Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
22 DECEMBER 1999. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2000. - (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-1999 en tekstbijwerking tot 24-12-2018)
Titre
22 DECEMBRE 1999. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2000. - (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-1999 et mise à jour au 24-12-2018)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
HOOFDSTUK II. - Onderwijs.
Afdeling 1. - Universiteiten.
Afdeling 2. - Hogescholen.
Afdeling 3. - Projecten Hoger Kunstonderwijs - ...
Afdeling 4. - Fonds Inschrijvingsgelden. - Deel...
Afdeling 5. - Sommige instellingen van openbaar...
Afdeling 6. - Basisonderwijs.
Afdeling 7. - Navormingsprojecten.
Afdeling 8. - Gemeenschapsonderwijs.
HOOFDSTUK III. - Jeugdwerkbeleid.
HOOFDSTUK IV. - Schade aan het wegdek wegens ge...
HOOFDSTUK V. - DAB Catering.
HOOFDSTUK VI. - Successierechten.
HOOFDSTUK VII. - Kustactieplan.
HOOFDSTUK VIII. - Sociaal Impulsfonds.
HOOFDSTUK IX. - Energie.
HOOFDSTUK X. - Grondwaterbeheer.
HOOFDSTUK XI. - Vlaams Fonds voor de Lastendelg...
HOOFDSTUK XII. - Vlaams Gemeentefonds.
HOOFDSTUK XIII. - DAB Grondfonds.
HOOFDSTUK XIV. - Welzijn.
Afdeling 1. - Geestelijke Gezondheidszorg.
Afdeling 2. - Kwaliteitszorg.
Afdeling 3. - Zorgverzekering.
HOOFDSTUK XV. - Monumenten en landschappen.
HOOFDSTUK XVI. - Sociaal-cultureel werk.
HOOFDSTUK XVII. - Havens.
HOOFDSTUK XVIII. - Vlaamse sportfederaties.
HOOFDSTUK XIX. - Inwerkingtreding.
Inhoud
CHAPITRE II. - Enseignement.
Section 1. - Universités.
Section 2. - Instituts supérieurs.
Section 3. - Projets Enseignement supérieur art...
Section 4. - Fonds de Droits d'Inscription - En...
Section 5. - Certains établissements d'intérêt ...
Section 6. - Enseignement fondamental.
Section 7. - Projets de formation continuée.
Section 8. - Enseignement communautaire.
CHAPITRE III. - Politique en matière d'animatio...
CHAPITRE IV. - Dégâts au revêtement routier à l...
CHAPITRE V. - SGS Catering.
CHAPITRE VI. - Droits de succession.
CHAPITRE VII. - Plan d'action côtière.
CHAPITRE VIII. - Fonds d'impulsion sociale.
CHAPITRE IX. - Energie.
CHAPITRE X. - Gestion des eaux souterraines.
CHAPITRE XI. - Fonds flamand d'Amortissement de...
CHAPITRE XII. - Fonds flamand des Communes.
CHAPITRE XIII. - SGS Fonds foncier.
CHAPITRE XIV. - Aide sociale.
Section Ire. - Santé mentale.
Section 2. - Gestion de la qualité.
Section 3. - Assurance soins.
CHAPITRE XV. - Monuments et sites.
CHAPITRE XVI. - Animation socioculturelle.
CHAPITRE XVII. - Ports.
CHAPITRE XVIII. - Fédérations sportives flamandes.
CHAPITRE XIX. - Entrée en vigueur.
Tekst (91)
Texte (92)
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
??34,CHAPITRE 1er. Disposition générale.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK II. - Onderwijs.
CHAPITRE II. - Enseignement.
Afdeling 1. - Universiteiten.
Section 1. - Universités.
Art. 2. § 1. In artikel III.62,7°, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs X wordt de verwijzing naar "III.31" geschrapt.
§ 2. Aan artikel III.62 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende onderwijs X wordt "13°" toegevoegd dat luidt als volgt:
"13° Artikel III.31 treedt in werking op 1 oktober 2000".
§ 2. Aan artikel III.62 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende onderwijs X wordt "13°" toegevoegd dat luidt als volgt:
"13° Artikel III.31 treedt in werking op 1 oktober 2000".
Art. 2. § 1er. Dans l'article III.62, 7° du décret du 18 mai 1999 relatif à l'enseignement X, la mention "III.31" est supprimée.
§ 2. A l'article III.62 du décret du 18 mai 1999 relatif à l'enseignement X, il est ajouté un "13°" rédigé comme suit:
"13° L'article III.31 entre en vigueur le 1er octobre 2000".
§ 2. A l'article III.62 du décret du 18 mai 1999 relatif à l'enseignement X, il est ajouté un "13°" rédigé comme suit:
"13° L'article III.31 entre en vigueur le 1er octobre 2000".
Art. 3. Aan artikel 130, § 6, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Vanaf het begrotingsjaar 2000 bedraagt het basisbedrag (WAO 1995) uitgedrukt in miljoenen franken:
"Vanaf het begrotingsjaar 2000 bedraagt het basisbedrag (WAO 1995) uitgedrukt in miljoenen franken:
Art. 3. A l'article 130, § 6 du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, modifié par le décret du 4 juillet 1998, il est ajouté un alinéa quatre rédigé comme suit:
"A partir de l'année budgétaire 2000, le montant de base (WAO 1995) exprimé en millions de francs s'élève à:
"A partir de l'année budgétaire 2000, le montant de base (WAO 1995) exprimé en millions de francs s'élève à:
1° de Katholieke Universiteit Leuven:
7004,3
2° voor de Vrije Universiteit Brussel:
2346,4
3° voor de Universiteit Antwerpen:
a) Universitair Centrum Antwerpen:
758,0
b) Universitaire Instelling Antwerpen:
959,7
c) Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen:
770,0
4° voor het Limburgs Universitair Centrum:
626,0
5° voor de Katholieke Universiteit Brussel:
179,4
6° voor de Universiteit Gent:
4917,1".
7004,3
2° voor de Vrije Universiteit Brussel:
2346,4
3° voor de Universiteit Antwerpen:
a) Universitair Centrum Antwerpen:
758,0
b) Universitaire Instelling Antwerpen:
959,7
c) Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen:
770,0
4° voor het Limburgs Universitair Centrum:
626,0
5° voor de Katholieke Universiteit Brussel:
179,4
6° voor de Universiteit Gent:
4917,1".
l° pour la Katholieke Universiteit Leuven:
7004,3
2° pour la Vrije Universiteit Brussel:
2346,4
3° pour la Universiteit Antwerpen:
a) Universitair Centrum Antwerpen:
758,0
b) Universitaire Instelling Antwerpen:
959,7
c) Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen:
770,0
4° pour le Limburgs Universitair Centrum:
626,0
5° pour la Katholieke Universiteit Brussel:
179,4
6° pour la Universiteit Gent:
4917,1".
7004,3
2° pour la Vrije Universiteit Brussel:
2346,4
3° pour la Universiteit Antwerpen:
a) Universitair Centrum Antwerpen:
758,0
b) Universitaire Instelling Antwerpen:
959,7
c) Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen:
770,0
4° pour le Limburgs Universitair Centrum:
626,0
5° pour la Katholieke Universiteit Brussel:
179,4
6° pour la Universiteit Gent:
4917,1".
Art. 4. In artikel 136, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 19 december 1998, wordt het bedrag "326,7" vervangen door het bedrag "326,5" en wordt het bedrag "119,7" vervangen door het bedrag "119,6".
Art. 4. Dans l'article 136, alinéa 1er, du même décret, modifié par le décret du 19 décembre 1998, le montant de "326,7" est remplacé par le montant de "326,5" et le montant de "119,7" est remplacé par le montant de "119,6".
Art. 5. Aan artikel 140, § 3, van hetzelfde decreet, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Vanaf het begrotingsjaar 2000 wordt het basisbedrag 1994 van de investeringskredieten van de universiteiten vastgesteld als volgt, uitgedrukt in miljoenen franken
"Vanaf het begrotingsjaar 2000 wordt het basisbedrag 1994 van de investeringskredieten van de universiteiten vastgesteld als volgt, uitgedrukt in miljoenen franken
Art. 5. A l'article 140, § 3 du même décret, il est ajouté un alinéa deux rédigé comme suit:
"A partir de l'année budgétaire 2000, le montant de base 1994 des crédits d'investissement des universités est fixé comme suit, exprimé en millions de francs:
"A partir de l'année budgétaire 2000, le montant de base 1994 des crédits d'investissement des universités est fixé comme suit, exprimé en millions de francs:
1° voor de Katholieke Universiteit Leuven:
321,0
2° voor de Vrije Universiteit Brussel:
100,8
3° voor de Universiteit Antwerpen:
a) Universitair Centrum Antwerpen:
24,5
b) Universitaire Instelling Antwerpen:
38,7
c) Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen:
23,8
4° voor het Limburgs Universitair Centrum:
19,3
5° voor de Katholieke Universiteit Brussel:
5,5
6° voor de Universiteit Gent:
193,1".
321,0
2° voor de Vrije Universiteit Brussel:
100,8
3° voor de Universiteit Antwerpen:
a) Universitair Centrum Antwerpen:
24,5
b) Universitaire Instelling Antwerpen:
38,7
c) Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen:
23,8
4° voor het Limburgs Universitair Centrum:
19,3
5° voor de Katholieke Universiteit Brussel:
5,5
6° voor de Universiteit Gent:
193,1".
1° pour la Katholieke Universiteit Leuven:
321,0
2° pour la Vrije Universiteit Brussel:
100,8
3° pour la Universiteit Antwerpen:
a) Universitair Centrum Antwerpen:
24,5
b) Universitaire Instelling Antwerpen:
38,7
c) Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen:
23,8
4° pour le Limburgs Universitair Centrum:
19,3
5° pour la Katholieke Universiteit Brussel:
5,5
6° pour la Universiteit Gent:
193,1".
321,0
2° pour la Vrije Universiteit Brussel:
100,8
3° pour la Universiteit Antwerpen:
a) Universitair Centrum Antwerpen:
24,5
b) Universitaire Instelling Antwerpen:
38,7
c) Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen:
23,8
4° pour le Limburgs Universitair Centrum:
19,3
5° pour la Katholieke Universiteit Brussel:
5,5
6° pour la Universiteit Gent:
193,1".
Art. 6. In artikel 159 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij artikel III.35 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende onderwijs X, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Indien het aantal betrekkingen van het zelfstandig academisch personeel, in voltijdse betrekkingen uitgedrukt, meer dan 63% van het totaal aantal plaatsen in de formatie van het academisch personeel bedraagt, mag dit percentage niet meer worden verhoogd tot 01 oktober 2000. Dit artikel treedt in werking op de dag van de bekendmaking van het decreet van 22 december 1999 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2000.".
"Indien het aantal betrekkingen van het zelfstandig academisch personeel, in voltijdse betrekkingen uitgedrukt, meer dan 63% van het totaal aantal plaatsen in de formatie van het academisch personeel bedraagt, mag dit percentage niet meer worden verhoogd tot 01 oktober 2000. Dit artikel treedt in werking op de dag van de bekendmaking van het decreet van 22 december 1999 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2000.".
Art. 6. A l'article 159 du même décret, modifié par l'article III.35 du décret du 18 mai 1999 relatif à l'enseignement X, il est inséré après l'alinéa 1er un nouvel alinéa rédigé comme suit:
"Si le nombre d'emplois du personnel académique autonome, exprimés en unités à temps plein, s'élève à plus de 63% du nombre total de postes au cadre du personnel académique, ce pourcentage ne peut être augmenté jusqu'au 1er octobre 2000. Le présent article entre en vigueur le jour de la publication au Moniteur belge du décret du 22 décembre 1999 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2000.".
"Si le nombre d'emplois du personnel académique autonome, exprimés en unités à temps plein, s'élève à plus de 63% du nombre total de postes au cadre du personnel académique, ce pourcentage ne peut être augmenté jusqu'au 1er octobre 2000. Le présent article entre en vigueur le jour de la publication au Moniteur belge du décret du 22 décembre 1999 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2000.".
Art. 7. In artikel 160, vierde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd door het artikel III.36 van het decreet van 18 mei 1999, worden de woorden "begrotingsjaar 2000" vervangen door "begrotingsjaar 2001".
Art. 7. A l'article 160, alinéa quatre, du même décret, inséré par l'article III.36 du décret du 18 mai 1999, les mots "année budgétaire 2000" sont remplacés par les mots "année budgétaire 2001".
Art. 8. Artikel 181bis, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd door artikel III.42 van het decreet van 18 mei 1999, wordt vervangen door wat volgt:
"§ 1. Het universiteitsbestuur kan éénmalig op 01 oktober 2000 onderzoekers in vast dienstverband van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) rangschikken in één van de graden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteit. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 88 en 90 doet het universiteitsbestuur daartoe aan de betrokkenen een benoemingsvoorstel met vermelding van de graad waarin de betrokkene kan gerangschikt worden en de opdracht van de betrokkene.".
"§ 1. Het universiteitsbestuur kan éénmalig op 01 oktober 2000 onderzoekers in vast dienstverband van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) rangschikken in één van de graden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteit. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 88 en 90 doet het universiteitsbestuur daartoe aan de betrokkenen een benoemingsvoorstel met vermelding van de graad waarin de betrokkene kan gerangschikt worden en de opdracht van de betrokkene.".
Art. 8. L'article 181bis, § 1er du même décret, inséré par l'article III.42 du décret du 18 mai 1999, est remplacé par la disposition suivante:
"§ 1er. Les autorités universitaires peuvent classer, une seule fois le 1er octobre 2000, les chercheurs nommés définitivement du "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen "(FWO-Fonds flamand pour la recherche scientifique) dans un des grades du personnel académique autonome de l'université. Par dérogation aux dispositions des articles 88 et 90, les autorités universitaires font aux personnes intéressées une proposition de nomination avec mention du grade dans lequel l'intéressé peut être classé et de la charge à assumer par lui.".
"§ 1er. Les autorités universitaires peuvent classer, une seule fois le 1er octobre 2000, les chercheurs nommés définitivement du "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen "(FWO-Fonds flamand pour la recherche scientifique) dans un des grades du personnel académique autonome de l'université. Par dérogation aux dispositions des articles 88 et 90, les autorités universitaires font aux personnes intéressées une proposition de nomination avec mention du grade dans lequel l'intéressé peut être classé et de la charge à assumer par lui.".
Afdeling 2. - Hogescholen.
Section 2. - Instituts supérieurs.
Art. 9. In artikel 178, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen, gewijzigd bij decreet van 19 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "1999 gelijk aan 19.396,1 miljoen frank" worden vervangen door de woorden "2000 gelijk aan 19.777,8 miljoen frank";
2° de woorden "in 1999 met 100 miljoen" worden geschrapt.
1° de woorden "1999 gelijk aan 19.396,1 miljoen frank" worden vervangen door de woorden "2000 gelijk aan 19.777,8 miljoen frank";
2° de woorden "in 1999 met 100 miljoen" worden geschrapt.
Art. 9. A l'article 178, § 1er du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs, modifié par le décret du 19 décembre 1998, sont apportées les modifications suivantes:
1° les mots "est égal à 19.396,1 millions de francs pour l'année budgétaire 1999" sont remplacés par les mots "est égal à 19.777,8 millions de francs pour l'année budgétaire 2000";
2° les mots "en 1999 de 100 millions" sont supprimés.
1° les mots "est égal à 19.396,1 millions de francs pour l'année budgétaire 1999" sont remplacés par les mots "est égal à 19.777,8 millions de francs pour l'année budgétaire 2000";
2° les mots "en 1999 de 100 millions" sont supprimés.
Art. 10. In artikel 196 van hetzelfde decreet wordt § 2, gewijzigd bij decreet van 19 april 1995, vervangen door wat volgt:
"§ 2. De investeringsmiddelen bedragen voor het begrotingsjaar 2000:
1° voor de Vlaamse Autonome Hogescholen: 281,1 miljoen frank;
2° voor de gesubsidieerde officiële hogescholen: 79,4 miljoen frank;
3° voor de gesubsidieerde vrije hogescholen: 496,5 miljoen frank.
Vanaf het begrotingsjaar 2001 worden deze bedragen aangepast met de voor het begrotingsdecreet gehanteerde aanpassingsfactor voor de investeringssubsidies.".
"§ 2. De investeringsmiddelen bedragen voor het begrotingsjaar 2000:
1° voor de Vlaamse Autonome Hogescholen: 281,1 miljoen frank;
2° voor de gesubsidieerde officiële hogescholen: 79,4 miljoen frank;
3° voor de gesubsidieerde vrije hogescholen: 496,5 miljoen frank.
Vanaf het begrotingsjaar 2001 worden deze bedragen aangepast met de voor het begrotingsdecreet gehanteerde aanpassingsfactor voor de investeringssubsidies.".
Art. 10. Dans l'article 196 du même décret, le § 2, modifié par le décret du 19 avril 1995, est remplacé par ce qui suit:
"§ 2. Pour l'année budgétaire 2000, les moyens d'investissement s'élèvent à:
1° pour les Instituts supérieurs autonomes flamands: 281,1 millions de francs;
2° pour les instituts supérieurs officiels subventionnés: 79,4 millions de francs;
3° pour les instituts supérieurs libres subventionnés: 496,5 millions de francs.
A partir de l'année budgétaire 2001, ces montants seront ajustés au moyen du facteur d'ajustement pour subventions d'investissement utilisé pour le décret budgétaire.".
"§ 2. Pour l'année budgétaire 2000, les moyens d'investissement s'élèvent à:
1° pour les Instituts supérieurs autonomes flamands: 281,1 millions de francs;
2° pour les instituts supérieurs officiels subventionnés: 79,4 millions de francs;
3° pour les instituts supérieurs libres subventionnés: 496,5 millions de francs.
A partir de l'année budgétaire 2001, ces montants seront ajustés au moyen du facteur d'ajustement pour subventions d'investissement utilisé pour le décret budgétaire.".
Art. 11. Artikel 197 van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 15 juli 1997, wordt vervangen door wat volgt:
"Artikel 197. Deze investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor de gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur bestemd voor het onderwijs, voor de onroerende investeringen m.b.t. de sociale voorzieningen en tot dekking van de kapitaal- en interestlasten voortspruitend uit leningen ten behoeve van de investeringsuitgaven.".
"Artikel 197. Deze investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor de gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur bestemd voor het onderwijs, voor de onroerende investeringen m.b.t. de sociale voorzieningen en tot dekking van de kapitaal- en interestlasten voortspruitend uit leningen ten behoeve van de investeringsuitgaven.".
Art. 11. L'article 197 du même décret, remplacé par le décret du 15 juillet 1997, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 197. Ces moyens d'investissement contribuent uniquement à la couverture des dépenses d'acquisition, de construction et de transformation, en tout ou en partie, de bâtiments, des travaux de démolition antérieurs, des travaux d'aménagement des environs, des dépenses d'équipement de base, d'acquisition de terrains, d'acquisition d'appareillage didactique et scientifique destiné à l'enseignement des investissements immobiliers destinés aux structures sociales, et à la couverture des charges de capital et intérêts découlant d'emprunts à l'usage des dépenses d'investissement.".
"Art. 197. Ces moyens d'investissement contribuent uniquement à la couverture des dépenses d'acquisition, de construction et de transformation, en tout ou en partie, de bâtiments, des travaux de démolition antérieurs, des travaux d'aménagement des environs, des dépenses d'équipement de base, d'acquisition de terrains, d'acquisition d'appareillage didactique et scientifique destiné à l'enseignement des investissements immobiliers destinés aux structures sociales, et à la couverture des charges de capital et intérêts découlant d'emprunts à l'usage des dépenses d'investissement.".
Art. 12. In artikel 206 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° Paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
"§ 2. Er wordt in de schoot van de DIGO een college van algemeen directeurs van de gesubsidieerde hogescholen opgericht. Dit college is samengesteld uit de in functie zijnde algemeen directeurs van de gesubsidieerde hogescholen. Het is belast met de vaststelling van de criteria voor de verdeling, en de toewijzing per hogeschool van de machtigingen voor investeringen.";
2° Een § 3 en een § 4 worden toegevoegd, die luiden als volgt:
"§ 3. De in § 1 bedoelde middelen worden voor de gesubsidieerde hogescholen beheerd door DIGO, bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving overeenkomstig de beslissingen van het college van algemeen directeurs van de gesubsidieerde hogescholen.
Het college van algemeen directeurs van de gesubsidieerde hogescholen stelt bij gewone meerderheid van de totaal uitgebrachte stemmen een huishoudelijk reglement op en legt dit ter bekrachtiging voor aan de Vlaamse regering. Dit huishoudelijk reglement bepaalt eveneens de criteria tot verdeling van de investeringsmiddelen, hierbij rekening houdend met de in het verleden toegekende middelen.
§ 4. De commissaris-coördinator oefent toezicht uit, overeenkomstig afdeling 2, hoofdstuk V van titel IV van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, op de beslissingen bedoeld in § 2 en § 3 van het college van algemeen directeurs van de gesubsidieerde hogescholen.".
1° Paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
"§ 2. Er wordt in de schoot van de DIGO een college van algemeen directeurs van de gesubsidieerde hogescholen opgericht. Dit college is samengesteld uit de in functie zijnde algemeen directeurs van de gesubsidieerde hogescholen. Het is belast met de vaststelling van de criteria voor de verdeling, en de toewijzing per hogeschool van de machtigingen voor investeringen.";
2° Een § 3 en een § 4 worden toegevoegd, die luiden als volgt:
"§ 3. De in § 1 bedoelde middelen worden voor de gesubsidieerde hogescholen beheerd door DIGO, bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving overeenkomstig de beslissingen van het college van algemeen directeurs van de gesubsidieerde hogescholen.
Het college van algemeen directeurs van de gesubsidieerde hogescholen stelt bij gewone meerderheid van de totaal uitgebrachte stemmen een huishoudelijk reglement op en legt dit ter bekrachtiging voor aan de Vlaamse regering. Dit huishoudelijk reglement bepaalt eveneens de criteria tot verdeling van de investeringsmiddelen, hierbij rekening houdend met de in het verleden toegekende middelen.
§ 4. De commissaris-coördinator oefent toezicht uit, overeenkomstig afdeling 2, hoofdstuk V van titel IV van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, op de beslissingen bedoeld in § 2 en § 3 van het college van algemeen directeurs van de gesubsidieerde hogescholen.".
Art. 12. L'article 206 du même décret est modifié comme suit:
1° le § 2 est remplacé par ce qui suit:
"§ 2. Il est créé, au sein du DIGO, un collège de directeurs généraux des instituts supérieurs subventionnés. Ce collège est composé des directeurs généraux en fonction des instituts supérieurs subventionnés. Il est chargé de la détermination des critères pour la répartition et l'attribution, par institut supérieur, des autorisations d'investissement.";
2° Il est ajouté un § 3 et un § 4 rédigés comme suit:
"§ 3. Les moyens visés au § 1er sont gérés, pour les instituts supérieurs subventionnés, par le DIGO visé au chapitre II, section 2 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, conformément aux décisions prises par le collège de directeurs généraux des instituts supérieurs subventionnés.
Le collège de directeurs généraux des instituts supérieurs subventionnés fixe, à la majorité simple de la totalité des voix émises, un règlement d'ordre intérieur et le soumet à la sanction du Gouvernement flamand. Ce règlement d'ordre intérieur fixe également les critères de répartition des moyens d'investissement, compte tenu des moyens attribués dans le passé.
§ 4. Le commissaire-coordinateur exerce le contrôle, conformément à la section 2, chapitre V du titre IV du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, sur les décisions visées, aux §§ 2 et 3 du collège de directeurs généraux des instituts supérieurs subventionnés.".
1° le § 2 est remplacé par ce qui suit:
"§ 2. Il est créé, au sein du DIGO, un collège de directeurs généraux des instituts supérieurs subventionnés. Ce collège est composé des directeurs généraux en fonction des instituts supérieurs subventionnés. Il est chargé de la détermination des critères pour la répartition et l'attribution, par institut supérieur, des autorisations d'investissement.";
2° Il est ajouté un § 3 et un § 4 rédigés comme suit:
"§ 3. Les moyens visés au § 1er sont gérés, pour les instituts supérieurs subventionnés, par le DIGO visé au chapitre II, section 2 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, conformément aux décisions prises par le collège de directeurs généraux des instituts supérieurs subventionnés.
Le collège de directeurs généraux des instituts supérieurs subventionnés fixe, à la majorité simple de la totalité des voix émises, un règlement d'ordre intérieur et le soumet à la sanction du Gouvernement flamand. Ce règlement d'ordre intérieur fixe également les critères de répartition des moyens d'investissement, compte tenu des moyens attribués dans le passé.
§ 4. Le commissaire-coordinateur exerce le contrôle, conformément à la section 2, chapitre V du titre IV du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, sur les décisions visées, aux §§ 2 et 3 du collège de directeurs généraux des instituts supérieurs subventionnés.".
Art. 13. In artikel 209, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 19 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het bedrag "4500" wordt vervangen door het bedrag "5000";
2° het jaartal "2000" wordt vervangen door het jaartal "2001";
3° het jaartal "1999" wordt vervangen door het jaartal "2000";
4° De noemer "199" wordt vervangen door de noemer "100".
1° het bedrag "4500" wordt vervangen door het bedrag "5000";
2° het jaartal "2000" wordt vervangen door het jaartal "2001";
3° het jaartal "1999" wordt vervangen door het jaartal "2000";
4° De noemer "199" wordt vervangen door de noemer "100".
Art. 13. L'article 209, § 1er du même décret, modifié par le décret du 19 décembre 1998, est modifié comme suit:
1° le montant de "4500" est remplacé par "5000";
2° l'année "2000" est remplacée par "2001";
3° l'année "1999" est remplacée par "2000";
4° le dénominateur "199" est remplacé par "100".
1° le montant de "4500" est remplacé par "5000";
2° l'année "2000" est remplacée par "2001";
3° l'année "1999" est remplacée par "2000";
4° le dénominateur "199" est remplacé par "100".
Art. 14. Artikel 346 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 14. L'article 346 du même décret est abrogé.
Art. 15. Hoofdstuk VI - Investeringskredieten voor de hogescholen, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs X, tot wijziging van titel IV, hoofdstuk II, afdeling 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, wordt ingetrokken.
Art. 15. Le chapitre VI "Crédits d'investissement en faveur des instituts supérieurs" du décret du 18 mai 1999 relatif à l'enseignement X, modifiant le titre IV, chapitre II, section 1re du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, est rapporté.
Afdeling 3. - Projecten Hoger Kunstonderwijs - Hogere Instituten voor Schone Kunsten.
Section 3. - Projets Enseignement supérieur artistique - Instituts supérieurs des beaux-arts.
Art. 16. Artikel 340ter, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998, wordt vervangen door wat volgt:
"§ 1. De Vlaamse regering draagt jaarlijks bij in de financiering van uitzonderlijke projecten in het kader van het hoger kunstonderwijs.
Het totale bedrag van deze bijdragen, wordt vastgesteld op 35,0 miljoen frank voor het begrotingsjaar 2000. Dit bedrag wordt vanaf 2001 jaarlijks op de volgende wijze aangepast:
0,8 x (Ln/L00) + 0,2 x (Cn/C00);
waarbij:
1° Ln/L00 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2000;
2° Cn/C00 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2000.".
"§ 1. De Vlaamse regering draagt jaarlijks bij in de financiering van uitzonderlijke projecten in het kader van het hoger kunstonderwijs.
Het totale bedrag van deze bijdragen, wordt vastgesteld op 35,0 miljoen frank voor het begrotingsjaar 2000. Dit bedrag wordt vanaf 2001 jaarlijks op de volgende wijze aangepast:
0,8 x (Ln/L00) + 0,2 x (Cn/C00);
waarbij:
1° Ln/L00 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2000;
2° Cn/C00 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2000.".
Art. 16. L'article 340ter, § 1er du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, modifié par le décret du 14 juillet 1998, est remplacé par ce qui suit:
"§ 1er. Le Gouvernement flamand participe annuellement au financement de projets exceptionnels dans le cadre de l'enseignement supérieur artistique.
Le montant total de ces contributions est fixé à 35,0 millions de francs pour l'année budgétaire 2000. Ce montant est annuellement adapté selon les modalités suivantes:
0,8 x (Ln/L00) + 0,2 x (Cn/C00);
où:
1° Ln/L00 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 2000;
2° Cn/C00 égale la proportion entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2000.".
"§ 1er. Le Gouvernement flamand participe annuellement au financement de projets exceptionnels dans le cadre de l'enseignement supérieur artistique.
Le montant total de ces contributions est fixé à 35,0 millions de francs pour l'année budgétaire 2000. Ce montant est annuellement adapté selon les modalités suivantes:
0,8 x (Ln/L00) + 0,2 x (Cn/C00);
où:
1° Ln/L00 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 2000;
2° Cn/C00 égale la proportion entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2000.".
Art. 17. In artikelen 340ter, § 2, en 340quater van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998, worden de woorden "of instituut" geschrapt.
Art. 17. Dans les articles 340ter, § 2 et 340quater du même décret, modifiés par le décret du 14 juillet 1998, les mots "un institut" sont supprimés.
Art. 18. Artikel 340sexies van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998, wordt opgeheven.
Art. 18. L'article 340sexies du même décret, modifié par le décret du 14 juillet 1998, est abrogé.
Art. 19. In titel VII van hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IIter ingevoegd, dat luidt als volgt:
"HOOFDSTUK IIter. - Hoger instituten voor schone kunsten.
Art. 340sexies. Voor de organisatie van posthogeschoolvormingen inzake de opleidingen van de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst kunnen hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht die de posthogeschoolvorming bekrachtigen met de titel van "Laureaat van het Hoger Instituut voor Kunst". Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien.
Om voor subsidiëring in aanmerking te komen, moeten de hogere instituten voor kunst voldoen aan volgende voorwaarden:
1° ze worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel, hierna vzw genoemd, die met betrekking tot posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die in de betrokken sector de opleiding organiseren;
2° ze onderwerpen zich aan de controle van de commissarissen van de Vlaamse regering bij de hogescholen op de wijze zoals bepaald in titel IV, hoofdstuk V van dit decreet;
3° ze dienen een begroting in, voeren een volledige boekhouding, leggen een jaarrekening voor op de wijze zoals bepaald door de Vlaamse regering;
4° ze leggen ieder jaar een concrete omschrijving van de doelstellingen en een meerjarenraming voor aan de in artikel 340quinquies bedoelde commissie;
5° ze dienen vóór 31 mei bij dezelfde commissie een jaarverslag in. Het jaarverslag bevat ten minste een overzicht van de doelmatige aanwending van de overheidsbijdrage.
Art. 340septies. De Vlaamse regering kan bijdragen in de financiering van de organisatie van de laureaatsvorming, in de vorm van een jaarlijkse toelage.
Het totale bedrag van de toelage wordt vastgesteld op 55,0 miljoen frank. Dit bedrag wordt vanaf 2001 jaarlijks op de volgende wijze aangepast:
0,8 x (Ln/L00) + 0,2 x (Cn/C00);
waarbij:
1° Ln/L00 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2000;
2° Cn/C00 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2000.
Art. 340octies. De hogere instituten voor schone kunsten kunnen akkoorden afsluiten met hogescholen, met universiteiten en met andere openbare en privé-instellingen. De overeenkomst vermeldt ten minste de voorwaarden van samenwerking en de financiële vergoeding die in voorkomend geval voor de dienstverlening zal worden betaald.
Ze kunnen alleen personeel bij arbeidsovereenkomst aanwerven. Bij een overeenkomst die gesloten is tussen een hoger instituut en een hogeschool kan een personeelslid van een hogeschool met zijn instemming belast worden met een opdracht. Het personeelslid blijft juridisch en administratief behoren tot zijn hogeschool en bevindt zich gedurende deze opdracht in de administratieve stand dienstactiviteit. De overeenkomst bepaalt de termijn van de opdracht en de financiële vergoeding die door het hoger instituut aan de hogeschool waartoe het personeelslid behoort, wordt betaald.".
"HOOFDSTUK IIter. - Hoger instituten voor schone kunsten.
Art. 340sexies. Voor de organisatie van posthogeschoolvormingen inzake de opleidingen van de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst kunnen hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht die de posthogeschoolvorming bekrachtigen met de titel van "Laureaat van het Hoger Instituut voor Kunst". Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien.
Om voor subsidiëring in aanmerking te komen, moeten de hogere instituten voor kunst voldoen aan volgende voorwaarden:
1° ze worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel, hierna vzw genoemd, die met betrekking tot posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die in de betrokken sector de opleiding organiseren;
2° ze onderwerpen zich aan de controle van de commissarissen van de Vlaamse regering bij de hogescholen op de wijze zoals bepaald in titel IV, hoofdstuk V van dit decreet;
3° ze dienen een begroting in, voeren een volledige boekhouding, leggen een jaarrekening voor op de wijze zoals bepaald door de Vlaamse regering;
4° ze leggen ieder jaar een concrete omschrijving van de doelstellingen en een meerjarenraming voor aan de in artikel 340quinquies bedoelde commissie;
5° ze dienen vóór 31 mei bij dezelfde commissie een jaarverslag in. Het jaarverslag bevat ten minste een overzicht van de doelmatige aanwending van de overheidsbijdrage.
Art. 340septies. De Vlaamse regering kan bijdragen in de financiering van de organisatie van de laureaatsvorming, in de vorm van een jaarlijkse toelage.
Het totale bedrag van de toelage wordt vastgesteld op 55,0 miljoen frank. Dit bedrag wordt vanaf 2001 jaarlijks op de volgende wijze aangepast:
0,8 x (Ln/L00) + 0,2 x (Cn/C00);
waarbij:
1° Ln/L00 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2000;
2° Cn/C00 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2000.
Art. 340octies. De hogere instituten voor schone kunsten kunnen akkoorden afsluiten met hogescholen, met universiteiten en met andere openbare en privé-instellingen. De overeenkomst vermeldt ten minste de voorwaarden van samenwerking en de financiële vergoeding die in voorkomend geval voor de dienstverlening zal worden betaald.
Ze kunnen alleen personeel bij arbeidsovereenkomst aanwerven. Bij een overeenkomst die gesloten is tussen een hoger instituut en een hogeschool kan een personeelslid van een hogeschool met zijn instemming belast worden met een opdracht. Het personeelslid blijft juridisch en administratief behoren tot zijn hogeschool en bevindt zich gedurende deze opdracht in de administratieve stand dienstactiviteit. De overeenkomst bepaalt de termijn van de opdracht en de financiële vergoeding die door het hoger instituut aan de hogeschool waartoe het personeelslid behoort, wordt betaald.".
Art. 19. Dans le titre VII du même décret, il est inséré un chapitre IIter rédigé comme suit:
"CHAPITRE IIter. - Instituts supérieurs des beaux-arts.
Art. 340sexies. Pour l'organisation des postgraduats en matière de formation en arts plastiques et audiovisuels, musique et art dramatique, des instituts supérieurs des beaux-arts peuvent être créés qui confirment le postgraduat par le titre "Lauréat de l'Institut supérieur des Arts". Cette formation de lauréat a pour objet de permettre aux diplômés des secteurs concernés et à des jeunes artistes de déployer leurs talents artistiques.
Pour entrer en ligne de compte pour l'octroi de subventions, les instituts supérieurs des arts doivent répondre aux conditions suivantes:
1° être gérés par une association sans but lucratif, ci-après dénommée asbl, qui joue un rôle coordinateur en ce qui concerne les postgraduats pour tous les instituts organisant la formation au sein du secteur concerné;
2° se soumettre au contrôle par les commissaires du Gouvernement flamand auprès des instituts supérieurs selon les modalités définies au titre IV, chapitre V du présent décret;
3° déposer un budget, tenir une comptabilité intégrale, déposer des comptes annuels selon les modalités définies par le Gouvernement flamand;
4° présenter chaque année à la commission visée à l'article 340quinquies une définition concrète des objectifs et une estimation pluriannuelle;
5° soumettre un rapport annuel à la même commission avant le 31 mai. Le rapport annuel contient au moins un aperçu de l'affectation efficace de la subvention.
Art. 340septies. Le Gouvernement flamand peut participer au financement de l'organisation de la formation de lauréats, sous forme d'une subvention annuelle.
Le montant total de cette subvention est fixé à 55,0 millions de francs. A partir de 2001, ce montant est annuellement adapté selon les modalités suivantes:
0,8 x (Ln/L00 + 0,2 x (Cn/C00);
où:
1° Ln/L00 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 2000;
2° Cn/C00 égale la proportion entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2000.
Art. 340octies. Les instituts supérieurs des beaux-arts peuvent conclure des accords avec des instituts supérieurs, universités et autres organismes publics et privés. La convention précisera au moins les conditions de collaboration et l'indemnité financière qui sera le cas échéant payée pour le service.
Ils ne peuvent recruter du personnel que par contrat de travail. Par le biais d'une convention conclue entre un institut supérieur des arts et un institut supérieur, un membre du personnel d'un institut supérieur peut être chargé d'une mission moyennant son assentiment. Au plan juridique et administratif, le membre du personnel continue de relever de son institut supérieur et durant cette mission, il se trouve dans la position administrative d'activité de service. La convention fixe la durée de la mission et l'indemnité financière que l'institut supérieur des arts verse à l'institut supérieur dont relève le membre du personnel.".
"CHAPITRE IIter. - Instituts supérieurs des beaux-arts.
Art. 340sexies. Pour l'organisation des postgraduats en matière de formation en arts plastiques et audiovisuels, musique et art dramatique, des instituts supérieurs des beaux-arts peuvent être créés qui confirment le postgraduat par le titre "Lauréat de l'Institut supérieur des Arts". Cette formation de lauréat a pour objet de permettre aux diplômés des secteurs concernés et à des jeunes artistes de déployer leurs talents artistiques.
Pour entrer en ligne de compte pour l'octroi de subventions, les instituts supérieurs des arts doivent répondre aux conditions suivantes:
1° être gérés par une association sans but lucratif, ci-après dénommée asbl, qui joue un rôle coordinateur en ce qui concerne les postgraduats pour tous les instituts organisant la formation au sein du secteur concerné;
2° se soumettre au contrôle par les commissaires du Gouvernement flamand auprès des instituts supérieurs selon les modalités définies au titre IV, chapitre V du présent décret;
3° déposer un budget, tenir une comptabilité intégrale, déposer des comptes annuels selon les modalités définies par le Gouvernement flamand;
4° présenter chaque année à la commission visée à l'article 340quinquies une définition concrète des objectifs et une estimation pluriannuelle;
5° soumettre un rapport annuel à la même commission avant le 31 mai. Le rapport annuel contient au moins un aperçu de l'affectation efficace de la subvention.
Art. 340septies. Le Gouvernement flamand peut participer au financement de l'organisation de la formation de lauréats, sous forme d'une subvention annuelle.
Le montant total de cette subvention est fixé à 55,0 millions de francs. A partir de 2001, ce montant est annuellement adapté selon les modalités suivantes:
0,8 x (Ln/L00 + 0,2 x (Cn/C00);
où:
1° Ln/L00 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 2000;
2° Cn/C00 égale la proportion entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2000.
Art. 340octies. Les instituts supérieurs des beaux-arts peuvent conclure des accords avec des instituts supérieurs, universités et autres organismes publics et privés. La convention précisera au moins les conditions de collaboration et l'indemnité financière qui sera le cas échéant payée pour le service.
Ils ne peuvent recruter du personnel que par contrat de travail. Par le biais d'une convention conclue entre un institut supérieur des arts et un institut supérieur, un membre du personnel d'un institut supérieur peut être chargé d'une mission moyennant son assentiment. Au plan juridique et administratif, le membre du personnel continue de relever de son institut supérieur et durant cette mission, il se trouve dans la position administrative d'activité de service. La convention fixe la durée de la mission et l'indemnité financière que l'institut supérieur des arts verse à l'institut supérieur dont relève le membre du personnel.".
Art. 20. De artikelen 16 tot en met 19 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1999.
Art. 20. Les articles 16 à 19 inclus produisent leurs effets le 1er septembre 1999.
Afdeling 4. - Fonds Inschrijvingsgelden. - Deeltijds Kunstonderwijs. (Afdeling opgeheven)
Section 4. - Fonds de Droits d'Inscription - Enseignement artistique à temps partiel. (Section abrogée)
Afdeling 5. - Sommige instellingen van openbaar nut - voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijk dienstverlening.
Section 5. - Certains établissements d'intérêt public pour l'enseignement postinitial, la recherche et les services scientifiques.
Art. 22. In artikel 15, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende sommige instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening wordt het bedrag "39,1" vervangen door het bedrag "51,6".
Art. 22. Dans l'article 15, § 1er du décret du 18 mai 1999 relatif à certains établissements d'intérêt public pour l'enseignement postinitial, la recherche et les services scientifiques, le montant de "39,1" est remplacé par le montant de "51,6".
Art. 23. In artikel 16, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "artikel 169bis" vervangen door de woorden "artikel 169bis § 1, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs X".
Art. 23. Dans l'article 16, § 2 du même décret, les mots "l'article 169bis" sont remplacés par les mots "l'article 169bis, § 1er modifié par le décret du 18 mai 1999 relatif à l'enseignement X".
Afdeling 6. - Basisonderwijs.
Section 6. - Enseignement fondamental.
Art. 24. In artikel 82bis, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt § 1 vervangen door wat volgt:
"§ 1. Het globale werkingsbudget van het gefinancierd en het gesubsidieerd basisonderwijs wordt gefaseerd verhoogd met 3,502 miljard frank als volgt:
"§ 1. Het globale werkingsbudget van het gefinancierd en het gesubsidieerd basisonderwijs wordt gefaseerd verhoogd met 3,502 miljard frank als volgt:
Art. 24. L'article 82bis, § 1er du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental est remplacé par ce qui suit:
"§ 1er. Le budget global de fonctionnement de l'enseignement fondamental financé et subventionné est augmenté de 3,502 milliards de francs. Cette augmentation est étalée comme suit:
"§ 1er. Le budget global de fonctionnement de l'enseignement fondamental financé et subventionné est augmenté de 3,502 milliards de francs. Cette augmentation est étalée comme suit:
Begrotingsjaar Verhoging van het krediet
(in miljoenen franken)
1998 215
1999 1672
2000 2464
2001 2627
2002 2811
2003 2987
2004 3152
2005 3322
2006 3502".
(in miljoenen franken)
1998 215
1999 1672
2000 2464
2001 2627
2002 2811
2003 2987
2004 3152
2005 3322
2006 3502".
Annee budgetaire Augmentation du credit
(en millions de francs)
1998 215
1999 1672
2000 2464
2001 2627
2002 2811
2003 2987
2004 3152
2005 3322
2006 3502".
(en millions de francs)
1998 215
1999 1672
2000 2464
2001 2627
2002 2811
2003 2987
2004 3152
2005 3322
2006 3502".
Art. 25. In artikel 82bis, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de aanhef vervangen door wat volgt:
"Vanaf het begrotingsjaar 2007 wordt het bedrag van 3,502 miljard frank vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A3 en A4, als volgt berekend:
".
"Vanaf het begrotingsjaar 2007 wordt het bedrag van 3,502 miljard frank vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A3 en A4, als volgt berekend:
".
Art. 25. Dans l'article 82bis, § 2, alinéa 1er, du même décret, la phrase liminaire est remplacée comme suit:
"A partir de l'année budgétaire 2007, le montant de 3,502 milliards de francs est multiplié par les coefficients d'ajustement A3 et A4, calculés comme suit:
".
"A partir de l'année budgétaire 2007, le montant de 3,502 milliards de francs est multiplié par les coefficients d'ajustement A3 et A4, calculés comme suit:
".
Afdeling 7. - Navormingsprojecten.
Section 7. - Projets de formation continuée.
Art. 26. Artikel 16 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, gewijzigd bij decreet van 18 december 1992, wordt opgeheven met ingang van 30 juni 2000.
Art. 26. L'article 16 du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991, modifié par le décret du 18 décembre 1992, est abrogé à partir du 30 juin 2000.
Art. 27. Aan het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing, wordt een artikel 59 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Artikel 59. De betaling en de aanwending van de kredieten en gelden bestemd voor navormingsactiviteiten, georganiseerd vóór 1 september 1999 met toepassing van de artikelen 75 tot en met 84 van het decreet van 5 juli 1989, opgeheven door artikel 58, § 1, dient te gebeuren uiterlijk op 30 juni 2000 op basis van de na de beëindiging van de navormingsactiviteiten ingediende eindafrekeningen. Hiertoe kunnen de kredieten voor het Fonds voor Navorming, bedoeld in artikel 16 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, gewijzigd bij decreet van 18 december 1992, worden aangewend.".
"Artikel 59. De betaling en de aanwending van de kredieten en gelden bestemd voor navormingsactiviteiten, georganiseerd vóór 1 september 1999 met toepassing van de artikelen 75 tot en met 84 van het decreet van 5 juli 1989, opgeheven door artikel 58, § 1, dient te gebeuren uiterlijk op 30 juni 2000 op basis van de na de beëindiging van de navormingsactiviteiten ingediende eindafrekeningen. Hiertoe kunnen de kredieten voor het Fonds voor Navorming, bedoeld in artikel 16 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, gewijzigd bij decreet van 18 december 1992, worden aangewend.".
Art. 27. Au décret du 16 avril 1996 relatif à la formation des enseignants et à la formation continuée, il est ajouté un article 59, rédigé comme suit:
"Art. 59. Le paiement et l'affectation des crédits et fonds destinés aux activités de formation continuée, organisées avant le 1er septembre 1999, en application des articles 75 à 84 inclus du décret du 5 juillet 1989, abrogé par l'article 58, § 1er, doivent intervenir au plus tard le 30 juin 2000 sur la base des décomptes finaux introduits après la cessation des activités de formation continuée. A cet effet, peuvent être utilisés les fonds destinés au Fonds de la formation continuée, visé à l'article 16 du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991, modifié par le décret du 18 décembre 1992.".
"Art. 59. Le paiement et l'affectation des crédits et fonds destinés aux activités de formation continuée, organisées avant le 1er septembre 1999, en application des articles 75 à 84 inclus du décret du 5 juillet 1989, abrogé par l'article 58, § 1er, doivent intervenir au plus tard le 30 juin 2000 sur la base des décomptes finaux introduits après la cessation des activités de formation continuée. A cet effet, peuvent être utilisés les fonds destinés au Fonds de la formation continuée, visé à l'article 16 du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991, modifié par le décret du 18 décembre 1992.".
Afdeling 8. - Gemeenschapsonderwijs.
Section 8. - Enseignement communautaire.
Art. 28. Bij het centrale niveau van het Gemeenschapsonderwijs gebeurt de registratie van de vastleggingen van de kleine infrastructuurwerken en wordt, op voorstel van de scholengroepen, de bepaling gedaan van de betalingskredieten per scholengroep.
Art. 28. L'enregistrement des engagements des petits travaux d'infrastructure et la fixation, sur la proposition des groupes d'écoles, des crédits de paiement par groupe d'écoles, se font au niveau central de l'Enseignement communautaire.
HOOFDSTUK III. - Jeugdwerkbeleid.
CHAPITRE III. - Politique en matière d'animation des jeunes.
Art. 29. In artikel 6, § 2, van het decreet van 9 juni 1993 houdende subsidiëring van gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie inzake het voeren van een jeugdwerkbeleid, gewijzigd bij decreten van 22 november 1995, 20 december 1996 en 12 mei 1998, worden de woorden "5 procent van het krediet" vervangen door de woorden "6 procent van het krediet".
Art. 29. Dans l'article 6, § 2 du décret du 9 juin 1993 réglant l'octroi de subventions aux administrations communales et à la Commission communautaire flamande pour la mise en oeuvre d'une politique en matière d'animation des jeunes, modifié par les décrets des 22 novembre 1995, 20 décembre 1996 et 12 mai 1998, les mots "5% du crédit" sont remplacés par les mots "6% du crédit".
HOOFDSTUK IV. - Schade aan het wegdek wegens gewichtsoverschrijding.
CHAPITRE IV. - Dégâts au revêtement routier à la suite de surcharges.
Art. 30. Aan artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 worden een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"De houders van een vergunning voor uitzonderlijk vervoer, bedoeld in artikel 48 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer vallen niet onder deze verbodsbepaling mits voorafgaande betaling van een forfaitaire bijdrage aan het fonds, genoemd in artikel 58, § 1. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden van deze bijdragen.
Deze forfaitaire bijdrage mag niet meer bedragen dan de minimum geldboete bij overbelasting met meer dan 20%, bepaald in artikel 57.".
"De houders van een vergunning voor uitzonderlijk vervoer, bedoeld in artikel 48 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer vallen niet onder deze verbodsbepaling mits voorafgaande betaling van een forfaitaire bijdrage aan het fonds, genoemd in artikel 58, § 1. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden van deze bijdragen.
Deze forfaitaire bijdrage mag niet meer bedragen dan de minimum geldboete bij overbelasting met meer dan 20%, bepaald in artikel 57.".
Art. 30. A l'article 56 du décret du 19 décembre 1998 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1999, il est ajouté un alinéa deux et trois rédigés comme suit:
"Cette interdiction n'est pas applicable aux titulaires d'une autorisation pour transports exceptionnels tels que visés à l'article 48 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière, moyennant versement préalable d'une cotisation forfaitaire au fonds visé à l'article 58, § 1er. Le Gouvernement flamand fixe les modalités de ces cotisations.
Cette cotisation forfaitaire ne peut dépasser l'amende minimale en cas de surcharge de plus de 20%, visée à l'article 57.".
"Cette interdiction n'est pas applicable aux titulaires d'une autorisation pour transports exceptionnels tels que visés à l'article 48 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière, moyennant versement préalable d'une cotisation forfaitaire au fonds visé à l'article 58, § 1er. Le Gouvernement flamand fixe les modalités de ces cotisations.
Cette cotisation forfaitaire ne peut dépasser l'amende minimale en cas de surcharge de plus de 20%, visée à l'article 57.".
Art. 31. In artikel 59 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 2 worden tussen de woorden "is gelijk aan de minimum geldboete" en de woorden "zoals bepaald in artikel 57", de woorden "overeenkomstig het overbelastingspercentage" ingevoegd;
2° aan § 3, derde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de administratieve geldboete onmiddellijk werd geïnd, dan wordt deze terugbetaald";
3° in § 6 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"De in § 1 en § 4 bedoelde bevoegde personen kunnen de administratieve geldboete onmiddellijk innen met instemming van de overtreder. Deze sommen worden in consignatie gegeven. De nadere regels inzake onmiddellijke inning en de consignatie van de administratieve geldboete worden vastgesteld door de Vlaamse regering.";
4° in § 6 wordt het tweede lid opgeheven.
1° in § 2 worden tussen de woorden "is gelijk aan de minimum geldboete" en de woorden "zoals bepaald in artikel 57", de woorden "overeenkomstig het overbelastingspercentage" ingevoegd;
2° aan § 3, derde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als de administratieve geldboete onmiddellijk werd geïnd, dan wordt deze terugbetaald";
3° in § 6 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"De in § 1 en § 4 bedoelde bevoegde personen kunnen de administratieve geldboete onmiddellijk innen met instemming van de overtreder. Deze sommen worden in consignatie gegeven. De nadere regels inzake onmiddellijke inning en de consignatie van de administratieve geldboete worden vastgesteld door de Vlaamse regering.";
4° in § 6 wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 31. L'article 59 du même décret est modifié comme suit:
1° dans le § 2, les mots "correspondant au pourcentage de surcharge" sont insérés entre les mots "est égal à l'amende minimale" et les mots "prévu par l'article 57";
2° au § 3, alinéa trois, la phrase suivante est ajoutée:
"En cas de perception immédiate de l'amende administrative, celle-ci est remboursée.";
3° au § 6, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Les personnes compétentes visées par les §§ 1er et 4 peuvent procéder à la perception immédiate de l'amende administrative, moyennant l'accord du contrevenant. Les sommes perçues sont consignées. Le Gouvernement flamand fixe les modalités relatives à la perception immédiate et à la consignation de l'amende administrative.";
4° au § 6, l'alinéa deux est abrogé.
1° dans le § 2, les mots "correspondant au pourcentage de surcharge" sont insérés entre les mots "est égal à l'amende minimale" et les mots "prévu par l'article 57";
2° au § 3, alinéa trois, la phrase suivante est ajoutée:
"En cas de perception immédiate de l'amende administrative, celle-ci est remboursée.";
3° au § 6, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Les personnes compétentes visées par les §§ 1er et 4 peuvent procéder à la perception immédiate de l'amende administrative, moyennant l'accord du contrevenant. Les sommes perçues sont consignées. Le Gouvernement flamand fixe les modalités relatives à la perception immédiate et à la consignation de l'amende administrative.";
4° au § 6, l'alinéa deux est abrogé.
Art. 32. In artikel 60 van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
"§ 1. Als de overtreder of zijn werkgever een woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, de administratieve geldboete niet onmiddellijk werd geïnd en het opleggen van deze geldboete overeenkomstig het bepaalde in het vorige artikel mogelijk is, geeft de aangewezen ambtenaar de overtreder of de werkgever hiervan kennis door middel van een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs.";
2° in § 2 wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd:
"Binnen 15 dagen na de verzending van de kennisgeving, bedoeld in vorig lid, bevestigt de overtreder of zijn werkgever zijn aanwezigheid of vertegenwoordiging op de hoorzitting. Deze bevestiging wordt gericht aan het adres vermeld in de kennisgeving. Bij gebrek aan tijdige bevestiging wordt de overtreder of zijn werkgever geacht te verzaken aan zijn recht om gehoord te worden.";
3° in § 2, tweede lid, wordt het woord "vijftien" vervangen door het woord "dertig" en worden tussen de woorden "mag zich laten bijstaan" en de woorden "door een raadsman" de woorden "of vertegenwoordigen" ingevoegd;
4° in § 2, derde lid, worden tussen de woorden "na de hoorzitting" en de woorden "neemt de aangewezen ambtenaar" de woorden "ongeacht of de overtreder, de werkgever of de vertegenwoordigende raadsman deze al dan niet hebben bijgewoond," ingevoegd;
5° in § 2 wordt het vierde lid opgeheven;
6° in § 3, tweede lid, worden tussen de woorden "deelt de Vlaamse regering" en de woorden "aan de overtreder" de woorden "of de ambtenaar aangewezen overeenkomstig het vierde lid van deze paragraaf ingevoegd";
7° in § 3 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"Indien geen beslissing van de Vlaamse regering is ter kennis gebracht van de overtreder of de werkgever binnen de termijn van drie maanden nadat het beroep is ingesteld, dan vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend.";
8° in § 3, vierde lid, worden volgende zinnen toegevoegd:
"De Vlaamse regering kan een of meerdere ambtenaren aanwijzen die de overtreder, de werkgever of de raadsman zullen horen. Ze hebben een hogere rang dan de ter uitvoering van artikel 59, § 1, aangewezen ambtenaren.";
9° in § 3, vijfde lid, wordt tussen de eerste en de tweede zin de volgende zin ingevoegd:
"In dat geval is het beroep slechts ontvankelijk nadat het bewijs is geleverd dat deze vergoeding werd betaald.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
"§ 1. Als de overtreder of zijn werkgever een woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, de administratieve geldboete niet onmiddellijk werd geïnd en het opleggen van deze geldboete overeenkomstig het bepaalde in het vorige artikel mogelijk is, geeft de aangewezen ambtenaar de overtreder of de werkgever hiervan kennis door middel van een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs.";
2° in § 2 wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd:
"Binnen 15 dagen na de verzending van de kennisgeving, bedoeld in vorig lid, bevestigt de overtreder of zijn werkgever zijn aanwezigheid of vertegenwoordiging op de hoorzitting. Deze bevestiging wordt gericht aan het adres vermeld in de kennisgeving. Bij gebrek aan tijdige bevestiging wordt de overtreder of zijn werkgever geacht te verzaken aan zijn recht om gehoord te worden.";
3° in § 2, tweede lid, wordt het woord "vijftien" vervangen door het woord "dertig" en worden tussen de woorden "mag zich laten bijstaan" en de woorden "door een raadsman" de woorden "of vertegenwoordigen" ingevoegd;
4° in § 2, derde lid, worden tussen de woorden "na de hoorzitting" en de woorden "neemt de aangewezen ambtenaar" de woorden "ongeacht of de overtreder, de werkgever of de vertegenwoordigende raadsman deze al dan niet hebben bijgewoond," ingevoegd;
5° in § 2 wordt het vierde lid opgeheven;
6° in § 3, tweede lid, worden tussen de woorden "deelt de Vlaamse regering" en de woorden "aan de overtreder" de woorden "of de ambtenaar aangewezen overeenkomstig het vierde lid van deze paragraaf ingevoegd";
7° in § 3 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"Indien geen beslissing van de Vlaamse regering is ter kennis gebracht van de overtreder of de werkgever binnen de termijn van drie maanden nadat het beroep is ingesteld, dan vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend.";
8° in § 3, vierde lid, worden volgende zinnen toegevoegd:
"De Vlaamse regering kan een of meerdere ambtenaren aanwijzen die de overtreder, de werkgever of de raadsman zullen horen. Ze hebben een hogere rang dan de ter uitvoering van artikel 59, § 1, aangewezen ambtenaren.";
9° in § 3, vijfde lid, wordt tussen de eerste en de tweede zin de volgende zin ingevoegd:
"In dat geval is het beroep slechts ontvankelijk nadat het bewijs is geleverd dat deze vergoeding werd betaald.".
Art. 32. L'article 60 du même décret est modifié comme suit:
1° le § 1er est remplacé par ce qui suit:
"§ 1er. Si le contrevenant ou son employeur ont leur domicile ou résidence fixe en Belgique, que l'amende administrative n'a pas été perçue immédiatement et il est possible de prononcer une telle amende conformément aux dispositions de l'article précédent, le fonctionnaire désigné en avise le contrevenant ou l'employeur par une lettre recommandée envoyée contre récépissé.";
2° au § 2, l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 1er et deux:
"Dans les 15 jours de l'envoi de la notification visée à l'alinéa précédent, le contrevenant ou son employeur confirme sa présence ou sa représentation à l'audience. Cette confirmation sera adressée à l'adresse mentionnée dans la notification. Faute de confirmation à temps, le contrevenant ou son employeur est censé renoncer au droit d'être entendu.";
3° au § 2, alinéa deux, le mot "quinze" est remplacé par le mot "trente" et les mots "ou représenter" sont insérés entre les mots "peut se faire assister" et les mots "par un conseil";
4° au § 2, alinéa trois, les mots "que le contrevenant, l'employeur ou le conseil représentant y aient assisté ou non" sont insérés entre les mots "de l'audition" et les mots "par une lettre recommandée";
5° au § 2, l'alinéa quatre est abrogé;
6° au § 3, alinéa deux, les mots "ou le fonctionnaire désigné conformément à l'alinéa quatre du présent paragraphe" sont insérés entre les mots "par le Gouvernement flamand" et les mots "dans les trente jours";
7° au § 3, l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit:
"Si le Gouvernement flamand n'a pas notifié de décision au contrevenant ou à l'employeur dans les trois mois de l'interjection de l'appel, l'amende administrative est annulée tacitement.";
8° au § 3, alinéa quatre, sont ajoutées les phrases suivantes:
"Le Gouvernement flamand peut désigner un ou plusieurs fonctionnaires qui entendront le contrevenant, l'employeur ou le conseil. Leur rang sera supérieur à celui des fonctionnaires désignés en exécution de l'article 59, § 1er.";
9° au § 3, alinéa cinq, la phrase suivante est insérée entre la première et la deuxième phrase:
"Dans ce cas, l'appel n'est recevable que lorsqu'il est justifié du paiement de l'amende.".
1° le § 1er est remplacé par ce qui suit:
"§ 1er. Si le contrevenant ou son employeur ont leur domicile ou résidence fixe en Belgique, que l'amende administrative n'a pas été perçue immédiatement et il est possible de prononcer une telle amende conformément aux dispositions de l'article précédent, le fonctionnaire désigné en avise le contrevenant ou l'employeur par une lettre recommandée envoyée contre récépissé.";
2° au § 2, l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa 1er et deux:
"Dans les 15 jours de l'envoi de la notification visée à l'alinéa précédent, le contrevenant ou son employeur confirme sa présence ou sa représentation à l'audience. Cette confirmation sera adressée à l'adresse mentionnée dans la notification. Faute de confirmation à temps, le contrevenant ou son employeur est censé renoncer au droit d'être entendu.";
3° au § 2, alinéa deux, le mot "quinze" est remplacé par le mot "trente" et les mots "ou représenter" sont insérés entre les mots "peut se faire assister" et les mots "par un conseil";
4° au § 2, alinéa trois, les mots "que le contrevenant, l'employeur ou le conseil représentant y aient assisté ou non" sont insérés entre les mots "de l'audition" et les mots "par une lettre recommandée";
5° au § 2, l'alinéa quatre est abrogé;
6° au § 3, alinéa deux, les mots "ou le fonctionnaire désigné conformément à l'alinéa quatre du présent paragraphe" sont insérés entre les mots "par le Gouvernement flamand" et les mots "dans les trente jours";
7° au § 3, l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit:
"Si le Gouvernement flamand n'a pas notifié de décision au contrevenant ou à l'employeur dans les trois mois de l'interjection de l'appel, l'amende administrative est annulée tacitement.";
8° au § 3, alinéa quatre, sont ajoutées les phrases suivantes:
"Le Gouvernement flamand peut désigner un ou plusieurs fonctionnaires qui entendront le contrevenant, l'employeur ou le conseil. Leur rang sera supérieur à celui des fonctionnaires désignés en exécution de l'article 59, § 1er.";
9° au § 3, alinéa cinq, la phrase suivante est insérée entre la première et la deuxième phrase:
"Dans ce cas, l'appel n'est recevable que lorsqu'il est justifié du paiement de l'amende.".
Art. 33. In hetzelfde decreet wordt een artikel 60bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Artikel 60bis. § 1. Als de overtreder of zijn werkgever geen woonplaats of vaste verblijfplaats heeft in België, wordt de administratieve geldboete verplicht onmiddellijk geïnd. Met betrekking tot de toepassing van artikel 60er, § 2, en volgende kiest de overtreder of diens werkgever woonplaats in België. Bij gebrek aan woonplaatskeuze binnen 60 dagen vanaf de vaststelling van de inbrek verzaakt de overtreder of diens werkgever aan de hoorzitting en de beroepsmogelijkheid bepaald in artikel 60ter, § 2 en volgende.
Bovendien moet door de overtreder een som in consignatie worden gegeven, bestemd om de eventuele geldboete en de forfaitaire bijdrage bedoeld in artikel 58, § 1, te dekken. Het bedrag van deze som evenals de nadere regels inzake inning en consignatie worden bepaald door de Vlaamse regering.
§ 2. Het door de overtreder bestuurde voertuig wordt op zijn kosten en risico ingehouden tot de sommen, bepaald in § 1, in consignatie gegeven zijn en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn.
Als de bovengenoemde sommen binnen een termijn van zesennegentig uren te rekenen vanaf de vaststelling van de overtreding niet in consignatie gegeven zijn, mag de inbeslagneming van het voertuig bevolen worden door het openbaar ministerie.
Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen naar de overtreder of zijn werkgever en de eigenaar van het voertuig gestuurd.
Het risico en de kosten voor het voertuig blijven tijdens de duur van het beslag ten laste van de overtreder of diens werkgever.
Het beslag wordt opgeheven nadat het bewijs geleverd werd dat de sommen, bepaald in § 1, in consignatie gegeven zijn en de eventuele bewaringskosten van het voertuig werden betaald.".
"Artikel 60bis. § 1. Als de overtreder of zijn werkgever geen woonplaats of vaste verblijfplaats heeft in België, wordt de administratieve geldboete verplicht onmiddellijk geïnd. Met betrekking tot de toepassing van artikel 60er, § 2, en volgende kiest de overtreder of diens werkgever woonplaats in België. Bij gebrek aan woonplaatskeuze binnen 60 dagen vanaf de vaststelling van de inbrek verzaakt de overtreder of diens werkgever aan de hoorzitting en de beroepsmogelijkheid bepaald in artikel 60ter, § 2 en volgende.
Bovendien moet door de overtreder een som in consignatie worden gegeven, bestemd om de eventuele geldboete en de forfaitaire bijdrage bedoeld in artikel 58, § 1, te dekken. Het bedrag van deze som evenals de nadere regels inzake inning en consignatie worden bepaald door de Vlaamse regering.
§ 2. Het door de overtreder bestuurde voertuig wordt op zijn kosten en risico ingehouden tot de sommen, bepaald in § 1, in consignatie gegeven zijn en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn.
Als de bovengenoemde sommen binnen een termijn van zesennegentig uren te rekenen vanaf de vaststelling van de overtreding niet in consignatie gegeven zijn, mag de inbeslagneming van het voertuig bevolen worden door het openbaar ministerie.
Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen naar de overtreder of zijn werkgever en de eigenaar van het voertuig gestuurd.
Het risico en de kosten voor het voertuig blijven tijdens de duur van het beslag ten laste van de overtreder of diens werkgever.
Het beslag wordt opgeheven nadat het bewijs geleverd werd dat de sommen, bepaald in § 1, in consignatie gegeven zijn en de eventuele bewaringskosten van het voertuig werden betaald.".
Art. 33. Dans le même décret, il est inséré un article 60bis rédigé comme suit:
"Art. 60bis. § 1er. Si le contrevenant ou son employeur n'ont pas de domicile ou résidence fixe en Belgique, l'amende administrative est perçue immédiatement. En ce qui concerne l'application de l'article 60ter, §§ 2 et suivants, le contrevenant ou son employeur élisent domicile en Belgique. Faute d'élection de domicile dans les 60 jours de la constatation de l'infraction, le contrevenant ou son employeur renoncent à l'audience et à la possibilité d'appel prévues à l'article 60ter, §§ 2 et suivants.
En outre, le contrevenant doit donner une somme en consignation, destinée à couvrir l'amende éventuelle et la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er.
Le Gouvernement flamand fixe le montant de cette somme ainsi que les modalités relatives à la perception et à la consignation.
§ 2. Le véhicule conduit par le contrevenant est retenu à ses frais et risques jusqu'à ce que les sommes visées au § 1er aient été données en consignation et qu'il ait été justifié du paiement des éventuels frais de dépôt du véhicule.
Faute de consignation des sommes susvisées dans les nonante-six heures de la constatation de l'infraction, la saisie du véhicule peut être ordonnée par le ministère public.
La saisie du véhicule est notifiée dans les deux jours ouvrables au contrevenant ou à son employeur et au propriétaire du véhicule.
Les frais et risques pour le véhicule demeurent à charge du contrevenant ou de son employeur pendant la durée de la saisie.
Mainlevée de la saisie sera donnée lorsqu'il aura été justifié de la consignation des sommes visées au § 1er et du paiement des éventuels frais de dépôt du véhicule.".
"Art. 60bis. § 1er. Si le contrevenant ou son employeur n'ont pas de domicile ou résidence fixe en Belgique, l'amende administrative est perçue immédiatement. En ce qui concerne l'application de l'article 60ter, §§ 2 et suivants, le contrevenant ou son employeur élisent domicile en Belgique. Faute d'élection de domicile dans les 60 jours de la constatation de l'infraction, le contrevenant ou son employeur renoncent à l'audience et à la possibilité d'appel prévues à l'article 60ter, §§ 2 et suivants.
En outre, le contrevenant doit donner une somme en consignation, destinée à couvrir l'amende éventuelle et la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er.
Le Gouvernement flamand fixe le montant de cette somme ainsi que les modalités relatives à la perception et à la consignation.
§ 2. Le véhicule conduit par le contrevenant est retenu à ses frais et risques jusqu'à ce que les sommes visées au § 1er aient été données en consignation et qu'il ait été justifié du paiement des éventuels frais de dépôt du véhicule.
Faute de consignation des sommes susvisées dans les nonante-six heures de la constatation de l'infraction, la saisie du véhicule peut être ordonnée par le ministère public.
La saisie du véhicule est notifiée dans les deux jours ouvrables au contrevenant ou à son employeur et au propriétaire du véhicule.
Les frais et risques pour le véhicule demeurent à charge du contrevenant ou de son employeur pendant la durée de la saisie.
Mainlevée de la saisie sera donnée lorsqu'il aura été justifié de la consignation des sommes visées au § 1er et du paiement des éventuels frais de dépôt du véhicule.".
Art. 34. In hetzelfde decreet wordt een artikel 60ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Artikel 60ter. § 1. Als het openbaar ministerie beslist geen vervolging in te stellen of als de strafvordering vervallen of verjaard is, wordt de geconsigneerde administratieve geldboete vrijgegeven ten bate van het fonds, genoemd in artikel 58, § 1. Als de overtreder of zijn werkgever geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, wordt de som bepaald in artikel 60bis, § 1, tweede lid, teruggegeven.
§ 2. Als evenwel de overtreder of diens werkgever overeenkomstig artikel 60bis, § 1, eerste lid, een woonplaats heeft gekozen in België, beslist de aangewezen ambtenaar over de vrijgave van de geconsigneerde administratieve geldboete ten bate van het fonds, genoemd in artikel 58, § 1, na de overtreder of diens werkgever te hebben gehoord.
Dag, uur en plaats van de hoorzitting worden per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs ter kennis gebracht aan de overtreder of diens werkgever, op de gekozen woonplaats in België.
De hoorzitting mag op zijn vroegst 60 dagen na de verzending van de kennisgeving, bepaald in vorig lid plaatsvinden. De kennisgeving vermeldt ten slotte de plaats waar en de periode waarin het dossier kan worden ingezien. Het dossier ligt ter inzage ten minste 20 dagen voor de zitting. De overtreder of diens werkgever kan op de hoorzitting een nota indienen. Hij mag zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman. Van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt.
Binnen 30 dagen na de verzending van de kennisgeving, bepaald in het tweede lid, bevestigt de overtreder of diens werkgever zijn aanwezigheid of vertegenwoordiging op de hoorzitting. Deze bevestiging wordt gericht aan het adres vermeld in de kennisgeving. Bij gebrek aan tijdige bevestiging wordt de overtreder of diens werkgever geacht te verzaken aan zijn recht om gehoord te worden.
Na de hoorzitting, ongeacht of de overtreder, de werkgever of een vertegenwoordigende raadsman deze al dan niet hebben bijgewoond, neemt de aangewezen ambtenaar de zaak onmiddellijk in beraad. De beslissing wordt met redenen omkleed. De aangewezen ambtenaar deelt zijn beslissing mee aan de overtreder of diens werkgever binnen 30 dagen na de datum van de hoorzitting per aangetekende brief tegen ontvangstbewijs gericht aan de gekozen woonplaats in België, zoniet vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend.
§ 3. Binnen 60 dagen na de verzending van de beslissing van de aangewezen ambtenaar, kan de overtreder of de werkgever per aangetekende brief tegen ontvangstbewijs in beroep gaan bij de Vlaamse regering. Het beroep schorst de bestreden beslissing.
Binnen 30 dagen na het instellen van het beroep, deelt de Vlaamse regering of de ambtenaar aangewezen, overeenkomstig het vierde lid, aan de overtreder of diens werkgever, plaats en uur mee waarop een hoorzitting zal plaatsvinden waarop de overtreder of diens werkgever zal worden gehoord.
De Vlaamse regering deelt haar beslissing per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs mee aan de overtreder of diens werkgever op de gekozen woonplaats in België, binnen 90 dagen na de datum van de hoorzitting, ongeacht of de overtreder, zijn werkgever of een vertegenwoordigende raadsman deze al dan niet hebben bijgewoond, zoniet vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend.
De procedure, bepaald in § 2, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de hoorzitting in het kader van het beroep. De Vlaamse regering kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de overtreder, de werkgever of de raadsman zullen horen. Ze hebben een hogere rang dan de ter uitvoering van artikel 59, § 1, aangewezen ambtenaren.
§ 4. De Vlaamse regering kan een vergoeding voor dossierkosten vaststellen voor de beroepsprocedure. In dat geval is het beroep slechts ontvankelijk nadat het bewijs is geleverd dat deze vergoeding werd betaald. Deze vergoeding zal steeds aan de overtreder of zijn werkgever worden terugbetaald als de administratieve boete komt te vervallen na het instellen van het beroep.
§ 5. Als de administratieve geldboete definitief wordt opgelegd, wordt de geconsigneerde administratieve geldboete vrijgegeven ten bate van het fonds, genoemd in artikel 58, § 1.
Als het voertuig in beslag genomen werd, wordt de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, registratie en domeinen gelast met de verkoop van het voertuig als de administratieve geldboete en de bewaringskosten niet betaald werden binnen 60 dagen na het verstrijken van de beroepstermijn, bepaald in § 3, eerste lid, als geen beroep werd ingediend, of binnen de 60 dagen na de verzending van de betekening, bepaald in § 3, derde lid, als beroep werd ingediend. Na aftrek van de administratieve geldboete en bewaringskosten wordt het eventuele overschot van de opbrengst terugbetaald.
§ 6. Als de administratieve geldboete al dan niet stilzwijgend vervalt, wordt de geconsigneerde administratieve geldboete of het in beslag genomen voertuig teruggegeven aan de overtreder of diens werkgever.".
"Artikel 60ter. § 1. Als het openbaar ministerie beslist geen vervolging in te stellen of als de strafvordering vervallen of verjaard is, wordt de geconsigneerde administratieve geldboete vrijgegeven ten bate van het fonds, genoemd in artikel 58, § 1. Als de overtreder of zijn werkgever geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, wordt de som bepaald in artikel 60bis, § 1, tweede lid, teruggegeven.
§ 2. Als evenwel de overtreder of diens werkgever overeenkomstig artikel 60bis, § 1, eerste lid, een woonplaats heeft gekozen in België, beslist de aangewezen ambtenaar over de vrijgave van de geconsigneerde administratieve geldboete ten bate van het fonds, genoemd in artikel 58, § 1, na de overtreder of diens werkgever te hebben gehoord.
Dag, uur en plaats van de hoorzitting worden per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs ter kennis gebracht aan de overtreder of diens werkgever, op de gekozen woonplaats in België.
De hoorzitting mag op zijn vroegst 60 dagen na de verzending van de kennisgeving, bepaald in vorig lid plaatsvinden. De kennisgeving vermeldt ten slotte de plaats waar en de periode waarin het dossier kan worden ingezien. Het dossier ligt ter inzage ten minste 20 dagen voor de zitting. De overtreder of diens werkgever kan op de hoorzitting een nota indienen. Hij mag zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman. Van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt.
Binnen 30 dagen na de verzending van de kennisgeving, bepaald in het tweede lid, bevestigt de overtreder of diens werkgever zijn aanwezigheid of vertegenwoordiging op de hoorzitting. Deze bevestiging wordt gericht aan het adres vermeld in de kennisgeving. Bij gebrek aan tijdige bevestiging wordt de overtreder of diens werkgever geacht te verzaken aan zijn recht om gehoord te worden.
Na de hoorzitting, ongeacht of de overtreder, de werkgever of een vertegenwoordigende raadsman deze al dan niet hebben bijgewoond, neemt de aangewezen ambtenaar de zaak onmiddellijk in beraad. De beslissing wordt met redenen omkleed. De aangewezen ambtenaar deelt zijn beslissing mee aan de overtreder of diens werkgever binnen 30 dagen na de datum van de hoorzitting per aangetekende brief tegen ontvangstbewijs gericht aan de gekozen woonplaats in België, zoniet vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend.
§ 3. Binnen 60 dagen na de verzending van de beslissing van de aangewezen ambtenaar, kan de overtreder of de werkgever per aangetekende brief tegen ontvangstbewijs in beroep gaan bij de Vlaamse regering. Het beroep schorst de bestreden beslissing.
Binnen 30 dagen na het instellen van het beroep, deelt de Vlaamse regering of de ambtenaar aangewezen, overeenkomstig het vierde lid, aan de overtreder of diens werkgever, plaats en uur mee waarop een hoorzitting zal plaatsvinden waarop de overtreder of diens werkgever zal worden gehoord.
De Vlaamse regering deelt haar beslissing per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs mee aan de overtreder of diens werkgever op de gekozen woonplaats in België, binnen 90 dagen na de datum van de hoorzitting, ongeacht of de overtreder, zijn werkgever of een vertegenwoordigende raadsman deze al dan niet hebben bijgewoond, zoniet vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend.
De procedure, bepaald in § 2, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de hoorzitting in het kader van het beroep. De Vlaamse regering kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de overtreder, de werkgever of de raadsman zullen horen. Ze hebben een hogere rang dan de ter uitvoering van artikel 59, § 1, aangewezen ambtenaren.
§ 4. De Vlaamse regering kan een vergoeding voor dossierkosten vaststellen voor de beroepsprocedure. In dat geval is het beroep slechts ontvankelijk nadat het bewijs is geleverd dat deze vergoeding werd betaald. Deze vergoeding zal steeds aan de overtreder of zijn werkgever worden terugbetaald als de administratieve boete komt te vervallen na het instellen van het beroep.
§ 5. Als de administratieve geldboete definitief wordt opgelegd, wordt de geconsigneerde administratieve geldboete vrijgegeven ten bate van het fonds, genoemd in artikel 58, § 1.
Als het voertuig in beslag genomen werd, wordt de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, registratie en domeinen gelast met de verkoop van het voertuig als de administratieve geldboete en de bewaringskosten niet betaald werden binnen 60 dagen na het verstrijken van de beroepstermijn, bepaald in § 3, eerste lid, als geen beroep werd ingediend, of binnen de 60 dagen na de verzending van de betekening, bepaald in § 3, derde lid, als beroep werd ingediend. Na aftrek van de administratieve geldboete en bewaringskosten wordt het eventuele overschot van de opbrengst terugbetaald.
§ 6. Als de administratieve geldboete al dan niet stilzwijgend vervalt, wordt de geconsigneerde administratieve geldboete of het in beslag genomen voertuig teruggegeven aan de overtreder of diens werkgever.".
Art. 34. Dans le même décret, il est inséré un article 60ter rédigé comme suit:
"Art. 60ter. § 1er. Si le ministère public décide de ne pas engager une poursuite pénale ou s'il y a extinction ou prescription de l'action publique, l'amende administrative consignée est débloquée au profit du fonds mentionné à l'article 58, § 1er. Si le contrevenant ou son employeur n'ont pas de domicile ou de résidence fixe en Belgique, la somme prévue à l'article 60bis, § 1er, alinéa deux, est remboursée.
§ 2. Si par contre, le contrevenant ou son employeur élisent domicile en Belgique, conformément à l'article 60bis, § 1er, alinéa 1er, le fonctionnaire désigné décide du déblocage de l'amende administrative consignée au profit du fonds mentionné à l'article 58, § 1er, après avoir entendu le contrevenant ou son employeur.
La date, l'heure et le lieu de l'audition sont notifiés au contrevenant ou à l'employeur, au domicile élu en Belgique, par une lettre recommandée envoyée contre récépissé.
L'audition aura lieu au plus tôt 60 jours après l'envoi de la notification visée à l'alinéa précédent. La notification mentionne enfin le lieu où et la période pendant laquelle le dossier peut être consulté. Le dossier est tenu à la disposition des intéressés au moins 20 jours avant l'audition. Le contrevenant ou l'employeur peuvent présenter une note à l'audition. Il peut se faire assister ou représenter par un conseil. Il est dressé un rapport de l'audition.
Dans les 30 jours de l'envoi de la notification visée à l'alinéa deux, le contrevenant ou son employeur confirme sa présence ou sa représentation à l'audience. Cette confirmation sera adressée à l'adresse mentionnée dans la notification. Faute de confirmation en temps utile, le contrevenant ou son employeur est censé renoncer au droit d'être entendu.
Le fonctionnaire désigné prend la cause en délibération dès la fin de l'audition, que le contrevenant, l'employeur ou le conseil représentant y aient assisté ou non. La décision est motivée. Le fonctionnaire désigné notifie sa décision au contrevenant ou à l'employeur dans les trente jours de l'audition, par une lettre recommandée envoyée contre récépissé, adressée au domicile élu en Belgique. Sinon, l'amende administrative est annulée tacitement.
§ 3. Le contrevenant ou l'employeur peut interjeter appel devant le Gouvernement flamand par une lettre recommandée envoyée contre récépissé, dans les soixante jours de l'envoi de la décision par le fonctionnaire désigné l'appel suspend la décision attaquée.
La date, l'heure et le lieu de l'audition organisée pour entendre le contrevenant ou l'employeur, lui sont communiqués par le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire désigné conformément à l'alinéa quatre, dans les trente jours de l'interjection de l'appel.
Le Gouvernement flamand notifie sa décision au contrevenant ou à l'employeur par une lettre recommandée envoyée contre récépissé, adressée au domicile élu en Belgique, dans les 90 jours de l'audition, que le contrevenant, l'employeur ou le conseil représentant y aient assisté ou non. Sinon, l'amende administrative est annulée tacitement.
La procédure prévue au § 2, alinéas trois et quatre, est également applicable à l'audition organisée à l'occasion d'appel. Le Gouvernement flamand peut désigner un ou plusieurs fonctionnaires qui entendront le contrevenant, l'employeur ou le conseil. Leur rang sera supérieur à celui des fonctionnaires désignés en exécution de l'article 59, § 1er.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut établir une indemnité de frais de dossier dans le cadre de la procédure d'appel. Dans ce cas, l'appel n'est recevable que lorsqu'il est justifié du paiement de l'amende. Cette indemnité sera toujours remboursée au contrevenant ou son employeur, si l'amende administrative est annulée après l'interjection de l'appel.
§ 5. Si l'amende administrative est infligée définitivement, l'amende administrative consignée est débloquée au profit du fonds visé à l'article 58, § 1er.
S'il y a eu saisie de véhicule, l'Administration de la Taxe sur la valeur ajoutée, de l'Enregistrement et des Domaines est chargée de la vente du véhicule si l'amende administrative et les frais de dépôt n'ont pas été payés dans les 60 jours de l'expiration du délai d'appel fixé au § 3, alinéa 1er, lorsqu'il n'y a pas eu interjection d'appel, ou dans les 60 jours de l'envoi de la notification visée au § 3, alinéa trois, lorsqu'il y a eu interjection d'appel. Après déduction de l'amende administrative et des frais de dépôt, le solde éventuel de la vente est remboursé.
§ 6. Si l'amende administrative est annulée, tacitement ou non, l'amende administrative consignée ou le vehicule saisi sont rendus au contrevenant ou à son employeur.".
"Art. 60ter. § 1er. Si le ministère public décide de ne pas engager une poursuite pénale ou s'il y a extinction ou prescription de l'action publique, l'amende administrative consignée est débloquée au profit du fonds mentionné à l'article 58, § 1er. Si le contrevenant ou son employeur n'ont pas de domicile ou de résidence fixe en Belgique, la somme prévue à l'article 60bis, § 1er, alinéa deux, est remboursée.
§ 2. Si par contre, le contrevenant ou son employeur élisent domicile en Belgique, conformément à l'article 60bis, § 1er, alinéa 1er, le fonctionnaire désigné décide du déblocage de l'amende administrative consignée au profit du fonds mentionné à l'article 58, § 1er, après avoir entendu le contrevenant ou son employeur.
La date, l'heure et le lieu de l'audition sont notifiés au contrevenant ou à l'employeur, au domicile élu en Belgique, par une lettre recommandée envoyée contre récépissé.
L'audition aura lieu au plus tôt 60 jours après l'envoi de la notification visée à l'alinéa précédent. La notification mentionne enfin le lieu où et la période pendant laquelle le dossier peut être consulté. Le dossier est tenu à la disposition des intéressés au moins 20 jours avant l'audition. Le contrevenant ou l'employeur peuvent présenter une note à l'audition. Il peut se faire assister ou représenter par un conseil. Il est dressé un rapport de l'audition.
Dans les 30 jours de l'envoi de la notification visée à l'alinéa deux, le contrevenant ou son employeur confirme sa présence ou sa représentation à l'audience. Cette confirmation sera adressée à l'adresse mentionnée dans la notification. Faute de confirmation en temps utile, le contrevenant ou son employeur est censé renoncer au droit d'être entendu.
Le fonctionnaire désigné prend la cause en délibération dès la fin de l'audition, que le contrevenant, l'employeur ou le conseil représentant y aient assisté ou non. La décision est motivée. Le fonctionnaire désigné notifie sa décision au contrevenant ou à l'employeur dans les trente jours de l'audition, par une lettre recommandée envoyée contre récépissé, adressée au domicile élu en Belgique. Sinon, l'amende administrative est annulée tacitement.
§ 3. Le contrevenant ou l'employeur peut interjeter appel devant le Gouvernement flamand par une lettre recommandée envoyée contre récépissé, dans les soixante jours de l'envoi de la décision par le fonctionnaire désigné l'appel suspend la décision attaquée.
La date, l'heure et le lieu de l'audition organisée pour entendre le contrevenant ou l'employeur, lui sont communiqués par le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire désigné conformément à l'alinéa quatre, dans les trente jours de l'interjection de l'appel.
Le Gouvernement flamand notifie sa décision au contrevenant ou à l'employeur par une lettre recommandée envoyée contre récépissé, adressée au domicile élu en Belgique, dans les 90 jours de l'audition, que le contrevenant, l'employeur ou le conseil représentant y aient assisté ou non. Sinon, l'amende administrative est annulée tacitement.
La procédure prévue au § 2, alinéas trois et quatre, est également applicable à l'audition organisée à l'occasion d'appel. Le Gouvernement flamand peut désigner un ou plusieurs fonctionnaires qui entendront le contrevenant, l'employeur ou le conseil. Leur rang sera supérieur à celui des fonctionnaires désignés en exécution de l'article 59, § 1er.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut établir une indemnité de frais de dossier dans le cadre de la procédure d'appel. Dans ce cas, l'appel n'est recevable que lorsqu'il est justifié du paiement de l'amende. Cette indemnité sera toujours remboursée au contrevenant ou son employeur, si l'amende administrative est annulée après l'interjection de l'appel.
§ 5. Si l'amende administrative est infligée définitivement, l'amende administrative consignée est débloquée au profit du fonds visé à l'article 58, § 1er.
S'il y a eu saisie de véhicule, l'Administration de la Taxe sur la valeur ajoutée, de l'Enregistrement et des Domaines est chargée de la vente du véhicule si l'amende administrative et les frais de dépôt n'ont pas été payés dans les 60 jours de l'expiration du délai d'appel fixé au § 3, alinéa 1er, lorsqu'il n'y a pas eu interjection d'appel, ou dans les 60 jours de l'envoi de la notification visée au § 3, alinéa trois, lorsqu'il y a eu interjection d'appel. Après déduction de l'amende administrative et des frais de dépôt, le solde éventuel de la vente est remboursé.
§ 6. Si l'amende administrative est annulée, tacitement ou non, l'amende administrative consignée ou le vehicule saisi sont rendus au contrevenant ou à son employeur.".
Art. 35. In hetzelfde decreet wordt een artikel 60quater ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Artikel 60quater. Leidt de strafvervolging tot een veroordeling van de betrokkene:
1° dan wordt de geconsigneerde administratieve geldboete en in voorkomend geval de som, bedoeld in artikel 60bis, § 1, tweede lid, toegerekend op de verschuldigde gerechtskosten, op de bijdrage tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, op de uitgesproken geldboete en op de forfaitaire bijdrage, bedoeld in artikel 58, § 1. Het eventuele overschot wordt terugbetaald;
2° dan wordt, als het voertuig in beslag genomen werd, bij het vonnis bevolen dat de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, registratie en domeinen het voertuig moet verkopen als de geldboete, de forfaitaire bijdrage, bedoeld in artikel 58, § 1, de gerechtskosten en de bijdrage tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden niet betaald werden en het bewijs niet is geleverd dat de bewaringskosten niet zijn betaald binnen een termijn van veertig dagen vanaf de uitspraak van het vonnis; deze beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande elk rechtsmiddel.
De opbrengst van de verkoop wordt toegerekend op de verschuldigde gerechtskosten, op de bijdrage tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, op de uitgesproken geldboete, op de forfaitaire bijdrage, bedoeld in artikel 58, § 1, en op de eventuele bewaringskosten van het voertuig. Het eventuele overschot wordt terugbetaald.".
"Artikel 60quater. Leidt de strafvervolging tot een veroordeling van de betrokkene:
1° dan wordt de geconsigneerde administratieve geldboete en in voorkomend geval de som, bedoeld in artikel 60bis, § 1, tweede lid, toegerekend op de verschuldigde gerechtskosten, op de bijdrage tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, op de uitgesproken geldboete en op de forfaitaire bijdrage, bedoeld in artikel 58, § 1. Het eventuele overschot wordt terugbetaald;
2° dan wordt, als het voertuig in beslag genomen werd, bij het vonnis bevolen dat de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, registratie en domeinen het voertuig moet verkopen als de geldboete, de forfaitaire bijdrage, bedoeld in artikel 58, § 1, de gerechtskosten en de bijdrage tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden niet betaald werden en het bewijs niet is geleverd dat de bewaringskosten niet zijn betaald binnen een termijn van veertig dagen vanaf de uitspraak van het vonnis; deze beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande elk rechtsmiddel.
De opbrengst van de verkoop wordt toegerekend op de verschuldigde gerechtskosten, op de bijdrage tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, op de uitgesproken geldboete, op de forfaitaire bijdrage, bedoeld in artikel 58, § 1, en op de eventuele bewaringskosten van het voertuig. Het eventuele overschot wordt terugbetaald.".
Art. 35. Dans le même décret, il est inséré un article 60quater rédigé comme suit:
"Art. 60quater. Si la poursuite pénale donne lieu à une condamnation de l'intéressé:
1° l'amende administrative consignee et, le cas échéant, la somme visée à l'article 60bis, § 1er, alinéa deux, est affectée aux frais de justice dus, à la cotisation en vue du financement du Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes de violence intentionnels, à l'amende prononcée et à la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er; le solde éventuel est remboursé.
2° s'il y a eu saisie du véhicule, le jugement ordonne que l'Administration de la Taxe sur la valeur ajoutée, de l'Enregistrement et des Domaines soit chargée de la vente du véhicule si l'amende, la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er, les frais de justice et la cotisation en vue du financement du Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes de violence intentionnels n'ont pas été payés et s'il n'a pas été justifié du non paiement des frais de dépôt dans les quarante jours du prononcé; cette décision est exécutoire nonobstant tous recours.
Le produit de la vente est affecté aux frais de justice dus, à la cotisation en vue du financement du Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes de violence intentionnels, à l'amende prononcée, à la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er, et aux éventuels frais de dépôt du véhicule. Le solde éventuel est remboursé.".
"Art. 60quater. Si la poursuite pénale donne lieu à une condamnation de l'intéressé:
1° l'amende administrative consignee et, le cas échéant, la somme visée à l'article 60bis, § 1er, alinéa deux, est affectée aux frais de justice dus, à la cotisation en vue du financement du Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes de violence intentionnels, à l'amende prononcée et à la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er; le solde éventuel est remboursé.
2° s'il y a eu saisie du véhicule, le jugement ordonne que l'Administration de la Taxe sur la valeur ajoutée, de l'Enregistrement et des Domaines soit chargée de la vente du véhicule si l'amende, la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er, les frais de justice et la cotisation en vue du financement du Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes de violence intentionnels n'ont pas été payés et s'il n'a pas été justifié du non paiement des frais de dépôt dans les quarante jours du prononcé; cette décision est exécutoire nonobstant tous recours.
Le produit de la vente est affecté aux frais de justice dus, à la cotisation en vue du financement du Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes de violence intentionnels, à l'amende prononcée, à la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er, et aux éventuels frais de dépôt du véhicule. Le solde éventuel est remboursé.".
Art. 36. In hetzelfde decreet wordt een artikel 60quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Artikel 60quinquies. § 1. In geval van vrijspraak wordt de geconsigneerde administratieve geldboete en in voorkomend geval de som, bedoeld in artikel 60bis, § 1, tweede lid, of het in beslag genomen voertuig teruggegeven.
§ 2. In geval van voorwaardelijke veroordeling wordt de geconsigneerde administratieve geldboete en in voorkomend geval de som, bedoeld in artikel 60bis, § 1, tweede lid, toegerekend op de gerechtskosten, de bijdrage tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de forfaitaire bijdrage, bedoeld in artikel 58, § 1. Het eventuele overschot wordt terugbetaald.
Als het voertuig in beslag genomen werd, wordt bij het vonnis bevolen dat de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, registratie en domeinen het voertuig moet verkopen als de gerechtskosten, de bijdrage tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de forfaitaire bijdrage, bedoeld in artikel 58, § 1, niet betaald zijn en het bewijs niet geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn binnen een termijn van veertig dagen vanaf de uitspraak. Deze beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande elk rechtsmiddel. De opbrengst van de verkoop wordt toegerekend op de verschuldigde gerechtskosten, op de bijdrage tot financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, op de forfaitaire bijdrage bedoeld in artikel 58, § 1, en op de eventuele bewaringskosten van het voertuig. Het eventuele overschot wordt terugbetaald.".
"Artikel 60quinquies. § 1. In geval van vrijspraak wordt de geconsigneerde administratieve geldboete en in voorkomend geval de som, bedoeld in artikel 60bis, § 1, tweede lid, of het in beslag genomen voertuig teruggegeven.
§ 2. In geval van voorwaardelijke veroordeling wordt de geconsigneerde administratieve geldboete en in voorkomend geval de som, bedoeld in artikel 60bis, § 1, tweede lid, toegerekend op de gerechtskosten, de bijdrage tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de forfaitaire bijdrage, bedoeld in artikel 58, § 1. Het eventuele overschot wordt terugbetaald.
Als het voertuig in beslag genomen werd, wordt bij het vonnis bevolen dat de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, registratie en domeinen het voertuig moet verkopen als de gerechtskosten, de bijdrage tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de forfaitaire bijdrage, bedoeld in artikel 58, § 1, niet betaald zijn en het bewijs niet geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn binnen een termijn van veertig dagen vanaf de uitspraak. Deze beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande elk rechtsmiddel. De opbrengst van de verkoop wordt toegerekend op de verschuldigde gerechtskosten, op de bijdrage tot financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, op de forfaitaire bijdrage bedoeld in artikel 58, § 1, en op de eventuele bewaringskosten van het voertuig. Het eventuele overschot wordt terugbetaald.".
Art. 36. Dans le même décret, il est inséré un article 60quinquies rédigé comme suit:
"Art. 60quinquies. § 1er. En cas d'acquittement, l'amende administrative consignée et, le cas échéant, la somme visée à l'article 60bis, § 1er, alinéa deux, ou le véhicule saisi sont rendus.
§ 2. En cas de jugement conditionnel, l'amende administrative consignée et, le cas échéant, la somme visée à l'article 60bis, § 1er, alinéa deux est affectée aux frais de justice, à la cotisation en vue du financement du Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes de violence intentionnels, et à la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er. Le solde éventuel est remboursé.
S'il y a eu saisie du véhicule, le jugement ordonne que l'Administration de la Taxe sur la valeur ajoutée, de l'Enregistrement et des Domaines soit chargée de la vente du véhicule si les frais de justice, la cotisation en vue du financement du Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes de violence intentionnels, la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er et les éventuels frais de dépôt du véhicule n'ont pas été payés et s'il n'a pas été justifié du paiement des frais de dépôt dans les quarante jours du prononcé. Cette décision est exécutoire nonobstant tous recours. Le produit de la vente est affecté aux frais de justice, à la cotisation en vue du financement du Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes de violence intentionnels, à la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er, et aux éventuels frais de dépôt du véhicule. Le solde éventuel est remboursé.".
"Art. 60quinquies. § 1er. En cas d'acquittement, l'amende administrative consignée et, le cas échéant, la somme visée à l'article 60bis, § 1er, alinéa deux, ou le véhicule saisi sont rendus.
§ 2. En cas de jugement conditionnel, l'amende administrative consignée et, le cas échéant, la somme visée à l'article 60bis, § 1er, alinéa deux est affectée aux frais de justice, à la cotisation en vue du financement du Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes de violence intentionnels, et à la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er. Le solde éventuel est remboursé.
S'il y a eu saisie du véhicule, le jugement ordonne que l'Administration de la Taxe sur la valeur ajoutée, de l'Enregistrement et des Domaines soit chargée de la vente du véhicule si les frais de justice, la cotisation en vue du financement du Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes de violence intentionnels, la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er et les éventuels frais de dépôt du véhicule n'ont pas été payés et s'il n'a pas été justifié du paiement des frais de dépôt dans les quarante jours du prononcé. Cette décision est exécutoire nonobstant tous recours. Le produit de la vente est affecté aux frais de justice, à la cotisation en vue du financement du Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes de violence intentionnels, à la cotisation forfaitaire visée à l'article 58, § 1er, et aux éventuels frais de dépôt du véhicule. Le solde éventuel est remboursé.".
HOOFDSTUK V. - DAB Catering.
CHAPITRE V. - SGS Catering.
Art. 37. Er wordt een dienst met afzonderlijk beheer opgericht, zoals bedoeld in artikel 140 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, met als naam "Catering", die belast wordt met de creatie en de organisatie van een integraal en kwaliteitsvol cateringaanbod binnen het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
De tegoeden, financiële schulden en vorderingen van de intendance-rekening "Restaurants-cafetaria's" worden overgedragen aan de dienst met afzonderlijk beheer.
De Vlaamse regering bepaalt de organieke regels die van toepassing zijn op het financieel en materieel beheer van de dienst met afzonderlijk beheer Catering.
De tegoeden, financiële schulden en vorderingen van de intendance-rekening "Restaurants-cafetaria's" worden overgedragen aan de dienst met afzonderlijk beheer.
De Vlaamse regering bepaalt de organieke regels die van toepassing zijn op het financieel en materieel beheer van de dienst met afzonderlijk beheer Catering.
Art. 37. Il est créé un service à gestion séparée, tel que visé à l'article 140 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991, dénommé "Catering" qui est chargé de la création et de l'organisation d'un service de restauration intégral et de qualité au sein du Ministère de la Communauté flamande.
Les avoirs, dettes financières et créances du compte d'intendance "Restaurants-cafétérias" sont transférés au service à gestion séparée.
Le Gouvernement flamand arrête les règles organiques régissant la gestion financière et matérielle du service à gestion séparée "Catering".
Les avoirs, dettes financières et créances du compte d'intendance "Restaurants-cafétérias" sont transférés au service à gestion séparée.
Le Gouvernement flamand arrête les règles organiques régissant la gestion financière et matérielle du service à gestion séparée "Catering".
HOOFDSTUK VI. - Successierechten.
CHAPITRE VI. - Droits de succession.
Art. 38. Artikel 60bis van het Wetboek der Successierechten, ingevoegd bij decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij decreten van 8 juli 1997 en 19 december 1998, wordt vervangen door wat volgt:
2ÍÊXÎ"Artikel 60bis. § 1. In afwijking van artikelen 48 en 48 wordt van het successierecht vrijgesteld, de nettowaarde van:
a) de activa die door de erflater of zijn echtgenoot beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming;
en
b) de aandelen in een familiale vennootschap of vorderingen op een dergelijke vennootschap, op voorwaarde dat de onderneming of de aandelen van de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden ononderbroken voor ten minste 50 procent toebehoorden aan de overledene en/of zijn echtgenoot, en dat deze spontaan in de aangifte van nalatenschap worden vermeld.
Voor de berekening van de 50 procent wordt tevens rekening gehouden met de activa of de aandelen:
- die in het bezit zijn of waren van ascendenten of descendenten en hun echtgenoten, of van de zijverwanten van de overledene tot en met de tweede graad;
- die in het bezit zijn van kinderen van vooroverleden broers en zusters van de overledene.
Fusie, splitsing, inbreng van aandelen, of andere verrichtingen in de drie jaar vóór het overlijden, waarbij de betrokkene rechtstreeks of onrechtstreeks aandeelhouder werd of blijft, belet de vrijstelling niet, op voorwaarde dat de betrokkene vóór en na de verrichting aan de voorwaarden voldoet.
Voor aandelen in vennootschappen met een sociaal oogmerk (VSO) geldt de 50% eigendomsvoorwaarde niet.
§ 2. Onder familiale onderneming wordt verstaan: een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep, dat door de erflater en/of zijn echtgenoot, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd of uitgeoefend.
§ 3. Onder familiale vennootschap wordt verstaan: de vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Unie, die:
- ofwel zelf beantwoordt aan de voorwaarden van §§ 1, 5 en 8;
- ofwel, die aandelen en desgevallend vorderingen houdt van dochtervennootschappen die aan deze voorwaarden beantwoorden.
In dit laatste geval wordt de participatievoorwaarde op geconsolideerde basis berekend; de tewerkstellingsvoorwaarde, bedoeld in § 5, wordt echter per vennootschap berekend.
§ 4. Onder aandelen worden tevens begrepen:
- maatschappelijke rechten in vennootschappen;
- de certificaten van aandelen, uitgereikt door verenigingen zonder winstoogmerk of andere rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Unie, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen, op voorwaarde dat;
- aan elk aandeel één certificaat beantwoordt;
- de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder;
- de rechtspersoon de aandelen niet kan vervreemden zonder toestemming van de certificaathouder.
§ 5. De vrijstelling wordt slechts toegestaan op voorwaarde dat de onderneming of de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden, minstens vijf in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde werknemers telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden.
In afwijking van het eerste lid, wordt, indien de onderneming of de vennootschap in de drie jaren voorafgaand aan het overlijden 1, 2, 3 of 4 in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde werknemers telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden de vrijstelling toegepast op respectievelijk 20%, 40%, 60% of 80% van de nettowaarde bepaald in § 9. Deze vrijstelling wordt slechts toegekend en behouden voorzover gedurende 5 jaar na het overlijden de aandelen of de vorderingen toebehoren aan de erfgenamen die de vrijstelling genoten. Wanneer een erfgenaam in de periode van vijf jaar komt te overlijden, blijft de vrijstelling slechts behouden voorzover diens aandeel in rechte lijn of tussen echtgenoten wordt vererfd.
Het aantal tewerkgestelde werknemers wordt beoordeeld op basis van de aangiften vereist voor de sociale wetgeving. Komen niet in aanmerking de werknemer bedoeld in artikel 5 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
De vrijstelling wordt slechts behouden indien het aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de eerste vijf jaar na het overlijden jaar na jaar behouden blijft. Indien en in de mate dat de tewerkstelling uitgedrukt in voltijdse eenheden in een van de vijf jaren na het overlijden lager zou zijn, is de belasting tegen het normale tarief evenredig verschuldigd.
In afwijking van het vorig lid blijft de vrijstelling voorlopig volledig behouden, tijdens genoemde periode van vijf jaar, indien het voortschrijdende gemiddelde aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, berekend op het einde van elk van de eerste vijf jaar na het overlijden, tenminste gelijk is aan 50 procent van het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, op het ogenblik van het overlijden. Indien en in de mate dat de tewerkstelling uitgedrukt in voltijdse eenheden na verloop van de termijn van vijf jaar lager is dan het aantal personeelsleden uitgedrukt in voltijdse eenheden, op het ogenblik van het overlijden, is de belasting tegen het normale tarief verschuldigd.
§ 6. De activa die bijkomend belegd werden in de onderneming in de laatste drie jaar voor het overlijden, komen voor de vrijstelling niet in aanmerking, tenzij de bijkomende belegging van deze activa beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
Kapitaalverhogingen of bijkomende leningen, die in de laatste drie jaar voor het overlijden werden volgestort of toegestaan, komen voor de vrijstelling niet in aanmerking, tenzij deze beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
§ 7. Indien het belegd vermogen of het kapitaal en de vorderingen bedoeld in § 1 dalen door uitkeringen of terugbetalingen in de vijf jaar na het overlijden wordt het normaal tarief evenredig verschuldigd.
§ 8. De onderneming of de vennootschap komt slechts voor de vrijstelling in aanmerking voor zover de onderneming of de vennootschap een jaarrekening opmaakt overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van ondernemingen, welke tevens aangewend werd ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting, gedurende een periode van drie jaar voor en vijf jaar na het overlijden.
Ondernemingen of vennootschappen waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is buiten het Vlaamse Gewest moeten een jaarrekening opmaken overeenkomstig de geldende wetgeving van de plaats waar de maatschappelijke zetel gevestigd is.
§ 9. Onder nettowaarde wordt verstaan de waarde van de activa of aandelen verminderd met de schulden, behalve die welke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden.
Ingeval een vennootschap overeenkomstig § 3 als een familiale vennootschap wordt beschouwd op grond van het feit dat zij aandelen en desgevallend vorderingen houdt van een of meer dochtervennootschappen die aan de voorwaarden van §§ 1, 5 en 8 beantwoorden, wordt de nettowaarde van de aandelen van en de vorderingen op de vennootschap beperkt tot de som van de waarden van de aandelen van en desgevallend vorderingen op de dochtervennootschappen die aan de voornoemde voorwaarden beantwoorden.
In de mate dat de waarden van de aandelen van en desgevallend vorderingen op deze dochtervennootschappen slechts gedeeltelijk in aanmerking kunnen worden genomen volgens § 5, tweede lid, van dit artikel, wordt de nettowaarde overeenkomstig beperkt.
§ 10. Op straffe van verval is artikel 60bis slechts toepasselijk voorzover de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° in de aangifte wordt uitdrukkelijk om de toepassing van artikel 60bis verzocht;
2° het door het Vlaamse Gewest uitgereikte attest waaruit blijkt dat aan de door dit artikel gestelde voorwaarden, op het vlak van tewerkstelling en kapitaal, is voldaan, is bij de aangifte gevoegd.
Indien dit attest niet wordt ingediend voordat de rechten opeisbaar zijn, moeten deze, tegen het normale tarief berekend, binnen de wettelijke termijn betaald worden, behoudens teruggave, overeenkomstig het bepaalde in artikel 135, 8°;
3° in de aangifte wordt in een afzonderlijke rubriek vermeld voor welke activa of aandelen de toepassing van artikel 60bis wordt gevraagd.
§ 11. De erfgenamen die wensen het voordeel te genieten van artikel 60bis richten bij aangetekend schrijven een verzoek tot het bekomen van het in § 10 bedoelde attest aan de Vlaamse regering. Dit verzoek is vergezeld van alle bewijskrachtige gegevens waaruit blijkt dat voldaan is aan die gestelde voorwaarden. De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten waaronder een attest, bedoeld in § 10, aangevraagd en verstrekt wordt.
Indien bijkomende rechten verschuldigd worden, tengevolge van het niet langer vervullen van de voorwaarden vermeld in dit artikel, dienen de erfgenamen, legatarissen of begiftigden dit te melden bij wijze van aanvullende aangifte, binnen de vijf maanden nadat de verschuldigdheid definitief is komen vast te staan.
Zij die de vrijstelling als bedoeld in dit artikel genoten hebben moeten, na verloop van een termijn van vijf jaar na het overlijden, aantonen dat de voorwaarden gesteld voor het behoud van het voordeel, vervuld zijn.
De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot deze meldingsplicht.
Bij niet-naleving van de meldingsplicht zoals bedoeld hiervoor worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewoon tarief, zonder toepassing van dit artikel.
§ 12. Het Vlaamse Gewest levert aan de bevoegde ontvanger, in de periode van vijf jaar na het overlijden, een nieuw attest af, elke keer dat de voorwaarden waaronder de vrijstelling werd bekomen wijzigingen ondergaan waardoor de vrijstelling geheel of gedeeltelijk vervalt.".
2ÍÊXÎ"Artikel 60bis. § 1. In afwijking van artikelen 48 en 48 wordt van het successierecht vrijgesteld, de nettowaarde van:
a) de activa die door de erflater of zijn echtgenoot beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming;
en
b) de aandelen in een familiale vennootschap of vorderingen op een dergelijke vennootschap, op voorwaarde dat de onderneming of de aandelen van de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden ononderbroken voor ten minste 50 procent toebehoorden aan de overledene en/of zijn echtgenoot, en dat deze spontaan in de aangifte van nalatenschap worden vermeld.
Voor de berekening van de 50 procent wordt tevens rekening gehouden met de activa of de aandelen:
- die in het bezit zijn of waren van ascendenten of descendenten en hun echtgenoten, of van de zijverwanten van de overledene tot en met de tweede graad;
- die in het bezit zijn van kinderen van vooroverleden broers en zusters van de overledene.
Fusie, splitsing, inbreng van aandelen, of andere verrichtingen in de drie jaar vóór het overlijden, waarbij de betrokkene rechtstreeks of onrechtstreeks aandeelhouder werd of blijft, belet de vrijstelling niet, op voorwaarde dat de betrokkene vóór en na de verrichting aan de voorwaarden voldoet.
Voor aandelen in vennootschappen met een sociaal oogmerk (VSO) geldt de 50% eigendomsvoorwaarde niet.
§ 2. Onder familiale onderneming wordt verstaan: een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep, dat door de erflater en/of zijn echtgenoot, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd of uitgeoefend.
§ 3. Onder familiale vennootschap wordt verstaan: de vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Unie, die:
- ofwel zelf beantwoordt aan de voorwaarden van §§ 1, 5 en 8;
- ofwel, die aandelen en desgevallend vorderingen houdt van dochtervennootschappen die aan deze voorwaarden beantwoorden.
In dit laatste geval wordt de participatievoorwaarde op geconsolideerde basis berekend; de tewerkstellingsvoorwaarde, bedoeld in § 5, wordt echter per vennootschap berekend.
§ 4. Onder aandelen worden tevens begrepen:
- maatschappelijke rechten in vennootschappen;
- de certificaten van aandelen, uitgereikt door verenigingen zonder winstoogmerk of andere rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Unie, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen, op voorwaarde dat;
- aan elk aandeel één certificaat beantwoordt;
- de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder;
- de rechtspersoon de aandelen niet kan vervreemden zonder toestemming van de certificaathouder.
§ 5. De vrijstelling wordt slechts toegestaan op voorwaarde dat de onderneming of de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden, minstens vijf in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde werknemers telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden.
In afwijking van het eerste lid, wordt, indien de onderneming of de vennootschap in de drie jaren voorafgaand aan het overlijden 1, 2, 3 of 4 in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde werknemers telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden de vrijstelling toegepast op respectievelijk 20%, 40%, 60% of 80% van de nettowaarde bepaald in § 9. Deze vrijstelling wordt slechts toegekend en behouden voorzover gedurende 5 jaar na het overlijden de aandelen of de vorderingen toebehoren aan de erfgenamen die de vrijstelling genoten. Wanneer een erfgenaam in de periode van vijf jaar komt te overlijden, blijft de vrijstelling slechts behouden voorzover diens aandeel in rechte lijn of tussen echtgenoten wordt vererfd.
Het aantal tewerkgestelde werknemers wordt beoordeeld op basis van de aangiften vereist voor de sociale wetgeving. Komen niet in aanmerking de werknemer bedoeld in artikel 5 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
De vrijstelling wordt slechts behouden indien het aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de eerste vijf jaar na het overlijden jaar na jaar behouden blijft. Indien en in de mate dat de tewerkstelling uitgedrukt in voltijdse eenheden in een van de vijf jaren na het overlijden lager zou zijn, is de belasting tegen het normale tarief evenredig verschuldigd.
In afwijking van het vorig lid blijft de vrijstelling voorlopig volledig behouden, tijdens genoemde periode van vijf jaar, indien het voortschrijdende gemiddelde aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, berekend op het einde van elk van de eerste vijf jaar na het overlijden, tenminste gelijk is aan 50 procent van het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, op het ogenblik van het overlijden. Indien en in de mate dat de tewerkstelling uitgedrukt in voltijdse eenheden na verloop van de termijn van vijf jaar lager is dan het aantal personeelsleden uitgedrukt in voltijdse eenheden, op het ogenblik van het overlijden, is de belasting tegen het normale tarief verschuldigd.
§ 6. De activa die bijkomend belegd werden in de onderneming in de laatste drie jaar voor het overlijden, komen voor de vrijstelling niet in aanmerking, tenzij de bijkomende belegging van deze activa beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
Kapitaalverhogingen of bijkomende leningen, die in de laatste drie jaar voor het overlijden werden volgestort of toegestaan, komen voor de vrijstelling niet in aanmerking, tenzij deze beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.
§ 7. Indien het belegd vermogen of het kapitaal en de vorderingen bedoeld in § 1 dalen door uitkeringen of terugbetalingen in de vijf jaar na het overlijden wordt het normaal tarief evenredig verschuldigd.
§ 8. De onderneming of de vennootschap komt slechts voor de vrijstelling in aanmerking voor zover de onderneming of de vennootschap een jaarrekening opmaakt overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van ondernemingen, welke tevens aangewend werd ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting, gedurende een periode van drie jaar voor en vijf jaar na het overlijden.
Ondernemingen of vennootschappen waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is buiten het Vlaamse Gewest moeten een jaarrekening opmaken overeenkomstig de geldende wetgeving van de plaats waar de maatschappelijke zetel gevestigd is.
§ 9. Onder nettowaarde wordt verstaan de waarde van de activa of aandelen verminderd met de schulden, behalve die welke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden.
Ingeval een vennootschap overeenkomstig § 3 als een familiale vennootschap wordt beschouwd op grond van het feit dat zij aandelen en desgevallend vorderingen houdt van een of meer dochtervennootschappen die aan de voorwaarden van §§ 1, 5 en 8 beantwoorden, wordt de nettowaarde van de aandelen van en de vorderingen op de vennootschap beperkt tot de som van de waarden van de aandelen van en desgevallend vorderingen op de dochtervennootschappen die aan de voornoemde voorwaarden beantwoorden.
In de mate dat de waarden van de aandelen van en desgevallend vorderingen op deze dochtervennootschappen slechts gedeeltelijk in aanmerking kunnen worden genomen volgens § 5, tweede lid, van dit artikel, wordt de nettowaarde overeenkomstig beperkt.
§ 10. Op straffe van verval is artikel 60bis slechts toepasselijk voorzover de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° in de aangifte wordt uitdrukkelijk om de toepassing van artikel 60bis verzocht;
2° het door het Vlaamse Gewest uitgereikte attest waaruit blijkt dat aan de door dit artikel gestelde voorwaarden, op het vlak van tewerkstelling en kapitaal, is voldaan, is bij de aangifte gevoegd.
Indien dit attest niet wordt ingediend voordat de rechten opeisbaar zijn, moeten deze, tegen het normale tarief berekend, binnen de wettelijke termijn betaald worden, behoudens teruggave, overeenkomstig het bepaalde in artikel 135, 8°;
3° in de aangifte wordt in een afzonderlijke rubriek vermeld voor welke activa of aandelen de toepassing van artikel 60bis wordt gevraagd.
§ 11. De erfgenamen die wensen het voordeel te genieten van artikel 60bis richten bij aangetekend schrijven een verzoek tot het bekomen van het in § 10 bedoelde attest aan de Vlaamse regering. Dit verzoek is vergezeld van alle bewijskrachtige gegevens waaruit blijkt dat voldaan is aan die gestelde voorwaarden. De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten waaronder een attest, bedoeld in § 10, aangevraagd en verstrekt wordt.
Indien bijkomende rechten verschuldigd worden, tengevolge van het niet langer vervullen van de voorwaarden vermeld in dit artikel, dienen de erfgenamen, legatarissen of begiftigden dit te melden bij wijze van aanvullende aangifte, binnen de vijf maanden nadat de verschuldigdheid definitief is komen vast te staan.
Zij die de vrijstelling als bedoeld in dit artikel genoten hebben moeten, na verloop van een termijn van vijf jaar na het overlijden, aantonen dat de voorwaarden gesteld voor het behoud van het voordeel, vervuld zijn.
De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot deze meldingsplicht.
Bij niet-naleving van de meldingsplicht zoals bedoeld hiervoor worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewoon tarief, zonder toepassing van dit artikel.
§ 12. Het Vlaamse Gewest levert aan de bevoegde ontvanger, in de periode van vijf jaar na het overlijden, een nieuw attest af, elke keer dat de voorwaarden waaronder de vrijstelling werd bekomen wijzigingen ondergaan waardoor de vrijstelling geheel of gedeeltelijk vervalt.".
Art. 38. L'article 60bis du Code des droits de succession, inséré par le décret du 20 décembre 1996 et modifié par le décret du 8 juillet 1997 et le décret du 19 décembre 1998, est remplacé par les dispositions suivantes:
2ÍÊXÎ"Art. 60bis. § 1er. Par dérogation aux articles 48 et 48, est exonérée des droits de succession la valeur nette:
a) des avoirs investis à titre professionnel par le défunt ou son conjoint dans une entreprise familiale; et
b) des actions d'une société de famille ou des créances sur une telle société, à condition qu'au moins 50% de l'entreprise ou des actions delà société aient appartenu sans interruption, au cours des trois années précédant le décès, au défunt et/ou son conjoint et que ces actions ou créances soient mentionnées spontanément dans la déclaration de succession.
Pour le calcul des 50 pour cent, il est également tenu compte des avoirs et actions:
- qui sont ou étaient en possession des ascendants ou descendants et leur conjoints ou des alliés du défunt jusqu'au deuxième degré inclus;
- qui sont en possession des enfants des frères et soeurs prédécédés du défunt.
Les fusions, les dédoublements, les apports d'actions ou d'autres opérations, intervenus au cours des trois ans précédant le décès, par lesquels l'intéressé devient ou continue à être actionnaire, directement ou indirectement, ne font pas obstacle à l'exonération, à la condition que l'intéressé réponde aux conditions avant et après ces opérations.
Pour les actions de sociétés à vocation sociale (VSO), la condition de détenir 50% de l'entreprise n'est pas applicable.
§ 2. Par entreprise familiale, il faut entendre: une entreprise industrielle, commerciale, artisanale ou agricole ou une profession libérale, exploitée ou exercée personnellement par le défunt et/ou son conjoint, en collaboration ou non avec d'autres personnes.
§ 3. Par société de famille, il faut entendre: la société dont le siège de direction effective est établi dans un Etat membre de l'Union européenne et qui:
- soit, remplit elle-même les conditions des §§ 1er, 5 et 8;
- soit, détient des actions et, le cas échéant, des créances de filiales qui remplissent ces conditions.
En ce dernier cas, la condition de prise de participation est déterminée sur la base consolidée; par contre, la condition relative à l'effectif, visée au § 5 est déterminée par société.
§ 4. Par actions, il faut entendre également:
- les parts sociales de sociétés;
- les certificats d'actions qui sont délivrés par des associations sans but lucratif ou d'autres personnes morales ayant leur siège dans un des Etats membres de l'Union européenne, et qui représentent des actions de sociétés de famille remplissant les conditions requises, à la condition que:
- chaque certificat corresponde à une action;
- la personne morale soit tenue de verser immédiatement et au plus tard dans le mois au titulaire de certificats les dividendes et autres bénéfices de l'actif;
- la personne morale ne puisse aliéner les actions sans le consentement du titulaire de certificats.
§ 5. L'exonération n'est accordée que si l'entreprise ou la société employait au moins 5 travailleurs, exprimés en unités à temps plein, dans la Région flamande pendant les trois années qui ont précédé le décès.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'exonération n'est appliquée respectivement à 20%, 40%, 60% ou 80% de la valeur nette définie au § 9, lorsque l'entreprise ou la société employait 1, 2, 3 ou 4 travailleurs, exprimés en unités à temps plein, en Région flamande pendant les trois années qui ont précédé le décès. L'exonération ne peut être obtenue et conservée que dans la mesure où les actions ou créances restent en possession des héritiers qui bénéficient de la réduction pendant 5 ans après le décès. Lorsqu'un héritier meurt avant l'expiration de la période de 5 ans, l'exonération n'est conservée que dans la mesure où sa part héréditaire se transmet à des héritiers en ligne directe ou entre epoux.
Le nombre de travailleurs employés est déterminé à partir des déclarations requises dans le cadre de la législation sociale. Les travailleurs vises par l'article 5 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ne sont pas pris en considération.
L'exonération n'est conservée que si le nombre de membres du personnel employés dans la Région flamande, exprimé en unités à temps plein, est maintenu chaque année au même niveau pendant les cinq premières années qui suivent le décès. Si et dans la mesure où le nombre de travailleurs employés, exprimé en unités à temps plein, serait inférieur dans une des cinq années suivant le décès, l'impot est dû proportionnellement au tarif normal.
Par dérogation à l'alinéa précédent, l'exonération est maintenue intégralement, à titre provisoire, au cours de la période précitée de cinq ans, si le nombre moyen mobile des membres du personnel employés en Région flamande, exprimé en unités à temps plein, calculé à la fin de chacune des premières cinq années suivant le décès, est au moins égal à 50 pour cent du nombre de membres du personnel, exprimé en unités à temps plein, au moment du décès. Si et dans la mesure où le nombre de travailleurs employés, exprimé en unités à temps plein, serait inférieur, à l'issue du délai de cinq années, au nombre de membres du personnel exprimé en unités à temps plein au moment du décès, l'impôt est dû au tarif normal.
§ 6. Les avoirs supplémentaires investis dans l'entreprise au cours des trois dernières années précédant le décès ne sont pas admis à l'exonération, à moins que l'investissement de ces avoirs supplémentaires ne réponde à des besoins financiers et économiques justifiés.
Les augmentations de capital ou les emprunts supplémentaires libérés entièrement ou consentis au cours des trois dernières années avant le décès ne sont pas admis à l'exonération, à moins qu'ils ne répondent à des besoins financiers et économiques justifiés.
§ 7. Lorsque les avoirs investis ou le capital et les créances, visés au § 1er, diminuent à la suite de versements ou de remboursements au cours des 5 années qui suivent le décès, le tarif normal est dû proportionnellement.
§ 8. L'entreprise ou la société ne peut prétendre à l'exonération que si, pendant une période qui court de 3 ans avant à 5 ans après le décès et conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 8 octobre 1976 relatif aux comptes annuels des entreprises, elle établit des comptes annuels qui sont également utilisés pour justifier la déclaration d'impôts sur les revenus.
Les entreprises ou sociétés n'ayant pas leur siège social sur le territoire de la Region flamande doivent dresser des comptes annuels conformément à la législation en la matière applicable au lieu ou leur siège social est établi.
§ 9. Par valeur nette, il faut entendre la valeur des avoirs ou actions, diminuée des dettes, à l'exclusion de celles contractées spécialement pour acquérir ou conserver d'autres biens.
Si une société est assimilée à une sociéte de famille, conformément au § 3, du fait qu'elle détient des actions et, le cas échéant, des créances d'une ou plusieurs filiales qui remplissent les conditions prévues aux §§ 1er, 5 et 8, la valeur nette des actions et des créances sur la société est limitée à la somme des valeurs des actions et, le cas échéant, des créances sur les filiales qui remplissent les conditions susmentionnées.
Dans la mesure où les valeurs des actions et, le cas échéant, des créances sur les filiales, ne peuvent être prises en considération qu'en partie, aux termes du § 5, alinéa deux du présent article, la valeur nette est limitée par analogie.
§ 10. Sous peine de nullité, l'application de l'article 60bis est subordonnée à l'observation des conditions suivantes:
1° l'application de l'article 60bis est sollicitée formellement dans la déclaration;
2° l'attestation délivrée par le Communauté flamande et certifiant que les conditions prévues par le présent article en matière d'emploi et de capital sont remplies, est jointe à la déclaration.
Lorsque l'attestation n'est pas présentée avant que les droits ne deviennent exigibles, ceux-ci, calculés au tarif normal, doivent être liquidés avant l'expiration du délai légal, sous réserve d'une restitution dans les conditions indiquées à l'article 135, 8o;
3° les avoirs ou actions pour lesquels l'application de l'article 60bis est sollicitée, sont mentionnés sous rubrique separée de la déclaration.
§ 11. Les héritiers qui souhaitent bénéficier des dispositions de l'article 60bis, adressent une demande sous pli recommandé au Gouvernement flamand, en vue d'obtenir l'attestation visée au § 10. La demande sera accompagnée de tous les éléments justificatifs attestant que les conditions requises sont remplies. Le Gouvernement flamand fixe toutes autres conditions et modalités relatives à la demande et la délivrance de l'attestation visée au § 10.
Lorsque des droits de succession supplémentaires sont dus en raison du non-respect des conditions énoncées au présent article, les héritiers, légataires ou donataires sont tenus d'en faire communication par voie de déclaration supplémentaire, dans les cinq mois suivant la date à laquelle la débition a été établie définitivement.
Les bénéficiaires de l'exoneration visée au présent article, sont tenus de démontrer, à l'expiration du délai de cinq ans suivant le décès, que les conditions requises pour conserver le benéfice de l'exonération, sont remplies.
Le Gouvernement flamand arrête les conditions et modalités de cette obligation de déclaration.
En cas de non-respect de l'obligation de déclaration, telle que visée ci-dessus, les droits réputés dus, sont calculés au tarif normal, le présent article n'étant pas appliqué.
§ 12. La Région flamande délivre une nouvelle attestation au receveur compétent, au cours de la période de 5 ans suivant le décès, à chaque modification des conditions d'obtention de l'exonération entraînant la déchéance partielle ou totale de celle-ci.
2ÍÊXÎ"Art. 60bis. § 1er. Par dérogation aux articles 48 et 48, est exonérée des droits de succession la valeur nette:
a) des avoirs investis à titre professionnel par le défunt ou son conjoint dans une entreprise familiale; et
b) des actions d'une société de famille ou des créances sur une telle société, à condition qu'au moins 50% de l'entreprise ou des actions delà société aient appartenu sans interruption, au cours des trois années précédant le décès, au défunt et/ou son conjoint et que ces actions ou créances soient mentionnées spontanément dans la déclaration de succession.
Pour le calcul des 50 pour cent, il est également tenu compte des avoirs et actions:
- qui sont ou étaient en possession des ascendants ou descendants et leur conjoints ou des alliés du défunt jusqu'au deuxième degré inclus;
- qui sont en possession des enfants des frères et soeurs prédécédés du défunt.
Les fusions, les dédoublements, les apports d'actions ou d'autres opérations, intervenus au cours des trois ans précédant le décès, par lesquels l'intéressé devient ou continue à être actionnaire, directement ou indirectement, ne font pas obstacle à l'exonération, à la condition que l'intéressé réponde aux conditions avant et après ces opérations.
Pour les actions de sociétés à vocation sociale (VSO), la condition de détenir 50% de l'entreprise n'est pas applicable.
§ 2. Par entreprise familiale, il faut entendre: une entreprise industrielle, commerciale, artisanale ou agricole ou une profession libérale, exploitée ou exercée personnellement par le défunt et/ou son conjoint, en collaboration ou non avec d'autres personnes.
§ 3. Par société de famille, il faut entendre: la société dont le siège de direction effective est établi dans un Etat membre de l'Union européenne et qui:
- soit, remplit elle-même les conditions des §§ 1er, 5 et 8;
- soit, détient des actions et, le cas échéant, des créances de filiales qui remplissent ces conditions.
En ce dernier cas, la condition de prise de participation est déterminée sur la base consolidée; par contre, la condition relative à l'effectif, visée au § 5 est déterminée par société.
§ 4. Par actions, il faut entendre également:
- les parts sociales de sociétés;
- les certificats d'actions qui sont délivrés par des associations sans but lucratif ou d'autres personnes morales ayant leur siège dans un des Etats membres de l'Union européenne, et qui représentent des actions de sociétés de famille remplissant les conditions requises, à la condition que:
- chaque certificat corresponde à une action;
- la personne morale soit tenue de verser immédiatement et au plus tard dans le mois au titulaire de certificats les dividendes et autres bénéfices de l'actif;
- la personne morale ne puisse aliéner les actions sans le consentement du titulaire de certificats.
§ 5. L'exonération n'est accordée que si l'entreprise ou la société employait au moins 5 travailleurs, exprimés en unités à temps plein, dans la Région flamande pendant les trois années qui ont précédé le décès.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'exonération n'est appliquée respectivement à 20%, 40%, 60% ou 80% de la valeur nette définie au § 9, lorsque l'entreprise ou la société employait 1, 2, 3 ou 4 travailleurs, exprimés en unités à temps plein, en Région flamande pendant les trois années qui ont précédé le décès. L'exonération ne peut être obtenue et conservée que dans la mesure où les actions ou créances restent en possession des héritiers qui bénéficient de la réduction pendant 5 ans après le décès. Lorsqu'un héritier meurt avant l'expiration de la période de 5 ans, l'exonération n'est conservée que dans la mesure où sa part héréditaire se transmet à des héritiers en ligne directe ou entre epoux.
Le nombre de travailleurs employés est déterminé à partir des déclarations requises dans le cadre de la législation sociale. Les travailleurs vises par l'article 5 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ne sont pas pris en considération.
L'exonération n'est conservée que si le nombre de membres du personnel employés dans la Région flamande, exprimé en unités à temps plein, est maintenu chaque année au même niveau pendant les cinq premières années qui suivent le décès. Si et dans la mesure où le nombre de travailleurs employés, exprimé en unités à temps plein, serait inférieur dans une des cinq années suivant le décès, l'impot est dû proportionnellement au tarif normal.
Par dérogation à l'alinéa précédent, l'exonération est maintenue intégralement, à titre provisoire, au cours de la période précitée de cinq ans, si le nombre moyen mobile des membres du personnel employés en Région flamande, exprimé en unités à temps plein, calculé à la fin de chacune des premières cinq années suivant le décès, est au moins égal à 50 pour cent du nombre de membres du personnel, exprimé en unités à temps plein, au moment du décès. Si et dans la mesure où le nombre de travailleurs employés, exprimé en unités à temps plein, serait inférieur, à l'issue du délai de cinq années, au nombre de membres du personnel exprimé en unités à temps plein au moment du décès, l'impôt est dû au tarif normal.
§ 6. Les avoirs supplémentaires investis dans l'entreprise au cours des trois dernières années précédant le décès ne sont pas admis à l'exonération, à moins que l'investissement de ces avoirs supplémentaires ne réponde à des besoins financiers et économiques justifiés.
Les augmentations de capital ou les emprunts supplémentaires libérés entièrement ou consentis au cours des trois dernières années avant le décès ne sont pas admis à l'exonération, à moins qu'ils ne répondent à des besoins financiers et économiques justifiés.
§ 7. Lorsque les avoirs investis ou le capital et les créances, visés au § 1er, diminuent à la suite de versements ou de remboursements au cours des 5 années qui suivent le décès, le tarif normal est dû proportionnellement.
§ 8. L'entreprise ou la société ne peut prétendre à l'exonération que si, pendant une période qui court de 3 ans avant à 5 ans après le décès et conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 8 octobre 1976 relatif aux comptes annuels des entreprises, elle établit des comptes annuels qui sont également utilisés pour justifier la déclaration d'impôts sur les revenus.
Les entreprises ou sociétés n'ayant pas leur siège social sur le territoire de la Region flamande doivent dresser des comptes annuels conformément à la législation en la matière applicable au lieu ou leur siège social est établi.
§ 9. Par valeur nette, il faut entendre la valeur des avoirs ou actions, diminuée des dettes, à l'exclusion de celles contractées spécialement pour acquérir ou conserver d'autres biens.
Si une société est assimilée à une sociéte de famille, conformément au § 3, du fait qu'elle détient des actions et, le cas échéant, des créances d'une ou plusieurs filiales qui remplissent les conditions prévues aux §§ 1er, 5 et 8, la valeur nette des actions et des créances sur la société est limitée à la somme des valeurs des actions et, le cas échéant, des créances sur les filiales qui remplissent les conditions susmentionnées.
Dans la mesure où les valeurs des actions et, le cas échéant, des créances sur les filiales, ne peuvent être prises en considération qu'en partie, aux termes du § 5, alinéa deux du présent article, la valeur nette est limitée par analogie.
§ 10. Sous peine de nullité, l'application de l'article 60bis est subordonnée à l'observation des conditions suivantes:
1° l'application de l'article 60bis est sollicitée formellement dans la déclaration;
2° l'attestation délivrée par le Communauté flamande et certifiant que les conditions prévues par le présent article en matière d'emploi et de capital sont remplies, est jointe à la déclaration.
Lorsque l'attestation n'est pas présentée avant que les droits ne deviennent exigibles, ceux-ci, calculés au tarif normal, doivent être liquidés avant l'expiration du délai légal, sous réserve d'une restitution dans les conditions indiquées à l'article 135, 8o;
3° les avoirs ou actions pour lesquels l'application de l'article 60bis est sollicitée, sont mentionnés sous rubrique separée de la déclaration.
§ 11. Les héritiers qui souhaitent bénéficier des dispositions de l'article 60bis, adressent une demande sous pli recommandé au Gouvernement flamand, en vue d'obtenir l'attestation visée au § 10. La demande sera accompagnée de tous les éléments justificatifs attestant que les conditions requises sont remplies. Le Gouvernement flamand fixe toutes autres conditions et modalités relatives à la demande et la délivrance de l'attestation visée au § 10.
Lorsque des droits de succession supplémentaires sont dus en raison du non-respect des conditions énoncées au présent article, les héritiers, légataires ou donataires sont tenus d'en faire communication par voie de déclaration supplémentaire, dans les cinq mois suivant la date à laquelle la débition a été établie définitivement.
Les bénéficiaires de l'exoneration visée au présent article, sont tenus de démontrer, à l'expiration du délai de cinq ans suivant le décès, que les conditions requises pour conserver le benéfice de l'exonération, sont remplies.
Le Gouvernement flamand arrête les conditions et modalités de cette obligation de déclaration.
En cas de non-respect de l'obligation de déclaration, telle que visée ci-dessus, les droits réputés dus, sont calculés au tarif normal, le présent article n'étant pas appliqué.
§ 12. La Région flamande délivre une nouvelle attestation au receveur compétent, au cours de la période de 5 ans suivant le décès, à chaque modification des conditions d'obtention de l'exonération entraînant la déchéance partielle ou totale de celle-ci.
HOOFDSTUK VII. - Kustactieplan.
CHAPITRE VII. - Plan d'action côtière.
HOOFDSTUK VIII. - Sociaal Impulsfonds.
CHAPITRE VIII. - Fonds d'impulsion sociale.
Art. 40. In artikel 3 van het decreet van 14 mei 1996 tot vaststelling van de regelen inzake de werking en de verdeling van het Sociaal Impulsfonds, gewijzigd bij decreten van 10 december 1996, 19 december 1997, 17 maart 1998, 19 december 1998 en 18 mei 1999, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt vervangen door volgende bepaling:
"§ 2. Jaarlijks wordt voor het Sociaal Impulsfonds in programma 53.2 van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap een vastleggingskrediet ingeschreven, waarvan het bedrag minstens gelijk is aan het vastleggingskrediet van het vorige jaar, aangepast met een evolutiepercentage. Bij de vastlegging van dit bedrag wordt geen rekening gehouden met de verhogingen, bedoeld in § 4 en artikel 4, § 3 en artikel 5, tweede lid.
Het evolutiepercentage is gelijk aan de procentuele verhouding, berekend tot op een honderdste van de eenheid, tussen het indexcijfer der consumptieprijzen van de maand maart van het tweede jaar dat het jaar van de verdeling voorafgaat, en het indexcijfer van de maand maart van het daaropvolgende jaar, zoals die werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het berekende vastleggingskrediet wordt afgerond op het hogere honderdduizendtal.";
2° paragraaf 3 wordt geschrapt;
3° in paragraaf 5 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"In afwijking van § 2 bedraagt het vastleggingskrediet, zonder de verhogingen bedoeld in § 4 en artikel 4, § 3 en artikel 5, tweede lid, in het jaar.".
1° paragraaf 2 wordt vervangen door volgende bepaling:
"§ 2. Jaarlijks wordt voor het Sociaal Impulsfonds in programma 53.2 van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap een vastleggingskrediet ingeschreven, waarvan het bedrag minstens gelijk is aan het vastleggingskrediet van het vorige jaar, aangepast met een evolutiepercentage. Bij de vastlegging van dit bedrag wordt geen rekening gehouden met de verhogingen, bedoeld in § 4 en artikel 4, § 3 en artikel 5, tweede lid.
Het evolutiepercentage is gelijk aan de procentuele verhouding, berekend tot op een honderdste van de eenheid, tussen het indexcijfer der consumptieprijzen van de maand maart van het tweede jaar dat het jaar van de verdeling voorafgaat, en het indexcijfer van de maand maart van het daaropvolgende jaar, zoals die werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het berekende vastleggingskrediet wordt afgerond op het hogere honderdduizendtal.";
2° paragraaf 3 wordt geschrapt;
3° in paragraaf 5 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"In afwijking van § 2 bedraagt het vastleggingskrediet, zonder de verhogingen bedoeld in § 4 en artikel 4, § 3 en artikel 5, tweede lid, in het jaar.".
Art. 40. A l'article 3 du décret du 14 mai 1996 réglementant le fonctionnement et la répartition du "Sociaal Impulsfonds" (Fonds d'impulsion sociale), modifié par les décrets des 10 décembre 1996, 19 décembre 1997, 17 mars 1998, 19 décembre 1998 et 18 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes:
1° le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante:
"§ 2. Il est inscrit chaque année au programme 53.2 du budget de la Communauté flamande un crédit d'engagement au bénéfice du "Sociaal Impulsfonds" dont le montant est au moins égal au crédit d'engagement de l'année précédente, affecté d'un pourcentage d'évolution. Il n'est pas tenu compte des majorations visées aux § 4 et aux articles 4, § 3 et 5, alinéa deux pour la détermination dudit montant.
Le pourcentage d'évolution est égal au rapport exprimé en pourcentage, calculé à un centième de l'unité, entre l'indice des prix à la consommation du mois de mars de la deuxième armée qui précède l'année de la répartition et l'indice des prix à la consommation du mois de mars de l'année suivante, tels qu'ils ont été publiés au Moniteur belge. Le crédit d'engagement ainsi calculé est arrondi à la centaine de mille supérieure.";
2° le paragraphe 3 est supprimé.
3° l'alinéa 1er du paragraphe 5 est remplacé par la disposition suivante:
"Par dérogation au § 2, le crédit d'engagement, à l'exclusion des majorations visées aux § 4 et aux articles 4, § 3 et 5, alinéa deux s'élève pour l'année.".
1° le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante:
"§ 2. Il est inscrit chaque année au programme 53.2 du budget de la Communauté flamande un crédit d'engagement au bénéfice du "Sociaal Impulsfonds" dont le montant est au moins égal au crédit d'engagement de l'année précédente, affecté d'un pourcentage d'évolution. Il n'est pas tenu compte des majorations visées aux § 4 et aux articles 4, § 3 et 5, alinéa deux pour la détermination dudit montant.
Le pourcentage d'évolution est égal au rapport exprimé en pourcentage, calculé à un centième de l'unité, entre l'indice des prix à la consommation du mois de mars de la deuxième armée qui précède l'année de la répartition et l'indice des prix à la consommation du mois de mars de l'année suivante, tels qu'ils ont été publiés au Moniteur belge. Le crédit d'engagement ainsi calculé est arrondi à la centaine de mille supérieure.";
2° le paragraphe 3 est supprimé.
3° l'alinéa 1er du paragraphe 5 est remplacé par la disposition suivante:
"Par dérogation au § 2, le crédit d'engagement, à l'exclusion des majorations visées aux § 4 et aux articles 4, § 3 et 5, alinéa deux s'élève pour l'année.".
HOOFDSTUK IX. - Energie.
CHAPITRE IX. - Energie.
Art. 41. In de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening wordt een artikel 5bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Artikel 5bis. Bijzondere bepalingen voor het Vlaamse Gewest inzake de elektriciteitsdistributie.
§ 1. De gemeentelijke regies, intercommunales en alle andere maatschappijen die instaan voor de openbare elektriciteitsdistributie zijn ertoe gehouden jaarlijks aan de laagspanningsklanten die op hun distributienetten aangesloten zijn, met ingang van 1 januari 2000, een hoeveelheid elektriciteit gratis te leveren gelijk aan 100 kWh voor verbruik tijdens de dag.
§ 2. De kosten van de in § 1 bedoelde maatregel worden volledig gedragen door de elektriciteitsproducenten.
§ 3. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen over de gratis levering van elektriciteit aan laagspanningsklanten.".
"Artikel 5bis. Bijzondere bepalingen voor het Vlaamse Gewest inzake de elektriciteitsdistributie.
§ 1. De gemeentelijke regies, intercommunales en alle andere maatschappijen die instaan voor de openbare elektriciteitsdistributie zijn ertoe gehouden jaarlijks aan de laagspanningsklanten die op hun distributienetten aangesloten zijn, met ingang van 1 januari 2000, een hoeveelheid elektriciteit gratis te leveren gelijk aan 100 kWh voor verbruik tijdens de dag.
§ 2. De kosten van de in § 1 bedoelde maatregel worden volledig gedragen door de elektriciteitsproducenten.
§ 3. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen over de gratis levering van elektriciteit aan laagspanningsklanten.".
Art. 41. Dans la loi du 10 mars 1925 sur les distributions d'énergie électrique, il est inséré un article 5bis, rédigé comme suit:
"Art. 5bis. Dispositions spéciales pour la Région flamande en matière de distribution d'énergie électrique.
§ 1er. Les regies communales, les intercommunales et toute autre société qui assure la distribution publique d'énergie électrique, sont tenues de fournir gratuitement, chaque année, aux clients basse tension raccordés à leurs réseaux de distribution, (à partir du 1er janvier 2000), une quantite d'électricité égale à 100 kWh pour la consommation diurne.
§ 2. Les frais de la mesure visée au § 1er, sont entièrement à charge des producteurs d'électricite.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de la fourniture gratuite d'électricité aux clients basse tension.".
"Art. 5bis. Dispositions spéciales pour la Région flamande en matière de distribution d'énergie électrique.
§ 1er. Les regies communales, les intercommunales et toute autre société qui assure la distribution publique d'énergie électrique, sont tenues de fournir gratuitement, chaque année, aux clients basse tension raccordés à leurs réseaux de distribution, (à partir du 1er janvier 2000), une quantite d'électricité égale à 100 kWh pour la consommation diurne.
§ 2. Les frais de la mesure visée au § 1er, sont entièrement à charge des producteurs d'électricite.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de la fourniture gratuite d'électricité aux clients basse tension.".
HOOFDSTUK X. - Grondwaterbeheer.
CHAPITRE X. - Gestion des eaux souterraines.
Art. 42. Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, ingevoegd bij decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij decreet van 19 december 1997, wordt vervangen door wat volgt:
"HOOFDSTUK IVbis. - Heffingen op de winning van grondwater.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Artikel 28ter. § 1. Aan een heffing op de winning van grondwater, hierna genoemd de heffing, is elke natuurlijke of rechtspersoon die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest één of meer van de volgende grondwaterwinningen heeft geëxploiteerd, onderworpen:
1° grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening;
2° grondwaterwinningen van ten minste 30.000 m3 per jaar;
3° grondwaterwinningen van 500 tot minder dan 30.000 m3 per jaar.
§ 2. In afwijking van § 1 is geen heffing op de winning van grondwater verschuldigd voor de exploitatie van de volgende grondwaterwinningen:
1° een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt;
2° een grondwaterwinning waarvan het water uitsluitend voor huishoudelijke doeleinden wordt gebruikt;
3° een grondwaterwinning voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik is;
4° bronbemalingen die technisch nodig zijn voor:
a) ofwel, de verwezenlijking van bouwkundige verwerkingen;
b) ofwel, de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
5° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden;
6° bronbemalingen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
7° bronbemalingen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden, op voorwaarde dat:
a) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een milieudeskundige die overeenkomstig titel II van het Vlarem is erkend in de discipline grondwater;
b) het hydrologisch attest, bepaald in a), vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de adjunct-leidend-ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij, hierna te noemen de Maatschappij, of de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;
8° grondwaterwinningen die gebruikt worden voor koude-warmtepompen, op voorwaarde dat het grondwater na doorstroming van de koude-warmtepomp integraal terug in dezelfde watervoerende laag wordt ingebracht;
9° grondwaterwinningen in het kader van bodemsaneringswerken, waarvoor een conformiteitsattest werd afgeleverd overeenkomstig het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering.
§ 3. Voor de toepassing van dit decreet wordt elke natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest heeft beschikt over een grondwaterwinning met uitzondering van de grondwaterwinning, bedoeld in § 2, onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige te zijn inzake de in het eerste lid bedoelde exploitatie.
§ 4. Het heffingsjaar is het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de in § 1 bedoelde exploitatie heeft plaatsgehad.
§ 5. De Maatschappij is belast met de vestiging, de inning en de invordering van de heffing. De Maatschappij is tevens belast met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake heffingen.
De daartoe bevoegde ambtenaren worden voorzien van een legitimatiebewijs getekend door de leidend ambtenaar van de maatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar.
§ 6. De administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer is eveneens bevoegd voor de controle op de bepalingen opgenomen in artikel 28quinquies, § 1, betreffende de debietsmeting en registratie.
De daartoe bevoegde ambtenaren worden voorzien van een legitimatiebewijs getekend door de leidend ambtenaar van de administratie Milieu- Natuur-, Land- en Waterbeheer.
Afdeling 2. - Vaststelling van de heffing.
Artikel 28quater. § 1. Het bedrag van de heffing, bedoeld in artikel 28ter, wordt vastgesteld als volgt:
1° voor de exploitatie van grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening:
3 frank per m3 grondwater die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt en die tot drinkbaar water voor de openbare drinkwatervoorziening verwerkt kan worden, ongeacht de wijze van winning of het gebruik;
2° voor de exploitatie van grondwaterwinningen niet bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening:
a) voor de schijf van 500 tot en met 30.000 m3 van de hoeveelheid grondwater die voor het geheel van de grondwaterwinningseenheid in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt: 2 x CSE frank per m3 opgepompt grondwater;
b) voor de schijf van 30.001 tot en met 100.000 m3 van de hoeveelheid grondwater die voor het geheel van de grondwaterwinningseenheid in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt: 3 x CSE frank per m3 opgepompt grondwater;
c) voor de schijf van 100.001 tot en met 250.000 m3 van de hoeveelheid grondwater die voor het geheel van de grondwaterwinningseenheid in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt: 3,5 x CSE frank per m3 opgepompt grondwater;
d) voor de schijf van 250.001 tot en met 500.000 m3 van de hoeveelheid grondwater die voor het geheel van de grondwaterwinningseenheid in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt: 4 x CSE frank per m3 opgepompt grondwater;
e) voor de schijf van 500.001 tot en met 1.000.000 m3 van de hoeveelheid grondwater die voor het geheel van de grondwaterwinningseenheid in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt: 4,5 x CSE frank per m3 opgepompt grondwater;
f) voor de schijf van meer dan 1.000.000 m3 van de hoeveelheid grondwater die voor het geheel van de grondwaterwinningseenheid in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt: 5 x CSE frank per m3 opgepompt grondwater;
In het eerste lid, 2°, en in § 3 is CSE een sociaal-economische correctiefactor die vanaf het heffingsjaar 1998 de waarde heeft die is aangegeven in de bijlage gevoegd bij dit decreet in relatie tot de hoofdactiviteit waarvoor het opgepompte grondwater werd aangewend.
§ 2. Als de hoeveelheid grondwater die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt niet bekend is, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan:
1° als de grondwaterwinning met toepassing van dit decreet is vergund:
a) als in de vergunning een hoeveelheid op jaarbasis is vermeld: deze hoeveelheid;
b) als in de vergunning enkel een hoeveelheid op dagbasis is vermeld: deze hoeveelheid op dagbasis vermenigvuldigd:
- met het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik is geweest in het geval van seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
- met 220 in de andere gevallen;
2° als de grondwaterwinning niet met toepassing van onderhavig decreet is vergund of in de vergunning geen toegelaten hoeveelheid is vermeld:
a) als de activiteit waarvoor het opgepompte grondwater werd aangewend aanleiding geeft tot een lozing van afvalwaters en de totale waterbalans bekend is:
de in het desbetreffende jaar geloosde hoeveelheid afvalwater in voorkomend geval:
1° verminderd met de hoeveelheid water die in dat jaar werd opgenomen:
- uit oppervlaktewater, voorzover dit werd aangegeven in het kader van de wetgeving inzake het capteren van oppervlaktewater vastgesteld bij decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
- via het openbare watervoorzieningsnet;
- uit het opgevangen hemelwater;
2° vermeerderd met de hoeveelheid water die in dat jaar werd verbruikt:
- door verdamping;
- in voeding, producten of grondstoffen;
b) in de andere gevallen:
de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur, vermenigvuldigd met T: daarbij is:
- voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T = 200;
- voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T = 10 x het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is;
- in de overige gevallen: T = 2.000.
§ 3. De heffing ten laste van elke van de in artikel 28ter bedoelde heffingsplichtige kan in geen geval lager zijn dan het minimum bedrag van 5.000 x CSE frank; evenwel zonder dat dit bedrag lager kan zijn dan 1.500 frank vanaf het heffingsjaar 1998.
Artikel 28quinquies. § 1. Elke grondwaterwinning en/of grondwaterwinningseenheid waarvan de exploitatie overeenkomstig het artikel 28ter aan een heffing is onderworpen, moet uiterlijk op 1 juli 1997 zijn uitgerust met een debietsmeting en registratie van de opgepompte hoeveelheid grondwater. Deze debietsmeting en registratie dienen te gebeuren overeenkomstig een code van goede praktijk. De regering kan nadere voorwaarden bepalen waaraan bedoelde debietsmeting en registratie moeten voldoen.
§ 2. Wanneer de in § 1 bedoelde registratie technisch niet uitvoerbaar is, kan de regering de heffingsplichtige vrijstellen van voormelde registratieverplichting. In dat geval bepaalt zij de alternatieve wijze waarop de hoeveelheden worden bepaald.
§ 3. De in § 1 opgelegde verplichtingen tot het voorzien van een debietsmeting en registratie gelden niet voor grondwaterwinningen waarvan het opgepompte grondwater wordt aangewend voor de irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit.
Afdeling 3. - Vestiging en invordering van de heffing.
Artikel 28sexies. § 1. De in artikel 28ter bedoelde heffingsplichtige is verplicht vóór 15 maart van elk heffingsjaar een aangifte bij de Maatschappij in te dienen met de nodige gegevens voor de vaststelling van de heffing op de winning van grondwater.
Als de heffingsplichtige overleden is of failliet verklaard is, rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op zijn erfgenamen of legatarissen en in het tweede geval op zijn curator.
§ 2. De aangifte wordt gedaan volgens de bepalingen vastgesteld door de Vlaamse regering.
§ 3. De stukken, opgaven en inlichtingen die samen met de aangifte worden ingediend, vormen een integrerend deel ervan.
De bij de aangifte gevoegde stukken moeten worden genummerd, gedagtekend en ondertekend. Afschriften moeten eensluidend met het oorspronkelijke stuk worden verklaard.
§ 4. De gemeentelijk regies, intercommunales en alle andere maatschappijen die instaan voor een openbare watervoorziening, de vergunningverlenende overheden en de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer verlenen hun medewerking en verstrekken aan de Maatschappij op eenvoudig verzoek alle gegevens en inlichtingen die nodig zijn voor de vestiging en de inning van de heffing.
Artikel 28septies. § 1. De ambtenaren van de Maatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing zijn van rechtswege gemachtigd zowel bij de heffingsplichtige als bij derden:
1° alle inlichtingen in te winnen, op te zoeken en in te zamelen die kunnen leiden tot de juiste heffing ten laste van de heffingsplichtige; de heffingsplichtige alsmede elke derde die over de gevraagde inlichtingen beschikt, is verplicht deze inlichtingen te verstrekken op ieder verzoek van deze ambtenaren;
2° alle boeken, stukken en registers op te vragen die kunnen leiden tot de juiste heffing van de heffingsplichtige. De heffingsplichtige alsmede elke derde die over de gevraagde boeken, stukken of registers beschikt is verplicht deze voor te leggen op ieder verzoek van deze ambtenaren. De ambtenaren kunnen de boeken, stukken en registers meenemen tegen afgifte van een ontvangstbewijs.
§ 2. Elke inlichting, elk stuk, proces-verbaal of akte, ontdekt of verkregen door de in § 1 bedoelde ambtenaar in het uitoefenen van zijn functie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een bestuursdienst van de Staat, met inbegrip van de parketten en griffies van de hoven en rechtbanken, de administraties van de Gemeenschappen en Gewesten, de provincies en de gemeenten, alsmede de organismen en de openbare instellingen, kan door het Vlaamse Gewest worden ingeroepen voor het opsporen van elke ingevolge dit decreet verschuldigde heffing.
§ 3. Heffingsplichtigen zijn gehouden, aan de ambtenaren bedoeld in § 1 tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend, vrije toegang te verlenen tot hun bedrijfslokalen, zoals fabrieken, werkhuizen en magazijnen, bergplaatsen, garages en grondwaterwinningen alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen en ruimtes, om aan die ambtenaren de mogelijkheid te verschaffen inlichtingen en bescheiden te verzamelen en vaststellingen te doen die kunnen leiden tot een juiste heffing.
§ 4. Overtredingen van de bepalingen van dit hoofdstuk of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de heffing, heffingsverhoging of van een administratieve boete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de ambtenaren van de Maatschappij bewezen worden volgens alle gemeenrechtelijk toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
§ 5. De vaststellingsverslagen opgesteld door de ambtenaren van de Maatschappij leveren het bewijs op van de gedane vaststellingen zolang het tegendeel niet is bewezen.
Artikel 28octies. § 1. Als de Maatschappij meent de aangifte te moeten rechtzetten die door de heffingsplichtige is ingediend binnen de in artikel 28sexies, § 1, bepaalde termijn en die voldoet aan de vormvereisten, brengt zij hem de rechtzetting die zij voorstelt per aangetekend schrijven ter kennis, met vermelding van de redenen die dit naar haar oordeel rechtvaardigen. Het bericht van rechtzetting vermeldt de bepalingen die de heffingsplichtige moet naleven om het te beantwoorden.
§ 2. De heffingsplichtige kan zijn eventuele opmerkingen schriftelijk inbrengen binnen een termijn van één maand vanaf de verzending van het bericht van rechtzetting. Deze termijn kan wegens wettige redenen worden verlengd.
De heffing mag niet voor het verstrijken van die, eventueel verlengde, termijn worden gevestigd, behalve als de rechten van de gewestelijke thesaurie wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de heffingstermijn in gevaar verkeren of als de heffingsplichtige schriftelijk zijn akkoord heeft gegeven met het bericht van de rechtzetting.
Artikel 28novies. § 1. De Maatschappij kan overgaan tot een heffing van ambtswege op grond van de gegevens waarover ze beschikt, in de gevallen waarin de heffingsplichtige nagelaten heeft:
1° ofwel de aangifte in te dienen binnen de in artikel 28sexies, § 1, bepaalde termijn;
2° ofwel de vormgebreken waarmee de aangifte is aangetast, aan te passen binnen de termijn die de Maatschappij hem hiervoor toekent;
3° ofwel in overeenstemming met artikel 28septies van het decreet de gevraagde inlichtingen te verstrekken of de bescheiden voor te leggen binnen de vastgestelde termijn;
4° ofwel zich te schikken naar de wettelijk voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het ter inzage voorleggen van boeken, stukken of registers; de Maatschappij kan inzonderheid tot een heffing van ambtswege overgaan als de berekeningselementen van de heffing niet of onjuist werden ingeschreven in de boeken, stukken of registers.
§ 2. Voor de heffing van ambtswege wordt gevestigd, brengt de Maatschappij een bericht van heffing van ambtswege per aangetekend schrijven ter kennis aan de heffingsplichtige. Dit bericht vermeldt de redenen waarom de Maatschappij van die procedure gebruik maakt, de periode waarop de heffing van ambtswege zal slaan, de gegevens waarop de heffing van ambtswege zal steunen, en de wijze waarop deze gegevens zijn vastgesteld. Het bericht van heffing van ambtswege vermeldt de modaliteiten die de heffingsplichtige moet eerbiedigen om het te beantwoorden.
§ 3. Aan de heffingsplichtige wordt een termijn van één maand vanaf de verzending van het bericht van heffing van ambtswege toegestaan om zijn eventuele schriftelijke opmerkingen in te brengen.
De heffing van ambtswege mag niet voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn worden gevestigd, behalve als de rechten van de gewestelijke thesaurie in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de heffingstermijn of als de heffingsplichtige schriftelijk zijn akkoord heeft gegeven met het bericht van heffing van ambtswege.
§ 4. De Maatschappij voegt bij elk bericht van heffing van ambtswege een vaststellingsverslag, bedoeld bij artikel 28septies, § 5. Het vaststellingsverslag kan door de ambtenaar die het bericht van aanslag van ambtswege ondertekent, worden medegedeeld door middel van een voor eensluidend verklaard afschrift van het origineel.
§ 5. Als een heffing van ambtswege is gevestigd, behoort het aan de heffingsplichtige het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de verschuldigde heffing.
Artikel 28decies. § 1. De heffing, vastgesteld overeenkomstig artikel 28quater wordt gevestigd uiterlijk op 30 juni van het jaar dat volgt op het heffingsjaar.
§ 2. In afwijking van § 1, kan een heffing of een aanvullende heffing worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het heffingsjaar, in de gevallen waarin de heffingsplichtige nagelaten heeft tijdig een geldige aangifte in te dienen waartoe hij verplicht is overeenkomstig artikel 28sexies, § 1, of als de verschuldigde heffing hoger is dan de heffing die gesteund is op de gegevens vermeld in de aangifte.
§ 3. Meerdere heffingen betreffende eenzelfde heffingsjaar kunnen lastens een zelfde heffingsplichtige worden gevestigd.
§ 4. De heffingen, evenals de administratieve geldboeten en de heffingsverhogingen, verschuldigd overeenkomstig dit hoofdstuk worden opgenomen in kohieren die worden medegedeeld aan de met de inning en invordering belaste ambtenaren.
§ 5. De kohieren worden uitvoerbaar verklaard door de leidend ambtenaar van de Maatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar. Ze worden, op straffe van verval, binnen de in § 1 en § 2 bepaalde termijn uitvoerbaar verklaard.
§ 6. De kohieren vermelden:
1° de naam en het adres van de heffingsplichtigen;
2° de verwijzing naar dit decreet;
3° het bedrag van de heffing en het heffingsjaar waarop ze betrekking heeft;
4° het artikelnummer;
5° de datum van uitvoerbaarverklaring;
6° de handtekening van de in § 5 bedoelde ambtenaar.
§ 7. De heffingsplichtige op wiens naam de heffing is ingekohierd ontvangt zonder kosten een heffingsbiljet.
De verzending van het heffingsbiljet geschiedt, op straffe van verval, per post binnen twee maanden te rekenen van de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier.
Het heffingsbiljet bevat:
1° de datum van verzending van het heffingsbiljet;
2° de gegevens bedoeld in § 6, 1° tot 5°;
3° de betalingstermijn;
4° de termijn waarin een bezwaarschrift kan worden ingediend, de benaming en het juiste adres van de instantie die bevoegd is om ze te ontvangen.
Artikel 28undecies. § 1. Bij niet-aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte, bedoeld in artikel 28sexies, § 1, wordt de heffing vermeerderd met een heffingsverhoging. Deze heffingsverhoging wordt procentueel berekend op het verschil tussen de heffing zoals berekend op basis van de elementen van de aangifte en de door de Maatschappij of rechtbank aangehouden heffing of bij ontstentenis van aangifte, de door de Maatschappij of rechtbank aangehouden heffing.
De daartoe bevoegde ambtenaren worden aangewezen door de leidend ambtenaar van de maatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar.
§ 2. Het percentage van de heffingsverhoging bij niet-aangifte, bedoeld in artikel 28sexies, § 1, wordt als volgt vastgelegd:
1° als de niet-aangifte te wijten is aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de heffingsplichtige: geen verhoging;
2° als de aangifte niet binnen de termijn wordt ingediend, maar de heffingsplichtige wel tijdig antwoordt op het bericht van ambtshalve heffing: verhoging van 10%;
3° als heffingsplichtige niet of niet tijdig antwoord op het bericht van ambtshalve heffing: verhoging van 50%.
§ 3. Het percentage van de heffingsverhoging bij onvolledige of onjuiste aangifte vermeld in artikel 28sexies, § 1, wordt als volgt bepaald:
1° als de onvolledige of onjuiste aangifte te wijten is aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de heffingsplichtige: geen verhoging;
2° als de heffingsplichtige tijdig reageert op het bericht van rechtzetting van de administratie: verhoging van 10% op het gedeelte bepaald in § 1;
3° als de heffingsplichtige niet of niet tijdig reageert op het bericht van rechtzetting: verhoging van 50% op het gedeelte bepaald in § 1;
4° als uit de reactie van de heffingsplichtige blijkt dat de in de aangifte opgegeven gegevens juist zijn: geen verhoging.
§ 4. De ambtenaren bedoeld in § 1, tweede lid, kunnen een geldboete van 2.000 tot 50.000 frank opleggen voor elke andere overtreding van hoofdstuk IVbis van dit decreet evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Artikel 28duodecies. § 1. De persoon op wiens naam de heffing is ingekohierd, alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, kan tegen de gevestigde heffing, verhogingen en boeten een bezwaarschrift indienen bij de adjunct-leidend ambtenaar van de Maatschappij. In dit bezwaarschrift kan tevens om uitstel of spreiding van betaling van de heffing en vrijstelling of vermindering van de eventueel opgelegde administratieve geldboete of heffingsverhoging worden verzocht.
Het bezwaarschrift moet schriftelijk worden gedaan, gemotiveerd zijn, en moet op straffe van verval worden verzonden naar of overhandigd aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaar of zijn gedelegeerde, binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het heffingsbiljet of vanaf de kennisgeving van het heffingsbiljet.
§ 2. De directeur-generaal van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet als administratieve overheid uitspraak over het bezwaarschrift. De ambtenaar kan de betwiste heffing noch de opgelegde administratieve geldboete noch de opgelegde heffingsverhoging vermeerderen. De beslissing van de ambtenaar wordt met redenen omkleed en aan de indiener van het bezwaarschrift ter kennis gegeven per aangetekend schrijven. De beslissing vermeldt de wijze waarop tegen deze beslissing in rechte kan worden opgekomen.
§ 3. Als een aanslag nietig verklaard is door de in § 2 bedoelde ambtenaar omdat hij niet gevestigd is overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, kan de Maatschappij, zelfs als de termijnen, bedoeld in artikel 28decies, §§ 1 en 2 al verstreken zijn, op naam van dezelfde heffingsplichtige, op grond van dezelfde heffingselementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de in § 2 bedoelde ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht.
§ 4. Als tegen een beslissing van de in § 2 bedoelde ambtenaar beroep is aangetekend en het gerecht de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart om een andere reden dan verjaring, kan de Maatschappij zelfs buiten de termijnen gesteld in artikel 28decies, §§ 1 en 2, een subsidiaire aanslag op naam van dezelfde heffingsplichtige en op grond van alle of een deel van dezelfde heffingselementen als de oorspronkelijke aanslag, ter beoordeling voorleggen aan het gerecht, dat uitspraak doet over dat verzoek.
De subsidiaire aanslag is slechts invorderbaar of terugbetaalbaar ter uitvoering van de beslissing van het gerecht.
De subsidiaire aanslag wordt aan het gerecht onderworpen door een aan de heffingsplichtige betekend verzoekschrift. Het verzoekschrift wordt betekend met dagvaarding om te verschijnen als het een met de heffingsplichtige gelijkgestelde betreft.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden met dezelfde heffingsplichtige gelijkgesteld:
1° de erfgenamen van de heffingsplichtige;
2° de vennootschap, de vereniging of gemeenschap waarvan het hoofd of de directeur oorspronkelijk werd aangeslagen en wederkerig.
Artikel 28terdecies. § 1. De adjunct-leidend ambtenaar van de Maatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is tevens bevoegd om in bijzondere gevallen onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling te verlenen voor al de nalatigheidsinteresten of een deel ervan.
Artikel 28quaterdecies. § 1. In zoverre dit hoofdstuk en de besluiten genomen ter uitvoering ervan er niet van afwijken zijn de regels betreffende de vestiging, de invordering, de geschillen, de verwijl- en moratoire interesten, de vervolgingen, de voorrechten, de wettelijke hypotheek, de verjaring inzake rijksinkomstenbelastingen mutatis mutandis van toepassing op de in dit hoofdstuk bedoelde heffingen en administratieve geldboeten.
§ 2. Het indienen van een bezwaarschrift of het instellen van een vordering in rechte verhindert niet dat de aanslag en de eventueel verschuldigde geldboete of heffingsverhoging worden ingevorderd in zoverre zij als een zekere en vaststaande schuld kunnen worden beschouwd onder de voorwaarden bepaald in artikel 410 van het WIB 1992. Onverminderd de toepassing van artikel 414, § 2, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen schort het indienen van een bezwaarschrift evenmin het lopen van de nalatigheidsintresten op.
§ 3. De wettelijke hypotheek kan gevestigd worden op al de in het Vlaamse Gewest gelegen en daarvoor vatbare goederen die toebehoren aan de persoon op wiens naam de aanslag is ingekohierd. De wettelijke hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de leidend ambtenaar van de Maatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar.".
"HOOFDSTUK IVbis. - Heffingen op de winning van grondwater.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Artikel 28ter. § 1. Aan een heffing op de winning van grondwater, hierna genoemd de heffing, is elke natuurlijke of rechtspersoon die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest één of meer van de volgende grondwaterwinningen heeft geëxploiteerd, onderworpen:
1° grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening;
2° grondwaterwinningen van ten minste 30.000 m3 per jaar;
3° grondwaterwinningen van 500 tot minder dan 30.000 m3 per jaar.
§ 2. In afwijking van § 1 is geen heffing op de winning van grondwater verschuldigd voor de exploitatie van de volgende grondwaterwinningen:
1° een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt;
2° een grondwaterwinning waarvan het water uitsluitend voor huishoudelijke doeleinden wordt gebruikt;
3° een grondwaterwinning voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik is;
4° bronbemalingen die technisch nodig zijn voor:
a) ofwel, de verwezenlijking van bouwkundige verwerkingen;
b) ofwel, de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
5° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden;
6° bronbemalingen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
7° bronbemalingen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden, op voorwaarde dat:
a) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een milieudeskundige die overeenkomstig titel II van het Vlarem is erkend in de discipline grondwater;
b) het hydrologisch attest, bepaald in a), vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de adjunct-leidend-ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij, hierna te noemen de Maatschappij, of de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;
8° grondwaterwinningen die gebruikt worden voor koude-warmtepompen, op voorwaarde dat het grondwater na doorstroming van de koude-warmtepomp integraal terug in dezelfde watervoerende laag wordt ingebracht;
9° grondwaterwinningen in het kader van bodemsaneringswerken, waarvoor een conformiteitsattest werd afgeleverd overeenkomstig het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering.
§ 3. Voor de toepassing van dit decreet wordt elke natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest heeft beschikt over een grondwaterwinning met uitzondering van de grondwaterwinning, bedoeld in § 2, onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige te zijn inzake de in het eerste lid bedoelde exploitatie.
§ 4. Het heffingsjaar is het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de in § 1 bedoelde exploitatie heeft plaatsgehad.
§ 5. De Maatschappij is belast met de vestiging, de inning en de invordering van de heffing. De Maatschappij is tevens belast met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake heffingen.
De daartoe bevoegde ambtenaren worden voorzien van een legitimatiebewijs getekend door de leidend ambtenaar van de maatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar.
§ 6. De administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer is eveneens bevoegd voor de controle op de bepalingen opgenomen in artikel 28quinquies, § 1, betreffende de debietsmeting en registratie.
De daartoe bevoegde ambtenaren worden voorzien van een legitimatiebewijs getekend door de leidend ambtenaar van de administratie Milieu- Natuur-, Land- en Waterbeheer.
Afdeling 2. - Vaststelling van de heffing.
Artikel 28quater. § 1. Het bedrag van de heffing, bedoeld in artikel 28ter, wordt vastgesteld als volgt:
1° voor de exploitatie van grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening:
3 frank per m3 grondwater die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt en die tot drinkbaar water voor de openbare drinkwatervoorziening verwerkt kan worden, ongeacht de wijze van winning of het gebruik;
2° voor de exploitatie van grondwaterwinningen niet bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening:
a) voor de schijf van 500 tot en met 30.000 m3 van de hoeveelheid grondwater die voor het geheel van de grondwaterwinningseenheid in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt: 2 x CSE frank per m3 opgepompt grondwater;
b) voor de schijf van 30.001 tot en met 100.000 m3 van de hoeveelheid grondwater die voor het geheel van de grondwaterwinningseenheid in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt: 3 x CSE frank per m3 opgepompt grondwater;
c) voor de schijf van 100.001 tot en met 250.000 m3 van de hoeveelheid grondwater die voor het geheel van de grondwaterwinningseenheid in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt: 3,5 x CSE frank per m3 opgepompt grondwater;
d) voor de schijf van 250.001 tot en met 500.000 m3 van de hoeveelheid grondwater die voor het geheel van de grondwaterwinningseenheid in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt: 4 x CSE frank per m3 opgepompt grondwater;
e) voor de schijf van 500.001 tot en met 1.000.000 m3 van de hoeveelheid grondwater die voor het geheel van de grondwaterwinningseenheid in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt: 4,5 x CSE frank per m3 opgepompt grondwater;
f) voor de schijf van meer dan 1.000.000 m3 van de hoeveelheid grondwater die voor het geheel van de grondwaterwinningseenheid in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt: 5 x CSE frank per m3 opgepompt grondwater;
In het eerste lid, 2°, en in § 3 is CSE een sociaal-economische correctiefactor die vanaf het heffingsjaar 1998 de waarde heeft die is aangegeven in de bijlage gevoegd bij dit decreet in relatie tot de hoofdactiviteit waarvoor het opgepompte grondwater werd aangewend.
§ 2. Als de hoeveelheid grondwater die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt niet bekend is, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan:
1° als de grondwaterwinning met toepassing van dit decreet is vergund:
a) als in de vergunning een hoeveelheid op jaarbasis is vermeld: deze hoeveelheid;
b) als in de vergunning enkel een hoeveelheid op dagbasis is vermeld: deze hoeveelheid op dagbasis vermenigvuldigd:
- met het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik is geweest in het geval van seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
- met 220 in de andere gevallen;
2° als de grondwaterwinning niet met toepassing van onderhavig decreet is vergund of in de vergunning geen toegelaten hoeveelheid is vermeld:
a) als de activiteit waarvoor het opgepompte grondwater werd aangewend aanleiding geeft tot een lozing van afvalwaters en de totale waterbalans bekend is:
de in het desbetreffende jaar geloosde hoeveelheid afvalwater in voorkomend geval:
1° verminderd met de hoeveelheid water die in dat jaar werd opgenomen:
- uit oppervlaktewater, voorzover dit werd aangegeven in het kader van de wetgeving inzake het capteren van oppervlaktewater vastgesteld bij decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
- via het openbare watervoorzieningsnet;
- uit het opgevangen hemelwater;
2° vermeerderd met de hoeveelheid water die in dat jaar werd verbruikt:
- door verdamping;
- in voeding, producten of grondstoffen;
b) in de andere gevallen:
de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur, vermenigvuldigd met T: daarbij is:
- voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T = 200;
- voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T = 10 x het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is;
- in de overige gevallen: T = 2.000.
§ 3. De heffing ten laste van elke van de in artikel 28ter bedoelde heffingsplichtige kan in geen geval lager zijn dan het minimum bedrag van 5.000 x CSE frank; evenwel zonder dat dit bedrag lager kan zijn dan 1.500 frank vanaf het heffingsjaar 1998.
Artikel 28quinquies. § 1. Elke grondwaterwinning en/of grondwaterwinningseenheid waarvan de exploitatie overeenkomstig het artikel 28ter aan een heffing is onderworpen, moet uiterlijk op 1 juli 1997 zijn uitgerust met een debietsmeting en registratie van de opgepompte hoeveelheid grondwater. Deze debietsmeting en registratie dienen te gebeuren overeenkomstig een code van goede praktijk. De regering kan nadere voorwaarden bepalen waaraan bedoelde debietsmeting en registratie moeten voldoen.
§ 2. Wanneer de in § 1 bedoelde registratie technisch niet uitvoerbaar is, kan de regering de heffingsplichtige vrijstellen van voormelde registratieverplichting. In dat geval bepaalt zij de alternatieve wijze waarop de hoeveelheden worden bepaald.
§ 3. De in § 1 opgelegde verplichtingen tot het voorzien van een debietsmeting en registratie gelden niet voor grondwaterwinningen waarvan het opgepompte grondwater wordt aangewend voor de irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit.
Afdeling 3. - Vestiging en invordering van de heffing.
Artikel 28sexies. § 1. De in artikel 28ter bedoelde heffingsplichtige is verplicht vóór 15 maart van elk heffingsjaar een aangifte bij de Maatschappij in te dienen met de nodige gegevens voor de vaststelling van de heffing op de winning van grondwater.
Als de heffingsplichtige overleden is of failliet verklaard is, rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op zijn erfgenamen of legatarissen en in het tweede geval op zijn curator.
§ 2. De aangifte wordt gedaan volgens de bepalingen vastgesteld door de Vlaamse regering.
§ 3. De stukken, opgaven en inlichtingen die samen met de aangifte worden ingediend, vormen een integrerend deel ervan.
De bij de aangifte gevoegde stukken moeten worden genummerd, gedagtekend en ondertekend. Afschriften moeten eensluidend met het oorspronkelijke stuk worden verklaard.
§ 4. De gemeentelijk regies, intercommunales en alle andere maatschappijen die instaan voor een openbare watervoorziening, de vergunningverlenende overheden en de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer verlenen hun medewerking en verstrekken aan de Maatschappij op eenvoudig verzoek alle gegevens en inlichtingen die nodig zijn voor de vestiging en de inning van de heffing.
Artikel 28septies. § 1. De ambtenaren van de Maatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing zijn van rechtswege gemachtigd zowel bij de heffingsplichtige als bij derden:
1° alle inlichtingen in te winnen, op te zoeken en in te zamelen die kunnen leiden tot de juiste heffing ten laste van de heffingsplichtige; de heffingsplichtige alsmede elke derde die over de gevraagde inlichtingen beschikt, is verplicht deze inlichtingen te verstrekken op ieder verzoek van deze ambtenaren;
2° alle boeken, stukken en registers op te vragen die kunnen leiden tot de juiste heffing van de heffingsplichtige. De heffingsplichtige alsmede elke derde die over de gevraagde boeken, stukken of registers beschikt is verplicht deze voor te leggen op ieder verzoek van deze ambtenaren. De ambtenaren kunnen de boeken, stukken en registers meenemen tegen afgifte van een ontvangstbewijs.
§ 2. Elke inlichting, elk stuk, proces-verbaal of akte, ontdekt of verkregen door de in § 1 bedoelde ambtenaar in het uitoefenen van zijn functie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een bestuursdienst van de Staat, met inbegrip van de parketten en griffies van de hoven en rechtbanken, de administraties van de Gemeenschappen en Gewesten, de provincies en de gemeenten, alsmede de organismen en de openbare instellingen, kan door het Vlaamse Gewest worden ingeroepen voor het opsporen van elke ingevolge dit decreet verschuldigde heffing.
§ 3. Heffingsplichtigen zijn gehouden, aan de ambtenaren bedoeld in § 1 tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend, vrije toegang te verlenen tot hun bedrijfslokalen, zoals fabrieken, werkhuizen en magazijnen, bergplaatsen, garages en grondwaterwinningen alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen en ruimtes, om aan die ambtenaren de mogelijkheid te verschaffen inlichtingen en bescheiden te verzamelen en vaststellingen te doen die kunnen leiden tot een juiste heffing.
§ 4. Overtredingen van de bepalingen van dit hoofdstuk of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de heffing, heffingsverhoging of van een administratieve boete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de ambtenaren van de Maatschappij bewezen worden volgens alle gemeenrechtelijk toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
§ 5. De vaststellingsverslagen opgesteld door de ambtenaren van de Maatschappij leveren het bewijs op van de gedane vaststellingen zolang het tegendeel niet is bewezen.
Artikel 28octies. § 1. Als de Maatschappij meent de aangifte te moeten rechtzetten die door de heffingsplichtige is ingediend binnen de in artikel 28sexies, § 1, bepaalde termijn en die voldoet aan de vormvereisten, brengt zij hem de rechtzetting die zij voorstelt per aangetekend schrijven ter kennis, met vermelding van de redenen die dit naar haar oordeel rechtvaardigen. Het bericht van rechtzetting vermeldt de bepalingen die de heffingsplichtige moet naleven om het te beantwoorden.
§ 2. De heffingsplichtige kan zijn eventuele opmerkingen schriftelijk inbrengen binnen een termijn van één maand vanaf de verzending van het bericht van rechtzetting. Deze termijn kan wegens wettige redenen worden verlengd.
De heffing mag niet voor het verstrijken van die, eventueel verlengde, termijn worden gevestigd, behalve als de rechten van de gewestelijke thesaurie wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de heffingstermijn in gevaar verkeren of als de heffingsplichtige schriftelijk zijn akkoord heeft gegeven met het bericht van de rechtzetting.
Artikel 28novies. § 1. De Maatschappij kan overgaan tot een heffing van ambtswege op grond van de gegevens waarover ze beschikt, in de gevallen waarin de heffingsplichtige nagelaten heeft:
1° ofwel de aangifte in te dienen binnen de in artikel 28sexies, § 1, bepaalde termijn;
2° ofwel de vormgebreken waarmee de aangifte is aangetast, aan te passen binnen de termijn die de Maatschappij hem hiervoor toekent;
3° ofwel in overeenstemming met artikel 28septies van het decreet de gevraagde inlichtingen te verstrekken of de bescheiden voor te leggen binnen de vastgestelde termijn;
4° ofwel zich te schikken naar de wettelijk voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het ter inzage voorleggen van boeken, stukken of registers; de Maatschappij kan inzonderheid tot een heffing van ambtswege overgaan als de berekeningselementen van de heffing niet of onjuist werden ingeschreven in de boeken, stukken of registers.
§ 2. Voor de heffing van ambtswege wordt gevestigd, brengt de Maatschappij een bericht van heffing van ambtswege per aangetekend schrijven ter kennis aan de heffingsplichtige. Dit bericht vermeldt de redenen waarom de Maatschappij van die procedure gebruik maakt, de periode waarop de heffing van ambtswege zal slaan, de gegevens waarop de heffing van ambtswege zal steunen, en de wijze waarop deze gegevens zijn vastgesteld. Het bericht van heffing van ambtswege vermeldt de modaliteiten die de heffingsplichtige moet eerbiedigen om het te beantwoorden.
§ 3. Aan de heffingsplichtige wordt een termijn van één maand vanaf de verzending van het bericht van heffing van ambtswege toegestaan om zijn eventuele schriftelijke opmerkingen in te brengen.
De heffing van ambtswege mag niet voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn worden gevestigd, behalve als de rechten van de gewestelijke thesaurie in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de heffingstermijn of als de heffingsplichtige schriftelijk zijn akkoord heeft gegeven met het bericht van heffing van ambtswege.
§ 4. De Maatschappij voegt bij elk bericht van heffing van ambtswege een vaststellingsverslag, bedoeld bij artikel 28septies, § 5. Het vaststellingsverslag kan door de ambtenaar die het bericht van aanslag van ambtswege ondertekent, worden medegedeeld door middel van een voor eensluidend verklaard afschrift van het origineel.
§ 5. Als een heffing van ambtswege is gevestigd, behoort het aan de heffingsplichtige het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de verschuldigde heffing.
Artikel 28decies. § 1. De heffing, vastgesteld overeenkomstig artikel 28quater wordt gevestigd uiterlijk op 30 juni van het jaar dat volgt op het heffingsjaar.
§ 2. In afwijking van § 1, kan een heffing of een aanvullende heffing worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het heffingsjaar, in de gevallen waarin de heffingsplichtige nagelaten heeft tijdig een geldige aangifte in te dienen waartoe hij verplicht is overeenkomstig artikel 28sexies, § 1, of als de verschuldigde heffing hoger is dan de heffing die gesteund is op de gegevens vermeld in de aangifte.
§ 3. Meerdere heffingen betreffende eenzelfde heffingsjaar kunnen lastens een zelfde heffingsplichtige worden gevestigd.
§ 4. De heffingen, evenals de administratieve geldboeten en de heffingsverhogingen, verschuldigd overeenkomstig dit hoofdstuk worden opgenomen in kohieren die worden medegedeeld aan de met de inning en invordering belaste ambtenaren.
§ 5. De kohieren worden uitvoerbaar verklaard door de leidend ambtenaar van de Maatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar. Ze worden, op straffe van verval, binnen de in § 1 en § 2 bepaalde termijn uitvoerbaar verklaard.
§ 6. De kohieren vermelden:
1° de naam en het adres van de heffingsplichtigen;
2° de verwijzing naar dit decreet;
3° het bedrag van de heffing en het heffingsjaar waarop ze betrekking heeft;
4° het artikelnummer;
5° de datum van uitvoerbaarverklaring;
6° de handtekening van de in § 5 bedoelde ambtenaar.
§ 7. De heffingsplichtige op wiens naam de heffing is ingekohierd ontvangt zonder kosten een heffingsbiljet.
De verzending van het heffingsbiljet geschiedt, op straffe van verval, per post binnen twee maanden te rekenen van de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier.
Het heffingsbiljet bevat:
1° de datum van verzending van het heffingsbiljet;
2° de gegevens bedoeld in § 6, 1° tot 5°;
3° de betalingstermijn;
4° de termijn waarin een bezwaarschrift kan worden ingediend, de benaming en het juiste adres van de instantie die bevoegd is om ze te ontvangen.
Artikel 28undecies. § 1. Bij niet-aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte, bedoeld in artikel 28sexies, § 1, wordt de heffing vermeerderd met een heffingsverhoging. Deze heffingsverhoging wordt procentueel berekend op het verschil tussen de heffing zoals berekend op basis van de elementen van de aangifte en de door de Maatschappij of rechtbank aangehouden heffing of bij ontstentenis van aangifte, de door de Maatschappij of rechtbank aangehouden heffing.
De daartoe bevoegde ambtenaren worden aangewezen door de leidend ambtenaar van de maatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar.
§ 2. Het percentage van de heffingsverhoging bij niet-aangifte, bedoeld in artikel 28sexies, § 1, wordt als volgt vastgelegd:
1° als de niet-aangifte te wijten is aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de heffingsplichtige: geen verhoging;
2° als de aangifte niet binnen de termijn wordt ingediend, maar de heffingsplichtige wel tijdig antwoordt op het bericht van ambtshalve heffing: verhoging van 10%;
3° als heffingsplichtige niet of niet tijdig antwoord op het bericht van ambtshalve heffing: verhoging van 50%.
§ 3. Het percentage van de heffingsverhoging bij onvolledige of onjuiste aangifte vermeld in artikel 28sexies, § 1, wordt als volgt bepaald:
1° als de onvolledige of onjuiste aangifte te wijten is aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de heffingsplichtige: geen verhoging;
2° als de heffingsplichtige tijdig reageert op het bericht van rechtzetting van de administratie: verhoging van 10% op het gedeelte bepaald in § 1;
3° als de heffingsplichtige niet of niet tijdig reageert op het bericht van rechtzetting: verhoging van 50% op het gedeelte bepaald in § 1;
4° als uit de reactie van de heffingsplichtige blijkt dat de in de aangifte opgegeven gegevens juist zijn: geen verhoging.
§ 4. De ambtenaren bedoeld in § 1, tweede lid, kunnen een geldboete van 2.000 tot 50.000 frank opleggen voor elke andere overtreding van hoofdstuk IVbis van dit decreet evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Artikel 28duodecies. § 1. De persoon op wiens naam de heffing is ingekohierd, alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, kan tegen de gevestigde heffing, verhogingen en boeten een bezwaarschrift indienen bij de adjunct-leidend ambtenaar van de Maatschappij. In dit bezwaarschrift kan tevens om uitstel of spreiding van betaling van de heffing en vrijstelling of vermindering van de eventueel opgelegde administratieve geldboete of heffingsverhoging worden verzocht.
Het bezwaarschrift moet schriftelijk worden gedaan, gemotiveerd zijn, en moet op straffe van verval worden verzonden naar of overhandigd aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaar of zijn gedelegeerde, binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het heffingsbiljet of vanaf de kennisgeving van het heffingsbiljet.
§ 2. De directeur-generaal van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet als administratieve overheid uitspraak over het bezwaarschrift. De ambtenaar kan de betwiste heffing noch de opgelegde administratieve geldboete noch de opgelegde heffingsverhoging vermeerderen. De beslissing van de ambtenaar wordt met redenen omkleed en aan de indiener van het bezwaarschrift ter kennis gegeven per aangetekend schrijven. De beslissing vermeldt de wijze waarop tegen deze beslissing in rechte kan worden opgekomen.
§ 3. Als een aanslag nietig verklaard is door de in § 2 bedoelde ambtenaar omdat hij niet gevestigd is overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, kan de Maatschappij, zelfs als de termijnen, bedoeld in artikel 28decies, §§ 1 en 2 al verstreken zijn, op naam van dezelfde heffingsplichtige, op grond van dezelfde heffingselementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de in § 2 bedoelde ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht.
§ 4. Als tegen een beslissing van de in § 2 bedoelde ambtenaar beroep is aangetekend en het gerecht de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart om een andere reden dan verjaring, kan de Maatschappij zelfs buiten de termijnen gesteld in artikel 28decies, §§ 1 en 2, een subsidiaire aanslag op naam van dezelfde heffingsplichtige en op grond van alle of een deel van dezelfde heffingselementen als de oorspronkelijke aanslag, ter beoordeling voorleggen aan het gerecht, dat uitspraak doet over dat verzoek.
De subsidiaire aanslag is slechts invorderbaar of terugbetaalbaar ter uitvoering van de beslissing van het gerecht.
De subsidiaire aanslag wordt aan het gerecht onderworpen door een aan de heffingsplichtige betekend verzoekschrift. Het verzoekschrift wordt betekend met dagvaarding om te verschijnen als het een met de heffingsplichtige gelijkgestelde betreft.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden met dezelfde heffingsplichtige gelijkgesteld:
1° de erfgenamen van de heffingsplichtige;
2° de vennootschap, de vereniging of gemeenschap waarvan het hoofd of de directeur oorspronkelijk werd aangeslagen en wederkerig.
Artikel 28terdecies. § 1. De adjunct-leidend ambtenaar van de Maatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is tevens bevoegd om in bijzondere gevallen onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling te verlenen voor al de nalatigheidsinteresten of een deel ervan.
Artikel 28quaterdecies. § 1. In zoverre dit hoofdstuk en de besluiten genomen ter uitvoering ervan er niet van afwijken zijn de regels betreffende de vestiging, de invordering, de geschillen, de verwijl- en moratoire interesten, de vervolgingen, de voorrechten, de wettelijke hypotheek, de verjaring inzake rijksinkomstenbelastingen mutatis mutandis van toepassing op de in dit hoofdstuk bedoelde heffingen en administratieve geldboeten.
§ 2. Het indienen van een bezwaarschrift of het instellen van een vordering in rechte verhindert niet dat de aanslag en de eventueel verschuldigde geldboete of heffingsverhoging worden ingevorderd in zoverre zij als een zekere en vaststaande schuld kunnen worden beschouwd onder de voorwaarden bepaald in artikel 410 van het WIB 1992. Onverminderd de toepassing van artikel 414, § 2, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen schort het indienen van een bezwaarschrift evenmin het lopen van de nalatigheidsintresten op.
§ 3. De wettelijke hypotheek kan gevestigd worden op al de in het Vlaamse Gewest gelegen en daarvoor vatbare goederen die toebehoren aan de persoon op wiens naam de aanslag is ingekohierd. De wettelijke hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de leidend ambtenaar van de Maatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar.".
Art. 42. Le chapitre IVbis du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines, inséré par le décret du 20 décembre 1996 et modifié par le décret du 19 décembre 1997, est remplacé par les dispositions suivantes:
"CHAPITRE IVbis. - Redevances sur les prises d'eau souterraine.
Section I. - Dispositions générales.
Article 28ter. § 1er. Est soumise à une redevance sur le captage d'eau souterraine, d'après dénommée la redevance, toute personne physique ou morale qui a exploité, au cours de l'année précédent l'année d'imposition, sur le territoire de la Région flamande, une ou plusieurs prises d'eau souterraine:
1° les prises d'eau souterraine affectées à la distribution publique d'eau potable;
2° les prises d'eau souterraine ayant une production annuelle d'au moins 30.000m3;
3° les prises d'eau souterraine ayant une production annuelle de 500 à moins de 30.000m3.
§ 2. Par dérogation au § 1er, aucune redevance sur le captage d'eau souterraine, n'est due pour l'exploitation des prises d'eau souterraine suivantes:
1° les prises d'eau souterraine munies seulement d'une pompe à bras pour pomper l'eau;
2° les prises d'eau souterraine dont l'eau est utilisée exclusivement à des fins domestiques;
3° les prises d'eau souterraine destinées à des essais de pompage, en service pendant moins de trois mois;
4° les épuisements par puits filtrants nécessaires sur le plan technique pour:
soit, la réalisation de travaux de construction;
soit, l'aménagement d'équipements d'utilité publique;
5° les drainages nécessaires pour permettre ou maintenir l'utilisation et/ou l'exploitation des terres arables et des pâturages.
6° les épuisements par puits filtrants indispensables à l'exploitation de tunnels destinés aux voies publiques et/ou aux transports publics ou à l'aménagement hydraulique des zones d'affaissement minières.
7° les épuisements par puits filtrants nécessaires pour permettre ou maintenir l'utilisation et/ou l'exploitation de bâtiments ou de sites industriels, à la condition que:
la nécessité soit étayée par une attestation hydrologique établie par un expert en environnement agréé pour la discipline eaux souterraines, conformément au titre II du Vlarem;
l'attestation hydrologique visée sous a) soit présentée avant le 15 mars de chaque année d'imposition au fonctionnaire dirigeant adjoint de la Vlaamse Milieumaatschappij (Société flamande de l'Environnement), ci-après dénommée la société ou au fonctionnaire délégué par lui. Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles relatives au contenu minimum et à la forme de l'attestation hydrologique visée.
8° les prises d'eau souterraine utilisées pour des pompes à chaleur, à la condition que les eaux souterraines soient réintroduites intégralement dans la même nappe aquifère après leur passage par la pompe;
9° les prises d'eau souterraine dans le cadre de travaux d'assainissement du sol, pour lesquels une attestation de conformité a été délivrée, conformément au décret du 22 février 1995 relatif à l'assainissement du sol.
§ 3 Pour l'application du présent décret, toute personne physique ou morale qui, à un moment quelconque de l'année précédant l'année d'imposition disposait sur le territoire de la Région flamande d'une prise d'eau souterraine, à l'exception des prises d'eau souterraine visées au § 2, est incontestablement présumée être le redevable en ce qui concerne l'exploitation visée à l'alinéa 1er.
§ 4. L'année d'imposition est l'année civile qui suit l'année dans laquelle l'exploitation visée au § 1er a eu lieu.
§ 5. La société est chargée de l'établissement, de la perception et du recouvrement de la redevance. La société est également chargée d'assurer le contrôle du respect des obligations en matière de redevances.
Les fonctionnaires compétents en la matière détiennent une pièce d'identité signée par le fonctionnaire dirigeant de la société ou par son délégue.
§ 6. L'Administration de la Gestion de l'Environnement, de la Nature, du Sol et des Eaux est également habilitée à assurer le contrôle du respect des dispositions de l'article 28quinquies, § 1er concernant le mesurage du débit et l'enregistrement.
Les fonctionnaires compétents en la matière détiennent une pièce d'identité signée par le fonctionnaire dirigeant de l'Administration de la Gestion de l'Environnement, de la Nature, du Sol et des Eaux.
Section 2. - Détermination des redevances.
Article 28quater. § 1er. Le montant de la redevance, visée à l'article 28ter, est fixé comme suit:
1° pour l'exploitation de prises d'eau souterraine affectées à la distribution publique d'eau potable:
3 francs par m3 d'eau souterraine pompée au cours de l'année qui précède l'année d'imposition et qui peut être transformée en eau potable aux fins de la distribution publique, quel que soit le mode de captage ou d'utilisation;
2° pour l'exploitation de prises d'eau souterraine non affectées à la distribution publique d'eau potable pour la tranche de 500 m3 à 30.000 m3 inclus de la quantité d'eau souterraine pompée par l'unité de prise d'eau souterraine dans son ensemble au cours de l'année qui précède l'année d'imposition: 2 x CSE francs par m3 d'eau souterraine pompée;
pour la tranche de 30.001 m3 à 100.000 m3 inclus de la quantité d'eau souterraine pompée par l'unité de prise d'eau souterraine dans son ensemble au cours de l'année qui précède l'année d'imposition: 3 x CSE francs par m3 d'eau souterraine pompée;
pour la tranche de 100.001 m3 à 250.000 m3 inclus de la quantité d'eau souterraine pompée par l'unité de prise d'eau souterraine dans son ensemble au cours de l'année qui précède l'année d'imposition: 3,5 x CSE francs par m3 d'eau souterraine pompée;
pour la tranche de 250.001 m3 à 500.000 m3 inclus de la quantité d'eau souterraine pompée par l'unité de prise d'eau souterraine dans son ensemble au cours de l'année qui précède l'année d'imposition: 4 x CSE francs par m3 d'eau souterraine pompée;
pour la tranche de 500.001 m3 à 1.000.000 m3 inclus de la quantité d'eau souterraine pompée par l'unité de prise d'eau souterraine dans son ensemble au cours de l'année qui précède l'année d'imposition: 4,5 x CSE francs par m3 d'eau souterraine pompée;
pour la tranche supérieure à 1.000.000 m3 inclus de la quantité d'eau souterraine pompée par l'unité de prise d'eau souterraine dans son ensemble au cours de l'année qui précède l'année d'imposition: 5 x CSE francs par m3 d'eau souterraine pompée;
A l'alinéa 1er, 2° et au § 3, CSE est un facteur correcteur socio-économique qui, à partir de l'année d'imposition 1998 a la valeur indiquée dans l'ANNEXE au présent décret en relation avec l'activité principale à laquelle l'eau souterraine pompée est affectée.
§ 2. Lorsque la quantité d'eau souterraine pompée au cours de l'année qui précède l'année d'imposition n'est pas connue, elle est incontestablement présumée équivaloir:
1° pour les prises d'eau souterraine autorisées en application du présent décret:
à la quantité autorisée sur base annuelle, lorsqu'elle est spécifiée dans l'autorisation;
si l'autorisation mentionne une quantité sur base journalière: cette quantité multipliée par:
le nombre réel de jours que la prise d'eau souterraine a été en service pour les activités saisonnières ou de durée limitée;
220 dans les autres cas;
2° pour les prises d'eau non autorisées en application du présent décret ou pour lesquelles la capacité autorisée n'est pas spécifiée dans l'autorisation:
a) lorsque l'activité pour laquelle l'eau souterraine pompée a été utilisée, donne lieu a un déversement d'eaux usées et le bilan hydrologique total est connu:
à la quantité d'eaux usées déversées au cours de l'année en question, le cas échéant:
1° diminuée de la quantité d'eau prélevée pendant cette année:
des eaux de surface, dans la mesure où, dans ce sens, des dispositions législatives relatives au captage d'eaux de surface seraient prises par le décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991;
par le réseau public de distribution d'eau;
des eaux de pluie recueillies
2° majorée de la quantité d'eau consommée pendant cette année:
- par évaporation;
- en rapport avec des denrées alimentaires, des produits et des matières premières;
b) dans les autres cas:
à la somme de la capacité nominale des pompes, exprimée en m3 par heure, multipliée par T, où:
- pour l'irrigation saisonnière en plein air dans le cadre d'activités agricoles ou horticoles exercées à titre principal:
T=200;
- pour les autres activités saisonnières ou les activités de durée limitée: T = 10 x le nombre réel de jours que la prise d'eau souterraine a été en service;
- dans les autres cas: T = 2.000;
§ 3. La redevance à charge de chacun des redevables visés à l'article 28ter, ne peut en aucun cas être inférieure au montant minimum de 5.000 x CSE francs; ce montant ne peut toutefois être inférieur à 1.500 francs à partir de l'année d'imposition 1998.
"CHAPITRE IVbis. - Redevances sur les prises d'eau souterraine.
Section I. - Dispositions générales.
Article 28ter. § 1er. Est soumise à une redevance sur le captage d'eau souterraine, d'après dénommée la redevance, toute personne physique ou morale qui a exploité, au cours de l'année précédent l'année d'imposition, sur le territoire de la Région flamande, une ou plusieurs prises d'eau souterraine:
1° les prises d'eau souterraine affectées à la distribution publique d'eau potable;
2° les prises d'eau souterraine ayant une production annuelle d'au moins 30.000m3;
3° les prises d'eau souterraine ayant une production annuelle de 500 à moins de 30.000m3.
§ 2. Par dérogation au § 1er, aucune redevance sur le captage d'eau souterraine, n'est due pour l'exploitation des prises d'eau souterraine suivantes:
1° les prises d'eau souterraine munies seulement d'une pompe à bras pour pomper l'eau;
2° les prises d'eau souterraine dont l'eau est utilisée exclusivement à des fins domestiques;
3° les prises d'eau souterraine destinées à des essais de pompage, en service pendant moins de trois mois;
4° les épuisements par puits filtrants nécessaires sur le plan technique pour:
soit, la réalisation de travaux de construction;
soit, l'aménagement d'équipements d'utilité publique;
5° les drainages nécessaires pour permettre ou maintenir l'utilisation et/ou l'exploitation des terres arables et des pâturages.
6° les épuisements par puits filtrants indispensables à l'exploitation de tunnels destinés aux voies publiques et/ou aux transports publics ou à l'aménagement hydraulique des zones d'affaissement minières.
7° les épuisements par puits filtrants nécessaires pour permettre ou maintenir l'utilisation et/ou l'exploitation de bâtiments ou de sites industriels, à la condition que:
la nécessité soit étayée par une attestation hydrologique établie par un expert en environnement agréé pour la discipline eaux souterraines, conformément au titre II du Vlarem;
l'attestation hydrologique visée sous a) soit présentée avant le 15 mars de chaque année d'imposition au fonctionnaire dirigeant adjoint de la Vlaamse Milieumaatschappij (Société flamande de l'Environnement), ci-après dénommée la société ou au fonctionnaire délégué par lui. Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles relatives au contenu minimum et à la forme de l'attestation hydrologique visée.
8° les prises d'eau souterraine utilisées pour des pompes à chaleur, à la condition que les eaux souterraines soient réintroduites intégralement dans la même nappe aquifère après leur passage par la pompe;
9° les prises d'eau souterraine dans le cadre de travaux d'assainissement du sol, pour lesquels une attestation de conformité a été délivrée, conformément au décret du 22 février 1995 relatif à l'assainissement du sol.
§ 3 Pour l'application du présent décret, toute personne physique ou morale qui, à un moment quelconque de l'année précédant l'année d'imposition disposait sur le territoire de la Région flamande d'une prise d'eau souterraine, à l'exception des prises d'eau souterraine visées au § 2, est incontestablement présumée être le redevable en ce qui concerne l'exploitation visée à l'alinéa 1er.
§ 4. L'année d'imposition est l'année civile qui suit l'année dans laquelle l'exploitation visée au § 1er a eu lieu.
§ 5. La société est chargée de l'établissement, de la perception et du recouvrement de la redevance. La société est également chargée d'assurer le contrôle du respect des obligations en matière de redevances.
Les fonctionnaires compétents en la matière détiennent une pièce d'identité signée par le fonctionnaire dirigeant de la société ou par son délégue.
§ 6. L'Administration de la Gestion de l'Environnement, de la Nature, du Sol et des Eaux est également habilitée à assurer le contrôle du respect des dispositions de l'article 28quinquies, § 1er concernant le mesurage du débit et l'enregistrement.
Les fonctionnaires compétents en la matière détiennent une pièce d'identité signée par le fonctionnaire dirigeant de l'Administration de la Gestion de l'Environnement, de la Nature, du Sol et des Eaux.
Section 2. - Détermination des redevances.
Article 28quater. § 1er. Le montant de la redevance, visée à l'article 28ter, est fixé comme suit:
1° pour l'exploitation de prises d'eau souterraine affectées à la distribution publique d'eau potable:
3 francs par m3 d'eau souterraine pompée au cours de l'année qui précède l'année d'imposition et qui peut être transformée en eau potable aux fins de la distribution publique, quel que soit le mode de captage ou d'utilisation;
2° pour l'exploitation de prises d'eau souterraine non affectées à la distribution publique d'eau potable pour la tranche de 500 m3 à 30.000 m3 inclus de la quantité d'eau souterraine pompée par l'unité de prise d'eau souterraine dans son ensemble au cours de l'année qui précède l'année d'imposition: 2 x CSE francs par m3 d'eau souterraine pompée;
pour la tranche de 30.001 m3 à 100.000 m3 inclus de la quantité d'eau souterraine pompée par l'unité de prise d'eau souterraine dans son ensemble au cours de l'année qui précède l'année d'imposition: 3 x CSE francs par m3 d'eau souterraine pompée;
pour la tranche de 100.001 m3 à 250.000 m3 inclus de la quantité d'eau souterraine pompée par l'unité de prise d'eau souterraine dans son ensemble au cours de l'année qui précède l'année d'imposition: 3,5 x CSE francs par m3 d'eau souterraine pompée;
pour la tranche de 250.001 m3 à 500.000 m3 inclus de la quantité d'eau souterraine pompée par l'unité de prise d'eau souterraine dans son ensemble au cours de l'année qui précède l'année d'imposition: 4 x CSE francs par m3 d'eau souterraine pompée;
pour la tranche de 500.001 m3 à 1.000.000 m3 inclus de la quantité d'eau souterraine pompée par l'unité de prise d'eau souterraine dans son ensemble au cours de l'année qui précède l'année d'imposition: 4,5 x CSE francs par m3 d'eau souterraine pompée;
pour la tranche supérieure à 1.000.000 m3 inclus de la quantité d'eau souterraine pompée par l'unité de prise d'eau souterraine dans son ensemble au cours de l'année qui précède l'année d'imposition: 5 x CSE francs par m3 d'eau souterraine pompée;
A l'alinéa 1er, 2° et au § 3, CSE est un facteur correcteur socio-économique qui, à partir de l'année d'imposition 1998 a la valeur indiquée dans l'ANNEXE au présent décret en relation avec l'activité principale à laquelle l'eau souterraine pompée est affectée.
§ 2. Lorsque la quantité d'eau souterraine pompée au cours de l'année qui précède l'année d'imposition n'est pas connue, elle est incontestablement présumée équivaloir:
1° pour les prises d'eau souterraine autorisées en application du présent décret:
à la quantité autorisée sur base annuelle, lorsqu'elle est spécifiée dans l'autorisation;
si l'autorisation mentionne une quantité sur base journalière: cette quantité multipliée par:
le nombre réel de jours que la prise d'eau souterraine a été en service pour les activités saisonnières ou de durée limitée;
220 dans les autres cas;
2° pour les prises d'eau non autorisées en application du présent décret ou pour lesquelles la capacité autorisée n'est pas spécifiée dans l'autorisation:
a) lorsque l'activité pour laquelle l'eau souterraine pompée a été utilisée, donne lieu a un déversement d'eaux usées et le bilan hydrologique total est connu:
à la quantité d'eaux usées déversées au cours de l'année en question, le cas échéant:
1° diminuée de la quantité d'eau prélevée pendant cette année:
des eaux de surface, dans la mesure où, dans ce sens, des dispositions législatives relatives au captage d'eaux de surface seraient prises par le décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991;
par le réseau public de distribution d'eau;
des eaux de pluie recueillies
2° majorée de la quantité d'eau consommée pendant cette année:
- par évaporation;
- en rapport avec des denrées alimentaires, des produits et des matières premières;
b) dans les autres cas:
à la somme de la capacité nominale des pompes, exprimée en m3 par heure, multipliée par T, où:
- pour l'irrigation saisonnière en plein air dans le cadre d'activités agricoles ou horticoles exercées à titre principal:
T=200;
- pour les autres activités saisonnières ou les activités de durée limitée: T = 10 x le nombre réel de jours que la prise d'eau souterraine a été en service;
- dans les autres cas: T = 2.000;
§ 3. La redevance à charge de chacun des redevables visés à l'article 28ter, ne peut en aucun cas être inférieure au montant minimum de 5.000 x CSE francs; ce montant ne peut toutefois être inférieur à 1.500 francs à partir de l'année d'imposition 1998.
Art. 43. In hetzelfde decreet wordt de bijlage bij het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer vervangen door de volgende bijlage:
"BIJLAGE BIJ HET DECREET VAN 24 JANUARI 1984 HOUDENDE MAATREGELEN INZAKE HET GRONDWATERBEHEER.
"BIJLAGE BIJ HET DECREET VAN 24 JANUARI 1984 HOUDENDE MAATREGELEN INZAKE HET GRONDWATERBEHEER.
Article 28quinquies. § 1er. Toute prise d'eau souterraine et/ou unité de prise d'eau souterraine dont l'exploitation est soumise à redevance conformément à l'article 28ter, doit être équipée au plus tard le 1er juillet 1997 d'un débitmètre et d'un enregistreur de la quantité d'eau pompée. Le mesurage du débit et l'enregistrement doivent s'effectuer conformément à un code de bonne pratique. Le Gouvernement peut arrêter les modalités relatives au mesurage du débit et à l'enregistrement.
§ 2. Lorsque l'enregistrement visé au § 1er est techniquement non réalisable, le Gouvernement peut dispenser le redevable de l'obligation d'enregistrement susvisée. Dans ce cas, il prescrit un autre mode d'enregistrement.
§ 3. Les obligations imposées au § 1er en matière de mesurage du débit et d'enregistrement ne sont pas applicables aux prises d'eau souterraine dont l'eau pompée sert à l'irrigation en plein dans le cadre d'activites agricoles ou horticoles exercées à titre principal.
Section 3. - Etablissement et recouvrement de la redevance.
Art. 28sexies. § 1er. Le redevable visé à l'article 28ter est tenu de présenter à la Sociéte, avant le 15 mars de chaque année d'imposition, une déclaration comportant les éléments nécessaires pour determiner la redevance sur le captage d'eaux souterraines.
Lorsque le redevable est décédé ou est déclaré en faillite, l'obligation de présenter une déclaration incombe en première instance à ces héritiers ou légataires et en deuxième instance à son curateur.
§ 2. La déclaration est faite selon les modalités fixées par le Gouvernement flamand.
§ 3. Les documents, relevés et renseignements joints à la déclaration en font partie intégrante.
Les pièces annexées à la déclaration doivent être cotées, datées et signées. Les copies doivent être certifiées conformes à l'original.
§ 4. Les régies communales, les associations intercommunales et toutes autres sociétés chargées de la distribution publique d'eau, les autorités délivrant l'autorisation et l'Administration de la Gestion de l'Environnement, de la Nature, du Sol et des Eaux prêteront leur concours et fourniront à la Société, sur simple demande, tous les éléments et renseignements nécessaires à l'établissement et au recouvrement de la redevance. Art. 28septies. § 1er. Les fonctionnaires de la Société qui sont chargés d'un contrôle ou d'une enquête relative à l'application de la redevance sont habilités de plein droit pour toute action auprès du redevable ou de tiers tendant à:
1° recueillir, rechercher et collecter toute information qui peut contribuer à la détermination exacte de la redevance due par le redevable; le redevable et tout tiers qui dispose des informations sollicitees, est tenu de les fournir à chaque demande de ces fonctionnaires;
2° se faire communiquer tous les livres, documents et registres qui peuvent être utiles à la détermination exacte de la redevance due par le redevable; le redevable et tout tiers qui dispose des livres, documents et registres sollicités, est tenu de les présenter à chaque demande de ces fonctionnaires. Les fonctionnaires peuvent emporter les livres, documents et registres, contre remise d'un recépissé.
§ 2. Toute information, tout document, procès-verbal ou acte qui a été découvert ou obtenu, dans l'exercice de sa fonction, par un fonctionnaire vise au § 1er, soit directement, soit par l'intervention d'un service d'administration de l'Etat, y compris les parquets et greffes des cours et tribunaux, les administrations des Communautés et Régions, les provinces et les communes, les institutions et organismes publics, peut être invoqué par la Région flamande pour rechercher toute redevance due en vertu du présent décret.
§ 3. Pendant les heures qu'une activité y est exercée, les redevables sont tenus de donner libre accès à leurs bâtiments d'entreprise tels qu'usines, ateliers, magasins, dépôts, garages et prises d'eau et les terrains et espaces utilisés comme usines, ateliers ou dépôts, aux fonctionnaires visés au § 1er, afin de leur permettre de collecter des informations et des documents et de procéder aux constatations pouvant être utiles à la détermination exacte de la redevance.
§ 4. Les infractions aux dispositions du présent chapitre ou des règles prises en exécution de ce dernier, ainsi que les faits qui démontrent ou contribuent à démontrer la débition de la redevance, d'une majoration de redevance ou d'une amende administrative, peuvent être prouvées par les fonctionnaires de la Société par tous les moyens de preuve autorisés par le droit commun, à l'exception du serment.
§ 5. Les constats établis par les fonctionnaires de la Société fournissent la preuve des constatations faites, tant que le contraire n'a pas été prouvé.
Art. 28octies. § 1er. Lorsque la Société estime devoir rectifier une déclaration présentée par le redevable dans le délai fixe par l'article 28sexies, § 1er, et répondant aux conditions de forme, elle lui communique par lettre recommandée la rectification proposée, en indiquant les raisons qui, dans son opinion, justifient sa démarche. L'avis de rectification précise les éléments qui, à son sens, justifient sa démarche. L'avis de rectification fait mention des modalités à observer par le redevable pour sa réponse.
§ 2. Le redevable peut présenter ses remarques éventuelles par écrit, dans un délai d'un mois de l'envoi de l'avis de rectification. Ce délai peut être prolongé pour des motifs légitimes.
La redevance ne peut pas être établie avant l'expiration de ce délai, prolongé le cas échéant, sauf si les droits de la Trésorerie régionale sont compromis pour une autre raison que l'expiration du délai d'imposition ou si le redevable a marqué par écrit son accord avec l'avis de rectification.
Art. 28novies. § 1er. La Société peut procéder à l'établissement d'office de la redevance sur la base des éléments dont elle dispose, dans le cas où le redevable aurait omis:
1° soit de présenter sa déclaration dans le délai fixé par l'article 28sexies, § 1er;
2° soit de remédier, dans le délai lui accordé à cet effet par la Société, aux vices de forme dont est entachée la déclaration;
3° soit de fournir les renseignements ou présenter les documents sollicités dans le délai fixé, conformément à l'article 28septies du décret;
4° soit de se conformer aux obligations légales en matière de tenue, délivrance, conservation ou mise à disposition aux fins de consultation, de livres, documents ou registres; la Société peut notamment aussi procéder à l'établissement d'office de la redevance, lorsque les éléments necessaires au calcul de la redevance n'ont pas été consignés ou ont été consignés inexactement dans les livres, documents ou registres.
§ 2. Avant de procéder à l'établissement d'office, la Société transmet au redevable, par lettre recommandée, un avis d'etablissement d'office de la redevance. Cet avis fait mention des raisons pour lesquelles cette procédure est appliquée par la Société, de la période à laquelle la redevance etablie d'office se rapportera, des éléments sur lesquels l'établissement d'office sera basé et de la manière dont ils ont été établis. L'avis d'établissement d'office précise les modalités à observer par le redevable pour sa réponse.
§ 3. Un délai d'un mois à compter de l'envoi de l'avis d'établissement d'office est accordé au redevable pour présenter par écrit ses remarques éventuelles.
La redevance ne peut pas être établie d'office avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, sauf si les droits de la Tresorerie régionale sont compromis pour une autre raison que l'expiration du délai d'imposition ou si le redevable a marqué par écrit son accord avec l'avis d'établissement d'office.
§ 4. La Société joint à chaque avis d'établissement d'office un constat, visé à l'article 28septies, § 5. Le constat peut être transmis par le fonctionnaire qui signe l'avis d'établissement d'office, au moyen d'une copie certifiee conforme de l'original.
§ 5. Lorsque la redevance est établie d'office, il appartient au redevable de fournir la preuve du montant exact de la redevance due.
Art. 28decies. § 1er. La redevance, déterminée conformément à l'article 28quater, est établie au plus tard le 30 juin de l'année qui suit l'année d'imposition.
§ 2. Par dérogation au § 1er, une redevance ou une redevance supplémentaire peut être etablie pendant une période de trois ans à partir du 1er janvier de l'année d'imposition, dans les cas où le redevable aurait omis de présenter dans le délai fixe une déclaration valable conformément à l'obligation lui imposée par l'article 28sexies, § 1er, ou si la redevance due serait plus élevée que la redevance déterminée à partir des éléments fournis par la déclaration.
§ 3. Plusieurs redevances peuvent être établies pour une même année d'imposition a charge d'un même redevable.
§ 4. Les redevances ainsi que les amendes administratives et les majorations de redevance, dues conformément au présent chapitre sont enrôlées et ces rôles sont communiqués aux fonctionnaires chargés de la perception et du recouvrement.
§ 5. Les rôles sont déclares exécutoires par le fonctionnaire dirigeant de la Société ou par son délégue. Ils doivent être déclarés exécutoires, sous peine de déchéance, dans le délai fixé aux §§ 1er et 2.
§ 6. Les rôles mentionnent:
1° le nom et l'adresse des redevables;
2° la référence au présent décret;
3° le montant de la redevance et l'année d'imposition à laquelle elle se rapporte;
4° le numéro d'article;
5° la date à laquelle ils sont déclarés exécutoires;
6° la signature du fonctionnaire visé au § 5.
§ 7. Le redevable au nom duquel la redevance est enrôlée, reçoit, sans frais, une feuille d'imposition.
Sous peine de déchéance, la feuille d'imposition est transmise par la poste dans les deux mois à compter de la date à laquelle le rôle est déclaré exécutoire.
La feuille d'imposition mentionne:
1° la date d'envoi de la feuille d'imposition;
2° les éléments visés au § 6, 1o à 5o;
3° le délai de paiement;
4° le délai dans lequel une réclamation peut être présentée et le nom et l'adresse exacte de l'instance habilitée à en prendre réception.
Art. 28undecies. § 1er. A défaut de déclaration ou en cas de déclaration incomplète ou inexacte, visée à l'article 28sexies, § 1er, la redevance est augmentée d'une majoration de redevance. Cette majoration est déterminée en pour cents de la différence entre la redevance telle qu'elle a été calculée sur la base des éléments de la déclaration et la redevance imposée par la Société ou le tribunal ou, à défaut de déclaration, la redevance imposée par la Société ou le tribunal.
Les fonctionnaires compétents en la matière sont désignés par le fonctionnaire dirigeant de la société ou par son delegue.
§ 2. Le pourcentage de la majoration de redevance en cas de non-declaration, visée à l'article 28sexies, § 1er, est fixé comme suit:
1° si la non-declaration est due à des circonstances indépendantes de la volonté du redevable: aucune majoration;
2° si la déclaration est faite hors des délais, mais si le redevable répond en temps utile à l'avis d'établissement d'office: une majoration de 10%;
3° si le redevable ne répond pas ou hors dés délais à l'avis d'établissement d'office: majoration de 50%.
§ 3. Le pourcentage de la majoration de redevance en cas de déclaration incomplète ou inexacte, visée à l'article 28sexies, § 1er, est fixé comme suit:
1° si la déclaration incomplète ou inexacte est due à des circonstances indépendantes de la volonté du redevable: aucune majoration;
2° si le redevable réagit dans les délais à l'avis de rectification de l'administration: majoration de 10% sur la fraction fixée au § 1er;
3° si le redevable ne répond pas ou hors des délais à l'avis de rectification: majoration de 50% sur la fraction visée au § 1er;
4° s'il résulte de la réaction du redevable que les éléments contenus dans la déclaration sont exacts: aucune majoration.
§ 4. Les fonctionnaires visés au § 1er, alinéa deux, peuvent imposer une amende de 2.000 à 50.000 francs pour toute infraction au chapitre IVbis du présent décret et ses arrêtés d'exécution.
Art. 28duodecies. § 1er. La personne au nom de laquelle la redevance est enrôlée, ainsi que son conjoint sur les biens desquels l'imposition est recouvrée, peut présenter une réclamation relative à la redevance établie, les majorations et les amendes auprès du fonctionnaire dirigeant adjoint de la Société. La réclamation peut comporter également une demande de sursis ou d'étalement des paiements de la redevance et d'exemption ou réduction de l'amende administrative ou majoration de redevance imposée éventuellement.
La réclamation sera motivée, formulée par écrit et envoyée ou remise, sous peine d'annulation, au fonctionnaire visé à l'alinéa 1er ou son délégué, dans les trois mois de l'envoi ou de la notification de la feuille d'imposition.
§ 2. Le directeur général de l'Administration de la Gestion de l'Environnement, de la Nature, du Sol et des Eaux ou son délégué statue en sa qualité d'autorité administrative sur la réclamation. Le fonctionnaire ne peut augmenter la redevance contestée, l'amende administrative imposée et la majoration de redevance imposée. La décision du fonctionnaire sera motivée et notifiée à l'auteur de la réclamation par lettre recommandée. La décision précise les modalités de pourvoi contre la décision.
§ 3. Si une imposition est déclarée nulle par le fonctionnaire visé au § 2 pour non-conformité de son établissement à une regle légale, à l'exception d'une règle relative à la prescription, la Société peut, même si les délais visés à l'article 28decies, §§ 1er et 2 sont echus, établir une nouvelle imposition au nom du même redevable, sur la base des mêmes éléments ou d'une partie de ceux-ci, dans les trois mois suivant la date à laquelle le tribunal ne peut plus être saisi de la décision du fonctionnaire visé au § 2.
§ 4. Si la décision du fonctionnaire visé au § 2 fait l'objet d'un appel et la justice annule en tout ou en partie l'imposition pour une raison autre que la prescription, la Société peut, même en dehors des délais prescrits à l'article 28decies, §§ 1er et 2, soumettre à l'appréciation du tribunal une imposition subsidiaire au nom du même redevable et sur la base de tout ou partie des mêmes éléments que pour l'imposition initiale, qui statue sur cette requête.
L'imposition subsidiaire n'est recouvrable ou remboursable que suite à une décision judiciaire.
L'imposition subsidiaire est soumise au tribunal par une requête signifiée au redevable. La requête est signifiée avec citation en justice en cas d'une personne assimilée au redevable.
Pour l'application du présent paragraphe, sont assimilés au même redevable:
1° les héritiers du redevable
2° la société, l'association ou la communauté dont le dirigeant ou le directeur a été imposé initialement et vice-versa.
Art. 28terdecies. § 1er. Le fonctionnaire dirigeant adjoint de la Société ou son délégué, est également habilité à accorder, dans des cas particuliers et aux conditions déterminées par lui, une exemption relative aux intérêts de retard ou à une partie de ceux-ci.
Art. 28quaterdecies. § 1er. Dans la mesure où le présent chapitre et les arrêtes pris en exécution de ce chapitre n'y dérogent pas, les règles relatives à l'établissement, au recouvrement, aux litiges, aux intérêts de retard et moratoires, aux poursuites, aux privilèges, à l'hypothèque legale, à la prescription des impôts sur les revenus de l'Etat sont applicables par analogie aux redevances et amendes administratives visées par le présent chapitre.
§ 2. La présentation d'une réclamation ou l'introduction d'une action en justice n'empêche aucunement le recouvrement de l'imposition et de l'amende ou majoration de redevance éventuellement dues, dans la mesure où celles-ci peuvent être assimilées à une dette sûre et certaine aux conditions prévues à l'article 410 du Code des impôts sur les revenus 1992. Sans prejudice de l'application de l'article 414, § 2 du Code des impôts sur les revenus, la présentation d'une réclamation n'est pas suspensive de l'accumulation des intérets de retard.
§ 3. Tous les biens qui sont situés dans la Région flamande et qui s'y prêtent, appartenant à la personne au nom de laquelle l'imposition est enrôlée, peuvent être grevés d'une hypothèque légale. L'hypothèque légale est inscrite à la demande du fonctionnaire dirigeant de la Société ou son délégué.
§ 2. Lorsque l'enregistrement visé au § 1er est techniquement non réalisable, le Gouvernement peut dispenser le redevable de l'obligation d'enregistrement susvisée. Dans ce cas, il prescrit un autre mode d'enregistrement.
§ 3. Les obligations imposées au § 1er en matière de mesurage du débit et d'enregistrement ne sont pas applicables aux prises d'eau souterraine dont l'eau pompée sert à l'irrigation en plein dans le cadre d'activites agricoles ou horticoles exercées à titre principal.
Section 3. - Etablissement et recouvrement de la redevance.
Art. 28sexies. § 1er. Le redevable visé à l'article 28ter est tenu de présenter à la Sociéte, avant le 15 mars de chaque année d'imposition, une déclaration comportant les éléments nécessaires pour determiner la redevance sur le captage d'eaux souterraines.
Lorsque le redevable est décédé ou est déclaré en faillite, l'obligation de présenter une déclaration incombe en première instance à ces héritiers ou légataires et en deuxième instance à son curateur.
§ 2. La déclaration est faite selon les modalités fixées par le Gouvernement flamand.
§ 3. Les documents, relevés et renseignements joints à la déclaration en font partie intégrante.
Les pièces annexées à la déclaration doivent être cotées, datées et signées. Les copies doivent être certifiées conformes à l'original.
§ 4. Les régies communales, les associations intercommunales et toutes autres sociétés chargées de la distribution publique d'eau, les autorités délivrant l'autorisation et l'Administration de la Gestion de l'Environnement, de la Nature, du Sol et des Eaux prêteront leur concours et fourniront à la Société, sur simple demande, tous les éléments et renseignements nécessaires à l'établissement et au recouvrement de la redevance. Art. 28septies. § 1er. Les fonctionnaires de la Société qui sont chargés d'un contrôle ou d'une enquête relative à l'application de la redevance sont habilités de plein droit pour toute action auprès du redevable ou de tiers tendant à:
1° recueillir, rechercher et collecter toute information qui peut contribuer à la détermination exacte de la redevance due par le redevable; le redevable et tout tiers qui dispose des informations sollicitees, est tenu de les fournir à chaque demande de ces fonctionnaires;
2° se faire communiquer tous les livres, documents et registres qui peuvent être utiles à la détermination exacte de la redevance due par le redevable; le redevable et tout tiers qui dispose des livres, documents et registres sollicités, est tenu de les présenter à chaque demande de ces fonctionnaires. Les fonctionnaires peuvent emporter les livres, documents et registres, contre remise d'un recépissé.
§ 2. Toute information, tout document, procès-verbal ou acte qui a été découvert ou obtenu, dans l'exercice de sa fonction, par un fonctionnaire vise au § 1er, soit directement, soit par l'intervention d'un service d'administration de l'Etat, y compris les parquets et greffes des cours et tribunaux, les administrations des Communautés et Régions, les provinces et les communes, les institutions et organismes publics, peut être invoqué par la Région flamande pour rechercher toute redevance due en vertu du présent décret.
§ 3. Pendant les heures qu'une activité y est exercée, les redevables sont tenus de donner libre accès à leurs bâtiments d'entreprise tels qu'usines, ateliers, magasins, dépôts, garages et prises d'eau et les terrains et espaces utilisés comme usines, ateliers ou dépôts, aux fonctionnaires visés au § 1er, afin de leur permettre de collecter des informations et des documents et de procéder aux constatations pouvant être utiles à la détermination exacte de la redevance.
§ 4. Les infractions aux dispositions du présent chapitre ou des règles prises en exécution de ce dernier, ainsi que les faits qui démontrent ou contribuent à démontrer la débition de la redevance, d'une majoration de redevance ou d'une amende administrative, peuvent être prouvées par les fonctionnaires de la Société par tous les moyens de preuve autorisés par le droit commun, à l'exception du serment.
§ 5. Les constats établis par les fonctionnaires de la Société fournissent la preuve des constatations faites, tant que le contraire n'a pas été prouvé.
Art. 28octies. § 1er. Lorsque la Société estime devoir rectifier une déclaration présentée par le redevable dans le délai fixe par l'article 28sexies, § 1er, et répondant aux conditions de forme, elle lui communique par lettre recommandée la rectification proposée, en indiquant les raisons qui, dans son opinion, justifient sa démarche. L'avis de rectification précise les éléments qui, à son sens, justifient sa démarche. L'avis de rectification fait mention des modalités à observer par le redevable pour sa réponse.
§ 2. Le redevable peut présenter ses remarques éventuelles par écrit, dans un délai d'un mois de l'envoi de l'avis de rectification. Ce délai peut être prolongé pour des motifs légitimes.
La redevance ne peut pas être établie avant l'expiration de ce délai, prolongé le cas échéant, sauf si les droits de la Trésorerie régionale sont compromis pour une autre raison que l'expiration du délai d'imposition ou si le redevable a marqué par écrit son accord avec l'avis de rectification.
Art. 28novies. § 1er. La Société peut procéder à l'établissement d'office de la redevance sur la base des éléments dont elle dispose, dans le cas où le redevable aurait omis:
1° soit de présenter sa déclaration dans le délai fixé par l'article 28sexies, § 1er;
2° soit de remédier, dans le délai lui accordé à cet effet par la Société, aux vices de forme dont est entachée la déclaration;
3° soit de fournir les renseignements ou présenter les documents sollicités dans le délai fixé, conformément à l'article 28septies du décret;
4° soit de se conformer aux obligations légales en matière de tenue, délivrance, conservation ou mise à disposition aux fins de consultation, de livres, documents ou registres; la Société peut notamment aussi procéder à l'établissement d'office de la redevance, lorsque les éléments necessaires au calcul de la redevance n'ont pas été consignés ou ont été consignés inexactement dans les livres, documents ou registres.
§ 2. Avant de procéder à l'établissement d'office, la Société transmet au redevable, par lettre recommandée, un avis d'etablissement d'office de la redevance. Cet avis fait mention des raisons pour lesquelles cette procédure est appliquée par la Société, de la période à laquelle la redevance etablie d'office se rapportera, des éléments sur lesquels l'établissement d'office sera basé et de la manière dont ils ont été établis. L'avis d'établissement d'office précise les modalités à observer par le redevable pour sa réponse.
§ 3. Un délai d'un mois à compter de l'envoi de l'avis d'établissement d'office est accordé au redevable pour présenter par écrit ses remarques éventuelles.
La redevance ne peut pas être établie d'office avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, sauf si les droits de la Tresorerie régionale sont compromis pour une autre raison que l'expiration du délai d'imposition ou si le redevable a marqué par écrit son accord avec l'avis d'établissement d'office.
§ 4. La Société joint à chaque avis d'établissement d'office un constat, visé à l'article 28septies, § 5. Le constat peut être transmis par le fonctionnaire qui signe l'avis d'établissement d'office, au moyen d'une copie certifiee conforme de l'original.
§ 5. Lorsque la redevance est établie d'office, il appartient au redevable de fournir la preuve du montant exact de la redevance due.
Art. 28decies. § 1er. La redevance, déterminée conformément à l'article 28quater, est établie au plus tard le 30 juin de l'année qui suit l'année d'imposition.
§ 2. Par dérogation au § 1er, une redevance ou une redevance supplémentaire peut être etablie pendant une période de trois ans à partir du 1er janvier de l'année d'imposition, dans les cas où le redevable aurait omis de présenter dans le délai fixe une déclaration valable conformément à l'obligation lui imposée par l'article 28sexies, § 1er, ou si la redevance due serait plus élevée que la redevance déterminée à partir des éléments fournis par la déclaration.
§ 3. Plusieurs redevances peuvent être établies pour une même année d'imposition a charge d'un même redevable.
§ 4. Les redevances ainsi que les amendes administratives et les majorations de redevance, dues conformément au présent chapitre sont enrôlées et ces rôles sont communiqués aux fonctionnaires chargés de la perception et du recouvrement.
§ 5. Les rôles sont déclares exécutoires par le fonctionnaire dirigeant de la Société ou par son délégue. Ils doivent être déclarés exécutoires, sous peine de déchéance, dans le délai fixé aux §§ 1er et 2.
§ 6. Les rôles mentionnent:
1° le nom et l'adresse des redevables;
2° la référence au présent décret;
3° le montant de la redevance et l'année d'imposition à laquelle elle se rapporte;
4° le numéro d'article;
5° la date à laquelle ils sont déclarés exécutoires;
6° la signature du fonctionnaire visé au § 5.
§ 7. Le redevable au nom duquel la redevance est enrôlée, reçoit, sans frais, une feuille d'imposition.
Sous peine de déchéance, la feuille d'imposition est transmise par la poste dans les deux mois à compter de la date à laquelle le rôle est déclaré exécutoire.
La feuille d'imposition mentionne:
1° la date d'envoi de la feuille d'imposition;
2° les éléments visés au § 6, 1o à 5o;
3° le délai de paiement;
4° le délai dans lequel une réclamation peut être présentée et le nom et l'adresse exacte de l'instance habilitée à en prendre réception.
Art. 28undecies. § 1er. A défaut de déclaration ou en cas de déclaration incomplète ou inexacte, visée à l'article 28sexies, § 1er, la redevance est augmentée d'une majoration de redevance. Cette majoration est déterminée en pour cents de la différence entre la redevance telle qu'elle a été calculée sur la base des éléments de la déclaration et la redevance imposée par la Société ou le tribunal ou, à défaut de déclaration, la redevance imposée par la Société ou le tribunal.
Les fonctionnaires compétents en la matière sont désignés par le fonctionnaire dirigeant de la société ou par son delegue.
§ 2. Le pourcentage de la majoration de redevance en cas de non-declaration, visée à l'article 28sexies, § 1er, est fixé comme suit:
1° si la non-declaration est due à des circonstances indépendantes de la volonté du redevable: aucune majoration;
2° si la déclaration est faite hors des délais, mais si le redevable répond en temps utile à l'avis d'établissement d'office: une majoration de 10%;
3° si le redevable ne répond pas ou hors dés délais à l'avis d'établissement d'office: majoration de 50%.
§ 3. Le pourcentage de la majoration de redevance en cas de déclaration incomplète ou inexacte, visée à l'article 28sexies, § 1er, est fixé comme suit:
1° si la déclaration incomplète ou inexacte est due à des circonstances indépendantes de la volonté du redevable: aucune majoration;
2° si le redevable réagit dans les délais à l'avis de rectification de l'administration: majoration de 10% sur la fraction fixée au § 1er;
3° si le redevable ne répond pas ou hors des délais à l'avis de rectification: majoration de 50% sur la fraction visée au § 1er;
4° s'il résulte de la réaction du redevable que les éléments contenus dans la déclaration sont exacts: aucune majoration.
§ 4. Les fonctionnaires visés au § 1er, alinéa deux, peuvent imposer une amende de 2.000 à 50.000 francs pour toute infraction au chapitre IVbis du présent décret et ses arrêtés d'exécution.
Art. 28duodecies. § 1er. La personne au nom de laquelle la redevance est enrôlée, ainsi que son conjoint sur les biens desquels l'imposition est recouvrée, peut présenter une réclamation relative à la redevance établie, les majorations et les amendes auprès du fonctionnaire dirigeant adjoint de la Société. La réclamation peut comporter également une demande de sursis ou d'étalement des paiements de la redevance et d'exemption ou réduction de l'amende administrative ou majoration de redevance imposée éventuellement.
La réclamation sera motivée, formulée par écrit et envoyée ou remise, sous peine d'annulation, au fonctionnaire visé à l'alinéa 1er ou son délégué, dans les trois mois de l'envoi ou de la notification de la feuille d'imposition.
§ 2. Le directeur général de l'Administration de la Gestion de l'Environnement, de la Nature, du Sol et des Eaux ou son délégué statue en sa qualité d'autorité administrative sur la réclamation. Le fonctionnaire ne peut augmenter la redevance contestée, l'amende administrative imposée et la majoration de redevance imposée. La décision du fonctionnaire sera motivée et notifiée à l'auteur de la réclamation par lettre recommandée. La décision précise les modalités de pourvoi contre la décision.
§ 3. Si une imposition est déclarée nulle par le fonctionnaire visé au § 2 pour non-conformité de son établissement à une regle légale, à l'exception d'une règle relative à la prescription, la Société peut, même si les délais visés à l'article 28decies, §§ 1er et 2 sont echus, établir une nouvelle imposition au nom du même redevable, sur la base des mêmes éléments ou d'une partie de ceux-ci, dans les trois mois suivant la date à laquelle le tribunal ne peut plus être saisi de la décision du fonctionnaire visé au § 2.
§ 4. Si la décision du fonctionnaire visé au § 2 fait l'objet d'un appel et la justice annule en tout ou en partie l'imposition pour une raison autre que la prescription, la Société peut, même en dehors des délais prescrits à l'article 28decies, §§ 1er et 2, soumettre à l'appréciation du tribunal une imposition subsidiaire au nom du même redevable et sur la base de tout ou partie des mêmes éléments que pour l'imposition initiale, qui statue sur cette requête.
L'imposition subsidiaire n'est recouvrable ou remboursable que suite à une décision judiciaire.
L'imposition subsidiaire est soumise au tribunal par une requête signifiée au redevable. La requête est signifiée avec citation en justice en cas d'une personne assimilée au redevable.
Pour l'application du présent paragraphe, sont assimilés au même redevable:
1° les héritiers du redevable
2° la société, l'association ou la communauté dont le dirigeant ou le directeur a été imposé initialement et vice-versa.
Art. 28terdecies. § 1er. Le fonctionnaire dirigeant adjoint de la Société ou son délégué, est également habilité à accorder, dans des cas particuliers et aux conditions déterminées par lui, une exemption relative aux intérêts de retard ou à une partie de ceux-ci.
Art. 28quaterdecies. § 1er. Dans la mesure où le présent chapitre et les arrêtes pris en exécution de ce chapitre n'y dérogent pas, les règles relatives à l'établissement, au recouvrement, aux litiges, aux intérêts de retard et moratoires, aux poursuites, aux privilèges, à l'hypothèque legale, à la prescription des impôts sur les revenus de l'Etat sont applicables par analogie aux redevances et amendes administratives visées par le présent chapitre.
§ 2. La présentation d'une réclamation ou l'introduction d'une action en justice n'empêche aucunement le recouvrement de l'imposition et de l'amende ou majoration de redevance éventuellement dues, dans la mesure où celles-ci peuvent être assimilées à une dette sûre et certaine aux conditions prévues à l'article 410 du Code des impôts sur les revenus 1992. Sans prejudice de l'application de l'article 414, § 2 du Code des impôts sur les revenus, la présentation d'une réclamation n'est pas suspensive de l'accumulation des intérets de retard.
§ 3. Tous les biens qui sont situés dans la Région flamande et qui s'y prêtent, appartenant à la personne au nom de laquelle l'imposition est enrôlée, peuvent être grevés d'une hypothèque légale. L'hypothèque légale est inscrite à la demande du fonctionnaire dirigeant de la Société ou son délégué.
Nummering Aard hoofdactiviteit Correctiefactor
waarvoor het opgepompte grondwater
werd aangewend
1 Aardappelmeelfabrieken 0.20
2 Aardappelverwerking tot voorgebakken frieten 0.27
3 Aardewerk, asbestcement-, glas-, kalksteen-, 0.23
asbest-, cement- en betonfabriek
4 Autorevisiewerkplaatsen, werkplaatsen voor 0.13
tram en spoor, garages, spuiterijen
5 Bierbrouwerijen 0.27
6 Brood- en koekfabrieken en niet elders 0.23
genoemde voedingsmiddelen
7 Cacao-, chocolade-, suikerwerk-, 0.27
honingfabrieken
8 Chemische industrieen 0.30
9 Destilleerderijen 0.27
10 Destructiebedrijven 0.23
11 Dorserijen van erwten en capucijners 0.20
12 Electriciteitscentrales 0.27
13 Emailleerderijen 0.23
14 Fruitconservenfabrieken (incl.jamfabrieken) 0.10
15 Galvaniseerfabrieken 0.20
16 Gasfabrieken 0.20
17 Gist- en spiritusfabrieken 0.10
18 Grafische en andere papierverwerkende en 0.20
kartonverwerkende bedrijven
19 Groenteconservenbedrijven 0.13
20 Groentewasserijen 0.20
21 Horeca 0.23
22 Huiden en vellen, leerlooierijen en 0.17
pelsbedrijven
23 IJzerbeitserij 0.20
24 Kaarsfabrieken en wasblekerijen 0.20
25 Keramisch industrie 0.10
26 Laboratoria 0.27
27 Lakenverffabrieken 0.27
28 Land- en tuinbouwbedrijven 0.10
a) pluimveebedrijven
b) varkenshouderijen
c) rundveebedrijven
d) veehouderijen niet in sub a, b en c
begrepen
e) overige bedrijven
29 Lijmfabrieken 0.27
30 Limonadefabrieken en bottelarijen 0.27
31 Margarinevet - en spijsoliefabrieken 0.17
32 Metaalindustrie (mechanisch bewerken, 0.20
verzinken en non-ferro beitsen)
33 Metallurgische industrie 0.17
34 Mouterijen 0.23
35 Papierindustrie 0.23
36 Parfum- en cosmeticafabrieken 0.10
37 Pindabranderijen 0.20
38 Plastiekverwerkende nijverheid 0.23
39 Pluimveeslachterijen 0.13
40 Poets - en smeermiddelen fabrieken 0.13
41 Slachthuizen (excl. vleeswarenverwerking) 0.13
andere dan sub 39
42 Stijfsel- en zetmeelfabrieken 0.20
43 Strokartonfabrieken 0.20
44 Suikerfabrieken en suikerbieten rasperijen 0.30
45 Textielfabrieken 0.13
a) spinnerij
b) weverij
c) textielveredeling
d) wolwasserij
46 Vatenwasserijen 0.20
47 Visconservenfabrieken 0.10
48 Vismeelfabrieken 0.20
49 Vleeswarenbedrijven 0.13
50 Vulcaniseerinrichting, gummiwaren, kabel- en 0.23
kunstleerfabrieken
51 Wasserijen, met uitzondering van wassalons 0.20
a) natwasserijen
b) chemische wasserijen en droogkuis
52 Zeepfabrieken 0.23
53 Zuivelindustrie 0.10
54 Zwembadinrichtingen 0.20
55 Niet hoger vermelde bedrijfsactiviteiten 0.20".
waarvoor het opgepompte grondwater
werd aangewend
1 Aardappelmeelfabrieken 0.20
2 Aardappelverwerking tot voorgebakken frieten 0.27
3 Aardewerk, asbestcement-, glas-, kalksteen-, 0.23
asbest-, cement- en betonfabriek
4 Autorevisiewerkplaatsen, werkplaatsen voor 0.13
tram en spoor, garages, spuiterijen
5 Bierbrouwerijen 0.27
6 Brood- en koekfabrieken en niet elders 0.23
genoemde voedingsmiddelen
7 Cacao-, chocolade-, suikerwerk-, 0.27
honingfabrieken
8 Chemische industrieen 0.30
9 Destilleerderijen 0.27
10 Destructiebedrijven 0.23
11 Dorserijen van erwten en capucijners 0.20
12 Electriciteitscentrales 0.27
13 Emailleerderijen 0.23
14 Fruitconservenfabrieken (incl.jamfabrieken) 0.10
15 Galvaniseerfabrieken 0.20
16 Gasfabrieken 0.20
17 Gist- en spiritusfabrieken 0.10
18 Grafische en andere papierverwerkende en 0.20
kartonverwerkende bedrijven
19 Groenteconservenbedrijven 0.13
20 Groentewasserijen 0.20
21 Horeca 0.23
22 Huiden en vellen, leerlooierijen en 0.17
pelsbedrijven
23 IJzerbeitserij 0.20
24 Kaarsfabrieken en wasblekerijen 0.20
25 Keramisch industrie 0.10
26 Laboratoria 0.27
27 Lakenverffabrieken 0.27
28 Land- en tuinbouwbedrijven 0.10
a) pluimveebedrijven
b) varkenshouderijen
c) rundveebedrijven
d) veehouderijen niet in sub a, b en c
begrepen
e) overige bedrijven
29 Lijmfabrieken 0.27
30 Limonadefabrieken en bottelarijen 0.27
31 Margarinevet - en spijsoliefabrieken 0.17
32 Metaalindustrie (mechanisch bewerken, 0.20
verzinken en non-ferro beitsen)
33 Metallurgische industrie 0.17
34 Mouterijen 0.23
35 Papierindustrie 0.23
36 Parfum- en cosmeticafabrieken 0.10
37 Pindabranderijen 0.20
38 Plastiekverwerkende nijverheid 0.23
39 Pluimveeslachterijen 0.13
40 Poets - en smeermiddelen fabrieken 0.13
41 Slachthuizen (excl. vleeswarenverwerking) 0.13
andere dan sub 39
42 Stijfsel- en zetmeelfabrieken 0.20
43 Strokartonfabrieken 0.20
44 Suikerfabrieken en suikerbieten rasperijen 0.30
45 Textielfabrieken 0.13
a) spinnerij
b) weverij
c) textielveredeling
d) wolwasserij
46 Vatenwasserijen 0.20
47 Visconservenfabrieken 0.10
48 Vismeelfabrieken 0.20
49 Vleeswarenbedrijven 0.13
50 Vulcaniseerinrichting, gummiwaren, kabel- en 0.23
kunstleerfabrieken
51 Wasserijen, met uitzondering van wassalons 0.20
a) natwasserijen
b) chemische wasserijen en droogkuis
52 Zeepfabrieken 0.23
53 Zuivelindustrie 0.10
54 Zwembadinrichtingen 0.20
55 Niet hoger vermelde bedrijfsactiviteiten 0.20".
-
HOOFDSTUK XI. - Vlaams Fonds voor de Lastendelging (VFLD).
Art. 43. Dans le même décret, "l'ANNEXE du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines", est remplacée par l'ANNEXE suivante:
Art. 44. Het op 31 december 1999 nog beschikbare saldo op de thesaurierekening 91.10.86.25 wordt overgedragen aan het Vlaams Fonds voor de Lastendelging (VFLD).
CHAPITRE XI. - Fonds flamand d'Amortissement des Charges (VFLD).
HOOFDSTUK XII. - Vlaams Gemeentefonds.
Art. 44. Le reliquat du compte de trésorerie 91.10.86.25 sera transféré le 31 décembre 1999 au Fonds flamand d'Amortissement des Charges (VFLD).
Art. 45. Aan artikel 15, § 2, van het decreet van 6 juli 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1994, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
CHAPITRE XII. - Fonds flamand des Communes.
Art. 46. In artikel 3 van het decreet van 31 juli 1990 tot instelling van het Vlaams Gemeentefonds en tot regeling van een bijzondere dotatie voor sommige gemeenten van het Vlaamse Gewest, gewijzigd bij decreet van 19 december 1998, wordt het laatste lid opgeheven.
Art. 45. A l'article 15, § 2, du décret du 6 juillet 1994 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 1994, il est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit:
"A partir de l'exercice budgétaire 2000, l'alinéa 1er ne s'applique plus au Fonds flamand des Communes, tel qu'il a été institué par le décret du 31 juillet 1990 instituant le Fonds flamand des Communes et réglant l'octroi d'une dotation spéciale à certaines communes de la Région flamande ainsi qu'au Fonds flamand des Provinces, tel qu'il a été institué par le décret du 29 avril 1991 relatif au Fonds flamand des Provinces.".
"A partir de l'exercice budgétaire 2000, l'alinéa 1er ne s'applique plus au Fonds flamand des Communes, tel qu'il a été institué par le décret du 31 juillet 1990 instituant le Fonds flamand des Communes et réglant l'octroi d'une dotation spéciale à certaines communes de la Région flamande ainsi qu'au Fonds flamand des Provinces, tel qu'il a été institué par le décret du 29 avril 1991 relatif au Fonds flamand des Provinces.".
Art. 47. In artikel 6 van het decreet van 7 november 1990 tot vaststelling van de regelen inzake de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, gewijzigd bij decreet van 19 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "in vier delen" worden vervangen door de woorden "in drie delen";
2° punt 4° wordt opgeheven.
1° de woorden "in vier delen" worden vervangen door de woorden "in drie delen";
2° punt 4° wordt opgeheven.
Art. 46. Dans l'article 3 du décret du 31 juillet 1990 instituant le Fonds flamand des Communes en réglant l'octroi d'une dotation spéciale à certaines communes de la Région flamande, modifie par le décret du 19 décembre 1998, le dernier alinéa est abrogé.
HOOFDSTUK XIII. - DAB Grondfonds.
Art. 47. A l'article 6 du décret du 7 novembre 1990 fixant les règles de repartition du Fonds flamand des communes, modifié par le décret du 19 décembre 1998, sont apportées les modifications suivantes:
Art. 48. Aan artikel 144, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening wordt een 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
CHAPITRE XIII. - SGS Fonds foncier.
HOOFDSTUK XIV. - Welzijn.
Art. 48. A l'article 144, § 2, du décret du 18 mai portant organisation de l'aménagement du territoire, il est ajouté un 4° rédigé comme suit:
Afdeling 1. - Geestelijke Gezondheidszorg.
CHAPITRE XIV. - Aide sociale.
Art. 49. Aan artikel 36 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de geestelijke gezondheidszorg wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
Section Ire. - Santé mentale.
Art. 50. In artikel 37 van hetzelfde decreet wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"De centra voor geestelijke gezondheidszorg die overeenkomstig artikel 22 worden erkend vanaf 1 januari 2000 dienen hun beleidsplan, bedoeld in artikel 25, drie maanden na de betekening van hun erkenning in bij de administratie Gezondheidszorg.".
"De centra voor geestelijke gezondheidszorg die overeenkomstig artikel 22 worden erkend vanaf 1 januari 2000 dienen hun beleidsplan, bedoeld in artikel 25, drie maanden na de betekening van hun erkenning in bij de administratie Gezondheidszorg.".
Art. 49. A l'article 36 du décret du 18 mai 1999 relatif au secteur de la santé mentale, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit:
"Les arrêtés énumérés à l'alinéa 1er restent d'application à un centre de santé mentale ou son ayant droit, jusqu'à la date de son agrément conformément aux dispositions de l'article 20 du décret précité et au plus tard le 30 septembre 2000.".
"Les arrêtés énumérés à l'alinéa 1er restent d'application à un centre de santé mentale ou son ayant droit, jusqu'à la date de son agrément conformément aux dispositions de l'article 20 du décret précité et au plus tard le 30 septembre 2000.".
Afdeling 2. - Kwaliteitszorg.
Art. 50. Dans l'article 37 du même décret, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante:
Art. 51. In artikel 7, § 1, van het decreet van 29 april 1997 inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen, wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd:
Section 2. - Gestion de la qualité.
Afdeling 3. - Zorgverzekering.
Art. 51. Dans l'article 7, § 1er du décret du 29 avril 1997 relatif a la gestion de la qualité dans les établissements d'aide sociale, l'alinéa suivant est inséré entre l'alinéa deux et trois:
Art. 52. In artikel 24 van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering, worden het tweede en het derde lid vervangen door wat volgt:
Section 3. - Assurance soins.
HOOFDSTUK XV. - Monumenten en landschappen.
Art. 52. Dans l'article 24 du décret du 30 mars 1999 portant organisation de l'assurance soins, l'alinéa deux et trois sont remplacés par les dispositions suivantes:
Art. 53. De bij besluit van het afdelingshoofd toegekende onderhoudspremie van 21 mei 1997 van 413.400 frank voor het beschermd monument gelegen in de Jan Botermanstraat 4 in Gent, wordt volledig uitbetaald.
CHAPITRE XV. - Monuments et sites.
Art. 54. De bij ministerieel besluit toegekende restauratiepremie van 20 juni 1996 van 437.255 frank voor de restauratie van het gebouw gelegen in de Wollestraat 53 in Brugge (beschermd monument) wordt volledig uitbetaald.
Art. 53. La prime d'entretien de 413.400 francs accordée par arrêté du chef de division du 21 mai 1997 pour le monument protégé situé dans la Jan Botermanstraat 4 à Gand, est réglée intégralement.
Art. 55. Artikel 8, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 5 april 1995 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerken aan beschermde monumenten heeft, in afwijking van de overgangsmaatregelen vervat in artikel 22 van genoemd besluit, gewijzigd bij besluit van 15 oktober 1996, uitwerking met ingang van 8 januari 1993.
Art. 54. La prime de restauration de 437.255 francs accordée par arrêté ministériel du 20 juin 1996 pour la restauration du bâtiment situé dans la Wollestraat 53 à Bruges (monument protégé) est réglée intégralement.
Art. 56. De Vlaamse regering wordt gemachtigd om het eigendomsaandeel van het Vlaamse Gewest in de onroerende goederen die het Gravensteen vormen en gekadastreerd zijn onder Gent I ste afdeling, sectie A, nrs. 327G/327H/372B/330B/330C/332B/338A/339A/342B/368A/383B, kosteloos over te dragen aan de Stad Gent.
De in het eerste lid vermelde goederen worden overgedragen in de staat waarin ze zich bevinden, met de actieve en passieve erfdienstbaarheden, zichtbare en verborgen gebreken, de bijzondere lasten en verplichtingen verbonden aan hun verwerving, de lasten van het verleden evenals de gebeurlijk aan derden toegestane rechten en op uitdrukkelijke voorwaarde van behoud van hun culturele historische bestemming.
De in het eerste lid vermelde goederen worden overgedragen in de staat waarin ze zich bevinden, met de actieve en passieve erfdienstbaarheden, zichtbare en verborgen gebreken, de bijzondere lasten en verplichtingen verbonden aan hun verwerving, de lasten van het verleden evenals de gebeurlijk aan derden toegestane rechten en op uitdrukkelijke voorwaarde van behoud van hun culturele historische bestemming.
Art. 55. L'article 8, § 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 avril 1995 fixant un régime de prime pour des travaux de restauration aux monuments protégés, produit ses effets le 8 janvier 1993, par dérogation aux mesures transitoires prévues à l'article 22 de l'arreté précité, modifié par l'arrêté du 15 octobre 1996.
Art. 57.
Art. 56. Le Gouvernement flamand est habilité à transférer gratuitement à la ville de Gand, la part de propriété de la Region flamande dans les biens immobiliers qui constituent le Gravensteen et sont cadastrés Gand 1re division, section A, nos 327G/327H/372B/330B/330C/332B/338A/339A/342B/368A/383B/.
Les biens énumérés à l'alinéa 1er sont transférés dans l'état où ils se trouvent, avec les servitudes actives et passives, les défauts visibles et cachés, les charges et obligations spéciales découlant de leur acquisition, les charges du passé ainsi que les droits octroyés le cas échéant aux tiers, à la condition expresse que leur destination culturelle et historique soit préservée.
Les biens énumérés à l'alinéa 1er sont transférés dans l'état où ils se trouvent, avec les servitudes actives et passives, les défauts visibles et cachés, les charges et obligations spéciales découlant de leur acquisition, les charges du passé ainsi que les droits octroyés le cas échéant aux tiers, à la condition expresse que leur destination culturelle et historique soit préservée.
HOOFDSTUK XVI. - Sociaal-cultureel werk.
Art. 57.
Art. 58. Aan artikel 30, § 4, van het decreet van 19 april 1995 houdende een subsidieregeling voor diensten voor sociaal-cultureel werk voor volwassenen houdende een wijziging van het decreet 2 januari 1976 tot erkenning en subsidiering van de Nederlandstalige koepelorganisaties voor beleidsvoorbereidend overleg in de sector van het sociaal-cultureel werk voor volwassenen, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
CHAPITRE XVI. - Animation socioculturelle.
HOOFDSTUK XVII. - Havens.
Art. 58. A l'article 30, § 4 du décret du 19 avril 1995 réglant l'octroi de subventions aux services d'animation socioculturelle des adultes et modifiant le décret du 2 janvier 1976 réglant l'agrément des superstructures de régime néerlandais du secteur de l'animation socioculturelle des adultes et l'octroi de subventions à ces organismes, il est ajouté un alinéa deux rédigé comme suit:
Art. 59. Aan artikel 36 van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
CHAPITRE XVII. - Ports.
HOOFDSTUK XVIII. - Vlaamse sportfederaties.
Art. 59. A l'article 36 du décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes, il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit:
Art. 60. De Vlaamse regering wordt ertoe gemachtigd om in het jaar 2000 bij wijze van overgangsmaatregel subsidies te verstrekken aan sportfederaties die in 1999 erkend en gesubsidieerd werden op basis van het decreet van 2 maart 1977 houdende regeling van de erkenning en de subsidiëring van de landelijk georganiseerde sportverenigingen en die met toepassing van het decreet van 13 april 1999 houdende erkenning en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, met inbegrip van de overgangsmaatregel bedoeld in artikel 13, 1°, niet langer voor subsidiëring in aanmerking komen.
CHAPITRE XVIII. - Fédérations sportives flamandes.
HOOFDSTUK XIX. - Inwerkingtreding.
Art. 60. Le Gouvernement flamand est habilité à octroyer des subventions à titre transitoire dans l'année 2000, aux fédérations sportives agréées et subventionnées en 1999 sur la base du décret du 2 mars 1977 portant agréation et admission aux subventions des associations sportives organisées au niveau de la communauté culturelle et qui ne sont plus éligibles aux subventions, en application du décret du 13 avril 1999 organisant l'agrément et le subventionnement des fédérations sportives flamandes, y compris la mesure transitoire visée à l'article 13, 1°.
Art. 61. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2000, behoudens andersluidende bepalingen in dit decreet.
CHAPITRE XIX. - Entrée en vigueur.
-
Art. 61. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2000, sauf dispositions contraires dans le présent décret.
Promulguons le présent décret, ordonnons qu'il soit publié au Moniteur belge.
Bruxelles, le 22 décembre 1999.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand et Ministre flamand des Finances, du Budget, de la Politique extérieure et des Affaires européennes,
P. DEWAEL
Le Ministre Vice-Président du Gouvernement flamand et Ministre flamand de la Mobilité, des Travaux publics et de l'Energie,
S. STEVAERT
Le Ministre flamand de l'Aide sociale, de la Santé et de l'Egalité des Chances,
Mme M. VOGELS
Le Ministre flamand de la Culture, de la Jeunesse, de la Politique urbaine, du Logement et des Affaires bruxelloises,
B. ANCIAUX
Le Ministre flamand de l'Enseignement et de la Formation,
Mme M. VANDERPOORTEN
Le Ministre flamand de l'Emploi et du Tourisme,
R. LANDUYT
Le Ministre flamand de l'Environnement et de l'Agriculture,
Mme V. DUA
Le Ministre flamand des Affaires intérieures, de la Fonction publique et des Sports,
J. SAUWENS
Le Ministre flamand de l'Economie, de l'Aménagement du Territoire et des Médias
D. VAN MECHELEN
Promulguons le présent décret, ordonnons qu'il soit publié au Moniteur belge.
Bruxelles, le 22 décembre 1999.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand et Ministre flamand des Finances, du Budget, de la Politique extérieure et des Affaires européennes,
P. DEWAEL
Le Ministre Vice-Président du Gouvernement flamand et Ministre flamand de la Mobilité, des Travaux publics et de l'Energie,
S. STEVAERT
Le Ministre flamand de l'Aide sociale, de la Santé et de l'Egalité des Chances,
Mme M. VOGELS
Le Ministre flamand de la Culture, de la Jeunesse, de la Politique urbaine, du Logement et des Affaires bruxelloises,
B. ANCIAUX
Le Ministre flamand de l'Enseignement et de la Formation,
Mme M. VANDERPOORTEN
Le Ministre flamand de l'Emploi et du Tourisme,
R. LANDUYT
Le Ministre flamand de l'Environnement et de l'Agriculture,
Mme V. DUA
Le Ministre flamand des Affaires intérieures, de la Fonction publique et des Sports,
J. SAUWENS
Le Ministre flamand de l'Economie, de l'Aménagement du Territoire et des Médias
D. VAN MECHELEN