Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
3 MAART 1999. - Koninklijk besluit betreffende de medische geschiktheid als parachutist of commando. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-04-1999 en tekstbijwerking tot 01-03-2016)
Titre
3 MARS 1999. - Arrêté royal relatif à l'aptitude médicale comme parachutiste ou commando. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-04-1999 et mise à jour au 01-03-2016)
Dokumentinformationen
Numac: 1999070650
Datum: 1999-03-03
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1999070650
Date: 1999-03-03
Moniteur: Voir
Tekst (33)
Texte (33)
Artikel 1. [1 De in de artikelen 2 tot 5 bedoelde militairen ondergaan in de cel paracommando van het centrum voor medische expertise de]1 medische onderzoeken om hun specifieke geschiktheid vast te stellen voor hun functie of voor hun opdrachten.
Article 1. Les [1 militaires visés aux articles 2 à 5 sont soumis à des examens médicaux à la cellule paracommando du centre médical d'expertise]1 en vue de déterminer leur aptitude spécifique à leur fonction ou à leurs missions.
Art. 2. De volgende militairen moeten voldoen aan de medische voorwaarden, vastgesteld in bijlage 1 bij dit besluit :
1° de houder van het hoger brevet van parachutist die een functie uitoefent die de activiteiten eigen aan dit brevet met zich meebrengt of die een opdracht vervult die deze activiteiten met zich meebrengt;
2° de houder van het hoger brevet van commando die een functie uitoefent die de activiteiten eigen aan dit brevet met zich meebrengt of die een opdracht vervult die deze activiteiten met zich meebrengt.
Art. 2. Les militaires suivants doivent satisfaire aux conditions médicales déterminées à l'annexe 1 au présent arrêté :
1° le détenteur du brevet supérieur de parachutiste exerçant une fonction entraînant les activités propres à ce brevet ou effectuant une mission entraînant ces activités;
2° le détenteur du brevet supérieur de commando exerçant une fonction entraînant les activités propres à ce brevet ou effectuant une mission entraînant ces activités.
Art. 3. De volgende personen moeten voldoen aan de medische voorwaarden, vastgesteld in bijlage 2 bij dit besluit :
1° de kandidaat voor het hoger brevet van parachutist;
2° de kandidaat voor het hoger brevet van commando;
3° de kandidaat voor het brevet van parachutist;
4° de kandidaat voor het brevet van commando.
Art. 3. Les personnes suivantes doivent satisfaire aux conditions médicales déterminées à l'annexe 2 au présent arrêté :
1° le candidat au brevet supérieur de parachutiste;
2° le candidat au brevet supérieur de commando;
3° le candidat au brevet de parachutiste;
4° le candidat au brevet de commando.
Art. 4. De volgende militairen moeten voldoen aan de medische voorwaarden, vastgesteld in bijlage 3 bij dit besluit :
1° de kandidaat voor het brevet van vrije val;
2° de kandidaat voor het brevet van sprongonderrichter;
3° de houder van het brevet van vrije val die een functie uitoefent die de activiteiten eigen aan dit brevet met zich meebrengt of die een opdracht vervult die deze activiteiten met zich meebrengt;
4° de houder van het brevet van sprongonderrichter die een functie uitoefent die de activiteiten eigen aan dit brevet met zich meebrengt of die een opdracht vervult die deze activiteiten met zich meebrengt.
Art. 4. Les militaires suivants doivent satisfaire aux conditions médicales déterminées à l'annexe 3 au présent arrêté :
1° le candidat au brevet de chute libre;
2° le candidat au brevet d'instructeur de saut;
3° le détenteur du brevet de chute libre exerçant une fonction entraînant les activités propres à ce brevet ou effectuant une mission entraînant ces activités;
4° le détenteur du brevet d'instructeur de saut exerçant une fonction entraînant les activités propres à ce brevet ou effectuant une mission entraînant ces activités.
Art. 5. De volgende militairen moeten voldoen aan de medische voorwaarden, vastgesteld in bijlage 4 bij dit besluit :
1° de kandidaat voor het brevet van voorklimmer;
2° de kandidaat voor het brevet van hulponderrichter-commando;
3° de kandidaat voor het brevet van onderrichter-commando;
4° de houder van het brevet van voorklimmer die een functie uitoefent die de activiteiten eigen aan dit brevet met zich meebrengt of die een opdracht vervult die deze activiteiten met zich meebrengt;
5° de houder van het brevet van hulponderrichter-commando die een functie uitoefent die de activiteiten eigen aan dit brevet met zich meebrengt of die een opdracht vervult die deze activiteiten met zich meebrengt;
6° de houder van het brevet van onderrichter-commando die een functie uitoefent die de activiteiten eigen aan dit brevet met zich meebrengt of die een opdracht vervult die deze activiteiten met zich meebrengt.
Art. 5. Les militaires suivants doivent satisfaire aux conditions médicales déterminées à l'annexe 4 au présent arrêté :
1° le candidat au brevet de premier de cordée;
2° le candidat au brevet d'instructeur auxiliaire commando;
3° le candidat au brevet d'instructeur commando;
4° le détenteur du brevet de premier de cordée exerçant une fonction entraînant les activités propres à ce brevet ou effectuant une mission entraînant ces activités;
5° le détenteur du brevet d'instructeur auxiliaire commando exerçant une fonction entraînant les activités propres à ce brevet ou effectuant une mission entraînant ces activités;
6° le détenteur du brevet d'instructeur commando exerçant une fonction entraînant les activités propres à ce brevet ou effectuant une mission entraînant ces activités.
Art. 6. Er worden een medische commissie voor geschiktheid als parachutist of commando en een medische commissie van beroep voor geschiktheid als parachutist of commando opgericht.
De in het eerste lid vermelde commissies worden hierna respectievelijk "de commissie" en "de commissie van beroep" genoemd.
Art. 6. Il est créé une commission médicale pour l'aptitude comme parachutiste ou commando et une commission médicale d'appel pour l'aptitude comme parachutiste ou commando.
Les commissions visées à l'alinéa 1er sont appelées ci-après respectivement " la commission " et " la commission d'appel ".
Art. 7. De commissie van beroep houdt een geactualiseerde lijst bij van de geneesmiddelen waarvan de inname automatisch leidt tot de tijdelijke medische ongeschiktheid van de militairen bedoeld in de artikelen 2 tot 5 voor hun functie of hun opdrachten voor de duur van de behandeling.
Het gebruik van de geneesmiddelen die vermeld zijn op de in het eerste lid bedoelde lijst, gedurende meer dan twee opeenvolgende jaren, leidt evenwel automatisch tot de definitieve medische ongeschiktheid.
De lijst bedoeld in het eerste lid wordt ter kennis gebracht van de betrokken militairen volgens de regels vastgesteld door de chef [1 defensie]1 in een reglement.
Art. 7. La commission d'appel tient à jour une liste actualisée des médicaments dont la prise entraîne automatiquement l'inaptitude médicale temporaire des militaires visés aux articles 2 à 5 à leur fonction ou à leurs missions pour la durée du traitement.
Toutefois, l'usage de médicaments figurant sur la liste visée à l'alinéa 1er, pendant plus de deux années consécutives entraîne automatiquement l'inaptitude médicale définitive.
La liste visée à l'alinéa 1er est portée à la connaissance des militaires concernés selon les règles fixées par le chef de [1 la défense]1 dans un règlement.
Art. 8. § 1. De militairen bedoeld in de artikelen 3, 4, 1° en 2°, en 5, 1° tot 3°, ondergaan de medische onderzoeken bedoeld in artikel 1, voordat ze de vorming die leidt tot het verwerven van het beschouwde brevet aanvatten.
§ 2. De militairen bedoeld in de artikelen 2, 4, 3° en 4°, en 5, 4° tot 6°, ondergaan jaarlijks de medische onderzoeken bedoeld in artikel 1.
Evenwel wordt, betreffende de militairen bedoeld in artikel 4, 3° en 4°, slechts om de drie jaar een elektro-encefalogram genomen.
§ 3. Bovendien ondergaan de militairen bedoeld in § 2, eerste lid, de medische onderzoeken bedoeld in artikel 1, in de volgende gevallen :
[1 op verzoek van één van de hiërarchische overheden van de militair, met een rang ten minste gelijk aan die van eenheidscommandant, wanneer deze overheid meent dat de militair medisch ongeschikt is voor zijn functie of zijn opdracht;]1
[1 op verzoek van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, van de geneesheer-arbeidsinspecteur of van een geneesheer van het medisch regionaal centrum, bevoegd voor de eenheid van de betrokken militair :
a) wanneer hij van oordeel is dat de militair een medisch probleem heeft dat een invloed kan hebben op diens medische geschiktheid voor zijn functie of voor zijn opdracht;
b) wanneer de militair gedurende meer dan [2 achtentwintig opeenvolgende dagen]2 om gezondheidsredenen afwezig is geweest;]1

[1 op verzoek van de militair via de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, omdat de militair van oordeel is dat zijn medische geschiktheid gewijzigd is;]1
[1 op verzoek van de voorzitter van de commissie in het geval bedoeld in artikel 17, tweede lid;]1
[1 op verzoek van de voorzitter van de commissie van beroep in het geval bedoeld in artikel 21, eerste lid.]1
[1 ...]1.
Art. 8. § 1er. Les militaires visés aux articles 3, 4, 1° et 2°, et 5, 1° à 3°, subissent les examens médicaux visés à l'article 1er avant d'entamer la formation menant à l'obtention du brevet considéré.
§ 2. Les militaires visés aux articles 2, 4, 3° et 4°, et 5, 4° à 6°, subissent annuellement les examens médicaux visés à l'article 1.
Toutefois, en ce qui concerne les militaires visés à l'article 4, 3° et 4°, un électroencéphalogramme n'est pris que tous les trois ans.
§ 3. En outre, les militaires visés au § 2, alinéa 1er, subissent les examens médicaux visés à l'article 1er, dans les cas suivants :
[1 à la demande d'une des autorités hiérarchiques du militaire, d'un rang au moins égal à celui de commandant d'unité, lorsque cette autorité estime que le militaire est médicalement inapte à sa fonction ou à sa mission;]1
[1 à la demande du conseiller en prévention-médecin du travail, du médecin-inspecteur du travail ou d'un médecin du centre médical régional, compétent pour l'unité du militaire concerné :
a) lorsqu'il estime que le militaire a un problème médical susceptible d'influencer son aptitude médicale à sa fonction ou à sa mission;
b) lorsque le militaire a été absent pour motif de santé pendant plus de [2 vingt-huit jours consécutifs]2;]1

[1 à la demande du militaire via le conseiller en prévention-médecin du travail, parce que le militaire estime que son aptitude médicale a changé;]1
[1 à la demande du président de la commission dans le cas visé à l'article 17, alinéa 2;]1
[1 à la demande du président de la commission d'appel dans le cas visé à l'article 21, alinéa 1er.]1
[1 ...]1.
Art. 9. [1 De commissie beslist over de medische geschiktheid voor zijn functie of zijn opdrachten, van de militair bedoeld in de artikelen 2, 3, 1° en 2°, 4 en 5 :
1° die door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, de geneesheer-arbeidsinspecteur of een geneesheer van het medisch regionaal centrum bevoegd voor de eenheid van de betrokken militair naar deze commissie wordt verwezen omdat deze geneesheer van oordeel is dat de militair medisch ongeschikt zou kunnen zijn voor zijn functie of opdrachten;
2° die door de hoofdgeneesheer van de cel paracommando van het centrum voor medische expertise naar deze commissie wordt verwezen omdat deze geneesheer van oordeel is dat de militair medisch ongeschikt zou kunnen zijn voor zijn functie of opdrachten;
3° die de voorzitter van de commissie hierom verzoekt omdat hij van oordeel is dat hij medisch ongeschikt zou kunnen zijn voor zijn functie of opdrachten.]1

Art. 9. [1 La commission décide de l'aptitude médicale à sa fonction ou à ses missions, du militaire visé aux articles 2, 3, 1° et 2°, 4 et 5 :
1° renvoyé devant cette commission par le conseiller en prévention-médecin du travail, le médecin-inspecteur du travail ou un médecin du centre médical régional compétent pour l'unité du militaire concerné parce que ce médecin estime que le militaire pourrait être médicalement inapte à sa fonction ou ses missions;
2° renvoyé devant cette commission par le médecin chef de la cellule paracommando du centre médical d'expertise parce que ce médecin estime que le militaire pourrait être médicalement inapte à sa fonction ou ses missions;
3° qui le demande au président de la commission parce qu'il estime qu'il pourrait être médicalement inapte à sa fonction ou ses missions.]1

Art. 10. De commissie van beroep beslist in tweede aanleg over de medische geschiktheid van de militair die overeenkomstig artikel 21, eerste lid, in beroep gaat tegen de beslissing van de commissie.
Art. 10. La commission d'appel décide en deuxième instance de l'aptitude médicale du militaire interjetant appel contre la décision de la commission conformément à l'article 21, alinéa 1.
Art. 11. § 1. De commissie en de commissie van beroep bestaan elk uit drie leden, onder wie een voorzitter.
Op voorstel van de [1 commandant van de medische component, wijst de directeur-generaal human resources]1 de leden aan van de commissie en van de commissie van beroep, evenals een plaatsvervangend lid voor elk van deze commissies.
De leden en het plaatsvervangend lid van de commissie en van de commissie van beroep zijn officier-geneesheer van het actief kader.
Minstens een lid en het plaatsvervangende lid van de commissie en van de commissie van beroep zijn houder van de hogere brevetten van parachutist en van commando.
Een lid van de commissie van beroep mag geen lid geweest zijn van de commissie voor een zelfde zaak.
De voorzitter van de commissie en de voorzitter van de commissie van beroep zijn telkens het lid met de meeste anciënniteit in de hoogste graad.
§ 2. [1 Het secretariaat van elke commissie wordt waargenomen door een secretaris die kan worden bijgestaan door andere personeelsleden van het departement van Defensie. Het personeel van het secretariaat van elke commissie wordt aangewezen door de voorzitter van de betrokken commissie.]1
§ 3. De leden van de commissie en van de commissie van beroep en de secretaris moeten de zaak kunnen behandelen in de taal [1 van het taalstelsel]1 van de belanghebbende.
[1 § 4. De bevoegheden van korpscommandant worden ten aanzien van de leden van iedere commissie en van het secretariaat uitgeoefend :
1° in administatief opzicht, door de voorzitter van de betrokken commissie;
2° in disciplinair opzicht, door de commandant van de medische component.
§ 5. Elke persoon, waarvan de geschiktheid als parachutist of commando onderzocht wordt, kan elk lid van een commissie of een commissie van beroep wraken [2 indien hij van mening is dat een wettige verdenking bestaat ten opzichte van een lid]2.
Dient zich te wraken elk lid van een commissie of een commissie van beroep :
1° dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende, of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad is van de persoon, waarvan de geschiktheid als parachutist of commando onderzocht wordt;
2° dat [2 ...]2 van mening is dat hij de persoon, waarvan de geschiktheid als parachutist of commando onderzocht wordt, niet volkomen onpartijdig kan beoordelen.
Elke persoon, waarvan de geschiktheid als parachutist of commando onderzocht wordt, of het betrokken lid moet de wrakingsgrond doen gelden :
1° bij de voorzitter van de commissie indien de wrakingsgrond een lid van de commissie betreft;
2° bij de voorzitter van de commissie van beroep indien de wrakingsgrond een lid van de commissie van beroep betreft;
3° bij de directeur-generaal human resources, indien de wrakingsgrond de voorzitter van de commissie of van de commissie van beroep betreft.
Indien de voorzitter van de betrokken commissie of de directeur-generaal human resources oordeelt dat de motivering ontoereikend is, kan hij de wraking verwerpen. De verwerping wordt schriftelijk gemotiveerd. Indien hij oordeelt dat de wrakingsgrond gegrond is, worden nieuwe leden aangewezen.
[2 De beslissing wordt overgemaakt aan de betrokkene door middel van elk schriftelijk communicatiemiddel tegen ontvangstbewijs, in voorkomend geval, vergezeld van de lijst van de nieuwe aangewezen leden.]2
De wrakingsgrond, gemotiveerd door een bewijs of een begin van bewijs, wordt door elk schriftelijk communicatiemiddel toegezonden tegen ontvangstbewijs ten laatste vijftien werkdagen vóór de zitting van de betrokken commissie.]1

Art. 11. § 1er. La commission et la commission d'appel sont chacune composées de trois membres dont un président.
Sur la proposition du [1 commandant de la composante médicale, le directeur général human resources désigne]1 les membres de la commission et de la commission d'appel, ainsi qu'un membre suppléant pour chacune de ces commissions.
Les membres et le membre suppléant de la commission et de la commission d'appel sont officier médecin du cadre actif.
Au moins un membre et le membre suppléant de la commission et de la commission d'appel sont détenteurs des brevets supérieurs de parachutiste et de commando.
Un membre de la commission d'appel ne peut pas avoir été membre de la commission pour une même affaire.
Le président de la commission et le président de la commission d'appel sont chaque fois le membre avec le plus d'ancienneté dans le grade le plus élevé.
§ 2. [1 Le secrétariat de chaque commission est assuré par un secrétaire qui peut être assisté par d'autres membres du personnel du département de la Défense. Le personnel du secrétariat est désigné par le président de la commission concernée.]1
§ 3. Les membres de la commission et de la commission d'appel et le secrétaire doivent être capables de traiter l'affaire dans la langue [1 du régime linguistique ]1 de l'intéressé.
[1 § 4. Les attributions de chef de corps à l'égard des membres de chaque commission et du sécrétariat sont exercées :
1° au point de vue administratif, par le président de la commission concernée;
2° au point de vue disciplinaire, par le commandant de la composante médicale.
§ 5. Toute personne, dont l'aptitude comme parachutiste ou commando est examinée, peut récuser tout membre d'une commission ou d'une commission d'appel [2 s'il estime qu'il existe une suspicion légitime à l'égard d'un membre]2.
Doit se récuser tout membre d'une commission ou d'une commission d'appel :
1° qui est le conjoint ou cohabitant légal, ou un parent ou allié jusqu'au quatrième degré de la personne, dont l'aptitude comme parachutiste ou commando est examinée;
2° qui [2 ...]2 estime qu'il ne peut apprécier la personne, dont l'aptitude comme parachutiste ou commando est examinée, en toute impartialité.
Toute personne, dont l'aptitude comme parachutiste ou commando est examinée, ou le membre concerné doit faire valoir la cause de récusation :
1° auprès du président de la commission si la cause de récusation concerne un membre de la commission;
2° auprès du président de la commission d'appel si la cause de récusation concerne un membre de la commission d'appel;
3° auprès du directeur général human resources si la cause de récusation concerne le président de la commission ou de la commission d'appel.
Si le président de la commission concernée ou le directeur général human resources estime la motivation insuffisante, il peut rejeter la récusation. Le rejet est motivé par écrit. S'il estime la cause de récusation fondée, de nouveaux membres sont désignés.
[2 La décision est transmise au concerné par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception, le cas échéant, accompagnée de la liste des nouveaux membres désignés.]2
La cause de récusation, motivée par une preuve ou un commencement de preuve, est envoyée par tout moyen de communication écrite avec accusé de réception au plus tard quinze jours ouvrables avant la séance de la commission concernée.]1

Art. 12. De commissie beslist op basis van de medische onderzoeken bedoeld in artikel 1.
De commissie van beroep beslist op basis van een nieuw medisch onderzoek.
Art. 12. La commission décide sur la base des examens médicaux visés à l'article 1.
La commission d'appel décide sur la base d'un nouvel examen médical.
Art. 13. De commissie en de commissie van beroep kunnen volgende beslissingen nemen :
1° de geschiktheid;
2° de tijdelijke ongeschiktheid;
3° de verlenging van de tijdelijke ongeschiktheid;
4° de definitieve ongeschiktheid.
De commissie en de commissie van beroep beslissen bij eenvoudige meerderheid van stemmen.
Art. 13. La commission et la commission d'appel peuvent prendre les décisions suivantes :
1° l'aptitude;
2° l'inaptitude temporaire;
3° la prolongation de l'inaptitude temporaire;
4° l'inaptitude définitive.
La commission et la commission d'appel décident à la majorité simple des voix.
Art. 14. De commissie of de commissie van beroep beslist tot geschiktheid indien de militair voldoet aan de medische voorwaarden, volgens het geval vastgesteld in de bijlage 1, 2, 3 of 4 bij dit besluit.
Art. 14. La commission ou la commission d'appel décide l'aptitude si le militaire répond aux conditions médicales déterminées selon le cas à l'annexe 1, 2, 3 ou 4 au présent arrêté.
Art. 15. De commissie of de commissie van beroep beslist tot tijdelijke ongeschiktheid indien kan verwacht worden dat de toestand van de militair zodanig zal verbeteren dat binnen de twee jaar kan besloten worden tot geschiktheid, alhoewel hij niet voldoet aan de medische voorwaarden, volgens het geval vastgesteld in de bijlage 1, 2, 3 of 4 bij dit besluit.
Besluit de commissie of de commissie van beroep tot tijdelijke ongeschiktheid dan bepaalt zij hiervan de duur. Deze duur bedraagt maximaal twee jaar.
Art. 15. La commission ou la commission d'appel décide l'inaptitude temporaire si une amélioration de la situation du militaire permettant de décider l'aptitude dans les deux ans peut être attendue, bien qu'il ne réponde pas aux conditions médicales déterminées selon le cas à l'annexe 1, 2, 3 ou 4 au présent arrêté.
Si la commission ou la commission d'appel décide l'inaptitude temporaire, elle en détermine la durée. Cette durée est de deux ans au maximum.
Art. 16. De commissie of de commissie van beroep beslist tot een verlenging van de tijdelijke ongeschiktheid indien kan verwacht worden dat de toestand van de militair zodanig zal verbeteren dat binnen de twee jaar na de eerste beslissing tot tijdelijke ongeschiktheid kan besloten worden tot geschiktheid, hoewel hij niet voldoet aan de medische voorwaarden, volgens het geval vastgesteld in de bijlage 1, 2, 3 of 4 bij dit besluit.
Besluit de commissie of de commissie van beroep tot een verlenging van de tijdelijke ongeschiktheid dan bepaalt zij hiervan de duur. Deze duur bedraagt maximaal twee jaar verminderd met de gecumuleerde duur van de tijdelijke ongeschiktheid sinds de eerste beslissing tot tijdelijke ongeschiktheid.
Art. 16. La commission ou la commission d'appel décide la prolongation de l'inaptitude temporaire si une amélioration de la situation du militaire peut être attendue permettant de décider l'aptitude dans les deux années suivant la décision initiale d'inaptitude temporaire, bien qu'il ne réponde pas aux conditions médicales déterminées selon le cas à l'annexe 1, 2, 3 ou 4 au présent arrêté.
Si la commission ou la commission d'appel décide la prolongation de l'inaptitude temporaire, elle en détermine la durée. Cette durée est de deux ans au maximum, diminuée de la durée cumulée de l'inaptitude temporaire depuis la décision initiale d'inaptitude temporaire.
Art. 17. Heeft de commissie of de commissie van beroep beslist tot tijdelijke ongeschiktheid of tot een verlenging van de tijdelijke ongeschiktheid, dan verzoekt de voorzitter van de commissie de militair opnieuw te verschijnen voor de commissie uiterlijk vijftien dagen voor het verstrijken van de periode van tijdelijke ongeschiktheid.
In de gevallen bedoeld in het eerste lid, beslist de commissie op basis van een nieuw medisch onderzoek.
Art. 17. Si la commission ou la commission d'appel a décidé l'inaptitude temporaire ou la prolongation de l'inaptitude temporaire, le président de la commission invite le militaire à comparaître de nouveau devant la commission au plus tard quinze jours avant l'expiration de la période d'inaptitude temporaire.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, la commission décide sur la base d'un nouvel examen médical.
Art. 18. De commissie of de commissie van beroep beslist tot definitieve ongeschiktheid in de gevallen niet bedoeld in de artikelen 14, 15 en 16.
Art. 18. La commission ou la commission d'appel décide l'inaptitude définitive dans les cas non visés aux articles 14, 15 et 16.
Art. 19. Oordeelt de commissie of de commissie van beroep dat de militair in kwestie voor elke militaire dienst ongeschikt zou kunnen zijn, dan geeft de voorzitter van de commissie of van de commissie van beroep, naargelang het geval, de minister van [1 Defensie]1 of de militaire overheid aangeduid door de minister van [1 Defensie]1 hiervan kennis met het oog op de behandeling van de zaak door de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform.
In het geval bedoeld in het eerste lid, stelt hij eveneens de militair in kwestie in kennis van het feit dat zijn zaak zal behandeld worden door de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform.
In het geval dat de commissie oordeelt dat de militair in kwestie voor elke militaire dienst ongeschikt zou kunnen zijn, beslist de commissie van beroep pas over een eventueel beroep na de beslissing van de Militaire Commissie voor geschiktheid en Reform en in voorkomend geval na de beslissing van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform voor zover een van deze laatste commissies geen definitieve beslissing tot ongeschiktheid voor elke militaire dienst heeft genomen.
Art. 19. Si la commission ou la commission d'appel estime que le militaire en question pourrait être inapte à tout service militaire, le président de la commission ou de la commission d'appel porte ceci à la connaissance du ministre de la Défense [1 ...]1 ou de l'autorité militaire désignée par le ministre de la Défense [1 ...]1 en vue du traitement de l'affaire par la Commission militaire d'aptitude et de réforme.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, selon le cas, il porte également à la connaissance du militaire en question le fait que son affaire sera traitée par la Commission militaire d'aptitude et de réforme.
Dans le cas où la commission estime que le militaire en question pourrait être inapte à tout service militaire, la commission d'appel ne décide d'un éventuel appel qu'après la décision de la Commission militaire d'aptitude et de réforme et le cas échéant après la décision de la Commission militaire d'aptitude et de réforme d'appel et pour autant qu'une de ces dernières commissions n'a pas pris une décision définitive d'inaptitude à tout service militaire.
Art. 20. De voorzitter van de commissie of van de commissie van beroep, volgens het geval, betekent de gemotiveerde beslissing aan de militair.
De voorzitter van de commissie of van de commissie van beroep, volgens het geval, brengt haar gemotiveerde beslissing ter kennis [1 van de korpscommandant van de militair, de hoofdgeneesheer van de cel paracommando van het centrum voor medische expertise, alsmede van de hoofdgeneesheer van het medisch regionaal centrum en van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer bevoegd voor de eenheid van de betrokken militair]1.
Bovendien brengt de voorzitter van de commissie van beroep de gemotiveerde beslissing van de commissie van beroep ter kennis van de voorzitter van de commissie.
Art. 20. Le président de la commission ou de la commission d'appel, selon le cas, notifie la décision motivée au militaire.
Le président de la commission ou de la commission d'appel, selon le cas, porte sa décision motivée à la connaissance [1 du chef de corps du militaire, du médecin chef de la cellule paracommando du centre médical d'expertise, ainsi que du médecin chef du centre médical régional et du conseiller en prévention-médecin du travail compétents pour l'unité du militaire concerné.]1.
En outre, le président de la commission d'appel porte la décision motivée de la commission d'appel à la connaissance du président de la commission.
Art. 21. De militair kan beroep aantekenen tegen de beslissing van de commissie bij de commissie van beroep binnen een termijn van dertig kalenderdagen volgend op de betekening van deze beslissing.
Dit beroep wordt gericht aan de voorzitter van de commissie van beroep [1 bij aangetekende zending]1.
Dit beroep schort de bestreden beslissing niet op.
Art. 21. Le militaire peut interjeter appel contre la décision de la commission devant la commission d'appel dans un délai de trente jours calendriers suivant la notification de cette décision.
Cet appel est adressé au président de la commission d'appel [1 par envoi recommandé]1.
Cet appel ne suspend pas la décision contestée.
Art. 22. De voorzitter van de commissie van beroep verzoekt de militair om te verschijnen voor de commissie van beroep. Deze mag zich laten bijstaan door een geneesheer van zijn keuze.
De commissie van beroep mag het advies inwinnen van de specialisten van haar keuze.
De militair of zijn geneesheer mogen hun opmerkingen schriftelijk of mondeling kenbaar maken voor de commissie van beroep.
(De voorzitter van de commissie van beroep kan de voorzitter van de commissie uitnodigen de beslissing bedoeld in artikel 9 toe te lichten.)
Art. 22. Le président de la commission d'appel invite le militaire à comparaître devant la commission d'appel. Celui-ci peut se faire assister par un médecin de son choix.
La commission d'appel peut demander l'avis des spécialistes de son choix.
Le militaire ou son médecin peuvent faire connaître leurs remarques oralement ou par écrit auprès de la commission d'appel.
(Le président de la commission d'appel peut inviter le président de la commission à commenter la décision visée à l'article 9.)
Art. 23. De resultaten van het medische onderzoek bedoeld in artikel 12, tweede lid, mogen geraadpleegd worden door de geneesheer van de militair. Deze resultaten zijn hiertoe beschikbaar in het secretariaat, bedoeld in artikel 11, § 2, gedurende de vijftien werkdagen voorafgaand aan de zitting van de commissie van beroep.
Art. 23. Les résultats de l'examen médical visé à l'article 12, alinéa 2, peuvent être consultés par le médecin du militaire. A cet effet, ces résultats sont disponibles au secrétariat visé à l'article 11, § 2, pendant les quinze jours ouvrables précédant la séance de la commission d'appel.
Art. 24. De Minister van [1 Defensie]1 legt in een reglement de nadere regels vast voor :
1° de beroepsprocedure tegen de beslissing van de commissie;
2° de organisatie van de medische onderzoeken bedoeld in artikel 1;
3° de werking en de organisatie van de commissies bedoeld in artikel 6, eerste lid.
Art. 24. Le ministre de la Défense [1 ...]1, arrête dans un règlement les modalités afférentes à :
1° la procédure d'appel de la décision de la commission;
2° l'organisation des examens médicaux visés à l'article 1er;
3° le fonctionnement et l'organisation des commissions visées à l'article 6, alinéa 1.
Art. 25. De [1 hoofdgeneesheer van de cel paracommando van het centrum voor medische expertise]1 beslist op basis van de in artikel 1 bedoelde onderzoeken over de medische geschiktheid en ongeschiktheid van de in artikel 3, 3°, bedoelde militairen.
De [1 hoofdgeneesheer van de cel paracommando van het centrum voor medische expertise]1 beslist op basis van de in artikel 1 bedoelde onderzoeken over de medische geschiktheid en ongeschiktheid van de in artikel 3, 4°, bedoelde militairen.
Art. 25. Le [1 médecin chef de la cellule paracommando du centre médical d'expertise]1 décide de l'aptitude et de l'inaptitude médicales des militaires visés à l'article 3, 3°, sur la base des examens visés à l'article 1.
Le [1 médecin chef de la cellule paracommando du centre médical d'expertise]1 décide de l'aptitude et inaptitude médicales des militaires visés à l'article 3, 4°, sur la base des examens visés à l'article 1.
Art. 26. De beslissing bedoeld in artikel 25, eerste of tweede lid, volgens het geval, wordt betekend aan de militair.
[1 Bovendien wordt ze ter kennis gebracht van de korpscommandant van de militair, alsmede van de hoofdgeneesheer van het medisch regionaal centrum en van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer bevoegd voor de eenheid van de betrokken militair.]1
Art. 26. La décision visée à l'article 25, alinéa 1er ou 2, selon le cas, est notifiée au militaire.
[1 En outre, elle est portée à la connaissance du chef de corps du militaire, ainsi que du médecin chef du centre médical régional et du conseiller en prévention-médecin du travail compétents pour l'unité du militaire concerné.-1
Art. 27. Wie kennis heeft van enig bedrog bij de beslissing [1 van de hoofdgeneesheer van de cel paracommando van het centrum voor medische expertise,]1 van de commissie of van de commissie van beroep, vraagt de minister van [2 Defensie]2 om herziening van deze beslissing.
Deze aanvraag moet binnen de vijf jaar na de betekening van de omstreden beslissing aan de betrokkene ingediend worden.
Oordeelt de minister van [2 Defensie]2 de aanvraag tot herziening gegrond, dan vat hij de voorzitter van de commissie van beroep.
[1 De aanvraag tot herziening is gegrond onder meer indien enige handeling bewust gesteld werd met het oogmerk de beslissing van de hoofdgeneesheer van de cel paracommando van het centrum voor medische expertise, van de commissie of van de commissie van beroep in deze of gene zin zodanig te beïnvloeden of te wijzigen dat ze niet overeenstemt met de werkelijke toestand van de betrokken militair. In het bijzonder wordt elke bewust gestelde daad waardoor onderzoeksresultaten of een ander document hiertoe weggemaakt, verborgen, vernietigd, verduisterd of gewijzigd worden, als bedrieglijk beschouwd.]1
Gaat de vraag bedoeld in het eerste lid, uit van de militair op wie de beslissing betrekking had en oordeelt de minister van [2 Defensie]2 de aanvraag tot herziening ongegrond, dan brengt hij de aanvrager op de hoogte van zijn gemotiveerde weigering de voorzitter van de commissie van beroep te vatten.
Een lid van de commissie of de commissie van beroep waarvan de beslissing herzien wordt, kan geen lid zijn van de commissie van beroep die deze beslissing herziet.
In het geval bedoeld in het derde lid, beslist de commissie van beroep in laatste aanleg.
Art. 27. Quiconque a connaissance de quelque fraude lors de la décision [1 du médecin chef de la cellule paracommando du centre médical d'expertise,]1 de la commission ou de la commission d'appel, demande la révision de cette décision au ministre de la Défense [1
]1.
Cette demande doit être introduite dans les cinq années suivant la notification de la décision litigieuse à l'intéressé.
Si le ministre de la Défense [1
]1 estime la demande de révision justifiée, il saisit le président de la commission d'appel.
[1 La demande de révision est justifiée entre autres si un acte quelconque a été sciemment posé en vue d'influencer ou de modifier dans un sens ou dans un autre la décision du médecin chef de la cellule paracommando du centre médical d'expertise, de la commission ou de la commission d'appel de sorte qu'elle ne corresponde pas avec la situation réelle du militaire concerné. En particulier, tout acte posé sciemment par lequel des résultats d'examens ou un autre document est enlevé, caché, détruit, détourné ou modifié à cet effet, est considéré comme frauduleux.]1
Si la demande visée à l'alinéa 1er émane du militaire concerné par la décision et si le ministre de la Défense [1
]1 estime la demande de révision non-justifiée, il informe le demandeur de son refus motivé de saisir le président de la commission d'appel.
Un membre de la commission ou de la commission d'appel dont la décision est revue ne peut être membre de la commission d'appel qui revoit cette décision.
Dans le cas visé à l'alinéa 3, la commission d'appel décide en dernière instance.
Art. 28. Onze Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 28. Notre Ministre de la Défense nationale est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. Medische voorwaarden waaraan de militairen vermeld in artikel 2 moeten voldoen.
1. Ten minste het volgende medisch profiel hebben :
P S I V C A M E
2 2 2 2 3 3 2 2
(2. Het lichaamsgewicht moet overeenstemmen met de veiligheidsnorm inherent aan het gebruikte type valscherm. Het lichaamsgewicht mag de veiligheid van de activiteiten eigen aan het brevet waarvan de betrokken militair in kwestie houder is, noch het slagen in de voorgeschreven proeven in het gedrang brengen.
De body-mass-index of index van Quetelet moet kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 28.
Evenwel is een hogere index aanvaardbaar indien deze kennelijk het gevolg is van een uitgesproken robuustheid.)
3. Beschikken over de anatomische en functionele integriteit van het ademhalingsstelsel, inzonderheid :
(1) geen antecedenten van astma hebben met op het ogenblik van de medische keuring als parachutist of -commando een positieve provocatietest;
(2) vrij zijn van aangeboren of verworven aandoeningen die de longfunctie met minstens vijftien procent beperken of die een ernstige vermindering van de longperfusie met zich meebrengen.
4. Beschikken over de anatomische en functionele integriteit van het cardiovasculaire stelsel met inbegrip van de veneuze circulatie ter hoogte van de onderste ledematen en vrij zijn van volgende aandoeningen :
(1) ernstige ventriculaire extrasystolen;
(2) ernstige ritme- of geleidingsstoornissen in het algemeen;
(3) ernstige cardiale tekortkomingen;
(4) belangrijke varices van de onderste ledematen;
(5) een varicocele;
(6) belangrijke inwendige of uitwendige hemorroïden.
5. Vrij zijn van de volgende huidaandoeningen :
(1) een huidziekte die wegens haar uitgebreidheid of haar recidiverend of chronisch karakter het normaal uitoefenen van de functie of het vervullen van de opdracht in het gedrang brengt;
(2) littekens, misvormingen en aandoeningen van de huid of de onderhuidse weefsels die door hun uitgebreidheid, hun broos karakter of hun ligging bepaalde bewegingen, het dragen van de militaire uitrusting of de handelingen eigen aan de functie of de opdracht in beduidende mate hinderen.
6. Over de anatomische en functionele integriteit van het spijsverteringsstelsel en het gebit beschikken. De kauwcoëfficiënt moet tenminste gelijk zijn aan 50 %, rekening houdend met eventuele tandprotheses.
Vrij zijn van volgende aandoeningen :
(1) een peptische oesofagitis;
(2) een gastrisch of duodenaal peptisch ulcus;
(3) een gastritis;
(4) een niet verzorgde cariës;
(5) spatisch colon;
(6) een ernstige ontsteking van het mondslijmvlies of het tandvlees.
7. Over de anatomische en functionele integriteit van het urogenitaal stelsel beschikken.
Vrij zijn van elke chronische aandoening van de urinaire organen, met inbegrip van de urethra, die niet voor genezing vatbaar is.
Vrij zijn van nierstenen.
8. Beschikken over de anatomische en functionele integriteit van het skelet en het bewegingsstelsel en over een goed ontwikkelde buikwandmusculatuur.
Vrij zijn van volgende aandoeningen :
(1) een hernia, een zwakheid van de abdominale wand of een omvangrijk litteken dat een risico zou kunnen vormen bij de uitoefening van de functie of het vervullen van de opdracht;
(2) een litteken van de abdominale wand met volgende kenmerken :
(a) een gebrek aan soepelheid;
(b) de aanwezigheid van symptomen die kunnen wijzen op een vergroeiing met de abdominale organen;
(c) het geeft aanleiding tot hinder of eventratie tijdens het hoesten of tot het verhogen van de intra-abdominale druk;
(d) het is minder dan zes maanden oud (deze periode wordt tot drie maanden teruggebracht indien het litteken het gevolg is van een abdominale heelkundige ingreep uitgevoerd aan de hand van een laparoscopische techniek);
(3) een letsel of een tekortkoming van het bewegingsstelsel waarvoor geen herstel of verbetering kan verwacht worden en die bepaalde bewegingen, het dragen van de militaire uitrusting of handelingen eigen aan de functie of de opdracht in beduidende mate hindert;
(4) een permanente aanwezigheid van osteosynthesemateriaal dat een functionele hinder veroorzaakt;
(5) een belangrijke aantasting van een discus intervertebralis;
(6) een bilaterale spondylolyse;
(7) een antecedent van een wervelzuillijden met objectieve klinische restletsels of waarvan het radiologisch beeld een wervelinzakking of -verschuiving aantoont;
(8) een symptomatische vorm van sacro-ileïtis;
(9) een verlies van botweefsel ter hoogte van de schedel, hetzij door een craniotomie, hetzij door een ziekte of een ongeval;
(10) een antecedent van schedelbasis- of schedeldakfractuur;
(11) een osteoporose die een risico kan inhouden.
9. Beschikken over de anatomische en functionele integriteit van de gehoororganen en van het vestibulaire systeem. Afgezien van een periode van acute infectie van de bovenste luchtwegen dient de doorgankelijkheid van de buis van Eustachius goed te zijn.
Vrij zijn van de volgende aandoeningen :
(1) een infectie van de gehoororganen, inbegrepen de uitwendige oorontsteking;
(2) een perforatie van het trommelvlies.
10. Vrij zijn van ieder neurologisch letsel met een functionele weerslag, inbegrepen de chronische migraine.
Vrij zijn van volgende syndromen :
(1) een post-commotioneel syndroom dat reeds meer dan twaalf maanden bestaat en dat :
(a) ofwel duidelijk geobjectiveerd werd door de meest aangepaste onderzoekstechnieken;
(b) ofwel enkel subjectief aanwezig is, maar waarbij het neuropsychiatrisch onderzoek tot ongeschiktheid doet besluiten;
(2) een post-commotioneel syndroom dat minder dan twaalf maanden bestaat.
11. Beschikken over een goed mentaal en emotioneel evenwicht dat verenigbaar is met het uitoefenen van de functie of met het vervullen van de opdracht. In het bijzonder mag de militair in kwestie geen van volgende antecedenten hebben indien deze het uitoefenen van de functie of het vervullen van de opdracht zouden kunnen hinderen :
(1) een verslaving aan psychotrope geneesmiddelen, aan drugs of aan alcohol;
(2) een overdreven emotionaliteit;
(3) afwijkingen van de persoonlijkheid.
Niet meer onder behandeling zijn met psychotrope geneesmiddelen sinds ten minste vier maanden.
12. Vrij zijn van elke ziekte of verwonding of geen heelkundige ingreep ondergaan hebben die een risico inhoudt voor het veilig uitoefenen van de functie of het vervullen van de opdracht.
13. Niet zwanger zijn en sinds ten minste drie maanden niet meer zwanger zijn.
14. Geen radiaire keratotomie ondergaan hebben, tenzij ze uitgevoerd is met een laser en een gunstig oftalmologisch advies wordt gegeven.
Opm : De radiaire keratotomie die uitgevoerd werd door middel van een manuele techniek en de radiaire keratotomie die met behulp van een laser werd uitgevoerd, maar die aanleiding geeft tot een ongunstig oftalmologisch advies, leiden tot definitieve ongeschiktheid.
Art. N1. Annexe 1. Conditions médicales auxquelles doivent répondre les militaires visés à l'article 2.
1. Avoir au moins le profil médical suivant :
P S I V C A M E
2 2 2 2 3 3 2 2
(2. Le poids corporel doit correspondre à la norme de sécurité inhérente au type de parachute utilisé. Le poids corporel ne peut compromettre la sécurité des activités propres au brevet dont le militaire concerné est le détenteur, ni la réussite des épreuves physiques prévues.
L'indice body-mass ou indice de Quetelet doit être inférieur ou égal à 28.
Toutefois, un indice supérieur est acceptable si celui-ci est la conséquence manifeste d'une robustesse marquée.)
3. Disposer de l'intégrité anatomique et fonctionnelle du système respiratoire, notamment :
(1) ne pas avoir d'antécédent d'asthme avec un test de provocation positif au moment de la sélection médicale du parachutiste ou commando;
(2) être exempt de toute affectation innée ou acquise limitant la fonction pulmonaire d'au moins quinze pour-cent ou entraînant une diminution grave de la perfusion pulmonaire.
4. Disposer de l'intégrité anatomique et fonctionnelle du système cardio-vasculaire y compris de la circulation veineuse au niveau des membres inférieurs et être exempt des affectations suivantes :
(1) de graves extrasystoles ventriculaires;
(2) de graves troubles du rythme ou de la conduction en général;
(3) de graves défauts cardiaques;
(4) d'importantes varices des membres inférieurs;
(5) une varicocèle;
(6) d'importantes hémorroïdes internes ou externes.
5. Etre exempt des affections cutanées suivantes :
(1) une maladie cutanée susceptible d'inhiber l'exercice normal de la fonction ou l'accomplissement de la mission en raison de son étendue ou de son caractère récidivant ou chronique;
(2) de cicatrices, malformations et affections de la peau ou des tissus sous-cutanés qui gênent par leur extension, leur caractère pernicieux ou leur siège dans une mesure avérée certains mouvements, le port de l'équipement militaire ou les actions propres à la fonction ou à la mission.
6. Disposer de l'intégrité anatomique et fonctionnelle du système digestif et de la dentition. Le coefficient masticatoire doit au moins être égal à 50 %, compte tenu d'éventuelles prothèses dentaires.
Etre exempt des affections suivantes :
(1) une osophagite peptique;
(2) un ulcère gastrique ou duodénal;
(3) une gastrite;
(4) une carie non traitée;
(5) le colon spastique;
(6) une inflammation grave des muqueuses buccales ou des gencives.
7. Disposer de l'intégrité anatomique et fonctionnelle du système urogénital.
Etre exempt de toute affection chronique des organes urinaires y compris de l'urètre qui n'est pas susceptible de guérison.
Etre exempt de calculs rénaux.
8. Disposer de l'intégrité anatomique et fonctionnelle du squelette et du système ostéoarticulaire et d'une musculature abdominale bien développée.
Etre exempt des affections suivantes :
(1) une hernie, une faiblesse de la paroi abdominale ou une cicatrice importante constituant un risque potentiel lors de l'exercice de la fonction ou de l'accomplissement de la mission;
(2) une cicatrice de la paroi abdominale aux caractéristiques suivantes :
(a) un manque de souplesse;
(b) la présence de symptômes pouvant indiquer une excroissance des organes abdominaux;
(c) elle entraîne une gêne ou une éventration lors de la toux ou une hausse de la pression intra-abdominale;
(d) elle est ancienne de moins de six mois (cette période est ramenée à trois mois si la cicatrice est la conséquence d'une opération chirurgicale abdominale effectuée par technique laparascopique);
(3) une lésion ou un défaut du système ostéoarticulaire qui n'est pas susceptible de guérison ou d'amélioration et gênant dans une mesure avérée certains mouvements, le port de l'équipement militaire ou les actions propres à la fonction ou à la mission;
(4) une présence permanente de matériel d'ostéosynthèse occasionnant une gêne fonctionnelle;
(5) une atteinte importante d'un disque intervertébral;
(6) une spondylolyse bilatérale;
(7) un antécédent de souffrance de la colonne vertébrale avec des séquelles cliniques objectives ou dont l'image radiologique démontre un effondrement vertébral ou un déplacement vertébral;
(8) une forme symptomatique de sacro-iléite;
(9) une perte de tissus osseux au niveau du crâne, soit par craniotomie, soit par maladie ou accident;
(10) un antécédent de fracture de la base du crâne ou de la voûte crânienne;
(11) une ostéoporose susceptible d'entraîner un risque.
9. Disposer de l'intégrité anatomique et fonctionnelle des organes de l'audition et du système vestibulaire. En dehors d'une période d'infection aiguë des voies respiratoires supérieures, la perméabilité de la trompe d'Eustache doit être bonne.
Etre exempt des affections suivantes :
(1) une infection des organes de l'audition, y compris une otite externe;
(2) une perforation du tympan.
10. Etre exempt de toute lésion neurologique à retentissement fonctionnel, y compris la migraine chronique.
Etre exempt des syndromes suivants :
(1) un syndrome post-commotionnel existant depuis plus de douze mois et qui est :
(a) soit objectivé clairement par les techniques d'examen les plus adéquates;
(b) soit présent uniquement de manière subjective, mais dont l'examen neuropsychiatrique fait conclure à l'inaptitude;
(2) un syndrome post-commotionnel existant depuis moins de douze mois.
11. Disposer d'un bon équilibre mental et émotionnel compatible avec l'exercice de la fonction ou avec l'accomplissement de la mission. En particulier, le militaire en question ne peut pas avoir un des antécédents suivants si ceux-ci peuvent gêner l'exercice de la fonction ou l'accomplissement de la mission :
(1) une dépendance aux médicaments psychotropes, aux drogues ou à l'alcool;
(2) une émotivité exacerbée;
(3) des troubles de la personnalité.
Ne plus être sous traitement à base de médicaments psychotropes depuis quatre mois au moins.
12. Etre exempt de toute maladie ou blessure ni avoir subi une intervention chirurgicale comportant un risque pour l'exercice de la fonction ou l'accomplissement de la mission en sécurité.
13. Ne pas être enceinte et ne plus être enceinte depuis trois mois au moins.
14. Ne pas avoir subi de kératotomie radiaire, sauf si elle a été effectuée à l'aide d'un laser et est suivie d'un avis ophtalmologique favorable.
Rem. : La kératotomie radiaire effectuée à l'aide d'une technique manuelle et la kératotomie effectuée à l'aide d'un laser mais entraînant un avis ophtalmologique défavorable, entraînent l'inaptitude définitive.
Art. N2. Bijlage 2. Medische voorwaarden waaraan de militairen vermeld in artikel 3 moeten voldoen.
1. Voldoen aan de medische eisen bepaald in bijlage 1 bij dit besluit.
2. De som van de huidplooien gemeten volgens de methode van Durnin en Wommersley moet kleiner zijn dan vijfenvijftig millimeter.
Art. N2. Annexe 2. Conditions médicales auxquelles doivent répondre les militaires visés à l'article 3.
1. Répondre aux exigences médicales déterminées à l'annexe 1 au présent arrêté.
2. La somme des plis cutanés mesurés suivant la méthode de Durnin et Wommersley doit être plus petite que cinquante-cinq millimètres.
Art. N3. Bijlage 3. Medische voorwaarden waaraan de militairen vermeld in artikel 4 moeten voldoen.
1. Voldoen aan de medische eisen bepaald in bijlage 1 bij dit besluit.
2. Ten minste het volgende medisch profiel bezitten :
P S I V C A M E
2 2 2 2 2 3 1 1
3. Vrij zijn van een secundaire anemie die door een verblijf op grote hoogte een klinische weerslag zou kunnen hebben.
4. Geen antecedent hebben van uitgesproken of langdurige duizeligheid met of zonder misselijkheid of braken.
5. Vrij zijn van een geaccentueerde intrekking van het trommelvlies met verminderde beweeglijkheid of die geassocieerd is met een verminderde doorgankelijkheid van de buis van Eustachius.
6. Geen ernstig litteken of een verdikking van het trommelvlies hebben.
7. Niet lijden aan spierkrachtverlies dat de veiligheid in het gedrang kan brengen.
8. Geen antecedent van spontane pneumothorax hebben, uitgezonderd een eenmalig gebeuren dat tenminste drie jaar voor de datum van het huidig onderzoek ligt en waarbij het medisch onderzoek op een normale longfunctie duidt.
9. Een normaal elektro-encefalogram vertonen.
10. De reactie op stressomstandigheden mag geen risico inhouden voor het veilig uitoefenen van de functie of het vervullen van de opdracht.
11. Op het longfunctieonderzoek geen resultaten behalen die lager zijn dan 85 % van de normale waarden.
12. Geen afwijkende resultaten op de test in de lagedrukkamer bekomen.
Art. N3. Annexe 3. Conditions médicales auxquelles doivent répondre les militaires visés à l'article 4.
1. Répondre aux exigences médicales déterminées à l'annexe 1 au présent arrêté :
2. Présenter au moins le profil médical suivant :
P S I V C A M E
2 2 2 2 3 3 1 1
3. Etre exempt d'anémie secondaire qui pourrait avoir un retentissement clinique suite à un séjour en haute altitude.
4. Ne pas avoir d'antécédent de vertige avéré ou de longue durée, avec ou sans malaise ni vomissement.
5. Etre exempt d'une rétraction accentuée du tympan avec mobilité diminuée ou associée à une perméabilité atténuée de la trompe d'Eustache.
6. Ne pas avoir de cicatrice grave ou un épaississement du tympan.
7. Ne pas souffrir de perte de force musculaire pouvant compromettre la sécurité.
8. Ne pas avoir d'antécédent de pneumothorax spontané, à l'exception d'un incident unique situé à trois ans au moins avant la date du présent examen et dont l'examen médical indique une fonction pulmonaire normale.
9. Présenter un électroencéphalogramme normal.
10. La réaction aux circonstances de stress ne peut compromettre la sécurité de l'exercice de la fonction ou de l'accomplissement de la mission.
11. Ne pas obtenir de résultat à l'examen de la fonction pulmonaire inférieure à 85 % des valeurs normales.
12. Ne pas obtenir de résultat anormal pour le test dans la chambre basse pression.
Art. N4. Bijlage 4. Medische voorwaarden waaraan de militairen vermeld in artikel 5 moeten voldoen.
1. Voldoen aan de medische eisen bepaald in bijlage 1 bij dit besluit.
2. Ten minste het volgende medisch profiel bezitten :
P S I V C A M E
2 2 2 2 2 3 1 1
3. Geen antecedenten hebben van uitgesproken of langdurige duizeligheid met of zonder misselijkheid of braken.
4. Niet lijden aan krachtverlies dat de veiligheid in het gedrang kan brengen.
5. De reactie op stressomstandigheden mag geen risico inhouden voor het veilig uitoefenen van de functie of het vervullen van de opdracht.
Art. N4. Annexe 4. Conditions médicales auxquelles doivent répondre les militaires visés à l'article 5.
1. Répondre aux exigences médicales déterminées à l'annexe 1 au présent arrêté.
2. Présenter au moins le profil médical suivant :
P S I V C A M E
2 2 2 2 2 3 1 1
3. Ne pas avoir d'antécédent de vertige avéré ou de longue durée, avec ou sans malaise ni vomissement.
4. Ne pas souffrir de perte de force qui peut mettre en question la sécurité.
5. La réaction aux circonstances de stress ne peut compromettre la sécurité de l'exercice de la fonction ou de l'accomplissement de la mission.