli recommandé, auprès du Ministre qui est compétent pour les Victimes civiles de la guerre, endéans un délai de 12 mois prenant cours à l'entrée en vigueur de l'arrêté royal qui réglera ce statut.
§ 2. L'octroi du statut visé au § 1er ne peut entraîner aucune incidence financière.
§ 3. Les demandes tendant à obtenir le bénéfice du statut de l'enfant juif caché devront être introduites par les intéressés, par pli recommandé, auprès du Ministre qui est compétent pour les Victimes civiles de la guerre, endéans un délai de 12 mois prenant cours à l'entrée en vigueur de l'arrêté royal qui réglera ce statut.
Art. 7. § 1. Indien de feiten die aanleiding gaven tot de erkenning als burgerlijk weerstander leden van de joodse gemeenschap ten goede kwamen, kan de begunstigde van dit statuut aanspraak maken op het erediploma van Rechtvaardige.
§ 2. De Koning bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten van dit erediploma.
§ 2. De Koning bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten van dit erediploma.
Art. 7. § 1er. A condition que les faits qui ont donné lieu à la reconnaissance en qualité de résistant civil aient été accomplis en faveur de membres de la communauté juive, le bénéficiaire de ce statut peut demander le diplôme d'honneur de Juste.
§ 2. Le Roi détermine les conditions et les modalités de ce diplôme d'honneur.
§ 2. Le Roi détermine les conditions et les modalités de ce diplôme d'honneur.
Art. 8. In artikel 1 van de wet van 5 februari 1947 dragende het statuut van de buitenlanders politieke gevangenen, gewijzigd door de wet van 10 maart 1954, worden tussen de woorden "dienden" en "kunnen" de woorden "en de leden van de joodse gemeenschap die op 10 mei 1940 in België verbleven" ingevoegd.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 26 januari 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Ambtenarenzaken,
A. FLAHAUT
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 26 januari 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Ambtenarenzaken,
A. FLAHAUT
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Art. 8. Dans l'article premier de la loi du 5 février 1947 organisant le statut des étrangers prisonniers politiques, modifié par la loi du 10 mars 1954, sont insérés entre les mots " desseins " et " pourront " les mots " et les membres de la communauté juive qui résidaient en Belgique au 10 mai 1940 ".
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 26 janvier 1999.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Fonction publique,
A. FLAHAUT
Scellé du sceau de l'Etat :
Le Ministre de la Justice,
T. VAN PARYS
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 26 janvier 1999.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Fonction publique,
A. FLAHAUT
Scellé du sceau de l'Etat :
Le Ministre de la Justice,
T. VAN PARYS