Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 MAART 1999. - Wet betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-04-1999 en tekstbijwerking tot 29-12-2022)
Titre
26 MARS 1999. - Loi relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-04-1999 et mise à jour au 29-12-2022)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling. HOOFDSTUK II. - Omzetting van het Belgisch acti... Afdeling I. - Stage der jongeren. Onderafdeling I. - Wijziging van het koninklijk... Onderafdeling II. - Wijziging van de wet van 30... Afdeling II. - Voordeelbanenplan. Afdeling III. - Activering van de werkloosheids... Afdeling IV. - Verlaging van de sociale lasten. Afdeling V. - Betaald educatief verlof. Afdeling VI. - Nieuwe arbeidsorganisatie. Onderafdeling I. - Arbeidsherverdelende bijdrag... Onderafdeling II. - De vierdagenweek om arbeids... Afdeling VII. - Aandelen met décote stock options. Onderafdeling I. - Aandelenopties. Onderafdeling II. - Uitgifte van aandelen met p... Afdeling VIII. - Dienstencheques. Afdeling IX. - Sociale balans. Afdeling X. - Sociale economie. Onderafdeling I. - Definitie en algemeenheden. Onderafdeling II. - Overheidsopdrachten. Onderafdeling III. - Statuut van stagiairs in l... Onderafdeling IV. - Fiscale maatregelen. Afdeling XI. - Non-profitsector. Onderafdeling I. - Centrale raad voor het bedri... Onderafdeling II. - Sociale Maribel Groepering ... Onderafdeling III. - Sociale Maribel mutualiser... Afdeling XII. - Plus-één-, plus-twee-, plus-dri... Afdeling XIII. - Loopbaanonderbreking. HOOFDSTUK III. - Diverse bepalingen. Afdeling I. - Wijziging van het koninklijk besl... Afdeling II. - Wijziging van de besluitwet van ... Afdeling III. - Wijziging van de wet van 12 apr... Afdeling IV. - Pool van de Zeelieden ter Koopva... Afdeling V. - Bepalingen met betrekking tot het... Afdeling VI. - Bepalingen betreffende het Inter... Onderafdeling 1. - Inspanningen ten voordele va... Onderafdeling 2. - Stage der jongeren. Onderafdeling 3. - Voltijds brugpensioen. Onderafdeling 4. - Halftijds brugpensioen. Onderafdeling 5. - Jaarlijkse vakantie. Afdeling VII. - Begeleiding van werklozen. Afdeling VIII. - Tijdelijke werkloosheid. HOOFDSTUK IV. - Inwerkingtreding.
Inhoud
CHAPITRE PREMIER. - Disposition générale. CHAPITRE II. - Mise en oeuvre du plan d'action ... Section première. - Stage des jeunes. Sous-section première. - Modification de l'arrê... Sous-section II. - Modification à la loi du 30 ... Section II. - Plan avantage à l'embauche. Section III. - Activation des allocations de ch... Section IV. - Réduction des charges sociales. Section V. - Congé éducation payé. Section VI. - Nouvelle organisation du travail. Sous-section I. - Diminutions de cotisations po... Sous-section II. - La semaine des quatre jours ... Section VII. - Actions avec décote stock options. Sous-section I. - Options sur actions. Sous-section II. - Emission d'actions avec decote. Section VIII. - Chèques-services. Section IX. - Bilan social. Section X. - Economie sociale. Sous-section I. - Définition et généralités. Sous-section II. - Marchés publics. Sous-section III. - Statut des stagiaires en en... Sous-section IV. - Mesures fiscales. Section XI. - Secteur non marchand. Sous-section I. - Conseil central de l'économie. Sous-section II. - Maribel social. - Groupement... Sous-section III. - Maribel social. - Mutualisa... Section XII. - Plan plus un, plus deux, plus tr... Section XIII. - Interruption de carrière. CHAPITRE III. - Dispositions diverses. Section première. - Modification de l'arrête ro... Section II. - Modification de l'arrêté-loi du 2... Section III. - Modification de la loi du 12 avr... Section IV. - Pool des marins de la marine marc... Section V. - Dispositions relatives à l'apprent... Section VI. - Dispositions relatives à l'accord... Sous-section 1. - Efforts en faveur des chômeurs. Sous-section 2. - Stage des jeunes. Sous-section 3. - Prépension à temps plein. Sous-section 4. - Prépension à mi-temps. Sous-section 5. - Vacances annuelles. Section VII. - Accompagnement des chômeurs. Section VIII. - Chômage temporaire. CHAPITRE IV. - Entrée en vigueur.
Tekst (171)
Texte (171)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE PREMIER. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Omzetting van het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998.
CHAPITRE II. - Mise en oeuvre du plan d'action belge pour l'emploi 1998.
Afdeling I. - Stage der jongeren.
Section première. - Stage des jeunes.
Onderafdeling I. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces.
Sous-section première. - Modification de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes.
Art.2. Artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces, gewijzigd door de wetten van 22 januari 1985, 6 juli 1989, 16 juli 1990, 20 juli 1991 en 22 december 1995, het koninklijk besluit van 27 januari 1997 en de wet van 13 februari 1998, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De werkzoekenden die minder dan dertig jaar zijn bij de aanvang van de stage en die nog geen beroepsarbeid hebben verricht, kunnen een stage volbrengen in een administratie of een onderneming overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.".
Art.2. L'article 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes, modifié par les lois des 22 janvier 1985, 6 juillet 1989, 16 juillet 1990, 20 juillet 1991 et 22 décembre 1995, l'arrêté royal du 27 janvier 1997 et la loi du 13 février 1998, est remplacé par la disposition suivante :
  " Les demandeurs d'emploi de moins de trente ans au début du stage et qui n'ont pas encore exercé d'activité professionnelle peuvent effectuer un stage dans une administration ou une entreprise conformément aux dispositions du présent arrêté. ".
Art.3. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 22 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De administratie die ten minste 50 werknemers tewerkstelt moet stagiairs als bedoeld in artikel 1 tewerkstellen. Het totaal aantal aangeworven stagiairs moet overeenstemmen met een voltijdse aanwerving van 3 % van het personeelsbestand van de administratie uitgedrukt in voltijdse equivalenten. De in dienst zijnde stagiairs worden in dat bestand niet meegeteld.";
  2° § 3, ingevoegd door de wet van 16 juli 1990 en gewijzigd bij de wetten van 20 juli 1991 en 22 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "§ 3. In afwijking van § 1, eerste lid, wordt het percentage dat niet lager mag zijn dan 2 % van het personeelsbestand van de administratie vanaf 1 januari 1990 bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit vastgelegd. Het kan per instelling van openbaar nut gedifferentieerd worden in functie van de specifieke toestand van de instellingen van openbaar nut alsmede van de toestand van de arbeidsmarkt.".
Art.3. A l'article 4 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er, alinéa 1er, modifié par la loi du 22 décembre 1995, est remplacé par la disposition suivante :
  " L'administration qui occupe au moins 50 travailleurs doit occuper des stagiaires visés à l'article 1er. Le nombre total de stagiaires engagés doit correspondre à un engagement à temps plein de 3 % de l'effectif du personnel de l'administration, calculés en équivalent temps plein. Les stagiaires en service ne sont pas compris dans cet effectif. ";
  2° le § 3, inséré par la loi du 16 juillet 1990 et modifié par les lois des 20 juillet 1991 et 22 décembre 1995, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, le pourcentage, qui ne peut être inférieur à 2 % de l'effectif du personnel de l'administration à partir du 1er janvier 1990, est fixé par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. Il peut être différencié par organisme d'intérêt public en fonction de la situation spécifique des organismes d'intérêt public ainsi que de la situation du marché de l'emploi. ".
Art.4. In artikel 5 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, wordt vervangen door het volgende lid :
  "De stagiairs in de administratie worden ofwel voltijds, ofwel 4/5-tijds, ofwel halftijds tewerkgesteld. De 4/5-tijdse tewerkstelling moet verdeeld worden over volledige dagen.";
  2° in § 1 worden het tweede, het derde en het vierde lid opgeheven;
  3° in § 2, 2°, gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985 en 13 februari 1998, worden de woorden "voltijdse stagiair" vervangen door de woorden "halftijdse stagiair".
Art.4. A l'article 5 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er, alinéa 1er, modifié par la loi du 13 février 1998, est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Les stagiaires dans l'administration sont occupés soit à temps plein, soit à 4/5 temps, soit à mi-temps. L'occupation à 4/5 temps doit être répartie en journées complètes. ";
  2° au § 1er, les alinéas 2, 3 et 4 sont abrogés;
  3° au § 2, 2°, modifié par les lois des 22 janvier 1985 et 13 février 1998, les mots " à temps plein " sont remplacés par les mots " à mi-temps ".
Art.5. In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985, 22 december 1989, 22 december 1995 en 13 februari 1998 en bij de koninklijke besluiten van 24 december 1993 en 27 januari 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De onderneming die ten minste 50 werknemers tewerkstelt moet stagiairs als bedoeld in artikel 1 tewerkstellen. Het totaal aantal aangeworven stagiairs moet overeenstemmen met een voltijdse aanwerving van 3 % van het personeelsbestand van de onderneming berekend in voltijdse equivalenten. De in dienst zijnde stagiairs worden in dat personeelsbestand niet meegeteld.";
  2° het tweede lid, 4°, opgeheven bij de wet van 13 februari 1998, wordt opnieuw ingevoegd als volgt :
  "4° de jongeren die werden aangeworven in het kader van een overeenkomst werkopleiding zoals bedoeld in het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, en dit gedurende de duur van deze overeenkomst;".
Art.5. A l'article 7, § 1er, du même arrêté, modifié par les lois des 22 janvier 1985, 22 décembre 1989, 22 décembre 1995 et 13 février 1998 et par les arrêtés royaux des 24 décembre 1993 et 27 janvier 1997, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " L'entreprise qui occupe au moins 50 travailleurs doit occuper des stagiaires visés à l'article 1er. Le nombre total de stagiaires engagés doit correspondre à un engagement à temps plein de 3 % de l'effectif du personnel de l'entreprise calculé en équivalent temps plein. Les stagiaires en service ne sont pas comptés dans cet effectif. ";
  2° l'alinéa 2, 4°, abrogé par la loi du 13 février 1998 est inséré à nouveau comme suit :
  " 4° les jeunes engagés dans le cadre d'une convention emploi-formation telle que visée par l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes, et ce, durant la durée de la convention susmentionnée; ".
Art.6. Artikel 10ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 januari 1997, wordt opgeheven.
Art.6. L'article 10ter du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 27 janvier 1997, est abrogé.
Art.7. In artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985 en van 13 februari 1998, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, worden het tweede en derde lid opgeheven;
  2° § 2, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "2° stemt de aanwerving van een leerling, bij toepassing van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, of van een jonge werknemer die gelijkgesteld is met een stagiair ingevolge artikel 7, § 1, tweede lid, 3° en 4° overeen met de aanwerving van een halftijdse stagiair;".
Art.7. A l'article 12 du même arrêté, modifié par les lois des 22 janvier 1985 et 13 février 1998, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, les alinéas 2 et 3 sont abrogés;
  2° le § 2, 2°, est remplacé par la disposition suivante :
  " 2° l'engagement d'un apprenti en application de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés ou d'un jeune travailleur assimilé à un stagiaire en vertu de l'article 7, § 1er, alinéa 2, 3° et 4° équivaut à l'engagement d'un stagiaire à mi-temps; ".
Art.8. Artikel 17, derde lid van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, wordt opgeheven.
Art.8. L'article 17, alinéa 3 du même arrêté, modifié par la loi du 13 février 1998, est abrogé.
Art.9. Artikel 23, § 1, laatste lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 22 december 1995, wordt opgeheven.
Art.9. L'article 23, § 1er, dernier alinéa du même arrêté, inséré par la loi du 22 décembre 1995, est abrogé.
Art.10. Artikel 24bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 22 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 24bis. De werkgever is er toe gehouden in zijn driemaandelijkse aangifte aan de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen, volgens de modaliteiten vastgesteld door laatstgenoemde instellingen, de juiste identiteit te vermelden van de werknemer die in dienst is met een stageovereenkomst.".
Art.10. L'article 24bis du même arrêté, inséré par la loi du 22 décembre 1995, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 24bis. L'employeur est tenu de mentionner dans sa déclaration trimestrielle aux institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale, selon les modalités fixées par les institutions susmentionnées, l'identité exacte du travailleur lié par un contrat de stage. ".
Art.11. In artikel 25, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989 en van 13 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° 1° wordt aangevuld als volgt :
  "c) de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die de bepalingen van het artikel 24bis niet in acht neemt;";
  2° 2° wordt opgeheven.
Art.11. A l'article 25, § 1er, du même arrêté, modifié par les lois du 22 décembre 1989 et du 13 février 1998, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le 1° est complété comme suit :
  " c) l'employeur, ses préposés ou mandataires qui ne respectent pas les dispositions de l'article 24bis; ";
  2° le 2° est abrogé.
Art.12. Een hoofdstuk Vbis, luidend als volgt, en bevattende de artikelen 26 tot 26ter, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd :
  "HOOFDSTUK Vbis. - Compensatoire vergoeding voor de tewerkstelling van jongeren.".
  "Art. 26. § 1. Aan de werkgever die de bepalingen, naar gelang van het geval, van de artikelen 4 of 7 niet heeft geëerbiedigd, kan een compensatoire vergoeding worden opgelegd van 3 000 frank.
  Deze vergoeding wordt vermenigvuldigd met :
  1° het aantal kalenderdagen tijdens dewelke het verplicht aantal stagiairs niet werd tewerkgesteld of tijdens dewelke de aanwerving van stagiairs werd gecompenseerd door het ontslag van personeel;
  2° het aantal stagiairs dat niet werd tewerkgesteld of het aantal personen die werden ontslagen om de tewerkstelling van stagiairs te compenseren.
  Voor de toepassing van dit besluit, bepaalt de Koning wat verstaan moet worden onder compensatie van de aanwerving van stagiairs door het ontslag van personeel en stelt de berekeningswijze vast van deze compensatie.
  § 2. Jaarlijks kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit het in § 1, eerste lid, bedoelde bedrag aanpassen.
  § 3. Bij gebreke aan storting of in geval van ontoereikendheid ervan, is een verwijlintrest verschuldigd tegen een rentevoet van 1 % per maand tot en met de maand waarin de betaling geschiedt.".
  "Art. 26bis. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan.
  Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.
  De vaststelling van het niet-naleven van de bepalingen, voorzien in de artikelen 4 of 7 van dit besluit, gebeurt door middel van een proces-verbaal dat bewijswaarde heeft tot het tegendeel bewezen is, op voorwaarde dat een afschrift daarvan aan de werkgever wordt medegedeeld binnen een termijn van veertien dagen, die een aanvang neemt de dag na de vaststelling van de overtreding. Een exemplaar van het proces-verbaal waarbij de overtreding is vastgesteld, wordt aan de door de Koning aangewezen ambtenaar toegezonden.
  De door de Koning aangewezen ambtenaar beslist, nadat de werkgever de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voren te brengen, of wegens de niet-aanwerving van stagiairs of ontslagen van personeel in compensatie van aanwerving van stagiairs, een compensatoire vergoeding moet worden opgelegd.
  Deze vergoeding wordt opgelegd onder dezelfde voorwaarden en mits naleving van dezelfde regels als deze bedoeld in de artikelen 1ter, 2, 3, 8, 9 en 13 van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten.
  De Koning bepaalt de termijn en de voorwaarden van betaling van de compensatoire vergoeding opgelegd door de in het eerste lid bedoelde ambtenaar.".
  "Art. 26ter. De compensatoire vergoeding bedoeld in de artikelen 26 en 26bis wordt gestort op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds opgericht bij het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid in uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling.
  De opbrengst van deze compensatoire vergoeding wordt aangewend voor het scheppen van arbeidsplaatsen voor jongeren, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.".
Art.12. Un Chapitre Vbis, libellé comme suit et comprenant les articles 26 à 26ter, est inséré dans le même arrêté :
  " CHAPITRE Vbis. - Indemnité compensatoire pour l'emploi des jeunes. ".
  " Art. 26. § 1er. L'employeur qui n'a pas respecté les dispositions, selon le cas, des articles 4 ou 7 peut se voir infliger le paiement d'une indemnité compensatoire de 3 000 francs.
  Cette indemnité est multipliée par :
  1° le nombre de jours calendriers durant lesquels le nombre obligatoire de stagiaires n'a pas été occupé ou durant lesquels le recrutement de stagiaires a été compensé par du licenciement de personnel;
  2° le nombre de stagiaires qui n'ont pas été occupés ou le nombre de personnes qui ont été licenciées pour compenser le recrutement de stagiaires.
  Pour l'application du présent arrêté, le Roi définit ce qu'il faut entendre par compensation du recrutement de stagiaires par du licenciement de personnel et détermine le mode de calcul de cette compensation.
  § 2. Le Roi peut adapter, chaque année, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant prévu au § 1er, alinéa 1er.
  § 3. A défaut ou en cas d'insuffisance de versement, un intérêt de retard est dû au taux de 1 % par mois, y compris le mois au cours duquel le paiement a lieu. ".
  " Art. 26bis. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires désignés par le Roi surveillent le respect du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution.
  Ces fonctionnaires exercent cette surveillance conformément aux dispositions de la loi du 16 novembre 1972 concernant l'Inspection du Travail.
  La constatation du non-respect des dispositions prévues aux articles 4 ou 7 du présent arrêté est faite au moyen d'un procès-verbal qui fait foi jusqu'à preuve du contraire pour autant qu'une copie en soit communiquée à l'employeur dans un délai de quatorze jours qui prend cours le lendemain du jour de la constatation de l'infraction. Un exemplaire du procès-verbal constatant l'infraction est transmis au fonctionnaire désigné par le Roi.
  Le fonctionnaire désigné par le Roi décide, après avoir mis l'employeur en mesure de présenter ses moyens de défense, s'il y a lieu d'infliger une indemnité compensatoire du chef du non-engagement de stagiaires ou du licenciement de personnel en compensation de l'engagement de stagiaires.
  Cette indemnité compensatoire est infligée aux mêmes conditions et pour autant que les mêmes règles que celles visées aux articles 1erter, 2, 3, 8, 9 et 13 de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infraction à certaines lois sociales, soient respectées.
  Le Roi détermine le délai et les modalités de paiement de l'indemnité compensatoire infligée par le fonctionnaire visé à l'alinéa 1er. ".
  " Art. 26ter. L'indemnité compensatoire visée aux articles 26 et 26bis est versée sur un compte spécial du Fonds pour l'emploi créé au sein du Ministère de l'Emploi et du Travail en exécution de l'article 4 de l'arrêté royal n° 181 du 30 décembre 1982 portant création d'un Fonds en vue de l'utilisation de la modération salariale supplémentaire pour l'emploi.
  Le produit de cette indemnité compensatoire est destiné à la création d'emplois pour les jeunes, selon les modalités définies par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres. ".
Art.13. De eerste werkervaringscontracten die lopen op 1 januari 1999 blijven tot het beëindigen ervan onderworpen aan de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces zoals het gold vóór 1 januari 1999.
Art.13. Les contrats de première expérience professionnelle en cours au 1er janvier 1999 restent soumis jusqu'à leur échéance aux dispositions de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes, telles qu'elles étaient en vigueur jusqu'au 1er janvier 1999.
Art.14. § 1. De in Hoofdstuk Vbis van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 voorziene compensatoire vergoeding is van toepassing op de inbreuken vastgesteld na de inwerkingtreding van deze wet en voor de stagiairs die niet in dienst zijn na deze datum.
  § 2. De bepaling van artikel 25, § 1, 2°, van hetzelfde besluit blijft van toepassing op de inbreuken gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze wet en voor de stagiairs die niet in dienst waren vóór deze datum.
Art.14. § 1er. L'indemnité compensatoire prévue au Chapitre Vbis de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité est d'application aux infractions constatées après la date d'entrée en vigueur de la présente loi et pour les stagiaires qui ne sont pas en service après cette date.
  § 2. La disposition de l'article 25, § 1er, 2°, du même arrêté reste d'application aux infractions commises avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi et pour les stagiaires qui n'étaient pas en service avant cette date.
Onderafdeling II. - Wijziging van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten.
Sous-section II. - Modification à la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicable en cas d'infraction à certaines lois sociales.
Art.15. In artikel 1, 36°, van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, ingevoegd door de wet van 20 juli 1991, worden de woorden "16 en 23" vervangen door de woorden "16, 23 en 24bis".
Art.15. A l'article 1er, 36°, de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infraction à certaines lois sociales, inséré par la loi du 20 juillet 1991, les mots " 16 et 23 " sont remplacés par les mots " 16, 23 et 24bis ".
Art.16. Artikel 1bis, 4°, van dezelfde wet, wordt opgeheven.
Art.16. L'article 1erbis, 4°, de la même loi, est abrogé.
Art.17. In artikel 11, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1976 en gewijzigd bij de wetten van 23 maart 1994 en 30 maart 1994, wordt het cijfer "4°" geschrapt.
Art.17. A l'article 11, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 22 juillet 1976 et modifié par les lois des 23 mars 1994 et 30 mars 1994, le chiffre "4° " est supprimé.
Art.18. De bepalingen van de artikelen 1bis, 4° en 11, tweede lid van dezelfde wet blijven van toepassing op de inbreuken gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze wet en voor de stagiairs die niet in dienst waren vóór deze datum.
Art.18. Les dispositions des articles 1erbis, 4° et 11, alinéa 2 de la même loi restent d'application aux infractions commises avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi et pour les stagiaires qui n'étaient pas en service avant cette date.
Afdeling II. - Voordeelbanenplan.
Section II. - Plan avantage à l'embauche.
Art.19. In artikel 61, § 1, vierde lid, van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, gewijzigd bij de wet van 26 juli 1996, worden de woorden "na 31 december 1998" vervangen door de woorden "na 31 december 2000".
Art.19. A l'article 61, § 1er, alinéa 4, de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, modifié par la loi du 26 juillet 1996, les mots " après le 31 décembre 1998 " sont remplacés par les mots " après le 31 décembre 2000 ".
Afdeling III. - Activering van de werkloosheidsuitkeringen.
Section III. - Activation des allocations de chômage.
Art.20. Artikel 18 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, wordt aangevuld met de volgende leden :
  "Het in het tweede lid bedoelde fonds wordt eveneens gespijsd bij een tegemoetkoming van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of van het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Bestuur van Maatschappelijke Integratie, teneinde bij te dragen tot de financiering van het vakantiegeld van bepaalde arbeiders, tewerkgesteld in een stelsel van activering van werkloosheidsuitkeringen, respectievelijk bestaansminimum.
  De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit het bedrag en de wijze van betaling van deze tegemoetkoming.".
Art.20. L'article 18 des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, est complété par les alinéas suivants :
  " Le Fonds visé à l'alinéa 2 est également alimenté par une intervention de l'Office national de l'Emploi ou de l'Administration de l'Intégration sociale du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement afin de contribuer au financement du pécule de vacances de certains ouvriers occupés respectivement dans un régime d'activation des allocations de chômage ou dans un régime d'activation du minimum de moyens d'existence.
  Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant et les modalités de paiement de cette intervention. ".
Art.21. Artikel 7, § 1bis, vierde lid, 3°, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij de wet van 13 februari 1998, wordt aangevuld met de woorden :
  "en in de artikelen 59, 1° en 59ter, § 1, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en in de artikelen 56, 1°, en 57 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970".
Art.21. L'article 7, § 1erbis, alinéa 4, 3°, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, inséré par la loi du 13 février 1998, est complété par les mots :
  " et aux articles 59, 1° et 59ter, § 1er, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail et aux articles 56, 1°, et 57 des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970 ".
Afdeling IV. - Verlaging van de sociale lasten.
Section IV. - Réduction des charges sociales.
Art.22. Artikel 35, § 1 tot § 4 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1988 en 29 december 1990 en bij de koninklijke besluiten van 17 april 1997 en 18 juli 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 35. § 1. Werkgevers die werknemers tewerkstellen die zijn onderworpen aan het geheel der regelingen bedoeld in artikel 21, § 1, genieten voor elk van die werknemers per kwartaal een vermindering van werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7°, en § 3bis, overeenkomstig volgende principes :
  1° de vermindering van de werkgeversbijdrage heeft betrekking op drie categorieën :
  categorie 1 : de handarbeiders tewerkgesteld bij de werkgevers bedoeld in ten minste een van de volgende wetten :
  - de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen,
  - de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers,
  - de wet van 12 mei 1975 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers,
  alsmede voor de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp en de werkgevers van de beschutte werkplaatsen die ressorteren onder het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen; met uitsluiting van de werkgevers die een activiteit uitoefenen zonder industriële of commerciële finaliteit alsook de werkgevers die onder de bevoegdheid vallen van de volgende paritaire comités :
  - paritair comité voor de petroleumnijverheid en -handel;
  - paritair comité voor de gezondheidsdiensten;
  - paritair comité voor het verzekeringswezen;
  - paritair comité voor de makelarij en de verzekeringsagentschappen;
  - paritair comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie;
  - paritair comité voor de wisselagenten;
  - paritair comité voor de banken;
  - paritair comité voor het gas- en elektriciteitsbedrijf;
  categorie 2 : de werknemers tewerkgesteld door werkgevers van de non-profitsector, zoals bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 mei 1997, 24 april 1998 en 10 augustus 1998, met uitzondering van de werknemers tewerkgesteld door werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp en door de werkgevers van de beschutte werkplaatsen die ressorteren onder het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen;
  categorie 3 : de werknemers onderworpen aan het geheel der regelingen bedoeld in artikel 21, § 1, die niet bedoeld worden in de twee vorige leden;
  2° voor de voltijdse werknemers met volledige prestaties in categorie 1 en categorie 3 wordt de bijdragevermindering, zes jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, gelijk aan :
  i) voor de werknemers met een loon kleiner dan een eerste loongrens of met een loon groter dan een derde loongrens : een forfaitair bedrag van F* per kwartaal;
  ii) voor de werknemers met een loon groter dan of gelijk aan de eerste loongrens en kleiner dan of gelijk aan een tweede loongrens : een forfaitair bedrag van 29 706 Belgische frank per kwartaal;
  iii) voor de werknemers met een loon groter dan de tweede en kleiner dan of gelijk aan de derde loongrens : een bedrag dat lineair daalt in functie van het loon van de werknemer van 29 706 Belgische frank tot het bedrag F*.
  Voor de voltijdse werknemers met volledige prestaties in categorie 2 wordt de bijdragevermindering, 6 jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, gelijk aan de bijdragevermindering bedoeld in 3°, iii, 2e streepje en in 3°, V.
  De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, wat men verstaat onder voltijdse werknemers met volledige prestaties en onder de eerste, tweede en derde loongrens;
  3° het onder 2° omschreven eindstelsel, van toepassing zes jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, wordt als volgt bereikt :
  i) voor de werknemers in categorie 1 met een loon kleiner dan een eerste loongrens of met een loon groter dan een derde loongrens, wordt een forfaitaire basisvermindering per kwartaal toegekend, die, vanaf een basisbedrag van 8 170 Belgische frank, jaarlijks evenredig verhoogd wordt om na zes jaar het bedrag F* te bereiken;
  ii) voor de werknemers in categorie 3 met een loon kleiner dan een eerste loongrens of met een loon groter dan een derde loongrens, wordt een forfaitaire basisvermindering per kwartaal toegekend, die jaarlijks evenredig verhoogd wordt om na zes jaar het bedrag F* te bereiken;
  iii) voor de werknemers met een loon gelijk aan of groter dan de eerste en kleiner dan of gelijk aan de tweede loongrens, wordt de lastenverlaging als volgt bepaald :
  - voor werknemers in categorie 1 wordt de totale lastenverlaging gelijk aan 29 706 Belgische frank per kwartaal;
  - voor werknemers in categorie 2 wordt de totale lastenverlaging gelijk aan 21 206 Belgische frank per kwartaal;
  - voor werknemers in categorie 3 wordt de lastenverlaging bedoeld in 3°, ii verhoogd met 21 206 Belgische frank per kwartaal, zonder dat de totale lastenverlaging evenwel 29 706 Belgische frank per kwartaal kan overschrijden;
  iv) voor de werknemers in categorie 1 en 3 met een loon groter dan de tweede en kleiner dan of gelijk aan de derde loongrens, wordt een in functie van het loon forfaitaire bijdragevermindering toegekend, waarbij over een periode van zes jaar geleidelijk zal worden overgegaan naar de in functie van het loon gelineariseerde vermindering zoals omschreven in 2°, iii;
  v) voor de werknemers in categorie 2 met een loon groter dan de tweede en kleiner of gelijk aan de derde loongrens, wordt een in functie van het loon forfaitaire bijdragevermindering toegekend, waarbij over een periode van zes jaar geleidelijk zal worden overgegaan naar een in functie van het loon gelineariseerde vermindering, zoals omschreven in 2°, iii met dien verstande dat het bedrag van de vermindering bij de tweede loongrens gelijk is aan 21 206 Belgische frank en nul bij de derde loongrens.
  De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit wat verstaan wordt onder loon en onder gelineariseerde en geleidelijke bijdragevermindering;
  4° voor voltijdse werknemers met onvolledige prestaties en deeltijdse werknemers wordt voornoemde lastenverlaging proportioneel toegekend, mits een ondergrens inzake arbeidsprestatie wordt overschreden. Via een voor de voltijdse werknemers met onvolledige prestaties en deeltijdse werknemers, eenvormige toeslag kan van een bijdragevermindering die strict proportioneel is met de geleverde arbeidsprestaties afgeweken worden, zonder dat daarbij de bijdragevermindering in geval van volledige prestaties kan overschreden worden.
  De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit wat verstaan wordt onder voltijdse werknemers met onvolledige prestaties en deeltijdse werknemers, ondergrens inzake arbeidsprestatie, proportionele en eenvormige toeslag;
  5° het bedrag F* wordt tweejaarlijks vastgelegd bij een in Ministerraad overlegd besluit. Voor het eerste jaar na inwerkingtreding van dit artikel wordt het bedrag vastgesteld op 16 025 Belgische frank per kwartaal. Voor het tweede jaar na de inwerkingtreding van dit artikel wordt het bedrag vastgesteld op 19 000 Belgische frank per kwartaal. Vóór 30 september 1999 evalueren de sociale gesprekspartners in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad de globale evolutie van de lonen, de vormingsinspanningen, en de werkgelegenheid. Indien die globale evaluatie niet positief is, wordt het bedrag F* dat van toepassing is vanaf het tweede jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, op 12 500 Belgische frank per kwartaal gebracht tenzij de onderneming gebonden is door een vormings- en tewerkstellings- collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair comité of, bij ontstentenis, in de onderneming. Voor de ondernemingen met minder dan 50 werknemers op 30 juni van het vorige jaar aangegeven aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en waar geen vakbondsafvaardiging bestaat, kan de vormings- en tewerkstellings- collectieve arbeidsovereenkomst de vorm aannemen van een vormings- en tewerkstellingsakkoord.
  De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de vormvereisten waaraan een vormings- of tewerkstellingsakkoord en een vormings- en tewerkstellings- collectieve arbeidsovereenkomst moeten voldoen, alsook de procedure inzake raadpleging die moet worden gevolgd bij het tot stand komen van een vormings- en tewerkstellingsakkoord en, op gemeenschappelijk voorstel van de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de vormvereisten van de evaluatie door de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.
  § 2. De verhoging van de bijdragevermindering voorzien in 1°, 2°, 3° en 4° van § 1, waarop een werkgever recht heeft, kan geheel of gedeeltelijk worden ingehouden voor de werkgevers die, zonder rechtvaardiging, hun verplichtingen niet nakomen inzake de betaling van sociale zekerheidsbijdragen, inzake het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces of die worden schuldig bevonden aan het doen of laten verrichten van arbeid door een werknemer waarvoor geen bijdragen werden betaald aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Nationale Arbeidsraad, nadere regelen tot uitvoering van deze inhouding.
  § 3. Het bedrag van de door dit artikel toegekende bijdragevermindering is beperkt tot het bedrag van de eventueel verschuldigde werkgeversbijdrage voor de regelingen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7° en § 3bis van deze wet. Wanneer de werkgever in hoofde van dezelfde werknemer verschillende types van bijdragevermindering kan toepassen, kan het totaal van deze verminderingen in geen geval groter zijn dan het bedrag van de patronale bijdragen die eventueel verschuldigd zijn ingevolge de regelingen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7° en 9° en § 3bis van deze wet. Zo dit zich zou voordoen, wordt de toegestane bijdragevermindering krachtens dit artikel herleid tot hetgeen verschuldigd is.
  § 4. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en nadere regels vaststellen waarin de vermindering bedoeld in de §§ 1, 2 en 3 wordt toegepast op de werkgevers van de sector van de beschutte werkplaatsen die onder het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen vallen.".
Art.22. L'article 35, § 1er à § 4 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié par les lois des 30 décembre 1988 et 29 décembre 1990 et par les arrêtés royaux des 17 avril 1997 et 18 juillet 1997, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 35. § 1er. Les employeurs occupant des travailleurs qui sont assujettis à l'ensemble des régimes visés à l'article 21, § 1er, bénéficient trimestriellement pour chacun desdits travailleurs d'une réduction des cotisations patronales visées à l'article 38, § 3, 1° à 7°, et § 3bis correspondant aux principes suivants :
  1° la réduction des cotisations patronales porte sur trois catégories :
  catégorie 1 : les travailleurs manuels occupés auprès des employeurs visés par au moins une des lois suivantes :
  - la loi du 28 juin 1966 relative à l'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprise,
  - la loi du 30 juin 1967 portant extension de la mission du Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprise,
  - la loi du 12 mai 1975 portant extension de la mission du Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprise,
  ainsi que pour les employeurs relevant de la Commission paritaire pour les services des aides familiales et des aides seniors et les employeurs des ateliers protégés relevant de la Commission paritaire pour les entreprises de travail adapté et les ateliers sociaux; à l'exclusion des employeurs exerçant une activité sans finalité industrielle ou commerciale ainsi que des employeurs relevant de la compétence des commissions paritaires suivantes :
  - Commission paritaire de l'industrie et du commerce du pétrole;
  - Commission paritaire des services de santé;
  - Commission paritaire des entreprises d'assurances;
  - Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d'assurances;
  - Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d'épargne et de capitalisation;
  - Commission paritaire pour les agents de change;
  - Commission paritaire pour les banques;
  - Commission paritaire de l'industrie du gaz et de l'électricité;
  catégorie 2 : les travailleurs occupés par les employeurs relevant du secteur non marchand, tels que définis à l'article 1er de l'arrêté royal du 5 février 1997 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, modifié par les arrêtés royaux des 5 mai 1997, 24 avril 1998 et 10 août 1998, à l'exception des travailleurs occupés par des employeurs relevant de la Commission paritaire pour les services des aides familiales et des aides seniors et par les employeurs des ateliers protégés relevant de la Commission paritaire pour les entreprises de travail adapté et les ateliers sociaux;
  catégorie 3 : les travailleurs assujettis à l'ensemble des régimes visés à l'article 21, § 1er, qui ne sont pas visés aux deux alinéas précédents;
  2° pour les travailleurs à temps plein des catégories 1 et 3 qui effectuent des prestations complètes, la réduction de cotisations correspond, six ans après l'entrée en vigueur du présent article, à :
  i) pour les travailleurs avec un salaire inférieur à un premier plafond salarial ou avec un salaire supérieur à un troisième plafond salarial : un montant forfaitaire F* par trimestre;
  ii) pour les travailleurs avec un salaire supérieur ou égal au premier plafond salarial et inférieur ou égal à un deuxième plafond salarial : un montant forfaitaire de 29 706 francs belges par trimestre;
  iii) pour les travailleurs avec un salaire supérieur au deuxième et inférieur ou égal au troisième plafond salarial : un montant qui diminue de manière linéaire en fonction du salaire du travailleur de 29 706 francs belges jusqu'au montant F*.
  Pour les travailleurs à temps plein avec prestations complètes de la catégorie 2, la réduction de cotisations sera, 6 ans après l'entrée en vigueur du présent article, égale à la réduction de cotisations visée au 3°, iii, 2ème tiret et au 3°, V.
  Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres ce que l'on entend par travailleurs à temps plein qui effectuent des prestations complètes et par premier, deuxième et troisième plafond salarial;
  3° le régime final défini au 2°, qui est d'application six ans après l'entrée en vigueur du présent article, se réalise comme suit :
  i) pour les travailleurs de la catégorie 1, dont le salaire est inférieur à un premier plafond salarial ou supérieur à un troisième plafond salarial, une réduction forfaitaire de base est trimestriellement accordée, qui, à partir d'un montant de base de 8 170 francs belges, est proportionnellement majorée sur une base annuelle afin d'atteindre le montant F* après six ans;
  ii) pour les travailleurs de la catégorie 3 avec un salaire inférieur à un premier plafond salarial ou un salaire supérieur à un troisième plafond salarial, une réduction forfaitaire de base est trimestriellement accordée, qui est proportionnellement majorée sur une base annuelle afin d'atteindre le montant F* après six ans;
  iii) pour les travailleurs dont le salaire est égal ou supérieur au premier et inférieur ou égal au deuxième plafond salarial, la réduction des charges est déterminée comme suit :
  - pour les travailleurs de la catégorie 1, la réduction globale des charges correspond à 29 706 francs belges par trimestre;
  - pour les travailleurs de la catégorie 2, la réduction globale des charges correspond à 21 206 francs belges par trimestre;
  - pour les travailleurs de la catégorie 3, la réduction des charges visée au 3°, ii est majorée de 21 206 francs belges par trimestre, sans que la réduction globale des charges ne puisse excéder 29 706 francs belges par trimestre;
  iv) pour les travailleurs des catégories 1 et 3 dont le salaire est supérieur au deuxième et inférieur ou égal au troisième plafond salarial, une réduction forfaitaire de cotisation est accordée en fonction du salaire, évoluant progressivement, sur une période de six ans, vers la réduction linéaire en fonction du salaire, telle que définie au point 2°, iii;
  v) pour les travailleurs de la catégorie 2 dont le salaire est supérieur au deuxième et inférieur ou égal au troisième plafond salarial, une réduction forfaitaire des cotisations est accordée en fonction du salaire, évoluant progressivement, sur une période de six ans, vers une réduction linéaire en fonction du salaire, telle que définie au point 2°, iii étant entendu que le montant de la réduction correspond à 21 206 francs belges pour le deuxième plafond salarial et à zéro pour le troisième plafond salarial.
  Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres ce qu'il faut entendre par salaire, par réduction linéaire et progressive des cotisations;
  4° pour les travailleurs à temps plein effectuant des prestations incomplètes et les travailleurs à temps partiel, la réduction des charges précitée est accordée proportionnellement, pour autant qu'un seuil minimum en matière de prestations du travail soit dépassé. Tant pour les travailleurs à temps plein effectuant des prestations incomplètes que pour les travailleurs à temps partiel, il est possible, moyennant une augmentation uniforme, de déroger à une réduction de cotisations strictement proportionnelle en fonction des prestations de travail fournies, sans pour autant pouvoir dépasser la réduction de cotisations en cas de prestations complètes.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, ce que l'on entend par travailleurs à temps plein effectuant des prestations incomplètes, par travailleurs à temps partiel, par seuil minimum de prestations de travail et par augmentation proportionnelle et uniforme;
  5° le montant F* est fixé sur une base biennale par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres. Pour la première année suivant l'entrée en vigueur du présent article, le montant est fixé à 16 025 francs belges par trimestre. Pour la deuxième année suivant l'entrée en vigueur du présent article, le montant est fixé à 19 000 francs belges par trimestre. Avant le 30 septembre 1999, les interlocuteurs sociaux évalueront au sein du Conseil central de l'économie et du Conseil national du Travail l'évolution globale des salaires, les efforts en matière de formation et l'emploi. Si cette évaluation globale n'est pas positive, le montant F* qui s'applique à partir de la deuxième année suivant l'entrée en vigueur de cet article, est porté à 12 500 francs belges par trimestre, sauf si l'entreprise est liée par une convention collective de travail relative à la formation et à l'emploi conclue dans une Commission paritaire ou, à défaut, dans l'entreprise. Pour les entreprises occupant moins de 50 travailleurs déclarés à l'Office national de Sécurité sociale au 30 juin de l'année qui précède, et dans lesquelles il n'existe pas de délégation syndicale, la convention collective de travail relative à la formation et à l'emploi peut prendre la forme d'un accord relatif à l'emploi et à la formation.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les conditions de formes auxquelles doivent satisfaire un accord ou une convention collective de travail relatifs à l'emploi et à la formation ainsi que, la procédure de consultation à respecter pour la conclusion d'un accord relatif à l'emploi et à la formation et, sur la proposition conjointe du Conseil national du Travail et du Conseil central de l'économie, les conditions de formes de l'évaluation par le Conseil central de l'économie et le Conseil national du Travail.
  § 2. L'augmentation de la réduction de cotisations prévue au 1°, 2°, 3° et 4° du § 1er à laquelle un employeur a droit, peut être entièrement ou partiellement retenue pour les employeurs qui, sans justification, ne respectent pas leurs obligations en matière de paiement de cotisations de sécurité sociale, concernant l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes ou lorsqu'il est constaté qu'ils prestent ou font prester du travail au noir par un travailleur pour lequel aucune cotisation n'a été payée à l'Office national de Sécurité sociale. Le Roi détermine les modalités d'application de cette retenue par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après avoir pris l'avis du Conseil national du Travail.
  § 3. Le montant de la réduction des cotisations accordée en vertu du présent article est limité au montant des cotisations patronales éventuellement dues pour les régimes visés à l'article 38, § 3, 1° à 7° et § 3bis de la présente loi. Lorsque l'employeur peut cumuler dans le chef du même travailleur différents types de réductions de cotisations, le total desdites réductions ne peut en aucun cas être supérieur au montant des cotisations patronales éventuellement dues pour les régimes visés à l'article 38, § 3, 1° à 7° et 9° et § 3bis de la présente loi, au quel cas le montant de la réduction des cotisations accordée en vertu du présent article est réduit à due concurrence.
  § 4. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixer les conditions et les modalités selon lesquelles la réduction visée aux §§ 1er, 2 et 3 est appliquée aux employeurs du secteur des ateliers protégés relevant de la Commission paritaire pour les entreprises de travail adapté et les ateliers sociaux. ".
Art.23. Titel VII van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, zoals naderhand gewijzigd, wordt opgeheven.
Art.23. Le Titre VII de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, tel qu'il a été modifié ultérieurement, est abrogé.
Art.24. Artikel 128, § 1, i), van de programmawet van 30 december 1988, ingevoegd door het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "i) van de bepalingen van titel IV. - Bedrijfsplannen tot herverdeling van de arbeid van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen;".
Art.24. L'article 128, § 1er, i), de la loi-programme du 30 décembre 1988, inséré par l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, est remplacé par la disposition suivante :
  " i) des dispositions du Titre IV. - Plans d'entreprise de redistribution du travail de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays; ".
Art.25. In artikel 64, § 1, 8°, van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, worden de woorden "en VII" geschrapt.
Art.25. Dans l'article 64, § 1er, 8°, de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, les mots " et VII " sont supprimés.
Art.26. Artikel 36, tweede lid, 5°, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt opgeheven.
Art.26. L'article 36, alinéa 2, 5°, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, est abrogé.
Art.27. Artikel 12, § 1, f), van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "f) van de bepalingen van titel IV. - Bedrijfsplannen tot herverdeling van de arbeid van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen;".
Art.27. L'article 12, § 1er, f), de l'arrêté royal du 14 mars 1997 portant des mesures spécifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, confirmé par la loi du 26 juin 1997, est remplacé par la disposition suivante :
  " f) des dispositions du Titre IV. - Plans d'entreprise de redistribution du travail de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays; ".
Art.28. Artikel 4, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt opgeheven.
Art.28. L'article 4, § 2, 2°, de l'arrêté royal du 24 novembre 1997 contenant des conditions plus précises relatives à l'instauration de la réduction de cotisations pour la redistribution du travail en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, est abrogé.
Afdeling V. - Betaald educatief verlof.
Section V. - Congé éducation payé.
Art.29. In artikel 108 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen worden de §§ 1 en 2 respectievelijk vervangen door de volgende bepalingen :
  "§ 1. Deze afdeling is van toepassing :
  1° - op de werknemers die voltijds tewerkgesteld zijn in het kader van één of verscheidene arbeidsovereenkomsten;
  - op de ten minste 4/5-tijds tewerkgestelde werknemers;
  - op de werknemers tewerkgesteld op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - op de werknemers tewerkgesteld op basis van het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - op de op basis van een variabele werktijdregeling deeltijds tewerkgestelde werknemers in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en die een bij artikel 109 bedoelde opleiding volgen;
  2° op de werkgevers.
  § 2. Voor de toepassing van deze afdeling worden gelijkgesteld :
  1° met werknemers : de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van één of meer personen op basis van :
  - een volledige dagtaak;
  - 4/5e arbeidsprestaties;
  - artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - een deeltijdse variabele werktijdregeling in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  2° met werkgevers : de personen die de bij 1° bedoelde personen tewerkstellen.
Art.29. Dans l'article 108 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, les §§ 1er et 2 sont remplacés respectivement par les dispositions suivantes :
  " § 1er. La présente section s'applique :
  1° - aux travailleurs occupés à temps plein dans les liens d'un ou plusieurs contrats de travail;
  - aux travailleurs occupés au moins à 4/5 temps;
  - aux travailleurs occupés sur la base de l'article 9 de l'arrêté royal du 24 février 1997 contenant des conditions plus précises relatives aux accords pour l'emploi en application des articles 7, § 2, 30, § 2, et 33 de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité;
  - aux travailleurs occupés sur la base de l'arrêté royal du 24 novembre 1997 contenant des conditions plus précises relatives à l'instauration de la réduction de cotisations pour la redistribution du temps de travail en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité;
  - aux travailleurs occupés à temps partiel sur la base d'un horaire variable dans le sens de l'article 11bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et qui suivent une formation visée à l'article 109;
  2° aux employeurs.
  § 2. Pour l'application de la présente section, sont assimilées :
  1° aux travailleurs : les personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, fournissent des prestations de travail sous l'autorité d'une ou plusieurs autres personnes sur la base :
  - d'un régime de travail à temps plein;
  - d'un régime de 4/5 temps;
  - de l'article 9 de l'arrêté royal du 24 février 1997 contenant des conditions plus précises relatives aux accords pour l'emploi en application des articles 7, § 2, 30, § 2, et 33 de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité;
  - de l'arrêté royal du 24 novembre 1997 contenant des conditions plus précises relatives à l'instauration de la réduction de cotisations pour la redistribution du temps de travail en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité;
  - d'un régime de travail à temps partiel avec horaire variable dans le sens de l'article 11bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
  2° aux employeurs : les personnes qui occupent les personnes visées au 1°. ".
Afdeling VI. - Nieuwe arbeidsorganisatie.
Section VI. - Nouvelle organisation du travail.
Onderafdeling I. - Arbeidsherverdelende bijdrageverminderingen en compenserende aanwervingen.
Sous-section I. - Diminutions de cotisations pour la redistribution du temps de travail et engagements compensatoires.
Art.30. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt gewijzigd als volgt :
  1° § 1 wordt gewijzigd als volgt :
  a) in het eerste lid worden de woorden "30 juni 1996" vervangen door de woorden "30 juni 1997";
  b) het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid kan overgaan tot de goedkeuring van maximaal 15 collectieve arbeidsovereenkomsten per trimester. De aanvragen tot goedkeuring zullen behandeld worden in functie van het percentage van de gecreëerde werkgelegenheid. De voorrang zal gegeven worden aan de collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in het hoogste percentage gecreëerde werkgelegenheid.";
  c) in het vierde lid worden de woorden "30 april 1998" vervangen door de woorden "30 juni 1999";
  d) een vijfde lid wordt toegevoegd luidend als volgt :
  "De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit het toepassingsgebied van dit besluit uitbreiden tot de ondernemingen die minder dan 50 werknemers tewerkstellen op 30 juni 1997 en die gebonden zijn door een goedgekeurd bedrijfsplan bedoeld in titel IV van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, gesloten na 1 januari 1996 en uiterlijk op 31 december 1997, dat voorziet in een collectieve arbeidsduurvermindering overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. Deze collectieve arbeidsduurvermindering moet op 1 januari 1999 nog van toepassing zijn. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit de nadere regelen en voorwaarden vastleggen met betrekking tot de gehele of gedeeltelijke toekenning van de voordelen van dit besluit aan deze onderneming.";
  2° § 2 wordt vervangen door de volgende paragraaf :
  "§ 2. De collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in § 1 moet voldoen aan de volgende voorwaarden om de goedkeuring te kunnen bekomen bedoeld in § 1 :
  - een volledige identificatie vermelden van de onderneming;
  - vermelden dat zij werd gesloten ter uitvoering van dit besluit;
  - voorzien in een vermindering van de gemiddelde arbeidsduur met ten minste 10 % zonder dat de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur lager mag zijn dan 32 uur per week of in een vermindering van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur tot 32 uur, voor een aantal werknemers dat ten minste gelijk is aan 20 % van de werknemers tewerkgesteld op 30 juni 1997 in de onderneming of de technische bedrijfseenheid waar deze vermindering van de arbeidsduur wordt doorgevoerd;
  - het bedrag bepalen van de looncompensatie die wordt toegekend aan de werknemers die overgaan naar een kortere arbeidsduur;
  - een tewerkstellingsengagement bevatten waarbij overgegaan wordt tot nieuwe aanwervingen zodat voldaan wordt aan de bepaling van § 3;
  - de wijze van rapportering aan de minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid vastleggen met betrekking tot de resultaten van de invoering van het stelsel van de arbeidsherverdeling met arbeidsherverdelende bijdragevermindering. De minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid maakt de resultaten van deze rapportering over aan de Hoge Raad voor Werkgelegenheid.";
  3° § 3 wordt vervangen door de volgende paragraaf :
  "§ 3. Teneinde de bijdragevermindering te genieten, bedoeld in artikel 2, moet de onderneming kunnen aantonen dat :
  a) het totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1996 naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering voor minimaal 85 % wordt gecompenseerd door bijkomende aanwervingen gedurende 4 kwartalen met ingang van de eerste dag van het eerste volledige kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering wordt doorgevoerd en ten vroegste met ingang van de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in dit artikel werd goedgekeurd;
  b) vanaf het kwartaal volgend op de periode bedoeld in a), het naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1996 voor minimaal 90 % wordt gecompenseerd.
  In afwijking van de bepalingen bedoeld in b) mag het naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1996 voor minder dan 90 % worden gecompenseerd vanaf het vijfde kwartaal volgend op de periode bedoeld in a).
  De minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid kan de vermindering van het aantal dagen economische werkloosheid van een kwartaal in vergelijking met de dagen economische werkloosheid van de vier kwartalen voorafgaand aan de neerlegging van de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in § 1, gelijkstellen met compenserende aanwervingen.
  De Koning bepaalt de nadere regelen en modaliteiten met betrekking tot deze gelijkstelling.
  Hij bepaalt de nadere regels met betrekking tot de vaststelling en de berekening van het "totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren".";
  4° § 4 wordt aangevuld met het volgende streepje :
  "De werknemer aangeworven in het kader van hoofdstuk II, afdeling VI, onderafdeling 2 van de wet van 26 maart 1999.".
Art.30. A l'article 1er de l'arrêté royal du 24 novembre 1997 contenant des conditions plus précises relatives à l'instauration de la réduction de cotisations pour la redistribution du temps de travail en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er est modifié comme suit :
  a) à l'alinéa 1er, les mots " 30 juin 1996 " sont remplacés par les mots " 30 juin 1997 ";
  b) l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " Le Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions peut procéder à l'approbation de 15 conventions collectives de travail par trimestre au maximum. Les demandes d'approbation seront traitées en fonction du pourcentage d'emplois créés. La priorité sera accordée aux conventions collectives de travail qui prévoient le pourcentage le plus élevé en matière de création d'emplois. ";
  c) à l'alinéa 4, les mots " 30 avril 1998 " sont remplacés par les mots " 30 juin 1999 ";
  d) un alinéa cinq est ajouté, libellé comme suit :
  " Le Roi peut étendre, par un arrêté délibéré au Conseil des Ministres, le champ d'application du présent arrêté aux entreprises qui occupent moins de 50 travailleurs au 30 juin 1997 et qui sont liées par un plan d'entreprise approuvé, visé au Titre IV de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 relative à la sauvegarde de la compétitivité, conclu après le 1er janvier 1996 et au plus tard le 31 décembre 1997, prévoyant une réduction collective du temps de travail conformément aux dispositions du présent arrêté. Cette réduction collective du temps de travail doit encore être d'application le 1er janvier 1999. Le Roi peut fixer, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, des modalités et des conditions plus précises en ce qui concerne l'octroi total ou partiel des avantages du présent arrêté à cette entreprise. ";
  2° le § 2 est remplacé par le paragraphe suivant :
  " § 2. La convention collective de travail visée au § 1er doit satisfaire aux conditions suivantes pour pouvoir recevoir l'approbation visée au § 1er :
  - contenir une identification complète de l'entreprise;
  - mentionner qu'elle est conclue en exécution du présent arrêté;
  - prévoir une réduction de la durée de travail moyenne de 10 % au moins sans que la durée de travail moyenne hebdomadaire puisse être inférieure à 32 heures par semaine ou une réduction de la durée de travail moyenne par semaine jusqu'à 32 heures pour un nombre de travailleurs équivalant à 20 % des travailleurs occupés au 30 juin 1997 dans l'entreprise ou dans l'unité de production technique où cette réduction de la durée de travail est effectuée;
  - fixer le montant de la compensation salariale qui est accordée aux travailleurs qui passent à une durée de travail plus courte;
  - comporter un engagement en faveur de l'emploi par lequel il est procédé à de nouveaux engagements de manière à répondre à la disposition du § 3;
  - fixer la procédure de rapport au Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions concernant les résultats de l'instauration du régime de la redistribution du travail avec réduction de cotisations pour la redistribution du travail. Le Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions transmet les résultats de ce rapport au Conseil supérieur de l'emploi. ";
  3° le § 3 est remplacé par le paragraphe suivant :
  " § 3. Pour bénéficier de la réduction de cotisations visée à l'article 2, l'entreprise doit pouvoir prouver que :
  a) le nombre total d'heures de travail libérées, en comparaison avec le trimestre correspondant de 1996, à la suite de la réduction de la durée de travail, est compensé pour 85 % minimum par des recrutements complémentaires pendant quatre trimestres à dater du premier jour du premier trimestre complet au cours duquel la réduction du temps de travail a été opérée et au plus tôt à dater du premier jour du trimestre suivant le trimestre au cours duquel la convention collective de travail visée en cet article a été approuvée;
  b) à partir du trimestre suivant la période visée au a), à la suite de la réduction de la durée de travail, le total du nombre d'heures de travail libérées est compensé pour 90 % minimum en comparaison avec le trimestre correspondant de 1996.
  Par dérogation aux dispositions visées au b), le nombre total d'heures de travail libérées à la suite de la réduction de la durée de travail peut être compensé pour moins de 90 % minimum en comparaison avec le trimestre correspondant de 1996 à partir du cinquième trimestre suivant la période visée au a).
  Le Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions peut assimiler la réduction du nombre de jours de chômage économique d'un trimestre par rapport aux jours de chômage économique des quatre trimestres précédant la conclusion de la convention collective de travail visée au § 1er, à des engagements compensatoires.
  Le Roi fixe les dispositions et modalités particulières relatives à cette assimilation.
  Il fixe les dispositions particulières relatives à la détermination et au calcul du " nombre total d'heures de travail libérées ". ";
  4° le § 4 est complété par le tiret suivant :
  " Le travailleur engagé dans le cadre du Chapitre II, Section VI, Sous-section 2 de la loi du 26 mars 1999. ".
Art.31. Artikel 2 van het hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt :
  1° § 1, eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De ondernemingen die gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 1 hebben per werknemer die overgaat van een voltijdse betrekking naar een betrekking waarbij de normale arbeidsduur ten minste 10 % lager ligt zonder dat de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur lager mag zijn dan 32 u/week of die overgaat naar een gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 32 uur, recht op een arbeidsherverdelende bijdragevermindering bedoeld in artikel 3 en dit voorzover deze onderneming de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 1 volledig naleeft en voorzover deze onderneming minimaal eenzelfde aantal werknemers in dienst heeft in het betrokken kwartaal in vergelijking met het overeenkomstige kwartaal van 1996.";
  2° § 1 wordt aangevuld met een derde lid luidend als volgt :
  "De Koning kan nadere regelen bepalen met betrekking tot de vaststelling van het aantal in dienst zijnde werknemers.".
Art.31. L'article 2 du même arrêté est modifié comme suit :
  1° au § 1er, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " Les entreprises qui sont liées par une convention collective de travail visée à l'article 1er ont droit, par travailleur qui passe d'un emploi à temps plein à un emploi où la durée de travail habituelle normale est au moins de 10 % inférieure, sans que la durée de travail hebdomadaire moyenne puisse être inférieure à 32 heures/semaine en moyenne ou qui passe à une durée de travail hebdomadaire moyenne de 32 heures, à la réduction de cotisations pour la redistribution du travail visée à l'article 3 et ce, pour autant que cette entreprise respecte entièrement les dispositions de la convention collective de travail visée à l'article 1er et pour autant que cette entreprise occupe au minimum le même nombre de travailleurs durant le trimestre concerné par rapport au trimestre correspondant de 1996. ";
  2° le § 1er est complété par un alinéa 3 libellé comme suit :
  " Le Roi peut déterminer des règles plus précises en ce qui concerne la fixation du nombre de travailleurs en service. ".
Art.32. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 3. De arbeidsherverdelende bijdragevermindering wordt vastgesteld op :
  1° 4 000 frank per werknemer bedoeld in artikel 2, § 1, per kwartaal en dit per uur arbeidsduurvermindering en dit gedurende acht kwartalen en dit met ingang van de eerste dag van het eerste volledige kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering wordt doorgevoerd en ten vroegste met ingang van de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 1 werd goedgekeurd. De maximale bijdragevermindering is vastgesteld op 24 000 frank per werknemer per kwartaal;
  2° 85 % van de bedragen bedoeld in 1° en dit gedurende de vier kwartalen volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;
  3° 70 % van de bedragen bedoeld in 1° en dit gedurende het vijfde tot het achtste kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;
  4° 55 % van de bedragen bedoeld in 1° en dit gedurende het negende tot het twaalfde kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;
  5° 40 % van de bedragen bedoeld in 1° en dit gedurende het dertiende tot het zestiende kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°;
  6° 25 % van de bedragen bedoeld in 1° en dit gedurende het 17e tot het 20e kwartaal volgend op de acht kwartalen bedoeld in 1°.
  Indien de onderneming overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, § 3, tweede lid, het naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren in vergelijking met het overeenstemmend kwartaal van 1996, voor minder dan 90 % compenseert met bijkomende aanwervingen, worden de bedragen bedoeld in 2° tot 6° verminderd met een percentage dat gelijk is aan het verschil tussen 90 % en het percentage van de gerealiseerde compensatie van de vrijgekomen arbeidsuren voor de respectieve kwartalen.".
Art.32. L'article 3 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 3. La réduction de cotisations pour la redistribution du travail est fixée à :
  1° 4 000 francs par trimestre par travailleur visé à l'article 2, § 1er, et ce par heure de réduction de temps de travail, et ce pendant huit trimestres et à dater du premier jour du premier trimestre complet au cours duquel la réduction du temps de travail a été opérée et au plus tôt à dater du premier jour du trimestre suivant le trimestre au cours duquel la convention collective de travail visée à l'article 1er a été approuvée. La réduction maximale de cotisations est fixée à 24 000 francs par travailleur et par trimestre;
  2° 85 % des montants visés au 1° et ce, pendant les quatre trimestres suivant les huit trimestres mentionnés au 1°;
  3° 70 % des montants visés au 1° et ce, du cinquième au huitième trimestre suivant les huit trimestres visés au 1°;
  4° 55 % des montants mentionnés au 1° et ce, du neuvième au douzième trimestre suivant les huit trimestres mentionnés au 1°;
  5° 40 % des montants mentionnés au 1° et ce, du treizième au seizième trimestre suivant les huit trimestres mentionnés au 1°;
  6° 25 % des montants mentionnés au 1° et ce, du dix-septième au vingtième trimestre suivant les huit trimestres mentionnés au 1°.
  Si, en comparaison avec le trimestre correspondant de 1996, l'entreprise compense, conformément aux dispositions de l'article 1er, § 3, alinéa 2, pour moins de 90 % le nombre total d'heures de travail libérees par des engagements supplémentaires à la suite de la réduction de la durée de travail, les montants mentionnés aux 2°, à 6° sont réduits d'un pourcentage qui est égal à la différence entre 90 % et le pourcentage de la compensation réalisée des heures de travail libérées pour les trimestres respectifs. ".
Art.33. Artikel 4, § 1 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met het volgende streepje :
  "- Hoofdstuk II, Afdeling VI, Onderafdeling 2 van de wet van 26 maart 1999.".
Art.33. L'article 4, § 1er du même arrêté est complété par le tiret suivant :
  " - Chapitre II, Section VI, Sous-section 2 de la loi du 26 mars 1999. ".
Art.34. In hetzelfde besluit wordt een artikel 4bis ingevoegd, luidend als volgt :
  "Art. 4bis. De ondernemingen die overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, § 3, overgaan tot compenserende aanwervingen ten belope van minder dan 100 % van het naar aanleiding van de arbeidsduurvermindering totaal aantal vrijgekomen arbeidsuren, mogen de vrijgekomen loonmassa niet aanwenden voor compensatie van het loonverlies van de werknemers bedoeld in artikel 2, § 1.
  Deze ondernemingen mogen het percentage van de in artikel 3 bedoelde lastenvermindering, dat bekomen wordt door het verschil tussen 100 % en het percentage van de compenserende aanwervingen gerealiseerd om de vrijgekomen arbeidsuren in te vullen, ook niet aanwenden ter compensatie van het loonverlies van de werknemers bedoeld in artikel 2, § 1.".
Art.34. Dans le même arrêté, un article 4bis est inséré, libellé comme suit :
  " Art. 4bis. Les entreprises qui, conformément aux dispositions de l'article 1er, § 3, procèdent à des engagements compensatoires de moins de 100 % du nombre d'heures de travail libérées à la suite de la réduction du temps de travail, ne peuvent consacrer la masse salariale libérée à la compensation de la perte salariale des travailleurs visés à l'article 2, § 1er.
  Ces entreprises ne peuvent pas non plus consacrer le pourcentage de la réduction des charges visée à l'article 3, qui est obtenu par la différence entre 100 % et le pourcentage des engagements compensatoires réalisés pour remplir les heures de travail libérées, à la compensation de la perte salariale des travailleurs visés à l'article 2, § 1er. ".
Onderafdeling II. - De vierdagenweek om arbeidsorganisatorische redenen.
Sous-section II. - La semaine des quatre jours pour des raisons relevant de l'organisation du travail.
Art.40. (Opgeheven) <W 2001-08-10/59, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
  (NOTA : blijven van toepassing voor de werkgevers die overeenkomstig diezelfde artikelen 35 tot en met 40 collectieve arbeidsovereenkomsten en akkoorden hebben gesloten, voor zover deze collectieve arbeidsovereenkomsten en akkoorden door de minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid werden goedgekeurd vóór 1 januari 2001)
Art.40. (Abrogé) <L 2001-08-10/59, art. 13, 006; En vigueur : 01-10-2001>
  (NOTE : restent d'application pour les employeurs qui ont conclu des conventions collectives de travail et des accords conformément à ces mêmes articles 35 à 40 pour autant que ces conventions et accords aient été approuvés par le ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions avant le 1er janvier 2001)
Afdeling VII. - Aandelen met décote stock options.
Section VII. - Actions avec décote stock options.
Onderafdeling I. - Aandelenopties.
Sous-section I. - Options sur actions.
Art.41. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder :
  1° vennootschap : iedere Belgische of buitenlandse vennootschap met rechtspersoonlijkheid;
  2° aandeel : ieder aandeel of winstbewijs van een vennootschap;
  3° optie : het recht om, gedurende een welbepaalde termijn een bepaald aantal aandelen aan te kopen of, naar aanleiding van de verhoging van het kapitaal van een vennootschap op een bepaald aantal aandelen in te schrijven tegen een vastgestelde of een nog vast te stellen prijs;
  4° (aanbod : het aanbod van de optie dat schriftelijk en gedateerd aan de begunstigde ter kennis wordt gebracht;) <W 2002-12-24/31, art. 403, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  5° beurs : elke gereglementeerde markt of een andere openbare, regelmatig werkende markt.
Art.41. Pour l'application de la présente sous-section, on entend par :
  1° société : toute société belge ou étrangère dotée de la personnalité juridique;
  2° action : toute action, part ou part bénéficiaire d'une société;
  3° option : le droit d'acheter ou de souscrire, à l'occasion de l'augmentation du capital d'une société, un nombre déterminé d'actions à un prix déterminé ou déterminable pendant une période déterminée;
  4° (offre : l'offre d'option datée et notifiée par écrit au bénéficiaire;) <L 2002-12-24/31, art. 403, 008; En vigueur : 10-01-2003>
  5° bourse : tout marché réglementé ou autre marché ouvert régulièrement actif.
Art.42. § 1. De voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid van de begunstigde, onder de vorm van al dan niet kosteloze toekenning van een optie, vormen voor deze laatste een beroepsinkomen dat belastbaar is op het ogenblik van de toekenning ervan, wanneer hij die optie niet heeft aangewend voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid.
  (Wanneer de begunstigde het aanbod ten laatste op de zestigste dag die volgt op de datum van het aanbod, schriftelijk heeft aanvaard, wordt de optie uit fiscaal oogpunt geacht op die zestigste dag te zijn toegekend, zelfs indien aan de uitoefening van de optie opschortende of ontbindende voorwaarden zijn verbonden. De begunstigde die voor het verstrijken van die termijn de aanbieder niet schriftelijk de aanvaarding van het aanbod heeft medegedeeld, wordt geacht het aanbod te hebben geweigerd.) <W 2002-12-24/31, art. 404, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  § 2. Wanneer het opties of aandelen betreft welke door de begunstigde niet worden aangewend voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid, vormen de verkregen voordelen naar aanleiding van de vervreemding van een optie, van de uitoefening van die optie of van de vervreemding van aandelen die verworven werden als gevolg van die uitoefening, geen belastbare beroepsinkomsten.
Art.42. § 1er. Les avantages de toute nature obtenus en raison ou à l'occasion de l'activité professionnelle du bénéficiaire, sous forme d'attribution gratuite ou non d'option constituent, dans le chef de celui-ci, un revenu professionnel qui est imposable, lorsqu'il ne l'a pas affectée à l'exercice de son activité professionnelle, au moment de l'attribution de cette option.
  (Lorsque le bénéficiaire a accepté l'offre par écrit au plus tard le soixantième jour qui suit la date de l'offre, l'option est, au point de vue fiscal, censée attribuée ce soixantième jour, même si l'exercice de l'option est soumis à des conditions suspensives ou résolutoires. Le bénéficiaire qui n'a pas notifié par écrit, avant l'expiration de ce délai, son acceptation de l'offre, est censé avoir refusé l'offre.) <L 2002-12-24/31, art. 404, 008; En vigueur : 10-01-2003>
  § 2. Lorsqu'il s'agit d'options ou d'actions non affectées par le bénéficiaire à l'exercice de son activité professionnelle, les avantages obtenus à l'occasion de l'aliénation d'une option, de l'exercice de celle-ci ou de l'aliénation des actions acquises par l'effet de cet exercice ne constituent pas des revenus professionnels imposables.
Art.43. § 1. Het krachtens artikel 42, § 1, belastbare bedrag van het voordeel wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende paragrafen en, in geval van tegen betaling toegekende optie, wordt dit bedrag verminderd met de bijdrage van de begunstigde van het voordeel.
  § 2. Wanneer het om opties gaat die genoteerd of verhandeld worden op een beurs, wordt het belastbare voordeel bepaald op grond van de laatste slotkoers van de optie die voorafgaat aan de dag van het aanbod.
  § 3. In de gevallen die niet worden bedoeld in paragraaf 2, wordt het belastbare voordeel forfaitair vastgesteld op een percentage van de waarde die de aandelen waarop de optie betrekking heeft, bezitten op het ogenblik van het aanbod.
  § 4. Voor de toepassing van paragraaf 3, wordt de waarde van de aandelen bepaald als volgt :
  1° wanneer de aandelen genoteerd of verhandeld worden op de beurs, is de waarde van het aandeel naar keuze van de persoon die de optie aanbiedt, (de gemiddelde slotkoers) van het aandeel gedurende dertig dagen die het aanbod voorafgaan of de laatste slotkoers die voorafgaat aan de dag van het aanbod; <W 2002-12-24/31, art. 405, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  2° in de andere gevallen, is de waarde van het aandeel de werkelijke waarde ervan op het ogenblik van het aanbod, zoals vastgesteld door de persoon die de optie aanbiedt, op eensluidend advies van de commissaris-revisor van de vennootschap die de aandelen uitgeeft waarop de optie betrekking heeft, of, als in die vennootschap geen commissaris-revisor is, door een bedrijfsrevisor (of door een accountant), die door die vennootschap wordt aangewezen, of als de uitgevende vennootschap niet-verblijfhoudend is, door een accountant met een vergelijkbaar statuut, die door die vennootschap wordt aangewezen. <W 2002-12-24/31, art. 406, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  Wanneer het om kapitaalvertegenwoordigende deelbewijzen gaat, mag de waarde bedoeld in het eerste lid, 2°, niet lager zijn dan de boekwaarde van die aandelen zoals blijkt uit de laatste jaarrekening van de uitgevende vennootschap die afgesloten en goedgekeurd is door het bevoegde orgaan vóór de datum van het aanbod.
  Wanneer het om niet-kapitaalvertegenwoordigende deelbewijzen gaat, wordt de waarde bedoeld in het eerste lid, 2°, bepaald overeenkomstig de rechten die aan die deelbewijzen toegekend worden op grond van de statuten van de uitgevende vennootschap.
  § 5. Voor de toepassing van paragraaf 3, wordt het belastbaar voordeel [1 forfaitair vastgesteld op 18 pct.]1 van de waarde zoals die is bepaald overeenkomstig § 4.
  Wanneer de optie wordt toegekend voor een periode van meer dan vijf jaar te rekenen vanaf de datum van het aanbod, wordt het belastbare voordeel per jaar of gedeelte van een jaar dat de vijf jaar overschrijdt, vermeerderd met 1 % van de voornoemde waarde.
  § 6. De in § 5 vastgestelde percentages worden gehalveerd wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° de uitoefenprijs van de optie wordt definitief vastgesteld op het ogenblik van het aanbod;
  2° de optie bevat de volgende bedingen :
  a) zij mag niet worden uitgeoefend vóór het einde van het derde kalenderjaar na dat waarin het aanbod heeft plaatsgevonden, noch na het einde van het tiende jaar na dat waarin het aanbod heeft plaatsgevonden;
  b) ze mag niet onder levenden worden overgedragen;
  3° het risico van vermindering van de waarde van de aandelen waarop de optie betrekking heeft na de toekenning ervan, mag noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, gedekt worden door de persoon die de optie toekent, of door een persoon met wie er een band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat;
  4° de optie heeft betrekking op aandelen van de vennootschap ten behoeve van wie de beroepswerkzaamheid wordt uitgeoefend of op aandelen van een andere vennootschap die een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming heeft in de eerst genoemde vennootschap als bedoeld in het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen.
  Wanneer aan de in het eerste lid, 2°, vermelde voorwaarde niet wordt voldaan, worden de in § 5 bepaalde percentages niettemin tot de helft verminderd wanneer de begunstigde zich ertoe verbindt de verplichtingen na te leven die zijn opgenomen in de in dat lid vermelde bedingen.
  Wanneer het in het eerste lid, 3°, vermelde risico na de datum van het aanbod wordt gedekt en in het in het tweede lid vermelde geval wordt een tegen de helft belastbaar voordeel, dat overeenkomstig § 5 wordt vastgesteld, geacht een belastbaar inkomen te zijn van het jaar waarin de begunstigde zijn woonplaats of de zetel van zijn fortuin naar het buitenland overbrengt en ten laatste, als een inkomen van het elfde jaar dat volgt op dat waarin het aanbod heeft plaatsgehad, behalve indien, in het tweede lid vermelde geval, de belastingplichtige uiterlijk bij zijn aangifte in de personenbelasting of in de belasting der niet verblijfshouders met betrekking tot dat inkomen het bewijs levert :
  - dat de optie niet overgedragen werd;
  - en dat de optie werd uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid of dat zij niet werd uitgeoefend.
  § 7. Indien de prijs van de uitoefening van de optie lager is dan de op het ogenblik van het aanbod geldende waarde van de aandelen waarop de optie betrekking heeft, wordt dat verschil, in de gevallen bedoeld in de §§ 4 tot 6, bij het belastbare voordeel gevoegd.
  § 8. Wanneer de optie, op het ogenblik van het aanbod of tot op de vervaldag van de termijn van uitoefening van de optie, bedingen bevatten, die tot doel hebben een zeker voordeel aan de begunstigde van de optie te verlenen, vormt dit voordeel een beroepsinkomen voor het belastbaar tijdperk waarin dat laatste vaststaat, in de mate dat het meer bedraagt dan het bedrag van het belastbaar voordeel dat forfaitair wordt vastgesteld op het ogenblik van de toekenning van de optie.
  
Art.43. § 1er. Le montant de l'avantage imposable en vertu de l'article 42, § 1er, est déterminé conformément aux paragraphes suivants et, en cas d'option payante, ce montant est diminué de l'intervention du bénéficiaire de l'avantage.
  § 2. Lorsqu'il s'agit d'options cotées ou négociées en bourse, l'avantage imposable est déterminé d'après le dernier cours de clôture de l'option qui précède le jour de l'offre.
  § 3. Dans les cas non visés au paragraphe 2, l'avantage imposable est fixé forfaitairement à un pourcentage de la valeur, au moment de l'offre, des actions sur lesquelles porte l'option.
  § 4. Pour l'application du paragraphe 3, la valeur des actions est déterminée comme suit :
  1° lorsqu'il s'agit d'actions cotées ou négociées en bourse, la valeur de l'action est, au choix de la personne qui offre l'option, [le cours moyen de clôture] de l'action pendant les trente jours précédant l'offre ou le dernier cours de clôture qui précède le jour de l'offre; <L 2002-12-24/31, art. 405, 008; En vigueur : 10-01-2003>
  2° dans les autres cas, la valeur de l'action est sa valeur réelle au moment de l'offre, determinée par la personne qui offre l'option sur avis conforme du commissaire-réviseur de la société émettrice des actions sur lesquelles porte l'option ou, à défaut de commissaire-réviseur dans cette société, par un réviseur d'entreprise [ou par un expert-comptable] désigné par celle-ci, ou si la société émettrice est non résidente, par un expert-comptable de statut comparable désigné par celle-ci. <L 2002-12-24/31, art. 406, 008; En vigueur : 10-01-2003>
  Lorsqu'il s'agit de parts représentatives du capital ou du Fonds social, la valeur visée à l'alinéa 1er, 2°, ne peut être inférieure à la valeur comptable de ces parts d'après les derniers comptes annuels de la société émettrice clôturés et approuvés par l'organe compétent avant la date de l'offre.
  Lorsqu'il s'agit de parts non représentatives du capital ou du Fonds social, la valeur visée à l'alinéa 1er, 2°, est déterminée d'après les droits que leur confèrent les statuts de la société émettrice.
  § 5. Pour l'application du paragraphe 3, l'avantage imposable est [1 fixé forfaitairement à 18 p.c.]1 de la valeur déterminée conformément au § 4.
  Lorsque l'option est accordée pour une durée supérieure à cinq ans à dater de l'offre, l'avantage imposable est majoré de 1 % de ladite valeur par année ou partie d'année au-delà de la cinquième année.
  § 6. Les pourcentages fixés au § 5 sont réduits de moitié lorsque les conditions suivantes sont réunies :
  1° le prix d'exercice de l'option est déterminé de manière certaine au moment de l'offre;
  2° l'option comporte les clauses suivantes :
  a) elle ne peut être exercée ni avant l'expiration de la troisième année civile qui suit celle au cours de laquelle l'offre a lieu, ni après l'expiration de la dixième année qui suit celle au cours de laquelle l'offre a eu lieu;
  b) elle ne peut être cédée entre vifs;
  3° le risque de diminution de valeur des actions sur lesquelles porte l'option après l'attribution de celle-ci ne peut être couvert directement ou indirectement ni par la personne qui attribue l'option ni par une personne qui se trouve avec celle-ci dans les liens d'interdépendance;
  4° l'option porte sur des actions de la société au profit de laquelle l'activité professionnelle est exercée ou sur des actions d'une autre société qui a dans la première une participation directe ou indirecte au sens de l'arrêté royal du 8 octobre 1976 relatif aux comptes annuels des entreprises.
  Quand la condition visée à l'alinéa 1er, 2°, n'est pas remplie, les pourcentages fixés au § 5 sont néanmoins réduits de moitié lorsque le bénéficiaire s'engage à respecter les obligations prescrites par les clauses visées dans cet alinéa.
  Lorsque le risque visé à l'alinéa 1er, 3°, est couvert postérieurement à la date de l'offre et dans le cas visé à l'alinéa 2, un avantage imposable égal à la moitié de l'avantage déterminé conformément au § 5 est considéré comme un revenu imposable de l'année en cours de laquelle le bénéficiaire transfère son domicile ou le siège de sa fortune à l'étranger et au plus tard, comme un revenu de la onzième année civile qui suit celle au cours de laquelle l'offre a eu lieu, sauf si, dans le cas visé à l'alinéa 2, le contribuable apporte la preuve au plus tard à l'appui de sa déclaration à l'impôt des personnes physiques ou des non-residents, afférente à ce revenu :
  - que l'option n'a pas été cédée;
  - et que l'option a été exercée conformément aux dispositions de l'alinéa 2 ou que l'option n'a pas été exercée.
  § 7. Si le prix d'exercice de l'option est inférieur à la valeur, au moment de l'offre, des actions sur lesquelles porte l'option, cette différence est ajoutée à l'avantage imposable dans les cas visés aux §§ 4 à 6.
  § 8. Lorsque l'option est assortie, au moment de l'offre ou jusqu'à l'échéance de la période d'exercice de l'option, de clauses qui ont pour effet d'octroyer un avantage certain au bénéficiaire de l'option, cet avantage constitue un revenu professionnel de la période imposable au cours de laquelle il devient certain, dans la mesure où il excède le montant de l'avantage imposable déterminé forfaitairement au moment de l'attribution de l'option.
  
Art.44. De persoon die belastbare voordelen toekent, die voortkomen van opties en die belastbaar zijn voor de begunstigden van de opties, dient de door artikel 57 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vereiste individuele fiches [1 ...]1 over te leggen, bij ontstentenis daarvan worden die voordelen als abnormaal of goedgunstig aangemerkt en bij zijn eigen belastbare inkomsten gevoegd.
  Wanneer de opties worden toegekend door een niet-verblijfhoudende vennootschap, zonder vestiging in België, wegens of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid van de begunstigde ten behoeve van een Belgische belastingplichtige, is de in het voorgaande lid bepaalde regeling van toepassing op de voornoemde belastingplichtige.
  
Art.44. La personne qui attribue des avantages résultant d'option et imposables dans le chef des bénéficiaires est tenue de produire les fiches individuelles [1 ...]1 requis par les articles 57 du Code des impôts sur les revenus 1992, faute de quoi ces avantages sont considérés comme avantages anormaux ou bénévoles à ajouter à ses propres revenus imposables.
  Si les options sont attribuées par une société non résidente, sans établissement en Belgique, en raison ou à l'occasion de l'activité professionnelle du bénéficiaire au profit d'un contribuable belge, le régime prévu à l'alinéa précédent s'applique à ce dernier.
  
Art.45. Voor zover daarvan niet wordt afgeweken, zijn de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op deze onderafdeling.
Art.45. Pour autant qu'il n'y soit pas dérogé, les dispositions du Code des impôts sur les revenus 1992 sont d'application pour la présente sous-section.
Art.47. § 1. De artikelen 41 tot 45 zijn van toepassing op de opties toegekend vanaf 1 januari 1999.
  § 2. Artikel 45 van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen, gewijzigd bij artikel 311 van de wet van 22 december 1989 en bij artikel 20 van de wet van 28 december 1990, wordt opgeheven.
  Het blijft evenwel van toepassing op de opties die zijn toegekend vóór 1 januari 1999.
  § 3. [2 ...]2.
  [§ 4. Voor de aandelenoptieplannen afgesloten tussen 1 januari 1999 en 31 december 2002, kan de vennootschap die de opties aanbiedt, vóór 30 juni 2003, met instemming van de begunstigden, uitoefeningsperiode ervan zonder bijkomende fiscale last met hoogstens 3 jaar verlengen.
  Dit akkoord moet aan de Administratie worden betekend vóór 31 juli 2003.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt afgeweken van artikel 499 van het Wetboek van vennootschappen.] <W 2002-12-24/31, art. 407, 008; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  [1 § 5. Voor de aandelenoptieplannen afgesloten tussen 1 januari 2003 en 31 augustus 2008, kan de vennootschap die de opties aanbiedt, vóór 30 juni 2009, met instemming van de begunstigden, de uitoefeningsperiode zonder bijkomende fiscale last met hoogstens vijf jaar verlengen. Evenwel geldt de verlenging, voor het geheel van plannen waarop eenzelfde begunstigde bij eenzelfde vennootschap heeft ingeschreven, slechts voor opties ten belope van een fiscale waarde van 100.000 euro.
   Dit akkoord moet aan de Administratie worden betekend vóór 31 juli 2009.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt afgeweken van artikel 499 van het Wetboek van vennootschappen.]1

  
Art.47. § 1er. Les articles 41 à 45 sont applicables aux options attribuées à partir du 1er janvier 1999.
  § 2. L'article 45 de la loi du 27 décembre 1984 portant des dispositions fiscales, modifié par l'article 311 de la loi du 22 décembre 1989 et par l'article 20 de la loi du 28 décembre 1990, est abrogé.
  Il reste toutefois applicable aux options attribuées avant le 1er janvier 1999.
  § 3. [2 ...]2.
  [§ 4. Pour les plans d'options sur action conclus entre le 1er janvier 1999 et le 31 décembre 2002, la société qui offre les options peut, avant le 30 juin 2003, en accord avec les bénéficiaires des options allonger la période d'exercice de celles-ci de maximum 3 ans sans charge fiscale supplémentaire.
  Cet accord doit être notifié à l'Administration avant le 31 juillet 2003.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, il est dérogé à l'article 499 du Code des Sociétés.] <L 2002-12-24/31, art. 407, 008; En vigueur : 10-01-2003>
  [1 § 5. Pour les plans d'options sur actions conclus entre le 1er janvier 2003 et le 31 août 2008, la société qui offre les options peut, avant le 30 juin 2009, en accord avec les bénéficiaires des options, allonger la période d'exercice de cinq ans au maximum sans charge fiscale supplémentaire. Toutefois, la prolongation ne vaut, pour l'ensemble des plans souscrits par un même bénéficiaire auprès d'une même société, que pour des options à concurrence d'une valeur fiscale de 100.000 euros.
   Cet accord doit être notifié à l'Administration avant le 31 juillet 2009.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, il est dérogé à l'article 499 du Code des sociétés.]1

  
Onderafdeling II. - Uitgifte van aandelen met prijsreductie.
Sous-section II. - Emission d'actions avec decote.
Art.48. Artikel 2, eerste lid, 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers wordt als volgt geïnterpreteerd :
  "Het voordeel verworven door de uitgifte van aandelen met prijsreductie overeenkomstig artikel 52septies van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, wordt niet beschouwd als een voordeel bepaald in artikel 2, eerste lid, 3°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.".
Art.48. L'article 2, alinéa 1er, 3°, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs est interprété comme suit :
  " L'avantage retiré de l'emission d'actions avec décote conformément à l'article 52septies des lois coordonnées sur les sociétés commerciales n'est pas considéré comme un avantage visé à l'article 2, alinéa 1er, 3°, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs. ".
Art.49. Artikel 36 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt als volgt geïnterpreteerd :
  "De verkregen voordelen bij de toekenning van aandelenopties uitgegeven ter gelegenheid van een kapitaalverhoging in het kader van de bepalingen van artikel 52septies van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of bij de inschrijving van aandelen tegen verminderde prijs in het kader van dit artikel, wordt niet ten name van de begunstigden als een belastbaar voordeel aangemerkt.".
Art.49. L'article 36 du Code des impôts sur les revenus 92, est interprété comme suit :
  " L'avantage obtenu lors de l'attribution d'options sur des actions ou parts émises à l'occasion d'une augmentation de capital dans le cadre de l'article 52septies des lois coordonnées sur les sociétés commerciales ou lors de la souscription à prix réduit d'actions ou parts dans le cadre de cet article, n'est pas considéré comme un avantage imposable dans le chef des bénéficiaires. ".
Afdeling VIII. - Dienstencheques.
Section VIII. - Chèques-services.
Afdeling IX. - Sociale balans.
Section IX. - Bilan social.
Art.55. Artikel 45 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid wordt aangevuld met het volgende lid :
  "De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, categorieën van bedrijven vrijstellen van de vermelding van alle of een gedeelte van de gegevens in de sociale balans, op voorwaarde dat deze gegevens per onderneming verstrekt kunnen worden, onder dezelfde vorm en binnen dezelfde termijnen, door een administratieve overheid of door een door de overheid erkende instelling. Deze administratieve overheid of deze instelling verstrekt de gegevens aan de Nationale Bank en aan de werkgevers die deze mededelen aan de ondernemingsraden, aan de vakbondsafvaardigingen en aan de werknemers overeenkomstig de beschikkingen genomen in uitvoering van artikel 46.".
Art.55. L'article 45 de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi est complété par l'alinéa suivant :
  " Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans les conditions qu'Il détermine, dispenser des catégories d'entreprises de mentionner tout ou partie des données dans le bilan social, à condition que ces données puissent être fournies par entreprise, sous la même forme et dans les mêmes délais, par une autorité administrative ou un organisme agréé par l'autorité publique. Cette autorité administrative ou cet organisme fournit ces données à la Banque nationale et aux employeurs qui les communiquent aux conseils d'entreprise, aux délégations syndicales et aux travailleurs conformément aux dispositions prises en vertu de l'article 46. ".
Art.56. In artikel 46 van dezelfde wet worden de woorden "de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling bedoeld in artikel 45, derde lid" geschrapt.
Art.56. A l'article 46 de la même loi, les mots " les mesures en faveur de l'emploi visées à l'article 45, alinéa 3 " sont supprimés.
Art.57. Een artikel 46bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
  "Art. 46bis. Elk jaar bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling die in de sociale balans moeten worden opgenomen.".
Art.57. Un article 46bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 46bis. Chaque année, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les mesures en faveur de l'emploi qui doivent être reprises au bilan social. ".
Art.58. In artikel 48 van dezelfde wet worden de woorden "behalve deze genomen op basis van artikel 46bis" ingevoegd tussen de woorden "De in onderhavig hoofdstuk bedoelde besluiten" en de woorden "worden aan".
Art.58. A l'article 48 de la même loi, les mots " sauf ceux pris en vertu de l'article 46bis " sont insérés entre les mots " Les arrêtés visés au présent chapitre " et les mots " sont soumis ".
Afdeling X. - Sociale economie.
Section X. - Economie sociale.
Onderafdeling I. - Definitie en algemeenheden.
Sous-section I. - Définition et généralités.
Art.59. Onder sociale inschakelingseconomie wordt verstaan : de initiatieven waarvan het sociale doel bestaat in de socio-professionele inschakeling van bijzonder moeilijk te plaatsen werkzoekenden, via een activiteit van productie van goederen of diensten, en die aan volgende algemene voorwaarden voldoen :
  - de doelgroep moet na de startfase ten belope van ten minste 50 % van de totale bezetting aan het werk of in opleiding zijn;
  - ten minste 10 % van het omkaderingspersoneel van de doelgroep moet uit personeel bestaan dat bekwaam is om sociale vormings- en begeleidingsprogramma's te leiden en te ontwikkelen;
  - de juridische vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, coöperatieve vennootschap of vennootschap met sociaal oogmerk of andere rechtsvormen, mits de doeleinden en de finaliteiten sociaal en collectief zijn, hebben aangenomen;
  - geen meerderheid hebben van de leden van de bestuursorganen die behoren tot de overheidssector;
  - en erkend zijn door de bevoegde overheid.
  Voor de toepassing van het vorige lid wordt verstaan onder bijzonder moeilijk te plaatsen werkzoekenden : werkzoekenden die, op het ogenblik van hun indienstneming of van het begin van hun opleidingsstage, gehandicapt of sedert twaalf maanden werkloos zijn, maximum een getuigschrift van het lager secundair onderwijs of gelijkgesteld hebben behaald en met sociale moeilijkheden kampen.
Art.59. Par économie sociale d'insertion, on entend : les initiatives dont l'objet social est l'insertion sociale et professionnelle de demandeurs d'emploi particulièrement difficiles à placer, par le biais d'une activité productrice de biens ou de services, et qui répondent aux conditions générales suivantes :
  - après la phase de démarrage, le public visé doit être occupé ou en formation à concurrence d'au moins 50 % de l'effectif total;
  - au moins 10 % du personnel d'encadrement du public visé doit être constitué de personnel apte à conduire et développer des programmes de formation et de guidance sociale;
  - avoir adopté la forme juridique d'association sans but lucratif, de société coopérative, de société à finalité sociale ou d'autres formes juridiques à condition que les objectifs et finalités soient d'ordre social et collectif;
  - ne pas avoir une majorité des membres des organes de gestion qui relèvent du secteur public;
  - et être agréées par l'autorité compétente.
  Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par demandeurs d'emploi particulièrement difficiles à placer : les demandeurs d'emploi qui, au moment de leur engagement ou du début de leur stage de formation, sont soit handicapés soit inoccupés depuis au moins douze mois, ont obtenu au plus un certificat de l'enseignement secondaire inférieur ou équivalent et éprouvent des difficultés sociales.
Art. 59/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen ambtenaren controleren de uitvoering van artikel 59 en houden toezicht op de naleving ervan, in de mate dat de begunstigden van een subsidie deze subsidie hebben verkregen met toepassing van dit artikel.   Deze ambtenaren oefenen die controle of dit toezicht uit in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen.]1
  
Art. 59/1 _REGION_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Les fonctionnaires désignés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale contrôlent l'application de l'article 59 et surveillent le respect de celui-ci, dans la mesure où les bénéficiaires d'un subside ont reçu ce subside en application de cet article.   Ces fonctionnaires exercent ce contrôle ou cette surveillance conformément aux dispositions de l'ordonnance du 30 avril 2009 relative à la surveillance des réglementations en matière d'emploi qui relèvent de la compétence de la Région de Bruxelles-Capitale et à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces réglementations.]1
  
Onderafdeling II. - Overheidsopdrachten.
Sous-section II. - Marchés publics.
Art.60. In artikel 4 van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, wordt een § 4 ingevoegd, luidend als volgt :
  "§ 4. De ondernemingen voor sociale inschakelingseconomie als bedoeld in artikel 59 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgische actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, die voldoen aan de voorwaarden bepaald in § 1, 1° en 3° tot 7°, kunnen een erkenning verkrijgen als aannemer.".
Art.60. A l'article 4 de la loi du 20 mars 1991 organisant l'agréation d'entrepreneurs de travaux, il est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Les entreprises d'économie sociale d'insertion visées à l'article 59 de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, qui satisfont aux conditions fixées au § 1er, 1° et 3° à 7°, peuvent obtenir une agréation comme entrepreneur. ".
Onderafdeling III. - Statuut van stagiairs in leerwerkbedrijven.
Sous-section III. - Statut des stagiaires en entreprises de formation par le travail.
Art.61. In artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 tot regeling van de sociale zekerheid van sommige kansarme jongeren worden de woorden "en de leeftijd van 25 jaar niet bereikt hebben" vervangen door de woorden "en minder dan 30 jaar".
Art.61. A l'article 2, 2°, de l'arrete royal n° 499 du 31 décembre 1986 portant réglementation de la securité sociale de certains jeunes défavorisés, les mots " moins de 25 ans " sont remplacés par les mots " moins de 30 ans ".
Onderafdeling IV. - Fiscale maatregelen.
Sous-section IV. - Mesures fiscales.
Art.62. Artikel 21 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij artikel 134 van de wet van 22 maart 1993, bij artikel 5 van de wet van 6 juli 1994, bij artikel 2 van de wet van 22 maart 1995, bij artikel 2 van de wet van 20 december 1995 en bij artikel 4 van de wet van 22 december 1998, wordt aangevuld als volgt :
  "10° de eerste schijf van 5 000 frank van interesten of dividenden betaald of toegekend door vennootschappen met een sociaal oogmerk :
  - die erkend zijn zowel door de minister van Financiën als door de minister of de ministers die bevoegd zijn tot de verlening ervan;
  - die uitsluitend als maatschappelijk doel hebben :
  a) de bijstand aan personen;
  b) de vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimte;
  c) de bescherming van het leefmilieu, daaronder begrepen de recyclage;
  d) de natuurbescherming en het natuurbehoud;
  e) de verwerving, het bouwen, de vernieuwing, de verkoop of het verhuren van sociale huisvesting;
  f) de hulp aan ontwikkelingslanden;
  g) de productie van duurzame energie;
  h) de vorming;
  i) de financiering van de hierboven bedoelde vennootschappen;
  - en voor zover hun statuten bepalen dat in geval van vereffening het volledige netto-actief opnieuw wordt geïnvesteerd in een andere onder vorig streepje vermelde vennootschap met sociaal oogmerk.".
Art.62. L'article 21 du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié par l'article 134 de la loi du 22 mars 1993, par l'article 5 de la loi du 6 juillet 1994, par l'article 2 de la loi du 22 mars 1995, par l'article 2 de la loi du 20 décembre 1995 et par l'article 4 de la loi du 22 décembre 1998, est complété comme suit :
  " 10° la première tranche de 5 000 francs des intérêts ou des dividendes alloués ou attribués par des sociétés à finalité sociale :
  - qui sont agréées conjointement par le Ministre des Finances et par le Ministre ou les ministres qui ont les compétences requises dans leurs attributions;
  - qui ont pour objet social exclusif :
  a) l'aide aux personnes;
  b) la rénovation des sites d'activité économique désaffectés;
  c) la protection de l'environnement, en ce compris le recyclage;
  d) la protection et la conservation de la nature;
  e) l'acquisition, la construction, la rénovation, la vente ou la location de logements sociaux;
  f) l'aide aux pays en voie de développement;
  g) la production d'énergie durable;
  h) la formation;
  i) le financement de sociétés visées ci-dessus;
  - et pour autant que leurs statuts stipulent qu'en cas de liquidation la totalité de l'actif net est réinvesti dans une autre société à finalité sociale visée au tiret précédent. ".
Art.63. In artikel 199 van hetzelfde wetboek, vervangen door artikel 24 van de wet van 22 december 1998, worden de woorden "artikel 21, 5° en 6° vermelde" vervangen door de woorden "in artikel 21, 5°, 6° en 10°, vermelde".
Art.63. Dans l'article 199 du même Code, remplacé par l'article 24 de la loi du 22 décembre 1998, les mots " visés à l'article 21, 5° et 6°, " sont remplacés par les mots " visés à l'article 21, 5°, 6° et 10°, ".
Art.64. In artikel 221, 2°, van hetzelfde wetboek, vervangen door artikel 33 van de wet van 22 december 1998, worden de woorden "in artikel 21, 5° en 6° vermelde", vervangen door de woorden "in artikel 21, 5°, 6° en 10°, vermelde".
Art.64. Dans l'article 221, 2°, du même Code, remplacé par l'article 33 de la loi du 22 décembre 1998, les mots " visées à l'article 21, 5° et 6°, " sont remplacés par les mots " visées à l'article 21, 5°, 6° et 10°, ".
Art.65. Artikel 313, eerste lid, 5°, van hetzelfde wetboek, vervangen door artikel 8 van de wet van 16 april 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "5° de in artikel 21, 5°, 6° en 10°, vermelde inkomsten, in zoverre zij meer bedragen dan respectievelijk de in het 5°, 6° en 10°, van dat artikel bepaalde grenzen en voor zover de roerende voorheffing niet geheven is op dit meerdere.".
Art.65. L'article 313, alinéa 1er, 5°, du même Code, remplacé par l'article 8 de la loi du 16 avril 1997, est remplacé par la disposition suivante :
  " 5° les revenus visés à l'article 21, 5°, 6° et 10°, dans la mesure où ils excèdent respectivement les limites fixées aux 5°, 6° et 10° dudit article et où le précompte mobilier n'a pas été retenu sur cet excédent. ".
Art.66. De artikelen 62 tot 65 zijn van toepassing op de vanaf 1 januari 1999 betaalde of toegekende inkomsten.
Art.66. Les articles 62 à 65 sont applicables aux revenus alloués ou attribués à partir du 1er janvier 1999.
Art. 67 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   Voor inschakelingsbedrijven (, zoals bedoeld in uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders), wordt de winst die in het vermogen van de vennootschap wordt gehouden voor het of de belastbare tijdperken die zijn afgesloten in de loop van het tijdperk waarvoor zij erkend is door [1 de Regering]1 om te kunnen genieten van de vrijstellingen van de werkgeversbijdragen inzake sociale zekerheid uit de in vennootschapsbelasting belastbare winst gesloten. <W 2005-05-22/36, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  De vrijstelling van de winst die in het vermogen van de vennootschap wordt gehouden wordt slechts verleend en behouden indien :
  1° de vrijgestelde winst op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is en blijft;
  2° de vrijgestelde winst niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning.
  Indien die vereisten tijdens enig boekjaar niet langer worden nageleefd, wordt de vroeger vrijgestelde winst beschouwd als winst van dat boekjaar.
  Voor zover daarvan niet wordt afgeweken, zijn de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op dit artikel.
  Dit artikel treedt in werking vanaf het aanslagjaar 1999.
  
Art. 67 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
   Dans le chef des entreprises d'insertion (telles que déterminées en vertu de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 24 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs), sont exclus des bénéfices imposables à l'impôt des sociétés, les bénéfices maintenus dans le patrimoine de la société pour la ou les périodes imposables clôturées au cours de la période pour laquelle elle est reconnue par [1 le Gouvernement]1 pour pouvoir bénéficier des exonérations de cotisations patronales de sécurité sociale. <L 2005-05-22/36, art. 2, 012; En vigueur : 01-01-2004>
  L'exonération de ces bénéfices maintenus dans le patrimoine de la société n'est accordée et maintenue que si :
  1° les bénéfices exonérés sont portés et maintenus à un compte distinct du passif;
  2° les bénéfices exonérés ne servent pas de base au calcul de la dotation annuelle de la réserve légale ou des rémunérations ou attributions quelconques.
  Dans l'éventualité où l'une ou l'autre de ces conditions cesse d'être observée pendant un exercice comptable quelconque, les bénéfices antérieurement exonérés sont considérés comme des bénéfices obtenus au cours de cet exercice comptable.
  Pour autant qu'il n'y soit pas dérogé, les dispositions du Code des impôts sur les revenus 1992, sont d'application pour le présent article.
  Le présent article entre en vigueur a partir de l'exercice d'imposition 1999.
  
Afdeling XI. - Non-profitsector.
Section XI. - Secteur non marchand.
Onderafdeling I. - Centrale raad voor het bedrijfsleven.
Sous-section I. - Conseil central de l'économie.
Art.68. In artikel 2 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, wordt het woord "vijftig" door het woord "zesenvijftig" vervangen;
  2° in het tweede lid, a, worden de woorden "de landbouw, de handel en het ambachtswezen" door de woorden "de landbouw, de handel en het ambachtswezen en de non-profitsector" vervangen.
Art.68. A l'article 2 de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, le mot " cinquante " est remplacé par le mot " cinquante-six ";
  2° à l'alinéa 2, a, les mots " l'agriculture, le commerce et l'artisanat " sont remplacés par les mots " l'agriculture, le commerce et l'artisanat et le secteur non marchand ".
Onderafdeling II. - Sociale Maribel Groepering van werkgevers.
Sous-section II. - Maribel social. - Groupement d'employeurs.
Art.69. In afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, mogen de werknemers aangenomen met een arbeidsovereenkomst in toepassing van artikel 35, § 5, tweede lid van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, in het kader van een vrijwillige groepering van werkgevers, door één van de werkgevers van de groepering ter beschikking worden gesteld van andere werkgevers van de groepering, voor zover de voorwaarden en de duur van de terbeschikkingstelling wordt vastgesteld door een geschrift, ondertekend door de betrokken werkgevers en de werknemer, opgesteld voor het begin van de terbeschikkingstelling en ter kennis gebracht van de minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid.
Art.69. Par dérogation aux dispositions de l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, les travailleurs engagés dans les liens d'un contrat de travail en application de l'article 35, § 5, alinéa 2 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, dans le cadre d'un groupement volontaire d'employeurs, peuvent être mis par un des employeurs du groupement à la disposition d'autres employeurs du groupement, pour autant que les conditions et la durée de cette mise à disposition soient constatées par un écrit signé par les employeurs concernés et le travailleur, rédigé avant le début de la mise à disposition et porté à la connaissance du Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions.
Onderafdeling III. - Sociale Maribel mutualisering.
Sous-section III. - Maribel social. - Mutualisation.
Art.70. § 1. Artikel 35, § 5, derde lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 13 februari 1998, wordt vervangen door de volgende leden :
  "Op grond van het vorige lid, en voor de werkgevers van de private non-profitsector, wordt er bij het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid opgericht :
  1° een of verschillende sectorale fondsen die gespijsd worden met het bedrag van de vermindering bedoeld in het vorige lid. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en nadere regelen van storting en van bestemming alsmede de nadere regelen van inrichting en van werking van die fondsen;
  2° een terugvorderingsfonds voor de ten onrechte toegekende verminderingen van werkgeversbijdragen op grond van het tweede lid van dit artikel. Dit fonds wordt gevormd door de terugvorderingen van de opbrengst van de vermindering van werkgeversbijdragen ten laste van de werkgevers van de privésector bedoeld in het tweede lid van dit artikel. Worden in de verschillende rubrieken van dit fonds opgenomen :
  - de terugvorderingen ten laste van de ziekenhuizen en psychiatrische verzorgingstehuizen;
  - de terugvorderingen ten laste van de andere dan de in het vorig streepje bedoelde werkgevers.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten tot terugvordering, storting en toewijzing aan het terugvorderingsfonds van het bedrag van de in voorgaand lid bedoelde verminderingen, alsook de modaliteiten tot oprichting en werking van dit fonds.
  De regelen met betrekking tot de bestemming van de middelen van dit terugvorderingsfonds worden bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit. De verdeling wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Ministerraad.
  Tweemaal per jaar, op het moment van de opstelling van de begroting en op dat van de begrotingscontrole, wordt een rapport met betrekking tot de bestemming van de middelen van de fondsen bedoeld in het derde lid 1° en 2°, gericht aan de minister bevoegd voor Begroting door de minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en, voor de sectoren die tot zijn bevoegdheid behoren, de minister bevoegd voor Volksgezondheid.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag van 9 750 frank verhogen.".
  § 2. De Koning kan de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van deze onderafdeling naar een latere datum verschuiven.
Art.70. § 1er. L'article 35, § 5, alinéa 3, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, inseré par la loi du 13 février 1998, est remplacé par les alinéas suivants :
  " En vertu de l'alinéa précédent et pour les employeurs du secteur non marchand privé, il est créé au sein du Ministère de l'Emploi et du Travail :
  1° un ou plusieurs fonds sectoriels alimentés par le montant de la réduction visée à l'alinéa précédent. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les conditions et modalités de versement et d'affectation ainsi que les modalités de constitution et de fonctionnement de ces fonds;
  2° un Fonds de récupération des réductions de cotisations patronales indûment accordées en vertu de l'alinéa 2 du présent article. Ce Fonds est constitué par les récupérations du produit de la réduction des cotisations patronales à charge des employeurs du secteur privé visé à l'alinéa 2 du présent article. Sont comptabilisées sous des rubriques distinctes de ce Fonds :
  - les récupérations à charge des hôpitaux et des maisons de soins psychiatriques;
  - les récupérations à charge des employeurs autres que ceux visés au tiret précédent.
  Le Roi détermine les conditions et modalités de récupération, de versement et d'affectation au Fonds de récupération du montant des réductions visées à l'alinéa précédent qui ont été indûment accordées ainsi que les modalités de constitution et de fonctionnement de ce Fonds.
  Les règles relatives à l'affectation des moyens de ce Fonds de récuperation sont déterminées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. La répartition est soumise au Conseil des Ministres pour approbation.
  Deux fois par an, au moment de l'élaboration du budget et au moment du contrôle budgétaire, un rapport relatif à l'affectation des moyens des fonds vises à l'alinéa 3, 1° et 2°, est adressé au Ministre qui a le Budget dans ses attributions par le Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions, le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et, dans les secteurs relevant de sa compétence, par le Ministre qui a la Sante publique dans ses attributions.
  Le Roi peut, par arrête délibéré en Conseil des Ministres, augmenter le montant de 9 750 francs. ".
  § 2. Le Roi peut reporter la date d'entrée en vigueur des dispositions de cette sous-section à une date ultérieure.
Art.72. In artikel 1 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen wordt een § 6 toegevoegd, luidend als volgt :
  "§ 6. De Rijksdienst neemt op de opbrengst van de bijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 1, § 2, 1°, van deze wet en in de artikelen 18 en 18bis van het koninklijk besluit van 25 oktober 1985 tot uitvoering van hoofdstuk I, sectie 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, het totale bedrag af van de verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen waarop de werkgevers aangesloten bij de Rijksdienst beroep hadden kunnen doen indien zij hadden genoten van de voordelen bedoeld in artikel 35, § 5, tweede lid van de wet van 29 juni 1981 tot vaststelling van de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, verminderd met het bedrag van de effectief toegekende verminderingen gedurende ieder kwartaal.
  De Rijksdienst wijst dit bedrag toe aan het fonds, bedoeld in § 7, eerste lid, 1°, opgericht binnen deze dienst, in afwijking van § 5, wat de bijdragen van sociale zekerheid bedoeld in § 2, eerste lid, 1°, betreft.".
Art.72. A l'article 1er de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales, il est ajouté un § 6, libellé comme suit :
  " § 6. L'Office prélève sur le produit des cotisations de sécurité sociale visées à l'article 1er, § 2, 1°, de la présente loi et aux articles 18 et 18bis de l'arrêté royal du 25 octobre 1985 portant exécution du Chapitre Ier, Section 1ère, de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales, le montant total des réductions de cotisations de sécurité sociale auxquelles pourraient prétendre les employeurs affiliés à l'Office s'ils avaient bénéficié des avantages prévus à l'article 35, § 5, alinéa 2 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, diminué du montant des réductions effectivement octroyées durant chaque trimestre.
  L'Office affecte ce montant au Fonds, visé au § 7, alinéa 1er, 1°, créé auprès de lui, par dérogation au § 5, pour ce qui concerne les cotisations de sécurité sociale visées au § 2, alinéa 1er, 1°. ".
Art.73. In artikel 1 van dezelfde wet wordt een § 7 ingevoegd, luidend als volgt :
  "§ 7. Bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten worden opgericht :
  1° een fonds dat gespijsd wordt met de opbrengst van de verminderingen van de werkgeversbijdragen waarop de werkgevers bedoeld in artikel 35, § 5, tweede lid van voormelde wet van 29 juni 1981, die aangesloten zijn bij de Rijksdienst, aanspraak hadden kunnen maken, na aftrek van de werkelijk toegekende verminderingen. Worden in verschillende rubrieken opgenomen :
  - de bijdrageverminderingen waarop de ziekenhuizen en psychiatrische verzorgingstehuizen aanspraak hadden kunnen maken, na aftrek van het bedrag van de gedurende ieder kwartaal werkelijk toegekende verminderingen;
  - de bijdragevermindering waarop de andere dan de in het vorige streepje bedoelde werkgevers aanspraak hadden kunnen maken, na aftrek van het bedrag van de gedurende ieder kwartaal werkelijk toegekende verminderingen.
  Volgens de modaliteiten bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, worden de beschikbare middelen van dit fonds, na aftrek van de administratieve kosten, besteed aan het creëren van tewerkstelling bij de werkgevers bedoeld in 1°.
  Dit fonds wordt beheerd door het beheerscomité van de Rijksdienst. Met het oog op de uitvoering van de bepalingen bedoeld in 1°, sluit het voormelde beheerscomité een beheersovereenkomst af met de minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken, en, voor de sectoren die tot zijn bevoegdheid behoren, de minister bevoegd voor Volksgezondheid. Op voorstel van de bovenvermelde ministers wordt deze beheersovereenkomst goedgekeurd bij een in Ministerraad overlegd besluit. Deze beheersovereenkomst heeft inzonderheid betrekking op de nadere regels voor het toezicht op de bedragen die ter beschikking worden gesteld en op hun bestemming;
  2° een terugvorderingsfonds voor de ten onrechte toegekende verminderingen van werkgeversbijdragen op grond van artikel 35, § 5, tweede lid, van voormelde wet van 29 juni 1981. Dit fonds wordt gevormd door de terugvorderingen van de opbrengst van de vermindering van de werkgeversbijdragen ten laste van de werkgevers bedoeld in 1°. Worden in de verschillende rubrieken van dit fonds opgenomen :
  - de terugvorderingen ten laste van de ziekenhuizen en psychiatrische verzorgingstehuizen;
  - de terugvorderingen ten laste van de andere dan de in het vorig streepje bedoelde werkgevers.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regels tot terugvordering, storting en toewijzing aan het terugvorderingsfonds van het bedrag van de in voorgaand lid bedoelde verminderingen, alsook de nadere regels tot oprichting en werking van dit fonds.
  De regels met betrekking tot de bestemming van de middelen van dit terugvorderingsfonds worden vastgesteld door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit. De verdeling wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Ministerraad, na advies van het bevoegde algemeen onderhandelingscomité.
  Tweemaal per jaar, op het moment van de opstelling van de begroting en op dat van de begrotingscontrole, wordt een rapport met betrekking tot de bestemming van de middelen van de fondsen bedoeld in 1° en 2°, gericht aan de minister bevoegd voor Begroting door de minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en, voor de sectoren die tot zijn bevoegdheid behoren, de minister bevoegd voor Volksgezondheid.
  Wanneer het fonds bedoeld in 1° het geheel van de opbrengst van de bijdrageverminderingen, toegewezen aan dit fonds, niet gebruikt, met inbegrip van de renten, wordt het saldo overgedragen naar het volgende kwartaal. Wanneer het gecumuleerd saldo de door de Rijksdienst aan het voormelde fonds gestorte laatste driemaandelijkse opbrengst van de bijdrageverminderingen overtreft, zal het verschil gestort worden door dit fonds aan het terugvorderingsfonds bedoeld in 2°.".
Art.73. A l'article 1er de la même loi, il est ajouté un § 7, rédigé comme suit :
  " § 7. Il est créé au sein de l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales :
  1° un Fonds alimenté par le produit des réductions de cotisations patronales auxquelles auraient pu prétendre les employeurs visés à l'article 35, § 5, alinéa 2 de la loi du 29 juin 1981, et qui sont affilies à l'Office, après déduction des réductions effectivement accordées. Sont comptabilisées sous des rubriques distinctes :
  - les réductions de cotisations auxquelles auraient pu prétendre les hôpitaux et les maisons de soins psychiatriques, diminuées du montant des réductions effectivement octroyées durant chaque trimestre;
  - les réductions de cotisations auxquelles auraient pu prétendre les employeurs, autres que ceux visés au tiret précédent, diminuées du montant des réductions effectivement octroyées durant chaque trimestre.
  Selon les modalités définies par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les disponibilités de ce Fonds, apres déduction des frais administratifs, sont affectées à la création d'emplois dans le secteur non marchand auprès des employeurs visés au 1°.
  Ce Fonds est géré paritairement par le Comite de gestion de l'Office. En vue d'exécuter les dispositions visées au 1°, le Comité de gestion conclut un contrat de gestion avec le Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions, le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et, pour les secteurs où il est compétent, le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions. Sur la proposition des ministres précités, ce contrat de gestion est approuvé par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. Ce contrat de gestion porte notamment sur les modalités de contrôle des montants mis à leur disposition et sur leur affectation;
  2° un Fonds de récupération des réductions de cotisations patronales indûment accordées en vertu de l'article 35, § 5, alinéa 2 de la loi du 29 juin 1981 précitée. Ce Fonds est constitué par les récupérations du produit de la réduction des cotisations patronales à charge des employeurs visés au 1°. Sont comptabilisées sous des rubriques distinctes de ce Fonds :
  - les recupérations à charge des hôpitaux et des maisons de soins psychiatriques;
  - les récupérations à charge des employeurs autres que ceux visés au tiret précédent.
  Le Roi détermine les conditions et modalités de récupération, de versement et d'affectation au Fonds de récupération du montant des réductions visées à l'alinéa précédent qui ont été indûment accordées ainsi que les modalités de constitution et de fonctionnement de ce Fonds.
  Les règles relatives à l'affectation des moyens de ce Fonds de récupération sont déterminées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. La répartition est soumise au Conseil des Ministres pour approbation, après avis du Comité de négociation général compétent.
  Deux fois par an, au moment de l'élaboration du budget et au moment du contrôle budgétaire, un rapport relatif à l'affectation des moyens des fonds visés aux 1° et 2°, est adressé au Ministre qui a le Budget dans ses attributions par le Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions, le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et, dans les secteurs relevant de sa compétence, le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions.
  Lorsque le Fonds visé au 1° n'utilise pas la totalité du produit de la réduction de cotisations affecté à ce Fonds, en ce compris les intérêts, le solde est reporté au trimestre suivant. Lorsque le solde cumulé dépasse le dernier produit trimestriel de la réduction de cotisations versé par l'Office au Fonds précité, la différence est versée par ce Fonds au Fonds de récupération visé au 2°. ".
Afdeling XII. - Plus-één-, plus-twee-, plus-drie-plan.
Section XII. - Plan plus un, plus deux, plus trois.
Art.74. Artikel 118, § 1, van de programmawet van 30 december 1988, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992 en 13 februari 1998, wordt aangevuld met een 8°, luidend als volgt :
  "8° een werknemer die het bewijs levert, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, dat hij bij dezelfde werkgever tewerkgesteld geweest is als uitzendkracht overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers gedurende minstens drie maanden die zijn aanwerving voorafgaan.".
Art.74. L'article 118, § 1er, de la loi-programme du 30 décembre 1988, modifié par les lois des 30 décembre 1992 et 13 février 1998 est complété par un 8°, rédigé comme suit :
  " 8° un travailleur qui apporte, selon les modalités fixées par le Roi, la preuve qu'il a été occupé chez le même employeur comme intérimaire selon les dispositions de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs au moins trois mois préalablement à son engagement. ".
Art.75. Artikel 6, § 1 van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998 wordt aangevuld met een 13° luidend als volgt :
  "13° een werknemer die het bewijs levert, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, dat hij bij dezelfde werkgever tewerkgesteld geweest is als uitzendkracht overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers gedurende minstens drie maanden die zijn aanwerving voorafgaan.".
Art.75. L'article 6, § 1er de l'arrêté royal du 14 mars 1997 portant des mesures spécifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, modifié par la loi du 13 février 1998, est compléte par un 13° rédigé comme suit :
  " 13° un travailleur qui apporte, selon les modalités fixées par le Roi, la preuve qu'il a été occupé chez le même employeur comme intérimaire, selon les dispositions de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, pendant au moins trois mois préalablement a son engagement. ".
Afdeling XIII. - Loopbaanonderbreking.
Section XIII. - Interruption de carrière.
Art.76. In artikel 100, eerste lid, van de herstelwet van 22 januari 1985 wordt de tweede zin vervangen door de volgende zin :
  "Behalve in geval van een beroep op artikel 100bis of ingeval het een werknemer betreft van een kleine en middelgrote onderneming die minder dan 10 werknemers tewerkstelde op 30 juni van het voorgaand burgerlijk jaar, dient de werknemer vervangen te worden door een vergoede volledig werkloze die uitkeringen geniet voor alle dagen van de week.".
Art.76. A l'article 100, alinéa 1er, de la loi de redressement du 22 janvier 1985, la deuxième phrase est remplacée par la phrase suivante :
  " Sauf en cas de recours à l'article 100bis ou s'il s'agit d'un travailleur d'une petite ou moyenne entreprise qui, au 30 juin de l'année civile précédente, occupait moins de 10 travailleurs, le travailleur doit être remplacé par un chômeur complet indemnisé qui percoit des allocations pour tous les jours de la semaine. ".
Art.77. In artikel 102, § 1 van dezelfde wet wordt de tweede zin vervangen door de volgende zin :
  "Behalve in geval van een beroep op artikel 102bis of in geval het een werknemer betreft van een kleine en middelgrote onderneming die minder dan 10 werknemers tewerkstelde op 30 juni van het voorgaand burgerlijk jaar, dient de werknemer vervangen te worden door een vergoede volledig werkloze die uitkeringen geniet voor alle dagen van de week.".
Art.77. A l'article 102, § 1er de la même loi, la deuxième phrase est remplacée par la phrase suivante :
  " Sauf en cas de recours à l'article 102bis ou s'il s'agit d'un travailleur d'une petite ou moyenne entreprise qui, au 30 juin de l'année civile précédente, occupait moins de 10 travailleurs, le travailleur doit être remplacé par un chômeur complet indemnisé qui percoit des allocations pour tous les jours de la semaine. ".
Art.78. Artikel 105, § 1 van de voornoemde wet van 22 januari 1985 wordt vervangen door :
  "De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden en nadere regelen er een recht wordt toegekend op de onderbreking van de beroepsloopbaan en op het verminderen van de arbeidsprestaties zoals bedoeld in de onderafdelingen 2 en 3.".
Art.78. L'article 105, § 1er de la loi du 22 janvier 1985 précitée est remplacé par :
  " Le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, fixer les cas, les conditions et les modalités d'octroi du droit à l'interruption de la carrière professionnelle et du droit à la réduction des prestations de travail, visés aux sous-sections 2 et 3. ".
HOOFDSTUK III. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions diverses.
Afdeling I. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten.
Section première. - Modification de l'arrête royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux.
Art.79. Artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "§ 2. Wordt bovendien beschouwd als sociaal document waarvan het bijhouden voorgeschreven is door dit besluit, het aanwezigheidsregister dat moet worden bijgehouden in de bedrijfstakken of de categorieën van ondernemingen bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  De Koning bepaalt eveneens bij een in Ministerraad overlegd besluit welke personen ertoe gehouden zijn een aanwezigheidsregister bij te houden, alsmede de werknemers die erin vermeld zullen moeten worden.".
Art.79. L'article 4, § 2, de l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Est également considéré comme document social dont la tenue est prescrite par le présent arrêté, le registre de présence qui doit être tenu dans les branches d'activité ou les catégories d'entreprises déterminées par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  Le Roi détermine, également par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les personnes qui seront tenues de tenir un registre de présence, ainsi que les travailleurs qui devront y être mentionnés. ".
Afdeling II. - Wijziging van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Section II. - Modification de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Art.80. In artikel 7, § 1, derde lid, j, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 13 van 11 oktober 1978, worden de woorden "die voortvloeit uit de schommelingen van de wisselkoers tussen de Belgische en de Franse munt" vervangen door de woorden "die voortvloeit uit de schommelingen van de wisselkoers tussen de Belgische en de Franse munt die zich voordeden voor 1 april 1987".
Art.80. Dans l'article 7, § 1er, alinéa 3, j, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, modifié par l'arrêté royal n° 13 du 11 octobre 1978, les mots " résultant des fluctuations du taux de change des monnaies belge et française " sont remplacés par les mots " résultant des fluctuations du taux de change des monnaies belge et française qui se sont produites avant le 1er avril 1987 ".
Afdeling III. - Wijziging van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een sociaal fonds voor de diamantarbeiders.
Section III. - Modification de la loi du 12 avril 1960 portant création d'un Fonds social pour ouvriers diamantaires.
Art.81. Het opschrift van de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een sociaal fonds voor de diamantarbeiders, wordt vervangen door het volgend opschrift :
  "Wet tot oprichting van een intern compensatiefonds voor de diamantsector.".
Art.81. L'intitulé de la loi du 12 avril 1960 portant création d'un Fonds social pour ouvriers diamantaires est remplacé par l'intitulé suivant :
  " Loi portant création d'un Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant. ".
Art.82. Artikel 1 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Artikel 1. Er wordt een intern compensatiefonds voor de diamantsector opgericht.".
Art.82. L'article 1er de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 1. Il est institué un Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant. ".
Art.83. Artikel 2 van de dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " (Art. 2. De opdrachten van het fonds zijn :
  1° het financieren, het toekennen en het uitbetalen van bijkomende sociale voordelen aan de diamantarbeiders;
  2° het financieren en het uitbetalen van interne compensatieuitkeringen aan werkgevers die werklieden of werksters tewerkstellen aan het eigenlijke bewerken van diamant, zijnde het klieven, het slijpen, het snijden, het verstellen en het zagen van diamant.) ".
Art.83. L'article 2 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  " (Art. 2. Les missions du fonds sont :
  1° le financement, l'octroi et le paiement d'avantages sociaux complémentaires aux ouvriers diamantaires;
  2° le financement et le paiement d'allocations de compensation internes aux employeurs qui occupent des ouvriers ou des ouvrières au travail effectif du diamant, c'est-à-dire le clivage, le polissage, le brutage, le sertissage et le sciage du diamant.) ".
Art.84. In artikel 2bis, eerste lid van de dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 28 juli 1962, worden de woorden "door artikel 2" vervangen door de woorden "door artikel 2, 1°".
Art.84. Dans l'article 2bis, alinéa 1er de la même loi, inséré par la loi du 28 juillet 1962, les mots " par l'article 2 " sont remplacés par les mots " par l'article 2, 1° ".
Art.85. In dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  - in artikel 2bis, eerste lid ingevoegd door de wet van 28 juli 1962, in het artikel 4, zoals gewijzigd door de wet van 28 juli 1962 en in artikel 10 worden de woorden "Sociaal fonds" vervangen door het woord "fonds";
  - in de artikelen 8bis, 25, 26 en 27, worden de woorden "Sociaal fonds voor diamantarbeiders" vervangen door het woord "fonds".
Art.85. Dans la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
  - dans l'article 2bis, alinéa 1er, inséré par la loi du 28 juillet 1962, dans l'article 4, modifié par la loi du 28 juillet 1962 et dans l'article 10, les mots " Fonds social " sont remplacés par le mot " Fonds ";
  - dans les articles 8bis, 25, 26 et 27, les mots " Fonds social pour ouvriers diamantaires " sont remplacés par le mot " Fonds ".
Art.86. Een artikel 3bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
  "Art. 3bis. Alle natuurlijke of rechtspersonen, die als hoofdzakelijke of bijkomstige bedrijvigheid de diamanthandel of de diamantnijverheid hebben, zijn gehouden tot de betaling van een compensatie-bijdrage, bestemd om het Fonds toe te laten de opdracht te vervullen waarmee het door artikel 2, 2°, is belast. Het bedrag van de door deze personen verschuldigde bijdrage is maximaal gelijk aan 0,10 % van de waarde van elke transactie van diamant.
  De Koning bepaalt wat onder transactie moet verstaan worden en kan het bijhouden opleggen van de boeken, registers en documenten die Hij nodig acht voor de toepassing van deze wet.
  De Koning oefent de bevoegdheden, (bedoeld bij dit artikel), uit na advies van het algemeen beheersorgaan.".
Art.86. Il est inséré dans la même loi, un article 3bis rédigé comme suit :
  " Art. 3bis. Toutes les personnes physiques ou morales, qui ont comme activité principale ou accessoire l'industrie ou le commerce du diamant, sont tenues au paiement d'une cotisation de compensation, destinée à permettre au Fonds de remplir la mission dont il est chargé en vertu de l'article 2, 2°. Le montant de la cotisation due par ces personnes est égal au maximum à 0,10 % de la valeur de chaque transaction de diamant.
  Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par transaction et peut prescrire la tenue des livres, registres et documents qu'Il estime nécessaires pour l'application de la présente loi.
  Le Roi exerce les compétences visées au présent article, après avis de l'organe général de gestion. ".
Art.87. Artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1962, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 4. § 1. Het fonds wordt beheerd door een paritair samengesteld algemeen beheersorgaan, dat bijgestaan wordt door twee bijzondere beheerscomités, respectievelijk bevoegd voor de opdrachten voorzien bij artikel 2, 1° en bij artikel 2, 2°, van deze wet en die als volgt zijn samengesteld.
  § 2. Het algemeen beheersorgaan bestaat :
  - enerzijds uit afgevaardigden van de representatieve werkgeversorganisaties, die in het paritair comité voor de diamantnijverheid en -handel vertegenwoordigd zijn en vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van in- en uitvoerders van diamant;
  - anderzijds uit afgevaardigden van de representatieve werknemersorganisaties die in hetzelfde paritair comité vertegenwoordigd zijn.
  § 3. Het bijzonder beheerscomité dat het algemeen beheersorgaan bijstaat voor de opdracht bedoeld bij artikel 2, 1°, van deze wet is op een gelijke wijze samengesteld als het algemeen beheersorgaan.
  § 4. Het bijzonder beheerscomité dat het algemeen beheersorgaan bijstaat voor de opdracht bedoeld bij artikel 2, 2°, van deze wet is als volgt samengesteld :
  - enerzijds, voor twee derden van de leden, uit afgevaardigden van de representatieve werkgeversorganisaties, die in het paritair comité voor de diamantnijverheid en -handel vertegenwoordigd zijn en vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van in- en uitvoerders van diamant en van de diamanthandel;
  - anderzijds, voor een derde van de leden, uit afgevaardigden van de representatieve werknemersorganisaties die in hetzelfde paritair comité vertegenwoordigd zijn.
  § 5. De leden van het algemeen beheersorgaan en van de beheerscomités, worden door de Koning benoemd.
  § 6. Bij wijze van overgangsmaatregel wordt, vanaf het van kracht worden van deze wet, het beheer van het fonds voorlopig waargenomen door het bestaand beheersorgaan, dit in afwachting van de benoeming van de leden van de nieuwe beheersorganen bedoeld in dit artikel.".
Art.87. L'article 4 de la même loi, modifié par la loi du 28 juillet 1962, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 4. § 1er. Le Fonds est géré par un organe de gestion général composé paritairement, qui est assisté de deux comités de gestion speciaux, respectivement compétents pour les missions prévues à l'article 2, 1° et à l'article 2, 2°, de la présente loi et qui sont composés comme suit.
  § 2. L'organe de gestion général est composé :
  - d'une part, de délégues des organisations représentatives d'employeurs, qui sont représentées dans la Commission paritaire de l'industrie et du commerce du diamant, et de représentants des organisations les plus représentatives des importateurs et exportateurs de diamant;
  - d'autre part, de délégués des organisations représentatives de travailleurs, qui sont représentées dans la même Commission paritaire.
  § 3. Le Comité de gestion spécial qui assiste l'organe de gestion général pour la mission visée à l'article 2, 1°, de la présente loi est composé de la même manière que l'organe de gestion général.
  § 4. Le Comité de gestion spécial qui assiste l'organe de gestion général pour la mission visée à l'article 2, 2°, de la présente loi est composé comme suit :
  - d'une part, pour deux tiers des membres, par des délégués des organisations représentatives d'employeurs qui sont représentées au sein de la Commission paritaire de l'industrie et du commerce du diamant et de représentants des organisations les plus représentatives des importateurs et exportateurs de diamant et du commerce du diamant;
  - d'autre part, pour un tiers des membres, de délégues des organisations représentatives de travailleurs représentées au sein de la même Commission paritaire.
  § 5. Les membres de l'organe de gestion général et des comités de gestion sont nommés par le Roi.
  § 6. A titre de mesure transitoire, la gestion du Fonds est assurée, à partir de l'entrée en vigueur de cette loi, par l'organe de gestion existant, ceci dans l'attente de la nomination des membres du nouvel organe de gestion visé dans le présent article. ".
Art.88. Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepalingen :
  "Art. 5. De statuten van het fonds moeten vermelden :
  1° de benaming en de plaats waar de instelling gevestigd is, alsook de opdrachten;
  2° de personen die de in artikel 2, 1°, bedoelde voordelen kunnen genieten, de aard en het bedrag van deze uitkeringen en de regelen van toekenning en vereffening.
  De personen die de in artikel 2, 2°, bedoelde compensatie-uitkeringen kunnen genieten, de aard en het bedrag van deze uitkeringen en de regelen van toekenning en vereffening;
  3° het bedrag of de wijze van vaststelling dezer bijdragen en de wijze en termijn van inning, rekening houdende met de navolgende bepalingen :
  het bedrag van de bijdrage voor de financiering van de voordelen, bedoeld bij artikel 2, 1°, mag niet hoger zijn dan 1/3 % van de waarde van de ingevoerde ruwe diamant;
  het bedrag van de bijdrage voor de financiering van de compensatie-uitkeringen, bedoeld bij artikel 2, 2°, mag niet hoger zijn dan 0,10 % van de waarde van elke transactie van diamant;
  4° de wijze van benoeming en de bevoegdheid van de beheerders;
  5° de wijze van vaststelling van de balans en van de rekeningen;
  6° de wijze en het tijdstip waarop het algemeen beheersorgaan en de beheerscomités van het fonds, aan de minister die bevoegd is voor de Tewerkstelling en de Arbeid, verslag doen over het vervullen van hun opdrachten;
  7° de wijze van ontbinding, van vereffening en besteding van het vermogen.".
Art.88. L'article 5 de la même loi est remplace par les dispositions suivantes :
  " Art. 5. Les statuts du Fonds doivent mentionner :
  1° la dénomination et le siège de l'organisme ainsi que ses missions;
  2° les personnes qui peuvent bénéficier des avantages accordés par l'article 2, 1°, la nature et le montant de ces allocations, ainsi que leurs modalités d'octroi et de liquidation.
  Les personnes qui peuvent bénéficier des allocations de compensation accordées par l'article 2, 2°, la nature et le montant de ces allocations, ainsi que leurs modalités d'octroi et de liquidation;
  3° le montant ou le mode d'établissement de ces cotisations et le mode et le délai de perception, compte tenu des dispositions suivantes :
  le montant de la cotisation pour le financement des avantages, visés à l'article 2, 1°, ne peut être supérieur à 1/3 % de la valeur du diamant brut importé;
  le montant de la cotisation pour le financement des allocations de compensation, visées à l'article 2, 2°, ne peut être supérieur a 0,10 % de la valeur de chaque transaction de diamant;
  4° le mode de nomination et les pouvoirs des administrateurs;
  5° le mode d'établissement du bilan et des comptes;
  6° la forme et le délai dans lesquels il est fait rapport au Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions, par l'organe général de gestion et les comités de gestion du Fonds, sur l'accomplissement de leur mission;
  7° le mode de dissolution, de liquidation et d'affectation du patrimoine. ".
Art.89. In artikel 6 van dezelfde wet wordt het woord "bestuursorgaan" vervangen door de woorden "algemeen bestuursorgaan".
Art.89. A l'article 6 de la même loi, les mots " organe de gestion " sont remplacés par les mots " organe général de gestion ".
Art.90. In artikel 12 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het vierde lid wordt het woord "beheersorgaan" vervangen door de woorden "algemeen beheersorgaan en aan de bijzondere beheerscomités";
  2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
  "Op het beheer van de compensatieregeling bedoeld bij artikel 2, 2°, wordt eveneens controle uitgeoefend door een regeringscommissaris.".
Art.90. A l'article 12 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 4, les mots " organe de gestion " sont remplacés par les mots " organe général de gestion et les comités de gestion spéciaux ";
  2° l'article est complété par l'alinéa suivant :
  " Un contrôle est également exercé sur la gestion de la réglementation relative à la compensation visée à l'article 2, 2°, par un commissaire du Gouvernement. ".
Art.91. Een artikel 13bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
  "Art. 13bis. De regeringscommissaris bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van deze wet, wordt door de Koning benoemd op voorstel van de minister die bevoegd is voor de Tewerkstelling en de Arbeid.
  De regeringscommissaris woont, met raadgevende stem, de vergaderingen bij van de beheersorganen, alsook in voorkomend geval van de controleorganen. De regeringscommissaris kan binnen een termijn van vier vrije dagen beroep instellen tegen elke beslissing die hij met de wet of met de statuten strijdig acht. Het beroep is opschortend.
  Deze termijn gaat in de dag van de vergadering, waarop de beslissing genomen werd, voor zover de regeringscommissaris daarop regelmatig uitgenodigd werd, en, in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.
  Heeft de minister die bevoegd is voor de Tewerkstelling en de Arbeid, binnen een termijn van twintig vrije dagen, ingaand dezelfde dag als deze bedoeld in het vorig lid, de nietigverklaring niet uitgesproken, dan wordt de beslissing definitief.".
Art.91. Il est inséré dans la même loi, un article 13bis, rédigé comme suit :
  " Art. 13bis. Le commissaire du Gouvernement visé à l'article 12, alinéa 5, de la présente loi est nommé par le Roi, sur la proposition du Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions.
  Le commissaire du Gouvernement assiste, avec voix consultative, aux réunions des organes de gestion, ainsi que, le cas échéant, des organes de contrôle. Le commissaire du Gouvernement peut, dans un délai de quatre jours francs, prendre son recours contre toute décision qu'il estime contraire à la loi ou aux statuts. Le recours est suspensif.
  Ce délai prend cours le jour de la réunion au cours de laquelle la décision a été prise, pour autant que le commissaire du Gouvernement y ait été régulièrement convoqué et, dans le cas contraire, le jour où il en a eu connaissance.
  Si le Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions n'a pas prononcé l'annulation dans un délai de vingt jours francs, prenant cours le même jour que celui visé à l'alinéa précédent, la décision devient définitive. ".
Art.92. In artikel 14 van dezelfde wet worden de woorden "uitkeringen waarin het voorziet," vervangen door de woorden "uitkeringen bedoeld in artikel 2, 1°,".
Art.92. A l'article 14 de la même loi, les mots " prestations qu'il assure " sont remplacés par les mots " prestations visées à l'article 2, 1° ".
Afdeling IV. - Pool van de Zeelieden ter Koopvaardij.
Section IV. - Pool des marins de la marine marchande.
Art.93. Artikel 2quater van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, ingevoegd bij koninklijk besluit van 18 februari 1997, wordt aangevuld als volgt :
  "Het toepassingsgebied van deze besluitwet wordt eveneens uitgebreid tot de varende werknemers die met één van de vennootschappen bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit van 18 februari 1997, die de vervoerverplichtingen van de Regie hebben overgenomen, verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst gesloten na 1 januari 1997, en die tewerkgesteld zijn aan boord van schepen door deze vennootschappen uitgerust voor transport over zee van en naar België.".
Art.93. L'article 2quater de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, inséré par l'arrêté royal du 18 février 1997, est complété comme suit :
  " Le champ d'application du présent arrêté-loi est également étendu aux travailleurs navigants qui sont liés par un contrat de travail conclu après le 1er janvier 1997 avec une des sociétés visées à l'article 13, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté royal du 18 février 1997, qui ont repris les obligations en matière de transport de la Regie, et qui sont occupés à bord de navires armés par ces sociétés pour le transport par mer de et vers la Belgique. ".
Art.94. Artikel 3bis van de wet van 25 februari 1964 houdende inrichting van een Pool van de Zeelieden ter Koopvaardij, ingevoegd bij koninklijk besluit van 18 februari 1997, wordt aangevuld als volgt :
  "De varende werknemers die met één van de vennootschappen bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid van hetzelfde koninklijk besluit van 18 februari 1997, die de vervoerverplichtingen van de Regie hebben overgenomen, verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst gesloten na 1 januari 1997, en die tewerkgesteld zijn aan boord van schepen door deze vennootschappen uitgerust voor transport over zee van en naar België, worden eveneens ingeschreven in de Pool voor de duur van hun arbeidsovereenkomst met één van deze vennootschappen. Deze werknemers kunnen in afwijking van artikel 3, eerste lid, aangeworven worden buiten de bij de Pool ingeschreven personen. De schrapping van hun inschrijving geschiedt ambtshalve op het einde van hun arbeidsovereenkomst.".
Art.94. L'article 3bis de la loi du 25 février 1964 organisant un Pool des marins de la marine marchande, inséré par l'arrêté royal du 18 février 1997, est complété comme suit :
  " Les travailleurs navigants qui sont liés par un contrat de travail conclu après le 1er janvier 1997 avec une des sociétés visées à l'article 13, § 1er, alinéa 1er du même arrêté royal du 18 février 1997, qui ont repris les obligations en matière de transport de la Régie, et qui sont occupés à bord de navires armés par ces sociétés pour le transport par mer de et vers la Belgique, sont également inscrits au Pool pendant la durée de leur contrat de travail avec une de ces sociétes. Par dérogation à l'article 3, alinéa 1er, ces travailleurs peuvent être recrutés en dehors des personnes inscrites au Pool. Le retrait de leur inscription au Pool est effectué d'office lors de la fin de leur contrat de travail. ".
Art.95. Artikel 86, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 februari 1997, wordt aangevuld als volgt :
  "e) de varende werknemers die met één van de vennootschappen bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor Maritiem Transport ter uitvoering van artikel 3, § 1, 6°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, die de vervoerverplichtingen van de Regie hebben overgenomen, verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst gesloten na 1 januari 1997, en die tewerkgesteld zijn aan boord van schepen door deze vennootschappen uitgerust voor transport over zee van en naar België.".
Art.95. L'article 86, § 1er, 1°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié par l'arrêté royal du 18 février 1997, est completé comme suit :
  " e) les travailleurs navigants qui sont liés par un contrat de travail conclu après le 1er janvier 1997 avec une des sociétés visées à l'article 13, § 1er, alinéa 1er de l'arrêté royal du 18 février 1997 portant des mesures en vue de la dissolution de la Régie des Transports maritimes en application de l'article 3, § 1er, 6°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à realiser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, qui ont repris les obligations en matière de transport de la Régie, et qui sont occupés à bord de navires armés par ces sociétés pour le transport par mer de et vers la Belgique. ".
Art.96. Een artikel 17bis, luidend als volgt, wordt ingevoegd in het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor Maritiem Transport ter uitvoering van artikel 3, § 1, 6° van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie :
  "Art. 17bis. De bepalingen van de artikelen 15, § 2, 16 en 17 zijn eveneens van toepassing op de varende werknemers die met één van de vennootschappen bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, die de vervoerverplichtingen van de Regie hebben overgenomen, verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst gesloten na 1 januari 1997, en die tewerkgesteld zijn aan boord van schepen door deze vennootschappen uitgerust voor transport over zee van en naar België.".
Art.96. Un article 17bis, rédigé comme suit, est inséré dans l'arrêté royal du 18 février 1997 portant des mesures en vue de la dissolution de la Régie des Transports maritimes en application de l'article 3, § 1er, 6°, de la loi du 26 juillet 1996 visant a réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union economique et monétaire européenne :
  " Art. 17bis. Les dispositions des articles 15, § 2, 16 et 17 sont également d'application aux travailleurs navigants qui sont liés par un contrat de travail conclu après le 1er janvier 1997 avec une des sociétés visées à l'article 13, § 1er, alinéa 1er, qui ont repris les obligations en matière de transport de la Régie des Transports maritimes, et qui sont occupés à bord de navires armés par ces sociétés pour le transport par mer de et vers la Belgique. ".
Art.97. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 april 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling in de koopvaardij in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, worden de woorden "31 december 1998" vervangen door de woorden "31 december 2002".
Art.97. A l'article 2 de l'arrêté royal du 18 avril 1997 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans la marine marchande en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, les mots " 31 décembre 1998 " sont remplacés par les mots " 31 décembre 2002 ".
Art.98. In artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 25 april 1997 houdende vrijstelling van bepaalde werkgeversbijdragen ten behoeve van de ondernemingen behorende tot de baggersector met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, worden de woorden "1997 en 1998" vervangen door de woorden "1997, 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002".
Art.98. A l'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 25 avril 1997 comportant dispense de certaines cotisations patronales au profit des entreprises relevant du secteur du dragage en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, les mots " 1997 et 1998 " sont remplacés par les mots " 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 et 2002 ".
Art.99. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de woorden "op 31 december 1998" vervangen door de woorden "op 31 december 2002".
Art.99. A l'article 3 du même arrêté, les mots " 31 décembre 1998 " sont remplacés par les mots " 31 décembre 2002 ".
Art.100. In artikel 74 van de wet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen, worden de woorden "op 31 december 1998" vervangen door de woorden "op 31 december 2002".
Art.100. Dans l'article 74 de la loi du 22 février 1998 portant des dispositions sociales, les mots " 31 décembre 1998 " sont remplacés par les mots " 31 décembre 2002 ".
Afdeling V. - Bepalingen met betrekking tot het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst.
Section V. - Dispositions relatives à l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés.
Art.101. In artikel 41 van de wet van 6 mei 1998 tot wijziging van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende woorden :
  "De datum van 1 juli 1999 kan door de Koning worden gewijzigd.";
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt het volgende lid ingevoegd :
  "Nochtans kunnen de paritaire leercomités die opgericht werden krachtens de bepalingen van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst zoals zij van kracht waren vóór 1 januari 1998 en over een leerreglement beschikten voor deze laatste datum, verder blijven werken volgens de bepalingen van de voormelde wet van 19 juli 1983 zoals zij van kracht waren tot 31 december 1997, en dit ten laatste tot 1 september 1999.".
Art.101. A l'article 41 de la loi du 6 mai 1998 modifiant la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa premier est complété par les mots :
  " La date du 1er juillet 1999 peut être modifiée par le Roi. ";
  2° il est ajouté, entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, un alinéa rédigé comme suit :
  " Toutefois les comités paritaires d'apprentissage qui ont été créés en vertu des dispositions de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, telles qu'elles étaient en vigueur avant le 1er janvier 1998 et qui disposaient d'un règlement d'apprentissage avant cette date, peuvent continuer de fonctionner selon les dispositions de la loi du 19 juillet 1983 précitée, telles qu'elles etaient en vigueur jusqu'au 31 décembre 1997, jusqu'au 1er septembre 1999 au plus tard. ".
Art.102. In artikel 59, § 2, van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, gewijzigd bij de wetten van 24 juli 1987 en 6 mei 1998, worden de woorden "artikel 53" vervangen door de woorden "artikel 58".
Art.102. A l'article 59, § 2, de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, modifié par les lois des 24 juillet 1987 et 6 mai 1998, les mots " l'article 53 ", sont remplacés par les mots " l'article 58 ".
Art.103. In artikel 60 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 24 juli 1987 en 6 mei 1998, worden de woorden "artikel 54" vervangen door de woorden "artikel 59".
Art.103. A l'article 60 de la même loi, modifié par les lois des 24 juillet 1987 et 6 mai 1998, les mots " l'article 54 " sont remplacés par les mots " l'article 59 ".
Afdeling VI. - Bepalingen betreffende het Interprofessioneel akkoord 1999-2000.
Section VI. - Dispositions relatives à l'accord interprofessionnel 1999-2000.
Onderafdeling 1. - Inspanningen ten voordele van de werklozen.
Sous-section 1. - Efforts en faveur des chômeurs.
Art.104. Deze onderafdeling is van toepassing op de werkgevers op wie de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de besluitwetten van 19 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden en van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij toepasselijk zijn.
Art.104. Cette sous-section s'applique aux employeurs soumis à la loi du 27 juin 1969 portant révision de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs et aux arrêtés-lois des 19 janvier 1945 relatif à la sécurité sociale des mineurs et assimilés et 7 février 1945 relatif à la sécurité sociale des marins de la marine marchande.
Art.105. De werkgevers bedoeld in artikel 104 zijn voor de jaren 1999 en 2000 een inspanning van 0,10 % verschuldigd, berekend op grond van het volledige loon van de werknemers, zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en de uitvoeringsbesluiten van deze wet.
  De Koning kan de categorieën die Hij bepaalt, geheel of gedeeltelijk aan het toepassingsgebied van dit artikel onttrekken.
  Deze inspanning is bestemd voor de personen die behoren tot de risicogroepen of op wie een begeleidingsplan van toepassing is.
  Het begrip risicogroepen wordt bij de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 106 bepaald.
Art.105. Les employeurs visés à l'article 104 sont redevables, pour les années 1999 et 2000, d'un effort de 0,10 % calculé sur la base du salaire global des travailleurs, comme prévu à l'article 23 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés et aux arrêtés d'exécution de cette loi.
  Le Roi peut déterminer les catégories qu'il retire complètement ou partiellement du champ d'application du présent article.
  Cet effort est destiné aux personnes appartenant aux groupes à risque ou à qui s'applique un plan d'accompagnement.
  La notion de groupes à risque est prévue par la convention collective de travail visée à l'article 106.
Art.106. § 1. De inspanning bedoeld in artikel 105 wordt geconcretiseerd door middel van een nieuwe of voortgezette collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in een paritair orgaan of gesloten voor een onderneming of een groep van ondernemingen, voor 1999 en 2000.
  § 2. De in § 1 bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst moet gesloten worden overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
  De collectieve arbeidsovereenkomst moet neergelegd worden op de griffie van de dienst der Collectieve Arbeidsbetrekkingen van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid tegen uiterlijk 1 juli van het jaar waarop ze betrekking heeft of tegen een andere datum door de Koning bepaald. Zij moet uitdrukkelijk vermelden dat ze gesloten is in toepassing van deze onderafdeling.
  § 3. Jaarlijks moeten de partijen die de collectieve arbeidsovereenkomst hebben ondertekend, een evaluatieverslag en een financieel overzicht van de uitvoering van de in paragraaf 1 bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst neerleggen op de griffie van de dienst der collectieve arbeidsbetrekkingen van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid tegen uiterlijk 1 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de collectieve arbeidsovereenkomst betrekking heeft. Door de Koning kunnen de nadere regelen en voorwaarden worden vastgelegd waaraan het evaluatieverslag en het financieel overzicht moeten voldoen. Deze evaluatieverslagen worden overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Art.106. § 1er. L'effort visé à l'article 105 est concrétisé au moyen d'une nouvelle convention collective de travail ou d'une convention collective de travail prolongée, conclue dans un organe paritaire ou conclue pour une entreprise ou un groupe d'entreprises, pour 1999 et 2000.
  § 2. La convention collective de travail visée au § 1er doit être conclue conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires.
  La convention collective de travail doit être déposée au greffe du Service des Relations collectives de travail du Ministère de l'Emploi et du Travail, au plus tard le 1er juillet de l'année à laquelle elle se rapporte ou à une autre date déterminée par le Roi. Elle doit mentionner de manière explicite qu'elle est conclue en application de cette sous-section.
  § 3. Les parties qui ont signé la convention collective de travail doivent déposer chaque année un rapport d'évaluation et un apercu financier de l'execution de la convention collective visée au paragraphe 1er au greffe du Service des Relations collectives de travail du Ministère de l'Emploi et du Travail au plus tard le 1er juillet de l'année suivant celle à laquelle s'applique la convention collective de travail. Les modalités et conditions auxquelles doivent répondre le rapport d'évaluation et l'apercu financier peuvent être déterminées par le Roi. Ces rapports d'évaluation sont transmis à la Chambre des représentants.
Art.107. § 1. De werkgevers die niet of slechts voor een gedeelte van hun werknemers onder het toepassingsgebied van een collectieve arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 106, § 1, vallen, zijn gehouden tot de betaling van een bijdrage van 0,10 % zoals bedoeld in artikel 105 voor het gedeelte van de werknemers dat niet onder het toepassingsgebied valt van een dergelijke collectieve arbeidsovereenkomst.
  In afwijking van de bepalingen van het eerste lid is de bijdrage van 0,10 % niet verschuldigd voor het 1e kwartaal 1999 en wordt de bijdrage voor het 2e kwartaal 1999 vastgesteld op 0,20 %.
  § 2. De instellingen belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen zijn, ieder wat haar betreft, ook belast met de inning en de invordering van de in § 1 bedoelde bijdrage, alsook met de overdracht daarvan op een speciale rekening van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, ter uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een fonds met het oog op de aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling.
  Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instellingen belast met de inning en de invordering van de bijdragen.
Art.107. § 1er. Les employeurs qui ne sont pas couverts, ou pour une partie seulement de leurs travailleurs, par une convention collective de travail visée à l'article 106, § 1er, sont tenus de payer une cotisation de 0,10 % telle que visée à l'article 105 pour la partie des travailleurs qui ne sont pas couverts par une telle convention collective de travail.
  Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, la cotisation de 0,10 % n'est pas due pour le 1er trimestre de 1999 et la cotisation pour le 2ème trimestre de 1999 est fixée à 0,20 %.
  § 2. Les institutions chargées de la perception des cotisations de sécurité sociale sont, chacune en ce qui la concerne, aussi chargées de la perception et du recouvrement de la cotisation visée au § 1er, ainsi que du versement de celle-ci sur un compte spécial du Fonds pour l'emploi créé au sein du Ministère de l'Emploi et du Travail, en exécution de l'article 4 de l'arrêté royal n° 181 du 30 décembre 1982 portant création d'un Fonds en vue de l'utilisation de la modération salariale supplémentaire pour l'emploi.
  Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justificatif des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière de procédure judiciaire, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations.
Art.108. In artikel 10bis, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces worden de woorden :
  "deze ondernemingen of sectoren gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, die voorziet in een inspanning van minstens 0,15 % voor de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1998" vervangen door de woorden "deze ondernemingen of sectoren gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in (artikel 105) van de wet betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen van 26 maart 1999, die voorziet in een inspanning van minstens 0,15 % voor de periode van 1 januari 1999 tot 31 december 2000".
Art.108. A l'article 10bis, § 1er, 1°, de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes, les mots :
  " ces entreprises ou secteurs sont liés par une convention collective de travail visée à l'article 3 de l'arrête royal du 27 janvier 1997 portant des mesures de promotion de l'emploi en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, qui prevoit un effort d'au moins 0,15 % pour la période du 1er janvier 1997 au 31 décembre 1998 " sont remplacés par les mots " ces entreprises ou secteurs sont liés par une convention collective de travail visée à l'(article 105) de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, qui prévoit un effort d'au moins 0,15 % pour la période du 1er janvier 1999 au 31 décembre 2000 ".
Onderafdeling 2. - Stage der jongeren.
Sous-section 2. - Stage des jeunes.
Art.109. § 1. Artikel 7, § 1, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 zoals gewijzigd bij artikel 5 van deze wet, wordt aangevuld als volgt :
  "5° de personen die ingeschreven zijn als gehandicapte bij een gemeenschaps- of gewestfonds voor de sociale en professionele integratie van gehandicapte personen en die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.".
  § 2. Artikel 12, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit wordt aangevuld als volgt :
  "5° stemt de aanwerving van een werknemer die gelijkgesteld is met een stagiair ingevolge artikel 7, § 1, tweede lid, 5° voor het eerste jaar van de tewerkstelling in de onderneming overeen met de aanwerving van een voltijdse stagiair.".
Art.109. § 1er. L'article 7, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, tel que modifie par l'article 5 de la présente loi, est complété comme suit :
  " 5° les personnes inscrites comme handicapées a un Fonds communautaire ou régional d'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées et qui sont engagées dans les liens d'un contrat de travail à durée indéterminée. ".
  § 2. L'article 12, § 2, du même arrêté est complété comme suit :
  " 5° l'engagement d'un travailleur assimilé à un stagiaire en vertu de l'article 7, § 1er, alinéa 2, 5° équivaut pour la première année de l'occupation dans l'entreprise à l'engagement d'un stagiaire à temps plein. ".
Onderafdeling 3. - Voltijds brugpensioen.
Sous-section 3. - Prépension à temps plein.
Art.110. § 1. In de paritaire comités of subcomités kunnen collectieve arbeidsovereenkomsten worden gesloten die voorzien in de invoering van een stelsel van conventioneel brugpensioen, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen, voor de ontslagen werknemers die (in de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2008), 56 jaar of ouder zijn. Bovendien moet de leeftijd van 56 jaar worden bereikt tijdens de looptijd van deze collectieve arbeidsovereenkomsten en op het ogenblik van de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst. De bedoelde werknemers moeten op het ogenblik van de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst 33 jaar beroepsverleden als loontrekkende kunnen rechtvaardigen in de zin van artikel 114, § 4, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. <W 2007-05-17/48, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 29-06-2007>
  Deze werknemers moeten bovendien kunnen aantonen dat zij op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, ofwel minimaal 20 jaar gewerkt hebben in een arbeidsregime zoals bedoeld in artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 gesloten op 23 maart 1990 en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990, ofwel tewerkgesteld zijn door een werkgever die behoort tot het paritair comité van het bouwbedrijf en dat zij beschikken over een attest dat hun ongeschiktheid tot voortzetting van hun beroepsactiviteit bevestigt, afgegeven door de arbeidsgeneesheer.
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel worden voor de berekening van het beroepsverleden gelijkgesteld met arbeidsdagen :
  - de periode van actieve dienst als dienstplichtige en als gewetensbezwaarde met toepassing van de Belgische wetgeving;
  - de dagen van beroepsloopbaanonderbreking overeenkomstig de bepalingen van de herstelwet van 22 januari 1985 en de periodes tijdens welke de werknemer zijn loondienst heeft onderbroken om een kind op te voeden dat de leeftijd van zes jaar niet heeft bereikt. Deze gelijkstellingen kunnen in totaal voor maximaal 3 jaar in rekening worden gebracht;
  - de dagen tijdens welke de werknemer zijn loondienst onderbroken heeft om een tweede of een volgend kind op te voeden dat de leeftijd van zes jaar nog niet heeft bereikt. Deze gelijkstellingen kunnen in totaal voor maximaal 3 jaar in rekening worden gebracht;
  - de dagen van volledige werkloosheid met een maximum van 5 jaar.
  § 3. De Koning kan de voorwaarden en nadere regelen ter uitvoering van dit artikel bepalen.
Art.110. § 1er. Dans les commissions ou sous-commissions paritaires, des conventions collectives de travail peuvent être conclues, prévoyant l'instauration d'un régime de prépension conventionnelle, tel que prévu par l'arrêté royal du 7 décembre 1992 relatif à l'attribution d'allocations de chômage en cas de prépension conventionnelle, pour les travailleurs licenciés qui, (au cours de la période du 1er janvier 2007 au 31 décembre 2008), sont âgés de 56 ans ou plus. Par ailleurs, l'âge de 56 ans doit être atteint au cours de la durée de validité de ces conventions collectives de travail et au moment de la fin de leur contrat de travail. Les travailleurs visés doivent, au moment de la fin de leur contrat de travail, pouvoir se prévaloir de 33 ans de passé professionnel en tant que salarié, au sens de l'article 114, § 4, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage. <L 2007-05-17/48, art. 4, 015; En vigueur : 29-06-2007>
  En outre, ces travailleurs doivent pouvoir prouver qu'au moment de la fin du contrat de travail, qu'ils ont travaillé au minimum pendant 20 ans dans un régime de travail tel que prévu à l'article 1er de la convention collective de travail n° 46 conclue le 23 mars 1990 et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 10 mai 1990, ou qu'ils sont occupés par un employeur qui relève de la Commission paritaire de la construction et qu'ils disposent d'une attestation, délivrée par le médecin du travail, qui confirme leur incapacité à poursuivre leur activité professionnelle.
  § 2. Pour l'application du présent article, sont assimilés à des jours de travail pour le calcul du passé professionnel :
  - la période de service actif en tant que milicien et en tant qu'objecteur de conscience en application de la législation belge;
  - les jours d'interruption de carrière conformément aux dispositions de la loi de redressement du 22 janvier 1985 et les périodes au cours desquelles le travailleur a interrompu son activité salariée pour élever un enfant de moins de 6 ans. Ces assimilations peuvent totaliser 3 ans au maximum;
  - les jours au cours desquels le travailleur a interrompu son activité salariée pour élever un deuxième enfant ou un enfant suivant âgé de moins de 6 ans. Ces assimilations peuvent être prises en compte pour un maximum de 3 ans au total;
  - les jours de chômage complet avec un maximum de 5 ans.
  § 3. Le Roi peut déterminer les conditions et modalités d'exécution de cet article.
Onderafdeling 4. - Halftijds brugpensioen.
Sous-section 4. - Prépension à mi-temps.
Art.112. In de ondernemingen en de paritaire comités of subcomités kunnen, [1 voor de periode van 1 januari 2011 tot 31 december 2012]1, collectieve arbeidsovereenkomsten worden gesloten die voorzien in de invoering van een stelsel van halftijds brugpensioen, zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 55 gesloten op 13 juli 1993 in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 17 november 1993 voor de oudere werknemers, bedoeld in artikel 46 van de wet, van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, vanaf de leeftijd van 55 jaar. <W 2007-05-17/48, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 29-06-2007>
  [2 De werknemer wordt slechts toegelaten tot het stelsel van halftijds brugpensioen indien :
   1° het halftijds brugpensioen ingaat vóór 1 januari 2012;
   2° de werknemer vóór 20 november 2011 een akkoord heeft gesloten met zijn werkgever om zijn arbeidsprestaties te halveren en voor zover het halftijds brugpensioen ingaat vóór 1 april 2012.]2

  De Koning kan de voorwaarden en nadere regelen bepalen ter uitvoering van de bepalingen van dit artikel.
  
Art.112. Dans les entreprises et dans les commissions ou sous-commissions paritaires, des conventions collectives de travail peuvent être conclues [1 pour la période du 1er janvier 2011 au 31 décembre 2012]1 prévoyant l'instauration d'un régime de prépension à mi-temps tel que visé dans la convention collective de travail n° 55 conclue le 13 juillet 1993 au sein du Conseil national du Travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 17 novembre 1993 pour les travailleurs âgés visés à l'article 46 de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, à partir de l'âge de 55 ans. <L 2007-05-17/48, art. 5, 015; En vigueur : 29-06-2007>
  [2 Le travailleur est admis dans le système de prépension à mi-temps si :
   1° la prépension à mi-temps débute avant le 1er janvier 2012;
   2° le travailleur a, avant le 20 novembre 2011, conclu avec son employeur un accord pour réduire ses prestations de travail à mi-temps pour autant que la prépension à mi-temps débute avant le 1er avril 2012.]2

  Le Roi peut déterminer les conditions et modalités d'exécution de cet article.
  
Art.113. § 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen met betrekking tot het halftijds brugpensioen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen worden de woorden "voor de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1998" vervangen door de woorden "voor de periode van 1 januari 1999 tot 31 december 2000".
  § 2. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de woorden "30 juni 1996" vervangen door de woorden "30 juni 1998".
  § 3. In artikel 5 van hetzelfde besluit worden de woorden "31 december 1998" vervangen door de woorden "31 december 2000".
Art.113. § 1er. A l'article 1er de l'arrêté royal du 27 janvier 1997 portant des mesures relatives à la prépension à mi-temps en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la competitivité, les mots " pour la période du 1er janvier 1997 au 31 décembre 1998 " sont remplacés par les mots " pour la période du 1er janvier 1999 au 31 décembre 2000 ".
  § 2. A l'article 4 du même arrêté les mots " 30 juin 1996 " sont remplacés par les mots " 30 juin 1998 ".
  § 3. A l'article 5 du même arrêté les mots " 31 décembre 1998 " sont remplacés par les mots " 31 décembre 2000 ".
Onderafdeling 5. - Jaarlijkse vakantie.
Sous-section 5. - Vacances annuelles.
Art.114. In artikel 9 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 28 juni 1971, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 maart 1981, wordt het percentage "14,80 %" vervangen door het percentage "15,18 %".
Art.114. Dans l'article 9 des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées par l'arrêté royal du 28 juin 1971, modifié par l'arrête royal du 1er mars 1989, le pourcentage " 14,80 % " est remplacé par le pourcentage " 15,18 % ".
Art.115. Artikel 65 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 30 december 1998, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 65. § 1. De Koning kan beslissen dat een deel van 8 % of van 6 %, begrepen in de jaarlijkse bijdrage van "9,90 %", beoogd bij artikel 3, § 4, vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, niet verschuldigd is door de werkgevers die dienen bij te dragen in een fonds voor bestaanszekerheid, zo de aan dat fonds verschuldigde bijdrage respectievelijk dient tot het toekennen hetzij van het dubbel vakantiegeld voor de tweede week, het gewoon en dubbel vakantiegeld voor de derde vakantieweek en het gewoon vakantiegeld voor de vierde week, hetzij van het dubbel vakantiegeld voor de tweede week, het gewoon of het dubbel vakantiegeld voor de derde week en het gewoon vakantiegeld voor de vierde vakantieweek en het dubbel vakantiegeld voor drie dagen van de vierde vakantieweek.
  In dat geval stort het fonds voor bestaanszekerheid aan de instelling belast met de uitbetaling van het vakantiegeld aan de werknemers die tijdens het vakantiedienstjaar tewerkgesteld waren bij de werkgevers die dienen bij te dragen tot het Fonds, een bedrag gelijk aan het bij het eerste lid beoogde deel van 8 % of 6 %.
  § 2. De Koning kan beslissen dat het deel van "9,90 %" beoogd bij artikel 3, § 4, vierde lid, van voornoemde besluitwet van 28 december 1944 op de werkgevers die bijdrageplichtig zijn aan het Fonds voor bestaanszekerheid voor de arbeiders van de bouwnijverheid niet toepasselijk is wanneer de aan dat fonds verschuldigde bijdrage bestemd is voor de toekenning van het dubbel vakantiegeld voor de tweede vakantieweek, het gewoon en dubbel vakantiegeld voor de derde vakantieweek, het gewoon vakantiegeld voor de vierde vakantieweek en het dubbel vakantiegeld voor drie dagen van de vierde vakantieweek en het gewoon en dubbel vakantiegeld voor de andere gelijkgestelde dagen dan die welke het gevolg zijn van militaire verplichtingen en staking.
  In dat geval stort het fonds voor bestaanszekerheid aan de instelling die belast is met het betalen van het vakantiegeld aan de werknemers die bij de aan dit fonds bijdragegeplichtige werkgevers waren tewerkgesteld, het bedrag van de werkelijke geïnde bijdragen van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van "9,90 %".
  § 3. De Koning kan de in §§ 1 en 2 bedoelde percentages aanpassen, gelet op de eventuele wijziging van de vakantiebijdrage in toepassing van artikel 19, § 3, 1°.".
Art.115. L'article 65 des mêmes lois, modifié par la loi du 30 décembre 1988, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 65. § 1er. Le Roi peut décider qu'une part de 8 % ou de 6 % comprise dans la cotisation annuelle de " 9,90 % " visée à l'article 3, § 4, alinéa 4, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs n'est pas due par les employeurs qui doivent cotiser à un Fonds de sécurité d'existence lorsque la cotisation due à ce Fonds sert à accorder respectivement soit le pécule double afférent à la deuxième semaine, les pécules simple et double afférents à la troisième semaine et le pécule simple afférent à la quatrième semaine, soit le pécule double afférent à la deuxième semaine, le pécule simple ou double afférent à la troisième semaine de vacances, le pécule simple afférent à la quatrième semaine de vacances et le pécule double pour trois jours de la quatrième semaine de vacances.
  Dans ce cas, le Fonds de sécurité d'existence verse à l'organisme chargé du paiement du pécule de vacances aux travailleurs qui ont été occupés pendant l'exercice de vacances chez les employeurs devant cotiser au Fonds, une somme égale à la part de 8 % ou 6 % visée à l'alinéa 1er.
  § 2. Le Roi peut décider que la part de " 9,90 % " visée à l'article 3, § 4, alinéa 4, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 précité ne s'applique pas aux employeurs qui doivent cotiser au Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction, lorsque la cotisation due à ce Fonds sert à accorder le double pécule pour la deuxième semaine de vacances, les pécules simple et double afférents à la troisième semaine de vacances, le pécule simple afférent à la quatrième semaine de vacances et le pécule double pour trois jours de la quatrième semaine de vacances et les pécules simples et doubles afférents aux jours assimilés autres que ceux résultant des obligations militaires et de la grève.
  Dans ce cas, le Fonds de sécurite d'existence verse à l'organisme chargé du paiement du pécule de vacances aux travailleurs qui ont été occupés chez les employeurs devant cotiser au Fonds, la part de " 9,90 % " visée à l'alinéa 1er, à concurrence des cotisations réellement percues.
  § 3. Le Roi peut adapter les pourcentages visés aux §§ 1er et 2, eu égard à la modification apportée éventuellement à la cotisation de vacances en application de l'article 19, § 3, 1°. ".
Art.116. In artikel 19 van dezelfde wetten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, 1°, worden tussen de woorden "van de vakantiegelden" en de woorden "die worden uitbetaald" de woorden "met uitzondering van het dubbel vakantiegeld voor de derde dag van de vierde vakantieweek" ingevoegd;
  2° § 3, 1°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "1° de bijdrage voor de jaarlijkse vakantie, vastgesteld bij de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, wijzigen; in dat geval past Hij de nog van kracht zijnde bepalingen van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende deze bijdrage, aan;".
Art.116. A l'article 19 des mêmes lois, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, 1°, les mots " à l'exception du double pécule de vacances légal pour le troisième jour de la quatrième semaine de vacances " sont insérés entre les mots " pécules de vacances " et " payés par l'Office national des Vacances annuelles ";
  2° le § 3, 1°, est remplacé par la disposition suivante :
  " 1° modifier la cotisation de vacances annuelles fixée par la loi du 29 juin 1981 etablissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés; dans ce cas, Il adapte les dispositions encore en vigueur de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relative à cette cotisation; ".
Art.117. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de bestaande wetsbepalingen wijzigen teneinde ze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de artikelen 114 en 115.
Art.117. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier les dispositions légales existantes afin de les mettre en concordance avec les dispositions des articles 114 et 115.
Art.118. Artikel 39, § 1, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "§ 1. Op het gedeelte van het wettelijk vakantiegeld dat niet overeenstemt met het normale loon voor de vakantiedagen met uitzondering van het dubbel vakantiegeld voor de derde dag van de vierde vakantieweek, wordt een inhouding verricht die gelijk is aan het totaal van de bijdragevoeten van de werknemersbijdragen zoals vastgesteld in artikel 38, § 2.".
Art.118. L'article 39, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Une retenue égale au total des taux de cotisations des travailleurs salariés fixés à l'article 38, § 2, est opérée sur la partie du pécule de vacances légal qui ne correspond pas à la rémunération normale pour les jours de vacances, à l'exception du double pécule de vacances légal pour le troisième jour de la quatrième semaine de vacances. ".
Art.119. In de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 3, § 4, vierde lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 maart 1989, worden de percentages "9,50" en "15,50" respectievelijk vervangen door de percentages "9,90" en "15,90";
  2° in hetzelfde artikel, zelfde paragraaf, zesde lid, gewijzigd bij de wet van 1 maart 1989, wordt het percentage "15,50" vervangen door het percentage "15,90";
  3° in artikel 4, eerste lid, A, 5°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 maart 1989, worden de percentages "15,50", "7,50" en "9,50" respectievelijk vervangen door de percentages "15,90", "7,90" en "9,90".
Art.119. Dans l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'article 3, § 4, alinéa 4, modifié par l'arrêté royal du 1er mars 1989, les pourcentages " 9,50 " et " 15,50 " sont remplacés respectivement par les pourcentages " 9,90 " et " 15,90 ";
  2° au même article, même paragraphe, alinéa 6, modifié par l'arrêté royal du 1er mars 1989, le pourcentage " 15,50 " est remplacé par le pourcentage " 15,90 ";
  3° à l'article 4, alinéa 1er, A, 5°, modifié par l'arrêté royal du 1er mars 1989, les pourcentages " 15,50 ", " 7,50 " et " 9,50 " sont remplacés respectivement par les pourcentages " 15,90 ", " 7,90 " et " 9,90 ".
Art.120. De artikelen 114, 115, 118 en 119 zijn voor het eerst van toepassing voor de berekening van het vakantiegeld voor het vakantiejaar 1999.
Art.120. Les articles 114, 115, 118 et 119 sont applicables pour la première fois au calcul du pécule de vacances de l'année de vacances 1999.
Afdeling VII. - Begeleiding van werklozen.
Section VII. - Accompagnement des chômeurs.
Art.121. De werkgevers op wie de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de besluitwetten van 19 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden en van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij toepasselijk zijn, zijn voor de periode van 1 januari 1999 tot 31 december 2000 een bijdrage van 0,05 % verschuldigd, berekend op grond van het volledige loon van de werknemers, bedoeld in artikel 23 van de voornoemde wet van 29 juni 1981.
  In afwijking van de bepalingen van het eerste lid is deze bijdrage voor het 1e kwartaal 1999 niet verschuldigd en wordt de bijdrage voor het 2e kwartaal vastgesteld op 0,10 %.
  De Koning kan de categorieën die Hij bepaalt geheel of gedeeltelijk aan het toepassingsgebied van deze afdeling onttrekken.
  De instellingen belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen zijn, ieder wat hen betreft, ook belast met de inning en de invordering van deze bijdragen, alsook met de overdracht daarvan op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds, opgericht bij het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, in uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling.
  Deze bijdragen worden gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijn inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling, belast met de inning en invordering van de bijdragen.
Art.121. Les employeurs auxquels sont applicables la loi du 27 juin 1969 portant révision de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs et les arrêtés-lois des 19 janvier 1945 relatif à la sécurité sociale des mineurs et assimilés et 7 février 1945 relatif à la sécurité sociale des marins de la marine marchande, sont redevables, pour la période du 1er janvier 1999 au 31 décembre 2000, d'une cotisation de 0,05 %, calculée sur la base du salaire global des travailleurs, comme prévu à l'article 23 de la loi précitée du 29 juin 1981.
  Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, cette cotisation n'est pas due pour le 1er trimestre 1999 et la cotisation pour le 2ème trimestre est fixée à 0,10 %.
  Le Roi peut soustraire entièrement ou partiellement les catégories qu'Il détermine du champ d'application de cette section.
  Les institutions chargées de la perception des cotisations de sécurité sociale sont, chacune en ce qui la concerne, également chargées de la perception et du recouvrement de ces cotisations ainsi que du transfert de celles-ci sur un compte spécial du Fonds pour l'emploi, créé au sein du Ministère de l'Emploi et du Travail, en exécution de l'article 4 de l'arrêté royal n° 181 du 30 décembre 1982 portant création d'un Fonds d'affectation de la modération salariale supplémentaire en faveur de l'emploi.
  Ces cotisations sont assimilées à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des sanctions pénales, la surveillance, la désignation du juge competent en cas de litige, la prescription en matière d'actions en justice, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations.
Art.122. § 1. De opbrengst van de bijdragen bedoeld in artikel 121 wordt aangewend voor de begeleiding van werklozen op wie een individueel begeleidingsplan van toepassing is.
  § 2. De middelen die op en vanaf 31 december 1998 in het Tewerkstellingsfonds beschikbaar zijn en die komende van het saldo van de middelen bedoeld in artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 ter bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, gewijzigd door artikel 32 van de wet van 15 januari 1999 houdende budgettaire en diverse bepalingen en van de middelen voortkomend uit de inwerkingstelling van artikel 20, § 1, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en van artikel 6, § 1, van het voornoemde koninklijk besluit van 27 januari 1997, gewijzigd bij artikel 32 van voornoemde wet van 15 januari 1999, anderzijds van de bijdrage die vanaf 1 januari 1999 verschuldigd zijn in toepassing van artikel 107 van deze wet, worden aangewend voor de bevordering en de omkadering van het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst en voor de federale diensten belast met het toezicht, de opvolging en de omkadering van het begeleidingsplan voor werklozen.
  (Vanaf 1 januari 2000 en tot 31 december 2000, wordt de inschakelingsovereenkomst, bedoeld in Titel I van het samenwerkingsakkoord van 30 maart 2000 tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende de inschakeling van werkzoekenden naar startbanen, gelijkgesteld aan een individueel begeleidingsplan bedoeld in § 1.) <W 2001-01-02/30, art. 48, 004; Inwerkingtreding : 03-01-2001>
Art.122. § 1er. Le produit des cotisations visées à l'article 121 est affecté à l'accompagnement des chômeurs auxquels s'applique un plan d'accompagnement individuel.
  § 2. Les moyens disponibles au et à partir du 31 décembre 1998 au Fonds pour l'emploi et provenant, d'une part, du solde des moyens visés à l'article 6, § 2, de l'arrêté royal du 27 janvier 1997 contenant des mesures pour la promotion de l'emploi en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, modifié par l'article 32 de la loi du 15 janvier 1999 portant des dispositions budgétaires diverses et des moyens résultant de la mise en oeuvre de l'article 20, § 1er, de la loi du 3 avril 1995 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi et de l'article 6, § 1er, de l'arrêté royal du 27 janvier 1997 précité, modifié par l'article 32 de la même loi du 15 janvier 1999 et, d'autre part, des cotisations qui, à partir du 1er janvier 1999, sont dues en vertu de l'article 107 de la présente loi, seront utilisés pour la promotion et l'encadrement de l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés ainsi que pour les services fédéraux chargés du contrôle, du suivi et de l'encadrement du plan d'accompagnement des chômeurs.
  (A partir du 1er janvier 2000 et jusqu'au 31 décembre 2000, la convention d'insertion, visée au Titre Ier de l'accord de coopération du 30 mars 2000 entre l'Etat, les communautés et les régions concernant l'insertion des demandeurs d'emploi vers la convention de premier emploi, est assimilée à un plan d'accompagnement individuel visé au § 1er.) <L 2001-01-02/30, art. 48, 004; En vigueur : 03-01-2001>
Art.123. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit :
  1° voor welke werklozen, in welke gevallen, en onder welke voorwaarden en volgens welke nadere regelen die bijdragen bedoeld in artikel 122, § 1, worden aangewend voor de begeleiding van werklozen op wie een individueel begeleidingsplan van toepassing is. Door de Koning kan worden voorzien in de toekenning van voorschotten waarvan het bedrag door Hem wordt bepaald;
  2° wat betreft de begeleiding van werklozen op wie een individueel begeleidingsplan van toepassing is, de nadere regelen voor de verdeling van de opbrengst van de bijdragen, bedoeld in artikel 122, § 1;
  3° elke andere maatregel die nodig is om de uitvoering van deze afdeling te waarborgen.
Art.123. Le Roi détermine par arrêté déliberé en Conseil des Ministres :
  1° pour quels chômeurs, dans quels cas, à quelles conditions et selon quelles modalités les cotisations visées à l'article 122, § 1er, sont affectées pour l'accompagnement de chômeurs auxquels s'applique un plan d'accompagnement individuel. Le Roi peut prévoir l'octroi d'avances dont Il détermine le montant;
  2° pour l'accompagnement des chômeurs auxquels s'applique un plan d'accompagnement individuel, les modalités de répartition du produit des cotisations visées à l'article 122, § 1er;
  3° toute autre mesure nécessaire pour garantir l'exécution de la présente section.
Afdeling VIII. - Tijdelijke werkloosheid.
Section VIII. - Chômage temporaire.
Art.124. In artikel 50 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het tweede en het derde lid worden de volgende leden ingevoegd :
  "De werkgever is verplicht de eerste dag van de werkelijke schorsing van de uitvoering van de overeenkomst, krachtens dit artikel, in elke kalendermaand onmiddellijk mede te delen aan het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De Koning bepaalt de nadere regelen betreffende de mededeling aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening alsmede de nadere regelen betreffende het bewijs van het slechte weder.
  De werkgever wordt van deze mededeling vrijgesteld indien gedurende de kalendermaand voor de betrokken werknemer reeds mededeling werd gedaan met toepassing van artikel 51, § 3quater, eerste lid.";
  2° dit artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
  "De werkgever die zich niet gedraagt naar de bepalingen van het derde lid is verplicht aan de werkman zijn normaal loon te betalen voor de dagen tijdens welke de uitvoering van de overeenkomst ingevolge het eerste lid werkelijk geschorst is. Leeft de werkgever de in het derde lid bedoelde verplichtingen laattijdig na, dan geldt de verplichting om het loon te betalen enkel gedurende de periode voorafgaand aan de mededeling. Voor de toepassing van dit lid bepaalt de Koning wat dient te worden verstaan onder normaal loon.".
Art.124. A l'article 50 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les alinéas suivants sont insérés entre le deuxième et le troisième alinéa :
  " L'employeur est tenu de communiquer immédiatement au bureau du chômage de l'Office national de l'Emploi le premier jour de suspension effective de l'exécution du contrat de travail, en vertu du présent article, de chaque mois civil. Le Roi détermine les modalités de communication à l'Office national de l'Emploi ainsi que les modalités de preuve des intempéries.
  L'employeur est dispensé de cette communication si pendant le mois civil une communication a déjà été faite pour le travailleur concerné en application de l'article 51, § 3quater, alinéa 1er. ";
  2° cet article est complété par l'alinéa suivant :
  " L'employeur qui ne respecte pas les dispositions de l'alinéa 3 est tenu de payer à l'ouvrier sa rémunération normale pour les jours pendant lesquels l'exécution du contrat a été réellement suspendue sur la base de l'alinéa 1er. Si l'employeur ne respecte que tardivement les obligations visées à l'alinéa 3, l'obligation de payer la rémunération ne vaut que pendant la période qui précède la communication. Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par rémunération normale pour l'application du présent alinéa. ".
Art.125. In artikel 51 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, tweede lid, 4°, worden de woorden "gewestelijk bureau" vervangen door het woord "werkloosheidsbureau";
  2° in § 2, vijfde lid, worden de woorden "gewestelijk bureau" vervangen door het woord "werkloosheidsbureau";
  3° in § 2, zesde lid, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 254 van 31 december 1983, worden de woorden "gewestelijk bureau" vervangen door het woord "werkloosheidsbureau";
  4° een § 3quater wordt ingevoegd, luidend als volgt :
  "Op advies van het paritair comité of van de Nationale Arbeidsraad, kan de Koning de verplichting opleggen de eerste dag van de werkelijke schorsing van de uitvoering van de overeenkomst, krachtens dit artikel, in elke kalendermaand onmiddellijk mede te delen aan het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Hij bepaalt de nadere regelen betreffende deze mededeling.
  De werkgever wordt van deze mededeling vrijgesteld indien gedurende de kalendermaand voor de betrokken werknemer reeds mededeling werd gedaan met toepassing van artikel 50, derde lid.";
  5° in § 5bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 254 van 31 december 1983, worden de woorden "gewestelijk bureau" vervangen door de woorden "werkloosheidsbureau";
  6° § 5bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 254 van 31 december 1983, wordt daarenboven aangevuld met het volgende lid :
  "Het eerste lid is niet van toepassing ingeval een verplichting tot mededeling bestaat met toepassing van de bepalingen van § 3quater.";
  7° § 7 wordt aangevuld met de volgende leden :
  "De werkgever die zich niet gedraagt naar de bepalingen van § 3quater is verplicht aan de werkman zijn normaal loon te betalen voor de dagen tijdens welke de uitvoering van de overeenkomst krachtens dit artikel werkelijk geschorst is. Leeft de werkgever de in § 3quater bedoelde verplichtingen laattijdig na, dan geldt de verplichting om het loon te betalen enkel gedurende de periode voorafgaand aan de mededeling. Voor de toepassing van dit lid bepaalt de Koning wat dient te worden verstaan onder normaal loon.
  De werkgever die zich niet gedraagt naar de in het eerste en het derde lid bedoelde bepalingen, is gehouden aan de werkman zijn normaal loon te betalen tijdens een periode van zeven dagen vanaf de eerste dag van de werkelijke schorsing van de uitvoering van de overeenkomst; hij is tevens gehouden aan de werkman, in de daaropvolgende periode, voor de dagen tijdens welke de uitvoering van de overeenkomst krachtens dit artikel werkelijk geschorst is, een normaal loon te betalen waarvan de Koning het bedrag bepaalt. Leeft de werkgever de in het derde lid bedoelde verplichtingen laattijdig na, dan geldt de verplichting om het loon te betalen enkel gedurende de periode voorafgaand aan de mededeling.".
Art.125. A l'article 51 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, alinéa 2, 4°, les mots " bureau régional " sont remplacés par les mots " bureau du chômage ";
  2° dans le § 2, alinéa 5, les mots " bureau régional " sont remplacés par les mots " bureau du chômage ";
  3° dans le § 2, alinéa 6, inséré par l'arrêté royal n° 254 du 31 décembre 1983, les mots " bureau régional " sont remplacés par les mots " bureau du chômage ";
  4° il est inséré un § 3quater, rédigé comme suit :
  " Sur avis de la Commission paritaire ou du Conseil national du Travail, le Roi peut imposer l'obligation de communiquer immédiatement au bureau du chômage de l'Office national de l'Emploi le premier jour de suspension effective de l'exécution du contrat de travail, en vertu du présent article, de chaque mois civil. Il détermine les modalités de cette communication.
  L'employeur est dispensé de cette communication si pendant le mois civil une communication a déjà été faite pour le travailleur concerné en application de l'article 50, alinéa 3. ";
  5° dans le § 5bis, inséré par l'arrêté royal n° 254 du 31 décembre 1983, les mots " bureau régional " sont remplacés par les mots " bureau du chômage ";
  6° le § 5bis, inséré par l'arrêté royal n° 254 du 31 décembre 1983, est en outre complété par l'alinéa suivant :
  " L'alinéa premier n'est pas applicable lorsqu'une obligation de communication existe en application des dispositions du § 3quater. ";
  7° le § 7 est complété par les alinéas suivants :
  " L'employeur qui ne respecte pas les dispositions du § 3quater est tenu de payer à l'ouvrier sa rémuneration normale pour les jours pendant lesquels l'exécution du contrat a été réellement suspendue, en vertu du présent article. Si l'employeur ne respecte que tardivement les obligations visées au § 3quater, l'obligation de payer la remunération ne vaut que pendant la periode qui précède la communication. Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par rémunération normale pour l'application du présent alinéa.
  L'employeur qui ne respecte pas les dispositions visées aux alinéas 1er et 3, est tenu de payer à l'ouvrier sa rémunération normale pendant une période de sept jours prenant cours le premier jour de suspension effective de l'exécution du contrat; il est tenu également de payer à l'ouvrier, dans la période qui suit, pour les jours pendant lesquels l'exécution du contrat a été effectivement suspendue, en vertu du présent article, une rémunération normale dont le Roi détermine le montant. Si l'employeur ne respecte que tardivement les obligations visées à l'alinéa 3, l'obligation de payer la rémunération ne vaut que pendant la periode qui précède la communication. ".
HOOFDSTUK IV. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE IV. - Entrée en vigueur.
Art. 126. Deze wet treedt in werking op 1 januari 1999 met uitzondering van :
  1° de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling III, die uitwerking hebben op 1 januari 1998;
  2° de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling IV, behalve de bepalingen van artikel 35, § 4, van de voornoemde wet van 29 juni 1981, zoals gewijzigd bij artikel 22 van deze wet, die in werking treden op 1 juli 1999.
  De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit de datum van 1 juli 1999 vervroegen;
  3° de bepalingen van artikel 29, die in werking treden op de datum bepaald door de Koning;
  4° de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling VI, die uitwerking hebben op 1 oktober 1998;
  5° de bepalingen van de artikelen 41 tot 46, 48 en 49;
  6° de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling X, onderafdeling IV;
  7° de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling XII, die uitwerking hebben op 1 oktober 1998;
  8° de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling IV, artikelen 93, 94, 95, 96 die uitwerking hebben op 26 februari 1997.
  (NOTA : Inwerkingtreding van hoofdstuk II, afdeling IV vastgesteld op 01-04-1999 door KB 1999-03-26/37, art. 1)
Art. 126. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 1999 à l'exception :
  1° des dispositions du Chapitre II, Section III, qui produisent leurs effets le 1er janvier 1998;
  2° des dispositions du Chapitre II, Section IV, à l'exception des dispositions de l'article 35, § 4, de la loi précitée du 29 juin 1981, tel que modifié par l'article 22 de cette même loi, qui entrent en vigueur le 1er juillet 1999.
  Le Roi peut avancer la date du 1er juillet 1999 par arrêté délibéré en Conseil des Ministres;
  3° des dispositions de l'article 29, qui entrent en vigueur à la date déterminée par le Roi;
  4° des dispositions du Chapitre II, Section VI, qui produisent leurs effets le 1er octobre 1998;
  5° des dispositions des articles 41 à 46, 48 et 49;
  6° des dispositions du Chapitre II, Section X, Sous-section IV;
  7° des dispositions du Chapitre II, Section XII, qui produisent leurs effets le 1er octobre 1998;
  8° des dispositions du Chapitre III, Section IV, articles 93, 94, 95, 96 qui produisent leurs effets le 26 février 1997.
  (NOTE : Entrée en vigueur du chapitre II, section IV fixée le 01-04-1999 par AR 1999-03-26/37, art. 1)