Artikel 1. § 1. Ten aanzien van het academisch personeel kan het universiteitsbestuur de volgende tuchtstraffen uitspreken :
1° schriftelijke berisping;
2° gehele of gedeeltelijke schorsing van het dienstverband voor bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke in houding van het salaris;
3° terugzetting in graad;
4° ontslag.
[1 5° afzetting.]1
§ 2. Onverminderd de regels rond het opleggen van tuchtstraffen kan het universiteitsbestuur een lid van het academisch personeel schorsen in het belang van de dienst als een strafrechtelijke vervolging tegen het betreffende lid is ingesteld [2 , als de universiteit na een melding van grensoverschrijdend gedrag formeel een onderzoek heeft opgestart]2 of als het belang van de universiteit dit vordert.
§ 3. Het universiteitsbestuur bepaalt de gronden die kunnen leiden tot een tuchtstraf. Het universiteitsbestuur stelt de tuchtrechtelijke procedure vast. Deze procedure moet ten minste voorzien in een voorafgaandelijke schriftelijke mededeling van de bezwarende gronden, in een voorafgaandelijke hoorplicht en in een mogelijkheid tot beroep. De tuchtregeling mag geen afbreuk doen aan de academische vrijheid.
§ 4. Tevens bepaalt het universiteitsbestuur de voorwaarden waaronder eerder uitgesproken tuchtstraffen uit het personeelsdossier kunnen worden geschrapt.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
1 DECEMBER 1998. - Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de regeling omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de mandaatsbeëindiging, het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid en het geneeskundig toezicht voor het academisch personeel bij de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-02-1999 en tekstbijwerking tot 03-12-2025)
Titre
1 DECEMBRE 1998. - Arrêté du Gouvernement flamand fixant, pour le personnel académique auprès des universités en Communauté flamande, la réglementation des absences, de la discipline, des positions administratives, des congés, de la fin du mandat, de l'examen de l'aptitude physique et du contrôle médical (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 13-02-1999 et mise à jour au 03-12-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Inhoud
Tekst (16)
Texte (16)
Afdeling 1. - De tuchtregeling.
Section 1. - Le régime disciplinaire.
Article 1. § 1. Les autorités universitaires peuvent prononcer contre le personnel académique les peines disciplinaires suivantes :
1° la réprimande écrite;
2° la suspension entière ou partielle des fonctions pour une période déterminée, accompagnée de la retenue sur traitement totale ou partielle;
3° la rétrogradation;
4° la démission.
[1 5° la révocation.]1
§ 2. Sans préjudice des règles relatives à l'application de peines disciplinaires, les autorités universitaires peuvent suspendre un membre du personnel académique dans l'intérêt du service, lorsqu'une poursuite pénale est dirigée contre le membre en question [2 , lorsque l'université a officiellement ouvert une enquête à la suite d'un signalement de comportement abusif ]2 ou lorsque l'intérêt de l'université l'exige.
§ 3. Les autorités universitaires fixent les motifs pouvant entraîner une peine disciplinaire. Les autorités universitaires déterminent la procédure disciplinaire. Celle-ci doit prévoir au moins la communication écrite préalable des faits incriminés, l'obligation d'audition préalable et la possibilité d'appel. Le régime disciplinaire ne peut porter atteinte à la liberté académique.
§ 4. En outre, les autorités universitaires fixent les conditions auxquelles des peines disciplinaires préalablement infligées peuvent être radiées du dossier individuel du membre du personnel.
1° la réprimande écrite;
2° la suspension entière ou partielle des fonctions pour une période déterminée, accompagnée de la retenue sur traitement totale ou partielle;
3° la rétrogradation;
4° la démission.
[1 5° la révocation.]1
§ 2. Sans préjudice des règles relatives à l'application de peines disciplinaires, les autorités universitaires peuvent suspendre un membre du personnel académique dans l'intérêt du service, lorsqu'une poursuite pénale est dirigée contre le membre en question [2 , lorsque l'université a officiellement ouvert une enquête à la suite d'un signalement de comportement abusif ]2 ou lorsque l'intérêt de l'université l'exige.
§ 3. Les autorités universitaires fixent les motifs pouvant entraîner une peine disciplinaire. Les autorités universitaires déterminent la procédure disciplinaire. Celle-ci doit prévoir au moins la communication écrite préalable des faits incriminés, l'obligation d'audition préalable et la possibilité d'appel. Le régime disciplinaire ne peut porter atteinte à la liberté académique.
§ 4. En outre, les autorités universitaires fixent les conditions auxquelles des peines disciplinaires préalablement infligées peuvent être radiées du dossier individuel du membre du personnel.
Afdeling 2. - De administratieve standen.
Section 2. - Les positions administratives.
Art. 2. § 1. De administratieve standen zijn :
1° dienstactiviteit;
2° onderbreking van de ambtsvervulling :
a) gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling met behoud van salaris;
b) gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling met geheel of gedeeltelijk verlies van salaris;
Deze onderbrekingen van de ambtsvervulling worden met dienstactiviteit gelijkgesteld.
§ 2. Dienstactiviteit is de toestand waarbij het academisch personeelslid effectieve prestaties verricht of zich in een hiermee gelijkgestelde toestand bevindt. Elk personeelslid wordt geacht in actieve dienst te zijn, tenzij het, met toepassing van uitdrukkelijke bepalingen, van rechtswege hetzij bij beslissing van het universiteitsbestuur in een andere stand is geplaatst
Gelijkgestelde toestanden met dienstactiviteit zijn de periodes van gewettigde afwezigheid onverminderd het bepaalde in § 1, jaarlijkse vakantie [3 , het zorgverlof]3 en omstandigheidsverlof,.
Onder gewettigde afwezigheid moet worden verstaan :
1° ziekte en ongeval;
2° zwangerschapsverlof;
Deze periodes van afwezigheid moeten gedekt zijn door een geneeskundig getuigschrift.
3° arbeidsongeval;
4° (...)
Het universiteitsbestuur stelt regels vast omtrent de duur van de vakantie en het omstandigheidsverlof en hetgeen daarop betrekking heeft.[3 Het universiteitsbestuur kan regels vastleggen omtrent de duur van het verlof om dwingende redenen en hetgeen daarop betrekking heeft.]3
[3 § 2/1. Het academisch personeelslid heeft ieder jaar recht op vijf dagen zorgverlof. Het universiteitsbestuur neemt hiertoe de nodige uitvoeringsmaatregelen.
Het in het eerste lid vermelde zorgverlof is een verlof voor het personeelslid om persoonlijke zorg of steun te verlenen aan een persoon die met het personeelslid samenwoont, aan de echtgenoot van het personeelslid of de persoon met wie het personeelslid wettelijk samenwoont of aan een bloedverwant van het personeelslid in de eerste graad die om een gezondheidstoestand, al dan niet het gevolg van een ziekte of medische ingreep, behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun.]3
§ 3. Het academisch personeelslid heeft recht op loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor de bijstand aan of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid en voor ouderschapsverlof volgens de regeling die opgenomen is in het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen [2 en heeft recht op loopbaanonderbreking voor mantelzorg conform artikel 100ter en 102ter van de wet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen]2 [4 en op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof voor pleegouders, conform artikel 217 van de programmawet van 18 juli 2025]4.
Het universiteitsbestuur neemt hiertoe de nodige uitvoeringsmaatregelen.)
§ (4). Behoren tot de stand gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling met behoud van salaris :
Wat van het zelfstandig academisch personeel betreft :
1° het sabbatsverlof;
2° de duur van het gastprofessoraat aan een andere universiteit of het bezetten van een leerstoel aan een buitenlandse universiteit;
3° vervullen van wetenschappelijke opdrachten buiten de universiteiten [1 vermeld in artikel II.2 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013]1.
Onder sabbatsverlof wordt verstaan maximaal twee jaar verlof over de gehele carrière voor herbronning.
In het geval de activiteiten bedoeld in sub 2° en 3° bezoldigd worden, dan komen deze bedragen toe aan de universiteit, zo niet is er geen sprake van een onderbreking van de ambtsvervulling maar van een nevenactiviteit.
§ (5). Behoren tot de stand gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling met geheel of gedeeltelijk verlies van salaris :
1° Wat het assisterend academisch personeel betreft :
a) stage- of proefperiodes die een doctor-assistent doorloopt met het oog op een aanstelling in een andere funtie;
b) de periodes van de door het universiteitsbestuur toegestane onderbreking van de ambtsvervulling voor het vervullen van bezoldigde wetenschappelijke opdrachten;
De totale duur van die onderbreking kan ten hoogste twee jaar bedragen indien de wetenschappelijke opdrachten volledig kaderen in het onderzoeksopzet van het doctoraats proefschrift. In de andere gevallen is de duur beperkt tot ten hoogste één jaar.
c) periodes van schorsing van het mandaat voor het volbrengen van de militieverplichtingen of vervangende burgerdienst;
2° Wat het zelfstandig academisch personeel betreft : de volledige onderbreking van de ambtsvervulling gedurende maximaal twee jaar om persoonlijke redenen;
3° Wat het zelfstandig en assisterend academisch personeel betreft : de periodes van onderbreking van de ambtsvervulling om sociale of familiale redenen. Slechts twee dergelijke onderbrekingen kunnen worden toegestaan en de totale duur ervan kan ten hoogste één jaar bedragen voor het assisterend academisch personeel en ten hoogste twee jaar voor het zelfstandig academisch personeel.
§ (6). Het universiteitsbestuur kan de in [1 artikel 2, §§ 4 en 5, met uitzondering van § 5, 1°, c]1 bedoelde onderbrekingen van de ambtsvervulling toestaan op verzoek van het personeelslid. Het universiteitsbestuur stelt hiervoor regels vast.
1° dienstactiviteit;
2° onderbreking van de ambtsvervulling :
a) gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling met behoud van salaris;
b) gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling met geheel of gedeeltelijk verlies van salaris;
Deze onderbrekingen van de ambtsvervulling worden met dienstactiviteit gelijkgesteld.
§ 2. Dienstactiviteit is de toestand waarbij het academisch personeelslid effectieve prestaties verricht of zich in een hiermee gelijkgestelde toestand bevindt. Elk personeelslid wordt geacht in actieve dienst te zijn, tenzij het, met toepassing van uitdrukkelijke bepalingen, van rechtswege hetzij bij beslissing van het universiteitsbestuur in een andere stand is geplaatst
Gelijkgestelde toestanden met dienstactiviteit zijn de periodes van gewettigde afwezigheid onverminderd het bepaalde in § 1, jaarlijkse vakantie [3 , het zorgverlof]3 en omstandigheidsverlof,.
Onder gewettigde afwezigheid moet worden verstaan :
1° ziekte en ongeval;
2° zwangerschapsverlof;
Deze periodes van afwezigheid moeten gedekt zijn door een geneeskundig getuigschrift.
3° arbeidsongeval;
4° (...)
Het universiteitsbestuur stelt regels vast omtrent de duur van de vakantie en het omstandigheidsverlof en hetgeen daarop betrekking heeft.[3 Het universiteitsbestuur kan regels vastleggen omtrent de duur van het verlof om dwingende redenen en hetgeen daarop betrekking heeft.]3
[3 § 2/1. Het academisch personeelslid heeft ieder jaar recht op vijf dagen zorgverlof. Het universiteitsbestuur neemt hiertoe de nodige uitvoeringsmaatregelen.
Het in het eerste lid vermelde zorgverlof is een verlof voor het personeelslid om persoonlijke zorg of steun te verlenen aan een persoon die met het personeelslid samenwoont, aan de echtgenoot van het personeelslid of de persoon met wie het personeelslid wettelijk samenwoont of aan een bloedverwant van het personeelslid in de eerste graad die om een gezondheidstoestand, al dan niet het gevolg van een ziekte of medische ingreep, behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun.]3
§ 3. Het academisch personeelslid heeft recht op loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, voor de bijstand aan of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid en voor ouderschapsverlof volgens de regeling die opgenomen is in het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen [2 en heeft recht op loopbaanonderbreking voor mantelzorg conform artikel 100ter en 102ter van de wet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen]2 [4 en op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof voor pleegouders, conform artikel 217 van de programmawet van 18 juli 2025]4.
Het universiteitsbestuur neemt hiertoe de nodige uitvoeringsmaatregelen.)
§ (4). Behoren tot de stand gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling met behoud van salaris :
Wat van het zelfstandig academisch personeel betreft :
1° het sabbatsverlof;
2° de duur van het gastprofessoraat aan een andere universiteit of het bezetten van een leerstoel aan een buitenlandse universiteit;
3° vervullen van wetenschappelijke opdrachten buiten de universiteiten [1 vermeld in artikel II.2 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013]1.
Onder sabbatsverlof wordt verstaan maximaal twee jaar verlof over de gehele carrière voor herbronning.
In het geval de activiteiten bedoeld in sub 2° en 3° bezoldigd worden, dan komen deze bedragen toe aan de universiteit, zo niet is er geen sprake van een onderbreking van de ambtsvervulling maar van een nevenactiviteit.
§ (5). Behoren tot de stand gehele of gedeeltelijke onderbreking van de ambtsvervulling met geheel of gedeeltelijk verlies van salaris :
1° Wat het assisterend academisch personeel betreft :
a) stage- of proefperiodes die een doctor-assistent doorloopt met het oog op een aanstelling in een andere funtie;
b) de periodes van de door het universiteitsbestuur toegestane onderbreking van de ambtsvervulling voor het vervullen van bezoldigde wetenschappelijke opdrachten;
De totale duur van die onderbreking kan ten hoogste twee jaar bedragen indien de wetenschappelijke opdrachten volledig kaderen in het onderzoeksopzet van het doctoraats proefschrift. In de andere gevallen is de duur beperkt tot ten hoogste één jaar.
c) periodes van schorsing van het mandaat voor het volbrengen van de militieverplichtingen of vervangende burgerdienst;
2° Wat het zelfstandig academisch personeel betreft : de volledige onderbreking van de ambtsvervulling gedurende maximaal twee jaar om persoonlijke redenen;
3° Wat het zelfstandig en assisterend academisch personeel betreft : de periodes van onderbreking van de ambtsvervulling om sociale of familiale redenen. Slechts twee dergelijke onderbrekingen kunnen worden toegestaan en de totale duur ervan kan ten hoogste één jaar bedragen voor het assisterend academisch personeel en ten hoogste twee jaar voor het zelfstandig academisch personeel.
§ (6). Het universiteitsbestuur kan de in [1 artikel 2, §§ 4 en 5, met uitzondering van § 5, 1°, c]1 bedoelde onderbrekingen van de ambtsvervulling toestaan op verzoek van het personeelslid. Het universiteitsbestuur stelt hiervoor regels vast.
Art. 2. § 1. Les positions administratives sont :
1° l'activité de service;
2° l'interruption de fonctions :
a) l'interruption complète ou partielle de fonctions avec maintien du traitement;
b) interruption complète ou partielle de fonctions avec perte entière ou partielle du traitement.
Ces interruptions de fonctions sont assimilées à une période d'activité de service.
§ 2. Par "activité de service" il faut entendre la position dans laquelle le membre du personnel académique remplit des prestations effectives ou se trouve dans une position y assimilée. Chaque membre du personnel est censé être en activité de service sauf si, par application de dispositions explicites, il est placé, d'office ou par décision des autorités universitaires, dans une autre position.
Les périodes d'absence justifiée, sans préjudice des dispositions prévues au § 1er, les congés de vacances annuelles [3 , le congé pour soins]3 et les périodes de congés de circonstances sont des positions assimilées à l'activité de service.
Il faut entendre par "absence justifiée" :
1° maladie et accident;
2° congé de maternité;
Ces périodes d'absence doivent être couvertes par un certificat médical.
3° accident de travail;
4° (...)
Les autorités universitaires fixent des règles relatives à la durée des congés de vacances et des congés de circonstances, ainsi qu'aux matières y afférentes.[3 Les autorités universitaires peuvent fixer des règles relatives à la durée du congé pour des raisons impératives, ainsi qu'aux matières y afférentes. ]3
[3 § 2/1. Le membre du personnel académique a droit chaque année à cinq jours de congés pour soins. Les autorités universitaires prennent les mesures d'exécution nécessaires à cet effet.
Le congé pour soins mentionné à l'alinéa 1er est un congé permettant au membre du personnel d'apporter des soins ou une aide personnels à une personne vivant avec le membre du personnel, au conjoint du membre du personnel ou à la personne avec laquelle le membre du personnel cohabite légalement, ou à un ascendant en ligne directe du membre du personnel qui, en raison d'un état de santé résultant ou non d'une maladie ou d'une intervention médicale, a besoin de soins ou d'une aide substantiels.]3
§ 3. Le membre du personnel académique a droit à l'interruption de carrière pour soins palliatifs, pour assistance ou octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade et pour congé parental suivant le régime prévu par l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations [2 et a droit à l'interruption de carrière pour aide de proximité conformément aux articles 100ter et 102ter de la loi du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales]2 [4 et à l'interruption de carrière pour congé parental dans le cadre d'un placement familial conformément à l'article 217 de la loi-programme du 18 juillet 2025]4.
Les autorités universitaires prennent les mesures d'exécution nécessaires à cet effet.)
§ (4). Appartiennent à la position interruption complète ou partielle de fonctions avec maintien du traitement :
En ce qui concerne le personnel académique indépendant :
1° le congé sabbatique;
2° la durée d'occupation d'une chaire comme professeur invité à une autre université ou la durée d'occupation d'une chaire à une université étrangère;
3° l'accomplissement de missions scientifiques en dehors des universités [1 mentionnées à l'article II.2 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ]1.
Par "congé sabbatique" il faut entendre un congé de deux ans au maximum sur une carrière complète, en vue d'un ressourcement.
Au cas où les activités visées aux points 2° et 3° sont rémunérées, ces montants reviennent à l'université, sinon il n'est pas question d'une interruption de la carrière, mais d'une activité accessoire.
§ (5). Appartiennent à la position interruption complète ou partielle de fonctions avec perte entière ou partielle de traitement :
1° En ce qui concerne le personnel académique assistant :
a) les périodes de stage ou d'essai que passe un docteur-assistant en vue d'une désignation à une autre fonction;
b) les périodes d'interruption de fonctions accordées par les autorités universitaires pour l'accomplissement de missions scientifiques rémunérées;
La durée totale de cette interruption peut être de deux ans au plus, si les missions scientifiques s'inscrivent entièrement dans le projet de recherche de la thèse de doctorat. Dans les autres cas, la durée est limitée à un an au maximum.
c) les périodes de suspension du mandat pour l'accomplissement des obligations de milice ou d'un service civil qui le remplace;
2° En ce qui concerne le personnel académique indépendant : l'interruption complète de fonctions pendant deux ans au maximum pour convenance personnelle;
3° En ce qui concerne le personnel académique indépendant et assistant : les périodes d'interruption de fonctions pour des raisons sociales ou familiales. Le nombre de celles-ci est limité à deux et la durée totale ne peut excéder un an pour le personnel académique assistant et deux ans pour le personnel académique indépendant.
§ (6). A la demande du membre du personnel, les autorités universitaires peuvent accorder les interruptions de fonctions visées à [1 l'article 2, §§ 4 et 5, à l'exception du § 5, 1°, c.]1. Les autorités universitaires fixent des règles à cet effet.
1° l'activité de service;
2° l'interruption de fonctions :
a) l'interruption complète ou partielle de fonctions avec maintien du traitement;
b) interruption complète ou partielle de fonctions avec perte entière ou partielle du traitement.
Ces interruptions de fonctions sont assimilées à une période d'activité de service.
§ 2. Par "activité de service" il faut entendre la position dans laquelle le membre du personnel académique remplit des prestations effectives ou se trouve dans une position y assimilée. Chaque membre du personnel est censé être en activité de service sauf si, par application de dispositions explicites, il est placé, d'office ou par décision des autorités universitaires, dans une autre position.
Les périodes d'absence justifiée, sans préjudice des dispositions prévues au § 1er, les congés de vacances annuelles [3 , le congé pour soins]3 et les périodes de congés de circonstances sont des positions assimilées à l'activité de service.
Il faut entendre par "absence justifiée" :
1° maladie et accident;
2° congé de maternité;
Ces périodes d'absence doivent être couvertes par un certificat médical.
3° accident de travail;
4° (...)
Les autorités universitaires fixent des règles relatives à la durée des congés de vacances et des congés de circonstances, ainsi qu'aux matières y afférentes.[3 Les autorités universitaires peuvent fixer des règles relatives à la durée du congé pour des raisons impératives, ainsi qu'aux matières y afférentes. ]3
[3 § 2/1. Le membre du personnel académique a droit chaque année à cinq jours de congés pour soins. Les autorités universitaires prennent les mesures d'exécution nécessaires à cet effet.
Le congé pour soins mentionné à l'alinéa 1er est un congé permettant au membre du personnel d'apporter des soins ou une aide personnels à une personne vivant avec le membre du personnel, au conjoint du membre du personnel ou à la personne avec laquelle le membre du personnel cohabite légalement, ou à un ascendant en ligne directe du membre du personnel qui, en raison d'un état de santé résultant ou non d'une maladie ou d'une intervention médicale, a besoin de soins ou d'une aide substantiels.]3
§ 3. Le membre du personnel académique a droit à l'interruption de carrière pour soins palliatifs, pour assistance ou octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade et pour congé parental suivant le régime prévu par l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations [2 et a droit à l'interruption de carrière pour aide de proximité conformément aux articles 100ter et 102ter de la loi du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales]2 [4 et à l'interruption de carrière pour congé parental dans le cadre d'un placement familial conformément à l'article 217 de la loi-programme du 18 juillet 2025]4.
Les autorités universitaires prennent les mesures d'exécution nécessaires à cet effet.)
§ (4). Appartiennent à la position interruption complète ou partielle de fonctions avec maintien du traitement :
En ce qui concerne le personnel académique indépendant :
1° le congé sabbatique;
2° la durée d'occupation d'une chaire comme professeur invité à une autre université ou la durée d'occupation d'une chaire à une université étrangère;
3° l'accomplissement de missions scientifiques en dehors des universités [1 mentionnées à l'article II.2 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ]1.
Par "congé sabbatique" il faut entendre un congé de deux ans au maximum sur une carrière complète, en vue d'un ressourcement.
Au cas où les activités visées aux points 2° et 3° sont rémunérées, ces montants reviennent à l'université, sinon il n'est pas question d'une interruption de la carrière, mais d'une activité accessoire.
§ (5). Appartiennent à la position interruption complète ou partielle de fonctions avec perte entière ou partielle de traitement :
1° En ce qui concerne le personnel académique assistant :
a) les périodes de stage ou d'essai que passe un docteur-assistant en vue d'une désignation à une autre fonction;
b) les périodes d'interruption de fonctions accordées par les autorités universitaires pour l'accomplissement de missions scientifiques rémunérées;
La durée totale de cette interruption peut être de deux ans au plus, si les missions scientifiques s'inscrivent entièrement dans le projet de recherche de la thèse de doctorat. Dans les autres cas, la durée est limitée à un an au maximum.
c) les périodes de suspension du mandat pour l'accomplissement des obligations de milice ou d'un service civil qui le remplace;
2° En ce qui concerne le personnel académique indépendant : l'interruption complète de fonctions pendant deux ans au maximum pour convenance personnelle;
3° En ce qui concerne le personnel académique indépendant et assistant : les périodes d'interruption de fonctions pour des raisons sociales ou familiales. Le nombre de celles-ci est limité à deux et la durée totale ne peut excéder un an pour le personnel académique assistant et deux ans pour le personnel académique indépendant.
§ (6). A la demande du membre du personnel, les autorités universitaires peuvent accorder les interruptions de fonctions visées à [1 l'article 2, §§ 4 et 5, à l'exception du § 5, 1°, c.]1. Les autorités universitaires fixent des règles à cet effet.
Afdeling 3. - De ambts- of mandaatsbeëindiging.
Section 3. - La révocation des fonctions ou du mandat.
Art. 3. De volgende omstandigheden geven aanleiding tot ambts- of mandaatsbeëindiging :
1° het vrijwillig ontslag;
2° het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
3° verstrijken van de mandaatsperiode zonder verlenging of omdat geen verlenging toegelaten is;
4° bij het ontbreken van een gunstige beoordeling van een academisch personeelslid in tijdelijk dienstverband voor een duur van ten hoogste drie jaar met uitzicht op een vaste benoeming [1 als vermeld in artikel V.28, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 en van een docent in het tenure trackstelsel na afloop van de aanstellingstermijn vermeld in artikel V.29 van voormelde codex]1;
5° het ontslag [2 of de afzetting]2 bij wege van tuchtstraf.
6° beëindiging wegens afwezigheid door ziekte van meer dan 666 werkdagen wanneer de definitieve ongeschiktheid werd vastgesteld door de administratieve gezondheidsdienst op voorstel van het controle orgaan ingesteld krachtens artikel 4;
7° beëindiging wegens afwezigheid door ziekte van meer dan [3 365 kalenderdagen]3 vanaf de dag dat de betrokkene de leeftijd van [3 63 jaar]3 heeft bereikt.
[4 8° de beëindiging na een voortdurende onverenigbaarheid als vermeld in artikel V.17/1, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;]4
[4 9° het ontslag na evaluatie als vermeld in artikel V.46 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.]4
De vanaf 1 januari 1994 geregistreerde dagen afwezigheid door ziekte worden meegerekend bij de vaststelling van het totaal aantal ziektedagen.
1° het vrijwillig ontslag;
2° het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
3° verstrijken van de mandaatsperiode zonder verlenging of omdat geen verlenging toegelaten is;
4° bij het ontbreken van een gunstige beoordeling van een academisch personeelslid in tijdelijk dienstverband voor een duur van ten hoogste drie jaar met uitzicht op een vaste benoeming [1 als vermeld in artikel V.28, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 en van een docent in het tenure trackstelsel na afloop van de aanstellingstermijn vermeld in artikel V.29 van voormelde codex]1;
5° het ontslag [2 of de afzetting]2 bij wege van tuchtstraf.
6° beëindiging wegens afwezigheid door ziekte van meer dan 666 werkdagen wanneer de definitieve ongeschiktheid werd vastgesteld door de administratieve gezondheidsdienst op voorstel van het controle orgaan ingesteld krachtens artikel 4;
7° beëindiging wegens afwezigheid door ziekte van meer dan [3 365 kalenderdagen]3 vanaf de dag dat de betrokkene de leeftijd van [3 63 jaar]3 heeft bereikt.
[4 8° de beëindiging na een voortdurende onverenigbaarheid als vermeld in artikel V.17/1, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;]4
[4 9° het ontslag na evaluatie als vermeld in artikel V.46 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.]4
De vanaf 1 januari 1994 geregistreerde dagen afwezigheid door ziekte worden meegerekend bij de vaststelling van het totaal aantal ziektedagen.
Art. 3. Les circonstances suivantes entraînent la révocation des fonctions ou du mandat :
1° la démission volontaire;
2° le fait d'avoir atteint l'âge de la retraite;
3° l'expiration de la période du mandat sans prolongation ou parce qu'aucune prolongation n'est autorisée;
4° l'absence d'une évaluation favorable d'un membre du personnel académique désigné à titre temporaire pour une période de trois ans au plus avec des perspectives d'une nomination définitive, [1 tel que mentionné à l'article V.28, alinéa 3, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 et d'un chargé de cours dans le régime tenure track à l'issue de la période de désignation visée à l'article V.29 du Code précité]1;
5° le licenciement [2 ou la révocation]2 à titre de peine disciplinaire;
6° la cessation par suite d'absences pour cause de maladie de plus de 666 jours ouvrables, lorsque l'inaptitude définitive a été constatée par le Service de santé administratif, sur la proposition de l'organe de contrôle instauré en vertu de l'article 4;
7° la cessation par suite d'absences pour cause de maladie de plus de [3 365 jours calendaires]3 à partir du jour auquel la personne intéressée a atteint l'âge de [3 63 ans]3.
Les jours d'absence pour cause de maladie enregistrés à partir du 1er janvier 1994 entrent en ligne de compte pour le calcul du nombre total des jours de maladie.
[4 8° la cessation après une incompatibilité persistante telle que visée à l'article V.17/1, alinéa 3, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ;]4
[4 9° le licenciement après une évaluation telle que visée à l'article V.46 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013. ]4
1° la démission volontaire;
2° le fait d'avoir atteint l'âge de la retraite;
3° l'expiration de la période du mandat sans prolongation ou parce qu'aucune prolongation n'est autorisée;
4° l'absence d'une évaluation favorable d'un membre du personnel académique désigné à titre temporaire pour une période de trois ans au plus avec des perspectives d'une nomination définitive, [1 tel que mentionné à l'article V.28, alinéa 3, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 et d'un chargé de cours dans le régime tenure track à l'issue de la période de désignation visée à l'article V.29 du Code précité]1;
5° le licenciement [2 ou la révocation]2 à titre de peine disciplinaire;
6° la cessation par suite d'absences pour cause de maladie de plus de 666 jours ouvrables, lorsque l'inaptitude définitive a été constatée par le Service de santé administratif, sur la proposition de l'organe de contrôle instauré en vertu de l'article 4;
7° la cessation par suite d'absences pour cause de maladie de plus de [3 365 jours calendaires]3 à partir du jour auquel la personne intéressée a atteint l'âge de [3 63 ans]3.
Les jours d'absence pour cause de maladie enregistrés à partir du 1er janvier 1994 entrent en ligne de compte pour le calcul du nombre total des jours de maladie.
[4 8° la cessation après une incompatibilité persistante telle que visée à l'article V.17/1, alinéa 3, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ;]4
[4 9° le licenciement après une évaluation telle que visée à l'article V.46 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013. ]4
Afdeling 4. - De regeling van het onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid en het geneeskundig onderzoek.
Section 4. - Le régime de l'examen de l'aptitude physique et de l'examen médical.
Art. 4. Het universiteitsbestuur stelt een regeling vast voor het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid van en het geneeskundig toezicht op het academisch personeel.
Voor de toepassing van dit artikel en van het artikel 3, 6° en 7° wijst het universiteitsbestuur een "controleorgaan" aan.
Voor de toepassing van dit artikel en van het artikel 3, 6° en 7° wijst het universiteitsbestuur een "controleorgaan" aan.
Art. 4. Les autorités universitaires fixent un régime pour l'examen de l'aptitude physique et le contrôle médical du personnel académique.
Pour l'application du présent article et de l'article 3, 6° et 7°, les autorités universitaires désignent un "organe de contrôle".
Pour l'application du présent article et de l'article 3, 6° et 7°, les autorités universitaires désignent un "organe de contrôle".
Afdeling 5. - Opheffingsbepalingen.
Section 5. - Dispositions abrogatoires.
Art. 5. Het besluit van de Vlaamse regering van 27 februari 1992 tot vaststelling van de regeling omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de mandaatsbeëindiging, het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid en het geneeskundig toezicht voor het assisterend academisch personeel bij de universiteiten wordt opgeheven, met ingang vanaf de datum waarop dit besluit in werking treedt.
Art. 5. L'arrêté du Gouvernement flamand du 27 février 1992 portant la réglementation relative aux absences, au régime disciplinaire, aux positions administratives, aux congés et à la fin de mandat, à l'examen de l'aptitude physique et au contrôle médical du personnel académique assistant des universités est abrogé à partir de la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
Afdeling 6. - Overgangsmaatregelen.
Section 6. - Mesures transitoires.
Art. 6. [1 ...]1
De beslissingen van het universiteitsbestuur inzake de terbeschikkingstelling van leden van het vast benoemd wetenschappelijk personeel wegens bijzondere opdracht, genomen op grond van de vorige regelgeving, worden geacht een regelmatige onderbreking van de ambtsvervulling te zijn zoals bedoeld in dit besluit.
[1 ...]1
De beslissingen van het universiteitsbestuur inzake de terbeschikkingstelling van leden van het vast benoemd wetenschappelijk personeel wegens bijzondere opdracht, genomen op grond van de vorige regelgeving, worden geacht een regelmatige onderbreking van de ambtsvervulling te zijn zoals bedoeld in dit besluit.
[1 ...]1
Art. 6. [1 ...]1
Les décisions des autorités universitaires portant sur la mise en disponibilité pour mission spéciale de membres du personnel scientifique nommé à titre définitif, prises en vertu du régime précédent, sont censées être une interruption régulière de fonctions aux termes du présent arrêté.
[1 ...]1
Les décisions des autorités universitaires portant sur la mise en disponibilité pour mission spéciale de membres du personnel scientifique nommé à titre définitif, prises en vertu du régime précédent, sont censées être une interruption régulière de fonctions aux termes du présent arrêté.
[1 ...]1
Afdeling 7. - Slotbepalingen.
Section 7. - Dispositions finales.
Art. 7.
Art. 7.
Art. 8. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1999.
Art. 8. Le présent arrêté entre en vigueur au 1er janvier 1999.
Art. 9. De Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 9. Le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.