Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
14 SEPTEMBER 1999. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor sommige personeelsleden van het voltijds gewoon secundair onderwijs. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-1999 en tekstbijwerking tot 17-01-2002).
Titre
14 SEPTEMBRE 1999. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à la mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite pour certains personnels de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein. (Traduction). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-12-1999 et mise à jour au 17-01-2002).
Dokumentinformationen
Numac: 1999036511
Datum: 1999-09-14
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1999036511
Date: 1999-09-14
Moniteur: Voir
Tekst (14)
Texte (14)
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de leden van :
het bestuurs- en onderwijzend personeel, met inbegrip van de godsdienstleerkrachten;
het administratief personeel, het opvoedend hulppersoneel en het ondersteunend personeel,
die onderworpen zijn aan het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra en die vast benoemd zijn in het voltijds gewoon secundair onderwijs, dat gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap.
Article 1. Le présent arrêté est applicable aux membres :
des personnels directeur et enseignant, y compris les professeurs et maîtres de religion;
des personnels administratifs, auxiliaire d'éducation et d'appui,
assujettis au décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire et au décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psycho-médico-sociaux subventionnés et nommés à titre définitif dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, financé ou subventionné par la Communauté flamande.
Art. 2. § 1. De leden van het administratief personeel, het opvoedend hulppersoneel en het ondersteunend personeel, genoemd in artikel 1, kunnen een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgen, als zij op de vooravond van de terbeschikkingstelling :
vastbenoemd zijn;
de leeftijd van vijfenvijftig jaar hebben bereikt;
hun ambt als hoofdambt uitoefenen.
§ 2. De leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, genoemd in artikel 1, kunnen een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgen, als zij op de vooravond van de terbeschikkingstelling in het voltijds gewoon secundair onderwijs :
a) ofwel vastbenoemd zijn voor ten minste een halve opdracht;
b) ofwel ter beschikking gesteld zijn wegens volledige ontstentenis van betrekking en niet voor ten minste een halftijdse opdracht gereaffecteerd en/of wedertewerkgesteld zijn in een organieke betrekking;
de leeftijd van vijfenvijftig jaar hebben bereikt;
ten minste twintig jaren geldelijke anciënniteit hebben;
hun ambt als hoofdambt uitoefenen.
§ 3. Aan het personeelslid dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in § 2, 1°, a), 2°, 3° en 4° kan de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen slechts worden toegekend als de instelling waaraan de betrokkene geaffecteerd is of de scholengemeenschap waartoe die instelling behoort, minder uren per vak/specialiteit of minder ambten organiseert ten gevolge van :
de splitsing van de instellingen met het oog op de programmatie van een nieuwe instelling bedoeld in artikel 2, 27°, 10, 25, § 3 tot en met § 6, en 31, § 3, § 4, en § 5, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
de omvorming van een structuuronderdeel, bedoeld in artikel 2, 16° en 44 van decreet genoemd in 1°;
de overheveling van een structuuronderdeel, bedoeld in artikel 2, 25° en 45 van het decreet genoemd in 1°;
de maatregelen, bedoeld in artikel 92 van het decreet genoemd in 1°;
de opheffing of de afbouw van een structuuronderdeel;
de vrijwillige fusies van instellingen, bedoeld in artikel 58bis van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II die werden doorgevoerd vanaf september 1994.
§ 4. Of een personeelslid, bedoeld in § 3, recht heeft op een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen wordt als volgt vastgesteld :
per instelling wordt berekend hoeveel ambten en voor het ambt van leraar hoeveel uren per vak of specialiteit minder worden georganiseerd dan het jaar voorheen. Voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren, wordt dit aantal ambten en voor het ambt van leraar en godsdienstleraar dit aantal uren vervolgens voor de hele scholengemeenschap samengebundeld per ambt en voor het ambt van leraar per vak en per specialiteit;
het personeelslid kan de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen slechts verkrijgen als het vastbenoemd is voor het ambt dat minder wordt georganiseerd of voor het ambt van leraar of godsdienstleraar als het vastbenoemd is voor het vak/specialiteit waarvoor uren worden ingeleverd of voor dit vak of deze specialiteit over een vereist bekwaamheidsbewijs beschikt;
het personeelslid dat vastbenoemd is voor minder dan de helft van een voltijdse betrekking in het vak/specialiteit waarvoor uren worden ingeleverd, en tevens voor minder dan de helft van een voltijdse betrekking vastbenoemd is voor een ander vak/specialiteit maar bij wie beide betrekkingen samen meer dan de helft van een voltijdse opdracht bedragen, komt ook in aanmerking voor de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen;
voor het ambt van leraar of godsdienstleraar wordt het pakket uren dat in de instelling of in de scholengemeenschap per vak/specialiteit wordt ingeleverd, verminderd met het aantal uren dat in dit vak of in deze specialiteit zou worden toegekend aan het personeelslid dat de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen neemt. Als de overblijvende uren ten minste een halftijdse opdracht bedragen, kan aan nog een personeelslid voor hoogstens een voltijdse opdracht een bijzondere terbeschikkingstelling worden toegekend;
als een instelling of een scholengemeenschap per vak of specialiteit een totaal pakket uren inlevert dat lager is dan een volledige opdracht maar hoger is dan of gelijk is aan een halve opdracht kan een personeelslid de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor een volledige opdracht verkrijgen;
de aanvragen voor de bijzondere terbeschikkingstelling worden verzameld per instelling of per scholengemeenschap voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren. Zijn er té veel kandidaten voor een bepaald ambt, en voor het ambt van leraar voor een bepaald vak of een bepaalde specialiteit, dan moet de instelling of de scholengemeenschap de volgende criteria in dalende volgorde toepassen :
a) de personeelsleden, terbeschikking gesteld wegens volledige of gedeeltelijke ontstentenis van betrekking voor ten minste een halve opdracht in een ambt en voor het ambt van leraar voor een bepaald vak of een bepaalde specialiteit;
b) de personeelsleden die titularis zijn van ten minste een halve opdracht in een ambt en voor het ambt van leraar voor een bepaald vak of een bepaalde specialiteit.
Binnen elk van deze categorieën wordt eerst met de leeftijd, dan met de dienstanciënniteit en vervolgens met de ambtsanciënniteit rekening gehouden;
de scholengemeenschappen zijn vrij om met de aangrenzende scholengemeenschappen samen te werken om meer personeelsleden de kans te geven om een bijzondere terbeschikkingstelling te genieten.
§ 5. De bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen kan slechts worden toegekend als het personeelslid op de aanvangsdatum van de terbeschikkingstelling geen aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de Schatkist.
§ 6. Een personeelslid dat vast benoemd is :
voor een halve opdracht in een ambt van het administratief personeel of in het ambt van administratief medewerker en tevens voor de andere helft van een voltijdse opdracht in een ambt van het opvoedend hulppersoneel of in het ambt van opvoeder;
of voor een halve opdracht in een ambt van het opvoedend hulppersoneel/administratief/ondersteunend personeel en tevens voor een onvolledige opdracht in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, kan voor het geheel van deze opdrachten aanspraak maken op een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen op voorwaarde dat het voor elk ambt aan alle voorwaarden voldoet.
§ 7. In afwijking van § 6 kan het personeelslid dat vast benoemd is voor een halve opdracht in een ambt van het opvoedend hulppersoneel, het administratief personeel of het ondersteunend personeel en ook vastbenoemd is in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, maar voor dit laatste ambt niet voldoet aan de voorwaarden om een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen te verkrijgen, voor eerstgenoemd ambt een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen verkrijgen en voor het laatstgenoemd ambt een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen.
§ 8. De bijzondere terbeschikkingstelling wordt toegekend tot de vooravond van de dag waarop het personeelslid op een rustpensioen ten laste van de Schatkist aanspraak kan maken.
Art. 2. § 1. Les personnels administratifs, auxiliaire d'éducation et d'appui, visés à l'article 1, peuvent bénéficier d'une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, si, à la veille de la mise en disponibilité, ils :
sont nommés à titre définitif;
ont atteint l'âge de cinquante-cinq ans;
exercent leur fonction en tant que fonction principale.
§ 2. Les membres des personnels directeur et enseignant, visés à l'article 1, peuvent bénéficier d'une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, si, à la veille de la mise en disponibilité, ils :
a) sont, ou bien, nommés à titre définitif pour une demi-charge au minimum;
b) ou bien mis en disponibilité totale par défaut d'emploi et ne sont pas réaffectés et/ou remis au travail dans une fonction organique pour au moins une demi-charge;
ont atteint l'âge de cinquante-cinq ans;
comptent au moins vingt ans d'ancienneté pécuniaire;
exercent leur fonction en tant que fonction principale.
§ 3. Au membre du personnel qui remplit les conditions visées au § 2, 1°, a), 2°, 3° et 4°, la mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite ne peut être attribuée qu'à condition que l'établissement auquel est affecté le concerné ou le centre d'enseignement auquel appartient l'établissement organise moins d'heures par cours/spécialité ou moins de fonctions à cause :
d'une scission des établissements en vue de la programmation d'un nouvel établissement visé aux articles 2, 27°, 10, 25, §§ 3 jusqu'à 6 inclus et 31, § 3, § 4, et § 5 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
de la transformation d'une subdivision structurelle, visée aux articles 2, 16° et 44 du décret visé au 1°;
du transfert d'une subdivision structurelle, visé aux articles 2, 25°, et 45 du décret visé au 1°;
des mesures, visées à l'article 92 du décret visé au 1°;
de la suppression ou la cessation progressive d'une subdivision structurelle;
des fusions volontaires d'établissements, visées à l'article 58bis du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II qui ont été opérées à compter de septembre 1994.
§ 4. Il est défini comme suit si un membre du personnel, visé au § 3, a droit à une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite :
par établissement, il est calculé combien de fonctions et pour la fonction d'enseignant combien d'heures par cours ou spécialité de moins sont organisées par rapport à l'année précédente. Pour les établissements appartenant à un centre d'enseignement, ce nombre de fonctions et pour la fonction d'enseignant ou de professeur de religion ce nombre d'heures est ensuite réuni pour le centre d'enseignement entier par fonction et pour la fonction d'enseignant par cours et par spécialité;
le membre du personnel ne peut jouir de la mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite que s'il est nommé définitivement pour la fonction qui est organisée en moins et pour la fonction d'enseignant ou de professeur de religion s'il est nommé définitivement pour le cours/la spécialité pour lequel/laquelle des heures sont supprimées ou s'il est porteur d'un titre requis pour ce cours ou cette spécialité;
le membre du personnel nommé à titre définitif pour moins de la moitié d'une fonction à temps plein pour le cours/la spécialité pour lequel/laquelle des heures sont supprimées, et en plus nommé définitivement pour moins de la moitié d'une fonction à temps plein pour un autre cours/une autre spécialité, entre également en ligne de compte pour une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, si les deux fonctions ensemble dépassent la moitié d'une charge à temps plein;
pour la fonction d'enseignant ou de professeur de religion, le capital-heures supprimé par cours/spécialité dans l'établissement ou dans le centre d'enseignement est réduit du nombre d'heures qui serait attribué pour ce cours ou cette spécialité au membre du personnel qui prétend à la mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite. Si le restant des heures égale au moins une demi-charge, il est possible d'accorder à un autre membre du personnel une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite pour une charge à temps plein au maximum;
si un établissement ou un centre d'enseignement supprime par cours ou par spécialité un capital-heures total qui est inférieur à une charge complète mais supérieur ou égal à une demi-charge, un membre du personnel peut faire valoir ses droits à une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite pour une charge complète;
les demandes d'une mise en disponibilité spéciale sont rassemblées par établissement ou par centre d'enseignement pour les établissements appartenant à un centre d'enseignement. S'il y a trop de candidats pour une certaine fonction, et pour la fonction d'enseignant pour un certain cours ou une certaine spécialité, l'établissement ou le centre d'enseignement doit appliquer les critères suivants dans un ordre dégressif :
a) les personnels, mis en disponibilité totale ou partielle par défaut d'emploi pour au moins une demi-charge pour une fonction et pour la fonction d'enseignant pour un certain cours ou une certaine spécialité;
b) les personnels titulaires d'au moins une demi-charge dans une fonction et pour la fonction d'enseignant pour un certain cours ou une certaine spécialité.
Au sein de chacune de ces catégories, il est tenu compte en premier lieu de l'âge, puis de l'ancienneté de service et ensuite de l'ancienneté de fonction;
il est loisible aux centres d'enseignement de collaborer avec des centres d'enseignement voisins afin de permettre à plus de membres du personnel de bénéficier d'une mise en disponibilité spéciale.
§ 5. La mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite ne peut être octroyée que si le membre du personnel ne peut prétendre à la date initiale de la mise en disponibilité à une pension de retraite à charge du Trésor public.
§ 6. Un membre du personnel qui est nommé à titre définitif :
pour une demi-charge dans une fonction du personnel administratif ou dans la fonction de collaborateur administratif et également pour l'autre moitié d'une charge à temps plein dans une fonction du personnel auxiliaire d'éducation ou dans la fonction d'éducateur;
ou pour une demi-charge dans une fonction du personnel auxiliaire d'éducation/administratif/d'appui et également pour une charge incomplète dans une fonction des personnels directeur et enseignant, peut prétendre pour l'ensemble de ces charges à une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite à condition qu'il remplisse toutes les conditions pour chacune des fonctions.
§ 7. Par dérogation au § 6, le membre du personnel qui est nommé à titre définitif pour une demi-charge dans une fonction des personnels auxiliaire d'éducation, administratif ou d'appui et est également nommé à titre définitif dans une fonction des personnels directeur et enseignant, mais pour cette dernière fonction ne satisfait pas aux conditions pour pouvoir jouir d'une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, peut obtenir pour la première fonction une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite et pour la dernière fonction une mise en disponibilité totale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite.
§ 8. La mise en disponibilité spéciale est attribuée jusqu'à la veille du jour auquel le membre du personnel peut prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public.
Art. 3. Personeelsleden die in het voltijds gewoon secundair onderwijs met volledig leerplan en in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan prestaties uitoefenen die worden bezoldigd op grond van de bepalingen van artikel 2, § 4, van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 houdende harmonisering van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, kunnen eveneens de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen verkrijgen.
Als het personeelslid in het voltijds gewoon secundair onderwijs aan alle voorwaarden voldoet, wordt de bijzondere terbeschikkingstelling toegekend voor het geheel van de genoemde prestaties.
Art. 3. Les personnels rendant des prestations dans l'enseignement secondaire ordinaire de plein exercice et dans l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit qui sont rémunérées sur base des dispositions de l'article 2, § 4, de l'arrêté royal du 29 août 1985 portant harmonisation des dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, peuvent également faire valoir leurs droits à une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite.
Si le membre du personnel dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein satisfait à toutes les conditions, la mise en disponibilité spéciale est accordée pour l'ensemble des prestations citées.
Art. 4. Het personeelslid dat prestaties uitoefent in het voltijds gewoon secundair onderwijs en aan alle voorwaarden voldoet om de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen te bekomen en tevens prestaties uitoefent op een ander onderwijsniveau en op dit niveau eveneens aan alle voorwaarden voldoet om een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen te verkrijgen, kan voor de hogervermelde prestaties aanspraak maken op respectievelijk de voormelde bijzondere terbeschikkingstelling en volledige terbeschikkingstelling.
Deze terbeschikkingstellingen worden toegekend volgens de nadere bepalingen en onder de voorwaarden die gelden voor elk onderwijsniveau afzonderlijk.
Art. 4. Le membre du personnel qui effectue des prestations dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et remplit toutes les conditions pour obtenir une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite et rend également des prestations à un autre niveau d'enseignement et remplit également à ce niveau toutes les conditions pour pouvoir bénéficier d'une mise en disponibilité totale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, peut prétendre pour les prestations précitées respectivement à la mise en disponibilité spéciale et la mise en disponibilité totale précitées.
Ces mises en disponibilité sont accordées suivant les dispositions précises et aux conditions applicables à chaque niveau d'enseignement séparé.
Art. 5. § 1. De bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen is onherroepelijk.
§ 2. De betrekking waarvoor het personeelslid aangewezen is of waarin het geaffecteerd is, mag vacant worden verklaard volgens de bepalingen van :
het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;
het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra.
Art. 5. § 1. La mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite est irrévocable.
§ 2. La fonction pour laquelle le membre du personnel est désigné ou dans laquelle il est affecté, peut être déclarée vacante selon les dispositions du :
décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire;
décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psycho-médico-sociaux subventionnés.
Art. 6. Op verzoek van het personeelslid kent de inrichtende macht de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen toe. Als de betrokkene aan alle voorwaarden voldoet, kan de inrichtende macht die terbeschikkingstelling niet weigeren.
Art. 6. A la demande du membre du personnel, le pouvoir organisateur accorde la mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite. Si la personne intéressée répond à toutes les conditions, le pouvoir organisateur ne peut refuser cette mise en disponibilité.
Art. 7. § 1. Het personeelslid dat een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt, geniet een wachtgeld of wachtgeldtoelage.
Het bedrag van het wachtgeld of van de wachtgeldtoelage is gedurende de hele periode van de terbeschikkingstelling gelijk aan een percentage van de laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddetoelage. Dit percentage wordt vastgesteld op :
70 % voor :
a) de opvoeder-huismeester;
b) de directiesecretaris;
c) de secretaris-bibliothecaris, andere dan bedoeld in 2°, b);
d) de bibliothecaris;
e) het personeelslid, bedoeld onder a), b), c) of d) dat herbenoemd wordt in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel en dat op grond van overgangsbepalingen zijn weddenschaal behoudt;
f) het lid van het opvoedend hulppersoneel of het ondersteunend personeel met recht op de weddenschaal 106;
g) de administratief medewerker en de opvoeder met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het lange type of universitair onderwijs;
h) het bestuurs- en onderwijzend personeel;
72 % voor :
a) de studiemeester-opvoeder, andere dan bedoeld in 1°, f);
b) de secretaris-bibliothecaris met recht op weddenschaal code 122 of 158 andere dan bedoeld in 1°, f);
c) het personeelslid, bedoeld onder a) en b), dat herbenoemd wordt in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel en dat op grond van overgangsbepalingen zijn weddenschaal behoudt;
d) de administratief medewerker en de opvoeder met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het korte type en met weddenschaal 158;
75 % voor :
a) het administratief personeel;
b) de administratief medewerker en de opvoeder, andere dan bedoeld in 1°, e), f) en g) of 2°, c) en d).
Voor de personeelsleden, bedoeld in artikel 3, wordt het percentage vastgesteld op grond van het ambt dat in het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt uitgeoefend.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt de laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddetoelage beperkt tot de wedde of weddetoelage die het personeelslid op de vooravond van de bijzondere terbeschikkingstelling genoot voor het door hem uitgeoefende hoofdambt met volledige prestaties.
Als het personeelslid op de vooravond van de terbeschikkingstelling vastbenoemd is voor een opdracht die meer bedraagt dan een ambt met volledige prestaties, dan wordt voor de toepassing van het tweede en het vierde lid, bij de vaststelling van de laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddentoelage voor een ambt met volledige prestaties eerst de wedde of weddentoelage genomen verbonden aan de opdracht die bezoldigd is op grond van de hoogste weddenschaal.
§ 2. Voor de toepassing van § 1, tweede lid, wordt voor het personeelslid dat overgaat van :
een verlof of afwezigheid voor verminderde prestaties;
een volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking;
een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen;
een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking;
een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen;
een terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid,
naar een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, als laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddetoelage beschouwd, de wedde of weddentoelage die het personeelslid zou hebben genoten indien het zijn prestaties voorafgaand aan de periode, vermeld in 1° tot en met 6°, tot op de vooravond van de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen verder zou hebben uitgeoefend.
§ 3. Voor de toepassing van § 1 wordt met prestaties bedoeld : prestaties waarvoor het personeelslid vastbenoemd is.
§ 4. Het bedrag van voormeld wachtgeld of voormelde wachtgeldtoelage schommelt met het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de regelen voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138,01 gekoppeld. Het bedrag zal, in voorkomend geval, worden aangepast overeenkomstig de intersectorale akkoorden van sociale programmatie en de akkoorden van sectorale sociale programmatie.
Het bedrag van voormeld wachtgeld of voormelde wachtgeldtoelage zal echter niet worden aangepast rekening houdend met de weddentrappen die het resultaat zijn van de periodieke verhogingen binnen de weddenschaal, indien het personeelslid op het ogenblik van de bijzondere terbeschikkingstelling niet het maximum van de weddenschaal heeft bereikt.
Art. 7. § 1. Le membre du personnel qui obtient une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, bénéficie d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente.
Pendant toute la période de mise en disponibilité, le montant du traitement d'attente ou de la subvention-traitement d'attente est égal au pourcentage du dernier traitement d'activité ou de la dernière subvention-traitement d'activité. Ce pourcentage est fixé à :
70 % pour :
a) l'éducateur-économe;
b) le secrétaire de direction;
c) secrétaire-bibliothécaire, autre que celui visé au 2°, b);
d) le bibliothécaire;
e) le membre du personnel, visé aux points a), b), c) ou d) qui est renommé dans un emploi d'une fonction du personnel d'appui et qui maintient son échelle de traitement sur la base de dispositions transitoires;
f) le membre des personnels auxiliaire d'éducation ou d'appui pouvant prétendre à l'échelle de traitement 106;
g) le collaborateur administratif et l'éducateur avec un titre de capacité de l'enseignement supérieur de type long ou de l'enseignement universitaire;
h) les personnels directeurs et enseignant;
72 % pour :
a) le surveillant-éducateur, autre que celui visé au 1°, f);
b) le secrétaire-bibliothécaire pouvant prétendre à l'échelle de traitement code 122 ou 158, autre que celui-ci visé au 1°, f);
c) le membre du personnel, visé sous a) et b), qui est renommé dans un emploi d'une fonction du personnel d'appui et qui maintient son échelle de traitement sur la base de dispositions transitoires;
d) le collaborateur administratif et l'éducateur porteur du titre de capacité de l'enseignement supérieur de type court et bénéficiant de l'échelle de traitement 158;
75 % pour :
a) les personnels administratifs;
b) le collaborateur administratif et l'éducateur, autre que celui visé au 1°, e), f) et g), ou 2°, c) et d).
Pour les personnels, visés à l'article 3, le pourcentage est fixé sur la base de la fonction exercée dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein.
Pour l'application du deuxième alinéa, le dernier traitement d'activité ou la dernière subvention-traitement d'activité est limité au traitement ou à la subvention-traitement dont bénéficiait le membre du personnel à la veille de la mise en disponibilité spéciale pour la fonction principale à prestations complètes exercée par lui.
Si le membre du personnel est nommé à titre définitif à la veille de la mise en disponibilité pour une charge dépassant une fonction à prestations complètes, on se base, pour l'application des deuxième et quatrième alinéas, lors de la fixation du dernier traitement d'activité ou de la dernière subvention-traitement d'activité pour une fonction à prestations complètes, en premier lieu sur le traitement ou la subvention-traitement lié à la charge rémunérée suivant l'échelle de traitement la plus élevée.
§ 2. Pour l'application du § 1, deuxième alinéa, est considéré comme dernier traitement d'activité ou dernière subvention-traitement d'activité du membre du personnel qui passe :
d'un congé ou d'une absence pour prestations réduites;
d'une interruption de carrière complète ou partielle;
d'un congé pour exercer temporairement une autre mission;
d'une mise en disponibilité par défaut d'emploi;
d'une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la pension de retraite;
d'une mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité,
à une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, le traitement ou la subvention-traitement dont le membre du personnel aurait bénéficié s'il avait continué à exercer les prestations qu'il rendait avant la période, visée aux points 1° à 6° inclus, jusqu'à la veille de la mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite.
§ 3. Pour l'application du § 1, il faut entendre par prestations : des prestations pour lesquelles le membre du personnel est nommé à titre définitif.
§ 4. Le montant du traitement d'attente précité ou de la subvention-traitement précitée évolue selon les fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. Le montant sera lié à l'indice-pivot 138,01. Le cas échéant, le montant sera adaptée conformément aux accords intersectoriels de programmation sociale et aux accords de programmation sociale sectorielle.
Toutefois, le montant du traitement d'attente précité ou de la subvention-traitement précitée ne sera pas ajusté en tenant compte des échelons barémiques qui sont le résultat d'augmentations périodiques au sein de l'échelle de traitement, si le membre du personnel n'a pas atteint le maximum de l'échelle de traitement au moment de la mise en disponibilité spéciale.
Art. 7bis. § 1. Dit artikel is van toepassing op de in artikel 1 bedoelde personeelsleden die recht hebben op een overlevingspensioen.
§ 2. In afwijking van de bepalingen van artikel 7 kan een personeelslid als bedoeld in § 1 dat een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt of heeft gekregen, op zijn verzoek, geheel of gedeeltelijk afstand doen van het recht op het wachtgeld dat of de wachtgeldtoelage die hem op grond van artikel 7 kan worden toegekend.
§ 3. Een personeelslid dat geheel of gedeeltelijk afstand doet van het wachtgeld of de wachtgeldtoelage, bedoeld in § 2, verklaart dat in een aangetekende brief aan het departement Onderwijs. Bij gedeeltelijke afstand van wachtgeld of wachtgeldtoelage verklaart hij in die brief welk bedrag à 100 % hij wil ontvangen.
De eerste verklaring heeft uitwerking op de aanvangsdatum van de terbeschikkingstelling, op de eerste dag van de maand die volgt op de ontvangst ervan of op een latere datum die door het personeelslid wordt bepaald. Een eerste verklaring kan reeds worden gevoegd bij de aanvraag om de terbeschikkingstelling te krijgen.
§ 4. De verklaring, bedoeld in § 3, blijft onverminderd van toepassing tot op het einde van de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen tenzij het personeelslid door een nieuwe verklaring vóór 1 november om een aanpassing van zijn wachtgeld of wachtgeldtoelage verzoekt. Dat verzoek om aanpassing heeft uitwerking vanaf de eerste januari van het daaropvolgend jaar.
Art. 7bis. § 1er. Le présent article est applicable aux membres du personnel visés à l'article 1er qui peuvent prétendre à une pension de survie.
§ 2. Par dérogation aux dispositions de l'article 7, un membre du personnel tel que visé au § 1er qui obtient ou a obtenu une mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, peut, à sa demande, renoncer entièrement ou partiellement à son droit au traitement d'attente ou à la subvention-traitement d'attente qui lui peut être attribué du chef de l'article 7.
§ 3. Un membre du personnel qui renonce entièrement ou partiellement au traitement d'attente ou à la subvention-traitement d'attente, visé au § 2, doit stipuler cette intention dans une déclaration à adresser par pli recommandé au Département de l'Enseignement. Au cas où il renonce partiellement au traitement d'attente ou à la subvention-traitement d'attente, il communique dans cette lettre le montant qu'il veut recevoir à 100 %.
La première déclaration produit ses effets à la date initiale de la mise en disponibilité, au premier jour du mois qui suit sa réception ou à une date ultérieure à définir par le membre du personnel. Une première déclaration peut déjà être jointe à la demande de mise en disponibilité.
§ 4. La déclaration, visée au § 3, continue à être applicable jusqu'à la fin de la mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, à moins que le membre du personnel ne sollicite par une nouvelle déclaration à introduire avant le 1er novembre un ajustement de son traitement d'attente ou sa subvention-traitement d'attente. Cette demande d'ajustement produit ses effets le 1er janvier de l'année suivante.
Art. 8. Het personeelslid dat al ter beschikking gesteld is wegens ziekte of gebrekkigheid op de dag waarop de door hem aangevraagde bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen ingaat, wordt opgeroepen om te verschijnen voor de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst. Als die commissie het personeelslid definitief ongeschikt acht om zijn ambt uit te oefenen en het personeelslid de voorwaarden vervult om vroegtijdig met pensioen te gaan, wordt de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen beëindigd door de pensionering van het personeelslid.
Art. 8. Le membre du personnel qui est déjà mis en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité à la date du début de sa mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, est appelé à comparaître devant la Commission des pensions du Service de Santé Administratif. Si cette commission déclare le membre du personnel définitivement inapte à exercer sa fonction et le membre répond aux conditions pour obtenir une pension de retraite anticipée, la mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite prend fin par la mise à la retraite du membre du personnel.
Art. 9. § 1. Gedurende de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen mag het personeelslid in het onderwijs of de psycho-medisch-sociale centra geen bezoldigde prestaties uitoefenen.
§ 2. In afwijking van § 1 mag het personeelslid de onderwijsopdracht die het op de dag voor de ingangsdatum van de terbeschikkingstelling, als bijbetrekking in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan uitoefende, verder als bijbetrekking blijven uitoefenen. Het personeelslid mag ook bezoldigde prestaties uitoefenen in het kader van :
de voor- en naschoolse opvang in het basisonderwijs;
het middagtoezicht in het basisonderwijs;
de busbegeleiding.
§ 3. Buiten het onderwijs mag het betrokken personeelslid geen andere winstgevende activiteit uitoefenen dan de activiteit die toegestaan is bij cumulatie van een rustpensioen met een beroepsactiviteit, zoals bepaald in artikel 4, § 1 tot en met § 3, en artikel 9 van de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen.
Art. 9. § 1. Pendant la mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, le membre du personnel n'est pas autorisé à exercer des prestations rémunérées dans l'enseignement ou dans les centres psycho-médico-sociaux.
§ 2. Par dérogation au § 1, le membre du personnel peut continuer à exercer comme fonction accessoire la charge d'enseignement qu'il exerçait en tant que fonction accessoire dans l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit au jour précédant la date initiale de la mise en disponibilité. Le membre du personnel peut également rendre des prestations rémunérées dans le cadre de :
l'accueil avant et après les heures de classe dans l'enseignement fondamental;
la surveillance du midi dans l'enseignement fondamental;
l'accompagnement du transport scolaire.
§ 3. Le membre du personnel ne peut exercer aucune autre activité produisant des revenus en dehors de l'enseignement que celle autorisée lors du cumul d'une pension de retraite avec une activité professionnelle, tel que fixé à l'article 4, §§ 1 à 3 inclus et à l'article 9 de la loi du 5 avril 1994 régissant le cumul des pensions du secteur public avec des revenus provenant de l'exercice d'une activité professionnelle ou avec un revenu de remplacement.
Art. 10. De bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen vangt aan :
voor het administratief personeel, het opvoedend hulppersoneel of voor het ondersteunend personeel : op de eerste dag van de maand (en ten laatste de eerste dag van de maand die volgt op december 2001);
voor het bestuurs- en onderwijzend personeel : op 1 september. Na overleg van het personeelslid met de inrichtende macht kan die datum worden vastgesteld op 1 oktober. (Tijdens het schooljaar 2001-2002 kan de terbeschikkingstelling enkel op 1 oktober 2001 aanvangen.)
De aanvraag voor het verkrijgen van de terbeschikkingstelling moet via de hiërarchische meerdere worden ingediend, uiterlijk drie maanden vóór de aanvangsdatum ervan. Na overleg van het personeelslid met de inrichtende macht kan die termijn worden ingekort. Voor het schooljaar 1999-2000 (en voor de periode 1 september 2001 tot en met 31 december 2001) wordt de termijn van drie maanden teruggebracht op één maand.
Art. 10. La mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite débute :
pour les personnels administratif, auxiliaire d'éducation ou d'appui : au premier jour du mois (et au plus tard au premier jour du mois qui suit décembre 2001);
pour les personnels directeur et enseignant : au 1er septembre. Après concertation entre le membre du personnel et le pouvoir organisateur, cette date peut être fixée au 1er octobre. (Pendant l'année scolaire 2001-2002, la mise en disponibilité ne peut débuter que le 1er octobre 2001.)
La mise en disponibilité doit être sollicitée auprès du supérieur hiérarchique, au plus tard trois mois avant la date initiale. Après concertation du membre du personnel avec le pouvoir organisateur, ce délai peut être réduit. Pour l'année scolaire 1999-2000 (et pour la période du 1er septembre 2001 jusqu'au 31 décembre 2001), le délai de trois mois est ramené à un mois.
Art. 11. De in dit besluit vastgestelde maatregelen worden vanaf 1 september 1998 tot en met 31 augustus 2001 jaarlijks geëvalueerd.
Art. 11. Les mesures fixées par le présent arrêté doivent être évaluént être évaes annuellement pendant la période du 1er septembre 1998 au 31 août 2001 inclus.
Art. 12. § 1. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998.
§ 2. De bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen kan vanaf 1 september 2001 niet meer worden toegekend.
§ 3. In afwijking van de bepalingen van § 2, kan de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen wel nog worden toegestaan aan :
de leden van het ondersteunend personeel, bedoeld in artikel 1, 2°, die uiterlijk tot en met 31 december 2001 aan de voorwaarden, gesteld in artikel 2, § 1, voldoen;
de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, bedoeld in artikel 1, 1°, die op het ogenblik dat de terbeschikkingstelling aanvangt, voldoen aan de voorwaarden, gesteld in artikel 2, § 2, 1°, b, 2°, 3° en 4°, en aan de voorwaarde dat zij op 30 juni 2001 wedertewerkgesteld waren in een betrekking van het administratief personeel, het opvoedend hulppersoneel of het ondersteunend personeel.
Art. 12. § 1er. Le présent arrêté produit ses effets le 1er septembre 1998.
§ 2. La mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite ne peut être attribuée à compter du 1er septembre 2000.
§ 3. Par dérogation aux dispositions du § 2, la mise en disponibilité spéciale pour convenances personnelles précédant la pension de retraite peut toutefois être attribuée :
aux membres du personnel d'appui, visés à l'article 1er, 2°, qui, jusqu'au 31 décembre 2001 inclus, satisfont aux conditions fixées à l'article 2, § 1er;
aux membres du personnel directeur et enseignant, visés à l'article 1er, 1°, qui, au moment où la mise en disponibilité débute, satisfont aux conditions imposées par l'article 2 § 2, 1°, b, 2°, 3° et 4° et à la condition qu'ils fussent remis au travail le 30 juin 2001 dans un emploi du personnel administratif, du personnel auxiliaire d'éducation ou du personnel d'appui.
Art. 13. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 14 september 1999.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
Mevr. M. VANDERPOORTEN
Art. 13. Le Ministre flamand, compétent pour l'Enseignement, est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 14 septembre 1999.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
La Ministre flamand de l'Enseignement et de la Formation,
Mme M. VANDERPOORTEN