Artikel 1. Gebezigde uitdrukkingen en reikwijdte.
1. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent :
(1) " Gebied " : de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht;
(2) " Autoriteit " : de Internationale Zeebodemautoriteit;
(3) " werkzaamheden in het Gebied " : alle werkzaamheden in verband met de exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied;
(4) " verontreiniging van het mariene milieu " : de rechtstreekse of niet rechtstreekse inbrenging door de mens van stoffen of energie in het mariene milieu, met inbegrip van de riviermonden, die schadelijke gevolgen heeft of naar alle waarschijnlijkheid zal hebben zoals schade aan de levende rijkdommen en de mariene flora en fauna, gevaar voor de gezondheid van de mens, belemmering van de activiteiten op zee, met inbegrip van het vissen en andere rechtmatige soorten gebruik van de zee, aantasting van de kwaliteit van het zeewater in verband met het gebruik ervan en vermindering van de recreatieve waarde van dit milieu;
(5) a) " storten " :
(i) het zich opzettelijk ontdoen van afval en andere stoffen vanuit schepen of luchtvaartuigen, of vanaf platforms of andere bouwwerken in zee;
(ii) het tot zinken brengen van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee;
b) onder " storten " wordt niet begrepen :
(i) het zich ontdoen van afval of andere stoffen behorende bij of afkomstig van de normale exploitatie van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee en van hun uitrusting, waaronder niet begrepen zijn afval en andere stoffen die worden vervoerd door of overgeladen op schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee, gebruikt om zich van deze stoffen te ontdoen, of stoffen die afkomstig zijn van de verwerking van dergelijk afval of andere stoffen aan boord van deze schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken.
(ii) het deponeren van stoffen met een andere oogmerk dan er zich enkel en alleen van te ontdoen mits zulks niet strijdig is met het doel van dit Verdrag.
2. (1) " Staten die Partij zijn " betekent Staten die ermede hebben ingestemd door dit Verdrag gebonden te zijn en voor wie dit Verdrag in werking is getreden.
(2) Dit Verdrag is mutatis mutandis van toepassing op de lichamen genoemd in artikel 305, eerste lid, letters b), c), d), e) en f), die bij dit Verdrag Partij worden in overeenstemming met de voorwaarden die op ieder daarvan toepasselijk zijn, en in zoverre verwijst " Partijen " naar deze lichamen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
10 DECEMBER 1982. - Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee (Vertaling).
Titre
10 DECEMBRE 1982. - Convention des Nations Unies sur le droit de la Mer.
Dokumentinformationen
Numac: 1999A15103
Datum: 1982-12-10
Info du document
Numac: 1999A15103
Date: 1982-12-10
Inhoud
DEEL I. - Inleiding.
DEEL II. - Territoriale zee en aansluitende zone.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Begrenzing van de territoriale zee.
Afdeling 3. - Onschuldige doorvaart in de terri...
Onderafdeling A. - Regels die van toepassing zi...
Onderafdeling B. - Regels die van toepassing zi...
Onderafdeling C. - Regels die van toepassing zi...
Afdeling 4. - De aansluitende zone.
DEEL III. - Zeestraten gebruikt voor de interna...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Doortocht.
Afdeling 3. - Onschuldige doorvaart.
DEEL IV. - Archipelstaten.
DEEL V. - Exclusieve economische zone.
DEEL VI. - Continentaal plat.
DEEL VII. - Volle zee.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Behoud en beheer van de levende r...
DEEL VIII. - Regeling voor eilanden.
DEEL IX. - Ingesloten of half-ingesloten zeeën.
DEEL X. - Recht van toegang van Staten zonder z...
DEEL XI. - Het gebied.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Op het gebied toepasselijke begin...
Afdeling 3. - Ontginning van de rijkdommen van ...
Afdeling 4. - De Autoriteit.
Onderafdeling A. - Algemene bepalingen.
Onderafdeling B. - De vergadering.
Onderafdeling C. - De Raad.
Onderafdeling D. - Het Secretariaat.
Onderafdeling E. - De Onderneming.
Onderafdeling F. - Financiële regelingen van de...
Onderafdeling G. - Juridische status, voorrecht...
Onderafdeling H. - Schorsing van de uitoefening...
Afdeling 5. - Regeling van geschillen en adviezen.
DEEL XII. - Bescherming en behoud van het marie...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Mondiale en regionale samenwerking.
Afdeling 3. - Technische hulp.
Afdeling 4. - Controlemetingen en ecologische e...
Afdeling 5. - Internationale regels en national...
Afdeling 6. - Handhaving van bepalingen.
Afdeling 7. - Waarborgen.
Afdeling 8. - Met ijs bedekte gebieden.
Afdeling 9. - Verantwoordelijkheid en aansprake...
Afdeling 10. - Soevereine immuniteit.
Afdeling 11. - Verplichting krachtens andere Ve...
DEEL XIII. - Wetenschappelijk zeeonderzoek.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Internationale samenwerking.
Afdeling 3. - Het verrichten en bevorderen van ...
Afdeling 4. - Installaties of apparatuur voor w...
Afdeling 5. - Verantwoordelijkheid en aansprake...
Afdeling 6. - Regeling van geschillen en voorlo...
DEEL XIV. - Ontwikkeling en overdracht van mari...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Internationale samenwerking.
Afdeling 3. - Nationale en regionale centra voo...
Afdeling 4. - Samenwerking tussen international...
DEEL XV. - Regeling van geschillen.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Verplichte procedures leidende to...
Afdeling 3. - Berperkingen en excepties op de t...
DEEL XVI. - Algemene bepalingen.
DEEL XVII. - Slotbepalingen.
Bijlagen.
Inhoud
PARTIE I. - Introduction.
PARTIE II. - Mer territoriale et zone contiguë.
Section 1. - Dispositions générales.
Section 2. - Limites de la mer territoriale.
Section 3. - Passage inoffensif dans la mer ter...
Sous-section A. - Règles applicables à tous les...
Sous-section B. - Règles applicables aux navire...
Sous-section C. - Règles applicables aux navire...
Section 4. - Zone contiguë.
PARTIE III. - Détroits servant à la navigation ...
Section 1. - Dispositions générales.
Section 2. - Passage en transit.
Section 3. - Passage inoffensif.
PARTIE IV. - Etats archipels.
PARTIE V. - Zone économique exclusive.
PARTIE VI. - Plateau continental.
PARTIE VII. - Haute mer.
Section 1. - Dispositions générales.
Section 2. - Conservation et gestion des ressou...
PARTIE VIII. - Régime des îles.
PARTIE IX. - Mers fermées ou semi-fermées.
PARTIE X. - Droits d'accès des Etats sans litto...
PARTIE XI. - La zone.
Section 1. - Dispositions Générales.
Section 2. - Principes régissant la Zone.
Section 3. - Mise en valeur des ressources de l...
Section 4. - L'autorité.
Sous-section A. - Dispositions générales.
Sous-section B. - L'Assemblée.
Sous-section C. - Le Conseil.
Sous-section D. - Le Secrétariat.
Sous-section E. - L'Entreprise.
Sous-section F. - Organisation financière de l'...
Sous-section G. - Statut juridique, privilèges ...
Sous-section H. - Suspension de l'exercice des ...
Section 5. - Règlement des différends et avis c...
PARTIE XII. - Protection et préservation du mil...
Section 1. - Dispositions générales.
Section 2. - Coopération mondiale et régionale.
Section 3. - Assistance technique.
Section 4. - Surveillance continue et évaluatio...
Section 5. - Réglementation internationale et d...
Section 6. - Mise en application.
Section 7. - Garanties.
Section 8. - Zones recouvertes par les glaces.
Section 9. - Responsabilité.
Section 10. - Immunité souveraine.
Section 11. - Obligations découlant d'autres co...
PARTIE XIII. - Recherche scientifique marine.
Section 1. - Dispositions générales.
Section 2. - Cooperation internationale.
Section 3. - Conduite de la recherche scientifi...
Section 4. - Installations et matériel de reche...
Section 5. - Responsabilité.
Section 6. - Règlement des différends et mesure...
PARTIE XIV. - Développement et transfert des te...
Section 1. - Dispositions générales.
Section 2. - Coopération internationale.
Section 3. - Centres nationaux et régionaux de ...
Section 4. - Coopération entre organisations in...
PARTIE XV. - Règlement des différends.
Section 1. - Dispositions générales.
Section 2. - Procédures obligatoires aboutissan...
Section 3. - Limitations et exceptions à l'appl...
PARTIE XVI. - Dispositions genérales.
PARTIE XVII. - Dispositions finales.
Annexes.
Tekst (389)
Texte (389)
DEEL I. - Inleiding.
PARTIE I. - Introduction.
Article 1. Emploi des termes et champ d'application.
1. Aux fins de la Convention :
(1) on entend par " Zone " les fonds marins et leur sous-sol au-delà des limites de la juridiction nationale;
(2) on entend par " Autorité " l'Autorité internationale des fonds marins;
(3) on entend par " activités menées dans la Zone " toutes les activités d'exploration et d'exploitation des ressources de la Zone;
(4) on entend par " pollution du milieu marin " l'introduction directe ou indirecte, par l'homme, de substances ou d'énergie dans le milieu marin, y compris les estuaires, lorsqu'elle a ou peut avoir des effets nuisibles tels que dommages aux ressources biologiques et à la faune et la flore marines, risques pour la santé de l'homme, entrave aux activités maritimes, y compris la pêche et les autres utilisations légitimes de la mer, altération de la qualité de l'eau de mer du point de vue de son utilisation et dégradation des valeurs d'agrément;
(5) a) on entend par " immersion " :
(i) tout déversement délibéré de déchets ou autres matières, à partir de navires, aéronefs, plates-formes ou autres ouvrages placés en mer;
(ii) tout sabordage en mer de navires, aéronefs, plates-formes ou autres ouvrages;
b) le terme " immersion " ne vise pas :
(i) le déversement de déchets ou autres matières produits directement ou indirectement lors de l'exploitation normale de navires, aéronefs, plates-formes ou autres ouvrages placés en mer, ainsi que de leur équipement, à l'exception des déchets ou autres matières transportés par ou transbordés sur des navires, aéronefs, plates-formes ou autres ouvrages placés en mer qui sont utilisés pour l'élimination de ces matières, ou provenant du traitement de tels déchets ou autres matières à bord de ces navires, aéronefs, plates-formes ou ouvrages;
(ii) le dépôt de matières à des fins autres que leur simple élimination, sous réserve que ce dépôt n'aille pas à l'encontre des buts de la Convention.
2. (1) On entend par " Etats Parties " les Etats qui ont consenti à être liés par la Convention et à l'égard desquels la Convention est en vigueur.
(2) La Convention s'applique mutatis mutandis aux entités visées à l'article 305, paragraphe 1, lettres b), c), d), e) et f), qui deviennent Parties à la Convention conformément aux conditions qui concernent chacune d'entre elles, dans cette mesure, le terme " Etats Parties " s'entend de ces entités.
1. Aux fins de la Convention :
(1) on entend par " Zone " les fonds marins et leur sous-sol au-delà des limites de la juridiction nationale;
(2) on entend par " Autorité " l'Autorité internationale des fonds marins;
(3) on entend par " activités menées dans la Zone " toutes les activités d'exploration et d'exploitation des ressources de la Zone;
(4) on entend par " pollution du milieu marin " l'introduction directe ou indirecte, par l'homme, de substances ou d'énergie dans le milieu marin, y compris les estuaires, lorsqu'elle a ou peut avoir des effets nuisibles tels que dommages aux ressources biologiques et à la faune et la flore marines, risques pour la santé de l'homme, entrave aux activités maritimes, y compris la pêche et les autres utilisations légitimes de la mer, altération de la qualité de l'eau de mer du point de vue de son utilisation et dégradation des valeurs d'agrément;
(5) a) on entend par " immersion " :
(i) tout déversement délibéré de déchets ou autres matières, à partir de navires, aéronefs, plates-formes ou autres ouvrages placés en mer;
(ii) tout sabordage en mer de navires, aéronefs, plates-formes ou autres ouvrages;
b) le terme " immersion " ne vise pas :
(i) le déversement de déchets ou autres matières produits directement ou indirectement lors de l'exploitation normale de navires, aéronefs, plates-formes ou autres ouvrages placés en mer, ainsi que de leur équipement, à l'exception des déchets ou autres matières transportés par ou transbordés sur des navires, aéronefs, plates-formes ou autres ouvrages placés en mer qui sont utilisés pour l'élimination de ces matières, ou provenant du traitement de tels déchets ou autres matières à bord de ces navires, aéronefs, plates-formes ou ouvrages;
(ii) le dépôt de matières à des fins autres que leur simple élimination, sous réserve que ce dépôt n'aille pas à l'encontre des buts de la Convention.
2. (1) On entend par " Etats Parties " les Etats qui ont consenti à être liés par la Convention et à l'égard desquels la Convention est en vigueur.
(2) La Convention s'applique mutatis mutandis aux entités visées à l'article 305, paragraphe 1, lettres b), c), d), e) et f), qui deviennent Parties à la Convention conformément aux conditions qui concernent chacune d'entre elles, dans cette mesure, le terme " Etats Parties " s'entend de ces entités.
DEEL II. - Territoriale zee en aansluitende zone.
PARTIE II. - Mer territoriale et zone contiguë.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art. 2. Juridische status van de territoriale zee, van het luchtruim boven de territoriale zee en van de bodem en ondergrond van die zee.
1. De soevereiniteit van een kuststaat strekt zich buiten zijn landgebied en zijn binnenwateren en, in het geval van een archipelstaat, zijn archipelwateren, uit over een aangrenzende zeestrook, omschreven als de territoriale zee.
2. Deze soevereiniteit strekt zich uit over het luchtruim boven de territoriale zee en over de bodem en ondergrond van die zee.
3. De soevereiniteit over de territoriale zee wordt uitgeoefend met inachtneming van dit Verdrag en van andere regels van het internationale recht.
1. De soevereiniteit van een kuststaat strekt zich buiten zijn landgebied en zijn binnenwateren en, in het geval van een archipelstaat, zijn archipelwateren, uit over een aangrenzende zeestrook, omschreven als de territoriale zee.
2. Deze soevereiniteit strekt zich uit over het luchtruim boven de territoriale zee en over de bodem en ondergrond van die zee.
3. De soevereiniteit over de territoriale zee wordt uitgeoefend met inachtneming van dit Verdrag en van andere regels van het internationale recht.
Art. 2. Régime juridique de la mer territoriale et de l'espace aérien surjacent, ainsi que du fond de cette mer et de son sous-sol.
1. La souveraineté de l'Etat côtier s'étend, au-delà de son territoire et de ses eaux intérieures et, dans le cas d'un Etat archipel, de ses eaux archipélagiques, à une zone de mer adjacente désignée sous le nom de mer territoriale.
2. Cette souveraineté s'étend à l'espace aérien au-dessus de la mer territoriale, ainsi qu'au fond de cette mer et à son sous-sol.
3. La souveraineté sur la mer territoriale s'exerce dans les conditions prévues par les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international.
1. La souveraineté de l'Etat côtier s'étend, au-delà de son territoire et de ses eaux intérieures et, dans le cas d'un Etat archipel, de ses eaux archipélagiques, à une zone de mer adjacente désignée sous le nom de mer territoriale.
2. Cette souveraineté s'étend à l'espace aérien au-dessus de la mer territoriale, ainsi qu'au fond de cette mer et à son sous-sol.
3. La souveraineté sur la mer territoriale s'exerce dans les conditions prévues par les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international.
Afdeling 2. - Begrenzing van de territoriale zee.
Section 2. - Limites de la mer territoriale.
Art. 3. Breedte van de territoriale zee.
Iedere Staat heeft het recht de breedte van zijn territoriale zee vast te stellen tot een grens niet verder dan 12 zeemijl gemeten van de basislijnen bepaald overeenkomstig dit Verdrag.
Iedere Staat heeft het recht de breedte van zijn territoriale zee vast te stellen tot een grens niet verder dan 12 zeemijl gemeten van de basislijnen bepaald overeenkomstig dit Verdrag.
Art. 3. Largeur de la mer territoriale.
Tout Etat a le droit de fixer la largeur de sa mer territoriale, cette largeur ne dépasse pas 12 milles marins mesurés à partir de lignes de base établies conformément à la Convention.
Tout Etat a le droit de fixer la largeur de sa mer territoriale, cette largeur ne dépasse pas 12 milles marins mesurés à partir de lignes de base établies conformément à la Convention.
Art. 4. Buitengrens van de territoriale zee.
De buitengrens van de territoriale zee wordt aangegeven door de lijn waarvan elk punt op een afstand gelijk aan de breedte van de territoriale zee is gelegen van het dichtstbijgelegen punt van de basislijn.
De buitengrens van de territoriale zee wordt aangegeven door de lijn waarvan elk punt op een afstand gelijk aan de breedte van de territoriale zee is gelegen van het dichtstbijgelegen punt van de basislijn.
Art. 4. Limite extérieure de la mer territoriale.
La limite extérieure de la mer territoriale est constituée par la ligne dont chaque point est à une distance égale à la largeur de la mer territoriale du point le plus proche de la ligne de base.
La limite extérieure de la mer territoriale est constituée par la ligne dont chaque point est à une distance égale à la largeur de la mer territoriale du point le plus proche de la ligne de base.
Art. 5. Normale basislijn.
Behalve wanneer in dit Verdrag anders bepaald, is de normale basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten de laagwaterlijn langs de kust, zoals die is aangegeven op officieel door de kuststaat erkende, op grote schaal uitgevoerde zeekaarten.
Behalve wanneer in dit Verdrag anders bepaald, is de normale basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten de laagwaterlijn langs de kust, zoals die is aangegeven op officieel door de kuststaat erkende, op grote schaal uitgevoerde zeekaarten.
Art. 5. Ligne de base normale.
Sauf disposition contraire de la Convention, la ligne de base normale à partir de laquelle est mesurée la largeur de la mer territoriale est la laisse de basse mer le long de la côte, telle qu'elle est indiquée sur les cartes marines à grande échelle reconnues officiellement par l'Etat côtier.
Sauf disposition contraire de la Convention, la ligne de base normale à partir de laquelle est mesurée la largeur de la mer territoriale est la laisse de basse mer le long de la côte, telle qu'elle est indiquée sur les cartes marines à grande échelle reconnues officiellement par l'Etat côtier.
Art. 6. Riffen.
In het geval van op atollen gelegen eilanden of van eilanden omgeven met franjeriffen, is de basislijn voor het meten van de breedte van de territoriale zee de laagwaterlijn aan de zeezijde van het rif zoals aangegeven met het desbetreffende teken op officieel door de kuststaat erkende kaarten.
In het geval van op atollen gelegen eilanden of van eilanden omgeven met franjeriffen, is de basislijn voor het meten van de breedte van de territoriale zee de laagwaterlijn aan de zeezijde van het rif zoals aangegeven met het desbetreffende teken op officieel door de kuststaat erkende kaarten.
Art. 6. Récifs.
Lorsqu'il s'agit de parties insulaires d'une formation atollienne ou d'îles bordées de récifs frangeants, la ligne de base à partir de laquelle est mesurée la largeur de la mer territoriale est la laisse de basse mer sur le récif, côté large, telle qu'elle est indiquée sur les cartes marines reconnues officiellement par l'Etat côtier.
Lorsqu'il s'agit de parties insulaires d'une formation atollienne ou d'îles bordées de récifs frangeants, la ligne de base à partir de laquelle est mesurée la largeur de la mer territoriale est la laisse de basse mer sur le récif, côté large, telle qu'elle est indiquée sur les cartes marines reconnues officiellement par l'Etat côtier.
Art. 7. Rechte basislijnen.
1. Op plaatsen waar de kustlijn diepe uithollingen en insnijdingen vertoont, of indien er een eilandenreeks langs en in de onmiddellijke nabijheid van de kust ligt, kan de methode van rechte basislijnen die daarvoor in aanmerking komende punten verbinden, worden toegepast voor het vaststellen van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.
2. Waar wegens de aanwezigheid van een delta en andere natuurlijke omstandigheden de kustlijn aan voortdurende veranderingen onderhevig is, kunnen de passende punten worden gekozen langs de uiterste grens waar de laagwaterlijn reikt en, niettegenstaande de daaropvolgende terugtrekking van de laagwaterlijn, blijvend de rechte basislijnen van kracht totdat zij door de kuststaat worden gewijzigd overeenkomstig dit Verdrag.
3. Aldus getrokken rechte basislijnen mogen niet aanmerkelijk afwijken van de algemene richting van de kust en de binnen die lijnen gelegen zeegebieden moeten voldoende nauw met het landgebied verbonden zijn om onderworpen te zijn aan het regime der binnenwateren.
4. Er mogen geen rechte basislijnen worden getrokken van en naar bij eb droogvallende bodemverheffingen, tenzij er vuurtorens of soortgelijke installaties die duurzaam boven zee uitsteken op gebouwd zijn of behalve in gevallen waarin het trekken van basislijnen naar en van zulke verheffingen algemeen internationaal erkend is.
5. In de gevallen waarin overeenkomstig het eerste lid de methode van de rechte basislijnen kan worden toegepast, kan bij het vaststellen van bepaalde basislijnen rekening worden gehouden met bijzondere economische belangen van de betrokken streek, waarvan het bestaan en het gewicht duidelijk uit langdurig gebruik blijken.
6. De methode van rechte basislijnen mag niet door een Staat op zodanige wijze worden toegepast, dat daardoor de territoriale zee van een andere Staat zou worden afgesneden van de volle zee of een exclusieve economische zone.
1. Op plaatsen waar de kustlijn diepe uithollingen en insnijdingen vertoont, of indien er een eilandenreeks langs en in de onmiddellijke nabijheid van de kust ligt, kan de methode van rechte basislijnen die daarvoor in aanmerking komende punten verbinden, worden toegepast voor het vaststellen van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.
2. Waar wegens de aanwezigheid van een delta en andere natuurlijke omstandigheden de kustlijn aan voortdurende veranderingen onderhevig is, kunnen de passende punten worden gekozen langs de uiterste grens waar de laagwaterlijn reikt en, niettegenstaande de daaropvolgende terugtrekking van de laagwaterlijn, blijvend de rechte basislijnen van kracht totdat zij door de kuststaat worden gewijzigd overeenkomstig dit Verdrag.
3. Aldus getrokken rechte basislijnen mogen niet aanmerkelijk afwijken van de algemene richting van de kust en de binnen die lijnen gelegen zeegebieden moeten voldoende nauw met het landgebied verbonden zijn om onderworpen te zijn aan het regime der binnenwateren.
4. Er mogen geen rechte basislijnen worden getrokken van en naar bij eb droogvallende bodemverheffingen, tenzij er vuurtorens of soortgelijke installaties die duurzaam boven zee uitsteken op gebouwd zijn of behalve in gevallen waarin het trekken van basislijnen naar en van zulke verheffingen algemeen internationaal erkend is.
5. In de gevallen waarin overeenkomstig het eerste lid de methode van de rechte basislijnen kan worden toegepast, kan bij het vaststellen van bepaalde basislijnen rekening worden gehouden met bijzondere economische belangen van de betrokken streek, waarvan het bestaan en het gewicht duidelijk uit langdurig gebruik blijken.
6. De methode van rechte basislijnen mag niet door een Staat op zodanige wijze worden toegepast, dat daardoor de territoriale zee van een andere Staat zou worden afgesneden van de volle zee of een exclusieve economische zone.
Art. 7. Lignes de base droites.
1. Là où la côte est profondément échancrée et découpée, ou s'il existe un chapelet d'îles le long de la côte, à proximité immédiate de celle-ci, la méthode des lignes de base droites reliant des points appropriés peut être employée pour tracer la ligne de base à partir de laquelle est mesurée la largeur de la mer territoriale.
2. Là où la côte est extrêmement instable en raison de la présence d'un delta et d'autres caractéristiques naturelles, les points appropriés peuvent être choisis le long de la laisse de basse mer la plus avancée et, même en cas de recul ultérieur de la laisse de basse mer, ces lignes de base droites restent en vigueur tant qu'elles n'ont pas été modifiées par l'Etat côtier conformément à la Convention.
3. Le tracé des lignes de base droites ne doit pas s'écarter sensiblement de la direction générale de la côte et les étendues de mer situées en decà doivent être suffisamment liées au domaine terrestre pour être soumises au régime des eaux intérieures.
4. Les lignes de base droites ne doivent pas être tirées vers ou depuis des hauts-fonds découvrants, à moins que des phares ou des installations similaires émergées en permanence n'y aient été construits ou que le tracé de telles lignes de base droites n'ait fait l'objet d'une reconnaissance internationale générale.
5. Dans les cas où la méthode des lignes de base droites s'applique en vertu du paragraphe 1, il peut être tenu compte, pour l'établissement de certaines lignes de base, des intérêts économiques propres à la région considérée dont la réalité et l'importance sont manifestement attestées par un long usage.
6. La méthode des lignes de base droites ne peut être appliquée par un Etat de manière telle que la mer territoriale d'un autre Etat se trouve coupée de la haute mer ou d'une zone économique exclusive.
1. Là où la côte est profondément échancrée et découpée, ou s'il existe un chapelet d'îles le long de la côte, à proximité immédiate de celle-ci, la méthode des lignes de base droites reliant des points appropriés peut être employée pour tracer la ligne de base à partir de laquelle est mesurée la largeur de la mer territoriale.
2. Là où la côte est extrêmement instable en raison de la présence d'un delta et d'autres caractéristiques naturelles, les points appropriés peuvent être choisis le long de la laisse de basse mer la plus avancée et, même en cas de recul ultérieur de la laisse de basse mer, ces lignes de base droites restent en vigueur tant qu'elles n'ont pas été modifiées par l'Etat côtier conformément à la Convention.
3. Le tracé des lignes de base droites ne doit pas s'écarter sensiblement de la direction générale de la côte et les étendues de mer situées en decà doivent être suffisamment liées au domaine terrestre pour être soumises au régime des eaux intérieures.
4. Les lignes de base droites ne doivent pas être tirées vers ou depuis des hauts-fonds découvrants, à moins que des phares ou des installations similaires émergées en permanence n'y aient été construits ou que le tracé de telles lignes de base droites n'ait fait l'objet d'une reconnaissance internationale générale.
5. Dans les cas où la méthode des lignes de base droites s'applique en vertu du paragraphe 1, il peut être tenu compte, pour l'établissement de certaines lignes de base, des intérêts économiques propres à la région considérée dont la réalité et l'importance sont manifestement attestées par un long usage.
6. La méthode des lignes de base droites ne peut être appliquée par un Etat de manière telle que la mer territoriale d'un autre Etat se trouve coupée de la haute mer ou d'une zone économique exclusive.
Art. 8. Binnenwateren.
1. Behalve zoals bepaald in Deel IV maken wateren gelegen aan de landzijde van de basislijn van de territoriale zee deel uit van de binnenwateren van de Staat.
2. Wanneer het vaststellen van een rechte basislijn overeenkomstig de methode vervat in artikel 7 tot gevolg heeft, dat wateren die vroeger niet als zodanig werden beschouwd, als binnenwateren worden ingesloten bestaat in die wateren het in dit Verdrag omschreven recht van onschuldige doorvaart.
1. Behalve zoals bepaald in Deel IV maken wateren gelegen aan de landzijde van de basislijn van de territoriale zee deel uit van de binnenwateren van de Staat.
2. Wanneer het vaststellen van een rechte basislijn overeenkomstig de methode vervat in artikel 7 tot gevolg heeft, dat wateren die vroeger niet als zodanig werden beschouwd, als binnenwateren worden ingesloten bestaat in die wateren het in dit Verdrag omschreven recht van onschuldige doorvaart.
Art. 8. Eaux intérieures.
1. Sous réserve de la partie IV, les eaux situées en decà de la ligne de base de la mer territoriale font partie des eaux intérieures de l'Etat.
2. Lorsque le tracé d'une ligne de base droite établie conformément à la méthode décrite à l'article 7 inclut dans les eaux intérieures des eaux qui n'étaient pas précédemment considérées comme telles, le droit de passage inoffensif prévu dans la Convention s'étend à ces eaux.
1. Sous réserve de la partie IV, les eaux situées en decà de la ligne de base de la mer territoriale font partie des eaux intérieures de l'Etat.
2. Lorsque le tracé d'une ligne de base droite établie conformément à la méthode décrite à l'article 7 inclut dans les eaux intérieures des eaux qui n'étaient pas précédemment considérées comme telles, le droit de passage inoffensif prévu dans la Convention s'étend à ces eaux.
Art. 9. Riviermondingen.
Indien een rivier rechtstreeks uitstroomt in de zee, is de basislijn een rechte lijn dwars over de riviermonding tussen punten op de laagwaterlijn van haar oevers.
Indien een rivier rechtstreeks uitstroomt in de zee, is de basislijn een rechte lijn dwars over de riviermonding tussen punten op de laagwaterlijn van haar oevers.
Art. 9. Embouchure des fleuves.
Si un fleuve se jette dans la mer sans former d'estuaire, la ligne de base est une ligne droite tracée à travers l'embouchure du fleuve entre les points limites de la laisse de basse mer sur les rives.
Si un fleuve se jette dans la mer sans former d'estuaire, la ligne de base est une ligne droite tracée à travers l'embouchure du fleuve entre les points limites de la laisse de basse mer sur les rives.
Art. 10. Baaien.
1. Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op baaien waaraan een enkele Staat ligt.
2. In dit Verdrag wordt onder een baai verstaan een duidelijke insnijding van de kust waarvan de diepte landinwaarts in een zodanige verhouding staat tot de breedte van de monding dat er een door land ingesloten watervlakte ontstaat, en die meer is dan een kromming van de kustlijn. Een insnijding wordt echter niet als een baai beschouwd indien de oppervlakte ervan niet even groot is als of groter dan de halve cirkel waarvan de middellijn wordt gevormd door de lijn die over de monding van de insnijding wordt getrokken.
3. Voor het meten wordt als oppervlakte van een insnijding gerekend het gebied gelegen tussen de laagwaterlijn rond de kust van de insnijding en een lijn getrokken tussen de natuurlijke toegangspunten bij laag water. Indien een insnijding door de aanwezigheid van eilanden meer dan één monding heeft, wordt de halve cirkel getrokken op een lijn ter lengte van de totale lengte van de lijnen over de verschillende mondingen. Eilanden die binnen een insnijding zijn gelegen, worden meegerekend alsof zij deel uitmaakten van de wateroppervlakte van de insnijding.
4. Indien de afstand tussen de natuurlijke toegangspunten van een baai bij laag water niet groter is dan vierentwintig zeemijl, kan tussen deze twee punten een afsluitingslijn worden getrokken, waarbij de aldus ingesloten wateroppervlakte zal worden beschouwd als tot de binnenwateren te behoren.
5. Indien de afstand tussen de natuurlijke toegangspunten van een baai bij laag water groter is dan vierentwintig zeemijl, wordt een rechte basislijn ter lengte van vierentwintig zeemijl getrokken binnen de baai en wel op zodanige wijze dat daardoor de grootste wateroppervlakte die met een lijn van die lengte kan worden begrensd, wordt ingesloten.
6. De voorgaande bepalingen zijn niet van toepassing op zogenaamde " historische " baaien, noch in de gevallen waarin het systeem van rechte basislijnen als bedoeld in artikel 7 wordt toegepast.
1. Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op baaien waaraan een enkele Staat ligt.
2. In dit Verdrag wordt onder een baai verstaan een duidelijke insnijding van de kust waarvan de diepte landinwaarts in een zodanige verhouding staat tot de breedte van de monding dat er een door land ingesloten watervlakte ontstaat, en die meer is dan een kromming van de kustlijn. Een insnijding wordt echter niet als een baai beschouwd indien de oppervlakte ervan niet even groot is als of groter dan de halve cirkel waarvan de middellijn wordt gevormd door de lijn die over de monding van de insnijding wordt getrokken.
3. Voor het meten wordt als oppervlakte van een insnijding gerekend het gebied gelegen tussen de laagwaterlijn rond de kust van de insnijding en een lijn getrokken tussen de natuurlijke toegangspunten bij laag water. Indien een insnijding door de aanwezigheid van eilanden meer dan één monding heeft, wordt de halve cirkel getrokken op een lijn ter lengte van de totale lengte van de lijnen over de verschillende mondingen. Eilanden die binnen een insnijding zijn gelegen, worden meegerekend alsof zij deel uitmaakten van de wateroppervlakte van de insnijding.
4. Indien de afstand tussen de natuurlijke toegangspunten van een baai bij laag water niet groter is dan vierentwintig zeemijl, kan tussen deze twee punten een afsluitingslijn worden getrokken, waarbij de aldus ingesloten wateroppervlakte zal worden beschouwd als tot de binnenwateren te behoren.
5. Indien de afstand tussen de natuurlijke toegangspunten van een baai bij laag water groter is dan vierentwintig zeemijl, wordt een rechte basislijn ter lengte van vierentwintig zeemijl getrokken binnen de baai en wel op zodanige wijze dat daardoor de grootste wateroppervlakte die met een lijn van die lengte kan worden begrensd, wordt ingesloten.
6. De voorgaande bepalingen zijn niet van toepassing op zogenaamde " historische " baaien, noch in de gevallen waarin het systeem van rechte basislijnen als bedoeld in artikel 7 wordt toegepast.
Art. 10. Baies.
1. Le présent article ne concerne que les baies dont un seul Etat est riverain.
2. Aux fins de la Convention, on entend par " baie " une échancrure bien marquée dont la pénétration dans les terres par rapport à sa largeur à l'ouverture est telle que les eaux qu'elle renferme sont cernées par la côte et qu'elle constitue plus qu'une simple inflexion de la côte. Toutefois, une échancrure n'est considérée comme une baie que si sa superficie est au moins égale à celle d'un demi-cercle ayant pour diamètre la droite tracée en travers de l'entrée de l'échancrure.
3. La superficie d'une échancrure est mesurée entre la laisse de basse mer le long du rivage de l'échancrure et la droite joignant les laisses de basse mer aux points d'entrée naturels. Lorsque, en raison de la présence d'îles, une échancrure a plusieurs entrées, le demi-cercle a pour diamètre la somme des longueurs des droites fermant les différentes entrées. La superficie des îles situées à l'intérieur d'une échancrure est comprise dans la superficie totale de celle-ci.
4. Si la distance entre les laisses de basse mer aux points d'entrée naturels d'une baie n'excède pas 24 milles marins, une ligne de délimitation peut être tracée entre ces deux laisses de basse mer, et les eaux se trouvant en decà de cette ligne sont considérées comme eaux intérieures.
5. Lorsque la distance entre les laisses de basse mer aux points d'entrée naturels d'une baie excède 24 milles marins, une ligne de base droite de 24 milles marins est tracée à l'intérieur de la baie de manière à enfermer l'étendue d'eau maximale.
6. Les dispositions précédentes ne s'appliquent pas aux baies dites " historiques " ni dans les cas où la méthode des lignes de base droites prévue à l'article 7 est suivie.
1. Le présent article ne concerne que les baies dont un seul Etat est riverain.
2. Aux fins de la Convention, on entend par " baie " une échancrure bien marquée dont la pénétration dans les terres par rapport à sa largeur à l'ouverture est telle que les eaux qu'elle renferme sont cernées par la côte et qu'elle constitue plus qu'une simple inflexion de la côte. Toutefois, une échancrure n'est considérée comme une baie que si sa superficie est au moins égale à celle d'un demi-cercle ayant pour diamètre la droite tracée en travers de l'entrée de l'échancrure.
3. La superficie d'une échancrure est mesurée entre la laisse de basse mer le long du rivage de l'échancrure et la droite joignant les laisses de basse mer aux points d'entrée naturels. Lorsque, en raison de la présence d'îles, une échancrure a plusieurs entrées, le demi-cercle a pour diamètre la somme des longueurs des droites fermant les différentes entrées. La superficie des îles situées à l'intérieur d'une échancrure est comprise dans la superficie totale de celle-ci.
4. Si la distance entre les laisses de basse mer aux points d'entrée naturels d'une baie n'excède pas 24 milles marins, une ligne de délimitation peut être tracée entre ces deux laisses de basse mer, et les eaux se trouvant en decà de cette ligne sont considérées comme eaux intérieures.
5. Lorsque la distance entre les laisses de basse mer aux points d'entrée naturels d'une baie excède 24 milles marins, une ligne de base droite de 24 milles marins est tracée à l'intérieur de la baie de manière à enfermer l'étendue d'eau maximale.
6. Les dispositions précédentes ne s'appliquent pas aux baies dites " historiques " ni dans les cas où la méthode des lignes de base droites prévue à l'article 7 est suivie.
Art. 11. Havens.
Voor het vaststellen van de begrenzing van de territoriale zee worden de permanente havenwerken die het vertst uit de kust zijn gelegen en die een integrerend onderdeel vormen van het havensysteem, beschouwd een onderdeel van de kust te vormen. Buiten de kust gelegen installaties en kunstmatige eilanden worden niet als permanente havenwerken beschouwd.
Voor het vaststellen van de begrenzing van de territoriale zee worden de permanente havenwerken die het vertst uit de kust zijn gelegen en die een integrerend onderdeel vormen van het havensysteem, beschouwd een onderdeel van de kust te vormen. Buiten de kust gelegen installaties en kunstmatige eilanden worden niet als permanente havenwerken beschouwd.
Art. 11. Ports. Aux fins de la délimitation de la mer territoriale, les installations permanentes faisant partie intégrante d'un système portuaire qui s'avancent le plus vers le large sont considérées comme faisant partie de la côte. Les installations situées au large des côtes et les îles artificielles ne sont pas considérées comme des installations portuaires permanentes.
Art. 12. Reden.
Reden die normaal gebruikt worden voor het laden, lossen en voor anker gaan van schepen en die anders geheel of gedeeltelijk buiten de buitengrens van de territoriale zee zouden zijn gelegen, worden tot de territoriale zee gerekend.
Reden die normaal gebruikt worden voor het laden, lossen en voor anker gaan van schepen en die anders geheel of gedeeltelijk buiten de buitengrens van de territoriale zee zouden zijn gelegen, worden tot de territoriale zee gerekend.
Art. 12. Rades. Lorsqu'elles servent habituellement au chargement, au déchargement et au mouillage des navires, les rades qui normalement se trouveraient entièrement ou partiellement au-delà de la limite extérieure de la mer territoriale sont considérées comme faisant partie de la mer territoriale.
Art. 13. Bij eb droogvallende bodemverheffingen.
1. Een bij eb droogvallende bodemverheffing is een op natuurlijke wijze ontstane landoppervlakte die bij laag tij door water is omgeven en boven water uitsteekt, doch bij hoog tij onder water komt. Indien een bij eb droogvallende bodemverheffing geheel of gedeeltelijk op een afstand tot het vasteland of een eiland ligt, die niet groter is dan de breedte van de territoriale zee, dan kan de laagwaterlijn van die bodemverheffing gebruikt worden als basislijn voor het meten van de breedte van de territoriale zee.
2. Indien een bij eb droogvallende bodemverheffing in haar geheel op een afstand van het vasteland of een eiland ligt, die groter is dan de breedte van de territoriale zee, heeft zij geen eigen territoriale zee.
1. Een bij eb droogvallende bodemverheffing is een op natuurlijke wijze ontstane landoppervlakte die bij laag tij door water is omgeven en boven water uitsteekt, doch bij hoog tij onder water komt. Indien een bij eb droogvallende bodemverheffing geheel of gedeeltelijk op een afstand tot het vasteland of een eiland ligt, die niet groter is dan de breedte van de territoriale zee, dan kan de laagwaterlijn van die bodemverheffing gebruikt worden als basislijn voor het meten van de breedte van de territoriale zee.
2. Indien een bij eb droogvallende bodemverheffing in haar geheel op een afstand van het vasteland of een eiland ligt, die groter is dan de breedte van de territoriale zee, heeft zij geen eigen territoriale zee.
Art. 13. Hauts-fonds découvrants.
1. Par " hauts-fonds découvrants ", on entend les élévations naturelles de terrain qui sont entourées par la mer, découvertes à marée basse et recouvertes à marée haute. Lorsque des hauts-fonds découvrants se trouvent, entièrement ou en partie, à une distance du continent ou d'une île ne dépassant pas la largeur de la mer territoriale, la laisse de basse mer sur ces hauts-fonds peut être prise comme ligne de base pour mesurer la largeur de la mer territoriale.
2. Lorsque des hauts-fonds découvrants se trouvent entièrement à une distance du continent ou d'une île qui dépasse la largeur de la mer territoriale, ils n'ont pas de mer territoriale qui leur soit propre.
1. Par " hauts-fonds découvrants ", on entend les élévations naturelles de terrain qui sont entourées par la mer, découvertes à marée basse et recouvertes à marée haute. Lorsque des hauts-fonds découvrants se trouvent, entièrement ou en partie, à une distance du continent ou d'une île ne dépassant pas la largeur de la mer territoriale, la laisse de basse mer sur ces hauts-fonds peut être prise comme ligne de base pour mesurer la largeur de la mer territoriale.
2. Lorsque des hauts-fonds découvrants se trouvent entièrement à une distance du continent ou d'une île qui dépasse la largeur de la mer territoriale, ils n'ont pas de mer territoriale qui leur soit propre.
Art. 14. Combinatie van methoden voor het vaststellen van basislijnen.
De kuststaat kan basislijnen vaststellen met behulp van ongeacht welke methode bepaald in de voorgaande artikelen al naar gelang de diverse omstandigheden.
De kuststaat kan basislijnen vaststellen met behulp van ongeacht welke methode bepaald in de voorgaande artikelen al naar gelang de diverse omstandigheden.
Art. 14. Combinaison de méthodes pour établir les lignes de base.
L'Etat côtier peut, en fonction des différentes situations, établir les lignes de base selon une ou plusieurs des méthodes prévues dans les articles précédents.
L'Etat côtier peut, en fonction des différentes situations, établir les lignes de base selon une ou plusieurs des méthodes prévues dans les articles précédents.
Art. 15. Afbakening van de territoriale zee tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.
In gevallen waarin de kusten van twee Staten tegenover elkaar zijn gelegen of aan elkaar grenzen, is, indien er geen overeenkomst tussen hen bestaat waarin anders wordt bepaald, geen van beide Staten gerechtigd zijn territoriale zee uit te strekken tot voorbij de middellijn waarvan elk punt even ver is verwijderd van de dichtstbijgelegen punten van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee van elk der twee Staten wordt gemeten. Bovenstaande bepaling is echter niet van toepassing in gevallen, waarin het op grond van een historische titel of van andere bijzondere omstandigheden noodzakelijk is de territoriale zeeën van de twee Staten af te bakenen op een daarvan afwijkende wijze.
In gevallen waarin de kusten van twee Staten tegenover elkaar zijn gelegen of aan elkaar grenzen, is, indien er geen overeenkomst tussen hen bestaat waarin anders wordt bepaald, geen van beide Staten gerechtigd zijn territoriale zee uit te strekken tot voorbij de middellijn waarvan elk punt even ver is verwijderd van de dichtstbijgelegen punten van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee van elk der twee Staten wordt gemeten. Bovenstaande bepaling is echter niet van toepassing in gevallen, waarin het op grond van een historische titel of van andere bijzondere omstandigheden noodzakelijk is de territoriale zeeën van de twee Staten af te bakenen op een daarvan afwijkende wijze.
Art. 15. Délimitation de la mer territoriale entre Etats dont les côtes sont adjacentes ou se font face.
Lorsque les côtes de deux Etats sont adjacentes ou se font face, ni l'un ni l'autre de ces Etats n'est en droit, sauf accord contraire entre eux, d'étendre sa mer territoriale au-delà de la ligne médiane dont tous les points sont équidistants des points les plus proches des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale de chacun des deux Etats. Cette disposition ne s'applique cependant pas dans le cas où, en raison de l'existence de titres historiques ou d'autres circonstances spéciales, il est nécessaire de délimiter autrement la mer territoriale des deux Etats.
Lorsque les côtes de deux Etats sont adjacentes ou se font face, ni l'un ni l'autre de ces Etats n'est en droit, sauf accord contraire entre eux, d'étendre sa mer territoriale au-delà de la ligne médiane dont tous les points sont équidistants des points les plus proches des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale de chacun des deux Etats. Cette disposition ne s'applique cependant pas dans le cas où, en raison de l'existence de titres historiques ou d'autres circonstances spéciales, il est nécessaire de délimiter autrement la mer territoriale des deux Etats.
Art. 16. Kaarten en lijsten van geografische coördinaten.
1. De basislijnen voor de meting van de breedte van de territoriale zee, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7, 9 en 10, of de daaruit verkregen grenzen, en de afbakeningslijnen getrokken overeenkomstig de artikelen 12 en 15 dienen te worden aangegeven op kaarten uitgevoerd op een schaal of schalen groot genoeg om hun positie te kunnen vaststellen. Deze kunnen worden vervangen door een lijst van geografische coördinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.
2. De kuststaten geven voldoende bekendheid aan zodanige kaarten of lijsten van geografische coördinaten en leggen een exemplaar van zulk een kaart of lijst neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
1. De basislijnen voor de meting van de breedte van de territoriale zee, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7, 9 en 10, of de daaruit verkregen grenzen, en de afbakeningslijnen getrokken overeenkomstig de artikelen 12 en 15 dienen te worden aangegeven op kaarten uitgevoerd op een schaal of schalen groot genoeg om hun positie te kunnen vaststellen. Deze kunnen worden vervangen door een lijst van geografische coördinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.
2. De kuststaten geven voldoende bekendheid aan zodanige kaarten of lijsten van geografische coördinaten en leggen een exemplaar van zulk een kaart of lijst neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Art. 16. Cartes marines et listes des coordonnées géographiques.
1. Les lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale établies conformément aux articles 7, 9 et 10 ou les limites qui en découlent et les lignes de délimitation tracées conformément aux articles 12 et 15 sont indiquées sur des cartes marines à l'échelle appropriée pour en déterminer l'emplacement. A défaut, une liste des coordonnées géographiques de points précisant le système géodésique utilisé peut y être substituée.
2. L'Etat côtier donne la publicité voulue aux cartes ou listes des coordonnées géographiques et en dépose un exemplaire auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
1. Les lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale établies conformément aux articles 7, 9 et 10 ou les limites qui en découlent et les lignes de délimitation tracées conformément aux articles 12 et 15 sont indiquées sur des cartes marines à l'échelle appropriée pour en déterminer l'emplacement. A défaut, une liste des coordonnées géographiques de points précisant le système géodésique utilisé peut y être substituée.
2. L'Etat côtier donne la publicité voulue aux cartes ou listes des coordonnées géographiques et en dépose un exemplaire auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
Afdeling 3. - Onschuldige doorvaart in de territoriale zee.
Section 3. - Passage inoffensif dans la mer territoriale.
Onderafdeling A. - Regels die van toepassing zijn op alle schepen.
Sous-section A. - Règles applicables à tous les navires.
Art. 17. Recht van onschuldige doorvaart.
Onder voorbehoud van dit Verdrag genieten schepen van alle Staten, ongeacht of zij kuststaten zijn of niet, het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee.
Onder voorbehoud van dit Verdrag genieten schepen van alle Staten, ongeacht of zij kuststaten zijn of niet, het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee.
Art. 17. Droit de passage inoffensif.
Sous réserve de la Convention, les navires de tous les Etats, côtiers ou sans littoral, jouissent du droit de passage inoffensif dans la mer territoriale.
Sous réserve de la Convention, les navires de tous les Etats, côtiers ou sans littoral, jouissent du droit de passage inoffensif dans la mer territoriale.
Art. 18. Betekenis van doorvaart.
1. Doorvaart betekent het varen door de territoriale zee :
a) zonder de bedoeling de binnenwateren binnen te varen of een buiten de binnenwateren gelegen rede of havenvoorziening aan te lopen; of
b) de binnenwateren binnen of uit te varen of zulk een rede of havenvoorziening aan te lopen.
2. De doorvaart dient snel en ononderbroken te zijn. Doorvaart omvat evenwel het stoppen en voor anker gaan, doch alleen voor zover zulks een onderdeel vormt van de normale navigatie of noodzakelijk wordt als gevolg van overmacht of van het feit dat het schip in nood verkeert of voor het verlenen van hulp aan in gevaar of nood verkerende personen, schepen of luchtvaartuigen.
1. Doorvaart betekent het varen door de territoriale zee :
a) zonder de bedoeling de binnenwateren binnen te varen of een buiten de binnenwateren gelegen rede of havenvoorziening aan te lopen; of
b) de binnenwateren binnen of uit te varen of zulk een rede of havenvoorziening aan te lopen.
2. De doorvaart dient snel en ononderbroken te zijn. Doorvaart omvat evenwel het stoppen en voor anker gaan, doch alleen voor zover zulks een onderdeel vormt van de normale navigatie of noodzakelijk wordt als gevolg van overmacht of van het feit dat het schip in nood verkeert of voor het verlenen van hulp aan in gevaar of nood verkerende personen, schepen of luchtvaartuigen.
Art. 18. Signification du terme " passage ".
1. On entend par " passage " le fait de naviguer dans la mer territoriale aux fins de :
a) la traverser sans entrer dans les eaux intérieures ni faire escale dans une rade ou une installation portuaire située en dehors des eaux intérieures; ou
b) se rendre dans les eaux intérieures ou les quitter, ou faire escale dans une telle rade ou installation portuaire ou la quitter.
2. Le passage doit être continu et rapide. Toutefois, le passage comprend l'arrêt et le mouillage, mais seulement s'ils constituent des incidents ordinaires de navigation ou s'imposent par suite d'un cas de force majeure ou de détresse ou dans le but de porter secours à des personnes, des navires ou des aéronefs en danger ou en détresse.
1. On entend par " passage " le fait de naviguer dans la mer territoriale aux fins de :
a) la traverser sans entrer dans les eaux intérieures ni faire escale dans une rade ou une installation portuaire située en dehors des eaux intérieures; ou
b) se rendre dans les eaux intérieures ou les quitter, ou faire escale dans une telle rade ou installation portuaire ou la quitter.
2. Le passage doit être continu et rapide. Toutefois, le passage comprend l'arrêt et le mouillage, mais seulement s'ils constituent des incidents ordinaires de navigation ou s'imposent par suite d'un cas de force majeure ou de détresse ou dans le but de porter secours à des personnes, des navires ou des aéronefs en danger ou en détresse.
Art. 19. Betekenis van onschuldige doorvaart.
1. De doorvaart is onschuldig zolang zij geen gevaar oplevert voor de vrede, de orde of de veiligheid van de kuststaat. Een zodanige doorvaart moet plaats vinden overeenkomstig dit Verdrag en de andere regels van het internationale recht.
2. De doorvaart van een vreemd schip wordt geacht gevaar op te leveren voor de vrede, de orde of de veiligheid van de kuststaat indien het zich in de territoriale zee bezighoudt met enigerlei van de onderstaande activiteiten :
a) bedreiging met of gebruik van geweld tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van de kuststaat of enigerlei andere handelwijze die in strijd is met de beginselen van het internationale rechten vervat in het Handvest der Verenigde Naties;
b) oefeningen met wapens van enigerlei aard;
c) handelwijzen gericht op het vergaren van informatie ten nadele van de verdediging of de veiligheid van de kuststaat;
d) propagandistische handelswijzen gericht op aantasting van de verdediging of de veiligheid van de kuststaat;
e) het doen opstijgen, doen landen of het aan boord nemen van luchtvaartuigen;
f) het lanceren, doen landen of het aan boord nemen van militair materieel;
g) het in- of ontschepen van goederen, valuta of personen in strijd met de wetten en voorschriften van de kuststaat inzake douane, belastingen, immigratie of de volksgezondheid;
h) opzettelijke en ernstige verontreiniging in strijd met dit Verdrag;
i) beoefening van de visserij;
j) het verrichten van onderzoek of karteringswerkzaamheden;
k) handelswijzen gericht op de verstoring van communicatiesystemen of van andere voorzieningen of installaties van de kuststaat;
l) andere activiteiten die niet rechtstreeks samenhangen met de doorvaart.
1. De doorvaart is onschuldig zolang zij geen gevaar oplevert voor de vrede, de orde of de veiligheid van de kuststaat. Een zodanige doorvaart moet plaats vinden overeenkomstig dit Verdrag en de andere regels van het internationale recht.
2. De doorvaart van een vreemd schip wordt geacht gevaar op te leveren voor de vrede, de orde of de veiligheid van de kuststaat indien het zich in de territoriale zee bezighoudt met enigerlei van de onderstaande activiteiten :
a) bedreiging met of gebruik van geweld tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van de kuststaat of enigerlei andere handelwijze die in strijd is met de beginselen van het internationale rechten vervat in het Handvest der Verenigde Naties;
b) oefeningen met wapens van enigerlei aard;
c) handelwijzen gericht op het vergaren van informatie ten nadele van de verdediging of de veiligheid van de kuststaat;
d) propagandistische handelswijzen gericht op aantasting van de verdediging of de veiligheid van de kuststaat;
e) het doen opstijgen, doen landen of het aan boord nemen van luchtvaartuigen;
f) het lanceren, doen landen of het aan boord nemen van militair materieel;
g) het in- of ontschepen van goederen, valuta of personen in strijd met de wetten en voorschriften van de kuststaat inzake douane, belastingen, immigratie of de volksgezondheid;
h) opzettelijke en ernstige verontreiniging in strijd met dit Verdrag;
i) beoefening van de visserij;
j) het verrichten van onderzoek of karteringswerkzaamheden;
k) handelswijzen gericht op de verstoring van communicatiesystemen of van andere voorzieningen of installaties van de kuststaat;
l) andere activiteiten die niet rechtstreeks samenhangen met de doorvaart.
Art. 19. Signification de l'expression " passage inoffensif ".
1. Le passage est inoffensif aussi longtemps qu'il ne porte pas atteinte à la paix, au bon ordre ou à la sécurité de l'Etat côtier. Il doit s'effectuer en conformité avec les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international.
2. Le passage d'un navire étranger est considéré comme portant atteinte à la paix, au bon ordre ou à la sécurité de l'Etat côtier si, dans la mer territoriale, ce navire se livre à l'une quelconque des activités suivantes :
a) menace ou emploi de la force contre la souveraineté, l'intégrité territoriale ou l'indépendance politique de l'Etat côtier ou de toute autre manière contraire aux principes du droit international énoncés dans la Charte des Nations Unies;
b) exercice ou manoeuvre avec armes de tout type;
c) collecte de renseignements au détriment de la défense ou de la sécurité de l'Etat côtier;
d) propagande visant à nuire à la défense ou à la sécurité de l'Etat côtier;
e) lancement, appontage ou embarquement d'aéronefs;
f) lancement, appontage ou embarquement d'engins militaires;
g) embarquement ou débarquement de marchandises, de fonds ou de personnes en contravention aux lois et règlements douaniers, fiscaux, sanitaires ou d'immigration de l'Etat côtier;
h) pollution délibérée et grave, en violation de la Convention;
i) pêche;
j) recherches ou levés;
k) perturbation du fonctionnement de tout système de communication ou de tout autre équipement ou installation de l'Etat côtier;
l) toute autre activité sans rapport direct avec le passage.
1. Le passage est inoffensif aussi longtemps qu'il ne porte pas atteinte à la paix, au bon ordre ou à la sécurité de l'Etat côtier. Il doit s'effectuer en conformité avec les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international.
2. Le passage d'un navire étranger est considéré comme portant atteinte à la paix, au bon ordre ou à la sécurité de l'Etat côtier si, dans la mer territoriale, ce navire se livre à l'une quelconque des activités suivantes :
a) menace ou emploi de la force contre la souveraineté, l'intégrité territoriale ou l'indépendance politique de l'Etat côtier ou de toute autre manière contraire aux principes du droit international énoncés dans la Charte des Nations Unies;
b) exercice ou manoeuvre avec armes de tout type;
c) collecte de renseignements au détriment de la défense ou de la sécurité de l'Etat côtier;
d) propagande visant à nuire à la défense ou à la sécurité de l'Etat côtier;
e) lancement, appontage ou embarquement d'aéronefs;
f) lancement, appontage ou embarquement d'engins militaires;
g) embarquement ou débarquement de marchandises, de fonds ou de personnes en contravention aux lois et règlements douaniers, fiscaux, sanitaires ou d'immigration de l'Etat côtier;
h) pollution délibérée et grave, en violation de la Convention;
i) pêche;
j) recherches ou levés;
k) perturbation du fonctionnement de tout système de communication ou de tout autre équipement ou installation de l'Etat côtier;
l) toute autre activité sans rapport direct avec le passage.
Art. 20. Onderzeeboten en andere middelen om zich onder water te verplaatsen.
In de territoriale zee zijn onderzeeboten en andere middelen om zich onder water te verplaatsen, verplicht aan de oppervlakte te varen en vlag te tonen.
In de territoriale zee zijn onderzeeboten en andere middelen om zich onder water te verplaatsen, verplicht aan de oppervlakte te varen en vlag te tonen.
Art. 20. Sous-marins et autres véhicules submersibles.
Dans la mer territoriale, les sous-marins et autres véhicules submersibles sont tenus de naviguer en surface et d'arborer leur pavillon.
Dans la mer territoriale, les sous-marins et autres véhicules submersibles sont tenus de naviguer en surface et d'arborer leur pavillon.
Art. 21. Wetten en voorschriften van de kuststaat betreffende de onschuldige doorvaart.
1. De kuststaat kan, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en andere regels van het internationale recht, wetten en voorschriften aannemen betreffende de onschuldige doorvaart door de territoriale zee, ten aanzien van de onderstaande aangelegenheden :
a) de veiligheid van de scheepvaart en de regeling van het verkeer op zee;
b) de bescherming van hulpmiddelen bij en voorzieningen voor de navigatie en van andere voorzieningen of installaties;
c) de bescherming van kabels en pijpleidingen;
d) het behoud van de levende rijkdommen van de zee;
e) het voorkomen van inbreuken op de wetten en voorschriften van de kuststaat inzake visserij;
f) de bescherming van het milieu van de kuststaat en het voorkomen, verminderen en bestrijden van de verontreiniging ervan;
g) wetenschappelijk zeeonderzoek en hydrografische karteringswerkzaamheden;
h) het voorkomen van inbreuken op de wetten en voorschriften van de kuststaat inzake douane, belastingen, immigratie of de volksgezondheid.
2. Deze wetten en voorschriften zijn niet van toepassing op het ontwerp, de constructie, het bemannen of de uitrusting van vreemde schepen, tenzij deze uitvoering geven aan algemeen aanvaarde internationale regels of normen.
3. De kuststaat geeft voldoende bekendheid aan al deze wetten en voorschriften.
4. Vreemde schepen die het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee uitoefenen, dienen al deze wetten en voorschriften alsmede alle algemeen aanvaarde internationale voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee, na te leven.
1. De kuststaat kan, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en andere regels van het internationale recht, wetten en voorschriften aannemen betreffende de onschuldige doorvaart door de territoriale zee, ten aanzien van de onderstaande aangelegenheden :
a) de veiligheid van de scheepvaart en de regeling van het verkeer op zee;
b) de bescherming van hulpmiddelen bij en voorzieningen voor de navigatie en van andere voorzieningen of installaties;
c) de bescherming van kabels en pijpleidingen;
d) het behoud van de levende rijkdommen van de zee;
e) het voorkomen van inbreuken op de wetten en voorschriften van de kuststaat inzake visserij;
f) de bescherming van het milieu van de kuststaat en het voorkomen, verminderen en bestrijden van de verontreiniging ervan;
g) wetenschappelijk zeeonderzoek en hydrografische karteringswerkzaamheden;
h) het voorkomen van inbreuken op de wetten en voorschriften van de kuststaat inzake douane, belastingen, immigratie of de volksgezondheid.
2. Deze wetten en voorschriften zijn niet van toepassing op het ontwerp, de constructie, het bemannen of de uitrusting van vreemde schepen, tenzij deze uitvoering geven aan algemeen aanvaarde internationale regels of normen.
3. De kuststaat geeft voldoende bekendheid aan al deze wetten en voorschriften.
4. Vreemde schepen die het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee uitoefenen, dienen al deze wetten en voorschriften alsmede alle algemeen aanvaarde internationale voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee, na te leven.
Art. 21. Lois et règlements de l'Etat côtier relatifs au passage inoffensif.
1. L'Etat côtier peut adopter, en conformité avec les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international, des lois et règlements relatifs au passage inoffensif dans sa mer territoriale, qui peuvent porter sur les questions suivantes :
a) sécurité de la navigation et régulation du trafic maritime;
b) protection des équipements et systèmes d'aide à la navigation et des autres équipements ou installations;
c) protection des câbles et des pipelines;
d) conservation des ressources biologiques de la mer;
e) prévention des infractions aux lois et règlements de l'Etat côtier relatifs à la pêche;
f) préservation de l'environnement de l'Etat côtier et prévention, réduction et maîtrise de sa pollution;
g) recherche scientifique marine et levés hydrographiques;
h) prévention des infractions aux lois et règlements douaniers, fiscaux, sanitaires ou d'immigration de l'Etat côtier.
2. Ces lois et règlements ne s'appliquent pas à la conception, à la construction ou à l'armement des navires étrangers, à moins qu'ils ne donnent effet à des règles ou des normes internationales généralement acceptées.
3. L'Etat côtier donne la publicité voulue à ces lois et règlements.
4. Les navires étrangers exerçant le droit de passage inoffensif dans la mer territoriale se conforment à ces lois et règlements ainsi qu'à tous les règlements internationaux généralement acceptés relatifs à la prévention des abordages en mer.
1. L'Etat côtier peut adopter, en conformité avec les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international, des lois et règlements relatifs au passage inoffensif dans sa mer territoriale, qui peuvent porter sur les questions suivantes :
a) sécurité de la navigation et régulation du trafic maritime;
b) protection des équipements et systèmes d'aide à la navigation et des autres équipements ou installations;
c) protection des câbles et des pipelines;
d) conservation des ressources biologiques de la mer;
e) prévention des infractions aux lois et règlements de l'Etat côtier relatifs à la pêche;
f) préservation de l'environnement de l'Etat côtier et prévention, réduction et maîtrise de sa pollution;
g) recherche scientifique marine et levés hydrographiques;
h) prévention des infractions aux lois et règlements douaniers, fiscaux, sanitaires ou d'immigration de l'Etat côtier.
2. Ces lois et règlements ne s'appliquent pas à la conception, à la construction ou à l'armement des navires étrangers, à moins qu'ils ne donnent effet à des règles ou des normes internationales généralement acceptées.
3. L'Etat côtier donne la publicité voulue à ces lois et règlements.
4. Les navires étrangers exerçant le droit de passage inoffensif dans la mer territoriale se conforment à ces lois et règlements ainsi qu'à tous les règlements internationaux généralement acceptés relatifs à la prévention des abordages en mer.
Art. 22. Scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels in de territoriale zee.
1. Waar nodig gezien de veiligheid van de scheepvaart kan de kuststaat van vreemde schepen die het recht van onschuldige doorvaart door zijn territoriale zee uitoefenen, eisen dat deze de door de Staat voor de regeling van de doorvaart van schepen aangewezen of voorgeschreven scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels gebruiken.
2. In het bijzonder kan van tankschepen, nucleair voortgestuwde schepen en schepen die radioactieve of andere intrinsiek gevaarlijke of schadelijke stoffen of materialen vervoeren, worden geëist dat zij zich bij hun doorvaart tot zulke scheepvaartroutes beperken.
3. Bij de aanwijzing van scheepvaartroutes en het voorschrijven van verkeersscheidingsstelsels ingevolge dit artikel, houdt de kuststaat rekening met :
a) de aanbevelingen van de bevoegde internationale organisatie;
b) de vaarwateren die gewoonlijk voor de internationale scheepvaart worden gebruikt;
c) de bijzondere kenmerken van bepaalde schepen en vaarwateren; en
d) de verkeersdichtheid.
4. De kuststaat geeft zodanige scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels duidelijk aan op kaarten, waaraan naar behoren bekendheid wordt gegeven.
1. Waar nodig gezien de veiligheid van de scheepvaart kan de kuststaat van vreemde schepen die het recht van onschuldige doorvaart door zijn territoriale zee uitoefenen, eisen dat deze de door de Staat voor de regeling van de doorvaart van schepen aangewezen of voorgeschreven scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels gebruiken.
2. In het bijzonder kan van tankschepen, nucleair voortgestuwde schepen en schepen die radioactieve of andere intrinsiek gevaarlijke of schadelijke stoffen of materialen vervoeren, worden geëist dat zij zich bij hun doorvaart tot zulke scheepvaartroutes beperken.
3. Bij de aanwijzing van scheepvaartroutes en het voorschrijven van verkeersscheidingsstelsels ingevolge dit artikel, houdt de kuststaat rekening met :
a) de aanbevelingen van de bevoegde internationale organisatie;
b) de vaarwateren die gewoonlijk voor de internationale scheepvaart worden gebruikt;
c) de bijzondere kenmerken van bepaalde schepen en vaarwateren; en
d) de verkeersdichtheid.
4. De kuststaat geeft zodanige scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels duidelijk aan op kaarten, waaraan naar behoren bekendheid wordt gegeven.
Art. 22. Voies de circulation et dispositifs de séparation du trafic dans la mer territoriale.
1. L'Etat côtier peut, lorsque la sécurité de la navigation le requiert, exiger des navires étrangers qui exercent le droit de passage inoffensif dans sa mer territoriale qu'ils empruntent les voies de circulation désignées par lui et respectent les dispositifs de séparation du trafic prescrits par lui pour la régulation du passage des navires.
2. En particulier, les navires-citernes, les navires à propulsion nucléaire et les navires transportant des substances ou des matières radioactives ou autres substances intrinsèquement dangereuses ou nocives peuvent être requises de n'emprunter que ces voies de circulation.
3. Lorsqu'il désigne des voies de circulation et prescrit des dispositifs de séparation du trafic en vertu du présent article, l'Etat côtier tient compte :
a) des recommandations de l'organisation internationale compétente;
b) de tous chenaux utilisés habituellement pour la navigation maritime internationale;
c) des caractéristiques particulières de certains navires et chenaux; et
d) de la densité du trafic.
4. L'Etat côtier indique clairement ces voies de circulation et ces dispositifs de séparation du trafic sur des cartes marines auxquelles il donne la publicité voulue.
1. L'Etat côtier peut, lorsque la sécurité de la navigation le requiert, exiger des navires étrangers qui exercent le droit de passage inoffensif dans sa mer territoriale qu'ils empruntent les voies de circulation désignées par lui et respectent les dispositifs de séparation du trafic prescrits par lui pour la régulation du passage des navires.
2. En particulier, les navires-citernes, les navires à propulsion nucléaire et les navires transportant des substances ou des matières radioactives ou autres substances intrinsèquement dangereuses ou nocives peuvent être requises de n'emprunter que ces voies de circulation.
3. Lorsqu'il désigne des voies de circulation et prescrit des dispositifs de séparation du trafic en vertu du présent article, l'Etat côtier tient compte :
a) des recommandations de l'organisation internationale compétente;
b) de tous chenaux utilisés habituellement pour la navigation maritime internationale;
c) des caractéristiques particulières de certains navires et chenaux; et
d) de la densité du trafic.
4. L'Etat côtier indique clairement ces voies de circulation et ces dispositifs de séparation du trafic sur des cartes marines auxquelles il donne la publicité voulue.
Art. 23. Vreemde nucleair voortgestuwde schepen en schepen die radioactieve of andere intrinsiek gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoeren.
Vreemde nucleair voortgestuwde schepen en schepen die radioactieve of andere intrinsiek gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoeren dienen, bij de uitoefening van het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee, de documenten aan boord te hebben en de speciale voorzorgsmaatregelen na te leven die bij internationale overeenkomsten voor zulke schepen zijn vastgesteld.
Vreemde nucleair voortgestuwde schepen en schepen die radioactieve of andere intrinsiek gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoeren dienen, bij de uitoefening van het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee, de documenten aan boord te hebben en de speciale voorzorgsmaatregelen na te leven die bij internationale overeenkomsten voor zulke schepen zijn vastgesteld.
Art. 23. Navires étrangers à propulsion nucléaire et navires transportant des substances radioactives ou autres substances intrinsèquement dangereuses ou nocives.
Les navires étrangers à propulsion nucléaire, ainsi que ceux transportant des substances radioactives ou autres substances intrinsèquement dangereuses ou nocives, sont tenus, losqu'ils exercent leur droit de passage inoffensif dans la mer territorial, d'être munis des documents et de prendre les mesures spéciales de précaution prévus par des accords internationaux pour ces navires.
Les navires étrangers à propulsion nucléaire, ainsi que ceux transportant des substances radioactives ou autres substances intrinsèquement dangereuses ou nocives, sont tenus, losqu'ils exercent leur droit de passage inoffensif dans la mer territorial, d'être munis des documents et de prendre les mesures spéciales de précaution prévus par des accords internationaux pour ces navires.
Art. 24. Plichten van de kuststaat.
1. De kuststaat mag de onschuldige doorvaart van vreemde schepen door de territoriale zee niet belemmeren, behalve overeenkomstig dit Verdrag. Inzonderheid mag de kuststaat, bij de toepassing van dit Verdrag of van wetten of voorschriften aangenomen overeenkomstig dit Verdrag, niet :
a) aan vreemde schepen verplichtingen opleggen die het gevolg hebben dat daardoor het recht van onschuldige doorvaart wordt ontzegd of aangetast;
b) rechtens of in feite onderscheid maken ten aanzien van schepen van een Staat of tegen schepen die lading vervoeren naar, van of namens een Staat.
2. De kuststaat dient voldoende bekendheid te geven aan alle hem bekende gevaren voor de navigatie in zijn territoriale zee.
1. De kuststaat mag de onschuldige doorvaart van vreemde schepen door de territoriale zee niet belemmeren, behalve overeenkomstig dit Verdrag. Inzonderheid mag de kuststaat, bij de toepassing van dit Verdrag of van wetten of voorschriften aangenomen overeenkomstig dit Verdrag, niet :
a) aan vreemde schepen verplichtingen opleggen die het gevolg hebben dat daardoor het recht van onschuldige doorvaart wordt ontzegd of aangetast;
b) rechtens of in feite onderscheid maken ten aanzien van schepen van een Staat of tegen schepen die lading vervoeren naar, van of namens een Staat.
2. De kuststaat dient voldoende bekendheid te geven aan alle hem bekende gevaren voor de navigatie in zijn territoriale zee.
Art. 24. Obligations de l'Etat côtier.
1. L'Etat côtier ne doit pas entraver le passage inoffensif des navires étrangers dans la mer territoriale, en dehors des cas prévus par la Convention. En particulier, lorsqu'il applique la Convention ou toute loi ou tout règlement adopté conformément à la Convention, l'Etat côtier ne doit pas :
a) imposer aux navires étrangers des obligations ayant pour effet d'empêcher ou de restreindre l'exercice du droit de passage inoffensif de ces navires;
b) exercer de discrimination de droit ou de fait contre les navires d'un Etat déterminé ou les navires transportant des marchandises en provenance ou à destination d'un Etat déterminé ou pour le compte d'un Etat déterminé.
2. L'Etat côtier signale par une publicité adéquate tout danger pour la navigation dans sa mer territoriale dont il a connaissance.
1. L'Etat côtier ne doit pas entraver le passage inoffensif des navires étrangers dans la mer territoriale, en dehors des cas prévus par la Convention. En particulier, lorsqu'il applique la Convention ou toute loi ou tout règlement adopté conformément à la Convention, l'Etat côtier ne doit pas :
a) imposer aux navires étrangers des obligations ayant pour effet d'empêcher ou de restreindre l'exercice du droit de passage inoffensif de ces navires;
b) exercer de discrimination de droit ou de fait contre les navires d'un Etat déterminé ou les navires transportant des marchandises en provenance ou à destination d'un Etat déterminé ou pour le compte d'un Etat déterminé.
2. L'Etat côtier signale par une publicité adéquate tout danger pour la navigation dans sa mer territoriale dont il a connaissance.
Art. 25. Rechten van bescherming van de kuststaat.
1. De kuststaat kan binnen zijn territoriale zee de maatregelen nemen die nodig zijn om een doorvaart die niet onschuldig is, te voorkomen.
2. In het geval van schepen die zich begeven naar de binnenwateren of een haveninstallatie buiten de binnenwateren, heeft de kuststaat eveneens het recht de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voorkomen, dat inbreuk wordt gepleegd op de voorwaarden waaraan de toelating van die schepen tot die binnenwateren of haveninstallatie is onderworpen.
3. De kuststaat kan, zonder rechtens of in feite onderscheid te maken tussen schepen van vreemde nationaliteit, in bepaalde gebieden van zijn territoriale zee de uitoefening van het recht van onschuldige doorvaart van vreemde schepen tijdelijk opschorten, indien die opschorting noodzakelijk is voor de bescherming van zijn veiligheid, met inbegrip van wapenoefeningen. Een zodanige opschorting wordt slechts van kracht nadat zij op behoorlijke wijze is bekendgemaakt.
1. De kuststaat kan binnen zijn territoriale zee de maatregelen nemen die nodig zijn om een doorvaart die niet onschuldig is, te voorkomen.
2. In het geval van schepen die zich begeven naar de binnenwateren of een haveninstallatie buiten de binnenwateren, heeft de kuststaat eveneens het recht de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voorkomen, dat inbreuk wordt gepleegd op de voorwaarden waaraan de toelating van die schepen tot die binnenwateren of haveninstallatie is onderworpen.
3. De kuststaat kan, zonder rechtens of in feite onderscheid te maken tussen schepen van vreemde nationaliteit, in bepaalde gebieden van zijn territoriale zee de uitoefening van het recht van onschuldige doorvaart van vreemde schepen tijdelijk opschorten, indien die opschorting noodzakelijk is voor de bescherming van zijn veiligheid, met inbegrip van wapenoefeningen. Een zodanige opschorting wordt slechts van kracht nadat zij op behoorlijke wijze is bekendgemaakt.
Art. 25. Droits de protection de l'Etat côtier.
1. L'Etat côtier peut prendre, dans sa mer territoriale, les mesures nécessaires pour empêcher tout passage qui n'est pas inoffensif.
2. En ce qui concerne les navires qui se rendent dans les eaux intérieures ou dans une installation portuaire située en dehors de ces eaux, l'Etat côtier a également le droit de prendre les mesures nécessaires pour prévenir toute violation des conditions auxquelles est subordonnée l'admission de ces navires dans ces eaux ou cette installation portuaire.
3. L'Etat côtier peut, sans établir aucune discrimination de droit ou de fait entre les navires étrangers, suspendre temporairement, dans des zones déterminées de sa mer territoriale, l'exercice du droit de passage inoffensif des navires étrangers, si cette mesure est indispensable pour assurer sa sécurité, entre autres pour lui permettre de procéder à des exercices d'armes. La suspension ne prend en effet qu'après avoir été dûment publiée.
1. L'Etat côtier peut prendre, dans sa mer territoriale, les mesures nécessaires pour empêcher tout passage qui n'est pas inoffensif.
2. En ce qui concerne les navires qui se rendent dans les eaux intérieures ou dans une installation portuaire située en dehors de ces eaux, l'Etat côtier a également le droit de prendre les mesures nécessaires pour prévenir toute violation des conditions auxquelles est subordonnée l'admission de ces navires dans ces eaux ou cette installation portuaire.
3. L'Etat côtier peut, sans établir aucune discrimination de droit ou de fait entre les navires étrangers, suspendre temporairement, dans des zones déterminées de sa mer territoriale, l'exercice du droit de passage inoffensif des navires étrangers, si cette mesure est indispensable pour assurer sa sécurité, entre autres pour lui permettre de procéder à des exercices d'armes. La suspension ne prend en effet qu'après avoir été dûment publiée.
Art. 26. Kosten die aan vreemde schepen in rekening mogen worden gebracht.
1. Aan vreemde schepen mag niets in rekening worden gebracht louter op grond van het feit, dat zij door de territoriale zee varen.
2. Aan een vreemd schip dat door de territoriale zee vaart, mogen alleen kosten in rekening worden gebracht voor bepaalde ten behoeve van het schip verrichte diensten. Deze kosten worden in rekening gebracht zonder dat enig onderscheid wordt gemaakt.
1. Aan vreemde schepen mag niets in rekening worden gebracht louter op grond van het feit, dat zij door de territoriale zee varen.
2. Aan een vreemd schip dat door de territoriale zee vaart, mogen alleen kosten in rekening worden gebracht voor bepaalde ten behoeve van het schip verrichte diensten. Deze kosten worden in rekening gebracht zonder dat enig onderscheid wordt gemaakt.
Art. 26. Droits percus sur les navires étrangers.
1. Il ne peut être percu de droits sur les navires étrangers en raison de leur simple passage dans la mer territoriale.
2. Il ne peut être percu de droits sur un navire étranger passant dans la mer territoriale sinon en rémunération de services particuliers rendus à ce navire. Ces droits sont percus de façon non discriminatoire.
1. Il ne peut être percu de droits sur les navires étrangers en raison de leur simple passage dans la mer territoriale.
2. Il ne peut être percu de droits sur un navire étranger passant dans la mer territoriale sinon en rémunération de services particuliers rendus à ce navire. Ces droits sont percus de façon non discriminatoire.
Onderafdeling B. - Regels die van toepassing zijn op koopvaardijschepen en op staatsschepen die voor commerciële doeleinden worden gebruikt.
Sous-section B. - Règles applicables aux navires marchands et aux navires d'Etat utilisés à des fins commerciales.
Art. 27. Rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden aan boord van een vreemd schip.
1. De rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden van de kuststaat dient niet te worden uitgeoefend aan boord van een door de territoriale wateren varend vreemd schip met het oogmerk een persoon te arresteren of een onderzoek in te stellen in verband met een aan boord van het schip tijdens de doorvaart bedreven strafbaar feit, behalve in de volgende gevallen :
a) indien de gevolgen van het strafbare feit zich uitstrekken tot de kuststaat;
b) indien het strafbaar feit van dien aard is, dat daardoor de orde in het land of de orde op de territoriale zee wordt verstoord;
c) indien door de kapitein van het schip of door een diplomatieke of consulaire ambtenaar van de vlaggenstaat de hulp van de plaatselijke autoriteiten is ingeroepen;
d) indien zulke maatregelen noodzakelijk zijn voor de bestrijding van de handel in verdovende middelen of psychotrope stoffen.
2. Bovenstaande bepalingen doen geen afbreuk aan het recht van de kuststaat de maatregelen waartoe hij krachtens zijn wetgeving gemachtigd is, te treffen voor een arrestatie of een onderzoek aan boord van een vreemd schip dat door de territoriale zee vaart nadat het de binnenwateren heeft verlaten.
3. In de in het eerste en het tweede lid bedoelde gevallen dient de kuststaat, indien de kapitein zulks verzoekt, een diplomatieke of consulaire ambtenaar van de vlaggenstaat op de hoogte te stellen alvorens tot het treffen van maatregelen over te gaan, en het contact tussen deze ambtenaar en de bemanning van het schip te vergemakkelijken. In noodgevallen kan deze mededeling worden gedaan terwijl de maatregelen reeds getroffen worden.
4. Bij de overweging van de vraag of, en zo ja, op welke wijze een arrestatie verricht dient te worden, moeten de plaatselijke autoriteiten rekening houden met de belangen van de scheepvaart.
5. Behalve zoals bepaald in Deel XII of met betrekking tot schendingen van overeenkomstig Deel V aangenomen wetten en voorschriften, mag de kuststaat aan boord van een door de territoriale zee varend schip geen maatregelen treffen met het oogmerk iemand te arresteren of een onderzoek in te stellen in verband met een strafbaar feit dat aan boord werd bedreven voor het schip de territoriale zee binnenvoer, indien het schip, komende van een buitenlandse haven, slechts door de territoriale zee vaart zonder de binnenwateren binnen te varen.
1. De rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden van de kuststaat dient niet te worden uitgeoefend aan boord van een door de territoriale wateren varend vreemd schip met het oogmerk een persoon te arresteren of een onderzoek in te stellen in verband met een aan boord van het schip tijdens de doorvaart bedreven strafbaar feit, behalve in de volgende gevallen :
a) indien de gevolgen van het strafbare feit zich uitstrekken tot de kuststaat;
b) indien het strafbaar feit van dien aard is, dat daardoor de orde in het land of de orde op de territoriale zee wordt verstoord;
c) indien door de kapitein van het schip of door een diplomatieke of consulaire ambtenaar van de vlaggenstaat de hulp van de plaatselijke autoriteiten is ingeroepen;
d) indien zulke maatregelen noodzakelijk zijn voor de bestrijding van de handel in verdovende middelen of psychotrope stoffen.
2. Bovenstaande bepalingen doen geen afbreuk aan het recht van de kuststaat de maatregelen waartoe hij krachtens zijn wetgeving gemachtigd is, te treffen voor een arrestatie of een onderzoek aan boord van een vreemd schip dat door de territoriale zee vaart nadat het de binnenwateren heeft verlaten.
3. In de in het eerste en het tweede lid bedoelde gevallen dient de kuststaat, indien de kapitein zulks verzoekt, een diplomatieke of consulaire ambtenaar van de vlaggenstaat op de hoogte te stellen alvorens tot het treffen van maatregelen over te gaan, en het contact tussen deze ambtenaar en de bemanning van het schip te vergemakkelijken. In noodgevallen kan deze mededeling worden gedaan terwijl de maatregelen reeds getroffen worden.
4. Bij de overweging van de vraag of, en zo ja, op welke wijze een arrestatie verricht dient te worden, moeten de plaatselijke autoriteiten rekening houden met de belangen van de scheepvaart.
5. Behalve zoals bepaald in Deel XII of met betrekking tot schendingen van overeenkomstig Deel V aangenomen wetten en voorschriften, mag de kuststaat aan boord van een door de territoriale zee varend schip geen maatregelen treffen met het oogmerk iemand te arresteren of een onderzoek in te stellen in verband met een strafbaar feit dat aan boord werd bedreven voor het schip de territoriale zee binnenvoer, indien het schip, komende van een buitenlandse haven, slechts door de territoriale zee vaart zonder de binnenwateren binnen te varen.
Art. 27. Juridiction pénale à bord d'un navire étranger.
1. L'Etat côtier ne devrait pas exercer sa juridiction pénale à bord d'un navire étranger passant dans la mer territoriale pour y procéder à une arrestation ou à l'exécution d'actes d'instruction à la suite d'une infraction pénale commise à bord pendant le passage, sauf dans les cas suivants :
a) si les conséquences de l'infraction s'étendent à l'Etat côtier;
b) si l'infraction est de nature à troubler la paix du pays ou l'ordre dans la mer territoriale;
c) si l'assistance des autorités locales a été demandée par le capitaine du navire ou par un agent diplomatique ou un fonctionnaire consulaire de l'Etat de pavillon; ou
d) si ces mesures sont nécessaires pour la répression du trafic illicite des stupéfiants ou des substances psychotropes.
2. Le paragraphe 1 ne porte pas atteinte au droit de l'Etat côtier de prendre toutes mesures prévues par son droit interne en vue de procéder à des arrestations ou à des actes d'instruction à bord d'un navire étranger qui passe dans la mer territoriale après avoir quitté les eaux intérieures.
3. Dans les cas prévus aux paragraphes 1 et 2, l'Etat côtier doit, si le capitaine le demande, notifier préalablement toute mesure à un agent diplomatique ou à un fonctionnaire consulaire de l'Etat du pavillon et doit faciliter le contact entre cet agent ou ce fonctionnaire et l'équipage du navire. Toutefois, en cas d'urgence, cette notification peut être faite alors que les mesures sont en cours d'exécution.
4. Lorsqu'elle examine l'opportunité et les modalités de l'arrestation, l'autorité locale tient dûment compte des intérêts de la navigation.
5. Sauf en application de la partie XII ou en cas d'infraction à des lois et règlements adoptés conformément à la partie V, l'Etat côtier ne peut prendre aucune mesure à bord d'un navire étranger qui passe dans la mer territoriale en vue de procéder à une arrestation ou à des actes d'instruction à la suite d'une infraction pénale commise avant l'entrée du navire dans la mer territoriale si le navire, en provenance d'un port étranger, ne fait que passer dans la mer territoriale sans entrer dans les eaux intérieures.
1. L'Etat côtier ne devrait pas exercer sa juridiction pénale à bord d'un navire étranger passant dans la mer territoriale pour y procéder à une arrestation ou à l'exécution d'actes d'instruction à la suite d'une infraction pénale commise à bord pendant le passage, sauf dans les cas suivants :
a) si les conséquences de l'infraction s'étendent à l'Etat côtier;
b) si l'infraction est de nature à troubler la paix du pays ou l'ordre dans la mer territoriale;
c) si l'assistance des autorités locales a été demandée par le capitaine du navire ou par un agent diplomatique ou un fonctionnaire consulaire de l'Etat de pavillon; ou
d) si ces mesures sont nécessaires pour la répression du trafic illicite des stupéfiants ou des substances psychotropes.
2. Le paragraphe 1 ne porte pas atteinte au droit de l'Etat côtier de prendre toutes mesures prévues par son droit interne en vue de procéder à des arrestations ou à des actes d'instruction à bord d'un navire étranger qui passe dans la mer territoriale après avoir quitté les eaux intérieures.
3. Dans les cas prévus aux paragraphes 1 et 2, l'Etat côtier doit, si le capitaine le demande, notifier préalablement toute mesure à un agent diplomatique ou à un fonctionnaire consulaire de l'Etat du pavillon et doit faciliter le contact entre cet agent ou ce fonctionnaire et l'équipage du navire. Toutefois, en cas d'urgence, cette notification peut être faite alors que les mesures sont en cours d'exécution.
4. Lorsqu'elle examine l'opportunité et les modalités de l'arrestation, l'autorité locale tient dûment compte des intérêts de la navigation.
5. Sauf en application de la partie XII ou en cas d'infraction à des lois et règlements adoptés conformément à la partie V, l'Etat côtier ne peut prendre aucune mesure à bord d'un navire étranger qui passe dans la mer territoriale en vue de procéder à une arrestation ou à des actes d'instruction à la suite d'une infraction pénale commise avant l'entrée du navire dans la mer territoriale si le navire, en provenance d'un port étranger, ne fait que passer dans la mer territoriale sans entrer dans les eaux intérieures.
Art. 28. Rechtsmacht in burgerrechtelijke aangelegenheden ten aanzien van vreemde schepen.
1. De kuststaat mag een vreemd schip dat door zijn territoriale zee vaart niet dwingen te stoppen of een andere koers te volgen met het oogmerk zijn rechtsmacht in burgerrechtelijke aangelegenheden uit te oefenen ten aanzien van een persoon aan boord van dat schip.
2. De kuststaat mag geen executoire of conservatoire maatregelen tegen het schip treffen ten behoeve van een civiele procedure, behalve in verband met verplichtingen die door het schip zijn aangegaan of aansprakelijkheden die voor het schip zijn ontstaan tijdens of met het oog op zijn reis door de wateren van de kuststaat.
3. Het tweede lid doet geen afbreuk aan het recht van de kuststaat om, overeenkomstig zijn wetgeving, executoire of conservatoire maatregelen ten behoeve van civiele procedures te treffen ten aanzien van een vreemd schip dat in de territoriale zee ligt of door de territoriale zee vaart na de binnenwateren te hebben verlaten.
1. De kuststaat mag een vreemd schip dat door zijn territoriale zee vaart niet dwingen te stoppen of een andere koers te volgen met het oogmerk zijn rechtsmacht in burgerrechtelijke aangelegenheden uit te oefenen ten aanzien van een persoon aan boord van dat schip.
2. De kuststaat mag geen executoire of conservatoire maatregelen tegen het schip treffen ten behoeve van een civiele procedure, behalve in verband met verplichtingen die door het schip zijn aangegaan of aansprakelijkheden die voor het schip zijn ontstaan tijdens of met het oog op zijn reis door de wateren van de kuststaat.
3. Het tweede lid doet geen afbreuk aan het recht van de kuststaat om, overeenkomstig zijn wetgeving, executoire of conservatoire maatregelen ten behoeve van civiele procedures te treffen ten aanzien van een vreemd schip dat in de territoriale zee ligt of door de territoriale zee vaart na de binnenwateren te hebben verlaten.
Art. 28. Juridiction civile à l'égard des navires étrangers.
1. L'Etat côtier ne devrait ni stopper ni dérouter un navire étranger passant dans la mer territoriale pour exercer sa juridiction civile à l'égard d'une personne se trouvant à bord.
2. L'Etat côtier ne peut prendre de mesures d'exécution ou de mesures conservatoires en matière civile à l'égard de ce navire, si ce n'est en raison d'obligations contractées ou de responsabilités encourues par le navire au cours ou en vue de son passage dans les eaux de l'Etat côtier.
3. Le paragraphe 2 ne porte pas atteinte au droit de l'Etat côtier de prendre les mesures d'exécution ou les mesures conservatoires en matière civile prévues par son droit interne à l'égard d'un navire étranger qui stationne dans la mer territoriale ou qui passe dans la mer territoriale après avoir quitté les eaux intérieures.
1. L'Etat côtier ne devrait ni stopper ni dérouter un navire étranger passant dans la mer territoriale pour exercer sa juridiction civile à l'égard d'une personne se trouvant à bord.
2. L'Etat côtier ne peut prendre de mesures d'exécution ou de mesures conservatoires en matière civile à l'égard de ce navire, si ce n'est en raison d'obligations contractées ou de responsabilités encourues par le navire au cours ou en vue de son passage dans les eaux de l'Etat côtier.
3. Le paragraphe 2 ne porte pas atteinte au droit de l'Etat côtier de prendre les mesures d'exécution ou les mesures conservatoires en matière civile prévues par son droit interne à l'égard d'un navire étranger qui stationne dans la mer territoriale ou qui passe dans la mer territoriale après avoir quitté les eaux intérieures.
Onderafdeling C. - Regels die van toepassing zijn op oorlogsschepen en op andere staatsschepen die worden gebruikt voor andere dan commerciële doeleinden.
Sous-section C. - Règles applicables aux navires de guerre et autres navires d'Etat utilisés à des fins non commerciales.
Art. 29. Begripsomschrijving van oorlogsschepen.
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder een " oorlogsschip " verstaan een schip dat behoort tot de strijdkrachten van een Staat en dat de uiterlijke onderscheidingstekenen draagt van zulke schepen van zijn nationaliteit. De commandant moet in staatsdienst zijn en zijn naam moet voorkomen in de desbetreffende dienstlijst of het equivalent daarvan, en de bemanning moet onderworpen zijn aan de regels van de krijgstucht.
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder een " oorlogsschip " verstaan een schip dat behoort tot de strijdkrachten van een Staat en dat de uiterlijke onderscheidingstekenen draagt van zulke schepen van zijn nationaliteit. De commandant moet in staatsdienst zijn en zijn naam moet voorkomen in de desbetreffende dienstlijst of het equivalent daarvan, en de bemanning moet onderworpen zijn aan de regels van de krijgstucht.
Art. 29. Définition de " navire de guerre ".
Aux fins de la Convention, on entend par " navire de guerre " tout navire qui fait partie des forces armées d'un Etat et porte les marques extérieures distinctives des navires militaires de sa nationalité, qui est placé sous le commandement d'un officier de marine au service de cet Etat et inscrit sur la liste des officiers ou un document équivalent, et dont l'équipage est soumis aux règles de la discipline militaire.
Aux fins de la Convention, on entend par " navire de guerre " tout navire qui fait partie des forces armées d'un Etat et porte les marques extérieures distinctives des navires militaires de sa nationalité, qui est placé sous le commandement d'un officier de marine au service de cet Etat et inscrit sur la liste des officiers ou un document équivalent, et dont l'équipage est soumis aux règles de la discipline militaire.
Art. 30. Niet-naleving door oorlogsschepen van de wetgeving en voorschriften van de kuststaat.
Indien een oorlogsschip de wetgeving en voorschriften van de kuststaat ten aanzien van de vaart door de territoriale zee niet in acht neemt en verzoeken om deze in acht te nemen negeert, kan de kuststaat van het oorlogsschip eisen, dat het de territoriale zee onverwijld verlaat.
Indien een oorlogsschip de wetgeving en voorschriften van de kuststaat ten aanzien van de vaart door de territoriale zee niet in acht neemt en verzoeken om deze in acht te nemen negeert, kan de kuststaat van het oorlogsschip eisen, dat het de territoriale zee onverwijld verlaat.
Art. 30. Inobservation par un navire de guerre des lois et règlements de l'Etat côtier.
Si un navire de guerre ne respecte pas les lois et règlements de l'Etat côtier relatifs au passage dans la mer territoriale et passe outre à la demande qui lui est faite de s'y conformer, l'Etat côtier peut exiger que ce navire quitte immédiatement la mer territoriale.
Si un navire de guerre ne respecte pas les lois et règlements de l'Etat côtier relatifs au passage dans la mer territoriale et passe outre à la demande qui lui est faite de s'y conformer, l'Etat côtier peut exiger que ce navire quitte immédiatement la mer territoriale.
Art. 31. Verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat voor schade veroorzaakt door een oorlogsschip of een ander staatsschip dat wordt gebruikt voor andere dan commerciële doeleinden.
De vlaggenstaat draagt internationale verantwoordelijkheid voor verliezen of schade voor de kuststaat voortvloeiend uit de niet-naleving door een oorlogsschip of ander staatsschip dat wordt gebruikt voor andere dan commerciële doeleinden, van de wetgeving en voorschriften van de kuststaat ten aanzien van de vaart door de territoriale zee of niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag of van andere regels van het internationale recht.
De vlaggenstaat draagt internationale verantwoordelijkheid voor verliezen of schade voor de kuststaat voortvloeiend uit de niet-naleving door een oorlogsschip of ander staatsschip dat wordt gebruikt voor andere dan commerciële doeleinden, van de wetgeving en voorschriften van de kuststaat ten aanzien van de vaart door de territoriale zee of niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag of van andere regels van het internationale recht.
Art. 31. Responsabilité de l'Etat du pavillon du fait d'un navire de guerre ou d'un autre navire d'Etat.
L'Etat du pavillon porte la responsabilité internationale de toute perte ou de tout dommage causé à l'Etat côtier du fait de l'inobservation par un navire de guerre ou par tout autre navire d'Etat utilisé à des fins non commerciales des lois et règlements de l'Etat côtier relatifs au passage dans la mer territoriale ou des dispositions de la Convention ou d'autres règles du droit international.
L'Etat du pavillon porte la responsabilité internationale de toute perte ou de tout dommage causé à l'Etat côtier du fait de l'inobservation par un navire de guerre ou par tout autre navire d'Etat utilisé à des fins non commerciales des lois et règlements de l'Etat côtier relatifs au passage dans la mer territoriale ou des dispositions de la Convention ou d'autres règles du droit international.
Art. 32. Immuniteiten van oorlogsschepen en van andere staatsschepen die worden gebruikt voor andere dan commerciële doeleinden.
Met inachtneming van de uitzonderingen vervat in onderafdeling A en in de artikelen 30 en 31, doet niets in dit Verdrag afbreuk aan de immuniteiten van oorlogsschepen en van andere staatsschepen die worden gebruikt voor andere dan commerciële doeleinden.
Met inachtneming van de uitzonderingen vervat in onderafdeling A en in de artikelen 30 en 31, doet niets in dit Verdrag afbreuk aan de immuniteiten van oorlogsschepen en van andere staatsschepen die worden gebruikt voor andere dan commerciële doeleinden.
Art. 32. Immunités des navires de guerre et autres navires d'Etat utilisés à des fins non commerciales.
Sous réserve des exceptions prévues à la sous-section A et aux articles 30 et 31, aucune disposition de la Convention ne porte atteinte aux immunités dont jouissent les navires de guerre et les autres navires d'Etat utilisés à des fins non commerciales.
Sous réserve des exceptions prévues à la sous-section A et aux articles 30 et 31, aucune disposition de la Convention ne porte atteinte aux immunités dont jouissent les navires de guerre et les autres navires d'Etat utilisés à des fins non commerciales.
Afdeling 4. - De aansluitende zone.
Section 4. - Zone contiguë.
Art. 33. De aansluitende zone.
1. In een zone van de volle zee die grenst aan zijn territoriale zee, beschreven als de aansluitende zone, mag de kuststaat toezicht uitoefenen ten einde :
a) te voorkomen dat inbreuk wordt gemaakt op de wetten en voorschriften inzake douane, belastingen, immigratie of volksgezondheid, die binnen zijn gebied of territoriale zee van kracht zijn;
b) een binnen zijn grondgebied of territoriale zee gemaakte inbreuk op bovenbedoelde wetten en voorschriften te bestraffen.
2. De aansluitende zone mag zich niet verder uitstrekken dan 24 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.
1. In een zone van de volle zee die grenst aan zijn territoriale zee, beschreven als de aansluitende zone, mag de kuststaat toezicht uitoefenen ten einde :
a) te voorkomen dat inbreuk wordt gemaakt op de wetten en voorschriften inzake douane, belastingen, immigratie of volksgezondheid, die binnen zijn gebied of territoriale zee van kracht zijn;
b) een binnen zijn grondgebied of territoriale zee gemaakte inbreuk op bovenbedoelde wetten en voorschriften te bestraffen.
2. De aansluitende zone mag zich niet verder uitstrekken dan 24 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.
Art. 33. Zone contiguë.
1. Dans une zone contiguë à sa mer territoriale, désignée sous le nom de zone contiguë, l'Etat côtier peut exercer le contrôle nécessaire en vue de :
a) prévenir les infractions à ses lois et règlements douaniers, fiscaux, sanitaires ou d'immigration sur son territoire ou dans sa mer territoriale;
b) réprimer les infractions à ces mêmes lois et règlements commises sur son territoire ou dans sa mer territoriale.
2. La zone contiguë ne peut s'étendre au-delà de 24 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale.
1. Dans une zone contiguë à sa mer territoriale, désignée sous le nom de zone contiguë, l'Etat côtier peut exercer le contrôle nécessaire en vue de :
a) prévenir les infractions à ses lois et règlements douaniers, fiscaux, sanitaires ou d'immigration sur son territoire ou dans sa mer territoriale;
b) réprimer les infractions à ces mêmes lois et règlements commises sur son territoire ou dans sa mer territoriale.
2. La zone contiguë ne peut s'étendre au-delà de 24 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale.
DEEL III. - Zeestraten gebruikt voor de internationale scheepvaart.
PARTIE III. - Détroits servant à la navigation internationale.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art. 34. Juridische status van wateren die zeestraten vormen en die voor de internationale scheepvaart worden gebruikt.
1. De in dit Deel vastgestelde regeling voor de vaart door zeestraten die voor de internationale scheepvaart worden gebruikt, doet niet in ander opzicht afbreuk aan de juridische status van de wateren die zulke zeestraten vormen of aan de uitoefening door aan de zeestraten grenzende Staten van hun soevereiniteit of hun rechtsmacht over zodanige wateren en over het luchtruim erboven en over de bodem en ondergrond daarvan.
2. De soevereiniteit of rechtsmacht van de aan de zeestraat grenzende Staten wordt uitgeoefend met inachtneming van dit Deel en van andere regels van het internationale recht.
1. De in dit Deel vastgestelde regeling voor de vaart door zeestraten die voor de internationale scheepvaart worden gebruikt, doet niet in ander opzicht afbreuk aan de juridische status van de wateren die zulke zeestraten vormen of aan de uitoefening door aan de zeestraten grenzende Staten van hun soevereiniteit of hun rechtsmacht over zodanige wateren en over het luchtruim erboven en over de bodem en ondergrond daarvan.
2. De soevereiniteit of rechtsmacht van de aan de zeestraat grenzende Staten wordt uitgeoefend met inachtneming van dit Deel en van andere regels van het internationale recht.
Art. 34. Régime juridique des eaux des détroits servant à la navigation internationale.
1. Le régime du passage par les détroits servant à la navigation internationale qu'établit la présente partie n'affecte à aucun autre égard le régime juridique des eaux de ces détroits ni l'exercice, par les Etats riverains, de leur souveraineté ou de leur juridiction sur ces eaux, les fonds marins correspondants et leur sous-sol ainsi que sur l'espace aérien surjacent.
2. Les Etats riverains des détroits exercent leur souveraineté ou leur juridiction dans les conditions prévues par les dispositions de la présente partie et les autres règles du droit international.
1. Le régime du passage par les détroits servant à la navigation internationale qu'établit la présente partie n'affecte à aucun autre égard le régime juridique des eaux de ces détroits ni l'exercice, par les Etats riverains, de leur souveraineté ou de leur juridiction sur ces eaux, les fonds marins correspondants et leur sous-sol ainsi que sur l'espace aérien surjacent.
2. Les Etats riverains des détroits exercent leur souveraineté ou leur juridiction dans les conditions prévues par les dispositions de la présente partie et les autres règles du droit international.
Art. 35. Reikwijdte van dit Deel.
Niets in dit Deel is van invloed op :
a) gebieden van binnenwateren binnen een zeestraat, behalve waar de vaststelling van een rechte basislijn overeenkomstig de methode vervat in artikel 7 ertoe leidt dat gebieden die voordien niet als binnenwateren werden beschouwd, als zodanig worden ingesloten;
b) de juridische status van de wateren buiten de territoriale zeeën van de aan zeestraten grenzende Staten als exclusieve economische zones of als de volle zee;
c) de juridische status van zeestraten waarin de doorvaart geheel of gedeeltelijk wordt geregeld door reeds lang van kracht zijnde internationale verdragen die specifiek op deze zeestraten betrekking hebben.
Niets in dit Deel is van invloed op :
a) gebieden van binnenwateren binnen een zeestraat, behalve waar de vaststelling van een rechte basislijn overeenkomstig de methode vervat in artikel 7 ertoe leidt dat gebieden die voordien niet als binnenwateren werden beschouwd, als zodanig worden ingesloten;
b) de juridische status van de wateren buiten de territoriale zeeën van de aan zeestraten grenzende Staten als exclusieve economische zones of als de volle zee;
c) de juridische status van zeestraten waarin de doorvaart geheel of gedeeltelijk wordt geregeld door reeds lang van kracht zijnde internationale verdragen die specifiek op deze zeestraten betrekking hebben.
Art. 35. Champ d'application de la présente partie.
Aucune disposition de la présente partie n'affecte :
a) les eaux intérieures faisant partie d'un détroit, sauf lorsque le tracé d'une ligne de base droite établie conformément à la méthode décrite à l'article 7 inclut dans les eaux intérieures des eaux qui n'étaient pas précédemment considérées comme telles;
b) le régime juridique des eaux situées au-delà de la mer territoriale des Etats riverains des détroits, qu'elles fassent partie d'une zone économique exclusive ou de la haute mer;
c) le régime juridique des détroits où le passage est réglementé, en tout ou en partie, par des conventions internationales existant de longue date et toujours en vigueur qui les visent spécifiquement.
Aucune disposition de la présente partie n'affecte :
a) les eaux intérieures faisant partie d'un détroit, sauf lorsque le tracé d'une ligne de base droite établie conformément à la méthode décrite à l'article 7 inclut dans les eaux intérieures des eaux qui n'étaient pas précédemment considérées comme telles;
b) le régime juridique des eaux situées au-delà de la mer territoriale des Etats riverains des détroits, qu'elles fassent partie d'une zone économique exclusive ou de la haute mer;
c) le régime juridique des détroits où le passage est réglementé, en tout ou en partie, par des conventions internationales existant de longue date et toujours en vigueur qui les visent spécifiquement.
Art. 36. Routes in de volle zee of routes door exclusieve economische zones via zeestraten gebruikt voor de internationale scheepvaart.
Dit Deel is niet van toepassing op een zeestraat die voor de internationale scheepvaart wordt gebruikt indien er via de zeestraat een route door de volle zee of door een exclusieve economische zone bestaat van vergelijkbare geschiktheid wat de scheepvaart en de hydrografische kenmerken betreft; op zulke routes zijn andere desbetreffende Delen van dit Verdrag, met inbegrip van de bepalingen inzake de vrijheid van de scheepvaart en de vrijheid van overvliegen van toepassing.
Dit Deel is niet van toepassing op een zeestraat die voor de internationale scheepvaart wordt gebruikt indien er via de zeestraat een route door de volle zee of door een exclusieve economische zone bestaat van vergelijkbare geschiktheid wat de scheepvaart en de hydrografische kenmerken betreft; op zulke routes zijn andere desbetreffende Delen van dit Verdrag, met inbegrip van de bepalingen inzake de vrijheid van de scheepvaart en de vrijheid van overvliegen van toepassing.
Art. 36. Routes de haute mer ou routes passant par une zone économique exclusive dans les détroits servant à la navigation internationale.
La présente partie ne s'applique pas aux détroits servant à la navigation internationale qu'il est possible de franchir par une route de haute mer ou une route passant par une zone économique exclusive de commodité comparable du point de vue de la navigation et des caractéristiques hydrographiques; en ce qui concerne ces routes, sont applicables les autres parties pertinentes de la Convention, y compris les dispositions relatives à la liberté de navigation et de survol.
La présente partie ne s'applique pas aux détroits servant à la navigation internationale qu'il est possible de franchir par une route de haute mer ou une route passant par une zone économique exclusive de commodité comparable du point de vue de la navigation et des caractéristiques hydrographiques; en ce qui concerne ces routes, sont applicables les autres parties pertinentes de la Convention, y compris les dispositions relatives à la liberté de navigation et de survol.
Afdeling 2. - Doortocht.
Section 2. - Passage en transit.
Art. 37. Reikwijdte van deze afdeling.
Deze afdeling is van toepassing op zeestraten die voor de internationale scheepvaart worden gebruikt tussen het ene deel van de volle zee of van een exclusieve economische zone en het andere deel van de volle zee of van een exclusieve economische zone.
Deze afdeling is van toepassing op zeestraten die voor de internationale scheepvaart worden gebruikt tussen het ene deel van de volle zee of van een exclusieve economische zone en het andere deel van de volle zee of van een exclusieve economische zone.
Art. 37. Champ d'application de la présente section.
La présente section s'applique aux détroits qui servent à la navigation internationale entre une partie de la haute mer ou une zone économique exclusive et une autre partie de la haute mer ou une zone économique exclusive.
La présente section s'applique aux détroits qui servent à la navigation internationale entre une partie de la haute mer ou une zone économique exclusive et une autre partie de la haute mer ou une zone économique exclusive.
Art. 38. Recht van doortocht.
1. In de zeestraten bedoeld in artikel 37 genieten alle schepen en luchtvaartuigen het recht van doortocht, dat niet mag worden belemmerd; met dien verstande dat, indien de zeestraat wordt gevormd door een eiland van een Staat die aan de zeestraat grenst en het vasteland van die Staat, de doortocht niet van toepassing is indien er aan de zeezijde van het eiland een route bestaat door de volle zee of door een exclusieve economische zone van vergelijkbare geschiktheid wat de scheepvaart en de hydrografische kenmerken betreft.
2. Doortocht betekent de uitoefening overeenkomstig dit Deel van de vrijheid van scheepvaart en de vrijheid van overvliegen uitsluitend ten behoeve van een ononderbroken en snelle doortocht van de zeestraat tussen het ene deel van de volle zee of van een exclusieve economische zone en het andere deel van de volle zee of van een exclusieve economische zone. De eis van ononderbroken en snelle doortocht sluit evenwel niet de doorvaart door de zeestraat uit ten behoeve van het binnenvaren van, het uitvaren uit of het terugkeren van een aan de zeestraat grenzende Staat, behoudens de voorwaarden voor binnenkomst in die Staat.
3. Elke activiteit die geen betrekking heeft op de uitoefening van het recht van doortocht via een zeestraat blijft onderworpen aan de andere van toepassing zijnde bepalingen van dit Verdrag.
1. In de zeestraten bedoeld in artikel 37 genieten alle schepen en luchtvaartuigen het recht van doortocht, dat niet mag worden belemmerd; met dien verstande dat, indien de zeestraat wordt gevormd door een eiland van een Staat die aan de zeestraat grenst en het vasteland van die Staat, de doortocht niet van toepassing is indien er aan de zeezijde van het eiland een route bestaat door de volle zee of door een exclusieve economische zone van vergelijkbare geschiktheid wat de scheepvaart en de hydrografische kenmerken betreft.
2. Doortocht betekent de uitoefening overeenkomstig dit Deel van de vrijheid van scheepvaart en de vrijheid van overvliegen uitsluitend ten behoeve van een ononderbroken en snelle doortocht van de zeestraat tussen het ene deel van de volle zee of van een exclusieve economische zone en het andere deel van de volle zee of van een exclusieve economische zone. De eis van ononderbroken en snelle doortocht sluit evenwel niet de doorvaart door de zeestraat uit ten behoeve van het binnenvaren van, het uitvaren uit of het terugkeren van een aan de zeestraat grenzende Staat, behoudens de voorwaarden voor binnenkomst in die Staat.
3. Elke activiteit die geen betrekking heeft op de uitoefening van het recht van doortocht via een zeestraat blijft onderworpen aan de andere van toepassing zijnde bepalingen van dit Verdrag.
Art. 38. Droit de passage en transit.
1. Dans les détroits visés à l'article 37, tous les navires et aéronefs jouissent du droit de passage en transit sans entrave, à cette restriction près que ce droit ne s'étend pas aux détroits formés par le territoire continental d'un Etat et une île appartenant à cet Etat, lorsqu'il existe au large de l'île une route de haute mer, ou une route passant par une zone économique exclusive, de commodité comparable du point de vue de la navigation et des caractéristiques hydrographiques.
2. On entend par " passage en transit " l'exercice, conformément à la présente partie, de la liberté de navigation et de survol à seule fin d'un transit continu et rapide par le détroit entre une partie de la haute mer ou une zone économique exclusive et une autre partie de la haute mer ou une zone économique exclusive. Toutefois, l'exigence de la continuité et de la rapidité du transit n'interdit pas le passage par le détroit pour accéder au territoire d'un Etat riverain, le quitter ou en repartir, sous réserve des conditions d'admission sur le territoire de cet Etat.
3. Toute activité qui ne relève pas de l'exercice du droit de passage en transit par les détroits reste subordonnée aux autres dispositions applicables de la Convention.
1. Dans les détroits visés à l'article 37, tous les navires et aéronefs jouissent du droit de passage en transit sans entrave, à cette restriction près que ce droit ne s'étend pas aux détroits formés par le territoire continental d'un Etat et une île appartenant à cet Etat, lorsqu'il existe au large de l'île une route de haute mer, ou une route passant par une zone économique exclusive, de commodité comparable du point de vue de la navigation et des caractéristiques hydrographiques.
2. On entend par " passage en transit " l'exercice, conformément à la présente partie, de la liberté de navigation et de survol à seule fin d'un transit continu et rapide par le détroit entre une partie de la haute mer ou une zone économique exclusive et une autre partie de la haute mer ou une zone économique exclusive. Toutefois, l'exigence de la continuité et de la rapidité du transit n'interdit pas le passage par le détroit pour accéder au territoire d'un Etat riverain, le quitter ou en repartir, sous réserve des conditions d'admission sur le territoire de cet Etat.
3. Toute activité qui ne relève pas de l'exercice du droit de passage en transit par les détroits reste subordonnée aux autres dispositions applicables de la Convention.
Art. 39. Plichten van schepen en luchtvaartuigen tijdens de doortocht.
1. Schepen en luchtvaartuigen dienen bij de uitoefening van het recht van doortocht :
a) zonder verwijl door of over de zeestraat te gaan;
b) zich te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van aan de zeestraat grenzende Staten of van enigerlei andere handelwijze die in strijd is met de beginselen van het internationale recht vervat in het Handvest van de Verenigde Naties;
c) zich te onthouden van andere activiteiten dan die welke behoren bij een normale ononderbroken en snelle doortocht, tenzij zulks noodzakelijk is wegens overmacht of het verkeren in nood;
d) andere ter zake dienende bepalingen van dit Deel na te komen.
2. Schepen in doortocht dienen :
a) te voldoen aan algemeen aanvaarde internationale voorschriften, procedures en praktijken voor de veiligheid op zee, met inbegrip van de Internationale Voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee;
b) te voldoen aan algemeen aanvaarde internationale voorschriften, procedures en praktijken ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen.
3. Luchtvaartuigen in doortocht dienen :
a) zich te houden aan de luchtvaartregels vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie die van toepassing zijn op burgerluchtvaartuigen; staatsluchtvaartuigen voldoen normaal aan de veiligheidsmaatregelen en er wordt te allen tijde mee gevlogen met behoorlijke inachtneming van de veiligheid van de luchtvaart;
b) te allen tijde de door de bevoegde internationaal aangewezen instantie voor het toezicht op het luchtverkeer toegewezen radiofrequentie of de desbetreffende internationale radionoodfrequentie uit te luisteren.
1. Schepen en luchtvaartuigen dienen bij de uitoefening van het recht van doortocht :
a) zonder verwijl door of over de zeestraat te gaan;
b) zich te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van aan de zeestraat grenzende Staten of van enigerlei andere handelwijze die in strijd is met de beginselen van het internationale recht vervat in het Handvest van de Verenigde Naties;
c) zich te onthouden van andere activiteiten dan die welke behoren bij een normale ononderbroken en snelle doortocht, tenzij zulks noodzakelijk is wegens overmacht of het verkeren in nood;
d) andere ter zake dienende bepalingen van dit Deel na te komen.
2. Schepen in doortocht dienen :
a) te voldoen aan algemeen aanvaarde internationale voorschriften, procedures en praktijken voor de veiligheid op zee, met inbegrip van de Internationale Voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee;
b) te voldoen aan algemeen aanvaarde internationale voorschriften, procedures en praktijken ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen.
3. Luchtvaartuigen in doortocht dienen :
a) zich te houden aan de luchtvaartregels vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie die van toepassing zijn op burgerluchtvaartuigen; staatsluchtvaartuigen voldoen normaal aan de veiligheidsmaatregelen en er wordt te allen tijde mee gevlogen met behoorlijke inachtneming van de veiligheid van de luchtvaart;
b) te allen tijde de door de bevoegde internationaal aangewezen instantie voor het toezicht op het luchtverkeer toegewezen radiofrequentie of de desbetreffende internationale radionoodfrequentie uit te luisteren.
Art. 39. Obligations des navires et aéronefs pendant le passage en transit.
1. Dans l'exercice du droit de passage en transit, les navires et aéronefs :
a) traversent ou survolent le détroit sans délai;
b) s'abstiennent de recourir à la menace ou à l'emploi de la force contre la souveraineté, l'intégrité territoriale ou l'indépendance politique des Etats riverains du détroit ou de toute autre manière contraire aux principes du droit international énoncés dans la Charte des Nations Unies;
c) s'abstiennent de toute activité autre que celles qu'implique un transit continu et rapide, selon leur mode normal de navigation, sauf cas de force majeure ou de détresse;
d) se conforment aux autres dispositions pertinentes de la présente partie.
2. Pendant le passage en transit, les navires se conforment :
a) aux règlements, procédures et pratiques internationaux généralement acceptés en matière de sécurité de la navigation, notamment au Règlement international pour prévenir les abordages en mer;
b) aux règlements, procédures et pratiques internationaux généralement acceptés visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires.
3. Pendant le passage en transit, les aéronefs :
a) respectent les règlements aériens établis par l'Organisation de l'aviation civile internationale qui sont applicables aux aéronefs civils, les aéronefs d'Etat se conforment normalement aux mesures de sécurité prévues par ces règlements et manoeuvrent en tenant dûment compte, à tout moment, de la sécurité de la navigation;
b) surveillent en permanence la fréquence radio que l'autorité compétente internationalement désignée pour le contrôle de la circulation aérienne leur a attribuée, ou la fréquence internationale de détresse.
1. Dans l'exercice du droit de passage en transit, les navires et aéronefs :
a) traversent ou survolent le détroit sans délai;
b) s'abstiennent de recourir à la menace ou à l'emploi de la force contre la souveraineté, l'intégrité territoriale ou l'indépendance politique des Etats riverains du détroit ou de toute autre manière contraire aux principes du droit international énoncés dans la Charte des Nations Unies;
c) s'abstiennent de toute activité autre que celles qu'implique un transit continu et rapide, selon leur mode normal de navigation, sauf cas de force majeure ou de détresse;
d) se conforment aux autres dispositions pertinentes de la présente partie.
2. Pendant le passage en transit, les navires se conforment :
a) aux règlements, procédures et pratiques internationaux généralement acceptés en matière de sécurité de la navigation, notamment au Règlement international pour prévenir les abordages en mer;
b) aux règlements, procédures et pratiques internationaux généralement acceptés visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires.
3. Pendant le passage en transit, les aéronefs :
a) respectent les règlements aériens établis par l'Organisation de l'aviation civile internationale qui sont applicables aux aéronefs civils, les aéronefs d'Etat se conforment normalement aux mesures de sécurité prévues par ces règlements et manoeuvrent en tenant dûment compte, à tout moment, de la sécurité de la navigation;
b) surveillent en permanence la fréquence radio que l'autorité compétente internationalement désignée pour le contrôle de la circulation aérienne leur a attribuée, ou la fréquence internationale de détresse.
Art. 40. Onderzoek- en karteringswerkzaamheden.
Tijdens de doortocht mogen vreemde schepen, met inbegrip van schepen voor wetenschappelijk zeeonderzoek en schepen voor hydrografische karteringswerkzaamheden geen onderzoek of karteringswerkzaamheden verrichten zonder de voorafgaande machtiging van de aan de zeestraten grenzende Staten.
Tijdens de doortocht mogen vreemde schepen, met inbegrip van schepen voor wetenschappelijk zeeonderzoek en schepen voor hydrografische karteringswerkzaamheden geen onderzoek of karteringswerkzaamheden verrichten zonder de voorafgaande machtiging van de aan de zeestraten grenzende Staten.
Art. 40. Recherche et levés hydrographiques.
Pendant le passage en transit, les navires étrangers, y compris ceux qui sont affectés à la recherche scientifique marine ou à des levés hydrographiques, ne peuvent être utilisés pour des recherches ou des levés sans l'autorisation préalable des Etats riverains.
Pendant le passage en transit, les navires étrangers, y compris ceux qui sont affectés à la recherche scientifique marine ou à des levés hydrographiques, ne peuvent être utilisés pour des recherches ou des levés sans l'autorisation préalable des Etats riverains.
Art. 41. Scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels in voor de internationale scheepvaart gebruikte zeestraten.
1. Overeenkomstig dit Deel kunnen aan zeestraten grenzende Staten scheepvaartroutes aanwijzen en verkeersscheidingsstelsels voorschrijven voor de scheepvaart in zeestraten indien zulks nodig is ter bevordering van de veilige doorvaart van de schepen.
2. Deze Staten kunnen, wanneer de omstandigheden zulks vereisen, en na hieraan voldoende bekendheid te hebben gegeven, voordien door hen aangewezen of voorgeschreven scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels, vervangen door andere scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels.
3. Deze scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels dienen in overeenstemming te zijn met algemeen aanvaarde internationale voorschriften.
4. Alvorens scheepvaartroutes aan te wijzen of te vervangen of verkeersscheidingsstelsels voor te schrijven of te vervangen, leggen aan zeestraten grenzende Staten de voorstellen voor aan de bevoegde internationale organisatie met het oog op de aanvaarding ervan. De organisatie kan alleen die scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels aanvaarden die zijn overeengekomen met de aan de zeestraten grenzende Staten, waarna de Staten deze kunnen aanwijzen, voorschrijven of vervangen.
5. Ten aanzien van een zeestraat waarvoor scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels door de wateren van twee of meer aan de zeestraat grenzende Staten worden voorgesteld, dienen de betrokken Staten samen te werken bij het formuleren van voorstellen in overleg met de bevoegde internationale organisatie.
6. Aan zeestraten grenzende Staten dienen alle scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels die door hen worden aangewezen of voorgeschreven duidelijk aan te geven op kaarten waaraan voldoende bekendheid wordt gegeven.
7. Schepen in doortocht houden zich aan de van toepassing zijnde scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels als vastgesteld overeenkomstig dit artikel.
1. Overeenkomstig dit Deel kunnen aan zeestraten grenzende Staten scheepvaartroutes aanwijzen en verkeersscheidingsstelsels voorschrijven voor de scheepvaart in zeestraten indien zulks nodig is ter bevordering van de veilige doorvaart van de schepen.
2. Deze Staten kunnen, wanneer de omstandigheden zulks vereisen, en na hieraan voldoende bekendheid te hebben gegeven, voordien door hen aangewezen of voorgeschreven scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels, vervangen door andere scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels.
3. Deze scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels dienen in overeenstemming te zijn met algemeen aanvaarde internationale voorschriften.
4. Alvorens scheepvaartroutes aan te wijzen of te vervangen of verkeersscheidingsstelsels voor te schrijven of te vervangen, leggen aan zeestraten grenzende Staten de voorstellen voor aan de bevoegde internationale organisatie met het oog op de aanvaarding ervan. De organisatie kan alleen die scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels aanvaarden die zijn overeengekomen met de aan de zeestraten grenzende Staten, waarna de Staten deze kunnen aanwijzen, voorschrijven of vervangen.
5. Ten aanzien van een zeestraat waarvoor scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels door de wateren van twee of meer aan de zeestraat grenzende Staten worden voorgesteld, dienen de betrokken Staten samen te werken bij het formuleren van voorstellen in overleg met de bevoegde internationale organisatie.
6. Aan zeestraten grenzende Staten dienen alle scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels die door hen worden aangewezen of voorgeschreven duidelijk aan te geven op kaarten waaraan voldoende bekendheid wordt gegeven.
7. Schepen in doortocht houden zich aan de van toepassing zijnde scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels als vastgesteld overeenkomstig dit artikel.
Art. 41. Voies de circulation et dispositifs de séparation du trafic dans les détroits servant à la navigation internationale.
1. Conformément à la présente partie, les Etats riverains de détroits peuvent, lorsque la sécurité des navires dans les détroits l'exige, désigner des voies de circulation et prescrire des dispositifs de séparation du trafic.
2. Ces Etats peuvent, lorsque les circonstances l'exigent et après avoir donné la publicité voulue à cette mesure, désigner de nouvelles voies de circulation ou prescrire de nouveaux dispositifs de séparation du trafic en remplacement de toute voie ou de tout dispositif qu'ils avaient désigné ou prescrit antérieurement.
3. Les voies de circulation et les dispositifs de séparation du trafic doivent être conformes à la réglementation internationale généralement acceptée.
4. Avant de désigner ou remplacer des voies de circulation ou de prescrire ou remplacer des dispositifs de séparation du trafic, les Etats riverains de détroits soumettent leurs propositions, pour adoption, à l'organisation internationale compétente. Cette organisation ne peut adopter que les voies de circulation et les dispositifs de séparation du trafic dont il a pu être convenu avec les Etats riverains, ceux-ci peuvent alors les désigner, les prescrire ou les remplacer.
5. Lorsqu'il est proposé d'établir dans un détroit des voies de circulation ou des dispositifs de séparation du trafic intéressant les eaux de plusieurs Etats riverains, les Etats concernés coopèrent pour formuler des propositions en consultation avec l'organisation internationale compétente.
6. Les Etats riverains de détroits indiquent clairement sur des cartes marines auxquelles ils donnent la publicité voulue toutes les voies de circulation ou tous les dispositifs de séparation du trafic qu'ils ont établis.
7. Pendant le passage en transit, les navires respectent les voies de circulation et les dispositifs de séparation du trafic établis conformément au présent article.
1. Conformément à la présente partie, les Etats riverains de détroits peuvent, lorsque la sécurité des navires dans les détroits l'exige, désigner des voies de circulation et prescrire des dispositifs de séparation du trafic.
2. Ces Etats peuvent, lorsque les circonstances l'exigent et après avoir donné la publicité voulue à cette mesure, désigner de nouvelles voies de circulation ou prescrire de nouveaux dispositifs de séparation du trafic en remplacement de toute voie ou de tout dispositif qu'ils avaient désigné ou prescrit antérieurement.
3. Les voies de circulation et les dispositifs de séparation du trafic doivent être conformes à la réglementation internationale généralement acceptée.
4. Avant de désigner ou remplacer des voies de circulation ou de prescrire ou remplacer des dispositifs de séparation du trafic, les Etats riverains de détroits soumettent leurs propositions, pour adoption, à l'organisation internationale compétente. Cette organisation ne peut adopter que les voies de circulation et les dispositifs de séparation du trafic dont il a pu être convenu avec les Etats riverains, ceux-ci peuvent alors les désigner, les prescrire ou les remplacer.
5. Lorsqu'il est proposé d'établir dans un détroit des voies de circulation ou des dispositifs de séparation du trafic intéressant les eaux de plusieurs Etats riverains, les Etats concernés coopèrent pour formuler des propositions en consultation avec l'organisation internationale compétente.
6. Les Etats riverains de détroits indiquent clairement sur des cartes marines auxquelles ils donnent la publicité voulue toutes les voies de circulation ou tous les dispositifs de séparation du trafic qu'ils ont établis.
7. Pendant le passage en transit, les navires respectent les voies de circulation et les dispositifs de séparation du trafic établis conformément au présent article.
Art. 42. Wetten en voorschriften van aan zeestraten grenzende Staten betreffende de doortocht.
1. Onder voorbehoud van de bepalingen van deze afdeling kunnen aan zeestraten grenzende Staten wetten en voorschriften aannemen betreffende de doortocht door zeestraten met betrekking tot enige of alle der volgende aangelegenheden :
a) de veiligheid van de scheepvaart en de regeling van het scheepvaartverkeer, bedoeld in artikel 41;
b) het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging, door uitvoering te geven aan van toepassing zijnde internationale voorschriften betreffende het lozen van olie, olie bevattende afvalproducten en andere schadelijke stoffen in de zeestraat;
c) met betrekking tot visserschepen, het voorkomen van de uitoefening van de visserij, met inbegrip van het aan boord hebben van vistuig;
d) het in- of ontschepen van goederen, valuta of personen in strijd met de wetten en voorschriften van de aan zeestraten grenzende Staten inzake douane, belastingen, immigratie of de volksgezondheid.
2. Deze wetten en voorschriften mogen niet rechtens of in feite onderscheid maken tussen vreemde schepen of in hun toepassing tot gevolg hebben dat het recht van doortocht zoals omschreven in deze afdeling wordt ontzegd, belemmerd of dat daaraan afbreuk wordt gedaan.
3. Aan zeestraten grenzende Staten dienen voldoende bekendheid te geven aan al deze wetten en voorschriften.
4. Vreemde schepen die het recht van doortocht uitoefenen, dienen zulke wetten en voorschriften na te leven.
5. De vlaggenstaat van een schip of de Staat van registratie van een luchtvaartuig dat soevereine immuniteit geniet, en dat handelt op een wijze strijdig met deze wetten en voorschriften of andere bepalingen van dit Deel, draagt internationale verantwoordelijkheid voor daaruit voor aan zeestraten grenzende Staten voortvloeiende verliezen of schade.
1. Onder voorbehoud van de bepalingen van deze afdeling kunnen aan zeestraten grenzende Staten wetten en voorschriften aannemen betreffende de doortocht door zeestraten met betrekking tot enige of alle der volgende aangelegenheden :
a) de veiligheid van de scheepvaart en de regeling van het scheepvaartverkeer, bedoeld in artikel 41;
b) het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging, door uitvoering te geven aan van toepassing zijnde internationale voorschriften betreffende het lozen van olie, olie bevattende afvalproducten en andere schadelijke stoffen in de zeestraat;
c) met betrekking tot visserschepen, het voorkomen van de uitoefening van de visserij, met inbegrip van het aan boord hebben van vistuig;
d) het in- of ontschepen van goederen, valuta of personen in strijd met de wetten en voorschriften van de aan zeestraten grenzende Staten inzake douane, belastingen, immigratie of de volksgezondheid.
2. Deze wetten en voorschriften mogen niet rechtens of in feite onderscheid maken tussen vreemde schepen of in hun toepassing tot gevolg hebben dat het recht van doortocht zoals omschreven in deze afdeling wordt ontzegd, belemmerd of dat daaraan afbreuk wordt gedaan.
3. Aan zeestraten grenzende Staten dienen voldoende bekendheid te geven aan al deze wetten en voorschriften.
4. Vreemde schepen die het recht van doortocht uitoefenen, dienen zulke wetten en voorschriften na te leven.
5. De vlaggenstaat van een schip of de Staat van registratie van een luchtvaartuig dat soevereine immuniteit geniet, en dat handelt op een wijze strijdig met deze wetten en voorschriften of andere bepalingen van dit Deel, draagt internationale verantwoordelijkheid voor daaruit voor aan zeestraten grenzende Staten voortvloeiende verliezen of schade.
Art. 42. Lois et règlements des Etats riverains de détroits relatifs au passage en transit.
1. Sous réserve de la présente section, les Etats riverains d'un détroit peuvent adopter des lois et règlements relatifs au passage par le détroit portant sur :
a) la sécurité de la navigation et la régulation du trafic maritime, comme il est prévu à l'article 41;
b) la prévention, la réduction et la maîtrise de la pollution, en donnant effet à la réglementation internationale applicable visant le rejet dans le détroit d'hydrocarbures, de résidus d'hydrocarbures et d'autres substances nocives;
c) s'agissant des navires de pêche, l'interdiction de la pêche, y compris la réglementation de l'arrimage des engins de pêche;
d) l'embarquement ou le débarquement de marchandises, de fonds ou de personnes en contravention aux lois et règlements douaniers, fiscaux, sanitaires ou d'immigration des Etats riverains.
2. Ces lois et règlements ne doivent entraîner aucune discrimination de droit ou de fait entre les navires étrangers, ni leur application avoir pour effet d'empêcher, de restreindre ou d'entraver l'exercice du droit de passage en transit tel qu'il est défini dans la présente section.
3. Les Etats riverains donnent la publicité voulue à ces lois et règlements.
4. Les navires étrangers exerçant le droit de passage en transit par le détroit doivent se conformer à ces lois et règlements.
5. En cas de contravention à ces lois et règlements ou aux dispositions de la présente partie par un navire ou un aéronef jouissant de l'immunité souveraine, l'Etat du pavillon du navire ou l'Etat d'immatriculation de l'aéronef porte la responsabilité internationale de toute perte ou de tout dommage qui peut en résulter pour les Etats riverains.
1. Sous réserve de la présente section, les Etats riverains d'un détroit peuvent adopter des lois et règlements relatifs au passage par le détroit portant sur :
a) la sécurité de la navigation et la régulation du trafic maritime, comme il est prévu à l'article 41;
b) la prévention, la réduction et la maîtrise de la pollution, en donnant effet à la réglementation internationale applicable visant le rejet dans le détroit d'hydrocarbures, de résidus d'hydrocarbures et d'autres substances nocives;
c) s'agissant des navires de pêche, l'interdiction de la pêche, y compris la réglementation de l'arrimage des engins de pêche;
d) l'embarquement ou le débarquement de marchandises, de fonds ou de personnes en contravention aux lois et règlements douaniers, fiscaux, sanitaires ou d'immigration des Etats riverains.
2. Ces lois et règlements ne doivent entraîner aucune discrimination de droit ou de fait entre les navires étrangers, ni leur application avoir pour effet d'empêcher, de restreindre ou d'entraver l'exercice du droit de passage en transit tel qu'il est défini dans la présente section.
3. Les Etats riverains donnent la publicité voulue à ces lois et règlements.
4. Les navires étrangers exerçant le droit de passage en transit par le détroit doivent se conformer à ces lois et règlements.
5. En cas de contravention à ces lois et règlements ou aux dispositions de la présente partie par un navire ou un aéronef jouissant de l'immunité souveraine, l'Etat du pavillon du navire ou l'Etat d'immatriculation de l'aéronef porte la responsabilité internationale de toute perte ou de tout dommage qui peut en résulter pour les Etats riverains.
Art. 43. Hulpmiddelen bij de navigatie en veiligheidsmiddelen en andere verbeteringen en het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging.
Van een zeestraat gebruik makende en aan een zeestraat grenzende Staten dienen bij overeenkomst samen te werken :
a) bij het aanbrengen en onderhouden in een zeestraat van de noodzakelijke hulpmiddelen bij de navigatie en de noodzakelijke veiligheidsmiddelen of andere verbeteringen ten bate van de internationale scheepvaart, en
b) ten einde verontreiniging door schepen te voorkomen, te verminderen en te bestrijden.
Van een zeestraat gebruik makende en aan een zeestraat grenzende Staten dienen bij overeenkomst samen te werken :
a) bij het aanbrengen en onderhouden in een zeestraat van de noodzakelijke hulpmiddelen bij de navigatie en de noodzakelijke veiligheidsmiddelen of andere verbeteringen ten bate van de internationale scheepvaart, en
b) ten einde verontreiniging door schepen te voorkomen, te verminderen en te bestrijden.
Art. 43. Installations de sécurité, aides à la navigation et autres équipements, et prévention, réduction et maîtrise de la pollution.
Les Etats utilisateurs d'un détroit et les Etats riverains devraient, par voie d'accord, coopérer pour :
a) établir et entretenir dans le détroit les installations de sécurité et les aides a la navigation nécessaires, ainsi que les autres équipements destinés à faciliter la navigation internationale, et
b) prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires.
Les Etats utilisateurs d'un détroit et les Etats riverains devraient, par voie d'accord, coopérer pour :
a) établir et entretenir dans le détroit les installations de sécurité et les aides a la navigation nécessaires, ainsi que les autres équipements destinés à faciliter la navigation internationale, et
b) prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires.
Art. 44. Plichten van aan zeestraten grenzende Staten.
Aan zeestraten grenzende Staten mogen de doortocht niet belemmeren en dienen passende bekendheid te geven aan hun bekende gevaren voor de scheepvaart binnen, of voor het overvliegen boven de zeestraat. De doortocht mag niet worden opgeschort.
Aan zeestraten grenzende Staten mogen de doortocht niet belemmeren en dienen passende bekendheid te geven aan hun bekende gevaren voor de scheepvaart binnen, of voor het overvliegen boven de zeestraat. De doortocht mag niet worden opgeschort.
Art. 44. Obligations des Etats riverains de détroits.
Les Etats riverains de détroits ne doivent pas entraver le passage en transit et doivent signaler par une publicité adéquate tout danger pour la navigation dans le détroit ou le survol du détroit dont ils ont connaissance. L'exercice du droit de passage en transit ne peut être suspendu.
Les Etats riverains de détroits ne doivent pas entraver le passage en transit et doivent signaler par une publicité adéquate tout danger pour la navigation dans le détroit ou le survol du détroit dont ils ont connaissance. L'exercice du droit de passage en transit ne peut être suspendu.
Afdeling 3. - Onschuldige doorvaart.
Section 3. - Passage inoffensif.
Art. 45. Onschuldige doorvaart.
1. De regeling van onschuldige doorvaart overeenkomstig Deel II, afdeling 3, is van toepassing in voor internationale scheepvaart gebruikte zeestraten :
a) die zijn uitgesloten van de toepassing van de regeling van doortocht ingevolge artikel 38, eerste lid; of
b) tussen een deel van de volle zee of een exclusieve economische zone en de territoriale zee van een vreemde Staat.
2. De onschuldige doorvaart door deze zeestraten mag niet worden opgeschort.
1. De regeling van onschuldige doorvaart overeenkomstig Deel II, afdeling 3, is van toepassing in voor internationale scheepvaart gebruikte zeestraten :
a) die zijn uitgesloten van de toepassing van de regeling van doortocht ingevolge artikel 38, eerste lid; of
b) tussen een deel van de volle zee of een exclusieve economische zone en de territoriale zee van een vreemde Staat.
2. De onschuldige doorvaart door deze zeestraten mag niet worden opgeschort.
Art. 45. Passage inoffensif.
1. Le régime du passage inoffensif prévu à la section 3 de la partie II s'applique aux détroits servant à la navigation internationale qui :
a) sont exclus du champ d'application du régime du passage en transit en vertu de l'article 38, paragraphe 1, ou
b) relient la mer territoriale d'un Etat à une partie de la haute mer ou à la zone économique exclusive d'un autre Etat.
2. L'exercice du droit de passage inoffensif dans ces détroits ne peut être suspendu.
1. Le régime du passage inoffensif prévu à la section 3 de la partie II s'applique aux détroits servant à la navigation internationale qui :
a) sont exclus du champ d'application du régime du passage en transit en vertu de l'article 38, paragraphe 1, ou
b) relient la mer territoriale d'un Etat à une partie de la haute mer ou à la zone économique exclusive d'un autre Etat.
2. L'exercice du droit de passage inoffensif dans ces détroits ne peut être suspendu.
DEEL IV. - Archipelstaten.
PARTIE IV. - Etats archipels.
Art. 46. Gebruik van termen.
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent :
a) " archipelstaat " een Staat die geheel wordt gevormd door een of meer archipels en eventueel andere eilanden;
b) " archipel " een groep eilanden, met inbegrip van delen van eilanden, verbindingswateren en andere natuurlijke bestanddelen die zo nauw verweven zijn dat zulke eilanden, wateren en andere natuurlijke kenmerken een intrinsiek geografische, economische en politieke eenheid vormen, of die historisch als zodanig worden beschouwd.
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent :
a) " archipelstaat " een Staat die geheel wordt gevormd door een of meer archipels en eventueel andere eilanden;
b) " archipel " een groep eilanden, met inbegrip van delen van eilanden, verbindingswateren en andere natuurlijke bestanddelen die zo nauw verweven zijn dat zulke eilanden, wateren en andere natuurlijke kenmerken een intrinsiek geografische, economische en politieke eenheid vormen, of die historisch als zodanig worden beschouwd.
Art. 46. Emploi des termes.
Aux fins de la Convention, on entend par :
a) " Etat archipel " : un Etat constitué entièrement par un ou plusieurs archipels et éventuellement d'autres îles;
b) " archipel " : un ensemble d'îles, y compris des parties d'îles, les eaux attenantes et les autres éléments naturels qui ont les uns avec les autres des rapports si étroits qu'ils forment intrinsèquement un tout géographique, économique et politique, ou qui sont historiquement considérés comme tels.
Aux fins de la Convention, on entend par :
a) " Etat archipel " : un Etat constitué entièrement par un ou plusieurs archipels et éventuellement d'autres îles;
b) " archipel " : un ensemble d'îles, y compris des parties d'îles, les eaux attenantes et les autres éléments naturels qui ont les uns avec les autres des rapports si étroits qu'ils forment intrinsèquement un tout géographique, économique et politique, ou qui sont historiquement considérés comme tels.
Art. 47. Archipel-basislijnen.
1. Een archipelstaat mag rechte archipel-basislijnen trekken die de uiterste punten van de uiterste eilanden en bij eb droogvallende riffen van de archipel met elkaar verbinden, mits binnen zulke basislijnen de voornaamste eilanden vallen alsmede een gebied waarin de verhouding van het wateroppervlak tot het landoppervlak, atollen inbegrepen, ligt tussen 1 tot 1 en 9 tot 1.
2. De lengte van zulke basislijnen mag niet langer zijn dan 100 zeemijl, met de uitzondering dat ten hoogste drie procent van het totale aantal basislijnen die een archipel insluiten langer mag zijn, tot een maximumlengte van 125 zeemijl.
3. Aldus getrokken basislijnen mogen niet aanmerkelijk afwijken van de algemene omtrek van de archipel.
4. Er mogen geen basislijnen worden getrokken van en naar bij eb droogvallende bodemverheffingen, tenzij er vuurtorens of soortgelijke installaties die duurzaam boven zee uitsteken, op gebouwd zijn, of wanneer een bij eb droogvallende bodemverheffing geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand niet groter dan de breedte van de territoriale zee vanaf het dichtstbijzijnde eiland.
5. De methode van zodanige basislijnen mag door een archipelstaat niet op zodanige wijze worden toegepast, dat daardoor de territoriale zee van een andere Staat van de volle zee of de exclusieve economische zone zou worden afgesneden.
6. Indien een deel van de archipelwateren van een archipelstaat ligt tussen twee delen van een onmiddellijk daaraan grenzende buurstaat, blijven bestaande rechten en alle andere wettige belangen die laatstgenoemde Staat van oudsher in zodanige wateren heeft uitgeoefend en alle bij overeenkomst tussen deze Staten bepaalde rechten geëerbiedigd.
7. Voor de berekening van de verhouding tussen water en land ingevolge het eerste lid, kunnen landgebieden wateren omvatten, liggend binnen de reeks van riffen van eilanden en atollen, met inbegrip van dat Deel van een oceaanplateau met steile kanten dat wordt omsloten of bijna omsloten door een keten van kalkstenen eilanden en bij eb droogvallende riffen, liggend op de omtrek van het plateau.
8. De overeenkomstig dit artikel getrokken basislijnen worden aangegeven op zeekaarten van een schaal of schalen groot genoeg om hun positie te kunnen vaststellen. Deze kunnen worden vervangen door lijsten van geografische coördinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.
9. De archipelstaat geeft de nodige bekendheid aan de kaarten of lijsten van geografische coördinaten en legt een exemplaar neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
1. Een archipelstaat mag rechte archipel-basislijnen trekken die de uiterste punten van de uiterste eilanden en bij eb droogvallende riffen van de archipel met elkaar verbinden, mits binnen zulke basislijnen de voornaamste eilanden vallen alsmede een gebied waarin de verhouding van het wateroppervlak tot het landoppervlak, atollen inbegrepen, ligt tussen 1 tot 1 en 9 tot 1.
2. De lengte van zulke basislijnen mag niet langer zijn dan 100 zeemijl, met de uitzondering dat ten hoogste drie procent van het totale aantal basislijnen die een archipel insluiten langer mag zijn, tot een maximumlengte van 125 zeemijl.
3. Aldus getrokken basislijnen mogen niet aanmerkelijk afwijken van de algemene omtrek van de archipel.
4. Er mogen geen basislijnen worden getrokken van en naar bij eb droogvallende bodemverheffingen, tenzij er vuurtorens of soortgelijke installaties die duurzaam boven zee uitsteken, op gebouwd zijn, of wanneer een bij eb droogvallende bodemverheffing geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand niet groter dan de breedte van de territoriale zee vanaf het dichtstbijzijnde eiland.
5. De methode van zodanige basislijnen mag door een archipelstaat niet op zodanige wijze worden toegepast, dat daardoor de territoriale zee van een andere Staat van de volle zee of de exclusieve economische zone zou worden afgesneden.
6. Indien een deel van de archipelwateren van een archipelstaat ligt tussen twee delen van een onmiddellijk daaraan grenzende buurstaat, blijven bestaande rechten en alle andere wettige belangen die laatstgenoemde Staat van oudsher in zodanige wateren heeft uitgeoefend en alle bij overeenkomst tussen deze Staten bepaalde rechten geëerbiedigd.
7. Voor de berekening van de verhouding tussen water en land ingevolge het eerste lid, kunnen landgebieden wateren omvatten, liggend binnen de reeks van riffen van eilanden en atollen, met inbegrip van dat Deel van een oceaanplateau met steile kanten dat wordt omsloten of bijna omsloten door een keten van kalkstenen eilanden en bij eb droogvallende riffen, liggend op de omtrek van het plateau.
8. De overeenkomstig dit artikel getrokken basislijnen worden aangegeven op zeekaarten van een schaal of schalen groot genoeg om hun positie te kunnen vaststellen. Deze kunnen worden vervangen door lijsten van geografische coördinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.
9. De archipelstaat geeft de nodige bekendheid aan de kaarten of lijsten van geografische coördinaten en legt een exemplaar neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Art. 47. Lignes de base archipélagiques.
1. Un Etat archipel peut tracer des lignes de base archipélagiques droites reliant les points extrêmes des îles les plus éloignées et des récifs découvrants de l'archipel à condition que le tracé de ces lignes de base englobe les îles principales et définisse une zone où le rapport de la superficie des eaux à celle des terres, atolls inclus, soit compris entre 1 à 1 et 9 à 1.
2. La longueur de ces lignes de base ne doit pas dépasser 100 milles marins, toutefois, 3 p. 100 au maximum du nombre total des lignes de base entourant un archipel donné peuvent avoir une longueur supérieure, n'excédant pas 125 milles marins.
3. Le tracé de ces lignes de base ne doit pas s'écarter sensiblement du contour général de l'archipel.
4. Ces lignes de base ne peuvent être tirées vers ou depuis des hauts-fonds découvrants, à moins que des phares ou des installations similaires émergées en permanence n'y aient été construits ou que le haut-fond ne soit situé, entièrement ou en partie, à une distance de l'île la plus proche ne dépassant pas la largeur de la mer territoriale.
5. Un Etat archipel ne peut appliquer la méthode de tracé de ces lignes de base d'une manière telle que la mer territoriale d'un autre Etat se trouve coupée de la haute mer ou d'une zone économique exclusive.
6. Si une partie des eaux archipélagiques d'un Etat archipel est située entre deux portions du territoire d'un Etat limitrophe, les droits et tous intérêts légitimes que ce dernier Etat fait valoir traditionnellement dans ces eaux, ainsi que tous les droits découlant d'accords conclus entre les deux Etats, subsistent et sont respectés.
7. Aux fins du calcul du rapport de la superficie des eaux à la superficie des terres prévu au paragraphe 1, peuvent être considérées comme faisant partie des terres les eaux situées en decà des récifs frangeants bordant les îles et les atolls ainsi que toute partie d'un plateau océanique à flancs abrupts entièrement ou presque entièrement cernée par une chaîne d'îles calcaires et de récifs découvrants.
8. Les lignes de base tracées conformément au présent article doivent être indiquées sur des cartes marines a l'échelle appropriée pour en déterminer l'emplacement. Des listes des coordonnées géographiques de points précisant le système geodésique utilisé peuvent être substituées à ces cartes.
9. L'Etat archipel donne la publicité voulue aux cartes ou listes des coordonnées géographiques et en dépose un exemplaire auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
1. Un Etat archipel peut tracer des lignes de base archipélagiques droites reliant les points extrêmes des îles les plus éloignées et des récifs découvrants de l'archipel à condition que le tracé de ces lignes de base englobe les îles principales et définisse une zone où le rapport de la superficie des eaux à celle des terres, atolls inclus, soit compris entre 1 à 1 et 9 à 1.
2. La longueur de ces lignes de base ne doit pas dépasser 100 milles marins, toutefois, 3 p. 100 au maximum du nombre total des lignes de base entourant un archipel donné peuvent avoir une longueur supérieure, n'excédant pas 125 milles marins.
3. Le tracé de ces lignes de base ne doit pas s'écarter sensiblement du contour général de l'archipel.
4. Ces lignes de base ne peuvent être tirées vers ou depuis des hauts-fonds découvrants, à moins que des phares ou des installations similaires émergées en permanence n'y aient été construits ou que le haut-fond ne soit situé, entièrement ou en partie, à une distance de l'île la plus proche ne dépassant pas la largeur de la mer territoriale.
5. Un Etat archipel ne peut appliquer la méthode de tracé de ces lignes de base d'une manière telle que la mer territoriale d'un autre Etat se trouve coupée de la haute mer ou d'une zone économique exclusive.
6. Si une partie des eaux archipélagiques d'un Etat archipel est située entre deux portions du territoire d'un Etat limitrophe, les droits et tous intérêts légitimes que ce dernier Etat fait valoir traditionnellement dans ces eaux, ainsi que tous les droits découlant d'accords conclus entre les deux Etats, subsistent et sont respectés.
7. Aux fins du calcul du rapport de la superficie des eaux à la superficie des terres prévu au paragraphe 1, peuvent être considérées comme faisant partie des terres les eaux situées en decà des récifs frangeants bordant les îles et les atolls ainsi que toute partie d'un plateau océanique à flancs abrupts entièrement ou presque entièrement cernée par une chaîne d'îles calcaires et de récifs découvrants.
8. Les lignes de base tracées conformément au présent article doivent être indiquées sur des cartes marines a l'échelle appropriée pour en déterminer l'emplacement. Des listes des coordonnées géographiques de points précisant le système geodésique utilisé peuvent être substituées à ces cartes.
9. L'Etat archipel donne la publicité voulue aux cartes ou listes des coordonnées géographiques et en dépose un exemplaire auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
Art. 48. Meting van de breedte van de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone en het continentaal plat.
De breedte van de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone en het continentaal plat wordt gemeten vanaf de overeenkomstig artikel 47 getrokken archipel-basislijnen.
De breedte van de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone en het continentaal plat wordt gemeten vanaf de overeenkomstig artikel 47 getrokken archipel-basislijnen.
Art. 48. Mesures de la largeur de la mer territoriale, de la zone contiguë, de la zone économique exclusive et du plateau continental.
La largeur de la mer territoriale, de la zone contiguë, de la zone economique exclusive et du plateau continental est mesurée à partir des lignes de base archipélagiques conformément à l'article 47.
La largeur de la mer territoriale, de la zone contiguë, de la zone economique exclusive et du plateau continental est mesurée à partir des lignes de base archipélagiques conformément à l'article 47.
Art. 49. Juridische status van de archipelzee, van het luchtruim boven de archipelzee en van de bodem en ondergrond van die zee.
1. De soevereiniteit van een archipelstaat strekt zich uit tot de zee omsloten door de archipel-basislijnen, getrokken overeenkomstig artikel 47, archipelzee genoemd, ongeacht hun diepte of afstand van de kust.
2. Deze soevereiniteit strekt zich uit over het luchtruim boven de archipelzee en over de bodem en ondergrond van die zee, en de zich daarin bevindende natuurlijke rijkdommen.
3. Deze soevereiniteit wordt uitgeoefend onder voorbehoud van dit Deel.
4. De regeling van doorvaart via scheepvaartroutes in de archipel vastgesteld in dit Deel is niet in andere opzichten van invloed op de status van de archipelzee, met inbegrip van scheepvaartroutes, of de uitoefening door de archipelstaat van zijn soevereiniteit over deze zee en het luchtruim boven de zee en de bodem en ondergrond van die zee en de zich daarin bevindende natuurlijke rijkdommen.
1. De soevereiniteit van een archipelstaat strekt zich uit tot de zee omsloten door de archipel-basislijnen, getrokken overeenkomstig artikel 47, archipelzee genoemd, ongeacht hun diepte of afstand van de kust.
2. Deze soevereiniteit strekt zich uit over het luchtruim boven de archipelzee en over de bodem en ondergrond van die zee, en de zich daarin bevindende natuurlijke rijkdommen.
3. Deze soevereiniteit wordt uitgeoefend onder voorbehoud van dit Deel.
4. De regeling van doorvaart via scheepvaartroutes in de archipel vastgesteld in dit Deel is niet in andere opzichten van invloed op de status van de archipelzee, met inbegrip van scheepvaartroutes, of de uitoefening door de archipelstaat van zijn soevereiniteit over deze zee en het luchtruim boven de zee en de bodem en ondergrond van die zee en de zich daarin bevindende natuurlijke rijkdommen.
Art. 49. Régime juridique des eaux archipélagiques et de l'espace aérien surjacent ainsi que des fonds marins correspondants et de leur sous-sol.
1. La souveraineté de l'Etat archipel s'étend aux eaux situées en decà des lignes de base archipélagiques tracées conformément a l'article 47, désignées sous le nom d'eaux archipélagiques, quelle que soit leur profondeur ou leur éloignement de la côte.
2. Cette souveraineté s'étend à l'espace aérien surjacent aux eaux archipélagiques, ainsi qu'au fonds de ces eaux et au sous-sol correspondant, et aux ressources qui s'y trouvent.
3. Cette souveraineté s'exerce dans les conditions prévues par la présente partie.
4. Le régime du passage archipélagique qu'établit la présente partie n'affecte à aucun autre égard le régime juridique des eaux archipélagiques, y compris les voies de circulation, ni l'exercice par l'Etat archipel de sa souveraineté sur ces eaux, l'espace aérien surjacent, le fond de ces eaux et le sous-sol correspondant, ainsi que sur les ressources qui s'y trouvent.
1. La souveraineté de l'Etat archipel s'étend aux eaux situées en decà des lignes de base archipélagiques tracées conformément a l'article 47, désignées sous le nom d'eaux archipélagiques, quelle que soit leur profondeur ou leur éloignement de la côte.
2. Cette souveraineté s'étend à l'espace aérien surjacent aux eaux archipélagiques, ainsi qu'au fonds de ces eaux et au sous-sol correspondant, et aux ressources qui s'y trouvent.
3. Cette souveraineté s'exerce dans les conditions prévues par la présente partie.
4. Le régime du passage archipélagique qu'établit la présente partie n'affecte à aucun autre égard le régime juridique des eaux archipélagiques, y compris les voies de circulation, ni l'exercice par l'Etat archipel de sa souveraineté sur ces eaux, l'espace aérien surjacent, le fond de ces eaux et le sous-sol correspondant, ainsi que sur les ressources qui s'y trouvent.
Art. 50. Afbakening van de binnenwateren.
De archipelstaat kan binnen zijn archipelzee afsluitingslijnen trekken voor de afbakening van de binnenwateren, overeenkomstig de artikelen 9, 10 en 11.
De archipelstaat kan binnen zijn archipelzee afsluitingslijnen trekken voor de afbakening van de binnenwateren, overeenkomstig de artikelen 9, 10 en 11.
Art. 50. Délimitation des eaux intérieures.
A l'intérieur de ses eaux archipélagiques, l'Etat archipel peut tracer des lignes de fermeture pour délimiter ses eaux intérieures, conformément aux articles 9, 10 et 11.
A l'intérieur de ses eaux archipélagiques, l'Etat archipel peut tracer des lignes de fermeture pour délimiter ses eaux intérieures, conformément aux articles 9, 10 et 11.
Art. 51. Bestaande overeenkomsten, van oudsher bestaande visrechten en bestaande onderzeese kabels.
1. Onverminderd artikel 49 eerbiedigt een archipelstaat bestaande overeenkomsten met andere Staten en erkent hij van oudsher bestaande visrechten en andere wettige activiteiten van de onmiddellijk aangrenzende buurstaten in bepaalde gebieden vallend binnen de archipelzee. De aard, de omvang en de gebieden waarvoor deze gelden, worden op verzoek van een der betrokken Staten geregeld bij bilaterale overeenkomsten tussen deze Staten. Zodanige rechten mogen niet worden overgedragen aan of gedeeld met derde Staten of hun onderdanen.
2. Een archipelstaat ontziet bestaande onderzeese kabels, gelegd door andere Staten die door zijn zee lopen zonder de oevers te raken. Een archipelstaat staat het onderhoud aan en de vervanging van zodanige kabels toe na tijdig te zijn verwittigd van hun ligging en van het voornemen deze te herstellen of te vervangen.
1. Onverminderd artikel 49 eerbiedigt een archipelstaat bestaande overeenkomsten met andere Staten en erkent hij van oudsher bestaande visrechten en andere wettige activiteiten van de onmiddellijk aangrenzende buurstaten in bepaalde gebieden vallend binnen de archipelzee. De aard, de omvang en de gebieden waarvoor deze gelden, worden op verzoek van een der betrokken Staten geregeld bij bilaterale overeenkomsten tussen deze Staten. Zodanige rechten mogen niet worden overgedragen aan of gedeeld met derde Staten of hun onderdanen.
2. Een archipelstaat ontziet bestaande onderzeese kabels, gelegd door andere Staten die door zijn zee lopen zonder de oevers te raken. Een archipelstaat staat het onderhoud aan en de vervanging van zodanige kabels toe na tijdig te zijn verwittigd van hun ligging en van het voornemen deze te herstellen of te vervangen.
Art. 51. Accords existants, droits de pêche traditionnels et câbles sous-marins déjà en place.
1. Sans préjudice de l'article 49, les Etats archipels respectent les accords existants conclus avec d'autres Etats et reconnaissent les droits de pêche traditionnels et les activités légitimes des Etats limitrophes dans certaines zones faisant partie de leurs eaux archipélagiques. Les conditions et modalités de l'exercice de ces droits et activités, y compris leur nature, leur étendue et les zones dans lesquelles ils s'exercent, sont, à la demande de l'un quelconque des Etats concernés, définies par voie d'accords bilatéraux conclus entre ces Etats. Ces droits ne peuvent faire l'objet d'un transfert ou d'un partage au bénéfice d'Etats tiers ou de leurs ressortissants.
2. Les Etats archipels respectent les câbles sous-marins déjà en place qui ont été posés par d'autres Etats et passent dans leurs eaux sans toucher le rivage. Ils autorisent l'entretien et le remplacement de ces câbles après avoir été avisés de leur emplacement et des travaux d'entretien ou de remplacement envisagés.
1. Sans préjudice de l'article 49, les Etats archipels respectent les accords existants conclus avec d'autres Etats et reconnaissent les droits de pêche traditionnels et les activités légitimes des Etats limitrophes dans certaines zones faisant partie de leurs eaux archipélagiques. Les conditions et modalités de l'exercice de ces droits et activités, y compris leur nature, leur étendue et les zones dans lesquelles ils s'exercent, sont, à la demande de l'un quelconque des Etats concernés, définies par voie d'accords bilatéraux conclus entre ces Etats. Ces droits ne peuvent faire l'objet d'un transfert ou d'un partage au bénéfice d'Etats tiers ou de leurs ressortissants.
2. Les Etats archipels respectent les câbles sous-marins déjà en place qui ont été posés par d'autres Etats et passent dans leurs eaux sans toucher le rivage. Ils autorisent l'entretien et le remplacement de ces câbles après avoir été avisés de leur emplacement et des travaux d'entretien ou de remplacement envisagés.
Art. 52. Recht van onschuldige doorvaart.
1. Behoudens artikel 53 en onverminderd artikel 50 genieten schepen van alle Staten het recht van onschuldige doorvaart door een archipelzee overeenkomstig Deel II, afdeling 3.
2. De archipelstaat kan, zonder rechtens of in feite onderscheid te maken tussen vreemde schepen, in nader aangegeven gebieden van zijn archipelzee de onschuldige doorvaart van vreemde schepen tijdelijk opschorten, indien een zodanige opschorting noodzakelijk is voor de bescherming van zijn veiligheid. Een zodanige opschorting wordt eerst van kracht nadat daaraan voldoende bekendheid is gegeven.
1. Behoudens artikel 53 en onverminderd artikel 50 genieten schepen van alle Staten het recht van onschuldige doorvaart door een archipelzee overeenkomstig Deel II, afdeling 3.
2. De archipelstaat kan, zonder rechtens of in feite onderscheid te maken tussen vreemde schepen, in nader aangegeven gebieden van zijn archipelzee de onschuldige doorvaart van vreemde schepen tijdelijk opschorten, indien een zodanige opschorting noodzakelijk is voor de bescherming van zijn veiligheid. Een zodanige opschorting wordt eerst van kracht nadat daaraan voldoende bekendheid is gegeven.
Art. 52. Droit de passage inoffensif.
1. Sous réserve de l'article 53 et sans préjudice de l'article 50, les navires de tous les Etats jouissent dans les eaux archipélagiques du droit de passage inoffensif défini à la section 3 de la partie II.
2. L'Etat archipel peut, sans établir aucune discrimination de droit ou de fait entre les navires étrangers, suspendre temporairement, dans des zones déterminées de ses eaux archipélagiques, l'exercice du droit de passage inoffensif de navires étrangers si cette mesure est indispensable pour assurer sa sécurité. La suspension ne prend effet qu'après avoir été dûment publiée.
1. Sous réserve de l'article 53 et sans préjudice de l'article 50, les navires de tous les Etats jouissent dans les eaux archipélagiques du droit de passage inoffensif défini à la section 3 de la partie II.
2. L'Etat archipel peut, sans établir aucune discrimination de droit ou de fait entre les navires étrangers, suspendre temporairement, dans des zones déterminées de ses eaux archipélagiques, l'exercice du droit de passage inoffensif de navires étrangers si cette mesure est indispensable pour assurer sa sécurité. La suspension ne prend effet qu'après avoir été dûment publiée.
Art. 53. Recht van doorgang via scheepvaartroutes in de archipel.
1. Een archipelstaat kan scheepvaartroutes en luchtroutes daarboven aanwijzen, die geschikt zijn voor de ononderbroken en snelle doorgang van vreemde schepen en luchtvaartuigen door of boven zijn archipelzee en de aangrenzende territoriale zee.
2. Alle schepen en luchtvaartuigen genieten het recht van doorgang via zulke scheepvaartroutes in de archipel en via zodanige luchtroutes.
3. Doorgang via scheepvaartroutes in de archipel betekent de uitoefening overeenkomstig dit Verdrag van het recht van scheepvaart en het recht van overvliegen op de normale wijze, uitsluitend ten behoeve van een ononderbroken, snelle en onbelemmerde doortocht tussen het ene deel van de volle zee of een exclusieve economische zone en het andere deel van de volle zee of een exclusieve economische zone.
4. Zodanige scheepvaartroutes en luchtroutes lopen door of boven de archipelzee en de aangrenzende territoriale zee en omvatten alle normale doorgangsroutes, gebruikt als routes voor de internationale scheepvaart door of het internationale luchtvervoer boven de archipelzee en, binnen zodanige routes, wat schepen betreft, alle normale vaarwateren voor de scheepvaart, met dien verstande dat dubbele routes van vergelijkbare geschiktheid tussen dezelfde punten van binnenkomst en vertrek niet nodig zijn.
5. Zodanige scheepvaartroutes en luchtroutes worden omschreven door een reeks doorgetrokken aslijnen vanaf de punten van binnenkomst van doorgangsroutes tot de punten van vertrek. Schepen en luchtvaartuigen in doorgang langs de boven een scheepvaartroute in een archipel mogen tijdens de doorgang niet meer dan 25 zeemijl aan weerskanten van de aslijnen afwijken, met dien verstande dat zodanige schepen en luchtvaartuigen niet dichter bij de kusten mogen varen of vliegen dan 10 procent van de afstand tussen de dichtstbijzijnde punten op aan de scheepvaartroute grenzende eilanden.
6. Een archipelstaat die krachtens dit artikel scheepvaartroutes aanwijst, kan ook verkeersscheidingsstelsels voorschrijven voor de veilige doorvaart van schepen door nauwe vaarwateren in zodanige scheepvaartroutes.
7. Indien de omstandigheden zulks vereisen, kan een archipelstaat, na hieraan voldoende bekendheid te hebben gegeven, voordien door hem aangewezen of voorgeschreven scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels vervangen door andere scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels.
8. Zodanige scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels dienen in overeenstemming te zijn met algemeen aanvaarde internationale voorschriften.
9. Bij het aanwijzen of vervangen van scheepvaartroutes of het voorschrijven of vervangen van verkeersscheidingsstelsels, legt een archipelstaat de voorstellen voor aan de bevoegde internationale organisatie met het oog op de aanvaarding ervan. De organisatie kan alleen die scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels aanvaarden die zijn overeengekomen met de archipelstaat, waarna de archipelstaat deze kan aanwijzen, voorschrijven of vervangen.
10. De archipelstaat geeft de as van de door hem aangewezen of voorgeschreven scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels duidelijk aan op kaarten waaraan voldoende bekendheid wordt gegeven.
11. Schepen in doorvaart langs scheepvaartroutes in de archipel houden zich aan de van toepassing zijnde scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels, vastgesteld overeenkomstig dit artikel.
12. Indien een archipelstaat geen scheepvaartroutes of luchtroutes aanwijst, kan het recht van doorgang langs scheepvaartroutes in de archipelzee worden uitgeoefend via de gewoonlijk voor internationale scheepvaart gebruikte routes.
1. Een archipelstaat kan scheepvaartroutes en luchtroutes daarboven aanwijzen, die geschikt zijn voor de ononderbroken en snelle doorgang van vreemde schepen en luchtvaartuigen door of boven zijn archipelzee en de aangrenzende territoriale zee.
2. Alle schepen en luchtvaartuigen genieten het recht van doorgang via zulke scheepvaartroutes in de archipel en via zodanige luchtroutes.
3. Doorgang via scheepvaartroutes in de archipel betekent de uitoefening overeenkomstig dit Verdrag van het recht van scheepvaart en het recht van overvliegen op de normale wijze, uitsluitend ten behoeve van een ononderbroken, snelle en onbelemmerde doortocht tussen het ene deel van de volle zee of een exclusieve economische zone en het andere deel van de volle zee of een exclusieve economische zone.
4. Zodanige scheepvaartroutes en luchtroutes lopen door of boven de archipelzee en de aangrenzende territoriale zee en omvatten alle normale doorgangsroutes, gebruikt als routes voor de internationale scheepvaart door of het internationale luchtvervoer boven de archipelzee en, binnen zodanige routes, wat schepen betreft, alle normale vaarwateren voor de scheepvaart, met dien verstande dat dubbele routes van vergelijkbare geschiktheid tussen dezelfde punten van binnenkomst en vertrek niet nodig zijn.
5. Zodanige scheepvaartroutes en luchtroutes worden omschreven door een reeks doorgetrokken aslijnen vanaf de punten van binnenkomst van doorgangsroutes tot de punten van vertrek. Schepen en luchtvaartuigen in doorgang langs de boven een scheepvaartroute in een archipel mogen tijdens de doorgang niet meer dan 25 zeemijl aan weerskanten van de aslijnen afwijken, met dien verstande dat zodanige schepen en luchtvaartuigen niet dichter bij de kusten mogen varen of vliegen dan 10 procent van de afstand tussen de dichtstbijzijnde punten op aan de scheepvaartroute grenzende eilanden.
6. Een archipelstaat die krachtens dit artikel scheepvaartroutes aanwijst, kan ook verkeersscheidingsstelsels voorschrijven voor de veilige doorvaart van schepen door nauwe vaarwateren in zodanige scheepvaartroutes.
7. Indien de omstandigheden zulks vereisen, kan een archipelstaat, na hieraan voldoende bekendheid te hebben gegeven, voordien door hem aangewezen of voorgeschreven scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels vervangen door andere scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels.
8. Zodanige scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels dienen in overeenstemming te zijn met algemeen aanvaarde internationale voorschriften.
9. Bij het aanwijzen of vervangen van scheepvaartroutes of het voorschrijven of vervangen van verkeersscheidingsstelsels, legt een archipelstaat de voorstellen voor aan de bevoegde internationale organisatie met het oog op de aanvaarding ervan. De organisatie kan alleen die scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels aanvaarden die zijn overeengekomen met de archipelstaat, waarna de archipelstaat deze kan aanwijzen, voorschrijven of vervangen.
10. De archipelstaat geeft de as van de door hem aangewezen of voorgeschreven scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels duidelijk aan op kaarten waaraan voldoende bekendheid wordt gegeven.
11. Schepen in doorvaart langs scheepvaartroutes in de archipel houden zich aan de van toepassing zijnde scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels, vastgesteld overeenkomstig dit artikel.
12. Indien een archipelstaat geen scheepvaartroutes of luchtroutes aanwijst, kan het recht van doorgang langs scheepvaartroutes in de archipelzee worden uitgeoefend via de gewoonlijk voor internationale scheepvaart gebruikte routes.
Art. 53. Droit de passage archipélagique.
1. Dans ses eaux archipélagiques et la mer territoriale adjacente, l'Etat archipel peut désigner des voies de circulation et, dans l'espace aérien surjacent à ces voies, des routes aériennes qui permettent le passage continu et rapide des navires ou aéronefs étrangers.
2. Tous les navires et aéronefs jouissent du droit de passage archipélagique par ces voies de circulation et ces routes aériennes.
3. On entend par " passage archipélagique " l'exercice sans entrave par les navires et aéronefs, selon leur mode normal de navigation et conformément a la Convention, des droits de navigation et de survol, à seule fin d'un transit continu et rapide entre un point de la haute mer ou d'une zone économique exclusive et un autre point de la haute mer ou d'une zone économique exclusive.
4. Ces voies de circulation et routes aériennes qui traversent les eaux archipelagiques et la mer territoriale adjacente ou l'espace aérien surjacent doivent comprendre toutes les routes servant normalement à la navigation internationale dans les eaux archipélagiques et l'espace aérien surjacent;
les voies de circulation doivent suivre tous les chenaux servant normalement à la navigation, étant entendu qu'il n'est pas nécessaire d'établir entre un point d'entrée et un point de sortie donnés plusieurs voies de commodité comparables.
5. Ces voies de circulation et routes aériennes sont définies par une série de lignes axiales continues joignant leurs points d'entrée aux points de sortie. Durant leur passage, les navires et aéronefs ne peuvent s'écarter de plus de 25 milles marins de ces lignes axiales, étant entendu qu'ils ne doivent pas naviguer à une distance des côtes inférieure au dixième de la distance qui separe les points les plus proches des îles bordant une voie de circulation.
6. L'Etat archipel qui désigne des voies de circulation en vertu du présent article peut aussi prescrire des dispositifs de séparation du trafic pour assurer la sécurité du passage des navires empruntant des chenaux étroits à l'intérieur de ces voies.
7. Quand les circonstances l'exigent, l'Etat archipel peut, après avoir donné à cette mesure la publicité voulue, désigner de nouvelles voies de circulation ou prescrire de nouveaux dispositifs de séparation du trafic en remplacement de toutes voies ou de tous dispositifs antérieurement établis par lui.
8. Ces voies de circulation et dispositifs de séparation du trafic doivent être conformes à la réglementation internationale genéralement acceptée.
9. Lorsqu'il désigne ou remplace des voies de circulation ou qu'il prescrit ou remplace des dispositifs de séparation du trafic, l'Etat archipel soumet ses propositions pour adoption à l'organisation internationale compétente. Cette organisation ne peut adopter que les voies de circulation et les dispositifs de séparation du trafic dont il a pu être convenu avec l'Etat archipel; celui-ci peut alors les désigner, les prescrire ou les remplacer.
10. L'Etat archipel indique clairement sur des cartes marines auxquelles il donne la publicité voulue les lignes axiales des voies de circulation qu'il désigne et les dispositifs de séparation du trafic qu'il prescrit.
11. Lors du passage archipélagique, les navires respectent les voies de circulation et les dispositifs de séparation du trafic établis conformément au présent article.
12. Si l'Etat archipel n'a pas désigné de voies de circulation ou de routes aériennes, le droit de passage archipélagique peut s'exercer en utilisant les voies et routes servant normalement à la navigation internationale.
1. Dans ses eaux archipélagiques et la mer territoriale adjacente, l'Etat archipel peut désigner des voies de circulation et, dans l'espace aérien surjacent à ces voies, des routes aériennes qui permettent le passage continu et rapide des navires ou aéronefs étrangers.
2. Tous les navires et aéronefs jouissent du droit de passage archipélagique par ces voies de circulation et ces routes aériennes.
3. On entend par " passage archipélagique " l'exercice sans entrave par les navires et aéronefs, selon leur mode normal de navigation et conformément a la Convention, des droits de navigation et de survol, à seule fin d'un transit continu et rapide entre un point de la haute mer ou d'une zone économique exclusive et un autre point de la haute mer ou d'une zone économique exclusive.
4. Ces voies de circulation et routes aériennes qui traversent les eaux archipelagiques et la mer territoriale adjacente ou l'espace aérien surjacent doivent comprendre toutes les routes servant normalement à la navigation internationale dans les eaux archipélagiques et l'espace aérien surjacent;
les voies de circulation doivent suivre tous les chenaux servant normalement à la navigation, étant entendu qu'il n'est pas nécessaire d'établir entre un point d'entrée et un point de sortie donnés plusieurs voies de commodité comparables.
5. Ces voies de circulation et routes aériennes sont définies par une série de lignes axiales continues joignant leurs points d'entrée aux points de sortie. Durant leur passage, les navires et aéronefs ne peuvent s'écarter de plus de 25 milles marins de ces lignes axiales, étant entendu qu'ils ne doivent pas naviguer à une distance des côtes inférieure au dixième de la distance qui separe les points les plus proches des îles bordant une voie de circulation.
6. L'Etat archipel qui désigne des voies de circulation en vertu du présent article peut aussi prescrire des dispositifs de séparation du trafic pour assurer la sécurité du passage des navires empruntant des chenaux étroits à l'intérieur de ces voies.
7. Quand les circonstances l'exigent, l'Etat archipel peut, après avoir donné à cette mesure la publicité voulue, désigner de nouvelles voies de circulation ou prescrire de nouveaux dispositifs de séparation du trafic en remplacement de toutes voies ou de tous dispositifs antérieurement établis par lui.
8. Ces voies de circulation et dispositifs de séparation du trafic doivent être conformes à la réglementation internationale genéralement acceptée.
9. Lorsqu'il désigne ou remplace des voies de circulation ou qu'il prescrit ou remplace des dispositifs de séparation du trafic, l'Etat archipel soumet ses propositions pour adoption à l'organisation internationale compétente. Cette organisation ne peut adopter que les voies de circulation et les dispositifs de séparation du trafic dont il a pu être convenu avec l'Etat archipel; celui-ci peut alors les désigner, les prescrire ou les remplacer.
10. L'Etat archipel indique clairement sur des cartes marines auxquelles il donne la publicité voulue les lignes axiales des voies de circulation qu'il désigne et les dispositifs de séparation du trafic qu'il prescrit.
11. Lors du passage archipélagique, les navires respectent les voies de circulation et les dispositifs de séparation du trafic établis conformément au présent article.
12. Si l'Etat archipel n'a pas désigné de voies de circulation ou de routes aériennes, le droit de passage archipélagique peut s'exercer en utilisant les voies et routes servant normalement à la navigation internationale.
Art. 54. Plichten van schepen en luchtvaartuigen tijdens hun doorgang, onderzoeks- en karteringswerkzaamheden van de archipelstaat en wetten en voorschriften van de archipelstaat betreffende de doorvaart via, alsmede het vliegen boven scheepvaartroutes in de archipel.
De artikelen 39, 40, 42 en 44 zijn mutatis mutandis van toepassing op doorvaart via, alsmede het vliegen boven scheepvaartroutes in de archipel.
De artikelen 39, 40, 42 en 44 zijn mutatis mutandis van toepassing op doorvaart via, alsmede het vliegen boven scheepvaartroutes in de archipel.
Art. 54. Obligations des navires et des aéronefs pendant leur passage, recherche et levés hydrographiques, obligations des Etats archipels et lois et règlements de l'Etat archipel concernant le passage archipélagique.
Les articles 39, 40, 42 et 44 s'appliquent mutatis mutandis au passage archipélagique.
Les articles 39, 40, 42 et 44 s'appliquent mutatis mutandis au passage archipélagique.
DEEL V. - Exclusieve economische zone.
PARTIE V. - Zone économique exclusive.
Art. 55. Specifieke juridische status van de exclusieve economische zone.
De exclusieve economische zone is een gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee en bezit de specifieke juridische status, ingesteld in dit Deel, ingevolge welke de rechten en rechtsmacht van de kuststaat en de rechten en vrijheden van andere Staten worden geregeld bij de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.
De exclusieve economische zone is een gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee en bezit de specifieke juridische status, ingesteld in dit Deel, ingevolge welke de rechten en rechtsmacht van de kuststaat en de rechten en vrijheden van andere Staten worden geregeld bij de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.
Art. 55. Régime juridique particulier de la zone economique exclusive.
La zone économique exclusive est une zone située au-delà de la mer territoriale et adjacente à celle-ci, soumise au régime juridique particulier établi par la présente partie, en vertu duquel les droits et la juridiction de l'Etat cotier et les droits et libertés des autres Etats sont gouvernés par les dispositions pertinentes de la Convention.
La zone économique exclusive est une zone située au-delà de la mer territoriale et adjacente à celle-ci, soumise au régime juridique particulier établi par la présente partie, en vertu duquel les droits et la juridiction de l'Etat cotier et les droits et libertés des autres Etats sont gouvernés par les dispositions pertinentes de la Convention.
Art. 56. Rechten, rechtsmacht en plichten van de kuststaat in de exclusieve economische zone.
1. In de exclusieve economische zone bezit de kuststaat :
a) soevereine rechten ten behoeve van de exploratie en exploitatie, het behoud en het beheer van de natuurlijke rijkdommen, levend en niet-levend, van de wateren boven de zeebodem en van de zeebodem en de ondergrond daarvan, en met betrekking tot andere activiteiten voor de economische exploitatie en exploratie van de zone, zoals de opwekking van energie uit het water, de stromen en de winden;
b) rechtsmacht zoals bepaald in de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van :
(i) de bouw en het gebruik van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen;
(ii) wetenschappelijk zeeonderzoek;
(iii) de bescherming en het behoud van het mariene milieu.
c) andere rechten en plichten, bepaald in dit Verdrag.
2. Bij de uitoefening van zijn rechten en het vervullen van zijn plichten ingevolge dit Verdrag in de exclusieve economische zone, houdt de kuststaat terdege rekening met de rechten en plichten van andere Staten en handelt hij op een wijze die verenigbaar is met de bepalingen van dit Verdrag.
3. De rechten vervat in dit artikel met betrekking tot de zeebodem en de ondergrond worden uitgeoefend overeenkomstig Deel VI.
1. In de exclusieve economische zone bezit de kuststaat :
a) soevereine rechten ten behoeve van de exploratie en exploitatie, het behoud en het beheer van de natuurlijke rijkdommen, levend en niet-levend, van de wateren boven de zeebodem en van de zeebodem en de ondergrond daarvan, en met betrekking tot andere activiteiten voor de economische exploitatie en exploratie van de zone, zoals de opwekking van energie uit het water, de stromen en de winden;
b) rechtsmacht zoals bepaald in de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van :
(i) de bouw en het gebruik van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen;
(ii) wetenschappelijk zeeonderzoek;
(iii) de bescherming en het behoud van het mariene milieu.
c) andere rechten en plichten, bepaald in dit Verdrag.
2. Bij de uitoefening van zijn rechten en het vervullen van zijn plichten ingevolge dit Verdrag in de exclusieve economische zone, houdt de kuststaat terdege rekening met de rechten en plichten van andere Staten en handelt hij op een wijze die verenigbaar is met de bepalingen van dit Verdrag.
3. De rechten vervat in dit artikel met betrekking tot de zeebodem en de ondergrond worden uitgeoefend overeenkomstig Deel VI.
Art. 56. Droits, juridiction et obligations de l'Etat côtier dans la zone économique exclusive.
1. Dans la zone économique exclusive, l'Etat côtier a :
a) des droits souverains aux fins d'exploration et d'exploitation, de conservation et de gestion des ressources naturelles, biologiques ou non biologiques, des eaux surjacentes aux fonds marins, des fonds marins et de leur sous-sol, ainsi qu'en ce qui concerne d'autres activités tendant à l'exploration et à l'exploitation de la zone à des fins économiques, telles que la production d'énergie à partir de l'eau, des courants et des vents;
b) juridiction, conformément aux dispositions pertinentes de la Convention, en ce qui concerne :
(i) la mise en place et l'utilisation d'îles artificielles, d'installations et d'ouvrages;
(ii) la recherche scientifique marine;
(iii) la protection et la préservation du milieu marin;
c) les autres droits et obligations prévus par la Convention.
2. Lorsque, dans la zone économique exclusive, il exerce ses droits et s'acquitte de ses obligations en vertu de la Convention, l'Etat côtier tient dûment compte des droits et des obligations des autres Etats et agit d'une manière compatible avec la Convention.
3. Les droits relatifs aux fonds marins et à leur sous-sol énoncés dans le présent article s'exercent conformément à la partie VI.
1. Dans la zone économique exclusive, l'Etat côtier a :
a) des droits souverains aux fins d'exploration et d'exploitation, de conservation et de gestion des ressources naturelles, biologiques ou non biologiques, des eaux surjacentes aux fonds marins, des fonds marins et de leur sous-sol, ainsi qu'en ce qui concerne d'autres activités tendant à l'exploration et à l'exploitation de la zone à des fins économiques, telles que la production d'énergie à partir de l'eau, des courants et des vents;
b) juridiction, conformément aux dispositions pertinentes de la Convention, en ce qui concerne :
(i) la mise en place et l'utilisation d'îles artificielles, d'installations et d'ouvrages;
(ii) la recherche scientifique marine;
(iii) la protection et la préservation du milieu marin;
c) les autres droits et obligations prévus par la Convention.
2. Lorsque, dans la zone économique exclusive, il exerce ses droits et s'acquitte de ses obligations en vertu de la Convention, l'Etat côtier tient dûment compte des droits et des obligations des autres Etats et agit d'une manière compatible avec la Convention.
3. Les droits relatifs aux fonds marins et à leur sous-sol énoncés dans le présent article s'exercent conformément à la partie VI.
Art. 57. Breedte van de exclusieve economische zone.
De exclusieve economische zone strekt zich niet verder uit dan 200 zeemijl van de basislijnen waarvan de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.
De exclusieve economische zone strekt zich niet verder uit dan 200 zeemijl van de basislijnen waarvan de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.
Art. 57. Largeur de la zone économique exclusive.
La zone économique exclusive ne s'étend pas au-dela de 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale.
La zone économique exclusive ne s'étend pas au-dela de 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale.
Art. 58. Rechten en plichten van andere Staten in de exclusieve economische zone.
1. In de exclusieve economische zone genieten alle Staten, kuststaten dan wel Staten zonder zeekust, behoudens de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag, de in artikel 87 bedoelde vrijheid van scheepvaart en de vrijheid van overvliegen en onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen en andere internationaal rechtmatige soorten gebruik van de zee samenhangend met deze vrijheden, zoals die verband houdend met de normale werkzaamheden van schepen, luchtvaartuigen, en onderzeese kabels en pijpleidingen, en verenigbaar met de andere bepalingen van dit Verdrag.
2. De artikelen 88 tot en met 115 en andere desbetreffende regels van het internationale recht zijn van toepassing op de exclusieve economische zone voor zover zij niet onverenigbaar zijn met dit Deel.
3. Bij de uitoefening van hun rechten en de vervulling van hun plichten ingevolge dit Verdrag in de exclusieve economische zone, houden de Staten terdege rekening met de rechten en plichten van de kuststaat en leven zij de door de kuststaat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en overeenkomstig andere regels van het internationale recht, voor zover deze niet onverenigbaar zijn met dit Deel, aangenomen wetten en voorschriften, na.
1. In de exclusieve economische zone genieten alle Staten, kuststaten dan wel Staten zonder zeekust, behoudens de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag, de in artikel 87 bedoelde vrijheid van scheepvaart en de vrijheid van overvliegen en onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen en andere internationaal rechtmatige soorten gebruik van de zee samenhangend met deze vrijheden, zoals die verband houdend met de normale werkzaamheden van schepen, luchtvaartuigen, en onderzeese kabels en pijpleidingen, en verenigbaar met de andere bepalingen van dit Verdrag.
2. De artikelen 88 tot en met 115 en andere desbetreffende regels van het internationale recht zijn van toepassing op de exclusieve economische zone voor zover zij niet onverenigbaar zijn met dit Deel.
3. Bij de uitoefening van hun rechten en de vervulling van hun plichten ingevolge dit Verdrag in de exclusieve economische zone, houden de Staten terdege rekening met de rechten en plichten van de kuststaat en leven zij de door de kuststaat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en overeenkomstig andere regels van het internationale recht, voor zover deze niet onverenigbaar zijn met dit Deel, aangenomen wetten en voorschriften, na.
Art. 58. Droits et obligations des autres Etats dans la zone économique exclusive.
1. Dans la zone économique exclusive, tous les Etats, qu'ils soient côtiers ou sans littoral, jouissent, dans les conditions prévues par les dispositions pertinentes de la Convention, des libertés de navigation et de survol et de la liberté de poser des câbles et pipelines sous-marins visées à l'article 87, ainsi que de la liberté d'utiliser la mer à d'autres fins internationalement licites liées à l'exercice de ces libertés et compatibles avec les autres dispositions de la Convention, notamment dans le cadre de l'exploitation des navires, d'aéronefs et de câbles et pipelines sous-marins.
2. Les articles 88 à 115, ainsi que les autres règles pertinentes du droit international, s'appliquent à la zone économique exclusive dans la mesure où ils ne sont pas incompatibles avec la présente partie.
3. Lorsque, dans la zone économique exclusive, ils exercent leurs droits et s'acquittent de leurs obligations en vertu de la Convention, les Etats tiennent dûment compte des droits et des obligations de l'Etat côtier et respectent les lois et règlements adoptés par celui-ci conformément aux dispositions de la Convention et, dans la mesure où elles ne sont pas incompatibles avec la présente partie, aux autres règles du droit international.
1. Dans la zone économique exclusive, tous les Etats, qu'ils soient côtiers ou sans littoral, jouissent, dans les conditions prévues par les dispositions pertinentes de la Convention, des libertés de navigation et de survol et de la liberté de poser des câbles et pipelines sous-marins visées à l'article 87, ainsi que de la liberté d'utiliser la mer à d'autres fins internationalement licites liées à l'exercice de ces libertés et compatibles avec les autres dispositions de la Convention, notamment dans le cadre de l'exploitation des navires, d'aéronefs et de câbles et pipelines sous-marins.
2. Les articles 88 à 115, ainsi que les autres règles pertinentes du droit international, s'appliquent à la zone économique exclusive dans la mesure où ils ne sont pas incompatibles avec la présente partie.
3. Lorsque, dans la zone économique exclusive, ils exercent leurs droits et s'acquittent de leurs obligations en vertu de la Convention, les Etats tiennent dûment compte des droits et des obligations de l'Etat côtier et respectent les lois et règlements adoptés par celui-ci conformément aux dispositions de la Convention et, dans la mesure où elles ne sont pas incompatibles avec la présente partie, aux autres règles du droit international.
Art. 59. Grondslag voor de oplossing van conflicten betreffende de toekenning van rechten en rechtsmacht in de exclusieve economische zone.
In gevallen waarin dit Verdrag de kuststaat of andere Staten geen rechten of rechtsmacht binnen de exclusieve economische zone toekent, en er een conflict ontstaat tussen de belangen van de kuststaat en van een andere Staat of andere Staten, dient het conflict te worden opgelost op de grondslag van billijkheid en in het licht van alle van belang zijnde omstandigheden, met inachtneming van het onderscheiden gewicht van de erbij betrokken belangen voor de partijen, alsook voor de gehele internationale gemeenschap.
In gevallen waarin dit Verdrag de kuststaat of andere Staten geen rechten of rechtsmacht binnen de exclusieve economische zone toekent, en er een conflict ontstaat tussen de belangen van de kuststaat en van een andere Staat of andere Staten, dient het conflict te worden opgelost op de grondslag van billijkheid en in het licht van alle van belang zijnde omstandigheden, met inachtneming van het onderscheiden gewicht van de erbij betrokken belangen voor de partijen, alsook voor de gehele internationale gemeenschap.
Art. 59. Base de règlement des conflits dans le cas où la Convention n'attribue ni droits ni juridiction à l'intérieur de la zone économique exclusive.
Dans les cas où la Convention n'attribue de droits ou de juridiction, à l'intérieur de la zone économique exclusive, ni à l'Etat côtier ni à d'autres Etats et où il y a conflit entre les intérêts de l'Etat côtier et ceux d'un ou de plusieurs autres Etats, ce conflit devrait être résolu sur la base de l'équité et eu egard à toutes les circonstances pertinentes, compte tenu de l'importance que les intérêts en cause présentent pour les différentes parties et pour la communauté internationale dans son ensemble.
Dans les cas où la Convention n'attribue de droits ou de juridiction, à l'intérieur de la zone économique exclusive, ni à l'Etat côtier ni à d'autres Etats et où il y a conflit entre les intérêts de l'Etat côtier et ceux d'un ou de plusieurs autres Etats, ce conflit devrait être résolu sur la base de l'équité et eu egard à toutes les circonstances pertinentes, compte tenu de l'importance que les intérêts en cause présentent pour les différentes parties et pour la communauté internationale dans son ensemble.
Art. 60. Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen in de exclusieve economische zone.
1. In de exclusieve economische zone heeft de kuststaat het uitsluitende recht te bouwen en de bouw, de werkzaamheden en het gebruik te machtigen en te regelen van :
a) kunstmatige eilanden;
b) installaties en inrichtingen voor de doeleinden bepaald in artikel 56 en voor andere economische doeleinden;
c) installaties en inrichtingen die inbreuk kunnen maken op de uitoefening van de rechten van de kuststaat in de zone.
2. De kuststaat bezit uitsluitende rechtsmacht over zulke kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen, met inbegrip van rechtsmacht met betrekking tot de wetten en voorschriften inzake douane, belastingen, volksgezondheid, veiligheid en immigratie.
3. Van de oprichting van zodanige kunstmatige eilanden, installaties of inrichtingen dient behoorlijk mededeling te worden gedaan en er dient een permanent waarschuwingssysteem in stand te worden gehouden ter aanduiding van hun aanwezigheid. Installaties of inrichtingen die worden verlaten of die niet meer worden gebruikt, dienen geheel te worden verwijderd ter verzekering van de veiligheid van de scheepvaart, zulks met inachtneming van algemeen aanvaarde internationale normen hiertoe vastgesteld door de bevoegde internationale organisatie. Bij deze verwijdering dient naar behoren rekening te worden gehouden met de visserij, de bescherming van het mariene milieu en de rechten en plichten van andere Staten. Er dient passende bekendheid te worden gegeven aan de diepte, positie en afmetingen van alle installaties of inrichtingen die niet geheel zijn verwijderd.
4. De kuststaat kan, waar nodig, redelijke veiligheidszones instellen rond zulke kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen, waarbinen hij passende maatregelen kan nemen ter verzekering van de veiligheid van zowel de scheepvaart als van de kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen.
5. De breedte van de veiligheidszone wordt vastgesteld door de kuststaat, met inachtneming van toepasselijke internationale normen. Zulke zones dienen zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat zij op redelijke wijze zijn aangepast aan de aard en de functie van de kunstmatige eilanden, installaties of inrichtingen en zij mogen niet groter zijn dan 500 meter rondom, gemeten van elk punt van de buitenste lijn van deze eilanden, installaties of inrichtingen, behalve zoals toegestaan bij algemeen aanvaarde internationale normen of zoals aanbevolen door de bevoegde internationale organisatie. Aan de omvang van de veiligheidszones dient voldoende bekendheid te worden gegeven.
6. Alle schepen moeten deze veiligheidszones eerbiedigen en de algemeen aanvaarde internationale normen betreffende scheepvaart in de buurt van kunstmatige eilanden, installaties, inrichtingen en veiligheidszones naleven.
7. Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen mogen niet worden opgericht en de veiligheidzones daaromheen mogen niet worden ingesteld, indien zulks het gebruik van erkende scheepvaartroutes, die van wezenlijk belang zijn voor de internationale scheepvaart, zou belemmeren.
8. Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen bezitten niet de status van eilanden. Zij hebben geen eigen territoriale zee en hun aanwezigheid is niet van invloed op de begrenzing van de territoriale zee, de exclusieve economische zone of het continentale plat.
1. In de exclusieve economische zone heeft de kuststaat het uitsluitende recht te bouwen en de bouw, de werkzaamheden en het gebruik te machtigen en te regelen van :
a) kunstmatige eilanden;
b) installaties en inrichtingen voor de doeleinden bepaald in artikel 56 en voor andere economische doeleinden;
c) installaties en inrichtingen die inbreuk kunnen maken op de uitoefening van de rechten van de kuststaat in de zone.
2. De kuststaat bezit uitsluitende rechtsmacht over zulke kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen, met inbegrip van rechtsmacht met betrekking tot de wetten en voorschriften inzake douane, belastingen, volksgezondheid, veiligheid en immigratie.
3. Van de oprichting van zodanige kunstmatige eilanden, installaties of inrichtingen dient behoorlijk mededeling te worden gedaan en er dient een permanent waarschuwingssysteem in stand te worden gehouden ter aanduiding van hun aanwezigheid. Installaties of inrichtingen die worden verlaten of die niet meer worden gebruikt, dienen geheel te worden verwijderd ter verzekering van de veiligheid van de scheepvaart, zulks met inachtneming van algemeen aanvaarde internationale normen hiertoe vastgesteld door de bevoegde internationale organisatie. Bij deze verwijdering dient naar behoren rekening te worden gehouden met de visserij, de bescherming van het mariene milieu en de rechten en plichten van andere Staten. Er dient passende bekendheid te worden gegeven aan de diepte, positie en afmetingen van alle installaties of inrichtingen die niet geheel zijn verwijderd.
4. De kuststaat kan, waar nodig, redelijke veiligheidszones instellen rond zulke kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen, waarbinen hij passende maatregelen kan nemen ter verzekering van de veiligheid van zowel de scheepvaart als van de kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen.
5. De breedte van de veiligheidszone wordt vastgesteld door de kuststaat, met inachtneming van toepasselijke internationale normen. Zulke zones dienen zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat zij op redelijke wijze zijn aangepast aan de aard en de functie van de kunstmatige eilanden, installaties of inrichtingen en zij mogen niet groter zijn dan 500 meter rondom, gemeten van elk punt van de buitenste lijn van deze eilanden, installaties of inrichtingen, behalve zoals toegestaan bij algemeen aanvaarde internationale normen of zoals aanbevolen door de bevoegde internationale organisatie. Aan de omvang van de veiligheidszones dient voldoende bekendheid te worden gegeven.
6. Alle schepen moeten deze veiligheidszones eerbiedigen en de algemeen aanvaarde internationale normen betreffende scheepvaart in de buurt van kunstmatige eilanden, installaties, inrichtingen en veiligheidszones naleven.
7. Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen mogen niet worden opgericht en de veiligheidzones daaromheen mogen niet worden ingesteld, indien zulks het gebruik van erkende scheepvaartroutes, die van wezenlijk belang zijn voor de internationale scheepvaart, zou belemmeren.
8. Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen bezitten niet de status van eilanden. Zij hebben geen eigen territoriale zee en hun aanwezigheid is niet van invloed op de begrenzing van de territoriale zee, de exclusieve economische zone of het continentale plat.
Art. 60. Iles artificielles, installations et ouvrages dans la zone économique exclusive.
1. Dans la zone économique exclusive, l'Etat côtier a le droit exclusif de procéder à la construction et d'autoriser et réglementer la construction, l'exploitation et l'utilisation :
a) d'iles artificielles;
b) d'installations et d'ouvrages affectés aux fins prévues à l'article 56 ou à d'autres fins économiques;
c) d'installations et d'ouvrages pouvant entraver l'exercice des droits de l'Etat côtier dans la zone.
2. L'Etat côtier a juridiction exclusive sur ces îles artificielles, installations et ouvrages, y compris en matière de lois et règlements douaniers, fiscaux, sanitaires, de sécurité et d'immigration.
3. La construction de ces îles artificielles, installations et ouvrages doit être dûment notifiée et l'entretien de moyens permanents pour signaler leur présence doit être assuré. Les installations ou ouvrages abandonnés ou désaffectés doivent être enlevés afin d'assurer la sécurité de la navigation, compte tenu des normes internationales généralement acceptées établies en la matière par l'organisation internationale compétente. Il est procédé à leur enlèvement en tenant dûment compte aussi de la pêche, de la protection du milieu marin et des droits et obligations des autres Etats. Une publicité adéquate est donnée à la position, aux dimensions et à la profondeur des éléments restant d'une installation ou d'un ouvrage qui n'a pas été complètement enlevé.
4. L'Etat côtier peut, si nécessaire, établir autour de ces îles artificielles, installations ou ouvrages des zones de sécurité de dimension raisonnable dans lesquelles il peut prendre les mesures appropriées pour assurer la sécurité de la navigation comme celle des îles artificielles, installations et ouvrages.
5. L'Etat côtier fixe la largeur des zones de sécurité compte tenu des normes internationales applicables. Ces zones de sécurité sont conçues de manière à répondre raisonnablement à la nature et aux fonctions des îles artificielles, installations et ouvrages et elles ne peuvent s'étendre sur une distance de plus de 500 mètres autour des îles artificielles, installations ou ouvrages, mesurés à partir de chaque point de leur bord extérieur, sauf dérogation autorisée par les normes internationales généralement acceptées ou recommandées par l'organisation internationale compétente. L'étendue des zones de sécurité est dûment notifiée.
6. Tous les navires doivent respecter ces zones de sécurité et se conformer aux normes internationales généralement acceptées concernant la navigation dans les parages des iles artificielles, installations, ouvrages et zones de sécurité.
7. Il ne peut être mis en place d'îles artificielles, installations ou ouvrages, ni établi de zones de sécurité a leur entour, lorsque cela risque d'entraver l'utilisation de voies de circulation reconnues essentielles pour la navigation internationale.
8. Les îles artificielles, installations et ouvrages n'ont pas le statut d'îles. Ils n'ont pas de mer territoriale qui leur soit propre et leur présence n'a pas d'incidence sur la délimitation de la mer territoriale, de la zone économique exclusive ou du plateau continental.
1. Dans la zone économique exclusive, l'Etat côtier a le droit exclusif de procéder à la construction et d'autoriser et réglementer la construction, l'exploitation et l'utilisation :
a) d'iles artificielles;
b) d'installations et d'ouvrages affectés aux fins prévues à l'article 56 ou à d'autres fins économiques;
c) d'installations et d'ouvrages pouvant entraver l'exercice des droits de l'Etat côtier dans la zone.
2. L'Etat côtier a juridiction exclusive sur ces îles artificielles, installations et ouvrages, y compris en matière de lois et règlements douaniers, fiscaux, sanitaires, de sécurité et d'immigration.
3. La construction de ces îles artificielles, installations et ouvrages doit être dûment notifiée et l'entretien de moyens permanents pour signaler leur présence doit être assuré. Les installations ou ouvrages abandonnés ou désaffectés doivent être enlevés afin d'assurer la sécurité de la navigation, compte tenu des normes internationales généralement acceptées établies en la matière par l'organisation internationale compétente. Il est procédé à leur enlèvement en tenant dûment compte aussi de la pêche, de la protection du milieu marin et des droits et obligations des autres Etats. Une publicité adéquate est donnée à la position, aux dimensions et à la profondeur des éléments restant d'une installation ou d'un ouvrage qui n'a pas été complètement enlevé.
4. L'Etat côtier peut, si nécessaire, établir autour de ces îles artificielles, installations ou ouvrages des zones de sécurité de dimension raisonnable dans lesquelles il peut prendre les mesures appropriées pour assurer la sécurité de la navigation comme celle des îles artificielles, installations et ouvrages.
5. L'Etat côtier fixe la largeur des zones de sécurité compte tenu des normes internationales applicables. Ces zones de sécurité sont conçues de manière à répondre raisonnablement à la nature et aux fonctions des îles artificielles, installations et ouvrages et elles ne peuvent s'étendre sur une distance de plus de 500 mètres autour des îles artificielles, installations ou ouvrages, mesurés à partir de chaque point de leur bord extérieur, sauf dérogation autorisée par les normes internationales généralement acceptées ou recommandées par l'organisation internationale compétente. L'étendue des zones de sécurité est dûment notifiée.
6. Tous les navires doivent respecter ces zones de sécurité et se conformer aux normes internationales généralement acceptées concernant la navigation dans les parages des iles artificielles, installations, ouvrages et zones de sécurité.
7. Il ne peut être mis en place d'îles artificielles, installations ou ouvrages, ni établi de zones de sécurité a leur entour, lorsque cela risque d'entraver l'utilisation de voies de circulation reconnues essentielles pour la navigation internationale.
8. Les îles artificielles, installations et ouvrages n'ont pas le statut d'îles. Ils n'ont pas de mer territoriale qui leur soit propre et leur présence n'a pas d'incidence sur la délimitation de la mer territoriale, de la zone économique exclusive ou du plateau continental.
Art. 61. Behoud van de levende rijkdommen.
1. De kuststaat bepaalt de toegestane vangst van de levende rijkdommen in zijn exclusieve economische zone.
2. Met inachtneming van de beste wetenschappelijke gegevens waarover hij beschikt, verzekert de kuststaat door middel van passende maatregelen voor behoud en beheer, dat de instandhouding van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone niet door overexploitatie in gevaar wordt gebracht. Waar passend werken de kuststaat en bevoegde internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale, organisaties hiertoe samen.
3. Zodanige maatregelen dienen er ook op te zijn gericht de populaties van geoogste soorten in stand te houden of weer te brengen op het peil dat een gedurig maximale opbrengst oplevert, zoals nader bepaald door van belang zijnde milieutechnische en economische factoren, met inbegrip van de economische behoeften van gemeenschappen van kustvissers en de bijzondere behoeften van ontwikkelingslanden en met inachtneming van de visserijpatronen, de onderlinge afhankelijkheid van visstapels en algemeen aanbevolen internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale, minimumnormen.
4. Bij het nemen van zulke maatregelen houdt de kuststaat rekening met de gevolgen voor soorten die in hetzelfde ecosysteem leven als de geoogste soorten, ten einde de populaties van zulke in het zelfde ecosysteem levende soorten in stand te houden of weer te brengen boven het peil waarop hun voortplanting ernstig kan worden bedreigd.
5. De beschikbare wetenschappelijke gegevens, statistieken inzake vangst en visserij-inspanningen, en andere voor het behoud van visstapels van belang zijnde gegevens worden regelmatig bijgedragen en uitgewisseld via bevoegde internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale, organisaties, naar gelang passend, en waarin wordt deelgenomen door alle betrokken Staten met inbegrip van Staten wier onderdanen mogen vissen in de exclusieve economische zone.
1. De kuststaat bepaalt de toegestane vangst van de levende rijkdommen in zijn exclusieve economische zone.
2. Met inachtneming van de beste wetenschappelijke gegevens waarover hij beschikt, verzekert de kuststaat door middel van passende maatregelen voor behoud en beheer, dat de instandhouding van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone niet door overexploitatie in gevaar wordt gebracht. Waar passend werken de kuststaat en bevoegde internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale, organisaties hiertoe samen.
3. Zodanige maatregelen dienen er ook op te zijn gericht de populaties van geoogste soorten in stand te houden of weer te brengen op het peil dat een gedurig maximale opbrengst oplevert, zoals nader bepaald door van belang zijnde milieutechnische en economische factoren, met inbegrip van de economische behoeften van gemeenschappen van kustvissers en de bijzondere behoeften van ontwikkelingslanden en met inachtneming van de visserijpatronen, de onderlinge afhankelijkheid van visstapels en algemeen aanbevolen internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale, minimumnormen.
4. Bij het nemen van zulke maatregelen houdt de kuststaat rekening met de gevolgen voor soorten die in hetzelfde ecosysteem leven als de geoogste soorten, ten einde de populaties van zulke in het zelfde ecosysteem levende soorten in stand te houden of weer te brengen boven het peil waarop hun voortplanting ernstig kan worden bedreigd.
5. De beschikbare wetenschappelijke gegevens, statistieken inzake vangst en visserij-inspanningen, en andere voor het behoud van visstapels van belang zijnde gegevens worden regelmatig bijgedragen en uitgewisseld via bevoegde internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale, organisaties, naar gelang passend, en waarin wordt deelgenomen door alle betrokken Staten met inbegrip van Staten wier onderdanen mogen vissen in de exclusieve economische zone.
Art. 61. Conservation des ressources biologiques.
1. L'Etat côtier fixe le volume admissible des captures en ce qui concerne les ressources biologiques dans sa zone économique exclusive.
2. L'Etat côtier, compte tenu des données scientifiques les plus fiables dont il dispose, prend des mesures appropriees de conservation et de gestion pour éviter que le maintien des ressources biologiques de sa zone économique exclusive ne soit compromis par une surexploitation. L'Etat côtier et les organisations internationales compétentes, sous-régionales, régionales ou mondiales, coopèrent selon qu'il convient à cette fin.
3. Ces mesures visent aussi à maintenir ou rétablir les stocks des espèces exploitées à des niveaux qui assurent le rendement constant maximum, eu égard aux facteurs écologiques et économiques pertinents, y compris les besoins économiques des collectivités côtières vivant de la pêche et les besoins particuliers des Etats en développement, et compte tenu des méthodes en matière de pêche, de l'interdépendance des stocks et de toutes normes minimales internationales généralement recommandées au plan sous-régional, régional ou mondial.
4. Lorsqu'il prend ces mesures, l'Etat côtier prend en considération leurs effets sur les espèces associées aux espèces exploitées ou dépendant de celles-ci afin de maintenir ou de rétablir les stocks de ces espèces associées ou dépendantes à un niveau tel que leur reproduction ne risque pas d'être sérieusement compromise.
5. Les informations scientifiques disponibles, les statistiques relatives aux captures et à l'effort de pêche et les autres données concernant la conservation des stocks de poissons sont diffusées et échangées régulièrement par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, sous-régionales, régionales ou mondiales, lorsqu'il y a lieu, avec la participation de tous les Etats concernes, notamment de ceux dont les ressortissants sont autorisés à pêcher dans la zone économique exclusive.
1. L'Etat côtier fixe le volume admissible des captures en ce qui concerne les ressources biologiques dans sa zone économique exclusive.
2. L'Etat côtier, compte tenu des données scientifiques les plus fiables dont il dispose, prend des mesures appropriees de conservation et de gestion pour éviter que le maintien des ressources biologiques de sa zone économique exclusive ne soit compromis par une surexploitation. L'Etat côtier et les organisations internationales compétentes, sous-régionales, régionales ou mondiales, coopèrent selon qu'il convient à cette fin.
3. Ces mesures visent aussi à maintenir ou rétablir les stocks des espèces exploitées à des niveaux qui assurent le rendement constant maximum, eu égard aux facteurs écologiques et économiques pertinents, y compris les besoins économiques des collectivités côtières vivant de la pêche et les besoins particuliers des Etats en développement, et compte tenu des méthodes en matière de pêche, de l'interdépendance des stocks et de toutes normes minimales internationales généralement recommandées au plan sous-régional, régional ou mondial.
4. Lorsqu'il prend ces mesures, l'Etat côtier prend en considération leurs effets sur les espèces associées aux espèces exploitées ou dépendant de celles-ci afin de maintenir ou de rétablir les stocks de ces espèces associées ou dépendantes à un niveau tel que leur reproduction ne risque pas d'être sérieusement compromise.
5. Les informations scientifiques disponibles, les statistiques relatives aux captures et à l'effort de pêche et les autres données concernant la conservation des stocks de poissons sont diffusées et échangées régulièrement par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, sous-régionales, régionales ou mondiales, lorsqu'il y a lieu, avec la participation de tous les Etats concernes, notamment de ceux dont les ressortissants sont autorisés à pêcher dans la zone économique exclusive.
Art. 62. Gebruik van de levende rijkdommen.
1. Onverminderd artikel 61 bevordert de kuststaat het doel van een optimaal gebruik van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone.
2. De kuststaat stelt zijn vermogen vast de levende rijkdommen van de exclusieve economische zone te oogsten. Wanneer de kuststaat niet over het vermogen beschikt om de gehele toelaatbare vangst te oogsten, verleent hij, door middel van overeenkomsten of andere regelingen en ingevolge de voorwaarden, bedingen, wetten en voorschriften bedoeld in het vierde lid, andere Staten toegang tot het overschot van de toelaatbare vangst, daarbij in het bijzonder in acht nemend de bepalingen van de artikel 69 en 70, vooral met betrekking tot de daarin bedoelde ontwikkelingslanden.
3. Bij het verlenen van toegang aan andere Staten tot zijn exclusieve economische zone ingevolge dit artikel, houdt de kuststaat rekening met alle van belang zijnde factoren, met inbegrip van onder meer de betekenis van de levende rijkdommen van het gebied voor de economie van de betrokken kuststaat en zijn andere nationale belangen, de bepalingen van de artikelen 69 en 70, de behoeften van de ontwikkelingslanden in de subregio of regio aan het oogsten van een deel van het overschot en de noodzaak de economische ontwrichting in de Staten wier onderdanen gewoonlijk visten in die zone of die aanzienlijke inspanningen hebben verricht bij het onderzoek en de waarneming van visstapels tot een minimum te beperken.
4. Onderdanen van andere Staten die in de exclusieve economische zone vissen, dienen de beschermende maatregelen en de andere voorwaarden en bedingen vastgesteld in de wetten en voorschriften van de kuststaat na te leven. Deze wetten en voorschriften dienen verenigbaar te zijn met dit Verdrag en kunnen onder meer betrekking hebben op het volgende :
a) het verlenen van een vergunning aan vissers, vissersschepen en uitrusting, met inbegrip van de betaling van rechten en tegenprestaties in andere vorm die, in het geval van kuststaten die ontwikkelingslanden zijn, kan bestaan uit toereikende compensatie op het gebied van financiering, uitrusting en technologie op het gebied van de visserij;
b) het vaststellen van de soorten die mogen worden gevangen en het bepalen van vangstquota, met betrekking tot hetzij bepaalde visstapels of groepen visstapels, of de vangst per schip over een bepaalde termijn, hetzij de vangst door onderdanen van een Staat tijdens een bepaalde periode;
c) het regelen van visseizoenen en -gebieden, de typen, maten en hoeveelheid vistuig, en de typen, maten en aantallen vissersschepen die mogen worden gebruikt;
d) het vaststellen van de leeftijd en de maat van vissen en andere soorten die mogen worden gevangen;
e) het aangeven welke informatie van vissersschepen wordt verlangd, met inbegrip van statistieken inzake vangsten en visserij-inspanningen en opgaven inzake de positie van het schip;
f) het verlangen dat, met machtiging en onder toezicht van de kuststaat, nader aangegeven programma's voor visserijonderzoek worden uitgevoerd en het regelen van het verrichten van zulk onderzoek, met inbegrip van het nemen van vangstmonsters, de bestemming van monsters en het uitbrengen van verslag over daarmede samenhangende wetenschappelijke gegevens;
g) het plaatsen van waarnemers of leerlingen aan boord van zulke schepen door de kuststaat;
h) het aanlanden van de gehele of van een gedeelte van de vangst door zulke schepen in de havens van de kuststaat;
i) de voorwaarden en bedingen betreffende joint ventures of andere samenwerkingsvormen;
j) de eisen voor de opleiding van personeel en de overdracht van visserijtechnologie, met inbegrip van de verbetering van het vermogen van de kuststaat tot het verrichten van visserijonderzoek;
k) procedures ter afdwinging van de naleving van de gestelde eisen.
5. De kuststaten geven tijdig bekendheid aan wetten en voorschriften inzake bescherming en beheer.
1. Onverminderd artikel 61 bevordert de kuststaat het doel van een optimaal gebruik van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone.
2. De kuststaat stelt zijn vermogen vast de levende rijkdommen van de exclusieve economische zone te oogsten. Wanneer de kuststaat niet over het vermogen beschikt om de gehele toelaatbare vangst te oogsten, verleent hij, door middel van overeenkomsten of andere regelingen en ingevolge de voorwaarden, bedingen, wetten en voorschriften bedoeld in het vierde lid, andere Staten toegang tot het overschot van de toelaatbare vangst, daarbij in het bijzonder in acht nemend de bepalingen van de artikel 69 en 70, vooral met betrekking tot de daarin bedoelde ontwikkelingslanden.
3. Bij het verlenen van toegang aan andere Staten tot zijn exclusieve economische zone ingevolge dit artikel, houdt de kuststaat rekening met alle van belang zijnde factoren, met inbegrip van onder meer de betekenis van de levende rijkdommen van het gebied voor de economie van de betrokken kuststaat en zijn andere nationale belangen, de bepalingen van de artikelen 69 en 70, de behoeften van de ontwikkelingslanden in de subregio of regio aan het oogsten van een deel van het overschot en de noodzaak de economische ontwrichting in de Staten wier onderdanen gewoonlijk visten in die zone of die aanzienlijke inspanningen hebben verricht bij het onderzoek en de waarneming van visstapels tot een minimum te beperken.
4. Onderdanen van andere Staten die in de exclusieve economische zone vissen, dienen de beschermende maatregelen en de andere voorwaarden en bedingen vastgesteld in de wetten en voorschriften van de kuststaat na te leven. Deze wetten en voorschriften dienen verenigbaar te zijn met dit Verdrag en kunnen onder meer betrekking hebben op het volgende :
a) het verlenen van een vergunning aan vissers, vissersschepen en uitrusting, met inbegrip van de betaling van rechten en tegenprestaties in andere vorm die, in het geval van kuststaten die ontwikkelingslanden zijn, kan bestaan uit toereikende compensatie op het gebied van financiering, uitrusting en technologie op het gebied van de visserij;
b) het vaststellen van de soorten die mogen worden gevangen en het bepalen van vangstquota, met betrekking tot hetzij bepaalde visstapels of groepen visstapels, of de vangst per schip over een bepaalde termijn, hetzij de vangst door onderdanen van een Staat tijdens een bepaalde periode;
c) het regelen van visseizoenen en -gebieden, de typen, maten en hoeveelheid vistuig, en de typen, maten en aantallen vissersschepen die mogen worden gebruikt;
d) het vaststellen van de leeftijd en de maat van vissen en andere soorten die mogen worden gevangen;
e) het aangeven welke informatie van vissersschepen wordt verlangd, met inbegrip van statistieken inzake vangsten en visserij-inspanningen en opgaven inzake de positie van het schip;
f) het verlangen dat, met machtiging en onder toezicht van de kuststaat, nader aangegeven programma's voor visserijonderzoek worden uitgevoerd en het regelen van het verrichten van zulk onderzoek, met inbegrip van het nemen van vangstmonsters, de bestemming van monsters en het uitbrengen van verslag over daarmede samenhangende wetenschappelijke gegevens;
g) het plaatsen van waarnemers of leerlingen aan boord van zulke schepen door de kuststaat;
h) het aanlanden van de gehele of van een gedeelte van de vangst door zulke schepen in de havens van de kuststaat;
i) de voorwaarden en bedingen betreffende joint ventures of andere samenwerkingsvormen;
j) de eisen voor de opleiding van personeel en de overdracht van visserijtechnologie, met inbegrip van de verbetering van het vermogen van de kuststaat tot het verrichten van visserijonderzoek;
k) procedures ter afdwinging van de naleving van de gestelde eisen.
5. De kuststaten geven tijdig bekendheid aan wetten en voorschriften inzake bescherming en beheer.
Art. 62. Exploitation des ressources biologiques.
1. L'Etat côtier se fixe pour objectif de favoriser une exploitation optimale des ressources biologiques de la zone économique exclusive, sans préjudice de l'article 61.
2. L'Etat côtier détermine sa capacité d'exploitation des ressources biologiques de la zone économique exclusive. Si cette capacité d'exploitation est inférieure à l'ensemble du volume admissible des captures, il autorise d'autres Etats, par voie d'accords ou d'autres arrangements et conformément aux modalités, aux conditions et aux lois et règlements visés au paragraphe 4, à exploiter le reliquat du volume admissible; ce faisant, il tient particulièrement compte des articles 69 et 70, notamment à l'égard des Etats en développement visés par ceux-ci.
3. Lorsqu'il accorde à d'autres Etats l'accès à sa zone économique exclusive en vertu du présent article, l'Etat côtier tient compte de tous les facteurs pertinents, entre autres : l'importance que les ressources biologiques de la zone présentent pour son économie et ses autres intérêts nationaux, les articles 69 et 70, les besoins des Etats en développement de la région ou de la sous-région pour ce qui est de l'exploitation d'une partie du reliquat, et la nécessité de réduire à un minimum les perturbations économiques dans les Etats dont les ressortissants pratiquent habituellement la pêche dans la zone ou qui ont beaucoup contribué à la recherche et à l'inventaire des stocks.
4. Les ressortissants d'autres Etats qui pêchent dans la zone économique exclusive se conforment aux mesures de conservation et aux autres modalités et conditions fixées par les lois et règlements de l'Etat côtier. Ces lois et règlements doivent être compatibles avec la Convention et peuvent porter notamment sur les questions suivantes :
a) délivrance de licences aux pêcheurs ou pour les navires et engins de pêche, y compris le paiement de droits ou toute autre contrepartie qui, dans le cas des Etats côtiers en développement, peut consister en une contribution adéquate au financement, à l'équipement et au développement technique de l'industrie de la pêche;
b) indication des espèces dont la pêche est autorisée et fixation de quotas, soit pour des stocks ou groupes de stocks particuliers ou pour les captures par navire pendant un laps de temps donné, soit pour les captures par les ressortissants d'un Etat pendant une période donnée;
c) réglementation des campagnes et des zones de pêche, du type, de la taille et du nombre des engins, ainsi que du type, de la taille et du nombre des navires de pêche qui peuvent être utilisés;
d) fixation de l'âge et de la taille des poissons et des autres organismes qui peuvent être pêchés;
e) renseignements exigés des navires de pêche, notamment statistiques relatives aux captures et à l'effort de pêche et communication de la position des navires;
f) obligation de mener, avec l'autorisation et sous le contrôle de l'Etat côtier, des programmes de recherche déterminés sur les pêches et réglementation de la conduite de ces recherches, y compris l'échantillonnage des captures, la destination des échantillons et la communication de données scientifiques connexes;
g) placement, par l'Etat côtier, d'observateurs ou de stagiaires à bord de ces navires;
h) déchargement de la totalite ou d'une partie des captures de ces navires dans les ports de l'Etat côtier;
i) modalités et conditions relatives aux entreprises conjointes ou autres formes de coopération;
j) conditions requises en matière de formation du personnel et de transfert des techniques dans le domaine des pêches, y compris le renforcement de la capacité de recherche halieutique de l'Etat côtier;
k) mesures d'exécution.
5. L'Etat côtier notifie dûment les lois et règlements qu'il adopte en matière de conservation et de gestion.
1. L'Etat côtier se fixe pour objectif de favoriser une exploitation optimale des ressources biologiques de la zone économique exclusive, sans préjudice de l'article 61.
2. L'Etat côtier détermine sa capacité d'exploitation des ressources biologiques de la zone économique exclusive. Si cette capacité d'exploitation est inférieure à l'ensemble du volume admissible des captures, il autorise d'autres Etats, par voie d'accords ou d'autres arrangements et conformément aux modalités, aux conditions et aux lois et règlements visés au paragraphe 4, à exploiter le reliquat du volume admissible; ce faisant, il tient particulièrement compte des articles 69 et 70, notamment à l'égard des Etats en développement visés par ceux-ci.
3. Lorsqu'il accorde à d'autres Etats l'accès à sa zone économique exclusive en vertu du présent article, l'Etat côtier tient compte de tous les facteurs pertinents, entre autres : l'importance que les ressources biologiques de la zone présentent pour son économie et ses autres intérêts nationaux, les articles 69 et 70, les besoins des Etats en développement de la région ou de la sous-région pour ce qui est de l'exploitation d'une partie du reliquat, et la nécessité de réduire à un minimum les perturbations économiques dans les Etats dont les ressortissants pratiquent habituellement la pêche dans la zone ou qui ont beaucoup contribué à la recherche et à l'inventaire des stocks.
4. Les ressortissants d'autres Etats qui pêchent dans la zone économique exclusive se conforment aux mesures de conservation et aux autres modalités et conditions fixées par les lois et règlements de l'Etat côtier. Ces lois et règlements doivent être compatibles avec la Convention et peuvent porter notamment sur les questions suivantes :
a) délivrance de licences aux pêcheurs ou pour les navires et engins de pêche, y compris le paiement de droits ou toute autre contrepartie qui, dans le cas des Etats côtiers en développement, peut consister en une contribution adéquate au financement, à l'équipement et au développement technique de l'industrie de la pêche;
b) indication des espèces dont la pêche est autorisée et fixation de quotas, soit pour des stocks ou groupes de stocks particuliers ou pour les captures par navire pendant un laps de temps donné, soit pour les captures par les ressortissants d'un Etat pendant une période donnée;
c) réglementation des campagnes et des zones de pêche, du type, de la taille et du nombre des engins, ainsi que du type, de la taille et du nombre des navires de pêche qui peuvent être utilisés;
d) fixation de l'âge et de la taille des poissons et des autres organismes qui peuvent être pêchés;
e) renseignements exigés des navires de pêche, notamment statistiques relatives aux captures et à l'effort de pêche et communication de la position des navires;
f) obligation de mener, avec l'autorisation et sous le contrôle de l'Etat côtier, des programmes de recherche déterminés sur les pêches et réglementation de la conduite de ces recherches, y compris l'échantillonnage des captures, la destination des échantillons et la communication de données scientifiques connexes;
g) placement, par l'Etat côtier, d'observateurs ou de stagiaires à bord de ces navires;
h) déchargement de la totalite ou d'une partie des captures de ces navires dans les ports de l'Etat côtier;
i) modalités et conditions relatives aux entreprises conjointes ou autres formes de coopération;
j) conditions requises en matière de formation du personnel et de transfert des techniques dans le domaine des pêches, y compris le renforcement de la capacité de recherche halieutique de l'Etat côtier;
k) mesures d'exécution.
5. L'Etat côtier notifie dûment les lois et règlements qu'il adopte en matière de conservation et de gestion.
Art. 63. Visstapels die voorkomen binnen de exclusieve economische zones van twee of meer kuststaten of zowel binnen de exclusieve economische zone als in een gebied daarbuiten en daaraan grenzend.
1. Wanneer dezelfde visstapel of stapels van in hetzelfde ecosysteem levende soorten voorkomen binnen de exclusieve economische zones van twee of meer kuststaten, pogen deze Staten, rechtstreeks dan wel via passende subregionale of regionale organisaties, tot overeenstemming te komen omtrent de nodige maatregelen ter coördinatie en waarborging van het behoud en de ontwikkeling van zulke stapels, zulks onverlet de andere bepalingen van dit Deel.
2. Wanneer dezelfde visstapel of stapels van in hetzelfde ecosysteem levende soorten voorkomen in zowel de exclusieve economische zone als in gebied buiten en grenzend aan die zone, pogen de kuststaat en de Staten die naar deze stapels in het aangrenzend gebied vissen, rechtstreeks of via passende subregionale of regionale organisaties, tot overeenstemming te komen omtrent de nodige maatregelen tot behoud van deze stapels in het aangrenzende gebied.
1. Wanneer dezelfde visstapel of stapels van in hetzelfde ecosysteem levende soorten voorkomen binnen de exclusieve economische zones van twee of meer kuststaten, pogen deze Staten, rechtstreeks dan wel via passende subregionale of regionale organisaties, tot overeenstemming te komen omtrent de nodige maatregelen ter coördinatie en waarborging van het behoud en de ontwikkeling van zulke stapels, zulks onverlet de andere bepalingen van dit Deel.
2. Wanneer dezelfde visstapel of stapels van in hetzelfde ecosysteem levende soorten voorkomen in zowel de exclusieve economische zone als in gebied buiten en grenzend aan die zone, pogen de kuststaat en de Staten die naar deze stapels in het aangrenzend gebied vissen, rechtstreeks of via passende subregionale of regionale organisaties, tot overeenstemming te komen omtrent de nodige maatregelen tot behoud van deze stapels in het aangrenzende gebied.
Art. 63. Stocks de poissons se trouvant dans les zones économiques exclusives de plusieurs Etats côtiers ou a la fois dans la zone économique exclusive et dans un secteur adjacent à la zone.
1. Lorsqu'un même stock de poissons ou des stocks d'espèces associées se trouvent dans les zones économiques exclusives de plusieurs Etats côtiers, ces Etats s'efforcent, directement ou par l'intermediaire des organisations sous-régionales ou régionales appropriées, de s'entendre sur les mesures nécessaires pour coordonner et assurer la conservation et le développement de ces stocks, sans préjudice des autres dispositions de la présente partie.
2. Lorsqu'un même stock de poissons ou des stocks d'espèces associées se trouvent à la fois dans la zone economique exclusive et dans un secteur adjacent à la zone, l'Etat côtier et les Etats qui exploitent ces stocks dans le secteur adjacent s'efforcent, directement ou par l'intermédiaire des organisations sous-régionales ou régionales appropriées, de s'entendre sur les mesures nécessaires à la conservation de ces stocks dans le secteur adjacent.
1. Lorsqu'un même stock de poissons ou des stocks d'espèces associées se trouvent dans les zones économiques exclusives de plusieurs Etats côtiers, ces Etats s'efforcent, directement ou par l'intermediaire des organisations sous-régionales ou régionales appropriées, de s'entendre sur les mesures nécessaires pour coordonner et assurer la conservation et le développement de ces stocks, sans préjudice des autres dispositions de la présente partie.
2. Lorsqu'un même stock de poissons ou des stocks d'espèces associées se trouvent à la fois dans la zone economique exclusive et dans un secteur adjacent à la zone, l'Etat côtier et les Etats qui exploitent ces stocks dans le secteur adjacent s'efforcent, directement ou par l'intermédiaire des organisations sous-régionales ou régionales appropriées, de s'entendre sur les mesures nécessaires à la conservation de ces stocks dans le secteur adjacent.
Art. 64. Over zeer grote afstanden trekkende soorten.
1. De kuststaat en andere Staten wier onderdanen in de regio vissen naar de over grote afstanden trekkende soorten, opgesomd in Bijlage I werken rechtstreeks of via passende internationale organisaties samen ten einde de bescherming te waarborgen en het doel te bevorderen van een optimale benutting van zulke soorten in de gehele regio, zowel binnen als buiten de exclusieve economische zone. In regio's waarvoor geen passende internationale organisatie bestaat, werken de kuststaat en andere Staten wier onderdanen deze soorten in de regio oogsten, samen ter oprichting van zulk een organisatie en deelneming in haar werkzaamheden.
2. De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing naast de andere bepalingen van dit Deel.
1. De kuststaat en andere Staten wier onderdanen in de regio vissen naar de over grote afstanden trekkende soorten, opgesomd in Bijlage I werken rechtstreeks of via passende internationale organisaties samen ten einde de bescherming te waarborgen en het doel te bevorderen van een optimale benutting van zulke soorten in de gehele regio, zowel binnen als buiten de exclusieve economische zone. In regio's waarvoor geen passende internationale organisatie bestaat, werken de kuststaat en andere Staten wier onderdanen deze soorten in de regio oogsten, samen ter oprichting van zulk een organisatie en deelneming in haar werkzaamheden.
2. De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing naast de andere bepalingen van dit Deel.
Art. 64. Grands migrateurs.
1. L'Etat côtier et les autres Etats dont les ressortissants se livrent dans la région à la pêche de grands migrateurs figurant sur la liste de l'annexe I coopèrent, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales appropriées, afin d'assurer la conservation des especes en cause et de promouvoir l'exploitation optimale de ces espèces dans l'ensemble de la région, aussi bien dans la zone économique exclusive qu'au-delà de celle-ci. Dans les régions pour lesquelles il n'existe pas d'organisation internationale appropriée, l'Etat côtier et les autres Etats dont les ressortissants exploitent ces espèces dans la région coopèrent pour créer une telle organisation et participer à ses travaux.
2. Le paragraphe 1 s'applique en sus des autres dispositions de la présente partie.
1. L'Etat côtier et les autres Etats dont les ressortissants se livrent dans la région à la pêche de grands migrateurs figurant sur la liste de l'annexe I coopèrent, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales appropriées, afin d'assurer la conservation des especes en cause et de promouvoir l'exploitation optimale de ces espèces dans l'ensemble de la région, aussi bien dans la zone économique exclusive qu'au-delà de celle-ci. Dans les régions pour lesquelles il n'existe pas d'organisation internationale appropriée, l'Etat côtier et les autres Etats dont les ressortissants exploitent ces espèces dans la région coopèrent pour créer une telle organisation et participer à ses travaux.
2. Le paragraphe 1 s'applique en sus des autres dispositions de la présente partie.
Art. 65. Zeezoogdieren.
Niets in dit Deel beperkt het recht van een kuststaat of de bevoegdheid van een internationale organisatie, de exploitatie van zeezoogdieren te verbieden, te beperken of strenger te regelen dan als bepaald in dit Deel. De Staten dienen samen te werken met het oog op het behoud van zeezoogdieren en wat walvisachtigen betreft in het bijzonder via de desbetreffende internationale organisaties te streven naar het behoud, het beheer en het onderzoek ervan.
Niets in dit Deel beperkt het recht van een kuststaat of de bevoegdheid van een internationale organisatie, de exploitatie van zeezoogdieren te verbieden, te beperken of strenger te regelen dan als bepaald in dit Deel. De Staten dienen samen te werken met het oog op het behoud van zeezoogdieren en wat walvisachtigen betreft in het bijzonder via de desbetreffende internationale organisaties te streven naar het behoud, het beheer en het onderzoek ervan.
Art. 65. Mammifères marins.
Aucune disposition de la présente partie ne restreint le droit d'un Etat côtier d'interdire, de limiter ou de réglementer l'exploitation des mammifères marins plus rigoureusement que ne le prévoit cette partie, ni éventuellement la compétence d'une organisation internationale pour ce faire. Les Etats coopèrent en vue d'assurer la protection des mammifères marins et ils s'emploient en particulier, par l'intermédiaire des organisations internationales appropriées, à protéger, gérer et étudier les cétacés.
Aucune disposition de la présente partie ne restreint le droit d'un Etat côtier d'interdire, de limiter ou de réglementer l'exploitation des mammifères marins plus rigoureusement que ne le prévoit cette partie, ni éventuellement la compétence d'une organisation internationale pour ce faire. Les Etats coopèrent en vue d'assurer la protection des mammifères marins et ils s'emploient en particulier, par l'intermédiaire des organisations internationales appropriées, à protéger, gérer et étudier les cétacés.
Art. 66. Anadrome soorten.
1. Staten in wier rivieren anadrome visstapels hun oorsprong hebben, hebben het meeste belang bij en verantwoordelijkheid voor zulke stapels.
2. De Staat van oorsprong van anadrome visstapels waarborgt het behoud ervan door de uitvaardiging van passende regulerende maatregelen voor het vissen in alle wateren aan de landzijde van de huitengrenzen van zijn exclusieve economische zone en voor het vissen bedoeld in het derde lid, letter b. De Staat van oorsprong kan, na overleg met de andere Staten, bedoeld in het derde en het vierde lid die op deze visstapels vissen, totale toelaatbare vangsten vaststellen voor in zijn rivieren hun oorsprong hebbende stapels.
3. a) De visserij op anadrome stapels geschiedt alleen in wateren aan de landzijde van de buitengrenzen van exclusieve economische zones, behalve in gevallen waarin deze bepaling zou leiden tot economische ontwrichting voor een andere Staat dan de Staat van oorsprong. Ten aanzien van visserij buiten de buitengrenzen van de exclusieve economische zone onderhouden de betrokken Staten overleg ten einde overeenstemming te bereiken omtrent de voorwaarden en bedingen van zulke visserij, daarbij naar behoren rekening houdend met de eisen van bescherming en de behoeften van de Staat van oorsprong ten aanzien van deze stapels.
b) De Staat van oorsprong werkt mede aan het tot een minimum beperken van economische ontwrichting in de andere Staten die op deze stapels vissen, rekening houdend met de normale vangst en de wijze van werken van deze Staten en alle gebieden waarin deze visserij zich heeft voorgedaan.
c) Aan de Staten bedoeld in letter b, die bij overeenkomst met de Staat van oorsprong deelnemen aan maatregelen ter vernieuwing van anadrome visstapels, in het bijzonder door middel van bijdragen in de kosten daarvan, dient door de Staat van oorsprong bijzondere aandacht te worden geschonken bij het oogsten van in zijn rivieren hun oorsprong hebbende stapels.
d) De afdwinging van de naleving van regelingen inzake anadrome visstapels buiten de exclusieve economische zone geschiedt bij overeenkomst tussen de Staat van oorsprong en de andere betrokken Staten.
4. In gevallen waarin anadrome visstapels migreren naar of door de wateren aan de landzijde van de buitengrenzen van de exclusieve economische zone van een andere Staat dan de Staat van oorsprong, werkt deze Staat met de Staat van oorsprong samen ten aanzien van het behoud en beheer van deze stapels.
5. De Staat van oorsprong van anadrome visstapels en andere Staten die op deze stapels vissen, treffen regelingen voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit artikel, waar passend, via regionale organisaties.
1. Staten in wier rivieren anadrome visstapels hun oorsprong hebben, hebben het meeste belang bij en verantwoordelijkheid voor zulke stapels.
2. De Staat van oorsprong van anadrome visstapels waarborgt het behoud ervan door de uitvaardiging van passende regulerende maatregelen voor het vissen in alle wateren aan de landzijde van de huitengrenzen van zijn exclusieve economische zone en voor het vissen bedoeld in het derde lid, letter b. De Staat van oorsprong kan, na overleg met de andere Staten, bedoeld in het derde en het vierde lid die op deze visstapels vissen, totale toelaatbare vangsten vaststellen voor in zijn rivieren hun oorsprong hebbende stapels.
3. a) De visserij op anadrome stapels geschiedt alleen in wateren aan de landzijde van de buitengrenzen van exclusieve economische zones, behalve in gevallen waarin deze bepaling zou leiden tot economische ontwrichting voor een andere Staat dan de Staat van oorsprong. Ten aanzien van visserij buiten de buitengrenzen van de exclusieve economische zone onderhouden de betrokken Staten overleg ten einde overeenstemming te bereiken omtrent de voorwaarden en bedingen van zulke visserij, daarbij naar behoren rekening houdend met de eisen van bescherming en de behoeften van de Staat van oorsprong ten aanzien van deze stapels.
b) De Staat van oorsprong werkt mede aan het tot een minimum beperken van economische ontwrichting in de andere Staten die op deze stapels vissen, rekening houdend met de normale vangst en de wijze van werken van deze Staten en alle gebieden waarin deze visserij zich heeft voorgedaan.
c) Aan de Staten bedoeld in letter b, die bij overeenkomst met de Staat van oorsprong deelnemen aan maatregelen ter vernieuwing van anadrome visstapels, in het bijzonder door middel van bijdragen in de kosten daarvan, dient door de Staat van oorsprong bijzondere aandacht te worden geschonken bij het oogsten van in zijn rivieren hun oorsprong hebbende stapels.
d) De afdwinging van de naleving van regelingen inzake anadrome visstapels buiten de exclusieve economische zone geschiedt bij overeenkomst tussen de Staat van oorsprong en de andere betrokken Staten.
4. In gevallen waarin anadrome visstapels migreren naar of door de wateren aan de landzijde van de buitengrenzen van de exclusieve economische zone van een andere Staat dan de Staat van oorsprong, werkt deze Staat met de Staat van oorsprong samen ten aanzien van het behoud en beheer van deze stapels.
5. De Staat van oorsprong van anadrome visstapels en andere Staten die op deze stapels vissen, treffen regelingen voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit artikel, waar passend, via regionale organisaties.
Art. 66. Stocks de poissons anadromes.
1. Les Etats dans les cours d'eau desquels se reproduisent des stocks de poissons anadromes sont les premiers intéressés par ceux-ci et en sont responsables au premier chef.
2. Un Etat dont sont originaires des stocks de poissons anadromes veille à leur conservation par l'adoption de mesures appropriees de réglementation de la pêche dans toutes les eaux situées en decà des limites extérieures de sa zone économique exclusive, ainsi que de la pêche visée au paragraphe 3, lettre b). L'Etat d'origine peut, après avoir consulté les autres Etats visés aux paragraphes 3 et 4 qui exploitent ces stocks, fixer le total admissible des captures de poissons originaires de ses cours d'eau.
3. a) Les stocks de poissons anadromes ne peuvent être pêchés que dans les eaux situées en decà des limites des zones économiques exclusives, sauf dans le cas où l'application de cette disposition entraînerait des perturbations économiques pour un Etat autre que l'Etat d'origine. En ce qui concerne la pêche au-delà des limites extérieures des zones économiques exclusives, les Etats concernés se consultent en vue de s'entendre sur les modalités et conditions de cette pêche, en tenant dûment compte des exigences de la conservation et des besoins de l'Etat d'origine pour ce qui est des stocks en question.
b) L'Etat d'origine contribue à réduire à un minimum les perturbations économiques dans les autres Etats qui exploitent ces espèces, en tenant compte des captures normales de ces Etats et de la façon dont ils exploitent ces stocks ainsi que de tous les secteurs où ceux-ci sont exploités.
c) Les Etats vises à la lettre b) qui participent, par voie d'accord avec l'Etat d'origine, à des mesures visant à assurer le renouvellement des stocks de poissons anadromes, particulièrement en contribuant au financement de ces mesures, sont spécialement pris en considération par l'Etat d'origine pour ce qui est de l'exploitation des espèces originaires de ses cours d'eau.
d) L'application de la réglementation concernant les stocks de poissons anadromes au-delà de la zone économique exclusive est assurée par voie d'accord entre l'Etat d'origine et les autres Etats concernés.
4. Lorsque les stocks de poissons anadromes migrent vers des eaux ou traversent des eaux situées en decà des limites extérieures de la zone économique exclusive d'un Etat autre que l'Etat d'origine, cet Etat coopère avec l'Etat d'origine à la conservation et à la gestion de ces stocks.
5. L'Etat dont sont originaires des stocks de poissons anadromes et les autres Etats qui pratiquent la pêche de ces poissons concluent des arrangements en vue de l'application du présent article, s'il y a lieu, par l'intermédiaire d'organisations régionales.
1. Les Etats dans les cours d'eau desquels se reproduisent des stocks de poissons anadromes sont les premiers intéressés par ceux-ci et en sont responsables au premier chef.
2. Un Etat dont sont originaires des stocks de poissons anadromes veille à leur conservation par l'adoption de mesures appropriees de réglementation de la pêche dans toutes les eaux situées en decà des limites extérieures de sa zone économique exclusive, ainsi que de la pêche visée au paragraphe 3, lettre b). L'Etat d'origine peut, après avoir consulté les autres Etats visés aux paragraphes 3 et 4 qui exploitent ces stocks, fixer le total admissible des captures de poissons originaires de ses cours d'eau.
3. a) Les stocks de poissons anadromes ne peuvent être pêchés que dans les eaux situées en decà des limites des zones économiques exclusives, sauf dans le cas où l'application de cette disposition entraînerait des perturbations économiques pour un Etat autre que l'Etat d'origine. En ce qui concerne la pêche au-delà des limites extérieures des zones économiques exclusives, les Etats concernés se consultent en vue de s'entendre sur les modalités et conditions de cette pêche, en tenant dûment compte des exigences de la conservation et des besoins de l'Etat d'origine pour ce qui est des stocks en question.
b) L'Etat d'origine contribue à réduire à un minimum les perturbations économiques dans les autres Etats qui exploitent ces espèces, en tenant compte des captures normales de ces Etats et de la façon dont ils exploitent ces stocks ainsi que de tous les secteurs où ceux-ci sont exploités.
c) Les Etats vises à la lettre b) qui participent, par voie d'accord avec l'Etat d'origine, à des mesures visant à assurer le renouvellement des stocks de poissons anadromes, particulièrement en contribuant au financement de ces mesures, sont spécialement pris en considération par l'Etat d'origine pour ce qui est de l'exploitation des espèces originaires de ses cours d'eau.
d) L'application de la réglementation concernant les stocks de poissons anadromes au-delà de la zone économique exclusive est assurée par voie d'accord entre l'Etat d'origine et les autres Etats concernés.
4. Lorsque les stocks de poissons anadromes migrent vers des eaux ou traversent des eaux situées en decà des limites extérieures de la zone économique exclusive d'un Etat autre que l'Etat d'origine, cet Etat coopère avec l'Etat d'origine à la conservation et à la gestion de ces stocks.
5. L'Etat dont sont originaires des stocks de poissons anadromes et les autres Etats qui pratiquent la pêche de ces poissons concluent des arrangements en vue de l'application du présent article, s'il y a lieu, par l'intermédiaire d'organisations régionales.
Art. 67. Catadrome soorten.
1. Een kuststaat in wiens wateren catadrome soorten het grootste deel van hun levenscyclus doorbrengen, is verantwoordelijk voor het beheer van deze soorten en waarborgt het binnentrekken en wegtrekken van trekkende vissen.
2. Het oogsten van catadrome soorten geschiedt alleen in wateren aan de landzijde van de buitengrenzen van exclusieve economische zones. Wanneer het oogsten in exclusieve economische zones geschiedt, is het onderworpen aan dit artikel en aan de andere bepalingen van dit Verdrag betreffende visserij in deze zones.
3. In gevallen waarin al dan niet volwassen catadrome vissen trekken via de exclusieve economische zone van een andere Staat, wordt het beheer, met inbegrip van het oogsten van deze vissen, geregeld bij overeenkomst tussen de Staat bedoeld in het eerste lid en de andere betrokken Staat. Deze overeenkomst waarborgt het rationele beheer van de soorten en houdt rekening met de verantwoordelijkheden van de in het eerste lid bedoelde Staat voor de instandhouding van deze soorten.
1. Een kuststaat in wiens wateren catadrome soorten het grootste deel van hun levenscyclus doorbrengen, is verantwoordelijk voor het beheer van deze soorten en waarborgt het binnentrekken en wegtrekken van trekkende vissen.
2. Het oogsten van catadrome soorten geschiedt alleen in wateren aan de landzijde van de buitengrenzen van exclusieve economische zones. Wanneer het oogsten in exclusieve economische zones geschiedt, is het onderworpen aan dit artikel en aan de andere bepalingen van dit Verdrag betreffende visserij in deze zones.
3. In gevallen waarin al dan niet volwassen catadrome vissen trekken via de exclusieve economische zone van een andere Staat, wordt het beheer, met inbegrip van het oogsten van deze vissen, geregeld bij overeenkomst tussen de Staat bedoeld in het eerste lid en de andere betrokken Staat. Deze overeenkomst waarborgt het rationele beheer van de soorten en houdt rekening met de verantwoordelijkheden van de in het eerste lid bedoelde Staat voor de instandhouding van deze soorten.
Art. 67. Espèces catadromes.
1. Un Etat côtier dans les eaux duquel des espèces catadromes passent la majeure partie de leur existence est responsable de la gestion de ces espèces et veille à ce que les poissons migrateurs puissent y entrer et en sortir.
2. Les espèces catadromes ne sont exploitées que dans les eaux situées en decà des limites extérieures des zones économiques exclusives. Dans les zones économiques exclusives, l'exploitation est régie par le présent article et les autres dispositions de la Convention relative à la pêche dans ces zones.
3. Dans les cas où les poissons catadromes, qu'ils soient parvenus ou non au stade de la maturation, migrent à travers la zone économique exclusive d'un autre Etat, la gestion de ces poissons, y compris leur exploitation, est réglementée par voie d'accord entre l'Etat visé au paragraphe 1 et l'autre Etat concerné. Cet accord doit assurer la gestion rationnelle des espèces considérées et tenir compte des responsabilités de l'Etat visé au paragraphe 1 concernant la conservation de ces espèces.
1. Un Etat côtier dans les eaux duquel des espèces catadromes passent la majeure partie de leur existence est responsable de la gestion de ces espèces et veille à ce que les poissons migrateurs puissent y entrer et en sortir.
2. Les espèces catadromes ne sont exploitées que dans les eaux situées en decà des limites extérieures des zones économiques exclusives. Dans les zones économiques exclusives, l'exploitation est régie par le présent article et les autres dispositions de la Convention relative à la pêche dans ces zones.
3. Dans les cas où les poissons catadromes, qu'ils soient parvenus ou non au stade de la maturation, migrent à travers la zone économique exclusive d'un autre Etat, la gestion de ces poissons, y compris leur exploitation, est réglementée par voie d'accord entre l'Etat visé au paragraphe 1 et l'autre Etat concerné. Cet accord doit assurer la gestion rationnelle des espèces considérées et tenir compte des responsabilités de l'Etat visé au paragraphe 1 concernant la conservation de ces espèces.
Art. 68. Sedentaire soorten.
Dit Deel is niet van toepassing op sedentaire soorten zoals omschreven in artikel 77, vierde lid.
Dit Deel is niet van toepassing op sedentaire soorten zoals omschreven in artikel 77, vierde lid.
Art. 68. Espèces sédentaires.
La présente partie ne s'applique pas aux espèces sédentaires, telles qu'elles sont définies à l'article 77, paragraphe 4.
La présente partie ne s'applique pas aux espèces sédentaires, telles qu'elles sont définies à l'article 77, paragraphe 4.
Art. 69. Recht van Staten zonder zeekust.
1. Staten zonder zeekust hebben het recht, op billijke grondslag, deel te nemen aan de exploitatie van een passend deel van het overschot van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten van dezelfde subregio of regio, met inachtneming van de van belang zijnde economische en geografische omstandigheden van alle betrokken Staten en overeenkomstig de bepalingen van dit artikel en van de artikelen 61 en 62.
2. De voorwaarden en modaliteiten van een zodanige deelneming worden door de betrokken Staten vastgesteld door middel van bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met :
a) de noodzaak gevolgen te vermijden die nadelig zijn voor vissersgemeenschappen of de visserij van de kuststaten;
b) de mate waarin de Staat zonder zeekust, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, ingevolge bestaande bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten, deelneemt aan of gerechtigd is deel te nemen aan, de exploitatie van levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van andere kuststaten;
c) de mate waarin andere Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging deelnemen aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zone van de kuststaat en de daaruit voortvloeiende noodzaak een bijzondere last voor één bepaalde kuststaat of deel daarvan te vermijden;
d) de voedselbehoeften van de bevolking van de onderscheiden Staten.
3. Wanneer het oogstvermogen van een kuststaat een punt bereikt waarop deze in staat zou zijn de gehele toelaatbare vangst van de levende rijkdommen in zijn exclusieve economische zone te oogsten, werken de kuststaat en andere betrokken Staten samen bij de totstandkoming van billijke regelingen op bilaterale, subregionale of regionale basis om de deelneming van ontwikkelingsstaten zonder zeekust in dezelfde subregio of regio mogelijk te maken aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten van de subregio of regio, als passend is gezien de omstandigheden en op voor alle partijen bevredigende voorwaarden. Bij de tenuitvoerlegging van deze bepaling dient tevens rekening te worden gehouden met de in het tweede lid genoemde factoren.
4. Ontwikkelde Staten zonder zeekust zijn, ingevolge de bepalingen van dit artikel slechts gerechtigd deel te nemen aan de exploitatie van levende rijkdommen in de exclusieve economische zones van ontwikkelde kuststaten van dezelfde subregio of regio, voor zover de kuststaat, bij het verlenen van toegang aan andere Staten tot de levende rijkdommen van zijn exclusieve economische zone, rekening heeft gehouden met de noodzaak nadelige gevolgen voor vissersgemeenschappen en economische ontwrichting in Staten wier onderdanen gewoonlijk in de zone vissen, tot een minimum te beperken.
5. De bovenstaande bepalingen laten onverlet regelingen eventueel overeengekomen in subregio's of regio's, waar de kuststaten aan Staten zonder zeekust van dezelfde subregio of regio gelijke of preferentiële rechten kunnen toekennen voor de exploitatie van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zones.
1. Staten zonder zeekust hebben het recht, op billijke grondslag, deel te nemen aan de exploitatie van een passend deel van het overschot van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten van dezelfde subregio of regio, met inachtneming van de van belang zijnde economische en geografische omstandigheden van alle betrokken Staten en overeenkomstig de bepalingen van dit artikel en van de artikelen 61 en 62.
2. De voorwaarden en modaliteiten van een zodanige deelneming worden door de betrokken Staten vastgesteld door middel van bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met :
a) de noodzaak gevolgen te vermijden die nadelig zijn voor vissersgemeenschappen of de visserij van de kuststaten;
b) de mate waarin de Staat zonder zeekust, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, ingevolge bestaande bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten, deelneemt aan of gerechtigd is deel te nemen aan, de exploitatie van levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van andere kuststaten;
c) de mate waarin andere Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging deelnemen aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zone van de kuststaat en de daaruit voortvloeiende noodzaak een bijzondere last voor één bepaalde kuststaat of deel daarvan te vermijden;
d) de voedselbehoeften van de bevolking van de onderscheiden Staten.
3. Wanneer het oogstvermogen van een kuststaat een punt bereikt waarop deze in staat zou zijn de gehele toelaatbare vangst van de levende rijkdommen in zijn exclusieve economische zone te oogsten, werken de kuststaat en andere betrokken Staten samen bij de totstandkoming van billijke regelingen op bilaterale, subregionale of regionale basis om de deelneming van ontwikkelingsstaten zonder zeekust in dezelfde subregio of regio mogelijk te maken aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten van de subregio of regio, als passend is gezien de omstandigheden en op voor alle partijen bevredigende voorwaarden. Bij de tenuitvoerlegging van deze bepaling dient tevens rekening te worden gehouden met de in het tweede lid genoemde factoren.
4. Ontwikkelde Staten zonder zeekust zijn, ingevolge de bepalingen van dit artikel slechts gerechtigd deel te nemen aan de exploitatie van levende rijkdommen in de exclusieve economische zones van ontwikkelde kuststaten van dezelfde subregio of regio, voor zover de kuststaat, bij het verlenen van toegang aan andere Staten tot de levende rijkdommen van zijn exclusieve economische zone, rekening heeft gehouden met de noodzaak nadelige gevolgen voor vissersgemeenschappen en economische ontwrichting in Staten wier onderdanen gewoonlijk in de zone vissen, tot een minimum te beperken.
5. De bovenstaande bepalingen laten onverlet regelingen eventueel overeengekomen in subregio's of regio's, waar de kuststaten aan Staten zonder zeekust van dezelfde subregio of regio gelijke of preferentiële rechten kunnen toekennen voor de exploitatie van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zones.
Art. 69. Droit des Etats sans littoral.
1. Un Etat sans littoral a le droit de participer, selon une forme équitable, à l'exploitation d'une part appropriée du reliquat des ressources biologiques des zones économiques exclusives des Etats côtiers de la même sous-région ou région, compte tenu des caractéristiques économiques et géographiques pertinentes de tous les Etats concernés et conformément au présent article et aux articles 61 et 62.
2. Les conditions et modalités de cette participation sont arretées par les Etats concernés par voie d'accords bilatéraux, sous-régionaux ou régionaux, compte tenu notamment :
a) de la nécessité d'éviter tous effets préjudiciables aux communautés de pecheurs ou à l'industrie de la pêche des Etats côtiers;
b) de la mesure dans laquelle l'Etat sans littoral, conformément au présent article, participe ou a le droit de participer, en vertu d'accords bilatéraux, sous-régionaux ou régionaux existants, à l'exploitation des ressources biologiques des zones économiques exclusives d'autres Etats côtiers;
c) de la mesure dans laquelle d'autres Etats sans littoral ou des Etats géographiquement désavantagés participent déjà à l'exploitation des ressources biologiques de la zone économique exclusive de l'Etat côtier et de la nécessité d'éviter d'imposer à tel Etat côtier ou à telle région de cet Etat une charge particulièrement lourde;
d) des besoins alimentaires de la population des Etats considérés.
3. Lorsque la capacité de pêche d'un Etat côtier lui permettrait presque d'atteindre à lui seul l'ensemble du volume admissible des captures fixé pour l'exploitation des ressources biologiques de sa zone économique exclusive, cet Etat et les autres Etats concernés coopèrent en vue de conclure des arrangements bilatéraux, sous-régionaux ou régionaux équitables permettant aux Etats en développement sans littoral de la même région ou sous-région de participer à l'exploitation des ressources biologiques des zones économiques exclusives des Etats côtiers de la sous-région ou région, selon qu'il convient, eu egard aux circonstances et a des conditions satisfaisantes pour toutes les parties. Pour l'application de la présente disposition, il est tenu compte également des facteurs mentionnés au paragraphe 2.
4. Les Etats développes sans littoral n'ont le droit de participer a l'exploitation des ressources biologiques, en vertu du présent article, que dans les zones économiques exclusives d'Etats côtiers développés de la même sous-région ou région, compte tenu de la mesure dans laquelle l'Etat côtier, en donnant accès aux ressources biologiques de sa zone economique exclusive à d'autres Etats, a pris en considération la nécessité de réduire à un minimum les effets préjudiciables aux communautés de pêcheurs ainsi que les perturbations économiques dans les Etats dont les ressortissants pratiquent habituellement la pêche dans la zone.
5. Les dispositions précédentes s'appliquent sans préjudice des arrangements éventuellement conclus dans des sous-régions ou régions où les Etats côtiers peuvent accorder à des Etats sans littoral de la même sous-région ou région des droits égaux ou préférentiels pour l'exploitation des ressources biologiques de leur zone économique exclusive.
1. Un Etat sans littoral a le droit de participer, selon une forme équitable, à l'exploitation d'une part appropriée du reliquat des ressources biologiques des zones économiques exclusives des Etats côtiers de la même sous-région ou région, compte tenu des caractéristiques économiques et géographiques pertinentes de tous les Etats concernés et conformément au présent article et aux articles 61 et 62.
2. Les conditions et modalités de cette participation sont arretées par les Etats concernés par voie d'accords bilatéraux, sous-régionaux ou régionaux, compte tenu notamment :
a) de la nécessité d'éviter tous effets préjudiciables aux communautés de pecheurs ou à l'industrie de la pêche des Etats côtiers;
b) de la mesure dans laquelle l'Etat sans littoral, conformément au présent article, participe ou a le droit de participer, en vertu d'accords bilatéraux, sous-régionaux ou régionaux existants, à l'exploitation des ressources biologiques des zones économiques exclusives d'autres Etats côtiers;
c) de la mesure dans laquelle d'autres Etats sans littoral ou des Etats géographiquement désavantagés participent déjà à l'exploitation des ressources biologiques de la zone économique exclusive de l'Etat côtier et de la nécessité d'éviter d'imposer à tel Etat côtier ou à telle région de cet Etat une charge particulièrement lourde;
d) des besoins alimentaires de la population des Etats considérés.
3. Lorsque la capacité de pêche d'un Etat côtier lui permettrait presque d'atteindre à lui seul l'ensemble du volume admissible des captures fixé pour l'exploitation des ressources biologiques de sa zone économique exclusive, cet Etat et les autres Etats concernés coopèrent en vue de conclure des arrangements bilatéraux, sous-régionaux ou régionaux équitables permettant aux Etats en développement sans littoral de la même région ou sous-région de participer à l'exploitation des ressources biologiques des zones économiques exclusives des Etats côtiers de la sous-région ou région, selon qu'il convient, eu egard aux circonstances et a des conditions satisfaisantes pour toutes les parties. Pour l'application de la présente disposition, il est tenu compte également des facteurs mentionnés au paragraphe 2.
4. Les Etats développes sans littoral n'ont le droit de participer a l'exploitation des ressources biologiques, en vertu du présent article, que dans les zones économiques exclusives d'Etats côtiers développés de la même sous-région ou région, compte tenu de la mesure dans laquelle l'Etat côtier, en donnant accès aux ressources biologiques de sa zone economique exclusive à d'autres Etats, a pris en considération la nécessité de réduire à un minimum les effets préjudiciables aux communautés de pêcheurs ainsi que les perturbations économiques dans les Etats dont les ressortissants pratiquent habituellement la pêche dans la zone.
5. Les dispositions précédentes s'appliquent sans préjudice des arrangements éventuellement conclus dans des sous-régions ou régions où les Etats côtiers peuvent accorder à des Etats sans littoral de la même sous-région ou région des droits égaux ou préférentiels pour l'exploitation des ressources biologiques de leur zone économique exclusive.
Art. 70. Rechten van Staten met een ongustige geografische ligging.
1. Staten met een ongunstige geografische ligging hebben het recht op billijke grondslag deel te nemen aan de exploitatie van een passend deel van het overschot van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten in dezelfde subregio of regio, rekenning houdend met de van belang zijn economische en geografische omstandigheden van alle betrokken Staten en overeenkomstig de bepalingen van dit artikel en van de artikelen 61 en 62.
2. Voor de toepassing van dit deel betekent, " Staten met een ongunstige geografische ligging " kuststaten, met inbegrip van Staten grenzend aan ingesloten of half-ingesloten zeeën, wier geografische ligging hen afhankelijk maakt van de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van andere Staten in de subregio of regio voor voldoende aanvoer van vis voor de voeding van hun bevolking of delen daarvan en kuststaten die geen aanspraak kunnen maken op een eigen exclusieve economische zone.
3. De voorwaarden en modaliteiten van een zodanige deelneming worden door de betrokken Staten vastgesteld door middel van bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met :
a) de noodzaak gevolgen te vermijden die nadelig zijn voor vissersgemeenschappen of de visserij van de kuststaat;
b) de mate waarin de Staat met een ongunstige geografische ligging, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, ingevolge bestaande bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten deelneemt aan of gerechtigd is deel te nemen aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van andere kuststaten;
c) de mate waarin andere Staten met een ongunstige geografische ligging en Staten zonder zeekust deelnemen aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zone van de kuststaat en de daaruit voortvloeiende noodzaak een bijzondere last voor één bepaalde kuststaat of deel daarvan te vermijden;
d) de voedselbehoeften van de bevolking van de onderscheiden Staten.
4. Wanneer het oogstvermogen van een kuststaat een punt bereikt waarop deze in staat zou zijn de gehele toelaatbare vangst van de levende rijkdommen in zijn exclusieve economische zone te oogsten, werken de kuststaat en de andere betrokken Staten samen bij de totstandkoming van billijke regelingen op bilaterale, subregionale of regionale basis om de deelneming van ontwikkelingslanden met een ongunstige geografische ligging uit dezelfde subregio of regio mogelijk te maken aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten van de subregio of regio, als passend is gezien de omstandigheden en op voor alle partijen bevredigende voorwaarden. Bij de tenuitvoerlegging van deze bepaling dient tevens rekening te worden gehouden met de in het derde lid genoemde factoren.
5. Ontwikkelde Staten met een ongunstige geografische ligging zijn ingevolge de bepalingen van dit artikel slechts gerechtigd deel te nemen aan de exploitatie van levende rijkdommen in de exclusieve economische zones van ontwikkelde kuststaten van dezelfde subregio of regio, voor zover de kuststaat, bij het verlenen van toegang aan andere Staten tot de levende rijkdommen van zijn exclusieve economische zone, rekening heeft gehouden met de noodzaak nadelige gevolgen voor vissersgemeenschappen en economische ontwrichting in Staten wier onderdanen gewoonlijk in de zone vissen, tot een minimum te beperken.
6. De bovenstaande bepalingen laten onverlet regelingen eventueel overeengekomen in subregio's of regio's, waar de kuststaten aan Staten met een ongunstige geografische ligging van dezelfde subregio of regio gelijke of preferentiële rechten kunnen toekennen voor de exploitatie van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zones.
1. Staten met een ongunstige geografische ligging hebben het recht op billijke grondslag deel te nemen aan de exploitatie van een passend deel van het overschot van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten in dezelfde subregio of regio, rekenning houdend met de van belang zijn economische en geografische omstandigheden van alle betrokken Staten en overeenkomstig de bepalingen van dit artikel en van de artikelen 61 en 62.
2. Voor de toepassing van dit deel betekent, " Staten met een ongunstige geografische ligging " kuststaten, met inbegrip van Staten grenzend aan ingesloten of half-ingesloten zeeën, wier geografische ligging hen afhankelijk maakt van de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van andere Staten in de subregio of regio voor voldoende aanvoer van vis voor de voeding van hun bevolking of delen daarvan en kuststaten die geen aanspraak kunnen maken op een eigen exclusieve economische zone.
3. De voorwaarden en modaliteiten van een zodanige deelneming worden door de betrokken Staten vastgesteld door middel van bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met :
a) de noodzaak gevolgen te vermijden die nadelig zijn voor vissersgemeenschappen of de visserij van de kuststaat;
b) de mate waarin de Staat met een ongunstige geografische ligging, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, ingevolge bestaande bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten deelneemt aan of gerechtigd is deel te nemen aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van andere kuststaten;
c) de mate waarin andere Staten met een ongunstige geografische ligging en Staten zonder zeekust deelnemen aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zone van de kuststaat en de daaruit voortvloeiende noodzaak een bijzondere last voor één bepaalde kuststaat of deel daarvan te vermijden;
d) de voedselbehoeften van de bevolking van de onderscheiden Staten.
4. Wanneer het oogstvermogen van een kuststaat een punt bereikt waarop deze in staat zou zijn de gehele toelaatbare vangst van de levende rijkdommen in zijn exclusieve economische zone te oogsten, werken de kuststaat en de andere betrokken Staten samen bij de totstandkoming van billijke regelingen op bilaterale, subregionale of regionale basis om de deelneming van ontwikkelingslanden met een ongunstige geografische ligging uit dezelfde subregio of regio mogelijk te maken aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten van de subregio of regio, als passend is gezien de omstandigheden en op voor alle partijen bevredigende voorwaarden. Bij de tenuitvoerlegging van deze bepaling dient tevens rekening te worden gehouden met de in het derde lid genoemde factoren.
5. Ontwikkelde Staten met een ongunstige geografische ligging zijn ingevolge de bepalingen van dit artikel slechts gerechtigd deel te nemen aan de exploitatie van levende rijkdommen in de exclusieve economische zones van ontwikkelde kuststaten van dezelfde subregio of regio, voor zover de kuststaat, bij het verlenen van toegang aan andere Staten tot de levende rijkdommen van zijn exclusieve economische zone, rekening heeft gehouden met de noodzaak nadelige gevolgen voor vissersgemeenschappen en economische ontwrichting in Staten wier onderdanen gewoonlijk in de zone vissen, tot een minimum te beperken.
6. De bovenstaande bepalingen laten onverlet regelingen eventueel overeengekomen in subregio's of regio's, waar de kuststaten aan Staten met een ongunstige geografische ligging van dezelfde subregio of regio gelijke of preferentiële rechten kunnen toekennen voor de exploitatie van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zones.
Art. 70. Droit des Etats géographiquement désavantagés.
1. Les Etats géographiquement désavantagés ont le droit de participer, selon une formule équitable, à l'exploitation d'une part appropriée du reliquat des ressources biologiques des zones économiques exclusives des Etats côtiers de la même sous-région ou région, compte tenu des caractéristiques économiques et géographiques pertinentes de tous les Etats concernés et conformément au présent article et aux articles 61 et 62.
2. Aux fins de la présente partie, l'expression " Etats géographiquement désavantagés " s'entend des Etats côtiers, y compris les Etats riverains d'une mer fermée ou semi-fermée, que leur situation géographique rend tributaires de l'exploitation des ressources biologiques des zones économiques exclusives d'autres Etats de la sous-région ou région pour un approvisionnement suffisant en poisson destine à l'alimentation de leur population ou d'une partie de leur population, ainsi que des Etats côtiers qui ne peuvent prétendre à une zone économique exclusive propre.
3. Les conditions et modalités de cette participation sont arrêtées par les Etats concernés par voie d'accords bilatéraux, sous-régionaux ou régionaux, compte tenu notamment :
a) de la nécessité d'éviter tous effets préjudiciables aux communautés de pêcheurs ou à l'industrie de la pêche des Etats côtiers;
b) de la mesure dans laquelle l'Etat géographiquement désavantagé, conformément au présent article, participe ou a le droit de participer, en vertu d'accords bilatéraux, sous-régionaux ou régioanux existants, à l'exploitation des ressources biologiques des zones économiques exclusives d'autres Etats côtiers;
c) de la mesure dans laquelle d'autres Etats géographiquement désavantagés et des Etats sans littoral participent déjà à l'exploitation des ressources biologiques de la zone économique exclusive de l'Etat côtier et de la nécessité d'éviter d'imposer à tel Etat côtier ou à telle région de cet Etat une charge particulièrement lourde;
d) des besoins alimentaires de la population des Etats considérés.
4. Lorsque la capacité de la pêche d'un Etat côtier lui permettrait presque d'atteindre à lui seul l'ensemble du volume admissible des captures fixé pour l'exploitation des ressources biologiques de sa zone économique exclusive, cet Etat et les autres Etats concernés coopèrent en vue de conclure des arrangements bilatéraux, sous-régionaux ou régionaux équitables permettant aux Etats en développement géographiquement désavantagés de la même sous-région ou région de participer à l'exploitation des ressources biologiques des zones économiques exclusives des Etats côtiers de la sous-region ou région, selon qu'il convient, eu égard aux circonstances et à des conditions satisfaisantes pour toutes les parties. Pour l'application de la présente disposition, il est tenu compte également des facteurs mentionnés au paragraphe 3.
5. Les Etats développés géographiquement désavantagés n'ont le droit de participer à l'exploitation des ressources biologiques, en vertu du présent article, que dans les zones économiques exclusives d'Etas côtiers développés de la même sous-région ou région, compte tenu de la mesure dans laquelle l'Etat côtier, en donnant accès aux ressources biologiques de sa zone economique exclusive à d'autres Etats, a pris en considération la necessité de réduire à un minimum les effets préjudiciables aux communautés de pêcheurs ainsi que les perturbations économiques dans les Etats dont les ressortissants pratiquent habituellement la pêche dans la zone.
6. Les dispositions précédentes s'appliquent sans préjudice des arrangements éventuellement conclus dans des sous-régions ou régions où les Etats côtiers peuvent accorder à des Etats géographiquement désavantagés de la même sous-région ou région des droits égaux ou préférentiels pour l'exploitation des ressources biologiques de leur zone économique exclusive.
1. Les Etats géographiquement désavantagés ont le droit de participer, selon une formule équitable, à l'exploitation d'une part appropriée du reliquat des ressources biologiques des zones économiques exclusives des Etats côtiers de la même sous-région ou région, compte tenu des caractéristiques économiques et géographiques pertinentes de tous les Etats concernés et conformément au présent article et aux articles 61 et 62.
2. Aux fins de la présente partie, l'expression " Etats géographiquement désavantagés " s'entend des Etats côtiers, y compris les Etats riverains d'une mer fermée ou semi-fermée, que leur situation géographique rend tributaires de l'exploitation des ressources biologiques des zones économiques exclusives d'autres Etats de la sous-région ou région pour un approvisionnement suffisant en poisson destine à l'alimentation de leur population ou d'une partie de leur population, ainsi que des Etats côtiers qui ne peuvent prétendre à une zone économique exclusive propre.
3. Les conditions et modalités de cette participation sont arrêtées par les Etats concernés par voie d'accords bilatéraux, sous-régionaux ou régionaux, compte tenu notamment :
a) de la nécessité d'éviter tous effets préjudiciables aux communautés de pêcheurs ou à l'industrie de la pêche des Etats côtiers;
b) de la mesure dans laquelle l'Etat géographiquement désavantagé, conformément au présent article, participe ou a le droit de participer, en vertu d'accords bilatéraux, sous-régionaux ou régioanux existants, à l'exploitation des ressources biologiques des zones économiques exclusives d'autres Etats côtiers;
c) de la mesure dans laquelle d'autres Etats géographiquement désavantagés et des Etats sans littoral participent déjà à l'exploitation des ressources biologiques de la zone économique exclusive de l'Etat côtier et de la nécessité d'éviter d'imposer à tel Etat côtier ou à telle région de cet Etat une charge particulièrement lourde;
d) des besoins alimentaires de la population des Etats considérés.
4. Lorsque la capacité de la pêche d'un Etat côtier lui permettrait presque d'atteindre à lui seul l'ensemble du volume admissible des captures fixé pour l'exploitation des ressources biologiques de sa zone économique exclusive, cet Etat et les autres Etats concernés coopèrent en vue de conclure des arrangements bilatéraux, sous-régionaux ou régionaux équitables permettant aux Etats en développement géographiquement désavantagés de la même sous-région ou région de participer à l'exploitation des ressources biologiques des zones économiques exclusives des Etats côtiers de la sous-region ou région, selon qu'il convient, eu égard aux circonstances et à des conditions satisfaisantes pour toutes les parties. Pour l'application de la présente disposition, il est tenu compte également des facteurs mentionnés au paragraphe 3.
5. Les Etats développés géographiquement désavantagés n'ont le droit de participer à l'exploitation des ressources biologiques, en vertu du présent article, que dans les zones économiques exclusives d'Etas côtiers développés de la même sous-région ou région, compte tenu de la mesure dans laquelle l'Etat côtier, en donnant accès aux ressources biologiques de sa zone economique exclusive à d'autres Etats, a pris en considération la necessité de réduire à un minimum les effets préjudiciables aux communautés de pêcheurs ainsi que les perturbations économiques dans les Etats dont les ressortissants pratiquent habituellement la pêche dans la zone.
6. Les dispositions précédentes s'appliquent sans préjudice des arrangements éventuellement conclus dans des sous-régions ou régions où les Etats côtiers peuvent accorder à des Etats géographiquement désavantagés de la même sous-région ou région des droits égaux ou préférentiels pour l'exploitation des ressources biologiques de leur zone économique exclusive.
Art. 71. Niet-toepasselijkheid van de artikelen 69 en 70.
De bepalingen van de artikelen 69 en 70 zijn niet van toepssing in het geval van een kuststaat wiens economie in overgrote mate afhankelijk is van de exploitatie van de levende rijkdommen van zijn exclusieve economische zone.
De bepalingen van de artikelen 69 en 70 zijn niet van toepssing in het geval van een kuststaat wiens economie in overgrote mate afhankelijk is van de exploitatie van de levende rijkdommen van zijn exclusieve economische zone.
Art. 71. Cas où les articles 69 et 70 ne sont pas applicables.
Les articles 69 et 70 ne s'appliquent pas aux Etats côtiers dont l'économie est très lourdement tributaire de l'exploitation des ressources biologiques de leur zone économique exclusive.
Les articles 69 et 70 ne s'appliquent pas aux Etats côtiers dont l'économie est très lourdement tributaire de l'exploitation des ressources biologiques de leur zone économique exclusive.
Art. 72. Beperkingen op de overdracht van rechten.
1. De ingevolge de artikelen 69 en 70 bepaalde rechten tot exploitatie van de levende rijkdommen mogen niet direct of indirect worden overgedragen aan derde Staten of hun onderdanen door middel van verhuur of licentie, door het oprichten van joint ventures of op enige andere wijze die de werking van een zodanige overdracht heeft, tenzij anderszins overeengekomen door de betrokken Staten.
2. De voorgaande bepaling belet de betrokken Staten niet technische of financiële bijstand te verkrijgen van de Staten of internationale organisaties ten einde de uitoefening van de rechten voortvloeiend uit de artikelen 69 en 70 te vergemakkelijken, mits zulks niet de in het eerste lid bedoelde werking heeft.
1. De ingevolge de artikelen 69 en 70 bepaalde rechten tot exploitatie van de levende rijkdommen mogen niet direct of indirect worden overgedragen aan derde Staten of hun onderdanen door middel van verhuur of licentie, door het oprichten van joint ventures of op enige andere wijze die de werking van een zodanige overdracht heeft, tenzij anderszins overeengekomen door de betrokken Staten.
2. De voorgaande bepaling belet de betrokken Staten niet technische of financiële bijstand te verkrijgen van de Staten of internationale organisaties ten einde de uitoefening van de rechten voortvloeiend uit de artikelen 69 en 70 te vergemakkelijken, mits zulks niet de in het eerste lid bedoelde werking heeft.
Art. 72. Restrictions au transfert des droits.
1. Les droits d'exploitation des ressources biologiques prévus aux articles 69 et 70 ne peuvent être transférés directement ou indirectement à des Etats tiers ou à leurs ressortissants, ni par voie de bail ou de licence, ni par la création d'entreprises conjointes, ni en vertu d'aucun autre arrangement ayant pour effet un tel transfert, sauf si les Etats concernés en conviennent autrement.
2. La disposition ci-dessus n'interdit pas aux Etats concernés d'obtenir d'Etats tiers ou d'organisations internationales une assistance technique ou financière destinée à leur faciliter l'exercice de leurs droits conformément aux articles 69 et 70, à condition que cela entraîne pas l'effet visé au paragraphe 1.
1. Les droits d'exploitation des ressources biologiques prévus aux articles 69 et 70 ne peuvent être transférés directement ou indirectement à des Etats tiers ou à leurs ressortissants, ni par voie de bail ou de licence, ni par la création d'entreprises conjointes, ni en vertu d'aucun autre arrangement ayant pour effet un tel transfert, sauf si les Etats concernés en conviennent autrement.
2. La disposition ci-dessus n'interdit pas aux Etats concernés d'obtenir d'Etats tiers ou d'organisations internationales une assistance technique ou financière destinée à leur faciliter l'exercice de leurs droits conformément aux articles 69 et 70, à condition que cela entraîne pas l'effet visé au paragraphe 1.
Art. 73. Afdwinging van de naleving van de wetten en voorschriften van de kuststaat.
1. In de uitoefening van zijn soevereine rechten de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone te exploreren, exploiteren, behouden en te beheren, kan de kuststaat de maatregelen nemen, met inbegrip van het aan boord gaan, de inspectie, de aanhouding en het instellen van gerechtelijke procedures, die nodig kunnen zijn ter waarborging van de naleving van de door hem overeenkomstig dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften.
2. Aangehouden schepen en hun bemanning worden onverwijld in vrijheid gesteld na het verschaffen van een redelijke waarborgsom of het stellen van een andere zekerheid.
3. De straffen van de kuststaat voor schendingen van de wetten en voorschriften inzake de visserij in de exclusieve economische zone mogen, tenzij de betrokken Staten anders overeenkomen, niet omvatten vrijheidsbeneming of andere vormen van lichamelijke straf.
4. In gevallen van aanhouding of vasthouding van vreemde schepen stelt de kuststaat langs passende weg onverwijld de vlaggenstaat in kennis van de genomen maatregelen en van de daarna opgelegde eventuele straffen.
1. In de uitoefening van zijn soevereine rechten de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone te exploreren, exploiteren, behouden en te beheren, kan de kuststaat de maatregelen nemen, met inbegrip van het aan boord gaan, de inspectie, de aanhouding en het instellen van gerechtelijke procedures, die nodig kunnen zijn ter waarborging van de naleving van de door hem overeenkomstig dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften.
2. Aangehouden schepen en hun bemanning worden onverwijld in vrijheid gesteld na het verschaffen van een redelijke waarborgsom of het stellen van een andere zekerheid.
3. De straffen van de kuststaat voor schendingen van de wetten en voorschriften inzake de visserij in de exclusieve economische zone mogen, tenzij de betrokken Staten anders overeenkomen, niet omvatten vrijheidsbeneming of andere vormen van lichamelijke straf.
4. In gevallen van aanhouding of vasthouding van vreemde schepen stelt de kuststaat langs passende weg onverwijld de vlaggenstaat in kennis van de genomen maatregelen en van de daarna opgelegde eventuele straffen.
Art. 73. Mise en application des lois et règlements de l'Etat côtier.
1. Dans l'exercice de ses droits souverains d'exploration, d'exploitation, de conservation et de gestion des ressources biologiques de la zone économique exclusive, l'Etat côtier peut prendre toutes mesures, y compris l'arraisonnement, l'inspection, la saisie et l'introduction d'une instance judiciaire, qui sont nécessaires pour assurer le respect des lois et règlements qu'il a adoptés conformément à la Convention.
2. Lorsqu'une caution ou autre garantie suffisante a été fournie, il est procédé sans délai a la mainlevée de la saisie dont un navire aurait fait l'objet et à la libération de son équipage.
3. Les sanctions prévues par l'Etat côtier pour les infractions aux lois et règlements en matière de pêche dans la zone économique exclusive ne peuvent comprendre l'emprisonnement, à moins que les Etats concernés n'en conviennent autrement, ni aucun autre châtiment corporel.
4. Dans les cas de saisie ou d'immobilisation d'un navire étranger, l'Etat côtier notifie sans délai à l'Etat du pavillon, par les voies appropriées, les mesures prises ainsi que les sanctions qui seraient prononcées par la suite.
1. Dans l'exercice de ses droits souverains d'exploration, d'exploitation, de conservation et de gestion des ressources biologiques de la zone économique exclusive, l'Etat côtier peut prendre toutes mesures, y compris l'arraisonnement, l'inspection, la saisie et l'introduction d'une instance judiciaire, qui sont nécessaires pour assurer le respect des lois et règlements qu'il a adoptés conformément à la Convention.
2. Lorsqu'une caution ou autre garantie suffisante a été fournie, il est procédé sans délai a la mainlevée de la saisie dont un navire aurait fait l'objet et à la libération de son équipage.
3. Les sanctions prévues par l'Etat côtier pour les infractions aux lois et règlements en matière de pêche dans la zone économique exclusive ne peuvent comprendre l'emprisonnement, à moins que les Etats concernés n'en conviennent autrement, ni aucun autre châtiment corporel.
4. Dans les cas de saisie ou d'immobilisation d'un navire étranger, l'Etat côtier notifie sans délai à l'Etat du pavillon, par les voies appropriées, les mesures prises ainsi que les sanctions qui seraient prononcées par la suite.
Art. 74. Afbakening van de exclusieve economische zone tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.
1. De afbakening van de exclusieve economische zone tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten geschiedt bij overeenkomst op basis van het internationale recht, zoals bedoeld in artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof, ten einde een billijke oplossing te bereiken.
2. Indien niet binnen een redelijke termijn een overeenkomst tot stand komt, maken de betrokken Staten gebruik van de procedures, bepaald in Deel XV.
3. In afwachting van de totstandkoming van een overeenkomst zoals bepaald in het eerste lid stellen de betrokken Staten in een geest van onderling begrip en samenwerking, alles in het werk om voorlopige regelingen van praktische aard aan te gaan en tijdens deze overgangsperiode de totstandkoming van een definitieve overeenkomst niet in gevaar te brengen of te belemmeren. Zodanige regelingen laten de definitieve afbakening onverlet.
4. Wanneer er een overeenkomst tussen de betrokken Staten van kracht is, worden vraagstukken betreffende de afbakening van de exclusieve economische zone opgelost overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst.
1. De afbakening van de exclusieve economische zone tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten geschiedt bij overeenkomst op basis van het internationale recht, zoals bedoeld in artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof, ten einde een billijke oplossing te bereiken.
2. Indien niet binnen een redelijke termijn een overeenkomst tot stand komt, maken de betrokken Staten gebruik van de procedures, bepaald in Deel XV.
3. In afwachting van de totstandkoming van een overeenkomst zoals bepaald in het eerste lid stellen de betrokken Staten in een geest van onderling begrip en samenwerking, alles in het werk om voorlopige regelingen van praktische aard aan te gaan en tijdens deze overgangsperiode de totstandkoming van een definitieve overeenkomst niet in gevaar te brengen of te belemmeren. Zodanige regelingen laten de definitieve afbakening onverlet.
4. Wanneer er een overeenkomst tussen de betrokken Staten van kracht is, worden vraagstukken betreffende de afbakening van de exclusieve economische zone opgelost overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst.
Art. 74. Délimitation de la zone économique exclusive entre Etats dont les côtes sont adjacentes ou se font face.
1. La délimitation de la zone économique exclusive entre Etats dont les côtes sont adjacentes ou se font face est effectuée par voie d'accord conformément au droit international tel qu'il est visé à l'article 38 du Statut de la Cour internationale de Justice, afin d'aboutir à une solution équitable.
2. S'ils ne parviennent pas à un accord dans un délai raisonnable, les Etats concernés ont recours aux procédures prévues à la partie XV.
3. En attendant la conclusion de l'accord visé au paragraphe 1, les Etats concernés, dans un esprit de compréhension et de coopération, font tout leur possible pour conclure des arrangements provisoires de caractère pratique et pour ne pas compromettre ou entraver pendant cette période de transition la conclusion de l'accord définitif. Les arrangements provisoires sont sans préjudice de la délimitation finale.
4. Lorsqu'un accord est en vigueur entre les Etats concernés, les questions relatives à la délimitation de la zone économique exclusive sont réglees conformément à cet accord.
1. La délimitation de la zone économique exclusive entre Etats dont les côtes sont adjacentes ou se font face est effectuée par voie d'accord conformément au droit international tel qu'il est visé à l'article 38 du Statut de la Cour internationale de Justice, afin d'aboutir à une solution équitable.
2. S'ils ne parviennent pas à un accord dans un délai raisonnable, les Etats concernés ont recours aux procédures prévues à la partie XV.
3. En attendant la conclusion de l'accord visé au paragraphe 1, les Etats concernés, dans un esprit de compréhension et de coopération, font tout leur possible pour conclure des arrangements provisoires de caractère pratique et pour ne pas compromettre ou entraver pendant cette période de transition la conclusion de l'accord définitif. Les arrangements provisoires sont sans préjudice de la délimitation finale.
4. Lorsqu'un accord est en vigueur entre les Etats concernés, les questions relatives à la délimitation de la zone économique exclusive sont réglees conformément à cet accord.
Art. 75. Kaarten en lijsten van geografische coördinaten.
1. Onder voorbehoud van dit Deel dienen de buitengrenslijnen van de exclusieve economische zone en de afbakeningslijnen, getrokken overeenkomstig artikel 74, te worden aangegeven op kaarten van een schaal of schalen groot genoeg om de positie ervan te kunnen vaststellen. Waar passend kunnen deze buitengrenslijnen of afbakeningslijnen worden vervangen door lijsten van geografische coördinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.
2. De kuststaat geeft voldoende bekendheid aan zodanige kaarten of lijsten van geografische coördinaten en legt een exemplaar van elke kaart of lijst neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
1. Onder voorbehoud van dit Deel dienen de buitengrenslijnen van de exclusieve economische zone en de afbakeningslijnen, getrokken overeenkomstig artikel 74, te worden aangegeven op kaarten van een schaal of schalen groot genoeg om de positie ervan te kunnen vaststellen. Waar passend kunnen deze buitengrenslijnen of afbakeningslijnen worden vervangen door lijsten van geografische coördinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.
2. De kuststaat geeft voldoende bekendheid aan zodanige kaarten of lijsten van geografische coördinaten en legt een exemplaar van elke kaart of lijst neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Art. 75. Cartes marines et listes des coordonnées géographiques.
1. Sous réserve de la présente partie, les limites extérieures de la zone économique exclusive et les lignes de délimitation tracées conformément à l'article 74 sont indiquées sur des cartes marines à l'echelle appropriée pour en déterminer l'emplacement. Le cas echéant, le tracé de ces limites extérieures ou de ces lignes de délimitation peut être remplacé par des listes des coordonnées géographiques de points précisant le système géodésique utilisé.
2. L'Etat côtier donne la publicité voulue aux cartes ou listes des coordonnées géographiques et en dépose un exemplaire auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
1. Sous réserve de la présente partie, les limites extérieures de la zone économique exclusive et les lignes de délimitation tracées conformément à l'article 74 sont indiquées sur des cartes marines à l'echelle appropriée pour en déterminer l'emplacement. Le cas echéant, le tracé de ces limites extérieures ou de ces lignes de délimitation peut être remplacé par des listes des coordonnées géographiques de points précisant le système géodésique utilisé.
2. L'Etat côtier donne la publicité voulue aux cartes ou listes des coordonnées géographiques et en dépose un exemplaire auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
DEEL VI. - Continentaal plat.
PARTIE VI. - Plateau continental.
Art. 76. Begripsomschrijving van het continentale plat.
1. Het continentale plat van een kuststaat omvat de zeebodem en de ondergrond van de onder water gelegen gebieden die zich buiten zijn territoriale zee uitstrekken door de natuurlijke voortzetting van zijn landterritorium tot de buitenste grens van de continentale rand, of tot een afstand van 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten wanneer de buitenste grens van de continentale rand zich niet tot die afstand uitstrekt.
2. Het continentale plat van een kuststaat strekt zich niet verder uit dan de grenzen bepaald in het vierde tot en met het zesde lid.
3. De continentale rand omvat de onder water gelegen voortzetting van de landmassa van de kuststaat en bestaat uit de zeebodem en ondergrond van het plat, de helling en de voet. Deze rand omvat niet de diepe oceaanbodem met de oceaanruggen of de ondergrond daarvan.
4. a) Voor de toepassing van dit Verdrag stelt de kuststaat de buitenste grens van de continentale rand vast wanneer deze zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten door :
(i) een lijn, getrokken overeenkomstig het zevende lid, uitgaande van de uiterste vaste punten bij elk waarvan de dikte van de sedimentaire rotsen ten minste 1 procent is van de kortste afstand van een zodanig punt tot de voet van de continentale helling; of
(ii) een lijn, getrokken overeenkomstig het zevende lid, uitgaande van vaste punten niet verder dan 60 zeemijl van de voet van de continentale helling.
b) Bij gebreke van bewijs van het tegendeel wordt de voet van de continentale helling bepaald als het punt van de maximale verandering van de hellingshoek aan zijn basis.
5. De vaste punten die de lijn bepalen van de buitengrenzen van het continentale plat op de zeebodem, getrokken overeenkomstig het vierde lid, letter a onder (i) en (ii) mogen ofwel niet verder liggen dan 350 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten ofwel niet verder liggen dan 100 zeemijl van de 2 500 meter-isobath, die de lijn is welke de diepten van 2 500 meter verbindt.
6. Niettegenstaande de bepalingen van het vijfde lid mag op onderzeese ruggen de buitengrens van het continentale plat niet meer belopen dan 350 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten. Dit lid is niet van toepassing op onderzeese bodemverheffingen die natuurlijke onderdelen van de continentale rand zijn, zoals de hoogvlakten, opgaande hellingen, drempels, banken en uitsteeksels.
7. De kuststaat legt de buitengrenzen van zijn continentale plat vast, waar dat plat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, door rechte lijnen van niet langer dan 60 zeemijl lengte, die vaste punten verbinden, omschreven door breedte- en lengtecoördinaten.
8. Gegevens omtrent de grenzen van het continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl vanaf de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, dienen door de kuststaat te worden voorgelegd aan de Commissie inzake de grenzen van het continentale plat, in het leven geroepen ingevolge Bijlage II op basis van een billijke geografische vertegenwoordiging. De Commissie doet de kuststaten aanbevelingen inzake aangelegenheden betreffende de vaststelling van de buitengrenzen van hun continentale plat. De grenzen van het plat, door de kuststaat vastgesteld op basis van deze aanbevelingen, zijn definitief en bindend.
9. De kuststaat legt bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties kaarten en van belang zijnde informatie, met inbegrip van geodetische gegevens, neder, door middel waarvan de buitengrenzen van het continentale plat duurzaam worden beschreven. De Secretaris-Generaal geeft hieraan naar behoren bekendheid.
10. De bepalingen van dit artikel laten onverlet de kwestie van de afbakening van het continentale plat tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.
1. Het continentale plat van een kuststaat omvat de zeebodem en de ondergrond van de onder water gelegen gebieden die zich buiten zijn territoriale zee uitstrekken door de natuurlijke voortzetting van zijn landterritorium tot de buitenste grens van de continentale rand, of tot een afstand van 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten wanneer de buitenste grens van de continentale rand zich niet tot die afstand uitstrekt.
2. Het continentale plat van een kuststaat strekt zich niet verder uit dan de grenzen bepaald in het vierde tot en met het zesde lid.
3. De continentale rand omvat de onder water gelegen voortzetting van de landmassa van de kuststaat en bestaat uit de zeebodem en ondergrond van het plat, de helling en de voet. Deze rand omvat niet de diepe oceaanbodem met de oceaanruggen of de ondergrond daarvan.
4. a) Voor de toepassing van dit Verdrag stelt de kuststaat de buitenste grens van de continentale rand vast wanneer deze zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten door :
(i) een lijn, getrokken overeenkomstig het zevende lid, uitgaande van de uiterste vaste punten bij elk waarvan de dikte van de sedimentaire rotsen ten minste 1 procent is van de kortste afstand van een zodanig punt tot de voet van de continentale helling; of
(ii) een lijn, getrokken overeenkomstig het zevende lid, uitgaande van vaste punten niet verder dan 60 zeemijl van de voet van de continentale helling.
b) Bij gebreke van bewijs van het tegendeel wordt de voet van de continentale helling bepaald als het punt van de maximale verandering van de hellingshoek aan zijn basis.
5. De vaste punten die de lijn bepalen van de buitengrenzen van het continentale plat op de zeebodem, getrokken overeenkomstig het vierde lid, letter a onder (i) en (ii) mogen ofwel niet verder liggen dan 350 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten ofwel niet verder liggen dan 100 zeemijl van de 2 500 meter-isobath, die de lijn is welke de diepten van 2 500 meter verbindt.
6. Niettegenstaande de bepalingen van het vijfde lid mag op onderzeese ruggen de buitengrens van het continentale plat niet meer belopen dan 350 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten. Dit lid is niet van toepassing op onderzeese bodemverheffingen die natuurlijke onderdelen van de continentale rand zijn, zoals de hoogvlakten, opgaande hellingen, drempels, banken en uitsteeksels.
7. De kuststaat legt de buitengrenzen van zijn continentale plat vast, waar dat plat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, door rechte lijnen van niet langer dan 60 zeemijl lengte, die vaste punten verbinden, omschreven door breedte- en lengtecoördinaten.
8. Gegevens omtrent de grenzen van het continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl vanaf de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, dienen door de kuststaat te worden voorgelegd aan de Commissie inzake de grenzen van het continentale plat, in het leven geroepen ingevolge Bijlage II op basis van een billijke geografische vertegenwoordiging. De Commissie doet de kuststaten aanbevelingen inzake aangelegenheden betreffende de vaststelling van de buitengrenzen van hun continentale plat. De grenzen van het plat, door de kuststaat vastgesteld op basis van deze aanbevelingen, zijn definitief en bindend.
9. De kuststaat legt bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties kaarten en van belang zijnde informatie, met inbegrip van geodetische gegevens, neder, door middel waarvan de buitengrenzen van het continentale plat duurzaam worden beschreven. De Secretaris-Generaal geeft hieraan naar behoren bekendheid.
10. De bepalingen van dit artikel laten onverlet de kwestie van de afbakening van het continentale plat tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.
Art. 76. Définition du plateau continental.
1. Le plateau continental d'un Etat côtier comprend les fonds marins et leur sous-sol au-delà de sa mer territoriale, sur toute l'étendue du prolongement naturel du territoire terrestre de cet Etat jusqu'au rebord externe de la marge continentale, ou jusqu'à 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale, lorsque le rebord externe de la marge continentale se trouve à une distance inférieure.
2. Le plateau continental ne s'étend pas au-delà des limites prévues aux paragraphes 4 à 6.
3. La marge continentale est le prolongement immergé de la masse terrestre de l'Etat côtier; elle est constituée par les fonds marins correspondant au plateau, au talus et au glacis ainsi que leur sous-sol. Elle ne comprend ni les grands fonds des océans, avec leurs dorsales océaniques, ni leur sous-sol.
4. a) Aux fins de la Convention, l'Etat côtier définit le rebord externe de la marge continentale, lorsque celle-ci s'étend au-delà de 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale, par :
(i) Une ligne tracée conformément au paragraphe 7 par référence aux points fixes extrêmes où l'épaisseur des roches sédimentaires est égale au centième au moins de la distance entre le point considéré et le pied du talus continental; ou
(ii) Une ligne tracée conformément au paragraphe 7 par référence à des points fixes situés à 60 milles marins au plus du pied du talus continental.
b) Sauf preuve du contraire, le pied du talus continental coïncide avec la rupture de pente la plus marquée à la base du talus.
5. Les points fixes qui définissent la ligne marquant, sur les fonds marins, la limite extérieure du plateau continental, tracée conformément au paragraphe 4, lettre a), (i) et (ii), sont situés soit à une distance n'excédant pas 350 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale, soit à une distance n'excédant pas 100 milles marins de l'isobathe de 2 500 mètres, qui est la ligne reliant les points de 2 500 mètres de profondeur.
6. Nonobstant le paragraphe 5, sur une dorsale sous-marine, la limite extérieure du plateau continental ne dépasse pas une ligne tracée à 350 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale. Le présent paragraphe ne s'applique pas aux hauts-fonds qui constituent des éléments naturels de la marge continentale, tels que les plateaux, seuils, crêtes, bancs ou éperons qu'elle comporte.
7. L'Etat côtier fixe la limite extérieure de son plateau continental, quand ce plateau s'étend au-delà de 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale, en reliant par des droites d'une longueur n'excédant pas 60 milles marins des points fixes définis par des coordonnées en longitude et en latitude.
8. L'Etat côtier communique des informations sur les limites de son plateau continental, lorsque celui-ci s'étend au-delà de 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale, à la Commission des limites du plateau continental constituée en vertu de l'annexe II sur la base d'une représentation géographique équitable. La Commission adresse aux Etats côtiers des recommandations sur les questions concernant la fixation des limites extérieures de leur plateau continental. Les limites fixées par un Etat côtier sur la base de ces recommandations sont définitives et de caractère obligatoire.
9. L'Etat côtier remet au Secretaire général de l'Organisation des Nations Unies les cartes et renseignements pertinents, y compris les données géodésiques, qui indiquent de façon permanente la limite extérieure de son plateau continental. Le Secrétaire général donne à ces documents la publicité voulue.
10. Le présent article ne préjuge pas de la question de la délimitation du plateau continental entre des Etats dont les côtes sont adjacentes ou se font face.
1. Le plateau continental d'un Etat côtier comprend les fonds marins et leur sous-sol au-delà de sa mer territoriale, sur toute l'étendue du prolongement naturel du territoire terrestre de cet Etat jusqu'au rebord externe de la marge continentale, ou jusqu'à 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale, lorsque le rebord externe de la marge continentale se trouve à une distance inférieure.
2. Le plateau continental ne s'étend pas au-delà des limites prévues aux paragraphes 4 à 6.
3. La marge continentale est le prolongement immergé de la masse terrestre de l'Etat côtier; elle est constituée par les fonds marins correspondant au plateau, au talus et au glacis ainsi que leur sous-sol. Elle ne comprend ni les grands fonds des océans, avec leurs dorsales océaniques, ni leur sous-sol.
4. a) Aux fins de la Convention, l'Etat côtier définit le rebord externe de la marge continentale, lorsque celle-ci s'étend au-delà de 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale, par :
(i) Une ligne tracée conformément au paragraphe 7 par référence aux points fixes extrêmes où l'épaisseur des roches sédimentaires est égale au centième au moins de la distance entre le point considéré et le pied du talus continental; ou
(ii) Une ligne tracée conformément au paragraphe 7 par référence à des points fixes situés à 60 milles marins au plus du pied du talus continental.
b) Sauf preuve du contraire, le pied du talus continental coïncide avec la rupture de pente la plus marquée à la base du talus.
5. Les points fixes qui définissent la ligne marquant, sur les fonds marins, la limite extérieure du plateau continental, tracée conformément au paragraphe 4, lettre a), (i) et (ii), sont situés soit à une distance n'excédant pas 350 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale, soit à une distance n'excédant pas 100 milles marins de l'isobathe de 2 500 mètres, qui est la ligne reliant les points de 2 500 mètres de profondeur.
6. Nonobstant le paragraphe 5, sur une dorsale sous-marine, la limite extérieure du plateau continental ne dépasse pas une ligne tracée à 350 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale. Le présent paragraphe ne s'applique pas aux hauts-fonds qui constituent des éléments naturels de la marge continentale, tels que les plateaux, seuils, crêtes, bancs ou éperons qu'elle comporte.
7. L'Etat côtier fixe la limite extérieure de son plateau continental, quand ce plateau s'étend au-delà de 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale, en reliant par des droites d'une longueur n'excédant pas 60 milles marins des points fixes définis par des coordonnées en longitude et en latitude.
8. L'Etat côtier communique des informations sur les limites de son plateau continental, lorsque celui-ci s'étend au-delà de 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale, à la Commission des limites du plateau continental constituée en vertu de l'annexe II sur la base d'une représentation géographique équitable. La Commission adresse aux Etats côtiers des recommandations sur les questions concernant la fixation des limites extérieures de leur plateau continental. Les limites fixées par un Etat côtier sur la base de ces recommandations sont définitives et de caractère obligatoire.
9. L'Etat côtier remet au Secretaire général de l'Organisation des Nations Unies les cartes et renseignements pertinents, y compris les données géodésiques, qui indiquent de façon permanente la limite extérieure de son plateau continental. Le Secrétaire général donne à ces documents la publicité voulue.
10. Le présent article ne préjuge pas de la question de la délimitation du plateau continental entre des Etats dont les côtes sont adjacentes ou se font face.
Art. 77. Rechten van de kuststaat op het continentale plat.
1. De kuststaat oefent over het continentale plat soevereine rechten uit ter exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plat.
2. De in het eerste lid bedoelde rechten zijn exclusief in die zin dat, indien de kuststaat het continentale plat niet exploreert of de natuurlijke rijkdommen ervan niet exploiteert, niemand deze werkzaamheden mag gaan verrichten dan met de uitdrukkelijke toestemming van de kuststaat.
3. De rechten van de kuststaat op het continentale plat zijn niet afhankelijk van een daadwerkelijke of fictieve bezetting of van enige uitdrukkelijke proclamatie.
4. De in dit Deel bedoelde natuurlijke rijkdommen bestaan uit de minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en de ondergrond, alsmede uit levende organismen die tot de sedentaire soorten behoren, dat wil zeggen organismen die ten tijde dat ze geoogst kunnen worden, hetzij onbeweeglijk op of onder de zeebodem bevinden, hetzij zich niet kunnen verplaatsen dan in voortdurend fysiek contact met de zeebodem of de ondergrond.
1. De kuststaat oefent over het continentale plat soevereine rechten uit ter exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plat.
2. De in het eerste lid bedoelde rechten zijn exclusief in die zin dat, indien de kuststaat het continentale plat niet exploreert of de natuurlijke rijkdommen ervan niet exploiteert, niemand deze werkzaamheden mag gaan verrichten dan met de uitdrukkelijke toestemming van de kuststaat.
3. De rechten van de kuststaat op het continentale plat zijn niet afhankelijk van een daadwerkelijke of fictieve bezetting of van enige uitdrukkelijke proclamatie.
4. De in dit Deel bedoelde natuurlijke rijkdommen bestaan uit de minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en de ondergrond, alsmede uit levende organismen die tot de sedentaire soorten behoren, dat wil zeggen organismen die ten tijde dat ze geoogst kunnen worden, hetzij onbeweeglijk op of onder de zeebodem bevinden, hetzij zich niet kunnen verplaatsen dan in voortdurend fysiek contact met de zeebodem of de ondergrond.
Art. 77. Droits de l'Etat côtier sur le plateau continental.
1. L'Etat côtier exerce des droits souverains sur le plateau continental aux fins de son exploration et de l'exploitation de ses ressources naturelles.
2. Les droits visés au paragraphe 1 sont exclusifs en ce sens que si l'Etat côtier n'explore pas le plateau continental ou n'en exploite pas les ressources naturelles, nul ne peut entreprendre de telles activités sans son consentement exprès.
3. Les droits de l'Etat côtier sur le plateau continental sont indépendants de l'occupation effective ou fictive, aussi bien que de toute proclamation expresse.
4. Les ressources naturelles visées dans la presente partie comprennent les ressources minérales et autres ressources non biologiques des fonds marins et de leur sous-sol, ainsi que les organismes vivants qui appartiennent aux espèces sédentaires, c'est-à-dire les organismes qui, au stade où ils peuvent être pêchés, sont soit immobiles sur le fond ou au-dessous du fond, soit incapables de se déplacer autrement qu'en restant constamment en contact avec le fond ou le sous-sol.
1. L'Etat côtier exerce des droits souverains sur le plateau continental aux fins de son exploration et de l'exploitation de ses ressources naturelles.
2. Les droits visés au paragraphe 1 sont exclusifs en ce sens que si l'Etat côtier n'explore pas le plateau continental ou n'en exploite pas les ressources naturelles, nul ne peut entreprendre de telles activités sans son consentement exprès.
3. Les droits de l'Etat côtier sur le plateau continental sont indépendants de l'occupation effective ou fictive, aussi bien que de toute proclamation expresse.
4. Les ressources naturelles visées dans la presente partie comprennent les ressources minérales et autres ressources non biologiques des fonds marins et de leur sous-sol, ainsi que les organismes vivants qui appartiennent aux espèces sédentaires, c'est-à-dire les organismes qui, au stade où ils peuvent être pêchés, sont soit immobiles sur le fond ou au-dessous du fond, soit incapables de se déplacer autrement qu'en restant constamment en contact avec le fond ou le sous-sol.
Art. 78. Juridische status van de bovengelegen wateren en het luchtruim boven die wateren en de rechten en vrijheden van andere Staten.
1. De rechten van de kuststaat op het continentale plat doen geen afbreuk aan de juridische status van de bovengelegen wateren of van het luchtruim boven die wateren.
2. De uitoefening van de rechten van de kuststaat over het continentale plat mag geen inbreuk maken op of leiden tot ongerechtvaardigde belemmering van de scheepvaart en andere rechten en vrijheden van andere Staten, zoals bepaald in dit Verdrag.
1. De rechten van de kuststaat op het continentale plat doen geen afbreuk aan de juridische status van de bovengelegen wateren of van het luchtruim boven die wateren.
2. De uitoefening van de rechten van de kuststaat over het continentale plat mag geen inbreuk maken op of leiden tot ongerechtvaardigde belemmering van de scheepvaart en andere rechten en vrijheden van andere Staten, zoals bepaald in dit Verdrag.
Art. 78. Régime juridique des eaux et de l'espace aérien surjacents, et droits et libertés des autres Etats.
1. Les droits de l'Etat côtier sur le plateau continental n'affectent pas le régime juridique des eaux surjacentes ou de l'espace aérien situé au-dessus de ces eaux.
2. L'exercice par l'Etat côtier de ses droits sur le plateau continental ne doit pas porter atteinte à la navigation ou aux droits et libertés reconnus aux autres Etats par la Convention, ni en gêner l'exercice de manière injustifiable.
1. Les droits de l'Etat côtier sur le plateau continental n'affectent pas le régime juridique des eaux surjacentes ou de l'espace aérien situé au-dessus de ces eaux.
2. L'exercice par l'Etat côtier de ses droits sur le plateau continental ne doit pas porter atteinte à la navigation ou aux droits et libertés reconnus aux autres Etats par la Convention, ni en gêner l'exercice de manière injustifiable.
Art. 79. Onderzeese kabels en pijpleidingen op het continentale plat.
1. Alle Staten zijn gerechtigd onderzeese kabels en pijpleidingen op het continentale plat te leggen, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
2. Onder voorbehoud van zijn recht redelijke maatregelen te nemen voor de exploratie van het continentale plat en de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen daarvan en het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging door pijpleidingen mag de kuststaat het leggen of het onderhoud van onderzeese kabels of pijpleidingen niet belemmeren.
3. Het tracé van de pijpleidingen die op het continentale plat worden gelegd, is onderworpen aan de toestemming van de kuststaat.
4. Niets in dit Deel doet afbreuk aan het recht van de kuststaat voorwaarden te stellen voor kabels of pijpleidingen die zijn gebied of territoriale zee binnenkomen, of aan zijn rechtsmacht over kabels en pijpleidingen, aangelegd of gebruikt in verband met de exploratie van zijn continentale plat of de exploitatie van de rijkdommen daarvan of de werkzaamheden van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen die zich onder zijn rechtsmacht bevinden.
5. Bij het leggen van onderzeese kabels of pijpleidingen houden de Staten naar behoren rekening met reeds aanwezige kabels of pijpleidingen. Inzonderheid dienen de mogelijkheden voor het herstellen van bestaande kabels en pijpleidingen niet te worden aangetast.
1. Alle Staten zijn gerechtigd onderzeese kabels en pijpleidingen op het continentale plat te leggen, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
2. Onder voorbehoud van zijn recht redelijke maatregelen te nemen voor de exploratie van het continentale plat en de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen daarvan en het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging door pijpleidingen mag de kuststaat het leggen of het onderhoud van onderzeese kabels of pijpleidingen niet belemmeren.
3. Het tracé van de pijpleidingen die op het continentale plat worden gelegd, is onderworpen aan de toestemming van de kuststaat.
4. Niets in dit Deel doet afbreuk aan het recht van de kuststaat voorwaarden te stellen voor kabels of pijpleidingen die zijn gebied of territoriale zee binnenkomen, of aan zijn rechtsmacht over kabels en pijpleidingen, aangelegd of gebruikt in verband met de exploratie van zijn continentale plat of de exploitatie van de rijkdommen daarvan of de werkzaamheden van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen die zich onder zijn rechtsmacht bevinden.
5. Bij het leggen van onderzeese kabels of pijpleidingen houden de Staten naar behoren rekening met reeds aanwezige kabels of pijpleidingen. Inzonderheid dienen de mogelijkheden voor het herstellen van bestaande kabels en pijpleidingen niet te worden aangetast.
Art. 79. Câbles et pipelines sous-marins sur le plateau continental.
1. Tous les Etats ont le droit de poser des câbles et des pipelines sous-marins sur le plateau continental conformément au présent article.
2. Sous réserve de son droit de prendre des mesures raisonnables pour l'exploration du plateau continental, l'exploitation de ses ressources naturelles et la prévention, la réduction et la maîtrise de la pollution par les pipelines, l'Etat côtier ne peut entraver la pose ou l'entretien de ces câbles ou pipelines.
3. Le tracé des pipelines posés sur le plateau continental doit être agréé par l'Etat côtier.
4. Aucune disposition de la présente partie n'affecte le droit de l'Etat cotier d'établir des conditions s'appliquant aux câbles ou pipelines qui pénètrent dans son territoire ou dans sa mer territoriale, ni sa juridiction sur les câbles et pipelines installés ou utilisés dans le cadre de l'exploration de son plateau continental ou de l'exploitation de ses ressources, ou de l'exploitation d'îles artificielles, d'installations ou d'ouvrages relevant de sa juridiction.
5. Lorsqu'ils posent des câbles ou des pipelines sous-marins, les Etats tiennent dûment compte des câbles et pipelines déjà en place. Ils veillent en particulier à ne pas compromettre la possibilité de réparer ceux-ci.
1. Tous les Etats ont le droit de poser des câbles et des pipelines sous-marins sur le plateau continental conformément au présent article.
2. Sous réserve de son droit de prendre des mesures raisonnables pour l'exploration du plateau continental, l'exploitation de ses ressources naturelles et la prévention, la réduction et la maîtrise de la pollution par les pipelines, l'Etat côtier ne peut entraver la pose ou l'entretien de ces câbles ou pipelines.
3. Le tracé des pipelines posés sur le plateau continental doit être agréé par l'Etat côtier.
4. Aucune disposition de la présente partie n'affecte le droit de l'Etat cotier d'établir des conditions s'appliquant aux câbles ou pipelines qui pénètrent dans son territoire ou dans sa mer territoriale, ni sa juridiction sur les câbles et pipelines installés ou utilisés dans le cadre de l'exploration de son plateau continental ou de l'exploitation de ses ressources, ou de l'exploitation d'îles artificielles, d'installations ou d'ouvrages relevant de sa juridiction.
5. Lorsqu'ils posent des câbles ou des pipelines sous-marins, les Etats tiennent dûment compte des câbles et pipelines déjà en place. Ils veillent en particulier à ne pas compromettre la possibilité de réparer ceux-ci.
Art. 80. Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentale plat.
Artikel 60 is mutatis mutandis van toepassing op kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentale plat.
Artikel 60 is mutatis mutandis van toepassing op kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentale plat.
Art. 80. Iles artificielles, installations et ouvrages sur le plateau continental.
L'article 60 s'applique, mutatis mutandis, aux îles artificielles, installations et ouvrages situés sur le plateau continental.
L'article 60 s'applique, mutatis mutandis, aux îles artificielles, installations et ouvrages situés sur le plateau continental.
Art. 81. Boren op het continentale plat.
De kuststaat bezit het exclusieve recht machtiging te verlenen tot het boren op het continentale plat voor alle doeleinden en hiervoor regels te stellen.
De kuststaat bezit het exclusieve recht machtiging te verlenen tot het boren op het continentale plat voor alle doeleinden en hiervoor regels te stellen.
Art. 81. Forages sur le plateau continental.
L'Etat côtier a le droit exclusif d'autoriser et de réglementer les forages sur le plateau continental, quelles qu'en soient les fins.
L'Etat côtier a le droit exclusif d'autoriser et de réglementer les forages sur le plateau continental, quelles qu'en soient les fins.
Art. 82. Betalingen en bijdragen met betrekking tot de exploitatie van het continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl.
1. De kuststaat verricht betalingen of levert bijdragen in natura met betrekking tot de exploitatie van de niet-levende rijkdommen van het continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl vanaf de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.
2. De betalingen en bijdragen geschieden jaarlijks met betrekking tot de totale productie op een plaats na de eerste vijf jaar van productie op die plaats. Voor het zesde jaar is de hoogte van de betaling of bijdrage 1 procent van de waarde of de omvang van de productie op die plaats. De hoogte stijgt met 1 procent voor elk volgend jaar tot het twaalfde jaar en blijft daarna op 7 procent. De productie omvat niet de natuurlijke rijkdommen gebruikt in verband met de exploitatie.
3. Een ontwikkelingsstaat die netto-importeur is van een minerale rijkdom die wordt gewonnen uit zijn continentale plat, is vrijgesteld van het verrichten van zulke betalingen of het leveren van zulke bijdragen met betrekking tot die minerale hulpbron.
4. De betalingen worden verricht of de bijdragen worden geleverd via de Autoriteit, die deze zal verdelen onder de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, op basis van billijke verdelingscriteria, met inachtneming van de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten, vooral de minst ontwikkelde onder hen, alsmede van de Staten zonder zeekust.
1. De kuststaat verricht betalingen of levert bijdragen in natura met betrekking tot de exploitatie van de niet-levende rijkdommen van het continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl vanaf de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.
2. De betalingen en bijdragen geschieden jaarlijks met betrekking tot de totale productie op een plaats na de eerste vijf jaar van productie op die plaats. Voor het zesde jaar is de hoogte van de betaling of bijdrage 1 procent van de waarde of de omvang van de productie op die plaats. De hoogte stijgt met 1 procent voor elk volgend jaar tot het twaalfde jaar en blijft daarna op 7 procent. De productie omvat niet de natuurlijke rijkdommen gebruikt in verband met de exploitatie.
3. Een ontwikkelingsstaat die netto-importeur is van een minerale rijkdom die wordt gewonnen uit zijn continentale plat, is vrijgesteld van het verrichten van zulke betalingen of het leveren van zulke bijdragen met betrekking tot die minerale hulpbron.
4. De betalingen worden verricht of de bijdragen worden geleverd via de Autoriteit, die deze zal verdelen onder de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, op basis van billijke verdelingscriteria, met inachtneming van de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten, vooral de minst ontwikkelde onder hen, alsmede van de Staten zonder zeekust.
Art. 82. Contributions en espèces ou en nature au titre de l'exploitation du plateau continental au-delà de 200 milles marins.
1. L'Etat côtier acquitte des contributions en espèces ou en nature au titre de l'exploitation des ressources non biologiques du plateau continental au-delà de 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale.
2. Les contributions sont acquittées chaque année pour l'ensemble de la production d'un site d'exploitation donné, après les cinq premières années d'exploitation de ce site. La sixième année, le taux de contribution est de 1 p. 100 de la valeur ou du volume de la production du site d'exploitation. Ce taux augmente ensuite d'un point de pourcentage par an jusqu'à la douzième année, à partir de laquelle il reste 7 p. 100. La production ne comprend pas les ressources utilisées dans le cadre de l'exploitation.
3. Tout Etat en développement qui est importateur net d'un minéral extrait de son plateau continental est dispensé de ces contributions en ce qui concerne ce minéral.
4. Les contributions s'effectuent par le canal de l'Autorité, qui les répartit entre les Etats Parties selon des critères de partage équitables, compte tenu des intérêts et besoins des Etats en développement, en particulier des Etats en développement les moins avancés ou sans littoral.
1. L'Etat côtier acquitte des contributions en espèces ou en nature au titre de l'exploitation des ressources non biologiques du plateau continental au-delà de 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale.
2. Les contributions sont acquittées chaque année pour l'ensemble de la production d'un site d'exploitation donné, après les cinq premières années d'exploitation de ce site. La sixième année, le taux de contribution est de 1 p. 100 de la valeur ou du volume de la production du site d'exploitation. Ce taux augmente ensuite d'un point de pourcentage par an jusqu'à la douzième année, à partir de laquelle il reste 7 p. 100. La production ne comprend pas les ressources utilisées dans le cadre de l'exploitation.
3. Tout Etat en développement qui est importateur net d'un minéral extrait de son plateau continental est dispensé de ces contributions en ce qui concerne ce minéral.
4. Les contributions s'effectuent par le canal de l'Autorité, qui les répartit entre les Etats Parties selon des critères de partage équitables, compte tenu des intérêts et besoins des Etats en développement, en particulier des Etats en développement les moins avancés ou sans littoral.
Art. 83. Afbakening van het continentale plat tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.
1. De afbakening van het continentale plat tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten geschiedt bij overeenkomst op basis van het internationaal recht, zoals bedoeld in artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof ten einde een billijke oplossing te bereiken.
2. Indien niet binnen een redelijke termijn een overeenkomst tot stand komt, maken de betrokken Staten gebruik van de procedures bepaald in deel XV.
3. In afwachting van de totstandkoming van een overeenkomst zoals bepaald in het eerste lid stellen de betrokken Staten in een geest van wederzijds begrip en samenwerking, alles in het werk om voorlopige overeenkomsten van praktische aard aan te gaan en tijdens deze overgangsperiode de totstandkoming van een definitieve overeenkomst niet te verstoren of te belemmeren. Zodanige regelingen laten de definitieve afbakening onverlet.
4. Wanneer er een overeenkomst tussen de betrokken Staten van kracht is, worden vraagstukken betreffende de afbakening van het continentale plat opgelost overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst.
1. De afbakening van het continentale plat tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten geschiedt bij overeenkomst op basis van het internationaal recht, zoals bedoeld in artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof ten einde een billijke oplossing te bereiken.
2. Indien niet binnen een redelijke termijn een overeenkomst tot stand komt, maken de betrokken Staten gebruik van de procedures bepaald in deel XV.
3. In afwachting van de totstandkoming van een overeenkomst zoals bepaald in het eerste lid stellen de betrokken Staten in een geest van wederzijds begrip en samenwerking, alles in het werk om voorlopige overeenkomsten van praktische aard aan te gaan en tijdens deze overgangsperiode de totstandkoming van een definitieve overeenkomst niet te verstoren of te belemmeren. Zodanige regelingen laten de definitieve afbakening onverlet.
4. Wanneer er een overeenkomst tussen de betrokken Staten van kracht is, worden vraagstukken betreffende de afbakening van het continentale plat opgelost overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst.
Art. 83. Délimitation du plateau continental entre Etats dont les cotes sont adjacentes ou se font face.
1. La délimitation du plateau continental entre Etats dont les côtes sont adjacentes ou se font face est effectuée par voie d'accord conformément au droit international tel qu'il est vise à l'article 38 du Statut de la Cour internationale de Justice, afin d'aboutir à une solution équitable.
2. S'ils ne parviennent pas à un accord dans un délai raisonnable, les Etats concernés ont recours aux procédures prévues à la partie XV.
3. En attendant la conclusion de l'accord visé au paragraphe 1, les Etats concernés, dans un esprit de compréhension et de coopération, font tout leur possible pour conclure des arrangements provisoires de caractère pratique et pour ne pas compromettre ou entraver pendant cette période de transition la conclusion de l'accord définitif. Les arrangements provisoires sont sans préjudice de la delimitation finale.
4. Lorsqu'un accord est en vigueur entre les Etats concernés, les questions relatives à la délimitation du plateau continental sont réglées conformément à cet accord.
1. La délimitation du plateau continental entre Etats dont les côtes sont adjacentes ou se font face est effectuée par voie d'accord conformément au droit international tel qu'il est vise à l'article 38 du Statut de la Cour internationale de Justice, afin d'aboutir à une solution équitable.
2. S'ils ne parviennent pas à un accord dans un délai raisonnable, les Etats concernés ont recours aux procédures prévues à la partie XV.
3. En attendant la conclusion de l'accord visé au paragraphe 1, les Etats concernés, dans un esprit de compréhension et de coopération, font tout leur possible pour conclure des arrangements provisoires de caractère pratique et pour ne pas compromettre ou entraver pendant cette période de transition la conclusion de l'accord définitif. Les arrangements provisoires sont sans préjudice de la delimitation finale.
4. Lorsqu'un accord est en vigueur entre les Etats concernés, les questions relatives à la délimitation du plateau continental sont réglées conformément à cet accord.
Art. 84. Kaarten en lijsten van geografische coödinaten.
1. Onder voorbehoud van dit Deel dienen de buitengrenslijnen van het continentale plat en de afbakeningslijnen, getrokken overeenkomstig artikel 83, te worden aangegeven op kaarten van een schaal of schalen groot genoeg om hun positie te kunnen vaststellen. Waar passend kunnen deze buitengrenslijnen of afbakeningslijnen worden vervangen door lijsten van geografische coördinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.
2. De kuststaat geeft voldoende bekendheid aan zodanige kaarten of lijsten van geografische coördinaten en legt een exemplaar van elke kaart of lijst neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en, in het geval daarop de buitengrenslijnen van het continentale plat staan aangegeven, bij de Secretaris-Generaal van de Autoriteit.
1. Onder voorbehoud van dit Deel dienen de buitengrenslijnen van het continentale plat en de afbakeningslijnen, getrokken overeenkomstig artikel 83, te worden aangegeven op kaarten van een schaal of schalen groot genoeg om hun positie te kunnen vaststellen. Waar passend kunnen deze buitengrenslijnen of afbakeningslijnen worden vervangen door lijsten van geografische coördinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.
2. De kuststaat geeft voldoende bekendheid aan zodanige kaarten of lijsten van geografische coördinaten en legt een exemplaar van elke kaart of lijst neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en, in het geval daarop de buitengrenslijnen van het continentale plat staan aangegeven, bij de Secretaris-Generaal van de Autoriteit.
Art. 84. Cartes marines et listes des coordonnées géographiques.
1. Sous réserve de la présente partie, les limites extérieures du plateau continental et les lignes de délimitation tracées conformément à l'article 83 sont indiquées sur des cartes marines à l'échelle appropriée pour en déterminer l'emplacement. Le cas échéant, le tracé de ces limites extérieures ou lignes de délimitation peut être remplacé par des listes des coordonnées géographiques de points précisant le système géodésique utilisé.
2. L'Etat côtier donne la publicité voulue aux cartes ou listes des coordonnées géographiques et en dépose un exemplaire auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies et, dans le cas de celles indiquant l'emplacement de la limite extérieure du plateau continental, auprès du Secretaire général de l'Autorité.
1. Sous réserve de la présente partie, les limites extérieures du plateau continental et les lignes de délimitation tracées conformément à l'article 83 sont indiquées sur des cartes marines à l'échelle appropriée pour en déterminer l'emplacement. Le cas échéant, le tracé de ces limites extérieures ou lignes de délimitation peut être remplacé par des listes des coordonnées géographiques de points précisant le système géodésique utilisé.
2. L'Etat côtier donne la publicité voulue aux cartes ou listes des coordonnées géographiques et en dépose un exemplaire auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies et, dans le cas de celles indiquant l'emplacement de la limite extérieure du plateau continental, auprès du Secretaire général de l'Autorité.
Art. 85. Het aanleggen van tunnels.
Dit Deel doet geen afbreuk aan het recht van de kuststaat de ondergrond te exploiteren door middel van het aanleggen van tunnels, ongeacht de diepte van het water boven de ondergrond.
Dit Deel doet geen afbreuk aan het recht van de kuststaat de ondergrond te exploiteren door middel van het aanleggen van tunnels, ongeacht de diepte van het water boven de ondergrond.
Art. 85. Creusement de galeries.
La présente partie ne porte pas atteinte au droit qu'a l'Etat côtier d'exploiter le sous-sol en creusant des galeries, quelle que soit la profondeur des eaux à l'endroit considéré.
La présente partie ne porte pas atteinte au droit qu'a l'Etat côtier d'exploiter le sous-sol en creusant des galeries, quelle que soit la profondeur des eaux à l'endroit considéré.
DEEL VII. - Volle zee.
PARTIE VII. - Haute mer.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art. 86. Toepassing van de bepalingen van dit Deel.
De bepalingen van dit Deel zijn van toepassing op alle delen van de zee die niet zijn begrepen in de exclusieve economische zone, in de territoriale zee of in de binnenwateren van een Staat, of in de archipelwateren van een archipelstaat. Dit artikel laat de vrijheden die alle Staten overeenkomstig artikel 58 genieten in de exclusieve economische zone onverlet.
De bepalingen van dit Deel zijn van toepassing op alle delen van de zee die niet zijn begrepen in de exclusieve economische zone, in de territoriale zee of in de binnenwateren van een Staat, of in de archipelwateren van een archipelstaat. Dit artikel laat de vrijheden die alle Staten overeenkomstig artikel 58 genieten in de exclusieve economische zone onverlet.
Art. 86. Champ d'application de la présente partie.
La présente partie s'applique à toutes les parties de la mer qui ne sont comprises ni dans la zone économique exclusive, la mer territoriale ou les eaux intérieures d'un Etat, ni dans les eaux archipélagiques d'un Etat archipel. Le présent article ne restreint en aucune manière les libertés dont jouissent tous les Etats dans la zone économique exclusive en vertu de l'article 58.
La présente partie s'applique à toutes les parties de la mer qui ne sont comprises ni dans la zone économique exclusive, la mer territoriale ou les eaux intérieures d'un Etat, ni dans les eaux archipélagiques d'un Etat archipel. Le présent article ne restreint en aucune manière les libertés dont jouissent tous les Etats dans la zone économique exclusive en vertu de l'article 58.
Art. 87. Vrijheid van de volle zee.
1. De volle zee is open voor alle Staten, ongeacht of deze kuststaat of Staat zonder zeekust zijn. De vrijheid van de volle zee wordt uitgeoefend op de voorwaarden, neergelegd bij dit Verdrag en bij andere regels van het internationaal recht. Deze vrijheid houdt, zowel voor kuststaten als voor Staten zonder zeekust onder meer in :
a) de vrijheid van scheepvaart;
b) de vrijheid er overheen te vliegen;
c) de vrijheid onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen, onder voorbehoud van Deel VI;
d) de vrijheid kunstmatige eilanden en andere krachtens het internationaal recht toegestane installaties te bouwen, onder voorbehoud van Deel VI;
e) de vrijheid van visserij, onder voorbehoud van de voorwaarden, neergelegd in Afdeling 2;
f) de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek, onder voorbehoud van de Delen VI en XIII.
2. Deze vrijheden worden uitgeoefend door alle Staten met behoorlijke inachtneming van de belangen van andere Staten in hun uitoefening van de vrijheid van de volle zee en tevens met behoorlijke inachtnneming van de rechten krachtens dit Verdrag met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied.
1. De volle zee is open voor alle Staten, ongeacht of deze kuststaat of Staat zonder zeekust zijn. De vrijheid van de volle zee wordt uitgeoefend op de voorwaarden, neergelegd bij dit Verdrag en bij andere regels van het internationaal recht. Deze vrijheid houdt, zowel voor kuststaten als voor Staten zonder zeekust onder meer in :
a) de vrijheid van scheepvaart;
b) de vrijheid er overheen te vliegen;
c) de vrijheid onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen, onder voorbehoud van Deel VI;
d) de vrijheid kunstmatige eilanden en andere krachtens het internationaal recht toegestane installaties te bouwen, onder voorbehoud van Deel VI;
e) de vrijheid van visserij, onder voorbehoud van de voorwaarden, neergelegd in Afdeling 2;
f) de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek, onder voorbehoud van de Delen VI en XIII.
2. Deze vrijheden worden uitgeoefend door alle Staten met behoorlijke inachtneming van de belangen van andere Staten in hun uitoefening van de vrijheid van de volle zee en tevens met behoorlijke inachtnneming van de rechten krachtens dit Verdrag met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied.
Art. 87. Liberté de la haute mer.
1. La haute mer est ouverte à tous les Etats, qu'ils soient côtiers ou sans littoral. La liberté de la haute mer s'exerce dans les conditions prévues par les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international. Elle comporte notamment pour les Etats, qu'ils soient côtiers ou sans littoral :
a) la liberté de navigation;
b) la liberté de survol;
c) la liberté de poser des cables et des pipelines sous-marins, sous réserve de la partie VI;
d) la liberte de construire des îles artificielles et autres installations autorisées par le droit international, sous réserve de la partie VI;
e) la liberté de la pêche, sous réserve des conditions énoncées à la section 2;
f) la liberté de la recherche scientifique, sous réserve des parties VI et XIII.
2. Chaque Etat exerce ces libertés en tenant dûment compte de l'intérêt que présente l'exercice de la liberté de la haute mer pour les autres Etats, ainsi que des droits reconnus par la Convention concernant les activités menées dans la zone.
1. La haute mer est ouverte à tous les Etats, qu'ils soient côtiers ou sans littoral. La liberté de la haute mer s'exerce dans les conditions prévues par les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international. Elle comporte notamment pour les Etats, qu'ils soient côtiers ou sans littoral :
a) la liberté de navigation;
b) la liberté de survol;
c) la liberté de poser des cables et des pipelines sous-marins, sous réserve de la partie VI;
d) la liberte de construire des îles artificielles et autres installations autorisées par le droit international, sous réserve de la partie VI;
e) la liberté de la pêche, sous réserve des conditions énoncées à la section 2;
f) la liberté de la recherche scientifique, sous réserve des parties VI et XIII.
2. Chaque Etat exerce ces libertés en tenant dûment compte de l'intérêt que présente l'exercice de la liberté de la haute mer pour les autres Etats, ainsi que des droits reconnus par la Convention concernant les activités menées dans la zone.
Art. 88. Voorbehoud van de volle zee voor vreedzame doeleinden.
De volle zee is voorbehouden voor vreedzame doeleinden.
De volle zee is voorbehouden voor vreedzame doeleinden.
Art. 88. Affectation de la haute mer à des fins pacifiques.
La haute mer est affectée à des fins pacifiques.
La haute mer est affectée à des fins pacifiques.
Art. 89. Ongeldigheid van aanspraken op soevereiniteit over de volle zee.
Geen enkele Staat kan rechtsgeldig een deel van de volle zee aan zijn soevereiniteit onderwerpen.
Geen enkele Staat kan rechtsgeldig een deel van de volle zee aan zijn soevereiniteit onderwerpen.
Art. 89. Ilégitimité des revendications de souveraineté sur la haute mer.
Aucun Etat ne peut légitimement prétendre soumettre une partie quelconque de la haute mer à sa souveraineté.
Aucun Etat ne peut légitimement prétendre soumettre une partie quelconque de la haute mer à sa souveraineté.
Art. 90. Recht van scheepvaart.
Iedere Staat, ongeacht of deze een kuststaat of Staat zonder zeekust is, heeft het recht schepen onder zijn eigen vlag op de volle zee te doen varen.
Iedere Staat, ongeacht of deze een kuststaat of Staat zonder zeekust is, heeft het recht schepen onder zijn eigen vlag op de volle zee te doen varen.
Art. 90. Droit de navigation.
Tout Etat, qu'il soit côtier ou sans littoral, a le droit de faire naviguer en haute mer des navires battant son pavillon.
Tout Etat, qu'il soit côtier ou sans littoral, a le droit de faire naviguer en haute mer des navires battant son pavillon.
Art. 91. Nationaliteit van schepen.
1. Iedere Staat stelt de voorwaarden vast voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen, voor de registratie van schepen op zijn grondgebied en voor het recht zijn vlag te voeren. Een schip heeft de nationaliteit van de Staat wiens vlag het gerechtigd is te voeren. Er moet een wezenlijke band bestaan tussen de Staat en het schip.
2. Iedere Staat dient aan schepen aan wie hij het recht heeft verleend zijn vlag te voeren, documenten te verstrekken waaruit zulks blijkt.
1. Iedere Staat stelt de voorwaarden vast voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen, voor de registratie van schepen op zijn grondgebied en voor het recht zijn vlag te voeren. Een schip heeft de nationaliteit van de Staat wiens vlag het gerechtigd is te voeren. Er moet een wezenlijke band bestaan tussen de Staat en het schip.
2. Iedere Staat dient aan schepen aan wie hij het recht heeft verleend zijn vlag te voeren, documenten te verstrekken waaruit zulks blijkt.
Art. 91. Nationalité des navires.
1. Chaque Etat fixe les conditions auxquelles il soumet l'attribution de sa nationalité aux navires, les conditions d'immatriculation des navires sur son territoire et les conditions requises pour qu'ils aient le droit de battre son pavillon. Les navires possèdent la nationalité de l'Etat dont ils sont autorises à battre le pavillon. Il doit exister un lien substantiel entre l'Etat et le navire.
2. Chaque Etat délivre aux navires auxquels il a accordé le droit de battre son pavillon des documents à cet effet.
1. Chaque Etat fixe les conditions auxquelles il soumet l'attribution de sa nationalité aux navires, les conditions d'immatriculation des navires sur son territoire et les conditions requises pour qu'ils aient le droit de battre son pavillon. Les navires possèdent la nationalité de l'Etat dont ils sont autorises à battre le pavillon. Il doit exister un lien substantiel entre l'Etat et le navire.
2. Chaque Etat délivre aux navires auxquels il a accordé le droit de battre son pavillon des documents à cet effet.
Art. 92. Status van schepen.
1. Een schip mag slechts onder de vlag van één Staat varen en is, behalve in bijzondere gevallen waarin uitdrukkelijk is voorzien in internationale verdragen of in dit Verdrag, op volle zee onderworpen aan de uitsluitende rechtsmacht van die Staat. Een schip mag gedurende een reis of tijdens het verblijf in een aanloophaven niet van vlag veranderen, behalve in het geval van een werkelijke overdracht van de eigendom of een wijziging in de registratie.
2. Een schip dat vaart onder de vlag van twee of meer Staten en dat naar omstandigheden de ene of de andere vlag gebruikt, kan zich tegenover een derde Staat op de nationaliteit van geen van deze Staten beroepen en kan worden gelijkgesteld met een schip zonder nationaliteit.
1. Een schip mag slechts onder de vlag van één Staat varen en is, behalve in bijzondere gevallen waarin uitdrukkelijk is voorzien in internationale verdragen of in dit Verdrag, op volle zee onderworpen aan de uitsluitende rechtsmacht van die Staat. Een schip mag gedurende een reis of tijdens het verblijf in een aanloophaven niet van vlag veranderen, behalve in het geval van een werkelijke overdracht van de eigendom of een wijziging in de registratie.
2. Een schip dat vaart onder de vlag van twee of meer Staten en dat naar omstandigheden de ene of de andere vlag gebruikt, kan zich tegenover een derde Staat op de nationaliteit van geen van deze Staten beroepen en kan worden gelijkgesteld met een schip zonder nationaliteit.
Art. 92. Condition juridique des navires.
1. Les navires naviguent sous le pavillon d'un seul Etat et sont soumis, sauf dans les cas exceptionnels expressément prévus par des traités internationaux ou par la Convention, à sa juridiction exclusive en haute mer. Aucun changement de pavillon ne peut intervenir au cours d'un voyage ou d'une escale, sauf en cas de transfert réel de la proprieté ou de changement d'immatriculation.
2. Un navire qui navigue sous les pavillons de plusieurs Etats, dont il fait usage à sa convenance, ne peut se prévaloir, vis-à-vis de tout Etat tiers, d'aucune de ces nationalités et peut être assimilé à un navire sans nationalité.
1. Les navires naviguent sous le pavillon d'un seul Etat et sont soumis, sauf dans les cas exceptionnels expressément prévus par des traités internationaux ou par la Convention, à sa juridiction exclusive en haute mer. Aucun changement de pavillon ne peut intervenir au cours d'un voyage ou d'une escale, sauf en cas de transfert réel de la proprieté ou de changement d'immatriculation.
2. Un navire qui navigue sous les pavillons de plusieurs Etats, dont il fait usage à sa convenance, ne peut se prévaloir, vis-à-vis de tout Etat tiers, d'aucune de ces nationalités et peut être assimilé à un navire sans nationalité.
Art. 93. Schepen die de vlag voeren van de Verenigde Naties, hun gespecialiseerde organisaties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie.
De voorgaande artikelen laten onverlet de kwestie van schepen in officiële dienst van de Verenigde Naties, hun gespecialiseerde organisaties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie en die de vlag van de Verenigde Naties voeren.
De voorgaande artikelen laten onverlet de kwestie van schepen in officiële dienst van de Verenigde Naties, hun gespecialiseerde organisaties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie en die de vlag van de Verenigde Naties voeren.
Art. 93. Navires battant le pavillon de l'Organisation des Nations Unies, des institutions spécialisées des Nations Unies ou de l'Agence internationale de l'énergie atomique.
Les articles précédents ne préjugent en rien la question des navires affectés au service officiel de l'Organisation des Nations Unies, de ses institutions spécialisées ou de l'Agence internationale de l'énergie atomique battant pavillon de l'Organisation.
Les articles précédents ne préjugent en rien la question des navires affectés au service officiel de l'Organisation des Nations Unies, de ses institutions spécialisées ou de l'Agence internationale de l'énergie atomique battant pavillon de l'Organisation.
Art. 94. Plichten van de vlaggenstaat.
1. Iedere Staat oefent doeltreffend zijn rechtsmacht en toezicht in administratieve, technische en sociale aangelegenheden uit over schepen die zijn vlag voeren.
2. Inzonderheid dient iedere Staat :
a) een register bij te houden van schepen, dat de namen en bijzonderheden bevat van schepen die zijn vlag voeren, behalve van die welke van de algemeen aanvaarde internationale voorschriften zijn uitgesloten op grond van hun geringe, grootte; en
b) ingevolge zijn binnenlandse wetgeving rechtsmacht op zich te nemen over elk schip dat zijn vlag voert en over de kapitein, officieren en bemanning daarvan met betrekking tot administratieve, technische en sociale aangelegenheden betreffende het schip.
3. Iedere Staat neemt ten aanzien van de schepen die zijn vlag voeren alle maatregelen die nodig zijn om de veiligheid op zee te verzekeren, onder andere met betrekking tot :
a) de bouw, uitrusting en zeewaardigheid der schepen;
b) het bemannen der schepen en de arbeidsvoorwaarden voor en de opleiding van de bemanning, waarbij rekening wordt gehouden met de van toepassing zijnde internationale verdragen;
c) het gebruik van signalen, het onderhouden van verbindingen en het voorkomen van aanvaringen.
4. Deze maatregelen omvatten die welke nodig zijn om te verzekeren :
a) dat elk schip, voorafgaand aan de registratie en daarna met passende tussenpozen, wordt onderworpen aan een onderzoek door een bevoegde deskundige en dat het de kaarten, nautische publikaties en navigatie-uitrusting en instrumenten aan boord heeft die vereist zijn voor de veilige vaart van het schip;
b) dat elk schip onder het bevel staat van een kapitein en officieren die de juiste bekwaamheden bezitten, inzonderheid op het gebied van zeemanschap, navigatie, verbindingen en scheepswerktuigkunde, en dat de bemanning wat bekwaamheden en aantal betreft, passend is voor het type, de grootte, de machines en uitrusting van het schip;
c) dat de kapitein, de officieren, en voor zover passend, de bemanning volledig bekend zijn met en dat van hen de naleving wordt geëist van de van toepassing zijnde internationale voorschriften voor de beveiliging van mensenlevens op zee, de voorkoming van aanvaringen, het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging van de zee en het onderhouden van radioverbindingen.
5. Bij het nemen van de in het derde en het vierde lid vereiste maatregelen dient iedere Staat zich te houden aan algemeen aanvaarde internationale voorschriften, procedures en praktijken en alle stappen te ondernemen die nodig zijn om de naleving daarvan te verzekeren.
6. Een Staat die ernstige redenen heeft aan te nemen dat de passende rechtsmacht en het passend toezicht ten aanzien van een schip niet zijn uitgeoefend, kan de feiten rapporteren aan de vlaggenstaat. Bij ontvangst van zulk een rapport onderzoekt de vlaggenstaat de aangelegenheid en neemt hij, wanneer dienstig, alle nodige maatregelen om de situatie te corrigeren.
7. Iedere Staat dient een onderzoek te laten instellen door of ten overstaan van een naar behoren bevoegd persoon of bevoegde personen naar elk ongeval op zee of voorval verband houdend met de navigatie in volle zee, waarbij een schip dat zijn vlag voert, is betrokken en dat verlies aan mensenlevens of ernstig letsel aan onderdanen van een andere Staat of ernstige schade aan schepen of installaties van een andere Staat of aan het mariene milieu heeft veroorzaakt. De vlaggenstaat en de andere Staat werken samen bij het leiden van een door die andere Staat gehouden onderzoek naar zulk een ongeval op zee of voorval verband houdend met de navigatie.
1. Iedere Staat oefent doeltreffend zijn rechtsmacht en toezicht in administratieve, technische en sociale aangelegenheden uit over schepen die zijn vlag voeren.
2. Inzonderheid dient iedere Staat :
a) een register bij te houden van schepen, dat de namen en bijzonderheden bevat van schepen die zijn vlag voeren, behalve van die welke van de algemeen aanvaarde internationale voorschriften zijn uitgesloten op grond van hun geringe, grootte; en
b) ingevolge zijn binnenlandse wetgeving rechtsmacht op zich te nemen over elk schip dat zijn vlag voert en over de kapitein, officieren en bemanning daarvan met betrekking tot administratieve, technische en sociale aangelegenheden betreffende het schip.
3. Iedere Staat neemt ten aanzien van de schepen die zijn vlag voeren alle maatregelen die nodig zijn om de veiligheid op zee te verzekeren, onder andere met betrekking tot :
a) de bouw, uitrusting en zeewaardigheid der schepen;
b) het bemannen der schepen en de arbeidsvoorwaarden voor en de opleiding van de bemanning, waarbij rekening wordt gehouden met de van toepassing zijnde internationale verdragen;
c) het gebruik van signalen, het onderhouden van verbindingen en het voorkomen van aanvaringen.
4. Deze maatregelen omvatten die welke nodig zijn om te verzekeren :
a) dat elk schip, voorafgaand aan de registratie en daarna met passende tussenpozen, wordt onderworpen aan een onderzoek door een bevoegde deskundige en dat het de kaarten, nautische publikaties en navigatie-uitrusting en instrumenten aan boord heeft die vereist zijn voor de veilige vaart van het schip;
b) dat elk schip onder het bevel staat van een kapitein en officieren die de juiste bekwaamheden bezitten, inzonderheid op het gebied van zeemanschap, navigatie, verbindingen en scheepswerktuigkunde, en dat de bemanning wat bekwaamheden en aantal betreft, passend is voor het type, de grootte, de machines en uitrusting van het schip;
c) dat de kapitein, de officieren, en voor zover passend, de bemanning volledig bekend zijn met en dat van hen de naleving wordt geëist van de van toepassing zijnde internationale voorschriften voor de beveiliging van mensenlevens op zee, de voorkoming van aanvaringen, het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging van de zee en het onderhouden van radioverbindingen.
5. Bij het nemen van de in het derde en het vierde lid vereiste maatregelen dient iedere Staat zich te houden aan algemeen aanvaarde internationale voorschriften, procedures en praktijken en alle stappen te ondernemen die nodig zijn om de naleving daarvan te verzekeren.
6. Een Staat die ernstige redenen heeft aan te nemen dat de passende rechtsmacht en het passend toezicht ten aanzien van een schip niet zijn uitgeoefend, kan de feiten rapporteren aan de vlaggenstaat. Bij ontvangst van zulk een rapport onderzoekt de vlaggenstaat de aangelegenheid en neemt hij, wanneer dienstig, alle nodige maatregelen om de situatie te corrigeren.
7. Iedere Staat dient een onderzoek te laten instellen door of ten overstaan van een naar behoren bevoegd persoon of bevoegde personen naar elk ongeval op zee of voorval verband houdend met de navigatie in volle zee, waarbij een schip dat zijn vlag voert, is betrokken en dat verlies aan mensenlevens of ernstig letsel aan onderdanen van een andere Staat of ernstige schade aan schepen of installaties van een andere Staat of aan het mariene milieu heeft veroorzaakt. De vlaggenstaat en de andere Staat werken samen bij het leiden van een door die andere Staat gehouden onderzoek naar zulk een ongeval op zee of voorval verband houdend met de navigatie.
Art. 94. Obligations de l'Etat du pavillon.
1. Tout Etat exerce effectivement sa juridiction et son contrôle dans les domaines administratif, technique et social sur les navires battant son pavillon.
2. En particulier tout Etat :
a) tient un registre maritime où figurent les noms et les caractéristiques des navires battant son pavillon, à l'exception de ceux qui, du fait de leur petite taille, ne sont pas visés par la réglementation internationale généralement acceptée;
b) exerce sa juridiction conformément à son droit interne sur tout navire battant son pavillon, ainsi que sur le capitaine, les officiers et l'équipage pour les questions d'ordre administratif, technique et social concernant le navire.
3. Tout Etat prend à l'égard des navires battant son pavillon les mesures nécessaires pour assurer la sécurité en mer, notamment en ce qui concerne :
a) la construction et l'equipement du navire et sa navigabilité;
b) la composition, les conditions de travail et la formation des équipages, en tenant compte des instruments internationaux applicables;
c) l'emploi des signaux, le bon fonctionnement des communications et la prévention des abordages.
4. Ces mesures comprennent celles qui sont nécessaires pour s'assurer que :
a) tout navire est inspecté, avant son inscription au registre et, ultérieurement, à des intervalles appropriés, par un inspecteur maritime qualifie, et qu'il a à son bord les cartes maritimes, les publications nautiques ainsi que le matériel et les instruments de navigation que requiert la sécurité de la navigation;
b) tout navire est confié à un capitaine et à des officiers possédant les qualifications voulues, en particulier en ce qui concerne la manoeuvre, la navigation, les communications et la conduite des machines, et que l'équipage possède les qualifications voulues et est suffisamment nombreux eu égard au type, à la dimension, à la machinerie et à l'équipement du navire;
c) le capitaine, les officiers et, dans la mesure du nécessaire, l'équipage connaissent parfaitement et sont tenus de respecter les règles internationales applicables concernant la sauvegarde de la vie humaine en mer, la prévention des abordages, la prévention, la réduction et la maîtrise de la pollution et le maintien des services de radiocommunication.
5. Lorsqu'il prend les mesures visées aux paragraphes 3 et 4, chaque Etat est tenu de se conformer aux règles, procédures et pratiques internationales généralement acceptées et de prendre toutes les dispositions nécessaires pour en assurer le respect.
6. Tout Etat qui a des motifs sérieux de penser que la juridiction et le contrôle appropriés sur un navire n'ont pas été exercés peut signaler les faits à l'Etat du pavillon. Une fois avisé, celui-ci procède à une enquête et prend, s'il y a lieu, les mesures nécessaires pour remédier à la situation.
7. Chaque Etat ordonne l'ouverture d'une enquête, menée par ou devant une ou plusieurs personnes dûment qualifiées, sur tout accident de mer ou incident de navigation survenu en haute mer dans lequel est impliqué un navire battant son pavillon et qui a coûté la vie ou occasionné de graves blessures à des ressortissants d'un autre Etat, ou des dommages importants à des navires ou installations d'un autre Etat ou au milieu marin. L'Etat du pavillon et l'autre Etat coopèrent dans la conduite de toute enquête menée par ce dernier au sujet d'un accident de mer ou incident de navigation de ce genre.
1. Tout Etat exerce effectivement sa juridiction et son contrôle dans les domaines administratif, technique et social sur les navires battant son pavillon.
2. En particulier tout Etat :
a) tient un registre maritime où figurent les noms et les caractéristiques des navires battant son pavillon, à l'exception de ceux qui, du fait de leur petite taille, ne sont pas visés par la réglementation internationale généralement acceptée;
b) exerce sa juridiction conformément à son droit interne sur tout navire battant son pavillon, ainsi que sur le capitaine, les officiers et l'équipage pour les questions d'ordre administratif, technique et social concernant le navire.
3. Tout Etat prend à l'égard des navires battant son pavillon les mesures nécessaires pour assurer la sécurité en mer, notamment en ce qui concerne :
a) la construction et l'equipement du navire et sa navigabilité;
b) la composition, les conditions de travail et la formation des équipages, en tenant compte des instruments internationaux applicables;
c) l'emploi des signaux, le bon fonctionnement des communications et la prévention des abordages.
4. Ces mesures comprennent celles qui sont nécessaires pour s'assurer que :
a) tout navire est inspecté, avant son inscription au registre et, ultérieurement, à des intervalles appropriés, par un inspecteur maritime qualifie, et qu'il a à son bord les cartes maritimes, les publications nautiques ainsi que le matériel et les instruments de navigation que requiert la sécurité de la navigation;
b) tout navire est confié à un capitaine et à des officiers possédant les qualifications voulues, en particulier en ce qui concerne la manoeuvre, la navigation, les communications et la conduite des machines, et que l'équipage possède les qualifications voulues et est suffisamment nombreux eu égard au type, à la dimension, à la machinerie et à l'équipement du navire;
c) le capitaine, les officiers et, dans la mesure du nécessaire, l'équipage connaissent parfaitement et sont tenus de respecter les règles internationales applicables concernant la sauvegarde de la vie humaine en mer, la prévention des abordages, la prévention, la réduction et la maîtrise de la pollution et le maintien des services de radiocommunication.
5. Lorsqu'il prend les mesures visées aux paragraphes 3 et 4, chaque Etat est tenu de se conformer aux règles, procédures et pratiques internationales généralement acceptées et de prendre toutes les dispositions nécessaires pour en assurer le respect.
6. Tout Etat qui a des motifs sérieux de penser que la juridiction et le contrôle appropriés sur un navire n'ont pas été exercés peut signaler les faits à l'Etat du pavillon. Une fois avisé, celui-ci procède à une enquête et prend, s'il y a lieu, les mesures nécessaires pour remédier à la situation.
7. Chaque Etat ordonne l'ouverture d'une enquête, menée par ou devant une ou plusieurs personnes dûment qualifiées, sur tout accident de mer ou incident de navigation survenu en haute mer dans lequel est impliqué un navire battant son pavillon et qui a coûté la vie ou occasionné de graves blessures à des ressortissants d'un autre Etat, ou des dommages importants à des navires ou installations d'un autre Etat ou au milieu marin. L'Etat du pavillon et l'autre Etat coopèrent dans la conduite de toute enquête menée par ce dernier au sujet d'un accident de mer ou incident de navigation de ce genre.
Art. 95. Immuniteit van oorlogsschepen in volle zee.
Oorlogsschepen in volle zee genieten volledige immuniteit van de rechtsmacht van iedere Staat die niet de vlaggenstaat is.
Oorlogsschepen in volle zee genieten volledige immuniteit van de rechtsmacht van iedere Staat die niet de vlaggenstaat is.
Art. 95. Immunité des navires de guerre en haute mer.
Les navires de guerre jouissent en haute mer de l'immunité complète de juridiction vis-à-vis de tout Etat du pavillon.
Les navires de guerre jouissent en haute mer de l'immunité complète de juridiction vis-à-vis de tout Etat du pavillon.
Art. 96. Immuniteit van slechts voor niet-commerciële overheidsdoeleinden gebruikte schepen.
Schepen die het eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door een Staat en door die Staat slechts voor niet-commerciële overheidsdoeleinden worden gebruikt, genieten in volle zee volledige immuniteit van de rechtsmacht van iedere Staat die niet de vlaggenstaat is.
Schepen die het eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door een Staat en door die Staat slechts voor niet-commerciële overheidsdoeleinden worden gebruikt, genieten in volle zee volledige immuniteit van de rechtsmacht van iedere Staat die niet de vlaggenstaat is.
Art. 96. Immunité des navires utilisés exclusivement pour un service public non commercial.
Les navires appartenant à un Etat ou exploités par lui et utilisés exclusivement pour un service public non commercial jouissent, en haute mer, de l'immunité complète de juridiction vis-à-vis de tout Etat autre que l'Etat du pavillon.
Les navires appartenant à un Etat ou exploités par lui et utilisés exclusivement pour un service public non commercial jouissent, en haute mer, de l'immunité complète de juridiction vis-à-vis de tout Etat autre que l'Etat du pavillon.
Art. 97. Rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden in geval van aanvaring of een ander voorval verband houdend met de navigatie.
1. In geval van een aanvaring of een ander voorval verband houdend met de navigatie van een schip in volle zee, waarvoor de kapitein of enige andere persoon in dienst van het schip strafrechtelijk of tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld, kan tegen een dergelijke persoon een strafvervolging of tuchtrechtelijke vervolging slechts worden ingesteld voor de rechterlijke of bestuurlijke autoriteiten van de vlaggenstaat of van de Staat waarvan een dergelijke persoon onderdaan is.
2. De Staat die een gezagvoedersdiploma of ander diploma heeft uitgereikt is, in tuchtrechtelijke gevallen, bij uitsluiting bevoegd om, na een behoorlijke door het recht omschreven procedure, zulke diploma's in te trekken, ook indien de houder geen onderdaan van die Staat is.
3. Het aanhouden of vasthouden van een schip mag, zelfs voor maatregelen van onderzoek, alleen gelast worden door de autoriteiten van de vlaggenstaat.
1. In geval van een aanvaring of een ander voorval verband houdend met de navigatie van een schip in volle zee, waarvoor de kapitein of enige andere persoon in dienst van het schip strafrechtelijk of tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld, kan tegen een dergelijke persoon een strafvervolging of tuchtrechtelijke vervolging slechts worden ingesteld voor de rechterlijke of bestuurlijke autoriteiten van de vlaggenstaat of van de Staat waarvan een dergelijke persoon onderdaan is.
2. De Staat die een gezagvoedersdiploma of ander diploma heeft uitgereikt is, in tuchtrechtelijke gevallen, bij uitsluiting bevoegd om, na een behoorlijke door het recht omschreven procedure, zulke diploma's in te trekken, ook indien de houder geen onderdaan van die Staat is.
3. Het aanhouden of vasthouden van een schip mag, zelfs voor maatregelen van onderzoek, alleen gelast worden door de autoriteiten van de vlaggenstaat.
Art. 97. Juridiction pénale en matière d'abordage ou en ce qui concerne tout autre incident de navigation maritime.
1. En cas d'abordage ou de tout autre incident de navigation maritime en haute mer qui engage la responsabilité pénale ou disciplinaire du capitaine ou de tout autre membre du personnel du navire, il ne peut être intenté de poursuites pénales ou disciplinaires que devant les autorités judiciaires ou administratives soit de l'Etat du pavillon, soit de l'Etat dont l'intéressé a la nationalité.
2. En matière disciplinaire, l'Etat qui a delivré un brevet de commandement ou un certificat de capacité ou permis est seul compétent pour prononcer, en respectant les voies légales, le retrait de ces titres, même si le titulaire n'a pas la nationalité de cet Etat.
3. Il ne peut être ordonné de saisie ou d'immobilisation du navire, même dans l'exécution d'actes d'instruction, par d'autres autorités que celle de l'Etat du pavillon.
1. En cas d'abordage ou de tout autre incident de navigation maritime en haute mer qui engage la responsabilité pénale ou disciplinaire du capitaine ou de tout autre membre du personnel du navire, il ne peut être intenté de poursuites pénales ou disciplinaires que devant les autorités judiciaires ou administratives soit de l'Etat du pavillon, soit de l'Etat dont l'intéressé a la nationalité.
2. En matière disciplinaire, l'Etat qui a delivré un brevet de commandement ou un certificat de capacité ou permis est seul compétent pour prononcer, en respectant les voies légales, le retrait de ces titres, même si le titulaire n'a pas la nationalité de cet Etat.
3. Il ne peut être ordonné de saisie ou d'immobilisation du navire, même dans l'exécution d'actes d'instruction, par d'autres autorités que celle de l'Etat du pavillon.
Art. 98. Plicht hulp te verlenen.
1. Iedere Staat dient de kapitein van een schip dat zijn vlag voert ertoe te verplichten dat hij, voor zover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor het schip, de bemanning of de passagiers :
a) hulp verleent aan een ieder die hij op zee in levensgevaar aantreft;
b) met de grootst mogelijke spoed personen die in nood verkeren te hulp komt, indien hem is medegedeeld dat zij hulp behoeven, voor zover een dergelijke handelswijze redelijkerwijze van hem verwacht kan worden;
c) na een aanvaring hulp verleent aan het andere schip, zijn bemanning en passagiers en, indien mogelijk, het andere schip de naam van zijn eigen schip, de haven waar het is geregistreerd en de dichtstbijzijnde haven waar het zal aanlopen, meedeelt.
2. Iedere kuststaat bevordert de oprichting, het functioneren en het onderhoud van een voor zijn taak berekende en doeltreffende opsporings- en reddingsdienst ten behoeve van de veiligheid op en boven de zee en dient, waar de omstandigheden zulks nodig maken, hiertoe met zijn buurstaten regionale overeenkomsten voor wederzijdse samenwerking te sluiten.
1. Iedere Staat dient de kapitein van een schip dat zijn vlag voert ertoe te verplichten dat hij, voor zover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor het schip, de bemanning of de passagiers :
a) hulp verleent aan een ieder die hij op zee in levensgevaar aantreft;
b) met de grootst mogelijke spoed personen die in nood verkeren te hulp komt, indien hem is medegedeeld dat zij hulp behoeven, voor zover een dergelijke handelswijze redelijkerwijze van hem verwacht kan worden;
c) na een aanvaring hulp verleent aan het andere schip, zijn bemanning en passagiers en, indien mogelijk, het andere schip de naam van zijn eigen schip, de haven waar het is geregistreerd en de dichtstbijzijnde haven waar het zal aanlopen, meedeelt.
2. Iedere kuststaat bevordert de oprichting, het functioneren en het onderhoud van een voor zijn taak berekende en doeltreffende opsporings- en reddingsdienst ten behoeve van de veiligheid op en boven de zee en dient, waar de omstandigheden zulks nodig maken, hiertoe met zijn buurstaten regionale overeenkomsten voor wederzijdse samenwerking te sluiten.
Art. 98. Obligation de prêter assistance.
1. Tout Etat exige du capitaine d'un navire battant son pavillon que, pour autant que cela lui est possible sans faire courir de risques graves au navire, à l'équipage ou aux passagers :
a) il prête assistance à quiconque est trouvé en péril en mer;
b) il se porte aussi vite que possible au secours des personnes en détresse s'il est informé qu'elles ont besoin d'assistance, dans la mesure où l'on peut raisonnablement s'attendre qu'il agisse de la sorte;
c) en cas d'abordage, il prête assistance à l'autre navire, à son équipage et à ses passagers, et, dans la mesure du possible, indique à l'autre navire le nom et le port d'enregistrement de son propre navire et le port le plus proche qu'il touchera.
2. Tous les Etats côtiers facilitent la création et le fonctionnement d'un service permanent de recherche et de sauvetage adéquat et efficace pour assurer la sécurité maritime et aérienne et, s'il y a lieu, collaborent à cette fin avec leurs voisins dans le cadre d'arrangements régionaux.
1. Tout Etat exige du capitaine d'un navire battant son pavillon que, pour autant que cela lui est possible sans faire courir de risques graves au navire, à l'équipage ou aux passagers :
a) il prête assistance à quiconque est trouvé en péril en mer;
b) il se porte aussi vite que possible au secours des personnes en détresse s'il est informé qu'elles ont besoin d'assistance, dans la mesure où l'on peut raisonnablement s'attendre qu'il agisse de la sorte;
c) en cas d'abordage, il prête assistance à l'autre navire, à son équipage et à ses passagers, et, dans la mesure du possible, indique à l'autre navire le nom et le port d'enregistrement de son propre navire et le port le plus proche qu'il touchera.
2. Tous les Etats côtiers facilitent la création et le fonctionnement d'un service permanent de recherche et de sauvetage adéquat et efficace pour assurer la sécurité maritime et aérienne et, s'il y a lieu, collaborent à cette fin avec leurs voisins dans le cadre d'arrangements régionaux.
Art. 99. Verbod van het vervoer van slaven.
Iedere Staat neemt doeltreffende maatregelen om het vervoer van slaven in schepen die zijn vlag mogen voeren, te verhinderen en te bestraffen, alsmede om onrechtmatig gebruik van zijn vlag voor dat doel te verhinderen. Iedere slaaf die op enig schip, ongeacht de vlag die het voert, zijn toevlucht zoekt, krijgt door dit enkele feit zijn vrijheid.
Iedere Staat neemt doeltreffende maatregelen om het vervoer van slaven in schepen die zijn vlag mogen voeren, te verhinderen en te bestraffen, alsmede om onrechtmatig gebruik van zijn vlag voor dat doel te verhinderen. Iedere slaaf die op enig schip, ongeacht de vlag die het voert, zijn toevlucht zoekt, krijgt door dit enkele feit zijn vrijheid.
Art. 99. Interdiction de transport d'esclaves.
Tout Etat prend des mesures efficaces pour prévenir et réprimer le transport d'esclaves par les navires autorisés à battre son pavillon et pour prévenir l'usurpation de son pavillon à cette fin. Tout esclave qui se réfugie sur un navire, quel que soit son pavillon, est libre ipso facto.
Tout Etat prend des mesures efficaces pour prévenir et réprimer le transport d'esclaves par les navires autorisés à battre son pavillon et pour prévenir l'usurpation de son pavillon à cette fin. Tout esclave qui se réfugie sur un navire, quel que soit son pavillon, est libre ipso facto.
Art. 100. Plicht samen te werken ter onderdrukking van piraterij.
Alle Staten werken zo nauw mogelijk samen ter onderdrukking van piraterij op volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige Staat vallen.
Alle Staten werken zo nauw mogelijk samen ter onderdrukking van piraterij op volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige Staat vallen.
Art. 100. Obligation de coopérer à la répression de la piraterie.
Tous les Etats coopèrent dans toute la mesure du possible à la répression de la piraterie en haute mer ou en tout autre lieu ne relevant de la juridiction d'aucun Etat.
Tous les Etats coopèrent dans toute la mesure du possible à la répression de la piraterie en haute mer ou en tout autre lieu ne relevant de la juridiction d'aucun Etat.
Art. 101. Begripsomschrijving van piraterij.
Piraterij is een der hiernavolgende handelingen :
a) iedere onwettige daad van geweld of aanhouding, alsmede iedere daad van plundering die door de bemanning of de passagiers van een particulier schip of een particulier luchtvaartuig voor persoonlijke doeleinden wordt gepleegd en die is gericht :
(i) in volle zee, tegen een ander schip of luchtvaartuig of tegen personen of eigendommen aan boord van een zodanig schip of luchtvaartuig;
(ii) tegen een schip, een luchtvaartuig, personen of eigendommen op een plaats die buiten de rechtsmacht van enige Staat valt;
b) iedere vrijwillige deelneming aan de exploitatie van een schip of luchtvaartuig met kennis van de feiten die het schip of luchtvaartuig tot piratenschip of piratenluchtvaartuig maken;
c) iedere opruiing tot of opzettelijke vergemakkelijking van een in letter a of b omschreven handeling.
Piraterij is een der hiernavolgende handelingen :
a) iedere onwettige daad van geweld of aanhouding, alsmede iedere daad van plundering die door de bemanning of de passagiers van een particulier schip of een particulier luchtvaartuig voor persoonlijke doeleinden wordt gepleegd en die is gericht :
(i) in volle zee, tegen een ander schip of luchtvaartuig of tegen personen of eigendommen aan boord van een zodanig schip of luchtvaartuig;
(ii) tegen een schip, een luchtvaartuig, personen of eigendommen op een plaats die buiten de rechtsmacht van enige Staat valt;
b) iedere vrijwillige deelneming aan de exploitatie van een schip of luchtvaartuig met kennis van de feiten die het schip of luchtvaartuig tot piratenschip of piratenluchtvaartuig maken;
c) iedere opruiing tot of opzettelijke vergemakkelijking van een in letter a of b omschreven handeling.
Art. 101. Définition de la piraterie.
On entend par piraterie l'un quelconque des actes suivants :
a) tout acte illicite de violence ou de détention ou toute déprédation commis par l'équipage ou des passagers d'un navire ou d'un aéronef privé, agissant à des fins privées, et dirigé :
(i) contre un autre navire ou aéronef, ou contre des personnes ou des biens à leur bord, en haute mer;
(ii) contre un navire ou aéronef, des personnes ou des biens, dans un lieu ne relevant de la juridiction d'aucun Etat;
b) tout acte de participation volontaire à l'utilisation d'un navire ou d'un aéronef, lorsque son auteur a connaissance de faits dont il découle que ce navire ou aéronef est un navire ou aéronef pirate;
c) tout acte ayant pour but d'inciter à commettre les actes définis aux lettres a) ou b), ou commis dans l'intention de les faciliter.
On entend par piraterie l'un quelconque des actes suivants :
a) tout acte illicite de violence ou de détention ou toute déprédation commis par l'équipage ou des passagers d'un navire ou d'un aéronef privé, agissant à des fins privées, et dirigé :
(i) contre un autre navire ou aéronef, ou contre des personnes ou des biens à leur bord, en haute mer;
(ii) contre un navire ou aéronef, des personnes ou des biens, dans un lieu ne relevant de la juridiction d'aucun Etat;
b) tout acte de participation volontaire à l'utilisation d'un navire ou d'un aéronef, lorsque son auteur a connaissance de faits dont il découle que ce navire ou aéronef est un navire ou aéronef pirate;
c) tout acte ayant pour but d'inciter à commettre les actes définis aux lettres a) ou b), ou commis dans l'intention de les faciliter.
Art. 102. Piraterij door een oorlogsschip, staatsschip of staatsluchtvaartuig waarvan de bemanning heeft gemuit.
De daden van piraterij als omschreven in artikel 101, bedreven door een oorlogsschip, staatsschip of staatsluchtvaartuig waarvan de bemanning heeft gemuit en het beheer van het schip of luchtvaartuig heeft overgenomen, worden gelijkgesteld met daden bedreven door een particulier schip of luchtvaartuig.
De daden van piraterij als omschreven in artikel 101, bedreven door een oorlogsschip, staatsschip of staatsluchtvaartuig waarvan de bemanning heeft gemuit en het beheer van het schip of luchtvaartuig heeft overgenomen, worden gelijkgesteld met daden bedreven door een particulier schip of luchtvaartuig.
Art. 102. Piraterie du fait d'un navire de guerre, d'un navire d'Etat ou d'un aéronef d'Etat dont l'équipage s'est mutiné.
Les actes de piraterie, tels qu'ils sont définis à l'article 101, perpétrés par un navire de guerre, un navire d'Etat ou un aéronef d'Etat dont l'équipage mutiné s'est rendu maître sont assimilés à des actes commis par un navire ou un aéronef privé.
Les actes de piraterie, tels qu'ils sont définis à l'article 101, perpétrés par un navire de guerre, un navire d'Etat ou un aéronef d'Etat dont l'équipage mutiné s'est rendu maître sont assimilés à des actes commis par un navire ou un aéronef privé.
Art. 103. Begripsomschrijving van een piratenschip of piratenluchtvaartuig.
Een schip of luchtvaartuig wordt als piratenschip of piratenluchtvaartuig beschouwd als het door de personen die de daadwerkelijke macht over het schip of het luchtvaartuig uitoefenen, bestemd is om te worden gebruikt voor het bedrijven van een van de in artikel 101 genoemde handelingen. Hetzelfde geldt voor een schip of luchtvaartuig dat gebruikt is voor het plegen van een dergelijke handeling, zolang het in de macht blijft van de personen die zich aan die handeling hebben schuldig gemaakt.
Een schip of luchtvaartuig wordt als piratenschip of piratenluchtvaartuig beschouwd als het door de personen die de daadwerkelijke macht over het schip of het luchtvaartuig uitoefenen, bestemd is om te worden gebruikt voor het bedrijven van een van de in artikel 101 genoemde handelingen. Hetzelfde geldt voor een schip of luchtvaartuig dat gebruikt is voor het plegen van een dergelijke handeling, zolang het in de macht blijft van de personen die zich aan die handeling hebben schuldig gemaakt.
Art. 103. Définition d'un navire ou d'un aéronef pirate.
Sont considérés comme navires ou aéronefs pirates les navires ou aéronefs dont les personnes qui les contrôlent effectivement entendent se servir pour commettre l'un des actes visés à l'article 101. Il en est de même des navires ou aéronefs qui ont servi à commettre de tels actes tant qu'ils demeurent sous le contrôle des personnes qui s'en sont rendues coupables.
Sont considérés comme navires ou aéronefs pirates les navires ou aéronefs dont les personnes qui les contrôlent effectivement entendent se servir pour commettre l'un des actes visés à l'article 101. Il en est de même des navires ou aéronefs qui ont servi à commettre de tels actes tant qu'ils demeurent sous le contrôle des personnes qui s'en sont rendues coupables.
Art. 104. Behoud of verlies van de nationaliteit van een piratenschip of piratenluchtvaartuig.
Een schip of luchtvaartuig kan zijn nationaliteit behouden ondanks het feit dat het een piratenschip of piratenluchtvaartuig is geworden. Het behoud of het verlies van de nationaliteit wordt bepaald door de wet van de Staat die deze nationaliteit heeft toegekend.
Een schip of luchtvaartuig kan zijn nationaliteit behouden ondanks het feit dat het een piratenschip of piratenluchtvaartuig is geworden. Het behoud of het verlies van de nationaliteit wordt bepaald door de wet van de Staat die deze nationaliteit heeft toegekend.
Art. 104. Conservation ou perte de la nationalité d'un navire ou d'un aéronef pirate.
Un navire ou aéronef devenu pirate peut conserver sa nationalite. La conservation ou la perte de la nationalité est régie par le droit interne de l'Etat qui l'a conférée.
Un navire ou aéronef devenu pirate peut conserver sa nationalite. La conservation ou la perte de la nationalité est régie par le droit interne de l'Etat qui l'a conférée.
Art. 105. Inbeslagneming van een piratenschip of piratenluchtvaartuig.
In volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige Staat zijn gelegen, mag iedere Staat een piratenschip of piratenluchtvaartuig of een schip of luchtvaartuig dat door piraten onderscheidenlijk kapers is overmeesterd en zich in hun macht bevindt, in beslag nemen, de personen aan boord arresteren en de goederen aan boord in beslag nemen. De gerechten van de Staat die de inbeslagneming heeft uitgevoerd, kunnen beslissen over de op te leggen straffen en kunnen tevens besluiten hoe gehandeld zal worden met de schepen, luchtvaartuigen of eigendommen, met inachtneming van de rechten van derden te goeder trouw.
In volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige Staat zijn gelegen, mag iedere Staat een piratenschip of piratenluchtvaartuig of een schip of luchtvaartuig dat door piraten onderscheidenlijk kapers is overmeesterd en zich in hun macht bevindt, in beslag nemen, de personen aan boord arresteren en de goederen aan boord in beslag nemen. De gerechten van de Staat die de inbeslagneming heeft uitgevoerd, kunnen beslissen over de op te leggen straffen en kunnen tevens besluiten hoe gehandeld zal worden met de schepen, luchtvaartuigen of eigendommen, met inachtneming van de rechten van derden te goeder trouw.
Art. 105. Saisie d'un navire ou d'un aéronef pirate.
Tout Etat peut, en haute mer ou en tout autre lieu ne relevant de la juridiction d'aucun Etat, saisir un navire ou un aéronef pirate, ou un navire ou un aéronef capturé à la suite d'un acte de piraterie et aux mains de pirates, et appréhender les personnes et saisir les biens se trouvant à bord. Les tribunaux de l'Etat qui a opéré la saisie peuvent se prononcer sur les peines à infliger, ainsi que sur les mesures à prendre en ce qui concerne le navire, l'aéronef ou les biens, réserve faite des tiers de bonne foi.
Tout Etat peut, en haute mer ou en tout autre lieu ne relevant de la juridiction d'aucun Etat, saisir un navire ou un aéronef pirate, ou un navire ou un aéronef capturé à la suite d'un acte de piraterie et aux mains de pirates, et appréhender les personnes et saisir les biens se trouvant à bord. Les tribunaux de l'Etat qui a opéré la saisie peuvent se prononcer sur les peines à infliger, ainsi que sur les mesures à prendre en ce qui concerne le navire, l'aéronef ou les biens, réserve faite des tiers de bonne foi.
Art. 106. Aansprakelijkheid voor inbeslagneming zonder voldoende grond.
Indien een schip of luchtvaartuig zonder voldoende grond in beslag is genomen wegens verdenking van piraterij, is de Staat die de inbeslagneming heeft verricht, tegenover de Staat wiens nationaliteit het schip of luchtvaartuig bezit, aansprakelijk voor ieder verlies of iedere schade die ten gevolge van de inbeslagneming is ontstaan.
Indien een schip of luchtvaartuig zonder voldoende grond in beslag is genomen wegens verdenking van piraterij, is de Staat die de inbeslagneming heeft verricht, tegenover de Staat wiens nationaliteit het schip of luchtvaartuig bezit, aansprakelijk voor ieder verlies of iedere schade die ten gevolge van de inbeslagneming is ontstaan.
Art. 106. Responsabilité en cas de saisie arbitraire.
Lorsque la saisie d'un navire ou aéronef suspect de piraterie a été effectuée sans motif suffisant, l'Etat qui y a procédé est responsable vis-à-vis de l'Etat dont le navire ou l'aéronef a la nationalité de toute perte ou de tout dommage causé de ce fait.
Lorsque la saisie d'un navire ou aéronef suspect de piraterie a été effectuée sans motif suffisant, l'Etat qui y a procédé est responsable vis-à-vis de l'Etat dont le navire ou l'aéronef a la nationalité de toute perte ou de tout dommage causé de ce fait.
Art. 107. Schepen en luchtvaartuigen die gerechtigd zijn tot inbeslagneming wegens piraterij.
Inbeslagneming wegens piraterij mag alleen geschieden door oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen, of andere schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn.
Inbeslagneming wegens piraterij mag alleen geschieden door oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen, of andere schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn.
Art. 107. Navires et aéronefs habilités à effectuer une saisie pour raison de piraterie.
Seuls les navires de guerre ou aéronefs militaires, ou les autres navires ou aéronefs qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public et qui sont autorisés à cet effet, peuvent effectuer une saisie pour cause de piraterie.
Seuls les navires de guerre ou aéronefs militaires, ou les autres navires ou aéronefs qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public et qui sont autorisés à cet effet, peuvent effectuer une saisie pour cause de piraterie.
Art. 108. Smokkel in verdovende middelen of psychotrope stoffen.
1. Alle Staten werken samen bij de onderdrukking van de smokkel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, waarmede schepen in volle zee zich bezig houden in strijd met internationale verdragen.
2. Een Staat die redelijke gronden heeft aan te nemen dat een schip dat zijn vlag voert, zich bezighoudt met smokkel in verdovende middelen of psychotrope stoffen, kan verzoeken om de medewerking van andere Staten ter onderdrukking van zodanige smokkel.
1. Alle Staten werken samen bij de onderdrukking van de smokkel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, waarmede schepen in volle zee zich bezig houden in strijd met internationale verdragen.
2. Een Staat die redelijke gronden heeft aan te nemen dat een schip dat zijn vlag voert, zich bezighoudt met smokkel in verdovende middelen of psychotrope stoffen, kan verzoeken om de medewerking van andere Staten ter onderdrukking van zodanige smokkel.
Art. 108. Trafic illicite de stupéfiants et de substances psychotropes.
1. Tous les Etats coopèrent à la répression du trafic illicite de stupéfiants et de substances psychotropes auquel se livrent, en violation des conventions internationales, des navires naviguant en haute mer.
2. Tout Etat qui a de sérieuses raisons de penser qu'un navire battant son pavillon se livre au trafic illicite de stupéfiants ou de substances psychotropes peut demander la coopération d'autres Etats pour mettre fin à ce trafic.
1. Tous les Etats coopèrent à la répression du trafic illicite de stupéfiants et de substances psychotropes auquel se livrent, en violation des conventions internationales, des navires naviguant en haute mer.
2. Tout Etat qui a de sérieuses raisons de penser qu'un navire battant son pavillon se livre au trafic illicite de stupéfiants ou de substances psychotropes peut demander la coopération d'autres Etats pour mettre fin à ce trafic.
Art. 109. Uitzendingen vanaf de volle zee waarvoor geen machtiging is verleend.
1. Alle Staten werken samen bij de onderdrukking van uitzendingen vanaf de volle zee waarvoor geen machtiging is verleend.
2. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent " uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend " het overbrengen van radio- of televisie-uitzendingen vanaf een schip of installatie in volle zee, bedoeld voor ontvangst door het publiek, in strijd met de internationale voorschriften, evenwel met uitzondering van noodseinen.
3. Personen die zich bezighouden met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend, kunnen worden vervolgd voor het gerecht van :
a) de vlaggenstaat van het schip;
b) de Staat van registratie van de installatie;
c) de Staat waarvan de persoon onderdaan is;
d) iedere Staat waar de uitzendingen kunnen worden ontvangen; of
e) iedere Staat waar de radioverbindingen waarvoor machtiging is verleend, erdoor worden gestoord.
4. In volle zee kan een Staat die rechtsmacht bezit overeenkomstig het derde lid, in overeenstemming met artikel 110 alle personen of schepen aanhouden die zich bezighouden met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend, en de uitzendapparatuur in beslag nemen.
1. Alle Staten werken samen bij de onderdrukking van uitzendingen vanaf de volle zee waarvoor geen machtiging is verleend.
2. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent " uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend " het overbrengen van radio- of televisie-uitzendingen vanaf een schip of installatie in volle zee, bedoeld voor ontvangst door het publiek, in strijd met de internationale voorschriften, evenwel met uitzondering van noodseinen.
3. Personen die zich bezighouden met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend, kunnen worden vervolgd voor het gerecht van :
a) de vlaggenstaat van het schip;
b) de Staat van registratie van de installatie;
c) de Staat waarvan de persoon onderdaan is;
d) iedere Staat waar de uitzendingen kunnen worden ontvangen; of
e) iedere Staat waar de radioverbindingen waarvoor machtiging is verleend, erdoor worden gestoord.
4. In volle zee kan een Staat die rechtsmacht bezit overeenkomstig het derde lid, in overeenstemming met artikel 110 alle personen of schepen aanhouden die zich bezighouden met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend, en de uitzendapparatuur in beslag nemen.
Art. 109. Emissions non autorisées diffusées depuis la haute mer.
1. Tous les Etats coopèrent à la répression des émissions non autorisées diffusées depuis la haute mer.
2. Aux fins de la Convention, on entend par émissions non autorisées les émissions de radio ou de télévision diffusées à l'intention du grand public depuis un navire ou une installation en haute mer en violation des règlements internationaux, à l'exclusion de la transmission des appels de détresse.
3. Toute personne qui diffuse des émissions non autorisées peut être poursuivie devant les tribunaux de :
a) l'Etat du pavillon du navire émetteur;
b) l'Etat d'immatriculation de l'installation;
c) l'Etat dont la personne en question est ressortissante;
d) tout Etat où les émissions peuvent être captées; ou
e) tout Etat dont les radiocommunications autorisées sont brouillées par ces émissions.
4. En haute mer, un Etat ayant juridiction conformément au paragraphe 3 peut, en conformité avec l'article 110, arrêter toute personne ou immobilier tout navire qui diffuse des émissions non autorisées et saisir le matériel d'émission.
1. Tous les Etats coopèrent à la répression des émissions non autorisées diffusées depuis la haute mer.
2. Aux fins de la Convention, on entend par émissions non autorisées les émissions de radio ou de télévision diffusées à l'intention du grand public depuis un navire ou une installation en haute mer en violation des règlements internationaux, à l'exclusion de la transmission des appels de détresse.
3. Toute personne qui diffuse des émissions non autorisées peut être poursuivie devant les tribunaux de :
a) l'Etat du pavillon du navire émetteur;
b) l'Etat d'immatriculation de l'installation;
c) l'Etat dont la personne en question est ressortissante;
d) tout Etat où les émissions peuvent être captées; ou
e) tout Etat dont les radiocommunications autorisées sont brouillées par ces émissions.
4. En haute mer, un Etat ayant juridiction conformément au paragraphe 3 peut, en conformité avec l'article 110, arrêter toute personne ou immobilier tout navire qui diffuse des émissions non autorisées et saisir le matériel d'émission.
Art. 110. Recht van onderzoek.
1. Behalve in gevallen waarin zulks is toegestaan uit hoofde van aan verdragen ontleende bevoegdheden is een oorlogsschip dat in volle zee een vreemd schip aantreft, dat geen schip is dat overeenkomstig de artikelen 95 en 96 recht heeft op volledige immuniteit, niet gerechtigd het aan te houden, tenzij er gegronde reden bestaat aan te nemen :
a) dat het schip zich bezighoudt met piraterij;
b) dat het schip zich bezighoudt met slavenhandel;
c) dat het schip zich bezighoudt met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend en de vlaggenstaat van het oorlogsschip ingevolge artikel 109 rechtsmacht bezit;
d) dat het schip geen nationaliteit heeft; of
e) dat het schip, hoewel het een vreemde vlag voert of weigert zijn vlag te tonen, in werkelijkheid van dezelfde nationaliteit is als het oorlogsschip.
2. In de gevallen bedoeld in het eerste lid kan het oorlogsschip overgaan tot een onderzoek naar het recht van het schip tot het voeren van zijn vlag. Te dien einde kan het een boot naar het verdachte schip zenden onder bevel van een officier. Indien er na het onderzoek van de scheepspapieren verdenking blijft bestaan, kan het overgaan tot een nader onderzoek aan boord van het schip, welk onderzoek dient te geschieden zonder onnodige overlast te veroorzaken.
3. Indien de verdenkingen ongegrond blijken te zijn en indien het aangehouden schip niets heeft gedaan om die verdenkingen te rechtvaardigen, wordt het schadeloos gesteld voor ieder verlies of iedere schade daardoor eventueel geleden.
4. Deze bepalingen zijn mutatis mutandis van toepassing op militaire luchtvaartuigen.
5. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op andere naar behoren gemachtigde schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in gebruik zijn bij de Staat.
1. Behalve in gevallen waarin zulks is toegestaan uit hoofde van aan verdragen ontleende bevoegdheden is een oorlogsschip dat in volle zee een vreemd schip aantreft, dat geen schip is dat overeenkomstig de artikelen 95 en 96 recht heeft op volledige immuniteit, niet gerechtigd het aan te houden, tenzij er gegronde reden bestaat aan te nemen :
a) dat het schip zich bezighoudt met piraterij;
b) dat het schip zich bezighoudt met slavenhandel;
c) dat het schip zich bezighoudt met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend en de vlaggenstaat van het oorlogsschip ingevolge artikel 109 rechtsmacht bezit;
d) dat het schip geen nationaliteit heeft; of
e) dat het schip, hoewel het een vreemde vlag voert of weigert zijn vlag te tonen, in werkelijkheid van dezelfde nationaliteit is als het oorlogsschip.
2. In de gevallen bedoeld in het eerste lid kan het oorlogsschip overgaan tot een onderzoek naar het recht van het schip tot het voeren van zijn vlag. Te dien einde kan het een boot naar het verdachte schip zenden onder bevel van een officier. Indien er na het onderzoek van de scheepspapieren verdenking blijft bestaan, kan het overgaan tot een nader onderzoek aan boord van het schip, welk onderzoek dient te geschieden zonder onnodige overlast te veroorzaken.
3. Indien de verdenkingen ongegrond blijken te zijn en indien het aangehouden schip niets heeft gedaan om die verdenkingen te rechtvaardigen, wordt het schadeloos gesteld voor ieder verlies of iedere schade daardoor eventueel geleden.
4. Deze bepalingen zijn mutatis mutandis van toepassing op militaire luchtvaartuigen.
5. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op andere naar behoren gemachtigde schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in gebruik zijn bij de Staat.
Art. 110. Droit de visite.
1. Sauf dans les cas où l'intervention procède de pouvoirs conférés par traité, un navire de guerre qui croise en haute mer un navire étranger, autre qu'un navire jouissant de l'immunité prévue aux articles 95 et 96, ne peut l'arraisonner que s'il a de sérieuses raisons de soupçonner que ce navire :
a) se livre à la piraterie;
b) se livre au transport d'esclaves;
c) sert à des émissions non autorisées, l'Etat du pavillon du navire de guerre ayant juridiction en vertu de l'article 109;
d) est sans nationalité; ou
e) a en réalité la même nationalité que le navire de guerre, bien qu'il batte pavillon étranger ou refuse d'arborer son pavillon.
2. Dans les cas visés au paragraphe 1, le navire de guerre peut procéder à la vérification des titres autorisant le port du pavillon. A cette fin, il peut dépêcher une embarcation, sous le commandement d'un officier, auprès du navire suspect. Si, après vérification des documents, les soupcons subsistent, il peut poursuivre l'examen à bord du navire, en agissant avec tous les égards possibles.
3. Si les soupcons se révèlent dénués de fondement, le navire arraisonné est indemnisé de toute perte ou de tout dommage éventuel, à condition qu'il n'ait commis aucun acte le rendant suspect.
4. Les présentes dispositions s'appliquent mutatis mutandis aux aéronefs militaires.
5. Les présentes dispositions s'appliquent également à tous autres navires ou aéronefs dûment autorisés et portant des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public.
1. Sauf dans les cas où l'intervention procède de pouvoirs conférés par traité, un navire de guerre qui croise en haute mer un navire étranger, autre qu'un navire jouissant de l'immunité prévue aux articles 95 et 96, ne peut l'arraisonner que s'il a de sérieuses raisons de soupçonner que ce navire :
a) se livre à la piraterie;
b) se livre au transport d'esclaves;
c) sert à des émissions non autorisées, l'Etat du pavillon du navire de guerre ayant juridiction en vertu de l'article 109;
d) est sans nationalité; ou
e) a en réalité la même nationalité que le navire de guerre, bien qu'il batte pavillon étranger ou refuse d'arborer son pavillon.
2. Dans les cas visés au paragraphe 1, le navire de guerre peut procéder à la vérification des titres autorisant le port du pavillon. A cette fin, il peut dépêcher une embarcation, sous le commandement d'un officier, auprès du navire suspect. Si, après vérification des documents, les soupcons subsistent, il peut poursuivre l'examen à bord du navire, en agissant avec tous les égards possibles.
3. Si les soupcons se révèlent dénués de fondement, le navire arraisonné est indemnisé de toute perte ou de tout dommage éventuel, à condition qu'il n'ait commis aucun acte le rendant suspect.
4. Les présentes dispositions s'appliquent mutatis mutandis aux aéronefs militaires.
5. Les présentes dispositions s'appliquent également à tous autres navires ou aéronefs dûment autorisés et portant des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public.
Art. 111. Achtervolgingsrecht.
1. Een vreemd schip kan worden achtervolgd als de bevoegde autoriteiten van de kuststaat goede redenen hebben aan te nemen, dat het schip de wetten en voorschriften van die Staat heeft overtreden. Een dergelijke achtervolging dient aan te vangen wanneer het vreemde schip of een van zijn boten zich binnen de binnenwateren, de archipelwateren, de territoriale zee of de aansluitende zone van de achtervolgende Staat bevindt en mag alleen buiten de territoriale zee of de aansluitende zone worden voortgezet, indien de achtervolging niet is onderbroken. Het is niet noodzakelijk dat, op het ogenblik waarop het vreemde schip binnen de territoriale zee of de aansluitende zone bevel krijgt te stoppen, het schip dat het bevel geeft zich eveneens binnen de territoriale zee of de aansluitende zone bevindt. Indien het vreemde schip zich bevindt binnen een aansluitende zone als omschreven in artikel 33, mag slechts tot achtervolging worden overgegaan, indien er een inbreuk heeft plaats gehad op de rechten voor welker bescherming de zone is ingesteld.
2. Het recht van achtervolging is mutatis mutandis van toepassing op overtredingen in de exclusieve economische zone of op het continentale plat, met inbegrip van de veiligheidszones rond installaties op het continentale plat, van de wetten en voorschriften van de kuststaat die overeenkomstig dit Verdrag van toepassing zijn op de exclusieve economische zone of het continentale plat, met inbegrip van zulke veiligheidszones.
3. Het achtervolgingsrecht houdt op zodra het achtervolgde schip de territoriale zee van zijn eigen land of van een derde Staat bereikt.
4. De achtervolging wordt niet geacht te zijn begonnen voordat het achtervolgende schip zich er met behulp van de ter beschikking staande bruikbare middelen van overtuigd heeft, dat het achtervolgde schip of een van zijn boten of andere schepen die in één verband werken en het achtervolgde schip als moederschip gebruiken zich bevinden binnen de territoriale zee, onderscheidenlijk de aansluitende zone of de exclusieve economische zone of boven het continentale plat. De achtervolging mag slechts worden begonnen nadat een zichtbaar of hoorbaar signaal tot stoppen is gegeven op een afstand die het voor het vreemde schip mogelijk maakt het signaal te zien of te horen.
5. Het achtervolgingsrecht mag alleen worden uitgeoefend door oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen of andere schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn.
6. Indien de achtervolging wordt verricht door een luchtvaartuig :
a) zijn de bepalingen van het eerste tot en met het vierde lid mutatis mutandis van toepassing;
b) moet het luchtvaartuig dat het bevel tot stoppen geeft zelf het schip daadwerkelijk achtervolgen tot het ogenblik waarop een schip of luchtvaartuig van de kuststaat, dat door het luchtvaartuig is opgeroepen, ter plaatse verschijnt om de achtervolging over te nemen, tenzij het luchtvaartuig zelf in staat is het schip aan te houden. Het is geen voldoende rechtvaardiging voor een aanhouding buiten de territoriale zee dat het schip slechts door het luchtvaartuig is ontdekt als overtreder of als verdacht van een overtreding, indien het niet bevel heeft gekregen te stoppen, alsmede is achtervolgd door het luchtvaartuig zelf of door andere luchtvaartuigen of schepen die de achtervolging ononderbroken voortzetten.
7. Het vrijgeven van een schip dat binnen de rechtsmacht van een Staat is aangehouden en dat naar een haven van die Staat is geëscorteerd met de bedoeling dat daar een onderzoek zal worden ingesteld door de bevoegde autoriteiten, kan niet worden geëist alleen op grond van het feit dat het schip, tijdens zijn reis, door een deel van de exclusieve economische zone of over een deel van de volle zee geëscorteerd werd, indien de omstandigheden zulks noodzakelijk maakten.
8. Indien een schip buiten de territoriale zee tot stoppen is gedwongen of aangehouden onder omstandigheden die de uitoefening van het achtervolgingsrecht niet rechtvaardigen, dient het schip voor ieder verlies of iedere schade daardoor eventueel geleden, schadeloos te worden gesteld.
1. Een vreemd schip kan worden achtervolgd als de bevoegde autoriteiten van de kuststaat goede redenen hebben aan te nemen, dat het schip de wetten en voorschriften van die Staat heeft overtreden. Een dergelijke achtervolging dient aan te vangen wanneer het vreemde schip of een van zijn boten zich binnen de binnenwateren, de archipelwateren, de territoriale zee of de aansluitende zone van de achtervolgende Staat bevindt en mag alleen buiten de territoriale zee of de aansluitende zone worden voortgezet, indien de achtervolging niet is onderbroken. Het is niet noodzakelijk dat, op het ogenblik waarop het vreemde schip binnen de territoriale zee of de aansluitende zone bevel krijgt te stoppen, het schip dat het bevel geeft zich eveneens binnen de territoriale zee of de aansluitende zone bevindt. Indien het vreemde schip zich bevindt binnen een aansluitende zone als omschreven in artikel 33, mag slechts tot achtervolging worden overgegaan, indien er een inbreuk heeft plaats gehad op de rechten voor welker bescherming de zone is ingesteld.
2. Het recht van achtervolging is mutatis mutandis van toepassing op overtredingen in de exclusieve economische zone of op het continentale plat, met inbegrip van de veiligheidszones rond installaties op het continentale plat, van de wetten en voorschriften van de kuststaat die overeenkomstig dit Verdrag van toepassing zijn op de exclusieve economische zone of het continentale plat, met inbegrip van zulke veiligheidszones.
3. Het achtervolgingsrecht houdt op zodra het achtervolgde schip de territoriale zee van zijn eigen land of van een derde Staat bereikt.
4. De achtervolging wordt niet geacht te zijn begonnen voordat het achtervolgende schip zich er met behulp van de ter beschikking staande bruikbare middelen van overtuigd heeft, dat het achtervolgde schip of een van zijn boten of andere schepen die in één verband werken en het achtervolgde schip als moederschip gebruiken zich bevinden binnen de territoriale zee, onderscheidenlijk de aansluitende zone of de exclusieve economische zone of boven het continentale plat. De achtervolging mag slechts worden begonnen nadat een zichtbaar of hoorbaar signaal tot stoppen is gegeven op een afstand die het voor het vreemde schip mogelijk maakt het signaal te zien of te horen.
5. Het achtervolgingsrecht mag alleen worden uitgeoefend door oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen of andere schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn.
6. Indien de achtervolging wordt verricht door een luchtvaartuig :
a) zijn de bepalingen van het eerste tot en met het vierde lid mutatis mutandis van toepassing;
b) moet het luchtvaartuig dat het bevel tot stoppen geeft zelf het schip daadwerkelijk achtervolgen tot het ogenblik waarop een schip of luchtvaartuig van de kuststaat, dat door het luchtvaartuig is opgeroepen, ter plaatse verschijnt om de achtervolging over te nemen, tenzij het luchtvaartuig zelf in staat is het schip aan te houden. Het is geen voldoende rechtvaardiging voor een aanhouding buiten de territoriale zee dat het schip slechts door het luchtvaartuig is ontdekt als overtreder of als verdacht van een overtreding, indien het niet bevel heeft gekregen te stoppen, alsmede is achtervolgd door het luchtvaartuig zelf of door andere luchtvaartuigen of schepen die de achtervolging ononderbroken voortzetten.
7. Het vrijgeven van een schip dat binnen de rechtsmacht van een Staat is aangehouden en dat naar een haven van die Staat is geëscorteerd met de bedoeling dat daar een onderzoek zal worden ingesteld door de bevoegde autoriteiten, kan niet worden geëist alleen op grond van het feit dat het schip, tijdens zijn reis, door een deel van de exclusieve economische zone of over een deel van de volle zee geëscorteerd werd, indien de omstandigheden zulks noodzakelijk maakten.
8. Indien een schip buiten de territoriale zee tot stoppen is gedwongen of aangehouden onder omstandigheden die de uitoefening van het achtervolgingsrecht niet rechtvaardigen, dient het schip voor ieder verlies of iedere schade daardoor eventueel geleden, schadeloos te worden gesteld.
Art. 111. Droit de poursuite.
1. La poursuite d'un navire étranger peut être engagée si les autorités competentes de l'Etat côtier ont de sérieuses raisons de penser que ce navire a contrevenu aux lois et règlements de cet Etat. Cette poursuite doit commencer lorsque le navire étranger ou une de ses embarcations se trouve dans les eaux intérieures, dans les eaux archipélagiques, dans la mer territoriale ou dans la zone contiguë de l'Etat poursuivant, et ne peut être continuée au-delà des limites de la mer territoriale ou de la zone contiguë qu'à la condition de ne pas avoir été interrompue. Il n'est pas nécessaire que le navire qui ordonne de stopper au navire étranger naviguant dans la mer territoriale ou dans la zone contiguë s'y trouve également au moment de la réception de l'ordre par le navire visé. Si le navire étranger se trouve dans la zone contiguë, définie à l'article 33, la poursuite ne peut être engagée que s'il a violé des droits que l'institution de cette zone a pour objet de protéger.
2. Le droit de poursuite s'applique mutatis mutandis aux infractions aux lois et règlements de l'Etat côtier applicables, conformément à la Convention, à la zone économique exclusive ou au plateau continental, y compris les zones de sécurité entourant les installations situées sur le plateau continental, si ces infractions ont été commises dans les zones mentionnées.
3. Le droit de poursuite cesse dès que le navire poursuivi entre dans la mer territoriale de l'Etat dont il releve ou d'un autre Etat.
4. La poursuite n'est considérée comme commencée que si le navire poursuivant s'est assuré, par tous les moyens utilisables dont il dispose, que le navire poursuivi ou l'une de ses embarcations ou d'autres embarcations fonctionnant en équipe et utilisant le navire poursuivi comme navire gigogne se trouvent à l'intérieur des limites de la mer territoriale ou, le cas échéant, dans la zone contiguë, dans la zone économique, dans la zone économique exclusive ou au-dessus du plateau continental. La poursuite ne peut commencer qu'après l'émission d'un signal de stopper, visuel ou sonore, donné à une distance permettant au navire visé de le percevoir.
5. Le droit de poursuite ne peut être exercé que par des navires de guerre ou des aéronefs militaires ou d'autres navires ou aéronefs qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'il sont affectés à un service public et qui sont autorisés à cet effet.
6. Dans le cas où le navire est poursuivi par un aéronef :
a) les paragraphes 1 à 4 s'appliquent mutatis mutandis;
b) l'aéronef qui donne l'ordre de stopper doit lui-même poursuivre le navire jusqu'à ce qu'un navire ou un autre aéronef de l'Etat côtier, alerté par le premier aéronef, arrive sur les lieux pour continuer la poursuite, à moins qu'il ne puisse lui-même arrêter le navire. Pour justifier l'arrêt d'un navire en dehors de la mer territoriale, il ne suffit pas que celui-ci ait été simplement repéré comme ayant commis une infraction ou comme étant suspect d'infraction; il faut encore qu'il a été à la fois requis de stopper et poursuivi par l'aeronef qui l'a repéré ou par d'autres aéronefs ou navires sans que la poursuite ait été interrompue.
7. La mainlevée de l'immobilisation d'un navire arrêté en un lieu relevant de la juridiction d'un Etat et escorté vers un port de cet Etat en vue d'une enquête par les autorités compétentes ne peut être exigée que pour le seul motif que le navire a traversé sous escorte, parce que les circonstances l'imposaient, une partie de la zone économique exclusive ou de la haute mer.
8. Un navire qui a été stoppé ou arrêté en dehors de la mer territoriale dans des circonstances ne justifiant pas l'exercice du droit de poursuite est indemnisé de toute perte ou de tout dommage éventuels.
1. La poursuite d'un navire étranger peut être engagée si les autorités competentes de l'Etat côtier ont de sérieuses raisons de penser que ce navire a contrevenu aux lois et règlements de cet Etat. Cette poursuite doit commencer lorsque le navire étranger ou une de ses embarcations se trouve dans les eaux intérieures, dans les eaux archipélagiques, dans la mer territoriale ou dans la zone contiguë de l'Etat poursuivant, et ne peut être continuée au-delà des limites de la mer territoriale ou de la zone contiguë qu'à la condition de ne pas avoir été interrompue. Il n'est pas nécessaire que le navire qui ordonne de stopper au navire étranger naviguant dans la mer territoriale ou dans la zone contiguë s'y trouve également au moment de la réception de l'ordre par le navire visé. Si le navire étranger se trouve dans la zone contiguë, définie à l'article 33, la poursuite ne peut être engagée que s'il a violé des droits que l'institution de cette zone a pour objet de protéger.
2. Le droit de poursuite s'applique mutatis mutandis aux infractions aux lois et règlements de l'Etat côtier applicables, conformément à la Convention, à la zone économique exclusive ou au plateau continental, y compris les zones de sécurité entourant les installations situées sur le plateau continental, si ces infractions ont été commises dans les zones mentionnées.
3. Le droit de poursuite cesse dès que le navire poursuivi entre dans la mer territoriale de l'Etat dont il releve ou d'un autre Etat.
4. La poursuite n'est considérée comme commencée que si le navire poursuivant s'est assuré, par tous les moyens utilisables dont il dispose, que le navire poursuivi ou l'une de ses embarcations ou d'autres embarcations fonctionnant en équipe et utilisant le navire poursuivi comme navire gigogne se trouvent à l'intérieur des limites de la mer territoriale ou, le cas échéant, dans la zone contiguë, dans la zone économique, dans la zone économique exclusive ou au-dessus du plateau continental. La poursuite ne peut commencer qu'après l'émission d'un signal de stopper, visuel ou sonore, donné à une distance permettant au navire visé de le percevoir.
5. Le droit de poursuite ne peut être exercé que par des navires de guerre ou des aéronefs militaires ou d'autres navires ou aéronefs qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'il sont affectés à un service public et qui sont autorisés à cet effet.
6. Dans le cas où le navire est poursuivi par un aéronef :
a) les paragraphes 1 à 4 s'appliquent mutatis mutandis;
b) l'aéronef qui donne l'ordre de stopper doit lui-même poursuivre le navire jusqu'à ce qu'un navire ou un autre aéronef de l'Etat côtier, alerté par le premier aéronef, arrive sur les lieux pour continuer la poursuite, à moins qu'il ne puisse lui-même arrêter le navire. Pour justifier l'arrêt d'un navire en dehors de la mer territoriale, il ne suffit pas que celui-ci ait été simplement repéré comme ayant commis une infraction ou comme étant suspect d'infraction; il faut encore qu'il a été à la fois requis de stopper et poursuivi par l'aeronef qui l'a repéré ou par d'autres aéronefs ou navires sans que la poursuite ait été interrompue.
7. La mainlevée de l'immobilisation d'un navire arrêté en un lieu relevant de la juridiction d'un Etat et escorté vers un port de cet Etat en vue d'une enquête par les autorités compétentes ne peut être exigée que pour le seul motif que le navire a traversé sous escorte, parce que les circonstances l'imposaient, une partie de la zone économique exclusive ou de la haute mer.
8. Un navire qui a été stoppé ou arrêté en dehors de la mer territoriale dans des circonstances ne justifiant pas l'exercice du droit de poursuite est indemnisé de toute perte ou de tout dommage éventuels.
Art. 112. Recht tot het leggen van onderzeese kabels en pijpleidingen.
1. Alle Staten hebben het recht onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen op de bodem van de volle zee buiten het continentale plat.
2. Artikel 79, vijfde lid, is op zulke kabels en pijpleidingen van toepassing.
1. Alle Staten hebben het recht onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen op de bodem van de volle zee buiten het continentale plat.
2. Artikel 79, vijfde lid, is op zulke kabels en pijpleidingen van toepassing.
Art. 112. Droit de poser des câbles ou des pipelines sous-marins.
1. Tout Etat a le droit de poser des câbles ou des pipelines sous-marins sous le fond de la haute mer, au-delà du plateau continental.
2. L'article 79, paragraphe 5, s'applique à ces câbles et pipelines.
1. Tout Etat a le droit de poser des câbles ou des pipelines sous-marins sous le fond de la haute mer, au-delà du plateau continental.
2. L'article 79, paragraphe 5, s'applique à ces câbles et pipelines.
Art. 113. Breuk of beschadiging van een onderzeese kabel of pijpleiding.
Iedere Staat neemt de wetten en voorschriften aan nodig om te bepalen dat strafbaar is het opzettelijk of ten gevolge van grove onachtzaamheid breken of beschadigen van een onderzeese kabel in volle zee door een schip dat zijn vlag voert, of door een persoon die is onderworpen aan zijn rechtsmacht, op een zodanige wijze, dat daardoor de telegraaf- of telefoonverbindingen kunnen worden onderbroken of bemoeilijkt, alsmede het breken of beschadigen van een onderzeese pijpleiding of een sterkstroomkabel. Deze bepaling is ook van toepassing op gedrag opzettelijk gericht op of vermoedelijk leidend tot een dergelijke breuk of beschadiging. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op een breuk of beschadiging veroorzaakt door personen die slechts handelen met het gerechtvaardigde doel hun leven of hun schip te redden, nadat zij alle noodzakelijke voorzorgen hadden genomen om een dergelijke breuk of beschadiging te vermijden.
Iedere Staat neemt de wetten en voorschriften aan nodig om te bepalen dat strafbaar is het opzettelijk of ten gevolge van grove onachtzaamheid breken of beschadigen van een onderzeese kabel in volle zee door een schip dat zijn vlag voert, of door een persoon die is onderworpen aan zijn rechtsmacht, op een zodanige wijze, dat daardoor de telegraaf- of telefoonverbindingen kunnen worden onderbroken of bemoeilijkt, alsmede het breken of beschadigen van een onderzeese pijpleiding of een sterkstroomkabel. Deze bepaling is ook van toepassing op gedrag opzettelijk gericht op of vermoedelijk leidend tot een dergelijke breuk of beschadiging. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op een breuk of beschadiging veroorzaakt door personen die slechts handelen met het gerechtvaardigde doel hun leven of hun schip te redden, nadat zij alle noodzakelijke voorzorgen hadden genomen om een dergelijke breuk of beschadiging te vermijden.
Art. 113. Rupture ou détérioration d'un câble ou d'un pipeline sous-marin.
Tout Etat adopte les lois et règlements nécessaires pour que constituent des infractions passibles de sanctions, la rupture ou la détérioration délibérée ou due à une négligence coupable par un navire battant son pavillon ou une personne relevant de sa juridiction d'un câble à haute tension ou d'un pipeline sous-marin en haute mer, ainsi que d'un câble télégraphique ou téléphonique sous-marin dans la mesure où il risque de s'ensuivre des perturbations ou l'interruption des communications télégraphiques ou télephoniques. Cette disposition vise également tout comportement susceptible de provoquer la rupture ou la détérioration de tels câbles ou pipelines, ou y tendant délibérément. Toutefois, elle ne s'applique pas lorsque la rupture ou la détérioration de tels câbles et pipelines est le fait de personnes qui, après avoir pris toutes les précautions nécessaires pour l'éviter, n'ont agi que dans le but legitime de sauver leur vie ou leur navire.
Tout Etat adopte les lois et règlements nécessaires pour que constituent des infractions passibles de sanctions, la rupture ou la détérioration délibérée ou due à une négligence coupable par un navire battant son pavillon ou une personne relevant de sa juridiction d'un câble à haute tension ou d'un pipeline sous-marin en haute mer, ainsi que d'un câble télégraphique ou téléphonique sous-marin dans la mesure où il risque de s'ensuivre des perturbations ou l'interruption des communications télégraphiques ou télephoniques. Cette disposition vise également tout comportement susceptible de provoquer la rupture ou la détérioration de tels câbles ou pipelines, ou y tendant délibérément. Toutefois, elle ne s'applique pas lorsque la rupture ou la détérioration de tels câbles et pipelines est le fait de personnes qui, après avoir pris toutes les précautions nécessaires pour l'éviter, n'ont agi que dans le but legitime de sauver leur vie ou leur navire.
Art. 114. Breuk of beschadiging door eigenaars van een onderzeese kabel of pijpleiding van een andere onderzeese kabel of pijpleiding.
Iedere Staat neemt de wetten en voorschriften aan nodig om te bepalen dat, indien aan zijn rechtsmacht onderworpen personen die eigenaar zijn van een kabel of een pijpleiding in volle zee, bij het leggen of herstellen van die kabel of pijpleiding een breuk in of schade aan een andere kabel of pijpleiding veroorzaken, deze personen de kosten van het herstel moeten betalen.
Iedere Staat neemt de wetten en voorschriften aan nodig om te bepalen dat, indien aan zijn rechtsmacht onderworpen personen die eigenaar zijn van een kabel of een pijpleiding in volle zee, bij het leggen of herstellen van die kabel of pijpleiding een breuk in of schade aan een andere kabel of pijpleiding veroorzaken, deze personen de kosten van het herstel moeten betalen.
Art. 114. Rupture ou détérioration d'un câble ou d'un pipeline sous-marin par le propriétaire d'un autre câble ou pipeline.
Tout Etat adopte les lois et règlements nécessaires pour qu'en cas de rupture ou de détérioration en haute mer d'un câble ou d'un pipeline sous-marin causée par la pose d'un autre câble ou pipeline appartenant à une personne relevant de sa juridiction, cette personne supporte les frais de réparation des dommages qu'elle a causes.
Tout Etat adopte les lois et règlements nécessaires pour qu'en cas de rupture ou de détérioration en haute mer d'un câble ou d'un pipeline sous-marin causée par la pose d'un autre câble ou pipeline appartenant à une personne relevant de sa juridiction, cette personne supporte les frais de réparation des dommages qu'elle a causes.
Art. 115. Schadeloosstelling voor verlies, geleden bij het voorkomen van schade aan een onderzeese kabel of pijpleiding.
Iedere Staat neemt de wetten en voorschriften aan nodig om te verzekeren, dat eigenaars van schepen die kunnen bewijzen dat zij een anker, net of ander vistuig hebben opgeofferd ten einde beschadiging van een onderzeese kabel of pijpleiding te voorkomen, schadeloos zullen worden gesteld door de eigenaar van de kabel of pijpleiding, onder voorwaarde dat de eigenaar van het schip van te voren alle redelijke voorzorgsmaatregelen heeft genomen.
Iedere Staat neemt de wetten en voorschriften aan nodig om te verzekeren, dat eigenaars van schepen die kunnen bewijzen dat zij een anker, net of ander vistuig hebben opgeofferd ten einde beschadiging van een onderzeese kabel of pijpleiding te voorkomen, schadeloos zullen worden gesteld door de eigenaar van de kabel of pijpleiding, onder voorwaarde dat de eigenaar van het schip van te voren alle redelijke voorzorgsmaatregelen heeft genomen.
Art. 115. Indemnisation des pertes encourues pour avoir évité de détériorer un câble ou un pipeline sous-marin.
Tout Etat adopte les lois et règlements nécessaires pour que le propriétaire d'un navire qui apporte la preuve qu'il a sacrifié une ancre, un filet ou un autre engin de pêche pour éviter d'endommager un câble ou un pipeline sous-marin soit indemnisé par le propriétaire du cable ou du pipeline à condition que le propriétaire du navire ait pris toutes mesures de précaution raisonnables.
Tout Etat adopte les lois et règlements nécessaires pour que le propriétaire d'un navire qui apporte la preuve qu'il a sacrifié une ancre, un filet ou un autre engin de pêche pour éviter d'endommager un câble ou un pipeline sous-marin soit indemnisé par le propriétaire du cable ou du pipeline à condition que le propriétaire du navire ait pris toutes mesures de précaution raisonnables.
Afdeling 2. - Behoud en beheer van de levende rijkdommen van de volle zee.
Section 2. - Conservation et gestion des ressources biologiques de la haute mer.
Art. 116. Recht te vissen op de volle zee.
Alle Staten hebben ten behoeve van hun onderdanen het recht om de visserij op de volle zee uit te oefenen, onder inachtneming van :
a) hun verdragsrechtelijke verplichtingen;
b) de rechten en plichten alsmede de belangen van kuststaten zoals bepaald in onder andere artikel 63, tweede lid, en de artikelen 64 tot en met 67; en
c) de bepalingen van deze afdeling.
Alle Staten hebben ten behoeve van hun onderdanen het recht om de visserij op de volle zee uit te oefenen, onder inachtneming van :
a) hun verdragsrechtelijke verplichtingen;
b) de rechten en plichten alsmede de belangen van kuststaten zoals bepaald in onder andere artikel 63, tweede lid, en de artikelen 64 tot en met 67; en
c) de bepalingen van deze afdeling.
Art. 116. Droit de pêche en haute mer.
Tous les Etats ont droit à ce que leurs ressortissants pêchent en haute mer, sous réserve :
a) de leurs obligations conventionnelles;
b) des droits et obligations ainsi que des intérêts des Etats côtiers tels qu'ils sont prevus, entre autres, à l'article 63, paragraphe 2, et aux articles 64 à 67; et
c) de la présente section.
Tous les Etats ont droit à ce que leurs ressortissants pêchent en haute mer, sous réserve :
a) de leurs obligations conventionnelles;
b) des droits et obligations ainsi que des intérêts des Etats côtiers tels qu'ils sont prevus, entre autres, à l'article 63, paragraphe 2, et aux articles 64 à 67; et
c) de la présente section.
Art. 117. Plicht van Staten jegens hun onderdanen maatregelen te treffen voor het behoud van de levende rijkdommen van de volle zee.
Op alle Staten rust de plicht zelf of in samenwerking met andere Staten die maatregelen jegens hun onderdanen te treffen, die nodig zijn voor het behoud van de levende rijkdommen van de volle zee.
Op alle Staten rust de plicht zelf of in samenwerking met andere Staten die maatregelen jegens hun onderdanen te treffen, die nodig zijn voor het behoud van de levende rijkdommen van de volle zee.
Art. 117. Obligation pour les Etats de prendre à l'égard de leurs ressortissants des mesures de conservation des ressources biologiques de la haute mer.
Tous les Etats ont l'obligation de prendre les mesures, applicables à leurs ressortissants, qui peuvent être nécessaires pour assurer la conservation des ressources biologiques de la haute mer, ou de coopérer avec d'autres Etats à la prise de telles mesures.
Tous les Etats ont l'obligation de prendre les mesures, applicables à leurs ressortissants, qui peuvent être nécessaires pour assurer la conservation des ressources biologiques de la haute mer, ou de coopérer avec d'autres Etats à la prise de telles mesures.
Art. 118. Samenwerking tussen Staten bij het behoud en het beheer van levende rijkdommen.
De Staten werken met elkaar samen bij het behoud en het beheer van levende rijkdommen in de gebieden van de volle zee. Staten wier onderdanen dezelfde levende rijkdommen, of verschillende levende rijkdommen in hetzelfde gebied exploiteren, dienen onderhandelingen aan te knopen ten einde de noodzakelijke maatregelen te nemen voor het behoud van de betrokken levende rijkdommen. Al naar passend werken zij samen bij de oprichting hiertoe van subregionale of regionale visserijorganisaties.
De Staten werken met elkaar samen bij het behoud en het beheer van levende rijkdommen in de gebieden van de volle zee. Staten wier onderdanen dezelfde levende rijkdommen, of verschillende levende rijkdommen in hetzelfde gebied exploiteren, dienen onderhandelingen aan te knopen ten einde de noodzakelijke maatregelen te nemen voor het behoud van de betrokken levende rijkdommen. Al naar passend werken zij samen bij de oprichting hiertoe van subregionale of regionale visserijorganisaties.
Art. 118. Coopération des Etats à la conservation et à la gestion des ressources biologiques.
Les Etats coopèrent à la conservation et à la gestion des ressources biologiques en haute mer. Les Etats dont les ressortissants exploitent des ressources biologiques différentes situées dans une même zone ou des ressources biologiques identiques négocient en vue de prendre les mesures nécessaires à la conservation des ressources concernées. A cette fin, ils coopèrent, si besoin est, pour créer des organisations de pêche sous-régionales ou régionales.
Les Etats coopèrent à la conservation et à la gestion des ressources biologiques en haute mer. Les Etats dont les ressortissants exploitent des ressources biologiques différentes situées dans une même zone ou des ressources biologiques identiques négocient en vue de prendre les mesures nécessaires à la conservation des ressources concernées. A cette fin, ils coopèrent, si besoin est, pour créer des organisations de pêche sous-régionales ou régionales.
Art. 119. Behoud van de levende rijkdommen van de volle zee.
1. Bij de vaststelling van de toelaatbare vangst en het vaststellen van andere maatregelen tot behoud van de levende rijkdommen in de volle zee dienen de Staten :
a) maatregelen te nemen die erop zijn gericht, op grond van de beste wetenschappelijke gegevens waarover de betrokken Staten beschikken, populaties van geoogste soorten in stand te houden of te herstellen op een peil dat een gedurig maximale opbrengst oplevert, zoals nader bepaald door milieutechnische en economische factoren, met inbegrip van de bijzondere behoeften van ontwikkelingsstaten en met inachtneming van de visserijpatronen, de onderlinge afhankelijkheid van visstapels en algemeen aanbevolen internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale minimumnormen;
b) rekening te houden met de gevolgen voor soorten die verwant zijn met of afhankelijk van geoogste soorten ten einde populaties van zulke verwante of afhankelijke soorten in stand te houden of te herstellen tot boven het peil waarop hun voortplanting ernstig kan worden bedreigd.
2. De beschikbare wetenschappelijke gegevens, statistieken inzake vangst en visserij en andere voor het behoud van visstapels van belang zijnde gegevens worden regelmatig bijgedragen en uitgewisseld via bevoegde subregionale, regionale of mondiale, internationale organisaties, naar gelang passend, en waaraan wordt deelgenomen door alle betrokken Staten.
3. De betrokken Staten verzekeren dat maatregelen voor het behoud en de tenuitvoerlegging van deze maatregelen niet naar vorm of in feite discriminatie inhouden van vissers van enige Staat.
1. Bij de vaststelling van de toelaatbare vangst en het vaststellen van andere maatregelen tot behoud van de levende rijkdommen in de volle zee dienen de Staten :
a) maatregelen te nemen die erop zijn gericht, op grond van de beste wetenschappelijke gegevens waarover de betrokken Staten beschikken, populaties van geoogste soorten in stand te houden of te herstellen op een peil dat een gedurig maximale opbrengst oplevert, zoals nader bepaald door milieutechnische en economische factoren, met inbegrip van de bijzondere behoeften van ontwikkelingsstaten en met inachtneming van de visserijpatronen, de onderlinge afhankelijkheid van visstapels en algemeen aanbevolen internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale minimumnormen;
b) rekening te houden met de gevolgen voor soorten die verwant zijn met of afhankelijk van geoogste soorten ten einde populaties van zulke verwante of afhankelijke soorten in stand te houden of te herstellen tot boven het peil waarop hun voortplanting ernstig kan worden bedreigd.
2. De beschikbare wetenschappelijke gegevens, statistieken inzake vangst en visserij en andere voor het behoud van visstapels van belang zijnde gegevens worden regelmatig bijgedragen en uitgewisseld via bevoegde subregionale, regionale of mondiale, internationale organisaties, naar gelang passend, en waaraan wordt deelgenomen door alle betrokken Staten.
3. De betrokken Staten verzekeren dat maatregelen voor het behoud en de tenuitvoerlegging van deze maatregelen niet naar vorm of in feite discriminatie inhouden van vissers van enige Staat.
Art. 119. Conservation des ressources biologiques de la haute mer.
1. Lorsqu'ils fixent le volume admissible des captures et prennent d'autres mesures en vue de la conservation des ressources biologiques en haute mer, les Etats :
a) s'attachent, en se fondant sur les données scientifiques les plus fiables dont ils disposent, à maintenir ou rétablir les stocks des espèces exploitées à des niveaux qui assurent le rendement constant maximum, eu égard aux facteurs ecologiques et économiques pertinents, y compris les besoins particuliers des Etats en développement, et compte tenu des méthodes en matière de pêche, de l'interdépendance des stocks et de toutes normes minimales internationales généralement recommandées au plan sous-régional, régional ou mondial;
b) prennent en considération les effets de ces mesures sur les espèces associées aux espèces exploitées ou dépendant de celles-ci, afin de maintenir ou de rétablir les stocks de ces espèces associées ou dépendantes à un niveau tel que leur reproduction ne risque pas d'être sérieusement compromise.
2. Les informations scientifiques disponibles, les statistiques relatives aux captures et à l'effort de pêche et les autres données concernant la conservation des stocks de poisson sont diffusées et échangées régulièrement par l'intermediaire des organisations internationales compétentes, sous-regionales, régionales ou mondiales, lorsqu'il y a lieu, et avec la participation de tous les Etats concernés.
3. Les Etats concernés veillent à ce que les mesures de conservation et leur application n'entraînent aucune discrimination de droit ou de fait à l'encontre d'aucun pêcheur, quel que soit l'Etat dont il est ressortissant.
1. Lorsqu'ils fixent le volume admissible des captures et prennent d'autres mesures en vue de la conservation des ressources biologiques en haute mer, les Etats :
a) s'attachent, en se fondant sur les données scientifiques les plus fiables dont ils disposent, à maintenir ou rétablir les stocks des espèces exploitées à des niveaux qui assurent le rendement constant maximum, eu égard aux facteurs ecologiques et économiques pertinents, y compris les besoins particuliers des Etats en développement, et compte tenu des méthodes en matière de pêche, de l'interdépendance des stocks et de toutes normes minimales internationales généralement recommandées au plan sous-régional, régional ou mondial;
b) prennent en considération les effets de ces mesures sur les espèces associées aux espèces exploitées ou dépendant de celles-ci, afin de maintenir ou de rétablir les stocks de ces espèces associées ou dépendantes à un niveau tel que leur reproduction ne risque pas d'être sérieusement compromise.
2. Les informations scientifiques disponibles, les statistiques relatives aux captures et à l'effort de pêche et les autres données concernant la conservation des stocks de poisson sont diffusées et échangées régulièrement par l'intermediaire des organisations internationales compétentes, sous-regionales, régionales ou mondiales, lorsqu'il y a lieu, et avec la participation de tous les Etats concernés.
3. Les Etats concernés veillent à ce que les mesures de conservation et leur application n'entraînent aucune discrimination de droit ou de fait à l'encontre d'aucun pêcheur, quel que soit l'Etat dont il est ressortissant.
Art. 120. Zeezoogdieren.
Artikel 65 is eveneens van toepassing op het behoud en het beheer van zeezoogdieren in de volle zee.
Artikel 65 is eveneens van toepassing op het behoud en het beheer van zeezoogdieren in de volle zee.
Art. 120. Mammifères marins.
L'article 65 s'applique aussi à la conservation et à la gestion de mammifères marins en haute mer.
L'article 65 s'applique aussi à la conservation et à la gestion de mammifères marins en haute mer.
DEEL VIII. - Regeling voor eilanden.
PARTIE VIII. - Régime des îles.
Art. 121. Regeling voor eilanden.
1. Een eiland is een natuurlijk gevormd landgebied, omgeven door water, dat bij vloed boven water uitsteekt.
2. Behalve zoals bepaald in het derde lid, worden de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone en het continentale plat van een eiland vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag die op andere landgebieden van toepassing zijn.
3. Rotsen waarop geen duurzame menselijke bewoning of eigen economisch leven mogelijk is, hebben geen exclusieve economische zone of continentaal plat.
1. Een eiland is een natuurlijk gevormd landgebied, omgeven door water, dat bij vloed boven water uitsteekt.
2. Behalve zoals bepaald in het derde lid, worden de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone en het continentale plat van een eiland vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag die op andere landgebieden van toepassing zijn.
3. Rotsen waarop geen duurzame menselijke bewoning of eigen economisch leven mogelijk is, hebben geen exclusieve economische zone of continentaal plat.
Art. 121. Régime des iles.
1. Une île est une étendue naturelle de terre entourée d'eau qui reste découverte à marée haute.
2. Sous réserve du paragraphe 3, la mer territoriale, la zone contiguë, la zone économique exclusive et le plateau continental d'une île sont délimités conformément aux dispositions de la Convention applicables aux autres territoires terrestres.
3. Les rochers qui ne se prêtent pas a l'habitation humaine ou à une vie économique propre, n'ont pas de zone économique exclusive ni de plateau continental.
1. Une île est une étendue naturelle de terre entourée d'eau qui reste découverte à marée haute.
2. Sous réserve du paragraphe 3, la mer territoriale, la zone contiguë, la zone économique exclusive et le plateau continental d'une île sont délimités conformément aux dispositions de la Convention applicables aux autres territoires terrestres.
3. Les rochers qui ne se prêtent pas a l'habitation humaine ou à une vie économique propre, n'ont pas de zone économique exclusive ni de plateau continental.
DEEL IX. - Ingesloten of half-ingesloten zeeën.
PARTIE IX. - Mers fermées ou semi-fermées.
Art. 122. Begripsomschrijving.
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent " ingesloten of half-ingesloten zee " een golf, bekken of zee, omgeven door twee of meer Staten en met een andere zee of de oceaan verbonden door een nauwe doorgang, dan wel geheel of voornamelijk bestaande uit de territoriale zeeën en exclusieve economische zones van twee of meer kuststaten.
Voor de toepassing van dit Verdrag betekent " ingesloten of half-ingesloten zee " een golf, bekken of zee, omgeven door twee of meer Staten en met een andere zee of de oceaan verbonden door een nauwe doorgang, dan wel geheel of voornamelijk bestaande uit de territoriale zeeën en exclusieve economische zones van twee of meer kuststaten.
Art. 122. Définition.
Aux fins de la Convention, on entend par " mer fermée ou semi-fermée " un golfe, un bassin ou une mer entourée par plusieurs Etats et relié à une autre mer ou à l'océan par un passage étroit, ou constitué, entièrement ou principalement, par les mers territoriales et les zones économiques exclusives de plusieurs Etats.
Aux fins de la Convention, on entend par " mer fermée ou semi-fermée " un golfe, un bassin ou une mer entourée par plusieurs Etats et relié à une autre mer ou à l'océan par un passage étroit, ou constitué, entièrement ou principalement, par les mers territoriales et les zones économiques exclusives de plusieurs Etats.
Art. 123. Samenwerking tussen Staten grenzend aan ingesloten of half-ingesloten zeeën.
Staten grenzend aan een ingesloten of half-ingesloten zee dienen met elkaar samen te werken bij de uitoefening van hun rechten en het vervullen van hun plichten ingevolge dit Verdrag. Hiertoe trachten zij, rechtstreeks of door middel van een passende regionale organisatie :
a) het beheer, het behoud, de exploratie en exploitatie van de levende rijkdommen van de zee te coördineren;
b) de uitoefening van hun rechten en plichten ten aanzien van de bescherming en het behoud van het mariene milieu te coördineren;
c) hun beleid inzake wetenschappelijk onderzoek te coördineren en waar passend gezamenlijke programma's voor wetenschappelijk onderzoek in het gebied te ondernemen;
d) naar gelang passend andere belangstellende Staten of internationale organisaties uit te nodigen met hen samen te werken ter bevordering van het bepaalde in dit artikel.
Staten grenzend aan een ingesloten of half-ingesloten zee dienen met elkaar samen te werken bij de uitoefening van hun rechten en het vervullen van hun plichten ingevolge dit Verdrag. Hiertoe trachten zij, rechtstreeks of door middel van een passende regionale organisatie :
a) het beheer, het behoud, de exploratie en exploitatie van de levende rijkdommen van de zee te coördineren;
b) de uitoefening van hun rechten en plichten ten aanzien van de bescherming en het behoud van het mariene milieu te coördineren;
c) hun beleid inzake wetenschappelijk onderzoek te coördineren en waar passend gezamenlijke programma's voor wetenschappelijk onderzoek in het gebied te ondernemen;
d) naar gelang passend andere belangstellende Staten of internationale organisaties uit te nodigen met hen samen te werken ter bevordering van het bepaalde in dit artikel.
Art. 123. Coopération entre Etats riverains de mers fermées ou semi-fermées.
Les Etats riverains d'une mer fermée ou semi-fermée devraient coopérer entre eux dans l'exercice des droits et l'exécution des obligations qui sont les leurs en vertu de la Convention. A cette fin, ils s'efforcent, directement ou par l'intermédiaire d'une organisation régionale appropriée, de :
a) coordonner la gestion, la conservation, l'exploration et l'exploitation des ressources biologiques de la mer;
b) coordonner l'exercice de leurs droits et l'exécution de leurs obligations concernant la protection et la préservation du milieu marin;
c) coordonner leurs politiques de recherche scientifique et entreprendre, s'il y a lieu, des programmes communs de recherche scientifique dans la zone considérée;
d) inviter, le cas échéant, d'autres Etats ou organisations internationales concernés à coopérer avec eux à l'application du présent article.
Les Etats riverains d'une mer fermée ou semi-fermée devraient coopérer entre eux dans l'exercice des droits et l'exécution des obligations qui sont les leurs en vertu de la Convention. A cette fin, ils s'efforcent, directement ou par l'intermédiaire d'une organisation régionale appropriée, de :
a) coordonner la gestion, la conservation, l'exploration et l'exploitation des ressources biologiques de la mer;
b) coordonner l'exercice de leurs droits et l'exécution de leurs obligations concernant la protection et la préservation du milieu marin;
c) coordonner leurs politiques de recherche scientifique et entreprendre, s'il y a lieu, des programmes communs de recherche scientifique dans la zone considérée;
d) inviter, le cas échéant, d'autres Etats ou organisations internationales concernés à coopérer avec eux à l'application du présent article.
DEEL X. - Recht van toegang van Staten zonder zeekust tot en van het verlaten van de zee; vrijheid van doortocht.
PARTIE X. - Droits d'accès des Etats sans littoral à la mer et depuis la mer et liberté de transit.
Art. 124. Gebruik van termen.
1. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent :
a) " Staat zonder zeekust " een Staat die geen zeekust heeft;
b) " Staat van doortocht " een Staat, met of zonder zeekust, gelegen tussen een Staat zonder zeekust en de zee, over wiens gebied verkeer in doortocht plaatsvindt;
c) " verkeer in doortocht " doortocht van personen, bagage, goederen en vervoermiddelen over het grondgebied van een of meer Staten van doortocht, wanneer het passeren van zulk een grondgebied, met of zonder overlading, opslag in entrepot, het verdelen van lading in kleinere hoeveelheden of wijziging in de wijze van vervoer, slechts een deel is van een complete reis die begint of eindigt binnen het grondgebied van de Staat zonder zeekust;
d) " middel van vervoer " :
(i) treinwagons, vaartuigen voor gebruik op zee, meren of rivieren, en voertuigen voor gebruik op de weg;
(ii) waar de plaatselijke omstandigheden zulks vereisen, dragers en lastdieren.
2. Staten zonder zeekust en Staten van doortocht kunnen, bij onderlinge overeenkomst, onder de middelen van vervoer begrijpen pijpleidingen en gasleidingen en andere middelen van vervoer dan die begrepen in het eerste lid.
1. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent :
a) " Staat zonder zeekust " een Staat die geen zeekust heeft;
b) " Staat van doortocht " een Staat, met of zonder zeekust, gelegen tussen een Staat zonder zeekust en de zee, over wiens gebied verkeer in doortocht plaatsvindt;
c) " verkeer in doortocht " doortocht van personen, bagage, goederen en vervoermiddelen over het grondgebied van een of meer Staten van doortocht, wanneer het passeren van zulk een grondgebied, met of zonder overlading, opslag in entrepot, het verdelen van lading in kleinere hoeveelheden of wijziging in de wijze van vervoer, slechts een deel is van een complete reis die begint of eindigt binnen het grondgebied van de Staat zonder zeekust;
d) " middel van vervoer " :
(i) treinwagons, vaartuigen voor gebruik op zee, meren of rivieren, en voertuigen voor gebruik op de weg;
(ii) waar de plaatselijke omstandigheden zulks vereisen, dragers en lastdieren.
2. Staten zonder zeekust en Staten van doortocht kunnen, bij onderlinge overeenkomst, onder de middelen van vervoer begrijpen pijpleidingen en gasleidingen en andere middelen van vervoer dan die begrepen in het eerste lid.
Art. 124. Emploi des termes.
1. Aux fins de la Convention, on entend par :
a) " Etat sans littoral " tout Etat qui ne possède pas de côte maritime;
b) " Etat de transit " tout Etat avec ou sans côte maritime, situé entre un Etat sans littoral et la mer, à travers le territoire duquel passe le trafic en transit;
c) " trafic en transit " le transit de personnes, de bagages, de biens et de moyens de transport à travers le territoire d'un ou de plusieurs Etats de transit, lorsque le trajet dans ce territoire, qu'il y ait ou non transbordement, entreposage, rupture de charge ou changement de mode de transport, ne représente qu'une fraction d'un voyage complet qui commence ou se termine sur le territoire de l'Etat sans littoral;
d) " moyens de transport " :
(i) le matériel ferroviaire roulant, les navires servant à la navigation maritime, lacustre ou fluviale et les véhicules routiers;
(ii) lorsque les conditions locales l'exigent, les porteurs et les bêtes de charge.
2. Les Etats sans littoral et les Etats de transit peuvent convenir d'inclure dans les moyens de transport les pipelines et les gazoducs et des moyens de transport autres que ceux mentionnés au paragraphe 1.
1. Aux fins de la Convention, on entend par :
a) " Etat sans littoral " tout Etat qui ne possède pas de côte maritime;
b) " Etat de transit " tout Etat avec ou sans côte maritime, situé entre un Etat sans littoral et la mer, à travers le territoire duquel passe le trafic en transit;
c) " trafic en transit " le transit de personnes, de bagages, de biens et de moyens de transport à travers le territoire d'un ou de plusieurs Etats de transit, lorsque le trajet dans ce territoire, qu'il y ait ou non transbordement, entreposage, rupture de charge ou changement de mode de transport, ne représente qu'une fraction d'un voyage complet qui commence ou se termine sur le territoire de l'Etat sans littoral;
d) " moyens de transport " :
(i) le matériel ferroviaire roulant, les navires servant à la navigation maritime, lacustre ou fluviale et les véhicules routiers;
(ii) lorsque les conditions locales l'exigent, les porteurs et les bêtes de charge.
2. Les Etats sans littoral et les Etats de transit peuvent convenir d'inclure dans les moyens de transport les pipelines et les gazoducs et des moyens de transport autres que ceux mentionnés au paragraphe 1.
Art. 125. Recht van toegang tot en van het verlaten van de zee; vrijheid van doortocht.
1. Staten zonder zeekust hebben het recht van toegang tot en van het verlaten van de zee ten behoeve van de uitoefening van de in dit Verdrag bepaalde rechten, met inbegrip van die betreffende de vrijheid van de volle zee en het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid. Hiertoe genieten Staten zonder zeekust vrijheid van doortocht over het grondgebied van Staten van doortocht met alle middelen van vervoer.
2. De voorwaarden en modaliteiten voor de uitoefening van de vrijheid van doortocht worden overeengekomen tussen de betrokken Staten zonder zeekust en Staten van doortocht door middel van bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten.
3. Staten van doortocht hebben bij de uitoefening van hun volledige soevereiniteit over hun grondgebied, het recht alle maatregelen te nemen nodig om te verzekeren dat de in dit Deel voor Staten zonder zeekust bepaalde rechten en voorzieningen op generlei wijze hun rechtmatige belangen aantasten.
1. Staten zonder zeekust hebben het recht van toegang tot en van het verlaten van de zee ten behoeve van de uitoefening van de in dit Verdrag bepaalde rechten, met inbegrip van die betreffende de vrijheid van de volle zee en het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid. Hiertoe genieten Staten zonder zeekust vrijheid van doortocht over het grondgebied van Staten van doortocht met alle middelen van vervoer.
2. De voorwaarden en modaliteiten voor de uitoefening van de vrijheid van doortocht worden overeengekomen tussen de betrokken Staten zonder zeekust en Staten van doortocht door middel van bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten.
3. Staten van doortocht hebben bij de uitoefening van hun volledige soevereiniteit over hun grondgebied, het recht alle maatregelen te nemen nodig om te verzekeren dat de in dit Deel voor Staten zonder zeekust bepaalde rechten en voorzieningen op generlei wijze hun rechtmatige belangen aantasten.
Art. 125. Droits d'accès à la mer et depuis la mer et liberté de transit.
1. Les Etats sans littoral ont le droit d'accès à la mer et depuis la mer pour l'exercice des droits prévus dans la Convention, y compris ceux relatifs à la liberté de la haute mer et au patrimoine commun de l'humanité. A cette fin, ils jouissent de la liberté de transit à travers le territoire des Etats de transit par tous moyens de transport.
2. Les conditions et modalités de l'exercice de la liberté de transit sont convenues entre les Etats sans littoral et les Etats de transit concernés par voie d'accords bilatéraux, sous-régionaux ou régionaux.
3. Dans l'exercice de leur pleine souveraineté sur leur territoire, les Etats de transit ont le droit de prendre toutes mesures nécessaires pour s'assurer que les droits et facilités stipules dans la présente partie au profit des Etats sans littoral ne portent en aucune façon atteinte à leurs intérêts légitimes.
1. Les Etats sans littoral ont le droit d'accès à la mer et depuis la mer pour l'exercice des droits prévus dans la Convention, y compris ceux relatifs à la liberté de la haute mer et au patrimoine commun de l'humanité. A cette fin, ils jouissent de la liberté de transit à travers le territoire des Etats de transit par tous moyens de transport.
2. Les conditions et modalités de l'exercice de la liberté de transit sont convenues entre les Etats sans littoral et les Etats de transit concernés par voie d'accords bilatéraux, sous-régionaux ou régionaux.
3. Dans l'exercice de leur pleine souveraineté sur leur territoire, les Etats de transit ont le droit de prendre toutes mesures nécessaires pour s'assurer que les droits et facilités stipules dans la présente partie au profit des Etats sans littoral ne portent en aucune façon atteinte à leurs intérêts légitimes.
Art. 126. Uitsluiting van de toepassing van de meest-begunstigde-natie-clausule.
De bepalingen van dit Verdrag, alsmede de bijzondere overeenkomsten betreffende de uitoefening van het recht van toegang tot en van het verlaten van de zee, alsook het vaststellen van rechten en voorzieningen wegens de bijzondere geografische ligging van Staten zonder zeekust, zijn uitgesloten van de toepassing van de clausule inzake de meest begunstigde natie.
De bepalingen van dit Verdrag, alsmede de bijzondere overeenkomsten betreffende de uitoefening van het recht van toegang tot en van het verlaten van de zee, alsook het vaststellen van rechten en voorzieningen wegens de bijzondere geografische ligging van Staten zonder zeekust, zijn uitgesloten van de toepassing van de clausule inzake de meest begunstigde natie.
Art. 126. Exclusion de l'application de la clause de la nation la plus favorisée.
Les dispositions de la Convention ainsi que les accords particuliers relatifs à l'exercice du droit d'accès à la mer et depuis la mer qui prévoient des droits et des facilités en faveur des Etats sans littoral en raison de leur situation géographique particulière sont exclus de l'application de la clause de la nation la plus favorisée.
Les dispositions de la Convention ainsi que les accords particuliers relatifs à l'exercice du droit d'accès à la mer et depuis la mer qui prévoient des droits et des facilités en faveur des Etats sans littoral en raison de leur situation géographique particulière sont exclus de l'application de la clause de la nation la plus favorisée.
Art. 127. Douanerechten, belastingen en andere heffingen.
1. Verkeer in doortocht is niet onderworpen aan douanerechten, belastingen of andere heffingen, behalve heffingen opgelegd voor specifieke diensten verleend in verband met zulk verkeer.
2. Middelen van vervoer in doortocht en andere voorzieningen ten behoeve van en gebruikt door Staten zonder zeekust zijn niet onderworpen aan hogere belastingen of heffingen dan die welke worden opgelegd voor het gebruik van middelen van vervoer van de Staat van doortocht.
1. Verkeer in doortocht is niet onderworpen aan douanerechten, belastingen of andere heffingen, behalve heffingen opgelegd voor specifieke diensten verleend in verband met zulk verkeer.
2. Middelen van vervoer in doortocht en andere voorzieningen ten behoeve van en gebruikt door Staten zonder zeekust zijn niet onderworpen aan hogere belastingen of heffingen dan die welke worden opgelegd voor het gebruik van middelen van vervoer van de Staat van doortocht.
Art. 127. Droits de douane, taxes et autres redevances.
1. Le trafic en transit n'est soumis à aucun droit de douane, taxe ou autre redevance, à l'exception des droits percus pour la prestation de service particuliers en rapport avec ce trafic.
2. Les moyens de transport en transit et les autres facilités de transit prévus pour l'Etat sans littoral et utilisés par lui ne sont pas soumis à des taxes ou redevances plus élevées que celles qui sont percues pour l'utilisation de moyens de transport de l'Etat de transit.
1. Le trafic en transit n'est soumis à aucun droit de douane, taxe ou autre redevance, à l'exception des droits percus pour la prestation de service particuliers en rapport avec ce trafic.
2. Les moyens de transport en transit et les autres facilités de transit prévus pour l'Etat sans littoral et utilisés par lui ne sont pas soumis à des taxes ou redevances plus élevées que celles qui sont percues pour l'utilisation de moyens de transport de l'Etat de transit.
Art. 128. Belastingvrije zones en andere douanefaciliteiten.
Ten behoeve van het verkeer in doortocht kunnen belastingvrije zones of andere douanefaciliteiten worden ingesteld in de havens van binnenkomst of vertrek in de Staten van doortocht, bij overeenkomst tussen die Staten en de Staten zonder kust.
Ten behoeve van het verkeer in doortocht kunnen belastingvrije zones of andere douanefaciliteiten worden ingesteld in de havens van binnenkomst of vertrek in de Staten van doortocht, bij overeenkomst tussen die Staten en de Staten zonder kust.
Art. 128. Zones franches et autres facilités douanières.
Pour faciliter le trafic en transit, des zones franches ou d'autres facilités douanières peuvent être prévues aux ports d'entrée et de sortie des Etats de transit, par voie d'accord entre ces Etats et les Etats sans littoral.
Pour faciliter le trafic en transit, des zones franches ou d'autres facilités douanières peuvent être prévues aux ports d'entrée et de sortie des Etats de transit, par voie d'accord entre ces Etats et les Etats sans littoral.
Art. 129. Samenwerking bij de bouw en verbetering van middelen van vervoer.
Wanneer er in de Staten van doortocht geen middelen van vervoer zijn waarmede uitvoering kan worden gegeven aan de vrijheid van doortocht of wanneer de bestaande middelen, met inbegrip van de installaties en uitrusting van de havens, in enigerlei opzicht ontoereikend zijn, kunnen de betrokken Staten van doortocht en Staten zonder zeekust samenwerken bij de bouw of de verbetering daarvan.
Wanneer er in de Staten van doortocht geen middelen van vervoer zijn waarmede uitvoering kan worden gegeven aan de vrijheid van doortocht of wanneer de bestaande middelen, met inbegrip van de installaties en uitrusting van de havens, in enigerlei opzicht ontoereikend zijn, kunnen de betrokken Staten van doortocht en Staten zonder zeekust samenwerken bij de bouw of de verbetering daarvan.
Art. 129. Coopération dans la construction et l'amélioration des moyens de transport.
Lorsqu'il n'existe pas dans l'Etat de transit de moyens de transport permettant l'exercice effectif de la liberté de transit, ou lorsque les moyens existants, y compris les installations et les équipements portuaires, sont inadéquats à quelque égard que ce soit, l'Etat de transit et l'Etat sans littoral concerné peuvent coopérer pour en construire ou améliorer ceux qui existent.
Lorsqu'il n'existe pas dans l'Etat de transit de moyens de transport permettant l'exercice effectif de la liberté de transit, ou lorsque les moyens existants, y compris les installations et les équipements portuaires, sont inadéquats à quelque égard que ce soit, l'Etat de transit et l'Etat sans littoral concerné peuvent coopérer pour en construire ou améliorer ceux qui existent.
Art. 130. Maatregelen ter vermijding of wegneming van vertragingen of andere moeilijkheden van technische aard in het verkeer in doortocht.
1. Staten van doortocht treffen alle passende maatregelen ter vermijding van vertragingen of andere moeilijkheden van technische aard in het verkeer in doortocht.
2. Indien zulke vertragingen of moeilijkheden zich mochten voordoen, werken de bevoegde autoriteiten van de betrokken Staten van doortocht en Staten zonder zeekust samen aan de snelle wegneming daarvan.
1. Staten van doortocht treffen alle passende maatregelen ter vermijding van vertragingen of andere moeilijkheden van technische aard in het verkeer in doortocht.
2. Indien zulke vertragingen of moeilijkheden zich mochten voordoen, werken de bevoegde autoriteiten van de betrokken Staten van doortocht en Staten zonder zeekust samen aan de snelle wegneming daarvan.
Art. 130. Mesures destinées à éviter les retards ou les difficultés de caractère technique dans l'acheminement du trafic en transit, ou à en éliminer les causes.
1. L'Etat de transit prend toutes les mesures appropriées pour éviter les retards ou les difficultés de caractère technique dans l'acheminement du trafic en transit.
2. Les autorités compétentes de l'Etat de transit et celles de l'Etat sans littoral coopèrent, en cas de retard ou de difficultés, afin d'en éliminer rapidement les causes.
1. L'Etat de transit prend toutes les mesures appropriées pour éviter les retards ou les difficultés de caractère technique dans l'acheminement du trafic en transit.
2. Les autorités compétentes de l'Etat de transit et celles de l'Etat sans littoral coopèrent, en cas de retard ou de difficultés, afin d'en éliminer rapidement les causes.
Art. 131. Gelijke behandeling in zeehavens.
Schepen die de vlag voeren van Staten zonder zeekust genieten een behandeling die gelijk is aan die welke wordt toegekend aan andere vreemde schepen in zeehavens.
Schepen die de vlag voeren van Staten zonder zeekust genieten een behandeling die gelijk is aan die welke wordt toegekend aan andere vreemde schepen in zeehavens.
Art. 131. Egalité de traitement dans les ports de mer.
Les navires battant pavillon d'un Etat sans littoral jouissent dans les ports de mer d'un traitement égal à celui qui est accordé aux autres navires étrangers.
Les navires battant pavillon d'un Etat sans littoral jouissent dans les ports de mer d'un traitement égal à celui qui est accordé aux autres navires étrangers.
Art. 132. Toekenning van ruimere doortochtfaciliteiten.
Dit Verdrag brengt niet op enigerlei wijze met zich de intrekking van Toekenning van ruimere doortochtfaciliteiten die ruimer zijn dan die bepaald in dit Verdrag en die tussen de Staten die partij zijn bij dit Verdrag zijn overeengekomen of door een Staat die partij is bij dit Verdrag zijn toegekend. Dit Verdrag sluit evenmin de toekenning uit van ruimere faciliteiten in de toekomst.
Dit Verdrag brengt niet op enigerlei wijze met zich de intrekking van Toekenning van ruimere doortochtfaciliteiten die ruimer zijn dan die bepaald in dit Verdrag en die tussen de Staten die partij zijn bij dit Verdrag zijn overeengekomen of door een Staat die partij is bij dit Verdrag zijn toegekend. Dit Verdrag sluit evenmin de toekenning uit van ruimere faciliteiten in de toekomst.
Art. 132. Octroi de facilités de transit plus étendues.
La Convention n'implique en aucune façon le retrait de facilités de transit plus étendues que celles qu'elle prévoit, qui auraient été convenues entre des Etats Parties ou accordées par un Etat Partie. De même, la Convention n'interdit aucunement aux Etats Parties d'accorder ainsi à l'avenir des facilités plus étendues.
La Convention n'implique en aucune façon le retrait de facilités de transit plus étendues que celles qu'elle prévoit, qui auraient été convenues entre des Etats Parties ou accordées par un Etat Partie. De même, la Convention n'interdit aucunement aux Etats Parties d'accorder ainsi à l'avenir des facilités plus étendues.
DEEL XI. - Het gebied.
PARTIE XI. - La zone.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions Générales.
Art. 133. Gebruik van termen.
Voor de toepassing van dit Deel :
a) betekent " rijkdommen " alle vaste, vloeibare of gasvormige minerale rijkdommen aanwezig in het Gebied op of onder de zeebodem, met inbegrip van verschillende metalen bevattende knollen (hierna te noemen " metaalknollen ").
b) worden rijkdommen, wanneer uit het Gebied gewonnen, " delfstoffen " genoemd.
Voor de toepassing van dit Deel :
a) betekent " rijkdommen " alle vaste, vloeibare of gasvormige minerale rijkdommen aanwezig in het Gebied op of onder de zeebodem, met inbegrip van verschillende metalen bevattende knollen (hierna te noemen " metaalknollen ").
b) worden rijkdommen, wanneer uit het Gebied gewonnen, " delfstoffen " genoemd.
Art. 133. Emploi des termes.
Aux fins de la présente partie :
a) on entend par " ressources " toutes les ressources minérales solides, liquides ou gazeuses in situ qui, dans la Zone, se trouvent sur les fonds marins ou dans leur sous-sol, y compris les nodules polymétalliques;
b) les ressources, une fois extraites de la Zone, sont dénommées " minéraux ".
Aux fins de la présente partie :
a) on entend par " ressources " toutes les ressources minérales solides, liquides ou gazeuses in situ qui, dans la Zone, se trouvent sur les fonds marins ou dans leur sous-sol, y compris les nodules polymétalliques;
b) les ressources, une fois extraites de la Zone, sont dénommées " minéraux ".
Art. 134. Reikwijdte van dit Deel.
1. Dit Deel is van toepassing op het Gebied.
2. De werkzaamheden in het Gebied worden geregeld door het bepaalde in dit Deel.
3. De eisen betreffende de nederlegging van en de bekendheid te geven aan de kaarten of lijsten van geografische coördinaten waaruit de grenzen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1, blijken, zijn vervat in Deel VI.
4. Niets in dit artikel is van invloed op de vaststelling van de buitengrenzen van het continentale plat overeenkomstig Deel VI of de geldigheid van overeenkomsten betreffende de afbakening tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.
1. Dit Deel is van toepassing op het Gebied.
2. De werkzaamheden in het Gebied worden geregeld door het bepaalde in dit Deel.
3. De eisen betreffende de nederlegging van en de bekendheid te geven aan de kaarten of lijsten van geografische coördinaten waaruit de grenzen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1, blijken, zijn vervat in Deel VI.
4. Niets in dit artikel is van invloed op de vaststelling van de buitengrenzen van het continentale plat overeenkomstig Deel VI of de geldigheid van overeenkomsten betreffende de afbakening tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.
Art. 134. Champ d'application de la présente partie.
1. La présente partie s'applique à la Zone.
2. Les activités menées dans la Zone sont régies par la présente partie.
3. Le dépôt des cartes ou listes des coordonnées géographiques indiquant l'emplacement des limites visées à l'article premier, paragraphe 1, sous-paragraphe 1), ainsi que la publicité à donner à ces cartes ou listes, sont regis par la partie VI.
4. Aucune disposition du présent article ne porte atteinte à la définition de la limite extérieure du plateau continental conformément à la partie VI ou à la validité des accords relatifs à la délimitation entre Etats dont les côtes sont adjacentes ou se font face.
1. La présente partie s'applique à la Zone.
2. Les activités menées dans la Zone sont régies par la présente partie.
3. Le dépôt des cartes ou listes des coordonnées géographiques indiquant l'emplacement des limites visées à l'article premier, paragraphe 1, sous-paragraphe 1), ainsi que la publicité à donner à ces cartes ou listes, sont regis par la partie VI.
4. Aucune disposition du présent article ne porte atteinte à la définition de la limite extérieure du plateau continental conformément à la partie VI ou à la validité des accords relatifs à la délimitation entre Etats dont les côtes sont adjacentes ou se font face.
Art. 135. Juridische status van de bovengelegen wateren en van het luchtruim boven die wateren.
Noch dit Deel noch enige rechten verleend of uitgeoefend ingevolge dit Deel zijn van invloed op de juridische status van de wateren gelegen boven het Gebied of van het luchtruim boven die wateren.
Noch dit Deel noch enige rechten verleend of uitgeoefend ingevolge dit Deel zijn van invloed op de juridische status van de wateren gelegen boven het Gebied of van het luchtruim boven die wateren.
Art. 135. Régime juridique des eaux et de l'espace aérien surjacents.
Ni la présente partie, ni les droits accordés ou exercés en vertu de celle-ci n'affectent le régime juridique des eaux surjacentes à la Zone ou celui de l'espace aérien situé au-dessus de ces eaux.
Ni la présente partie, ni les droits accordés ou exercés en vertu de celle-ci n'affectent le régime juridique des eaux surjacentes à la Zone ou celui de l'espace aérien situé au-dessus de ces eaux.
Afdeling 2. - Op het gebied toepasselijke beginselen.
Section 2. - Principes régissant la Zone.
Art. 136. Gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid.
Het gebied en zijn rijkdommen zijn het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid.
Het gebied en zijn rijkdommen zijn het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid.
Art. 136. Patrimoine commun de l'humanité.
La Zone et ses ressources sont le patrimoine commun de l'humanité.
La Zone et ses ressources sont le patrimoine commun de l'humanité.
Art. 137. Juridische status van het Gebied en zijn rijkdommen.
1. Geen enkele Staat mag aanspraak maken op soevereiniteit of soevereine rechten uitoefenen ten aanzien van enig deel van het Gebied of de rijkdommen ervan, en evenmin mag enige Staat of een natuurlijke persoon of rechtspersoon zich een deel daarvan toeëigenen. Een zodanige aanspraak of uitoefening van soevereiniteit of soevereine rechten of een zodanige toeëigening worden niet erkend.
2. Alle rechten op de rijkdommen van het Gebied berusten bij de gehele mensheid, uit wier naam de Autoriteit optreedt. Deze rijkdommen kunnen niet worden vervreemd. De uit het Gebied gewonnen delfstoffen kunnen evenwel alleen worden vervreemd overeenkomstig dit Deel en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
3. Geen Staat of natuurlijk persoon of rechtspersoon mag aanspraak maken op rechten, dan wel rechten verwerven of uitoefenen, ten aanzien van uit het Gebied gewonnen delfstoffen, behalve overeenkomstig dit Deel. Anderzins wordt een zodanige aanspraak op, dan wel verwerving of uitoefening van zodanige rechten niet erkend.
1. Geen enkele Staat mag aanspraak maken op soevereiniteit of soevereine rechten uitoefenen ten aanzien van enig deel van het Gebied of de rijkdommen ervan, en evenmin mag enige Staat of een natuurlijke persoon of rechtspersoon zich een deel daarvan toeëigenen. Een zodanige aanspraak of uitoefening van soevereiniteit of soevereine rechten of een zodanige toeëigening worden niet erkend.
2. Alle rechten op de rijkdommen van het Gebied berusten bij de gehele mensheid, uit wier naam de Autoriteit optreedt. Deze rijkdommen kunnen niet worden vervreemd. De uit het Gebied gewonnen delfstoffen kunnen evenwel alleen worden vervreemd overeenkomstig dit Deel en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
3. Geen Staat of natuurlijk persoon of rechtspersoon mag aanspraak maken op rechten, dan wel rechten verwerven of uitoefenen, ten aanzien van uit het Gebied gewonnen delfstoffen, behalve overeenkomstig dit Deel. Anderzins wordt een zodanige aanspraak op, dan wel verwerving of uitoefening van zodanige rechten niet erkend.
Art. 137. Régime juridique de la Zone et de ses ressources.
1. Aucun Etat ne peut revendiquer ou exercer de souveraineté ou de droits souverains sur une partie quelconque de la Zone ou de ses ressources; aucun Etat ni aucune personne physique ou morale ne peut s'approprier une partie quelconque de la Zone ou de ses ressources. Aucune revendication, aucun exercice de souveraineté ou de droits souverains ni aucun acte d'appropriation n'est reconnu.
2. L'humanité tout entière, pour le compte de laquelle agit l'Autorité, est investie de tous les droits sur les ressources de la Zone. Ces ressources sont inaliénables. Les minéraux extraits de la Zone ne peuvent, quant à eux, être aliénés que conformément à la présente partie et aux règles, règlements et procédures de l'Autorité.
3. Un Etat ou une personne physique ou morale ne revendique, n'acquiert ou n'exerce de droits sur les minéraux extraits de la Zone que conformément à la présente partie. Les droits autrement revendiqués, acquis ou exercés ne sont pas reconnus.
1. Aucun Etat ne peut revendiquer ou exercer de souveraineté ou de droits souverains sur une partie quelconque de la Zone ou de ses ressources; aucun Etat ni aucune personne physique ou morale ne peut s'approprier une partie quelconque de la Zone ou de ses ressources. Aucune revendication, aucun exercice de souveraineté ou de droits souverains ni aucun acte d'appropriation n'est reconnu.
2. L'humanité tout entière, pour le compte de laquelle agit l'Autorité, est investie de tous les droits sur les ressources de la Zone. Ces ressources sont inaliénables. Les minéraux extraits de la Zone ne peuvent, quant à eux, être aliénés que conformément à la présente partie et aux règles, règlements et procédures de l'Autorité.
3. Un Etat ou une personne physique ou morale ne revendique, n'acquiert ou n'exerce de droits sur les minéraux extraits de la Zone que conformément à la présente partie. Les droits autrement revendiqués, acquis ou exercés ne sont pas reconnus.
Art. 138. Algemeen gedrag van Staten met betrekking tot het Gebied.
Het algemeen gedrag van Staten met betrekking tot het Gebied dient in overeenstemming te zijn met de bepalingen van dit Deel, de beginselen vervat in het Handvest van de Verenigde Naties en andere regels van het internationale recht in het belang van de handhaving van vrede en veiligheid en de bevordering van internationale samenwerking en wederzijds begrip.
Het algemeen gedrag van Staten met betrekking tot het Gebied dient in overeenstemming te zijn met de bepalingen van dit Deel, de beginselen vervat in het Handvest van de Verenigde Naties en andere regels van het internationale recht in het belang van de handhaving van vrede en veiligheid en de bevordering van internationale samenwerking en wederzijds begrip.
Art. 138. Conduite générale des Etats concernant la Zone.
Dans leur conduite générale concernant la Zone, les Etats se conforment à la présente partie, aux principes énoncés dans la Charte des Nations Unies et aux autres règles du droit international, avec le souci de maintenir la paix et la sécurité et de promouvoir la coopération internationale et la compréhension mutuelle.
Dans leur conduite générale concernant la Zone, les Etats se conforment à la présente partie, aux principes énoncés dans la Charte des Nations Unies et aux autres règles du droit international, avec le souci de maintenir la paix et la sécurité et de promouvoir la coopération internationale et la compréhension mutuelle.
Art. 139. Verplichting toe te zien op de naleving van het Verdrag en aansprakelijkheid voor schade.
1. De Staten die Partij zijn zien erop toe dat de werkzaamheden in het Gebied, verricht door Staten die Partij zijn, of staatsondernemingen of natuurlijke personen of rechtspersonen die de nationaliteit bezitten van Staten die Partij zijn of onder het daadwerkelijk toezicht staan van deze Staten of van hun onderdanen, worden verricht overeenkomstig dit Deel. Dezelfde verplichting geldt voor internationale organisaties ten aanzien van werkzaamheden door zodanige organisaties in het Gebied verricht.
2. Onverminderd de regels van het internationale recht en Bijlage III, artikel 22, leidt schade veroorzaakt door de nalatigheid van Staten die Partij zijn of van internationale organisaties hun verplichtingen ingevolge dit Deel na te komen, tot aansprakelijkheid; Staten die Partij zijn of internationale organisaties, die gezamenlijk optreden, zijn gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk. Een Staat die Partij is, is evenwel niet aansprakelijk voor schade, veroorzaakt door de nalatigheid van een persoon voor wie hij borg staat ingevolge artikel 153, tweede lid, letter b, het bepaalde in dit Deel na te leven, indien de Staat die Partij is ingevolge artikel 153, vierde lid, en Bijlage III, artikel 4, vierde lid, alle nodige en passende maatregelen heeft getroffen om de daadwerkelijke naleving ervan te verzekeren.
3. Staten die Partij zijn en die lid zijn van internationale organisaties dienen passende maatregelen te treffen ten einde de toepassing van dit artikel ten aanzien van zulke organisaties te waarborgen.
1. De Staten die Partij zijn zien erop toe dat de werkzaamheden in het Gebied, verricht door Staten die Partij zijn, of staatsondernemingen of natuurlijke personen of rechtspersonen die de nationaliteit bezitten van Staten die Partij zijn of onder het daadwerkelijk toezicht staan van deze Staten of van hun onderdanen, worden verricht overeenkomstig dit Deel. Dezelfde verplichting geldt voor internationale organisaties ten aanzien van werkzaamheden door zodanige organisaties in het Gebied verricht.
2. Onverminderd de regels van het internationale recht en Bijlage III, artikel 22, leidt schade veroorzaakt door de nalatigheid van Staten die Partij zijn of van internationale organisaties hun verplichtingen ingevolge dit Deel na te komen, tot aansprakelijkheid; Staten die Partij zijn of internationale organisaties, die gezamenlijk optreden, zijn gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk. Een Staat die Partij is, is evenwel niet aansprakelijk voor schade, veroorzaakt door de nalatigheid van een persoon voor wie hij borg staat ingevolge artikel 153, tweede lid, letter b, het bepaalde in dit Deel na te leven, indien de Staat die Partij is ingevolge artikel 153, vierde lid, en Bijlage III, artikel 4, vierde lid, alle nodige en passende maatregelen heeft getroffen om de daadwerkelijke naleving ervan te verzekeren.
3. Staten die Partij zijn en die lid zijn van internationale organisaties dienen passende maatregelen te treffen ten einde de toepassing van dit artikel ten aanzien van zulke organisaties te waarborgen.
Art. 139. Obligation de veiller au respect de la Convention et responsabilité en cas de dommages.
1. Il incombe aux Etats Parties de veiller à ce que les activités menés dans la Zone, que ce soit par eux-mêmes, par leurs entreprises d'Etat ou par des personnes physiques ou morales possédant leur nationalité ou effectivement contrôlées par eux ou leurs ressortissants, le soient conformément à la présente partie. La même obligation incombe aux organisations internationales pour les activités menées dans la Zone par elles.
2. Sans préjudice des règles du droit international et de l'article 22 de l'annexe III, un Etat Partie ou une organisation internationale est responsable des dommages résultant d'un manquement de sa part aux obligations qui lui incombent en vertu de la présente partie; des Etats Parties ou organisations internationales agissant de concert assument conjointement et solidairement cette responsabilité. Toutefois, l'Etat Partie n'est pas responsable des dommages résultant d'un tel manquement de la part d'une personne patronnée par lui en vertu de l'article 153, paragraphe 2, lettre b), s'il a pris toutes les mesures nécessaires et appropriées pour assurer le respect effectif de la presente partie et des annexes qui s'y rapportent, comme le prévoient l'article 153, paragraphe 4, et l'article 4, paragraphe 4, de l'annexe III.
3. Les Etats Parties qui sont membres d'organisations internationales prennent les mesures appropriées pour assurer l'application du présent article en ce qui concerne ces organisations.
1. Il incombe aux Etats Parties de veiller à ce que les activités menés dans la Zone, que ce soit par eux-mêmes, par leurs entreprises d'Etat ou par des personnes physiques ou morales possédant leur nationalité ou effectivement contrôlées par eux ou leurs ressortissants, le soient conformément à la présente partie. La même obligation incombe aux organisations internationales pour les activités menées dans la Zone par elles.
2. Sans préjudice des règles du droit international et de l'article 22 de l'annexe III, un Etat Partie ou une organisation internationale est responsable des dommages résultant d'un manquement de sa part aux obligations qui lui incombent en vertu de la présente partie; des Etats Parties ou organisations internationales agissant de concert assument conjointement et solidairement cette responsabilité. Toutefois, l'Etat Partie n'est pas responsable des dommages résultant d'un tel manquement de la part d'une personne patronnée par lui en vertu de l'article 153, paragraphe 2, lettre b), s'il a pris toutes les mesures nécessaires et appropriées pour assurer le respect effectif de la presente partie et des annexes qui s'y rapportent, comme le prévoient l'article 153, paragraphe 4, et l'article 4, paragraphe 4, de l'annexe III.
3. Les Etats Parties qui sont membres d'organisations internationales prennent les mesures appropriées pour assurer l'application du présent article en ce qui concerne ces organisations.
Art. 140. Het belang van de mensheid.
1. De werkzaamheden in het Gebied worden, zoals uitdrukkelijk bepaald in dit Deel, verricht in het belang van de gehele mensheid, ongeacht de geografische ligging van de Staten en of deze kuststaten dan wel Staten zonder zeekust zijn; in het bijzonder wordt rekening gehouden met de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten en van volken die nog niet hun algehele onafhankelijkheid of een andere vorm van zelfbestuur hebben verworven, zoals erkend door de Verenigde Naties overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering en andere desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering.
2. De Autoriteit voorziet in een billijke verdeling van financiële en andere economische baten, opkomend uit werkzaamheden in het Gebied, via passende regelingen en op non-discriminatoire grondslag, overeenkomstig artikel 160, tweede lid, letter f, onder (i).
1. De werkzaamheden in het Gebied worden, zoals uitdrukkelijk bepaald in dit Deel, verricht in het belang van de gehele mensheid, ongeacht de geografische ligging van de Staten en of deze kuststaten dan wel Staten zonder zeekust zijn; in het bijzonder wordt rekening gehouden met de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten en van volken die nog niet hun algehele onafhankelijkheid of een andere vorm van zelfbestuur hebben verworven, zoals erkend door de Verenigde Naties overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering en andere desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering.
2. De Autoriteit voorziet in een billijke verdeling van financiële en andere economische baten, opkomend uit werkzaamheden in het Gebied, via passende regelingen en op non-discriminatoire grondslag, overeenkomstig artikel 160, tweede lid, letter f, onder (i).
Art. 140. Intérêt de l'humanité.
1. Les activités menées dans la Zone le sont, ainsi qu'il est prévu expressément dans la présente partie, dans l'intérêt de l'humanité tout entière, indépendamment de la situation géographique des Etats, qu'il s'agisse d'Etats côtiers ou sans littoral, et compte tenu particulièrement des intérêts et besoins des Etats en développement et des peuples qui n'ont pas accédé à la pleine indépendance ou à un autre régime d'autonomie reconnu par les Nations unies conformément à la résolution 1514 (XV) et aux autres résolutions pertinentes de l'Assemblée générale.
2. L'Autorité assure le partage équitable, sur une base non discriminatoire, des avantages financiers et autres avantages économiques tirés des activités menées dans la Zone par un mécanisme approprié conformément à l'article 160, paragraphe 2, lettre f), (i).
1. Les activités menées dans la Zone le sont, ainsi qu'il est prévu expressément dans la présente partie, dans l'intérêt de l'humanité tout entière, indépendamment de la situation géographique des Etats, qu'il s'agisse d'Etats côtiers ou sans littoral, et compte tenu particulièrement des intérêts et besoins des Etats en développement et des peuples qui n'ont pas accédé à la pleine indépendance ou à un autre régime d'autonomie reconnu par les Nations unies conformément à la résolution 1514 (XV) et aux autres résolutions pertinentes de l'Assemblée générale.
2. L'Autorité assure le partage équitable, sur une base non discriminatoire, des avantages financiers et autres avantages économiques tirés des activités menées dans la Zone par un mécanisme approprié conformément à l'article 160, paragraphe 2, lettre f), (i).
Art. 141. Gebruik van het Gebied voor uitsluitend vreedzame doeleinden.
Het Gebied staat uitsluitend open voor gebruik voor vreedzame doeleinden door alle Staten, of deze kuststaten dan wel Staten zonder zeekust zijn, zulks zonder onderscheid en onverminderd de andere bepalingen van dit Deel.
Het Gebied staat uitsluitend open voor gebruik voor vreedzame doeleinden door alle Staten, of deze kuststaten dan wel Staten zonder zeekust zijn, zulks zonder onderscheid en onverminderd de andere bepalingen van dit Deel.
Art. 141. Utilisation de la Zone à des fins exclusivement pacifiques.
La Zone est ouverte à l'utilisation à des fins exclusivement pacifiques par tous les Etats, qu'il s'agisse d'Etats côtiers ou sans littoral, sans discrimination et sans préjudice des autres dispositions de la présente partie.
La Zone est ouverte à l'utilisation à des fins exclusivement pacifiques par tous les Etats, qu'il s'agisse d'Etats côtiers ou sans littoral, sans discrimination et sans préjudice des autres dispositions de la présente partie.
Art. 142. Rechten en wettige belangen van kuststaten.
1. Werkzaamheden in het Gebied met betrekking tot voorkomens van rijkdommen in het Gebied die zich uitstrekken tot over de grenzen waartoe de nationale rechtsmacht zich uitstrekt, worden verricht met behoorlijke inachtneming van de rechten en wettige belangen van de kuststaat onder wiens rechtsmacht zodanige voorkomens zich uitstrekken.
2. Er wordt voortdurend overleg, met inbegrip van een stelsel van voorafgaande kennisgeving, gevoerd met de betrokken Staat, ten einde inbreuk op zodanige rechten en belangen te vermijden. In gevallen waarin werkzaamheden in het Gebied kunnen leiden tot de exploitatie van rijkdommen vallend onder de nationale rechtsmacht is de voorafgaande toestemming van de betrokken kuststaat vereist.
3. Noch dit Deel noch enigerlei rechten verleend of uitgeoefend ingevolge dit Deel zijn van invloed op de rechten van kuststaten de met de desbetreffende bepalingen van Deel XII verenigbare maatregelen te treffen die noodzakelijk kunnen zijn om ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar voor hun kustlijn, of voor daarmede samenhangende belangen, door verontreiniging of de dreiging daarvan of door andere gevaarlijke voorvallen, voortvloeiend uit of veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied te voorkomen, te verminderen of weg te nemen.
1. Werkzaamheden in het Gebied met betrekking tot voorkomens van rijkdommen in het Gebied die zich uitstrekken tot over de grenzen waartoe de nationale rechtsmacht zich uitstrekt, worden verricht met behoorlijke inachtneming van de rechten en wettige belangen van de kuststaat onder wiens rechtsmacht zodanige voorkomens zich uitstrekken.
2. Er wordt voortdurend overleg, met inbegrip van een stelsel van voorafgaande kennisgeving, gevoerd met de betrokken Staat, ten einde inbreuk op zodanige rechten en belangen te vermijden. In gevallen waarin werkzaamheden in het Gebied kunnen leiden tot de exploitatie van rijkdommen vallend onder de nationale rechtsmacht is de voorafgaande toestemming van de betrokken kuststaat vereist.
3. Noch dit Deel noch enigerlei rechten verleend of uitgeoefend ingevolge dit Deel zijn van invloed op de rechten van kuststaten de met de desbetreffende bepalingen van Deel XII verenigbare maatregelen te treffen die noodzakelijk kunnen zijn om ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar voor hun kustlijn, of voor daarmede samenhangende belangen, door verontreiniging of de dreiging daarvan of door andere gevaarlijke voorvallen, voortvloeiend uit of veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied te voorkomen, te verminderen of weg te nemen.
Art. 142. Droits et intérêts légitimes des Etats côtiers.
1. Dans le cas de gisements de ressources de la Zone qui s'étendent au-delà des limites de celle-ci, les activités menées dans la Zone le sont compte dûment tenu des droits et intérêts légitimes de l'Etat côtier sous la juridiction duquel s'etendent ces gisements.
2. Un système de consultations avec l'Etat concerné, et notamment de notification préalable, est établi afin d'éviter toute atteinte à ces droits et intérêts. Dans les cas où des activités menées dans la Zone peuvent entraîner l'exploitation de ressources se trouvant en decà des limites de la juridiction nationale d'un Etat côtier, le consentement préalable de cet Etat est nécessaire.
3. Ni la présente partie ni les droits accordés ou exercés en vertu de celle-ci ne portent atteinte au droit qu'ont les Etats côtiers de prendre les mesures compatibles avec les dispositions pertinentes de la partie XII qui peuvent être nécessaires pour prévenir, atténuer ou éliminer un danger grave et imminent pour leur littoral ou pour des intérêts connexes, imputable à une pollution ou à une menace de pollution résultant de toutes activités menées dans la Zone ou à tous autres accidents causés par de telles activités.
1. Dans le cas de gisements de ressources de la Zone qui s'étendent au-delà des limites de celle-ci, les activités menées dans la Zone le sont compte dûment tenu des droits et intérêts légitimes de l'Etat côtier sous la juridiction duquel s'etendent ces gisements.
2. Un système de consultations avec l'Etat concerné, et notamment de notification préalable, est établi afin d'éviter toute atteinte à ces droits et intérêts. Dans les cas où des activités menées dans la Zone peuvent entraîner l'exploitation de ressources se trouvant en decà des limites de la juridiction nationale d'un Etat côtier, le consentement préalable de cet Etat est nécessaire.
3. Ni la présente partie ni les droits accordés ou exercés en vertu de celle-ci ne portent atteinte au droit qu'ont les Etats côtiers de prendre les mesures compatibles avec les dispositions pertinentes de la partie XII qui peuvent être nécessaires pour prévenir, atténuer ou éliminer un danger grave et imminent pour leur littoral ou pour des intérêts connexes, imputable à une pollution ou à une menace de pollution résultant de toutes activités menées dans la Zone ou à tous autres accidents causés par de telles activités.
Art. 143. Wetenschappelijk zeeonderzoek.
1. Wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied wordt uitsluitend verricht voor vreedzame doeleinden en ten bate van de gehele mensheid, overeenkomstig Deel XIII.
2. De Autoriteit kan wetenschappelijk zeeonderzoek verrichten betreffende het Gebied en zijn rijkdommen en kan contracten hiertoe sluiten. De Autoriteit bevordert en stimuleert het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied en coördineert en verspreidt de resultaten van zulke onderzoeken en analyses wanneer deze beschikbaar zijn.
3. Staten die Partij zijn kunnen wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied verrichten. Staten die Partij zijn, bevorderen de internationale samenwerking bij het wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied door :
a) aan internationale programma's deel te nemen en samenwerking in wetenschappelijk zeeonderzoek door personeel van verschillende landen en van de Autoriteit te stimuleren;
b) te verzekeren dat programma's worden opgesteld via de Autoriteit of andere internationale organisaties, naar gelang passend, ten bate van ontwikkelingsstaten en technologisch minder ontwikkelde Staten ten einde :
(i) hun onderzoekvermogen te versterken;
(ii) hun personeel en het personeel van de Autoriteit op te leiden in de technieken en toepassingen van het onderzoek;
(iii) de tewerkstelling van hun gekwalificeerde personeel bij onderzoek in het Gebied te begunstigen;
c) de resultaten van onderzoek en analyse, wanneer deze beschikbaar zijn, op doeltreffende wijze te verspreiden, via de Autoriteit of eventueel via andere internationale kanalen.
1. Wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied wordt uitsluitend verricht voor vreedzame doeleinden en ten bate van de gehele mensheid, overeenkomstig Deel XIII.
2. De Autoriteit kan wetenschappelijk zeeonderzoek verrichten betreffende het Gebied en zijn rijkdommen en kan contracten hiertoe sluiten. De Autoriteit bevordert en stimuleert het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied en coördineert en verspreidt de resultaten van zulke onderzoeken en analyses wanneer deze beschikbaar zijn.
3. Staten die Partij zijn kunnen wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied verrichten. Staten die Partij zijn, bevorderen de internationale samenwerking bij het wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied door :
a) aan internationale programma's deel te nemen en samenwerking in wetenschappelijk zeeonderzoek door personeel van verschillende landen en van de Autoriteit te stimuleren;
b) te verzekeren dat programma's worden opgesteld via de Autoriteit of andere internationale organisaties, naar gelang passend, ten bate van ontwikkelingsstaten en technologisch minder ontwikkelde Staten ten einde :
(i) hun onderzoekvermogen te versterken;
(ii) hun personeel en het personeel van de Autoriteit op te leiden in de technieken en toepassingen van het onderzoek;
(iii) de tewerkstelling van hun gekwalificeerde personeel bij onderzoek in het Gebied te begunstigen;
c) de resultaten van onderzoek en analyse, wanneer deze beschikbaar zijn, op doeltreffende wijze te verspreiden, via de Autoriteit of eventueel via andere internationale kanalen.
Art. 143. Recherche scientifique marine.
1. La recherche scientifique marine dans la Zone est conduite à des fins exclusivement pacifiques et dans l'intérêt de l'humanité tout entière, conformément à la partie XIII.
2. L'Autorite peut effectuer des recherches scientifiques marines sur la Zone et ses ressources et peut passer des contrats à cette fin. Elle favorise et encourage la recherche scientifique marine dans la Zone, et elle coordonne et diffuse les résultats de ces recherches et analyses, lorsqu'ils sont disponibles.
3. Les Etats Parties peuvent effectuer des recherches scientifiques marines dans la Zone. Ils favorisent la coopération internationale en matière de recherches scientifiques marines dans la Zone :
a) en participant à des programmes internationaux et en encourageant la coopération en matière de recherches scientifiques marines effectuées par le personnel de différents pays et celui de l'Autorité;
b) en veillant à ce que des programmes soient élaborés par l'intermédiaire de l'Autorité ou d'autres organisations internationales, le cas écheant, au bénéfice des Etats en développement et des Etats technologiquement moins avancés en vue de :
(i) renforcer leur potentiel de recherche;
(ii) former leur personnel et celui de l'Autorité aux techniques et aux applications de la recherche;
(iii) favoriser l'emploi de leur personnel qualifié pour les recherches menées dans la Zone;
c) en diffusant effectivement les résultats des recherches et analyses, lorsqu'ils sont disponibles, par l'intermédiaire de l'Autorité ou par d'autres mécanismes internationaux, s'il y a lieu.
1. La recherche scientifique marine dans la Zone est conduite à des fins exclusivement pacifiques et dans l'intérêt de l'humanité tout entière, conformément à la partie XIII.
2. L'Autorite peut effectuer des recherches scientifiques marines sur la Zone et ses ressources et peut passer des contrats à cette fin. Elle favorise et encourage la recherche scientifique marine dans la Zone, et elle coordonne et diffuse les résultats de ces recherches et analyses, lorsqu'ils sont disponibles.
3. Les Etats Parties peuvent effectuer des recherches scientifiques marines dans la Zone. Ils favorisent la coopération internationale en matière de recherches scientifiques marines dans la Zone :
a) en participant à des programmes internationaux et en encourageant la coopération en matière de recherches scientifiques marines effectuées par le personnel de différents pays et celui de l'Autorité;
b) en veillant à ce que des programmes soient élaborés par l'intermédiaire de l'Autorité ou d'autres organisations internationales, le cas écheant, au bénéfice des Etats en développement et des Etats technologiquement moins avancés en vue de :
(i) renforcer leur potentiel de recherche;
(ii) former leur personnel et celui de l'Autorité aux techniques et aux applications de la recherche;
(iii) favoriser l'emploi de leur personnel qualifié pour les recherches menées dans la Zone;
c) en diffusant effectivement les résultats des recherches et analyses, lorsqu'ils sont disponibles, par l'intermédiaire de l'Autorité ou par d'autres mécanismes internationaux, s'il y a lieu.
Art. 144. Overdracht van technologie.
1. De Autoriteit neemt overeenkomstig dit Verdrag maatregelen :
a) om de technologie en wetenschappelijke kennis betreffende werkzaamheden in het Gebied te verwerven; en
b) de overdracht aan ontwikkelingsstaten van zulke technologie en wetenschappelijke kennis te bevorderen en te stimuleren zodat alle Staten die Partij zijn voordeel daarvan hebben.
2. Hiertoe werken de Autoriteit en de Staten die Partij zijn samen bij de bevordering van de overdracht van technologie en wetenschappelijke kennis betreffende werkzaamheden in het Gebied, zodat de Onderneming en alle Staten die Partij zijn voordeel daarvan kunnen hebben. Inzonderheid nemen zij het initiatief tot en bevorderen zij :
a) programma's voor de overdracht van technologie aan de Onderneming en aan ontwikkelingsstaten met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, met inbegrip van onder meer het vergemakkelijken van de toegang van de Onderneming en van ontwikkelingsstaten tot de desbetreffende technologie op billijke en redelijke voorwaarden en bedingen;
b) maatregelen, gericht op de vooruitgang van de technologie van de Onderneming en de binnenlandse technologie van ontwikkelingsstaten, vooral door personeel van de Onderneming en van ontwikkelingsstaten kansen te bieden voor opleiding in de wetenschap en technologie van de zee en voor hun volledige deelneming aan werkzaamheden in het Gebied.
1. De Autoriteit neemt overeenkomstig dit Verdrag maatregelen :
a) om de technologie en wetenschappelijke kennis betreffende werkzaamheden in het Gebied te verwerven; en
b) de overdracht aan ontwikkelingsstaten van zulke technologie en wetenschappelijke kennis te bevorderen en te stimuleren zodat alle Staten die Partij zijn voordeel daarvan hebben.
2. Hiertoe werken de Autoriteit en de Staten die Partij zijn samen bij de bevordering van de overdracht van technologie en wetenschappelijke kennis betreffende werkzaamheden in het Gebied, zodat de Onderneming en alle Staten die Partij zijn voordeel daarvan kunnen hebben. Inzonderheid nemen zij het initiatief tot en bevorderen zij :
a) programma's voor de overdracht van technologie aan de Onderneming en aan ontwikkelingsstaten met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, met inbegrip van onder meer het vergemakkelijken van de toegang van de Onderneming en van ontwikkelingsstaten tot de desbetreffende technologie op billijke en redelijke voorwaarden en bedingen;
b) maatregelen, gericht op de vooruitgang van de technologie van de Onderneming en de binnenlandse technologie van ontwikkelingsstaten, vooral door personeel van de Onderneming en van ontwikkelingsstaten kansen te bieden voor opleiding in de wetenschap en technologie van de zee en voor hun volledige deelneming aan werkzaamheden in het Gebied.
Art. 144. Transfert des techniques.
1. Conformément à la Convention, l'Autorité prend des mesures :
a) pour acquérir les techniques et les connaissances scientifiques relatives aux activités menées dans la Zone; et
b) pour favoriser et encourager le transfert aux Etats en développement de ces techniques et connaissances scientifiques, de façon que tous les Etats Parties puissent en benéficier.
2. A cette fin, l'Autorité et les Etats Parties coopèrent pour promouvoir le transfert des techniques et des connaissances scientifiques relatives aux activités menées dans la Zone, de façon que l'Entreprise et tous les Etats parties puissent en bénéficier. En particulier, ils prennent ou encouragent l'initiative :
a) de programmes pour le transfert à l'Entreprise et aux Etats en développement de techniques relatives aux activités menées dans la Zone, prévoyant notamment, pour l'Entreprise et les Etats en développement, des facilités d'accès aux techniques pertinentes selon des modalités et à des conditions justes et raisonnables;
b) de mesures visant à assurer le progrès des techniques de l'Entreprise et des techniques autochtones des Etats en développement, et particulièrement à permettre au personnel de l'Entreprise et de ces Etats de recevoir une formation aux sciences et techniques marines, ainsi que de participer pleinement aux activités menées dans la Zone.
1. Conformément à la Convention, l'Autorité prend des mesures :
a) pour acquérir les techniques et les connaissances scientifiques relatives aux activités menées dans la Zone; et
b) pour favoriser et encourager le transfert aux Etats en développement de ces techniques et connaissances scientifiques, de façon que tous les Etats Parties puissent en benéficier.
2. A cette fin, l'Autorité et les Etats Parties coopèrent pour promouvoir le transfert des techniques et des connaissances scientifiques relatives aux activités menées dans la Zone, de façon que l'Entreprise et tous les Etats parties puissent en bénéficier. En particulier, ils prennent ou encouragent l'initiative :
a) de programmes pour le transfert à l'Entreprise et aux Etats en développement de techniques relatives aux activités menées dans la Zone, prévoyant notamment, pour l'Entreprise et les Etats en développement, des facilités d'accès aux techniques pertinentes selon des modalités et à des conditions justes et raisonnables;
b) de mesures visant à assurer le progrès des techniques de l'Entreprise et des techniques autochtones des Etats en développement, et particulièrement à permettre au personnel de l'Entreprise et de ces Etats de recevoir une formation aux sciences et techniques marines, ainsi que de participer pleinement aux activités menées dans la Zone.
Art. 145. Bescherming van het mariene milieu.
Overeenkomstig dit Verdrag worden de noodzakelijke maatregelen genomen met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied ter verzekering van doeltreffende bescherming van het mariene milieu tegen schadelijke gevolgen die uit zodanige werkzaamheden kunnen voortvloeien. Hiertoe neemt de Autoriteit passende regels, voorschriften en procedures aan voor onder meer :
a) het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging en andere gevaren voor het mariene milieu, met inbegrip van de kustlijn en van verstoring van het ecologisch evenwicht van het mariene milieu, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de noodzaak van bescherming tegen de schadelijke gevolgen van werkzaamheden zoals boren, baggeren, graven, het zich ontdoen van afvalstoffen, de bouw en exploitatie of het onderhoud van installaties, pijpleidingen en andere inrichtingen samenhangend met deze werkzaamheden;
b) de bescherming en het behoud van de natuurlijke rijkdommen van het Gebied en het voorkomen van schade aan de flora en fauna van het mariene milieu.
Overeenkomstig dit Verdrag worden de noodzakelijke maatregelen genomen met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied ter verzekering van doeltreffende bescherming van het mariene milieu tegen schadelijke gevolgen die uit zodanige werkzaamheden kunnen voortvloeien. Hiertoe neemt de Autoriteit passende regels, voorschriften en procedures aan voor onder meer :
a) het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging en andere gevaren voor het mariene milieu, met inbegrip van de kustlijn en van verstoring van het ecologisch evenwicht van het mariene milieu, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de noodzaak van bescherming tegen de schadelijke gevolgen van werkzaamheden zoals boren, baggeren, graven, het zich ontdoen van afvalstoffen, de bouw en exploitatie of het onderhoud van installaties, pijpleidingen en andere inrichtingen samenhangend met deze werkzaamheden;
b) de bescherming en het behoud van de natuurlijke rijkdommen van het Gebied en het voorkomen van schade aan de flora en fauna van het mariene milieu.
Art. 145. Protection du milieu marin.
En ce qui concerne les activités menées dans la Zone, les mesures nécessaires doivent être prises conformément a la Convention pour protéger efficacement le milieu marin des effets nocifs que pourraient avoir ces activités. L'Autorité adopte à cette fin des règles, règlements et procédures appropriés visant notamment à :
a) prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin, y compris le littoral, et faire face aux autres risques qui le menancent, ainsi qu'à toute perturbation de l'équilibre écologique du milieu marin, en accordant une attention particulière à la nécessité de protéger celui-ci des effets nocifs d'activités telles que forages, dragages, excavations, élimination de déchets, construction et exploitation ou entretien d'installations, de pipelines et d'autres engins utilisés pour ces activités;
b) protéger et conserver les ressources naturelles de la Zone et prévenir les dommages à la flore et à la faune marines.
En ce qui concerne les activités menées dans la Zone, les mesures nécessaires doivent être prises conformément a la Convention pour protéger efficacement le milieu marin des effets nocifs que pourraient avoir ces activités. L'Autorité adopte à cette fin des règles, règlements et procédures appropriés visant notamment à :
a) prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin, y compris le littoral, et faire face aux autres risques qui le menancent, ainsi qu'à toute perturbation de l'équilibre écologique du milieu marin, en accordant une attention particulière à la nécessité de protéger celui-ci des effets nocifs d'activités telles que forages, dragages, excavations, élimination de déchets, construction et exploitation ou entretien d'installations, de pipelines et d'autres engins utilisés pour ces activités;
b) protéger et conserver les ressources naturelles de la Zone et prévenir les dommages à la flore et à la faune marines.
Art. 146. Bescherming van mensenlevens.
Met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied worden de noodzakelijke maatregelen genomen ter verzekering van een doeltreffende bescherming van mensenlevens. Hiertoe neemt de Autoriteit passende regels, voorschriften en procedures aan ter aanvulling van bestaand internationaal recht zoals vervat in de desbetreffende verdragen.
Met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied worden de noodzakelijke maatregelen genomen ter verzekering van een doeltreffende bescherming van mensenlevens. Hiertoe neemt de Autoriteit passende regels, voorschriften en procedures aan ter aanvulling van bestaand internationaal recht zoals vervat in de desbetreffende verdragen.
Art. 146. Protection de la vie humaine.
En ce qui concerne les activités menées dans la Zone, les mesures nécessaires doivent être prises en vue d'assurer une protection efficace de la vie humaine. L'Autorité adopte à cette fin des règles, règlements et procédures appropriés pour compléter le droit international existant tel qu'il est contenu dans les traités en la matière.
En ce qui concerne les activités menées dans la Zone, les mesures nécessaires doivent être prises en vue d'assurer une protection efficace de la vie humaine. L'Autorité adopte à cette fin des règles, règlements et procédures appropriés pour compléter le droit international existant tel qu'il est contenu dans les traités en la matière.
Art. 147. Verenigbaarheid van werkzaamheden in het Gebied met andere activiteiten in het mariene milieu.
1. De werkzaamheden in het Gebied worden verricht met redelijke inachtneming van andere activiteiten in het mariene milieu.
2. Voor het verrichten van werkzaamheden in het Gebied gebruikte installaties zijn onderworpen aan de volgende voorwaarden;
a) deze installaties worden opgericht, geplaatst en verwijderd uitsluitend overeenkomstig dit Deel en met inachtneming van de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit. Er moet naar behoren voorafgaand kennisgeving worden gedaan van de oprichting, plaatsing en verwijdering van deze installaties en er moeten permanente middelen voor het geven van waarschuwing omtrent hun aanwezigheid in stand worden gehouden;
b) deze installaties mogen niet worden geplaatst waar gevaar bestaat dat het gebruik van erkende scheepvaartroutes die onmisbaar zijn voor de internationale scheepvaart wordt gehinderd, of in gebieden waar intensief de visserij wordt beoefend;
c) rond deze installaties worden veiligheidszones ingesteld met een passende bebakening om de veiligheid van de scheepvaart en van de installaties te verzekeren. De configuratie en de plaats van deze veiligheidszones mag niet zodanig zijn dat daardoor een gordel wordt gevormd die de rechtmatige toegang van de scheepvaart tot bepaalde maritieme zones of de vaart langs internationale scheepvaartroutes belemmert;
d) deze installaties worden uitsluitend voor vreedzame doeleinden gebruikt;
e) deze installaties bezitten niet de status van eilanden. Zij hebben geen eigen territoriale zee en hun aanwezigheid is niet van invloed op de begrenzing van de territoriale zee, de exclusieve economische zone of het continentaal plat.
3. Andere werkzaamheden in het mariene milieu worden verricht met redelijke inachtneming van activiteiten in het Gebied.
1. De werkzaamheden in het Gebied worden verricht met redelijke inachtneming van andere activiteiten in het mariene milieu.
2. Voor het verrichten van werkzaamheden in het Gebied gebruikte installaties zijn onderworpen aan de volgende voorwaarden;
a) deze installaties worden opgericht, geplaatst en verwijderd uitsluitend overeenkomstig dit Deel en met inachtneming van de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit. Er moet naar behoren voorafgaand kennisgeving worden gedaan van de oprichting, plaatsing en verwijdering van deze installaties en er moeten permanente middelen voor het geven van waarschuwing omtrent hun aanwezigheid in stand worden gehouden;
b) deze installaties mogen niet worden geplaatst waar gevaar bestaat dat het gebruik van erkende scheepvaartroutes die onmisbaar zijn voor de internationale scheepvaart wordt gehinderd, of in gebieden waar intensief de visserij wordt beoefend;
c) rond deze installaties worden veiligheidszones ingesteld met een passende bebakening om de veiligheid van de scheepvaart en van de installaties te verzekeren. De configuratie en de plaats van deze veiligheidszones mag niet zodanig zijn dat daardoor een gordel wordt gevormd die de rechtmatige toegang van de scheepvaart tot bepaalde maritieme zones of de vaart langs internationale scheepvaartroutes belemmert;
d) deze installaties worden uitsluitend voor vreedzame doeleinden gebruikt;
e) deze installaties bezitten niet de status van eilanden. Zij hebben geen eigen territoriale zee en hun aanwezigheid is niet van invloed op de begrenzing van de territoriale zee, de exclusieve economische zone of het continentaal plat.
3. Andere werkzaamheden in het mariene milieu worden verricht met redelijke inachtneming van activiteiten in het Gebied.
Art. 147. Compatibilité des activités menées dans la Zone et des autres activités s'exercant dans le milieu marin.
1. Les activités menées dans la Zone le sont en tenant raisonnablement compte des autres activités s'exercant dans le milieu marin.
2. Les conditions ci-après s'appliquent aux installations utilisées pour des activités menées dans la Zone :
a) ces installations ne doivent être montées, mises en place et enlevées que conformément à la présente partie et dans les conditions fixées par les règles, règlements et procédures de l'Autorité. Leur montage, leur mise en place et leur enlèvement doivent être dûment notifiés et l'entretien de moyens permanents pour signaler leur présence doit être assuré;
b) ces installations ne doivent pas être mises en place là où elles risquent d'entraver l'utilisation de voies de circulation reconnues essentielles pour la navigation internationale, ni dans des zones où se pratique une pêche intensive;
c) ces installations doivent être entourées de zones de sécurité convenablement balisées de façon à assurer la sécurité des installations elles-mêmes et celle de la navigation. La configuration et l'emplacement de ces zones de sécurité sont déterminés de telle sorte qu'elles ne forment pas un cordon empêchant l'accès licite des navires à certaines zones marines ou la navigation dans des voies servant à la navigation internationale;
d) ces installations sont utilisées à des fins exclusivement pacifiques;
e) ces installations n'ont pas le statut d'îles. Elles n'ont pas de mer territoriale qui leur soit propre et leur présence n'a pas d'incidence sur la délimitation de la mer territoriale, de la zone économique exclusive ou du plateau continental.
3. Les autres activités s'exercant dans le milieu marin sont menées en tenant raisonnablement compte des activités menées dans la Zone.
1. Les activités menées dans la Zone le sont en tenant raisonnablement compte des autres activités s'exercant dans le milieu marin.
2. Les conditions ci-après s'appliquent aux installations utilisées pour des activités menées dans la Zone :
a) ces installations ne doivent être montées, mises en place et enlevées que conformément à la présente partie et dans les conditions fixées par les règles, règlements et procédures de l'Autorité. Leur montage, leur mise en place et leur enlèvement doivent être dûment notifiés et l'entretien de moyens permanents pour signaler leur présence doit être assuré;
b) ces installations ne doivent pas être mises en place là où elles risquent d'entraver l'utilisation de voies de circulation reconnues essentielles pour la navigation internationale, ni dans des zones où se pratique une pêche intensive;
c) ces installations doivent être entourées de zones de sécurité convenablement balisées de façon à assurer la sécurité des installations elles-mêmes et celle de la navigation. La configuration et l'emplacement de ces zones de sécurité sont déterminés de telle sorte qu'elles ne forment pas un cordon empêchant l'accès licite des navires à certaines zones marines ou la navigation dans des voies servant à la navigation internationale;
d) ces installations sont utilisées à des fins exclusivement pacifiques;
e) ces installations n'ont pas le statut d'îles. Elles n'ont pas de mer territoriale qui leur soit propre et leur présence n'a pas d'incidence sur la délimitation de la mer territoriale, de la zone économique exclusive ou du plateau continental.
3. Les autres activités s'exercant dans le milieu marin sont menées en tenant raisonnablement compte des activités menées dans la Zone.
Art. 148. Deelneming van ontwikkelingsstaten aan werkzaamheden in het gebied.
De daadwerkelijke deelneming van ontwikkelingsstaten aan werkzaamheden in het Gebied wordt bevorderd zoals speciaal bepaald in dit Deel, met behoorlijke inachtneming van hun bijzondere belangen en behoeften en inzonderheid van de bijzondere behoefte van Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging onder hen, om de belemmeringen voortvloeiend uit hun ongunstige ligging, met inbegrip van een ver verwijderde ligging van het Gebied en de moeilijkheden het Gebied te bereiken en het te verlaten, te overwinnen.
De daadwerkelijke deelneming van ontwikkelingsstaten aan werkzaamheden in het Gebied wordt bevorderd zoals speciaal bepaald in dit Deel, met behoorlijke inachtneming van hun bijzondere belangen en behoeften en inzonderheid van de bijzondere behoefte van Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging onder hen, om de belemmeringen voortvloeiend uit hun ongunstige ligging, met inbegrip van een ver verwijderde ligging van het Gebied en de moeilijkheden het Gebied te bereiken en het te verlaten, te overwinnen.
Art. 148. Participation des Etats en développement aux activités menées dans la Zone.
La participation effective des Etats en développement aux activités menées dans la Zone est encouragée, comme le prévoit expressément la presente partie, compte dûment tenu des intérêts et besoins particuliers de ces Etats, et notamment du besoin particulier qu'ont ceux d'entre eux qui sont sans littoral ou géographiquement désavantagés de surmonter les obstacles qui résultent de leur situation défavorable, notamment de leur éloignement de la Zone et de leurs difficultés d'accès à la Zone et depuis celle-ci.
La participation effective des Etats en développement aux activités menées dans la Zone est encouragée, comme le prévoit expressément la presente partie, compte dûment tenu des intérêts et besoins particuliers de ces Etats, et notamment du besoin particulier qu'ont ceux d'entre eux qui sont sans littoral ou géographiquement désavantagés de surmonter les obstacles qui résultent de leur situation défavorable, notamment de leur éloignement de la Zone et de leurs difficultés d'accès à la Zone et depuis celle-ci.
Art. 149. Oudheidkundige en historische voorwerpen.
Alle in het Gebied gevonden voorwerpen van oudheidkundige en historische aard worden bewaard of vervreemd ten bate van de gehele mensheid, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de preferentiële rechten van de Staat of het land van oorsprong, of de Staat van culturele oorsprong, of de Staat van historische en oudheidkundige oorsprong.
Alle in het Gebied gevonden voorwerpen van oudheidkundige en historische aard worden bewaard of vervreemd ten bate van de gehele mensheid, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de preferentiële rechten van de Staat of het land van oorsprong, of de Staat van culturele oorsprong, of de Staat van historische en oudheidkundige oorsprong.
Art. 149. Objets archéologiques et historiques.
Tous les objets de caractère archéologique ou historique trouvés dans la Zone sont conservés ou cédés dans l'intérêt de l'humanité tout entière, compte tenu en particulier des droits préférentiels de l'Etat ou du pays d'origine, ou de l'Etat d'origine culturelle, ou encore de l'Etat d'origine historique ou archéologique.
Tous les objets de caractère archéologique ou historique trouvés dans la Zone sont conservés ou cédés dans l'intérêt de l'humanité tout entière, compte tenu en particulier des droits préférentiels de l'Etat ou du pays d'origine, ou de l'Etat d'origine culturelle, ou encore de l'Etat d'origine historique ou archéologique.
Afdeling 3. - Ontginning van de rijkdommen van het gebied.
Section 3. - Mise en valeur des ressources de la Zone.
Art. 150. Beleid ten aanzien van werkzaamheden in het Gebied.
Werkzaamheden in het Gebied worden, zoals speciaal bepaald in dit Deel, op zodanige wijze verricht dat daardoor een gezonde ontwikkeling van de wereldeconomie en een evenwichtige groei van het internationale handelsverkeer worden gestimuleerd en internationale samenwerking voor de algemene ontwikkeling van alle landen, vooral de ontwikkelingstaten, wordt bevorderd en ten einde te verzekeren :
a) de ontginning van de rijkdommen van het Gebied;
b) het ordelijke, veilige en rationele beheer van de rijkdommen van het Gebied, met inbegrip van het doelmatig verrichten van werkzaamheden in het Gebied en, overeenkomstig de gezonde beginselen van het natuurbehoud, het vermijden van nodeloze verspilling;
c) de uitbreiding van kansen voor deelneming aan zulke werkzaamheden overeenkomstig met name de artikelen 144 en 148;
d) deelneming in inkomsten door de Autoriteit en de overdracht van technologie aan de Onderneming en aan ontwikkelingsstaten zoals bepaald in dit Verslag;
e) het toenemend overeenkomstig de behoeften beschikbaar komen van uit het Gebied gewonnen delfstoffen, te samen met delfstoffen, gewonnen uit andere bronnen, ten einde de voorziening van de gebruikers met deze delfstoffen te waarborgen;
f) de bevordering van rechtvaardige stabiele prijzen die lonend zijn voor de producenten en billijk voor de gebruikers, voor delfstoffen gewonnen uit zowel het Gebied als uit andere bronnen en de bevordering van evenwicht op lange termijn tussen vraag en aanbod;
g) de vergroting van kansen voor alle Staten die Partij zijn, ongeacht hun sociale en economische stelsel of geografische ligging, deel te nemen in het ontginnen van de rijkdommen van het Gebied en de voorkoming van monopolisering van werkzaamheden in het Gebied;
h) de bescherming van ontwikkelingslanden tegen nadelige gevolgen voor hun economie of hun inkomsten uit export, voortvloeiend uit een verlaging van de prijs van een delfstof die behoort tot die welke uit het Gebied worden gewonnen, of een vermindering van de omvang van de export van die delfstof, voor zover deze verlaging of vermindering wordt veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied, zoals bepaald in artikel 151;
i) het ontginnen van het gemeenschappelijk erfdeel ten bate van gehele mensheid; en
j) dat de voorwaarden voor toegang tot de markten voor de invoer van uit de rijkdommen van het Gebied geproduceerde delfstoffen en voor de invoer van uit deze delfstoffen vervaardigde basisproducten niet gunstiger zijn dan de gunstigste die gelden voor invoer uit andere bronnen.
Werkzaamheden in het Gebied worden, zoals speciaal bepaald in dit Deel, op zodanige wijze verricht dat daardoor een gezonde ontwikkeling van de wereldeconomie en een evenwichtige groei van het internationale handelsverkeer worden gestimuleerd en internationale samenwerking voor de algemene ontwikkeling van alle landen, vooral de ontwikkelingstaten, wordt bevorderd en ten einde te verzekeren :
a) de ontginning van de rijkdommen van het Gebied;
b) het ordelijke, veilige en rationele beheer van de rijkdommen van het Gebied, met inbegrip van het doelmatig verrichten van werkzaamheden in het Gebied en, overeenkomstig de gezonde beginselen van het natuurbehoud, het vermijden van nodeloze verspilling;
c) de uitbreiding van kansen voor deelneming aan zulke werkzaamheden overeenkomstig met name de artikelen 144 en 148;
d) deelneming in inkomsten door de Autoriteit en de overdracht van technologie aan de Onderneming en aan ontwikkelingsstaten zoals bepaald in dit Verslag;
e) het toenemend overeenkomstig de behoeften beschikbaar komen van uit het Gebied gewonnen delfstoffen, te samen met delfstoffen, gewonnen uit andere bronnen, ten einde de voorziening van de gebruikers met deze delfstoffen te waarborgen;
f) de bevordering van rechtvaardige stabiele prijzen die lonend zijn voor de producenten en billijk voor de gebruikers, voor delfstoffen gewonnen uit zowel het Gebied als uit andere bronnen en de bevordering van evenwicht op lange termijn tussen vraag en aanbod;
g) de vergroting van kansen voor alle Staten die Partij zijn, ongeacht hun sociale en economische stelsel of geografische ligging, deel te nemen in het ontginnen van de rijkdommen van het Gebied en de voorkoming van monopolisering van werkzaamheden in het Gebied;
h) de bescherming van ontwikkelingslanden tegen nadelige gevolgen voor hun economie of hun inkomsten uit export, voortvloeiend uit een verlaging van de prijs van een delfstof die behoort tot die welke uit het Gebied worden gewonnen, of een vermindering van de omvang van de export van die delfstof, voor zover deze verlaging of vermindering wordt veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied, zoals bepaald in artikel 151;
i) het ontginnen van het gemeenschappelijk erfdeel ten bate van gehele mensheid; en
j) dat de voorwaarden voor toegang tot de markten voor de invoer van uit de rijkdommen van het Gebied geproduceerde delfstoffen en voor de invoer van uit deze delfstoffen vervaardigde basisproducten niet gunstiger zijn dan de gunstigste die gelden voor invoer uit andere bronnen.
Art. 150. Politique générale relative aux activités menées dans la Zone.
Les activités menées dans la Zone le sont, ainsi que le prévoit expressément la présente partie, de manière à favoriser le développement harmonieux de l'économie mondiale et l'expansion équilibrée du commerce international, à promouvoir la coopération internationale aux fins du développement général de tous les pays, et spécialement les Etats en développement, et en vue :
a) de mettre en valeur les ressources de la Zone;
b) de gérer de façon méthodique, sûre et rationnelle les ressources de la Zone, notamment en veillant à ce que les activités menées dans la Zone le soient efficacement, en évitant tout gaspillage conformément à de sains principes de conservation;
c) d'accroître les possibilités de participation à ces activités, en particulier d'une manière compatible avec les articles 144 et 148;
d) d'assurer la participation de l'Autorité aux revenus et le transfert des techniques à l'Entreprise et aux Etats en développement conformément à la Convention;
e) d'augmenter, en fonction des besoins, les quantités disponibles des minéraux provenant de la Zone conjointement avec les minéraux provenant d'autres sources, pour assurer l'approvisionnement des consommateurs de ces minéraux;
f) de favoriser pour les minéraux provenant de la Zone comme pour les minéraux provenant d'autres sources, la formation de prix justes et stables, rémunérateurs pour les producteurs et justes pour les consommateurs, et d'assurer à long terme l'équilibre de l'offre et de la demande;
g) de donner à tous les Etats Parties, indépendamment de leur système social et économique ou de leur situation géographique, de plus grandes possibilités de participation à la mise en valeur des ressources de la Zone, et d'empêcher la monopolisation des activités menées dans la Zone;
h) de protéger les Etats en développement des effets défavorables que pourrait avoir sur leur économie ou sur leurs recettes d'exportation la baisse du cours d'un minéral figurant parmi ceux extraits de la Zone ou la réduction du volume de leurs exportations de ce minéral, pour autant que cette baisse ou réduction soit due à des activités menées dans la Zone, conformément à l'article 151;
i) de mettre en valeur le patrimoine commun dans l'intérêt de l'humanité toute entière;
j) de faire en sorte que les conditions d'accès aux marchés pour l'importation de minéraux provenant de la Zone et pour l'importation de produits de base tirés de ces minéraux ne soient pas plus favorables que les conditions les plus favorables appliquées aux importations de ceux provenant d'autres sources.
Les activités menées dans la Zone le sont, ainsi que le prévoit expressément la présente partie, de manière à favoriser le développement harmonieux de l'économie mondiale et l'expansion équilibrée du commerce international, à promouvoir la coopération internationale aux fins du développement général de tous les pays, et spécialement les Etats en développement, et en vue :
a) de mettre en valeur les ressources de la Zone;
b) de gérer de façon méthodique, sûre et rationnelle les ressources de la Zone, notamment en veillant à ce que les activités menées dans la Zone le soient efficacement, en évitant tout gaspillage conformément à de sains principes de conservation;
c) d'accroître les possibilités de participation à ces activités, en particulier d'une manière compatible avec les articles 144 et 148;
d) d'assurer la participation de l'Autorité aux revenus et le transfert des techniques à l'Entreprise et aux Etats en développement conformément à la Convention;
e) d'augmenter, en fonction des besoins, les quantités disponibles des minéraux provenant de la Zone conjointement avec les minéraux provenant d'autres sources, pour assurer l'approvisionnement des consommateurs de ces minéraux;
f) de favoriser pour les minéraux provenant de la Zone comme pour les minéraux provenant d'autres sources, la formation de prix justes et stables, rémunérateurs pour les producteurs et justes pour les consommateurs, et d'assurer à long terme l'équilibre de l'offre et de la demande;
g) de donner à tous les Etats Parties, indépendamment de leur système social et économique ou de leur situation géographique, de plus grandes possibilités de participation à la mise en valeur des ressources de la Zone, et d'empêcher la monopolisation des activités menées dans la Zone;
h) de protéger les Etats en développement des effets défavorables que pourrait avoir sur leur économie ou sur leurs recettes d'exportation la baisse du cours d'un minéral figurant parmi ceux extraits de la Zone ou la réduction du volume de leurs exportations de ce minéral, pour autant que cette baisse ou réduction soit due à des activités menées dans la Zone, conformément à l'article 151;
i) de mettre en valeur le patrimoine commun dans l'intérêt de l'humanité toute entière;
j) de faire en sorte que les conditions d'accès aux marchés pour l'importation de minéraux provenant de la Zone et pour l'importation de produits de base tirés de ces minéraux ne soient pas plus favorables que les conditions les plus favorables appliquées aux importations de ceux provenant d'autres sources.
Art. 151. Productiebeleid.
1. a) Onverminderd de doelen, vervat in artikel 150 en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het bepaalde in letter h van dat artikel, neemt de Autoriteit, optredend via bestaande instanties dan wel via de nieuwe regelingen of overeenkomsten die passend kunnen zijn, en waaraan alle belanghebbende partijen, met inbegrip van zowel producenten als verbruikers, deelnemen, de maatregelen die nodig zijn voor de bevordering van de groei, de doelmatigheid en de stabiliteit van markten voor de basisproducten, vervaardigd uit de in het Gebied gewonnen delfstoffen, tegen prijzen die lonend zijn voor de producenten en billijk voor de gebruikers. Alle Staten die Partij zijn werken hiertoe samen.
b) De Autoriteit heeft het recht deel te nemen aan alle conferenties die zich bezighouden met deze basisproducten en waaraan alle belanghebbende partijen, met inbegrip van zowel producenten als gebruikers, deelnemen. De Autoriteit heeft het recht partij te worden bij een regeling of overeenkomst die uit zulke conferenties voortvloeit. Deelneming van de Autoriteit aan ingevolge deze regelingen of overeenkomsten ingestelde organen, dient betrekking te hebben op de productie in het Gebied en overeenkomstig de desbetreffende regels van die organen te zijn.
c) De Autoriteit voldoet aan haar verplichtingen ingevolge de in dit lid bedoelde regelingen of overeenkomsten op een wijze die een eenvormige en non-discriminatoire toepassing verzekert ten aanzien van alle productie van de desbetreffende delfstoffen in het Gebied. Hierbij handelt de Autoriteit op een wijze die verenigbaar is met de voorwaarden van bestaande contracten en goedgekeurde werkplannen van de Onderneming.
2. a) Tijdens de in het derde lid aangegeven overgangsperiode wordt geen commerciële productie ondernomen op grond van een goedgekeurd werkplan, totdat de exploitant bij de Autoriteit een productievergunning heeft aangevraagd en deze is verleend. Zodanige productie vergunningen mogen niet worden aangevraagd of verleend meer dan vijf jaar vóór de voorgenomen aanvang van de commerciële productie ingevolge het werkplan, tenzij de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit een andere termijn voorschrijven gezien de aard en het tijdschema van de uitvoering van het project.
b) In de aanvrage voor de productievergunning geeft de exploitant de verwachte jaarlijkse hoeveelheid nikkel aan die ingevolge het goedgekeurde werkplan zal worden gewonnen. De aanvrage omvat een overzicht van de door de exploitant te maken kosten nadat hij de vergunning heeft ontvangen, welke redelijkerwijze zijn berekend, om hem in staat te stellen op de voorgenomen datum een begin te maken met de commerciële productie.
c) Voor de toepassing van het bepaalde in de letters a) en b) stelt de Autoriteit passende prestatienormen vast overeenkomstig Bijlage III, artikel 17.
d) De Autoriteit verleent een productievergunning voor het aangevraagde productieniveau, tenzij het totaal van dat niveau en van de niveaus waarvoor reeds een vergunning werd verleend, hoger is dan het productieplafond voor nikkel, zoals berekend ingevolge het vierde lid, in het jaar waarin de vergunning wordt verleend, tijdens enig jaar van de voorgenomen productie dat valt binnen de overgangsperiode.
e) De aanvrage en de productievergunning worden van een integrerend onderdeel van het goedgekeurde werkplan.
f) Indien de aanvrage van de exploitant voor een productievergunning wordt afgewezen op grond van letter d, kan de exploitant te allen tijde opnieuw een aanvrage bij de Autoriteit indienen.
3. De overgangsperiode begint vijf jaar vóór de eerste januari van het jaar waarin de aanvang van de vroegste commerciële productie op grond van een goedgekeurd werkplan is voorgenomen. Indien de vroegste commerciële productie wordt uitgesteld tot na het oorspronkelijk voorgenomen jaar, worden het begin van de overgangsperiode en het oorspronkelijk berekende productieplafond dienovereenkomstig gewijzigd. De overgangsperiode duurt 25 jaar of tot het einde van de Herzieningsconferentie, bedoeld in artikel 155 of tot de dag waarop de in het eerste lid bedoelde nieuwe regelingen of overeenkomsten in werking treden, welke van beide het eerst valt. De Autoriteit herkrijgt de in dit artikel bepaalde bevoegdheden voor het resterende gedeelte van de overgangsperiode indien genoemde regelingen of overeenkomsten zouden verstrijken of om enigerlei reden buiten werking zouden treden.
4. a) Het productieplafond voor enig jaar van de overgangsperiode is het totaal van :
(i) het verschil tussen de trendlijnwaarden voor het nikkelverbruik, zoals berekend op grond van letter b), voor het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het jaar van de vroegste commerciële productie en het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de overgangsperiode; en
(ii) zestig procent van het verschil tussen de trendlijnwaarden voor het nikkelverbruik, zoals berekend op grond van letter b), voor het jaar waarvoor een aanvraag voor de productievergunning is ingediend en het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het jaar van de vroegste commerciële productie.
b) Voor de toepassing van letter a) :
(i) zijn de trendlijnwaarden gebruikt voor de berekening van het plafond van de nikkelproductie die waarden voor het jaarlijkse nikkelverbruik, op een trendlijn, die zijn berekend tijdens het jaar waarin een productievergunning wordt verleend. De trendlijn wordt afgeleid van een lineaire regressie van de logaritmen van het feitelijke nikkelverbruik voor de meest recente periode van 15 jaar waarover deze gegevens beschikbaar zijn, waarbij de tijd als onafhankelijke variabele wordt genomen. Deze trendlijn wordt de oorspronkelijke trendlijn genoemd;
(ii) indien de jaarlijkse stijging van de oorspronkelijke trendlijn minder dan 3 procent bedraagt, wordt de ter bepaling van de in letter a bedoelde hoeveelheden gebruikte trendlijn echter een trendlijn die de oorspronkelijke trendlijn kruist bij de waarde voor het eerste jaar van de desbetreffende periode van vijftien jaar, en stijgt deze jaarlijks met 3 procent; zulks evenwel op voorwaarde dat het voor enig jaar van de overgangsperiode bepaalde productieplafond in geen geval het verschil mag overschrijden tussen de oorspronkelijke trendlijnwaarde voor dat jaar en de oorspronkelijke trendlijnwaarde voor het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de overgangsperiode.
5. De Autoriteit reserveert voor de Onderneming voor haar aanvangsproductie een hoeveelheid van 38 000 metrieke ton nikkel uit het ingevolge het vierde lid berekende beschikbare productieplafond.
6. a) Een exploitant mag in enig jaar minder produceren dan het niveau van de jaarlijkse productie van delfstoffen uit metaalknollen zoals aangegeven in zijn productievergunning, of dit niveau met ten hoogste 8 procent overschrijden, mits het totaal van de productie niet de in de vergunning aangegeven omvang overschrijdt. Over een overschot van meer dan 8 procent en tot 20 procent in enig jaar, of een overschot in het eerste jaar en de volgende nà twee achtereenvolgende jaren waarin zich overschotten voordoen, moet worden onderhandeld met de Autoriteit, die van de exploitant kan verlangen dat deze een aanvullende productievergunning aanvraagt ter dekking van de bijkomende productie.
b) Aanvragen voor zulke aanvullende productievergunningen worden door de Autoriteit alleen in overweging genomen nadat alle hangende aanvragen van exploitanten die nog geen productievergunning hebben ontvangen, zijn behandeld en terdege rekening is gehouden met eventuele andere aanvragers. De Autoriteit heeft als richtsnoer het beginsel dat de ingevolge het productieplafond totale toegestane productie niet in enig jaar van de overgangsperiode mag worden overschreden. Zij geeft geen vergunning voor productie op grond van enig werkplan voor een grotere hoeveelheid dan 46 500 metrieke ton nikkel per jaar.
7. De productieniveaus van andere metalen zoals koper, kobalt en mangaan, gewonnen uit metaalknollen die ingevolge een productievergunning worden gewonnen, dienen niet hoger te zijn dan die welke zouden zijn geproduceerd indien de exploitant het ingevolge dit artikel berekende maximumniveau nikkel uit deze knollen had geproduceerd. De Autoriteit stelt ingevolge Bijlage III, artikel 17, regels, voorschriften en procedures vast ter toepassing van dit lid.
8. De op grond van de desbetreffende multilaterale handelsovereenkomsten geldende rechten en plichten betreffende oneerlijke economische praktijken zijn van toepassing op de exploratie en de exploitatie van delfstoffen in het Gebied. Bij de regeling van zich ingevolge deze bepaling voordoende geschillen, maken Staten die Partij zijn, en die Partij zijn bij zulke multilaterale handelsovereenkomsten gebruik van de procedures voor de regeling van geschillen van zulke overeenkomsten.
9. De Autoriteit heeft de bevoegdheid het productieniveau van delfstoffen in het Gebied, geen delfstoffen uit metaalknollen zijnde, te beperken op de voorwaarden en met toepassing van de methoden die passend kunnen zijn, door het aannemen van voorschriften overeenkomstig artikel 161, achtste lid.
10. Op aanbeveling van de Raad, gebaseerd op advies van de Commissie voor economische planning, stelt de Vergadering een compensatiestelsel in of neemt zij andere maatregelen voor steun bij economische aanpassing, met inbegrip van samenwerking met gespecialiseerde organisaties en andere internationale organisaties, om ontwikkelingslanden die ernstige nadelige gevolgen voor hun inkomsten uit export of hun economie ondervinden, als gevolg van een verlaging van de prijs van een delfstof die behoort tot die welke in het Gebied worden gewonnen of een vermindering van de omvang van de export van die delfstof, steun te verlenen, voor zover deze verlaging of vermindering wordt veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied. Op verzoek verricht de Autoriteit onderzoeken naar de problemen van die Staten die het risico lopen het ernstigst te zullen worden getroffen, ten einde hun moeilijkheden tot een minimum te beperken en hen te steunen bij hun economische aanpassing.
1. a) Onverminderd de doelen, vervat in artikel 150 en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het bepaalde in letter h van dat artikel, neemt de Autoriteit, optredend via bestaande instanties dan wel via de nieuwe regelingen of overeenkomsten die passend kunnen zijn, en waaraan alle belanghebbende partijen, met inbegrip van zowel producenten als verbruikers, deelnemen, de maatregelen die nodig zijn voor de bevordering van de groei, de doelmatigheid en de stabiliteit van markten voor de basisproducten, vervaardigd uit de in het Gebied gewonnen delfstoffen, tegen prijzen die lonend zijn voor de producenten en billijk voor de gebruikers. Alle Staten die Partij zijn werken hiertoe samen.
b) De Autoriteit heeft het recht deel te nemen aan alle conferenties die zich bezighouden met deze basisproducten en waaraan alle belanghebbende partijen, met inbegrip van zowel producenten als gebruikers, deelnemen. De Autoriteit heeft het recht partij te worden bij een regeling of overeenkomst die uit zulke conferenties voortvloeit. Deelneming van de Autoriteit aan ingevolge deze regelingen of overeenkomsten ingestelde organen, dient betrekking te hebben op de productie in het Gebied en overeenkomstig de desbetreffende regels van die organen te zijn.
c) De Autoriteit voldoet aan haar verplichtingen ingevolge de in dit lid bedoelde regelingen of overeenkomsten op een wijze die een eenvormige en non-discriminatoire toepassing verzekert ten aanzien van alle productie van de desbetreffende delfstoffen in het Gebied. Hierbij handelt de Autoriteit op een wijze die verenigbaar is met de voorwaarden van bestaande contracten en goedgekeurde werkplannen van de Onderneming.
2. a) Tijdens de in het derde lid aangegeven overgangsperiode wordt geen commerciële productie ondernomen op grond van een goedgekeurd werkplan, totdat de exploitant bij de Autoriteit een productievergunning heeft aangevraagd en deze is verleend. Zodanige productie vergunningen mogen niet worden aangevraagd of verleend meer dan vijf jaar vóór de voorgenomen aanvang van de commerciële productie ingevolge het werkplan, tenzij de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit een andere termijn voorschrijven gezien de aard en het tijdschema van de uitvoering van het project.
b) In de aanvrage voor de productievergunning geeft de exploitant de verwachte jaarlijkse hoeveelheid nikkel aan die ingevolge het goedgekeurde werkplan zal worden gewonnen. De aanvrage omvat een overzicht van de door de exploitant te maken kosten nadat hij de vergunning heeft ontvangen, welke redelijkerwijze zijn berekend, om hem in staat te stellen op de voorgenomen datum een begin te maken met de commerciële productie.
c) Voor de toepassing van het bepaalde in de letters a) en b) stelt de Autoriteit passende prestatienormen vast overeenkomstig Bijlage III, artikel 17.
d) De Autoriteit verleent een productievergunning voor het aangevraagde productieniveau, tenzij het totaal van dat niveau en van de niveaus waarvoor reeds een vergunning werd verleend, hoger is dan het productieplafond voor nikkel, zoals berekend ingevolge het vierde lid, in het jaar waarin de vergunning wordt verleend, tijdens enig jaar van de voorgenomen productie dat valt binnen de overgangsperiode.
e) De aanvrage en de productievergunning worden van een integrerend onderdeel van het goedgekeurde werkplan.
f) Indien de aanvrage van de exploitant voor een productievergunning wordt afgewezen op grond van letter d, kan de exploitant te allen tijde opnieuw een aanvrage bij de Autoriteit indienen.
3. De overgangsperiode begint vijf jaar vóór de eerste januari van het jaar waarin de aanvang van de vroegste commerciële productie op grond van een goedgekeurd werkplan is voorgenomen. Indien de vroegste commerciële productie wordt uitgesteld tot na het oorspronkelijk voorgenomen jaar, worden het begin van de overgangsperiode en het oorspronkelijk berekende productieplafond dienovereenkomstig gewijzigd. De overgangsperiode duurt 25 jaar of tot het einde van de Herzieningsconferentie, bedoeld in artikel 155 of tot de dag waarop de in het eerste lid bedoelde nieuwe regelingen of overeenkomsten in werking treden, welke van beide het eerst valt. De Autoriteit herkrijgt de in dit artikel bepaalde bevoegdheden voor het resterende gedeelte van de overgangsperiode indien genoemde regelingen of overeenkomsten zouden verstrijken of om enigerlei reden buiten werking zouden treden.
4. a) Het productieplafond voor enig jaar van de overgangsperiode is het totaal van :
(i) het verschil tussen de trendlijnwaarden voor het nikkelverbruik, zoals berekend op grond van letter b), voor het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het jaar van de vroegste commerciële productie en het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de overgangsperiode; en
(ii) zestig procent van het verschil tussen de trendlijnwaarden voor het nikkelverbruik, zoals berekend op grond van letter b), voor het jaar waarvoor een aanvraag voor de productievergunning is ingediend en het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het jaar van de vroegste commerciële productie.
b) Voor de toepassing van letter a) :
(i) zijn de trendlijnwaarden gebruikt voor de berekening van het plafond van de nikkelproductie die waarden voor het jaarlijkse nikkelverbruik, op een trendlijn, die zijn berekend tijdens het jaar waarin een productievergunning wordt verleend. De trendlijn wordt afgeleid van een lineaire regressie van de logaritmen van het feitelijke nikkelverbruik voor de meest recente periode van 15 jaar waarover deze gegevens beschikbaar zijn, waarbij de tijd als onafhankelijke variabele wordt genomen. Deze trendlijn wordt de oorspronkelijke trendlijn genoemd;
(ii) indien de jaarlijkse stijging van de oorspronkelijke trendlijn minder dan 3 procent bedraagt, wordt de ter bepaling van de in letter a bedoelde hoeveelheden gebruikte trendlijn echter een trendlijn die de oorspronkelijke trendlijn kruist bij de waarde voor het eerste jaar van de desbetreffende periode van vijftien jaar, en stijgt deze jaarlijks met 3 procent; zulks evenwel op voorwaarde dat het voor enig jaar van de overgangsperiode bepaalde productieplafond in geen geval het verschil mag overschrijden tussen de oorspronkelijke trendlijnwaarde voor dat jaar en de oorspronkelijke trendlijnwaarde voor het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de overgangsperiode.
5. De Autoriteit reserveert voor de Onderneming voor haar aanvangsproductie een hoeveelheid van 38 000 metrieke ton nikkel uit het ingevolge het vierde lid berekende beschikbare productieplafond.
6. a) Een exploitant mag in enig jaar minder produceren dan het niveau van de jaarlijkse productie van delfstoffen uit metaalknollen zoals aangegeven in zijn productievergunning, of dit niveau met ten hoogste 8 procent overschrijden, mits het totaal van de productie niet de in de vergunning aangegeven omvang overschrijdt. Over een overschot van meer dan 8 procent en tot 20 procent in enig jaar, of een overschot in het eerste jaar en de volgende nà twee achtereenvolgende jaren waarin zich overschotten voordoen, moet worden onderhandeld met de Autoriteit, die van de exploitant kan verlangen dat deze een aanvullende productievergunning aanvraagt ter dekking van de bijkomende productie.
b) Aanvragen voor zulke aanvullende productievergunningen worden door de Autoriteit alleen in overweging genomen nadat alle hangende aanvragen van exploitanten die nog geen productievergunning hebben ontvangen, zijn behandeld en terdege rekening is gehouden met eventuele andere aanvragers. De Autoriteit heeft als richtsnoer het beginsel dat de ingevolge het productieplafond totale toegestane productie niet in enig jaar van de overgangsperiode mag worden overschreden. Zij geeft geen vergunning voor productie op grond van enig werkplan voor een grotere hoeveelheid dan 46 500 metrieke ton nikkel per jaar.
7. De productieniveaus van andere metalen zoals koper, kobalt en mangaan, gewonnen uit metaalknollen die ingevolge een productievergunning worden gewonnen, dienen niet hoger te zijn dan die welke zouden zijn geproduceerd indien de exploitant het ingevolge dit artikel berekende maximumniveau nikkel uit deze knollen had geproduceerd. De Autoriteit stelt ingevolge Bijlage III, artikel 17, regels, voorschriften en procedures vast ter toepassing van dit lid.
8. De op grond van de desbetreffende multilaterale handelsovereenkomsten geldende rechten en plichten betreffende oneerlijke economische praktijken zijn van toepassing op de exploratie en de exploitatie van delfstoffen in het Gebied. Bij de regeling van zich ingevolge deze bepaling voordoende geschillen, maken Staten die Partij zijn, en die Partij zijn bij zulke multilaterale handelsovereenkomsten gebruik van de procedures voor de regeling van geschillen van zulke overeenkomsten.
9. De Autoriteit heeft de bevoegdheid het productieniveau van delfstoffen in het Gebied, geen delfstoffen uit metaalknollen zijnde, te beperken op de voorwaarden en met toepassing van de methoden die passend kunnen zijn, door het aannemen van voorschriften overeenkomstig artikel 161, achtste lid.
10. Op aanbeveling van de Raad, gebaseerd op advies van de Commissie voor economische planning, stelt de Vergadering een compensatiestelsel in of neemt zij andere maatregelen voor steun bij economische aanpassing, met inbegrip van samenwerking met gespecialiseerde organisaties en andere internationale organisaties, om ontwikkelingslanden die ernstige nadelige gevolgen voor hun inkomsten uit export of hun economie ondervinden, als gevolg van een verlaging van de prijs van een delfstof die behoort tot die welke in het Gebied worden gewonnen of een vermindering van de omvang van de export van die delfstof, steun te verlenen, voor zover deze verlaging of vermindering wordt veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied. Op verzoek verricht de Autoriteit onderzoeken naar de problemen van die Staten die het risico lopen het ernstigst te zullen worden getroffen, ten einde hun moeilijkheden tot een minimum te beperken en hen te steunen bij hun economische aanpassing.
Art. 151. Politique en matière de production.
1. a) Sans préjudice des objectifs énoncés à l'article 150 et en vue d'appliquer la lettre h), de cet article, l'Autorité, agissant par l'intermédiaire d'instances existantes ou, si besoin est, dans le cadre de nouveaux arrangements ou accords avec la participation de toutes les parties intéressees, producteurs et consommateurs compris, prend les mesures nécessaires pour favoriser la croissance, le fonctionnement efficace et la stabilité des marchés pour les produits de base tirés des minéraux provenant de la Zone, a des prix rémunérateurs pour les producteurs et justes pour les consommateurs. Tous les Etats Parties coopèrent à cette fin.
b) L'Autorité a le droit de prendre part à toute conférence de produit dont les travaux portent sur ces produits de base et à laquelle participent toutes les parties intéressées, y compris les producteurs et les consommateurs. Elle a le droit de devenir partie à tout arrangement ou accord conclu à l'issue de telles conférences. Elle participe, pour ce qui a trait à la production dans la Zone, à tout organe créé en vertu d'un tel arrangement ou accord conformément aux règles relatives à l'organe en question.
c) L'Autorité s'acquitte des obligations qui lui incombent en vertu des arrangements ou accords visés au présent paragraphe de manière à en assurer l'application uniforme et non discriminatoire à l'intégralite de la production des minéraux en cause, dans la Zone. Ce faisant, elle agit d'une manière compatible avec les clauses des contrats en vigueur et les dispositions des plans de travail approuvés de l'Entreprise.
2. a) Pendant la période intérimaire définie au paragraphe 3, la production commerciale ne peut commencer au titre d'un plan de travail approuvé que si l'exploitant a demandé à l'Autorité et obtenu d'elle une autorisation de production; cette autorisation ne peut être demandée ou délivrée plus de cinq ans avant la date prévue pour le démarrage de la production commerciale en vertu du plan de travail, à moins que l'Autorité ne prescrive un autre délai dans ses règles, règlements et procedure, eu égard à la nature et au calendrier d'exécution des projets.
b) Dans sa demande d'autorisation, l'exploitant indique la quantité annuelle du nickel qu'il prévoit d'extraire au titre du plan de travail approuvé. La demande comprend un tableau des dépenses qui seront engagées par l'exploitant après la réception de l'autorisation et qui ont été raisonnablement calculées pour permettre le démarrage de la production commerciale à la date prévue.
c) Aux fins de l'application des lettres a) et b), l'Autorité adopte des normes d'efficacité conformément à l'article 17 de l'annexe III.
d) L'Autorité délivre une autorisation de production pour la quantité spécifiée dans la demande, à moins que la somme de cette quantité et des quantités précédemment autorisées n'excède, pour une année quelconque de production comprise dans la période intérimaire, le plafond de la production de nickel calculé conformément au paragraphe 4 pour l'année au cours de laquelle l'autorisation est délivrée.
e) La demande et l'autorisation de production deviennent partie intégrante du plan de travail approuvé.
f) Si la demande d'autorisation présentée par l'exploitant lui est refusée en vertu de la lettre d), celui-ci peut à tout moment présenter une nouvelle demande à l'Autorité.
3. La période intérimaire commence cinq ans avant le 1er janvier de l'année prévue pour le démarrage de la première production commerciale au titre d'un plan de travail approuvé. Si le démarrage de cette production commerciale est reporte à une année postérieure à celle qui était prévue, le debut de la période intérimaire et le plafond de production initialement calcule sont ajustés en conséquence. La période intérimaire prend fin au bout de 25 ans ou à la fin de la Conférence de révision visée à l'article 155 ou à l'entrée en vigueur des nouveaux accords ou arrangements visés au paragraphe 1, la date la plus proche étant retenue. Si ces arrangements ou accords deviennent caducs ou cessent d'avoir effet pour une raison quelconque, l'Autorité recouvre pour le reste de la période intérimaire les pouvoirs prévus au présent article.
4. a) Le plafond de production valable pour une année quelconque de la période intérimaire est donné par la somme de :
(i) la différence entre la valeur de la courbe de tendance de la consommation de nickel pour l'année précédant l'année de démarrage de la première production commerciale et la valeur de cette courbe pour l'année précédant le début de la periode intérimaire, ces valeurs étant calculées conformément à la lettre b); et
(ii) soixante pour cent de la différence entre la valeur de la courbe de tendance de la consommation de nickel pour l'année pour laquelle l'autorisation de production est demandée et la valeur de cette courbe pour l'année précédant l'année de démarrage de la première production commerciale, ces valeurs étant calculées conformément à la lettre b).
b) Aux fins de la lettre a) :
(i) les valeurs de la courbe de tendance utilisée pour calculer le plafond de la production de nickel sont les valeurs annuelles de la consommation de nickel lues sur une courbe de tendance établie au cours de l'année pendant laquelle l'autorisation de production est délivrée. La courbe de tendance s'obtient par régression linéaire des logarithmes des donnees sur la consommation annuelle effective de nickel correspondant à la période de 15 ans la plus récente pour laquelle on dispose de données, le temps étant pris comme variable indépendante. Cette courbe de tendance est dite courbe de tendance initiale;
(ii) si le taux annuel d'accroissement indiqué par la courbe de tendance est inférieur à 3 %, on substitue à cette courbe, pour déterminer les quantités visées à la lettre a), une courbe de tendance construite de telle façon qu'elle coupe la courbe de tendance initiale au point représentant la valeur de la consommation pour la première année de la période de 15 ans considérée et que sa pente corresponde à une augmentation annuelle de 3 p. 100. Toutefois, le plafond de production fixé pour une année quelconque de la période intérimaire ne peut en aucun cas excéder la différence entre la valeur de la courbe de tendance initiale pour l'année considérée et la valeur de cette courbe pour l'année précedant le début de la période intérimaire.
5. L'Autorité réserve à l'Entreprise, pour sa production initiale, une quantité de 38 000 tonnes métriques de nickel sur la quantité fixée comme plafond de production conformément au paragraphe 4.
6. a) Un exploitant peut, au cours d'une année quelconque, produire moins que la production annuelle de minéraux provenant de nodules polymétalliques qui est indiquée dans son autorisation de production ou dépasser cette production de 8 p. 100 au maximum, pourvu que l'ensemble de sa production ne dépasse pas celle indiquée dans cette autorisation. Tout dépassement compris entre 8 et 20 p. 100 pour une année quelconque ou tout dépassement pour toute année qui suit deux années consécutives au cours desquelles la production fixée a déjà été dépassée fait l'objet de négociations avec l'Autorité qui peut exiger de l'exploitant qu'il demande une autorisation de production supplémentaire.
b) L'Autorité n'examine les demandes d'autorisations de production supplémentaire que lorsqu'elle a statué sur toutes les demandes d'autorisations de production en instance et à dûment considéré l'éventualité d'autres demandes. Le principe qui guide l'Autorité à cet égard est que, pendant une année quelconque de la période intérimaire, la production totale autorisée en vertu de la formule de limitation de la production ne doit pas être dépassée. L'Autorité n'autorise pour aucun plan de travail la production d'une quantité supérieure à 46 500 tonnes métriques de nickel par an.
7. La production d'autres métaux, tels que le cuivre, le cobalt et le manganèse, provenant des nodules polymétalliques extraits en vertu d'une autorisation de production ne devrait pas dépasser le niveau qu'elle aurait atteint si l'exploitant avait produit à partir de ces nodules la quantité maximale de nickel calculée conformément au présent article. L'Autorite adopte, conformément à l'article 17 de l'annexe III, des règles, règlements et procédures prévoyant les modalités d'application du présent paragraphe.
8. Les droits et obligations relatifs aux pratiques économiques déloyales qui sont prévus dans le cadre des accords commerciaux multilatéraux pertinents s'appliquent à l'exploration et à l'exploitation des minéraux de la Zone. Pour le règlement des différends relevant de la présente disposition, les Etats Parties qui sont parties à ces accords commerciaux multilatéraux ont recours aux procédures de règlement des différends prévues par ceux-ci.
9. L'Autorité a le pouvoir de limiter le niveau de la production de minéraux dans la Zone autres que les minéraux extraits de nodules polymetalliques, selon des conditions et methodes qu'elle juge appropriées, en adoptant des règlements conformément à l'article 161, paragraphe 8.
10. Sur recommandation du Conseil, fondée sur l'avis de la Commission de planification économique, l'Assemblée institue un système de compensation ou prend d'autres mesures d'assistance propres à faciliter l'ajustement économique, y compris la coopération avec les institutions spécialisées et d'autres organisations internationales, afin de venir en aide aux Etats en développement dont l'économie et les recettes d'exportation se ressentent gravement des effets défavorables d'une baisse du cours d'un minéral figurant parmi ceux extraits de la Zone ou d'une réduction du volume de leurs exportations de ce minéral, pour autant que cette baisse ou réduction est due à des activités menées dans la Zone. Sur demande, l'Autorité entreprend des études sur les problèmes des Etats qui risquent d'être le plus gravement touchés, en vue de réduire à un minimum leurs difficultés et de les aider à opérer leur ajustement économique.
1. a) Sans préjudice des objectifs énoncés à l'article 150 et en vue d'appliquer la lettre h), de cet article, l'Autorité, agissant par l'intermédiaire d'instances existantes ou, si besoin est, dans le cadre de nouveaux arrangements ou accords avec la participation de toutes les parties intéressees, producteurs et consommateurs compris, prend les mesures nécessaires pour favoriser la croissance, le fonctionnement efficace et la stabilité des marchés pour les produits de base tirés des minéraux provenant de la Zone, a des prix rémunérateurs pour les producteurs et justes pour les consommateurs. Tous les Etats Parties coopèrent à cette fin.
b) L'Autorité a le droit de prendre part à toute conférence de produit dont les travaux portent sur ces produits de base et à laquelle participent toutes les parties intéressées, y compris les producteurs et les consommateurs. Elle a le droit de devenir partie à tout arrangement ou accord conclu à l'issue de telles conférences. Elle participe, pour ce qui a trait à la production dans la Zone, à tout organe créé en vertu d'un tel arrangement ou accord conformément aux règles relatives à l'organe en question.
c) L'Autorité s'acquitte des obligations qui lui incombent en vertu des arrangements ou accords visés au présent paragraphe de manière à en assurer l'application uniforme et non discriminatoire à l'intégralite de la production des minéraux en cause, dans la Zone. Ce faisant, elle agit d'une manière compatible avec les clauses des contrats en vigueur et les dispositions des plans de travail approuvés de l'Entreprise.
2. a) Pendant la période intérimaire définie au paragraphe 3, la production commerciale ne peut commencer au titre d'un plan de travail approuvé que si l'exploitant a demandé à l'Autorité et obtenu d'elle une autorisation de production; cette autorisation ne peut être demandée ou délivrée plus de cinq ans avant la date prévue pour le démarrage de la production commerciale en vertu du plan de travail, à moins que l'Autorité ne prescrive un autre délai dans ses règles, règlements et procedure, eu égard à la nature et au calendrier d'exécution des projets.
b) Dans sa demande d'autorisation, l'exploitant indique la quantité annuelle du nickel qu'il prévoit d'extraire au titre du plan de travail approuvé. La demande comprend un tableau des dépenses qui seront engagées par l'exploitant après la réception de l'autorisation et qui ont été raisonnablement calculées pour permettre le démarrage de la production commerciale à la date prévue.
c) Aux fins de l'application des lettres a) et b), l'Autorité adopte des normes d'efficacité conformément à l'article 17 de l'annexe III.
d) L'Autorité délivre une autorisation de production pour la quantité spécifiée dans la demande, à moins que la somme de cette quantité et des quantités précédemment autorisées n'excède, pour une année quelconque de production comprise dans la période intérimaire, le plafond de la production de nickel calculé conformément au paragraphe 4 pour l'année au cours de laquelle l'autorisation est délivrée.
e) La demande et l'autorisation de production deviennent partie intégrante du plan de travail approuvé.
f) Si la demande d'autorisation présentée par l'exploitant lui est refusée en vertu de la lettre d), celui-ci peut à tout moment présenter une nouvelle demande à l'Autorité.
3. La période intérimaire commence cinq ans avant le 1er janvier de l'année prévue pour le démarrage de la première production commerciale au titre d'un plan de travail approuvé. Si le démarrage de cette production commerciale est reporte à une année postérieure à celle qui était prévue, le debut de la période intérimaire et le plafond de production initialement calcule sont ajustés en conséquence. La période intérimaire prend fin au bout de 25 ans ou à la fin de la Conférence de révision visée à l'article 155 ou à l'entrée en vigueur des nouveaux accords ou arrangements visés au paragraphe 1, la date la plus proche étant retenue. Si ces arrangements ou accords deviennent caducs ou cessent d'avoir effet pour une raison quelconque, l'Autorité recouvre pour le reste de la période intérimaire les pouvoirs prévus au présent article.
4. a) Le plafond de production valable pour une année quelconque de la période intérimaire est donné par la somme de :
(i) la différence entre la valeur de la courbe de tendance de la consommation de nickel pour l'année précédant l'année de démarrage de la première production commerciale et la valeur de cette courbe pour l'année précédant le début de la periode intérimaire, ces valeurs étant calculées conformément à la lettre b); et
(ii) soixante pour cent de la différence entre la valeur de la courbe de tendance de la consommation de nickel pour l'année pour laquelle l'autorisation de production est demandée et la valeur de cette courbe pour l'année précédant l'année de démarrage de la première production commerciale, ces valeurs étant calculées conformément à la lettre b).
b) Aux fins de la lettre a) :
(i) les valeurs de la courbe de tendance utilisée pour calculer le plafond de la production de nickel sont les valeurs annuelles de la consommation de nickel lues sur une courbe de tendance établie au cours de l'année pendant laquelle l'autorisation de production est délivrée. La courbe de tendance s'obtient par régression linéaire des logarithmes des donnees sur la consommation annuelle effective de nickel correspondant à la période de 15 ans la plus récente pour laquelle on dispose de données, le temps étant pris comme variable indépendante. Cette courbe de tendance est dite courbe de tendance initiale;
(ii) si le taux annuel d'accroissement indiqué par la courbe de tendance est inférieur à 3 %, on substitue à cette courbe, pour déterminer les quantités visées à la lettre a), une courbe de tendance construite de telle façon qu'elle coupe la courbe de tendance initiale au point représentant la valeur de la consommation pour la première année de la période de 15 ans considérée et que sa pente corresponde à une augmentation annuelle de 3 p. 100. Toutefois, le plafond de production fixé pour une année quelconque de la période intérimaire ne peut en aucun cas excéder la différence entre la valeur de la courbe de tendance initiale pour l'année considérée et la valeur de cette courbe pour l'année précedant le début de la période intérimaire.
5. L'Autorité réserve à l'Entreprise, pour sa production initiale, une quantité de 38 000 tonnes métriques de nickel sur la quantité fixée comme plafond de production conformément au paragraphe 4.
6. a) Un exploitant peut, au cours d'une année quelconque, produire moins que la production annuelle de minéraux provenant de nodules polymétalliques qui est indiquée dans son autorisation de production ou dépasser cette production de 8 p. 100 au maximum, pourvu que l'ensemble de sa production ne dépasse pas celle indiquée dans cette autorisation. Tout dépassement compris entre 8 et 20 p. 100 pour une année quelconque ou tout dépassement pour toute année qui suit deux années consécutives au cours desquelles la production fixée a déjà été dépassée fait l'objet de négociations avec l'Autorité qui peut exiger de l'exploitant qu'il demande une autorisation de production supplémentaire.
b) L'Autorité n'examine les demandes d'autorisations de production supplémentaire que lorsqu'elle a statué sur toutes les demandes d'autorisations de production en instance et à dûment considéré l'éventualité d'autres demandes. Le principe qui guide l'Autorité à cet égard est que, pendant une année quelconque de la période intérimaire, la production totale autorisée en vertu de la formule de limitation de la production ne doit pas être dépassée. L'Autorité n'autorise pour aucun plan de travail la production d'une quantité supérieure à 46 500 tonnes métriques de nickel par an.
7. La production d'autres métaux, tels que le cuivre, le cobalt et le manganèse, provenant des nodules polymétalliques extraits en vertu d'une autorisation de production ne devrait pas dépasser le niveau qu'elle aurait atteint si l'exploitant avait produit à partir de ces nodules la quantité maximale de nickel calculée conformément au présent article. L'Autorite adopte, conformément à l'article 17 de l'annexe III, des règles, règlements et procédures prévoyant les modalités d'application du présent paragraphe.
8. Les droits et obligations relatifs aux pratiques économiques déloyales qui sont prévus dans le cadre des accords commerciaux multilatéraux pertinents s'appliquent à l'exploration et à l'exploitation des minéraux de la Zone. Pour le règlement des différends relevant de la présente disposition, les Etats Parties qui sont parties à ces accords commerciaux multilatéraux ont recours aux procédures de règlement des différends prévues par ceux-ci.
9. L'Autorité a le pouvoir de limiter le niveau de la production de minéraux dans la Zone autres que les minéraux extraits de nodules polymetalliques, selon des conditions et methodes qu'elle juge appropriées, en adoptant des règlements conformément à l'article 161, paragraphe 8.
10. Sur recommandation du Conseil, fondée sur l'avis de la Commission de planification économique, l'Assemblée institue un système de compensation ou prend d'autres mesures d'assistance propres à faciliter l'ajustement économique, y compris la coopération avec les institutions spécialisées et d'autres organisations internationales, afin de venir en aide aux Etats en développement dont l'économie et les recettes d'exportation se ressentent gravement des effets défavorables d'une baisse du cours d'un minéral figurant parmi ceux extraits de la Zone ou d'une réduction du volume de leurs exportations de ce minéral, pour autant que cette baisse ou réduction est due à des activités menées dans la Zone. Sur demande, l'Autorité entreprend des études sur les problèmes des Etats qui risquent d'être le plus gravement touchés, en vue de réduire à un minimum leurs difficultés et de les aider à opérer leur ajustement économique.
Art. 152. Uitoefening van bevoegdheden en functies door de Autoriteit.
1. Bij de uitoefening van haar bevoegdheden en functies, met inbegrip van het verlenen van gelegenheid tot het uitvoeren van werkzaamheden in het Gebied wordt discriminatie door de Autoriteit vermeden.
2. Niettemin is het toegestaan bijzondere aandacht te schenken aan de ontwikkelingsstaten, met inbegrip van bijzondere aandacht, geschonken aan Staten zonder zeekust en de Staten met een ongunstige geografische ligging onder deze, waarin in dit Deel speciaal wordt voorzien.
1. Bij de uitoefening van haar bevoegdheden en functies, met inbegrip van het verlenen van gelegenheid tot het uitvoeren van werkzaamheden in het Gebied wordt discriminatie door de Autoriteit vermeden.
2. Niettemin is het toegestaan bijzondere aandacht te schenken aan de ontwikkelingsstaten, met inbegrip van bijzondere aandacht, geschonken aan Staten zonder zeekust en de Staten met een ongunstige geografische ligging onder deze, waarin in dit Deel speciaal wordt voorzien.
Art. 152. Exercice des pouvoirs et fonctions.
1. L'Autorité évite toute discrimination dans l'exercice de ses pouvoirs et fonctions, notamment quand elle accorde la possibilité de mener des activités dans la Zone.
2. Néanmoins, elle peut accorder, en vertu des dispositions expresses de la présente partie, une attention particulière aux Etats en développement, et spécialement à ceux d'entre eux qui sont sans littoral ou géographiquement désavantagés.
1. L'Autorité évite toute discrimination dans l'exercice de ses pouvoirs et fonctions, notamment quand elle accorde la possibilité de mener des activités dans la Zone.
2. Néanmoins, elle peut accorder, en vertu des dispositions expresses de la présente partie, une attention particulière aux Etats en développement, et spécialement à ceux d'entre eux qui sont sans littoral ou géographiquement désavantagés.
Art. 153. Stelsel van exploratie en exploitatie.
1. De werkzaamheden in het Gebied worden uit naam van de gehele mensheid georganiseerd en verricht en er wordt toezicht op uitgeoefend door de Autoriteit overeenkomstig dit artikel alsmede andere desbetreffende bepalingen van dit Deel en de desbetreffende Bijlagen, en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
2. De werkzaamheden in het Gebied worden verricht zoals voorgeschreven in het derde lid :
a) door de onderneming, en
b) te samen met de Autoriteit door Staten die Partij zijn of staatsondernemingen of natuurlijke personen of rechtspersonen die de nationaliteit bezitten van de Staten die Partij zijn of onder het daadwerkelijk toezicht staan van deze Staten of hun onderdanen, wanneer deze Staten voor hen borg staan, of een groep van de hierboven genoemden, die voldoet aan de eisen bepaald in dit Deel en in Bijlage III.
3. De werkzaamheden in het Gebied worden verricht overeenkomstig een officieel schriftelijk werkplan, opgesteld overeenkomstig Bijlage III en door de Raad goedgekeurd na toetsing door de Juridische en Technische Commissie. In het geval van werkzaamheden in het Gebied die volgens vergunning van de Autoriteit worden verricht door de lichamen aangegeven in het tweede lid, letter b, heeft het werkplan, overeenkomstig Bijlage III, artikel 3, de vorm van een contract. Deze contracten kunnen voorzien in gezamenlijke regelingen overeenkomstig Bijlage III, artikel 11.
4. De Autoriteit oefent het toezicht uit op de werkzaamheden in het Gebied dat nodig is ten en de naleving te verzekeren van de desbetreffende bepalingen van dit Deel en de daarop betrekking hebbende bijlagen, en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit en de overeenkomstig het derde lid goedgekeurde werkplannen. De Staten die Partij zijn helpen de Autoriteit bij het nemen van alle maatregelen die nodig zijn om overeenkomstig artikel 139 deze naleving te verzekeren.
5. De Autoriteit heeft het recht te allen tijde maatregelen zoals bepaald in dit Deel te nemen ter verzekering van de naleving van de bepalingen ervan en van de uitoefening van de toezichthoudende en reglementaire functies die haar zijn opgedragen krachtens dit Deel of krachtens een contract. De Autoriteit heeft het recht alle installaties in het Gebied die worden gebruikt in verband met werkzaamheden in het Gebied te inspecteren.
6. Een contract op grond van het derde lid voorziet in de bescherming van de contractuele rechten. Een contract wordt derhalve niet voorzien, opgeschort of beëindigd behalve overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van Bijlage III.
1. De werkzaamheden in het Gebied worden uit naam van de gehele mensheid georganiseerd en verricht en er wordt toezicht op uitgeoefend door de Autoriteit overeenkomstig dit artikel alsmede andere desbetreffende bepalingen van dit Deel en de desbetreffende Bijlagen, en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
2. De werkzaamheden in het Gebied worden verricht zoals voorgeschreven in het derde lid :
a) door de onderneming, en
b) te samen met de Autoriteit door Staten die Partij zijn of staatsondernemingen of natuurlijke personen of rechtspersonen die de nationaliteit bezitten van de Staten die Partij zijn of onder het daadwerkelijk toezicht staan van deze Staten of hun onderdanen, wanneer deze Staten voor hen borg staan, of een groep van de hierboven genoemden, die voldoet aan de eisen bepaald in dit Deel en in Bijlage III.
3. De werkzaamheden in het Gebied worden verricht overeenkomstig een officieel schriftelijk werkplan, opgesteld overeenkomstig Bijlage III en door de Raad goedgekeurd na toetsing door de Juridische en Technische Commissie. In het geval van werkzaamheden in het Gebied die volgens vergunning van de Autoriteit worden verricht door de lichamen aangegeven in het tweede lid, letter b, heeft het werkplan, overeenkomstig Bijlage III, artikel 3, de vorm van een contract. Deze contracten kunnen voorzien in gezamenlijke regelingen overeenkomstig Bijlage III, artikel 11.
4. De Autoriteit oefent het toezicht uit op de werkzaamheden in het Gebied dat nodig is ten en de naleving te verzekeren van de desbetreffende bepalingen van dit Deel en de daarop betrekking hebbende bijlagen, en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit en de overeenkomstig het derde lid goedgekeurde werkplannen. De Staten die Partij zijn helpen de Autoriteit bij het nemen van alle maatregelen die nodig zijn om overeenkomstig artikel 139 deze naleving te verzekeren.
5. De Autoriteit heeft het recht te allen tijde maatregelen zoals bepaald in dit Deel te nemen ter verzekering van de naleving van de bepalingen ervan en van de uitoefening van de toezichthoudende en reglementaire functies die haar zijn opgedragen krachtens dit Deel of krachtens een contract. De Autoriteit heeft het recht alle installaties in het Gebied die worden gebruikt in verband met werkzaamheden in het Gebied te inspecteren.
6. Een contract op grond van het derde lid voorziet in de bescherming van de contractuele rechten. Een contract wordt derhalve niet voorzien, opgeschort of beëindigd behalve overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van Bijlage III.
Art. 153. Système d'exploration et d'exploitation.
1. Les activités, dans la Zone, sont organisées, menées et contrôlées par l'Autorité pour le compte de l'humanité tout entière conformément au présent article, et aux autres dispositions pertinentes de la présente partie et des annexes qui s'y rapportent ainsi qu'aux règles, règlements et procédures de l'Autorité.
2. Les activités menées dans la Zone le sont conformément au paragraphe 3 :
a) par l'Entreprise et,
b) en association avec l'Autorité, par des Etats Parties ou des entreprises d'Etat ou par des personnes physiques ou morales possédant la nationalité d'Etats Parties ou effectivement contrôlées par eux ou leurs ressortissants, lorsqu'elles sont patronnées par ces Etats ou par tout groupe des catégories précitées qui satisfait aux conditions stipulées dans la présente partie et à l'annexe III.
3. Les activités menées dans la Zone le sont selon un plan de travail formel et écrit, établi conformément à l'annexe III et approuve par le Conseil après examen par la Commission juridique et technique. Lorsque, sur autorisation de l'Autorité, des activités sont menées dans la Zone par les entités ou personnes mentionnées au paragraphe 2, lettre b), le plan de travail revêt la forme d'un contrat conformément à l'article 3 de l'annexe III. Ce contrat peut prévoir des accords de coentreprise conformément à l'article 11 de l'annexe III.
4. L'Autorité exerce sur les activités menées dans la Zone le contrôle nécessaire pour assurer le respect des dispositions pertinentes de la présente partie et des annexes qui s'y rapportent, des règles, règlements et procédures de l'Autorité ainsi que des plans de travail approuvés conformément au paragraphe 3. Les Etats Parties aident l'Autorité en prenant toutes les mesures nécessaires pour assurer le respect de ces textes conformément à l'article 139.
5. L'Autorité a le droit de prendre, à tout moment, toute mesure prévue dans la présente partie pour en assurer le respect et pour être à même d'exercer les fonctions de contrôle et de réglementation qui lui incombent en vertu de la présente partie ou d'un contrat. Elle a le droit d'inspecter toutes les installations qui sont utilisées pour des activités menées dans la Zone et qui sont situées dans celle-ci.
6. Tout contrat passé conformément au paragraphe 3 prévoit la garantie du titre. Il ne peut donc être révisé, suspendu ou résilie qu'en application des articles 18 et 19 de l'annexe III.
1. Les activités, dans la Zone, sont organisées, menées et contrôlées par l'Autorité pour le compte de l'humanité tout entière conformément au présent article, et aux autres dispositions pertinentes de la présente partie et des annexes qui s'y rapportent ainsi qu'aux règles, règlements et procédures de l'Autorité.
2. Les activités menées dans la Zone le sont conformément au paragraphe 3 :
a) par l'Entreprise et,
b) en association avec l'Autorité, par des Etats Parties ou des entreprises d'Etat ou par des personnes physiques ou morales possédant la nationalité d'Etats Parties ou effectivement contrôlées par eux ou leurs ressortissants, lorsqu'elles sont patronnées par ces Etats ou par tout groupe des catégories précitées qui satisfait aux conditions stipulées dans la présente partie et à l'annexe III.
3. Les activités menées dans la Zone le sont selon un plan de travail formel et écrit, établi conformément à l'annexe III et approuve par le Conseil après examen par la Commission juridique et technique. Lorsque, sur autorisation de l'Autorité, des activités sont menées dans la Zone par les entités ou personnes mentionnées au paragraphe 2, lettre b), le plan de travail revêt la forme d'un contrat conformément à l'article 3 de l'annexe III. Ce contrat peut prévoir des accords de coentreprise conformément à l'article 11 de l'annexe III.
4. L'Autorité exerce sur les activités menées dans la Zone le contrôle nécessaire pour assurer le respect des dispositions pertinentes de la présente partie et des annexes qui s'y rapportent, des règles, règlements et procédures de l'Autorité ainsi que des plans de travail approuvés conformément au paragraphe 3. Les Etats Parties aident l'Autorité en prenant toutes les mesures nécessaires pour assurer le respect de ces textes conformément à l'article 139.
5. L'Autorité a le droit de prendre, à tout moment, toute mesure prévue dans la présente partie pour en assurer le respect et pour être à même d'exercer les fonctions de contrôle et de réglementation qui lui incombent en vertu de la présente partie ou d'un contrat. Elle a le droit d'inspecter toutes les installations qui sont utilisées pour des activités menées dans la Zone et qui sont situées dans celle-ci.
6. Tout contrat passé conformément au paragraphe 3 prévoit la garantie du titre. Il ne peut donc être révisé, suspendu ou résilie qu'en application des articles 18 et 19 de l'annexe III.
Art. 154. Periodieke toetsing.
Iedere vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag gaat de Vergadering over tot een algemene en stelselmatige toetsing van de wijze waarop de internationale regeling voor het Gebied die is ingesteld in dit Verdrag in de praktijk heeft gewerkt. In het licht van deze toetsing kan de Vergadering maatregelen nemen, of aanbevelen dat andere organen maatregelen nemen, overeenkomstig de bepalingen en procedures van dit Deel en de daarop betrekking hebbende Bijlagen, die zullen leiden tot verbetering van de werking van de regeling.
Iedere vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag gaat de Vergadering over tot een algemene en stelselmatige toetsing van de wijze waarop de internationale regeling voor het Gebied die is ingesteld in dit Verdrag in de praktijk heeft gewerkt. In het licht van deze toetsing kan de Vergadering maatregelen nemen, of aanbevelen dat andere organen maatregelen nemen, overeenkomstig de bepalingen en procedures van dit Deel en de daarop betrekking hebbende Bijlagen, die zullen leiden tot verbetering van de werking van de regeling.
Art. 154. Examen périodique.
Tous les cinq ans à compter de l'entrée en vigueur de la convention, l'Assemblée procède a un examen général et systématique de la manière dont le régime international de la Zone établi par la Convention a fonctionné dans la pratique. A la lumière de cet examen, l'Assemblée peut prendre ou recommander à d'autres organes de prendre des mesures conformes aux dispositions et procédures prévues dans la présente partie et les annexes qui s'y rapportent et permettant d'améliorer le fonctionnement du régime.
Tous les cinq ans à compter de l'entrée en vigueur de la convention, l'Assemblée procède a un examen général et systématique de la manière dont le régime international de la Zone établi par la Convention a fonctionné dans la pratique. A la lumière de cet examen, l'Assemblée peut prendre ou recommander à d'autres organes de prendre des mesures conformes aux dispositions et procédures prévues dans la présente partie et les annexes qui s'y rapportent et permettant d'améliorer le fonctionnement du régime.
Art. 155. De Herzieningsconferentie.
1. Vijftien jaar na 1 januari van het jaar waarin de eerste commerciële productie op grond van een goedgekeurd werkplan aanvangt, roept de Vergadering een conferentie bijeen voor de herziening van de bepalingen in dit Deel en de desbetreffende Bijlagen, waarbij het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied wordt geregeld. De Herzieningsconferentie beziet tot in bijzonderheden, in het licht van de tijdens die periode opgedane ervaring :
a) of de bepalingen van dit Deel, waarbij het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied wordt geregeld, in alle opzichten aan hun doel hebben beantwoord, met inbegrip van de vraag of zij de gehele mensheid ten goede zijn gekomen;
b) of, tijdens de periode van 15 jaar, gereserveerde gebieden zijn geëxploiteerd op een doeltreffende en evenwichtige wijze, vergeleken met niet-gereserveerde gebieden;
c) of de ontginning en het gebruik van het Gebied en zijn rijkdommen zijn ondernomen op een wijze waardoor de gezonde ontwikkeling van de wereldeconomie en de evenwichtige groei van het internationale handelsverkeer zijn bevorderd;
d) of monopolisering van werkzaamheden in het Gebied is voorkomen;
e) of het in artikelen 150 en 151 vervatte beleid zijn doelen heeft bereikt;
f) of het stelsel heeft geleid tot een billijke verdeling van de uit werkzaamheden in het Gebied opgekomen voordelen, zulks met bijzondere inachtneming van de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten.
2. De Herzieningsconferentie verzekert de handhaving van het beginsel van het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid, de internationale regeling waarmede wordt beoogd een billijke exploitatie te verzekeren van de rijkdommen van het Gebied ten bate van alle landen, vooral de ontwikkelingsstaten, en een Autoriteit die de werkzaamheden in het Gebied organiseert, leidt en er toezicht op uitoefent. Zij verzekert tevens de handhaving van de in dit Deel vervatte beginselen ten aanzien van de uitsluiting van aanspraken op of de uitoefening van soevereiniteit over enig deel van het Gebied, de rechten van Staten en hun algemeen optreden met betrekking tot het Gebied en hun deelneming aan werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig dit Verdrag, de voorkoming van monopolisering van werkzaamheden in het Gebied, het gebruik van het Gebied uitsluitend voor vreedzame doeleinden, de economische aspecten van werkzaamheden in het Gebied, wetenschappelijk zeeonderzoek, overdracht van technologie, bescherming van het mariene milieu, bescherming van mensenlevens, rechten van kuststaten, de juridische status van de boven het Gebied gelegen wateren en van het luchtruim boven die wateren en verenigbaarheid van werkzaamheden in het Gebied en met andere activiteiten in het mariene milieu.
3. De besluitvormingsprocedure die geldt voor de Herzieningsconferentie is dezelfde als die welke gold tijdens de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee. De conferentie stelt alles in het werk om door middel van consensus overeenstemming omtrent wijzigingen te bereiken en er wordt over deze aangelegenheden niet gestemd totdat alle middelen om tot een consensus te komen zijn uitgeput.
4. Indien de Herzieningsconferentie vijf jaar nadat zij is aangevangen, geen overeenstemming heeft bereikt omtrent het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied, kan zij tijdens de daarop volgende 12 maanden bij een meerderheid van drie vierde van de Staten die Partij zijn, besluiten de door haar noodzakelijk en passend geachte wijzigingen, waarbij het stelsel wordt gewijzigd of veranderd aan te nemen en voor bekrachtiging of toetreding voor te leggen aan de Staten die Partij zijn. Deze wijzigingen treden voor alle Staten die Partij zijn in werking 12 maanden na de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding door drie vierde van de Staten die Partij zijn.
5. Ingevolge dit artikel door de Herzieningsconferentie aangenomen wijzigingen laten krachtens bestaande contracten verworven rechten onverlet.
1. Vijftien jaar na 1 januari van het jaar waarin de eerste commerciële productie op grond van een goedgekeurd werkplan aanvangt, roept de Vergadering een conferentie bijeen voor de herziening van de bepalingen in dit Deel en de desbetreffende Bijlagen, waarbij het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied wordt geregeld. De Herzieningsconferentie beziet tot in bijzonderheden, in het licht van de tijdens die periode opgedane ervaring :
a) of de bepalingen van dit Deel, waarbij het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied wordt geregeld, in alle opzichten aan hun doel hebben beantwoord, met inbegrip van de vraag of zij de gehele mensheid ten goede zijn gekomen;
b) of, tijdens de periode van 15 jaar, gereserveerde gebieden zijn geëxploiteerd op een doeltreffende en evenwichtige wijze, vergeleken met niet-gereserveerde gebieden;
c) of de ontginning en het gebruik van het Gebied en zijn rijkdommen zijn ondernomen op een wijze waardoor de gezonde ontwikkeling van de wereldeconomie en de evenwichtige groei van het internationale handelsverkeer zijn bevorderd;
d) of monopolisering van werkzaamheden in het Gebied is voorkomen;
e) of het in artikelen 150 en 151 vervatte beleid zijn doelen heeft bereikt;
f) of het stelsel heeft geleid tot een billijke verdeling van de uit werkzaamheden in het Gebied opgekomen voordelen, zulks met bijzondere inachtneming van de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten.
2. De Herzieningsconferentie verzekert de handhaving van het beginsel van het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid, de internationale regeling waarmede wordt beoogd een billijke exploitatie te verzekeren van de rijkdommen van het Gebied ten bate van alle landen, vooral de ontwikkelingsstaten, en een Autoriteit die de werkzaamheden in het Gebied organiseert, leidt en er toezicht op uitoefent. Zij verzekert tevens de handhaving van de in dit Deel vervatte beginselen ten aanzien van de uitsluiting van aanspraken op of de uitoefening van soevereiniteit over enig deel van het Gebied, de rechten van Staten en hun algemeen optreden met betrekking tot het Gebied en hun deelneming aan werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig dit Verdrag, de voorkoming van monopolisering van werkzaamheden in het Gebied, het gebruik van het Gebied uitsluitend voor vreedzame doeleinden, de economische aspecten van werkzaamheden in het Gebied, wetenschappelijk zeeonderzoek, overdracht van technologie, bescherming van het mariene milieu, bescherming van mensenlevens, rechten van kuststaten, de juridische status van de boven het Gebied gelegen wateren en van het luchtruim boven die wateren en verenigbaarheid van werkzaamheden in het Gebied en met andere activiteiten in het mariene milieu.
3. De besluitvormingsprocedure die geldt voor de Herzieningsconferentie is dezelfde als die welke gold tijdens de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee. De conferentie stelt alles in het werk om door middel van consensus overeenstemming omtrent wijzigingen te bereiken en er wordt over deze aangelegenheden niet gestemd totdat alle middelen om tot een consensus te komen zijn uitgeput.
4. Indien de Herzieningsconferentie vijf jaar nadat zij is aangevangen, geen overeenstemming heeft bereikt omtrent het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied, kan zij tijdens de daarop volgende 12 maanden bij een meerderheid van drie vierde van de Staten die Partij zijn, besluiten de door haar noodzakelijk en passend geachte wijzigingen, waarbij het stelsel wordt gewijzigd of veranderd aan te nemen en voor bekrachtiging of toetreding voor te leggen aan de Staten die Partij zijn. Deze wijzigingen treden voor alle Staten die Partij zijn in werking 12 maanden na de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding door drie vierde van de Staten die Partij zijn.
5. Ingevolge dit artikel door de Herzieningsconferentie aangenomen wijzigingen laten krachtens bestaande contracten verworven rechten onverlet.
Art. 155. Conférence de révision.
1. Quinze ans après le 1er janvier de l'année du démarrage de la première production commerciale au titre d'un plan de travail approuvé, l'Assemblée convoquera une conférence pour la révision des dispositions de la présente partie et des annexes qui s'y rapportent régissant le système d'exploration et d'exploitation des ressources de la Zone. La Conférence de révision examinera en détail, à la lumière de l'expérience acquise pendant la période écoulée :
a) si les dispositions de la présente partie qui régissent le système d'exploration et d'exploitation des ressources de la Zone ont atteint leurs objectifs à tous égards, et notamment si l'humanite tout entière en a bénéficié;
b) si, pendant la période de 15 ans, les secteurs réservés ont été exploités de façon efficace et équilibrée par rapport aux secteurs non réservés;
c) si la mise en valeur et l'utilisation de la Zone et de ses ressources ont été entreprises de manière à favoriser le développement harmonieux de l'économie mondiale et l'expansion équilibrée du commerce international;
d) si la monopolisation des activités menées dans la Zone a été empêchée;
e) si les politiques visées aux articles 150 et 151 ont été suivies; et
f) si le système a permis de partager équitablement les avantages tirés des activités menées dans la Zone, compte tenu particulièrement des intérêts et besoins des Etats en développement.
2. La Conférence de révision veillera à ce que soient maintenus le principe du patrimoine commun de l'humanité, le régime international visant a son exploitation équitable au bénéfice de tous les pays, en particulier des Etats en développement, et l'existence d'une autorité chargée d'organiser, de mener et de contrôler les activités dans la Zone. Elle veillera également au maintien des principes énoncés dans la présente partie en ce qui concerne l'exclusion de toute revendication et de tout exercice de souveraineté sur une partie quelconque de la Zone, les droits des Etats et leur conduite générale ayant trait à la Zone, ainsi que leur participation aux activités menées dans la Zone, conformément à la Convention, la prévention de la monopolisation des activités menées dans la Zone, l'utilisation de la Zone à des fins exclusivement pacifiques, les aspects économiques des activités menées dans la Zone, la recherche scientifique marine, le transfert des techniques, la protection du milieu marin et la protection de la vie humaine, les droits des Etats côtiers, le régime juridique des eaux surjacentes à la Zone et celui de l'espace aérien situé au-dessus de ces eaux et la compatibilité des activités menées dans la Zone et des autres activités s'exercant dans le milieu marin.
3. La Conférence de révision suivra la même procédure de prise de décisions que la troisième Conférence des Nations Unies sur le droit de la mer. Elle ne devrait ménager aucun effort pour aboutir à un accord sur tous amendements éventuels par voie de consensus et il ne devrait pas y avoir de vote sur ces questions tant que tous les efforts en vue d'aboutir à un consensus n'auront pas été épuisés.
4. Si, cinq ans après son début, la Conférence de révision n'est pas parvenue à un accord sur le système d'exploration et d'exploitation des ressources de la Zone, elle pourra, dans les 12 mois qui suivront, décider à la majorité des trois quarts des Etats Parties d'adopter et de soumettre aux Etats Parties pour ratification ou adhésion les amendements portant changement ou modification du système qu'elle juge nécessaires et appropriés. Ces amendements entreront en vigueur pour tous les Etats Parties 12 mois après le dépôt des instruments de ratification ou d'adhésion par les trois quarts des Etats Parties.
5. Les amendements adoptés par la Conférence de révision en application du présent article ne porteront pas atteinte aux droits acquis en vertu de contrats existants.
1. Quinze ans après le 1er janvier de l'année du démarrage de la première production commerciale au titre d'un plan de travail approuvé, l'Assemblée convoquera une conférence pour la révision des dispositions de la présente partie et des annexes qui s'y rapportent régissant le système d'exploration et d'exploitation des ressources de la Zone. La Conférence de révision examinera en détail, à la lumière de l'expérience acquise pendant la période écoulée :
a) si les dispositions de la présente partie qui régissent le système d'exploration et d'exploitation des ressources de la Zone ont atteint leurs objectifs à tous égards, et notamment si l'humanite tout entière en a bénéficié;
b) si, pendant la période de 15 ans, les secteurs réservés ont été exploités de façon efficace et équilibrée par rapport aux secteurs non réservés;
c) si la mise en valeur et l'utilisation de la Zone et de ses ressources ont été entreprises de manière à favoriser le développement harmonieux de l'économie mondiale et l'expansion équilibrée du commerce international;
d) si la monopolisation des activités menées dans la Zone a été empêchée;
e) si les politiques visées aux articles 150 et 151 ont été suivies; et
f) si le système a permis de partager équitablement les avantages tirés des activités menées dans la Zone, compte tenu particulièrement des intérêts et besoins des Etats en développement.
2. La Conférence de révision veillera à ce que soient maintenus le principe du patrimoine commun de l'humanité, le régime international visant a son exploitation équitable au bénéfice de tous les pays, en particulier des Etats en développement, et l'existence d'une autorité chargée d'organiser, de mener et de contrôler les activités dans la Zone. Elle veillera également au maintien des principes énoncés dans la présente partie en ce qui concerne l'exclusion de toute revendication et de tout exercice de souveraineté sur une partie quelconque de la Zone, les droits des Etats et leur conduite générale ayant trait à la Zone, ainsi que leur participation aux activités menées dans la Zone, conformément à la Convention, la prévention de la monopolisation des activités menées dans la Zone, l'utilisation de la Zone à des fins exclusivement pacifiques, les aspects économiques des activités menées dans la Zone, la recherche scientifique marine, le transfert des techniques, la protection du milieu marin et la protection de la vie humaine, les droits des Etats côtiers, le régime juridique des eaux surjacentes à la Zone et celui de l'espace aérien situé au-dessus de ces eaux et la compatibilité des activités menées dans la Zone et des autres activités s'exercant dans le milieu marin.
3. La Conférence de révision suivra la même procédure de prise de décisions que la troisième Conférence des Nations Unies sur le droit de la mer. Elle ne devrait ménager aucun effort pour aboutir à un accord sur tous amendements éventuels par voie de consensus et il ne devrait pas y avoir de vote sur ces questions tant que tous les efforts en vue d'aboutir à un consensus n'auront pas été épuisés.
4. Si, cinq ans après son début, la Conférence de révision n'est pas parvenue à un accord sur le système d'exploration et d'exploitation des ressources de la Zone, elle pourra, dans les 12 mois qui suivront, décider à la majorité des trois quarts des Etats Parties d'adopter et de soumettre aux Etats Parties pour ratification ou adhésion les amendements portant changement ou modification du système qu'elle juge nécessaires et appropriés. Ces amendements entreront en vigueur pour tous les Etats Parties 12 mois après le dépôt des instruments de ratification ou d'adhésion par les trois quarts des Etats Parties.
5. Les amendements adoptés par la Conférence de révision en application du présent article ne porteront pas atteinte aux droits acquis en vertu de contrats existants.
Afdeling 4. - De Autoriteit.
Section 4. - L'autorité.
Onderafdeling A. - Algemene bepalingen.
Sous-section A. - Dispositions générales.
Art. 156. Instelling van de Autoriteit.
1. Hierbij wordt ingesteld de Internationale Zeebodemautoriteit, die functioneert overeenkomstig dit Deel.
2. Alle Staten die Partij zijn, zijn uit dien hoofde lid van de Autoriteit.
3. Waarnemers tijdens de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee die de Slotakte hebben ondertekend en waarnaar niet wordt verwezen in artikel 305, eerste lid, letters c, d, e of f, hebben het recht deel te nemen aan de Autoriteit als waarnemers, overeenkomstig de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
4. De zetel van de Autoriteit is in Jamaica.
5. De Autoriteit kan de regionale centra of kantoren instellen die zij nodig acht voor de uitoefening van haar functies.
1. Hierbij wordt ingesteld de Internationale Zeebodemautoriteit, die functioneert overeenkomstig dit Deel.
2. Alle Staten die Partij zijn, zijn uit dien hoofde lid van de Autoriteit.
3. Waarnemers tijdens de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee die de Slotakte hebben ondertekend en waarnaar niet wordt verwezen in artikel 305, eerste lid, letters c, d, e of f, hebben het recht deel te nemen aan de Autoriteit als waarnemers, overeenkomstig de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
4. De zetel van de Autoriteit is in Jamaica.
5. De Autoriteit kan de regionale centra of kantoren instellen die zij nodig acht voor de uitoefening van haar functies.
Art. 156. Création de l'Autorité.
1. Il est crée une Autorité internationale des fonds marins dont le fonctionnement est régi par la présente partie.
2. Tous les Etats Parties sont ipso facto membres de l'Autorité.
3. Les observateurs auprès de la troisième Conférence des Nations Unies sur le droit de la mer, qui ont signé l'Acte final et qui ne sont pas vises à l'article 305, paragraphe 1, lettres c), d), e) ou f), ont le droit de participer aux travaux de l'Autorité en qualité d'observateurs, conformément à ses règles, règlements et procédures.
4. L'Autorité a son siège à la Jamaïque.
5. L'Autorité peut créer les centres ou bureaux régionaux qu'elle juge nécessaires à l'exercice de ses fonctions.
1. Il est crée une Autorité internationale des fonds marins dont le fonctionnement est régi par la présente partie.
2. Tous les Etats Parties sont ipso facto membres de l'Autorité.
3. Les observateurs auprès de la troisième Conférence des Nations Unies sur le droit de la mer, qui ont signé l'Acte final et qui ne sont pas vises à l'article 305, paragraphe 1, lettres c), d), e) ou f), ont le droit de participer aux travaux de l'Autorité en qualité d'observateurs, conformément à ses règles, règlements et procédures.
4. L'Autorité a son siège à la Jamaïque.
5. L'Autorité peut créer les centres ou bureaux régionaux qu'elle juge nécessaires à l'exercice de ses fonctions.
Art. 157. Aard en fundamentele beginselen van de Autoriteit.
1. De Autoriteit is de organisatie door middel waarvan Staten die Partij zijn, overeenkomstig dit Deel, de werkzaamheden in het Gebied organiseren en er toezicht op uitoefenen, vooral ten einde de rijkdommen van het Gebied te beheren.
2. De bevoegdheden en functies van de Autoriteit zijn die welke uitdrukkelijk aan haar zijn toegekend door dit Verdrag. De Autoriteit bezit de nadere bevoegdheden, verenigbaar met dit Verdrag, die haar stilzwijgend zijn toegekend en noodzakelijk zijn voor de uitoefening van deze bevoegdheden en functies ten aanzien van werkzaamheden in het Gebied.
3. De grondslag van de Autoriteit is het beginsel van de soevereine gelijkheid van al haar leden.
4. Alle leden van de Autoriteit vervullen in goede trouw de door hen overeenkomstig dit Deel op zich genomen verplichtingen ten einde aan allen de uit het lidmaatschap voortvloeiende rechten en voordelen te verzekeren.
1. De Autoriteit is de organisatie door middel waarvan Staten die Partij zijn, overeenkomstig dit Deel, de werkzaamheden in het Gebied organiseren en er toezicht op uitoefenen, vooral ten einde de rijkdommen van het Gebied te beheren.
2. De bevoegdheden en functies van de Autoriteit zijn die welke uitdrukkelijk aan haar zijn toegekend door dit Verdrag. De Autoriteit bezit de nadere bevoegdheden, verenigbaar met dit Verdrag, die haar stilzwijgend zijn toegekend en noodzakelijk zijn voor de uitoefening van deze bevoegdheden en functies ten aanzien van werkzaamheden in het Gebied.
3. De grondslag van de Autoriteit is het beginsel van de soevereine gelijkheid van al haar leden.
4. Alle leden van de Autoriteit vervullen in goede trouw de door hen overeenkomstig dit Deel op zich genomen verplichtingen ten einde aan allen de uit het lidmaatschap voortvloeiende rechten en voordelen te verzekeren.
Art. 157. Nature de l'Autorité et principes fondamentaux régissant son fonctionnement.
1. L'Autorité est l'organisation par l'intermédiaire de laquelle les Etats Parties organisent et contrôlent les activités menées dans la Zone, notamment aux fins de l'administration des ressources de celle-ci, conformément à la présente partie.
2. L'Autorité détient les pouvoirs et fonctions qui lui sont expressément conférés par la Convention. Elle est investie des pouvoirs subsidiaires, compatibles avec la Convention, qu'implique nécessairement l'exercice de ces pouvoirs et fonctions quant aux activités menées dans la Zone.
3. L'Autorité est fondée sur le principe de l'égalité souveraine de tous ses membres.
4. Afin d'assurer à chacun d'eux les droits et avantages découlant de sa qualité de membre, tous les membres de l'Autorité s'acquittent de bonne foi des obligations qui leur incombent en vertu de la présente partie.
1. L'Autorité est l'organisation par l'intermédiaire de laquelle les Etats Parties organisent et contrôlent les activités menées dans la Zone, notamment aux fins de l'administration des ressources de celle-ci, conformément à la présente partie.
2. L'Autorité détient les pouvoirs et fonctions qui lui sont expressément conférés par la Convention. Elle est investie des pouvoirs subsidiaires, compatibles avec la Convention, qu'implique nécessairement l'exercice de ces pouvoirs et fonctions quant aux activités menées dans la Zone.
3. L'Autorité est fondée sur le principe de l'égalité souveraine de tous ses membres.
4. Afin d'assurer à chacun d'eux les droits et avantages découlant de sa qualité de membre, tous les membres de l'Autorité s'acquittent de bonne foi des obligations qui leur incombent en vertu de la présente partie.
Art. 158. Organen van de Autoriteit.
1. Hierbij worden als de hoofdorganen van de Autoriteit ingesteld een Vergadering, een Raad en een Secretariaat.
2. Hierbij wordt opgericht de Onderneming, het orgaan door middel waarvan de Autoriteit alle functies uitoefent bedoeld in artikel 170, eerste lid.
3. Overeenkomstig dit Deel kunnen de ondergeschikte organen worden ingesteld die noodzakelijk blijken te zijn.
4. Elk hoofdorgaan van de Autoriteit en de Onderneming is verantwoordelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden en functies die daaraan zijn toegekend. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden en functies vermijdt elk orgaan iedere handeling die inbreuk kan maken op of de uitoefening belemmeren van speciale bevoegdheden en functies, toegekend aan een ander orgaan.
1. Hierbij worden als de hoofdorganen van de Autoriteit ingesteld een Vergadering, een Raad en een Secretariaat.
2. Hierbij wordt opgericht de Onderneming, het orgaan door middel waarvan de Autoriteit alle functies uitoefent bedoeld in artikel 170, eerste lid.
3. Overeenkomstig dit Deel kunnen de ondergeschikte organen worden ingesteld die noodzakelijk blijken te zijn.
4. Elk hoofdorgaan van de Autoriteit en de Onderneming is verantwoordelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden en functies die daaraan zijn toegekend. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden en functies vermijdt elk orgaan iedere handeling die inbreuk kan maken op of de uitoefening belemmeren van speciale bevoegdheden en functies, toegekend aan een ander orgaan.
Art. 158. Organes de l'Autorité.
1. Il est créé une Assemblée, un Conseil et un Secrétariat, qui sont les organes principaux de l'Autorité.
2. Il est créé une Entreprise, qui est l'organe par l'intermédiaire duquel l'Autorité exerce les fonctions visées à l'article 170, paragraphe 1.
3. Les organes subsidiaires jugés nécessaires peuvent être créés conformément à la présente partie.
4. Il incombe à chacun des organes principaux de l'Autorité et à l'Entreprise d'exercer les pouvoirs et fonctions qui leur sont conférés. Dans l'exercice de ces pouvoirs et fonctions, chaque organe évite d'agir d'une manière qui puisse porter atteinte ou nuire à l'exercice des pouvoirs et fonctions particuliers conférés à un autre organe.
1. Il est créé une Assemblée, un Conseil et un Secrétariat, qui sont les organes principaux de l'Autorité.
2. Il est créé une Entreprise, qui est l'organe par l'intermédiaire duquel l'Autorité exerce les fonctions visées à l'article 170, paragraphe 1.
3. Les organes subsidiaires jugés nécessaires peuvent être créés conformément à la présente partie.
4. Il incombe à chacun des organes principaux de l'Autorité et à l'Entreprise d'exercer les pouvoirs et fonctions qui leur sont conférés. Dans l'exercice de ces pouvoirs et fonctions, chaque organe évite d'agir d'une manière qui puisse porter atteinte ou nuire à l'exercice des pouvoirs et fonctions particuliers conférés à un autre organe.
Onderafdeling B. - De vergadering.
Sous-section B. - L'Assemblée.
Art. 159. Samenstelling, procedure en wijze van stemmen.
1. De Vergadering bestaat uit alle leden van de Autoriteit. Elk lid heeft een vertegenwoordiger in de Vergadering, die vergezeld kan worden door plaatsvervangers en adviseurs.
2. De Vergadering komt bijeen in gewone jaarlijkse zittingen en in de bijzondere zittingen waartoe de Vergadering besluit, of die worden bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal op verzoek van de Raad of van een meerderheid van de leden van de Autoriteit.
3. De zittingen worden gehouden ter plaatse van de zetel van de Autoriteit, tenzij de Vergadering anders besluit.
4. De Vergadering stelt haar reglement van orde vast. Bij de aanvang van elke gewone zitting kiest zij haar Voorzitter en die andere functionarissen die nodig zijn. Deze blijven in functie tot een nieuwe Voorzitter en andere functionarissen, worden gekozen tijdens de volgende gewone zitting.
5. Een meerderheid van de leden van de Vergadering vormt een quorum.
6. Elk lid van de Vergadering heeft één stem.
7. Besluiten omtrent procedurele aangelegenheden, met inbegrip van besluiten bijzondere zittingen van de Vergadering bijeen te roepen, worden genomen met een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen.
8. Besluiten omtrent inhoudelijke aangelegenheden worden genomen met een tweederde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits zulk een meerderheid omvat van de leden die aan de zitting deelnemen. Wanneer de vraag rijst of een aangelegenheid inhoudelijk is of niet, wordt deze als een inhoudelijke aangelegenheid behandeld, tenzij de Vergadering anders besluit bij de voor besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden vereiste meerderheid.
9. Wanneer een inhoudelijke aangelegenheid voor de eerste maal in stemming wordt gebracht, kan de Voorzitter, en moet deze indien ten minste een vijfde van de leden van de Vergadering zulks verzoekt, de kwestie van een stemming over die aangelegenheid uitstellen voor een termijn van niet langer dan vijf kalenderdagen. Deze regel kan slechts eenmaal op een aangelegenheid worden toegepast en mag niet zo worden toegepast dat die aangelegenheid wordt uitgesteld tot na het einde van de zitting.
10. Naar aanleiding van een aan de Voorzitter gericht schriftelijk verzoek, gesteund door ten minste een vierde van de leden van de Autoriteit, om een advies omtrent de verenigbaarheid met dit Verdrag van een aan de Vergadering voorgelegd voorstel over enigerlei aangelegenheid, verzoekt de Vergadering de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee hieromtrent advies uit te brengen en stelt zij de stemming over dat voorstel uit in afwachting van de ontvangst van het advies van de Kamer. Indien het advies niet is ontvangen voor de laatste week van de zitting waarin erom is gevraagd, besluit de Vergadering wanneer zij bijeenkomt om over het uitgestelde voorstel te stemmen.
1. De Vergadering bestaat uit alle leden van de Autoriteit. Elk lid heeft een vertegenwoordiger in de Vergadering, die vergezeld kan worden door plaatsvervangers en adviseurs.
2. De Vergadering komt bijeen in gewone jaarlijkse zittingen en in de bijzondere zittingen waartoe de Vergadering besluit, of die worden bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal op verzoek van de Raad of van een meerderheid van de leden van de Autoriteit.
3. De zittingen worden gehouden ter plaatse van de zetel van de Autoriteit, tenzij de Vergadering anders besluit.
4. De Vergadering stelt haar reglement van orde vast. Bij de aanvang van elke gewone zitting kiest zij haar Voorzitter en die andere functionarissen die nodig zijn. Deze blijven in functie tot een nieuwe Voorzitter en andere functionarissen, worden gekozen tijdens de volgende gewone zitting.
5. Een meerderheid van de leden van de Vergadering vormt een quorum.
6. Elk lid van de Vergadering heeft één stem.
7. Besluiten omtrent procedurele aangelegenheden, met inbegrip van besluiten bijzondere zittingen van de Vergadering bijeen te roepen, worden genomen met een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen.
8. Besluiten omtrent inhoudelijke aangelegenheden worden genomen met een tweederde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits zulk een meerderheid omvat van de leden die aan de zitting deelnemen. Wanneer de vraag rijst of een aangelegenheid inhoudelijk is of niet, wordt deze als een inhoudelijke aangelegenheid behandeld, tenzij de Vergadering anders besluit bij de voor besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden vereiste meerderheid.
9. Wanneer een inhoudelijke aangelegenheid voor de eerste maal in stemming wordt gebracht, kan de Voorzitter, en moet deze indien ten minste een vijfde van de leden van de Vergadering zulks verzoekt, de kwestie van een stemming over die aangelegenheid uitstellen voor een termijn van niet langer dan vijf kalenderdagen. Deze regel kan slechts eenmaal op een aangelegenheid worden toegepast en mag niet zo worden toegepast dat die aangelegenheid wordt uitgesteld tot na het einde van de zitting.
10. Naar aanleiding van een aan de Voorzitter gericht schriftelijk verzoek, gesteund door ten minste een vierde van de leden van de Autoriteit, om een advies omtrent de verenigbaarheid met dit Verdrag van een aan de Vergadering voorgelegd voorstel over enigerlei aangelegenheid, verzoekt de Vergadering de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee hieromtrent advies uit te brengen en stelt zij de stemming over dat voorstel uit in afwachting van de ontvangst van het advies van de Kamer. Indien het advies niet is ontvangen voor de laatste week van de zitting waarin erom is gevraagd, besluit de Vergadering wanneer zij bijeenkomt om over het uitgestelde voorstel te stemmen.
Art. 159. Composition, procédure et vote.
1. L'Assemblée se compose de tous les membres de l'Autorité. Chaque membre a un représentant à l'Assemblée, qui peut être accompagné de suppléants et de conseillers.
2. L'Assemblée se réunit en session ordinaire tous les ans, et en session extraordinaire chaque fois qu'elle le décide ou lorsqu'elle est convoquée par le Secrétaire général à la demande du Conseil ou de la majorité des membres de l'Autorité.
3. Les sessions de l'Assemblée, à moins qu'elle n'en décide autrement, ont lieu au siège de l'Autorité.
4. L'Assemblée adopte son règlement intérieur. A l'ouverture de chaque session ordinaire, elle élit son président et autant d'autres membres du bureau qu'il est nécessaire. Ils restent en fonction jusqu'à l'élection d'un nouveau bureau à la session ordinaire suivante.
5. Le quorum est constitué par la majorite des membres de l'Assemblée.
6. Chaque membre de l'Assemblée a une voix.
7. Leurs décisions sur les questions de procédure, y compris la convocation d'une session extraordinaire de l'Assemblée, sont prises à la majorité des membres présents et votants.
8. Les décisions sur les questions de fond sont prises à la majorité des deux tiers des membres présents et votants, à condition que cette majorité comprenne celle des membres participants à la session. En cas de doute sur le point de savoir s'il s'agit d'une question de fond, la question débattue est considérée comme telle, à moins que l'Autorité n'en décide autrement à la majorité requise pour les décisions sur les questions de fond.
9. Lorsqu'une question de fond est sur le point d'être mise aux voix pour la première fois, le President peut, et doit si un cinquième au moins des membres de l'Assemblee en font la demande, ajourner la décision de recourir au vote sur cette question pendant un délai ne dépassant pas cinq jours civils. Cette règle ne peut s'appliquer qu'une seule fois à propos de la même question, et son application ne doit pas entraîner l'ajournement de questions au-delà de la clôture de la session.
10. Lorsque le Président est saisi par un quart au moins des membres de l'Autorité d'une requête écrite tendant à ce que l'Assemblée demande un avis consultatif sur la conformité avec la Convention d'une proposition qui lui est soumise au sujet d'une question quelconque, l'Assemblée demande un avis consultatif à la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins du Tribunal international du droit de la mer. Le vote est reporté jusqu'à ce que la Chambre ait rendu son avis. Si celui-ci ne lui est pas parvenu avant la dernière semaine de la session au cours de laquelle il a été demandé, l'Assemblée décide quand elle se réunira pour voter sur la proposition ajournée.
1. L'Assemblée se compose de tous les membres de l'Autorité. Chaque membre a un représentant à l'Assemblée, qui peut être accompagné de suppléants et de conseillers.
2. L'Assemblée se réunit en session ordinaire tous les ans, et en session extraordinaire chaque fois qu'elle le décide ou lorsqu'elle est convoquée par le Secrétaire général à la demande du Conseil ou de la majorité des membres de l'Autorité.
3. Les sessions de l'Assemblée, à moins qu'elle n'en décide autrement, ont lieu au siège de l'Autorité.
4. L'Assemblée adopte son règlement intérieur. A l'ouverture de chaque session ordinaire, elle élit son président et autant d'autres membres du bureau qu'il est nécessaire. Ils restent en fonction jusqu'à l'élection d'un nouveau bureau à la session ordinaire suivante.
5. Le quorum est constitué par la majorite des membres de l'Assemblée.
6. Chaque membre de l'Assemblée a une voix.
7. Leurs décisions sur les questions de procédure, y compris la convocation d'une session extraordinaire de l'Assemblée, sont prises à la majorité des membres présents et votants.
8. Les décisions sur les questions de fond sont prises à la majorité des deux tiers des membres présents et votants, à condition que cette majorité comprenne celle des membres participants à la session. En cas de doute sur le point de savoir s'il s'agit d'une question de fond, la question débattue est considérée comme telle, à moins que l'Autorité n'en décide autrement à la majorité requise pour les décisions sur les questions de fond.
9. Lorsqu'une question de fond est sur le point d'être mise aux voix pour la première fois, le President peut, et doit si un cinquième au moins des membres de l'Assemblee en font la demande, ajourner la décision de recourir au vote sur cette question pendant un délai ne dépassant pas cinq jours civils. Cette règle ne peut s'appliquer qu'une seule fois à propos de la même question, et son application ne doit pas entraîner l'ajournement de questions au-delà de la clôture de la session.
10. Lorsque le Président est saisi par un quart au moins des membres de l'Autorité d'une requête écrite tendant à ce que l'Assemblée demande un avis consultatif sur la conformité avec la Convention d'une proposition qui lui est soumise au sujet d'une question quelconque, l'Assemblée demande un avis consultatif à la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins du Tribunal international du droit de la mer. Le vote est reporté jusqu'à ce que la Chambre ait rendu son avis. Si celui-ci ne lui est pas parvenu avant la dernière semaine de la session au cours de laquelle il a été demandé, l'Assemblée décide quand elle se réunira pour voter sur la proposition ajournée.
Art. 160. Bevoegdheden en functies.
1. Als enig orgaan van de Autoriteit dat uit alle leden bestaat, wordt de Vergadering als het hoogste orgaan van de Autoriteit beschouwd waaraan de andere hoofdorganen verantwoording verschuldigd zijn, zoals speciaal bepaald in dit Verdrag. De Vergadering bezit de bevoegdheid algemene beleidslijnen te bepalen overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag inzake enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit.
2. Daarnaast bezit de Vergadering de bevoegdheden en functies tot :
a) het kiezen van de leden van de Raad overeenkomstig artikel 161;
b) het kiezen van de Secretaris-Generaal uit de kandidaten, voorgedragen door de Raad;
c) het kiezen, op aanbeveling van de Raad, van de leden van de Raad van Bestuur van de Onderneming en de Directeur-Generaal van de Onderneming;
d) het instellen van de ondergeschikte organen die zij noodzakelijk acht voor de uitoefening van haar functies overeenkomstig dit Deel. Bij de samenstelling van deze ondergeschikte organen wordt naar behoren rekening gehouden met het beginsel van een billijke geografische verdeling en met bijzondere belangen en de behoefte aan leden die gekwalificeerd en bevoegd zijn ten aanzien van de desbetreffende technische vraagstukken die door deze organen worden behandeld;
e) het vaststellen van de bijdragen van de leden aan de administratieve begroting van de Autoriteit overeenkomstig een overeengekomen schaal gebaseerd op de schaal gebruikt voor de gewone begroting van de Verenigde Naties, tot de Autoriteit voldoende inkomsten uit andere bronnen heeft om haar administratieve uitgaven te dekken;
f) (i) het overwegen en goedkeuren, op aanbeveling van de Raad, van de regels, voorschriften en procedures inzake de billijke verdeling van financiële en andere economische voordelen, opgekomen uit werkzaamheden in het Gebied en de betalingen en bijdragen, verricht ingevolge artikel 82, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de belangen en behoeften van ontwikkelingsstaten en volken die nog geen volledige onafhankelijkheid of andere status van zelfbestuur hebben verworven. Indien de Vergadering de aanbevelingen van de Raad niet goedkeurt, zendt de Vergadering deze terug naar de Raad voor hernieuwde overweging in het licht van de door de Vergadering naar voren gebrachte zienswijzen;
(ii) het overwegen en goedkeuren van de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, en van wijzigingen daarop, voorlopig aangenomen door de Raad ingevolge artikel 162, tweede lid, letter o, onder (ii). Deze regels, voorschriften en procedures betreffen het onderzoek, de exploratie en exploitatie in het Gebied, het financieel beheer en de interne administratie van de Autoriteit, en, op aanbeveling van de Raad van Bestuur van de Onderneming, de overdracht van financiële middelen van de Onderneming aan de Autoriteit.
g) het besluiten over de billijke verdeling van financiële en andere economische voordelen opgekomen uit werkzaamheden in het Gebied, overeenkomstig dit Verdrag en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
h) het overwegen en goedkeuren van de voorgestelde jaarlijkse begroting van de Autoriteit, ingediend door de Raad;
i) het bestuderen van periodieke rapporten van de Raad en van de Onderneming en van speciale rapporten waarom de Raad of een ander orgaan van de Autoriteit is verzocht;
j) het doen verrichten van studies en het doen van aanbevelingen ten behoeve van de bevordering van de internationale samenwerking betreffende werkzaamheden in het Gebied en het stimuleren van de geleidelijke ontwikkeling van het daarop betrekking hebbende internationale recht en de codificatie daarvan;
k) het overwegen van vraagstukken van algemene aard in verband met werkzaamheden in het Gebied die zich vooral voordoen voor ontwikkelingsstaten, alsmede de problemen voor Staten in verband met werkzaamheden in het Gebied vanwege hun geografische ligging, in het bijzonder voor Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging;
l) het instellen, op aanbeveling van de Raad, op basis van advies van de Commissie voor Economische Planning, van een stelsel van compensatie of andere maatregelen voor steun bij economische aanpassing, zoals bepaald in artikel 151, tiende lid;
m) het schorsen van de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap ingevolge artikel 185;
n) het bespreken van enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit en het beslissen, welk orgaan van de Autoriteit een zodanige aangelegenheid of zaak zal behandelen die niet speciaal is opgedragen aan een bepaald orgaan, zulks overeenkomstig de verdeling van bevoegdheden en functies tussen de organen van de Autoriteit.
1. Als enig orgaan van de Autoriteit dat uit alle leden bestaat, wordt de Vergadering als het hoogste orgaan van de Autoriteit beschouwd waaraan de andere hoofdorganen verantwoording verschuldigd zijn, zoals speciaal bepaald in dit Verdrag. De Vergadering bezit de bevoegdheid algemene beleidslijnen te bepalen overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag inzake enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit.
2. Daarnaast bezit de Vergadering de bevoegdheden en functies tot :
a) het kiezen van de leden van de Raad overeenkomstig artikel 161;
b) het kiezen van de Secretaris-Generaal uit de kandidaten, voorgedragen door de Raad;
c) het kiezen, op aanbeveling van de Raad, van de leden van de Raad van Bestuur van de Onderneming en de Directeur-Generaal van de Onderneming;
d) het instellen van de ondergeschikte organen die zij noodzakelijk acht voor de uitoefening van haar functies overeenkomstig dit Deel. Bij de samenstelling van deze ondergeschikte organen wordt naar behoren rekening gehouden met het beginsel van een billijke geografische verdeling en met bijzondere belangen en de behoefte aan leden die gekwalificeerd en bevoegd zijn ten aanzien van de desbetreffende technische vraagstukken die door deze organen worden behandeld;
e) het vaststellen van de bijdragen van de leden aan de administratieve begroting van de Autoriteit overeenkomstig een overeengekomen schaal gebaseerd op de schaal gebruikt voor de gewone begroting van de Verenigde Naties, tot de Autoriteit voldoende inkomsten uit andere bronnen heeft om haar administratieve uitgaven te dekken;
f) (i) het overwegen en goedkeuren, op aanbeveling van de Raad, van de regels, voorschriften en procedures inzake de billijke verdeling van financiële en andere economische voordelen, opgekomen uit werkzaamheden in het Gebied en de betalingen en bijdragen, verricht ingevolge artikel 82, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de belangen en behoeften van ontwikkelingsstaten en volken die nog geen volledige onafhankelijkheid of andere status van zelfbestuur hebben verworven. Indien de Vergadering de aanbevelingen van de Raad niet goedkeurt, zendt de Vergadering deze terug naar de Raad voor hernieuwde overweging in het licht van de door de Vergadering naar voren gebrachte zienswijzen;
(ii) het overwegen en goedkeuren van de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, en van wijzigingen daarop, voorlopig aangenomen door de Raad ingevolge artikel 162, tweede lid, letter o, onder (ii). Deze regels, voorschriften en procedures betreffen het onderzoek, de exploratie en exploitatie in het Gebied, het financieel beheer en de interne administratie van de Autoriteit, en, op aanbeveling van de Raad van Bestuur van de Onderneming, de overdracht van financiële middelen van de Onderneming aan de Autoriteit.
g) het besluiten over de billijke verdeling van financiële en andere economische voordelen opgekomen uit werkzaamheden in het Gebied, overeenkomstig dit Verdrag en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
h) het overwegen en goedkeuren van de voorgestelde jaarlijkse begroting van de Autoriteit, ingediend door de Raad;
i) het bestuderen van periodieke rapporten van de Raad en van de Onderneming en van speciale rapporten waarom de Raad of een ander orgaan van de Autoriteit is verzocht;
j) het doen verrichten van studies en het doen van aanbevelingen ten behoeve van de bevordering van de internationale samenwerking betreffende werkzaamheden in het Gebied en het stimuleren van de geleidelijke ontwikkeling van het daarop betrekking hebbende internationale recht en de codificatie daarvan;
k) het overwegen van vraagstukken van algemene aard in verband met werkzaamheden in het Gebied die zich vooral voordoen voor ontwikkelingsstaten, alsmede de problemen voor Staten in verband met werkzaamheden in het Gebied vanwege hun geografische ligging, in het bijzonder voor Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging;
l) het instellen, op aanbeveling van de Raad, op basis van advies van de Commissie voor Economische Planning, van een stelsel van compensatie of andere maatregelen voor steun bij economische aanpassing, zoals bepaald in artikel 151, tiende lid;
m) het schorsen van de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap ingevolge artikel 185;
n) het bespreken van enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit en het beslissen, welk orgaan van de Autoriteit een zodanige aangelegenheid of zaak zal behandelen die niet speciaal is opgedragen aan een bepaald orgaan, zulks overeenkomstig de verdeling van bevoegdheden en functies tussen de organen van de Autoriteit.
Art. 160. Pouvoirs et fonctions.
1. L'Assemblée, seul organe composé de tous les membres de l'Autorité, est considérée comme l'organe suprême de celle-ci devant lequel les autres organes principaux sont responsables, ainsi qu'il est expressément prévu dans la Convention. L'Assemblée a le pouvoir d'arrêter, en conformité avec les dispositions pertinentes de la Convention, la politique générale de l'Autorité sur toute question ou tout sujet relevant de la compétence de celle-ci.
2. En outre, l'Assemblée a les pouvoirs et fonctions ci-après :
a) élire les membres du Conseil conformément à l'article 161;
b) élire le Secrétaire général parmi les candidats proposés par le Conseil;
c) élire, sur recommandation du Conseil, les membres du Conseil d'administration de l'Entreprise et le Directeur général de celle-ci;
d) créer les organes subsidiaires qu'elle juge nécessaires pour exercer ses fonctions conformément à la présente partie. En ce qui concerne la composition de tels organes, il est dûment tenu compte du principe de la répartition géographique équitable des sièges, des intérêts particuliers et de la nécessité d'assurer a ces organes le concours de membres qualifiés et compétents dans les domaines techniques dont ils s'occupent;
e) fixer les contributions des membres au budget d'administration de l'Autorité conformément à un barème convenu, fondé sur le barème utilise pour le budget ordinaire de l'Organisation des Nations Unies, jusqu'à ce que l'Autorité dispose de recettes suffisantes provenant d'autres sources pour faire face à ses dépenses d'administration;
f) (i) examiner et approuver sur recommendation du Conseil, les règles, règlements et procédures relatifs au partage équitable des avantages financiers et autres avantages économiques tirés des activités menées dans la Zone, ainsi qu'aux contributions prévues à l'article, en tenant particulièrement compte des intérêts et besoins des Etats en développement et des peuples qui n'ont pas accédé à leur pleine indépendance ou à un autre régime d'autonomie. Si l'Assemblée n'approuve pas les recommandations du Conseil, elle les renvoie à celui-ci pour qu'ils les réexamine à la lumiere des vues qu'elle a exprimées;
(ii) examiner et approuver les règles, règlements et procédures de l'Autorité, ainsi que tous amendements à ces textes, que le Conseil a provisoirement adoptés en application de l'article 162, paragraphe 2, lettre o), (ii). Ces règles, règlements et procédures ont pour objet la prospection, l'exploration et l'exploitation dans la Zone, la gestion financière de l'Autorité et son administration interne et, sur recommandation du Conseil d'administration de l'Entreprise, les virements de fonds de l'Entreprise à l'Autorité;
g) décider du partage équitable des avantages financiers et autres avantages économiques tirés des activités menées dans la zone, d'une manière compatible avec la Convention et les règles, règlements et procédures de l'Autorite;
h) examiner et approuver le projet de budget annuel de l'Autorité soumis par le Conseil;
i) examiner les rapports périodiques du Conseil et de l'Entreprise ainsi que les rapports spéciaux demandés au Conseil et à tout autre organe de l'Autorité;
j) faire procéder à des études et formuler des recommandations tendant à promouvoir la coopération internationale concernant les activités menées dans la Zone et à encourager le développement progressif du droit international et sa codification;
k) examiner les problèmes de caractère général ayant trait aux activités menées dans la Zone, qui surgissent en particulier pour les Etats en développement, ainsi que les problèmes qui se posent à propos de ces activités à certains Etats en raison de leur situation géographique, notamment aux Etats sans littoral et aux Etats géographiquement désavantages;
l) sur recommandation du Conseil, fondée sur l'avis de la Commission de planification économique, instituer un système de compensation ou prendre d'autres mesures d'assistance propres à faciliter l'ajustement économique comme le prévoit l'article 151, paragraphe 10;
m) prononcer la suspension de l'exercice des droits et privilèges inhérents à la qualité de membre, en application de l'article 185;
n) délibérer de toute question ou de tout sujet relevant de la compétence de l'Autorité et décider, d'une manière compatible avec la répartition des pouvoirs et fonctions entre les organes de l'Autorité, lequel de ces organes traitera d'une question ou d'un sujet dont l'examen n'a pas été expressément attribué à l'un d'eux.
1. L'Assemblée, seul organe composé de tous les membres de l'Autorité, est considérée comme l'organe suprême de celle-ci devant lequel les autres organes principaux sont responsables, ainsi qu'il est expressément prévu dans la Convention. L'Assemblée a le pouvoir d'arrêter, en conformité avec les dispositions pertinentes de la Convention, la politique générale de l'Autorité sur toute question ou tout sujet relevant de la compétence de celle-ci.
2. En outre, l'Assemblée a les pouvoirs et fonctions ci-après :
a) élire les membres du Conseil conformément à l'article 161;
b) élire le Secrétaire général parmi les candidats proposés par le Conseil;
c) élire, sur recommandation du Conseil, les membres du Conseil d'administration de l'Entreprise et le Directeur général de celle-ci;
d) créer les organes subsidiaires qu'elle juge nécessaires pour exercer ses fonctions conformément à la présente partie. En ce qui concerne la composition de tels organes, il est dûment tenu compte du principe de la répartition géographique équitable des sièges, des intérêts particuliers et de la nécessité d'assurer a ces organes le concours de membres qualifiés et compétents dans les domaines techniques dont ils s'occupent;
e) fixer les contributions des membres au budget d'administration de l'Autorité conformément à un barème convenu, fondé sur le barème utilise pour le budget ordinaire de l'Organisation des Nations Unies, jusqu'à ce que l'Autorité dispose de recettes suffisantes provenant d'autres sources pour faire face à ses dépenses d'administration;
f) (i) examiner et approuver sur recommendation du Conseil, les règles, règlements et procédures relatifs au partage équitable des avantages financiers et autres avantages économiques tirés des activités menées dans la Zone, ainsi qu'aux contributions prévues à l'article, en tenant particulièrement compte des intérêts et besoins des Etats en développement et des peuples qui n'ont pas accédé à leur pleine indépendance ou à un autre régime d'autonomie. Si l'Assemblée n'approuve pas les recommandations du Conseil, elle les renvoie à celui-ci pour qu'ils les réexamine à la lumiere des vues qu'elle a exprimées;
(ii) examiner et approuver les règles, règlements et procédures de l'Autorité, ainsi que tous amendements à ces textes, que le Conseil a provisoirement adoptés en application de l'article 162, paragraphe 2, lettre o), (ii). Ces règles, règlements et procédures ont pour objet la prospection, l'exploration et l'exploitation dans la Zone, la gestion financière de l'Autorité et son administration interne et, sur recommandation du Conseil d'administration de l'Entreprise, les virements de fonds de l'Entreprise à l'Autorité;
g) décider du partage équitable des avantages financiers et autres avantages économiques tirés des activités menées dans la zone, d'une manière compatible avec la Convention et les règles, règlements et procédures de l'Autorite;
h) examiner et approuver le projet de budget annuel de l'Autorité soumis par le Conseil;
i) examiner les rapports périodiques du Conseil et de l'Entreprise ainsi que les rapports spéciaux demandés au Conseil et à tout autre organe de l'Autorité;
j) faire procéder à des études et formuler des recommandations tendant à promouvoir la coopération internationale concernant les activités menées dans la Zone et à encourager le développement progressif du droit international et sa codification;
k) examiner les problèmes de caractère général ayant trait aux activités menées dans la Zone, qui surgissent en particulier pour les Etats en développement, ainsi que les problèmes qui se posent à propos de ces activités à certains Etats en raison de leur situation géographique, notamment aux Etats sans littoral et aux Etats géographiquement désavantages;
l) sur recommandation du Conseil, fondée sur l'avis de la Commission de planification économique, instituer un système de compensation ou prendre d'autres mesures d'assistance propres à faciliter l'ajustement économique comme le prévoit l'article 151, paragraphe 10;
m) prononcer la suspension de l'exercice des droits et privilèges inhérents à la qualité de membre, en application de l'article 185;
n) délibérer de toute question ou de tout sujet relevant de la compétence de l'Autorité et décider, d'une manière compatible avec la répartition des pouvoirs et fonctions entre les organes de l'Autorité, lequel de ces organes traitera d'une question ou d'un sujet dont l'examen n'a pas été expressément attribué à l'un d'eux.
Onderafdeling C. - De Raad.
Sous-section C. - Le Conseil.
Art. 161. Samenstelling, procedure en wijze van stemming.
1. De Raad bestaat uit 36 leden van de Autoriteit, die door de Vergadering worden gekozen in de onderstaande volgorde :
a) vier leden uit de Staten die Partij zijn die, gedurende de laatste vijf jaar waarvoor statistieken beschikbaar zijn, hetzij meer dan 2 procent van het totale wereldverbruik hebben verbruikt, hetzij een netto invoer hebben gehad van meer dan 2 procent van de totale wereldinvoer van de grondstoffen, geproduceerd uit de categorieën delfstoffen die in het Gebied zullen worden gewonnen, en in elk geval een Staat uit de Oosteuropese (socialistische) regio, alsmede de grootste verbruiker;
b) vier leden uit de acht Staten die Partij zijn die de grootste investeringen hebben in de voorbereiding en het verrichten van werkzaamheden in het Gebied, hetzij direct, hetzij via hun onderdanen, waaronder ten minste een Staat uit de Oosteuropese (socialistische) regio;
c) vier leden uit de Staten die Partij zijn die op basis van de productie in onder hun rechtsmacht vallende gebieden grote netto exporteurs zijn van de categorieën metalen die zullen worden gewonnen in het Gebied, waaronder ten minste twee ontwikkelingsstaten wier exporten van zulke delfstoffen van aanzienlijk belang zijn voor hun economie;
d) zes leden uit de ontwikkelingsstaten die Partij zijn, die bijzondere belangen vertegenwoordigen. De te vertegenwoordigen bijzondere belangen omvatten die van Staten met een grote bevolking, Staten zonder zeekust of Staten met een ongunstige geografische ligging, Staten die grote importeurs zijn van de categorieën metalen die uit het Gebied zullen worden gewonnen, Staten die potentiële producenten van zulke delfstoffen zijn, en de minst ontwikkelde Staten;
e) achttien leden, gekozen volgens het beginsel dat een billijke geografische verdeling van zetels in de Raad als geheel moet worden verzekerd, met dien verstande dat elke geografische regio ten minste één op grond van deze letter gekozen lid heeft. Voor de toepassing van deze bepaling zijn de geografische regio's Afrika, Azië, Oosteuropa (socialistisch), Latijns-Amerika, alsmede West-Europa en andere Staten.
2. Bij de verkiezing van leden van de Raad overeenkomstig het eerste lid verzekert de Vergadering dat :
a) Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging vertegenwoordigd zijn in een mate die in redelijke verhouding staat tot hun vertegenwoordiging in de Vergadering;
b) kuststaten, vooral ontwikkelingsstaten, die niet in aanmerking komen ingevolge het eerste lid, letter a, b, c of d, zijn vertegenwoordigd in een mate die in redelijke verhouding staat tot hun vertegenwoordiging in de Vergadering;
c) elke groep Staten die Partij zijn en die vertegenwoordigd moet zijn in de Raad, wordt vertegenwoordigd door die leden die eventueel door die groep zijn voorgedragen.
3. De verkiezingen vinden plaats tijdens de gewone zittingen van de Vergadering. Elk lid van de Raad wordt gekozen voor vier jaar. Tijdens de eerste verkiezing is de ambtstermijn van de helft van de leden van elke in het eerste lid bedoelde groep evenwel twee jaar.
4. De leden van de Raad zijn herkiesbaar, maar voldoende aandacht dient te worden besteed aan de wenselijkheid van een roulering van het lidmaatschap.
5. De Raad oefent zijn functies ter plaatse van de zetel van de Autoriteit en komt zo vaak bijeen als de werkzaamheden van de Autoriteit vereisen, doch niet minder dan driemaal per jaar.
6. Een meerderheid van de leden van de Raad vormt een quorum.
7. Elk lid van de Raad heeft één stem.
8. a) Besluiten inzake procedurekwesties worden genomen met een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen.
b) Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden die zich op grond van de hierna genoemde bepalingen voordoen, worden genomen met een twee derde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits deze meerderheid een meerderheid omvat van de leden van de Raad : artikel 162, tweede lid, letters f, g, h, i, n, p, v; artikel 191.
c) Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden die zich voordoen op grond van de hierna genoemde bepalingen worden genomen met een drie vierde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits deze meerderheid een meerderheid omvat van de leden van de Raad : artikel 162, eerste lid, artikel 162, tweede lid, letters a, b, c, d, e, l, q, r, s, t; u in geval van niet naleving door een contractant of een Staat die deze steun verleent; w met dien verstande dat ingevolge deze letter uitgevaardigde bevelen niet bindend kunnen zijn voor langer dan 30 dagen, tenzij bevestigd bij een besluit, genomen overeenkomstig letter d; artikel 162, tweede lid, letters x, y, z; artikel 163, tweede lid; artikel 174, derde lid; Bijlage IV, artikel 11.
d) Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden die zich voordoen op grond van de hierna genoemde bepalingen worden genomen bij consensus : artikel 162, tweede lid, letters m en o; aanneming van wijzigingen op Deel XI.
e) Voor de toepassing van de letters d, f en g betekent " consensus " het ontbreken van een formeel bezwaar. Binnen 14 dagen na de voorlegging van een voorstel aan de Raad bepaalt de Voorzitter van de Raad of er een formeel bezwaar tegen de aanvaarding van het voorstel zou zijn. Indien de Voorzitter constateert dat er zulk een bezwaar zou zijn, roept de Voorzitter binnen drie dagen na deze constatering een door hem ingestelde bemiddelingscommissie bijeen, bestaande uit niet meer dan negen leden van de Raad, die door hemzelf wordt voorgezeten, ter regeling van de meningsverschillen en ter opstelling van een voorstel dat bij consensus kan worden aanvaard. De commissie dient snel te werken en binnen 14 dagen na haar instelling verslag uit te brengen aan de Raad. Indien de commissie niet in staat is een voorstel aan te bevelen, dat bij consensus kan worden aanvaard, zet zij in haar verslag de redenen uiteen, waarom er bezwaar is tegen het voorstel.
f) Besluiten inzake aangelegenheden die niet hierboven zijn opgesomd en die de Raad bevoegd is te nemen op grond van de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit of anderszins, worden genomen ingevolge de letters van dit lid, aangegeven in de regels, voorschriften en procedures of, indien daarin niet aangegeven, dan ingevolge de letter die de Raad indien mogelijk vooraf bij consensus heeft bepaald.
g) Indien de vraag zich voordoet of een aangelegenheid binnen de letters a, b, c of d valt, wordt deze behandeld als vallend binnen de letter die de grootste meerderheid of de consensus vereist, naar gelang het geval, tenzij anders beslist door de Raad bij de genoemde meerderheid of bij consensus.
9. De Raad stelt een procedure vast waarbij een lid van de Autoriteit dat niet in de Raad vertegenwoordigd is, een vertegenwoordiger kan zenden om de vergadering van de Raad bij te wonen wanneer zulk een lid hiertoe een verzoek heeft ingediend of een aangelegenheid die dat lid bijzonder raakt, wordt bestudeerd. Zulk een vertegenwoordiger is gerechtigd deel te nemen aan de besprekingen, doch heeft geen stemrecht.
1. De Raad bestaat uit 36 leden van de Autoriteit, die door de Vergadering worden gekozen in de onderstaande volgorde :
a) vier leden uit de Staten die Partij zijn die, gedurende de laatste vijf jaar waarvoor statistieken beschikbaar zijn, hetzij meer dan 2 procent van het totale wereldverbruik hebben verbruikt, hetzij een netto invoer hebben gehad van meer dan 2 procent van de totale wereldinvoer van de grondstoffen, geproduceerd uit de categorieën delfstoffen die in het Gebied zullen worden gewonnen, en in elk geval een Staat uit de Oosteuropese (socialistische) regio, alsmede de grootste verbruiker;
b) vier leden uit de acht Staten die Partij zijn die de grootste investeringen hebben in de voorbereiding en het verrichten van werkzaamheden in het Gebied, hetzij direct, hetzij via hun onderdanen, waaronder ten minste een Staat uit de Oosteuropese (socialistische) regio;
c) vier leden uit de Staten die Partij zijn die op basis van de productie in onder hun rechtsmacht vallende gebieden grote netto exporteurs zijn van de categorieën metalen die zullen worden gewonnen in het Gebied, waaronder ten minste twee ontwikkelingsstaten wier exporten van zulke delfstoffen van aanzienlijk belang zijn voor hun economie;
d) zes leden uit de ontwikkelingsstaten die Partij zijn, die bijzondere belangen vertegenwoordigen. De te vertegenwoordigen bijzondere belangen omvatten die van Staten met een grote bevolking, Staten zonder zeekust of Staten met een ongunstige geografische ligging, Staten die grote importeurs zijn van de categorieën metalen die uit het Gebied zullen worden gewonnen, Staten die potentiële producenten van zulke delfstoffen zijn, en de minst ontwikkelde Staten;
e) achttien leden, gekozen volgens het beginsel dat een billijke geografische verdeling van zetels in de Raad als geheel moet worden verzekerd, met dien verstande dat elke geografische regio ten minste één op grond van deze letter gekozen lid heeft. Voor de toepassing van deze bepaling zijn de geografische regio's Afrika, Azië, Oosteuropa (socialistisch), Latijns-Amerika, alsmede West-Europa en andere Staten.
2. Bij de verkiezing van leden van de Raad overeenkomstig het eerste lid verzekert de Vergadering dat :
a) Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging vertegenwoordigd zijn in een mate die in redelijke verhouding staat tot hun vertegenwoordiging in de Vergadering;
b) kuststaten, vooral ontwikkelingsstaten, die niet in aanmerking komen ingevolge het eerste lid, letter a, b, c of d, zijn vertegenwoordigd in een mate die in redelijke verhouding staat tot hun vertegenwoordiging in de Vergadering;
c) elke groep Staten die Partij zijn en die vertegenwoordigd moet zijn in de Raad, wordt vertegenwoordigd door die leden die eventueel door die groep zijn voorgedragen.
3. De verkiezingen vinden plaats tijdens de gewone zittingen van de Vergadering. Elk lid van de Raad wordt gekozen voor vier jaar. Tijdens de eerste verkiezing is de ambtstermijn van de helft van de leden van elke in het eerste lid bedoelde groep evenwel twee jaar.
4. De leden van de Raad zijn herkiesbaar, maar voldoende aandacht dient te worden besteed aan de wenselijkheid van een roulering van het lidmaatschap.
5. De Raad oefent zijn functies ter plaatse van de zetel van de Autoriteit en komt zo vaak bijeen als de werkzaamheden van de Autoriteit vereisen, doch niet minder dan driemaal per jaar.
6. Een meerderheid van de leden van de Raad vormt een quorum.
7. Elk lid van de Raad heeft één stem.
8. a) Besluiten inzake procedurekwesties worden genomen met een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen.
b) Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden die zich op grond van de hierna genoemde bepalingen voordoen, worden genomen met een twee derde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits deze meerderheid een meerderheid omvat van de leden van de Raad : artikel 162, tweede lid, letters f, g, h, i, n, p, v; artikel 191.
c) Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden die zich voordoen op grond van de hierna genoemde bepalingen worden genomen met een drie vierde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits deze meerderheid een meerderheid omvat van de leden van de Raad : artikel 162, eerste lid, artikel 162, tweede lid, letters a, b, c, d, e, l, q, r, s, t; u in geval van niet naleving door een contractant of een Staat die deze steun verleent; w met dien verstande dat ingevolge deze letter uitgevaardigde bevelen niet bindend kunnen zijn voor langer dan 30 dagen, tenzij bevestigd bij een besluit, genomen overeenkomstig letter d; artikel 162, tweede lid, letters x, y, z; artikel 163, tweede lid; artikel 174, derde lid; Bijlage IV, artikel 11.
d) Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden die zich voordoen op grond van de hierna genoemde bepalingen worden genomen bij consensus : artikel 162, tweede lid, letters m en o; aanneming van wijzigingen op Deel XI.
e) Voor de toepassing van de letters d, f en g betekent " consensus " het ontbreken van een formeel bezwaar. Binnen 14 dagen na de voorlegging van een voorstel aan de Raad bepaalt de Voorzitter van de Raad of er een formeel bezwaar tegen de aanvaarding van het voorstel zou zijn. Indien de Voorzitter constateert dat er zulk een bezwaar zou zijn, roept de Voorzitter binnen drie dagen na deze constatering een door hem ingestelde bemiddelingscommissie bijeen, bestaande uit niet meer dan negen leden van de Raad, die door hemzelf wordt voorgezeten, ter regeling van de meningsverschillen en ter opstelling van een voorstel dat bij consensus kan worden aanvaard. De commissie dient snel te werken en binnen 14 dagen na haar instelling verslag uit te brengen aan de Raad. Indien de commissie niet in staat is een voorstel aan te bevelen, dat bij consensus kan worden aanvaard, zet zij in haar verslag de redenen uiteen, waarom er bezwaar is tegen het voorstel.
f) Besluiten inzake aangelegenheden die niet hierboven zijn opgesomd en die de Raad bevoegd is te nemen op grond van de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit of anderszins, worden genomen ingevolge de letters van dit lid, aangegeven in de regels, voorschriften en procedures of, indien daarin niet aangegeven, dan ingevolge de letter die de Raad indien mogelijk vooraf bij consensus heeft bepaald.
g) Indien de vraag zich voordoet of een aangelegenheid binnen de letters a, b, c of d valt, wordt deze behandeld als vallend binnen de letter die de grootste meerderheid of de consensus vereist, naar gelang het geval, tenzij anders beslist door de Raad bij de genoemde meerderheid of bij consensus.
9. De Raad stelt een procedure vast waarbij een lid van de Autoriteit dat niet in de Raad vertegenwoordigd is, een vertegenwoordiger kan zenden om de vergadering van de Raad bij te wonen wanneer zulk een lid hiertoe een verzoek heeft ingediend of een aangelegenheid die dat lid bijzonder raakt, wordt bestudeerd. Zulk een vertegenwoordiger is gerechtigd deel te nemen aan de besprekingen, doch heeft geen stemrecht.
Art. 161. Composition, procédure et vote.
1. Le Conseil se compose de 36 membres de l'Autorité, élus par l'Assemblée dans l'ordre suivant :
a) quatre membres choisis parmi les Etats Parties dont la consommation ou les importations nettes de produits de base relevant des catégories de minéraux devant être extraits de la Zone ont dépassé, au cours des cinq dernières années pour lesquelles il existe des statistiques, 2 pc du total mondial de la consommation ou des importations de ces produits de base, dont au moins un Etat de la région de l'Europe orientale (socialiste), ainsi que le plus grand consommateur;
b) quatre membres choisis parmi les huit Etats Parties qui ont effectué, directement ou par l'intermédiaire de leurs ressortissants, les investissements les plus importants pour la préparation et la realisation d'activités menées dans la Zone, dont au moins un Etat de la région de l'Europe orientale (socialiste);
c) quatre membres choisis parmi les Etats Parties qui, sur la base de la production provenant des zones soumises à leur juridiction, sont parmi les principaux exportateurs nets des catégories de minéraux devant être extraits de la Zone, dont au moins deux Etats en développement dont l'économie est fortement tributaire de leurs exportations de ces minéraux;
d) six membres choisis parmi les Etats Parties en développement et représentant des intérêts particuliers. Les intérêts particuliers devant être représentés comprennent ceux des Etats à population nombreuse, des Etats sans littoral ou géographiquement désavantagés, des Etats qui figurent parmi les principaux importateurs des catégories de minéraux devant être extraits de la Zone, des Etats potentiellement producteurs de tels minéraux et des Etats les moins avancés;
e) dix-huit membres élus suivant le principe d'une répartition géographique équitable de l'ensemble des sièges du Conseil, étant entendu qu'au moins un membre par région géographique est élu membre en application de la présente disposition. A cette fin, les régions géographiques sont : l'Afrique, l'Amérique latine, l'Asie, l'Europe orientale (socialiste), ainsi que l'Europe occidentale et autres Etats.
2. Lorsqu'elle élit les membres du Conseil conformément au paragraphe 1, l'Assemblée veille à ce que :
a) la représentation des Etats sans littoral et des Etats géographiquement desavantagés corresponde raisonnablement à leur représentation au sein de l'Assemblée;
b) la représentation des Etats côtiers, en particulier des Etats en développement, qui ne remplissent pas les conditions énoncés au paragraphe 1, lettre a), b), c) ou d), corresponde raisonnablement à leur représentation au sein de l'Assemblée;
c) chaque groupe d'Etats Parties devant être représentés au Conseil soit représenté par les membres éventuellement désignés par ce groupe.
3. Les élections ont lieu lors d'une session ordinaire de l'Assemblée. Chaque membre du Conseil est élu pour quatre ans. Toutefois, lors de la première élection, la durée du mandat de la moitié des membres représentant chacun des groupes visés au paragraphe 1 est de deux ans.
4. Les membres du Conseil sont rééligibles, mais il devrait être dûment tenu compte du fait qu'une rotation des sièges est souhaitable.
5. Le Conseil exerce ses fonctions au siège de l'Autorité; il se réunit aussi souvent que l'exigent les activités de l'Autorité, mais en tout cas trois fois par an.
6. Le quorum est constitué par la majorité des membres du Conseil.
7. Chaque membre du Conseil a une voix.
8. a) les décisions sur les questions de procédure sont prises à la majorité des membres présents et votants;
b) les décisions sur les questions de fond qui se posent à propos de l'article 162, paragraphe 2, lettres f), g), h), i), n), p), v), et de l'article 191 sont prises à la majorité des deux tiers des membres présents et votants, à condition que cette majorité comprenne celle des membres du Conseil;
c) les décisions sur les questions de fond qui se posent à propos des dispositions énumérées ci-après sont prises à la majorité des trois quarts des membres présents et votants, à condition que cette majorité comprenne celle des membres du Conseil : article 162, paragraphe 1; article 162, paragraphe 2, lettres a), b), c), d), e), l), q), r), s), t); article 162, paragraphe 2, lettre u), dans les cas d'inobservation par un contractant ou l'Etat qui le patronne; article 162, paragraphe 2, lettre w), étant entendu que les ordres émis en vertu de cette disposition ne peuvent être obligatoires pendant plus de 30 jours que s'ils sont confirmés par une décision prise conformément à la lettre d); article 162, paragraphe 2, lettres x), y) et z); article 163, paragraphe; article 174, paragraphe 3; article 11 de l'annexe IV;
d) les décisions sur les questions de fond qui se posent à propos de l'article 162, paragraphe 2, lettres m) et o), ainsi qu'à propos de l'adoption des amendements à la partie XI, sont prises par consensus;
e) aux fins des lettres d), f) et g), on entend par " consensus " l'absence de toute objection formelle. Dans les 14 jours qui suivent la soumission d'une proposition au Conseil, le Président examine s'il y aurait une objection à son adoption. S'il constate qu'une telle objection serait formulée, le Président constitue et convoque, dans les trois jours, une commission de conciliation composée, au plus, de neuf membres du Conseil et présidée par lui-même, chargée d'éliminer les divergences et de formuler une proposition susceptible d'être adoptée par consensus. La commission s'acquitte promptement de sa tâche et fait rapport au Conseil dans les 14 jours qui suivent sa constitution. Si elle n'est pas en mesure de recommander une proposition susceptible d'être adoptée par consensus, elle expose dans son rapport les motifs de l'opposition à la proposition;
f) les décisions sur les questions non énumérées ci-dessus que le Conseil est habilité à prendre en vertu des règles, règlements et procédures de l'Autorité ou à tout autre titre sont prises conformément aux dispositions du présent paragraphe indiquées dans ces règles, règlements et procédures ou, à défaut, conformément à la disposition déterminée par une décision du Conseil prise par consensus;
g) en cas de doute sur le point de savoir si une question relève des catégories visées aux lettres a), b), c) ou d), la question est réputée relever de la disposition exigeant la majorité la plus élevée ou le consensus, selon le cas, à moins que le Conseil n'en décide autrement à cette majorité ou par consensus.
9. Le Conseil établit une procédure permettant à un membre de l'Autorité qui n'est pas représenté au sein du Conseil de se faire représenter à une séance de celui-ci lorsque ce membre présente une demande à cet effet ou que le Conseil examine une question qui le concerne particulièrement. Le representant de ce membre peut participert aux débats sans droit de vote.
1. Le Conseil se compose de 36 membres de l'Autorité, élus par l'Assemblée dans l'ordre suivant :
a) quatre membres choisis parmi les Etats Parties dont la consommation ou les importations nettes de produits de base relevant des catégories de minéraux devant être extraits de la Zone ont dépassé, au cours des cinq dernières années pour lesquelles il existe des statistiques, 2 pc du total mondial de la consommation ou des importations de ces produits de base, dont au moins un Etat de la région de l'Europe orientale (socialiste), ainsi que le plus grand consommateur;
b) quatre membres choisis parmi les huit Etats Parties qui ont effectué, directement ou par l'intermédiaire de leurs ressortissants, les investissements les plus importants pour la préparation et la realisation d'activités menées dans la Zone, dont au moins un Etat de la région de l'Europe orientale (socialiste);
c) quatre membres choisis parmi les Etats Parties qui, sur la base de la production provenant des zones soumises à leur juridiction, sont parmi les principaux exportateurs nets des catégories de minéraux devant être extraits de la Zone, dont au moins deux Etats en développement dont l'économie est fortement tributaire de leurs exportations de ces minéraux;
d) six membres choisis parmi les Etats Parties en développement et représentant des intérêts particuliers. Les intérêts particuliers devant être représentés comprennent ceux des Etats à population nombreuse, des Etats sans littoral ou géographiquement désavantagés, des Etats qui figurent parmi les principaux importateurs des catégories de minéraux devant être extraits de la Zone, des Etats potentiellement producteurs de tels minéraux et des Etats les moins avancés;
e) dix-huit membres élus suivant le principe d'une répartition géographique équitable de l'ensemble des sièges du Conseil, étant entendu qu'au moins un membre par région géographique est élu membre en application de la présente disposition. A cette fin, les régions géographiques sont : l'Afrique, l'Amérique latine, l'Asie, l'Europe orientale (socialiste), ainsi que l'Europe occidentale et autres Etats.
2. Lorsqu'elle élit les membres du Conseil conformément au paragraphe 1, l'Assemblée veille à ce que :
a) la représentation des Etats sans littoral et des Etats géographiquement desavantagés corresponde raisonnablement à leur représentation au sein de l'Assemblée;
b) la représentation des Etats côtiers, en particulier des Etats en développement, qui ne remplissent pas les conditions énoncés au paragraphe 1, lettre a), b), c) ou d), corresponde raisonnablement à leur représentation au sein de l'Assemblée;
c) chaque groupe d'Etats Parties devant être représentés au Conseil soit représenté par les membres éventuellement désignés par ce groupe.
3. Les élections ont lieu lors d'une session ordinaire de l'Assemblée. Chaque membre du Conseil est élu pour quatre ans. Toutefois, lors de la première élection, la durée du mandat de la moitié des membres représentant chacun des groupes visés au paragraphe 1 est de deux ans.
4. Les membres du Conseil sont rééligibles, mais il devrait être dûment tenu compte du fait qu'une rotation des sièges est souhaitable.
5. Le Conseil exerce ses fonctions au siège de l'Autorité; il se réunit aussi souvent que l'exigent les activités de l'Autorité, mais en tout cas trois fois par an.
6. Le quorum est constitué par la majorité des membres du Conseil.
7. Chaque membre du Conseil a une voix.
8. a) les décisions sur les questions de procédure sont prises à la majorité des membres présents et votants;
b) les décisions sur les questions de fond qui se posent à propos de l'article 162, paragraphe 2, lettres f), g), h), i), n), p), v), et de l'article 191 sont prises à la majorité des deux tiers des membres présents et votants, à condition que cette majorité comprenne celle des membres du Conseil;
c) les décisions sur les questions de fond qui se posent à propos des dispositions énumérées ci-après sont prises à la majorité des trois quarts des membres présents et votants, à condition que cette majorité comprenne celle des membres du Conseil : article 162, paragraphe 1; article 162, paragraphe 2, lettres a), b), c), d), e), l), q), r), s), t); article 162, paragraphe 2, lettre u), dans les cas d'inobservation par un contractant ou l'Etat qui le patronne; article 162, paragraphe 2, lettre w), étant entendu que les ordres émis en vertu de cette disposition ne peuvent être obligatoires pendant plus de 30 jours que s'ils sont confirmés par une décision prise conformément à la lettre d); article 162, paragraphe 2, lettres x), y) et z); article 163, paragraphe; article 174, paragraphe 3; article 11 de l'annexe IV;
d) les décisions sur les questions de fond qui se posent à propos de l'article 162, paragraphe 2, lettres m) et o), ainsi qu'à propos de l'adoption des amendements à la partie XI, sont prises par consensus;
e) aux fins des lettres d), f) et g), on entend par " consensus " l'absence de toute objection formelle. Dans les 14 jours qui suivent la soumission d'une proposition au Conseil, le Président examine s'il y aurait une objection à son adoption. S'il constate qu'une telle objection serait formulée, le Président constitue et convoque, dans les trois jours, une commission de conciliation composée, au plus, de neuf membres du Conseil et présidée par lui-même, chargée d'éliminer les divergences et de formuler une proposition susceptible d'être adoptée par consensus. La commission s'acquitte promptement de sa tâche et fait rapport au Conseil dans les 14 jours qui suivent sa constitution. Si elle n'est pas en mesure de recommander une proposition susceptible d'être adoptée par consensus, elle expose dans son rapport les motifs de l'opposition à la proposition;
f) les décisions sur les questions non énumérées ci-dessus que le Conseil est habilité à prendre en vertu des règles, règlements et procédures de l'Autorité ou à tout autre titre sont prises conformément aux dispositions du présent paragraphe indiquées dans ces règles, règlements et procédures ou, à défaut, conformément à la disposition déterminée par une décision du Conseil prise par consensus;
g) en cas de doute sur le point de savoir si une question relève des catégories visées aux lettres a), b), c) ou d), la question est réputée relever de la disposition exigeant la majorité la plus élevée ou le consensus, selon le cas, à moins que le Conseil n'en décide autrement à cette majorité ou par consensus.
9. Le Conseil établit une procédure permettant à un membre de l'Autorité qui n'est pas représenté au sein du Conseil de se faire représenter à une séance de celui-ci lorsque ce membre présente une demande à cet effet ou que le Conseil examine une question qui le concerne particulièrement. Le representant de ce membre peut participert aux débats sans droit de vote.
Art. 162. Bevoegdheden en functies.
1. De Raad is het uitvoerend orgaan van de Autoriteit. De Raad heeft de bevoegdheid, overeenkomstig dit Verdrag en de door de Vergadering vastgestelde algemene beleidslijnen, het specifieke beleid te bepalen dat de Autoriteit zal voeren ten aanzien van enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit.
2. Daarnaast dient de Raad :
a) zorg te dragen voor het toezicht op en de coördinatie van de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van alle vraagstukken en aangelegenheden vallende onder de bevoegdheid van de Autoriteit, en de aandacht van de Vergadering te vestigen op gevallen waarin deze niet worden nageleefd;
b) aan de Vergadering een voordracht te doen van kandidaten voor de verkiezing van de Secretaris-Generaal;
c) aan de Vergadering kandidaten aan te bevelen voor de verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur van de Onderneming en van de Directeur-Generaal van de Onderneming;
d) waar passend, en naar behoren rekening houdend met een zuinig beheer en efficiëntie, de onderschikte organen in te stellen die hij noodzakelijk acht voor de uitoefening van zijn functies overeenkomstig dit Deel. Bij de samenstelling van ondergeschikte organen wordt de nadruk gelegd op de behoefte aan leden die gekwalificeerd en bekwaam zijn ten aanzien van de desbetreffende technische aangelegenheden die door deze organen worden behandeld, mits naar behoren rekening wordt gehouden met het beginsel van een billijke geografische verdeling en met bijzondere belangen;
e) zijn reglement van orde, met inbegrip van de wijze van verkiezing van zijn voorzitter, vast te stellen;
f) overeenkomsten te sluiten met de Verenigde Naties of andere internationale organisaties namens de Autoriteit en binnen zijn bevoegdheid, zulks behoudens goedkeuring door de Vergadering;
g) de verslagen van de Onderneming te bestuderen en deze met zijn aanbevelingen door te zenden aan de Vergadering;
h) aan de Vergadering een jaarverslag over te leggen, alsmede de bijzondere verslagen waarom de Vergadering kan verzoeken;
i) richtlijnen te verstrekken aan de Onderneming overeenkomstig artikel 170;
j) werkplannen goed te keuren overeenkomstig Bijlage III, artikel 6. De Raad spreekt zich uit over elk werkplan binnen 60 dagen nadat het is voorgelegd door de Juridische en Technische Commissie tijdens een zitting van de Raad overeenkomstig de onderstaande procedures;
(i) indien de Commissie de goedkeuring van een werkplan aanbeveelt, wordt het geacht te zijn goedgekeurd door de Raad indien geen lid van de Raad binnen 14 dagen schriftelijk een specifiek bezwaar bij de Voorzitter indient, waarin het stelt dat niet is voldaan aan de vereisten van Bijlage III, artikel 6. Indien er bezwaar is, wordt de in artikel 161, achtste lid, letter e, vervatte bemiddelingsprocedure toegepast. Indien aan het einde van de bemiddelingsprocedure het bezwaar nog steeds wordt gehandhaafd, wordt het werkplan geacht door de Raad te zijn goedgekeurd, tenzij de Raad afkeurt bij consensus van zijn leden, met uitzondering van de Staat of Staten die de aanvraag indient (indienen) of de aanvrager steunt (steunen);
(ii) indien de Commissie de afkeuring van een werkplan aanbeveelt of geen aanbeveling doet, kan de Raad het werkplan goedkeuren met een drie vierde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits deze meerderheid een meerderheid omvat van de leden die aan de zitting deelnemen;
k) door de Onderneming overeenkomstig Bijlage IV, artikel 12, voorgelegde werkplannen goed te keuren, waarbij de procedures vervat in letter j mutatis mutandis worden toegepast;
l) toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig artikel 153, vierde lid, en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit;
m) op aanbeveling van de Commissie voor Economische Planning, overeenkomstig artikel 150, letter h, de nodige en passende maatregelen te nemen om bescherming te bieden tegen de daarin genoemde nadelige economische gevolgen;
n) de Vergadering aanbevelingen te doen, op basis van advies van de Commissie voor Economische Planning, voor een stelsel van compensatie of andere maatregelen voor steunverlenging bij economische aanpassing, zoals bepaald in artikel 151, tiende lid;
o) (i) aan de Vergadering regels, voorschriften en procedures aan te bevelen inzake de billijke verdeling van financiële en andere economische voordelen opgekomen uit werkzaamheden in het Gebied en de betalingen en bijdragen gedaan ingevolge artikel 82, met bijzondere inachtneming van de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten en volken die geen volledige onafhankelijkheid of andere status van zelfbestuur hebben bereikt;
(ii) in afwachting van goedkeuring door de Vergadering, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, en alle wijzigingen daarop, aan te nemen en voorlopig toe te passen met inachtneming van de aanbevelingen van de Juridische en Technische Commissie of andere betrokken ondergeschikte organen. Deze regels, voorschriften en procedures hebben betrekking op prospectie, exploratie en exploitatie in het Gebied en het financieel beheer en de interne administratie van de Autoriteit. Er wordt voorrang gegeven aan de aanneming van regels, voorschriften en procedures voor de exploratie en de exploitatie van metaalknollen. De regels, voorschriften en procedures voor de exploratie en de exploitatie van andere rijkdommen dan metaalknollen worden aangenomen binnen drie jaar na de datum van een verzoek aan de Autoriteit van een van haar leden tot aanneming van deze regels, voorschriften en procedures ten aanzien van zulke rijkdommen. Alle regels, voorschriften en procedures blijven van kracht op voorlopige grondslag totdat zij zijn goedgekeurd door de Vergadering of totdat zij worden gewijzigd door de Raad in het licht van door de Vergadering naar voren gebrachte zienswijzen;
p) de betaling te bezien van alle bedragen verschuldigd door of aan de Autoriteit in verband met verrichtingen ingevolge dit Deel;
q) krachtens Bijlage III, artikel 7, de selectie te maken uit aanvragers van productievergunningen, wanneer in die bepaling een selectie wordt vereist;
r) de jaarlijkse ontwerp-begroting van de Autoriteit ter goedkeuring aan de Vergadering voor te leggen;
s) aan de Vergadering aanbevelingen te doen betreffende het beleid inzake enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit;
t) aan de Vergadering aanbevelingen te doen betreffende schorsing van de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap ingevolge artikel 185;
u) uit naam van de Autoriteit procedures aanhangig te maken voor de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem in geval van niet-naleving;
v) de Vergadering in kennis te stellen van een beslissing van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem in een ingevolge letter u aanhangig gemaakte procedure en alle aanbevelingen te doen die hem passend voorkomen met betrekking tot te nemen maatregelen;
w) bevelen in een noodsituatie uit te vaardigen, waaronder bevelen voor de opschorting of aanpassing van de werkzaamheden, ter voorkoming van ernstige schade aan het mariene milieu ten gevolge van werkzaamheden in het Gebied;
x) gebieden uit te sluiten van exploitatie door contractanten of door de Onderneming in gevallen waarin degelijke bewijzen voorhanden zijn dat er risico bestaat van ernstige schade aan het mariene milieu;
y) een onderschikt orgaan in te stellen voor de opstelling van ontwerpen van financiële regels, voorschriften en procedures betreffende :
(i) het financieel beheer overeenkomstig de artikelen 171 tot en met 175; en
(ii) de financiële regelingen overeenkomstig Bijlage III, artikel 13 en artikel 17, eerste lid, letter c;
z) passende voorzieningen te treffen voor de leiding aan en het toezicht op een korps van inspecteurs, die de werkzaamheden in het Gebied inspecteren, ten einde na te gaan of dit Deel, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, en de voorwaarden en bedingen van contracten met de Autoriteit worden nageleefd.
1. De Raad is het uitvoerend orgaan van de Autoriteit. De Raad heeft de bevoegdheid, overeenkomstig dit Verdrag en de door de Vergadering vastgestelde algemene beleidslijnen, het specifieke beleid te bepalen dat de Autoriteit zal voeren ten aanzien van enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit.
2. Daarnaast dient de Raad :
a) zorg te dragen voor het toezicht op en de coördinatie van de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van alle vraagstukken en aangelegenheden vallende onder de bevoegdheid van de Autoriteit, en de aandacht van de Vergadering te vestigen op gevallen waarin deze niet worden nageleefd;
b) aan de Vergadering een voordracht te doen van kandidaten voor de verkiezing van de Secretaris-Generaal;
c) aan de Vergadering kandidaten aan te bevelen voor de verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur van de Onderneming en van de Directeur-Generaal van de Onderneming;
d) waar passend, en naar behoren rekening houdend met een zuinig beheer en efficiëntie, de onderschikte organen in te stellen die hij noodzakelijk acht voor de uitoefening van zijn functies overeenkomstig dit Deel. Bij de samenstelling van ondergeschikte organen wordt de nadruk gelegd op de behoefte aan leden die gekwalificeerd en bekwaam zijn ten aanzien van de desbetreffende technische aangelegenheden die door deze organen worden behandeld, mits naar behoren rekening wordt gehouden met het beginsel van een billijke geografische verdeling en met bijzondere belangen;
e) zijn reglement van orde, met inbegrip van de wijze van verkiezing van zijn voorzitter, vast te stellen;
f) overeenkomsten te sluiten met de Verenigde Naties of andere internationale organisaties namens de Autoriteit en binnen zijn bevoegdheid, zulks behoudens goedkeuring door de Vergadering;
g) de verslagen van de Onderneming te bestuderen en deze met zijn aanbevelingen door te zenden aan de Vergadering;
h) aan de Vergadering een jaarverslag over te leggen, alsmede de bijzondere verslagen waarom de Vergadering kan verzoeken;
i) richtlijnen te verstrekken aan de Onderneming overeenkomstig artikel 170;
j) werkplannen goed te keuren overeenkomstig Bijlage III, artikel 6. De Raad spreekt zich uit over elk werkplan binnen 60 dagen nadat het is voorgelegd door de Juridische en Technische Commissie tijdens een zitting van de Raad overeenkomstig de onderstaande procedures;
(i) indien de Commissie de goedkeuring van een werkplan aanbeveelt, wordt het geacht te zijn goedgekeurd door de Raad indien geen lid van de Raad binnen 14 dagen schriftelijk een specifiek bezwaar bij de Voorzitter indient, waarin het stelt dat niet is voldaan aan de vereisten van Bijlage III, artikel 6. Indien er bezwaar is, wordt de in artikel 161, achtste lid, letter e, vervatte bemiddelingsprocedure toegepast. Indien aan het einde van de bemiddelingsprocedure het bezwaar nog steeds wordt gehandhaafd, wordt het werkplan geacht door de Raad te zijn goedgekeurd, tenzij de Raad afkeurt bij consensus van zijn leden, met uitzondering van de Staat of Staten die de aanvraag indient (indienen) of de aanvrager steunt (steunen);
(ii) indien de Commissie de afkeuring van een werkplan aanbeveelt of geen aanbeveling doet, kan de Raad het werkplan goedkeuren met een drie vierde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits deze meerderheid een meerderheid omvat van de leden die aan de zitting deelnemen;
k) door de Onderneming overeenkomstig Bijlage IV, artikel 12, voorgelegde werkplannen goed te keuren, waarbij de procedures vervat in letter j mutatis mutandis worden toegepast;
l) toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig artikel 153, vierde lid, en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit;
m) op aanbeveling van de Commissie voor Economische Planning, overeenkomstig artikel 150, letter h, de nodige en passende maatregelen te nemen om bescherming te bieden tegen de daarin genoemde nadelige economische gevolgen;
n) de Vergadering aanbevelingen te doen, op basis van advies van de Commissie voor Economische Planning, voor een stelsel van compensatie of andere maatregelen voor steunverlenging bij economische aanpassing, zoals bepaald in artikel 151, tiende lid;
o) (i) aan de Vergadering regels, voorschriften en procedures aan te bevelen inzake de billijke verdeling van financiële en andere economische voordelen opgekomen uit werkzaamheden in het Gebied en de betalingen en bijdragen gedaan ingevolge artikel 82, met bijzondere inachtneming van de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten en volken die geen volledige onafhankelijkheid of andere status van zelfbestuur hebben bereikt;
(ii) in afwachting van goedkeuring door de Vergadering, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, en alle wijzigingen daarop, aan te nemen en voorlopig toe te passen met inachtneming van de aanbevelingen van de Juridische en Technische Commissie of andere betrokken ondergeschikte organen. Deze regels, voorschriften en procedures hebben betrekking op prospectie, exploratie en exploitatie in het Gebied en het financieel beheer en de interne administratie van de Autoriteit. Er wordt voorrang gegeven aan de aanneming van regels, voorschriften en procedures voor de exploratie en de exploitatie van metaalknollen. De regels, voorschriften en procedures voor de exploratie en de exploitatie van andere rijkdommen dan metaalknollen worden aangenomen binnen drie jaar na de datum van een verzoek aan de Autoriteit van een van haar leden tot aanneming van deze regels, voorschriften en procedures ten aanzien van zulke rijkdommen. Alle regels, voorschriften en procedures blijven van kracht op voorlopige grondslag totdat zij zijn goedgekeurd door de Vergadering of totdat zij worden gewijzigd door de Raad in het licht van door de Vergadering naar voren gebrachte zienswijzen;
p) de betaling te bezien van alle bedragen verschuldigd door of aan de Autoriteit in verband met verrichtingen ingevolge dit Deel;
q) krachtens Bijlage III, artikel 7, de selectie te maken uit aanvragers van productievergunningen, wanneer in die bepaling een selectie wordt vereist;
r) de jaarlijkse ontwerp-begroting van de Autoriteit ter goedkeuring aan de Vergadering voor te leggen;
s) aan de Vergadering aanbevelingen te doen betreffende het beleid inzake enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit;
t) aan de Vergadering aanbevelingen te doen betreffende schorsing van de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap ingevolge artikel 185;
u) uit naam van de Autoriteit procedures aanhangig te maken voor de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem in geval van niet-naleving;
v) de Vergadering in kennis te stellen van een beslissing van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem in een ingevolge letter u aanhangig gemaakte procedure en alle aanbevelingen te doen die hem passend voorkomen met betrekking tot te nemen maatregelen;
w) bevelen in een noodsituatie uit te vaardigen, waaronder bevelen voor de opschorting of aanpassing van de werkzaamheden, ter voorkoming van ernstige schade aan het mariene milieu ten gevolge van werkzaamheden in het Gebied;
x) gebieden uit te sluiten van exploitatie door contractanten of door de Onderneming in gevallen waarin degelijke bewijzen voorhanden zijn dat er risico bestaat van ernstige schade aan het mariene milieu;
y) een onderschikt orgaan in te stellen voor de opstelling van ontwerpen van financiële regels, voorschriften en procedures betreffende :
(i) het financieel beheer overeenkomstig de artikelen 171 tot en met 175; en
(ii) de financiële regelingen overeenkomstig Bijlage III, artikel 13 en artikel 17, eerste lid, letter c;
z) passende voorzieningen te treffen voor de leiding aan en het toezicht op een korps van inspecteurs, die de werkzaamheden in het Gebied inspecteren, ten einde na te gaan of dit Deel, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, en de voorwaarden en bedingen van contracten met de Autoriteit worden nageleefd.
Art. 162. Pouvoirs et fonctions.
1. Le Conseil est l'organe exécutif de l'Autorité. Il a le pouvoir d'arrêter, en conformité avec la Convention et avec la politique générale définie par l'Assemblée, les politiques spécifiques à suivre par l'Autorité sur toute question ou tout sujet relevant de sa compétence.
2. En outre, le Conseil :
a) surveille et coordonne l'application de la présente partie pour toutes les questions et tous les sujets relevant de la compétence de l'Autorité et appelle l'attention de l'Assemblée sur les cas d'inobservation;
b) soumet à l'Assemblée une liste de candidats au poste de Secrétaire général;
c) recommande à l'Assemblée des candidats aux fonctions de membres du Conseil d'administration de l'Entreprise et au poste de Directeur général de celle-ci;
d) crée, selon qu'il convient, et compte dûment tenu des impératifs d'économie et d'efficacité, les organes subsidiaires qu'il juge nécessaires pour exercer ses fonctions conformément à la présente partie. En ce qui concerne la composition de tels organes, l'accent doit être mis sur la nécessité de leur assurer le concours de membres qualifiés et compétents dans les domaines techniques dont ils s'occupent, compte dûment tenu néanmoins du principe de la repartition geographique équitable et d'intérêts particuliers;
e) adopte sont règlement intérieur, dans lequel il fixe notamment le mode de désignation de son président;
f) conclut, au nom de l'Autorité, des accords avec l'Organisation des Nations Unies et d'autres organisations internationales, dans les limites de sa compétence et sous réserve de l'approbation de l'Assemblée;
g) examine les rapports de l'Entreprise et les transmet à l'Assemblée, en y joignant ses recommandations;
h) présente à l'Assemblée des rapports annuels ainsi que les rapports spéciaux que celle-ci lui demande;
i) donne des directives à l'Entreprise conformément à l'article 170;
j) approuve les plans de travail conformément à l'article 6 de l'annexe III. Le Conseil statue sur chaque plan de travail dans les 60 jours suivant la date à laquelle celui-ci lui a été soumis à une de ses sessions par la Commission juridique et technique, conformément aux procédures indiquées ci-après :
(i) lorsque la Commission recommande l'approbation d'un plan de travail, celui-ci est réputé accepté par le Conseil si aucun membre de ce dernier ne soumet par écrit au Président, dans un délai de 14 jours, une objection précise dans laquelle il allègue l'inobservation des conditions énoncées à l'article 6 de l'annexe III. Si une telle objection est formulée, la procédure de conciliation prévue à l'article 161, paragraphe 8, lettre e), s'applique. Si, au terme de cette procédure, l'objection est maintenue, le plan de travail est réputé approuvé par le Conseil, à moins qu'il ne le rejette par consensus à l'exclusion de l'Etat ou des Etats qui ont fait la demande ou patronné le demandeur;
(ii) lorsque la Commission recommande le rejet d'un plan de travail ou ne formule pas de recommandation, le Conseil peut approuver celui-ci à la majorité des trois quarts des membres présents et votants, à condition que cette majorité comprenne celle des membres participant à la session;
k) approuve les plans de travail présentés par l'Entreprise conformément à l'article 12 de l'annexe IV, en appliquant, mutatis mutandis, les procédures prévues à la lettre j);
l) exerce un contrôle sur les activités menées dans la Zone, conformément à l'article 153, paragraphe 4, et aux règles, règlements et procédures de l'Autorité;
m) prend, sur recommandation de la Commission de planification économique, les mesures nécessaires et appropriées pour protéger les Etats en développement, conformément à l'article 150, lettre h), des effets économiques défavorables visés dans cette disposition;
n) fait à l'Assemblée, en ce fondant sur l'avis de la Commission de planification économique, des recommandations concernant l'institution d'un système de compensation ou la prise d'autres mesures d'assistance propres à faciliter l'ajustement économique, comme le prévoit l'article 151, paragraphe 10;
o) (i) recommande à l'Assemblée des règles, règlements et procédures relatifs au partage équitable des avantages financiers et autres avantages économiques tirés des activités menées dans la Zone, ainsi qu'aux contributions prévues à l'article 82, en tenant particulièrement compte des intérêts et besoins des Etats en développement et des peuples qui n'ont pas accédé à la pleine indépendance ou a un autre régime d'autonomie;
(ii) adopte et applique provisoirement, en attendant l'approbation de l'Assemblée, les règles, règlements et procédures de l'Autorité et tous amendements à ces textes en tenant compte des recommandations de la Commission juridique et technique ou de tout autre organe subordonné. Ces règles, règlements et procédures ont pour objet la prospection, l'exploration et l'exploitation dans la Zone, ainsi que la gestion financière de l'Autorité et son administration interne. La priorite est accordée à l'adoption de règles, règlements et procédures relatifs à l'exploration et l'exploitation de nodules polymétalliques. Les règles, règlements et procédures portant sur l'exploration et l'exploitation de toute ressource autre que les nodules polymétalliques sont adoptés dans un délai de trois ans à compter de la date à laquelle l'Autorité a été saisie d'une demande à cet effet par un de ses membres. Ils demeurent tous en vigueur a titre provisoire jusqu'à leur approbation par l'Assemblée ou jusqu'à leur modification par le Conseil, à la lumière des vues exprimées par l'Assemblée;
p) veille au paiement de toutes les sommes dues par l'Autorite ou à celle-ci au titre des opérations effectuées conformément à la présente partie;
q) fait un choix entre les demandeurs d'autorisation de production en vertu de l'article 7 de l'annexe III dans les cas prévus à cet article;
r) soumet le projet de budget annuel de l'Autorité à l'approbation de l'Assemblée;
s) fait à l'Assemblée des recommandations sur la politique à suivre sur toute question ou tout sujet qui relève de la compétence de l'Autorité;
t) fait à l'Assemblée des recommandations sur la suspension de l'exercice des droits et privilèges inhérents à la qualité de membres en application de l'article 185;
u) saisit, au nom de l'Autorité, la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins dans les cas d'inobservation;
v) notifie à l'Assemblee la décision rendue par la Chambre pour le règlement de différends relatifs aux fonds marins, saisie conformément à la lettre u), et lui fait les recommandations qu'il juge nécessaires sur les mesures à prendre;
w) émet des ordres en cas d'urgence, y compris éventuellement l'ordre de suspendre ou de modifier les opérations, afin de prévenir tout dommage grave pouvant être causé au milieu marin par des activités menées dans la Zone;
x) exclut la mise en exploitation de certaines zones par des contractants ou par l'Entreprise lorsqu'il y a de sérieuses raisons de penser qu'il en résulterait un risque de dommage grave pour le milieu marin;
y) crée un organe subsidiaire chargé de l'élaboration de projets de règles, règlements et procédures financiers relatifs :
(i) à la gestion financière conformément aux articles 171 à 175; et
(ii) aux modalités financières prevues à l'article 13 et à l'article 17, paragraphe 1, lettre c), de l'annexe III;
z) met en place des mécanismes appropriés pour diriger et superviser un corps d'inspecteurs chargés de surveiller les activités menées dans la Zone pour déterminer si la présente partie, les règles, règlements et procédures de l'Autorité et les clauses et conditions des contrats conclus avec l'Autorité sont observés.
1. Le Conseil est l'organe exécutif de l'Autorité. Il a le pouvoir d'arrêter, en conformité avec la Convention et avec la politique générale définie par l'Assemblée, les politiques spécifiques à suivre par l'Autorité sur toute question ou tout sujet relevant de sa compétence.
2. En outre, le Conseil :
a) surveille et coordonne l'application de la présente partie pour toutes les questions et tous les sujets relevant de la compétence de l'Autorité et appelle l'attention de l'Assemblée sur les cas d'inobservation;
b) soumet à l'Assemblée une liste de candidats au poste de Secrétaire général;
c) recommande à l'Assemblée des candidats aux fonctions de membres du Conseil d'administration de l'Entreprise et au poste de Directeur général de celle-ci;
d) crée, selon qu'il convient, et compte dûment tenu des impératifs d'économie et d'efficacité, les organes subsidiaires qu'il juge nécessaires pour exercer ses fonctions conformément à la présente partie. En ce qui concerne la composition de tels organes, l'accent doit être mis sur la nécessité de leur assurer le concours de membres qualifiés et compétents dans les domaines techniques dont ils s'occupent, compte dûment tenu néanmoins du principe de la repartition geographique équitable et d'intérêts particuliers;
e) adopte sont règlement intérieur, dans lequel il fixe notamment le mode de désignation de son président;
f) conclut, au nom de l'Autorité, des accords avec l'Organisation des Nations Unies et d'autres organisations internationales, dans les limites de sa compétence et sous réserve de l'approbation de l'Assemblée;
g) examine les rapports de l'Entreprise et les transmet à l'Assemblée, en y joignant ses recommandations;
h) présente à l'Assemblée des rapports annuels ainsi que les rapports spéciaux que celle-ci lui demande;
i) donne des directives à l'Entreprise conformément à l'article 170;
j) approuve les plans de travail conformément à l'article 6 de l'annexe III. Le Conseil statue sur chaque plan de travail dans les 60 jours suivant la date à laquelle celui-ci lui a été soumis à une de ses sessions par la Commission juridique et technique, conformément aux procédures indiquées ci-après :
(i) lorsque la Commission recommande l'approbation d'un plan de travail, celui-ci est réputé accepté par le Conseil si aucun membre de ce dernier ne soumet par écrit au Président, dans un délai de 14 jours, une objection précise dans laquelle il allègue l'inobservation des conditions énoncées à l'article 6 de l'annexe III. Si une telle objection est formulée, la procédure de conciliation prévue à l'article 161, paragraphe 8, lettre e), s'applique. Si, au terme de cette procédure, l'objection est maintenue, le plan de travail est réputé approuvé par le Conseil, à moins qu'il ne le rejette par consensus à l'exclusion de l'Etat ou des Etats qui ont fait la demande ou patronné le demandeur;
(ii) lorsque la Commission recommande le rejet d'un plan de travail ou ne formule pas de recommandation, le Conseil peut approuver celui-ci à la majorité des trois quarts des membres présents et votants, à condition que cette majorité comprenne celle des membres participant à la session;
k) approuve les plans de travail présentés par l'Entreprise conformément à l'article 12 de l'annexe IV, en appliquant, mutatis mutandis, les procédures prévues à la lettre j);
l) exerce un contrôle sur les activités menées dans la Zone, conformément à l'article 153, paragraphe 4, et aux règles, règlements et procédures de l'Autorité;
m) prend, sur recommandation de la Commission de planification économique, les mesures nécessaires et appropriées pour protéger les Etats en développement, conformément à l'article 150, lettre h), des effets économiques défavorables visés dans cette disposition;
n) fait à l'Assemblée, en ce fondant sur l'avis de la Commission de planification économique, des recommandations concernant l'institution d'un système de compensation ou la prise d'autres mesures d'assistance propres à faciliter l'ajustement économique, comme le prévoit l'article 151, paragraphe 10;
o) (i) recommande à l'Assemblée des règles, règlements et procédures relatifs au partage équitable des avantages financiers et autres avantages économiques tirés des activités menées dans la Zone, ainsi qu'aux contributions prévues à l'article 82, en tenant particulièrement compte des intérêts et besoins des Etats en développement et des peuples qui n'ont pas accédé à la pleine indépendance ou a un autre régime d'autonomie;
(ii) adopte et applique provisoirement, en attendant l'approbation de l'Assemblée, les règles, règlements et procédures de l'Autorité et tous amendements à ces textes en tenant compte des recommandations de la Commission juridique et technique ou de tout autre organe subordonné. Ces règles, règlements et procédures ont pour objet la prospection, l'exploration et l'exploitation dans la Zone, ainsi que la gestion financière de l'Autorité et son administration interne. La priorite est accordée à l'adoption de règles, règlements et procédures relatifs à l'exploration et l'exploitation de nodules polymétalliques. Les règles, règlements et procédures portant sur l'exploration et l'exploitation de toute ressource autre que les nodules polymétalliques sont adoptés dans un délai de trois ans à compter de la date à laquelle l'Autorité a été saisie d'une demande à cet effet par un de ses membres. Ils demeurent tous en vigueur a titre provisoire jusqu'à leur approbation par l'Assemblée ou jusqu'à leur modification par le Conseil, à la lumière des vues exprimées par l'Assemblée;
p) veille au paiement de toutes les sommes dues par l'Autorite ou à celle-ci au titre des opérations effectuées conformément à la présente partie;
q) fait un choix entre les demandeurs d'autorisation de production en vertu de l'article 7 de l'annexe III dans les cas prévus à cet article;
r) soumet le projet de budget annuel de l'Autorité à l'approbation de l'Assemblée;
s) fait à l'Assemblée des recommandations sur la politique à suivre sur toute question ou tout sujet qui relève de la compétence de l'Autorité;
t) fait à l'Assemblée des recommandations sur la suspension de l'exercice des droits et privilèges inhérents à la qualité de membres en application de l'article 185;
u) saisit, au nom de l'Autorité, la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins dans les cas d'inobservation;
v) notifie à l'Assemblee la décision rendue par la Chambre pour le règlement de différends relatifs aux fonds marins, saisie conformément à la lettre u), et lui fait les recommandations qu'il juge nécessaires sur les mesures à prendre;
w) émet des ordres en cas d'urgence, y compris éventuellement l'ordre de suspendre ou de modifier les opérations, afin de prévenir tout dommage grave pouvant être causé au milieu marin par des activités menées dans la Zone;
x) exclut la mise en exploitation de certaines zones par des contractants ou par l'Entreprise lorsqu'il y a de sérieuses raisons de penser qu'il en résulterait un risque de dommage grave pour le milieu marin;
y) crée un organe subsidiaire chargé de l'élaboration de projets de règles, règlements et procédures financiers relatifs :
(i) à la gestion financière conformément aux articles 171 à 175; et
(ii) aux modalités financières prevues à l'article 13 et à l'article 17, paragraphe 1, lettre c), de l'annexe III;
z) met en place des mécanismes appropriés pour diriger et superviser un corps d'inspecteurs chargés de surveiller les activités menées dans la Zone pour déterminer si la présente partie, les règles, règlements et procédures de l'Autorité et les clauses et conditions des contrats conclus avec l'Autorité sont observés.
Art. 163. Organen van de Raad.
1. Hierbij worden de volgende organen van de Raad ingesteld :
a) een Commissie inzake Economische Planning;
b) een Juridische en Technische Commissie.
2. Elke Commissie bestaat uit 15 leden, gekozen door de Raad uit door de Staten die Partij zijn voorgedragen kandidaten. Indien nodig kan de Raad evenwel beslissen de omvang van een Commissie uit te breiden, daarbij naar behoren rekening houdend met een zuinig beheer en efficiëntie.
3. De leden van de Commissie dienen passende kwalificaties te bezitten op het terrein waar die Commissie bevoegd is. De Staten die Partij zijn dragen kandidaten voor die voldoen aan de hoogste normen van bekwaamheid en integriteit met kwalificaties op de desbetreffende terreinen, ten einde de doeltreffende uitoefening van de functies van de Commissies te verzekeren.
4. Bij de verkiezing van leden van de Commissies wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak van een billijke geografische verdeling en de vertegenwoordiging van bijzondere belangen.
5. Een Staat die Partij is mag niet meer dan één kandidaat voor dezelfde Commissie voordragen. Niemand mag worden gekozen als lid van meer dan één Commissie.
6. De leden van de Commissie hebben zitting voor een termijn van vijf jaar. Zij zijn herkiesbaar voor een volgende termijn.
7. In geval van het overlijden, de onbekwaamheid tot handelen of de ontslagneming van een lid van een Commissie voor het verstrijken van de ambtstermijn, kiest de Raad uit dezelfde geografische regio of dezelfde belangengemeenschap een lid voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn.
8. De leden van Commissies mogen geen financieel belang hebben in enige activiteit betreffende de exploratie en exploitatie in het Gebied. Onder voorbehoud van hun verantwoordelijkheid jegens de Commissies waarin zij zitting hebben, mogen zij niet, zelfs na de beëindiging van hun functies, enig bedrijfsgeheim, gegevens behorend tot de industriële eigendom die aan de Autoriteit worden overgedragen overeenkomstig Bijlage III, artikel 14, of andere vertrouwelijke informatie die te hunner kennis komt op grond van hun taken voor de Autoriteit, openbaar maken.
9. Elke Commissie oefent haar functies uit overeenkomstig de richtsnoeren en richtlijnen die de Raad aanneemt.
10. Elke Commissie formuleert en legt aan de Raad ter goedkeuring voor de regels en voorschriften die noodzakelijk kunnen zijn voor het efficiënt verrichten van de functies van de Commissie.
11. De besluitvormingsprocedures van de Commissies worden vastgelegd in de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit. Aanbevelingen aan de Raad gaan, indien nodig, vergezeld van een samenvatting inzake uiteenlopende meningen binnen de Commissie.
12. Elke Commissie verricht haar werkzaamheden gewoonlijk op de zetel van de Autoriteit en komt zo vaak bijeen als vereist voor de doeltreffende uitoefening van haar functies.
13. Bij de uitoefening van haar functies kan elke Commissie, waar passend, overgaan tot raadpleging van een andere Commissie, een bevoegd orgaan van de Verenigde Naties of van haar gespecialiseerde organisaties of enige internationale organisatie met bevoegdheden ten aanzien van het onderwerp van deze raadpleging.
1. Hierbij worden de volgende organen van de Raad ingesteld :
a) een Commissie inzake Economische Planning;
b) een Juridische en Technische Commissie.
2. Elke Commissie bestaat uit 15 leden, gekozen door de Raad uit door de Staten die Partij zijn voorgedragen kandidaten. Indien nodig kan de Raad evenwel beslissen de omvang van een Commissie uit te breiden, daarbij naar behoren rekening houdend met een zuinig beheer en efficiëntie.
3. De leden van de Commissie dienen passende kwalificaties te bezitten op het terrein waar die Commissie bevoegd is. De Staten die Partij zijn dragen kandidaten voor die voldoen aan de hoogste normen van bekwaamheid en integriteit met kwalificaties op de desbetreffende terreinen, ten einde de doeltreffende uitoefening van de functies van de Commissies te verzekeren.
4. Bij de verkiezing van leden van de Commissies wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak van een billijke geografische verdeling en de vertegenwoordiging van bijzondere belangen.
5. Een Staat die Partij is mag niet meer dan één kandidaat voor dezelfde Commissie voordragen. Niemand mag worden gekozen als lid van meer dan één Commissie.
6. De leden van de Commissie hebben zitting voor een termijn van vijf jaar. Zij zijn herkiesbaar voor een volgende termijn.
7. In geval van het overlijden, de onbekwaamheid tot handelen of de ontslagneming van een lid van een Commissie voor het verstrijken van de ambtstermijn, kiest de Raad uit dezelfde geografische regio of dezelfde belangengemeenschap een lid voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn.
8. De leden van Commissies mogen geen financieel belang hebben in enige activiteit betreffende de exploratie en exploitatie in het Gebied. Onder voorbehoud van hun verantwoordelijkheid jegens de Commissies waarin zij zitting hebben, mogen zij niet, zelfs na de beëindiging van hun functies, enig bedrijfsgeheim, gegevens behorend tot de industriële eigendom die aan de Autoriteit worden overgedragen overeenkomstig Bijlage III, artikel 14, of andere vertrouwelijke informatie die te hunner kennis komt op grond van hun taken voor de Autoriteit, openbaar maken.
9. Elke Commissie oefent haar functies uit overeenkomstig de richtsnoeren en richtlijnen die de Raad aanneemt.
10. Elke Commissie formuleert en legt aan de Raad ter goedkeuring voor de regels en voorschriften die noodzakelijk kunnen zijn voor het efficiënt verrichten van de functies van de Commissie.
11. De besluitvormingsprocedures van de Commissies worden vastgelegd in de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit. Aanbevelingen aan de Raad gaan, indien nodig, vergezeld van een samenvatting inzake uiteenlopende meningen binnen de Commissie.
12. Elke Commissie verricht haar werkzaamheden gewoonlijk op de zetel van de Autoriteit en komt zo vaak bijeen als vereist voor de doeltreffende uitoefening van haar functies.
13. Bij de uitoefening van haar functies kan elke Commissie, waar passend, overgaan tot raadpleging van een andere Commissie, een bevoegd orgaan van de Verenigde Naties of van haar gespecialiseerde organisaties of enige internationale organisatie met bevoegdheden ten aanzien van het onderwerp van deze raadpleging.
Art. 163. Organes du Conseil.
1. Il est créé en tant qu'organes du conseil :
a) une Commission de planification économique;
b) une Commission juridique et technique.
2. Chaque commission est composee de 15 membres, élus par le Conseil parmi les candidats présentés par les Etats Parties. Le Conseil peut néanmoins, si besoin est, décider d'élargir la composition de l'une ou de l'autre en tenant dûment compte des impératifs d'économie et d'efficacité.
3. Les membres d'une commission doivent avoir les qualifications requises dans les domaines relevant de la compétence de celle-ci. Afin de permettre aux commissions d'exercer leurs fonctions efficacement, les Etats Parties désignent des candidats de la plus haute compétence et de la plus haute intégrité, ayant les qualifications requises dans les domaines pertinents.
4. Lors de l'élection, il est dûment tenu compte de la nécessité d'une répartition géographique équitable des sièges et d'une représentation des intérêts particuliers.
5. Aucun Etat Partie ne peut présenter plus d'un candidat à une même commission. Nul ne peut être élu à plus d'une commission.
6. Les membres des commissions sont élus pour cinq ans. Ils sont rééligibles pour un nouveau mandat.
7. En cas de décès, d'incapacité ou de démission d'un membre d'une commission avant l'expiration de son mandat, le Conseil élit, pour une durée du mandat restant à courir, un membre de la même région géographique ou représentant la même catégorie d'intérêts.
8. Les membres des commissions ne doivent posséder d'intérêts financiers dans aucune des activités touchant l'exploration et l'exploitation dans la Zone. Sous réserve de leurs obligations envers la commission dont ils font partie, ils ne doivent divulguer, même après la cessation de leurs fonctions, aucun secret industriel, aucune donnée qui est propriété industrielle et qui a été transférée à l'Autorité en application de l'article 14 de l'annexe III, ni aucun autre renseignement confidentiel dont ils ont connaissance à raison de leurs fonctions.
9. Chaque commission exerce ses fonctions conformément aux principes et directives arrêtés par le Conseil.
10. Chaque commission élabore et soumet à l'approbation du conseil les règles et règlements nécessaires à son bon fonctionnement.
11. Les procédures de prise de décision des commissions sont fixées par les règles, règlements et procédures de l'Autorité. Les recommandations faites au Conseil sont accompagnées, le cas échéant, d'un exposé succinct des divergences qui sont apparues au sein de la commission.
12. Les commissions exercent normalement leurs fonctions au siège de l'Autorité et se réunissent aussi souvent que nécessaire pour s'acquitter efficacement de leur tâche.
13. Dans l'exercice de ses fonctions, chaque commission consulte, le cas échéant, une autre commission ou tout organe compétent de l'Organisation des Nations Unies et de ses institutions spécialisées ou toute autre organisation internationale ayant compétence dans le domaine considéré.
1. Il est créé en tant qu'organes du conseil :
a) une Commission de planification économique;
b) une Commission juridique et technique.
2. Chaque commission est composee de 15 membres, élus par le Conseil parmi les candidats présentés par les Etats Parties. Le Conseil peut néanmoins, si besoin est, décider d'élargir la composition de l'une ou de l'autre en tenant dûment compte des impératifs d'économie et d'efficacité.
3. Les membres d'une commission doivent avoir les qualifications requises dans les domaines relevant de la compétence de celle-ci. Afin de permettre aux commissions d'exercer leurs fonctions efficacement, les Etats Parties désignent des candidats de la plus haute compétence et de la plus haute intégrité, ayant les qualifications requises dans les domaines pertinents.
4. Lors de l'élection, il est dûment tenu compte de la nécessité d'une répartition géographique équitable des sièges et d'une représentation des intérêts particuliers.
5. Aucun Etat Partie ne peut présenter plus d'un candidat à une même commission. Nul ne peut être élu à plus d'une commission.
6. Les membres des commissions sont élus pour cinq ans. Ils sont rééligibles pour un nouveau mandat.
7. En cas de décès, d'incapacité ou de démission d'un membre d'une commission avant l'expiration de son mandat, le Conseil élit, pour une durée du mandat restant à courir, un membre de la même région géographique ou représentant la même catégorie d'intérêts.
8. Les membres des commissions ne doivent posséder d'intérêts financiers dans aucune des activités touchant l'exploration et l'exploitation dans la Zone. Sous réserve de leurs obligations envers la commission dont ils font partie, ils ne doivent divulguer, même après la cessation de leurs fonctions, aucun secret industriel, aucune donnée qui est propriété industrielle et qui a été transférée à l'Autorité en application de l'article 14 de l'annexe III, ni aucun autre renseignement confidentiel dont ils ont connaissance à raison de leurs fonctions.
9. Chaque commission exerce ses fonctions conformément aux principes et directives arrêtés par le Conseil.
10. Chaque commission élabore et soumet à l'approbation du conseil les règles et règlements nécessaires à son bon fonctionnement.
11. Les procédures de prise de décision des commissions sont fixées par les règles, règlements et procédures de l'Autorité. Les recommandations faites au Conseil sont accompagnées, le cas échéant, d'un exposé succinct des divergences qui sont apparues au sein de la commission.
12. Les commissions exercent normalement leurs fonctions au siège de l'Autorité et se réunissent aussi souvent que nécessaire pour s'acquitter efficacement de leur tâche.
13. Dans l'exercice de ses fonctions, chaque commission consulte, le cas échéant, une autre commission ou tout organe compétent de l'Organisation des Nations Unies et de ses institutions spécialisées ou toute autre organisation internationale ayant compétence dans le domaine considéré.
Art. 164. De Commissie inzake Economische Planning.
1. De leden van de Commissie inzake Economische Planning dienen de gewenste kwalificaties te bezitten zoals op het gebied van de diepzeemijnbouw, het beheer van minerale rijkdommen, de internationale handel of de internationale economie. De Raad tracht te verzekeren dat alle passende kwalificaties onder de leden van de Commissie vertegenwoordigd zijn. De Commissie omvat ten minste twee delen uit ontwikkelingsstaten wier exporten van de categorieën delfstoffen die in het Gebied zullen worden gewonnen, van aanzienlijk belang zijn voor hun economie.
2. De Commissie dient :
a) op verzoek van de Raad maatregelen voor te stellen voor de tenuitvoerlegging van besluiten betreffende werkzaamheden in het Gebied, genomen overeenkomstig dit Verdrag;
b) de tendensen in en de factoren die van invloed zijn op aanbod, vraag en prijs van materialen die in het Gebied kunnen worden gewonnen, te bestuderen, daarbij rekening houdend met de belangen van zowel importerende als exporterende landen, en inzonderheid met de ontwikkelingsstaten daaronder;
c) elke situatie te bestuderen die naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot de nadelige gevolgen, bedoeld in artikel 150, letter h, die onder haar aandacht zijn gebracht door de betrokken Staat of Staten, die Partij is (zijn), en aan de Raad passende aanbevelingen te doen;
d) ter voorlegging aan de Vergadering, zoals bepaald in artikel 151, tiende lid, aan de Raad een stelsel voor te stellen voor compensatie of andere maatregelen voor steunverlening bij economische aanpassing voor ontwikkelingsstaten die nadelige gevolgen ondervinden van werkzaamheden in het Gebied. De Commissie doet de Raad de aanbevelingen die nodig zijn voor de toepassing in bepaalde gevallen van het stelsel of van andere door de Vergadering aangenomen maatregelen.
1. De leden van de Commissie inzake Economische Planning dienen de gewenste kwalificaties te bezitten zoals op het gebied van de diepzeemijnbouw, het beheer van minerale rijkdommen, de internationale handel of de internationale economie. De Raad tracht te verzekeren dat alle passende kwalificaties onder de leden van de Commissie vertegenwoordigd zijn. De Commissie omvat ten minste twee delen uit ontwikkelingsstaten wier exporten van de categorieën delfstoffen die in het Gebied zullen worden gewonnen, van aanzienlijk belang zijn voor hun economie.
2. De Commissie dient :
a) op verzoek van de Raad maatregelen voor te stellen voor de tenuitvoerlegging van besluiten betreffende werkzaamheden in het Gebied, genomen overeenkomstig dit Verdrag;
b) de tendensen in en de factoren die van invloed zijn op aanbod, vraag en prijs van materialen die in het Gebied kunnen worden gewonnen, te bestuderen, daarbij rekening houdend met de belangen van zowel importerende als exporterende landen, en inzonderheid met de ontwikkelingsstaten daaronder;
c) elke situatie te bestuderen die naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot de nadelige gevolgen, bedoeld in artikel 150, letter h, die onder haar aandacht zijn gebracht door de betrokken Staat of Staten, die Partij is (zijn), en aan de Raad passende aanbevelingen te doen;
d) ter voorlegging aan de Vergadering, zoals bepaald in artikel 151, tiende lid, aan de Raad een stelsel voor te stellen voor compensatie of andere maatregelen voor steunverlening bij economische aanpassing voor ontwikkelingsstaten die nadelige gevolgen ondervinden van werkzaamheden in het Gebied. De Commissie doet de Raad de aanbevelingen die nodig zijn voor de toepassing in bepaalde gevallen van het stelsel of van andere door de Vergadering aangenomen maatregelen.
Art. 164. La Commission de planification économique.
1. Les membres de la Commission de planification économique doivent posséder les qualifications voulues, notamment en matière d'activités minières, de gestion des ressources minerales, de commerce international et d'économie internationale. Le Conseil s'efforce de faire en sorte que, par sa composition, la Commission dispose de l'éventail complet des qualifications requises. La commission doit compter parmi ses membres au moins deux ressortissants d'Etats en développement dont l'économie est fortement tributaire des exportations de catégories de minéraux devant être extraits de la Zone.
2. La Commission :
a) propose au Conseil, à la demande de celui-ci, des mesures d'application des décisions prises conformément à la Convention en ce qui concerne les activités menées dans la Zone;
b) étudie les tendances de l'offre et de la demande de minéraux pouvant provenir de la Zone et de leur prix, ainsi que les facteurs qui affectent ces données, en prenant en considération les intérêts des Etats importateurs comme des Etats exportateurs, notamment de ceux d'entre eux qui sont des Etats en développement;
c) examine toute situation susceptible d'entraîner les effets défavorables visés a l'article 150, lettre h), portée à son attention par l'Etat Partie ou les Etats Parties concernés et fait au Conseil les recommandations appropriées;
d) propose au Conseil, pour soumission à l'Assemblée, comme le prévoit l'article 151, paragraphe 10, un système de compensation en faveur des Etats en développement pour lesquels les activités menées dans la Zone ont des effets défavorables, ou d'autres mesures d'assistance propres à faciliter l'ajustement économique, et fait au Conseil les recommandations nécessaires à la mise en oeuvre, dans des cas précis, du système ou des mesures adoptés par l'Assemblée.
1. Les membres de la Commission de planification économique doivent posséder les qualifications voulues, notamment en matière d'activités minières, de gestion des ressources minerales, de commerce international et d'économie internationale. Le Conseil s'efforce de faire en sorte que, par sa composition, la Commission dispose de l'éventail complet des qualifications requises. La commission doit compter parmi ses membres au moins deux ressortissants d'Etats en développement dont l'économie est fortement tributaire des exportations de catégories de minéraux devant être extraits de la Zone.
2. La Commission :
a) propose au Conseil, à la demande de celui-ci, des mesures d'application des décisions prises conformément à la Convention en ce qui concerne les activités menées dans la Zone;
b) étudie les tendances de l'offre et de la demande de minéraux pouvant provenir de la Zone et de leur prix, ainsi que les facteurs qui affectent ces données, en prenant en considération les intérêts des Etats importateurs comme des Etats exportateurs, notamment de ceux d'entre eux qui sont des Etats en développement;
c) examine toute situation susceptible d'entraîner les effets défavorables visés a l'article 150, lettre h), portée à son attention par l'Etat Partie ou les Etats Parties concernés et fait au Conseil les recommandations appropriées;
d) propose au Conseil, pour soumission à l'Assemblée, comme le prévoit l'article 151, paragraphe 10, un système de compensation en faveur des Etats en développement pour lesquels les activités menées dans la Zone ont des effets défavorables, ou d'autres mesures d'assistance propres à faciliter l'ajustement économique, et fait au Conseil les recommandations nécessaires à la mise en oeuvre, dans des cas précis, du système ou des mesures adoptés par l'Assemblée.
Art. 165. De Juridische en Technische Commissie.
1. De leden van de Juridische en Technische Commissie dienen passende kwalificaties te bezitten, zoals die welke van belang zijn voor de exploratie en de exploitatie en be- en verwerking van minerale rijkdommen, voor de oceanologie, de bescherming van het mariene milieu of voor economische of juridische aangelegenheden betreffende de mijnbouw in de oceaan en daarmede samenhangende terreinen van deskundigheid. De Raad tracht te verzekeren dat alle passende kwalificaties onder de leden van de Commissie vertegenwoordigd zijn.
2. De Commissie dient :
a) op verzoek van de Raad aanbevelingen te doen met betrekking tot de uitoefeningen van de functies van de Autoriteiten;
b) de officiële schriftelijke werkplannen voor werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig artikel 153, derde lid, te bezien en passende aanbevelingen aan de Raad voor te leggen. De Commissie baseert haar aanbevelingen uitsluitend op de gronden, vermeld in Bijlage III en brengt daarover volledig verslag uit aan de Raad;
c) op verzoek van de Raad toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden in het Gebied, waar passend in overleg en samenwerking met enig lichaam dat zulke werkzaamheden verricht of met de betrokken Staat of Staten en hierover verslag uit te brengen aan de Raad;
d) evaluaties op te stellen van de gevolgen voor het milieu van werkzaamheden in het Gebied;
e) de Raad aanbevelingen te doen inzake de bescherming van het mariene milieu, met inachtneming van de opvattingen van erkende deskundigen op dat terrein;
f) te formuleren en aan de Raad voor te leggen de regels, voorschriften en procedures, bedoeld in artikel 162, tweede lid, letter o, met inachtneming van alle van belang zijnde factoren, met inbegrip van evaluaties van de gevolgen voor het milieu van werkzaamheden in het Gebied;
g) deze regels, voorschriften en procedures voortdurend te bezien en van tijd tot tijd de Raad de wijzigingen daarop aan te bevelen, die zij noodzakelijk of wenselijk acht;
h) de Raad aanbevelingen te doen betreffende de instelling van een surveillanceprogramma om regelmatig met erkende wetenschappelijke methoden de risico's of gevolgen van verontreiniging van het mariene milieu voortvloeiend uit werkzaamheden in het Gebied na te gaan, te meten, te evalueren en te analyseren, te verzekeren dat bestaande voorschriften toereikend zijn en worden nageleefd en de tenuitvoerlegging van het door de Raad goedgekeurde surveillanceprogramma te coördineren;
i) de Raad aan te bevelen dat uit naam van de Autoriteit een procedure aanhangig wordt gemaakt voor de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, overeenkomstig dit Deel en de desbetreffende Bijlagen, inzonderheid met inachtneming van artikel 187;
j) aan de Raad aanbevelingen te doen met betrekking tot te nemen maatregelen, na een beslissing van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem in een overeenkomstig letter i aanhangig gemaakte procedure;
k) de Raad aanbevelingen te doen tot het uitvaardigen van bevelen in noodsituaties, die bevelen kunnen omvatten voor de opschorting of aanpassing van de werkzaamheden, ter voorkoming van ernstige schade aan het mariene milieu voortvloeiend uit werkzaamheden in het Gebied. Deze aanbevelingen dienen met voorrang door de Raad te worden bestudeerd;
l) de Raad aanbevelingen te doen tot het uitsluiten van gebieden van exploitatie door contractanten of de Onderneming in gevallen waarin degelijke bewijzen voorhanden zijn dat er risico bestaat van ernstige schade aan het mariene milieu;
m) de Raad aanbevelingen te doen betreffende de leiding aan en het toezicht op een korps inspecteurs die de werkzaamheden in het Gebied inspecteren ten einde na te gaan of de bepalingen van dit Deel, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit en de voorwaarden en bedingen van contracten met de Autoriteit worden nageleefd;
n) ingevolge artikel 151, tweede tot en met zevende lid, het productieplafond te berekenen en productievergunningen te verlenen uit naam van de Autoriteit na een eventueel noodzakelijke keuze uit de aanvragers van productievergunningen door de Raad overeenkomstig Bijlage III, artikel 7.
3. De leden van de Commissie worden, op verzoek van een Staat die Partij is of een andere betrokken partij, verzegeld van een vertegenwoordiger van die Staat of andere betrokken partij wanneer zij hun toezichthoudende en inspecterende functie verrichten.
1. De leden van de Juridische en Technische Commissie dienen passende kwalificaties te bezitten, zoals die welke van belang zijn voor de exploratie en de exploitatie en be- en verwerking van minerale rijkdommen, voor de oceanologie, de bescherming van het mariene milieu of voor economische of juridische aangelegenheden betreffende de mijnbouw in de oceaan en daarmede samenhangende terreinen van deskundigheid. De Raad tracht te verzekeren dat alle passende kwalificaties onder de leden van de Commissie vertegenwoordigd zijn.
2. De Commissie dient :
a) op verzoek van de Raad aanbevelingen te doen met betrekking tot de uitoefeningen van de functies van de Autoriteiten;
b) de officiële schriftelijke werkplannen voor werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig artikel 153, derde lid, te bezien en passende aanbevelingen aan de Raad voor te leggen. De Commissie baseert haar aanbevelingen uitsluitend op de gronden, vermeld in Bijlage III en brengt daarover volledig verslag uit aan de Raad;
c) op verzoek van de Raad toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden in het Gebied, waar passend in overleg en samenwerking met enig lichaam dat zulke werkzaamheden verricht of met de betrokken Staat of Staten en hierover verslag uit te brengen aan de Raad;
d) evaluaties op te stellen van de gevolgen voor het milieu van werkzaamheden in het Gebied;
e) de Raad aanbevelingen te doen inzake de bescherming van het mariene milieu, met inachtneming van de opvattingen van erkende deskundigen op dat terrein;
f) te formuleren en aan de Raad voor te leggen de regels, voorschriften en procedures, bedoeld in artikel 162, tweede lid, letter o, met inachtneming van alle van belang zijnde factoren, met inbegrip van evaluaties van de gevolgen voor het milieu van werkzaamheden in het Gebied;
g) deze regels, voorschriften en procedures voortdurend te bezien en van tijd tot tijd de Raad de wijzigingen daarop aan te bevelen, die zij noodzakelijk of wenselijk acht;
h) de Raad aanbevelingen te doen betreffende de instelling van een surveillanceprogramma om regelmatig met erkende wetenschappelijke methoden de risico's of gevolgen van verontreiniging van het mariene milieu voortvloeiend uit werkzaamheden in het Gebied na te gaan, te meten, te evalueren en te analyseren, te verzekeren dat bestaande voorschriften toereikend zijn en worden nageleefd en de tenuitvoerlegging van het door de Raad goedgekeurde surveillanceprogramma te coördineren;
i) de Raad aan te bevelen dat uit naam van de Autoriteit een procedure aanhangig wordt gemaakt voor de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, overeenkomstig dit Deel en de desbetreffende Bijlagen, inzonderheid met inachtneming van artikel 187;
j) aan de Raad aanbevelingen te doen met betrekking tot te nemen maatregelen, na een beslissing van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem in een overeenkomstig letter i aanhangig gemaakte procedure;
k) de Raad aanbevelingen te doen tot het uitvaardigen van bevelen in noodsituaties, die bevelen kunnen omvatten voor de opschorting of aanpassing van de werkzaamheden, ter voorkoming van ernstige schade aan het mariene milieu voortvloeiend uit werkzaamheden in het Gebied. Deze aanbevelingen dienen met voorrang door de Raad te worden bestudeerd;
l) de Raad aanbevelingen te doen tot het uitsluiten van gebieden van exploitatie door contractanten of de Onderneming in gevallen waarin degelijke bewijzen voorhanden zijn dat er risico bestaat van ernstige schade aan het mariene milieu;
m) de Raad aanbevelingen te doen betreffende de leiding aan en het toezicht op een korps inspecteurs die de werkzaamheden in het Gebied inspecteren ten einde na te gaan of de bepalingen van dit Deel, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit en de voorwaarden en bedingen van contracten met de Autoriteit worden nageleefd;
n) ingevolge artikel 151, tweede tot en met zevende lid, het productieplafond te berekenen en productievergunningen te verlenen uit naam van de Autoriteit na een eventueel noodzakelijke keuze uit de aanvragers van productievergunningen door de Raad overeenkomstig Bijlage III, artikel 7.
3. De leden van de Commissie worden, op verzoek van een Staat die Partij is of een andere betrokken partij, verzegeld van een vertegenwoordiger van die Staat of andere betrokken partij wanneer zij hun toezichthoudende en inspecterende functie verrichten.
Art. 165. La Commission juridique et technique.
1. Les membres de la Commission juridique et technique doivent posséder les qualifications voulues, notamment en matière d'exploration, d'exploitation et de traitement des ressources minérales, d'océanologie et de protection du milieu marin, ou en ce qui concerne les questions économiques ou juridiques relatives aux activités minières en mer, ou dans d'autres domaines connexes. Le Conseil s'efforce de faire en sorte que, par sa composition, la Commission dispose de l'éventail complet des qualifications requises.
2. La Commission :
a) fait au Conseil, à la demande de celui-ci, des recommandations concernant l'exercice des fonctions de l'Autorité;
b) examine les plans de travail formels et écrits concernant les activités à mener dans la Zone conformément à l'article 153, paragraphe 3, et fait au Conseil des recommandations appropriées. La Commission fonde ses recommandations sur les seules dispositions de l'annexe III et présente au Conseil un rapport complet sur le sujet;
c) surveille, à la demande du Conseil, les activités menées dans la Zone, le cas échéant, en consultation et en collaboration avec toute entité ou personne qui mène ces activités ou avec l'Etat ou les Etats concernés, et fait rapport au Conseil;
d) évalue les incidences écologiques des activités menées ou à mener dans la Zone;
e) fait au Conseil des recommandations sur la protection du milieu marin, en tenant compte de l'opinion d'experts reconnus;
f) élabore et soumet au Conseil les règles, règlements et procédures visés à l'article 162, paragraphe 2, lettre o), compte tenu de tous les facteurs pertinents, y compris l'évaluation des incidences écologiques des activités menées dans la Zone;
g) réexamine de temps à autre ces règles, règlements et procédures et recommande au Conseil les amendements qu'elle juge nécessaires ou souhaitables;
h) fait au Conseil des recommandations concernant la mise en place d'un programme de surveillance consistant à observer, mesurer, évaluer et analyser régulierement, par des méthodes scientifiques reconnues, les risques ou les conséquences des activités menées dans la Zone quant a la pollution du milieu marin, s'assure que les réglementations existantes sont appropriees et respectées et coordonne l'exécution du programme de surveillance une fois celui-ci approuvé par le Conseil;
i) recommande au Conseil de saisir, au nom de l'Autorité, la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins, compte tenu en particulier de l'article 187, conformément à la présente partie et aux annexes qui s'y rapportent;
j) fait au Conseil des recommandations sur les mesures à prendre après que la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins, saisie conformément à la lettre i), a rendu sa décision;
k) recommande au Conseil d'émettre des ordres en cas d'urgence, y compris éventuellement l'ordre de suspendre ou de modifier les opérations, afin de prévenir tout dommage grave pouvant être causé au milieu marin par les activités menées dans la Zone; le Conseil examine ces recommandations en priorité;
l) recommande au Conseil d'exclure la mise en exploitation de certaines zones par des contractants ou par l'Entreprise lorsqu'il y a de sérieuses raisons de penser qu'il en résulterait un risque de dommage grave pour le milieu marin;
m) fait au Conseil des recommandations concernant la direction et la supervision d'un corps d'inspecteurs chargés de surveiller les activités menées dans la Zone et de déterminer si la présente partie, les règles, règlements et procédures de l'Autorité et les clauses et conditions de tout contrat conclu avec l'Autorité sont observés;
n) calcule le plafond de production et délivre des autorisations de production au nom de l'Autorité en application de l'article 151, paragraphe 2 à 7, une fois que le Conseil a opéré, le cas échéant, le choix nécessaire entre les demandeurs conformément a l'article 7 de l'annexe III.
3. A la demande de tout Etat Partie ou de toute autre partie concernée, les membres de la Commission se font accompagner d'un représentant de cet Etat ou de cette partie concernée lorsqu'ils exercent leurs fonctions de surveillance et d'inspection.
1. Les membres de la Commission juridique et technique doivent posséder les qualifications voulues, notamment en matière d'exploration, d'exploitation et de traitement des ressources minérales, d'océanologie et de protection du milieu marin, ou en ce qui concerne les questions économiques ou juridiques relatives aux activités minières en mer, ou dans d'autres domaines connexes. Le Conseil s'efforce de faire en sorte que, par sa composition, la Commission dispose de l'éventail complet des qualifications requises.
2. La Commission :
a) fait au Conseil, à la demande de celui-ci, des recommandations concernant l'exercice des fonctions de l'Autorité;
b) examine les plans de travail formels et écrits concernant les activités à mener dans la Zone conformément à l'article 153, paragraphe 3, et fait au Conseil des recommandations appropriées. La Commission fonde ses recommandations sur les seules dispositions de l'annexe III et présente au Conseil un rapport complet sur le sujet;
c) surveille, à la demande du Conseil, les activités menées dans la Zone, le cas échéant, en consultation et en collaboration avec toute entité ou personne qui mène ces activités ou avec l'Etat ou les Etats concernés, et fait rapport au Conseil;
d) évalue les incidences écologiques des activités menées ou à mener dans la Zone;
e) fait au Conseil des recommandations sur la protection du milieu marin, en tenant compte de l'opinion d'experts reconnus;
f) élabore et soumet au Conseil les règles, règlements et procédures visés à l'article 162, paragraphe 2, lettre o), compte tenu de tous les facteurs pertinents, y compris l'évaluation des incidences écologiques des activités menées dans la Zone;
g) réexamine de temps à autre ces règles, règlements et procédures et recommande au Conseil les amendements qu'elle juge nécessaires ou souhaitables;
h) fait au Conseil des recommandations concernant la mise en place d'un programme de surveillance consistant à observer, mesurer, évaluer et analyser régulierement, par des méthodes scientifiques reconnues, les risques ou les conséquences des activités menées dans la Zone quant a la pollution du milieu marin, s'assure que les réglementations existantes sont appropriees et respectées et coordonne l'exécution du programme de surveillance une fois celui-ci approuvé par le Conseil;
i) recommande au Conseil de saisir, au nom de l'Autorité, la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins, compte tenu en particulier de l'article 187, conformément à la présente partie et aux annexes qui s'y rapportent;
j) fait au Conseil des recommandations sur les mesures à prendre après que la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins, saisie conformément à la lettre i), a rendu sa décision;
k) recommande au Conseil d'émettre des ordres en cas d'urgence, y compris éventuellement l'ordre de suspendre ou de modifier les opérations, afin de prévenir tout dommage grave pouvant être causé au milieu marin par les activités menées dans la Zone; le Conseil examine ces recommandations en priorité;
l) recommande au Conseil d'exclure la mise en exploitation de certaines zones par des contractants ou par l'Entreprise lorsqu'il y a de sérieuses raisons de penser qu'il en résulterait un risque de dommage grave pour le milieu marin;
m) fait au Conseil des recommandations concernant la direction et la supervision d'un corps d'inspecteurs chargés de surveiller les activités menées dans la Zone et de déterminer si la présente partie, les règles, règlements et procédures de l'Autorité et les clauses et conditions de tout contrat conclu avec l'Autorité sont observés;
n) calcule le plafond de production et délivre des autorisations de production au nom de l'Autorité en application de l'article 151, paragraphe 2 à 7, une fois que le Conseil a opéré, le cas échéant, le choix nécessaire entre les demandeurs conformément a l'article 7 de l'annexe III.
3. A la demande de tout Etat Partie ou de toute autre partie concernée, les membres de la Commission se font accompagner d'un représentant de cet Etat ou de cette partie concernée lorsqu'ils exercent leurs fonctions de surveillance et d'inspection.
Onderafdeling D. - Het Secretariaat.
Sous-section D. - Le Secrétariat.
Art. 166. Het secretariaat.
1. Het Secretariaat van de Autoriteit bestaat uit een Secretaris-Generaal en het personeel dat de Autoriteit nodig heeft.
2. De Secretaris-Generaal wordt voor vier jaar door de Vergadering gekozen uit door de Raad voorgedragen kandidaten en kan worden herkozen.
3. De Secretaris-Generaal is de hoogste administratieve functionaris van de Autoriteit en treedt in die hoedanigheid op tijdens alle bijeenkomsten van de Vergadering, van de Raad en van de ondergeschikte organen en verricht de andere administratieve functies die door deze organen aan de Secretaris-Generaal worden opgedragen.
4. De Secretaris-Generaal stelt voor de Vergadering een jaarverslag op over het werk van de Autoriteit.
1. Het Secretariaat van de Autoriteit bestaat uit een Secretaris-Generaal en het personeel dat de Autoriteit nodig heeft.
2. De Secretaris-Generaal wordt voor vier jaar door de Vergadering gekozen uit door de Raad voorgedragen kandidaten en kan worden herkozen.
3. De Secretaris-Generaal is de hoogste administratieve functionaris van de Autoriteit en treedt in die hoedanigheid op tijdens alle bijeenkomsten van de Vergadering, van de Raad en van de ondergeschikte organen en verricht de andere administratieve functies die door deze organen aan de Secretaris-Generaal worden opgedragen.
4. De Secretaris-Generaal stelt voor de Vergadering een jaarverslag op over het werk van de Autoriteit.
Art. 166. Le secrétariat.
1. Le Secrétariat de l'Autorité comprend un Secrétaire général et le personnel nécessaire à l'Autorité.
2. Le Secrétaire général est élu par l'Assemblée parmi les candidats proposés par le Conseil pour une durée de quatre ans et il est rééligible.
3. Le Secrétaire général est le plus haut fonctionnaire de l'Autorité et agit en cette qualité à toutes les réunions de l'Assemblée et du Conseil et de tout organe subsidiaire; il exerce toutes autres fonctions administratives dont il est charge par ces organes.
4. Le Secrétaire général présente à l'Assemblée un rapport annuel sur l'activité de l'Autorité.
1. Le Secrétariat de l'Autorité comprend un Secrétaire général et le personnel nécessaire à l'Autorité.
2. Le Secrétaire général est élu par l'Assemblée parmi les candidats proposés par le Conseil pour une durée de quatre ans et il est rééligible.
3. Le Secrétaire général est le plus haut fonctionnaire de l'Autorité et agit en cette qualité à toutes les réunions de l'Assemblée et du Conseil et de tout organe subsidiaire; il exerce toutes autres fonctions administratives dont il est charge par ces organes.
4. Le Secrétaire général présente à l'Assemblée un rapport annuel sur l'activité de l'Autorité.
Art. 167. Het personeel van de Autoriteit.
1. Het personeel van de Autoriteit bestaat uit het gekwalificeerde wetenschappelijke en technische en het andere personeel dat nodig is om de administratieve functies van de Autoriteit te vervullen.
2. De allerbelangrijkste overweging bij de aanwerving en de indienstneming van het personeel en bij de vaststelling van hun arbeidsvoorwaarden is de noodzaak, de hoogste normen van efficiëntie, bekwaamheid en integriteit te waarborgen. Onder dit voorbehoud wordt naar behoren aandacht besteed aan het belang van aanwerving van het personeel op een zo ruim mogelijke geografische grondslag.
3. Het personeel wordt aangesteld door de Secretaris-Generaal. De voorwaarden en bedingen waarop dit wordt aangesteld, bezoldigd en ontslagen dienen in overeenstemming te zijn met de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
1. Het personeel van de Autoriteit bestaat uit het gekwalificeerde wetenschappelijke en technische en het andere personeel dat nodig is om de administratieve functies van de Autoriteit te vervullen.
2. De allerbelangrijkste overweging bij de aanwerving en de indienstneming van het personeel en bij de vaststelling van hun arbeidsvoorwaarden is de noodzaak, de hoogste normen van efficiëntie, bekwaamheid en integriteit te waarborgen. Onder dit voorbehoud wordt naar behoren aandacht besteed aan het belang van aanwerving van het personeel op een zo ruim mogelijke geografische grondslag.
3. Het personeel wordt aangesteld door de Secretaris-Generaal. De voorwaarden en bedingen waarop dit wordt aangesteld, bezoldigd en ontslagen dienen in overeenstemming te zijn met de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
Art. 167. Personnel de l'Autorité.
1. Le personnel de l'Autorité comprend les personnes qualifiées dans les domaines scientifique, technique et autres dont elle a besoin pour exercer ses fonctions administratives.
2. La considération dominante dans le recrutement et la fixation des conditions d'emploi du personnel est d'assurer à l'Autorité les services de personnes possedant les plus hautes qualités de travail, de compétence et d'intégrité. Sous cette réserve, il est dûment tenu compte de l'importance d'un recrutement effectué sur une base géographique aussi large que possible.
3. Le personnel est nommé par le Secrétaire général. Les conditions et modalités de nomination, de rémunération et de licenciement du personnel doivent être conformes aux règles, règlements et procédures de l'Autorité.
1. Le personnel de l'Autorité comprend les personnes qualifiées dans les domaines scientifique, technique et autres dont elle a besoin pour exercer ses fonctions administratives.
2. La considération dominante dans le recrutement et la fixation des conditions d'emploi du personnel est d'assurer à l'Autorité les services de personnes possedant les plus hautes qualités de travail, de compétence et d'intégrité. Sous cette réserve, il est dûment tenu compte de l'importance d'un recrutement effectué sur une base géographique aussi large que possible.
3. Le personnel est nommé par le Secrétaire général. Les conditions et modalités de nomination, de rémunération et de licenciement du personnel doivent être conformes aux règles, règlements et procédures de l'Autorité.
Art. 168. Internationaal karakter van het Secretariaat.
1. Bij de uitoefening van hun taken vragen noch ontvangen de Secretaris-Generaal en het personeel instructies van enige regering of van enige andere bron buiten de Autoriteit. Zij onthouden zich van handelingen die afbreuk zouden kunnen doen aan hun positie als internationale ambtenaren die alleen jegens de Autoriteit verantwoordelijk zijn. Elke Staat die Partij is, verbindt zich ertoe het uitsluitend internationale karakter van het dienstverband van de Secretaris-Generaal en het personeel te eerbiedigen en niet te pogen hen te beïnvloeden bij de uitoefening van hun taak. Elke schending van zijn verplichtingen door een persoonslid wordt voorgelegd aan een volgens de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit aangewezen administratieve rechtbank.
2. De Secretaris-Generaal en het personeel mogen geen financieel belang hebben in enige werkzaamheid betreffende de exploratie en exploitatie in het Gebied. Onder voorbehoud van hun verantwoordelijkheden jegens de Autoriteit, mogen zij niet, zelfs na de beëindiging van hun dienstverband, enig bedrijfsgeheim, gegevens behorende tot de industriële eigendom die aan de Autoriteit worden overgedragen overeenkomstig Bijlage III, artikel 14, of enige andere vertrouwelijke informatie die te hunner kennis komt op grond van hun werkzaamheden bij de Autoriteit, openbaar maken.
3. Schendigen van de verplichtingen door een personeelslid van de Autoriteit, als bedoeld in het tweede lid, leiden, op verzoek van een Staat die Partij is en die door deze schending wordt getroffen, of een natuurlijke persoon of rechtspersoon, gesteund door een Staat die Partij is zoals bepaald in artikel 153, tweede lid, letter b, en die door zulk een schending wordt getroffen tot de instelling van een rechtsvervolging door de Autoriteit tegen het betrokken personeelslid, voor een volgens de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit aangewezen rechtbank. De getroffen Partij heeft het recht zich te voegen in het geding. Indien de rechtbank zulks aanbeveelt, ontslaat de Secretaris-Generaal het betrokken personeelslid.
4. De regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit bevatten de bepalingen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit artikel.
1. Bij de uitoefening van hun taken vragen noch ontvangen de Secretaris-Generaal en het personeel instructies van enige regering of van enige andere bron buiten de Autoriteit. Zij onthouden zich van handelingen die afbreuk zouden kunnen doen aan hun positie als internationale ambtenaren die alleen jegens de Autoriteit verantwoordelijk zijn. Elke Staat die Partij is, verbindt zich ertoe het uitsluitend internationale karakter van het dienstverband van de Secretaris-Generaal en het personeel te eerbiedigen en niet te pogen hen te beïnvloeden bij de uitoefening van hun taak. Elke schending van zijn verplichtingen door een persoonslid wordt voorgelegd aan een volgens de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit aangewezen administratieve rechtbank.
2. De Secretaris-Generaal en het personeel mogen geen financieel belang hebben in enige werkzaamheid betreffende de exploratie en exploitatie in het Gebied. Onder voorbehoud van hun verantwoordelijkheden jegens de Autoriteit, mogen zij niet, zelfs na de beëindiging van hun dienstverband, enig bedrijfsgeheim, gegevens behorende tot de industriële eigendom die aan de Autoriteit worden overgedragen overeenkomstig Bijlage III, artikel 14, of enige andere vertrouwelijke informatie die te hunner kennis komt op grond van hun werkzaamheden bij de Autoriteit, openbaar maken.
3. Schendigen van de verplichtingen door een personeelslid van de Autoriteit, als bedoeld in het tweede lid, leiden, op verzoek van een Staat die Partij is en die door deze schending wordt getroffen, of een natuurlijke persoon of rechtspersoon, gesteund door een Staat die Partij is zoals bepaald in artikel 153, tweede lid, letter b, en die door zulk een schending wordt getroffen tot de instelling van een rechtsvervolging door de Autoriteit tegen het betrokken personeelslid, voor een volgens de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit aangewezen rechtbank. De getroffen Partij heeft het recht zich te voegen in het geding. Indien de rechtbank zulks aanbeveelt, ontslaat de Secretaris-Generaal het betrokken personeelslid.
4. De regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit bevatten de bepalingen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit artikel.
Art. 168. Caractère international du Secrétariat.
1. Dans l'exercice de leurs fonctions, le Secrétaire général et le personnel ne sollicitent et n'acceptent d'instructions d'aucun gouvernement ni d'aucune autre source extérieure à l'Autorité. Ils s'abstiennent de tout acte incompatible avec leur qualité de fonctionnaires internationaux et ne sont responsables qu'envers l'Autorité. Chaque Etat Partie s'engage à respecter le caractère exclusivement international des fonctions du Secrétaire général et du personnel et à ne pas chercher à les influencer dans l'exécution de leur tâche. Tout manquement à ses obligations de la part d'un fonctionnaire est soumis à un tribunal administratif designé selon les règles, règlements et procédures de l'Autorité.
2. Le Secrétaire général et le personnel ne doivent posséder d'intérêts financiers dans aucune des activités touchant l'exploration et l'exploitation dans la Zone. Sous réserve de leurs obligations envers l'Autorité, ils ne doivent divulguer, même après la cessation de leurs fonctions, aucun secret industriel, aucune donnée qui est propriété industrielle et qui a été transférée à l'Autorité en application de l'article 14 de l'annexe III, ni aucun autre renseignement confidentiel dont ils ont connaissance à raison de leurs fonctions.
3. Les manquements de la part d'un fonctionnaire de l'Autorite aux obligations énoncées au paragraphe 2 donnent lieu, à la demande d'un Etat Partie lésé par un tel manquement ou d'une personne physique ou morale patronnée par un Etat Partie conformément à l'article 153, paragraphe 2, lettre b), et lésée par un tel manquement, à des poursuites de l'Autorité contre le fonctionnaire en cause devant un tribunal désigné selon les regles, règlements et procédures de l'Autorité. La partie lésée a le droit de participer à la procédure. Si le tribunal le recommande, le Secrétaire général licencie le fonctionnaire en cause.
4. Les règles, règlements et procédures de l'Autorité prévoient les modalités d'application du présent article.
1. Dans l'exercice de leurs fonctions, le Secrétaire général et le personnel ne sollicitent et n'acceptent d'instructions d'aucun gouvernement ni d'aucune autre source extérieure à l'Autorité. Ils s'abstiennent de tout acte incompatible avec leur qualité de fonctionnaires internationaux et ne sont responsables qu'envers l'Autorité. Chaque Etat Partie s'engage à respecter le caractère exclusivement international des fonctions du Secrétaire général et du personnel et à ne pas chercher à les influencer dans l'exécution de leur tâche. Tout manquement à ses obligations de la part d'un fonctionnaire est soumis à un tribunal administratif designé selon les règles, règlements et procédures de l'Autorité.
2. Le Secrétaire général et le personnel ne doivent posséder d'intérêts financiers dans aucune des activités touchant l'exploration et l'exploitation dans la Zone. Sous réserve de leurs obligations envers l'Autorité, ils ne doivent divulguer, même après la cessation de leurs fonctions, aucun secret industriel, aucune donnée qui est propriété industrielle et qui a été transférée à l'Autorité en application de l'article 14 de l'annexe III, ni aucun autre renseignement confidentiel dont ils ont connaissance à raison de leurs fonctions.
3. Les manquements de la part d'un fonctionnaire de l'Autorite aux obligations énoncées au paragraphe 2 donnent lieu, à la demande d'un Etat Partie lésé par un tel manquement ou d'une personne physique ou morale patronnée par un Etat Partie conformément à l'article 153, paragraphe 2, lettre b), et lésée par un tel manquement, à des poursuites de l'Autorité contre le fonctionnaire en cause devant un tribunal désigné selon les regles, règlements et procédures de l'Autorité. La partie lésée a le droit de participer à la procédure. Si le tribunal le recommande, le Secrétaire général licencie le fonctionnaire en cause.
4. Les règles, règlements et procédures de l'Autorité prévoient les modalités d'application du présent article.
Art. 169. Overleg en samenwerking met internationale en niet-gouvernementele organisaties.
1. Inzake aangelegenheden, vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit treft de Secretaris-Generaal passende regelingen, met goedkeuring van de Raad, voor overleg en samenwerking met internationale en niet-gouvernementele organisaties die erkend zijn door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties.
2. Elke organisatie waarmede de Secretaris-Generaal een regeling ingevolge het eerste lid is aangegaan, kan vertegenwoordigers aanwijzen ter bijwoning van vergaderingen van de organen van de Autoriteit als waarnemer, overeenkomstig het reglement van orde van die organen. Er dienen procedures te worden ingesteld opdat deze organisaties in passende gevallen hun zienswijzen kenbaar kunnen maken.
3. De Secretaris-Generaal kan aan de Staten die Partij zijn schriftelijke rapporten toezenden die door de in het eerste lid bedoelde niet-gouvernementele organisaties zijn ingediend over onderwerpen ten aanzien waarvan zij over bijzondere deskundigheid beschikken en die betrekking hebben op het werk van de Autoriteit.
1. Inzake aangelegenheden, vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit treft de Secretaris-Generaal passende regelingen, met goedkeuring van de Raad, voor overleg en samenwerking met internationale en niet-gouvernementele organisaties die erkend zijn door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties.
2. Elke organisatie waarmede de Secretaris-Generaal een regeling ingevolge het eerste lid is aangegaan, kan vertegenwoordigers aanwijzen ter bijwoning van vergaderingen van de organen van de Autoriteit als waarnemer, overeenkomstig het reglement van orde van die organen. Er dienen procedures te worden ingesteld opdat deze organisaties in passende gevallen hun zienswijzen kenbaar kunnen maken.
3. De Secretaris-Generaal kan aan de Staten die Partij zijn schriftelijke rapporten toezenden die door de in het eerste lid bedoelde niet-gouvernementele organisaties zijn ingediend over onderwerpen ten aanzien waarvan zij over bijzondere deskundigheid beschikken en die betrekking hebben op het werk van de Autoriteit.
Art. 169. Consultations et coopération avec les organisations internationales et les organisations non gouvernementales.
1. Pour les questions qui sont du ressort de l'Autorité, le Secrétaire général conclut, après approbation du Conseil, des accords aux fins de consultations et de coopération avec les organisations internationales et les organisations non gouvernementales reconnues par le Conseil économique et social de l'Organisation des Nations Unies.
2. Toute organisation avec laquelle le Secrétaire général a conclu un accord en vertu du paragraphe 1 peut désigner des représentants qui assistent en qualité d'observateurs aux réunions des organes de l'Autorité conformément au règlement intérieur de ceux-ci. Des procédures sont instituées pour permettre à ces organisations de faire connaître leurs vues dans les cas appropriés.
3. Le Secrétaire général peut faire distribuer aux Etats Parties des rapports écrits présentés par les organisations non gouvernementales visées au paragraphe 1 sur des sujets qui relèvent de leur compétence particuliere et se rapportent aux travaux de l'Autorité.
1. Pour les questions qui sont du ressort de l'Autorité, le Secrétaire général conclut, après approbation du Conseil, des accords aux fins de consultations et de coopération avec les organisations internationales et les organisations non gouvernementales reconnues par le Conseil économique et social de l'Organisation des Nations Unies.
2. Toute organisation avec laquelle le Secrétaire général a conclu un accord en vertu du paragraphe 1 peut désigner des représentants qui assistent en qualité d'observateurs aux réunions des organes de l'Autorité conformément au règlement intérieur de ceux-ci. Des procédures sont instituées pour permettre à ces organisations de faire connaître leurs vues dans les cas appropriés.
3. Le Secrétaire général peut faire distribuer aux Etats Parties des rapports écrits présentés par les organisations non gouvernementales visées au paragraphe 1 sur des sujets qui relèvent de leur compétence particuliere et se rapportent aux travaux de l'Autorité.
Onderafdeling E. - De Onderneming.
Sous-section E. - L'Entreprise.
Art. 170. De Onderneming.
1. De Onderneming is het orgaan van de Autoriteit dat rechtstreeks werkzaamheden in het Gebied verricht, ingevolge artikel 153, tweede lid, letter a, alsook zorgt voor het vervoer, de be- en verwerking en de afzet van uit het Gebied gewonnen delfstoffen.
2. Binnen het kader van de internationale rechtspersoonlijkheid van de Autoriteit heeft de Onderneming de rechtsbevoegdheid, bepaald in het Statuut, vervat in Bijlage IV. De Onderneming handelt overeenkomstig dit Verdrag en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, alsmede het door de Vergadering vastgestelde algemene beleid en houdt zich aan de richtlijnen van de Raad en is onderworpen aan diens toezicht.
3. De Onderneming heeft haar hoofdkantoor ter plaatse van de zetel van de Autoriteit.
4. Aan de Onderneming worden, overeenkomstig artikel 173, tweede lid, en Bijlage IV, artikel 11, de door haar benodigde financiële middelen verschaft om haar werkzaamheden te verrichten en zij wordt in het bezit gesteld van de technologie zoals bepaald in artikel 144 en andere desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.
1. De Onderneming is het orgaan van de Autoriteit dat rechtstreeks werkzaamheden in het Gebied verricht, ingevolge artikel 153, tweede lid, letter a, alsook zorgt voor het vervoer, de be- en verwerking en de afzet van uit het Gebied gewonnen delfstoffen.
2. Binnen het kader van de internationale rechtspersoonlijkheid van de Autoriteit heeft de Onderneming de rechtsbevoegdheid, bepaald in het Statuut, vervat in Bijlage IV. De Onderneming handelt overeenkomstig dit Verdrag en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, alsmede het door de Vergadering vastgestelde algemene beleid en houdt zich aan de richtlijnen van de Raad en is onderworpen aan diens toezicht.
3. De Onderneming heeft haar hoofdkantoor ter plaatse van de zetel van de Autoriteit.
4. Aan de Onderneming worden, overeenkomstig artikel 173, tweede lid, en Bijlage IV, artikel 11, de door haar benodigde financiële middelen verschaft om haar werkzaamheden te verrichten en zij wordt in het bezit gesteld van de technologie zoals bepaald in artikel 144 en andere desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.
Art. 170. L'Entreprise.
1. L'Entreprise est l'organe de l'Autorité qui mène des activités dans la Zone directement en application de l'article 153, paragraphe 2, lettre a), ainsi que des activités de transport, de traitement et de commercialisation des minéraux tirés de la Zone.
2. Dans le cadre de l'Autorite, personne juridique internationale, l'Entreprise a la capacité juridique prévue à l'annexe IV. L'Entreprise agit conformément à la Convention et aux règles, règlements et procédures de l'Autorité, ainsi qu'à la politique générale arrêtée par l'Assemblée, et elle observe les directives du Conseil et est soumise à son contrôle.
3. L'Entreprise a son établissement principal au siege de l'Autorité.
4. L'Entreprise est dotée, conformément à l'article 173, paragraphe 2, et à l'article 11 de l'annexe IV, des ressources financières dont elle a besoin pour exercer ses fonctions, et elle dispose des techniques qui lui sont transférées en application de l'article 144 et des autres dispositions pertinentes de la Convention.
1. L'Entreprise est l'organe de l'Autorité qui mène des activités dans la Zone directement en application de l'article 153, paragraphe 2, lettre a), ainsi que des activités de transport, de traitement et de commercialisation des minéraux tirés de la Zone.
2. Dans le cadre de l'Autorite, personne juridique internationale, l'Entreprise a la capacité juridique prévue à l'annexe IV. L'Entreprise agit conformément à la Convention et aux règles, règlements et procédures de l'Autorité, ainsi qu'à la politique générale arrêtée par l'Assemblée, et elle observe les directives du Conseil et est soumise à son contrôle.
3. L'Entreprise a son établissement principal au siege de l'Autorité.
4. L'Entreprise est dotée, conformément à l'article 173, paragraphe 2, et à l'article 11 de l'annexe IV, des ressources financières dont elle a besoin pour exercer ses fonctions, et elle dispose des techniques qui lui sont transférées en application de l'article 144 et des autres dispositions pertinentes de la Convention.
Onderafdeling F. - Financiële regelingen van de autoriteit.
Sous-section F. - Organisation financière de l'Autorité.
Art. 171. Financiële middelen van de Autoriteit.
De financiële middelen van de Autoriteit omvatten :
a) de bijdragen van de leden van de Autoriteit vastgesteld overeenkomstig artikel 160, tweede lid, letter e;
b) de financiële middelen door de Autoriteit ontvangen ingevolge Bijlage III, artikel 13, in verband met werkzaamheden in het Gebied;
c) overeenkomstig Bijlage IV, artikel 10, door de Onderneming overgedragen gelden;
d) gelden geleend ingevolge artikel 174;
e) vrijwillige bijdragen geschonken door leden of andere lichamen; en
f) betalingen aan een compensatiefonds, overeenkomstig artikel 151, tiende lid, waarbij de bronnen van deze betalingen moeten worden aanbevolen door de Commissie voor Economische Planning.
De financiële middelen van de Autoriteit omvatten :
a) de bijdragen van de leden van de Autoriteit vastgesteld overeenkomstig artikel 160, tweede lid, letter e;
b) de financiële middelen door de Autoriteit ontvangen ingevolge Bijlage III, artikel 13, in verband met werkzaamheden in het Gebied;
c) overeenkomstig Bijlage IV, artikel 10, door de Onderneming overgedragen gelden;
d) gelden geleend ingevolge artikel 174;
e) vrijwillige bijdragen geschonken door leden of andere lichamen; en
f) betalingen aan een compensatiefonds, overeenkomstig artikel 151, tiende lid, waarbij de bronnen van deze betalingen moeten worden aanbevolen door de Commissie voor Economische Planning.
Art. 171. Ressources financières de l'Autorité.
Les ressources financières de l'Autorité comprennent :
a) les contributions des membres de l'Autorité fixées conformément à l'article 160, paragraphe 2, lettre e);
b) les recettes que percoit l'Autorité, en application de l'article 13 de l'annexe III, au titre des activités menées dans la Zone;
c) les sommes virées par l'Entreprise conformément à l'article 10 de l'annexe IV;
d) le produit des emprunts contractés en application de l'article 174;
e) les contributions volontaires versées par les membres ou provenant d'autres sources; et
f) les paiements effectués à un fonds de compensation conformément à l'article 151, paragraphe 10, dont la Commission de la planification economique doit recommander les sources.
Les ressources financières de l'Autorité comprennent :
a) les contributions des membres de l'Autorité fixées conformément à l'article 160, paragraphe 2, lettre e);
b) les recettes que percoit l'Autorité, en application de l'article 13 de l'annexe III, au titre des activités menées dans la Zone;
c) les sommes virées par l'Entreprise conformément à l'article 10 de l'annexe IV;
d) le produit des emprunts contractés en application de l'article 174;
e) les contributions volontaires versées par les membres ou provenant d'autres sources; et
f) les paiements effectués à un fonds de compensation conformément à l'article 151, paragraphe 10, dont la Commission de la planification economique doit recommander les sources.
Art. 172. Jaarlijkse begroting van de Autoriteit.
De Secretaris-Generaal stelt de jaarlijkse ontwerpbegroting van de Autoriteit op en legt deze voor aan de Raad. De Raad bestudeert de jaarlijkse ontwerpbegroting en legt deze voor aan de Vergadering, vergezeld van eventuele aanbevelingen terzake. De Vergadering bestudeert en het haar goedkeuring aan de jaarlijkse ontwerpbegroting overeenkomstig artikel 160, tweede lid, letter h.
De Secretaris-Generaal stelt de jaarlijkse ontwerpbegroting van de Autoriteit op en legt deze voor aan de Raad. De Raad bestudeert de jaarlijkse ontwerpbegroting en legt deze voor aan de Vergadering, vergezeld van eventuele aanbevelingen terzake. De Vergadering bestudeert en het haar goedkeuring aan de jaarlijkse ontwerpbegroting overeenkomstig artikel 160, tweede lid, letter h.
Art. 172. Budget annuel de l'Autorité.
Le Secrétaire général établit le projet de budget annuel de l'Autorité et le présente au Conseil. Celui-ci l'examine et le soumet, avec ses recommandations, à l'approbation de l'Assemblée en application de l'article 160, paragraphe 2, lettre h).
Le Secrétaire général établit le projet de budget annuel de l'Autorité et le présente au Conseil. Celui-ci l'examine et le soumet, avec ses recommandations, à l'approbation de l'Assemblée en application de l'article 160, paragraphe 2, lettre h).
Art. 173. Uitgaven van de Autoriteit.
1. De in artikel 171, letter a, bedoelde bijdragen worden gestort op een speciale rekening ter dekking van de administratieve uitgaven van de Autoriteit totdat de Autoriteit over voldoende middelen uit andere bronnen beschikt om deze uitgaven te dekken.
2. De financiële middelen van de Autoriteit dienen in de eerste plaats ter dekking van de administratieve uitgaven. Met uitzondering van de bijdragen, bedoeld in artikel 171, letter a, kunnen de middelen die overblijven na betaling van de administratieve uitgaven, onder andere :
a) worden verdeeld overeenkomstig artikel 140 en artikel 160, tweede lid, letter g;
b) worden gebruikt om de Onderneming middelen te verschaffen overeenkomstig artikel 170, vierde lid;
c) worden gebruikt voor de betaling van compensatie aan ontwikkelingsstaten overeenkomstig artikel 151, tiende lid, en artikel 160, tweede lid, letter I.
1. De in artikel 171, letter a, bedoelde bijdragen worden gestort op een speciale rekening ter dekking van de administratieve uitgaven van de Autoriteit totdat de Autoriteit over voldoende middelen uit andere bronnen beschikt om deze uitgaven te dekken.
2. De financiële middelen van de Autoriteit dienen in de eerste plaats ter dekking van de administratieve uitgaven. Met uitzondering van de bijdragen, bedoeld in artikel 171, letter a, kunnen de middelen die overblijven na betaling van de administratieve uitgaven, onder andere :
a) worden verdeeld overeenkomstig artikel 140 en artikel 160, tweede lid, letter g;
b) worden gebruikt om de Onderneming middelen te verschaffen overeenkomstig artikel 170, vierde lid;
c) worden gebruikt voor de betaling van compensatie aan ontwikkelingsstaten overeenkomstig artikel 151, tiende lid, en artikel 160, tweede lid, letter I.
Art. 173. Dépenses de l'Autorité.
1. Les contributions visées à l'article 171, lettre a), sont versées à un compte spécial et servent à couvrir les dépenses d'administration de l'Autorité jusqu'au moment où celle-ci dispose, à cette fin, de recettes suffisantes provenant d'autres sources.
2. Les ressources financières de l'Autorité servent d'abord à régler les dépenses d'administration. A l'exception des contributions visées à l'article 171, lettre a), les fonds qui restent après paiement de ces dépenses peuvent notamment :
a) être partagés conformément à l'article 140 et à l'article 160, paragraphe 2, lettre g);
b) servir à doter l'Entreprise des ressources financières visées à l'article 170, paragraphe 4;
c) servir à dédommager les Etats en développement conformément à l'article 151, paragraphe 10, et à l'article 160, paragraphe 2, lettre I).
1. Les contributions visées à l'article 171, lettre a), sont versées à un compte spécial et servent à couvrir les dépenses d'administration de l'Autorité jusqu'au moment où celle-ci dispose, à cette fin, de recettes suffisantes provenant d'autres sources.
2. Les ressources financières de l'Autorité servent d'abord à régler les dépenses d'administration. A l'exception des contributions visées à l'article 171, lettre a), les fonds qui restent après paiement de ces dépenses peuvent notamment :
a) être partagés conformément à l'article 140 et à l'article 160, paragraphe 2, lettre g);
b) servir à doter l'Entreprise des ressources financières visées à l'article 170, paragraphe 4;
c) servir à dédommager les Etats en développement conformément à l'article 151, paragraphe 10, et à l'article 160, paragraphe 2, lettre I).
Art. 174. Bevoegdheid van de Autoriteit om leningen aan te gaan.
1. De Autoriteit heeft bevoegdheid om leningen aan te gaan.
2. De Vergadering schrijft de grenzen van de bevoegdheid van de Autoriteit om leningen aan te gaan voor in de financiële voorschriften aangenomen ingevolge artikel 160, tweede lid, letter f.
3. De Raad oefent de bevoegdheid van de Autoriteit om leningen aan te gaan, uit.
4. De Staten die Partij zijn, zijn niet aansprakelijk voor de schulden van de Autoriteit.
1. De Autoriteit heeft bevoegdheid om leningen aan te gaan.
2. De Vergadering schrijft de grenzen van de bevoegdheid van de Autoriteit om leningen aan te gaan voor in de financiële voorschriften aangenomen ingevolge artikel 160, tweede lid, letter f.
3. De Raad oefent de bevoegdheid van de Autoriteit om leningen aan te gaan, uit.
4. De Staten die Partij zijn, zijn niet aansprakelijk voor de schulden van de Autoriteit.
Art. 174. Capacité de l'Autorité de contracter des emprunts.
1. L'Autorité a la capacité de contracter des emprunts.
2. L'Assemblée fixe les limites de cette capacité dans le règlement financier adopté en application de l'article 160, paragraphe 2, lettre f).
3. Le Conseil exerce cette capacité.
4. Les Etats Parties ne sont pas responsables des dettes de l'Autorité.
1. L'Autorité a la capacité de contracter des emprunts.
2. L'Assemblée fixe les limites de cette capacité dans le règlement financier adopté en application de l'article 160, paragraphe 2, lettre f).
3. Le Conseil exerce cette capacité.
4. Les Etats Parties ne sont pas responsables des dettes de l'Autorité.
Art. 175. Jaarlijkse accountantscontrole.
De verslagen, boeken en rekeningen van de Autoriteit, met inbegrip van haar financiële jaaroverzichten, worden jaarlijks gecontroleerd door een onafhankelijke accountant, benoemd door de Vergadering.
De verslagen, boeken en rekeningen van de Autoriteit, met inbegrip van haar financiële jaaroverzichten, worden jaarlijks gecontroleerd door een onafhankelijke accountant, benoemd door de Vergadering.
Art. 175. Vérification annuelle des comptes.
Les rapports, livres et comptes de l'Autorité, y compris ses Etats financiers annuels, sont vérifiés chaque année par un contrôleur indépendant, nommé par l'Assemblée.
Les rapports, livres et comptes de l'Autorité, y compris ses Etats financiers annuels, sont vérifiés chaque année par un contrôleur indépendant, nommé par l'Assemblée.
Onderafdeling G. - Juridische status, voorrechten en immuniteiten.
Sous-section G. - Statut juridique, privilèges et immunités.
Art. 176. Juridische status.
De Autoriteit bezit internationale rechtspersoonlijkheid en bezit de juridische bevoegdheid die nodig is voor de uitoefening van haar functies en de verwezenlijking van haar doelen.
De Autoriteit bezit internationale rechtspersoonlijkheid en bezit de juridische bevoegdheid die nodig is voor de uitoefening van haar functies en de verwezenlijking van haar doelen.
Art. 176. Statut juridique.
L'Autorité possède la personnalité juridique internationale et a la capacité juridique qui lui est nécessaire pour exercer ses fonctions et atteindre ses buts.
L'Autorité possède la personnalité juridique internationale et a la capacité juridique qui lui est nécessaire pour exercer ses fonctions et atteindre ses buts.
Art. 177. Voorrechten en immuniteiten.
Opdat de Autoriteit haar functies kan uitoefenen, geniet zij op het grondgebied van elke Staat die Partij is de voorrechten en immuniteiten vervat in deze onderafdeling. De voorrechten en immuniteiten betreffende de Onderneming zijn die welke zijn vervat in Bijlage IV, artikel 13.
Opdat de Autoriteit haar functies kan uitoefenen, geniet zij op het grondgebied van elke Staat die Partij is de voorrechten en immuniteiten vervat in deze onderafdeling. De voorrechten en immuniteiten betreffende de Onderneming zijn die welke zijn vervat in Bijlage IV, artikel 13.
Art. 177. Privilèges et immunités.
Pour pouvoir exercer ses fonctions, l'Autorité jouit, sur le territoire de chaque Etat Partie, des privilèges et immunités prévus dans la présente sous-section. Les privilèges et immunités relatifs à l'Entreprise sont prévus à l'article 13 de l'annexe IV.
Pour pouvoir exercer ses fonctions, l'Autorité jouit, sur le territoire de chaque Etat Partie, des privilèges et immunités prévus dans la présente sous-section. Les privilèges et immunités relatifs à l'Entreprise sont prévus à l'article 13 de l'annexe IV.
Art. 178. Immuniteit van rechtsvervolging.
De Autoriteit, haar eigendommen en activa genieten immuniteit van rechtsvervolging, behalve voor zover de Autoriteit in een bepaald geval uitdrukkelijk afstand ervan doet.
De Autoriteit, haar eigendommen en activa genieten immuniteit van rechtsvervolging, behalve voor zover de Autoriteit in een bepaald geval uitdrukkelijk afstand ervan doet.
Art. 178. Immunité de juridiction et d'exécution.
L'Autorité, ainsi que ses biens et ses avoirs, jouissent de l'immunité de juridiction et d'exécution, sauf dans la mesure où l'Autorité y renonce expressément dans un cas particulier.
L'Autorité, ainsi que ses biens et ses avoirs, jouissent de l'immunité de juridiction et d'exécution, sauf dans la mesure où l'Autorité y renonce expressément dans un cas particulier.
Art. 179. Immuniteit van doorzoeking en elke vorm van beslaglegging.
De eigendommen en activa van de Autoriteit, waar ook gelegen en door wie ook gehouden, genieten immuniteit van doorzoeking, vordering, verbeurdverklaring, onteigening of elke andere vorm van beslaglegging voortvloeiend uit een maatregel van de uitvoerende of de wetgevende macht.
De eigendommen en activa van de Autoriteit, waar ook gelegen en door wie ook gehouden, genieten immuniteit van doorzoeking, vordering, verbeurdverklaring, onteigening of elke andere vorm van beslaglegging voortvloeiend uit een maatregel van de uitvoerende of de wetgevende macht.
Art. 179. Exemption de perquisition et de toute autre forme de contrainte.
Les biens et les avoirs de l'Autorite, où qu'ils se trouvent et quel qu'en soit le détenteur, sont exempts de perquisition, réquisition, confiscation, expropriation et de toute autre forme de contrainte procédant d'une mesure du pouvoir exécutif ou du pouvoir législatif.
Les biens et les avoirs de l'Autorite, où qu'ils se trouvent et quel qu'en soit le détenteur, sont exempts de perquisition, réquisition, confiscation, expropriation et de toute autre forme de contrainte procédant d'une mesure du pouvoir exécutif ou du pouvoir législatif.
Art. 180. Vrijstelling van beperkingen, verordeningen, controles en moratoria.
De eigendommen en activa van de Autoriteit zijn vrijgesteld van beperkingen, verordeningen, controles en moratoria van welke aard ook.
De eigendommen en activa van de Autoriteit zijn vrijgesteld van beperkingen, verordeningen, controles en moratoria van welke aard ook.
Art. 180. Exemption de tout contrôle, restriction, réglementation ou moratoire.
Les biens et les avoirs de l'Autorité sont exempts de tout contrôle, de toute restriction ou réglementation et de tout moratoire.
Les biens et les avoirs de l'Autorité sont exempts de tout contrôle, de toute restriction ou réglementation et de tout moratoire.
Art. 181. Archieven en officiële mededelingen van de Autoriteit.
1. De archieven van de Autoriteit zijn onschendbaar, waar zij zich ook bevinden.
2. Gegevens die tot de industriële eigendom behoren, bedrijfsgeheimen of soortgelijke informatie en personeelsdossiers worden niet opgeborgen in archieven die door het publiek kunnen ingezien.
3. Met betrekking tot haar officiële mededelingen wordt aan de Autoriteit door elke Staat die Partij is een behandeling toegekend die niet minder gunstig is dan die welke door die Staat aan andere internationale organisaties wordt toegekend.
1. De archieven van de Autoriteit zijn onschendbaar, waar zij zich ook bevinden.
2. Gegevens die tot de industriële eigendom behoren, bedrijfsgeheimen of soortgelijke informatie en personeelsdossiers worden niet opgeborgen in archieven die door het publiek kunnen ingezien.
3. Met betrekking tot haar officiële mededelingen wordt aan de Autoriteit door elke Staat die Partij is een behandeling toegekend die niet minder gunstig is dan die welke door die Staat aan andere internationale organisaties wordt toegekend.
Art. 181. Archives et communications officielles de l'Autorite.
1. Les archives de l'Autorité sont inviolables, où qu'elles se trouvent.
2. Les donnees qui sont propriété industrielle, les renseignements couverts par le secret industriel et les informations analogues, ainsi que les dossiers du personnel, ne doivent pas être conservés dans des archives accessibles au public.
3. Chaque Etat Partie accorde à l'Autorité, pour ses communications officielles, un traitement au moins aussi favorable que celui qu'il accorde aux autres organisations internationales.
1. Les archives de l'Autorité sont inviolables, où qu'elles se trouvent.
2. Les donnees qui sont propriété industrielle, les renseignements couverts par le secret industriel et les informations analogues, ainsi que les dossiers du personnel, ne doivent pas être conservés dans des archives accessibles au public.
3. Chaque Etat Partie accorde à l'Autorité, pour ses communications officielles, un traitement au moins aussi favorable que celui qu'il accorde aux autres organisations internationales.
Art. 182. Voorrechten en immuniteiten van bepaalde met de Autoriteiten verbonden personen.
De vertegenwoordigers van Staten die Partij zijn en die zittingen bijwonen van de Vergadering, de Raad of van organen van de Vergadering of de Raad, en de Secretaris-Generaal en het personeel van de Autoriteit genieten op het grondgebied van elke Staat die Partij is :
a) immuniteit van rechtsvervolging met betrekking tot handelingen door hen verricht bij de uitoefening van hun functies, behalve voor zover de Staat die zij vertegenwoordigen, dan wel de Autoriteit, in een bepaald geval uitdrukkelijk afstand doet van deze immuniteit;
b) indien zij geen onderdaan zijn van die Staat die Partij is, dezelfde vrijstellingen van immigratiebeperkingen, vereisten inzake vreemdelingenregistratie en nationale dienstplicht, dezelfde faciliteiten met betrekking tot valutabeperkingen en dezelfde behandeling met betrekking tot reisfaciliteiten als door die Staat worden toegekend aan de vertegenwoordigers, functionarissen en werknemers van vergelijkbare rang van andere Staten die Partij zijn.
De vertegenwoordigers van Staten die Partij zijn en die zittingen bijwonen van de Vergadering, de Raad of van organen van de Vergadering of de Raad, en de Secretaris-Generaal en het personeel van de Autoriteit genieten op het grondgebied van elke Staat die Partij is :
a) immuniteit van rechtsvervolging met betrekking tot handelingen door hen verricht bij de uitoefening van hun functies, behalve voor zover de Staat die zij vertegenwoordigen, dan wel de Autoriteit, in een bepaald geval uitdrukkelijk afstand doet van deze immuniteit;
b) indien zij geen onderdaan zijn van die Staat die Partij is, dezelfde vrijstellingen van immigratiebeperkingen, vereisten inzake vreemdelingenregistratie en nationale dienstplicht, dezelfde faciliteiten met betrekking tot valutabeperkingen en dezelfde behandeling met betrekking tot reisfaciliteiten als door die Staat worden toegekend aan de vertegenwoordigers, functionarissen en werknemers van vergelijkbare rang van andere Staten die Partij zijn.
Art. 182. Privilèges et immunités des personnes agissant dans le cadre de l'Autorité.
Les représentants des Etats Parties qui assistent aux réunions de l'Assemblée, du Conseil ou des organes de l'Assemblée ou du Conseil, ainsi que le Secrétaire général et le personnel de l'Autorité, jouissent, sur le territoire de chaque Etat Partie :
a) de l'immunité de juridiction et d'exécution pour les actes accomplis par eux dans l'exercice de leurs fonctions, sauf dans la mesure où l'Etat qu'ils représentent ou l'Autorité, selon le cas, y renonce expressément dans un cas particulier;
b) des mêmes exemptions que celles accordées par l'Etat sur le territoire duquel ils se trouvent aux représentants, fonctionnaires et employés de rang comparable des autres Etats Parties en ce qui concerne les conditions d'immigration, les formalités d'enregistrement des étrangers et les obligations de service national, ainsi que des mêmes facilités relatives à la réglementation des changes et aux déplacements, à moins qu'il ne s'agisse de ressortissants de l'Etat concerné.
Les représentants des Etats Parties qui assistent aux réunions de l'Assemblée, du Conseil ou des organes de l'Assemblée ou du Conseil, ainsi que le Secrétaire général et le personnel de l'Autorité, jouissent, sur le territoire de chaque Etat Partie :
a) de l'immunité de juridiction et d'exécution pour les actes accomplis par eux dans l'exercice de leurs fonctions, sauf dans la mesure où l'Etat qu'ils représentent ou l'Autorité, selon le cas, y renonce expressément dans un cas particulier;
b) des mêmes exemptions que celles accordées par l'Etat sur le territoire duquel ils se trouvent aux représentants, fonctionnaires et employés de rang comparable des autres Etats Parties en ce qui concerne les conditions d'immigration, les formalités d'enregistrement des étrangers et les obligations de service national, ainsi que des mêmes facilités relatives à la réglementation des changes et aux déplacements, à moins qu'il ne s'agisse de ressortissants de l'Etat concerné.
Art. 183. Vrijstelling van belastingen en douanerechten.
1. Binnen de reikwijdte van haar officiële werkzaamheden zijn de Autoriteiten, haar activa en eigendommen, haar inkomen en haar verrichtingen en transacties, toegestaan bij dit Verdrag, vrij van alle rechtstreekse belasting en zijn voor haar officieel gebruik ingevoerde of uitgevoerde goederen vrij van alle douanerechten. De Autoriteit mag geen aanspraak maken op vrijstelling van belastingen die niet meer zijn dan heffingen voor verleende diensten.
2. Indien aankopen van goederen of diensten van aanzienlijke waarde, die nodig zijn voor de officiële werkzaamheden van de Autoriteit, door of ten behoeve van de Autoriteit worden verricht en indien in de prijs van zulke goederen of diensten belastingen of douanerechten zijn begrepen, worden voor zover uitvoerbaar passende maatregelen genomen door de Staten die Partij zijn om vrijstelling van zulke belastingen of rechten te verlenen of te voorzien in de terugbetaling daarvan. Goederen ingevoerd of aangekocht ingevolge een vrijstelling zoals bepaald in dit artikel, mogen niet worden verkocht of op andere wijze vervreemd in het grondgebied van de Staat die Partij is en die de vrijstelling heeft verleend, behalve op met die Staat overeengekomen voorwaarden.
3. Er wordt door Staten die Partij zijn geen belasting geheven op of met betrekking tot salarissen en emolumenten betaald door de Autoriteit, of andere vormen van betaling door haar verricht, aan de Secretaris-Generaal en het personeel van de Autoriteit, alsmede aan deskundigen die voor de Autoriteit opdrachten vervullen, mits dezen geen onderdaan van die Staten zijn.
1. Binnen de reikwijdte van haar officiële werkzaamheden zijn de Autoriteiten, haar activa en eigendommen, haar inkomen en haar verrichtingen en transacties, toegestaan bij dit Verdrag, vrij van alle rechtstreekse belasting en zijn voor haar officieel gebruik ingevoerde of uitgevoerde goederen vrij van alle douanerechten. De Autoriteit mag geen aanspraak maken op vrijstelling van belastingen die niet meer zijn dan heffingen voor verleende diensten.
2. Indien aankopen van goederen of diensten van aanzienlijke waarde, die nodig zijn voor de officiële werkzaamheden van de Autoriteit, door of ten behoeve van de Autoriteit worden verricht en indien in de prijs van zulke goederen of diensten belastingen of douanerechten zijn begrepen, worden voor zover uitvoerbaar passende maatregelen genomen door de Staten die Partij zijn om vrijstelling van zulke belastingen of rechten te verlenen of te voorzien in de terugbetaling daarvan. Goederen ingevoerd of aangekocht ingevolge een vrijstelling zoals bepaald in dit artikel, mogen niet worden verkocht of op andere wijze vervreemd in het grondgebied van de Staat die Partij is en die de vrijstelling heeft verleend, behalve op met die Staat overeengekomen voorwaarden.
3. Er wordt door Staten die Partij zijn geen belasting geheven op of met betrekking tot salarissen en emolumenten betaald door de Autoriteit, of andere vormen van betaling door haar verricht, aan de Secretaris-Generaal en het personeel van de Autoriteit, alsmede aan deskundigen die voor de Autoriteit opdrachten vervullen, mits dezen geen onderdaan van die Staten zijn.
Art. 183. Exemption d'impôts ou taxes et de droits de douane.
1. L'Autorité, dans l'exercice de ses fonctions, ainsi que ses biens, avoirs et revenus, de même que ses activités et transactions autorisées par la Convention, sont exempts de tout impôt direct, et les biens qu'elle importe ou exporte pour son usage officiel sont exempts de tous droits de douane. L'Autorité ne peut demander aucune exemption de droits percus en rémunération de services rendus.
2. Si des achats de biens ou de services d'une valeur substantielle, nécessaires à l'exercice des fonctions de l'Autorité, sont effectués par elle ou pour son compte et si le prix de ces biens ou services inclut des impots, taxes ou droits, les Etats Parties prennent, autant que possible, les mesures appropriées pour accorder l'exemption de ces impôts, taxes ou droits ou pour en assurer le remboursement. Les biens importés ou achetés sous le régime d'exemption prévu au présent article ne doivent être ni vendus ni aliénés d'une autre manière sur le territoire de l'Etat Partie qui a accordé l'exemption, à moins que ce ne soit à des conditions convenues avec cet Etat.
3. Les Etats Parties ne percoivent aucun impôt prenant directement ou indirectement pour base les traitements, émoluments et autres sommes versés par l'Autorité au Secrétaire général et aux membres du personnel de l'Autorité, ainsi qu'aux experts qui accomplissent des missions pour l'Autorité, à moins qu'ils ne soient leurs ressortissants.
1. L'Autorité, dans l'exercice de ses fonctions, ainsi que ses biens, avoirs et revenus, de même que ses activités et transactions autorisées par la Convention, sont exempts de tout impôt direct, et les biens qu'elle importe ou exporte pour son usage officiel sont exempts de tous droits de douane. L'Autorité ne peut demander aucune exemption de droits percus en rémunération de services rendus.
2. Si des achats de biens ou de services d'une valeur substantielle, nécessaires à l'exercice des fonctions de l'Autorité, sont effectués par elle ou pour son compte et si le prix de ces biens ou services inclut des impots, taxes ou droits, les Etats Parties prennent, autant que possible, les mesures appropriées pour accorder l'exemption de ces impôts, taxes ou droits ou pour en assurer le remboursement. Les biens importés ou achetés sous le régime d'exemption prévu au présent article ne doivent être ni vendus ni aliénés d'une autre manière sur le territoire de l'Etat Partie qui a accordé l'exemption, à moins que ce ne soit à des conditions convenues avec cet Etat.
3. Les Etats Parties ne percoivent aucun impôt prenant directement ou indirectement pour base les traitements, émoluments et autres sommes versés par l'Autorité au Secrétaire général et aux membres du personnel de l'Autorité, ainsi qu'aux experts qui accomplissent des missions pour l'Autorité, à moins qu'ils ne soient leurs ressortissants.
Onderafdeling H. - Schorsing van de uitoefening van de rechten en voorrechten van leden.
Sous-section H. - Suspension de l'exercice des droits et privilèges des membres.
Art. 184. Schorsing van de uitoefening van het stemrecht.
Een Staat die Partij is die achterstallig is met de betaling van zijn financiële bijdragen aan de Autoriteit heeft geen stemrecht indien het bedrag van zijn achterstalligheid gelijk is aan of groter is dan het bedrag van de door hem verschuldigde bijdragen voor de voorafgaande twee volle jaren. De Vergadering kan niettemin zulk een lid toestaan zijn stem uit te brengen indien te haren genoegen is aangetoond dat het in gebreke blijven te betalen te wijten is aan omstandigheden waarop het lid geen invloed kan uitoefenen.
Een Staat die Partij is die achterstallig is met de betaling van zijn financiële bijdragen aan de Autoriteit heeft geen stemrecht indien het bedrag van zijn achterstalligheid gelijk is aan of groter is dan het bedrag van de door hem verschuldigde bijdragen voor de voorafgaande twee volle jaren. De Vergadering kan niettemin zulk een lid toestaan zijn stem uit te brengen indien te haren genoegen is aangetoond dat het in gebreke blijven te betalen te wijten is aan omstandigheden waarop het lid geen invloed kan uitoefenen.
Art. 184. Suspension du droit de vote.
Un Etat Partie en retard dans le paiement de ses contributions à l'Autorité ne peut participer aux votes si le montant de ses arriérés est égal ou supérieur aux contributions dues par lui pour les deux années complètes écoulées. L'Assemblée peut néanmoins autoriser cet Etat à participer aux votes si elle constate que le manquement est du à des circonstances indépendantes de sa volonté.
Un Etat Partie en retard dans le paiement de ses contributions à l'Autorité ne peut participer aux votes si le montant de ses arriérés est égal ou supérieur aux contributions dues par lui pour les deux années complètes écoulées. L'Assemblée peut néanmoins autoriser cet Etat à participer aux votes si elle constate que le manquement est du à des circonstances indépendantes de sa volonté.
Art. 185. Schorsing van de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap.
1. Een Staat die Partij is en die op ernstige en voortdurende wijze de bepalingen van dit Deel heeft geschonden, kan op aanbeveling van de Raad door de Vergadering worden geschorst in de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap.
2. Er mogen geen maatregelen ingevolge het eerste lid worden genomen tot de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem tot de conclusie is gekomen dat een Staat die Partij is de bepalingen van dit Deel op ernstige en voortdurende wijze heeft geschonden.
1. Een Staat die Partij is en die op ernstige en voortdurende wijze de bepalingen van dit Deel heeft geschonden, kan op aanbeveling van de Raad door de Vergadering worden geschorst in de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap.
2. Er mogen geen maatregelen ingevolge het eerste lid worden genomen tot de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem tot de conclusie is gekomen dat een Staat die Partij is de bepalingen van dit Deel op ernstige en voortdurende wijze heeft geschonden.
Art. 185. Suspension de l'exercice des droits et privilèges inhérents à la qualité de membre.
1. Un Etat Partie qui a enfreint gravement et de façon persistante la présente partie peut, sur recommandation du Conseil, être suspendu de l'exercice des droits et privilèges inhérents à la qualité de membre par l'Assemblée.
2. Aucune décision ne peut être prise en vertu du paragraphe 1 tant que la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins n'a pas constaté que l'Etat Partie en cause a enfreint gravement et de façon persistante la présente partie.
1. Un Etat Partie qui a enfreint gravement et de façon persistante la présente partie peut, sur recommandation du Conseil, être suspendu de l'exercice des droits et privilèges inhérents à la qualité de membre par l'Assemblée.
2. Aucune décision ne peut être prise en vertu du paragraphe 1 tant que la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins n'a pas constaté que l'Etat Partie en cause a enfreint gravement et de façon persistante la présente partie.
Afdeling 5. - Regeling van geschillen en adviezen.
Section 5. - Règlement des différends et avis consultatifs.
Art. 186. Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee.
De instelling van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem en de wijze waarop zij haar rechtsmacht uitoefent, worden geregeld in de bepalingen van deze afdeling, van Deel XV en van Bijlage VI.
De instelling van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem en de wijze waarop zij haar rechtsmacht uitoefent, worden geregeld in de bepalingen van deze afdeling, van Deel XV en van Bijlage VI.
Art. 186. Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins du Tribunal international du droit de la mer.
La présente section, la partie XV et l'annexe VI régissent la constitution de la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins et la manière dont elle exerce sa compétence.
La présente section, la partie XV et l'annexe VI régissent la constitution de la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins et la manière dont elle exerce sa compétence.
Art. 187. Bevoegdheid van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem.
De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem is ingevolge dit Deel en de daarop betrekking hebbende Bijlagen bevoegd in geschillen met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, behorend tot de onderstaande categorieën :
a) geschillen tussen Staten die Partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Deel en de daarop betrekking hebbende Bijlagen;
b) geschillen tussen een Staat die Partij is en de Autoriteit betreffende :
(i) handelen of nalaten door de Autoriteit of door een Staat die Partij is waarvan wordt gesteld dat het een schending vormt van dit Deel of van de daarop betrekking hebbende Bijlagen of van regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, aangenomen in overeenstemming daarmede; of
(ii) handelen door de Autoriteit waarvan wordt gesteld dat het de rechtsbevoegdheid van de Autoriteit overschrijdt of een misbruik van bevoegdheden vormt;
c) geschillen tussen partijen bij een contract, die Staten zijn die Partij zijn, de Autoriteit of de Onderneming, staatsondernemingen en natuurlijke personen of de rechtspersonen, bedoeld in artikel 153, tweede lid, letter b, betreffende :
(i) de uitlegging of toepassing van een desbetreffend contract of werkplan; of
(ii) handelen of nalaten door een partij bij het contract betreffende de werkzaamheden in het Gebied en gericht tegen de andere partij of rechtstreeks zijn wettige belangen aantastend;
d) geschillen tussen de Autoriteit en een toekomstige contractant die door een Staat wordt gesteund zoals bepaald in artikel 153, tweede lid, letter b, en die naar behoren heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in Bijlage III, artikel 4, zesde lid, en artikel 13, tweede lid, betreffende de weigering van een contract of betreffende een juridische kwestie die zich voordoet tijdens de onderhandelingen over het contract;
e) geschillen tussen de Autoriteit en een Staat die Partij is, een staatsonderneming of een natuurlijke persoon of een rechtspersoon gesteund door een Staat die Partij is zoals bepaald in artikel 153, tweede lid, letter b, waarbij wordt gesteld dat de Autoriteit aansprakelijk is zoals bepaald in Bijlage III, artikel 22;
f) alle andere geschillen ten aanzien waarvan de bevoegdheid van de Kamer uitdrukkelijk is bepaald in dit Verdrag.
De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem is ingevolge dit Deel en de daarop betrekking hebbende Bijlagen bevoegd in geschillen met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, behorend tot de onderstaande categorieën :
a) geschillen tussen Staten die Partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Deel en de daarop betrekking hebbende Bijlagen;
b) geschillen tussen een Staat die Partij is en de Autoriteit betreffende :
(i) handelen of nalaten door de Autoriteit of door een Staat die Partij is waarvan wordt gesteld dat het een schending vormt van dit Deel of van de daarop betrekking hebbende Bijlagen of van regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, aangenomen in overeenstemming daarmede; of
(ii) handelen door de Autoriteit waarvan wordt gesteld dat het de rechtsbevoegdheid van de Autoriteit overschrijdt of een misbruik van bevoegdheden vormt;
c) geschillen tussen partijen bij een contract, die Staten zijn die Partij zijn, de Autoriteit of de Onderneming, staatsondernemingen en natuurlijke personen of de rechtspersonen, bedoeld in artikel 153, tweede lid, letter b, betreffende :
(i) de uitlegging of toepassing van een desbetreffend contract of werkplan; of
(ii) handelen of nalaten door een partij bij het contract betreffende de werkzaamheden in het Gebied en gericht tegen de andere partij of rechtstreeks zijn wettige belangen aantastend;
d) geschillen tussen de Autoriteit en een toekomstige contractant die door een Staat wordt gesteund zoals bepaald in artikel 153, tweede lid, letter b, en die naar behoren heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in Bijlage III, artikel 4, zesde lid, en artikel 13, tweede lid, betreffende de weigering van een contract of betreffende een juridische kwestie die zich voordoet tijdens de onderhandelingen over het contract;
e) geschillen tussen de Autoriteit en een Staat die Partij is, een staatsonderneming of een natuurlijke persoon of een rechtspersoon gesteund door een Staat die Partij is zoals bepaald in artikel 153, tweede lid, letter b, waarbij wordt gesteld dat de Autoriteit aansprakelijk is zoals bepaald in Bijlage III, artikel 22;
f) alle andere geschillen ten aanzien waarvan de bevoegdheid van de Kamer uitdrukkelijk is bepaald in dit Verdrag.
Art. 187. Compétence de la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins.
La Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins a compétence, en vertu de la présente partie et des annexes qui s'y rapportent, pour connaître des catégories suivantes des différends portant sur des activités menées dans la Zone :
a) différends entre Etats Parties relatifs à l'interprétation ou à l'application de la présente partie et des annexes qui s'y rapportent;
b) différends entre un Etat Partie et l'Autorité relatifs à :
(i) des actes ou omissions de l'Autorité ou d'un Etat Partie dont il est allégué qu'ils contreviennent aux dispositions de la présente partie ou des annexes qui s'y rapportent ou à des règles, règlements ou procédures adoptés par l'Autorité conformément à ces dispositions; ou
(ii) des actes de l'Autorité dont il est allégué qu'ils excèdent sa compétence ou constituent un détournement de pouvoir;
c) différends entre parties à un contrat, qu'il s'agisse d'Etats Parties, de l'Autorité ou de l'Entreprise, ou d'entreprises d'Etat ou de personnes physiques ou morales visées à l'article 153, paragraphe 2, lettre b), relatifs à :
(i) l'interprétation ou l'exécution d'un contrat ou d'un plan de travail; ou
(ii) des actes ou omissions d'une partie au contrat concernant des activités menées dans la Zone et affectant l'autre partie ou portant directement atteinte à ses intérêts légitimes;
d) différends entre l'Autorité et un demandeur qui est patronné par un Etat conformément à l'article 153, paragraphe 2, lettre b), et qui a satisfait aux conditions stipulées à l'article 4, paragraphe 6, et à l'article 13, paragraphe 2, de l'annexe III, relatifs à un refus de contracter ou à une question juridique surgissant lors de la négociation du contrat;
e) différends entre l'Autorité et un Etat Partie, une entreprise d'Etat ou une personne physique ou morale patronnée par un Etat Partie conformément à l'article 153, paragraphe 2, lettre b), lorsqu'il est allégué que la responsabilité de l'Autorité est engagée en vertu de l'article 22 de l'annexe III;
f) tout autre différend pour lequel la compétence de la Chambre est expréssement prévue par la Convention.
La Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins a compétence, en vertu de la présente partie et des annexes qui s'y rapportent, pour connaître des catégories suivantes des différends portant sur des activités menées dans la Zone :
a) différends entre Etats Parties relatifs à l'interprétation ou à l'application de la présente partie et des annexes qui s'y rapportent;
b) différends entre un Etat Partie et l'Autorité relatifs à :
(i) des actes ou omissions de l'Autorité ou d'un Etat Partie dont il est allégué qu'ils contreviennent aux dispositions de la présente partie ou des annexes qui s'y rapportent ou à des règles, règlements ou procédures adoptés par l'Autorité conformément à ces dispositions; ou
(ii) des actes de l'Autorité dont il est allégué qu'ils excèdent sa compétence ou constituent un détournement de pouvoir;
c) différends entre parties à un contrat, qu'il s'agisse d'Etats Parties, de l'Autorité ou de l'Entreprise, ou d'entreprises d'Etat ou de personnes physiques ou morales visées à l'article 153, paragraphe 2, lettre b), relatifs à :
(i) l'interprétation ou l'exécution d'un contrat ou d'un plan de travail; ou
(ii) des actes ou omissions d'une partie au contrat concernant des activités menées dans la Zone et affectant l'autre partie ou portant directement atteinte à ses intérêts légitimes;
d) différends entre l'Autorité et un demandeur qui est patronné par un Etat conformément à l'article 153, paragraphe 2, lettre b), et qui a satisfait aux conditions stipulées à l'article 4, paragraphe 6, et à l'article 13, paragraphe 2, de l'annexe III, relatifs à un refus de contracter ou à une question juridique surgissant lors de la négociation du contrat;
e) différends entre l'Autorité et un Etat Partie, une entreprise d'Etat ou une personne physique ou morale patronnée par un Etat Partie conformément à l'article 153, paragraphe 2, lettre b), lorsqu'il est allégué que la responsabilité de l'Autorité est engagée en vertu de l'article 22 de l'annexe III;
f) tout autre différend pour lequel la compétence de la Chambre est expréssement prévue par la Convention.
Art. 188. Voorlegging van geschillen aan een speciale kamer van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee of een kamer ad hoc van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem of aan bindende arbitrage in handelszaken.
1. Geschillen tussen Staten die Partij zijn, bedoeld in artikel 187, letter a, kunnen worden voorgelegd :
a) op verzoek van de partijen bij het geschil aan een speciale kamer van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, te vormen overeenkomstig Bijlage VI, de artikelen 15 en 17; of
b) op verzoek van een partij bij het geschil aan een kamer ad hoc van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, te vormen overeenkomstig Bijlage VI, artikel 36.
2. a) Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van een contract, bedoeld in artikel 187, letter c, onder (i), worden, op verzoek van een partij bij het geschil, voorgelegd aan bindende arbitrage in handelszaken, tenzij de partijen anders overeenkomen. Een scheidsgerecht in handelszaken waaraan het geschil wordt voorgelegd, heeft geen bevoegdheid te beslissen in aangelegenheden betreffende de uitlegging van dit Verdrag. Wanneer het geschil ook een kwestie inzake de uitlegging van Deel XI en de daarop betrekking hebbende Bijlage omvat, met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, wordt die kwestie voorgelegd aan de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem voor het doen van een uitspraak.
b) Indien bij de aanvang of in de loop van zulk een scheidsrechterlijke procedure het scheidsgerecht bepaalt, op verzoek van een partij bij het geschil dan wel eigener beweging, dat zijn beslissing afhankelijk is van een uitspraak van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, legt het scheidsgerecht deze kwestie voor aan de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem voor een uitspraak. Het scheidsgerecht spreekt daarna zijn vonnis uit overeenkomstig de uitspraak van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem.
c) Indien er in het contract geen bepaling is opgenomen betreffende de bij het geschil toe te passen scheidsrechterlijke procedure, geschiedt de arbitrage overeenkomstig de UNCITRAL-Regels inzake arbitrage of volgens andere arbitrageregels die in de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit kunnen zijn voorgeschreven, tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen.
1. Geschillen tussen Staten die Partij zijn, bedoeld in artikel 187, letter a, kunnen worden voorgelegd :
a) op verzoek van de partijen bij het geschil aan een speciale kamer van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, te vormen overeenkomstig Bijlage VI, de artikelen 15 en 17; of
b) op verzoek van een partij bij het geschil aan een kamer ad hoc van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, te vormen overeenkomstig Bijlage VI, artikel 36.
2. a) Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van een contract, bedoeld in artikel 187, letter c, onder (i), worden, op verzoek van een partij bij het geschil, voorgelegd aan bindende arbitrage in handelszaken, tenzij de partijen anders overeenkomen. Een scheidsgerecht in handelszaken waaraan het geschil wordt voorgelegd, heeft geen bevoegdheid te beslissen in aangelegenheden betreffende de uitlegging van dit Verdrag. Wanneer het geschil ook een kwestie inzake de uitlegging van Deel XI en de daarop betrekking hebbende Bijlage omvat, met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, wordt die kwestie voorgelegd aan de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem voor het doen van een uitspraak.
b) Indien bij de aanvang of in de loop van zulk een scheidsrechterlijke procedure het scheidsgerecht bepaalt, op verzoek van een partij bij het geschil dan wel eigener beweging, dat zijn beslissing afhankelijk is van een uitspraak van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, legt het scheidsgerecht deze kwestie voor aan de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem voor een uitspraak. Het scheidsgerecht spreekt daarna zijn vonnis uit overeenkomstig de uitspraak van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem.
c) Indien er in het contract geen bepaling is opgenomen betreffende de bij het geschil toe te passen scheidsrechterlijke procedure, geschiedt de arbitrage overeenkomstig de UNCITRAL-Regels inzake arbitrage of volgens andere arbitrageregels die in de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit kunnen zijn voorgeschreven, tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen.
Art. 188. Soumission des différends à une chambre speciale du Tribunal international du droit de la mer ou à une chambre ad hoc de la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins ou à un arbitrage commercial obligatoire.
1. Les différends entre Etats Parties visés à l'article 187, lettre a), peuvent être soumis :
a) à une chambre spéciale du Tribunal international du droit de la mer constituée conformément aux articles 15 et 17 de l'annexe VI, à la demande des parties au différend; ou
b) à une chambre ad hoc de la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins constituée conformément à l'article 36 de l'annexe VI, à la demande de toute partie au différend.
2. a) Les différends relatifs à l'interprétation ou à l'application d'un contrat visés à l'article 187, lettre c), (i), sont soumis, à la demande de toute partie au différend, à un arbitrage commercial obligatoire, à moins que les parties au différend n'en conviennent autrement. Le tribunal arbitral commercial saisi d'un tel différend n'a pas compétence pour se prononcer sur un point d'interprétation de la Convention. Si le différend comporte un point d'interprétation de la partie XI et des annexes qui s'y rapportent au sujet des activités menées dans la Zone, ce point est renvoyé pour décision à la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins.
b) Si, au début ou au cours d'une telle procédure d'arbitrage, le tribunal arbitral commercial, agissant à la demande de l'une des parties au différend ou d'office, constate que sa décision est subordonnée à une décision de la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins, il renvoi ce point à la Chambre pour décision. Le tribunal arbitral rend ensuite sa sentence conformément à la décision de la Chambre.
c) En l'absence, dans le contrat, d'une disposition sur la procédure arbitrale applicable au différend, l'arbitrage se déroule, à moins que les parties n'en conviennent autrement, conformément au Règlement d'arbitrage de la CNUDCI ou à tout autre règlement d'arbitrage qui pourrait être prévu dans les règles, règlements et procédures de l'Autorité.
1. Les différends entre Etats Parties visés à l'article 187, lettre a), peuvent être soumis :
a) à une chambre spéciale du Tribunal international du droit de la mer constituée conformément aux articles 15 et 17 de l'annexe VI, à la demande des parties au différend; ou
b) à une chambre ad hoc de la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins constituée conformément à l'article 36 de l'annexe VI, à la demande de toute partie au différend.
2. a) Les différends relatifs à l'interprétation ou à l'application d'un contrat visés à l'article 187, lettre c), (i), sont soumis, à la demande de toute partie au différend, à un arbitrage commercial obligatoire, à moins que les parties au différend n'en conviennent autrement. Le tribunal arbitral commercial saisi d'un tel différend n'a pas compétence pour se prononcer sur un point d'interprétation de la Convention. Si le différend comporte un point d'interprétation de la partie XI et des annexes qui s'y rapportent au sujet des activités menées dans la Zone, ce point est renvoyé pour décision à la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins.
b) Si, au début ou au cours d'une telle procédure d'arbitrage, le tribunal arbitral commercial, agissant à la demande de l'une des parties au différend ou d'office, constate que sa décision est subordonnée à une décision de la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins, il renvoi ce point à la Chambre pour décision. Le tribunal arbitral rend ensuite sa sentence conformément à la décision de la Chambre.
c) En l'absence, dans le contrat, d'une disposition sur la procédure arbitrale applicable au différend, l'arbitrage se déroule, à moins que les parties n'en conviennent autrement, conformément au Règlement d'arbitrage de la CNUDCI ou à tout autre règlement d'arbitrage qui pourrait être prévu dans les règles, règlements et procédures de l'Autorité.
Art. 189. Beperking van de bevoegdheid met betrekking tot besluiten van de Autoriteit.
De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem heeft geen bevoegdheid met betrekking tot de uitoefening door de Autoriteit van haar discretionaire bevoegdheden overeenkomstig dit Deel; in geen geval mag zij haar eigen vrijheid van handelen in de plaats stellen van die van de Autoriteit. Onverminderd artikel 191 mag de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem bij de uitoefening van haar bevoegdheid ingevolge artikel 187, zich niet uitspreken over de vraag of enigerlei regel, voorschrift of procedure van de Autoriteit in overeenstemming is met dit Verdrag en evenmin zodanige regels, voorschriften of procedures ongeldig verklaren. Haar bevoegdheid in dit opzicht is beperkt tot de vaststelling of de toepassing van enigerlei regel, voorschrift of procedure van de Autoriteit in afzonderlijke gevallen in strijd zou zijn met de contractuele verplichtingen van de partijen bij het geschil of hun verplichtingen krachtens dit Verdrag, tot de erkenning van verhaal wegens onbevoegdheid of misbruik van bevoegdheid alsmede tot vorderingen betreffende de betaling van schadevergoeding of tot andere rechtsmiddelen, aangewend door een der partijen jegens de andere partij voor het niet nakomen door die partij van haar contractuele verplichtingen of haar verplichtingen krachtens dit Verdrag.
De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem heeft geen bevoegdheid met betrekking tot de uitoefening door de Autoriteit van haar discretionaire bevoegdheden overeenkomstig dit Deel; in geen geval mag zij haar eigen vrijheid van handelen in de plaats stellen van die van de Autoriteit. Onverminderd artikel 191 mag de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem bij de uitoefening van haar bevoegdheid ingevolge artikel 187, zich niet uitspreken over de vraag of enigerlei regel, voorschrift of procedure van de Autoriteit in overeenstemming is met dit Verdrag en evenmin zodanige regels, voorschriften of procedures ongeldig verklaren. Haar bevoegdheid in dit opzicht is beperkt tot de vaststelling of de toepassing van enigerlei regel, voorschrift of procedure van de Autoriteit in afzonderlijke gevallen in strijd zou zijn met de contractuele verplichtingen van de partijen bij het geschil of hun verplichtingen krachtens dit Verdrag, tot de erkenning van verhaal wegens onbevoegdheid of misbruik van bevoegdheid alsmede tot vorderingen betreffende de betaling van schadevergoeding of tot andere rechtsmiddelen, aangewend door een der partijen jegens de andere partij voor het niet nakomen door die partij van haar contractuele verplichtingen of haar verplichtingen krachtens dit Verdrag.
Art. 189. Limitation de compétence en ce qui concerne les décisions de l'Autorité.
La Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins n'a pas compétence pour se prononcer sur l'exercice par l'Autorité, conformément à la présente partie, de ses pouvoirs discrétionnaires; elle ne peut en aucun cas se substituer à l'Autorité dans l'exercice des pouvoirs discrétionnaires de celle-ci. Sans préjudice de l'article 191, lorsqu'elle exerce la compétence qui lui est reconnue en vertu de l'article 187, la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins ne se prononce pas sur la question de savoir si une règle, un règlement ou une procédure de l'Autorité est conforme à la Convention et ne peut déclarer nul cette règle, ce règlement ou cette procédure. Sa compétence se limite à établir si l'application de règles, règlements ou procédures de l'Autorité dans des cas particuliers serait en conflit avec les obligations contractuelles des parties au différend ou les obligations qui leur incombent en vertu de la Convention et à connaître des recours pour incompétence ou détournement de pouvoir, ainsi que des demandes de dommages-intérets et autres demandes de réparation introduites par l'une des parties contre l'autre pour manquement de celle-ci à ses obligations contractuelles ou aux obligations qui lui incombent en vertu de la Convention.
La Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins n'a pas compétence pour se prononcer sur l'exercice par l'Autorité, conformément à la présente partie, de ses pouvoirs discrétionnaires; elle ne peut en aucun cas se substituer à l'Autorité dans l'exercice des pouvoirs discrétionnaires de celle-ci. Sans préjudice de l'article 191, lorsqu'elle exerce la compétence qui lui est reconnue en vertu de l'article 187, la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins ne se prononce pas sur la question de savoir si une règle, un règlement ou une procédure de l'Autorité est conforme à la Convention et ne peut déclarer nul cette règle, ce règlement ou cette procédure. Sa compétence se limite à établir si l'application de règles, règlements ou procédures de l'Autorité dans des cas particuliers serait en conflit avec les obligations contractuelles des parties au différend ou les obligations qui leur incombent en vertu de la Convention et à connaître des recours pour incompétence ou détournement de pouvoir, ainsi que des demandes de dommages-intérets et autres demandes de réparation introduites par l'une des parties contre l'autre pour manquement de celle-ci à ses obligations contractuelles ou aux obligations qui lui incombent en vertu de la Convention.
Art. 190. Deelneming aan procedures en verschijning daarin van Staten die Partij zijn en steun verlenen.
1. Indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon partij is bij een geschil, bedoeld in artikel 187, wordt de steunverlenende Staat daarvan in kennis gesteld en heeft deze het recht aan de procedure deel te nemen door middel van schriftelijke of mondelinge verklaringen.
2. Indien tegen een Staat die Partij is een procedure aanhangig wordt gemaakt door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die wordt gesteund door een andere Staat die Partij is, in een geschil zoals bedoeld in artikel 187, letter c, kan de zich verwerende Staat de Staat die deze persoon steunt verleent verzoeken, namens die persoon in de procedure te verschijnen. Bij niet verschijnen kan de zich verwerende Staat zich doen vertegenwoordigen door een rechtspersoon die zijn nationaliteit bezit.
1. Indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon partij is bij een geschil, bedoeld in artikel 187, wordt de steunverlenende Staat daarvan in kennis gesteld en heeft deze het recht aan de procedure deel te nemen door middel van schriftelijke of mondelinge verklaringen.
2. Indien tegen een Staat die Partij is een procedure aanhangig wordt gemaakt door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die wordt gesteund door een andere Staat die Partij is, in een geschil zoals bedoeld in artikel 187, letter c, kan de zich verwerende Staat de Staat die deze persoon steunt verleent verzoeken, namens die persoon in de procedure te verschijnen. Bij niet verschijnen kan de zich verwerende Staat zich doen vertegenwoordigen door een rechtspersoon die zijn nationaliteit bezit.
Art. 190. Participation à la procédure et comparution des Etats Parties ayant accordé leur patronage.
1. L'Etat Partie qui patronne une personne physique ou morale partie à un différend visé à l'article 187 reçoit notification du différend et a le droit de participer à la procédure en présentant des observations écrites ou orales.
2. Lorsqu'une action est intentée contre un Etat Partie par une personne physique ou morale patronnée par un autre Etat Partie pour un differend visé à l'article 187, lettre c), l'Etat défendeur peut demander à l'Etat qui patronne cette personne de comparaître au nom de celle-ci. A défaut de comparaître, l'Etat défendeur peut se faire représenter par une personne morale possédant sa nationalité.
1. L'Etat Partie qui patronne une personne physique ou morale partie à un différend visé à l'article 187 reçoit notification du différend et a le droit de participer à la procédure en présentant des observations écrites ou orales.
2. Lorsqu'une action est intentée contre un Etat Partie par une personne physique ou morale patronnée par un autre Etat Partie pour un differend visé à l'article 187, lettre c), l'Etat défendeur peut demander à l'Etat qui patronne cette personne de comparaître au nom de celle-ci. A défaut de comparaître, l'Etat défendeur peut se faire représenter par une personne morale possédant sa nationalité.
Art. 191. Uitbrengen van adviezen.
De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem brengt adviezen uit op verzoek van de Vergadering of de Raad inzake juridische vraagstukken die zich voordoen binnen het kader van hun activiteiten. Zulke adviezen worden met voorrang uitgebracht.
De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem brengt adviezen uit op verzoek van de Vergadering of de Raad inzake juridische vraagstukken die zich voordoen binnen het kader van hun activiteiten. Zulke adviezen worden met voorrang uitgebracht.
Art. 191. Avis consultatifs.
La Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins donne des avis consultatifs, à la demande de l'Assemblée ou du Conseil, sur les questions juridiques qui se posent dans le cadre de leur activité. Ces avis sont donnés dans les plus brefs délais.
La Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins donne des avis consultatifs, à la demande de l'Assemblée ou du Conseil, sur les questions juridiques qui se posent dans le cadre de leur activité. Ces avis sont donnés dans les plus brefs délais.
DEEL XII. - Bescherming en behoud van het mariene milieu.
PARTIE XII. - Protection et préservation du milieu marin.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art. 192. Algemene verplichting.
De Staten zijn verplicht het mariene milieu te beschermen en te behouden.
De Staten zijn verplicht het mariene milieu te beschermen en te behouden.
Art. 192. Obligation d'ordre général.
Les Etats ont l'obligation de proteger et de préserver le milieu marin.
Les Etats ont l'obligation de proteger et de préserver le milieu marin.
Art. 193. Soeverein recht van Staten hun natuurlijke rijkdommen te exploiteren.
De Staten hebben het soevereine recht hun natuurlijke rijkdommen te exploiteren overeenkomstig hun milieubeleid en in overeenstemming met hun plicht het mariene milieu te beschermen en te behouden.
De Staten hebben het soevereine recht hun natuurlijke rijkdommen te exploiteren overeenkomstig hun milieubeleid en in overeenstemming met hun plicht het mariene milieu te beschermen en te behouden.
Art. 193. Droit souverain des Etats d'exploiter leurs ressources naturelles.
Les Etats ont le droit souverain d'exploiter leurs ressources naturelles selon leur politique en matière d'environnement et conformément à leur obligation de protéger et de préserver le milieu marin.
Les Etats ont le droit souverain d'exploiter leurs ressources naturelles selon leur politique en matière d'environnement et conformément à leur obligation de protéger et de préserver le milieu marin.
Art. 194. Maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.
1. De Staten dienen, afzonderlijk of gezamenlijk, naar gelang passend, alle met dit Verdrag verenigbare maatregelen te nemen die nodig zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu uit welke bron dan ook, hiertoe de bruikbaarste middelen te gebruiken waarover zij beschikken, en wel overeenkomstig hun vermogen, en trachten hun beleid in dit verband te harmoniseren.
2. De Staten nemen alle noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat onder hun rechtsmacht of toezicht staande werkzaamheden zo worden verricht, dat deze geen schade door verontreiniging toebrengen aan andere Staten en het milieu daarvan en dat verontreiniging, voortvloeiend uit voorvallen of werkzaamheden onder hun rechtsmacht of toezicht zich niet verder verspreidt dan de gebieden waarover zij soevereine rechten uitoefenen overeenkomstig dit Verdrag.
3. De krachtens dit Deel genomen maatregelen dienen alle bronnen van verontreiniging van het mariene milieu te betreffen. Deze maatregelen omvatten onder andere alle maatregelen die erop zijn gericht de volgende vormen van verontreiniging zoveel mogelijk te beperken :
a) het vrijkomen van toxische, schadelijke en gevaarlijke stoffen, vooral die welke persistent zijn, uit bronnen op het land, uit of via de atmosfeer of door storting;
b) verontreiniging door schepen, inzonderheid maatregelen ter voorkoming van ongevallen en voor hulpverlening in noodsituaties, ter verzekering van de veiligheid van werkzaamheden op zee, ter voorkoming van opzettelijke en onopzettelijke lozingen, en ter regeling van het ontwerp, de constructie, uitrusting, werkzaamheden en bemanning van schepen;
c) verontreiniging door installaties en werktuigen gebruikt bij de exploratie of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de zeebodem en ondergrond, inzonderheid maatregelen ter voorkoming van ongevallen en voor hulpverlening in noodsituaties, ter verzekering van de veiligheid van werkzaamheden op zee en ter regeling van het ontwerp, de constructie, uitrusting, werkzaamheden en bemanning van zulke installaties of werktuigen;
d) verontreiniging door andere installaties en werktuigen die in het mariene milieu werkzaam zijn, inzonderheid maatregelen ter voorkoming van ongevallen en voor hulpverlening in noodsituaties, ter verzekering van de veiligheid van werkzaamheden op zee en ter regeling van het ontwerp, de constructie, uitrusting, werkzaamheden en bemanning van zulke installaties of werktuigen.
4. Bij het nemen van maatregelen ter voorkoming, vermindering of bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, onthouden de Staten zich van ongerechtvaardigde inmenging in de werkzaamheden, verricht door andere Staten bij de uitoefening van hun rechten en nakoming van hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag.
5. De overeenkomstig dit Deel genomen maatregelen omvatten die welke nodig zijn tot bescherming en behoud van zeldzame of kwetsbare ecosystemen, alsook het woongebied van sterk achteruitgaande, bedreigde of uitstervende soorten en andere marine levensvormen.
1. De Staten dienen, afzonderlijk of gezamenlijk, naar gelang passend, alle met dit Verdrag verenigbare maatregelen te nemen die nodig zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu uit welke bron dan ook, hiertoe de bruikbaarste middelen te gebruiken waarover zij beschikken, en wel overeenkomstig hun vermogen, en trachten hun beleid in dit verband te harmoniseren.
2. De Staten nemen alle noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat onder hun rechtsmacht of toezicht staande werkzaamheden zo worden verricht, dat deze geen schade door verontreiniging toebrengen aan andere Staten en het milieu daarvan en dat verontreiniging, voortvloeiend uit voorvallen of werkzaamheden onder hun rechtsmacht of toezicht zich niet verder verspreidt dan de gebieden waarover zij soevereine rechten uitoefenen overeenkomstig dit Verdrag.
3. De krachtens dit Deel genomen maatregelen dienen alle bronnen van verontreiniging van het mariene milieu te betreffen. Deze maatregelen omvatten onder andere alle maatregelen die erop zijn gericht de volgende vormen van verontreiniging zoveel mogelijk te beperken :
a) het vrijkomen van toxische, schadelijke en gevaarlijke stoffen, vooral die welke persistent zijn, uit bronnen op het land, uit of via de atmosfeer of door storting;
b) verontreiniging door schepen, inzonderheid maatregelen ter voorkoming van ongevallen en voor hulpverlening in noodsituaties, ter verzekering van de veiligheid van werkzaamheden op zee, ter voorkoming van opzettelijke en onopzettelijke lozingen, en ter regeling van het ontwerp, de constructie, uitrusting, werkzaamheden en bemanning van schepen;
c) verontreiniging door installaties en werktuigen gebruikt bij de exploratie of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de zeebodem en ondergrond, inzonderheid maatregelen ter voorkoming van ongevallen en voor hulpverlening in noodsituaties, ter verzekering van de veiligheid van werkzaamheden op zee en ter regeling van het ontwerp, de constructie, uitrusting, werkzaamheden en bemanning van zulke installaties of werktuigen;
d) verontreiniging door andere installaties en werktuigen die in het mariene milieu werkzaam zijn, inzonderheid maatregelen ter voorkoming van ongevallen en voor hulpverlening in noodsituaties, ter verzekering van de veiligheid van werkzaamheden op zee en ter regeling van het ontwerp, de constructie, uitrusting, werkzaamheden en bemanning van zulke installaties of werktuigen.
4. Bij het nemen van maatregelen ter voorkoming, vermindering of bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, onthouden de Staten zich van ongerechtvaardigde inmenging in de werkzaamheden, verricht door andere Staten bij de uitoefening van hun rechten en nakoming van hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag.
5. De overeenkomstig dit Deel genomen maatregelen omvatten die welke nodig zijn tot bescherming en behoud van zeldzame of kwetsbare ecosystemen, alsook het woongebied van sterk achteruitgaande, bedreigde of uitstervende soorten en andere marine levensvormen.
Art. 194. Mesures visant à prévenir, reduire et maîtriser la pollution du milieu marin.
1. Les Etats prennent, séparément ou conjointement selon qu'il convient, toutes les mesures compatibles avec la Convention qui sont nécessaires pour prévenir, reduire et maîtriser la pollution du milieu marin, quelle qu'en soit la source; ils mettent en oeuvre à cette fin les moyens les mieux adaptés dont ils disposent, en fonction de leurs capacités, et ils s'efforcent d'harmoniser leurs politiques à cet égard.
2. Les Etats prennent toutes les mesures nécessaires pour que les activités relevant de leur juridiction ou de leur contrôle le soient de manière à ne pas causer de préjudice par pollution à d'autres Etats et à leur environnement et pour que la pollution résultant d'incidents ou d'activités relevant de leur juridiction ou de leur contrôle ne s'étende pas au-delà des zones où ils exercent des droits souverains conformément à la Convention.
3. Les mesures prises en application de la présente partie doivent viser toutes les sources de pollution du milieu marin. Elles comprennent notamment les mesures tendant à limiter autant que possible :
a) l'évacuation de substances toxiques, nuisibles ou nocives, en particulier de substances non dégradables, à partir de sources telluriques, depuis ou à travers l'atmosphère ou par immersion;
b) la pollution par les navires, en particulier les mesures visant à prévenir les accidents et a faire face aux cas d'urgence, à assurer la sécurité des opérations en mer, à prévenir les rejets, qu'ils soient intentionnels ou non, et à réglementer la conception, la construction, l'armement et l'exploitation des navires;
c) la pollution provenant des installations ou engins utilisés pour l'exploration ou l'exploitation des ressources naturelles des fonds marins et de leur sous-sol, en particulier les mesures visant à prévenir les accidents et a faire face aux cas d'urgence, à assurer la sécurité des opérations en mer et à réglementer la conception, la construction, l'equipement, l'exploitation de ces installations ou engins et la composition du personnel qui y est affecté;
d) la pollution provenant des autres installations ou engins qui fonctionnent dans le milieu marin, en particulier les mesures visant à prévenir les accidents et à faire face aux cas d'urgence, à assurer la sécurité des opérations en mer et à réglementer la conception, la construction, l'équipement, l'exploitation de ces installations ou engins et la composition du personnel qui y est affecté.
4. Lorsqu'ils prennent des mesures pour prévenir, réduire ou maîtriser la pollution du milieu marin, les Etats s'abstiennent de toute ingérence injustifiable dans les activités menées par d'autres Etats qui exercent leurs droits ou s'acquittent de leurs obligations conformément à la Convention.
5. Les mesures prises conformément à la présente partie comprennent les mesures nécessaires pour protéger et préserver les écosystemes rares ou délicats ainsi que l'habitat des espèces et autres organismes marins en régression, menacés ou en voie d'extinction.
1. Les Etats prennent, séparément ou conjointement selon qu'il convient, toutes les mesures compatibles avec la Convention qui sont nécessaires pour prévenir, reduire et maîtriser la pollution du milieu marin, quelle qu'en soit la source; ils mettent en oeuvre à cette fin les moyens les mieux adaptés dont ils disposent, en fonction de leurs capacités, et ils s'efforcent d'harmoniser leurs politiques à cet égard.
2. Les Etats prennent toutes les mesures nécessaires pour que les activités relevant de leur juridiction ou de leur contrôle le soient de manière à ne pas causer de préjudice par pollution à d'autres Etats et à leur environnement et pour que la pollution résultant d'incidents ou d'activités relevant de leur juridiction ou de leur contrôle ne s'étende pas au-delà des zones où ils exercent des droits souverains conformément à la Convention.
3. Les mesures prises en application de la présente partie doivent viser toutes les sources de pollution du milieu marin. Elles comprennent notamment les mesures tendant à limiter autant que possible :
a) l'évacuation de substances toxiques, nuisibles ou nocives, en particulier de substances non dégradables, à partir de sources telluriques, depuis ou à travers l'atmosphère ou par immersion;
b) la pollution par les navires, en particulier les mesures visant à prévenir les accidents et a faire face aux cas d'urgence, à assurer la sécurité des opérations en mer, à prévenir les rejets, qu'ils soient intentionnels ou non, et à réglementer la conception, la construction, l'armement et l'exploitation des navires;
c) la pollution provenant des installations ou engins utilisés pour l'exploration ou l'exploitation des ressources naturelles des fonds marins et de leur sous-sol, en particulier les mesures visant à prévenir les accidents et a faire face aux cas d'urgence, à assurer la sécurité des opérations en mer et à réglementer la conception, la construction, l'equipement, l'exploitation de ces installations ou engins et la composition du personnel qui y est affecté;
d) la pollution provenant des autres installations ou engins qui fonctionnent dans le milieu marin, en particulier les mesures visant à prévenir les accidents et à faire face aux cas d'urgence, à assurer la sécurité des opérations en mer et à réglementer la conception, la construction, l'équipement, l'exploitation de ces installations ou engins et la composition du personnel qui y est affecté.
4. Lorsqu'ils prennent des mesures pour prévenir, réduire ou maîtriser la pollution du milieu marin, les Etats s'abstiennent de toute ingérence injustifiable dans les activités menées par d'autres Etats qui exercent leurs droits ou s'acquittent de leurs obligations conformément à la Convention.
5. Les mesures prises conformément à la présente partie comprennent les mesures nécessaires pour protéger et préserver les écosystemes rares ou délicats ainsi que l'habitat des espèces et autres organismes marins en régression, menacés ou en voie d'extinction.
Art. 195. Verplichting schade of risico's niet over te brengen of de ene soort verontreiniging om te zetten in een andere.
Bij het nemen van maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, handelen de Staten op zulk een wijze dat daardoor niet, direct of indirect, schade of risico's worden overgebracht van het ene gebied naar het andere of de ene soort verontreiniging wordt omgezet in de andere.
Bij het nemen van maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, handelen de Staten op zulk een wijze dat daardoor niet, direct of indirect, schade of risico's worden overgebracht van het ene gebied naar het andere of de ene soort verontreiniging wordt omgezet in de andere.
Art. 195. Obligation de ne pas déplacer le préjudice ou les risques et de ne pas remplacer un type de pollution par un autre.
Lorsqu'ils prennent des mesures pour prévenir, reduire et maîtriser la pollution du milieu marin, les Etats agissent de manière à ne pas déplacer, directement ou indirectement, le préjudice ou les risques d'une zone dans une autre et à ne pas remplacer un type de pollution par un autre.
Lorsqu'ils prennent des mesures pour prévenir, reduire et maîtriser la pollution du milieu marin, les Etats agissent de manière à ne pas déplacer, directement ou indirectement, le préjudice ou les risques d'une zone dans une autre et à ne pas remplacer un type de pollution par un autre.
Art. 196. Gebruik van technologieën of introductie van uitheemse of nieuwe soorten.
1. De Staten nemen alle nodige maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit het gebruik van onder hun rechtsmacht of toezicht staande technologieën, of de opzettelijke of toevallige introductie van uitheemse of nieuwe soorten in een bepaald deel van het mariene milieu, die daarin aanmerkelijke en schadelijke veranderingen kan teweegbrengen.
2. Dit artikel laat onverlet de toepassing van dit Verdrag ten aanzien van de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.
1. De Staten nemen alle nodige maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit het gebruik van onder hun rechtsmacht of toezicht staande technologieën, of de opzettelijke of toevallige introductie van uitheemse of nieuwe soorten in een bepaald deel van het mariene milieu, die daarin aanmerkelijke en schadelijke veranderingen kan teweegbrengen.
2. Dit artikel laat onverlet de toepassing van dit Verdrag ten aanzien van de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.
Art. 196. Utilisation de techniques ou introduction d'espèces étrangères ou nouvelles.
1. Les Etats prennent toutes les mesures nécessaires pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin résultant de l'utilisation de techniques dans le cadre de leur juridiction ou sous leur contrôle, ou l'introduction intentionnelle ou accidentelle en une partie du milieu marin d'espèces étrangères ou nouvelles pouvant y provoquer des changements considérables et nuisibles.
2. Le présent article n'affecte pas l'application des dispositions de la Convention relative aux mesures visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin.
1. Les Etats prennent toutes les mesures nécessaires pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin résultant de l'utilisation de techniques dans le cadre de leur juridiction ou sous leur contrôle, ou l'introduction intentionnelle ou accidentelle en une partie du milieu marin d'espèces étrangères ou nouvelles pouvant y provoquer des changements considérables et nuisibles.
2. Le présent article n'affecte pas l'application des dispositions de la Convention relative aux mesures visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin.
Afdeling 2. - Mondiale en regionale samenwerking.
Section 2. - Coopération mondiale et régionale.
Art. 197. Samenwerking op mondiale of regionale grondslag.
De Staten werken samen op mondiale grondslag en, naar gelang passend, op regionale grondslag, rechtstreeks dan wel via bevoegde internationale organisaties, bij de formulering en uitwerking van internationale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures die verenigbaar zijn met dit Verdrag, voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu, daarbij rekening houdend met regionale bijzonderheden.
De Staten werken samen op mondiale grondslag en, naar gelang passend, op regionale grondslag, rechtstreeks dan wel via bevoegde internationale organisaties, bij de formulering en uitwerking van internationale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures die verenigbaar zijn met dit Verdrag, voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu, daarbij rekening houdend met regionale bijzonderheden.
Art. 197. Coopération au plan mondial ou régional.
Les Etats coopèrent au plan mondial et, le cas échéant, au plan régional, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, à la formulation et à l'élaboration de règles et de normes, ainsi que de pratiques et procédures recommandées de caractère international compatibles avec la Convention, pour protéger et préserver le milieu marin, compte tenu des particularités régionales.
Les Etats coopèrent au plan mondial et, le cas échéant, au plan régional, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, à la formulation et à l'élaboration de règles et de normes, ainsi que de pratiques et procédures recommandées de caractère international compatibles avec la Convention, pour protéger et préserver le milieu marin, compte tenu des particularités régionales.
Art. 198. Kennisgeving van onmiddellijk dreigende of feitelijke schade.
Wanneer een Staat verneemt van gevallen waarin het mariene milieu in onmiddellijk dreigend gevaar verkeert schade op te lopen of schade heeft opgelopen door verontreiniging, stelt hij onmiddellijk andere Staten in kennis die naar zijn oordeel naar alle waarschijnlijkheid door zulke schade zullen worden getroffen, alsook de bevoegde internationale organisaties.
Wanneer een Staat verneemt van gevallen waarin het mariene milieu in onmiddellijk dreigend gevaar verkeert schade op te lopen of schade heeft opgelopen door verontreiniging, stelt hij onmiddellijk andere Staten in kennis die naar zijn oordeel naar alle waarschijnlijkheid door zulke schade zullen worden getroffen, alsook de bevoegde internationale organisaties.
Art. 198. Notification d'un risque imminent de dommage ou d'un dommage effectif.
Tout Etat qui a connaissance de cas où le milieu marin est en danger imminent de subir des dommages ou a subi des dommages du fait de la pollution, en informe immédiatement les autres Etats qu'il juge exposés à ces dommages ainsi que les organisations internationales compétentes.
Tout Etat qui a connaissance de cas où le milieu marin est en danger imminent de subir des dommages ou a subi des dommages du fait de la pollution, en informe immédiatement les autres Etats qu'il juge exposés à ces dommages ainsi que les organisations internationales compétentes.
Art. 199. Rampenplannen bij verontreiniging.
In de gevallen bedoeld in artikel 198 werken de Staten in het getroffen gebied, overeenkomstig hun vermogen, en de bevoegde internationale organisaties, voor zover mogelijk, samen bij de wegneming van de gevolgen van de verontreiniging en het voorkomen of tot een minimum beperken van de schade. Hiertoe ontwikkelen en stimuleren de Staten gezamenlijk rampenplannen, om te reageren op voorvallen van verontreiniging van het mariene milieu.
In de gevallen bedoeld in artikel 198 werken de Staten in het getroffen gebied, overeenkomstig hun vermogen, en de bevoegde internationale organisaties, voor zover mogelijk, samen bij de wegneming van de gevolgen van de verontreiniging en het voorkomen of tot een minimum beperken van de schade. Hiertoe ontwikkelen en stimuleren de Staten gezamenlijk rampenplannen, om te reageren op voorvallen van verontreiniging van het mariene milieu.
Art. 199. Plans d'urgence contre la pollution.
Dans les cas visés à l'article 198, les Etats dans la zone affectée, selon leurs capacités, et les organisations internationales compétentes coopèrent, dans toute la mesure du possible, en vue d'éliminer les effets de la pollution et de prévenir ou réduire à un minimum les dommages. A cette fin, les Etats doivent élaborer et promouvoir conjointement des plans d'urgence pour faire face aux incidents entraînant la pollution du milieu marin.
Dans les cas visés à l'article 198, les Etats dans la zone affectée, selon leurs capacités, et les organisations internationales compétentes coopèrent, dans toute la mesure du possible, en vue d'éliminer les effets de la pollution et de prévenir ou réduire à un minimum les dommages. A cette fin, les Etats doivent élaborer et promouvoir conjointement des plans d'urgence pour faire face aux incidents entraînant la pollution du milieu marin.
Art. 200. Studies, onderzoekprogramma's en uitwisseling van informatie en gegevens.
De Staten werken, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, samen ten behoeve van het bevorderen van studies, het ter hand nemen van programma's voor wetenschappelijk onderzoek en het stimuleren van de uitwisseling van over verontreiniging van het mariene milieu verkregen informatie en gegevens. Zij trachten actief deel te nemen aan regionale en mondiale programma's ter verwerking van kennis voor de vaststelling van de aard en de mate van verontreiniging, van de blootstelling daaraan en van de wegen waarlangs deze zich verspreidt, de risico's die zij met zich brengt en de middelen die ertegen kunnen worden aangewend.
De Staten werken, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, samen ten behoeve van het bevorderen van studies, het ter hand nemen van programma's voor wetenschappelijk onderzoek en het stimuleren van de uitwisseling van over verontreiniging van het mariene milieu verkregen informatie en gegevens. Zij trachten actief deel te nemen aan regionale en mondiale programma's ter verwerking van kennis voor de vaststelling van de aard en de mate van verontreiniging, van de blootstelling daaraan en van de wegen waarlangs deze zich verspreidt, de risico's die zij met zich brengt en de middelen die ertegen kunnen worden aangewend.
Art. 200. Etudes, programmes de recherche et échange de renseignements et de données.
Les Etats coopèrent, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, en vue de promouvoir des études, entreprendre des programmes de recherche scientifique et encourager l'échange de renseignements et de données sur la pollution du milieu marin. Ils s'efforcent de participer activement aux programmes régionaux et mondiaux visant à l'acquisition des connaissances requises pour déterminer la nature et l'ampleur de la pollution, l'exposition à la pollution, les voies qu'elle emprunte, les risques qu'elle comporte et les remèdes possibles.
Les Etats coopèrent, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, en vue de promouvoir des études, entreprendre des programmes de recherche scientifique et encourager l'échange de renseignements et de données sur la pollution du milieu marin. Ils s'efforcent de participer activement aux programmes régionaux et mondiaux visant à l'acquisition des connaissances requises pour déterminer la nature et l'ampleur de la pollution, l'exposition à la pollution, les voies qu'elle emprunte, les risques qu'elle comporte et les remèdes possibles.
Art. 201. Wetenschappelijke criteria voor voorschriften.
In het licht van de ingevolge artikel 200 verkregen informatie en gegevens werken de Staten samen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, bij het vaststellen van passende wetenschappelijke criteria voor de formulering en uitwerking van regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.
In het licht van de ingevolge artikel 200 verkregen informatie en gegevens werken de Staten samen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, bij het vaststellen van passende wetenschappelijke criteria voor de formulering en uitwerking van regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.
Art. 201. Critères scientifiques pour l'élaboration de réglements.
Compte tenu des renseignements et données recueillis en application de l'article 200, les Etats coopèrent, directement ou par l'intermediaire des organisations internationales compétentes, en vue d'établir des critères scientifiques appropriés pour la formulation et l'élaboration de règles et de normes, ainsi que de pratiques et procédures recommandées visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin.
Compte tenu des renseignements et données recueillis en application de l'article 200, les Etats coopèrent, directement ou par l'intermediaire des organisations internationales compétentes, en vue d'établir des critères scientifiques appropriés pour la formulation et l'élaboration de règles et de normes, ainsi que de pratiques et procédures recommandées visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin.
Afdeling 3. - Technische hulp.
Section 3. - Assistance technique.
Art. 202. Wetenschappelijke en technische hulp aan ontwikkelingsstaten.
De Staten dienen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties :
a) programma's voor hulp aan ontwikkelingsstaten op het gebied van wetenschap, onderwijs, de techniek of op andere terreinen te bevorderen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu en de voorkoming, vermindering en bestrijding van mariene verontreiniging.
Deze hulp omvat, onder meer :
(i) opleiding van hun wetenschappelijk en technisch personeel;
(ii) vergemakkelijking van hun deelneming aan ter zake van belang zijnde internationale programma's;
(iii) het hun verschaffen van de nodige uitrusting en voorzieningen;
(iv) het vergroten van hun vermogen zulke uitrusting te vervaardigen;
(v) advies inzake en ontwikkeling van voorzieningen voor programma's op het gebied van onderzoek, controlemetingen, onderwijs en op andere terreinen;
b) het verschaffen van passende hulp, vooral aan ontwikkelingsstaten, voor het tot een minimum beperken van de gevolgen van voorvallen van grote importantie die ernstige verontreiniging van het mariene milieu kunnen veroorzaken;
c) het verschaffen van passende hulp, vooral aan ontwikkelingsstaten, betreffende het verrichten van ecologische evaluaties.
De Staten dienen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties :
a) programma's voor hulp aan ontwikkelingsstaten op het gebied van wetenschap, onderwijs, de techniek of op andere terreinen te bevorderen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu en de voorkoming, vermindering en bestrijding van mariene verontreiniging.
Deze hulp omvat, onder meer :
(i) opleiding van hun wetenschappelijk en technisch personeel;
(ii) vergemakkelijking van hun deelneming aan ter zake van belang zijnde internationale programma's;
(iii) het hun verschaffen van de nodige uitrusting en voorzieningen;
(iv) het vergroten van hun vermogen zulke uitrusting te vervaardigen;
(v) advies inzake en ontwikkeling van voorzieningen voor programma's op het gebied van onderzoek, controlemetingen, onderwijs en op andere terreinen;
b) het verschaffen van passende hulp, vooral aan ontwikkelingsstaten, voor het tot een minimum beperken van de gevolgen van voorvallen van grote importantie die ernstige verontreiniging van het mariene milieu kunnen veroorzaken;
c) het verschaffen van passende hulp, vooral aan ontwikkelingsstaten, betreffende het verrichten van ecologische evaluaties.
Art. 202. Assistance aux Etats en développement dans les domaines de la science et de la technique.
Les Etats, agissant directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, doivent :
a) promouvoir des programmes d'assistance aux Etats en développement dans les domaines de la science, de l'éducation, de la technique et dans d'autres domaines, en vue de protéger et de préserver le milieu marin et de prévenir, réduire et maîtriser la pollution marine.
Cette assistance consiste notamment à :
(i) former le personnel scientifique et technique de ces Etats;
(ii) faciliter leur participation aux programmes internationaux pertinents;
(iii) fournir à ces Etats le matériel et les facilités nécessaires;
(iv) accroître leur capacité de fabriquer eux-mêmes ce matériel;
(v) fournir les services consultatifs et développer les moyens matériels concernant les programmes de recherche, de surveillance continue, d'éducation et autres programmes;
b) fournir l'assistance appropriée, spécialement aux Etats en développement, pour aider ceux-ci à réduire à un minimum les effets des accidents majeurs risquant d'entraîner une pollution du milieu marin;
c) fournir l'assistance appropriée, spécialement aux Etats en développement, pour l'établissement d'évaluations écologiques.
Les Etats, agissant directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, doivent :
a) promouvoir des programmes d'assistance aux Etats en développement dans les domaines de la science, de l'éducation, de la technique et dans d'autres domaines, en vue de protéger et de préserver le milieu marin et de prévenir, réduire et maîtriser la pollution marine.
Cette assistance consiste notamment à :
(i) former le personnel scientifique et technique de ces Etats;
(ii) faciliter leur participation aux programmes internationaux pertinents;
(iii) fournir à ces Etats le matériel et les facilités nécessaires;
(iv) accroître leur capacité de fabriquer eux-mêmes ce matériel;
(v) fournir les services consultatifs et développer les moyens matériels concernant les programmes de recherche, de surveillance continue, d'éducation et autres programmes;
b) fournir l'assistance appropriée, spécialement aux Etats en développement, pour aider ceux-ci à réduire à un minimum les effets des accidents majeurs risquant d'entraîner une pollution du milieu marin;
c) fournir l'assistance appropriée, spécialement aux Etats en développement, pour l'établissement d'évaluations écologiques.
Art. 203. Voorrangsbehandeling van ontwikkelingsstaten.
Aan ontwikkelingsstaten wordt, ten behoeve van de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, of het tot een minimum beperken van de gevolgen daarvan, door internationale organisaties voorrang toegekend bij :
a) de toewijzing van passende financiële middelen en technische hulp;
b) het gebruik van hun gespecialiseerde diensten.
Aan ontwikkelingsstaten wordt, ten behoeve van de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, of het tot een minimum beperken van de gevolgen daarvan, door internationale organisaties voorrang toegekend bij :
a) de toewijzing van passende financiële middelen en technische hulp;
b) het gebruik van hun gespecialiseerde diensten.
Art. 203. Traitement préférentiel à l'intention des Etats en développement.
En vue de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin ou de réduire à un minimum ses effets, les organisations internationales accordent un traitement préférentiel aux Etats en développement en ce qui concerne :
a) l'allocation de fonds et de moyens d'assistance technique appropriées; et
b) l'utilisation de leurs services spécialisés.
En vue de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin ou de réduire à un minimum ses effets, les organisations internationales accordent un traitement préférentiel aux Etats en développement en ce qui concerne :
a) l'allocation de fonds et de moyens d'assistance technique appropriées; et
b) l'utilisation de leurs services spécialisés.
Afdeling 4. - Controlemetingen en ecologische evaluatie.
Section 4. - Surveillance continue et évaluation écologique.
Art. 204. Controlemetingen van de risico's of gevolgen van verontreiniging.
1. De Staten trachten, op een wijze verenigbaar met de rechten van andere Staten, voor zover mogelijk, rechtstreeks of via de bevoegde internationale organisaties, met behulp van erkende wetenschappelijke methoden, de risico's of gevolgen van verontreiniging van het mariene milieu in het oog te houden, te meten, te evalueren en te analyseren.
2. Inzonderheid oefenen de Staten voortdurend toezicht uit op de gevolgen van enigerlei werkzaamheden die zij toestaan of waarmede zij zich bezighouden, ten einde na te gaan of deze werkzaamheden wellicht kunnen leiden tot verontreiniging van het mariene milieu.
1. De Staten trachten, op een wijze verenigbaar met de rechten van andere Staten, voor zover mogelijk, rechtstreeks of via de bevoegde internationale organisaties, met behulp van erkende wetenschappelijke methoden, de risico's of gevolgen van verontreiniging van het mariene milieu in het oog te houden, te meten, te evalueren en te analyseren.
2. Inzonderheid oefenen de Staten voortdurend toezicht uit op de gevolgen van enigerlei werkzaamheden die zij toestaan of waarmede zij zich bezighouden, ten einde na te gaan of deze werkzaamheden wellicht kunnen leiden tot verontreiniging van het mariene milieu.
Art. 204. Surveillance continue des risques de pollution et des effets de la pollution.
1. Les Etats s'efforcent, dans toute la mesure possible et d'une manière compatible avec les droits des autres Etats, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, d'observer, mesurer, évaluer et analyser, par des méthodes scientifiques reconnues, les risques de pollution du milieu marin ou les effets de cette pollution.
2. En particulier, ils surveillent constamment les effets de toutes les activités qu'ils autorisent ou auxquelles ils se livrent afin de déterminer si ces activités risquent de polluer le milieu marin.
1. Les Etats s'efforcent, dans toute la mesure possible et d'une manière compatible avec les droits des autres Etats, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, d'observer, mesurer, évaluer et analyser, par des méthodes scientifiques reconnues, les risques de pollution du milieu marin ou les effets de cette pollution.
2. En particulier, ils surveillent constamment les effets de toutes les activités qu'ils autorisent ou auxquelles ils se livrent afin de déterminer si ces activités risquent de polluer le milieu marin.
Art. 205. Publicatie van rapporten.
De Staten publiceren rapporten van de ingevolge artikel 204 verkregen resultaten of verstrekken zulke rapporten periodiek aan de bevoegde internationale organisaties, die deze ter beschikking dienen te stellen van alle Staten.
De Staten publiceren rapporten van de ingevolge artikel 204 verkregen resultaten of verstrekken zulke rapporten periodiek aan de bevoegde internationale organisaties, die deze ter beschikking dienen te stellen van alle Staten.
Art. 205. Publication de rapports.
Les Etats publient des rapports sur les resultats obtenus en application de l'article 204 ou fournissent, à intervalles appropries, de tels rapports aux organisations internationales compétentes, qui devront les mettre à la disposition de tous les autres Etats.
Les Etats publient des rapports sur les resultats obtenus en application de l'article 204 ou fournissent, à intervalles appropries, de tels rapports aux organisations internationales compétentes, qui devront les mettre à la disposition de tous les autres Etats.
Art. 206. Evaluatie van mogelijke gevolgen van werkzaamheden.
Wanneer de Staten redelijke gronden hebben aan te nemen dat voorgenomen werkzaamheden onder hun rechtsmacht of toezicht aanzienlijke verontreiniging of aanmerkelijke en schadelijke veranderingen in het mariene milieu kunnen teweegbrengen, dienen zij voor zover uitvoerbaar, de mogelijke gevolgen van zulke werkzaamheden voor het mariene milieu te evalueren en rapporteren van de resultaten van zulke evaluaties mede te delen op de wijze, bepaald in artikel 205.
Wanneer de Staten redelijke gronden hebben aan te nemen dat voorgenomen werkzaamheden onder hun rechtsmacht of toezicht aanzienlijke verontreiniging of aanmerkelijke en schadelijke veranderingen in het mariene milieu kunnen teweegbrengen, dienen zij voor zover uitvoerbaar, de mogelijke gevolgen van zulke werkzaamheden voor het mariene milieu te evalueren en rapporteren van de resultaten van zulke evaluaties mede te delen op de wijze, bepaald in artikel 205.
Art. 206. Evaluation des effets potentiels des activités.
Lorsque des Etats ont de sérieuses raisons de penser que des activités envisagées relevant de leur juridiction ou de leur contrôle risquent d'entraîner une pollution importante ou des modifications considérables et nuisibles du milieu marin, ils évaluent, dans la mesure du possible, les effets potentiels de ces activités sur ce milieu et rendent compte des résultats de ces évaluations de la manière prévue à l'article 205.
Lorsque des Etats ont de sérieuses raisons de penser que des activités envisagées relevant de leur juridiction ou de leur contrôle risquent d'entraîner une pollution importante ou des modifications considérables et nuisibles du milieu marin, ils évaluent, dans la mesure du possible, les effets potentiels de ces activités sur ce milieu et rendent compte des résultats de ces évaluations de la manière prévue à l'article 205.
Afdeling 5. - Internationale regels en nationale wetgeving ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.
Section 5. - Réglementation internationale et droit interne visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin.
Art. 207. Verontreiniging vanaf het land.
1. De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door bronnen op het land, met inbegrip van rivieren, estuaria, pijpleidingen en afvoerinstallaties, met inachtneming van internationaal overeengekomen regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures.
2. De Staten nemen de andere maatregelen die nodig kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
3. De Staten trachten te komen tot een harmonisatie van hun beleid in dit verband op het passende regionale niveau.
4. De Staten trachten, hierbij vooral optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, mondiale, en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en gebruiken vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanaf het land, met inachtneming van regionale bijzonderheden, het economisch vermogen van ontwikkelingsstaten en hun behoefte aan economische ontwikkeling. Deze regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
5. De wetten, voorschriften, maatregelen, regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid omvatten die welke zijn gericht op het zoveel mogelijk tot een minimum beperken van het vrijkomen van toxische schadelijke of gevaarlijke stoffen, vooral die welke persistent zijn, in het mariene milieu.
1. De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door bronnen op het land, met inbegrip van rivieren, estuaria, pijpleidingen en afvoerinstallaties, met inachtneming van internationaal overeengekomen regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures.
2. De Staten nemen de andere maatregelen die nodig kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
3. De Staten trachten te komen tot een harmonisatie van hun beleid in dit verband op het passende regionale niveau.
4. De Staten trachten, hierbij vooral optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, mondiale, en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en gebruiken vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanaf het land, met inachtneming van regionale bijzonderheden, het economisch vermogen van ontwikkelingsstaten en hun behoefte aan economische ontwikkeling. Deze regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
5. De wetten, voorschriften, maatregelen, regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid omvatten die welke zijn gericht op het zoveel mogelijk tot een minimum beperken van het vrijkomen van toxische schadelijke of gevaarlijke stoffen, vooral die welke persistent zijn, in het mariene milieu.
Art. 207. Pollution d'origine tellurique.
1. Les Etats adoptent des lois et règlements pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin d'origine tellurique, y compris la pollution provenant des fleuves, rivières, estuaires, pipelines et installations de décharge, en tenant compte des regles et des normes, ainsi que des pratiques et procédures recommandées, internationalement convenues.
2. Les Etats prennent toutes autres mesures qui peuvent être nécessaires pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution.
3. Les Etats s'efforcent d'harmoniser leurs politiques à cet égard au niveau régional approprié.
4. Les Etats, agissant en particulier par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique, s'efforcent d'adopter au plan mondial et regional, des règles et des normes, ainsi que des pratiques et procédures recommandées pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution, en tenant compte des particularités régionales, de la capacité économique des Etats en développement et des exigences de leur développement économique. Ces règles et ces normes, ainsi que ces pratiques et procédures recommandées, sont réexaminées de temps à autre, selon qu'il est nécessaire.
5. Les lois, règlements et mesures, ainsi que les règles et les normes et les pratiques et procédures recommandées, visés aux paragraphes 1, 2 et 4, comprennent des mesures tendant à limiter autant que possible l'évacuation dans le milieu marin de substances toxiques, nuisibles ou nocives, en particulier de substances non dégradables.
1. Les Etats adoptent des lois et règlements pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin d'origine tellurique, y compris la pollution provenant des fleuves, rivières, estuaires, pipelines et installations de décharge, en tenant compte des regles et des normes, ainsi que des pratiques et procédures recommandées, internationalement convenues.
2. Les Etats prennent toutes autres mesures qui peuvent être nécessaires pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution.
3. Les Etats s'efforcent d'harmoniser leurs politiques à cet égard au niveau régional approprié.
4. Les Etats, agissant en particulier par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique, s'efforcent d'adopter au plan mondial et regional, des règles et des normes, ainsi que des pratiques et procédures recommandées pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution, en tenant compte des particularités régionales, de la capacité économique des Etats en développement et des exigences de leur développement économique. Ces règles et ces normes, ainsi que ces pratiques et procédures recommandées, sont réexaminées de temps à autre, selon qu'il est nécessaire.
5. Les lois, règlements et mesures, ainsi que les règles et les normes et les pratiques et procédures recommandées, visés aux paragraphes 1, 2 et 4, comprennent des mesures tendant à limiter autant que possible l'évacuation dans le milieu marin de substances toxiques, nuisibles ou nocives, en particulier de substances non dégradables.
Art. 208. Verontreiniging door werkzaamheden op de zeebodem die zijn onderworpen aan de nationale rechtsmacht.
1. Kuststaten dienen wetten en voorschriften aan te nemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit of in verband met onder hun rechtsmacht vallende werkzaamheden op de zeebodem en door kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen onder hun rechtsmacht ingevolge de artikelen 60 en 80.
2. De Staten nemen de andere maatregelen die nodig kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
3. Deze wetten, voorschriften en maatregelen dienen niet minder doeltreffend te zijn dan internationale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures.
4. De Staten trachten te komen tot een harmonisatie van hun beleid in dit verband op het passende regionale niveau.
5. De Staten, hierbij vooral optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, stellen mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures vast ter voorkoming, vermindering en bestrijding van de in het eerste lid bedoelde verontreiniging van het mariene milieu. Deze regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
1. Kuststaten dienen wetten en voorschriften aan te nemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit of in verband met onder hun rechtsmacht vallende werkzaamheden op de zeebodem en door kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen onder hun rechtsmacht ingevolge de artikelen 60 en 80.
2. De Staten nemen de andere maatregelen die nodig kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
3. Deze wetten, voorschriften en maatregelen dienen niet minder doeltreffend te zijn dan internationale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures.
4. De Staten trachten te komen tot een harmonisatie van hun beleid in dit verband op het passende regionale niveau.
5. De Staten, hierbij vooral optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, stellen mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures vast ter voorkoming, vermindering en bestrijding van de in het eerste lid bedoelde verontreiniging van het mariene milieu. Deze regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
Art. 208. Pollution résultant des activités relatives aux fonds marins relevant de la juridiction nationale.
1. Les Etats côtiers adoptent des lois et règlements afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin qui résulte directement ou indirectement d'activités relatives aux fonds marins et relevant de leur juridiction ou qui provient d'îles artificielles, d'installations et d'ouvrages relevant de leur juridiction en vertu des articles 60 et 80.
2. Les Etats prennent toutes autres mesures qui peuvent être nécessaires pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution.
3. Ces lois, règlements et mesures ne doivent pas être moins efficaces que les règles et les normes internationales ou les pratiques et procédures recommandées de caractère international.
4. Les Etats s'efforcent d'harmoniser leurs politiques à cet égard au niveau régional approprié.
5. Les Etats, agissant en particulier par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique, adoptent au plan mondial et régional, des règles et des normes, ainsi que des pratiques et procédures recommandées, pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin visée au paragraphe 1. Ces règles et ces normes, ainsi que ces pratiques et procédures recommandées, sont réexaminées de temps à l'autre, selon qu'il est nécessaire.
1. Les Etats côtiers adoptent des lois et règlements afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin qui résulte directement ou indirectement d'activités relatives aux fonds marins et relevant de leur juridiction ou qui provient d'îles artificielles, d'installations et d'ouvrages relevant de leur juridiction en vertu des articles 60 et 80.
2. Les Etats prennent toutes autres mesures qui peuvent être nécessaires pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution.
3. Ces lois, règlements et mesures ne doivent pas être moins efficaces que les règles et les normes internationales ou les pratiques et procédures recommandées de caractère international.
4. Les Etats s'efforcent d'harmoniser leurs politiques à cet égard au niveau régional approprié.
5. Les Etats, agissant en particulier par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique, adoptent au plan mondial et régional, des règles et des normes, ainsi que des pratiques et procédures recommandées, pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin visée au paragraphe 1. Ces règles et ces normes, ainsi que ces pratiques et procédures recommandées, sont réexaminées de temps à l'autre, selon qu'il est nécessaire.
Art. 209. Verontreiniging door werkzaamheden in het Gebied.
1. Overeenkomstig Deel XI worden internationale regels, voorschriften en procedures vastgesteld ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door werkzaamheden in het Gebied. Deze regels, voorschriften en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
2. Onder voorbehoud van de desbetreffende bepalingen van deze afdeling nemen de Staten wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door werkzaamheden in het Gebied ondernomen door schepen, installaties, inrichtingen en andere werktuigen die hun vlag voeren of bij hen staan geregistreerd of onder hun gezag werkzaam zijn, naar gelang van het geval. De vereisten van deze wetten en voorschriften dienen niet minder doeltreffend te zijn dan de in het eerste lid bedoelde internationale regels, voorschriften en procedures.
1. Overeenkomstig Deel XI worden internationale regels, voorschriften en procedures vastgesteld ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door werkzaamheden in het Gebied. Deze regels, voorschriften en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
2. Onder voorbehoud van de desbetreffende bepalingen van deze afdeling nemen de Staten wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door werkzaamheden in het Gebied ondernomen door schepen, installaties, inrichtingen en andere werktuigen die hun vlag voeren of bij hen staan geregistreerd of onder hun gezag werkzaam zijn, naar gelang van het geval. De vereisten van deze wetten en voorschriften dienen niet minder doeltreffend te zijn dan de in het eerste lid bedoelde internationale regels, voorschriften en procedures.
Art. 209. Pollution résultant d'activités menées dans la Zone.
1. Les règles, règlements et procédures internationaux sont adoptés conformément à la partie XI pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin résultant d'activités menées dans la Zone. Ces règles, règlements et procédures sont réexaminés de temps à autre, selon qu'il est nécessaire.
2. Sous réserve des dispositions pertinentes de la présente section, les Etats adoptent des lois et règlements pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin résultant d'activités menées dans la Zone par des navires ou à partir d'installations, ouvrages ou autres engins, battant leur pavillon, immatriculés sur leur territoire ou relevant de leur autorité, selon le cas; ces lois et règlements ne doivent pas être moins efficaces que les règles, règlements et procédures internationaux visés au paragraphe 1.
1. Les règles, règlements et procédures internationaux sont adoptés conformément à la partie XI pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin résultant d'activités menées dans la Zone. Ces règles, règlements et procédures sont réexaminés de temps à autre, selon qu'il est nécessaire.
2. Sous réserve des dispositions pertinentes de la présente section, les Etats adoptent des lois et règlements pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin résultant d'activités menées dans la Zone par des navires ou à partir d'installations, ouvrages ou autres engins, battant leur pavillon, immatriculés sur leur territoire ou relevant de leur autorité, selon le cas; ces lois et règlements ne doivent pas être moins efficaces que les règles, règlements et procédures internationaux visés au paragraphe 1.
Art. 210. Verontreiniging door storting.
1. De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door storting.
2. De Staten nemen de andere maatregelen die nodig kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
3. Deze wetten, voorschriften en maatregelen dienen te verzekeren dat geen storting geschiedt zonder de toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Staten.
4. De Staten trachten, hierbij vooral optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging. Deze regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
5. Storting binnen de territoriale zee en de exclusieve economische Zone of op het continentale plat mag niet geschieden zonder de uitdrukkelijke voorafgaande goedkeuring van de kuststaat, die het recht heeft zodanige storting toe te staan, te regelen en te controleren, en wel nadat de aangelegenheid met andere Staten die wegens hun geografische ligging daarvan nadelige gevolgen kunnen ondervinden, grondig is onderzocht.
6. De nationale wetten, voorschriften en maatregelen dienen niet minder doeltreffend te zijn bij de voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging dan de mondiale regels en normen.
1. De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door storting.
2. De Staten nemen de andere maatregelen die nodig kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
3. Deze wetten, voorschriften en maatregelen dienen te verzekeren dat geen storting geschiedt zonder de toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Staten.
4. De Staten trachten, hierbij vooral optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging. Deze regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
5. Storting binnen de territoriale zee en de exclusieve economische Zone of op het continentale plat mag niet geschieden zonder de uitdrukkelijke voorafgaande goedkeuring van de kuststaat, die het recht heeft zodanige storting toe te staan, te regelen en te controleren, en wel nadat de aangelegenheid met andere Staten die wegens hun geografische ligging daarvan nadelige gevolgen kunnen ondervinden, grondig is onderzocht.
6. De nationale wetten, voorschriften en maatregelen dienen niet minder doeltreffend te zijn bij de voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging dan de mondiale regels en normen.
Art. 210. Pollution par immersion.
1. Les Etats adoptent dès lois et règlements afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par immersion.
2. Les Etats prennent toutes autres mesures qui peuvent être nécessaires pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution.
3. Ces lois, règlements et mesures garantissent que nulle immersion ne peut se faire sans l'autorisation des autorités compétentes des Etats.
4. Les Etats, agissant en particulier par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique, s'efforcent d'adopter au plan mondial et régional des règles et des normes, ainsi que des pratiques et procédures recommandées, pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution. Ces règles et ces normes, ainsi que ces pratiques et procédures recommandées, sont réexaminées de temps à autre, selon qu'il est nécessaire.
5. L'immersion dans la mer territoriale et la Zone économique exclusive ou sur le plateau continental ne peut avoir lieu sans l'accord préalable exprès de l'Etat côtier; celui-ci a le droit d'autoriser, de réglementer et de contrôler cette immersion, après avoir dûment examiné la question avec les autres Etats pour lesquels, du fait de leur situation géographique, cette immersion peut avoir des effets préjudiciables.
6. Les lois et règlements nationaux ainsi que les mesures nationales ne doivent pas être moins efficaces pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution que les règles et normes de caractère mondial.
1. Les Etats adoptent dès lois et règlements afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par immersion.
2. Les Etats prennent toutes autres mesures qui peuvent être nécessaires pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution.
3. Ces lois, règlements et mesures garantissent que nulle immersion ne peut se faire sans l'autorisation des autorités compétentes des Etats.
4. Les Etats, agissant en particulier par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique, s'efforcent d'adopter au plan mondial et régional des règles et des normes, ainsi que des pratiques et procédures recommandées, pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution. Ces règles et ces normes, ainsi que ces pratiques et procédures recommandées, sont réexaminées de temps à autre, selon qu'il est nécessaire.
5. L'immersion dans la mer territoriale et la Zone économique exclusive ou sur le plateau continental ne peut avoir lieu sans l'accord préalable exprès de l'Etat côtier; celui-ci a le droit d'autoriser, de réglementer et de contrôler cette immersion, après avoir dûment examiné la question avec les autres Etats pour lesquels, du fait de leur situation géographique, cette immersion peut avoir des effets préjudiciables.
6. Les lois et règlements nationaux ainsi que les mesures nationales ne doivent pas être moins efficaces pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution que les règles et normes de caractère mondial.
Art. 211. Verontreiniging door schepen.
1. De Staten stellen, optredend via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie, internationale regels en normen vast ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door schepen en bevorderen, waar passend, de aanneming op dezelfde wijze van verkeersstelsels met het oogmerk het risico van ongevallen die verontreiniging van het mariene milieu, met inbegrip van de kustlijn, en verontreinigingsschade aan de daarmede samenhangende belangen van kuststaten zouden kunnen veroorzaken, tot een minimum te beperken. Deze regels en normen worden op dezelfde wijze van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
2. De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door schepen die hun vlag voeren of bij hen staan geregistreerd. Deze wetten en voorschriften dienen niet minder doeltreffend te zijn dan die van algemeen aanvaarde internationale regels en normen vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie.
3. De Staten die bijzondere eisen vaststellen voor de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu als voorwaarde voor de binnenkomst van vreemde schepen in hun havens of binnenwateren of voor het aanlopen van hun laad- of losplaatsen buitengaats dienen naar behoren bekendheid te geven aan deze vereisten en deze mede te delen aan de bevoegde internationale organisatie. Wanneer deze eisen in gelijke vorm worden vastgesteld door twee of meer kuststaten bij het streven naar harmonisatie van het beleid, wordt in de mededeling aangegeven welke Staten aan deze samenwerkingsregelingen deelnemen. Iedere Staat eist van de kapitein van een schip dat zijn vlag voert of bij die Staat is geregistreerd, wanneer dit vaart binnen de territoriale zee van een aan zulke samenwerkingsregelingen deelnemende Staat, dat hij op verzoek van die Staat de Informatie verstrekt of het schip vaart naar een Staat in dezelfde regio die deelneemt aan zulke samenwerkingsregelingen en indien dat het geval is, meldt of het schip voldoet aan de vereisten inzake binnenkomst in een haven van die Staat. Dit artikel laat onverlet de voortdurende uitoefening door een schip van zijn recht van onschuldige doorvaart alsmede de toepassing van artikel 25, tweede lid.
4. Kuststaten kunnen, bij de uitoefening van hun soevereiniteit binnen hun territoriale zee, wetten en voorschriften aannemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van mariene verontreiniging door vreemde schepen, met inbegrip van schepen die het recht van onschuldige doorvaart uitoefenen. Deze wetten en voorschriften mogen, overeenkomstig Deel II, afdeling 3, de onschuldige doorvaart van vreemde schepen niet belemmeren.
5. Kuststaten kunnen, ter fine van de handhaving van de bepalingen, zoals neergelegd in afdeling 6, ten aanzien van hun exclusieve economische Zones wetten en voorschriften aannemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen, welke overeenstemmen met en uitvoering geven aan algemeen aanvaarde internationale regels en normen, vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie.
6. a) Wanneer de in het eerste lid bedoelde internationale regels en normen ontoereikend zijn om te voorzien in bijzondere omstandigheden en kuststaten redelijke gronden hebben om aan te nemen dat een bepaald duidelijk omschreven gebied van hun onderscheiden exclusieve economische Zones een gebied is, ten aanzien waarvan de aanneming van bijzondere verplichte maatregelen ter voorkoming van verontreiniging door schepen vereist is om erkende technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische omstandigheden in dat gebied, alsmede het gebruik of de bescherming van de rijkdommen daarvan en het speciale karakter van het verkeer daarin, kunnen de kuststaten, na passend overleg via de bevoegde internationale organisatie met andere betrokken Staten, voor dat gebied een mededeling aan die organisatie richten, waarbij ter staving wetenschappelijk en technisch bewijsmateriaal wordt voorgelegd, alsook informatie inzake de noodzakelijke ontvangstinrichtingen. Binnen 12 maanden na ontvangst van een zodanige mededeling bepaalt de organisatie of de situatie in dat gebied voldoet aan de hierboven uiteengezette eisen. Indien de organisatie aldus bepaalt, kan de kuststaat voor dat gebied wetten en voorschriften aannemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen, met toepassing van de internationale regels en normen of gebruiken bij de navigatie die via de organisatie, van toepassing zijn verklaard op bijzondere gebieden. Deze wetten en voorschriften worden niet eerder van toepassing op vreemde schepen dan 15 maanden na indiening van de mededeling bij de organisatie.
b) De kuststaten geven bekendheid aan de begrenzing van een zodanig duidelijk omschreven gebied.
c) Indien de kuststaten voornemens zijn aanvullende wetten en voorschriften voor hetzelfde gebied aan te nemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen dienen zij, wanneer zij de voorgenoemde mededeling indienen, tegelijkertijd de organisatie daarvan in kennis te stellen. Deze aanvullende wetten en voorschriften kunnen betrekking hebben op lozingen of gebruiken bij de navigatie, maar daarin mag niet van vreemde schepen worden verlangd dat andere normen inzake ontwerp, constructie, bemanning of uitrusting worden nageleefd dan algemeen aanvaarde internationale regels en normen; zij worden van toepassing op vreemde schepen 15 maanden na indiening van de mededeling bij de organisatie mits de organisatie binnen 12 maanden na indiening van de mededeling daarmede instemt.
7. De in dit artikel bedoelde internationale regels en normen dienen onder andere die te omvatten welke betrekking hebben op onverwijlde kennisgeving aan kuststaten, wier kustlijn of daarmede samenhangende belangen kunnen worden getroffen door voorvallen, met inbegrip van maritieme ongevallen, die lozingen of het risico van lozingen met zich brengen.
1. De Staten stellen, optredend via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie, internationale regels en normen vast ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door schepen en bevorderen, waar passend, de aanneming op dezelfde wijze van verkeersstelsels met het oogmerk het risico van ongevallen die verontreiniging van het mariene milieu, met inbegrip van de kustlijn, en verontreinigingsschade aan de daarmede samenhangende belangen van kuststaten zouden kunnen veroorzaken, tot een minimum te beperken. Deze regels en normen worden op dezelfde wijze van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
2. De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door schepen die hun vlag voeren of bij hen staan geregistreerd. Deze wetten en voorschriften dienen niet minder doeltreffend te zijn dan die van algemeen aanvaarde internationale regels en normen vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie.
3. De Staten die bijzondere eisen vaststellen voor de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu als voorwaarde voor de binnenkomst van vreemde schepen in hun havens of binnenwateren of voor het aanlopen van hun laad- of losplaatsen buitengaats dienen naar behoren bekendheid te geven aan deze vereisten en deze mede te delen aan de bevoegde internationale organisatie. Wanneer deze eisen in gelijke vorm worden vastgesteld door twee of meer kuststaten bij het streven naar harmonisatie van het beleid, wordt in de mededeling aangegeven welke Staten aan deze samenwerkingsregelingen deelnemen. Iedere Staat eist van de kapitein van een schip dat zijn vlag voert of bij die Staat is geregistreerd, wanneer dit vaart binnen de territoriale zee van een aan zulke samenwerkingsregelingen deelnemende Staat, dat hij op verzoek van die Staat de Informatie verstrekt of het schip vaart naar een Staat in dezelfde regio die deelneemt aan zulke samenwerkingsregelingen en indien dat het geval is, meldt of het schip voldoet aan de vereisten inzake binnenkomst in een haven van die Staat. Dit artikel laat onverlet de voortdurende uitoefening door een schip van zijn recht van onschuldige doorvaart alsmede de toepassing van artikel 25, tweede lid.
4. Kuststaten kunnen, bij de uitoefening van hun soevereiniteit binnen hun territoriale zee, wetten en voorschriften aannemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van mariene verontreiniging door vreemde schepen, met inbegrip van schepen die het recht van onschuldige doorvaart uitoefenen. Deze wetten en voorschriften mogen, overeenkomstig Deel II, afdeling 3, de onschuldige doorvaart van vreemde schepen niet belemmeren.
5. Kuststaten kunnen, ter fine van de handhaving van de bepalingen, zoals neergelegd in afdeling 6, ten aanzien van hun exclusieve economische Zones wetten en voorschriften aannemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen, welke overeenstemmen met en uitvoering geven aan algemeen aanvaarde internationale regels en normen, vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie.
6. a) Wanneer de in het eerste lid bedoelde internationale regels en normen ontoereikend zijn om te voorzien in bijzondere omstandigheden en kuststaten redelijke gronden hebben om aan te nemen dat een bepaald duidelijk omschreven gebied van hun onderscheiden exclusieve economische Zones een gebied is, ten aanzien waarvan de aanneming van bijzondere verplichte maatregelen ter voorkoming van verontreiniging door schepen vereist is om erkende technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische omstandigheden in dat gebied, alsmede het gebruik of de bescherming van de rijkdommen daarvan en het speciale karakter van het verkeer daarin, kunnen de kuststaten, na passend overleg via de bevoegde internationale organisatie met andere betrokken Staten, voor dat gebied een mededeling aan die organisatie richten, waarbij ter staving wetenschappelijk en technisch bewijsmateriaal wordt voorgelegd, alsook informatie inzake de noodzakelijke ontvangstinrichtingen. Binnen 12 maanden na ontvangst van een zodanige mededeling bepaalt de organisatie of de situatie in dat gebied voldoet aan de hierboven uiteengezette eisen. Indien de organisatie aldus bepaalt, kan de kuststaat voor dat gebied wetten en voorschriften aannemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen, met toepassing van de internationale regels en normen of gebruiken bij de navigatie die via de organisatie, van toepassing zijn verklaard op bijzondere gebieden. Deze wetten en voorschriften worden niet eerder van toepassing op vreemde schepen dan 15 maanden na indiening van de mededeling bij de organisatie.
b) De kuststaten geven bekendheid aan de begrenzing van een zodanig duidelijk omschreven gebied.
c) Indien de kuststaten voornemens zijn aanvullende wetten en voorschriften voor hetzelfde gebied aan te nemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen dienen zij, wanneer zij de voorgenoemde mededeling indienen, tegelijkertijd de organisatie daarvan in kennis te stellen. Deze aanvullende wetten en voorschriften kunnen betrekking hebben op lozingen of gebruiken bij de navigatie, maar daarin mag niet van vreemde schepen worden verlangd dat andere normen inzake ontwerp, constructie, bemanning of uitrusting worden nageleefd dan algemeen aanvaarde internationale regels en normen; zij worden van toepassing op vreemde schepen 15 maanden na indiening van de mededeling bij de organisatie mits de organisatie binnen 12 maanden na indiening van de mededeling daarmede instemt.
7. De in dit artikel bedoelde internationale regels en normen dienen onder andere die te omvatten welke betrekking hebben op onverwijlde kennisgeving aan kuststaten, wier kustlijn of daarmede samenhangende belangen kunnen worden getroffen door voorvallen, met inbegrip van maritieme ongevallen, die lozingen of het risico van lozingen met zich brengen.
Art. 211. Pollution par les navires.
1. Les Etats, agissant par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique générale, adoptent des règles et normes internationales visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par les navires et s'attachent à favoriser l'adoption, s'il y a lieu de la même manière, de dispositifs de circulation des navires visant à réduire à un minimum le risque d'accidents susceptibles de polluer le milieu marin, y compris le littoral, et de porter atteinte de ce fait aux intérêts connexes des Etats côtiers. Ces règles et normes sont, de la même façon, réexaminées de temps à autre, selon qu'il est nécessaire.
2. Les Etats adoptent des lois et règlements pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par les navires battant leur pavillon ou immatriculés par eux. Ces lois et règlements ne doivent pas être moins efficaces que les règles et normes internationales généralement acceptées, établies par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique générale.
3. Les Etats qui, dans le but de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin, imposent aux navires étrangers des conditions particulières pour l'entrée dans leurs ports ou leurs eaux intérieures ou l'utilisation de leurs installations terminales au large, donnent la publicité voulue à ces conditions et les communiquent à l'organisation internationale compétente. Lorsque, en vue d'harmoniser la politique suivie en la matière, deux ou plusieurs Etats côtiers imposent de telles conditions sous une forme identique, il est indiqué dans la communication quels sont les Etats qui participent à de tels arrangements. Tout Etat exige du capitaine d'un navire battant son pavillon ou immatriculé par lui, lorsque ce navire se trouve dans la mer territoriale d'un Etat participant à ces arrangements conjoints, qu'il fournisse à la demande de cet Etat des renseignements indiquant s'il se dirige vers un Etat de la même région qui participe à ces arrangements et, dans l'affirmative, de préciser si le navire satisfait aux conditions imposées par cet Etat concernant l'entrée dans ses ports. Le présent article s'applique sans préjudice de la continuation de l'exercice par un navire de son droit de passage inoffensif ou de l'application de l'article 25, paragraphe 2.
4. Les Etats côtiers peuvent, dans l'exercice de leur souveraineté sur leur mer territoriale, adopter des lois et règlements pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par les navires étrangers, y compris les navires exerçant le droit de passage inoffensif. Ces lois et règlements, conformément à la section 3 de la partie II, ne doivent pas entraver le passage inoffensif des navires étrangers.
5. Aux fins de la mise en application visée à la section 6, les Etats côtiers peuvent adopter pour leur Zone économique exclusive des lois et règlements visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires qui soient conformes et donnent effet aux règles et normes internationales genéralement acceptées établies par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique générale.
6. a) Lorsque les règles et normes internationales visées au paragraphe 1 ne permettent pas de faire face d'une manière adéquate à des situations particulières et qu'un Etat côtier est raisonnablement fondé à considérer qu'une Zone particulière et clairement définie de sa Zone économique exclusive requiert l'adoption de mesures obligatoires spéciales pour la prévention de la pollution par les navires, pour des raisons techniques reconnues tenant à ses caractéristiques océanographiques et écologiques, à son utilisation ou à la protection de ses ressources et au caractère particulier du trafic, cet Etat peut, après avoir tenu par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente les consultations appropriées avec tout Etat concerné, adresser à cette organisation une communication concernant la Zone considérée en fournissant, à l'appui, des justifications scientifiques et techniques ainsi que des renseignements sur les installations de réception nécessaires. Dans un délai de 12 mois après réception de la communication, l'organisation décide si la situation dans la Zone considérée répond aux conditions précitées. Si l'organisation décide qu'il en est ainsi, l'Etat côtier peut adopter pour cette Zone des lois et règlements visant à prévenir, réduire et maitriser la pollution par les navires qui donnent effet aux règles et normes ou pratiques de navigation internationales que l'organisation a rendues applicables aux Zones spéciales. Ces lois et règlements ne deviennent applicables aux navires étrangers qu'à l'expiration d'un délai de 15 mois à compter de la date de la communication à l'organisation.
b) L'Etat côtier publie les limites de ces Zones particulières et clairement definies.
c) Lorsqu'il fait la communication précitée, l'Etat côtier indique parallèlement à l'organisation s'il a l'intention d'adopter pour la Zone qui en fait l'objet des lois et règlements supplémentaires visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires. Ces lois et règlements supplémentaires peuvent porter sur les rejets ou sur les pratiques de navigation, mais n'obligent pas les navires étrangers à respecter d'autres normes en matière de conception, de construction et d'armement que les règles et les normes internationales généralement acceptées; ils deviennent applicables aux navires étrangers à l'expiration d'un délai de 15 mois à compter de la date de la communication à l'organisation, sous réserve que celle-ci les approuve dans un délai de 12 mois à compter de cette date.
7. Les règles et normes internationales visées dans le présent article devraient prévoir, entre autres, l'obligation de notifier sans délai aux Etats côtiers dont le littoral ou les intérêts connexes risquent d'être affectés, les accidents de mer, notamment ceux qui entraînent ou risquent d'entraîner des rejets.
1. Les Etats, agissant par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique générale, adoptent des règles et normes internationales visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par les navires et s'attachent à favoriser l'adoption, s'il y a lieu de la même manière, de dispositifs de circulation des navires visant à réduire à un minimum le risque d'accidents susceptibles de polluer le milieu marin, y compris le littoral, et de porter atteinte de ce fait aux intérêts connexes des Etats côtiers. Ces règles et normes sont, de la même façon, réexaminées de temps à autre, selon qu'il est nécessaire.
2. Les Etats adoptent des lois et règlements pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par les navires battant leur pavillon ou immatriculés par eux. Ces lois et règlements ne doivent pas être moins efficaces que les règles et normes internationales généralement acceptées, établies par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique générale.
3. Les Etats qui, dans le but de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin, imposent aux navires étrangers des conditions particulières pour l'entrée dans leurs ports ou leurs eaux intérieures ou l'utilisation de leurs installations terminales au large, donnent la publicité voulue à ces conditions et les communiquent à l'organisation internationale compétente. Lorsque, en vue d'harmoniser la politique suivie en la matière, deux ou plusieurs Etats côtiers imposent de telles conditions sous une forme identique, il est indiqué dans la communication quels sont les Etats qui participent à de tels arrangements. Tout Etat exige du capitaine d'un navire battant son pavillon ou immatriculé par lui, lorsque ce navire se trouve dans la mer territoriale d'un Etat participant à ces arrangements conjoints, qu'il fournisse à la demande de cet Etat des renseignements indiquant s'il se dirige vers un Etat de la même région qui participe à ces arrangements et, dans l'affirmative, de préciser si le navire satisfait aux conditions imposées par cet Etat concernant l'entrée dans ses ports. Le présent article s'applique sans préjudice de la continuation de l'exercice par un navire de son droit de passage inoffensif ou de l'application de l'article 25, paragraphe 2.
4. Les Etats côtiers peuvent, dans l'exercice de leur souveraineté sur leur mer territoriale, adopter des lois et règlements pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par les navires étrangers, y compris les navires exerçant le droit de passage inoffensif. Ces lois et règlements, conformément à la section 3 de la partie II, ne doivent pas entraver le passage inoffensif des navires étrangers.
5. Aux fins de la mise en application visée à la section 6, les Etats côtiers peuvent adopter pour leur Zone économique exclusive des lois et règlements visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires qui soient conformes et donnent effet aux règles et normes internationales genéralement acceptées établies par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique générale.
6. a) Lorsque les règles et normes internationales visées au paragraphe 1 ne permettent pas de faire face d'une manière adéquate à des situations particulières et qu'un Etat côtier est raisonnablement fondé à considérer qu'une Zone particulière et clairement définie de sa Zone économique exclusive requiert l'adoption de mesures obligatoires spéciales pour la prévention de la pollution par les navires, pour des raisons techniques reconnues tenant à ses caractéristiques océanographiques et écologiques, à son utilisation ou à la protection de ses ressources et au caractère particulier du trafic, cet Etat peut, après avoir tenu par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente les consultations appropriées avec tout Etat concerné, adresser à cette organisation une communication concernant la Zone considérée en fournissant, à l'appui, des justifications scientifiques et techniques ainsi que des renseignements sur les installations de réception nécessaires. Dans un délai de 12 mois après réception de la communication, l'organisation décide si la situation dans la Zone considérée répond aux conditions précitées. Si l'organisation décide qu'il en est ainsi, l'Etat côtier peut adopter pour cette Zone des lois et règlements visant à prévenir, réduire et maitriser la pollution par les navires qui donnent effet aux règles et normes ou pratiques de navigation internationales que l'organisation a rendues applicables aux Zones spéciales. Ces lois et règlements ne deviennent applicables aux navires étrangers qu'à l'expiration d'un délai de 15 mois à compter de la date de la communication à l'organisation.
b) L'Etat côtier publie les limites de ces Zones particulières et clairement definies.
c) Lorsqu'il fait la communication précitée, l'Etat côtier indique parallèlement à l'organisation s'il a l'intention d'adopter pour la Zone qui en fait l'objet des lois et règlements supplémentaires visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires. Ces lois et règlements supplémentaires peuvent porter sur les rejets ou sur les pratiques de navigation, mais n'obligent pas les navires étrangers à respecter d'autres normes en matière de conception, de construction et d'armement que les règles et les normes internationales généralement acceptées; ils deviennent applicables aux navires étrangers à l'expiration d'un délai de 15 mois à compter de la date de la communication à l'organisation, sous réserve que celle-ci les approuve dans un délai de 12 mois à compter de cette date.
7. Les règles et normes internationales visées dans le présent article devraient prévoir, entre autres, l'obligation de notifier sans délai aux Etats côtiers dont le littoral ou les intérêts connexes risquent d'être affectés, les accidents de mer, notamment ceux qui entraînent ou risquent d'entraîner des rejets.
Art. 212. Verontreiniging vanuit of via de dampkring.
1. De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanuit of via de dampkring, welke toepasselijk zijn op het luchtruim waarover zij soevereiniteit uitoefenen en op schepen die hun vlag voeren of schepen of luchtvaartuigen die bij hen staan geregistreerd, met inachtneming van internationaal overeengekomen regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures en de veiligheid van de luchtvaart.
2. De Staten nemen de andere maatregelen die noodzakelijk kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
3. De Staten, daarbij in het bijzonder optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, trachten mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
1. De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanuit of via de dampkring, welke toepasselijk zijn op het luchtruim waarover zij soevereiniteit uitoefenen en op schepen die hun vlag voeren of schepen of luchtvaartuigen die bij hen staan geregistreerd, met inachtneming van internationaal overeengekomen regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures en de veiligheid van de luchtvaart.
2. De Staten nemen de andere maatregelen die noodzakelijk kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
3. De Staten, daarbij in het bijzonder optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, trachten mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
Art. 212. Pollution d'origine atmosphérique ou transatmosphérique.
1. Les Etats, afin de prévenir, réduire ou maîtriser la pollution du milieu marin d'origine atmosphérique ou transatmosphérique, adoptent des lois et règlements applicables à l'espace aérien où s'exerce leur souveraineté et aux navires battant leur pavillon ou aux navires ou aéronefs immatriculés par eux, en tenant compte des règles et des normes, ainsi que des pratiques et procédures recommandées, internationalement convenues, et de la sécurité de la navigation aérienne.
2. Les Etats prennent toutes autres mesures qui peuvent être nécessaires pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution.
3. Les Etats, agissant en particulier par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique, s'efforcent d'adopter sur le plan mondial et régional des règles et des normes, ainsi que des pratiques et procédures recommandées, pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution.
1. Les Etats, afin de prévenir, réduire ou maîtriser la pollution du milieu marin d'origine atmosphérique ou transatmosphérique, adoptent des lois et règlements applicables à l'espace aérien où s'exerce leur souveraineté et aux navires battant leur pavillon ou aux navires ou aéronefs immatriculés par eux, en tenant compte des règles et des normes, ainsi que des pratiques et procédures recommandées, internationalement convenues, et de la sécurité de la navigation aérienne.
2. Les Etats prennent toutes autres mesures qui peuvent être nécessaires pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution.
3. Les Etats, agissant en particulier par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique, s'efforcent d'adopter sur le plan mondial et régional des règles et des normes, ainsi que des pratiques et procédures recommandées, pour prévenir, réduire et maîtriser cette pollution.
Afdeling 6. - Handhaving van bepalingen.
Section 6. - Mise en application.
Art. 213. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging vanaf het land.
De Staten handhaven de bepalingen van hun overeenkomstig artikel 207 aangenomen wetten en voorschriften en nemen wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanaf het land.
De Staten handhaven de bepalingen van hun overeenkomstig artikel 207 aangenomen wetten en voorschriften en nemen wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanaf het land.
Art. 213. Mise en application de la réglementation relative à la pollution d'origine tellurique.
Les Etats assurent l'application des lois et règlements adoptés conformément à l'article 207; ils adoptent les lois et règlements et prennent les autres mesures nécessaires pour donner effet aux règles et normes internationales applicables, établies par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique, afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin d'origine tellurique.
Les Etats assurent l'application des lois et règlements adoptés conformément à l'article 207; ils adoptent les lois et règlements et prennent les autres mesures nécessaires pour donner effet aux règles et normes internationales applicables, établies par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique, afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin d'origine tellurique.
Art. 214. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging door werkzaamheden op de zeebodem.
De Staten handhaven de bepalingen van hun overeenkomstig artikel 208 aangenomen wetten en voorschriften en nemen de wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit of verband houdend met werkzaamheden op de zeebodem onder hun rechtsmacht verricht, alsmede veroorzaakt door kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen onder hun rechtsmacht ingevolge de artikelen 60 en 80.
De Staten handhaven de bepalingen van hun overeenkomstig artikel 208 aangenomen wetten en voorschriften en nemen de wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit of verband houdend met werkzaamheden op de zeebodem onder hun rechtsmacht verricht, alsmede veroorzaakt door kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen onder hun rechtsmacht ingevolge de artikelen 60 en 80.
Art. 214. Mise en application de la reglementation concernant la pollution résultant d'activités relatives aux fonds marins.
Les Etats assurent l'application des lois et règlements adoptés conformément à l'article 208; ils adoptent les lois et règlements et prennent les autres mesures nécessaires pour donner effet aux règles et normes internationales applicables, établies par l'intermédiaire des organisations internationales competentes ou d'une conférence diplomatique, afin de prévenir, reduire et maîtriser la pollution du milieu marin qui résulte directement ou indirectement des activités relatives aux fonds marins et relevant de leur juridiction, ou qui provient d'îles artificielles, d'installations et d'ouvrages relevant de leur juridiction en vertu des articles 60 et 80.
Les Etats assurent l'application des lois et règlements adoptés conformément à l'article 208; ils adoptent les lois et règlements et prennent les autres mesures nécessaires pour donner effet aux règles et normes internationales applicables, établies par l'intermédiaire des organisations internationales competentes ou d'une conférence diplomatique, afin de prévenir, reduire et maîtriser la pollution du milieu marin qui résulte directement ou indirectement des activités relatives aux fonds marins et relevant de leur juridiction, ou qui provient d'îles artificielles, d'installations et d'ouvrages relevant de leur juridiction en vertu des articles 60 et 80.
Art. 215. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging door werkzaamheden in het Gebied.
De handhaving van het bepaalde in internationale regels, voorschriften en procedures, die zijn vastgesteld overeenkomstig Deel XI ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door werkzaamheden in het Gebied, wordt geregeld in dat Deel.
De handhaving van het bepaalde in internationale regels, voorschriften en procedures, die zijn vastgesteld overeenkomstig Deel XI ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door werkzaamheden in het Gebied, wordt geregeld in dat Deel.
Art. 215. Mise en application de la réglementation internationale relative à la pollution résultant d'activités menées dans la Zone.
La mise en application des règles, règlements et procédures internationaux établis conformément à la partie XI pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin résultant d'activités menées dans la Zone est régie par cette partie.
La mise en application des règles, règlements et procédures internationaux établis conformément à la partie XI pour prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin résultant d'activités menées dans la Zone est régie par cette partie.
Art. 216. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging door storting.
1. De handhaving van de bepalingen van de wetten en voorschriften, aangenomen overeenkomstig dit Verdrag en van de van toepassing zijnde internationale regels en voorschriften, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door storting, geschiedt :
a) door de kuststaat met betrekking tot storting binnen zijn territoriale zee of zijn exclusieve economische Zone of op zijn continentale plat;
b) door de vlaggenstaat met betrekking tot schepen die zijn vlag voeren of schepen of luchtvaartuigen die bij deze Staat zijn geregistreerd;
c) door elke Staat met betrekking tot het laden van afvalstoffen of andere materialen dat geschiedt binnen zijn grondgebied of op zijn laad- of losplaatsen buitengaats.
2. Een Staat wordt niet uit hoofde van dit artikel verplicht een rechtsvervolging in te stellen wanneer een andere Staat reeds overeenkomstig dit artikel een rechtsvervolging heeft ingesteld.
1. De handhaving van de bepalingen van de wetten en voorschriften, aangenomen overeenkomstig dit Verdrag en van de van toepassing zijnde internationale regels en voorschriften, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door storting, geschiedt :
a) door de kuststaat met betrekking tot storting binnen zijn territoriale zee of zijn exclusieve economische Zone of op zijn continentale plat;
b) door de vlaggenstaat met betrekking tot schepen die zijn vlag voeren of schepen of luchtvaartuigen die bij deze Staat zijn geregistreerd;
c) door elke Staat met betrekking tot het laden van afvalstoffen of andere materialen dat geschiedt binnen zijn grondgebied of op zijn laad- of losplaatsen buitengaats.
2. Een Staat wordt niet uit hoofde van dit artikel verplicht een rechtsvervolging in te stellen wanneer een andere Staat reeds overeenkomstig dit artikel een rechtsvervolging heeft ingesteld.
Art. 216. Mise en application de la réglementation relative à la pollution par immersion.
1. Les lois et règlements adoptés en conformité avec la Convention et les règles et normes internationales applicables établies par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par immersion sont mis en application par :
a) l'Etat côtier, pour ce qui est de l'immersion dans les limites de sa mer territoriale ou de sa Zone économique exclusive ou sur son plateau continental;
b) l'Etat du pavillon, pour ce qui est des navires battant son pavillon ou des navires ou aéronefs immatriculés par lui;
c) tout Etat, pour ce qui est du chargement de déchets ou autres matières sur son territoire ou à ses installations terminales au large.
2. Aucun Etat n'est tenu, en vertu du présent article, d'intenter une action lorsqu'une action a déjà été engagée par un autre Etat conformément à ce même article.
1. Les lois et règlements adoptés en conformité avec la Convention et les règles et normes internationales applicables établies par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par immersion sont mis en application par :
a) l'Etat côtier, pour ce qui est de l'immersion dans les limites de sa mer territoriale ou de sa Zone économique exclusive ou sur son plateau continental;
b) l'Etat du pavillon, pour ce qui est des navires battant son pavillon ou des navires ou aéronefs immatriculés par lui;
c) tout Etat, pour ce qui est du chargement de déchets ou autres matières sur son territoire ou à ses installations terminales au large.
2. Aucun Etat n'est tenu, en vertu du présent article, d'intenter une action lorsqu'une action a déjà été engagée par un autre Etat conformément à ce même article.
Art. 217. Handhaving van de bepalingen door vlaggenstaten.
1. De Staten verzekeren de naleving door schepen die hun vlag voeren of bij hen geregistreerd zijn van de van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie, en van hun overeenkomstig dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door schepen en nemen dienovereenkomstig wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen die nodig zijn voor de toepassing ervan. De vlaggenstaten zien toe op de doeltreffende handhaving van het bepaalde in zodanige regels, normen, wetten en voorschriften, ongeacht waar zich een overtreding voordoet.
2. De Staten nemen inzonderheid passende maatregelen ten einde te verzekeren dat aan schepen die hun vlag voeren of bij hen staan geregistreerd wordt verboden uit te varen, totdat zij zee kunnen kiezen met inachtneming van de vereisten van de in het eerste lid bedoelde internationale regels en normen, met inbegrip van de vereisten met betrekking tot het ontwerp, de constructie, uitrusting en bemanning van schepen.
3. De Staten verzekeren dat schepen die hun vlag voeren of bij hen zijn geregistreerd de certificaten aan boord hebben die worden vereist door en afgegeven ingevolge de in het eerste lid bedoelde internationale regels en normen. De Staten verzekeren dat schepen die hun vlag voeren periodiek worden geïnspecteerd ten einde na te gaan of deze certificaten in overeenstemming zijn met de feitelijke staat waarin de schepen verkeren. Deze certificaten worden door andere Staten aanvaard als bewijs van de staat waarin de schepen verkeren en worden door hen geacht dezelfde rechtskracht te bezitten als door hen afgegeven certificaten, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de staat waarin het schip verkeert niet wezenlijk overeenkomt met de gegevens van de certificaten.
4. Indien een schip een overtreding begaat van via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie vastgestelde regels en normen, zorgt de vlaggenstaat, onverminderd de artikelen 218, 220 en 228, voor een onmiddellijk onderzoek en stelt waar passend een rechtsvervolging in met betrekking tot de beweerde overtreding, ongeacht waar de overtreding zich heeft voorgedaan of waar de door deze overtreding veroorzaakte verontreiniging zich heeft voorgedaan of is geconstateerd.
5. Vlaggenstaten die een onderzoek naar de overtreding verrichten, kunnen de bijstand verzoeken van andere Staten wier medewerking nuttig zou kunnen zijn bij het ophelderen van de desbetreffende omstandigheden. De Staten trachten aan passende verzoeken van vlaggenstaten te voldoen.
6. De Staten stellen, op schriftelijk verzoek van een Staat, een onderzoek in naar overtredingen, waarvan wordt beweerd dat deze zijn begaan door schepen die hun vlag voeren. Indien te hunnen genoegen is aangetoond dat voldoende bewijsmateriaal beschikbaar is om een rechtsvervolging te kunnen instellen met betrekking tot de beweerde overtreding, stellen vlaggenstaten onverwijld een zodanige rechtsvervolging overeenkomstig hun wetten in.
7. Vlaggenstaten stellen de verzoekende Staat en de bevoegde internationale organisatie onverwijld in kennis van de ondernomen stappen en de resultaten daarvan. Deze informatie is voor alle Staten beschikbaar.
8. De in de wetten en voorschriften van Staten voorziene straffen voor schepen die hun vlag voeren dienen zwaar genoeg te zijn om deze van overtredingen, waar deze zich ook voordoen, te weerhouden.
1. De Staten verzekeren de naleving door schepen die hun vlag voeren of bij hen geregistreerd zijn van de van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie, en van hun overeenkomstig dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door schepen en nemen dienovereenkomstig wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen die nodig zijn voor de toepassing ervan. De vlaggenstaten zien toe op de doeltreffende handhaving van het bepaalde in zodanige regels, normen, wetten en voorschriften, ongeacht waar zich een overtreding voordoet.
2. De Staten nemen inzonderheid passende maatregelen ten einde te verzekeren dat aan schepen die hun vlag voeren of bij hen staan geregistreerd wordt verboden uit te varen, totdat zij zee kunnen kiezen met inachtneming van de vereisten van de in het eerste lid bedoelde internationale regels en normen, met inbegrip van de vereisten met betrekking tot het ontwerp, de constructie, uitrusting en bemanning van schepen.
3. De Staten verzekeren dat schepen die hun vlag voeren of bij hen zijn geregistreerd de certificaten aan boord hebben die worden vereist door en afgegeven ingevolge de in het eerste lid bedoelde internationale regels en normen. De Staten verzekeren dat schepen die hun vlag voeren periodiek worden geïnspecteerd ten einde na te gaan of deze certificaten in overeenstemming zijn met de feitelijke staat waarin de schepen verkeren. Deze certificaten worden door andere Staten aanvaard als bewijs van de staat waarin de schepen verkeren en worden door hen geacht dezelfde rechtskracht te bezitten als door hen afgegeven certificaten, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de staat waarin het schip verkeert niet wezenlijk overeenkomt met de gegevens van de certificaten.
4. Indien een schip een overtreding begaat van via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie vastgestelde regels en normen, zorgt de vlaggenstaat, onverminderd de artikelen 218, 220 en 228, voor een onmiddellijk onderzoek en stelt waar passend een rechtsvervolging in met betrekking tot de beweerde overtreding, ongeacht waar de overtreding zich heeft voorgedaan of waar de door deze overtreding veroorzaakte verontreiniging zich heeft voorgedaan of is geconstateerd.
5. Vlaggenstaten die een onderzoek naar de overtreding verrichten, kunnen de bijstand verzoeken van andere Staten wier medewerking nuttig zou kunnen zijn bij het ophelderen van de desbetreffende omstandigheden. De Staten trachten aan passende verzoeken van vlaggenstaten te voldoen.
6. De Staten stellen, op schriftelijk verzoek van een Staat, een onderzoek in naar overtredingen, waarvan wordt beweerd dat deze zijn begaan door schepen die hun vlag voeren. Indien te hunnen genoegen is aangetoond dat voldoende bewijsmateriaal beschikbaar is om een rechtsvervolging te kunnen instellen met betrekking tot de beweerde overtreding, stellen vlaggenstaten onverwijld een zodanige rechtsvervolging overeenkomstig hun wetten in.
7. Vlaggenstaten stellen de verzoekende Staat en de bevoegde internationale organisatie onverwijld in kennis van de ondernomen stappen en de resultaten daarvan. Deze informatie is voor alle Staten beschikbaar.
8. De in de wetten en voorschriften van Staten voorziene straffen voor schepen die hun vlag voeren dienen zwaar genoeg te zijn om deze van overtredingen, waar deze zich ook voordoen, te weerhouden.
Art. 217. Pouvoirs de l'Etat du pavillon.
1. Les Etats veillent à ce que les navires battant leur pavillon ou immatriculés par eux respectent les règles et normes internationales applicables établies par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique générale, ainsi que les lois et règlements qu'ils ont adoptés conformément à la Convention afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par les navires et ils adoptent les lois et règlements et prennent les mesures nécessaires pour leur donner effet. L'Etat du pavillon veille à ce que ces règles, normes, lois et règlements soient effectivement appliqués, quel que soit le lieu de l'infraction.
2. Les Etats prennent en particulier les mesures appropriées pour interdire aux navires battant leur pavillon ou immatriculés par eux d'appareiller tant qu'ils ne se sont pas conformés aux règles et normes internationales visées au paragraphe 1, y compris les dispositions concernant la conception, la construction et l'armement des navires.
3. Les Etats veillent à ce que les navires battant leur pavillon ou immatriculés par eux soient munis des certificats requis et délivrés en application des règles et normes internationales visées au paragraphe 1, les Etats veillent à ce que les navires battant leur pavillon soient inspectés périodiquement pour vérifier que les mentions portées sur les certificats sont conformes à l'Etat effectif du navire. Les autres Etats acceptent ces certificats comme preuve de l'Etat du navire et leur reconnaissent la même force qu'à ceux qu'ils délivrent, à moins qu'il n'y ait de sérieuses raisons de penser que l'Etat du navire ne correspond pas, dans une mesure importante, aux mentions portées sur les certificats.
4. Si un navire commet une infraction aux règles et normes établies par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique générale, l'Etat du pavillon, sans préjudice des articles 218, 220 et 228, fait immédiatement procéder à une enquête et, le cas échéant, intente une action pour l'infraction présumée, quel que soit le lieu de cette infraction ou l'endroit où la pollution en résultant s'est produite ou a été constatée.
5. Lorsqu'il enquête sur l'infraction, l'Etat du pavillon peut demander l'assistance de tout autre Etat dont la coopération pourrait être utile pour élucider les circonstances de l'affaire, les Etats s'efforcent de répondre aux demandes appropriées de l'Etat du pavillon.
6. Les Etats, sur demande écrite d'un Etat, enquêtent sur toute infraction qui aurait été commise par les navires battant leur pavillon. L'Etat du pavillon engage sans retard, conformément à son droit interne, des poursuites du chef de l'infraction présumée s'il est convaincu de disposer de preuves suffisantes pour ce faire.
7. L'Etat du pavillon informe sans délai l'Etat demandeur et l'organisation internationale compétente de l'action engagée et de ses résultats. Tous les Etats ont accès aux renseignements ainsi communiqués.
8. Les sanctions prévues par les lois et règlements des Etats à l'encontre des navires battant leur pavillon doivent être suffisamment rigoureuses pour décourager les infractions en quelque lieu que ce soit.
1. Les Etats veillent à ce que les navires battant leur pavillon ou immatriculés par eux respectent les règles et normes internationales applicables établies par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique générale, ainsi que les lois et règlements qu'ils ont adoptés conformément à la Convention afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par les navires et ils adoptent les lois et règlements et prennent les mesures nécessaires pour leur donner effet. L'Etat du pavillon veille à ce que ces règles, normes, lois et règlements soient effectivement appliqués, quel que soit le lieu de l'infraction.
2. Les Etats prennent en particulier les mesures appropriées pour interdire aux navires battant leur pavillon ou immatriculés par eux d'appareiller tant qu'ils ne se sont pas conformés aux règles et normes internationales visées au paragraphe 1, y compris les dispositions concernant la conception, la construction et l'armement des navires.
3. Les Etats veillent à ce que les navires battant leur pavillon ou immatriculés par eux soient munis des certificats requis et délivrés en application des règles et normes internationales visées au paragraphe 1, les Etats veillent à ce que les navires battant leur pavillon soient inspectés périodiquement pour vérifier que les mentions portées sur les certificats sont conformes à l'Etat effectif du navire. Les autres Etats acceptent ces certificats comme preuve de l'Etat du navire et leur reconnaissent la même force qu'à ceux qu'ils délivrent, à moins qu'il n'y ait de sérieuses raisons de penser que l'Etat du navire ne correspond pas, dans une mesure importante, aux mentions portées sur les certificats.
4. Si un navire commet une infraction aux règles et normes établies par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique générale, l'Etat du pavillon, sans préjudice des articles 218, 220 et 228, fait immédiatement procéder à une enquête et, le cas échéant, intente une action pour l'infraction présumée, quel que soit le lieu de cette infraction ou l'endroit où la pollution en résultant s'est produite ou a été constatée.
5. Lorsqu'il enquête sur l'infraction, l'Etat du pavillon peut demander l'assistance de tout autre Etat dont la coopération pourrait être utile pour élucider les circonstances de l'affaire, les Etats s'efforcent de répondre aux demandes appropriées de l'Etat du pavillon.
6. Les Etats, sur demande écrite d'un Etat, enquêtent sur toute infraction qui aurait été commise par les navires battant leur pavillon. L'Etat du pavillon engage sans retard, conformément à son droit interne, des poursuites du chef de l'infraction présumée s'il est convaincu de disposer de preuves suffisantes pour ce faire.
7. L'Etat du pavillon informe sans délai l'Etat demandeur et l'organisation internationale compétente de l'action engagée et de ses résultats. Tous les Etats ont accès aux renseignements ainsi communiqués.
8. Les sanctions prévues par les lois et règlements des Etats à l'encontre des navires battant leur pavillon doivent être suffisamment rigoureuses pour décourager les infractions en quelque lieu que ce soit.
Art. 218. Handhaving van de bepalingen door havenstaten.
1. Wanneer een schip zich vrijwillig in een haven of op een laad- of losplaats buitengaats van een Staat bevindt, kan die Staat een onderzoek doen en, wanneer het bewijsmateriaal zulks vereist, een rechtsvervolging instellen met betrekking tot enige lozing uit dat schip buiten de binnenwateren, de territoriale zee of exclusieve economische Zone van die Staat in overtreding van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie.
2. Er wordt door bovenbedoelde Staat geen rechtsvervolging ingevolge het eerste lid ingesteld met betrekking tot een lozing die een overtreding vormt in de binnenwateren, de territoriale zee of de exclusieve economische Zone van een andere Staat, tenzij daarom verzocht wordt door die Staat, de vlaggenstaat of een Staat die schade heeft geleden of risico's loopt door de lozing die een overtreding vormt, of tenzij de schending verontreiniging heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken in de binnenwateren, de territoriale zee of exclusieve economische Zone van de Staat die de rechtsvervolging instelt.
3. Wanneer een schip zich vrijwillig in een haven of op een laad- of losplaats buitengaats van een Staat bevindt, voldoet die Staat, voor zover uitvoerbaar, aan verzoeken van andere Staten om onderzoek naar een lozing die een overtreding vormt, zoals bedoeld in het eerste lid, waarvan wordt aangenomen dat deze zich heeft voorgedaan in, schade heeft veroorzaakt of dreigde te veroorzaken in de binnenwateren, de territoriale zee of de exclusieve economische zone van de verzoekende Staat. Hij voldoet eveneens, voor zover uitvoerbaar, aan verzoeken van de vlaggenstaat om onderzoek naar zulk een overtreding, ongeacht waar de overtreding zich heeft voorgedaan.
4. Het dossier van een ingevolge dit artikel door een havenstaat verricht onderzoek wordt op verzoek toegezonden aan de vlaggenstaat of de kuststaat.
Een op basis van zulk een onderzoek door de havenstaat ingestelde rechtsvervolging kan, onverminderd het bepaalde in afdeling 7, worden geschorst op verzoek van de kuststaat wanneer de overtreding zich heeft voorgedaan binnen zijn binnenwateren, territoriale zee of exclusieve economische zone. Het bewijsmateriaal en het dossier van de zaak, te samen met een borgstelling of andere financiële zekerheid nedergelegd bij de autoriteiten van de havenstaat, worden in dat geval overgedragen aan de kuststaat. Deze overdracht sluit de voortzetting van de rechtsvervolging in de havenstaat uit.
1. Wanneer een schip zich vrijwillig in een haven of op een laad- of losplaats buitengaats van een Staat bevindt, kan die Staat een onderzoek doen en, wanneer het bewijsmateriaal zulks vereist, een rechtsvervolging instellen met betrekking tot enige lozing uit dat schip buiten de binnenwateren, de territoriale zee of exclusieve economische Zone van die Staat in overtreding van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie.
2. Er wordt door bovenbedoelde Staat geen rechtsvervolging ingevolge het eerste lid ingesteld met betrekking tot een lozing die een overtreding vormt in de binnenwateren, de territoriale zee of de exclusieve economische Zone van een andere Staat, tenzij daarom verzocht wordt door die Staat, de vlaggenstaat of een Staat die schade heeft geleden of risico's loopt door de lozing die een overtreding vormt, of tenzij de schending verontreiniging heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken in de binnenwateren, de territoriale zee of exclusieve economische Zone van de Staat die de rechtsvervolging instelt.
3. Wanneer een schip zich vrijwillig in een haven of op een laad- of losplaats buitengaats van een Staat bevindt, voldoet die Staat, voor zover uitvoerbaar, aan verzoeken van andere Staten om onderzoek naar een lozing die een overtreding vormt, zoals bedoeld in het eerste lid, waarvan wordt aangenomen dat deze zich heeft voorgedaan in, schade heeft veroorzaakt of dreigde te veroorzaken in de binnenwateren, de territoriale zee of de exclusieve economische zone van de verzoekende Staat. Hij voldoet eveneens, voor zover uitvoerbaar, aan verzoeken van de vlaggenstaat om onderzoek naar zulk een overtreding, ongeacht waar de overtreding zich heeft voorgedaan.
4. Het dossier van een ingevolge dit artikel door een havenstaat verricht onderzoek wordt op verzoek toegezonden aan de vlaggenstaat of de kuststaat.
Een op basis van zulk een onderzoek door de havenstaat ingestelde rechtsvervolging kan, onverminderd het bepaalde in afdeling 7, worden geschorst op verzoek van de kuststaat wanneer de overtreding zich heeft voorgedaan binnen zijn binnenwateren, territoriale zee of exclusieve economische zone. Het bewijsmateriaal en het dossier van de zaak, te samen met een borgstelling of andere financiële zekerheid nedergelegd bij de autoriteiten van de havenstaat, worden in dat geval overgedragen aan de kuststaat. Deze overdracht sluit de voortzetting van de rechtsvervolging in de havenstaat uit.
Art. 218. Pouvoirs de l'Etat du port.
1. Lorsqu'un navire se trouve volontairement dans un port ou à une installation terminale au large, l'Etat du port peut ouvrir une enquête et, lorsque les éléments de preuve le justifient, intenter une action pour tout rejet effectué au-delà de ses eaux intérieures, de sa mer territoriale ou de sa Zone économique exclusive par le navire en infraction aux règles et normes internationales applicables établies par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique générale.
2. L'Etat du port n'intente pas d'action en vertu du paragraphe 1 pour une infraction du fait de rejets effectués dans les eaux intérieures, la mer territoriale ou la Zone économique exclusive d'un autre Etat, sauf si ces rejets ont entraîné ou risquent d'entraîner la pollution de ses eaux intérieures, de sa mer territoriale ou de sa Zone économique exclusive, ou si l'autre Etat, l'Etat du pavillon ou un Etat qui a subi ou risque de subir des dommages du fait de ces rejets, le demande.
3. Lorsqu'un navire se trouve volontairement dans un port ou à une installation terminale au large, l'Etat du port s'efforce de faire droit aux demandes d'enquête de tout autre Etat au sujet de rejets susceptibles de constituer l'infraction visée au paragraphe 1 qui auraient été effectués dans les eaux intérieures, la mer territoriale ou la zone économique exclusive de l'Etat demandeur, et qui auraient pollué ou risqueraient de polluer ces zones. L'Etat du port s'efforce également de faire droit aux demandes d'enquête de l'Etat du pavillon au sujet de telles infractions, où que celles-ci puissent avoir été commises.
4. Le dossier de l'enquête effectuée par l'Etat du port en application du présent article est transmis, sur leur demande, à l'Etat du pavillon ou à l'Etat côtier. Toute action engagée par l'Etat du port sur la base de cette enquête peut, sous réserve de la section 7, être suspendue à la demande de l'Etat côtier, lorsque l'infraction a été commise dans les eaux intérieures, la mer territoriale ou la zone economique exclusive de ce dernier. Les éléments de preuve, le dossier de l'affaire, ainsi que toute caution ou autre garantie financière déposée auprès des autorités de l'Etat du port, sont alors transmis à l'Etat côtier. Cette transmission exclut que l'action soit poursuivie dans l'Etat du port.
1. Lorsqu'un navire se trouve volontairement dans un port ou à une installation terminale au large, l'Etat du port peut ouvrir une enquête et, lorsque les éléments de preuve le justifient, intenter une action pour tout rejet effectué au-delà de ses eaux intérieures, de sa mer territoriale ou de sa Zone économique exclusive par le navire en infraction aux règles et normes internationales applicables établies par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique générale.
2. L'Etat du port n'intente pas d'action en vertu du paragraphe 1 pour une infraction du fait de rejets effectués dans les eaux intérieures, la mer territoriale ou la Zone économique exclusive d'un autre Etat, sauf si ces rejets ont entraîné ou risquent d'entraîner la pollution de ses eaux intérieures, de sa mer territoriale ou de sa Zone économique exclusive, ou si l'autre Etat, l'Etat du pavillon ou un Etat qui a subi ou risque de subir des dommages du fait de ces rejets, le demande.
3. Lorsqu'un navire se trouve volontairement dans un port ou à une installation terminale au large, l'Etat du port s'efforce de faire droit aux demandes d'enquête de tout autre Etat au sujet de rejets susceptibles de constituer l'infraction visée au paragraphe 1 qui auraient été effectués dans les eaux intérieures, la mer territoriale ou la zone économique exclusive de l'Etat demandeur, et qui auraient pollué ou risqueraient de polluer ces zones. L'Etat du port s'efforce également de faire droit aux demandes d'enquête de l'Etat du pavillon au sujet de telles infractions, où que celles-ci puissent avoir été commises.
4. Le dossier de l'enquête effectuée par l'Etat du port en application du présent article est transmis, sur leur demande, à l'Etat du pavillon ou à l'Etat côtier. Toute action engagée par l'Etat du port sur la base de cette enquête peut, sous réserve de la section 7, être suspendue à la demande de l'Etat côtier, lorsque l'infraction a été commise dans les eaux intérieures, la mer territoriale ou la zone economique exclusive de ce dernier. Les éléments de preuve, le dossier de l'affaire, ainsi que toute caution ou autre garantie financière déposée auprès des autorités de l'Etat du port, sont alors transmis à l'Etat côtier. Cette transmission exclut que l'action soit poursuivie dans l'Etat du port.
Art. 219. Maatregelen betreffende de zeewaardigheid van schepen ter vermijding van verontreiniging.
Onverminderd het bepaalde in afdeling 7 nemen Staten die, op verzoek of eigener beweging, hebben geconstateerd dat een schip in een van hun havens of op een van hun laad- of losplaatsen buitengaats, de van toepassing zijnde internationale regels en normen betreffende de zeewaardigheid van schepen overtreedt en daardoor het mariene milieu schade dreigt toe te brengen, voor zover uitvoerbaar, administratieve maatregelen om het schip te beletten uit te varen. Deze Staten kunnen het schip toestaan, slechts verder te varen naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf en, na wegneming van de oorzaken van de overtreding, staan zij het schip toe, onmiddellijk verder te varen.
Onverminderd het bepaalde in afdeling 7 nemen Staten die, op verzoek of eigener beweging, hebben geconstateerd dat een schip in een van hun havens of op een van hun laad- of losplaatsen buitengaats, de van toepassing zijnde internationale regels en normen betreffende de zeewaardigheid van schepen overtreedt en daardoor het mariene milieu schade dreigt toe te brengen, voor zover uitvoerbaar, administratieve maatregelen om het schip te beletten uit te varen. Deze Staten kunnen het schip toestaan, slechts verder te varen naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf en, na wegneming van de oorzaken van de overtreding, staan zij het schip toe, onmiddellijk verder te varen.
Art. 219. Mesures de contrôle de la navigabilité visant a éviter la pollution.
Sous réserve de la section 7, les Etats, lorsqu'ils ont déterminé, sur demande ou de leur propre initiative, qu'un navire se trouvant dans un de leurs ports ou à une de leurs installations terminales au large a enfreint les règles et normes internationales applicables concernant la navigabilité des navires et risque de ce fait de causer des dommages au milieu marin, prennent, autant que faire se peut, des mesures administratives pour empêcher ce navire d'appareiller. Ils ne l'autorisent qu'à se rendre au chantier de réparation approprié le plus proche et, une fois éliminées les causes de l'infraction, ils lui permettent de poursuivre sa route sans délai.
Sous réserve de la section 7, les Etats, lorsqu'ils ont déterminé, sur demande ou de leur propre initiative, qu'un navire se trouvant dans un de leurs ports ou à une de leurs installations terminales au large a enfreint les règles et normes internationales applicables concernant la navigabilité des navires et risque de ce fait de causer des dommages au milieu marin, prennent, autant que faire se peut, des mesures administratives pour empêcher ce navire d'appareiller. Ils ne l'autorisent qu'à se rendre au chantier de réparation approprié le plus proche et, une fois éliminées les causes de l'infraction, ils lui permettent de poursuivre sa route sans délai.
Art. 220. Handhaving van de bepalingen door kuststaten.
1. Wanneer een schip zich vrijwillig in een haven of op een laad- of losplaats buitengaats van een Staat bevindt, kan die Staat, onder voorbehoud van het bepaald in afdeling 7, een rechtsvervolging instellen met betrekking tot overtredingen van zijn overeenkomstig dit Verdrag of van toepassing zijnde internationale regels en normen aangenomen wetten en voorschriften ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen wanneer de overtreding zich heeft voorgedaan binnen de territoriale zee of de exclusieve economische zone van die Staat.
2. Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat een in de territoriale zee van een Staat varend schip tijdens zijn doorvaart, overeenkomstig dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften van die Staat of van toepassing zijnde internationale regels en normen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen heeft overtreden, kan die Staat onverminderd de toepassing van de desbetreffende bepalingen van Deel II, afdeling 3, overgaan tot de feitelijke inspectie van het schip met betrekking tot de overtreding en kan hij, wanneer het bewijsmateriaal zulks vereist, een rechtsvervolging instellen, met inbegrip van de vasthouding van het schip, overeenkomstig zijn wetten, onder voorbehoud van het bepaalde in afdeling 7.
3. Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat een schip varend in de exclusieve economische zone of de territoriale zee van een Staat in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan van van toepassing zijnde internationale regels en normen voor de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen of van de wetten en voorschriften van die Staat, aangenomen overeenkomstig en ter uitvoering van zodanige regels en normen, kan die Staat verlangen dat het schip informatie verstrekt aangaande zijn identiteit en haven van registratie, zijn laatste en zijn volgende aanloophaven en andere van belang zijnde informatie, vereist om vast te stellen of zich een overtreding heeft voorgedaan.
4. Staten nemen wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen zodat schepen die hun vlag voeren, voldoen aan verzoeken om informatie ingevolge het derde lid.
5. Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen, dat een schip varend in de exclusieve economische zone of de territoriale zee van een Staat, in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan zoals bedoeld in het derde lid, leidend tot een aanzienlijke lozing die aanmerkelijke verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, kan die Staat overgaan tot feitelijke inspectie van het schip voor aangelegenheden betreffende de overtreding indien het schip geweigerd heeft informatie te verstrekken, of indien de door het schip verstrekte informatie zeer duidelijk afwijkt van de feitelijke situatie en indien de omstandigheden van het geval een zodanige inspectie rechtvaardigen.
6. Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen, dat een schip, varend in de exclusieve economische zone of de territoriale zee van een Staat, in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan zoals bedoeld in het derde lid, leidend tot een lozing die grote schade of het risico van grote schade aan de kustlijn of daarmede samenhangende belangen van de kuststaat veroorzaakt, dan wel aan de rijkdommen van zijn territoriale zee of exclusieve economische zone, kan die Staat, onverminderd het bepaalde in afdeling 7, mits het bewijsmateriaal zulks rechtvaardigt, een rechtsvervolging instellen, met inbegrip van de vasthouding van het schip, overeenkomstig zijn wetten.
7. Niettegenstaande de bepalingen van het zesde lid, laat de kuststaat, indien er passende procedures zijn vastgesteld via de bevoegde internationale organisaties of zoals anderszins overeengekomen, waarbij het naleven van de vereisten inzake borgstelling of een andere passende vorm van financiële zekerheid is verzekerd, indien deze Staat door zulke procedures is gebonden, het schip de reis voortzetten.
8. De bepalingen van het derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, zijn ook van toepassing met betrekking tot nationale wetten en voorschriften, aangenomen krachtens artikel 211, zesde lid.
1. Wanneer een schip zich vrijwillig in een haven of op een laad- of losplaats buitengaats van een Staat bevindt, kan die Staat, onder voorbehoud van het bepaald in afdeling 7, een rechtsvervolging instellen met betrekking tot overtredingen van zijn overeenkomstig dit Verdrag of van toepassing zijnde internationale regels en normen aangenomen wetten en voorschriften ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen wanneer de overtreding zich heeft voorgedaan binnen de territoriale zee of de exclusieve economische zone van die Staat.
2. Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat een in de territoriale zee van een Staat varend schip tijdens zijn doorvaart, overeenkomstig dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften van die Staat of van toepassing zijnde internationale regels en normen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen heeft overtreden, kan die Staat onverminderd de toepassing van de desbetreffende bepalingen van Deel II, afdeling 3, overgaan tot de feitelijke inspectie van het schip met betrekking tot de overtreding en kan hij, wanneer het bewijsmateriaal zulks vereist, een rechtsvervolging instellen, met inbegrip van de vasthouding van het schip, overeenkomstig zijn wetten, onder voorbehoud van het bepaalde in afdeling 7.
3. Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat een schip varend in de exclusieve economische zone of de territoriale zee van een Staat in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan van van toepassing zijnde internationale regels en normen voor de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen of van de wetten en voorschriften van die Staat, aangenomen overeenkomstig en ter uitvoering van zodanige regels en normen, kan die Staat verlangen dat het schip informatie verstrekt aangaande zijn identiteit en haven van registratie, zijn laatste en zijn volgende aanloophaven en andere van belang zijnde informatie, vereist om vast te stellen of zich een overtreding heeft voorgedaan.
4. Staten nemen wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen zodat schepen die hun vlag voeren, voldoen aan verzoeken om informatie ingevolge het derde lid.
5. Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen, dat een schip varend in de exclusieve economische zone of de territoriale zee van een Staat, in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan zoals bedoeld in het derde lid, leidend tot een aanzienlijke lozing die aanmerkelijke verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, kan die Staat overgaan tot feitelijke inspectie van het schip voor aangelegenheden betreffende de overtreding indien het schip geweigerd heeft informatie te verstrekken, of indien de door het schip verstrekte informatie zeer duidelijk afwijkt van de feitelijke situatie en indien de omstandigheden van het geval een zodanige inspectie rechtvaardigen.
6. Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen, dat een schip, varend in de exclusieve economische zone of de territoriale zee van een Staat, in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan zoals bedoeld in het derde lid, leidend tot een lozing die grote schade of het risico van grote schade aan de kustlijn of daarmede samenhangende belangen van de kuststaat veroorzaakt, dan wel aan de rijkdommen van zijn territoriale zee of exclusieve economische zone, kan die Staat, onverminderd het bepaalde in afdeling 7, mits het bewijsmateriaal zulks rechtvaardigt, een rechtsvervolging instellen, met inbegrip van de vasthouding van het schip, overeenkomstig zijn wetten.
7. Niettegenstaande de bepalingen van het zesde lid, laat de kuststaat, indien er passende procedures zijn vastgesteld via de bevoegde internationale organisaties of zoals anderszins overeengekomen, waarbij het naleven van de vereisten inzake borgstelling of een andere passende vorm van financiële zekerheid is verzekerd, indien deze Staat door zulke procedures is gebonden, het schip de reis voortzetten.
8. De bepalingen van het derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, zijn ook van toepassing met betrekking tot nationale wetten en voorschriften, aangenomen krachtens artikel 211, zesde lid.
Art. 220. Pouvoirs de l'Etat côtier.
1. Lorsqu'un navire se trouve volontairement dans un port ou à une installation terminale au large, l'Etat du port peut, sous réserve de la section 7, intenter une action pour toute infraction aux lois et règlements qu'il a adoptés conformément à la Convention ou aux règles et normes internationales applicables visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires, si l'infraction a été commise dans sa mer territoriale ou sa zone économique exclusive.
2. Lorsqu'un Etat a de sérieuses raisons de penser qu'un navire naviguant dans sa mer territoriale a enfreint, lors de son passage, des lois et règlements qu'il a adoptés en conformité de la Convention ou des règles et normes internationales applicables visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires, il peut procéder, sans préjudice de l'application des dispositions pertinentes de la section 3 de la partie II, à l'inspection matérielle du navire pour établir l'infraction et, lorsque les éléments de preuve le justifient, intenter une action et notamment ordonner l'immobilisation du navire conformément à son droit interne, sous réserve de la section 7.
3. Lorsqu'un Etat a de sérieuses raisons de penser qu'un navire naviguant dans sa zone économique exclusive ou sa mer territoriale a commis, dans la zone économique exclusive, une infraction aux règles et normes internationales applicables visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires ou aux lois et règlements qu'il a adoptés conformément à ces règles et normes internationales et leur donnant effet, cet Etat peut demander au navire de fournir des renseignements concernant son identité et son port d'immatriculation, son dernier et son prochain port d'escale et autres renseignements pertinents requis pour établir si une infraction a été commise.
4. Les Etats adoptent les lois et règlements et prennent les mesures nécessaires pour que les navires battant leur pavillon fassent droit aux demandes de renseignements visées au paragraphe 3.
5. Lorsqu'un Etat a de sérieuses raisons de penser qu'un navire naviguant dans sa zone économique exclusive ou sa mer territoriale a commis, dans la zone économique exclusive, une infraction visée au paragraphe 3 entraînant des rejets importants dans le milieu marin qui ont causé ou risquent d'y causer une pollution notable, il peut procéder à l'inspection matérielle du navire pour déterminer s'il y a eu infraction, si le navire a refusé de donner des renseignements ou si les renseignements fournis sont en contradiction flagrante avec les faits, et si les circonstances de l'affaire justifient cette inspection.
6. Lorsqu'il y a preuve manifeste qu'un navire naviguant dans la zone économique exclusive ou la mer territoriale d'un Etat a commis, dans la zone économique exclusive, une infraction visée au paragraphe 3 ayant entraîné des rejets qui ont causé ou risquent de causer des dommages importants au littoral ou aux intérêts connexes de l'Etat côtier ou a toutes ressources de sa mer territoriale ou de sa zone économique exclusive, cet Etat peut, sous réserve de la section 7, si les éléments de preuve le justifient, intenter une action, notamment ordonner l'immobilisation du navire conformément à son droit interne.
7. Nonobstant le paragraphe 6, dans tous les cas où des procédures appropriées ont été soit établies par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente, soit convenues de toute autre manière pour garantir le respect des obligations concernant le versement d'une caution ou le dépôt d'une autre garantie financière appropriée, l'Etat côtier, s'il est lié par ces procédures, autorise le navire à poursuivre sa route.
8. Les paragraphes 3, 4, 5, 6 et 7 s'appliquent également aux lois et règlements nationaux adoptés en vertu de l'article 211, paragraphe 6.
1. Lorsqu'un navire se trouve volontairement dans un port ou à une installation terminale au large, l'Etat du port peut, sous réserve de la section 7, intenter une action pour toute infraction aux lois et règlements qu'il a adoptés conformément à la Convention ou aux règles et normes internationales applicables visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires, si l'infraction a été commise dans sa mer territoriale ou sa zone économique exclusive.
2. Lorsqu'un Etat a de sérieuses raisons de penser qu'un navire naviguant dans sa mer territoriale a enfreint, lors de son passage, des lois et règlements qu'il a adoptés en conformité de la Convention ou des règles et normes internationales applicables visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires, il peut procéder, sans préjudice de l'application des dispositions pertinentes de la section 3 de la partie II, à l'inspection matérielle du navire pour établir l'infraction et, lorsque les éléments de preuve le justifient, intenter une action et notamment ordonner l'immobilisation du navire conformément à son droit interne, sous réserve de la section 7.
3. Lorsqu'un Etat a de sérieuses raisons de penser qu'un navire naviguant dans sa zone économique exclusive ou sa mer territoriale a commis, dans la zone économique exclusive, une infraction aux règles et normes internationales applicables visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires ou aux lois et règlements qu'il a adoptés conformément à ces règles et normes internationales et leur donnant effet, cet Etat peut demander au navire de fournir des renseignements concernant son identité et son port d'immatriculation, son dernier et son prochain port d'escale et autres renseignements pertinents requis pour établir si une infraction a été commise.
4. Les Etats adoptent les lois et règlements et prennent les mesures nécessaires pour que les navires battant leur pavillon fassent droit aux demandes de renseignements visées au paragraphe 3.
5. Lorsqu'un Etat a de sérieuses raisons de penser qu'un navire naviguant dans sa zone économique exclusive ou sa mer territoriale a commis, dans la zone économique exclusive, une infraction visée au paragraphe 3 entraînant des rejets importants dans le milieu marin qui ont causé ou risquent d'y causer une pollution notable, il peut procéder à l'inspection matérielle du navire pour déterminer s'il y a eu infraction, si le navire a refusé de donner des renseignements ou si les renseignements fournis sont en contradiction flagrante avec les faits, et si les circonstances de l'affaire justifient cette inspection.
6. Lorsqu'il y a preuve manifeste qu'un navire naviguant dans la zone économique exclusive ou la mer territoriale d'un Etat a commis, dans la zone économique exclusive, une infraction visée au paragraphe 3 ayant entraîné des rejets qui ont causé ou risquent de causer des dommages importants au littoral ou aux intérêts connexes de l'Etat côtier ou a toutes ressources de sa mer territoriale ou de sa zone économique exclusive, cet Etat peut, sous réserve de la section 7, si les éléments de preuve le justifient, intenter une action, notamment ordonner l'immobilisation du navire conformément à son droit interne.
7. Nonobstant le paragraphe 6, dans tous les cas où des procédures appropriées ont été soit établies par l'intermédiaire de l'organisation internationale compétente, soit convenues de toute autre manière pour garantir le respect des obligations concernant le versement d'une caution ou le dépôt d'une autre garantie financière appropriée, l'Etat côtier, s'il est lié par ces procédures, autorise le navire à poursuivre sa route.
8. Les paragraphes 3, 4, 5, 6 et 7 s'appliquent également aux lois et règlements nationaux adoptés en vertu de l'article 211, paragraphe 6.
Art. 221. Maatregelen ter vermijding van verontreiniging, voortvloeiend uit ongevallen ter zee.
1. Niets in dit Deel doet afbreuk aan het recht van Staten ingevolge het internationale recht, zowel het gewoonterecht als het gecodificeerde recht, maatregelen te nemen en te handhaven buiten de territoriale zee, naar evenredigheid van de feitelijke of dreigende schade, ter bescherming van hun kustlijn of daarmede samenhangende belangen, met inbegrip van de visserij, tegen verontreiniging of de dreiging van verontreiniging na een ongeval ter zee of na handelingen samenhangend met een zodanig ongeval, waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat deze zullen leiden tot aanzienlijke schadelijke gevolgen.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder " ongeval ter zee " verstaan een aanvaring van schepen, het stranden of een ander scheepvaartvoorval of andere gebeurtenis aan boord van een schip of daarbuiten, leidend tot materiële schade of onmiddellijke dreiging van materiële schade aan een schip of de lading.
1. Niets in dit Deel doet afbreuk aan het recht van Staten ingevolge het internationale recht, zowel het gewoonterecht als het gecodificeerde recht, maatregelen te nemen en te handhaven buiten de territoriale zee, naar evenredigheid van de feitelijke of dreigende schade, ter bescherming van hun kustlijn of daarmede samenhangende belangen, met inbegrip van de visserij, tegen verontreiniging of de dreiging van verontreiniging na een ongeval ter zee of na handelingen samenhangend met een zodanig ongeval, waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat deze zullen leiden tot aanzienlijke schadelijke gevolgen.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder " ongeval ter zee " verstaan een aanvaring van schepen, het stranden of een ander scheepvaartvoorval of andere gebeurtenis aan boord van een schip of daarbuiten, leidend tot materiële schade of onmiddellijke dreiging van materiële schade aan een schip of de lading.
Art. 221. Mesures visant à empêcher la pollution à la suite d'un accident de mer.
1. Aucune disposition de la présente partie ne porte atteinte au droit qu'ont les Etats, en vertu du droit international, tant coutumier que conventionnel, de prendre et faire appliquer au-dela de la mer territoriale des mesures proportionnées aux dommages qu'ils ont effectivement subis ou dont ils sont menacés afin de protéger leur littoral ou les intérêts connexes, y compris la pêche, contre la pollution ou une menace de pollution résultant d'un accident de mer, ou d'actes liés à un tel accident, dont on peut raisonnablement attendre des conséquences préjudiciables.
2. Aux fins du présent article, on entend par " accident de mer " un abordage, échouement ou autre incident de navigation ou événement survenu à bord ou à l'extérieur d'un navire entraînant des dommages matériels ou une menace imminente de dommages matériels pour un navire ou sa cargaison.
1. Aucune disposition de la présente partie ne porte atteinte au droit qu'ont les Etats, en vertu du droit international, tant coutumier que conventionnel, de prendre et faire appliquer au-dela de la mer territoriale des mesures proportionnées aux dommages qu'ils ont effectivement subis ou dont ils sont menacés afin de protéger leur littoral ou les intérêts connexes, y compris la pêche, contre la pollution ou une menace de pollution résultant d'un accident de mer, ou d'actes liés à un tel accident, dont on peut raisonnablement attendre des conséquences préjudiciables.
2. Aux fins du présent article, on entend par " accident de mer " un abordage, échouement ou autre incident de navigation ou événement survenu à bord ou à l'extérieur d'un navire entraînant des dommages matériels ou une menace imminente de dommages matériels pour un navire ou sa cargaison.
Art. 222. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging vanuit of via de dampkring.
Binnen het luchtruim onder hun soevereiniteit of met betrekking tot schepen die hun vlag voeren of schepen of luchtvaartuigen die bij hen zijn geregistreerd, handhaven de Staten hun overeenkomstig artikel 212, eerste lid, en andere bepalingen van dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften en nemen zij de wetten en voorschriften aan en nemen zij de andere maatregelen die noodzakelijk zijn ter toepassing van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanuit of via de dampkring, zulks in overeenstemming met alle desbetreffende internationale regels en normen betreffende de veiligheid van de luchtvaart.
Binnen het luchtruim onder hun soevereiniteit of met betrekking tot schepen die hun vlag voeren of schepen of luchtvaartuigen die bij hen zijn geregistreerd, handhaven de Staten hun overeenkomstig artikel 212, eerste lid, en andere bepalingen van dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften en nemen zij de wetten en voorschriften aan en nemen zij de andere maatregelen die noodzakelijk zijn ter toepassing van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanuit of via de dampkring, zulks in overeenstemming met alle desbetreffende internationale regels en normen betreffende de veiligheid van de luchtvaart.
Art. 222. Mise en application de la réglementation relative à la pollution d'origine atmosphérique ou transatmosphérique.
Dans les limites de l'espace aérien où s'exerce leur souveraineté ou à l'égard des navires battant leur pavillon ou des navires ou aéronefs immatriculés par eux, les Etats assurent l'application des lois et règlements qu'ils ont adoptés conformément à l'article 212, paragraphe 1, et à d'autres dispositions de la Convention et adoptent des lois et règlements et prennent d'autres mesures pour donner effet aux règles et normes internationales applicables établies par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin d'origine atmosphérique ou transatmosphérique, conformément à toutes les règles et normes internationales pertinentes relatives à la sécurité de la navigation aérienne.
Dans les limites de l'espace aérien où s'exerce leur souveraineté ou à l'égard des navires battant leur pavillon ou des navires ou aéronefs immatriculés par eux, les Etats assurent l'application des lois et règlements qu'ils ont adoptés conformément à l'article 212, paragraphe 1, et à d'autres dispositions de la Convention et adoptent des lois et règlements et prennent d'autres mesures pour donner effet aux règles et normes internationales applicables établies par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes ou d'une conférence diplomatique afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin d'origine atmosphérique ou transatmosphérique, conformément à toutes les règles et normes internationales pertinentes relatives à la sécurité de la navigation aérienne.
Afdeling 7. - Waarborgen.
Section 7. - Garanties.
Art. 223. Maatregelen ter vergemakkelijking van rechtsvervolging.
Bij een ingevolge dit Deel ingestelde rechtsvervolging nemen de Staten maatregelen ter vergemakkelijking van het horen van getuigen en de toelating van bewijsmateriaal, ingediend door autoriteiten van een andere Staat of door de bevoegde internationale organisatie en vergemakkelijken zij het bijwonen van een zodanige rechtsvervolging door officiële vertegenwoordigers van de bevoegde internationale organisatie, de vlaggenstaat en Staten, getroffen door de uit overtredingen voortvloeiende verontreiniging. De officiële vertegenwoordigers die een zodanige rechtsvervolging bijwonen, hebben de rechten en plichten die zijn bepaald krachtens de nationale wetten en voorschriften of het internationale recht.
Bij een ingevolge dit Deel ingestelde rechtsvervolging nemen de Staten maatregelen ter vergemakkelijking van het horen van getuigen en de toelating van bewijsmateriaal, ingediend door autoriteiten van een andere Staat of door de bevoegde internationale organisatie en vergemakkelijken zij het bijwonen van een zodanige rechtsvervolging door officiële vertegenwoordigers van de bevoegde internationale organisatie, de vlaggenstaat en Staten, getroffen door de uit overtredingen voortvloeiende verontreiniging. De officiële vertegenwoordigers die een zodanige rechtsvervolging bijwonen, hebben de rechten en plichten die zijn bepaald krachtens de nationale wetten en voorschriften of het internationale recht.
Art. 223. Mesures visant à faciliter le deroulement d'une action.
Lorsqu'une action est intentée en application de la présente partie, les Etats prennent des mesures pour faciliter l'audition de témoins et l'admission des preuves produites par les autorités d'un autre Etat ou par l'organisation internationale compétente et facilitent la participation aux débats de représentants officiels de cette organisation, de l'Etat du pavillon ou de tout Etat touché par la pollution résultant de toute infraction. Les représentants officiels participant à ces débats ont les droits et obligations prévus par le droit interne ou le droit international.
Lorsqu'une action est intentée en application de la présente partie, les Etats prennent des mesures pour faciliter l'audition de témoins et l'admission des preuves produites par les autorités d'un autre Etat ou par l'organisation internationale compétente et facilitent la participation aux débats de représentants officiels de cette organisation, de l'Etat du pavillon ou de tout Etat touché par la pollution résultant de toute infraction. Les représentants officiels participant à ces débats ont les droits et obligations prévus par le droit interne ou le droit international.
Art. 224. Uitoefening van bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen.
De ingevolge dit Deel toegekende bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen ten aanzien van vreemde schepen mogen slechts worden uitgeoefend door overheidsfunctionarissen of door oorlogsschepen, militaire luchtvaartuigen of andere schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn.
De ingevolge dit Deel toegekende bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen ten aanzien van vreemde schepen mogen slechts worden uitgeoefend door overheidsfunctionarissen of door oorlogsschepen, militaire luchtvaartuigen of andere schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn.
Art. 224. Exercice des pouvoirs de police.
Seuls les agents officiellement habilités, ainsi que les navires de guerre ou aéronefs militaires ou les autres navires ou aeronefs qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public et qui sont autorisés à cet effet, peuvent exercer des pouvoirs de police à l'encontre de navires étrangers en application de la présente partie.
Seuls les agents officiellement habilités, ainsi que les navires de guerre ou aéronefs militaires ou les autres navires ou aeronefs qui portent des marques extérieures indiquant clairement qu'ils sont affectés à un service public et qui sont autorisés à cet effet, peuvent exercer des pouvoirs de police à l'encontre de navires étrangers en application de la présente partie.
Art. 225. Plicht tot vermijding van nadelige gevolgen bij de uitoefening van de bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen.
Bij de uitoefening ingevolge dit Verdrag van hun bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen ten aanzien van vreemde schepen, mogen de Staten niet de veiligheid van de scheepvaart in gevaar brengen of anderszins een gevaar scheppen voor een schip of het naar een onveilige haven of ankerplaats brengen of het mariene milieu aan een onredelijk risico blootstellen.
Bij de uitoefening ingevolge dit Verdrag van hun bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen ten aanzien van vreemde schepen, mogen de Staten niet de veiligheid van de scheepvaart in gevaar brengen of anderszins een gevaar scheppen voor een schip of het naar een onveilige haven of ankerplaats brengen of het mariene milieu aan een onredelijk risico blootstellen.
Art. 225. Obligation pour les Etats d'éviter les conséquences néfastes que peut avoir l'exercice de leurs pouvoirs de police.
Lorsqu'ils exercent, en vertu de la Convention, leurs pouvoirs de police à l'encontre des navires étrangers, les Etats ne doivent pas mettre en danger la sécurité de la navigation, ni faire courir aucun risque à un navire ou le conduire à un port ou lieu de mouillage dangereux ni non plus faire courir de risque excessif au milieu marin.
Lorsqu'ils exercent, en vertu de la Convention, leurs pouvoirs de police à l'encontre des navires étrangers, les Etats ne doivent pas mettre en danger la sécurité de la navigation, ni faire courir aucun risque à un navire ou le conduire à un port ou lieu de mouillage dangereux ni non plus faire courir de risque excessif au milieu marin.
Art. 226. Onderzoek van vreemde schepen.
1. a) De Staten dienen een vreemd schip niet langer op te houden dan beslist noodzakelijk is voor de in de artikelen 216, 218 en 220 bedoelde onderzoeken. Een feitelijke inspectie van een vreemd schip dient beperkt te blijven tot een onderzoek van de certificaten, registers of andere documenten die het schip volgens de algemeen aanvaarde internationale regels en normen aan boord dient te hebben of van soortgelijke documenten die het aan boord heeft; een nadere feitelijke inspectie van het schip mag alleen worden verricht na zulk een onderzoek en alleen wanneer :
(i) er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de staat waarin het schip of zijn uitrusting verkeert, niet wezenlijk overeenstemt met de gegevens van die documenten;
(ii) de inhoud van zulke documenten niet voldoende is om een vermoede overtreding te bevestigen of te verifiëren;
(iii) het schip geen geldige certificaten en registers aan boord heeft.
b) Indien uit het onderzoek een overtreding van de van toepassing zijnde wetten en voorschriften of internationale regels en normen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu blijkt, wordt het schip onverwijld vrijgegeven, behoudens redelijke procedures zoals borgstelling of het verstrekken van een andere passende financiële zekerheid;
c) Onverminderd de van toepassing zijnde internationale regels en normen betreffende de zeewaardigheid van schepen, kan het vrijgeven van een schip, wanneer dit een onredelijk risico van schade aan het mariene milieu zou opleveren, worden geweigerd of afhankelijk worden gesteld van het varen naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf. Wanneer het vrijgeven is geweigerd of daaraan voorwaarden zijn verbonden, dient de vlaggenstaat van het schip daarvan onverwijld in kennis te worden gesteld en kan deze het vrijgeven van het schip verzoeken overeenkomstig Deel XV.
2. De Staten werken samen bij het uitwerken van procedures ter vermijding van onnodige feitelijke inspectie van schepen op zee.
1. a) De Staten dienen een vreemd schip niet langer op te houden dan beslist noodzakelijk is voor de in de artikelen 216, 218 en 220 bedoelde onderzoeken. Een feitelijke inspectie van een vreemd schip dient beperkt te blijven tot een onderzoek van de certificaten, registers of andere documenten die het schip volgens de algemeen aanvaarde internationale regels en normen aan boord dient te hebben of van soortgelijke documenten die het aan boord heeft; een nadere feitelijke inspectie van het schip mag alleen worden verricht na zulk een onderzoek en alleen wanneer :
(i) er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de staat waarin het schip of zijn uitrusting verkeert, niet wezenlijk overeenstemt met de gegevens van die documenten;
(ii) de inhoud van zulke documenten niet voldoende is om een vermoede overtreding te bevestigen of te verifiëren;
(iii) het schip geen geldige certificaten en registers aan boord heeft.
b) Indien uit het onderzoek een overtreding van de van toepassing zijnde wetten en voorschriften of internationale regels en normen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu blijkt, wordt het schip onverwijld vrijgegeven, behoudens redelijke procedures zoals borgstelling of het verstrekken van een andere passende financiële zekerheid;
c) Onverminderd de van toepassing zijnde internationale regels en normen betreffende de zeewaardigheid van schepen, kan het vrijgeven van een schip, wanneer dit een onredelijk risico van schade aan het mariene milieu zou opleveren, worden geweigerd of afhankelijk worden gesteld van het varen naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf. Wanneer het vrijgeven is geweigerd of daaraan voorwaarden zijn verbonden, dient de vlaggenstaat van het schip daarvan onverwijld in kennis te worden gesteld en kan deze het vrijgeven van het schip verzoeken overeenkomstig Deel XV.
2. De Staten werken samen bij het uitwerken van procedures ter vermijding van onnodige feitelijke inspectie van schepen op zee.
Art. 226. Enquêtes dont peuvent faire l'objet les navires étrangers.
1. a) Les Etats ne retiennent pas un navire étranger plus longtemps qu'il n'est indispensable aux fins des enquêtes prévues aux articles 216, 218 et 220. L'inspection matérielle d'un navire étranger doit être limitée à l'examen des certificats, registres ou autres documents dont le navire est tenu d'être muni en vertu des règles et normes internationales généralement acceptées, ou de tous documents similaires; il ne peut être entrepris d'inspection matérielle plus poussée du navire qu'à la suite de cet examne et uniquement si :
(i) il y a de sérieuses raisons de penser que l'Etat du navire ou de son équipement ne correspond pas essentiellement aux mentions portées sur les documents;
(ii) la teneur de ces documents ne suffit pas pour confirmer ou vérifier l'infraction présumée;
(iii) le navire n'est pas muni de certificats et documents valables.
b) Lorsqu'il ressort de l'enquête qu'il y a eu infraction aux lois et règlements applicables ou aux règles et normes internationales visant à protéger et préserver le milieu marin, il est procédé sans délai à la mainlevée de l'immobilisation du navire, après l'accomplissement de formalités raisonnables, telles que le dépôt d'une caution ou d'une autre garantie financière.
c) Sans préjudice des règles et normes internationales applicables en matière de navigabilité des navires, si la mainlevée de l'immobilisation d'un navire devait entraîner un risque de dommage inconsidére pour le milieu marin, le navire en question pourrait ne pas être autorisé à poursuivre sa route ou l'être à la condition de se rendre au chantier approprié de réparation le plus proche. Dans le cas ou la mainlevée de l'immobilisation du navire a été refusée ou a été soumise à des conditions, l'Etat du pavillon doit en être informé sans retard et peut demander cette mainlevée conformément à la partie XV.
2. Les Etats coopèrent à l'élaboration de procedures visant à éviter toute inspection matérielle superflue de navires en mer.
1. a) Les Etats ne retiennent pas un navire étranger plus longtemps qu'il n'est indispensable aux fins des enquêtes prévues aux articles 216, 218 et 220. L'inspection matérielle d'un navire étranger doit être limitée à l'examen des certificats, registres ou autres documents dont le navire est tenu d'être muni en vertu des règles et normes internationales généralement acceptées, ou de tous documents similaires; il ne peut être entrepris d'inspection matérielle plus poussée du navire qu'à la suite de cet examne et uniquement si :
(i) il y a de sérieuses raisons de penser que l'Etat du navire ou de son équipement ne correspond pas essentiellement aux mentions portées sur les documents;
(ii) la teneur de ces documents ne suffit pas pour confirmer ou vérifier l'infraction présumée;
(iii) le navire n'est pas muni de certificats et documents valables.
b) Lorsqu'il ressort de l'enquête qu'il y a eu infraction aux lois et règlements applicables ou aux règles et normes internationales visant à protéger et préserver le milieu marin, il est procédé sans délai à la mainlevée de l'immobilisation du navire, après l'accomplissement de formalités raisonnables, telles que le dépôt d'une caution ou d'une autre garantie financière.
c) Sans préjudice des règles et normes internationales applicables en matière de navigabilité des navires, si la mainlevée de l'immobilisation d'un navire devait entraîner un risque de dommage inconsidére pour le milieu marin, le navire en question pourrait ne pas être autorisé à poursuivre sa route ou l'être à la condition de se rendre au chantier approprié de réparation le plus proche. Dans le cas ou la mainlevée de l'immobilisation du navire a été refusée ou a été soumise à des conditions, l'Etat du pavillon doit en être informé sans retard et peut demander cette mainlevée conformément à la partie XV.
2. Les Etats coopèrent à l'élaboration de procedures visant à éviter toute inspection matérielle superflue de navires en mer.
Art. 227. Non-discriminatie met betrekking tot vreemde schepen.
Bij de uitoefening van hun rechten en het nakomen van hun verplichtingen ingevolge dit Deel maken de Staten niet rechtens of in feite onderscheid ten aanzien van schepen van andere Staten.
Bij de uitoefening van hun rechten en het nakomen van hun verplichtingen ingevolge dit Deel maken de Staten niet rechtens of in feite onderscheid ten aanzien van schepen van andere Staten.
Art. 227. Non-discrimination à l'encontre des navires étrangers.
Lorsqu'ils exercent leurs droits et s'acquittent de leurs obligations, en vertu de la présente partie, les Etats ne soumettent les navires d'aucun autre Etat à aucune discrimination de droit ou de fait.
Lorsqu'ils exercent leurs droits et s'acquittent de leurs obligations, en vertu de la présente partie, les Etats ne soumettent les navires d'aucun autre Etat à aucune discrimination de droit ou de fait.
Art. 228. Schorsing van en beperkingen op de instelling van rechtsvervolging.
1. Een strafrechtelijke vervolging met betrekking tot overtredingen van van toepassing zijnde wetten en voorschriften of internationale regels en normen betreffende het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging door schepen, begaan door een vreemd schip buiten de territoriale zee van de Staat die de rechtsvervolging instelt, wordt geschorst bij het instellen van een strafrechtelijke vervolging met betrekking tot overeenkomstige aanklachten door de vlaggenstaat binnen zes maanden na de datum waarop de rechtsvervolging oorspronkelijk werd ingesteld, tenzij deze rechtsvervolging betrekking heeft op een geval van grote schade voor de kuststaat, of de desbetreffende vlaggenstaat herhaaldelijk zijn verplichtingen tot doeltreffende handhaving van de bepalingen van de van toepassing zijnde internationale regels en normen met betrekking tot door zijn schepen begane overtredingen heeft genegeerd. De vlaggenstaat stelt te zijner tijd aan de Staat die eerder de rechtsvervolging had ingesteld een volledig dossier van de zaak en de akten van de rechtsvervolging ter beschikking, wanneer de vlaggenstaat de schorsing van de rechtsvervolging heeft verzocht overeenkomstig dit artikel. Wanneer de door de vlaggenstaat ingestelde rechtsvervolging tot een einde is gebracht, wordt de geschorste rechtsvervolging beëindigd. Bij betaling van de met betrekking tot een zodanige rechtsvervolging gemaakte kosten, wordt een borgstelling of andere financiële zekerheid verschaft in verband met de geschorste rechtsvervolging door de kuststaat vrijgegeven.
2. Strafrechtelijke vervolging tegen vreemde schepen wordt niet ingesteld na het verstrijken van drie jaar van de datum waarop de overtreding werd begaan en wordt niet door een Staat ondernomen ingeval een andere Staat een rechtsvervolging heeft ingesteld, zulks onder voorbehoud van de bepalingen vervat in het eerste lid.
3. De bepalingen van dit artikel laten onverlet het recht van de vlaggenstaat tot het nemen van maatregelen, met inbegrip van strafrechtelijke vervolging, overeenkomstig zijn wetten, ongeacht eerdere rechtsvervolging door een andere Staat.
1. Een strafrechtelijke vervolging met betrekking tot overtredingen van van toepassing zijnde wetten en voorschriften of internationale regels en normen betreffende het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging door schepen, begaan door een vreemd schip buiten de territoriale zee van de Staat die de rechtsvervolging instelt, wordt geschorst bij het instellen van een strafrechtelijke vervolging met betrekking tot overeenkomstige aanklachten door de vlaggenstaat binnen zes maanden na de datum waarop de rechtsvervolging oorspronkelijk werd ingesteld, tenzij deze rechtsvervolging betrekking heeft op een geval van grote schade voor de kuststaat, of de desbetreffende vlaggenstaat herhaaldelijk zijn verplichtingen tot doeltreffende handhaving van de bepalingen van de van toepassing zijnde internationale regels en normen met betrekking tot door zijn schepen begane overtredingen heeft genegeerd. De vlaggenstaat stelt te zijner tijd aan de Staat die eerder de rechtsvervolging had ingesteld een volledig dossier van de zaak en de akten van de rechtsvervolging ter beschikking, wanneer de vlaggenstaat de schorsing van de rechtsvervolging heeft verzocht overeenkomstig dit artikel. Wanneer de door de vlaggenstaat ingestelde rechtsvervolging tot een einde is gebracht, wordt de geschorste rechtsvervolging beëindigd. Bij betaling van de met betrekking tot een zodanige rechtsvervolging gemaakte kosten, wordt een borgstelling of andere financiële zekerheid verschaft in verband met de geschorste rechtsvervolging door de kuststaat vrijgegeven.
2. Strafrechtelijke vervolging tegen vreemde schepen wordt niet ingesteld na het verstrijken van drie jaar van de datum waarop de overtreding werd begaan en wordt niet door een Staat ondernomen ingeval een andere Staat een rechtsvervolging heeft ingesteld, zulks onder voorbehoud van de bepalingen vervat in het eerste lid.
3. De bepalingen van dit artikel laten onverlet het recht van de vlaggenstaat tot het nemen van maatregelen, met inbegrip van strafrechtelijke vervolging, overeenkomstig zijn wetten, ongeacht eerdere rechtsvervolging door een andere Staat.
Art. 228. Suspension des poursuites etrestrictions à l'institution de poursuites.
1. Lorsque des poursuites ont été engagées par un Etat en vue de réprimer une infraction aux lois et règlements applicables ou aux règles et normes internationales visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires, commise au-delà de sa mer territoriale par un navire étranger, ces poursuites sont suspendues dès lors que l'Etat du pavillon a lui-même engagé des poursuites du chef de la même infraction, dans les six mois suivant l'introduction de la première action, à moins que celle-ci ne porte sur un cas de dommage grave causé à l'Etat côtier ou que l'Etat du pavillon en question ait à plusieurs reprises manqué à son obligation d'assurer l'application effective des règles et normes internationales en vigueur à la suite d'infractions commises par ses navires. L'Etat du pavillon qui a demandé la suspension des poursuites conformément au présent article remet en temps voulu au premier Etat un dossier complet de l'affaire et les minutes du procès. Lorsque les tribunaux de l'Etat du pavillon ont rendu leur jugement, il est mis fin aux poursuites. Après règlement des frais de procédure, toute caution ou autre garantie financière déposée à l'occasion de ces poursuites est restituée par l'Etat côtier.
2. Il ne peut être engagé de poursuites à l'encontre des navires étrangers après l'expiration d'un délai de trois ans à compter de la date de l'infraction, et aucun Etat ne peut engager de telles poursuites si un autre Etat en a déjà engagé, sous réserve du paragraphe 1.
3. Le présent article n'affecte pas le droit qu'a l'Etat du pavillon de prendre toutes mesures, y compris le droit d'engager des poursuites, conformément à son droit interne, indépendamment de celles précédemment engagées par un autre Etat.
1. Lorsque des poursuites ont été engagées par un Etat en vue de réprimer une infraction aux lois et règlements applicables ou aux règles et normes internationales visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution par les navires, commise au-delà de sa mer territoriale par un navire étranger, ces poursuites sont suspendues dès lors que l'Etat du pavillon a lui-même engagé des poursuites du chef de la même infraction, dans les six mois suivant l'introduction de la première action, à moins que celle-ci ne porte sur un cas de dommage grave causé à l'Etat côtier ou que l'Etat du pavillon en question ait à plusieurs reprises manqué à son obligation d'assurer l'application effective des règles et normes internationales en vigueur à la suite d'infractions commises par ses navires. L'Etat du pavillon qui a demandé la suspension des poursuites conformément au présent article remet en temps voulu au premier Etat un dossier complet de l'affaire et les minutes du procès. Lorsque les tribunaux de l'Etat du pavillon ont rendu leur jugement, il est mis fin aux poursuites. Après règlement des frais de procédure, toute caution ou autre garantie financière déposée à l'occasion de ces poursuites est restituée par l'Etat côtier.
2. Il ne peut être engagé de poursuites à l'encontre des navires étrangers après l'expiration d'un délai de trois ans à compter de la date de l'infraction, et aucun Etat ne peut engager de telles poursuites si un autre Etat en a déjà engagé, sous réserve du paragraphe 1.
3. Le présent article n'affecte pas le droit qu'a l'Etat du pavillon de prendre toutes mesures, y compris le droit d'engager des poursuites, conformément à son droit interne, indépendamment de celles précédemment engagées par un autre Etat.
Art. 229. Instelling van civiele procedures.
Niets in dit Verdrag is van invloed op de instelling van een civiele procedure met betrekking tot een vordering wegens verlies of schade, voortvloeiend uit verontreiniging van het mariene milieu.
Niets in dit Verdrag is van invloed op de instelling van een civiele procedure met betrekking tot een vordering wegens verlies of schade, voortvloeiend uit verontreiniging van het mariene milieu.
Art. 229. Action en responsabilité civile.
Aucune disposition de la Convention ne porte atteinte au droit d'introduire une action en responsabilité civile en cas de pertes ou de dommages résultant de la pollution du milieu marin.
Aucune disposition de la Convention ne porte atteinte au droit d'introduire une action en responsabilité civile en cas de pertes ou de dommages résultant de la pollution du milieu marin.
Art. 230. Boetes en de inachtneming van de erkende rechten van de beschuldigde.
1. Met betrekking tot overtredingen van nationale wetten en voorschriften of van toepassing zijnde internationale regels en normen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, begaan door vreemde schepen buiten de territoriale zee, kunnen alleen boetes worden opgelegd.
2. Met betrekking tot overtredingen van nationale wetten en voorschriften of van toepassing zijnde internationale regels en normen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, begaan door vreemde schepen in de territoriale zee, kunnen alleen boetes worden opgelegd, behalve in het geval van een opzettelijke en ernstige daad van verontreiniging in de territoriale zee.
3. Tijdens een rechtsvervolging met betrekking tot zulke overtredingen, begaan door een vreemd schip, die kan leiden tot de oplegging van straffen, dienen de erkende rechten van de beschuldigde in acht te worden genomen.
1. Met betrekking tot overtredingen van nationale wetten en voorschriften of van toepassing zijnde internationale regels en normen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, begaan door vreemde schepen buiten de territoriale zee, kunnen alleen boetes worden opgelegd.
2. Met betrekking tot overtredingen van nationale wetten en voorschriften of van toepassing zijnde internationale regels en normen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, begaan door vreemde schepen in de territoriale zee, kunnen alleen boetes worden opgelegd, behalve in het geval van een opzettelijke en ernstige daad van verontreiniging in de territoriale zee.
3. Tijdens een rechtsvervolging met betrekking tot zulke overtredingen, begaan door een vreemd schip, die kan leiden tot de oplegging van straffen, dienen de erkende rechten van de beschuldigde in acht te worden genomen.
Art. 230. Peines pécuniaires et respect des droits reconnus de l'accusé.
1. Seules des peines pécuniaires peuvent être infligées en cas d'infraction aux lois et règlements nationaux ou aux règles et normes internationales applicables visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin, qui ont été commises par des navires étrangers au-delà de la mer territoriale.
2. Seules des peines pécuniaires peuvent être infligées en cas d'infraction aux lois et règlements nationaux ou aux règles et normes internationales applicables visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin, qui ont été commises par des navires étrangers dans la mer territoriale, sauf s'il s'agit d'un acte déliberé et grave de pollution.
3. Dans le déroulement des poursuites engagées en vue de réprimer des infractions de ce type commises par un navire étranger pour lesquelles des peines peuvent être infligées, les droits reconnus de l'accusé sont respectés.
1. Seules des peines pécuniaires peuvent être infligées en cas d'infraction aux lois et règlements nationaux ou aux règles et normes internationales applicables visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin, qui ont été commises par des navires étrangers au-delà de la mer territoriale.
2. Seules des peines pécuniaires peuvent être infligées en cas d'infraction aux lois et règlements nationaux ou aux règles et normes internationales applicables visant à prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin, qui ont été commises par des navires étrangers dans la mer territoriale, sauf s'il s'agit d'un acte déliberé et grave de pollution.
3. Dans le déroulement des poursuites engagées en vue de réprimer des infractions de ce type commises par un navire étranger pour lesquelles des peines peuvent être infligées, les droits reconnus de l'accusé sont respectés.
Art. 231. Kennisgeving aan de vlaggenstaat en andere betrokken Staten.
De Staten stellen onverwijld de vlaggenstaat en andere betrokken Staten in kennis van krachtens afdeling 6 genomen maatregelen tegen vreemde schepen en leggen alle officiële rapporten betreffende zulke maatregelen voor aan de vlaggenstaat. Met betrekking evenwel tot overtredingen, begaan in de territoriale zee, zijn de bovenstaande verplichtingen van de kuststaat alleen van toepassing op de maatregelen die bij een rechtsvervolging worden genomen. De diplomatieke vertegenwoordigers of consulaire ambtenaren en waar mogelijk de maritieme autoriteit van de vlaggenstaat worden onmiddellijk op de hoogte gesteld van zulke krachtens afdeling 6 tegen vreemde schepen genomen maatregelen.
De Staten stellen onverwijld de vlaggenstaat en andere betrokken Staten in kennis van krachtens afdeling 6 genomen maatregelen tegen vreemde schepen en leggen alle officiële rapporten betreffende zulke maatregelen voor aan de vlaggenstaat. Met betrekking evenwel tot overtredingen, begaan in de territoriale zee, zijn de bovenstaande verplichtingen van de kuststaat alleen van toepassing op de maatregelen die bij een rechtsvervolging worden genomen. De diplomatieke vertegenwoordigers of consulaire ambtenaren en waar mogelijk de maritieme autoriteit van de vlaggenstaat worden onmiddellijk op de hoogte gesteld van zulke krachtens afdeling 6 tegen vreemde schepen genomen maatregelen.
Art. 231. Notification à l'Etat du pavillon et aux autres Etats concernés.
Les Etats notifient sans retard à l'Etat du pavillon et à tout autre Etat concerné toutes les mesures prises à l'encontre de navires étrangers en application de la section 6, et soumettent à l'Etat du pavillon tous les rapports officiels concernant ces mesures. Toutefois, dans le cas d'infractions commises dans la mer territoriale, l'Etat côtier n'est tenu de ces obligations qu'en ce qui concerne les mesures prises dans le cadre de poursuites. Les agents diplomatiques ou les fonctionnaires consulaires et, dans la mesure du possible, l'autorité maritime de l'Etat du pavillon sont immédiatement informés de toutes mesures de cet ordre.
Les Etats notifient sans retard à l'Etat du pavillon et à tout autre Etat concerné toutes les mesures prises à l'encontre de navires étrangers en application de la section 6, et soumettent à l'Etat du pavillon tous les rapports officiels concernant ces mesures. Toutefois, dans le cas d'infractions commises dans la mer territoriale, l'Etat côtier n'est tenu de ces obligations qu'en ce qui concerne les mesures prises dans le cadre de poursuites. Les agents diplomatiques ou les fonctionnaires consulaires et, dans la mesure du possible, l'autorité maritime de l'Etat du pavillon sont immédiatement informés de toutes mesures de cet ordre.
Art. 232. Aansprakelijkheid van Staten voortvloeiend uit maatregelen tot handhaving van de bepalingen.
De Staten zijn aansprakelijk voor aan hen toe te schrijven schade of verlies, voortvloeiend uit krachtens afdeling 6 genomen maatregelen, wanneer zulke maatregelen onwettig zijn of verder reiken dan die welke redelijkerwijze vereist zijn in het licht van de beschikbare informatie. De Staten voorzien in de mogelijkheid bij hun rechtbanken een eis tot schadevergoeding in te stellen met betrekking tot zulke schade of zulk verlies.
De Staten zijn aansprakelijk voor aan hen toe te schrijven schade of verlies, voortvloeiend uit krachtens afdeling 6 genomen maatregelen, wanneer zulke maatregelen onwettig zijn of verder reiken dan die welke redelijkerwijze vereist zijn in het licht van de beschikbare informatie. De Staten voorzien in de mogelijkheid bij hun rechtbanken een eis tot schadevergoeding in te stellen met betrekking tot zulke schade of zulk verlies.
Art. 232. Responsabilité des Etats du fait des mesures de mise en application.
Les Etats sont responsables des pertes ou dommages qui leur sont imputables à la suite de mesures prises en application de la section 6, lorsque ces mesures sont illicites ou vont au-delà de celles qui sont raisonnablement nécessaires, eu égard aux renseignements disponibles. Les Etats prévoient des voies de recours devant leurs tribunaux pour les actions en réparation de ces pertes ou dommages.
Les Etats sont responsables des pertes ou dommages qui leur sont imputables à la suite de mesures prises en application de la section 6, lorsque ces mesures sont illicites ou vont au-delà de celles qui sont raisonnablement nécessaires, eu égard aux renseignements disponibles. Les Etats prévoient des voies de recours devant leurs tribunaux pour les actions en réparation de ces pertes ou dommages.
Art. 233. Waarborgen met betrekking tot voor de internationale scheepvaart gebruikte zeestraten.
Niets in de afdelingen 5, 6 en 7 is van invloed op het rechtsstelsel inzake zeestraten, dat geldt ten behoeve van de internationale scheepvaart. Indien evenwel een ander vreemd schip dan de schepen, bedoeld in afdeling 10 een overtreding heeft begaan van de wetten en voorschriften, bedoeld in artikel 42, eerste lid, letters a en b, die aanzienlijke schade voor het mariene milieu van de zeestraten veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, kunnen de aan de zeestraten grenzende Staten passende maatregelen tot handhaving van de bepalingen nemen, daarbij mutatis mutandis de bepalingen van deze afdeling eerbiedigend.
Niets in de afdelingen 5, 6 en 7 is van invloed op het rechtsstelsel inzake zeestraten, dat geldt ten behoeve van de internationale scheepvaart. Indien evenwel een ander vreemd schip dan de schepen, bedoeld in afdeling 10 een overtreding heeft begaan van de wetten en voorschriften, bedoeld in artikel 42, eerste lid, letters a en b, die aanzienlijke schade voor het mariene milieu van de zeestraten veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, kunnen de aan de zeestraten grenzende Staten passende maatregelen tot handhaving van de bepalingen nemen, daarbij mutatis mutandis de bepalingen van deze afdeling eerbiedigend.
Art. 233. Garanties concernant les détroits servant à la navigation internationale.
Aucune disposition des sections 5, 6 et 7 ne porte atteinte au régime juridique des détroits servant à la navigation internationale. Toutefois, si un navire étranger autre que ceux visés à la section 10 a enfreint les lois et règlements visés à l'article 42, paragraphe 1, lettres a) et b), causant ou menacant de causer des dommages importants au milieu marin des détroits, les Etats riverains des détroits peuvent prendre les mesures de police appropriées tout en respectant mutatis mutandis la présente section.
Aucune disposition des sections 5, 6 et 7 ne porte atteinte au régime juridique des détroits servant à la navigation internationale. Toutefois, si un navire étranger autre que ceux visés à la section 10 a enfreint les lois et règlements visés à l'article 42, paragraphe 1, lettres a) et b), causant ou menacant de causer des dommages importants au milieu marin des détroits, les Etats riverains des détroits peuvent prendre les mesures de police appropriées tout en respectant mutatis mutandis la présente section.
Afdeling 8. - Met ijs bedekte gebieden.
Section 8. - Zones recouvertes par les glaces.
Art. 234. Met ijs bedekte gebieden.
Kuststaten hebben het recht non-discriminatoire wetten en voorschriften aan te nemen en te handhaven ter voorkoming, vermindering en bestrijding van mariene verontreiniging door schepen in met ijs bedekte gebieden binnen de grenzen van de exclusieve economische zone, waar bijzonder moeilijke klimatologische omstandigheden en de aanwezigheid van ijs, dat zodanige gebieden voor het grootste deel van het jaar bedekt, belemmeringen of uitzonderlijke gevaren voor de scheepvaart doen ontstaan en waar verontreiniging van het mariene milieu grote schade of een onherstelbare verstoring van het ecologisch evenwicht zou kunnen veroorzaken. In zulke wetten en voorschriften dient terdege rekening te worden gehouden met de scheepvaart en de bescherming en het behoud van het mariene milieu, op basis van de beste wetenschappelijke gegevens waarover men beschikt.
Kuststaten hebben het recht non-discriminatoire wetten en voorschriften aan te nemen en te handhaven ter voorkoming, vermindering en bestrijding van mariene verontreiniging door schepen in met ijs bedekte gebieden binnen de grenzen van de exclusieve economische zone, waar bijzonder moeilijke klimatologische omstandigheden en de aanwezigheid van ijs, dat zodanige gebieden voor het grootste deel van het jaar bedekt, belemmeringen of uitzonderlijke gevaren voor de scheepvaart doen ontstaan en waar verontreiniging van het mariene milieu grote schade of een onherstelbare verstoring van het ecologisch evenwicht zou kunnen veroorzaken. In zulke wetten en voorschriften dient terdege rekening te worden gehouden met de scheepvaart en de bescherming en het behoud van het mariene milieu, op basis van de beste wetenschappelijke gegevens waarover men beschikt.
Art. 234. Zones recouvertes par les glaces.
Les Etats côtiers ont le droit d'adopter et de faire appliquer des lois et règlements non discriminatoires afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par les navires dans les zones recouvertes par les glaces et comprises dans les limites de la zone économique exclusive, lorsque des conditions climatiques particulièrement rigoureuses et le fait que ces zones sont recouvertes par les glaces pendant la majeure partie de l'année font obstacle à la navigation ou la rendent exceptionnellement dangereuse, et que la pollution du milieu marin risque de porter gravement atteinte à l'équilibre écologique ou de le pertuber de façon irréversible. Ces lois et règlements tiennent dûment compte de la navigation, ainsi que de la protection et de la préservation du milieu marin sur la base des données scientifiques les plus sûres dont on puisse disposer.
Les Etats côtiers ont le droit d'adopter et de faire appliquer des lois et règlements non discriminatoires afin de prévenir, réduire et maîtriser la pollution du milieu marin par les navires dans les zones recouvertes par les glaces et comprises dans les limites de la zone économique exclusive, lorsque des conditions climatiques particulièrement rigoureuses et le fait que ces zones sont recouvertes par les glaces pendant la majeure partie de l'année font obstacle à la navigation ou la rendent exceptionnellement dangereuse, et que la pollution du milieu marin risque de porter gravement atteinte à l'équilibre écologique ou de le pertuber de façon irréversible. Ces lois et règlements tiennent dûment compte de la navigation, ainsi que de la protection et de la préservation du milieu marin sur la base des données scientifiques les plus sûres dont on puisse disposer.
Afdeling 9. - Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.
Section 9. - Responsabilité.
Art. 235. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.
1. De Staten zijn verantwoordelijk voor de vervulling van hun internationale verplichtingen betreffende de bescherming en het behoud van het mariene milieu. Zij zijn aansprakelijk overeenkomstig het internationale recht.
2. De Staten verzekeren dat rechtsmiddelen overeenkomstig hun wettelijke stelsels beschikbaar zijn voor de onverwijlde en toereikende compensatie of andere schadevergoeding met betrekking tot aan het mariene milieu veroorzaakte schade door verontreiniging door natuurlijke personen of rechtspersonen onder hun rechtsmacht.
3. Met het doel onverwijlde en toereikende compensatie te verzekeren met betrekking tot alle door verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakte schade, werken de Staten samen bij de toepassing van het bestaande internationale recht en de verdere ontwikkeling van het internationale recht betreffende de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de evaluatie van en de compensatie voor schade en de regeling van daarmede samenhangende geschillen, alsook, waar passend, de uitwerking van normen en procedures voor de betaling van toereikende compensatie, zoals verplichte verzekering of compensatiefondsen.
1. De Staten zijn verantwoordelijk voor de vervulling van hun internationale verplichtingen betreffende de bescherming en het behoud van het mariene milieu. Zij zijn aansprakelijk overeenkomstig het internationale recht.
2. De Staten verzekeren dat rechtsmiddelen overeenkomstig hun wettelijke stelsels beschikbaar zijn voor de onverwijlde en toereikende compensatie of andere schadevergoeding met betrekking tot aan het mariene milieu veroorzaakte schade door verontreiniging door natuurlijke personen of rechtspersonen onder hun rechtsmacht.
3. Met het doel onverwijlde en toereikende compensatie te verzekeren met betrekking tot alle door verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakte schade, werken de Staten samen bij de toepassing van het bestaande internationale recht en de verdere ontwikkeling van het internationale recht betreffende de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de evaluatie van en de compensatie voor schade en de regeling van daarmede samenhangende geschillen, alsook, waar passend, de uitwerking van normen en procedures voor de betaling van toereikende compensatie, zoals verplichte verzekering of compensatiefondsen.
Art. 235. Responsabilité.
1. Il incombe aux Etats de veiller à l'accomplissement de leurs obligations internationales en ce qui concerne la protection et la préservation du milieu marin. Ils sont responsables conformément au droit international.
2. Les Etats veillent à ce que leur droit interne offre des voies de recours permettant d'obtenir une indemnisation rapide et adéquate ou autre réparation des dommages résultant de la pollution du milieu marin par des personnes physiques ou morales relevant de leur juridiction.
3. En vue d'assurer une indemnisation rapide et adéquate de tous dommages résultant de la pollution du milieu marin, les Etats coopèrent pour assurer l'application et le développement du droit international de la responsabilité en ce qui concerne l'évaluation et l'indemnisation des dommages et le règlemennt des différends en la matière, ainsi que, le cas échéant, l'élaboration de critères et de procédures pour le paiement d'indemnités adéquates, prévoyant, par exemple, une assurance obligatoire ou des fonds d'indemnisation.
1. Il incombe aux Etats de veiller à l'accomplissement de leurs obligations internationales en ce qui concerne la protection et la préservation du milieu marin. Ils sont responsables conformément au droit international.
2. Les Etats veillent à ce que leur droit interne offre des voies de recours permettant d'obtenir une indemnisation rapide et adéquate ou autre réparation des dommages résultant de la pollution du milieu marin par des personnes physiques ou morales relevant de leur juridiction.
3. En vue d'assurer une indemnisation rapide et adéquate de tous dommages résultant de la pollution du milieu marin, les Etats coopèrent pour assurer l'application et le développement du droit international de la responsabilité en ce qui concerne l'évaluation et l'indemnisation des dommages et le règlemennt des différends en la matière, ainsi que, le cas échéant, l'élaboration de critères et de procédures pour le paiement d'indemnités adéquates, prévoyant, par exemple, une assurance obligatoire ou des fonds d'indemnisation.
Afdeling 10. - Soevereine immuniteit.
Section 10. - Immunité souveraine.
Art. 236. Soevereine immuniteit.
De bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van de bescherming en het behoud van het mariene milieu zijn niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marinehulpschepen, andere schepen of luchtvaartuigen in eigendom van of in beheer bij een Staat en die tijdelijk uitsluitend worden ingezet voor niet-commerciële overheidsdienst. Elke Staat verzekert evenwel, door het nemen van passende maatregelen die de werkzaamheden of de operationele kwaliteiten van zulke schepen of luchtvaartuigen in zijn eigendom of beheer niet aantasten, dat zulke schepen of luchtvaartuigen, voor zover redelijk en uitvoerbaar, handelen in overeenstemming met dit Verdrag.
De bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van de bescherming en het behoud van het mariene milieu zijn niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marinehulpschepen, andere schepen of luchtvaartuigen in eigendom van of in beheer bij een Staat en die tijdelijk uitsluitend worden ingezet voor niet-commerciële overheidsdienst. Elke Staat verzekert evenwel, door het nemen van passende maatregelen die de werkzaamheden of de operationele kwaliteiten van zulke schepen of luchtvaartuigen in zijn eigendom of beheer niet aantasten, dat zulke schepen of luchtvaartuigen, voor zover redelijk en uitvoerbaar, handelen in overeenstemming met dit Verdrag.
Art. 236. Immunité souveraine.
Les dispositions de la Convention relatives à la protection et à la préservation du milieu marin ne s'appliquent ni aux navires de guerre ou navires auxiliaires, ni aux autres navires ou aux aéronefs appartenant à un Etat ou exploités par lui lorsque celui-ci les utilise, au moment considéré, exclusivement à des fins de service public non commerciales. Cependant, chaque Etat prend les mesures appropriées n'affectant pas les opérations ou la capacité opérationnelle des navires ou aéronefs lui appartenant ou exploites par lui de façon à ce que ceux-ci agissent, autant que faire se peut, d'une manière compatible avec la Convention.
Les dispositions de la Convention relatives à la protection et à la préservation du milieu marin ne s'appliquent ni aux navires de guerre ou navires auxiliaires, ni aux autres navires ou aux aéronefs appartenant à un Etat ou exploités par lui lorsque celui-ci les utilise, au moment considéré, exclusivement à des fins de service public non commerciales. Cependant, chaque Etat prend les mesures appropriées n'affectant pas les opérations ou la capacité opérationnelle des navires ou aéronefs lui appartenant ou exploites par lui de façon à ce que ceux-ci agissent, autant que faire se peut, d'une manière compatible avec la Convention.
Afdeling 11. - Verplichting krachtens andere Verdragen inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu.
Section 11. - Obligations découlant d'autres conventions sur la protection et la préservation du milieu marin.
Art. 237. Verplichting krachtens andere Verdragen inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu.
1. De bepalingen van dit Deel laten onverlet de specifieke verplichtingen die de Staten op zich hebben genomen krachtens bijzondere verdragen en overeenkomsten die eerder zijn gesloten en betrekking hebben op de bescherming en het behoud van het mariene milieu, alsook overeenkomsten die kunnen worden gesloten ter bevordering van de in dit Verdrag uiteengezette algemene beginselen.
2. De door de Staten krachtens bijzondere verdragen op zich genomen specifieke verplichtingen met betrekking tot de bescherming en het behoud van het mariene milieu dienen te worden nagekomen op een wijze die verenigbaar is met de algemene beginselen en doelstellingen van dit Verdrag.
1. De bepalingen van dit Deel laten onverlet de specifieke verplichtingen die de Staten op zich hebben genomen krachtens bijzondere verdragen en overeenkomsten die eerder zijn gesloten en betrekking hebben op de bescherming en het behoud van het mariene milieu, alsook overeenkomsten die kunnen worden gesloten ter bevordering van de in dit Verdrag uiteengezette algemene beginselen.
2. De door de Staten krachtens bijzondere verdragen op zich genomen specifieke verplichtingen met betrekking tot de bescherming en het behoud van het mariene milieu dienen te worden nagekomen op een wijze die verenigbaar is met de algemene beginselen en doelstellingen van dit Verdrag.
Art. 237. Obligations découlant d'autres conventions sur la protection et la préservation du milieu marin.
1. La présente partie n'affecte pas les obligations particulières qui incombent aux Etats en vertu de conventions et d'accords spécifiques conclus antérieurement en matière de protection et de préservation du milieu marin, ni les accords qui peuvent être conclus en application des principes généraux énonces dans la Convention.
2. Les Etats s'acquittent des obligations particulières qui leur incombent en ce qui concerne la protection et la préservation du milieu marin en vertu de conventions spéciales d'une manière compatible avec les principes et objectifs généraux de la Convention.
1. La présente partie n'affecte pas les obligations particulières qui incombent aux Etats en vertu de conventions et d'accords spécifiques conclus antérieurement en matière de protection et de préservation du milieu marin, ni les accords qui peuvent être conclus en application des principes généraux énonces dans la Convention.
2. Les Etats s'acquittent des obligations particulières qui leur incombent en ce qui concerne la protection et la préservation du milieu marin en vertu de conventions spéciales d'une manière compatible avec les principes et objectifs généraux de la Convention.
DEEL XIII. - Wetenschappelijk zeeonderzoek.
PARTIE XIII. - Recherche scientifique marine.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art. 238. Recht tot het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek.
Alle Staten, ongeacht hun geografische ligging, en bevoegde internationale organisaties, hebben het recht wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten, zulks onder voorbehoud van de rechten en plichten van andere Staten, zoals bepaald in dit Verdrag.
Alle Staten, ongeacht hun geografische ligging, en bevoegde internationale organisaties, hebben het recht wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten, zulks onder voorbehoud van de rechten en plichten van andere Staten, zoals bepaald in dit Verdrag.
Art. 238. Droit d'effectuer des recherches scientifiques marines.
Tous les Etats, quelle que soit leur situation géographique, ainsi que les organisations internationales ont le droit d'effectuer des recherches scientifiques marines, sous réserve des droits et obligations des autres Etats tels qu'ils sont définis dans la Convention.
Tous les Etats, quelle que soit leur situation géographique, ainsi que les organisations internationales ont le droit d'effectuer des recherches scientifiques marines, sous réserve des droits et obligations des autres Etats tels qu'ils sont définis dans la Convention.
Art. 239. Bevordering van wetenschappelijk zeeonderzoek.
De Staten en bevoegde internationale organisaties bevorderen en vergemakkelijken de ontwikkeling en het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek overeenkomstig dit Verdrag.
De Staten en bevoegde internationale organisaties bevorderen en vergemakkelijken de ontwikkeling en het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek overeenkomstig dit Verdrag.
Art. 239. Obligation de favoriser la recherche scientifique marine.
Les Etats et les organisations internationales compétentes encouragent et facilitent le développement et la conduite de la recherche scientifique marine conformément à la Convention.
Les Etats et les organisations internationales compétentes encouragent et facilitent le développement et la conduite de la recherche scientifique marine conformément à la Convention.
Art. 240. Algemene beginselen voor het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek.
Bij het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek gelden de volgende beginselen :
a) wetenschappelijk zeeonderzoek wordt uitsluitend verricht voor vreedzame doeleinden;
b) wetenschappelijk zeeonderzoek wordt verricht met gebruikmaking van de passende wetenschappelijke methoden en middelen die verenigbaar zijn met dit Verdrag;
c) wetenschappelijk zeeonderzoek mag niet op ongerechtvaardigde wijze andere rechtmatige soorten gebruik van de zee, die verenigbaar zijn met dit Verdrag, hinderen en er wordt bij zodanige soorten gebruik naar behoren met dit onderzoek rekening gehouden;
d) wetenschappelijk zeeonderzoek wordt verricht in overeenstemming met alle desbetreffende voorschriften, aangenomen overeenkomstig dit Verdrag, met inbegrip van die ter bescherming en behoud van het mariene milieu.
Bij het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek gelden de volgende beginselen :
a) wetenschappelijk zeeonderzoek wordt uitsluitend verricht voor vreedzame doeleinden;
b) wetenschappelijk zeeonderzoek wordt verricht met gebruikmaking van de passende wetenschappelijke methoden en middelen die verenigbaar zijn met dit Verdrag;
c) wetenschappelijk zeeonderzoek mag niet op ongerechtvaardigde wijze andere rechtmatige soorten gebruik van de zee, die verenigbaar zijn met dit Verdrag, hinderen en er wordt bij zodanige soorten gebruik naar behoren met dit onderzoek rekening gehouden;
d) wetenschappelijk zeeonderzoek wordt verricht in overeenstemming met alle desbetreffende voorschriften, aangenomen overeenkomstig dit Verdrag, met inbegrip van die ter bescherming en behoud van het mariene milieu.
Art. 240. Principes géneraux régissant la conduite de la recherche scientifique marine.
La recherche scientifique marine obéit aux principes suivants :
a) elle est menee à des fins exclusivement pacifiques;
b) elle est menée en utilisant des méthodes et moyens scientifiques appropriés compatibles avec la Convention;
c) elle ne gêne pas de façon injustifiable les autres utilisations légitimes de la mer compatibles avec la Convention et elle est dûment prise en considération lors de ces utilisations;
d) elle est menée conformément à tous les règlements pertinents adoptés en application de la Convention, y compris ceux visant à protéger et à préserver le milieu marin.
La recherche scientifique marine obéit aux principes suivants :
a) elle est menee à des fins exclusivement pacifiques;
b) elle est menée en utilisant des méthodes et moyens scientifiques appropriés compatibles avec la Convention;
c) elle ne gêne pas de façon injustifiable les autres utilisations légitimes de la mer compatibles avec la Convention et elle est dûment prise en considération lors de ces utilisations;
d) elle est menée conformément à tous les règlements pertinents adoptés en application de la Convention, y compris ceux visant à protéger et à préserver le milieu marin.
Art. 241. Niet-erkenning van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek als de juridische basis voor aanspraken.
Werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek vormen geen juridische basis voor aanspraken op enig deel van het mariene milieu of de rijkdommen daarvan.
Werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek vormen geen juridische basis voor aanspraken op enig deel van het mariene milieu of de rijkdommen daarvan.
Art. 241. Non-reconnaissance de la recherche scientifique marine en tant que fondement juridique d'une revendication quelconque.
La recherche scientifique marine ne constitue le fondement juridique d'aucune revendication sur une partie quelconque du milieu marin ou de ses ressources.
La recherche scientifique marine ne constitue le fondement juridique d'aucune revendication sur une partie quelconque du milieu marin ou de ses ressources.
Afdeling 2. - Internationale samenwerking.
Section 2. - Cooperation internationale.
Art. 242. Bevordering van internationale samenwerking.
1. De Staten en bevoegde internationale organisaties bevorderen, overeenkomstig het beginsel van eerbied voor de soevereiniteit en de rechtsmacht en op basis van wederzijds voordeel, de internationale samenwerking bij wetenschappelijk zeeonderzoek voor vreedzame doeleinden.
2. In dit verband biedt een Staat, onverminderd de rechten en plichten van de Staten krachtens dit Verdrag, in toepassing van dit Deel, naar gelang passend, andere Staten een redelijke mogelijkheid van deze Staat, of met zijn medewerking, de informatie te verkrijgen die nodig is ter voorkoming en bestrijding van schade aan de gezondheid en de veiligheid van personen en aan het mariene milieu.
1. De Staten en bevoegde internationale organisaties bevorderen, overeenkomstig het beginsel van eerbied voor de soevereiniteit en de rechtsmacht en op basis van wederzijds voordeel, de internationale samenwerking bij wetenschappelijk zeeonderzoek voor vreedzame doeleinden.
2. In dit verband biedt een Staat, onverminderd de rechten en plichten van de Staten krachtens dit Verdrag, in toepassing van dit Deel, naar gelang passend, andere Staten een redelijke mogelijkheid van deze Staat, of met zijn medewerking, de informatie te verkrijgen die nodig is ter voorkoming en bestrijding van schade aan de gezondheid en de veiligheid van personen en aan het mariene milieu.
Art. 242. Obligation de favoriser la coopération internationale.
1. En se conformant au principe du respect de la souveraineté et de la juridiction, et sur la base de la réciprocité des avantages, les Etats et les organisations internationales competentes favorisent la coopération internationale en matière de recherche scientifique marine à des fins pacifiques.
2. Dans ce contexte et sans préjudice des droits et obligations des Etats en vertu de la Convention, un Etat, agissant en application de la présente partie, offre aux autres Etats, selon qu'il convient, des possibilités raisonnables d'obtenir de lui ou avec sa coopération les informations nécessaires pour prévenir et maîtriser les effets dommageables à la santé et à la sécurité des personnes et au milieu marin.
1. En se conformant au principe du respect de la souveraineté et de la juridiction, et sur la base de la réciprocité des avantages, les Etats et les organisations internationales competentes favorisent la coopération internationale en matière de recherche scientifique marine à des fins pacifiques.
2. Dans ce contexte et sans préjudice des droits et obligations des Etats en vertu de la Convention, un Etat, agissant en application de la présente partie, offre aux autres Etats, selon qu'il convient, des possibilités raisonnables d'obtenir de lui ou avec sa coopération les informations nécessaires pour prévenir et maîtriser les effets dommageables à la santé et à la sécurité des personnes et au milieu marin.
Art. 243. Het scheppen van gunstige voorwaarden.
De Staten en bevoegde internationale organisaties werken samen, door middel van het sluiten van bilaterale en multilaterale overeenkomsten, ten einde gunstige voorwaarden te scheppen voor het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek in het mariene milieu en de inspanningen van wetenschapsmensen bij de bestudering van de aard van de verschijnselen en processen die zich voordoen in het mariene milieu en van de onderlinge samenhang daartussen, te bundelen.
De Staten en bevoegde internationale organisaties werken samen, door middel van het sluiten van bilaterale en multilaterale overeenkomsten, ten einde gunstige voorwaarden te scheppen voor het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek in het mariene milieu en de inspanningen van wetenschapsmensen bij de bestudering van de aard van de verschijnselen en processen die zich voordoen in het mariene milieu en van de onderlinge samenhang daartussen, te bundelen.
Art. 243. Instauration de conditions favorables.
Les Etats et les organisations internationales compétentes coopèrent, par la conclusion d'accords bilatéraux et multilatéraux, pour créer des conditions favorables à la conduite de la recherche scientifique marine dans le milieu marin et unir les efforts des chercheurs qui étudient la nature des phénomènes et processus dont il est le lieu et leurs interactions.
Les Etats et les organisations internationales compétentes coopèrent, par la conclusion d'accords bilatéraux et multilatéraux, pour créer des conditions favorables à la conduite de la recherche scientifique marine dans le milieu marin et unir les efforts des chercheurs qui étudient la nature des phénomènes et processus dont il est le lieu et leurs interactions.
Art. 244. Openbaarmaking en verspreiding van informatie en kennis.
1. Overeenkomstig dit Verdrag stellen de Staten en bevoegde internationale organisaties, door openbaarmaking en verspreiding via passende kanalen, informatie beschikbaar inzake voorgestelde omvangrijke programma's en de doelstellingen daarvan alsmede de kennis, voortvloeiend uit het wetenschappelijk zeeonderzoek.
2. Hiertoe bevorderen de Staten, zowel afzonderlijk als in samenwerking met andere Staten en met bevoegde internationale organisaties, actief de mededeling van wetenschappelijke gegevens en informatie en de overdracht van uit het wetenschappelijk zeeonderzoek voortvloeiende kennis, vooral aan ontwikkelingsstaten, en bevorderen zij tevens de versterking van het eigen vermogen van ontwikkelingsstaten tot het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek, door middel van onder andere programma's voor passend onderwijs aan en goede opleiding van hun wetenschappelijk en technisch personeel.
1. Overeenkomstig dit Verdrag stellen de Staten en bevoegde internationale organisaties, door openbaarmaking en verspreiding via passende kanalen, informatie beschikbaar inzake voorgestelde omvangrijke programma's en de doelstellingen daarvan alsmede de kennis, voortvloeiend uit het wetenschappelijk zeeonderzoek.
2. Hiertoe bevorderen de Staten, zowel afzonderlijk als in samenwerking met andere Staten en met bevoegde internationale organisaties, actief de mededeling van wetenschappelijke gegevens en informatie en de overdracht van uit het wetenschappelijk zeeonderzoek voortvloeiende kennis, vooral aan ontwikkelingsstaten, en bevorderen zij tevens de versterking van het eigen vermogen van ontwikkelingsstaten tot het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek, door middel van onder andere programma's voor passend onderwijs aan en goede opleiding van hun wetenschappelijk en technisch personeel.
Art. 244. Publication et diffusion d'informations et de connaissances.
1. Les Etats et les organisations internationales compétentes publient et diffusent, par les voies appropriées et conformément à la Convention, des renseignements concernant les principaux programmes envisagés et leurs objectifs, ainsi que les connaissances tirées de la recherche scientifique marine.
2. A cette fin, les Etats, tant individuellement qu'en coopération avec d'autres Etats et avec les organisations internationales compétentes, favorisent activement la communication de données et d'informations scientifiques, et le transfert, en particulier aux Etats en développement, des connaissances tirées de la recherche scientifique marine, ainsi que le renforcement de la capacité propre de ces Etats de mener des recherches scientifiques marines, notamment au moyen de programmes visant à dispenser un enseignement et une formation appropriés à leur personnel technique et scientifique.
1. Les Etats et les organisations internationales compétentes publient et diffusent, par les voies appropriées et conformément à la Convention, des renseignements concernant les principaux programmes envisagés et leurs objectifs, ainsi que les connaissances tirées de la recherche scientifique marine.
2. A cette fin, les Etats, tant individuellement qu'en coopération avec d'autres Etats et avec les organisations internationales compétentes, favorisent activement la communication de données et d'informations scientifiques, et le transfert, en particulier aux Etats en développement, des connaissances tirées de la recherche scientifique marine, ainsi que le renforcement de la capacité propre de ces Etats de mener des recherches scientifiques marines, notamment au moyen de programmes visant à dispenser un enseignement et une formation appropriés à leur personnel technique et scientifique.
Afdeling 3. - Het verrichten en bevorderen van wetenschappelijk zeeonderzoek.
Section 3. - Conduite de la recherche scientifique marine et action visant a la favoriser.
Art. 245. Wetenschappelijk zeeonderzoek in de territoriale zee.
Bij de uitoefening van hun soevereiniteit hebben de kuststaten het exclusieve recht tot het verrichten van, en het uitvaardigen van voorschriften en verlenen van machtiging met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek in hun territoriale zee. Wetenschappelijk zeeonderzoek in dit gebied mag alleen worden verricht met de uitdrukkelijke toestemming van en op de voorwaarden gesteld door de kuststaat.
Bij de uitoefening van hun soevereiniteit hebben de kuststaten het exclusieve recht tot het verrichten van, en het uitvaardigen van voorschriften en verlenen van machtiging met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek in hun territoriale zee. Wetenschappelijk zeeonderzoek in dit gebied mag alleen worden verricht met de uitdrukkelijke toestemming van en op de voorwaarden gesteld door de kuststaat.
Art. 245. Recherche scientifique marine dans la mer territoriale.
Les Etats côtiers, dans l'exercice de leur souveraineté, ont le droit exclusif de réglementer, d'autoriser et de mener des recherches scientifiques marines dans leur mer territoriale. La recherche scientifique marine dans la mer territoriale n'est menée qu'avec le consentement exprès de l'Etat côtier et dans les conditions fixées par lui.
Les Etats côtiers, dans l'exercice de leur souveraineté, ont le droit exclusif de réglementer, d'autoriser et de mener des recherches scientifiques marines dans leur mer territoriale. La recherche scientifique marine dans la mer territoriale n'est menée qu'avec le consentement exprès de l'Etat côtier et dans les conditions fixées par lui.
Art. 246. Wetenschappelijk zeeonderzoek in de exclusieve economische zone en op het continentale plat.
1. Kuststaten hebben bij de uitoefening van hun rechtsmacht het recht tot het verrichten van en het uitvaardigen van voorschriften en verlenen van machtiging met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek in hun exclusieve economische zone en op hun continentale plat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.
2. Wetenschappelijk zeeonderzoek in de exclusieve economische zone en op het continentale plat wordt verricht met toestemming van de kuststaat.
3. Kuststaten geven in normale omstandigheden hun toestemming voor projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek door andere Staten of bevoegde internationale organisaties in hun exclusieve economische zone of op hun continentale plat, overeenkomstig dit Verdrag te verrichten uitsluitend voor vreedzame doeleinden en ten einde de wetenschappelijke kennis van het mariene milieu te vergroten en ten bate van de gehele mensheid. Hiertoe stellen kuststaten regels en procedures vast ten einde te verzekeren dat een zodanige toestemming niet wordt vertraagd of op onredelijke gronden geweigerd.
4. Voor de toepassing van het derde lid kunnen de omstandigheden als normaal worden beschouwd, ondanks het ontbreken van diplomatieke betrekkingen tussen de kuststaat en de Staat die het onderzoek verricht.
5. Kuststaten kunnen evenwel naar eigen goeddunken hun toestemming onthouden aan het uitvoeren van een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek door een andere Staat of bevoegde internationale organisatie in de exclusieve economische zone of op het continentale plat van de kuststaat indien dat project :
a) van rechtstreekse betekenis is voor de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen, levend of niet-levend;
b) met zich brengt het verrichten van boringen in het continentale plat, het gebruik van explosieven of de introductie van schadelijke stoffen in het mariene milieu;
c) de bouw, de exploitatie of het gebruik met zich brengt van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen zoals bedoeld in de artikelen 60 en 80;
d) ingevolge artikel 248 medegedeelde informatie betreffende de aard en de doelstellingen van het project bevat die onjuist is, of indien de Staat of de bevoegde internationale organisatie die het onderzoek verricht niet-nagekomen verplichtingen jegens de kuststaat heeft, voortvloeiende uit een eerder onderzoeksproject.
6. Niettegenstaande het bepaalde in het vijfde lid kunnen kuststaten niet naar eigen goeddunken hun toestemming ingevolge letter a van dat lid onthouden ten aanzien van projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek die overeenkomstig de bepalingen van dit Deel worden ondernomen op het continentale plat buiten 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, buiten die specifieke gebieden die de kuststaat te allen tijde openbaar kan aanwijzen als gebieden waarin exploitatie of uitvoerige exploratoire werkzaamheden, gericht op die gebieden aan de gang zijn of binnen een redelijke termijn zullen plaatsvinden. Kuststaten geven op een redelijke termijn vooraf kennis van de aanwijzing van zulke gebieden, alsmede van wijzigingen daarin, maar zijn niet verplicht bijzonderheden over de werkzaamheden aldaar te verstrekken.
7. De bepalingen van het zesde lid laten onverlet de rechten van kuststaten op het continentale plat zoals vastgelegd in artikel 77.
8. Het wetenschappelijk zeeonderzoek, bedoeld in dit artikel, mag niet op ongerechtvaardigde wijze door kuststaten in de uitoefening van hun soevereine rechten en rechtsmacht, zoals bepaald in dit Verdrag, ondernomen werkzaamheden, hinderen.
1. Kuststaten hebben bij de uitoefening van hun rechtsmacht het recht tot het verrichten van en het uitvaardigen van voorschriften en verlenen van machtiging met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek in hun exclusieve economische zone en op hun continentale plat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.
2. Wetenschappelijk zeeonderzoek in de exclusieve economische zone en op het continentale plat wordt verricht met toestemming van de kuststaat.
3. Kuststaten geven in normale omstandigheden hun toestemming voor projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek door andere Staten of bevoegde internationale organisaties in hun exclusieve economische zone of op hun continentale plat, overeenkomstig dit Verdrag te verrichten uitsluitend voor vreedzame doeleinden en ten einde de wetenschappelijke kennis van het mariene milieu te vergroten en ten bate van de gehele mensheid. Hiertoe stellen kuststaten regels en procedures vast ten einde te verzekeren dat een zodanige toestemming niet wordt vertraagd of op onredelijke gronden geweigerd.
4. Voor de toepassing van het derde lid kunnen de omstandigheden als normaal worden beschouwd, ondanks het ontbreken van diplomatieke betrekkingen tussen de kuststaat en de Staat die het onderzoek verricht.
5. Kuststaten kunnen evenwel naar eigen goeddunken hun toestemming onthouden aan het uitvoeren van een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek door een andere Staat of bevoegde internationale organisatie in de exclusieve economische zone of op het continentale plat van de kuststaat indien dat project :
a) van rechtstreekse betekenis is voor de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen, levend of niet-levend;
b) met zich brengt het verrichten van boringen in het continentale plat, het gebruik van explosieven of de introductie van schadelijke stoffen in het mariene milieu;
c) de bouw, de exploitatie of het gebruik met zich brengt van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen zoals bedoeld in de artikelen 60 en 80;
d) ingevolge artikel 248 medegedeelde informatie betreffende de aard en de doelstellingen van het project bevat die onjuist is, of indien de Staat of de bevoegde internationale organisatie die het onderzoek verricht niet-nagekomen verplichtingen jegens de kuststaat heeft, voortvloeiende uit een eerder onderzoeksproject.
6. Niettegenstaande het bepaalde in het vijfde lid kunnen kuststaten niet naar eigen goeddunken hun toestemming ingevolge letter a van dat lid onthouden ten aanzien van projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek die overeenkomstig de bepalingen van dit Deel worden ondernomen op het continentale plat buiten 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, buiten die specifieke gebieden die de kuststaat te allen tijde openbaar kan aanwijzen als gebieden waarin exploitatie of uitvoerige exploratoire werkzaamheden, gericht op die gebieden aan de gang zijn of binnen een redelijke termijn zullen plaatsvinden. Kuststaten geven op een redelijke termijn vooraf kennis van de aanwijzing van zulke gebieden, alsmede van wijzigingen daarin, maar zijn niet verplicht bijzonderheden over de werkzaamheden aldaar te verstrekken.
7. De bepalingen van het zesde lid laten onverlet de rechten van kuststaten op het continentale plat zoals vastgelegd in artikel 77.
8. Het wetenschappelijk zeeonderzoek, bedoeld in dit artikel, mag niet op ongerechtvaardigde wijze door kuststaten in de uitoefening van hun soevereine rechten en rechtsmacht, zoals bepaald in dit Verdrag, ondernomen werkzaamheden, hinderen.
Art. 246. Recherche scientifique marine dans la zone économique exclusive et sur le plateau continental.
1. Les Etats côtiers, dans l'exercice de leur juridiction, ont le droit de réglementer, d'autoriser et de mener des recherches scientifiques marines dans leur zone économique exclusive et sur leur plateau continental conformément aux dispositions pertinentes de la Convention.
2. La recherche scientifique marine dans la zone économique exclusive et sur le plateau continental est menée avec le consentement de l'Etat côtier.
3. Dans des circonstances normales, les Etats côtiers consentent à la réalisation des projets de recherche scientifique marine que d'autres Etats ou les organisations internationales compétentes se proposent d'entreprendre dans leur zone économique exclusive ou sur leur plateau continental conformément a la Convention, à des fins exclusivement pacifiques et en vue d'accroître les connaissances scientifiques sur le milieu marin dans l'intérêt de l'humanité tout entière. A cette fin, les Etats côtiers adoptent des règles et des procédures garantissant que leur consentement sera accordé dans des délais raisonnables et ne sera pas refusé abusivement.
4. Aux fins de l'application du paragraphe 3, les circonstances peuvent être considérées comme normales même en l'absence de relations diplomatiques entre l'Etat côtier et l'Etat qui se propose d'effectuer des recherches.
5. Les Etats côtiers peuvent cependant, à leur discrétion, refuser leur consentement à l'exécution d'un projet de recherche scientifique marine par un autre Etat ou par une organisation internationale compétente dans leur zone économique exclusive ou sur leur plateau continental dans les cas suivants :
a) si le projet a une incidence directe sur l'exploration et l'exploitation des ressources naturelles, biologiques ou non biologiques;
b) si le projet prévoit des forages dans le plateau continental, l'utilisation d'explosifs ou l'introduction de substances nocives dans le milieu marin;
c) si le projet prévoit la construction, l'exploitation ou l'utilisation des îles artificielles, installations et ouvrages visés aux articles 60 et 80;
d) si les renseignements communiqués quant à la nature et aux objectifs du projet en vertu de l'article 248 sont inexacts ou si l'Etat ou l'organisation internationale compétente auteur du projet ne s'est pas acquitté d'obligations contractées vis-à-vis de l'Etat côtier concerné au titre d'un projet de recherche antérieur.
6. Nonobstant le paragraphe 5, les Etats côtiers ne peuvent pas exercer leur pouvoir discrétionnaire de refuser leur consentement en vertu de la lettre a) de ce paragraphe, en ce qui concerne les projets de recherche scientifique marine devant être entrepris, conformément à la présente partie, sur le plateau continental, à plus de 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale, en dehors de zones spécifiques qu'ils peuvent à tout moment, désigner officiellement comme faisant l'objet, ou devant faire l'objet dans un délai raisonnable, de travaux d'exploitation ou de travaux d'exploration poussée. Les Etats côtiers notifient dans des délais raisonnables les zones qu'ils désignent ainsi que toutes modifications s'y rapportant, mais ne sont pas tenus de fournir des délais sur les travaux dont elles font l'objet.
7. Le paragraphe 6 s'applique sans préjudice des droits sur le plateau continental reconnus aux Etats côtiers à l'article 77.
8. Les recherches scientifiques marines visées au présent article ne doivent pas gêner de façon injustifiable les activités entreprises par les Etats côtiers dans l'exercice des droits souverains et de la juridiction que prévoit la Convention.
1. Les Etats côtiers, dans l'exercice de leur juridiction, ont le droit de réglementer, d'autoriser et de mener des recherches scientifiques marines dans leur zone économique exclusive et sur leur plateau continental conformément aux dispositions pertinentes de la Convention.
2. La recherche scientifique marine dans la zone économique exclusive et sur le plateau continental est menée avec le consentement de l'Etat côtier.
3. Dans des circonstances normales, les Etats côtiers consentent à la réalisation des projets de recherche scientifique marine que d'autres Etats ou les organisations internationales compétentes se proposent d'entreprendre dans leur zone économique exclusive ou sur leur plateau continental conformément a la Convention, à des fins exclusivement pacifiques et en vue d'accroître les connaissances scientifiques sur le milieu marin dans l'intérêt de l'humanité tout entière. A cette fin, les Etats côtiers adoptent des règles et des procédures garantissant que leur consentement sera accordé dans des délais raisonnables et ne sera pas refusé abusivement.
4. Aux fins de l'application du paragraphe 3, les circonstances peuvent être considérées comme normales même en l'absence de relations diplomatiques entre l'Etat côtier et l'Etat qui se propose d'effectuer des recherches.
5. Les Etats côtiers peuvent cependant, à leur discrétion, refuser leur consentement à l'exécution d'un projet de recherche scientifique marine par un autre Etat ou par une organisation internationale compétente dans leur zone économique exclusive ou sur leur plateau continental dans les cas suivants :
a) si le projet a une incidence directe sur l'exploration et l'exploitation des ressources naturelles, biologiques ou non biologiques;
b) si le projet prévoit des forages dans le plateau continental, l'utilisation d'explosifs ou l'introduction de substances nocives dans le milieu marin;
c) si le projet prévoit la construction, l'exploitation ou l'utilisation des îles artificielles, installations et ouvrages visés aux articles 60 et 80;
d) si les renseignements communiqués quant à la nature et aux objectifs du projet en vertu de l'article 248 sont inexacts ou si l'Etat ou l'organisation internationale compétente auteur du projet ne s'est pas acquitté d'obligations contractées vis-à-vis de l'Etat côtier concerné au titre d'un projet de recherche antérieur.
6. Nonobstant le paragraphe 5, les Etats côtiers ne peuvent pas exercer leur pouvoir discrétionnaire de refuser leur consentement en vertu de la lettre a) de ce paragraphe, en ce qui concerne les projets de recherche scientifique marine devant être entrepris, conformément à la présente partie, sur le plateau continental, à plus de 200 milles marins des lignes de base à partir desquelles est mesurée la largeur de la mer territoriale, en dehors de zones spécifiques qu'ils peuvent à tout moment, désigner officiellement comme faisant l'objet, ou devant faire l'objet dans un délai raisonnable, de travaux d'exploitation ou de travaux d'exploration poussée. Les Etats côtiers notifient dans des délais raisonnables les zones qu'ils désignent ainsi que toutes modifications s'y rapportant, mais ne sont pas tenus de fournir des délais sur les travaux dont elles font l'objet.
7. Le paragraphe 6 s'applique sans préjudice des droits sur le plateau continental reconnus aux Etats côtiers à l'article 77.
8. Les recherches scientifiques marines visées au présent article ne doivent pas gêner de façon injustifiable les activités entreprises par les Etats côtiers dans l'exercice des droits souverains et de la juridiction que prévoit la Convention.
Art. 247. Projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek, ondernomen door of onder auspiciën van internationale organisaties.
Een kuststaat die lid is van of een bilaterale overeenkomst heeft met een internationale organisatie en in wiens exclusieve economische zone of op wiens continentale plat die organisatie een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek wenst uit te voeren, rechtstreeks dan wel onder haar auspiciën, wordt geacht machtiging te hebben verleend voor de uitvoering van het project overeenkomstig de overeengekomen specificaties, indien die Staat het tot in bijzonderheden uitgewerkte project heeft goedgekeurd toen de organisatie het besluit nam voor het ondernemen van het project, of bereid is daaraan deel te nemen, en niet binnen vier maanden na kennisgeving van het project door de organisatie aan de kuststaat bezwaar heeft aangetekend.
Een kuststaat die lid is van of een bilaterale overeenkomst heeft met een internationale organisatie en in wiens exclusieve economische zone of op wiens continentale plat die organisatie een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek wenst uit te voeren, rechtstreeks dan wel onder haar auspiciën, wordt geacht machtiging te hebben verleend voor de uitvoering van het project overeenkomstig de overeengekomen specificaties, indien die Staat het tot in bijzonderheden uitgewerkte project heeft goedgekeurd toen de organisatie het besluit nam voor het ondernemen van het project, of bereid is daaraan deel te nemen, en niet binnen vier maanden na kennisgeving van het project door de organisatie aan de kuststaat bezwaar heeft aangetekend.
Art. 247. Projets de recherche réalisés par des organisations internationales ou sous leurs auspices.
Un Etat côtier qui est membre d'une organisation internationale ou lié à une telle organisation par un accord bilatéral et dans la zone économique exclusive ou sur le plateau continental duquel cette organisation veut exécuter directement ou faire executer sous ses auspices un projet de recherche scientifique marine, est réputé avoir autorisé l'exécution du projet conformément aux specifications convenues s'il a approuvé le projet détaillé lorsque l'organisation a pris la décision de l'entreprendre ou s'il est disposé à y participer et n'a émis aucune objection à l'expiration d'un délai de quatre mois à compter du moment où notification du projet lui a été faite par l'organisation.
Un Etat côtier qui est membre d'une organisation internationale ou lié à une telle organisation par un accord bilatéral et dans la zone économique exclusive ou sur le plateau continental duquel cette organisation veut exécuter directement ou faire executer sous ses auspices un projet de recherche scientifique marine, est réputé avoir autorisé l'exécution du projet conformément aux specifications convenues s'il a approuvé le projet détaillé lorsque l'organisation a pris la décision de l'entreprendre ou s'il est disposé à y participer et n'a émis aucune objection à l'expiration d'un délai de quatre mois à compter du moment où notification du projet lui a été faite par l'organisation.
Art. 248. Plicht de kuststaat informatie te verschaffen.
Staten en bevoegde internationale organisaties die voornemens zijn wetenschappelijk zeeonderzoek te ondernemen in de exclusieve economische zone of op het continentale plat van een kuststaat dienen uiterlijk zes maanden voor de beoogde aanvangsdatum van het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek, die Staat een volledige omschrijving te verschaffen van :
a) de aard en de doelstellingen van het project;
b) de te gebruiken methoden en middelen, met inbegrip van naam, tonnage, type en klasse van de schepen en een beschrijving van de wetenschappelijke apparatuur;
c) de exacte geografische gebieden waarin het project zal worden uitgevoerd;
d) de beoogde datum van de eerste verschijning en het definitieve vertrek van de onderzoeksvaartuigen of van de installering van de apparatuur of de verwijdering daarvan, naar gelang van toepassing;
e) de naam van de instelling onder wier auspiciën het project wordt uitgevoerd, de directeur daarvan en de personen, belast met het project; en
f) het oordeel over de mate waarin de kuststaat zou moeten kunnen deelnemen aan of vertegenwoordigd zijn in het project.
Staten en bevoegde internationale organisaties die voornemens zijn wetenschappelijk zeeonderzoek te ondernemen in de exclusieve economische zone of op het continentale plat van een kuststaat dienen uiterlijk zes maanden voor de beoogde aanvangsdatum van het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek, die Staat een volledige omschrijving te verschaffen van :
a) de aard en de doelstellingen van het project;
b) de te gebruiken methoden en middelen, met inbegrip van naam, tonnage, type en klasse van de schepen en een beschrijving van de wetenschappelijke apparatuur;
c) de exacte geografische gebieden waarin het project zal worden uitgevoerd;
d) de beoogde datum van de eerste verschijning en het definitieve vertrek van de onderzoeksvaartuigen of van de installering van de apparatuur of de verwijdering daarvan, naar gelang van toepassing;
e) de naam van de instelling onder wier auspiciën het project wordt uitgevoerd, de directeur daarvan en de personen, belast met het project; en
f) het oordeel over de mate waarin de kuststaat zou moeten kunnen deelnemen aan of vertegenwoordigd zijn in het project.
Art. 248. _ Obligation de fournir des renseignements à l'Etat côtier.
Les Etats et les organisations internationales compétentes qui ont l'intention d'entreprendre des recherches scientifiques marines dans la zone économique exclusive ou sur le plateau continental d'un Etat côtier fournissent à ce dernier, six mois au plus tard avant la date prévue pour le début du projet de recherche scientifique marine, un descriptif complet indiquant :
a) la nature et les objectifs du projet;
b) la méthode et les moyens qui seront utilisés, en précisant le nom, le tonnage, le type et la catégorie des navires, et un descriptif du matériel scientifique;
c) les zones géographiques précises où le projet sera exécuté;
d) les dates prévues de la première arrivée et du dernier départ des navires de recherche ou celles de l'installation et du retrait du matériel de recherche, selon le cas;
e) le nom de l'institution qui patronne le projet de recherche, du Directeur de cette institution et du responsable du projet;
f) la mesure dans laquelle on estime que l'Etat côtier peut participer au projet ou se faire représenter.
Les Etats et les organisations internationales compétentes qui ont l'intention d'entreprendre des recherches scientifiques marines dans la zone économique exclusive ou sur le plateau continental d'un Etat côtier fournissent à ce dernier, six mois au plus tard avant la date prévue pour le début du projet de recherche scientifique marine, un descriptif complet indiquant :
a) la nature et les objectifs du projet;
b) la méthode et les moyens qui seront utilisés, en précisant le nom, le tonnage, le type et la catégorie des navires, et un descriptif du matériel scientifique;
c) les zones géographiques précises où le projet sera exécuté;
d) les dates prévues de la première arrivée et du dernier départ des navires de recherche ou celles de l'installation et du retrait du matériel de recherche, selon le cas;
e) le nom de l'institution qui patronne le projet de recherche, du Directeur de cette institution et du responsable du projet;
f) la mesure dans laquelle on estime que l'Etat côtier peut participer au projet ou se faire représenter.
Art. 249. Plicht te voldoen aan bepaalde voorwaarden.
1. Wanneer Staten en bevoegde internationale organisaties wetenschappelijk zeeonderzoek ter hand nemen in de exclusieve economische zone of op het continentale plat van een kuststaat, dienen zij te voldoen aan de volgende voorwaarden :
a) te verzekeren dat de kuststaat, indien deze zulks wenst, het recht heeft deel te nemen of vertegenwoordigd te zijn in het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek, vooral aan boord van onderzoeksvaartuigen en andere schepen of installaties voor wetenschappelijk onderzoek, wanneer uitvoerbaar, zonder betaling van enigerlei bezoldiging aan de wetenschapsmensen van de kuststaat en zonder verplichting bij te dragen aan de kosten van het project;
b) de kuststaat, op diens verzoek, voorlopige verslagen te verstrekken, zo spoedig als mogelijk is, en de eindresultaten en conclusies na voltooiing van het onderzoek;
c) op zich te nemen de kuststaat, op diens verzoek, toegang te verschaffen tot alle gegevens en monsters, verworven in het kader van het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek alsook deze Staat gegevens te verschaffen die kunnen worden vermenigvuldigd en monsters die kunnen worden gesplitst zonder nadeel voor hun wetenschappelijke waarde;
d) op verzoek, de kuststaat een evaluatie te verstrekken van zulke gegevens, monsters en onderzoeksresultaten of hulp te bieden bij de evaluatie of interpretatie daarvan;
e) Behoudens het bepaalde in het tweede lid, te verzekeren dat de onderzoeksresultaten, zo spoedig als uitvoerbaar is, internationaal ter beschikking worden gesteld via passende nationale of internationale kanalen;
f) de kuststaat onmiddellijk in kennis te stellen van belangrijke veranderingen in het onderzoeksprogramma;
g) tenzij anders overeengekomen, de installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek te verwijderen wanneer het onderzoek is voltooid.
2. Dit artikel laat onverlet de voorwaarden, gesteld bij de wetten en voorschriften van de kuststaat voor het handelen naar eigen goeddunken bij het verlenen of onthouden van toestemming ingevolge artikel 246, vijfde lid, met inbegrip van de eis van voorafgaande instemming voor het internationaal ter beschikking stellen van de onderzoeksresultaten van een project dat van rechtstreekse betekenis is voor de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen.
1. Wanneer Staten en bevoegde internationale organisaties wetenschappelijk zeeonderzoek ter hand nemen in de exclusieve economische zone of op het continentale plat van een kuststaat, dienen zij te voldoen aan de volgende voorwaarden :
a) te verzekeren dat de kuststaat, indien deze zulks wenst, het recht heeft deel te nemen of vertegenwoordigd te zijn in het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek, vooral aan boord van onderzoeksvaartuigen en andere schepen of installaties voor wetenschappelijk onderzoek, wanneer uitvoerbaar, zonder betaling van enigerlei bezoldiging aan de wetenschapsmensen van de kuststaat en zonder verplichting bij te dragen aan de kosten van het project;
b) de kuststaat, op diens verzoek, voorlopige verslagen te verstrekken, zo spoedig als mogelijk is, en de eindresultaten en conclusies na voltooiing van het onderzoek;
c) op zich te nemen de kuststaat, op diens verzoek, toegang te verschaffen tot alle gegevens en monsters, verworven in het kader van het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek alsook deze Staat gegevens te verschaffen die kunnen worden vermenigvuldigd en monsters die kunnen worden gesplitst zonder nadeel voor hun wetenschappelijke waarde;
d) op verzoek, de kuststaat een evaluatie te verstrekken van zulke gegevens, monsters en onderzoeksresultaten of hulp te bieden bij de evaluatie of interpretatie daarvan;
e) Behoudens het bepaalde in het tweede lid, te verzekeren dat de onderzoeksresultaten, zo spoedig als uitvoerbaar is, internationaal ter beschikking worden gesteld via passende nationale of internationale kanalen;
f) de kuststaat onmiddellijk in kennis te stellen van belangrijke veranderingen in het onderzoeksprogramma;
g) tenzij anders overeengekomen, de installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek te verwijderen wanneer het onderzoek is voltooid.
2. Dit artikel laat onverlet de voorwaarden, gesteld bij de wetten en voorschriften van de kuststaat voor het handelen naar eigen goeddunken bij het verlenen of onthouden van toestemming ingevolge artikel 246, vijfde lid, met inbegrip van de eis van voorafgaande instemming voor het internationaal ter beschikking stellen van de onderzoeksresultaten van een project dat van rechtstreekse betekenis is voor de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen.
Art. 249. Obligation de satisfaire à certaines conditions.
1. Les Etats et les organisations internationales compétentes qui effectuent des recherches scientifiques marines dans la zone économique exclusive ou sur le plateau continental d'un Etat côtier doivent satisfaire aux conditions suivantes :
a) garantir à l'Etat côtier, si celui-ci le désire, le droit de participer au projet de recherche scientifique marine ou de se faire représenter, en particulier, lorsque cela est possible, à bord des navires et autres embarcations de recherche ou sur les installations de recherche scientifique, mais sans qu'il y ait paiement d'aucune rémunération aux chercheurs de cet Etat et sans que ce dernier soit obligé de participer aux frais du projet;
b) fournir à l'Etat côtier, sur sa demande, des rapports préliminaires, aussitôt que possible, ainsi que les résultats et conclusions finales, une fois les recherches terminées;
c) s'engager à donner à l'Etat côtier, sur sa demande, accès à tous les échantillons et données obtenus dans le cadre du projet de recherche scientifique marine, ainsi qu'à lui fournir des données pouvant être reproduites et des échantillons pouvant être fractionnés sans que cela nuise à leur valeur scientifique;
d) fournir à l'Etat côtier, sur sa demande, une évaluation de ces données, échantillons et résultats de recherche, ou l'aider à les évaluer ou à les interpréter;
e) faire en sorte, sous réserve du paragraphe 2, que les résultats des recherches soient rendus disponibles aussitôt que possible sur le plan international par les voies nationales ou internationales appropriées;
f) informer immédiatement l'Etat côtier de toute modification majeure apportée au projet de recherche;
g) enlever les installations ou le matériel de recherche scientifique, une fois les recherches terminées, à moins qu'il n'en soit convenu autrement.
2. Le présent article s'applique sans préjudice des conditions fixées par les lois et règlements de l'Etat cotier en ce qui concerne l'exercice de son pouvoir discretionnaire d'accorder ou de refuser son consentement en application de l'article 246, paragraphe 5, y compris l'obligation d'obtenir son accord préalable pour diffuser sur le plan international les résultats des recherches relevant d'un projet intéressant directement l'exploration et l'exploitation de ressources naturelles.
1. Les Etats et les organisations internationales compétentes qui effectuent des recherches scientifiques marines dans la zone économique exclusive ou sur le plateau continental d'un Etat côtier doivent satisfaire aux conditions suivantes :
a) garantir à l'Etat côtier, si celui-ci le désire, le droit de participer au projet de recherche scientifique marine ou de se faire représenter, en particulier, lorsque cela est possible, à bord des navires et autres embarcations de recherche ou sur les installations de recherche scientifique, mais sans qu'il y ait paiement d'aucune rémunération aux chercheurs de cet Etat et sans que ce dernier soit obligé de participer aux frais du projet;
b) fournir à l'Etat côtier, sur sa demande, des rapports préliminaires, aussitôt que possible, ainsi que les résultats et conclusions finales, une fois les recherches terminées;
c) s'engager à donner à l'Etat côtier, sur sa demande, accès à tous les échantillons et données obtenus dans le cadre du projet de recherche scientifique marine, ainsi qu'à lui fournir des données pouvant être reproduites et des échantillons pouvant être fractionnés sans que cela nuise à leur valeur scientifique;
d) fournir à l'Etat côtier, sur sa demande, une évaluation de ces données, échantillons et résultats de recherche, ou l'aider à les évaluer ou à les interpréter;
e) faire en sorte, sous réserve du paragraphe 2, que les résultats des recherches soient rendus disponibles aussitôt que possible sur le plan international par les voies nationales ou internationales appropriées;
f) informer immédiatement l'Etat côtier de toute modification majeure apportée au projet de recherche;
g) enlever les installations ou le matériel de recherche scientifique, une fois les recherches terminées, à moins qu'il n'en soit convenu autrement.
2. Le présent article s'applique sans préjudice des conditions fixées par les lois et règlements de l'Etat cotier en ce qui concerne l'exercice de son pouvoir discretionnaire d'accorder ou de refuser son consentement en application de l'article 246, paragraphe 5, y compris l'obligation d'obtenir son accord préalable pour diffuser sur le plan international les résultats des recherches relevant d'un projet intéressant directement l'exploration et l'exploitation de ressources naturelles.
Art. 250. Mededelingen betreffende projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek.
Tenzij anders overeengekomen, worden mededelingen betreffende projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek gedaan via passende officiële kanalen.
Tenzij anders overeengekomen, worden mededelingen betreffende projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek gedaan via passende officiële kanalen.
Art. 250. Communications concernant les projets de recherche scientifique marine.
Les communications concernant les projets de recherche scientifique marine sont faites par les voies officielles appropriées, à moins qu'il n'en soit convenu autrement.
Les communications concernant les projets de recherche scientifique marine sont faites par les voies officielles appropriées, à moins qu'il n'en soit convenu autrement.
Art. 251. Algemene criteria en richtsnoeren.
De Staten streven ernaar via bevoegde internationale organisaties de vastlegging te bevorderen van algemene maatstaven en richtsnoeren om de Staten te helpen de aard en de implicaties van het wetenschappelijk zeeonderzoek vast te stellen.
De Staten streven ernaar via bevoegde internationale organisaties de vastlegging te bevorderen van algemene maatstaven en richtsnoeren om de Staten te helpen de aard en de implicaties van het wetenschappelijk zeeonderzoek vast te stellen.
Art. 251. Critères généraux et principes directeurs.
Les Etats s'efforcent de promouvoir, par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, l'établissement de critères généraux et de principes directeurs propres à les aider à déterminer la nature et les implications des travaux de recherche scientifique marine.
Les Etats s'efforcent de promouvoir, par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, l'établissement de critères généraux et de principes directeurs propres à les aider à déterminer la nature et les implications des travaux de recherche scientifique marine.
Art. 252. Stilzwijgende toestemming.
Staten of bevoegde internationale organisaties kunnen overgaan tot uitvoering van een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek zes maanden na de datum waarop de ingevolge artikel 248 vereiste informatie aan de kuststaat werd verstrekt, tenzij de kuststaat binnen vier maanden na ontvangst van de mededeling die deze informatie bevatte, de Staat of organisatie die het onderzoek verricht ervan in kennis heeft gesteld dat :
a) hij zijn instemming heeft onthouden ingevolge de bepalingen van artikel 246; of
b) de door die Staat of bevoegde internationale organisatie verstrekte informatie betreffende de aard of de doelstellingen van het project niet overeenstemt met de kennelijke feiten; of
c) hij aanvullende informatie verlangt betreffende de voorwaarden en de informatie zoals bedoeld in de artikelen 248 en 249; of
d) de verplichtingen voortvloeiend uit de in artikel 249 vastgestelde voorwaarden met betrekking tot een eerder door die Staat of organisatie uitgevoerd project voor wetenschappelijk zeeonderzoek niet zijn nagekomen.
Staten of bevoegde internationale organisaties kunnen overgaan tot uitvoering van een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek zes maanden na de datum waarop de ingevolge artikel 248 vereiste informatie aan de kuststaat werd verstrekt, tenzij de kuststaat binnen vier maanden na ontvangst van de mededeling die deze informatie bevatte, de Staat of organisatie die het onderzoek verricht ervan in kennis heeft gesteld dat :
a) hij zijn instemming heeft onthouden ingevolge de bepalingen van artikel 246; of
b) de door die Staat of bevoegde internationale organisatie verstrekte informatie betreffende de aard of de doelstellingen van het project niet overeenstemt met de kennelijke feiten; of
c) hij aanvullende informatie verlangt betreffende de voorwaarden en de informatie zoals bedoeld in de artikelen 248 en 249; of
d) de verplichtingen voortvloeiend uit de in artikel 249 vastgestelde voorwaarden met betrekking tot een eerder door die Staat of organisatie uitgevoerd project voor wetenschappelijk zeeonderzoek niet zijn nagekomen.
Art. 252. Consentement tacite.
Les Etats ou les organisations internationales compétentes peuvent mettre à exécution un projet de recherche scientifique marine à l'expiration d'un délai de six mois à compter de la date à laquelle les renseignements requis en vertu de l'article 248 ont été communiqués à l'Etat côtier, à moins que, dans un délai de quatre mois à compter de la réception de ces renseignements, celui-ci n'ait fait savoir à l'Etat ou à l'organisation qui se propose d'effectuer les recherches :
a) qu'il refuse son consentement, en vertu de l'article 246; ou
b) que les renseignements fournis par cet Etat ou cette organisation internationale compétente quant a la nature ou aux objectifs du projet ne correspondent pas aux faits patents; ou
c) qu'il a besoin d'un complément d'information à propos des renseignements ou des conditions visés aux articles 248 et 249; ou
d) que des obligations découlant des conditions fixées à l'article 249 pour un projet de recherche scientifique marine précédemment exécuté par cet Etat ou cette organisation n'ont pas été remplies.
Les Etats ou les organisations internationales compétentes peuvent mettre à exécution un projet de recherche scientifique marine à l'expiration d'un délai de six mois à compter de la date à laquelle les renseignements requis en vertu de l'article 248 ont été communiqués à l'Etat côtier, à moins que, dans un délai de quatre mois à compter de la réception de ces renseignements, celui-ci n'ait fait savoir à l'Etat ou à l'organisation qui se propose d'effectuer les recherches :
a) qu'il refuse son consentement, en vertu de l'article 246; ou
b) que les renseignements fournis par cet Etat ou cette organisation internationale compétente quant a la nature ou aux objectifs du projet ne correspondent pas aux faits patents; ou
c) qu'il a besoin d'un complément d'information à propos des renseignements ou des conditions visés aux articles 248 et 249; ou
d) que des obligations découlant des conditions fixées à l'article 249 pour un projet de recherche scientifique marine précédemment exécuté par cet Etat ou cette organisation n'ont pas été remplies.
Art. 253. Opschorting of beëindiging van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek.
1. Een kuststaat heeft het recht de opschorting te eisen van lopende werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek in zijn exclusieve economische zone of op zijn continentale plat indien :
a) de onderzoekswerkzaamheden niet worden verricht overeenkomstig de informatie, medegedeeld zoals bepaald in artikel 248, en waarop de toestemming van de kuststaat was gebaseerd; of
b) de Staat of bevoegde internationale organisatie die de onderzoekswerkzaamheden verricht, niet de bepalingen van artikel 249 naleeft betreffende de rechten van de kuststaat met betrekking tot het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek.
2. Een kuststaat heeft het recht de beëindiging van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek te eisen in het geval van de niet-naleving van de bepalingen van artikel 248 die neerkomt op een belangrijke verandering in het onderzoeksproject of de onderzoekswerkzaamheden.
3. Een kuststaat kan ook de beëindiging van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek eisen, indien een van de in het eerste lid bedoelde situaties niet binnen een redelijke termijn wordt rechtgezet.
4. Na de kennisgeving door de kuststaat van zijn besluit de opschorting of beëindiging te gelasten, beëindigen de Staten of bevoegde internationale organisaties die gemachtigd waren werkzaamheden op het gebied van wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten, de onderzoekswerkzaamheden die het onderwerp van een zodanige kennisgeving vormen.
5. Een bevel tot opschorting ingevolge het eerste lid wordt ingetrokken door de kuststaat en de werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek mogen worden voortgezet, wanneer de Staat of de bevoegde internationale organisatie die het onderzoek verricht, de ingevolge de artikelen 248 en 249 vereiste voorwaarden is nagekomen.
1. Een kuststaat heeft het recht de opschorting te eisen van lopende werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek in zijn exclusieve economische zone of op zijn continentale plat indien :
a) de onderzoekswerkzaamheden niet worden verricht overeenkomstig de informatie, medegedeeld zoals bepaald in artikel 248, en waarop de toestemming van de kuststaat was gebaseerd; of
b) de Staat of bevoegde internationale organisatie die de onderzoekswerkzaamheden verricht, niet de bepalingen van artikel 249 naleeft betreffende de rechten van de kuststaat met betrekking tot het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek.
2. Een kuststaat heeft het recht de beëindiging van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek te eisen in het geval van de niet-naleving van de bepalingen van artikel 248 die neerkomt op een belangrijke verandering in het onderzoeksproject of de onderzoekswerkzaamheden.
3. Een kuststaat kan ook de beëindiging van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek eisen, indien een van de in het eerste lid bedoelde situaties niet binnen een redelijke termijn wordt rechtgezet.
4. Na de kennisgeving door de kuststaat van zijn besluit de opschorting of beëindiging te gelasten, beëindigen de Staten of bevoegde internationale organisaties die gemachtigd waren werkzaamheden op het gebied van wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten, de onderzoekswerkzaamheden die het onderwerp van een zodanige kennisgeving vormen.
5. Een bevel tot opschorting ingevolge het eerste lid wordt ingetrokken door de kuststaat en de werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek mogen worden voortgezet, wanneer de Staat of de bevoegde internationale organisatie die het onderzoek verricht, de ingevolge de artikelen 248 en 249 vereiste voorwaarden is nagekomen.
Art. 253. Suspension ou cessation des travaux de recherche scientifique marine.
1. L'Etat côtier a le droit d'exiger la suspension des travaux de recherche scientifique marine dans sa zone économique exclusive ou sur son plateau continental :
a) si ces travaux ne sont pas menés conformément aux renseignements communiqués en vertu de l'article 248, sur lesquels l'Etat côtier s'est fondé pour donner son consentement; ou
b) si l'Etat ou l'organisation internationale compétente qui les mène ne respecte pas les dispositions de l'article 249 relatives aux droits de l'Etat côtier en ce qui concerne le projet de recherche scientifique marine.
2. L'Etat côtier a le droit d'exiger la cessation de tous travaux de recherche scientifique marine dans tous les cas où l'inobservation de l'article 248 équivaut à modifier de façon importante le projet ou les travaux de recherche.
3. L'Etat côtier peut également exiger la cessation des travaux de recherche scientifique marine s'il n'est pas remédié dans un délai raisonnable à l'une quelconque des situations visées au paragraphe 1.
4. Après avoir reçu notification par l'Etat côtier de sa décision d'exiger la suspension ou la cessation de travaux de recherche scientifique marine, les Etats ou les organisations internationales compétentes autorisés à mener ces travaux mettent fin à ceux qui font l'objet de la notification.
5. L'ordre de suspension donné en vertu du paragraphe 1 est levé par l'Etat côtier et le projet de recherche scientifique marine peut se poursuivre dès que l'Etat ou l'organisation internationale compétente qui effectue ces travaux de recherche scientifique marine s'est conformé aux conditions prévues aux articles 248 et 249.
1. L'Etat côtier a le droit d'exiger la suspension des travaux de recherche scientifique marine dans sa zone économique exclusive ou sur son plateau continental :
a) si ces travaux ne sont pas menés conformément aux renseignements communiqués en vertu de l'article 248, sur lesquels l'Etat côtier s'est fondé pour donner son consentement; ou
b) si l'Etat ou l'organisation internationale compétente qui les mène ne respecte pas les dispositions de l'article 249 relatives aux droits de l'Etat côtier en ce qui concerne le projet de recherche scientifique marine.
2. L'Etat côtier a le droit d'exiger la cessation de tous travaux de recherche scientifique marine dans tous les cas où l'inobservation de l'article 248 équivaut à modifier de façon importante le projet ou les travaux de recherche.
3. L'Etat côtier peut également exiger la cessation des travaux de recherche scientifique marine s'il n'est pas remédié dans un délai raisonnable à l'une quelconque des situations visées au paragraphe 1.
4. Après avoir reçu notification par l'Etat côtier de sa décision d'exiger la suspension ou la cessation de travaux de recherche scientifique marine, les Etats ou les organisations internationales compétentes autorisés à mener ces travaux mettent fin à ceux qui font l'objet de la notification.
5. L'ordre de suspension donné en vertu du paragraphe 1 est levé par l'Etat côtier et le projet de recherche scientifique marine peut se poursuivre dès que l'Etat ou l'organisation internationale compétente qui effectue ces travaux de recherche scientifique marine s'est conformé aux conditions prévues aux articles 248 et 249.
Art. 254. Rechten van aangrenzende Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging.
1. Staten en bevoegde internationale organisaties die aan een kuststaat een project hebben voorgelegd voor het ondernemen van wetenschappelijk zeeonderzoek zoals bedoeld in artikel 246, derde lid, geven de buurstaten zonder zeekust en buurstaten met een ongunstige geografische ligging kennis van het voorgestelde onderzoeksproject en stellen de kuststaat daarvan in kennis.
2. Nadat door de betrokken kuststaat overeenkomstig artikel 246 en andere desbetreffende bepalingen van dit Verdrag toestemming is gegeven voor het voorgestelde project voor wetenschappelijk zeeonderzoek, verschaffen de Staten en bevoegde internationale organisaties die zulk een project ondernemen, de buurstaten zonder zeekust en buurstaten met een ongunstige geografische ligging, op hun verzoek en wanneer passend, de van belang zijnde informatie zoals aangegeven in artikel 248 en artikel 249, eerste lid, letter f.
3. De hierboven bedoelde buurstaten zonder zeekust en buurstaten met een ongunstige geografische ligging wordt, op hun verzoek, de gelegenheid gegeven, wanneer mogelijk, deel te nemen aan het voorgestelde project voor wetenschappelijk zeeonderzoek door middel van bevoegde deskundigen die door hen zijn benoemd en waartegen geen bezwaar wordt gemaakt door de kuststaat overeenkomstig de voorwaarden die in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag zijn overeengekomen tussen de betrokken kuststaat en de Staat of bevoegde internationale organisatie die het wetenschappelijk zeeonderzoek verrichten.
4. De in het eerste lid bedoelde Staten en bevoegde internationale organisaties verstrekken de bovengenoemde Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging, op hun verzoek, de informatie en hulp, omschreven in artikel 249, eerste lid, letter d, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 249, tweede lid.
1. Staten en bevoegde internationale organisaties die aan een kuststaat een project hebben voorgelegd voor het ondernemen van wetenschappelijk zeeonderzoek zoals bedoeld in artikel 246, derde lid, geven de buurstaten zonder zeekust en buurstaten met een ongunstige geografische ligging kennis van het voorgestelde onderzoeksproject en stellen de kuststaat daarvan in kennis.
2. Nadat door de betrokken kuststaat overeenkomstig artikel 246 en andere desbetreffende bepalingen van dit Verdrag toestemming is gegeven voor het voorgestelde project voor wetenschappelijk zeeonderzoek, verschaffen de Staten en bevoegde internationale organisaties die zulk een project ondernemen, de buurstaten zonder zeekust en buurstaten met een ongunstige geografische ligging, op hun verzoek en wanneer passend, de van belang zijnde informatie zoals aangegeven in artikel 248 en artikel 249, eerste lid, letter f.
3. De hierboven bedoelde buurstaten zonder zeekust en buurstaten met een ongunstige geografische ligging wordt, op hun verzoek, de gelegenheid gegeven, wanneer mogelijk, deel te nemen aan het voorgestelde project voor wetenschappelijk zeeonderzoek door middel van bevoegde deskundigen die door hen zijn benoemd en waartegen geen bezwaar wordt gemaakt door de kuststaat overeenkomstig de voorwaarden die in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag zijn overeengekomen tussen de betrokken kuststaat en de Staat of bevoegde internationale organisatie die het wetenschappelijk zeeonderzoek verrichten.
4. De in het eerste lid bedoelde Staten en bevoegde internationale organisaties verstrekken de bovengenoemde Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging, op hun verzoek, de informatie en hulp, omschreven in artikel 249, eerste lid, letter d, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 249, tweede lid.
Art. 254. Droits des Etats voisins sans littoral et des Etats voisins géographiquement désavantagés.
1. Les Etats et les organisations internationales compétentes qui ont présenté à un Etat côtier un projet de recherche scientifique marine visé à l'article 246, paragraphe 3, en avisent les Etats voisins sans littoral et les Etats voisins géographiquement désavantagés et notifient à l'Etat côtier l'envoi de ces avis.
2. Une fois que l'Etat côtier concerné a donné son consentement au projet, conformément à l'article 246 et aux autres dispositions pertinentes de la Convention, les Etats et les organisations internationales compétentes qui entreprennent le projet fournissent aux Etats voisins sans littoral et aux Etats voisins géographiquement désavantagés, sur leur demande et selon qu'il convient, les renseignements spécifiés à l'article 249, paragraphe 1, lettre f).
3. Les Etats sans littoral et les Etats géographiquement désavantagés susvisés se voient accorder, sur leur demande, la possibilité de participer autant que faire se peut au projet de recherche scientifique marine envisagé par l'intermédiaire d'experts qualifiés désignés par eux et non récusés par l'Etat côtier, selon les conditions dont l'Etat côtier et l'Etat ou les organisations internationales compétentes qui mènent les travaux de recherche scientifique marine sont convenus pour l'exécution du projet, en conformité de la Convention.
4. Les Etats et les organisations internationales compétentes visés au paragraphe 1 fournissent, sur leur demande, aux Etats sans littoral et aux Etats geographiquement désavantagés susvisés les renseignements et l'assistance spécifiés à l'article 249, paragraphe 1, lettre d), sous réserve du paragraphe 2 du même article.
1. Les Etats et les organisations internationales compétentes qui ont présenté à un Etat côtier un projet de recherche scientifique marine visé à l'article 246, paragraphe 3, en avisent les Etats voisins sans littoral et les Etats voisins géographiquement désavantagés et notifient à l'Etat côtier l'envoi de ces avis.
2. Une fois que l'Etat côtier concerné a donné son consentement au projet, conformément à l'article 246 et aux autres dispositions pertinentes de la Convention, les Etats et les organisations internationales compétentes qui entreprennent le projet fournissent aux Etats voisins sans littoral et aux Etats voisins géographiquement désavantagés, sur leur demande et selon qu'il convient, les renseignements spécifiés à l'article 249, paragraphe 1, lettre f).
3. Les Etats sans littoral et les Etats géographiquement désavantagés susvisés se voient accorder, sur leur demande, la possibilité de participer autant que faire se peut au projet de recherche scientifique marine envisagé par l'intermédiaire d'experts qualifiés désignés par eux et non récusés par l'Etat côtier, selon les conditions dont l'Etat côtier et l'Etat ou les organisations internationales compétentes qui mènent les travaux de recherche scientifique marine sont convenus pour l'exécution du projet, en conformité de la Convention.
4. Les Etats et les organisations internationales compétentes visés au paragraphe 1 fournissent, sur leur demande, aux Etats sans littoral et aux Etats geographiquement désavantagés susvisés les renseignements et l'assistance spécifiés à l'article 249, paragraphe 1, lettre d), sous réserve du paragraphe 2 du même article.
Art. 255. Maatregelen tot vergemakkelijking van wetenschappelijk zeeonderzoek en tot hulp aan onderzoeksschepen.
De Staten trachten redelijke regels, voorschriften, en procedures aan te nemen ter bevordering en vergemakkelijking van overeenkomstig dit Verdrag verricht wetenschappelijk zeeonderzoek buiten hun territoriale zee en, naar gelang passend, onder voorbehoud van de bepalingen van hun wetten en voorschriften, ter vergemakkelijking van toegang tot hun havens en ter bevordering van hulp aan schepen voor wetenschappelijk zeeonderzoek die voldoen aan de desbetreffende bepalingen van dit Deel.
De Staten trachten redelijke regels, voorschriften, en procedures aan te nemen ter bevordering en vergemakkelijking van overeenkomstig dit Verdrag verricht wetenschappelijk zeeonderzoek buiten hun territoriale zee en, naar gelang passend, onder voorbehoud van de bepalingen van hun wetten en voorschriften, ter vergemakkelijking van toegang tot hun havens en ter bevordering van hulp aan schepen voor wetenschappelijk zeeonderzoek die voldoen aan de desbetreffende bepalingen van dit Deel.
Art. 255. Mesures visant à faciliter la recherche scientifique marine et l'assistance aux navires de recherche.
Les Etats s'efforcent d'adopter des règles, règlements et procédures raisonnables en vue d'encourager et de faciliter la recherche scientifique marine menée conformément à la Convention au-delà de leur mer territoriale et, si besoin est, de faciliter aux navires de recherche scientifique marine qui se conforment aux dispositions pertinentes de la présente partie l'acces à leurs ports, sous réserve de leurs lois et règlements, et de promouvoir l'assistance à ces navires.
Les Etats s'efforcent d'adopter des règles, règlements et procédures raisonnables en vue d'encourager et de faciliter la recherche scientifique marine menée conformément à la Convention au-delà de leur mer territoriale et, si besoin est, de faciliter aux navires de recherche scientifique marine qui se conforment aux dispositions pertinentes de la présente partie l'acces à leurs ports, sous réserve de leurs lois et règlements, et de promouvoir l'assistance à ces navires.
Art. 256. Wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied.
Alle Staten, ongeacht hun geografische ligging, en bevoegde internationale organisaties hebben het recht, overeenkomstig de bepalingen van Deel XI, wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten in het Gebied.
Alle Staten, ongeacht hun geografische ligging, en bevoegde internationale organisaties hebben het recht, overeenkomstig de bepalingen van Deel XI, wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten in het Gebied.
Art. 256. Recherche scientifique marine dans la Zone.
Tous les Etats, quelle que soit leur situation géographique, ainsi que les organisations internationales compétentes, ont le droit d'effectuer des recherches scientifiques marines dans la Zone, conformément a la partie XI.
Tous les Etats, quelle que soit leur situation géographique, ainsi que les organisations internationales compétentes, ont le droit d'effectuer des recherches scientifiques marines dans la Zone, conformément a la partie XI.
Art. 257. Wetenschappelijk zeeonderzoek in de waterkolom buiten de exclusieve economische zone.
Alle Staten, ongeacht hun geografische ligging, en bevoegde internationale organisaties hebben het recht, overeenkomstig dit Verdrag, wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten in de waterkolom buiten de grenzen van de exclusieve economische zone.
Alle Staten, ongeacht hun geografische ligging, en bevoegde internationale organisaties hebben het recht, overeenkomstig dit Verdrag, wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten in de waterkolom buiten de grenzen van de exclusieve economische zone.
Art. 257. Recherche scientifique marine dans la colonne d'eau au-dela des limites de la zone économique exclusive.
Tous les Etats, quelle que soit leur situation géographique, ainsi que les organisations internationales compétentes, ont le droit, conformément à la Convention, d'effectuer des recherches scientifiques marines dans la colonne d'eau au-delà des limites de la zone économique exclusive.
Tous les Etats, quelle que soit leur situation géographique, ainsi que les organisations internationales compétentes, ont le droit, conformément à la Convention, d'effectuer des recherches scientifiques marines dans la colonne d'eau au-delà des limites de la zone économique exclusive.
Afdeling 4. - Installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek in het mariene milieu.
Section 4. - Installations et matériel de recherche scientifique dans le milieu marin.
Art. 258. Plaatsing en gebruik.
De plaatsing en het gebruik van alle soorten installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek in enig gebied van het mariene milieu zijn onderworpen aan dezelfde voorwaarden als die welke in dit Verdrag zijn voorgeschreven voor het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek in een zodanig gebied.
De plaatsing en het gebruik van alle soorten installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek in enig gebied van het mariene milieu zijn onderworpen aan dezelfde voorwaarden als die welke in dit Verdrag zijn voorgeschreven voor het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek in een zodanig gebied.
Art. 258. Mise en place et utilisation.
La mise en place et l'utilisation d'installations ou de matériel de recherche scientifique de tout type dans une zone quelconque du milieu marin sont subordonnées aux mêmes conditions que celles prévues par la Convention pour la conduite de la recherche scientifique marine dans la zone considérée.
La mise en place et l'utilisation d'installations ou de matériel de recherche scientifique de tout type dans une zone quelconque du milieu marin sont subordonnées aux mêmes conditions que celles prévues par la Convention pour la conduite de la recherche scientifique marine dans la zone considérée.
Art. 259. Juridische status.
De installaties of apparatuur bedoeld in deze afdeling, bezitten niet de status van eilanden. Zij hebben geen eigen territoriale zee en hun aanwezigheid is niet van invloed op de begrenzing van de territoriale zee, de exclusieve economische zone of het continentale plat.
De installaties of apparatuur bedoeld in deze afdeling, bezitten niet de status van eilanden. Zij hebben geen eigen territoriale zee en hun aanwezigheid is niet van invloed op de begrenzing van de territoriale zee, de exclusieve economische zone of het continentale plat.
Art. 259. Régime juridique.
Les installations ou le matériel visés dans la présente section n'ont pas le statut d'îles. Elles n'ont pas de mer territoriale qui leur soit propre, et leur présence n'influe pas sur la délimitation de la mer territoriale, de la zone économique exclusive ou du plateau continental.
Les installations ou le matériel visés dans la présente section n'ont pas le statut d'îles. Elles n'ont pas de mer territoriale qui leur soit propre, et leur présence n'influe pas sur la délimitation de la mer territoriale, de la zone économique exclusive ou du plateau continental.
Art. 260. Veiligheidszones.
Rond installaties voor wetenschappelijk onderzoek kunnen veiligheidszones met een redelijke breedte, en wel van niet meer dan 500 meter, worden vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag. Alle Staten verzekeren dat zodanige veiligheidszones door hun schepen worden geëerbiedigd.
Rond installaties voor wetenschappelijk onderzoek kunnen veiligheidszones met een redelijke breedte, en wel van niet meer dan 500 meter, worden vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag. Alle Staten verzekeren dat zodanige veiligheidszones door hun schepen worden geëerbiedigd.
Art. 260. Zones de sécurité.
Des zones de sécurité d'une largeur raisonnable ne dépassant pas 500 mètres peuvent être établies autour des installations de recherche scientifique, conformément aux dispositions pertinentes de la Convention. Tous les Etats veillent à ce que leurs navires respectent ces zones de sécurité.
Des zones de sécurité d'une largeur raisonnable ne dépassant pas 500 mètres peuvent être établies autour des installations de recherche scientifique, conformément aux dispositions pertinentes de la Convention. Tous les Etats veillent à ce que leurs navires respectent ces zones de sécurité.
Art. 261. Geen hinder voor scheepvaartroutes.
De plaatsing en het gebruik van alle soorten installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek mogen geen belemmering vormen voor gebruikelijke internationale scheepvaartroutes.
De plaatsing en het gebruik van alle soorten installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek mogen geen belemmering vormen voor gebruikelijke internationale scheepvaartroutes.
Art. 261. Obligation de ne pas créer d'obstacle à la navigation internationale.
La mise en place et l'utilisation d'installations ou de matériel de recherche scientifique de tout type ne doivent pas entraver la navigation par les routes internationalement pratiquées.
La mise en place et l'utilisation d'installations ou de matériel de recherche scientifique de tout type ne doivent pas entraver la navigation par les routes internationalement pratiquées.
Art. 262. Identificatiemerken en waarschuwingsseinen.
De in deze afdeling bedoelde installaties of apparatuur dragen identificatiemerken waaruit de Staat van registratie of de internationale organisatie waaraan zij toebehoren blijkt, en dienen voldoende internationaal overeengekomen waarschuwingsseinen te bezitten om de veiligheid op zee en de veiligheid van de luchtvaart te verzekeren, met inachtneming van de regels en normen vastgesteld door bevoegde internationale organisaties.
De in deze afdeling bedoelde installaties of apparatuur dragen identificatiemerken waaruit de Staat van registratie of de internationale organisatie waaraan zij toebehoren blijkt, en dienen voldoende internationaal overeengekomen waarschuwingsseinen te bezitten om de veiligheid op zee en de veiligheid van de luchtvaart te verzekeren, met inachtneming van de regels en normen vastgesteld door bevoegde internationale organisaties.
Art. 262. Marques d'identification et moyens de signalisation.
Les installations ou le matériel visés dans la présente section sont munis de marques d'identification indiquant l'Etat d'immatriculation ou l'organisation internationale à laquelle ils appartiennent, ainsi que de moyens appropriés de signalisation internationalement convenus pour assurer la sécurité de la navigation maritime et aérienne, compte tenu des règles et normes établies par les organisations internationales compétentes.
Les installations ou le matériel visés dans la présente section sont munis de marques d'identification indiquant l'Etat d'immatriculation ou l'organisation internationale à laquelle ils appartiennent, ainsi que de moyens appropriés de signalisation internationalement convenus pour assurer la sécurité de la navigation maritime et aérienne, compte tenu des règles et normes établies par les organisations internationales compétentes.
Afdeling 5. - Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.
Section 5. - Responsabilité.
Art. 263. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.
1. Staten en bevoegde internationale organisaties zijn ervoor verantwoordelijk dat wordt verzekerd dat wetenschappelijk zeeonderzoek of dit nu door of namens hen wordt ondernomen, wordt verricht overeenkomstig dit Verdrag.
2. Staten en bevoegde internationale organisaties zijn verantwoordelijk en aansprakelijk voor de maatregelen die zij nemen in strijd met dit Verdrag met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek verricht door andere Staten, hun natuurlijke personen of rechtspersonen of door bevoegde internationale organisaties en vergoeden de uit zodanige maatregelen voortvloeiende schade.
3. Staten en bevoegde internationale organisaties zijn verantwoordelijk en aansprakelijk ingevolge artikel 235 voor schade veroorzaakt door verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit wetenschappelijk zeeonderzoek ondernomen door of namens hen.
1. Staten en bevoegde internationale organisaties zijn ervoor verantwoordelijk dat wordt verzekerd dat wetenschappelijk zeeonderzoek of dit nu door of namens hen wordt ondernomen, wordt verricht overeenkomstig dit Verdrag.
2. Staten en bevoegde internationale organisaties zijn verantwoordelijk en aansprakelijk voor de maatregelen die zij nemen in strijd met dit Verdrag met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek verricht door andere Staten, hun natuurlijke personen of rechtspersonen of door bevoegde internationale organisaties en vergoeden de uit zodanige maatregelen voortvloeiende schade.
3. Staten en bevoegde internationale organisaties zijn verantwoordelijk en aansprakelijk ingevolge artikel 235 voor schade veroorzaakt door verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit wetenschappelijk zeeonderzoek ondernomen door of namens hen.
Art. 263. Responsabilité.
1. Il incombe aux Etats et aux organisations internationales compétentes de veiller à ce que les recherches scientifiques marines, qu'elles soient entreprises par eux ou pour leur compte, soient menées conformément à la Convention.
2. Les Etats et les organisations internationales compétentes sont responsables des mesures qu'ils prennent en violation de la Convention en ce qui concerne les travaux de recherche scientifique marine menés par d'autres Etats, par des personnes physiques ou morales ayant la nationalité de ces Etats ou par les organisations internationales compétentes, et ils réparent les dommages découlant de telles mesures.
3. Les Etats et les organisations internationales compétentes sont responsables, en vertu de l'article 235, des dommages causés par la pollution du milieu marin résultant de recherches scientifiques marines effectuées par eux ou pour leur compte.
1. Il incombe aux Etats et aux organisations internationales compétentes de veiller à ce que les recherches scientifiques marines, qu'elles soient entreprises par eux ou pour leur compte, soient menées conformément à la Convention.
2. Les Etats et les organisations internationales compétentes sont responsables des mesures qu'ils prennent en violation de la Convention en ce qui concerne les travaux de recherche scientifique marine menés par d'autres Etats, par des personnes physiques ou morales ayant la nationalité de ces Etats ou par les organisations internationales compétentes, et ils réparent les dommages découlant de telles mesures.
3. Les Etats et les organisations internationales compétentes sont responsables, en vertu de l'article 235, des dommages causés par la pollution du milieu marin résultant de recherches scientifiques marines effectuées par eux ou pour leur compte.
Afdeling 6. - Regeling van geschillen en voorlopige maatregelen.
Section 6. - Règlement des différends et mesures conservatoires.
Art. 264. Regeling van geschillen.
Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek worden geregeld overeenkomstig Deel XV, afdelingen 2 en 3.
Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek worden geregeld overeenkomstig Deel XV, afdelingen 2 en 3.
Art. 264. Règlement des différends.
Les différends relatifs à l'interprétation ou à l'application des dispositions de la Convention visant la recherche scientifique marine sont réglés conformément aux sections 2 et 3 de la partie XV.
Les différends relatifs à l'interprétation ou à l'application des dispositions de la Convention visant la recherche scientifique marine sont réglés conformément aux sections 2 et 3 de la partie XV.
Art. 265. Voorlopige maatregelen.
In afwachting van de regeling van een geschil overeenkomstig Deel XV, afdelingen 2 en 3, mag de Staat of bevoegde internationale organisatie die gemachtigd was een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek uit te voeren, niet toestaan dat de onderzoekswerkzaamheden worden aangevangen of voortgezet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de betrokken kuststaat.
In afwachting van de regeling van een geschil overeenkomstig Deel XV, afdelingen 2 en 3, mag de Staat of bevoegde internationale organisatie die gemachtigd was een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek uit te voeren, niet toestaan dat de onderzoekswerkzaamheden worden aangevangen of voortgezet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de betrokken kuststaat.
Art. 265. Mesures conservatoires.
Tant qu'un différend n'est pas réglé conformément aux sections 2 et 3 de la partie XV, l'Etat ou l'organisation internationale compétente autorisé à exécuter le projet de recherche scientifique marine ne permet pas d'entreprendre ou de poursuivre les recherches sans le consentement exprès de l'Etat côtier concerné.
Tant qu'un différend n'est pas réglé conformément aux sections 2 et 3 de la partie XV, l'Etat ou l'organisation internationale compétente autorisé à exécuter le projet de recherche scientifique marine ne permet pas d'entreprendre ou de poursuivre les recherches sans le consentement exprès de l'Etat côtier concerné.
DEEL XIV. - Ontwikkeling en overdracht van mariene technologie.
PARTIE XIV. - Développement et transfert des techniques marines.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art. 266. Bevordering van de ontwikkeling en overdracht van mariene technologie.
1. De Staten werken, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, overeenkomstig hun vermogen samen, om actief de ontwikkeling en overdracht van mariene wetenschap en mariene technologie te bevorderen op billijke en redelijke voorwaarden en bedingen.
2. De Staten bevorderen de ontwikkeling van het mariene wetenschappelijk en technologisch vermogen van Staten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken, vooral ontwikkelingsstaten, met inbegrip van Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging, met betrekking tot de exploratie, exploitatie, het behoud en beheer van mariene rijkdommen, de bescherming en het behoud van het mariene milieu, wetenschappelijk zeeonderzoek, en andere werkzaamheden in het mariene milieu die verenigbaar zijn met dit Verdrag, ten einde de sociale en economische ontwikkeling van de ontwikkelingsstaten te versnellen.
3. De Staten trachten gunstige economische en juridische voorwaarden te bevorderen voor de overdracht van mariene technologie ten bate van alle betrokken partijen, en wel op billijke grondslag.
1. De Staten werken, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, overeenkomstig hun vermogen samen, om actief de ontwikkeling en overdracht van mariene wetenschap en mariene technologie te bevorderen op billijke en redelijke voorwaarden en bedingen.
2. De Staten bevorderen de ontwikkeling van het mariene wetenschappelijk en technologisch vermogen van Staten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken, vooral ontwikkelingsstaten, met inbegrip van Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging, met betrekking tot de exploratie, exploitatie, het behoud en beheer van mariene rijkdommen, de bescherming en het behoud van het mariene milieu, wetenschappelijk zeeonderzoek, en andere werkzaamheden in het mariene milieu die verenigbaar zijn met dit Verdrag, ten einde de sociale en economische ontwikkeling van de ontwikkelingsstaten te versnellen.
3. De Staten trachten gunstige economische en juridische voorwaarden te bevorderen voor de overdracht van mariene technologie ten bate van alle betrokken partijen, en wel op billijke grondslag.
Art. 266. Promotion du développement et du transfert des techniques marines.
1. Les Etats, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, coopèrent, dans la mesure de leurs capacités, en vue de favoriser activement le développement et le transfert des sciences et techniques de la mer selon des modalités et à des conditions justes et raisonnables.
2. Les Etats favorisent le développement de la capacité, dans le domaine des sciences et techniques marines, de ceux d'entre eux qui ont besoin et demandent à bénéficier d'une assistance technique dans ce domaine, notamment les Etats en développement, y compris les Etats sans littoral ou géographiquement désavantagés, en ce qui concerne l'exploration, l'exploitation, la conservation et la gestion des ressources de la mer, la protection et la préservation du milieu marin, la recherche scientifique marine et autres activités s'exercant dans le milieu marin qui sont compatibles avec la Convention, en vue d'accélérer le progrès social et économique des Etats en développement.
3. Les Etats s'efforcent de favoriser l'instauration de conditions économiques et juridiques propices au transfert des techniques marines, sur une base équitable, au profit de toutes les parties concernées.
1. Les Etats, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, coopèrent, dans la mesure de leurs capacités, en vue de favoriser activement le développement et le transfert des sciences et techniques de la mer selon des modalités et à des conditions justes et raisonnables.
2. Les Etats favorisent le développement de la capacité, dans le domaine des sciences et techniques marines, de ceux d'entre eux qui ont besoin et demandent à bénéficier d'une assistance technique dans ce domaine, notamment les Etats en développement, y compris les Etats sans littoral ou géographiquement désavantagés, en ce qui concerne l'exploration, l'exploitation, la conservation et la gestion des ressources de la mer, la protection et la préservation du milieu marin, la recherche scientifique marine et autres activités s'exercant dans le milieu marin qui sont compatibles avec la Convention, en vue d'accélérer le progrès social et économique des Etats en développement.
3. Les Etats s'efforcent de favoriser l'instauration de conditions économiques et juridiques propices au transfert des techniques marines, sur une base équitable, au profit de toutes les parties concernées.
Art. 267. Bescherming van rechtmatige belangen.
Bij de bevordering van de samenwerking ingevolge artikel 266 houden de Staten naar behoren rekening met alle rechtmatige belangen, met inbegrip van, onder meer, de rechten en plichten van bezitters, verstrekkers en ontvangers van mariene technologie.
Bij de bevordering van de samenwerking ingevolge artikel 266 houden de Staten naar behoren rekening met alle rechtmatige belangen, met inbegrip van, onder meer, de rechten en plichten van bezitters, verstrekkers en ontvangers van mariene technologie.
Art. 267. Protection des intérêts légitimes.
Les Etats, en favorisant la coopération en application de l'article 266, tiennent dûment compte de tous les intérêts légitimes, ainsi que des droits et obligations des détenteurs, des fournisseurs et des acquéreurs de techniques marines.
Les Etats, en favorisant la coopération en application de l'article 266, tiennent dûment compte de tous les intérêts légitimes, ainsi que des droits et obligations des détenteurs, des fournisseurs et des acquéreurs de techniques marines.
Art. 268. Fundamentele doelstellingen.
De Staten bevorderen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties :
a) de verwerving, evaluatie en verspreiding van mariene technologische kennis en vergemakkelijken de toegang tot zodanige informatie en gegevens;
b) de ontwikkeling van passende mariene technologie;
c) de ontwikkeling van de noodzakelijke technologische infrastructuur ter vergemakkelijking van de overdracht van mariene technologie;
d) de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen door middel van de opleiding van en het onderwijs aan onderdanen van ontwikkelingsstaten en -landen en in het bijzonder de onderdanen van de minst-ontwikkelde daaronder;
e) internationale samenwerking op alle niveaus, vooral op regionaal, subregionaal en bilateraal niveau.
De Staten bevorderen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties :
a) de verwerving, evaluatie en verspreiding van mariene technologische kennis en vergemakkelijken de toegang tot zodanige informatie en gegevens;
b) de ontwikkeling van passende mariene technologie;
c) de ontwikkeling van de noodzakelijke technologische infrastructuur ter vergemakkelijking van de overdracht van mariene technologie;
d) de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen door middel van de opleiding van en het onderwijs aan onderdanen van ontwikkelingsstaten en -landen en in het bijzonder de onderdanen van de minst-ontwikkelde daaronder;
e) internationale samenwerking op alle niveaus, vooral op regionaal, subregionaal en bilateraal niveau.
Art. 268. Objectifs fondamentaux.
Les Etats, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, doivent promouvoir :
a) l'acquisition, l'évaluation et la diffusion de connaissances dans le domaine des techniques marines; ils facilitent l'accès à l'information et aux données pertinentes;
b) le développement de techniques marines appropriées;
c) le développement de l'infrastructure technique nécessaire pour faciliter le transfert des techniques marines;
d) la mise en valeur des ressources humaines par la formation et l'enseignement dispensés aux ressortissants des Etats et pays en développement, en particulier de ceux d'entre eux qui sont les moins avancés;
e) la coopération internationale à tous les niveaux, notamment la coopération régionale, sous-régionale et bilatérale.
Les Etats, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, doivent promouvoir :
a) l'acquisition, l'évaluation et la diffusion de connaissances dans le domaine des techniques marines; ils facilitent l'accès à l'information et aux données pertinentes;
b) le développement de techniques marines appropriées;
c) le développement de l'infrastructure technique nécessaire pour faciliter le transfert des techniques marines;
d) la mise en valeur des ressources humaines par la formation et l'enseignement dispensés aux ressortissants des Etats et pays en développement, en particulier de ceux d'entre eux qui sont les moins avancés;
e) la coopération internationale à tous les niveaux, notamment la coopération régionale, sous-régionale et bilatérale.
Art. 269. Maatregelen ter verwezenlijking van de fundamentele doelstellingen.
Ten einde de in artikel 268 bedoelde doelstellingen te verwezenlijken, trachten de Staten, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, onder meer :
a) programma's op te stellen inzake technische samenwerking voor de doeltreffende overdracht van alle soorten mariene technologie aan Staten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken, vooral de ontwikkelingsstaten zonder zeekust en ontwikkelingsstaten met een ongunstige geografische ligging, alsook andere ontwikkelingsstaten die niet in staat zijn geweest hun eigen technologisch vermogen op het gebied van de mariene wetenschap en de exploratie en exploitatie van mariene rijkdommen op te bouwen of te ontwikkelen of de infrastructuur voor zodanige technologie tot ontwikkeling te brengen;
b) gunstige voorwaarden te scheppen voor het sluiten van overeenkomsten, contracten en andere soortgelijke regelingen, op billijke en redelijke voorwaarden;
c) conferenties, studiebijeenkomsten en symposia te houden over wetenschappelijke en technologische onderwerpen, met name over het beleid op het gebied van en de wijzen van overdracht van mariene technologie;
d) de uitwisseling te bevorderen van wetenschapsbeoefenaren, technici en andere deskundigen;
e) projecten ter hand te nemen en joint ventures en andere vormen van bilaterale en multilaterale samenwerking te bevorderen.
Ten einde de in artikel 268 bedoelde doelstellingen te verwezenlijken, trachten de Staten, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, onder meer :
a) programma's op te stellen inzake technische samenwerking voor de doeltreffende overdracht van alle soorten mariene technologie aan Staten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken, vooral de ontwikkelingsstaten zonder zeekust en ontwikkelingsstaten met een ongunstige geografische ligging, alsook andere ontwikkelingsstaten die niet in staat zijn geweest hun eigen technologisch vermogen op het gebied van de mariene wetenschap en de exploratie en exploitatie van mariene rijkdommen op te bouwen of te ontwikkelen of de infrastructuur voor zodanige technologie tot ontwikkeling te brengen;
b) gunstige voorwaarden te scheppen voor het sluiten van overeenkomsten, contracten en andere soortgelijke regelingen, op billijke en redelijke voorwaarden;
c) conferenties, studiebijeenkomsten en symposia te houden over wetenschappelijke en technologische onderwerpen, met name over het beleid op het gebied van en de wijzen van overdracht van mariene technologie;
d) de uitwisseling te bevorderen van wetenschapsbeoefenaren, technici en andere deskundigen;
e) projecten ter hand te nemen en joint ventures en andere vormen van bilaterale en multilaterale samenwerking te bevorderen.
Art. 269. Mesures à prendre en vue d'atteindre les objectifs fondamentaux.
En vue d'atteindre les objectifs visés à l'article 268, les Etats s'emploient, entre autres, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes à :
a) établir des programmes de coopération technique en vue du transfert effectif de techniques marines de tous ordres aux Etats qui ont besoin et demandent à bénéficier d'une assistance technique dans ce domaine, notamment aux Etats en développement sans littoral ou géographiquement désavantagés, ainsi qu'à d'autres Etats en développement qui n'ont pas été en mesure soit de créer, soit de développer leur propre capacité technique dans le domaine des sciences de la mer et dans celui de l'exploration et l'exploitation des ressources marines, ni de développer l'infrastructure qu'impliquent ces techniques;
b) favoriser l'instauration de conditions propices à la conclusion d'accords, de contrats ou d'autres arrangements similaires, dans des conditions équitables et raisonnables;
c) tenir des conférences, des séminaires et des colloques sur des sujets scientifiques et techniques, notamment sur les politiques et les méthodes à adopter pour le transfert des techniques marines;
d) favoriser l'échange de scientifique, techniciens et autres experts;
e) entreprendre des projets et promouvoir les entreprises conjointes et autres formes de coopération bilatérale et multilatérale.
En vue d'atteindre les objectifs visés à l'article 268, les Etats s'emploient, entre autres, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes à :
a) établir des programmes de coopération technique en vue du transfert effectif de techniques marines de tous ordres aux Etats qui ont besoin et demandent à bénéficier d'une assistance technique dans ce domaine, notamment aux Etats en développement sans littoral ou géographiquement désavantagés, ainsi qu'à d'autres Etats en développement qui n'ont pas été en mesure soit de créer, soit de développer leur propre capacité technique dans le domaine des sciences de la mer et dans celui de l'exploration et l'exploitation des ressources marines, ni de développer l'infrastructure qu'impliquent ces techniques;
b) favoriser l'instauration de conditions propices à la conclusion d'accords, de contrats ou d'autres arrangements similaires, dans des conditions équitables et raisonnables;
c) tenir des conférences, des séminaires et des colloques sur des sujets scientifiques et techniques, notamment sur les politiques et les méthodes à adopter pour le transfert des techniques marines;
d) favoriser l'échange de scientifique, techniciens et autres experts;
e) entreprendre des projets et promouvoir les entreprises conjointes et autres formes de coopération bilatérale et multilatérale.
Afdeling 2. - Internationale samenwerking.
Section 2. - Coopération internationale.
Art. 270. Kader voor de internationale samenwerking.
De internationale samenwerking voor de ontwikkeling en overdracht van mariene technologie geschiedt, waar uitvoerbaar en passend, via bestaande bilaterale, regionale of multilaterale programma's alsook via uitgebreide en nieuwe programma's ter vergemakkelijking van het wetenschappelijk zeeonderzoek, de overdracht van mariene technologie, inzonderheid op nieuwe terreinen, en passende internationale financiering van onderzoek en ontwikkeling op oceanografisch gebied.
De internationale samenwerking voor de ontwikkeling en overdracht van mariene technologie geschiedt, waar uitvoerbaar en passend, via bestaande bilaterale, regionale of multilaterale programma's alsook via uitgebreide en nieuwe programma's ter vergemakkelijking van het wetenschappelijk zeeonderzoek, de overdracht van mariene technologie, inzonderheid op nieuwe terreinen, en passende internationale financiering van onderzoek en ontwikkeling op oceanografisch gebied.
Art. 270. Cadre de la coopération internationale.
La coopération internationale pour le développement et le transfert des techniques marines s'exerce, lorsque cela est possible et approprié, aussi bien dans le cadre des programmes bilatéraux, régionaux et multilatéraux existants que dans le cadre de programmes élargis et de nouveaux programmes visant à faciliter la recherche scientifique marine et le transfert des techniques marines, en particulier dans de nouveaux domaines, et le financement international approprié de la recherche océanique et de la mise en valeur des océans.
La coopération internationale pour le développement et le transfert des techniques marines s'exerce, lorsque cela est possible et approprié, aussi bien dans le cadre des programmes bilatéraux, régionaux et multilatéraux existants que dans le cadre de programmes élargis et de nouveaux programmes visant à faciliter la recherche scientifique marine et le transfert des techniques marines, en particulier dans de nouveaux domaines, et le financement international approprié de la recherche océanique et de la mise en valeur des océans.
Art. 271. Richtsnoeren, criteria en normen.
De Staten bevorderen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, de opstelling van algemeen aanvaarde richtsnoeren, criteria en normen voor de overdracht van mariene technologie op bilaterale basis of binnen het kader van internationale organisaties en andere organen, in het bijzonder met inachtneming van de belangen en behoeften van ontwikkelingsstaten.
De Staten bevorderen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, de opstelling van algemeen aanvaarde richtsnoeren, criteria en normen voor de overdracht van mariene technologie op bilaterale basis of binnen het kader van internationale organisaties en andere organen, in het bijzonder met inachtneming van de belangen en behoeften van ontwikkelingsstaten.
Art. 271. Principes directeurs, critères et normes.
Les Etats, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, s'emploient à promouvoir l'élaboration de principes directeurs, critères et normes généralement acceptés pour le transfert des techniques marines dans le cadre d'arrangements bilatéraux ou dans le cadre d'organisations internationales et d'autres organismes, compte tenu en particulier des intérêts et besoins des Etats en développement.
Les Etats, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes, s'emploient à promouvoir l'élaboration de principes directeurs, critères et normes généralement acceptés pour le transfert des techniques marines dans le cadre d'arrangements bilatéraux ou dans le cadre d'organisations internationales et d'autres organismes, compte tenu en particulier des intérêts et besoins des Etats en développement.
Art. 272. Coördinatie van internationale programma's.
Op het terrein van overdracht van mariene technologie trachten de Staten te verzekeren dat bevoegde internationale organisaties hun werkzaamheden, met inbegrip van regionale of mondiale programma's, coördineren, met inachtneming van de belangen en behoeften van ontwikkelingsstaten, vooral de Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging.
Op het terrein van overdracht van mariene technologie trachten de Staten te verzekeren dat bevoegde internationale organisaties hun werkzaamheden, met inbegrip van regionale of mondiale programma's, coördineren, met inachtneming van de belangen en behoeften van ontwikkelingsstaten, vooral de Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging.
Art. 272. Coordination des programmes internationaux.
Dans le domaine du transfert des techniques marines, les Etats s'efforcent de faire en sorte que les organisations internationales compétentes coordonnent leurs activités, y compris tous programmes régionaux ou mondiaux, en tenant compte des intérêts et besoins des Etats en développement, en particulier des Etats sans littoral ou géographiquement désavantagés.
Dans le domaine du transfert des techniques marines, les Etats s'efforcent de faire en sorte que les organisations internationales compétentes coordonnent leurs activités, y compris tous programmes régionaux ou mondiaux, en tenant compte des intérêts et besoins des Etats en développement, en particulier des Etats sans littoral ou géographiquement désavantagés.
Art. 273. Samenwerking met internationale organisaties en de Autoriteit.
De Staten werken actief samen met bevoegde internationale organisaties en de Autoriteit ter stimulering en vergemakkelijking van de overdracht aan ontwikkelingsstaten, hun onderdanen en de Onderneming van praktische kennis en mariene technologie met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied.
De Staten werken actief samen met bevoegde internationale organisaties en de Autoriteit ter stimulering en vergemakkelijking van de overdracht aan ontwikkelingsstaten, hun onderdanen en de Onderneming van praktische kennis en mariene technologie met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied.
Art. 273. Coopération avec les organisations internationales et l'Autorite.
Les Etats coopèrent activement avec les organisations internationales compétentes et avec l'Autorité en vue d'encourager et de faciliter le transfert aux Etats en développement, à leurs ressortissants et à l'Entreprise de connaissances pratiques et de techniques marines se rapportant aux activités menées dans la Zone.
Les Etats coopèrent activement avec les organisations internationales compétentes et avec l'Autorité en vue d'encourager et de faciliter le transfert aux Etats en développement, à leurs ressortissants et à l'Entreprise de connaissances pratiques et de techniques marines se rapportant aux activités menées dans la Zone.
Art. 274. Doelstellingen van de Autoriteit.
Onder voorbehoud van alle rechtmatige belangen, met inbegrip van onder meer de rechten en plichten van bezitters, verstrekkers en ontvangers van technologie, verzekert de Autoriteit, met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, dat :
a) op basis van het beginsel van billijke geografische verdeling, onderdanen van ontwikkelingsstaten, of deze nu kuststaten, Staten zonder zeekust of Staten met een ongunstige geografische ligging zijn, worden aangenomen voor opleiding als lid van het leidinggevend, onderzoek verrichtend en technisch personeel dat voor haar werkzaamheden wordt aangeworven;
b) technisch documentatiemateriaal over de desbetreffende apparatuur, machines, toestellen en werkwijzen ter beschikking wordt gesteld aan alle Staten, inzonderheid aan ontwikkelingsstaten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken;
c) door de Autoriteit passende voorzieningen worden getroffen ter vergemakkelijking van de verwerving van technische hulp op het terrein van mariene technologie door Staten die deze nodig hebben en daarom verzoeken, inzonderheid ontwikkelingsstaten, en de verwerking door hun onderdanen van de nodige vaardigheden en kennis, met inbegrip van beroepsopleiding;
d) Staten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken, inzonderheid ontwikkelingsstaten, worden bijgestaan bij de verwerving van de nodige apparatuur en installaties en het zich eigen maken van bepaalde werkwijzen en andere technische kennis door middel van de in dit Verdrag neergelegde financiële regelingen.
Onder voorbehoud van alle rechtmatige belangen, met inbegrip van onder meer de rechten en plichten van bezitters, verstrekkers en ontvangers van technologie, verzekert de Autoriteit, met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, dat :
a) op basis van het beginsel van billijke geografische verdeling, onderdanen van ontwikkelingsstaten, of deze nu kuststaten, Staten zonder zeekust of Staten met een ongunstige geografische ligging zijn, worden aangenomen voor opleiding als lid van het leidinggevend, onderzoek verrichtend en technisch personeel dat voor haar werkzaamheden wordt aangeworven;
b) technisch documentatiemateriaal over de desbetreffende apparatuur, machines, toestellen en werkwijzen ter beschikking wordt gesteld aan alle Staten, inzonderheid aan ontwikkelingsstaten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken;
c) door de Autoriteit passende voorzieningen worden getroffen ter vergemakkelijking van de verwerving van technische hulp op het terrein van mariene technologie door Staten die deze nodig hebben en daarom verzoeken, inzonderheid ontwikkelingsstaten, en de verwerking door hun onderdanen van de nodige vaardigheden en kennis, met inbegrip van beroepsopleiding;
d) Staten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken, inzonderheid ontwikkelingsstaten, worden bijgestaan bij de verwerving van de nodige apparatuur en installaties en het zich eigen maken van bepaalde werkwijzen en andere technische kennis door middel van de in dit Verdrag neergelegde financiële regelingen.
Art. 274. Objectifs de l'Autorité.
Compte tenu de tous les intérêts légitimes, ainsi que des droits et obligations des détenteurs, des fournisseurs et des acquéreurs de techniques, l'Autorité, en ce qui concerne les activités menées dans la Zone, fait en sorte que :
a) conformément au principe d'une répartition géographique équitable, des ressortissants d'Etats en développement, qu'il s'agisse d'Etats côtiers, sans littoral ou géographiquement désavantagés, soient engagés comme stagiaires parmi les membres du personnel technique, de gestion et de recherche recrute pour les besoins de ses activités;
b) la documentation technique sur le matériel, les machines, les dispositifs et les procédés employés soit mise à la disposition de tous les Etats, notamment des Etats en développement qui ont besoin et demandent à bénéficier d'une assistance technique dans ce domaine;
c) des dispositions appropriées soient prises en son sein pour faciliter l'acquisition par les Etats qui ont besoin et demandent à bénéficier d'une assistance technique dans le domaine des techniques marines, notamment les Etats en développement, et par leurs ressortissants, des connaissances et du savoir-faire nécessaires, y compris l'acquisition d'une formation professionnelle;
d) les Etats qui ont besoin et demandent à bénéficier d'une assistance technique dans ce domaine, notamment les Etats en développement, reçoivent une assistance pour l'acquisition de l'équipement, des procédés, du matériel et du savoir-faire technique nécessaires, dans le cadre des arrangements financiers prévus dans la Convention.
Compte tenu de tous les intérêts légitimes, ainsi que des droits et obligations des détenteurs, des fournisseurs et des acquéreurs de techniques, l'Autorité, en ce qui concerne les activités menées dans la Zone, fait en sorte que :
a) conformément au principe d'une répartition géographique équitable, des ressortissants d'Etats en développement, qu'il s'agisse d'Etats côtiers, sans littoral ou géographiquement désavantagés, soient engagés comme stagiaires parmi les membres du personnel technique, de gestion et de recherche recrute pour les besoins de ses activités;
b) la documentation technique sur le matériel, les machines, les dispositifs et les procédés employés soit mise à la disposition de tous les Etats, notamment des Etats en développement qui ont besoin et demandent à bénéficier d'une assistance technique dans ce domaine;
c) des dispositions appropriées soient prises en son sein pour faciliter l'acquisition par les Etats qui ont besoin et demandent à bénéficier d'une assistance technique dans le domaine des techniques marines, notamment les Etats en développement, et par leurs ressortissants, des connaissances et du savoir-faire nécessaires, y compris l'acquisition d'une formation professionnelle;
d) les Etats qui ont besoin et demandent à bénéficier d'une assistance technique dans ce domaine, notamment les Etats en développement, reçoivent une assistance pour l'acquisition de l'équipement, des procédés, du matériel et du savoir-faire technique nécessaires, dans le cadre des arrangements financiers prévus dans la Convention.
Afdeling 3. - Nationale en regionale centra voor mariene wetenschap en technologie.
Section 3. - Centres nationaux et régionaux de recherche scientifique et technique marine.
Art. 275. Oprichting van nationale centra.
1. De Staten bevorderen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties en de Autoriteit, de oprichting, inzonderheid in ontwikkelingskuststaten, van nationale centra voor onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie en de versterking van bestaande nationale centra, ten einde het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek door ontwikkelingskuststaten te stimuleren en vooruit te helpen en hun nationale vermogen om hun mariene rijkdommen voor hun economisch voordeel aan te wenden en te behouden, te vergroten.
2. De Staten geven, via bevoegde internationale organisaties en de Autoriteit, voldoende steun ter vergemakkelijking van de oprichting en versterking van zodanige nationale centra, ten einde te voorzien in mogelijkheden voor voortgezette opleiding, in de nodige apparatuur, vaardigheden en kennis, alsook in technische deskundigen ten behoeve van die Staten welke zulke hulp nodig hebben en daarom verzoeken.
1. De Staten bevorderen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties en de Autoriteit, de oprichting, inzonderheid in ontwikkelingskuststaten, van nationale centra voor onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie en de versterking van bestaande nationale centra, ten einde het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek door ontwikkelingskuststaten te stimuleren en vooruit te helpen en hun nationale vermogen om hun mariene rijkdommen voor hun economisch voordeel aan te wenden en te behouden, te vergroten.
2. De Staten geven, via bevoegde internationale organisaties en de Autoriteit, voldoende steun ter vergemakkelijking van de oprichting en versterking van zodanige nationale centra, ten einde te voorzien in mogelijkheden voor voortgezette opleiding, in de nodige apparatuur, vaardigheden en kennis, alsook in technische deskundigen ten behoeve van die Staten welke zulke hulp nodig hebben en daarom verzoeken.
Art. 275. Création de centres nationaux.
1. Les Etats, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes et de l'Autorité, favorisent la création, notamment dans les Etats côtiers en développement, de centres nationaux de recherche scientifique et technique marine, et le renforcement des centres nationaux existants, afin de stimuler et faire progresser la recherche scientifique marine dans ces Etats et d'accroître leurs capacités respectives d'utiliser et de préserver leurs ressources marines à des fins économiques.
2. Les Etats, par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes et de l'Autorité, apportent un appui adéquat pour faciliter la création et le renforcement de centres nationaux afin de mettre des moyens de formation poussée, l'équipement, les connaissances pratiques et le savoir-faire nécessaires ainsi que des experts techniques à la disposition des Etats qui ont besoin et demandent à bénéficier d'une telle assistance.
1. Les Etats, directement ou par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes et de l'Autorité, favorisent la création, notamment dans les Etats côtiers en développement, de centres nationaux de recherche scientifique et technique marine, et le renforcement des centres nationaux existants, afin de stimuler et faire progresser la recherche scientifique marine dans ces Etats et d'accroître leurs capacités respectives d'utiliser et de préserver leurs ressources marines à des fins économiques.
2. Les Etats, par l'intermédiaire des organisations internationales compétentes et de l'Autorité, apportent un appui adéquat pour faciliter la création et le renforcement de centres nationaux afin de mettre des moyens de formation poussée, l'équipement, les connaissances pratiques et le savoir-faire nécessaires ainsi que des experts techniques à la disposition des Etats qui ont besoin et demandent à bénéficier d'une telle assistance.
Art. 276. Oprichting van regionale centra.
1. In coördinatie met de bevoegde internationale organisaties, de Autoriteit en nationale instellingen voor onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie, bevorderen de Staten de oprichting van regionale centra voor onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie, inzonderheid in ontwikkelingsstaten, ten einde het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek door ontwikkelingsstaten te stimuleren en vooruit te helpen en de overdracht van mariene technologie te bevorderen.
2. Alle Staten in een regio werken samen met de zich daarin bevindende regionale centra ter verzekering van een doeltreffendere verwezenlijking van hun doelstellingen.
1. In coördinatie met de bevoegde internationale organisaties, de Autoriteit en nationale instellingen voor onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie, bevorderen de Staten de oprichting van regionale centra voor onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie, inzonderheid in ontwikkelingsstaten, ten einde het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek door ontwikkelingsstaten te stimuleren en vooruit te helpen en de overdracht van mariene technologie te bevorderen.
2. Alle Staten in een regio werken samen met de zich daarin bevindende regionale centra ter verzekering van een doeltreffendere verwezenlijking van hun doelstellingen.
Art. 276. Création de centres régionaux.
1. Les Etats facilitent, en coordination avec les organisations internationales compétentes, l'Autorité et les instituts nationaux de recherche scientifique et technique marine, la création, notamment dans les Etats en developpement, de centres régionaux de recherche scientifique et technique marine, afin de stimuler et faire progresser la recherche scientifique marine dans ces Etats et de favoriser le transfert des techniques marines.
2. Tous les Etats d'une même région coopèrent avec les centres régionaux pour mieux assurer la réalisation de leurs objectifs.
1. Les Etats facilitent, en coordination avec les organisations internationales compétentes, l'Autorité et les instituts nationaux de recherche scientifique et technique marine, la création, notamment dans les Etats en developpement, de centres régionaux de recherche scientifique et technique marine, afin de stimuler et faire progresser la recherche scientifique marine dans ces Etats et de favoriser le transfert des techniques marines.
2. Tous les Etats d'une même région coopèrent avec les centres régionaux pour mieux assurer la réalisation de leurs objectifs.
Art. 277. Functies van regionale centra.
De functies van deze regionale centra omvatten onder meer :
a) opleidings- en onderwijsprogramma's op alle niveaus inzake verschillende aspecten van onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie, inzonderheid mariene biologie, met inbegrip van het behoud en beheer van levende rijkdommen, oceanografie, hydrografie, waterbouwkunde, geologische exploratie van de zeebodem, mijnbouw en ontziltingstechnologieën;
b) beheersstudies;
c) studieprogramma's betrekking hebbend op de bescherming en het behoud van het mariene milieu, en de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging;
d) de organisatie van regionale conferenties, studiebijeenkomsten en symposia;
e) de verwerving en be- en verwerking van gegevens en informatie op het gebied van mariene wetenschap en technologie;
f) de onverwijlde verspreiding van de resultaten van onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie in gemakkelijk toegankelijke publicaties;
g) het bekendheid geven aan nationale beleidslijnen met betrekking tot de overdracht van mariene technologie alsmede het verrichten van stelselmatig vergelijkend onderzoek inzake dit beleid;
h) de vergaring en systematisering van informatie over de afzet van technologie en over contracten en andere regelingen betreffende octrooien;
i) technische samenwerking met andere Staten in de regio.
De functies van deze regionale centra omvatten onder meer :
a) opleidings- en onderwijsprogramma's op alle niveaus inzake verschillende aspecten van onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie, inzonderheid mariene biologie, met inbegrip van het behoud en beheer van levende rijkdommen, oceanografie, hydrografie, waterbouwkunde, geologische exploratie van de zeebodem, mijnbouw en ontziltingstechnologieën;
b) beheersstudies;
c) studieprogramma's betrekking hebbend op de bescherming en het behoud van het mariene milieu, en de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging;
d) de organisatie van regionale conferenties, studiebijeenkomsten en symposia;
e) de verwerving en be- en verwerking van gegevens en informatie op het gebied van mariene wetenschap en technologie;
f) de onverwijlde verspreiding van de resultaten van onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie in gemakkelijk toegankelijke publicaties;
g) het bekendheid geven aan nationale beleidslijnen met betrekking tot de overdracht van mariene technologie alsmede het verrichten van stelselmatig vergelijkend onderzoek inzake dit beleid;
h) de vergaring en systematisering van informatie over de afzet van technologie en over contracten en andere regelingen betreffende octrooien;
i) technische samenwerking met andere Staten in de regio.
Art. 277. Fonctions des centres régionaux.
Les centres régionaux, entre autres fonctions, sont chargés d'assurer :
a) des programmes de formation et d'enseignement à tous les niveaux dans divers domaines de la recherche scientifique et technique marine, en particulier la biologie marine, portant notamment sur la conservation et la gestion des ressources biologiques, l'océanographie, l'hydrographie, l'ingéniérie, l'exploration géologique des fonds marins, l'extraction minière et les techniques de dessalement de l'eau;
b) des études de gestion;
c) des programmes d'études ayant trait a la protection et à la preservation du milieu marin et à la prévention, la réduction et la maîtrise de la pollution;
d) l'organisation de conférences, séminaires et colloques régionaux;
e) le rassemblement et le traitement de données et d'informations dans le domaine des sciences et techniques marines;
f) la diffusion rapide des résultats de la recherche scientifique et technique marine dans des publications facilement accessibles;
g) la diffusion d'informations sur les politiques nationales concernant le transfert des techniques marines, et l'étude comparative systématique de ces politiques;
h) la compilation et la systématisation des informations relatives à la commercialisation des techniques ainsi qu'aux contrats et aux autres arrangements relatifs aux brevets;
i) la coopération technique avec d'autres Etats et la région.
Les centres régionaux, entre autres fonctions, sont chargés d'assurer :
a) des programmes de formation et d'enseignement à tous les niveaux dans divers domaines de la recherche scientifique et technique marine, en particulier la biologie marine, portant notamment sur la conservation et la gestion des ressources biologiques, l'océanographie, l'hydrographie, l'ingéniérie, l'exploration géologique des fonds marins, l'extraction minière et les techniques de dessalement de l'eau;
b) des études de gestion;
c) des programmes d'études ayant trait a la protection et à la preservation du milieu marin et à la prévention, la réduction et la maîtrise de la pollution;
d) l'organisation de conférences, séminaires et colloques régionaux;
e) le rassemblement et le traitement de données et d'informations dans le domaine des sciences et techniques marines;
f) la diffusion rapide des résultats de la recherche scientifique et technique marine dans des publications facilement accessibles;
g) la diffusion d'informations sur les politiques nationales concernant le transfert des techniques marines, et l'étude comparative systématique de ces politiques;
h) la compilation et la systématisation des informations relatives à la commercialisation des techniques ainsi qu'aux contrats et aux autres arrangements relatifs aux brevets;
i) la coopération technique avec d'autres Etats et la région.
Afdeling 4. - Samenwerking tussen internationale organisaties.
Section 4. - Coopération entre organisations internationales.
Art. 278. Samenwerking tussen internationale organisaties.
De bevoegde internationale organisaties, bedoeld in dit Deel en in Deel XIII nemen alle passende maatregelen om, rechtstreeks of in nauwe onderlinge samenwerking, te verzekeren dat zij zich op doeltreffende wijze kwijten van hun taken en verantwoordelijkheden hun krachtens dit Deel opgelegd.
De bevoegde internationale organisaties, bedoeld in dit Deel en in Deel XIII nemen alle passende maatregelen om, rechtstreeks of in nauwe onderlinge samenwerking, te verzekeren dat zij zich op doeltreffende wijze kwijten van hun taken en verantwoordelijkheden hun krachtens dit Deel opgelegd.
Art. 278. Coopération entre organisations internationales.
Les organisations internationales compétentes visées dans la présente partie et la partie XIII prennent toutes les mesures voulues pour s'acquitter directement ou en étroite coopération, des fonctions et des responsabilités dont elles sont chargées en vertu de la présente partie.
Les organisations internationales compétentes visées dans la présente partie et la partie XIII prennent toutes les mesures voulues pour s'acquitter directement ou en étroite coopération, des fonctions et des responsabilités dont elles sont chargées en vertu de la présente partie.
DEEL XV. - Regeling van geschillen.
PARTIE XV. - Règlement des différends.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art. 279. Verplichting geschillen langs vreedzame weg te regelen.
De Staten die Partij zijn, regelen elk geschil tussen hen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag langs vreedzame weg in overeenstemming met artikel 2, derde lid, van het Handvest van de Verenigde Naties en zoeken te dien einde een oplossing ervan met de middelen als aangegeven in artikel 33, eerste lid, van het Handvest.
De Staten die Partij zijn, regelen elk geschil tussen hen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag langs vreedzame weg in overeenstemming met artikel 2, derde lid, van het Handvest van de Verenigde Naties en zoeken te dien einde een oplossing ervan met de middelen als aangegeven in artikel 33, eerste lid, van het Handvest.
Art. 279. Obligation de régler les différends par des moyens pacifiques.
Les Etats Parties règlent tout différend surgissant entre eux à propos de l'interprétation ou de l'application de la Convention par des moyens pacifiques conformément à l'article 2, paragraphe 3, de la Charte des Nations Unies et, à cette fin, doivent en rechercher la solution par les moyens indiqués à l'article 33, paragraphe 1, de la Charte.
Les Etats Parties règlent tout différend surgissant entre eux à propos de l'interprétation ou de l'application de la Convention par des moyens pacifiques conformément à l'article 2, paragraphe 3, de la Charte des Nations Unies et, à cette fin, doivent en rechercher la solution par les moyens indiqués à l'article 33, paragraphe 1, de la Charte.
Art. 280. Regeling van geschillen met vreedzame middelen als gekozen door de partijen erbij.
Geen enkele bepaling van dit Deel tast het recht van de Staten die Partij zijn aan te allen tijde overeen te komen een geschil tussen hen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag te regelen met door hen gekozen vreedzame middelen.
Geen enkele bepaling van dit Deel tast het recht van de Staten die Partij zijn aan te allen tijde overeen te komen een geschil tussen hen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag te regelen met door hen gekozen vreedzame middelen.
Art. 280. Règlement des différends par tout moyen pacifique choisi par les parties.
Aucune disposition de la présente partie n'affecte le droit des Etats Parties de convenir à tout moment de régler par tout moyen pacifique de leur choix un différend surgissant entre eux à propos de l'interprétation ou de l'application de la Convention.
Aucune disposition de la présente partie n'affecte le droit des Etats Parties de convenir à tout moment de régler par tout moyen pacifique de leur choix un différend surgissant entre eux à propos de l'interprétation ou de l'application de la Convention.
Art. 281. Procedure te volgen wanneer de partijen niet tot een regeling zijn gekomen.
1. Wanneer de Staten die Partij zijn, partij zijn bij een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en zijn overeengekomen te trachten het geschil te regelen met door hen gekozen vreedzame middelen, zijn de in dit Deel voorziene procedures slechts van toepassing indien langs die weg geen regeling ervan is bereikt en de overeenkomst tussen de partijen de mogelijkheid van een verdere procedure niet uitsluit.
2. Wanneer de partijen eveneens een tijdslimiet zijn overeengekomen, is het eerste lid slechts van toepassing na afloop van die tijdslimiet.
1. Wanneer de Staten die Partij zijn, partij zijn bij een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en zijn overeengekomen te trachten het geschil te regelen met door hen gekozen vreedzame middelen, zijn de in dit Deel voorziene procedures slechts van toepassing indien langs die weg geen regeling ervan is bereikt en de overeenkomst tussen de partijen de mogelijkheid van een verdere procedure niet uitsluit.
2. Wanneer de partijen eveneens een tijdslimiet zijn overeengekomen, is het eerste lid slechts van toepassing na afloop van die tijdslimiet.
Art. 281. Procédure à suivre lorsque les parties ne sont pas parvenues à un règlement.
1. Lorsque les Etats Parties qui sont parties à un différend relatif à l'interprétation ou à l'application de la Convention sont convenues de chercher à le regler par un moyen pacifique de leur choix, les procédures prévues dans la présente partie ne s'appliquent que si l'on n'est pas parvenu à un règlement par ce moyen et si l'accord entre les parties n'exclut pas la possibilité d'engager une autre procédure.
2. Si les parties sont également convenues d'un délai, le paragraphe 1 ne s'applique qu'à compter de l'expiration de ce délai.
1. Lorsque les Etats Parties qui sont parties à un différend relatif à l'interprétation ou à l'application de la Convention sont convenues de chercher à le regler par un moyen pacifique de leur choix, les procédures prévues dans la présente partie ne s'appliquent que si l'on n'est pas parvenu à un règlement par ce moyen et si l'accord entre les parties n'exclut pas la possibilité d'engager une autre procédure.
2. Si les parties sont également convenues d'un délai, le paragraphe 1 ne s'applique qu'à compter de l'expiration de ce délai.
Art. 282. Verplichtingen krachtens algemene, regionale of bilaterale overeenkomsten.
Wanneer de Staten die Partij zijn, partij zijn bij een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en door middel van een algemene, regionale of bilaterale overeenkomst of op andere wijze zijn overeengekomen dat een dergelijk geschil op verzoek van een van de partijen wordt onderworpen aan een procedure die leidt tot een bindende beslissing, is die procedure van toepassing in plaats van de in dit Deel voorziene procedures, tenzij de partijen bij het geschil anderszins overeenkomen.
Wanneer de Staten die Partij zijn, partij zijn bij een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en door middel van een algemene, regionale of bilaterale overeenkomst of op andere wijze zijn overeengekomen dat een dergelijk geschil op verzoek van een van de partijen wordt onderworpen aan een procedure die leidt tot een bindende beslissing, is die procedure van toepassing in plaats van de in dit Deel voorziene procedures, tenzij de partijen bij het geschil anderszins overeenkomen.
Art. 282. Obligations résultant d'accords généraux, régionaux ou bilatéraux.
Lorsque les Etats Parties qui sont parties à un différend relatif à l'interprétation ou à l'application de la Convention sont convenus, dans le cadre d'un accord général, regional ou bilatéral ou de toute autre manière, qu'un tel différend sera soumis, à la demande d'une des parties, à une procédure aboutissant à une décision obligatoire, cette procédure s'applique au lieu de celles prévues dans la présente partie, à moins que les parties en litige n'en conviennent autrement.
Lorsque les Etats Parties qui sont parties à un différend relatif à l'interprétation ou à l'application de la Convention sont convenus, dans le cadre d'un accord général, regional ou bilatéral ou de toute autre manière, qu'un tel différend sera soumis, à la demande d'une des parties, à une procédure aboutissant à une décision obligatoire, cette procédure s'applique au lieu de celles prévues dans la présente partie, à moins que les parties en litige n'en conviennent autrement.
Art. 283. Verplichting tot uitwisseling van standpunten.
1. Wanneer een geschil ontstaat tussen Staten die Partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, gaan de partijen bij het geschil met spoed over tot een uitwisseling van standpunten met betrekking tot de regeling ervan door middel van onderhandelingen of met andere vreedzame middelen.
2. De partijen gaan eveneens met spoed over tot een uitwisseling van standpunten wanneer een procedure voor de regeling van een dergelijk geschil is beëindigd zonder dat de regeling is tot stand gekomen of wanneer een regeling is tot stand gekomen en de omstandigheden een bespreking vereisen van de wijze van nakoming ervan.
1. Wanneer een geschil ontstaat tussen Staten die Partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, gaan de partijen bij het geschil met spoed over tot een uitwisseling van standpunten met betrekking tot de regeling ervan door middel van onderhandelingen of met andere vreedzame middelen.
2. De partijen gaan eveneens met spoed over tot een uitwisseling van standpunten wanneer een procedure voor de regeling van een dergelijk geschil is beëindigd zonder dat de regeling is tot stand gekomen of wanneer een regeling is tot stand gekomen en de omstandigheden een bespreking vereisen van de wijze van nakoming ervan.
Art. 283. Obligation de procéder à des échanges de vues.
1. Lorsqu'un différend surgit entre des Etats Parties à propos de l'interprétation ou de l'application de la Convention, les parties en litige procèdent promptement à un échange de vues concernant le règlement du différend par la négociation ou par d'autres moyens pacifiques.
2. De même, les parties procèdent promptement à un échange de vues chaque fois qu'il a été mis fin à une procédure de règlement d'un tel différend sans que celui-ci ait été réglé ou chaque fois qu'un règlement est intervenu et que les circonstances exigent des consultations concernant la manière de le mettre en oeuvre.
1. Lorsqu'un différend surgit entre des Etats Parties à propos de l'interprétation ou de l'application de la Convention, les parties en litige procèdent promptement à un échange de vues concernant le règlement du différend par la négociation ou par d'autres moyens pacifiques.
2. De même, les parties procèdent promptement à un échange de vues chaque fois qu'il a été mis fin à une procédure de règlement d'un tel différend sans que celui-ci ait été réglé ou chaque fois qu'un règlement est intervenu et que les circonstances exigent des consultations concernant la manière de le mettre en oeuvre.
Art. 284. Conciliatie.
1. Een Staat die Partij is, die partij is bij een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag kan de andere partij of partijen uitnodigen het geschil te onderwerpen aan conciliatie volgens de procedure van Bijlage V, afdeling 1, of een andere conciliatieprocedure.
2. Indien de uitnodiging wordt aanvaard en de partijen het eens worden over de te volgen conciliatieprocedure, kan elke partij het geschil onderwerpen aan conciliatie volgens die procedure.
3. Indien de uitnodiging niet wordt aanvaard of de partijen het niet eens worden over de procedure, wordt de poging tot conciliatie geacht te zijn beëindigd.
4. Wanneer een geschil is onderworpen aan conciliatie, kan deze slechts worden beëindigd in overeenstemming met de overeengekomen conciliatieprocedure, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
1. Een Staat die Partij is, die partij is bij een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag kan de andere partij of partijen uitnodigen het geschil te onderwerpen aan conciliatie volgens de procedure van Bijlage V, afdeling 1, of een andere conciliatieprocedure.
2. Indien de uitnodiging wordt aanvaard en de partijen het eens worden over de te volgen conciliatieprocedure, kan elke partij het geschil onderwerpen aan conciliatie volgens die procedure.
3. Indien de uitnodiging niet wordt aanvaard of de partijen het niet eens worden over de procedure, wordt de poging tot conciliatie geacht te zijn beëindigd.
4. Wanneer een geschil is onderworpen aan conciliatie, kan deze slechts worden beëindigd in overeenstemming met de overeengekomen conciliatieprocedure, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
Art. 284. Conciliation.
1. Tout Etat Partie qui est partie à un différend relatif à l'interprétation ou à l'application de la Convention peut inviter l'autre ou les autres parties à soumettre le différend à la conciliation selon la procédure prévue à la section 1 de l'annexe V ou selon une autre procédure de conciliation.
2. Lorsque l'invitation est acceptée et que les parties s'accordent sur la procédure de conciliation qui sera appliquée, toute partie peut soumettre le différend à la conciliation selon cette procédure.
3. Lorsque l'invitation n'est pas acceptée ou que les parties ne s'accordent pas sur la procédure de conciliation, il est réputé avoir été mis fin à la conciliation.
4. Lorsqu'un différend a été soumis à la conciliation, il ne peut être mis fin à celle-ci que conformément à la procédure de conciliation convenue, sauf accord contraire entre les parties.
1. Tout Etat Partie qui est partie à un différend relatif à l'interprétation ou à l'application de la Convention peut inviter l'autre ou les autres parties à soumettre le différend à la conciliation selon la procédure prévue à la section 1 de l'annexe V ou selon une autre procédure de conciliation.
2. Lorsque l'invitation est acceptée et que les parties s'accordent sur la procédure de conciliation qui sera appliquée, toute partie peut soumettre le différend à la conciliation selon cette procédure.
3. Lorsque l'invitation n'est pas acceptée ou que les parties ne s'accordent pas sur la procédure de conciliation, il est réputé avoir été mis fin à la conciliation.
4. Lorsqu'un différend a été soumis à la conciliation, il ne peut être mis fin à celle-ci que conformément à la procédure de conciliation convenue, sauf accord contraire entre les parties.
Art. 285. Toepassing van deze afdeling op geschillen, voorgelegd ingevolge Deel XI.
Deze afdeling is van toepassing op elk geschil dat ingevolge Deel XI, afdeling 5, dient te worden geregeld in overeenstemming met de in dit Deel voorziene procedures. Indien een ander lichaam dan een Staat die Partij is, partij is bij een dergelijk geschil, is deze afdeling mutatis mutandis van toepassing.
Deze afdeling is van toepassing op elk geschil dat ingevolge Deel XI, afdeling 5, dient te worden geregeld in overeenstemming met de in dit Deel voorziene procedures. Indien een ander lichaam dan een Staat die Partij is, partij is bij een dergelijk geschil, is deze afdeling mutatis mutandis van toepassing.
Art. 285. Application de la présente section aux différends soumis en vertu de la partie XI.
La présente section s'applique à tout différend qui, en vertu de la section 5 de la partie XI, doit être réglé conformément aux procédures prévues dans la présente partie. Si une entité autre qu'un Etat Partie est partie à un tel différend, la présente section s'applique mutatis mutandis.
La présente section s'applique à tout différend qui, en vertu de la section 5 de la partie XI, doit être réglé conformément aux procédures prévues dans la présente partie. Si une entité autre qu'un Etat Partie est partie à un tel différend, la présente section s'applique mutatis mutandis.
Afdeling 2. - Verplichte procedures leidende tot bindende beslissingen.
Section 2. - Procédures obligatoires aboutissant à des décisions obligatoires.
Art. 286. Toepassing van deze afdeling.
Met inachtneming van afdeling 3 wordt elk geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, dat niet is geregeld met toepassing van afdeling 1, op verzoek van een van de partijen bij het geschil voorgelegd aan het hof of scheidsgerecht dat bevoegd is krachtens deze afdeling.
Met inachtneming van afdeling 3 wordt elk geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, dat niet is geregeld met toepassing van afdeling 1, op verzoek van een van de partijen bij het geschil voorgelegd aan het hof of scheidsgerecht dat bevoegd is krachtens deze afdeling.
Art. 286. Champ d'application de la présente section.
Sous réserve de la section 3, tout différend relatif à l'interprétation ou à l'application de la Convention qui n'a pas été réglé par l'application de la section 1 est soumis, à la demande d'une partie au différend, à la cour ou au tribunal ayant compétence en vertu de la presente section.
Sous réserve de la section 3, tout différend relatif à l'interprétation ou à l'application de la Convention qui n'a pas été réglé par l'application de la section 1 est soumis, à la demande d'une partie au différend, à la cour ou au tribunal ayant compétence en vertu de la presente section.
Art. 287. Keuze van procedure.
1. Bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna is een Staat vrij om door middel van een schriftelijke verklaring een of meer van de volgende wijzen van regeling van geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag te kiezen :
a) het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, opgericht overeenkomstig Bijlage VI;
b) het Internationale Gerechtshof;
c) een scheidsgerecht, ingesteld overeenkomstig Bijlage VII;
d) een bijzonder scheidsgerecht, ingesteld overeenkomstig Bijlage VIII voor een of meer van de daarin vermelde soorten van geschillen.
2. Een krachtens het eerste lid afgelegde verklaring tast niet aan en wordt niet aangetast door de verplichting van een Partij om de bevoegdheid van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee te aanvaarden naar de mate en op de wijze, voorzien in Deel XI, afdeling 5.
3. Een Staat die Partij is, die partij is bij een geschil waarvoor een van kracht zijnde verklaring niet geldt, wordt geacht arbitrage overeenkomstig Bijlage VII te hebben aanvaard.
4. Indien de partijen bij een geschil dezelfde procedure voor de regeling van het geschil hebben aanvaard, kan het geschil slechts aan die procedure worden onderworpen, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
5. Indien de partijen bij een geschil niet dezelfde procedure voor de regeling van het geschil hebben aanvaard, kan het geschil slechts aan arbitrage overeenkomstig Bijlage VII worden onderworpen, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
6. Een krachtens het eerste lid afgelegde verklaring blijft van kracht tot drie maanden na de nederlegging van een kennisgeving van herroeping bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
7. Een nieuwe verklaring, een kennisgeving van herroeping of het aflopen van een verklaring tast geenszins een zaak aan die aanhangig is voor een hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens dit artikel, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
8. De in dit artikel bedoelde verklaringen en kennisgevingen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die afschriften ervan doet toekomen aan de Partijen.
1. Bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna is een Staat vrij om door middel van een schriftelijke verklaring een of meer van de volgende wijzen van regeling van geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag te kiezen :
a) het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, opgericht overeenkomstig Bijlage VI;
b) het Internationale Gerechtshof;
c) een scheidsgerecht, ingesteld overeenkomstig Bijlage VII;
d) een bijzonder scheidsgerecht, ingesteld overeenkomstig Bijlage VIII voor een of meer van de daarin vermelde soorten van geschillen.
2. Een krachtens het eerste lid afgelegde verklaring tast niet aan en wordt niet aangetast door de verplichting van een Partij om de bevoegdheid van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee te aanvaarden naar de mate en op de wijze, voorzien in Deel XI, afdeling 5.
3. Een Staat die Partij is, die partij is bij een geschil waarvoor een van kracht zijnde verklaring niet geldt, wordt geacht arbitrage overeenkomstig Bijlage VII te hebben aanvaard.
4. Indien de partijen bij een geschil dezelfde procedure voor de regeling van het geschil hebben aanvaard, kan het geschil slechts aan die procedure worden onderworpen, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
5. Indien de partijen bij een geschil niet dezelfde procedure voor de regeling van het geschil hebben aanvaard, kan het geschil slechts aan arbitrage overeenkomstig Bijlage VII worden onderworpen, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
6. Een krachtens het eerste lid afgelegde verklaring blijft van kracht tot drie maanden na de nederlegging van een kennisgeving van herroeping bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
7. Een nieuwe verklaring, een kennisgeving van herroeping of het aflopen van een verklaring tast geenszins een zaak aan die aanhangig is voor een hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens dit artikel, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
8. De in dit artikel bedoelde verklaringen en kennisgevingen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die afschriften ervan doet toekomen aan de Partijen.
Art. 287. Choix de la procédure.
1. Lorsqu'il signe ou ratifie la Convention ou y adhère, ou à n'importe quel moment par la suite, un Etat est libre de choisir, par voie de déclaration écrite, un ou plusieurs des moyens suivants pour le règlement des différends relatifs à l'interprétation ou à l'application de la Convention :
a) le Tribunal international du droit de la mer constitué conformément à l'annexe VI;
b) la Cour internationale de Justice;
c) un tribunal arbitral constitué conformément à l'annexe VII;
d) un tribunal arbitral spécial, constitué conformément à l'annexe VIII, pour une ou plusieurs des catégories de différends qui y sont spécifiés.
2. Une déclaration faite en vertu du paragraphe 1 n'affecte pas l'obligation d'un Etat Partie d'accepter, dans la mesure et selon les modalités prévues à la section 5 de la partie XI, la compétence de la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins du Tribunal international du droit de la mer, et n'est pas affectée par cette obligation.
3. Un Etat Partie qui est partie à un différend non couvert par une déclaration en vigueur est réputé avoir accepté la procédure d'arbitrage prévue à l'annexe VII.
4. Si les parties en litige ont accepté la même procédure pour le règlement du différend, celui-ci ne peut-être soumis qu'à cette procedure, à moins que les parties n'en conviennent autrement.
5. Si les parties en litige n'ont pas accepté la même procédure pour le règlement du différend, celui-ci ne peut-être soumis qu'à la procédure d'arbitrage prévue à l'annexe VII, à moins que les parties n'en conviennent autrement.
6. Une déclaration faite conformément au paragraphe 1 reste en vigueur pendant trois mois après le dépôt d'une notification de rénovation auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
7. Une nouvelle déclaration, une notification de renovation ou l'expiration d'une déclaration n'affecte en rien la procédure en cours devant une cour ou un tribunal ayant compétence en vertu du présent article, à moins que les parties n'en conviennent autrement.
8. Les déclarations et notifications visées au présent article sont déposées auprés du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies, qui en transmet copie aux Etats Parties.
1. Lorsqu'il signe ou ratifie la Convention ou y adhère, ou à n'importe quel moment par la suite, un Etat est libre de choisir, par voie de déclaration écrite, un ou plusieurs des moyens suivants pour le règlement des différends relatifs à l'interprétation ou à l'application de la Convention :
a) le Tribunal international du droit de la mer constitué conformément à l'annexe VI;
b) la Cour internationale de Justice;
c) un tribunal arbitral constitué conformément à l'annexe VII;
d) un tribunal arbitral spécial, constitué conformément à l'annexe VIII, pour une ou plusieurs des catégories de différends qui y sont spécifiés.
2. Une déclaration faite en vertu du paragraphe 1 n'affecte pas l'obligation d'un Etat Partie d'accepter, dans la mesure et selon les modalités prévues à la section 5 de la partie XI, la compétence de la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins du Tribunal international du droit de la mer, et n'est pas affectée par cette obligation.
3. Un Etat Partie qui est partie à un différend non couvert par une déclaration en vigueur est réputé avoir accepté la procédure d'arbitrage prévue à l'annexe VII.
4. Si les parties en litige ont accepté la même procédure pour le règlement du différend, celui-ci ne peut-être soumis qu'à cette procedure, à moins que les parties n'en conviennent autrement.
5. Si les parties en litige n'ont pas accepté la même procédure pour le règlement du différend, celui-ci ne peut-être soumis qu'à la procédure d'arbitrage prévue à l'annexe VII, à moins que les parties n'en conviennent autrement.
6. Une déclaration faite conformément au paragraphe 1 reste en vigueur pendant trois mois après le dépôt d'une notification de rénovation auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
7. Une nouvelle déclaration, une notification de renovation ou l'expiration d'une déclaration n'affecte en rien la procédure en cours devant une cour ou un tribunal ayant compétence en vertu du présent article, à moins que les parties n'en conviennent autrement.
8. Les déclarations et notifications visées au présent article sont déposées auprés du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies, qui en transmet copie aux Etats Parties.
Art. 288. Bevoegdheid.
1. Een hof of scheidsgerecht, bedoeld in artikel 287, is bevoegd inzake elk geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag dat eraan wordt voorgelegd overeenkomstig dit Deel.
2. Een hof of scheidsgerecht, bedoeld in artikel 287, is eveneens bevoegd inzake elk geschil betreffende de uitlegging of toepassing van een internationale overeenkomst welke betrekking heeft op de doeleinden van dit Verdrag en dat eraan wordt voorgelegd overeenkomstig die overeenkomst.
3. De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, ingesteld overeenkomstig Bijlage VI, en elke andere kamer of elk ander scheidsgerecht, bedoeld in Deel XI, afdeling 5, is bevoegd inzake elke kwestie die eraan wordt voorgelegd in overeenstemming daarmee.
4. In het geval van een geschil over de vraag of een hof of scheidsgerecht bevoegd is, beslist dat hof of scheidsgerecht.
1. Een hof of scheidsgerecht, bedoeld in artikel 287, is bevoegd inzake elk geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag dat eraan wordt voorgelegd overeenkomstig dit Deel.
2. Een hof of scheidsgerecht, bedoeld in artikel 287, is eveneens bevoegd inzake elk geschil betreffende de uitlegging of toepassing van een internationale overeenkomst welke betrekking heeft op de doeleinden van dit Verdrag en dat eraan wordt voorgelegd overeenkomstig die overeenkomst.
3. De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, ingesteld overeenkomstig Bijlage VI, en elke andere kamer of elk ander scheidsgerecht, bedoeld in Deel XI, afdeling 5, is bevoegd inzake elke kwestie die eraan wordt voorgelegd in overeenstemming daarmee.
4. In het geval van een geschil over de vraag of een hof of scheidsgerecht bevoegd is, beslist dat hof of scheidsgerecht.
Art. 288. Compétence.
1. Une cour ou un tribunal visé à l'article 287 à compétence pour connaître de tout différend relatif à l'interprétation ou à l'application de la Convention qui lui est soumis conformément à la présente partie.
2. Une cour ou un tribunal visé à l'article 287 a aussi compétence pour connaître de tout différend qui est relatif à l'interprétation ou à l'application d'un accord international se rapportant aux buts de la Convention et qui lui est soumis conformément à cet accord.
3. La Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins constitué conformément à l'annexe VI et toute autre chambre ou tout autre tribunal arbitral visé à la section 5 de la partie XI ont compétence pour connaître de toute question qui leur est soumise conformément à celle-ci.
4. En cas de contestation sur le point de savoir si une cour ou un tribunal est compétent, la cour ou le tribunal décide.
1. Une cour ou un tribunal visé à l'article 287 à compétence pour connaître de tout différend relatif à l'interprétation ou à l'application de la Convention qui lui est soumis conformément à la présente partie.
2. Une cour ou un tribunal visé à l'article 287 a aussi compétence pour connaître de tout différend qui est relatif à l'interprétation ou à l'application d'un accord international se rapportant aux buts de la Convention et qui lui est soumis conformément à cet accord.
3. La Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins constitué conformément à l'annexe VI et toute autre chambre ou tout autre tribunal arbitral visé à la section 5 de la partie XI ont compétence pour connaître de toute question qui leur est soumise conformément à celle-ci.
4. En cas de contestation sur le point de savoir si une cour ou un tribunal est compétent, la cour ou le tribunal décide.
Art. 289. Deskundigen.
Bij elk geschil waarbij wetenschappelijke of technische kwesties zijn betrokken, kan een hof of scheidsgerecht, de bevoegdheid uitoefenend krachtens deze afdeling, op verzoek van een partij of uit eigen beweging en in overleg met de partijen ten minste twee deskundigen op wetenschappelijk of technisch gebied uitkiezen, bij voorkeur van de desbetreffende lijst, opgesteld overeenkomstig Bijlage VIII, artikel 2, om in het hof of scheidsgerecht zitting te nemen zonder stemrecht.
Bij elk geschil waarbij wetenschappelijke of technische kwesties zijn betrokken, kan een hof of scheidsgerecht, de bevoegdheid uitoefenend krachtens deze afdeling, op verzoek van een partij of uit eigen beweging en in overleg met de partijen ten minste twee deskundigen op wetenschappelijk of technisch gebied uitkiezen, bij voorkeur van de desbetreffende lijst, opgesteld overeenkomstig Bijlage VIII, artikel 2, om in het hof of scheidsgerecht zitting te nemen zonder stemrecht.
Art. 289. Experts.
Pour tout différend portant sur des questions scientifiques ou techniques, une cour ou un tribunal exerçant sa compétence en vertu de la présente section peut, a la demande d'une partie ou d'office, et en consultation avec les parties, choisir, de préférence sur la liste appropriée établie conformément à l'article 2 de l'annexe VIII, au moins deux experts scientifiques ou techniques qui siègent à la cour ou au tribunal sans droit de vote.
Pour tout différend portant sur des questions scientifiques ou techniques, une cour ou un tribunal exerçant sa compétence en vertu de la présente section peut, a la demande d'une partie ou d'office, et en consultation avec les parties, choisir, de préférence sur la liste appropriée établie conformément à l'article 2 de l'annexe VIII, au moins deux experts scientifiques ou techniques qui siègent à la cour ou au tribunal sans droit de vote.
Art. 290. Voorlopige maatregelen.
1. Indien een hof of scheidsgerecht, waaraan een geschil op de juiste wijze is voorgelegd, meent op het eerste gezicht bevoegd te zijn krachtens dit Deel of Deel XI, afdeling 5, kan dat hof of scheidsgerecht alle voorlopige maatregelen voorschrijven welke het hof of scheidsgerecht onder de omstandigheden passend acht om in afwachting van de definitieve uitspraak de onderscheiden rechten van de partijen bij het geschil in stand te houden of ernstige schade aan het mariene milieu te voorkomen.
2. De voorlopige maatregelen kunnen worden gewijzigd of herroepen zodra de omstandigheden die deze rechtvaardigen zijn veranderd of hebben opgehouden te bestaan.
3. Voorlopige maatregelen kunnen krachtens dit artikel slechts op verzoek van een partij bij het geschil en nadat de partijen de mogelijkheid is gegeven te worden gehoord, worden voorgeschreven, gewijzigd of herroepen.
4. Het hof of scheidsgerecht stelt de partijen bij het geschil en andere Partijen die worden geacht in aanmerking te komen, terstond in kennis van het voorschrijven, wijzigen of herroepen van voorlopige maatregelen.
5. In afwachting van de instelling van een scheidsgerecht waaraan een geschil wordt voorgelegd krachtens deze afdeling kan elk hof of scheidsgerecht waarover de partijen het eens zijn geworden, of wanneer zij het niet eens zijn geworden binnen twee weken vanaf de datum van het verzoek om voorlopige maatregelen, het Internationale Hof voor het Recht van de Zee of, in het geval van werkzaamheden in het Gebied, de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, voorlopige maatregelen overeenkomstig dit artikel voorschrijven, wijzigen of herroepen, indien wordt gemeend dat het in te stellen scheidsgerecht op het eerste gezicht bevoegd zou zijn en dat de dringende aard van de situatie dit vereist. Nadat het is ingesteld kan het scheidsgerecht waaraan het geschil is voorgelegd, handelend overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid, deze voorlopige maatregelen wijzigen, herroepen of bevestigen.
6. De partijen bij het geschil schikken zich onverwijld in alle krachtens dit artikel voorgeschreven voorlopige maatregelen.
1. Indien een hof of scheidsgerecht, waaraan een geschil op de juiste wijze is voorgelegd, meent op het eerste gezicht bevoegd te zijn krachtens dit Deel of Deel XI, afdeling 5, kan dat hof of scheidsgerecht alle voorlopige maatregelen voorschrijven welke het hof of scheidsgerecht onder de omstandigheden passend acht om in afwachting van de definitieve uitspraak de onderscheiden rechten van de partijen bij het geschil in stand te houden of ernstige schade aan het mariene milieu te voorkomen.
2. De voorlopige maatregelen kunnen worden gewijzigd of herroepen zodra de omstandigheden die deze rechtvaardigen zijn veranderd of hebben opgehouden te bestaan.
3. Voorlopige maatregelen kunnen krachtens dit artikel slechts op verzoek van een partij bij het geschil en nadat de partijen de mogelijkheid is gegeven te worden gehoord, worden voorgeschreven, gewijzigd of herroepen.
4. Het hof of scheidsgerecht stelt de partijen bij het geschil en andere Partijen die worden geacht in aanmerking te komen, terstond in kennis van het voorschrijven, wijzigen of herroepen van voorlopige maatregelen.
5. In afwachting van de instelling van een scheidsgerecht waaraan een geschil wordt voorgelegd krachtens deze afdeling kan elk hof of scheidsgerecht waarover de partijen het eens zijn geworden, of wanneer zij het niet eens zijn geworden binnen twee weken vanaf de datum van het verzoek om voorlopige maatregelen, het Internationale Hof voor het Recht van de Zee of, in het geval van werkzaamheden in het Gebied, de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, voorlopige maatregelen overeenkomstig dit artikel voorschrijven, wijzigen of herroepen, indien wordt gemeend dat het in te stellen scheidsgerecht op het eerste gezicht bevoegd zou zijn en dat de dringende aard van de situatie dit vereist. Nadat het is ingesteld kan het scheidsgerecht waaraan het geschil is voorgelegd, handelend overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid, deze voorlopige maatregelen wijzigen, herroepen of bevestigen.
6. De partijen bij het geschil schikken zich onverwijld in alle krachtens dit artikel voorgeschreven voorlopige maatregelen.
Art. 290. Mesures conservatoires.
1. Si une cour ou un tribunal dûment saisi d'un différend considère, prima facie, avoir compétence en vertu de la présente partie ou de la section 5 de la partie XI, cette cour ou ce tribunal peut prescrire toutes mesures conservatoires qu'il juge appropriées en la circonstance pour préserver les droits respectifs des parties en litige ou pour empêcher que le milieu marin ne subisse de dommages graves en attendant la décision définitive.
2. Les mesures conservatoires peuvent être modifiées ou rapportées dès que les circonstances les justifiant ont changé ou cessé d'exister.
3. Des mesures conservatoires ne peuvent être prescrites, modifiées ou rapportées en vertu du présent article qu'à la demande d'une partie au différend et après que la possibilité de se faire entendre a été donnée aux parties.
4. La cour ou le tribunal notifie immédiatement toute mesure conservatoire ou toute décision la modifiant ou la rapportant aux parties au différend et, s'il le juge approprié, à d'autres Etats Parties.
5. En attendant la constitution d'un tribunal arbitral saisi d'un différend en vertu de la présente section, toute cour ou tout tribunal désigné d'un commun accord par les parties ou, à défaut d'accord dans un délai de deux semaines à compter de la date de la demande de mesures conservatoire, le Tribunal international du droit de la mer ou, dans le cas d'activités menées dans la Zone, la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins, peut prescrire, modifier ou rapporter des mesures conservatoires conformément au présent article s'il considère, prima facie, que le tribunal devant être constitué aurait compétence et s'il estime que l'urgence de la situation l'exige. Une fois constitué, le tribunal saisi du différend, agissant conformément aux paragrahes 1 à 4, peut modifier, rapporter ou confirmer ces mesures conservatoires.
6. Les parties au différend se conforment sans retard à toutes mesures conservatoires prescrites en vertu du présent article.
1. Si une cour ou un tribunal dûment saisi d'un différend considère, prima facie, avoir compétence en vertu de la présente partie ou de la section 5 de la partie XI, cette cour ou ce tribunal peut prescrire toutes mesures conservatoires qu'il juge appropriées en la circonstance pour préserver les droits respectifs des parties en litige ou pour empêcher que le milieu marin ne subisse de dommages graves en attendant la décision définitive.
2. Les mesures conservatoires peuvent être modifiées ou rapportées dès que les circonstances les justifiant ont changé ou cessé d'exister.
3. Des mesures conservatoires ne peuvent être prescrites, modifiées ou rapportées en vertu du présent article qu'à la demande d'une partie au différend et après que la possibilité de se faire entendre a été donnée aux parties.
4. La cour ou le tribunal notifie immédiatement toute mesure conservatoire ou toute décision la modifiant ou la rapportant aux parties au différend et, s'il le juge approprié, à d'autres Etats Parties.
5. En attendant la constitution d'un tribunal arbitral saisi d'un différend en vertu de la présente section, toute cour ou tout tribunal désigné d'un commun accord par les parties ou, à défaut d'accord dans un délai de deux semaines à compter de la date de la demande de mesures conservatoire, le Tribunal international du droit de la mer ou, dans le cas d'activités menées dans la Zone, la Chambre pour le règlement des différends relatifs aux fonds marins, peut prescrire, modifier ou rapporter des mesures conservatoires conformément au présent article s'il considère, prima facie, que le tribunal devant être constitué aurait compétence et s'il estime que l'urgence de la situation l'exige. Une fois constitué, le tribunal saisi du différend, agissant conformément aux paragrahes 1 à 4, peut modifier, rapporter ou confirmer ces mesures conservatoires.
6. Les parties au différend se conforment sans retard à toutes mesures conservatoires prescrites en vertu du présent article.
Art. 291. Toegankelijkheid.
1. Alle in dit Deel bedoelde procedures voor de regeling van geschillen staan open voor Staten die Partij zijn.
2. De in dit Deel voorziene procedures voor de regeling van geschillen staan slechts open voor andere lichamen dan de Staten die Partij zijn voor zover dit Verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet.
1. Alle in dit Deel bedoelde procedures voor de regeling van geschillen staan open voor Staten die Partij zijn.
2. De in dit Deel voorziene procedures voor de regeling van geschillen staan slechts open voor andere lichamen dan de Staten die Partij zijn voor zover dit Verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet.
Art. 291. Accès aux procédures de règlement des différends.
1. Toutes les procédures de règlement des différends prévues dans la présente partie sont ouvertes aux Etats Parties.
2. Les procédures de règlement des différends prévus dans la presente partie ne sont ouvertes à des entités autres que les Etats Parties que dans la mesure où la Convention le prévoit expressément.
1. Toutes les procédures de règlement des différends prévues dans la présente partie sont ouvertes aux Etats Parties.
2. Les procédures de règlement des différends prévus dans la presente partie ne sont ouvertes à des entités autres que les Etats Parties que dans la mesure où la Convention le prévoit expressément.
Art. 292. Spoedige vrijgeving van schepen en bemanningen.
1. Wanneer de autoriteiten van een Staat die Partij is een schip hebben aangehouden dat onder de vlag van een andere Partij vaart en aangevoerd wordt dat de Staat die de aanhouding heeft verricht de bepalingen van dit Verdrag inzake de spoedige vrijgeving van het schip of de bemanning ervan terstond na de storting van een redelijke borgsom of andere financiële zekerheid niet in acht heeft genomen, kan de kwestie van de vrijgeving worden voorgelegd aan een hof of scheidsgerecht waarover de partijen het eens zijn geworden, of, bij gebreke van een dergelijke overeenkomst, binnen 10 dagen te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding aan een hof of scheidsgerecht aanvaard overeenkomstig artikel 287 door de Staat die de aanhouding heeft verricht, of het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
2. Het verzoek om vrijgeving kan alleen worden gedaan door of uit naam van de Staat, onder de vlag waarvan het schip vaart.
3. Het hof of scheidsgerecht behandelt onverwijld het verzoek om vrijgeving en behandelt alleen de kwestie van de vrijgeving, ongeacht het gevolg dat wordt gegeven aan een actie tegen het schip, de eigenaar of de bemanning ervan voor de bevoegde nationale rechter. De autoriteiten van de Staat die de aanhouding heeft verricht blijven bevoegd het schip of zijn bemanning op ieder moment vrij te geven.
4. Terstond na de storting van de door het hof of scheidsgerecht vastgestelde borgsom of andere financiële zekerheid nemen de autoriteiten van de Staat die de aanhouding verricht terstond de uitspraak van het hof of scheidsgerecht in acht betreffende de vrijgeving van het schip of zijn bemanning.
1. Wanneer de autoriteiten van een Staat die Partij is een schip hebben aangehouden dat onder de vlag van een andere Partij vaart en aangevoerd wordt dat de Staat die de aanhouding heeft verricht de bepalingen van dit Verdrag inzake de spoedige vrijgeving van het schip of de bemanning ervan terstond na de storting van een redelijke borgsom of andere financiële zekerheid niet in acht heeft genomen, kan de kwestie van de vrijgeving worden voorgelegd aan een hof of scheidsgerecht waarover de partijen het eens zijn geworden, of, bij gebreke van een dergelijke overeenkomst, binnen 10 dagen te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding aan een hof of scheidsgerecht aanvaard overeenkomstig artikel 287 door de Staat die de aanhouding heeft verricht, of het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
2. Het verzoek om vrijgeving kan alleen worden gedaan door of uit naam van de Staat, onder de vlag waarvan het schip vaart.
3. Het hof of scheidsgerecht behandelt onverwijld het verzoek om vrijgeving en behandelt alleen de kwestie van de vrijgeving, ongeacht het gevolg dat wordt gegeven aan een actie tegen het schip, de eigenaar of de bemanning ervan voor de bevoegde nationale rechter. De autoriteiten van de Staat die de aanhouding heeft verricht blijven bevoegd het schip of zijn bemanning op ieder moment vrij te geven.
4. Terstond na de storting van de door het hof of scheidsgerecht vastgestelde borgsom of andere financiële zekerheid nemen de autoriteiten van de Staat die de aanhouding verricht terstond de uitspraak van het hof of scheidsgerecht in acht betreffende de vrijgeving van het schip of zijn bemanning.
Art. 292. Prompte mainlevée de l'immobilisation du navire ou prompte libération de son équipage.
1. Lorsque les autorités d'un Etat Partie ont immobilisé un navire battant pavillon d'un autre Etat Partie et qu'il est allégué que l'Etat qui a immobilisé le navire n'a pas observé les dispositions de la Convention prévoyant la prompte mainlevée de l'immobilisation du navire ou la mise en liberté de son équipage dès le dépôt d'une caution raisonnable ou d'une autre garantie financière, la question de la mainlevée ou de la mise en liberté peut être portée devant une cour ou un tribunal désigné d'un commun accord par les parties; à défaut d'accord dans un délai de 10 jours à compter du moment de l'immobilisation du navire ou de l'arrestation de l'equipage, cette question peut être portée devant une cour ou un tribunal accepté conformément à l'article 287 par l'Etat qui a procédé à l'immobilisation ou à l'arrestation, ou devant le Tribunal international du droit de la mer, à moins que les parties n'en conviennent autrement.
2. La demande de mainlevée ou de mise en liberté ne peut être faite que par l'Etat du pavillon ou en son nom.
3. La cour ou le tribunal examine promptement cette demande et n'a à connaître que de la question de la mainlevée ou de la mise en liberte, sans préjudice de la suite qui sera donnée à toute action dont le navire, son propriétaire ou son équipage peuvent être l'objet devant la juridiction nationale appropriée. Les autorités de l'Etat qui a procédé à l'immobilisation ou à l'arrestation demeurent habilitées à ordonner à tout moment la mainlevée de l'immobilisation du navire ou la mise en liberté de son équipage.
4. Dès le dépôt de la caution ou de l'autre garantie financière déterminée par la cour ou le tribunal, les autorités de l'Etat qui a immobilisé le navire se conforment à la décision de la cour ou du tribunal concernant la mainlevée de l'immobilisation du navire ou de la mise en liberté de son équipage.
1. Lorsque les autorités d'un Etat Partie ont immobilisé un navire battant pavillon d'un autre Etat Partie et qu'il est allégué que l'Etat qui a immobilisé le navire n'a pas observé les dispositions de la Convention prévoyant la prompte mainlevée de l'immobilisation du navire ou la mise en liberté de son équipage dès le dépôt d'une caution raisonnable ou d'une autre garantie financière, la question de la mainlevée ou de la mise en liberté peut être portée devant une cour ou un tribunal désigné d'un commun accord par les parties; à défaut d'accord dans un délai de 10 jours à compter du moment de l'immobilisation du navire ou de l'arrestation de l'equipage, cette question peut être portée devant une cour ou un tribunal accepté conformément à l'article 287 par l'Etat qui a procédé à l'immobilisation ou à l'arrestation, ou devant le Tribunal international du droit de la mer, à moins que les parties n'en conviennent autrement.
2. La demande de mainlevée ou de mise en liberté ne peut être faite que par l'Etat du pavillon ou en son nom.
3. La cour ou le tribunal examine promptement cette demande et n'a à connaître que de la question de la mainlevée ou de la mise en liberte, sans préjudice de la suite qui sera donnée à toute action dont le navire, son propriétaire ou son équipage peuvent être l'objet devant la juridiction nationale appropriée. Les autorités de l'Etat qui a procédé à l'immobilisation ou à l'arrestation demeurent habilitées à ordonner à tout moment la mainlevée de l'immobilisation du navire ou la mise en liberté de son équipage.
4. Dès le dépôt de la caution ou de l'autre garantie financière déterminée par la cour ou le tribunal, les autorités de l'Etat qui a immobilisé le navire se conforment à la décision de la cour ou du tribunal concernant la mainlevée de l'immobilisation du navire ou de la mise en liberté de son équipage.
Art. 293. Toepasselijk recht.
1. Een hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens deze afdeling, past dit Verdrag en de andere regels van internationaal recht die niet onverenigbaar zijn met dit Verdrag toe.
2. Het eerste lid maakt geen inbreuk op de bevoegdheid van het hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens deze afdeling, een zaak te beslissen ex aequo et bono, indien de partijen aldus overeenkomen.
1. Een hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens deze afdeling, past dit Verdrag en de andere regels van internationaal recht die niet onverenigbaar zijn met dit Verdrag toe.
2. Het eerste lid maakt geen inbreuk op de bevoegdheid van het hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens deze afdeling, een zaak te beslissen ex aequo et bono, indien de partijen aldus overeenkomen.
Art. 293. Droit applicable.
1. Une cour ou un tribunal ayant compétence en vertu de la présente section applique les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international qui ne sont pas incompatibles avec celle-ci.
2. Le paragraphe 1 ne porte pas atteinte à la faculté qu'a la cour ou le tribunal ayant compétence en vertu de la présente section de statuer ex aequo et bono si les parties sont d'accord.
1. Une cour ou un tribunal ayant compétence en vertu de la présente section applique les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international qui ne sont pas incompatibles avec celle-ci.
2. Le paragraphe 1 ne porte pas atteinte à la faculté qu'a la cour ou le tribunal ayant compétence en vertu de la présente section de statuer ex aequo et bono si les parties sont d'accord.
Art. 294. Inleidende procedures.
1. Een hof of scheidsgerecht, bedoeld in artikel 287, waaraan een verzoek is gericht met betrekking tot een geschil genoemd in artikel 297, beslist op verzoek van een partij, of kan uit eigen beweging beslissen, of dit verzoek een misbruik van rechtsgang vormt of dat het prima facie gegrond is. Indien het hof of scheidsgerecht beslist dat het verzoek een misbruik van rechtsmiddelen vormt of prima facie ongegrond is, beëindigt het hof of scheidsgerecht de behandeling ervan.
2. Bij ontvangst van het verzoek stelt het hof of scheidsgerecht de andere partij of partijen onmiddellijk in kennis van het verzoek en stelt een redelijke tijdslimiet vast waarbinnen zij kunnen verzoeken om een beslissing overeenkomstig het eerste lid.
3. Niets in dit artikel tast het recht aan van enige partij bij een geschil inleidende excepties te maken overeenkomstig de toepasselijke procedureregels.
1. Een hof of scheidsgerecht, bedoeld in artikel 287, waaraan een verzoek is gericht met betrekking tot een geschil genoemd in artikel 297, beslist op verzoek van een partij, of kan uit eigen beweging beslissen, of dit verzoek een misbruik van rechtsgang vormt of dat het prima facie gegrond is. Indien het hof of scheidsgerecht beslist dat het verzoek een misbruik van rechtsmiddelen vormt of prima facie ongegrond is, beëindigt het hof of scheidsgerecht de behandeling ervan.
2. Bij ontvangst van het verzoek stelt het hof of scheidsgerecht de andere partij of partijen onmiddellijk in kennis van het verzoek en stelt een redelijke tijdslimiet vast waarbinnen zij kunnen verzoeken om een beslissing overeenkomstig het eerste lid.
3. Niets in dit artikel tast het recht aan van enige partij bij een geschil inleidende excepties te maken overeenkomstig de toepasselijke procedureregels.
Art. 294. Procédures préliminaires.
1. La Cour ou le tribunal prévu à l'article 287 saisi d'une demande au sujet d'un différend visé à l'article 297 décide, à la requête d'une partie, on peut décider d'office, si cette demande constitue un abus des voies de droit ou s'il est établi prima facie qu'elle est fondée. Si la cour ou le tribunal décide que la demande constitue un abus des voies de droit ou qu'elle est prima facie dénuée de fondement, il cesse d'examiner la demande.
2. A la réception de la demande, la cour ou le tribunal la notifie immédiatement à l'autre ou aux autres parties et fixe un délai raisonnable dans lequel elles peuvent lui demander de statuer sur les points visés au paragraphe 1.
3. Le présent article ne porte en rien atteinte au droit d'une partie à un différend de soulever des exceptions préliminaires conformément aux règles de procédure applicables.
1. La Cour ou le tribunal prévu à l'article 287 saisi d'une demande au sujet d'un différend visé à l'article 297 décide, à la requête d'une partie, on peut décider d'office, si cette demande constitue un abus des voies de droit ou s'il est établi prima facie qu'elle est fondée. Si la cour ou le tribunal décide que la demande constitue un abus des voies de droit ou qu'elle est prima facie dénuée de fondement, il cesse d'examiner la demande.
2. A la réception de la demande, la cour ou le tribunal la notifie immédiatement à l'autre ou aux autres parties et fixe un délai raisonnable dans lequel elles peuvent lui demander de statuer sur les points visés au paragraphe 1.
3. Le présent article ne porte en rien atteinte au droit d'une partie à un différend de soulever des exceptions préliminaires conformément aux règles de procédure applicables.
Art. 295. Uitputting van nationale rechtsmiddelen.
Elk geschil tussen Staten die Partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag kan, waar dit door het internationale recht wordt vereist, alleen nadat de nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput worden onderworpen aan de in deze afdeling bedoelde procedures.
Elk geschil tussen Staten die Partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag kan, waar dit door het internationale recht wordt vereist, alleen nadat de nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput worden onderworpen aan de in deze afdeling bedoelde procedures.
Art. 295. Epuisement des recours internes.
Un différent entre Etats Parties relatif à l'interprétation ou à l'application de la Convention peut-être soumis aux procédures prévues à la présente section seulement après que les recours internes ont été épuisés selon ce que requiert le droit international.
Un différent entre Etats Parties relatif à l'interprétation ou à l'application de la Convention peut-être soumis aux procédures prévues à la présente section seulement après que les recours internes ont été épuisés selon ce que requiert le droit international.
Art. 296. Definitieve en bindende aard van beslissingen.
1. Elke beslissing die wordt gegeven door een hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens deze afdeling, is definitief en wordt nagevolgd door alle partijen bij het geschil.
2. Een dergelijke beslissing heeft geen bindende kracht behoudens tussen de partijen en met betrekking tot het desbetreffende geschil.
1. Elke beslissing die wordt gegeven door een hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens deze afdeling, is definitief en wordt nagevolgd door alle partijen bij het geschil.
2. Een dergelijke beslissing heeft geen bindende kracht behoudens tussen de partijen en met betrekking tot het desbetreffende geschil.
Art. 296. Caractère définitif et force obligatoire des décisions.
1. Les décisions rendues par une cour ou un tribunal ayant compétence en vertu de la présente section sont définitives, et toutes les parties au différend doivent s'y conformer.
2. Ces décisions n'ont force obligatoire que pour les parties et dans le cas d'espèce considéré.
1. Les décisions rendues par une cour ou un tribunal ayant compétence en vertu de la présente section sont définitives, et toutes les parties au différend doivent s'y conformer.
2. Ces décisions n'ont force obligatoire que pour les parties et dans le cas d'espèce considéré.
Afdeling 3. - Berperkingen en excepties op de toepasselijkheid van afdeling 2.
Section 3. - Limitations et exceptions à l'application de la section 2.
Art. 297. Beperkingen op de toepasselijkheid van afdeling 2.
1. Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag met betrekking tot de uitoefening door een kuststaat van zijn in dit Verdrag voorziene soevereine rechten of jurisdictie zijn onderworpen aan de afdeling 2 bedoelde procedures in de volgende gevallen :
a) wanneer wordt aangevoerd dat een kuststaat in strijd met de bepalingen van dit Verdrag heeft gehandeld met betrekking tot de vrijheden en rechten van scheepvaart, van overvliegen of het leggen van onderzeese kabels en pijpleidingen, of met betrekking tot de andere internationaal rechtmatige soorten gebruik van de zee, genoemd in artikel 58;
b) wanneer wordt aangevoerd dat een Staat bij de uitoefening van de voornoemde vrijheden, rechten of soorten gebruik heeft gehandeld in strijd met dit Verdrag of met de wetten of voorschriften, die door de kuststaat zijn aangenomen in overeenstemming met dit Verdrag en andere regels van internationaal recht, die daarmee niet onverenigbaar zijn; of
c) wanneer wordt aangevoerd dat een kuststaat heeft gehandeld in strijd met bepaalde internationale regels en normen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu, die van toepassing zijn voor deze kuststaat en die zijn ingesteld door dit Verdrag of door middel van een bevoegde internationale organisatie of diplomatieke conferentie overeenkomstig dit Verdrag.
2. a) Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot het wetenschappelijk zeeonderzoek worden geregeld in overeenstemming met afdeling 2, met dien verstande dat de kuststaat niet is verplicht de onderwerping aan een dergelijke regeling te aanvaarden van enig geschil dat voortkomt uit :
(i) de uitoefening door de kuststaat van een recht of bevoegdheid overeenkomstig artikel 246, of
(ii) een besluit van de kuststaat om opschorting of beëindiging van een onderzoeksproject te gelasten overeenkomstig artikel 253.
b) Een geschil dat voortkomt uit de aanvoering door de onderzoek verrichtende Staat, dat de kuststaat zijn rechten krachtens de artikelen 246 en 253 met betrekking tot een bepaald project niet uitoefent op een manier die verenigbaar is met dit Verdrag, wordt op verzoek van een van de partijen onderworpen aan conciliatie krachtens Bijlage V, afdeling 2, mits de conciliatiecommissie er niet bij betrekt de uitoefening door de kuststaat van zijn bevoegdheid bepaalde gebieden aan te wijzen zoals is voorzien in artikel 246, zesde lid, of van zijn bevoegdheid om toestemming te weigeren overeenkomstig artikel 246, vijfde lid.
3. a) Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot de visserij worden geregeld overeenkomstig afdeling 2, met dien verstande dat de kuststaat niet is verplicht de onderwerping aan een dergelijke regeling te aanvaarden van enig geschil betreffende zijn soevereine rechten met betrekking tot de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone of de uitoefening ervan, met inbegrip van zijn discretionaire bevoegdheid de toelaatbare vangst te bepalen, zijn vermogen tot het oogsten, de toedeling van resthoeveelheden aan andere Staten en de voorwaarden, gesteld in zijn wetten en voorschriften inzake behoud en beheer.
b) Wanneer geen regeling is bereikt met behulp van afdeling 1 van dit Deel, wordt een geschil onderworpen aan conciliatie krachtens Bijlage V, afdeling 2, op verzoek van een van de partijen bij het geschil, wanneer wordt aangevoerd dat :
(i) een kuststaat duidelijk niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan om door middel van juiste maatregelen tot behoud en beheer te verzekeren dat de instandhouding van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone niet ernstig in gevaar komt;
(ii) een kuststaat in willekeur heeft geweigerd op verzoek van een andere Staat de toelaatbare vangst te bepalen alsmede zijn vermogen tot het oogsten van levende rijkdommen met betrekking tot voorraden in het oogsten waarvan die andere Staat belang stelt; of
(iii) een kuststaat in willekeur heeft geweigerd aan een Staat krachtens de artikelen 62, 69 en 70 en de voorwaarden die de kuststaat heeft gesteld en verenigbaar zijn met dit Verdrag, het geheel of een deel van de resthoeveelheid waarin de kuststaat heeft verklaard dat deze bestaat toe te delen.
c) In geen geval stelt de conciliatiecommissie haar discretionaire bevoegdheid in de plaats van die van de kuststaat.
d) Het rapport van de conciliatiecommissie wordt overgelegd aan de passende internationale organisaties.
e) Bij het onderhandelen over overeenkomsten, bedoeld in de artikelen 69 en 70, nemen de staten die Partij zijn, tenzij zij anderszins overeenkomen, een bepaling op inzake de maatregelen die zij dienen te nemen om de mogelijkheid van onenigheid over de uitlegging of toepassing van de overeenkomst tot een minimum terug te brengen, en inzake de te volgen procedure in het geval er toch onenigheid ontstaat.
1. Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag met betrekking tot de uitoefening door een kuststaat van zijn in dit Verdrag voorziene soevereine rechten of jurisdictie zijn onderworpen aan de afdeling 2 bedoelde procedures in de volgende gevallen :
a) wanneer wordt aangevoerd dat een kuststaat in strijd met de bepalingen van dit Verdrag heeft gehandeld met betrekking tot de vrijheden en rechten van scheepvaart, van overvliegen of het leggen van onderzeese kabels en pijpleidingen, of met betrekking tot de andere internationaal rechtmatige soorten gebruik van de zee, genoemd in artikel 58;
b) wanneer wordt aangevoerd dat een Staat bij de uitoefening van de voornoemde vrijheden, rechten of soorten gebruik heeft gehandeld in strijd met dit Verdrag of met de wetten of voorschriften, die door de kuststaat zijn aangenomen in overeenstemming met dit Verdrag en andere regels van internationaal recht, die daarmee niet onverenigbaar zijn; of
c) wanneer wordt aangevoerd dat een kuststaat heeft gehandeld in strijd met bepaalde internationale regels en normen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu, die van toepassing zijn voor deze kuststaat en die zijn ingesteld door dit Verdrag of door middel van een bevoegde internationale organisatie of diplomatieke conferentie overeenkomstig dit Verdrag.
2. a) Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot het wetenschappelijk zeeonderzoek worden geregeld in overeenstemming met afdeling 2, met dien verstande dat de kuststaat niet is verplicht de onderwerping aan een dergelijke regeling te aanvaarden van enig geschil dat voortkomt uit :
(i) de uitoefening door de kuststaat van een recht of bevoegdheid overeenkomstig artikel 246, of
(ii) een besluit van de kuststaat om opschorting of beëindiging van een onderzoeksproject te gelasten overeenkomstig artikel 253.
b) Een geschil dat voortkomt uit de aanvoering door de onderzoek verrichtende Staat, dat de kuststaat zijn rechten krachtens de artikelen 246 en 253 met betrekking tot een bepaald project niet uitoefent op een manier die verenigbaar is met dit Verdrag, wordt op verzoek van een van de partijen onderworpen aan conciliatie krachtens Bijlage V, afdeling 2, mits de conciliatiecommissie er niet bij betrekt de uitoefening door de kuststaat van zijn bevoegdheid bepaalde gebieden aan te wijzen zoals is voorzien in artikel 246, zesde lid, of van zijn bevoegdheid om toestemming te weigeren overeenkomstig artikel 246, vijfde lid.
3. a) Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot de visserij worden geregeld overeenkomstig afdeling 2, met dien verstande dat de kuststaat niet is verplicht de onderwerping aan een dergelijke regeling te aanvaarden van enig geschil betreffende zijn soevereine rechten met betrekking tot de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone of de uitoefening ervan, met inbegrip van zijn discretionaire bevoegdheid de toelaatbare vangst te bepalen, zijn vermogen tot het oogsten, de toedeling van resthoeveelheden aan andere Staten en de voorwaarden, gesteld in zijn wetten en voorschriften inzake behoud en beheer.
b) Wanneer geen regeling is bereikt met behulp van afdeling 1 van dit Deel, wordt een geschil onderworpen aan conciliatie krachtens Bijlage V, afdeling 2, op verzoek van een van de partijen bij het geschil, wanneer wordt aangevoerd dat :
(i) een kuststaat duidelijk niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan om door middel van juiste maatregelen tot behoud en beheer te verzekeren dat de instandhouding van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone niet ernstig in gevaar komt;
(ii) een kuststaat in willekeur heeft geweigerd op verzoek van een andere Staat de toelaatbare vangst te bepalen alsmede zijn vermogen tot het oogsten van levende rijkdommen met betrekking tot voorraden in het oogsten waarvan die andere Staat belang stelt; of
(iii) een kuststaat in willekeur heeft geweigerd aan een Staat krachtens de artikelen 62, 69 en 70 en de voorwaarden die de kuststaat heeft gesteld en verenigbaar zijn met dit Verdrag, het geheel of een deel van de resthoeveelheid waarin de kuststaat heeft verklaard dat deze bestaat toe te delen.
c) In geen geval stelt de conciliatiecommissie haar discretionaire bevoegdheid in de plaats van die van de kuststaat.
d) Het rapport van de conciliatiecommissie wordt overgelegd aan de passende internationale organisaties.
e) Bij het onderhandelen over overeenkomsten, bedoeld in de artikelen 69 en 70, nemen de staten die Partij zijn, tenzij zij anderszins overeenkomen, een bepaling op inzake de maatregelen die zij dienen te nemen om de mogelijkheid van onenigheid over de uitlegging of toepassing van de overeenkomst tot een minimum terug te brengen, en inzake de te volgen procedure in het geval er toch onenigheid ontstaat.
Art. 297. Limitations à l'application de la section 2.
1. Les différends relatifs à l'interprétation ou à l'application de la Convention quant à l'exercice par un Etat côtier de ses droits souverains ou de sa juridiction tels que prévus dans la Convention sont soumis aux procédures de règlement prévues à la section 2 dans les cas où :
a) il est allégué que l'Etat côtier a contrevenu à la Convention en ce qui concerne la liberté et le droit de navigation ou de survol ou la liberté et le droit de poser des câbles et des pipelines sous-marins, ainsi qu'en ce qui concerne les utilisations de la mer aux autres fins internationalement licites visées à l'article 58;
b) il est allégué que, dans l'exercice de ces libertés et droits ou dans ces utilisations, un Etat a contrevenu à la Convention ou aux lois ou règlements adoptés par l'Etat côtier en conformité avec les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international qui ne sont pas incompatibles avec celle-ci; ou
c) il est allégué que l'Etat côtier a contrevenu à des règles ou normes internationales déterminées visant à protéger et à préserver le milieu marin qui lui sont applicables et qui ont été établies par la Convention, ou par l'intermédiaire d'une organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique agissant en conformité avec la Convention.
2. a) les différends relatifs à l'interprétation ou à l'application des dispositions de la Convention concernant la recherche scientifique marine sont réglés conformément à la section 2, sauf que l'Etat côtier n'est pas tenu d'accepter que soit soumis à un tel règlement un differend découlant :
(i) de l'exercice par cet Etat d'un droit ou d'un pouvoir discrétionnaire conformément à l'article 246; ou
(ii) de la décision de cet Etat d'ordonner la suspension ou la cessation d'un projet de recherche conformément à l'article 253.
b) les différends découlant d'une allégation de l'Etat chercheur que l'Etat côtier n'exerce pas, dans le cas d'un projet particulier, les droits que lui confèrent les articles 246 et 253 d'une manière compatible avec la Convention sont soumis, à la demande de l'une ou l'autre partie, à la conciliation selon la procédure prévue à la section 2 de l'annexe V, étant entendu que la commission de conciliation ne doit mettre en cause ni l'exercice par l'Etat côtier de son pouvoir discretionnaire de désigner des zones spécifiques, tel qu'il est prévu a l'article 246, paragraphe 6, ni l'exercice de son pouvoir discrétionnaire de refuser son consentement conformément au paragraphe 5 du même article.
3. a) Les différends relatifs à l'interprétation ou à l'application des dispositions de la Convention concernant la pêche sont réglés conformément à la section 2, sauf que l'Etat côtier n'est pas tenu d'accepter que soit soumis à un tel règlement un différend relatif à ses droits souverains sur les ressources biologiques de sa zone économique exclusive ou à l'exercice de ces droits, y compris son pouvoir discrétionnaire de fixer le volume admissible des captures et sa capacité de peche, de répartir le reliquat entre d'autres Etats et d'arrêter les modalités et conditions établies dans ses lois et règlements en matière de conservation et de gestion.
b) Si le recours à la section 1 n'a pas permis d'aboutir à un règlement, le différend est soumis, à la demande de l'une quelconque des parties en litige, à la conciliation selon la procédure prévue à la section 2 de l'annexe V, lorsqu'il est allégué que l'Etat côtier :
(i) a manifestement failli à son obligation d'assurer, par des mesures appropriées de conservation et de gestion, que le maintien des ressources biologiques de la zone économique exclusive ne soit pas sérieusement compromis;
(ii) a refusé arbitrairement de fixer, à la demande d'un autre Etat, le volume admissible des captures et sa capacité d'exploiter les ressources biologiques pour ce qui est des stocks dont l'exploitation intéresse cet autre Etat; ou
(iii) a refusé arbitrairement à un Etat quelconque de lui attribuer, comme le prévoient les articles 62, 69 et 70 et selon les modalités et conditions qu'il a lui-même arrêtées et qui sont compatibles avec la Convention, tout ou partie du reliquat qu'il a déclaré exister.
c) En aucun cas la commission de conciliation ne substitue son pouvoir discrétionnaire à celui de l'Etat côtier.
d) Le rapport de la commission de conciliation doit être communiqué aux organisations internationales appropriées.
e) Lorsqu'ils négocient les accords prévus aux articles 69 et 70, les Etats Parties, à moins qu'ils n'en conviennent autrement, y incluent une clause prévoyant les mesures qu'ils doivent prendre pour réduire à un minimum les possibilités de divergence quant à l'interprétation ou à l'application de l'accord, ainsi que la procédure à suivre au cas où il y aurait néanmoins divergence.
1. Les différends relatifs à l'interprétation ou à l'application de la Convention quant à l'exercice par un Etat côtier de ses droits souverains ou de sa juridiction tels que prévus dans la Convention sont soumis aux procédures de règlement prévues à la section 2 dans les cas où :
a) il est allégué que l'Etat côtier a contrevenu à la Convention en ce qui concerne la liberté et le droit de navigation ou de survol ou la liberté et le droit de poser des câbles et des pipelines sous-marins, ainsi qu'en ce qui concerne les utilisations de la mer aux autres fins internationalement licites visées à l'article 58;
b) il est allégué que, dans l'exercice de ces libertés et droits ou dans ces utilisations, un Etat a contrevenu à la Convention ou aux lois ou règlements adoptés par l'Etat côtier en conformité avec les dispositions de la Convention et les autres règles du droit international qui ne sont pas incompatibles avec celle-ci; ou
c) il est allégué que l'Etat côtier a contrevenu à des règles ou normes internationales déterminées visant à protéger et à préserver le milieu marin qui lui sont applicables et qui ont été établies par la Convention, ou par l'intermédiaire d'une organisation internationale compétente ou d'une conférence diplomatique agissant en conformité avec la Convention.
2. a) les différends relatifs à l'interprétation ou à l'application des dispositions de la Convention concernant la recherche scientifique marine sont réglés conformément à la section 2, sauf que l'Etat côtier n'est pas tenu d'accepter que soit soumis à un tel règlement un differend découlant :
(i) de l'exercice par cet Etat d'un droit ou d'un pouvoir discrétionnaire conformément à l'article 246; ou
(ii) de la décision de cet Etat d'ordonner la suspension ou la cessation d'un projet de recherche conformément à l'article 253.
b) les différends découlant d'une allégation de l'Etat chercheur que l'Etat côtier n'exerce pas, dans le cas d'un projet particulier, les droits que lui confèrent les articles 246 et 253 d'une manière compatible avec la Convention sont soumis, à la demande de l'une ou l'autre partie, à la conciliation selon la procédure prévue à la section 2 de l'annexe V, étant entendu que la commission de conciliation ne doit mettre en cause ni l'exercice par l'Etat côtier de son pouvoir discretionnaire de désigner des zones spécifiques, tel qu'il est prévu a l'article 246, paragraphe 6, ni l'exercice de son pouvoir discrétionnaire de refuser son consentement conformément au paragraphe 5 du même article.
3. a) Les différends relatifs à l'interprétation ou à l'application des dispositions de la Convention concernant la pêche sont réglés conformément à la section 2, sauf que l'Etat côtier n'est pas tenu d'accepter que soit soumis à un tel règlement un différend relatif à ses droits souverains sur les ressources biologiques de sa zone économique exclusive ou à l'exercice de ces droits, y compris son pouvoir discrétionnaire de fixer le volume admissible des captures et sa capacité de peche, de répartir le reliquat entre d'autres Etats et d'arrêter les modalités et conditions établies dans ses lois et règlements en matière de conservation et de gestion.
b) Si le recours à la section 1 n'a pas permis d'aboutir à un règlement, le différend est soumis, à la demande de l'une quelconque des parties en litige, à la conciliation selon la procédure prévue à la section 2 de l'annexe V, lorsqu'il est allégué que l'Etat côtier :
(i) a manifestement failli à son obligation d'assurer, par des mesures appropriées de conservation et de gestion, que le maintien des ressources biologiques de la zone économique exclusive ne soit pas sérieusement compromis;
(ii) a refusé arbitrairement de fixer, à la demande d'un autre Etat, le volume admissible des captures et sa capacité d'exploiter les ressources biologiques pour ce qui est des stocks dont l'exploitation intéresse cet autre Etat; ou
(iii) a refusé arbitrairement à un Etat quelconque de lui attribuer, comme le prévoient les articles 62, 69 et 70 et selon les modalités et conditions qu'il a lui-même arrêtées et qui sont compatibles avec la Convention, tout ou partie du reliquat qu'il a déclaré exister.
c) En aucun cas la commission de conciliation ne substitue son pouvoir discrétionnaire à celui de l'Etat côtier.
d) Le rapport de la commission de conciliation doit être communiqué aux organisations internationales appropriées.
e) Lorsqu'ils négocient les accords prévus aux articles 69 et 70, les Etats Parties, à moins qu'ils n'en conviennent autrement, y incluent une clause prévoyant les mesures qu'ils doivent prendre pour réduire à un minimum les possibilités de divergence quant à l'interprétation ou à l'application de l'accord, ainsi que la procédure à suivre au cas où il y aurait néanmoins divergence.
Art. 298. Facultatieve excepties op de toepasselijkheid van afdeling 2.
1. Bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna kan een Staat, onverminderd de verplichtingen die krachtens afdeling 1 ontstaan, schriftelijk verklaren dat hij een of meer van de in afdeling 2 bedoelde procedures niet aanvaardt met betrekking tot een of meer van de volgende groepen geschillen :
a) (i) geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de artikelen 15, 74 en 83 inzake de afbakening van zeegrenzen, of betreffende historische baaien of titels, mits een Staat die een dergelijke verklaring heeft afgelegd, op verzoek van een partij bij het geschil, onderwerping van de zaak aan conciliatie krachtens Bijlage V, afdeling 2, aanvaardt, wanneer een dergelijk geschil na de inwerkingtreding van dit Verdrag ontstaat en binnen redelijke tijd geen overeenstemming is bereikt in onderhandelingen tussen de partijen, en mits verder elk geschil dat noodzakelijkerwijze met zich brengt de gelijktijdige behandeling van een onopgelost geschil betreffende soevereiniteit of andere rechten op vastelands- of eilandgebied van deze onderwerping aan conciliatie wordt uitgesloten;
(ii) nadat de conciliatiecommissie haar rapport heeft overgelegd, dat de argumenten dient aan te geven waarop het is gebaseerd, onderhandelen de partijen over een akkoord op basis van dat rapport; indien de onderhandelingen niet op een akkoord uitlopen, onderwerpen de partijen de kwestie met wederzijds goedvinden aan een van de in afdeling 2 bedoelde procedures, tenzij de partijen anderszins overeenkomen;
(iii) letter (a. is niet van toepassing op een geschil betreffende zeegrenzen dat definitief is geregeld door een akkoord tussen de partijen of dat dient te worden geregeld overeenkomstig een bilaterale of multilaterale overeenkomst die bindend is voor deze partijen;
b) geschillen betreffende militaire activiteiten, met inbegrip van militaire activiteiten van staatsschepen en staatsluchtvaartuigen die voor andere dan commerciële doeleinden worden gebruikt, en geschillen betreffende daden van rechtshandhaving met betrekking tot soevereine rechten of jurisdictie, welke zijn uitgesloten van de rechtsmacht van een hof of scheidsgerecht krachtens artikel 297, tweede of derde lid;
c) geschillen met betrekking waartoe de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de functies uitoefent die deze door het Handvest van de Verenigde Naties zijn opgedragen, tenzij de Veiligheidsraad besluit de zaak van de agenda te schrappen of de partijen verzoekt de zaak te regelen door de in dit Verdrag voorziene middelen.
2. Een Staat die Partij is, die een verklaring ingevolge het eerste lid heeft afgelegd, kan deze op ieder tijdstip intrekken of instemmen met de onderwerping van een geschil, dat door een dergelijke verklaring is uitgesloten, aan elke in dit Verdrag bedoelde procedure.
3. Een Staat die Partij is, die een verklaring ingevolge het eerste lid heeft afgelegd is niet bevoegd een geschil dat onder een uitgesloten groep geschillen valt te onderwerpen aan enige in dit Verdrag bedoelde procedure zonder de toestemming van de Staat die Partij is waarmee hij het geschil heeft.
4. Indien een van de Staten die Partij zijn een verklaring ingevolge het eerste lid, letter a, heeft afgelegd, kan elke andere Staat die Partij is een geschil dat onder een uitgesloten groep geschillen valt en dat deze met de verklarende partij heeft, onderwerpen aan de in die verklaring genoemde procedure.
5. Een nieuwe verklaring, of het intrekken van een verklaring tast geenszins de procedures aan die voor een hof of scheidsgerecht lopen overeenkomstig dit artikel, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
6. Verklaringen en kennisgevingen van het intrekken ervan krachtens dit artikel worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die een afschrift ervan doet toekomen aan de Staten die Partij zijn.
1. Bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna kan een Staat, onverminderd de verplichtingen die krachtens afdeling 1 ontstaan, schriftelijk verklaren dat hij een of meer van de in afdeling 2 bedoelde procedures niet aanvaardt met betrekking tot een of meer van de volgende groepen geschillen :
a) (i) geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de artikelen 15, 74 en 83 inzake de afbakening van zeegrenzen, of betreffende historische baaien of titels, mits een Staat die een dergelijke verklaring heeft afgelegd, op verzoek van een partij bij het geschil, onderwerping van de zaak aan conciliatie krachtens Bijlage V, afdeling 2, aanvaardt, wanneer een dergelijk geschil na de inwerkingtreding van dit Verdrag ontstaat en binnen redelijke tijd geen overeenstemming is bereikt in onderhandelingen tussen de partijen, en mits verder elk geschil dat noodzakelijkerwijze met zich brengt de gelijktijdige behandeling van een onopgelost geschil betreffende soevereiniteit of andere rechten op vastelands- of eilandgebied van deze onderwerping aan conciliatie wordt uitgesloten;
(ii) nadat de conciliatiecommissie haar rapport heeft overgelegd, dat de argumenten dient aan te geven waarop het is gebaseerd, onderhandelen de partijen over een akkoord op basis van dat rapport; indien de onderhandelingen niet op een akkoord uitlopen, onderwerpen de partijen de kwestie met wederzijds goedvinden aan een van de in afdeling 2 bedoelde procedures, tenzij de partijen anderszins overeenkomen;
(iii) letter (a. is niet van toepassing op een geschil betreffende zeegrenzen dat definitief is geregeld door een akkoord tussen de partijen of dat dient te worden geregeld overeenkomstig een bilaterale of multilaterale overeenkomst die bindend is voor deze partijen;
b) geschillen betreffende militaire activiteiten, met inbegrip van militaire activiteiten van staatsschepen en staatsluchtvaartuigen die voor andere dan commerciële doeleinden worden gebruikt, en geschillen betreffende daden van rechtshandhaving met betrekking tot soevereine rechten of jurisdictie, welke zijn uitgesloten van de rechtsmacht van een hof of scheidsgerecht krachtens artikel 297, tweede of derde lid;
c) geschillen met betrekking waartoe de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de functies uitoefent die deze door het Handvest van de Verenigde Naties zijn opgedragen, tenzij de Veiligheidsraad besluit de zaak van de agenda te schrappen of de partijen verzoekt de zaak te regelen door de in dit Verdrag voorziene middelen.
2. Een Staat die Partij is, die een verklaring ingevolge het eerste lid heeft afgelegd, kan deze op ieder tijdstip intrekken of instemmen met de onderwerping van een geschil, dat door een dergelijke verklaring is uitgesloten, aan elke in dit Verdrag bedoelde procedure.
3. Een Staat die Partij is, die een verklaring ingevolge het eerste lid heeft afgelegd is niet bevoegd een geschil dat onder een uitgesloten groep geschillen valt te onderwerpen aan enige in dit Verdrag bedoelde procedure zonder de toestemming van de Staat die Partij is waarmee hij het geschil heeft.
4. Indien een van de Staten die Partij zijn een verklaring ingevolge het eerste lid, letter a, heeft afgelegd, kan elke andere Staat die Partij is een geschil dat onder een uitgesloten groep geschillen valt en dat deze met de verklarende partij heeft, onderwerpen aan de in die verklaring genoemde procedure.
5. Een nieuwe verklaring, of het intrekken van een verklaring tast geenszins de procedures aan die voor een hof of scheidsgerecht lopen overeenkomstig dit artikel, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
6. Verklaringen en kennisgevingen van het intrekken ervan krachtens dit artikel worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die een afschrift ervan doet toekomen aan de Staten die Partij zijn.
Art. 298. Exceptions facultatives à l'application de la section 2.
1. Lorsqu'il signe ou ratifie la Convention ou y adhère, ou à n'importe quel moment par la suite, un Etat peut, sans préjudice des obligations découlant de la section 1, déclarer par écrit qu'il n'accepte pas une ou plusieurs des procédures de règlement des différends prévues à la section 2 en ce qui concerne une ou plusieurs des catégories suivantes de différends :
a) (i) les différends concernant l'interprétation ou l'application des articles 15, 74 et 83 relatifs à la délimitation de zones maritimes ou les différends qui portent sur des baies ou titres historiques, pourvu que l'Etat qui a fait la déclaration accepte, lorsqu'un tel différend surgit après l'entrée en vigueur de la Convention et si les parties ne parviennent à aucun accord par voie de négociations dans un délai raisonnable, de le soumettre, à la demande de l'une d'entre elles, à la conciliation selon la procédure prévue à la section 2 de l'annexe V, et étant entendu que ne peut être soumis à cette procédure aucun différend impliquant nécessairement l'examen simultané d'un différend non réglé relatif à la souveraineté ou à d'autres droits sur un territoire continental ou insulaire;
(ii) une fois que la commission de conciliation a présenté son rapport, qui doit être motivé, les parties négocient un accord sur la base de ce rapport; si les négociations n'aboutissent pas, les parties soumettent la question, par consentement mutuel, aux procédures prévues à la section 2, à moins qu'elles n'en conviennent autrement;
(iii) le présent alinéa ne s'applique ni aux différends relatifs à la délimitation de zones maritimes qui ont été définitivement réglés par un arrangement entre les parties, ni aux différends qui doivent être réglés conformément à un accord bilatéral ou multilatéral liant les parties;
b) les différends relatifs à des activités militaires, y compris les activités militaires des navires et aéronefs d'Etat utilisés pour un service non commercial, et les différends qui concernent les actes d'exécution forcée accomplis dans l'exercice de droits souverains ou de la juridiction et que l'article 297, paragraphe 2 ou 3, exclut de la compétence d'une cour ou d'un tribunal;
c) les differends pour lesquels le Conseil de sécurité de l'Organisation des Nations Unies exerce les fonctions qui lui sont conférées par la Charte des Nations Unies, à moins que le Conseil de sécurité ne décide de rayer la question de son ordre du jour ou n'invite les parties à régler leur différend par les moyens prévus dans la Convention.
2. Un Etat Partie qui a fait une déclaration en vertu du paragraphe 1 peut à tout moment le retirer ou convenir de soumettre un différend exclu par cette déclaration à toute procédure de règlement prévue dans la Convention.
3. Un Etat Partie qui a fait une déclaration en vertu du paragraphe 1 ne peut soumettre un différend entrant dans une catégorie de différends exclus à l'une quelconque des procédures prévues dans la Convention sans le consentement de l'Etat Partie avec lequel il est en litige.
4. Si un Etat Partie a fait une déclaration en vertu du paragraphe 1, lettre a), tout autre Etat Partie peut soumettre à la procédure spécifiée dans cette déclaration tout différend qui l'oppose à l'Etat auteur de la déclaration et qui entre dans une catégorie de différends exclus.
5. Une nouvelle déclaration ou une notification de retrait d'une déclaration n'affecte en rien la procédure en cours devant une cour ou un tribunal saisi conformément au présent article, à moins que les parties n'en conviennent autrement.
6. Les déclarations ou les notifications de leur retrait visées au présent article sont déposées auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies, qui en transmet copie aux Etats Parties.
1. Lorsqu'il signe ou ratifie la Convention ou y adhère, ou à n'importe quel moment par la suite, un Etat peut, sans préjudice des obligations découlant de la section 1, déclarer par écrit qu'il n'accepte pas une ou plusieurs des procédures de règlement des différends prévues à la section 2 en ce qui concerne une ou plusieurs des catégories suivantes de différends :
a) (i) les différends concernant l'interprétation ou l'application des articles 15, 74 et 83 relatifs à la délimitation de zones maritimes ou les différends qui portent sur des baies ou titres historiques, pourvu que l'Etat qui a fait la déclaration accepte, lorsqu'un tel différend surgit après l'entrée en vigueur de la Convention et si les parties ne parviennent à aucun accord par voie de négociations dans un délai raisonnable, de le soumettre, à la demande de l'une d'entre elles, à la conciliation selon la procédure prévue à la section 2 de l'annexe V, et étant entendu que ne peut être soumis à cette procédure aucun différend impliquant nécessairement l'examen simultané d'un différend non réglé relatif à la souveraineté ou à d'autres droits sur un territoire continental ou insulaire;
(ii) une fois que la commission de conciliation a présenté son rapport, qui doit être motivé, les parties négocient un accord sur la base de ce rapport; si les négociations n'aboutissent pas, les parties soumettent la question, par consentement mutuel, aux procédures prévues à la section 2, à moins qu'elles n'en conviennent autrement;
(iii) le présent alinéa ne s'applique ni aux différends relatifs à la délimitation de zones maritimes qui ont été définitivement réglés par un arrangement entre les parties, ni aux différends qui doivent être réglés conformément à un accord bilatéral ou multilatéral liant les parties;
b) les différends relatifs à des activités militaires, y compris les activités militaires des navires et aéronefs d'Etat utilisés pour un service non commercial, et les différends qui concernent les actes d'exécution forcée accomplis dans l'exercice de droits souverains ou de la juridiction et que l'article 297, paragraphe 2 ou 3, exclut de la compétence d'une cour ou d'un tribunal;
c) les differends pour lesquels le Conseil de sécurité de l'Organisation des Nations Unies exerce les fonctions qui lui sont conférées par la Charte des Nations Unies, à moins que le Conseil de sécurité ne décide de rayer la question de son ordre du jour ou n'invite les parties à régler leur différend par les moyens prévus dans la Convention.
2. Un Etat Partie qui a fait une déclaration en vertu du paragraphe 1 peut à tout moment le retirer ou convenir de soumettre un différend exclu par cette déclaration à toute procédure de règlement prévue dans la Convention.
3. Un Etat Partie qui a fait une déclaration en vertu du paragraphe 1 ne peut soumettre un différend entrant dans une catégorie de différends exclus à l'une quelconque des procédures prévues dans la Convention sans le consentement de l'Etat Partie avec lequel il est en litige.
4. Si un Etat Partie a fait une déclaration en vertu du paragraphe 1, lettre a), tout autre Etat Partie peut soumettre à la procédure spécifiée dans cette déclaration tout différend qui l'oppose à l'Etat auteur de la déclaration et qui entre dans une catégorie de différends exclus.
5. Une nouvelle déclaration ou une notification de retrait d'une déclaration n'affecte en rien la procédure en cours devant une cour ou un tribunal saisi conformément au présent article, à moins que les parties n'en conviennent autrement.
6. Les déclarations ou les notifications de leur retrait visées au présent article sont déposées auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies, qui en transmet copie aux Etats Parties.
Art. 299. Recht van de partijen om een procedure overeen te komen.
1. Een geschil dat van de in afdeling 2 bedoelde procedures is uitgesloten krachtens artikel 297 of door een krachtens artikel 298 afgelegde verklaring kan alleen met instemming van de partijen bij het geschil worden onderworpen aan die procedures.
2. Niets in deze afdeling maakt inbreuk op het recht van de partijen bij een geschil, een andere procedure voor de regeling van het geschil overeen te komen of het bij minnelijke schikking te regelen.
1. Een geschil dat van de in afdeling 2 bedoelde procedures is uitgesloten krachtens artikel 297 of door een krachtens artikel 298 afgelegde verklaring kan alleen met instemming van de partijen bij het geschil worden onderworpen aan die procedures.
2. Niets in deze afdeling maakt inbreuk op het recht van de partijen bij een geschil, een andere procedure voor de regeling van het geschil overeen te komen of het bij minnelijke schikking te regelen.
Art. 299. Droit des parties de convenir de la procédure.
1. Tout différend qui a été exclu des procédures de règlement des différends prévues à la section 2 en vertu de l'article 297 ou par une déclaration faite conformément à l'article 298 ne peut être soumis à ces procédures que par accord des parties au différend.
2. Aucune disposition de la présente section ne porte atteinte au droit des parties à un différend de convenir d'une autre procédure de règlement de ce différend ou de le régler a l'amiable.
1. Tout différend qui a été exclu des procédures de règlement des différends prévues à la section 2 en vertu de l'article 297 ou par une déclaration faite conformément à l'article 298 ne peut être soumis à ces procédures que par accord des parties au différend.
2. Aucune disposition de la présente section ne porte atteinte au droit des parties à un différend de convenir d'une autre procédure de règlement de ce différend ou de le régler a l'amiable.
DEEL XVI. - Algemene bepalingen.
PARTIE XVI. - Dispositions genérales.
Art. 300. Goede trouw en misbruik van recht.
De Staten die Partij zijn, komen te goeder trouw de verplichtingen na die zij op grond van dit Verdrag op zich hebben genomen en oefenen de rechten, bevoegdheden en vrijheden die in dit Verdrag worden erkend, uit op een wijze die geen misbruik van recht vormt.
De Staten die Partij zijn, komen te goeder trouw de verplichtingen na die zij op grond van dit Verdrag op zich hebben genomen en oefenen de rechten, bevoegdheden en vrijheden die in dit Verdrag worden erkend, uit op een wijze die geen misbruik van recht vormt.
Art. 300. Bonne foi et abus de droit.
Les Etats Parties doivent remplir de bonne foi les obligations qu'ils ont assumées aux termes de la Convention et exercer les droits, les compétences et les libertés reconnus dans la Convention d'une manière qui ne constitue pas un abus de droit.
Les Etats Parties doivent remplir de bonne foi les obligations qu'ils ont assumées aux termes de la Convention et exercer les droits, les compétences et les libertés reconnus dans la Convention d'une manière qui ne constitue pas un abus de droit.
Art. 301. Vreedzaam gebruik van de zee.
Bij de uitoefening van hun rechten en de nakoming van hun plichten op grond van dit Verdrag onthouden de Staten die Partij zijn zich van elke bedreiging met of elk gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van enige Staat, en van enigerlei andere handelwijze die onverenigbaar is met de beginselen van het internationale recht, neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties.
Bij de uitoefening van hun rechten en de nakoming van hun plichten op grond van dit Verdrag onthouden de Staten die Partij zijn zich van elke bedreiging met of elk gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van enige Staat, en van enigerlei andere handelwijze die onverenigbaar is met de beginselen van het internationale recht, neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties.
Art. 301. Utilisation des mers à des fins pacifiques.
Dans l'exercice de leurs droits et l'exécution de leurs obligations en vertu de la Convention, les Etats Parties s'abstiennent de recourir à la menace ou à l'emploi de la force contre l'intégrité territoriale ou l'indépendance politique de tout Etat, ou de toute autre manière incompatible avec les principes de droit international énoncés dans la Charte des Nations Unies.
Dans l'exercice de leurs droits et l'exécution de leurs obligations en vertu de la Convention, les Etats Parties s'abstiennent de recourir à la menace ou à l'emploi de la force contre l'intégrité territoriale ou l'indépendance politique de tout Etat, ou de toute autre manière incompatible avec les principes de droit international énoncés dans la Charte des Nations Unies.
Art. 302. Openbaarmaking van gegevens.
Onverminderd het recht van een Staat die Partij is zijn toevlucht te nemen tot de procedures voor de regeling van geschillen, bedoeld in dit Verdrag, wordt niets in dit Verdrag geacht een Staat die Partij is te verplichten, bij het nakomen van zijn plichten op grond van dit Verdrag, gegevens te verschaffen waarvan de openbaarmaking strijdig is met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid.
Onverminderd het recht van een Staat die Partij is zijn toevlucht te nemen tot de procedures voor de regeling van geschillen, bedoeld in dit Verdrag, wordt niets in dit Verdrag geacht een Staat die Partij is te verplichten, bij het nakomen van zijn plichten op grond van dit Verdrag, gegevens te verschaffen waarvan de openbaarmaking strijdig is met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid.
Art. 302. Divulgation de renseignements.
Sans préjudice du droit de tout Etat Partie de recourir aux procédures de règlement des différends prévues dans la Convention, aucune disposition de celle-ci ne peut être interprétée comme obligeant un Etat Partie, dans l'exécution des obligations qui lui incombent en vertu de la Convention, a fournir des renseignements dont la divulgation serait contraire à ses intérêts essentiels en matière de sécurité.
Sans préjudice du droit de tout Etat Partie de recourir aux procédures de règlement des différends prévues dans la Convention, aucune disposition de celle-ci ne peut être interprétée comme obligeant un Etat Partie, dans l'exécution des obligations qui lui incombent en vertu de la Convention, a fournir des renseignements dont la divulgation serait contraire à ses intérêts essentiels en matière de sécurité.
Art. 303. In zee gevonden archeologische en historische voorwerpen.
1. Staten hebben de plicht in zee gevonden voorwerpen van archeologische of historische aard te beschermen en werken tot dit doel samen.
2. Om de handel in dergelijke voorwerpen te beheersen, kan de kuststaat bij de toepassing van artikel 33 aannemen dat de verwijdering ervan, zonder zijn toestemming, van de zeebodem in de zone genoemd in dat artikel, een inbreuk binnen zijn grondgebied of territoriale zee zou betekenen op de wetten en voorschriften, genoemd in dat artikel.
3. Niets in dit artikel tast de rechten van aanwijsbare eigenaars aan, het bergingsrecht of andere regels van maritiem recht, noch wetten en gebruiken op het gebied van culturele uitwisselingen.
4. Dit artikel tast geen andere internationale overeenkomsten en regels van internationaal recht aan betreffende de bescherming van voorwerpen van archeologische of historische aard.
1. Staten hebben de plicht in zee gevonden voorwerpen van archeologische of historische aard te beschermen en werken tot dit doel samen.
2. Om de handel in dergelijke voorwerpen te beheersen, kan de kuststaat bij de toepassing van artikel 33 aannemen dat de verwijdering ervan, zonder zijn toestemming, van de zeebodem in de zone genoemd in dat artikel, een inbreuk binnen zijn grondgebied of territoriale zee zou betekenen op de wetten en voorschriften, genoemd in dat artikel.
3. Niets in dit artikel tast de rechten van aanwijsbare eigenaars aan, het bergingsrecht of andere regels van maritiem recht, noch wetten en gebruiken op het gebied van culturele uitwisselingen.
4. Dit artikel tast geen andere internationale overeenkomsten en regels van internationaal recht aan betreffende de bescherming van voorwerpen van archeologische of historische aard.
Art. 303. Objets archéologiques et historiques découverts en mer.
1. Les Etats ont l'obligation de protéger les objets de caractère archéologique ou historique découverts en mer et coopèrent à cette fin.
2. Pour contrôler le commerce de ces objets, l'Etat côtier peut, en faisant application de l'article 33, considérer que leur enlèvement du fond de la mer dans la zone visée à cet article, sans son approbation, serait cause d'une infraction sur son territoire ou dans sa mer territoriale, aux lois et règlements de l'Etat côtier visés à ce même article.
3. Le présent article ne porte atteinte ni aux droits des propriétaires identifiables, au droit de récupérer des épaves et aux autres règles du droit maritime, ni aux lois et pratiques en matière d'échanges culturels.
4. Le présent article est sans préjudice des autres accords internationaux et règles du droit international concernant la protection des objets de caractère archéologique ou historique.
1. Les Etats ont l'obligation de protéger les objets de caractère archéologique ou historique découverts en mer et coopèrent à cette fin.
2. Pour contrôler le commerce de ces objets, l'Etat côtier peut, en faisant application de l'article 33, considérer que leur enlèvement du fond de la mer dans la zone visée à cet article, sans son approbation, serait cause d'une infraction sur son territoire ou dans sa mer territoriale, aux lois et règlements de l'Etat côtier visés à ce même article.
3. Le présent article ne porte atteinte ni aux droits des propriétaires identifiables, au droit de récupérer des épaves et aux autres règles du droit maritime, ni aux lois et pratiques en matière d'échanges culturels.
4. Le présent article est sans préjudice des autres accords internationaux et règles du droit international concernant la protection des objets de caractère archéologique ou historique.
Art. 304. Aansprakelijkheid bij schade.
De bepalingen van dit Verdrag betreffende aansprakelijkheid bij schade tasten niet de toepassing aan van bestaande en de totstandkoming van nieuwe aansprakelijkheidsregels op grond van het internationale recht.
De bepalingen van dit Verdrag betreffende aansprakelijkheid bij schade tasten niet de toepassing aan van bestaande en de totstandkoming van nieuwe aansprakelijkheidsregels op grond van het internationale recht.
Art. 304. Responsabilité en cas de dommages.
Les dispositions de la Convention relatives à la responsabilité encourue en cas de dommages sont sans préjudice de l'application des règles existantes et de l'établissement de nouvelles règles concernant la responsabilité en vertu du droit international.
Les dispositions de la Convention relatives à la responsabilité encourue en cas de dommages sont sans préjudice de l'application des règles existantes et de l'établissement de nouvelles règles concernant la responsabilité en vertu du droit international.
DEEL XVII. - Slotbepalingen.
PARTIE XVII. - Dispositions finales.
Art. 305. Ondertekening.
1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening door :
a) alle Staten;
b) Namibië, vertegenwoordigd door de Raad van de Verenigde Naties voor Namibië;
c) alle zelfbesturende geassocieerde Staten die deze status hebben gekozen door middel van een daad van zelfbeschikking, onder toezicht en met goedkeuring van de Verenigde Naties overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering, en die bevoegd zijn aangaande de onderwerpen in dit Verdrag behandeld, met inbegrip van de bevoegdheid verdragen aan te gaan met betrekking tot die onderwerpen;
d) alle zelfbesturende geassocieerde Staten die overeenkomstig hun onderscheiden akten van associatie bevoegd zijn aangaande de onderwerpen in dit Verdrag behandeld, met inbegrip van de bevoegdheid verdragen aan te gaan met betrekking tot die onderwerpen;
e) alle gebieden die volledig intern zelfbestuur genieten, dat als zodanig is erkend door de Verenigde Naties, maar geen volledige onafhankelijkheid hebben bereikt overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering, en die bevoegd zijn aangaande de onderwerpen in dit Verdrag behandeld, met inbegrip van de bevoegdheid om verdragen aan te gaan met betrekking tot die onderwerpen;
f) internationale organisaties, overeenkomstig Bijlage IX.
2. Dit Verdrag blijft openstaan voor ondertekening tot en met 9 december 1984 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Jamaica en tevens vanaf 1 juli 1983 tot en met 9 december 1984 op de zetel van de Verenigde Naties te New York.
1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening door :
a) alle Staten;
b) Namibië, vertegenwoordigd door de Raad van de Verenigde Naties voor Namibië;
c) alle zelfbesturende geassocieerde Staten die deze status hebben gekozen door middel van een daad van zelfbeschikking, onder toezicht en met goedkeuring van de Verenigde Naties overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering, en die bevoegd zijn aangaande de onderwerpen in dit Verdrag behandeld, met inbegrip van de bevoegdheid verdragen aan te gaan met betrekking tot die onderwerpen;
d) alle zelfbesturende geassocieerde Staten die overeenkomstig hun onderscheiden akten van associatie bevoegd zijn aangaande de onderwerpen in dit Verdrag behandeld, met inbegrip van de bevoegdheid verdragen aan te gaan met betrekking tot die onderwerpen;
e) alle gebieden die volledig intern zelfbestuur genieten, dat als zodanig is erkend door de Verenigde Naties, maar geen volledige onafhankelijkheid hebben bereikt overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering, en die bevoegd zijn aangaande de onderwerpen in dit Verdrag behandeld, met inbegrip van de bevoegdheid om verdragen aan te gaan met betrekking tot die onderwerpen;
f) internationale organisaties, overeenkomstig Bijlage IX.
2. Dit Verdrag blijft openstaan voor ondertekening tot en met 9 december 1984 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Jamaica en tevens vanaf 1 juli 1983 tot en met 9 december 1984 op de zetel van de Verenigde Naties te New York.
Art. 305. Signature.
1. La Convention est ouverte à la signature :
a) de tous les Etats;
b) de la Namibie, représentée par le Conseil des Nations Unies pour la Namibie;
c) de tous les Etats associés autonomes qui ont choisi ce régime par un acte d'autodétermination supervisé et approuvé par l'Organisation des Nations Unies, conformément à la résolution 1514 (XV) de l'Assemblée générale et qui ont compétence pour les matières dont traite la Convention, y compris la compétence pour conclure des traités sur ces matières;
d) de tous les Etats associés autonomes qui, en vertu de leurs instruments d'association, ont compétence pour les matières dont traite la Convention, y compris la compétence pour conclure des traités sur ces matières;
e) de tous les territoires qui jouissent d'une complète autonomie interne, reconnue comme telle par l'Organisation des Nations Unies, mais qui n'ont pas accédé a la pleine indépendance conformément à la résolution 1514 (XV) de l'Assemblée générale, et qui ont compétence pour les matières dont traite la Convention, y compris la compétence pour conclure des traités sur ces matières;
f) des organisations internationales, conformément à l'annexe IX.
2. La Convention est ouverte à la signature, au ministère des Affaires étrangères de la Jamaïque jusqu'au 9 décembre 1984, ainsi qu'au Siège de l'Organisation des Nations Unies à New York, du 1er juillet 1983 au 9 décembre 1984.
1. La Convention est ouverte à la signature :
a) de tous les Etats;
b) de la Namibie, représentée par le Conseil des Nations Unies pour la Namibie;
c) de tous les Etats associés autonomes qui ont choisi ce régime par un acte d'autodétermination supervisé et approuvé par l'Organisation des Nations Unies, conformément à la résolution 1514 (XV) de l'Assemblée générale et qui ont compétence pour les matières dont traite la Convention, y compris la compétence pour conclure des traités sur ces matières;
d) de tous les Etats associés autonomes qui, en vertu de leurs instruments d'association, ont compétence pour les matières dont traite la Convention, y compris la compétence pour conclure des traités sur ces matières;
e) de tous les territoires qui jouissent d'une complète autonomie interne, reconnue comme telle par l'Organisation des Nations Unies, mais qui n'ont pas accédé a la pleine indépendance conformément à la résolution 1514 (XV) de l'Assemblée générale, et qui ont compétence pour les matières dont traite la Convention, y compris la compétence pour conclure des traités sur ces matières;
f) des organisations internationales, conformément à l'annexe IX.
2. La Convention est ouverte à la signature, au ministère des Affaires étrangères de la Jamaïque jusqu'au 9 décembre 1984, ainsi qu'au Siège de l'Organisation des Nations Unies à New York, du 1er juillet 1983 au 9 décembre 1984.
Art. 306. Bekrachtiging en formele bevestiging.
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd door de Staten en de andere lichamen, bedoeld in artikel 305, eerste lid, letters b, c, d en e, en overeenkomstig Bijlage IX formeel te worden bevestigd door de lichamen, bedoeld in artikel 305, eerste lid, letter f. De akten van bekrachtiging en van formele bevestiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd door de Staten en de andere lichamen, bedoeld in artikel 305, eerste lid, letters b, c, d en e, en overeenkomstig Bijlage IX formeel te worden bevestigd door de lichamen, bedoeld in artikel 305, eerste lid, letter f. De akten van bekrachtiging en van formele bevestiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Art. 306. Ratification et confirmation formelle.
La Convention est soumise à ratification par les Etats et les autres entités visées à l'article 305, paragraphe 1, lettres b), c), d) et e), et à confirmation formelle, conformément à l'annexe IX, par les entités visées au paragraphe 1, lettre f), de cet article. Les instruments de ratification et de confirmation formelle sont déposés auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
La Convention est soumise à ratification par les Etats et les autres entités visées à l'article 305, paragraphe 1, lettres b), c), d) et e), et à confirmation formelle, conformément à l'annexe IX, par les entités visées au paragraphe 1, lettre f), de cet article. Les instruments de ratification et de confirmation formelle sont déposés auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
Art. 307. Toetreding.
Dit Verdrag staat open voor toetreding door de Staten en de andere lichamen, bedoeld in artikel 305. Toetreding door de lichamen, bedoeld in artikel 305, eerste lid, letter f, geschiedt overeenkomstig Bijlage IX. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Dit Verdrag staat open voor toetreding door de Staten en de andere lichamen, bedoeld in artikel 305. Toetreding door de lichamen, bedoeld in artikel 305, eerste lid, letter f, geschiedt overeenkomstig Bijlage IX. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Art. 307. Adhésion.
La Convention reste ouverte à l'adhésion des Etats et des autres entités visées à l'article 305. L'adhésion des entités visées à l'article 305, paragraphe 1, lettre f), est régie par l'annexe IX. Les instruments d'adhésion sont déposés auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
La Convention reste ouverte à l'adhésion des Etats et des autres entités visées à l'article 305. L'adhésion des entités visées à l'article 305, paragraphe 1, lettre f), est régie par l'annexe IX. Les instruments d'adhésion sont déposés auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
Art. 308. Inwerkingtreding.
1. Dit Verdrag treedt in werking 12 maanden na de datum van nederlegging van de zestigste akte van bekrachtiging of toetreding.
2. Voor iedere Staat die dit Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de zestigste akte van bekrachtiging of toetreding treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag, volgend op de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding, onder voorbehoud van het eerste lid.
3. De Vergadering van de Autoriteit komt bijeen op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag en kiest de Raad van de Autoriteit. De eerste Raad wordt samengesteld op een wijze die verenigbaar is met het doel van artikel 161, indien de bepalingen van dit artikel niet strikt kunnen worden toegepast.
4. De regels, voorschriften en procedures, opgesteld door de Voorbereidende Commissie, worden voorlopig toegepast in afwachting van hun formele aanvaarding door de Autoriteit overeenkomstig Deel XI.
5. De Autoriteit en haar organen handelen overeenkomstig resolutie II van de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee betreffende voorbereidende investeringen en overeenkomstig besluiten van de Voorbereidende Commissie, genomen krachtens die resolutie.
1. Dit Verdrag treedt in werking 12 maanden na de datum van nederlegging van de zestigste akte van bekrachtiging of toetreding.
2. Voor iedere Staat die dit Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de zestigste akte van bekrachtiging of toetreding treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag, volgend op de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding, onder voorbehoud van het eerste lid.
3. De Vergadering van de Autoriteit komt bijeen op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag en kiest de Raad van de Autoriteit. De eerste Raad wordt samengesteld op een wijze die verenigbaar is met het doel van artikel 161, indien de bepalingen van dit artikel niet strikt kunnen worden toegepast.
4. De regels, voorschriften en procedures, opgesteld door de Voorbereidende Commissie, worden voorlopig toegepast in afwachting van hun formele aanvaarding door de Autoriteit overeenkomstig Deel XI.
5. De Autoriteit en haar organen handelen overeenkomstig resolutie II van de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee betreffende voorbereidende investeringen en overeenkomstig besluiten van de Voorbereidende Commissie, genomen krachtens die resolutie.
Art. 308. Entrée en vigueur.
1. La Convention entre en vigueur douze mois après la date de dépôt du soixantième instrument de ratification ou d'adhésion.
2. Pour chaque Etat qui ratifie la Convention ou y adhère après le dépôt du soixantième instrument de ratification ou d'adhésion, la Convention entre en vigueur le trentième jour qui suit la date de dépôt de l'instrument de ratification ou d'adhésion, sous réserve du paragraphe 1.
3. L'Assemblée de l'Autorité se réunit à la date d'entrée en vigueur de la Convention et élit le Conseil de l'Autorité. Au cas où l'article 161 ne pourrait être strictement applique, le premier Conseil est constitué de manière compatible avec les fins visées à cet article.
4. Les règles, règlements et procédures élaborés par la Commission préparatoire s'appliquent provisoirement en attendant qu'ils soient officiellement adoptés par l'Autorité conformément à la partie XI.
5. L'Autorité et ses organes agissent conformément à la résolution II de la troisième Conférence des Nations Unies sur le droit de la mer, relative aux investissements préparatoires, et aux décisions prises par la Commission préparatoire en application de cette résolution.
1. La Convention entre en vigueur douze mois après la date de dépôt du soixantième instrument de ratification ou d'adhésion.
2. Pour chaque Etat qui ratifie la Convention ou y adhère après le dépôt du soixantième instrument de ratification ou d'adhésion, la Convention entre en vigueur le trentième jour qui suit la date de dépôt de l'instrument de ratification ou d'adhésion, sous réserve du paragraphe 1.
3. L'Assemblée de l'Autorité se réunit à la date d'entrée en vigueur de la Convention et élit le Conseil de l'Autorité. Au cas où l'article 161 ne pourrait être strictement applique, le premier Conseil est constitué de manière compatible avec les fins visées à cet article.
4. Les règles, règlements et procédures élaborés par la Commission préparatoire s'appliquent provisoirement en attendant qu'ils soient officiellement adoptés par l'Autorité conformément à la partie XI.
5. L'Autorité et ses organes agissent conformément à la résolution II de la troisième Conférence des Nations Unies sur le droit de la mer, relative aux investissements préparatoires, et aux décisions prises par la Commission préparatoire en application de cette résolution.
Art. 309. Voorbehouden en excepties.
Voorbehouden of excepties ten aanzien van dit Verdrag kunnen niet worden gemaakt, tenzij deze uitdrukkelijk zijn toegestaan op grond van andere artikelen van dit Verdrag.
Voorbehouden of excepties ten aanzien van dit Verdrag kunnen niet worden gemaakt, tenzij deze uitdrukkelijk zijn toegestaan op grond van andere artikelen van dit Verdrag.
Art. 309. Réserves et exceptions.
La Convention n'admet ni réserves ni exceptions autres que celles qu'elle autorise expressément dans d'autres articles.
La Convention n'admet ni réserves ni exceptions autres que celles qu'elle autorise expressément dans d'autres articles.
Art. 310. Verklaringen.
Artikel 309 verhindert een Staat niet bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag verklaringen af te leggen, in welke bewoordingen of onder welke naam ook, onder andere met het oog op de harmonisatie van zijn wetgeving met de bepalingen van dit Verdrag, mits dergelijke verklaringen niet strekken tot uitsluiting of wijziging van de juridische werking van de bepalingen van dit Verdrag in de toepassing ervan op die Staat.
Artikel 309 verhindert een Staat niet bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag verklaringen af te leggen, in welke bewoordingen of onder welke naam ook, onder andere met het oog op de harmonisatie van zijn wetgeving met de bepalingen van dit Verdrag, mits dergelijke verklaringen niet strekken tot uitsluiting of wijziging van de juridische werking van de bepalingen van dit Verdrag in de toepassing ervan op die Staat.
Art. 310. Déclarations.
L'article 309 n'interdit pas a un Etat, au moment où il signe ou ratifie la Convention, ou adhère à celle-ci, de faire des déclarations, quels qu'en soient le libellé ou la dénomination, notamment en vue d'harmoniser ses lois et règlements avec la Convention, à condition que ces déclarations ne visent pas à exclure ou à modifier l'effet juridique des dispositions de la Convention dans leur application à cet Etat.
L'article 309 n'interdit pas a un Etat, au moment où il signe ou ratifie la Convention, ou adhère à celle-ci, de faire des déclarations, quels qu'en soient le libellé ou la dénomination, notamment en vue d'harmoniser ses lois et règlements avec la Convention, à condition que ces déclarations ne visent pas à exclure ou à modifier l'effet juridique des dispositions de la Convention dans leur application à cet Etat.
Art. 311. Verhouding tot andere internationale overeenkomsten.
1. Tussen de Staten die Partij zijn, gaat dit Verdrag boven de Verdragen van Genève inzake het recht van de zee van 29 april 1958.
2. Dit Verdrag wijzigt niet de rechten en plichten van de Staten die Partij zijn welke voortvloeien uit andere internationale overeenkomsten, die verenigbaar zijn met dit Verdrag en die noch het genot van de aan de andere Staten die Partij zijn, op grond van dit Verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun plichten op grond van dit Verdrag aantasten.
3. Twee of meer Staten die Partij zijn kunnen overeenkomsten tot wijziging of schorsing van de werking van bepalingen van dit Verdrag sluiten, die uitsluitend van toepassing zijn op hun onderlinge betrekkingen, mits dergelijke overeenkomsten zich niet uitstrekken tot een bepaling waarvan niet mag worden afgeweken als dit onverenigbaar is met de doeltreffende verwezenlijking van voorwerp en doel van het Verdrag, en mits dergelijke overeenkomsten voorts niet de toepassing van de grondbeginselen die erin zijn neergelegd, aantasten en de bepalingen van dergelijke overeenkomsten noch het genot van de aan de andere Staten die Partij zijn, op grond van dit Verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun plichten op grond van dit Verdrag aantasten.
4. De Staten die Partij zijn die het voornemen hebben een overeenkomst bedoeld in het derde lid te sluiten, stellen de andere Staten die Partij zijn door tussenkomst van de depositaris van dit Verdrag in kennis van hun voornemen de overeenkomst te sluiten, en van de wijzigingen of schorsingen waarin deze voorziet.
5. Dit artikel tast niet de internationale overeenkomsten aan, die uitdrukkelijk zijn toegestaan of in stand worden gehouden door andere artikelen van dit Verdrag.
6. De Staten die Partij zijn komen overeen dat geen wijzigingen worden aangebracht op het grondbeginsel betreffende het gemeenschappelijke erfdeel van de mensheid, genoemd in artikel 136, en dat zij geen partij zullen zijn bij een overeenkomst die daaraan afbreuk doet.
1. Tussen de Staten die Partij zijn, gaat dit Verdrag boven de Verdragen van Genève inzake het recht van de zee van 29 april 1958.
2. Dit Verdrag wijzigt niet de rechten en plichten van de Staten die Partij zijn welke voortvloeien uit andere internationale overeenkomsten, die verenigbaar zijn met dit Verdrag en die noch het genot van de aan de andere Staten die Partij zijn, op grond van dit Verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun plichten op grond van dit Verdrag aantasten.
3. Twee of meer Staten die Partij zijn kunnen overeenkomsten tot wijziging of schorsing van de werking van bepalingen van dit Verdrag sluiten, die uitsluitend van toepassing zijn op hun onderlinge betrekkingen, mits dergelijke overeenkomsten zich niet uitstrekken tot een bepaling waarvan niet mag worden afgeweken als dit onverenigbaar is met de doeltreffende verwezenlijking van voorwerp en doel van het Verdrag, en mits dergelijke overeenkomsten voorts niet de toepassing van de grondbeginselen die erin zijn neergelegd, aantasten en de bepalingen van dergelijke overeenkomsten noch het genot van de aan de andere Staten die Partij zijn, op grond van dit Verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun plichten op grond van dit Verdrag aantasten.
4. De Staten die Partij zijn die het voornemen hebben een overeenkomst bedoeld in het derde lid te sluiten, stellen de andere Staten die Partij zijn door tussenkomst van de depositaris van dit Verdrag in kennis van hun voornemen de overeenkomst te sluiten, en van de wijzigingen of schorsingen waarin deze voorziet.
5. Dit artikel tast niet de internationale overeenkomsten aan, die uitdrukkelijk zijn toegestaan of in stand worden gehouden door andere artikelen van dit Verdrag.
6. De Staten die Partij zijn komen overeen dat geen wijzigingen worden aangebracht op het grondbeginsel betreffende het gemeenschappelijke erfdeel van de mensheid, genoemd in artikel 136, en dat zij geen partij zullen zijn bij een overeenkomst die daaraan afbreuk doet.
Art. 311. Relation avec d'autres conventions et accords internationaux.
1. La Convention l'emporte, entre les Etats Parties, sur les Conventions de Genève du 29 avril 1958 sur le droit de la mer.
2. La Convention ne modifie en rien les droits et obligations des Etats Parties qui découlent d'autres traités compatibles avec elle, et qui ne portent atteinte ni à la jouissance par les autres Etats Parties des droits qu'ils tiennent de la Convention, ni à l'exécution de leurs obligations découlant de celle-ci.
3. Deux ou plus de deux Etats Parties peuvent conclure des accords qui modifient ou suspendent l'application des dispositions de la Convention et qui s'appliquent uniquement à leurs relations mutuelles, à condition que ces accords ne portent pas sur une des dispositions de la Convention dont le non-respect serait incompatible avec la réalisation de son objet et de son but, et à condition également que ces accords n'affectent pas l'application des principes fondamentaux énonces dans la Convention et ne portent atteinte ni à la jouissance par les autres Etats Parties des droits qu'ils tiennent de la Convention, ni à l'exécution de leurs obligations découlant de celle-ci.
4. Les Etats Parties qui se proposent de conclure un accord visé au paragraphe 3 notifient aux autres Parties, par l'entremise du dépositaire de la Convention, leur intention de conclure l'accord ainsi que les modifications ou la suspension de l'application des dispositions de la Convention qu'il prévoirait.
5. Le présent article ne porte pas atteinte aux accords internationaux expressément autorisés ou maintenus par d'autres articles de la Convention.
6. Les Etats Parties conviennent qu'aucune modification ne peut être apportée au principe fondamental concernant le patrimoine commun de l'humanité énoncé à l'article 136 et qu'ils ne seront parties à aucun accord dérogeant à ce principe.
1. La Convention l'emporte, entre les Etats Parties, sur les Conventions de Genève du 29 avril 1958 sur le droit de la mer.
2. La Convention ne modifie en rien les droits et obligations des Etats Parties qui découlent d'autres traités compatibles avec elle, et qui ne portent atteinte ni à la jouissance par les autres Etats Parties des droits qu'ils tiennent de la Convention, ni à l'exécution de leurs obligations découlant de celle-ci.
3. Deux ou plus de deux Etats Parties peuvent conclure des accords qui modifient ou suspendent l'application des dispositions de la Convention et qui s'appliquent uniquement à leurs relations mutuelles, à condition que ces accords ne portent pas sur une des dispositions de la Convention dont le non-respect serait incompatible avec la réalisation de son objet et de son but, et à condition également que ces accords n'affectent pas l'application des principes fondamentaux énonces dans la Convention et ne portent atteinte ni à la jouissance par les autres Etats Parties des droits qu'ils tiennent de la Convention, ni à l'exécution de leurs obligations découlant de celle-ci.
4. Les Etats Parties qui se proposent de conclure un accord visé au paragraphe 3 notifient aux autres Parties, par l'entremise du dépositaire de la Convention, leur intention de conclure l'accord ainsi que les modifications ou la suspension de l'application des dispositions de la Convention qu'il prévoirait.
5. Le présent article ne porte pas atteinte aux accords internationaux expressément autorisés ou maintenus par d'autres articles de la Convention.
6. Les Etats Parties conviennent qu'aucune modification ne peut être apportée au principe fondamental concernant le patrimoine commun de l'humanité énoncé à l'article 136 et qu'ils ne seront parties à aucun accord dérogeant à ce principe.
Art. 312. Wijziging.
1. Na afloop van een periode van 10 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag kan een Staat die Partij is door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, specifieke wijzigingen op dit Verdrag voorstellen, die niet betrekking hebben op de werkzaamheden in het Gebied, en verzoeken om de bijeenroeping van een conferentie, die de voorgestelde wijzigingen moet bespreken. De Secretaris-Generaal brengt een dergelijke kennisgeving over aan alle Staten die Partij zijn. Hij roept de conferentie bijeen indien binnen 12 maanden vanaf de datum van toezending van de kennisgeving ten minste de helft van de Staten die Partij zijn in positieve zin antwoordt op het verzoek.
2. De besluitvormingsprocedure die van toepassing is op de conferentie tot wijziging, is dezelfde als die welke van toepassing is op de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, tenzij de conferenties anders besluit. De conferentie behoort alles in het werk te stellen om overeenstemming over de wijzigingen te bereiken door middel van consensus, en er behoort niet over te worden gestemd totdat alle pogingen om tot consensus te komen op niets zijn uitgelopen.
1. Na afloop van een periode van 10 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag kan een Staat die Partij is door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, specifieke wijzigingen op dit Verdrag voorstellen, die niet betrekking hebben op de werkzaamheden in het Gebied, en verzoeken om de bijeenroeping van een conferentie, die de voorgestelde wijzigingen moet bespreken. De Secretaris-Generaal brengt een dergelijke kennisgeving over aan alle Staten die Partij zijn. Hij roept de conferentie bijeen indien binnen 12 maanden vanaf de datum van toezending van de kennisgeving ten minste de helft van de Staten die Partij zijn in positieve zin antwoordt op het verzoek.
2. De besluitvormingsprocedure die van toepassing is op de conferentie tot wijziging, is dezelfde als die welke van toepassing is op de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, tenzij de conferenties anders besluit. De conferentie behoort alles in het werk te stellen om overeenstemming over de wijzigingen te bereiken door middel van consensus, en er behoort niet over te worden gestemd totdat alle pogingen om tot consensus te komen op niets zijn uitgelopen.
Art. 312. Amendement.
1. A l'expiration d'une période de 10 ans à compter de la date d'entrée en vigueur de la Convention, tout Etat Partie peut proposer, par voie de communication écrite adressée au Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies, des amendements à la Convention sur des points précis, pour autant qu'ils ne portent pas sur les activités menées dans la zone, et demander la convocation d'une conférence chargée d'examiner les amendements ainsi proposés. Le Secrétaire général transmet cette communication à tous les Etats Parties. Il convoque la conférence si, dans les 12 mois qui suivent la date de transmission de la communication, la moitié au moins des Etats Parties répondent favorablement à cette demande.
2. A moins qu'elle n'en décide autrement, la conférence d'amendement applique la procédure de prise de décisions suivie par la troisième Conférence des Nations Unies sur le droit de la mer. Elle ne devrait ménager aucun effort pour aboutir à un accord sur les amendements par voie de consensus et il ne devrait pas y avoir de vote sur ces amendements tant que tous les efforts en vue d'aboutir à un consensus n'auront pas été épuisés.
1. A l'expiration d'une période de 10 ans à compter de la date d'entrée en vigueur de la Convention, tout Etat Partie peut proposer, par voie de communication écrite adressée au Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies, des amendements à la Convention sur des points précis, pour autant qu'ils ne portent pas sur les activités menées dans la zone, et demander la convocation d'une conférence chargée d'examiner les amendements ainsi proposés. Le Secrétaire général transmet cette communication à tous les Etats Parties. Il convoque la conférence si, dans les 12 mois qui suivent la date de transmission de la communication, la moitié au moins des Etats Parties répondent favorablement à cette demande.
2. A moins qu'elle n'en décide autrement, la conférence d'amendement applique la procédure de prise de décisions suivie par la troisième Conférence des Nations Unies sur le droit de la mer. Elle ne devrait ménager aucun effort pour aboutir à un accord sur les amendements par voie de consensus et il ne devrait pas y avoir de vote sur ces amendements tant que tous les efforts en vue d'aboutir à un consensus n'auront pas été épuisés.
Art. 313. Wijziging door middel van een vereenvoudigde procedure.
1. Een Staat die Partij is kan door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, een wijziging op dit Verdrag voorstellen die niet betrekking heeft op de werkzaamheden in het Gebied, en die door middel van de in dit artikel opgenomen vereenvoudigde procedure wordt aangenomen zonder de bijeenroeping van een conferentie. De Secretaris-Generaal brengt de kennisgeving over aan alle Staten die Partij zijn.
2. Indien binnen 12 maanden vanaf de datum van toezending van de kennisgeving een Staat die Partij is bezwaar maakt tegen de voorgestelde wijziging of tegen het voorstel tot aanneming ervan door middel van de vereenvoudigde procedure, wordt de voorgestelde wijziging geacht te zijn verworpen. De Secretaris-Generaal brengt dit onmiddellijk ter kennis van alle Staten die Partij zijn.
3. Indien binnen 12 maanden vanaf de datum van toezending van de kennisgeving geen Staat die Partij is bezwaar heeft gemaakt tegen de voorgestelde wijziging of tegen het voorstel tot aanneming ervan door middel van de vereenvoudigde procedure, wordt de voorgestelde wijziging geacht te zijn aangenomen. De Secretaris-Generaal brengt het feit dat de voorgestelde wijziging is aangenomen ter kennis van alle Staten die Partij zijn.
1. Een Staat die Partij is kan door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, een wijziging op dit Verdrag voorstellen die niet betrekking heeft op de werkzaamheden in het Gebied, en die door middel van de in dit artikel opgenomen vereenvoudigde procedure wordt aangenomen zonder de bijeenroeping van een conferentie. De Secretaris-Generaal brengt de kennisgeving over aan alle Staten die Partij zijn.
2. Indien binnen 12 maanden vanaf de datum van toezending van de kennisgeving een Staat die Partij is bezwaar maakt tegen de voorgestelde wijziging of tegen het voorstel tot aanneming ervan door middel van de vereenvoudigde procedure, wordt de voorgestelde wijziging geacht te zijn verworpen. De Secretaris-Generaal brengt dit onmiddellijk ter kennis van alle Staten die Partij zijn.
3. Indien binnen 12 maanden vanaf de datum van toezending van de kennisgeving geen Staat die Partij is bezwaar heeft gemaakt tegen de voorgestelde wijziging of tegen het voorstel tot aanneming ervan door middel van de vereenvoudigde procedure, wordt de voorgestelde wijziging geacht te zijn aangenomen. De Secretaris-Generaal brengt het feit dat de voorgestelde wijziging is aangenomen ter kennis van alle Staten die Partij zijn.
Art. 313. Amendement par procédure simplifiée.
1. Tout Etat Partie peut proposer, par voie de communication écrite adressée au Secretaire général de l'Organisation des Nations Unies, un amendement à la Convention, autre qu'un amendement portant sur les activités menées dans la Zone, et demander qu'il soit adopté selon la procédure simplifiée prévue au présent article, sans convocation d'une conference. Le Secrétaire général transmet la communication à tous les Etats Parties.
2. Si, dans les 12 mois qui suivent la date de transmission de la communication, un Etat Partie fait une objection à l'amendement proposé ou à la proposition tendant à le faire adopter selon la procédure simplifiée, l'amendement proposé est considéré comme rejeté. Le Secrétaire général en adresse notification à tous les Etats Parties.
3. Si, 12 mois après la date de transmission de la communication, aucun Etat Partie n'a fait d'objection à l'amendement proposé ou à la proposition tendant à le faire adopter selon la procédure simplifiée, l'amendement proposé est considéré comme adopté. Le Secrétaire général en adresse notification à tous les Etats Parties.
1. Tout Etat Partie peut proposer, par voie de communication écrite adressée au Secretaire général de l'Organisation des Nations Unies, un amendement à la Convention, autre qu'un amendement portant sur les activités menées dans la Zone, et demander qu'il soit adopté selon la procédure simplifiée prévue au présent article, sans convocation d'une conference. Le Secrétaire général transmet la communication à tous les Etats Parties.
2. Si, dans les 12 mois qui suivent la date de transmission de la communication, un Etat Partie fait une objection à l'amendement proposé ou à la proposition tendant à le faire adopter selon la procédure simplifiée, l'amendement proposé est considéré comme rejeté. Le Secrétaire général en adresse notification à tous les Etats Parties.
3. Si, 12 mois après la date de transmission de la communication, aucun Etat Partie n'a fait d'objection à l'amendement proposé ou à la proposition tendant à le faire adopter selon la procédure simplifiée, l'amendement proposé est considéré comme adopté. Le Secrétaire général en adresse notification à tous les Etats Parties.
Art. 314. Wijzigingen van de bepalingen van dit Verdrag, uitsluitend betrekking hebbende op de werkzaamheden in het Gebied.
1. Een Staat die Partij is kan door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Autoriteit, een wijziging voorstellen van de bepalingen van dit Verdrag, uitsluitend betrekking hebbende op de werkzaamheden in het Gebied, met inbegrip van Bijlage VI, afdeling 4. De Secretaris-Generaal brengt een dergelijke kennisgeving over aan alle Staten die Partij zijn. De voorgestelde wijziging behoeft de goedkeuring van de Vergadering, nadat de Raad deze heeft goedgekeurd. De vertegenwoordigers van de Staten die Partij zijn in deze organen dienen te zijn gemachtigd de voorgestelde wijziging te bestuderen en goed te keuren. De voorgestelde wijziging, zoals goedgekeurd door de Raad en de Vergadering, wordt geacht te zijn aangenomen.
2. Voordat de Raad en de Vergadering een wijziging overeenkomstig het eerste lid goedkeuren, vergewissen zij zich ervan, dat deze geen inbreuk maakt op het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied, in afwachting van de bijeenroeping van de Herzieningsconferentie overeenkomstig artikel 155.
1. Een Staat die Partij is kan door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Autoriteit, een wijziging voorstellen van de bepalingen van dit Verdrag, uitsluitend betrekking hebbende op de werkzaamheden in het Gebied, met inbegrip van Bijlage VI, afdeling 4. De Secretaris-Generaal brengt een dergelijke kennisgeving over aan alle Staten die Partij zijn. De voorgestelde wijziging behoeft de goedkeuring van de Vergadering, nadat de Raad deze heeft goedgekeurd. De vertegenwoordigers van de Staten die Partij zijn in deze organen dienen te zijn gemachtigd de voorgestelde wijziging te bestuderen en goed te keuren. De voorgestelde wijziging, zoals goedgekeurd door de Raad en de Vergadering, wordt geacht te zijn aangenomen.
2. Voordat de Raad en de Vergadering een wijziging overeenkomstig het eerste lid goedkeuren, vergewissen zij zich ervan, dat deze geen inbreuk maakt op het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied, in afwachting van de bijeenroeping van de Herzieningsconferentie overeenkomstig artikel 155.
Art. 314. Amendements aux dispositions de la Convention portant exclusivement sur les activités menées dans la Zone.
1. Tout Etat Partie peut présenter, par voie de communication écrite adressée au Secrétaire général de l'Autorité, une proposition d'amendement aux dispositions de la Convention portant exclusivement sur les activités menées dans la Zone, y compris les dispositions de la section 4 de l'annexe VI. Le Secrétaire général transmet cette communication à tous les Etats Parties. Une fois approuvé par le Conseil, l'amendement proposé doit être approuvé par l'Assemblée. Les représentants des Etats Parties sont munis des pleins pouvoirs pour examiner et approuver l'amendement proposé. La proposition d'amendement, telle qu'elle a été approuvée par le Conseil et l'Assemblée, est considérée comme adoptée.
2. Avant d'approuver un amendement conformément au paragraphe 1, le Conseil et l'Assemblée s'assurent qu'il ne porte pas atteinte au système d'exploration et d'exploitation des ressources de la Zone, en attendant la convocation de la Conférence de révision conformément à l'article 155.
1. Tout Etat Partie peut présenter, par voie de communication écrite adressée au Secrétaire général de l'Autorité, une proposition d'amendement aux dispositions de la Convention portant exclusivement sur les activités menées dans la Zone, y compris les dispositions de la section 4 de l'annexe VI. Le Secrétaire général transmet cette communication à tous les Etats Parties. Une fois approuvé par le Conseil, l'amendement proposé doit être approuvé par l'Assemblée. Les représentants des Etats Parties sont munis des pleins pouvoirs pour examiner et approuver l'amendement proposé. La proposition d'amendement, telle qu'elle a été approuvée par le Conseil et l'Assemblée, est considérée comme adoptée.
2. Avant d'approuver un amendement conformément au paragraphe 1, le Conseil et l'Assemblée s'assurent qu'il ne porte pas atteinte au système d'exploration et d'exploitation des ressources de la Zone, en attendant la convocation de la Conférence de révision conformément à l'article 155.
Art. 315. Ondertekening en bekrachtiging van, toetreding tot en authentieke teksten van wijzigingen.
1. Na de aanneming ervan staan de wijzigingen van dit Verdrag gedurende 12 maanden vanaf de datum van aanneming open voor ondertekening door de Staten die Partij zijn op de zetel van de Verenigde Naties te New York, tenzij in de wijzigingen anders wordt bepaald.
2. De artikelen 306, 307 en 320 zijn van toepassing op alle wijzigingen van dit Verdrag.
1. Na de aanneming ervan staan de wijzigingen van dit Verdrag gedurende 12 maanden vanaf de datum van aanneming open voor ondertekening door de Staten die Partij zijn op de zetel van de Verenigde Naties te New York, tenzij in de wijzigingen anders wordt bepaald.
2. De artikelen 306, 307 en 320 zijn van toepassing op alle wijzigingen van dit Verdrag.
Art. 315. Amendements : signature, ratification, adhésion et textes faisant foi.
1. Les amendements à la Convention, une fois adoptés, sont ouverts à la signature des Etats Parties au Siège de l'Organisation des Nations Unies à New York, pendant une période de 12 mois à compter de la date de leur adoption, à moins que ces amendements n'en disposent autrement.
2. Les articles 306, 307 et 320 s'appliquent à tous les amendements à la Convention.
1. Les amendements à la Convention, une fois adoptés, sont ouverts à la signature des Etats Parties au Siège de l'Organisation des Nations Unies à New York, pendant une période de 12 mois à compter de la date de leur adoption, à moins que ces amendements n'en disposent autrement.
2. Les articles 306, 307 et 320 s'appliquent à tous les amendements à la Convention.
Art. 316. Inwerkingtreding van de wijzigingen.
1. De wijzigingen van dit Verdrag, niet zijnde die waarnaar wordt verwezen in het vijfde lid, treden in werking voor de Staten die Partij zijn die deze bekrachtigen of ertoe toetreden, op de dertigste dag na de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding door twee derde van de Staten die Partij zijn of door 60 Staten die Partij zijn, welke van de twee het grootste aantal is. Dergelijke wijzigingen tasten noch het genot van de aan de andere Staten die Partij zijn op grond van dit Verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun plichten op grond van dit Verdrag aan.
2. Een wijziging kan bepalen dat een groter aantal bekrachtigingen of toetredingen is vereist voor de inwerkingtreding ervan dan door dit artikel wordt vereist.
3. Voor elke Staat die Partij is die een wijziging, bedoeld in het eerste lid, bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van het vereiste aantal akten van bekrachtiging of toetreding, treedt de wijziging in werking op de dertigste dag na de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.
4. Een staat die partij wordt bij dit Verdrag na de inwerkingtreding van een wijziging overeenkomstig het eerste lid wordt, indien hij geen andere bedoeling heeft kenbaar gemaakt, beschouwd als :
a) partij bij dit Verdrag zoals het gewijzigd is; en
b) partij het het niet-gewijzigde Verdrag met betrekking tot iedere Staat die Partij is die niet is gebonden door de wijziging.
5. De wijzigingen die uitsluitend betrekking hebben op de werkzaamheden in het Gebied en de wijzigingen van Bijlage VI treden voor alle Staten die Partij zijn in werking een jaar na de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding door drie vierde van de Partijen.
6. Een Staat die Partij wordt bij dit Verdrag na de inwerkingtreding van wijzigingen overeenkomstig het vijfde lid wordt beschouwd als Partij bij dit Verdrag zoals gewijzigd.
1. De wijzigingen van dit Verdrag, niet zijnde die waarnaar wordt verwezen in het vijfde lid, treden in werking voor de Staten die Partij zijn die deze bekrachtigen of ertoe toetreden, op de dertigste dag na de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding door twee derde van de Staten die Partij zijn of door 60 Staten die Partij zijn, welke van de twee het grootste aantal is. Dergelijke wijzigingen tasten noch het genot van de aan de andere Staten die Partij zijn op grond van dit Verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun plichten op grond van dit Verdrag aan.
2. Een wijziging kan bepalen dat een groter aantal bekrachtigingen of toetredingen is vereist voor de inwerkingtreding ervan dan door dit artikel wordt vereist.
3. Voor elke Staat die Partij is die een wijziging, bedoeld in het eerste lid, bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van het vereiste aantal akten van bekrachtiging of toetreding, treedt de wijziging in werking op de dertigste dag na de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.
4. Een staat die partij wordt bij dit Verdrag na de inwerkingtreding van een wijziging overeenkomstig het eerste lid wordt, indien hij geen andere bedoeling heeft kenbaar gemaakt, beschouwd als :
a) partij bij dit Verdrag zoals het gewijzigd is; en
b) partij het het niet-gewijzigde Verdrag met betrekking tot iedere Staat die Partij is die niet is gebonden door de wijziging.
5. De wijzigingen die uitsluitend betrekking hebben op de werkzaamheden in het Gebied en de wijzigingen van Bijlage VI treden voor alle Staten die Partij zijn in werking een jaar na de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding door drie vierde van de Partijen.
6. Een Staat die Partij wordt bij dit Verdrag na de inwerkingtreding van wijzigingen overeenkomstig het vijfde lid wordt beschouwd als Partij bij dit Verdrag zoals gewijzigd.
Art. 316. Entrée en vigueur des amendements.
1. Pour les Etats Parties qui les ont ratifiés ou y ont adhéré, les amendements à la Convention, autres que ceux qui sont visés au paragraphe 5, entrent en vigueur le trentième jour qui suit la date de dépôt des instruments de ratification ou d'adhésion des deux tiers des Etats Parties ou de 60 Etats Parties, le plus élevé de ces deux nombres étant retenu. Les amendements ne portent atteinte ni à la jouissance par les autres Etats Parties des droits qu'ils tiennent de la Convention, ni à l'exécution de leurs obligations découlant de celle-ci.
2. Un amendement peut prévoir que son entrée en vigueur requiert un nombre de ratifications ou d'adhésions plus élevé que celui exigé par le présent article.
3. Pour chaque Etat Partie qui a ratifié un amendement visé au paragraphe 1 ou y a adhéré après la date de dépôt du nombre requis d'instruments de ratification ou d'adhésion, cet amendement entre en vigueur le trentième jour qui suit la date de dépôt par l'Etat Partie de son instrument de ratification ou d'adhésion.
4. Tout Etat qui devient Partie à la Convention après l'entrée en vigueur d'un amendement conformément au paragraphe 1 est, faute d'avoir exprimé une intention différente, considéré comme étant :
a) Partie à la Convention telle qu'elle est amendée; et
b) Partie à la Convention non amendée au regard de tout Etat Partie qui n'est pas lié par cet amendement.
5. Les amendement portant exclusivement sur les activités menées dans la Zone et les amendements a l'annexe VI entrent en vigueur pour tous les Etats Parties un an après la date de dépôt des instruments de ratification ou d'adhésion des trois quarts des Etats Parties.
6. Tout Etat qui devient Partie à la Convention après l'entrée en vigueur d'amendements visés au paragraphe 5 est considéré comme étant Partie à la Convention telle qu'elle est amendée.
1. Pour les Etats Parties qui les ont ratifiés ou y ont adhéré, les amendements à la Convention, autres que ceux qui sont visés au paragraphe 5, entrent en vigueur le trentième jour qui suit la date de dépôt des instruments de ratification ou d'adhésion des deux tiers des Etats Parties ou de 60 Etats Parties, le plus élevé de ces deux nombres étant retenu. Les amendements ne portent atteinte ni à la jouissance par les autres Etats Parties des droits qu'ils tiennent de la Convention, ni à l'exécution de leurs obligations découlant de celle-ci.
2. Un amendement peut prévoir que son entrée en vigueur requiert un nombre de ratifications ou d'adhésions plus élevé que celui exigé par le présent article.
3. Pour chaque Etat Partie qui a ratifié un amendement visé au paragraphe 1 ou y a adhéré après la date de dépôt du nombre requis d'instruments de ratification ou d'adhésion, cet amendement entre en vigueur le trentième jour qui suit la date de dépôt par l'Etat Partie de son instrument de ratification ou d'adhésion.
4. Tout Etat qui devient Partie à la Convention après l'entrée en vigueur d'un amendement conformément au paragraphe 1 est, faute d'avoir exprimé une intention différente, considéré comme étant :
a) Partie à la Convention telle qu'elle est amendée; et
b) Partie à la Convention non amendée au regard de tout Etat Partie qui n'est pas lié par cet amendement.
5. Les amendement portant exclusivement sur les activités menées dans la Zone et les amendements a l'annexe VI entrent en vigueur pour tous les Etats Parties un an après la date de dépôt des instruments de ratification ou d'adhésion des trois quarts des Etats Parties.
6. Tout Etat qui devient Partie à la Convention après l'entrée en vigueur d'amendements visés au paragraphe 5 est considéré comme étant Partie à la Convention telle qu'elle est amendée.
Art. 317. Opzegging.
1. Een Staat die Partij is kan door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, dit Verdrag opzeggen en daarbij de redenen aangeven. Het niet aangeven van redenen tast de geldigheid van de opzegging niet aan. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving, tenzij hierin een latere datum wordt aangegeven.
2. De opzegging ontheft noch een Staat van de financiële en contractuele verplichtingen, ontstaan terwijl deze Partij was bij dit Verdrag, noch tast de opzegging enig recht, enige plicht of juridische toestand aan die voor die Staat voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van dit Verdrag vóór de buitenwerkingtreding ervan voor die Staat.
3. De opzegging tast in generlei wijze de plicht van iedere Staat die Partij is aan elke in dit Verdrag neergelegde verplichting na te komen, waaraan deze krachtens het internationale recht zou zijn onderworpen onafhankelijk van dit Verdrag.
1. Een Staat die Partij is kan door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, dit Verdrag opzeggen en daarbij de redenen aangeven. Het niet aangeven van redenen tast de geldigheid van de opzegging niet aan. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving, tenzij hierin een latere datum wordt aangegeven.
2. De opzegging ontheft noch een Staat van de financiële en contractuele verplichtingen, ontstaan terwijl deze Partij was bij dit Verdrag, noch tast de opzegging enig recht, enige plicht of juridische toestand aan die voor die Staat voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van dit Verdrag vóór de buitenwerkingtreding ervan voor die Staat.
3. De opzegging tast in generlei wijze de plicht van iedere Staat die Partij is aan elke in dit Verdrag neergelegde verplichting na te komen, waaraan deze krachtens het internationale recht zou zijn onderworpen onafhankelijk van dit Verdrag.
Art. 317. Dénonciation.
1. Un Etat Partie peut dénoncer la Convention, par voie de notification écrite adressée au Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies, et indiquer les motifs de la dénonciation. Le fait de ne pas indiquer de motifs n'affecte pas la validité de la dénonciation. Celle-ci prend effet un an après la date de réception de la notification, à moins qu'elle ne prévoit une date ultérieure.
2. La dénonciation ne dégage pas un Etat des obligations financières et contractuelles encourues par lui alors qu'il était Partie à la Convention, et la dénonciation n'affecte pas non plus les droits, obligations ou situations juridiques découlant pour cet Etat de l'application de la Convention avant que celle-ci ne cesse d'être en vigueur à son égard.
3. La dénonciation n'affecte en rien le devoir de tout Etat Partie de remplir toute obligation enoncée dans la Convention à laquelle il serait soumis en vertu du droit international indépendamment de celle-ci.
1. Un Etat Partie peut dénoncer la Convention, par voie de notification écrite adressée au Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies, et indiquer les motifs de la dénonciation. Le fait de ne pas indiquer de motifs n'affecte pas la validité de la dénonciation. Celle-ci prend effet un an après la date de réception de la notification, à moins qu'elle ne prévoit une date ultérieure.
2. La dénonciation ne dégage pas un Etat des obligations financières et contractuelles encourues par lui alors qu'il était Partie à la Convention, et la dénonciation n'affecte pas non plus les droits, obligations ou situations juridiques découlant pour cet Etat de l'application de la Convention avant que celle-ci ne cesse d'être en vigueur à son égard.
3. La dénonciation n'affecte en rien le devoir de tout Etat Partie de remplir toute obligation enoncée dans la Convention à laquelle il serait soumis en vertu du droit international indépendamment de celle-ci.
Art. 318. Status van de Bijlagen.
De Bijlagen maken een integrerend deel uit van dit Verdrag en een verwijzing naar dit Verdrag of naar een van de Delen ervan houdt een verwijzing in naar desbetreffende Bijlagen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
De Bijlagen maken een integrerend deel uit van dit Verdrag en een verwijzing naar dit Verdrag of naar een van de Delen ervan houdt een verwijzing in naar desbetreffende Bijlagen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
Art. 318. Statut des annexes.
Les annexes font partie intégrante de la Convention et, sauf disposition contraire expresse, une référence à la Convention renvoie également à ses annexes, et une référence à une partie de la Convention renvoie aussi aux annexes qui s'y rapportent.
Les annexes font partie intégrante de la Convention et, sauf disposition contraire expresse, une référence à la Convention renvoie également à ses annexes, et une référence à une partie de la Convention renvoie aussi aux annexes qui s'y rapportent.
Art. 319. Depositaris.
1. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is de depositaris van dit Verdrag en van de wijzigingen ervan.
2. In aanvulling op zijn functies als depositaris dient de Secretaris-Generaal :
a) aan alle Staten die Partij zijn, de Autoriteit en de bevoegde internationale organisaties rapport uit te brengen over de problemen van algemene aard die met betrekking tot dit Verdrag zijn gerezen;
b) aan de Autoriteit kennis te geven van de bekrachtigingen en formele bevestigingen van dit Verdrag, de toetredingen ertoe en de wijzigingen ervan, alsmede van de opzeggingen van dit Verdrag;
c) aan de Staten die Partij zijn kennis te geven van de overeenkomsten, gesloten overeenkomstig artikel 311, vierde lid;
d) wijzigingen die overeenkomstig dit Verdrag zijn aangenomen, over te brengen aan de Staten die Partij zijn ter bekrachtiging of om ertoe toe te treden;
e) de noodzakelijke bijeenkomsten van de Staten die Partij zijn bijeen te roepen overeenkomstig dit Verdrag.
3. a) De Secretaris-Generaal brengt eveneens over aan de waarnemers, genoemd in artikel 156 :
(i) de rapporten, bedoeld in het tweede lid, letter a;
(ii) de kennisgevingen, bedoeld in het tweede lid, letters b en c; en
(iii) de teksten van wijzigingen, bedoeld in het tweede lid, letter d, te hunner informatie.
b) De Secretaris-Generaal nodigt eveneens die waarnemers uit om in de hoedanigheid van waarnemers deel te nemen aan de bijeenkomsten van de Staten die Partij zijn, bedoeld in het tweede lid, letter e.
1. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is de depositaris van dit Verdrag en van de wijzigingen ervan.
2. In aanvulling op zijn functies als depositaris dient de Secretaris-Generaal :
a) aan alle Staten die Partij zijn, de Autoriteit en de bevoegde internationale organisaties rapport uit te brengen over de problemen van algemene aard die met betrekking tot dit Verdrag zijn gerezen;
b) aan de Autoriteit kennis te geven van de bekrachtigingen en formele bevestigingen van dit Verdrag, de toetredingen ertoe en de wijzigingen ervan, alsmede van de opzeggingen van dit Verdrag;
c) aan de Staten die Partij zijn kennis te geven van de overeenkomsten, gesloten overeenkomstig artikel 311, vierde lid;
d) wijzigingen die overeenkomstig dit Verdrag zijn aangenomen, over te brengen aan de Staten die Partij zijn ter bekrachtiging of om ertoe toe te treden;
e) de noodzakelijke bijeenkomsten van de Staten die Partij zijn bijeen te roepen overeenkomstig dit Verdrag.
3. a) De Secretaris-Generaal brengt eveneens over aan de waarnemers, genoemd in artikel 156 :
(i) de rapporten, bedoeld in het tweede lid, letter a;
(ii) de kennisgevingen, bedoeld in het tweede lid, letters b en c; en
(iii) de teksten van wijzigingen, bedoeld in het tweede lid, letter d, te hunner informatie.
b) De Secretaris-Generaal nodigt eveneens die waarnemers uit om in de hoedanigheid van waarnemers deel te nemen aan de bijeenkomsten van de Staten die Partij zijn, bedoeld in het tweede lid, letter e.
Art. 319. Dépositaire.
1. Le Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies est le dépositaire de la Convention et des amendements qui s'y rapportent.
2. Outre ses fonctions de dépositaire, le Secrétaire général :
a) fait rapport à tous les Etats Parties, à l'Autorité et aux organisations internationales compétentes sur les questions de caractère général qui ont surgi à propos de la Convention;
b) notifie à l'Autorité les ratifications, confirmations formelles et adhésions dont la Convention et les amendements qui s'y rapportent font l'objet, ainsi que les dénonciations de la Convention;
c) notifie aux Etats Parties les accords conclus conformément à l'article 311, paragraphe 4;
d) transmet aux Etats Parties, pour ratification ou adhesion, les amendements adoptés conformément à la Convention;
e) convoque les réunions nécessaires des Etats Parties conformément à la Convention.
3. a) Le Secrétaire général transmet également aux observateurs visés à l'article 156 :
(i) les rapports visés au paragraphe 2, lettre a);
(ii) les notifications visées au paragraphe 2, lettres b) et c);
(iii) à titre d'information, le texte des amendements visés au paragraphe 2, lettre d).
b) Le Secretaire genéral invite également ces observateurs à participer en qualité d'observateurs aux réunions des Etats Parties visées au paragraphe 2, lettre e).
1. Le Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies est le dépositaire de la Convention et des amendements qui s'y rapportent.
2. Outre ses fonctions de dépositaire, le Secrétaire général :
a) fait rapport à tous les Etats Parties, à l'Autorité et aux organisations internationales compétentes sur les questions de caractère général qui ont surgi à propos de la Convention;
b) notifie à l'Autorité les ratifications, confirmations formelles et adhésions dont la Convention et les amendements qui s'y rapportent font l'objet, ainsi que les dénonciations de la Convention;
c) notifie aux Etats Parties les accords conclus conformément à l'article 311, paragraphe 4;
d) transmet aux Etats Parties, pour ratification ou adhesion, les amendements adoptés conformément à la Convention;
e) convoque les réunions nécessaires des Etats Parties conformément à la Convention.
3. a) Le Secrétaire général transmet également aux observateurs visés à l'article 156 :
(i) les rapports visés au paragraphe 2, lettre a);
(ii) les notifications visées au paragraphe 2, lettres b) et c);
(iii) à titre d'information, le texte des amendements visés au paragraphe 2, lettre d).
b) Le Secretaire genéral invite également ces observateurs à participer en qualité d'observateurs aux réunions des Etats Parties visées au paragraphe 2, lettre e).
Art. 320. Authentieke teksten.
Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, met inachtneming van artikel 305, tweede lid.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
Gedaan te Montego Bay, op tien december negentienhonderd tweeëntachtig.
Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, met inachtneming van artikel 305, tweede lid.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
Gedaan te Montego Bay, op tien december negentienhonderd tweeëntachtig.
Art. 320. Textes faisant foi.
L'original de la Convention, dont les textes anglais, arabe, chinois, espagnol, français et russe font également foi, est déposé, compte tenu de l'article 305, paragraphe 2, auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
En foi de quoi, les plénipotentiaires soussignes, dûment autorisés à cet effet, ont signé la Convention.
Fait à Montego Bay, le dix décembre mil neuf cent quatre-vingt-deux.
L'original de la Convention, dont les textes anglais, arabe, chinois, espagnol, français et russe font également foi, est déposé, compte tenu de l'article 305, paragraphe 2, auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
En foi de quoi, les plénipotentiaires soussignes, dûment autorisés à cet effet, ont signé la Convention.
Fait à Montego Bay, le dix décembre mil neuf cent quatre-vingt-deux.
Bijlagen.
Annexes.
Art. N1. Bijlage 1. Over grote afstanden trekkende soorten.
1. Langvintonijn : Thunnus alalunga.
2. Tonijn : Thunnus thynnus.
3. Grootoogtonijn : Thunnus obesus.
4. Skipjacktonijn : Katsuwonus pelamis.
5. Geelvintonijn : Thunnus albacares.
6. Zwartvintonijn : Thunnus atlanticus.
7. Kleine tonijn : Euthynnus alletteratus; Euthynnus affinis.
8. Pacifische tonijn : Thunnus maccoyii.
9. Fregatmakreel : Auxis thazard; Auxis rochei.
10. Pomfrets : familie Bramidae.
11. Marlijnen : Tetrapturus angustirostris; Tetrapturus belone; Tetrapturus pfluegeri; Tetrapturus albidus; Tetrapturus audax; Tetrapturus georgei; Makaira mazara; Makaira indica; Makaira nigricans.
12. Zeilvis : Istiophorus platypterus; Istiophorus albicans.
13. Zwaardvis : Xiphias gladius.
14. Sauries : Scomberesox saurus; Cololabis saira; Cololabis adocetus; Scomberesox saurus scombroides.
15. Dolfijnvis : Coryphaena hippurus; Coryphaena equiselis.
16. Oceanische haaien : Hexanchus griseus; Cetorhinus maximus; familie Alopiidae; Rhincodon typus; familie Carcharhinidae; familie Sphyrnidae; familie Isuridae.
17. Walvisachtigen : familie Physeteridae; familie Balaenopteridae; familie Balaenidae; familie Eschrichtiidae; familie Monodontidae; familie Ziphiidae; familie Delphinidae.
1. Langvintonijn : Thunnus alalunga.
2. Tonijn : Thunnus thynnus.
3. Grootoogtonijn : Thunnus obesus.
4. Skipjacktonijn : Katsuwonus pelamis.
5. Geelvintonijn : Thunnus albacares.
6. Zwartvintonijn : Thunnus atlanticus.
7. Kleine tonijn : Euthynnus alletteratus; Euthynnus affinis.
8. Pacifische tonijn : Thunnus maccoyii.
9. Fregatmakreel : Auxis thazard; Auxis rochei.
10. Pomfrets : familie Bramidae.
11. Marlijnen : Tetrapturus angustirostris; Tetrapturus belone; Tetrapturus pfluegeri; Tetrapturus albidus; Tetrapturus audax; Tetrapturus georgei; Makaira mazara; Makaira indica; Makaira nigricans.
12. Zeilvis : Istiophorus platypterus; Istiophorus albicans.
13. Zwaardvis : Xiphias gladius.
14. Sauries : Scomberesox saurus; Cololabis saira; Cololabis adocetus; Scomberesox saurus scombroides.
15. Dolfijnvis : Coryphaena hippurus; Coryphaena equiselis.
16. Oceanische haaien : Hexanchus griseus; Cetorhinus maximus; familie Alopiidae; Rhincodon typus; familie Carcharhinidae; familie Sphyrnidae; familie Isuridae.
17. Walvisachtigen : familie Physeteridae; familie Balaenopteridae; familie Balaenidae; familie Eschrichtiidae; familie Monodontidae; familie Ziphiidae; familie Delphinidae.
Art. N1. Annexe 1. Grands migrateurs.
1. Thon blanc germon : Thunnus alalunga).
2. Thon rouge : Thunnus thynnus.
3. Thon obèse a gros oeil : Thunnus obesus.
4. Bonite à ventre rayé : Katsuwonus pelamis.
5. Thon à nageoire jaune : Thunnus albacares.
6. Thon noir : Thunnus atlanticus.
7. Thonine : Euthynnus alletteratus; Euthynnus affinis.
8. Thon à nageoire bleue : Thunnus maccoyii.
9. Auxide : Auxis thazard; Auxis rochei.
10. Brème de mer : Bramidae.
11. Martin : Tetrapturus angustirostris; Tetrapturus belone; Tetrapturus pfluegeri; Tetrapturus albidus; Tetrapturus audax; Tetrapturus georgei; Makaira mazara; Makaira indica; Makaira nigricans.
12. Voilier : Istiophorus platypterus; Istiophorus albicans.
13. Espadon : Xiphias gladius.
14. Sauri ou balaou : Scomberesox saurus, Cololabis saira; Cololabis adocetus; Scomberesox saurus scombroides.
15. Coryphène ou dorade tropicale : Coryphaena hippurus; Coryphaena equiselis.
16. Requin : Hexanchus griseus; Cetorhinus maximus; Alopiidae; Rhincodon typus; Carchahinidae; Sphyrnidae; Isuridae.
17. Cétacés (baleines et marsouins) : Physeteridae; Belaenopteridae; Balaenidae; Eschrichtiidae; Monodontidae; Ziphiidae; Delphinidae.
1. Thon blanc germon : Thunnus alalunga).
2. Thon rouge : Thunnus thynnus.
3. Thon obèse a gros oeil : Thunnus obesus.
4. Bonite à ventre rayé : Katsuwonus pelamis.
5. Thon à nageoire jaune : Thunnus albacares.
6. Thon noir : Thunnus atlanticus.
7. Thonine : Euthynnus alletteratus; Euthynnus affinis.
8. Thon à nageoire bleue : Thunnus maccoyii.
9. Auxide : Auxis thazard; Auxis rochei.
10. Brème de mer : Bramidae.
11. Martin : Tetrapturus angustirostris; Tetrapturus belone; Tetrapturus pfluegeri; Tetrapturus albidus; Tetrapturus audax; Tetrapturus georgei; Makaira mazara; Makaira indica; Makaira nigricans.
12. Voilier : Istiophorus platypterus; Istiophorus albicans.
13. Espadon : Xiphias gladius.
14. Sauri ou balaou : Scomberesox saurus, Cololabis saira; Cololabis adocetus; Scomberesox saurus scombroides.
15. Coryphène ou dorade tropicale : Coryphaena hippurus; Coryphaena equiselis.
16. Requin : Hexanchus griseus; Cetorhinus maximus; Alopiidae; Rhincodon typus; Carchahinidae; Sphyrnidae; Isuridae.
17. Cétacés (baleines et marsouins) : Physeteridae; Belaenopteridae; Balaenidae; Eschrichtiidae; Monodontidae; Ziphiidae; Delphinidae.
Art. N2. Bijlage 2. LIJST MET DE GEBONDEN STATEN.
Art. N2. Annexe 2. LISTE DES ETATS LIES.
STATEN ONDERTEKENING OF BEKRACHTIGING, INWERKINGTREDING VER-
STATENOPVOLGING FORMELE KLA-
(S) BEVESTIGING (B), RING
TOETREDING (T), (V)
STATENOPVOLGING
(S)
AFGHANISTAN 18 maart 1983
ALGERIE 10 december 1982 11 juni 1996 11 juli 1996 V
ANGOLA 10 december 1982 5 december 1990 16 november 1994 V
ANTIGUA EN 7 februari 1983 2 februari 1989 16 november 1994
BARBUDA
ARGENTINIE 5 oktober 1984 1 december 1995 31 december 1995 V
AUSTRALIE 10 december 1982 5 october 1994 16 november 1994
BAHAMA'S 10 december 1982 29 juli 1983 16 november 1994
BAHREIN 10 december 1982 30 mei 1985 16 november 1994
BANGLADESH 10 december 1982
BARBADE 10 december 1982 12 oktober 1993 16 november 1994
BELGIE 5 december 1984 13 november 1998 13 december 1998 V
BELIZE 10 december 1982 13 augustus 1983 16 november 1994
BENIN 30 augustus 1983 16 oktober 1997 15 november 1997
BHUTAN 10 december 1982
BOLIVIE 27 november 1984 28 april 1995 28 mei 1994 V
BOSNIE- 12 januari 1994 S 16 november 1994
HERZEGO-
VINA
BOTSWANA 5 december 1984 2 mei 1990 16 november 1994
BRAZILIE 10 december 1982 22 december 1988 5 december 1996 V
BRUNEI 5 december 1984 5 november 1996 14 juni 1996
DARUSSALAM
BULGARIJE 10 december 1982 15 mei 1996
BURKINA 10 december 1982
FASO
BURUNDI 10 december 1982
CAMBODJA 1 juli 1983
CANADA 10 december 1982
CENTRAAL- 4 december 1984
AFRIKAANSE
REPUBLIEK
CHILI 10 december 1982 25 augustus 1997 24 september 1997 V
CHINA 10 december 1982 7 juni 1996 7 juli 1996 V
COLOMBIA 10 december 1982
COMOREN 6 december 1984 21 juni 1994 16 november 1994
CONGO 10 december 1982
CONGO 22 augustus 1983 17 februari 1989 16 november 1994
(Democra-
tische
Republiek)
COSTA RICA 10 december 1982 21 september 1992 16 november 1994 V
COOK- 10 december 1982 15 februari 1995 16 maart 1995
EILANDEN
CUBA 10 december 1982 15 augustus 1984 16 november 1994 V
CYPRUS 10 december 1982 12 december 1988 16 november 1994
DENEMARKEN 10 december 1982
DJIBOUTI 10 december 1982 8 oktober 1991 16 november 1994
DOMINICA 28 maart 1983 24 oktober 1991 16 november 1994
DOMINI- 10 december 1982
CAANSE
REPUBLIEK
DUITSLAND 14 oktober 1994 T 16 november 1994 V
EGYPTE 10 december 1982 26 augustus 1983 16 november 1994 V
EL SALVADOR 5 december 1984
AQUATORIAAL 30 januari 1984 21 juli 1997 20 augustus 1997
GUINEA
ETHIOPIE 10 december 1982
EUROPESE 7 december 1984 1 april 1998 B 1 mei 1998 V
GEMEEN-
SCHAPPEN
STATENOPVOLGING FORMELE KLA-
(S) BEVESTIGING (B), RING
TOETREDING (T), (V)
STATENOPVOLGING
(S)
AFGHANISTAN 18 maart 1983
ALGERIE 10 december 1982 11 juni 1996 11 juli 1996 V
ANGOLA 10 december 1982 5 december 1990 16 november 1994 V
ANTIGUA EN 7 februari 1983 2 februari 1989 16 november 1994
BARBUDA
ARGENTINIE 5 oktober 1984 1 december 1995 31 december 1995 V
AUSTRALIE 10 december 1982 5 october 1994 16 november 1994
BAHAMA'S 10 december 1982 29 juli 1983 16 november 1994
BAHREIN 10 december 1982 30 mei 1985 16 november 1994
BANGLADESH 10 december 1982
BARBADE 10 december 1982 12 oktober 1993 16 november 1994
BELGIE 5 december 1984 13 november 1998 13 december 1998 V
BELIZE 10 december 1982 13 augustus 1983 16 november 1994
BENIN 30 augustus 1983 16 oktober 1997 15 november 1997
BHUTAN 10 december 1982
BOLIVIE 27 november 1984 28 april 1995 28 mei 1994 V
BOSNIE- 12 januari 1994 S 16 november 1994
HERZEGO-
VINA
BOTSWANA 5 december 1984 2 mei 1990 16 november 1994
BRAZILIE 10 december 1982 22 december 1988 5 december 1996 V
BRUNEI 5 december 1984 5 november 1996 14 juni 1996
DARUSSALAM
BULGARIJE 10 december 1982 15 mei 1996
BURKINA 10 december 1982
FASO
BURUNDI 10 december 1982
CAMBODJA 1 juli 1983
CANADA 10 december 1982
CENTRAAL- 4 december 1984
AFRIKAANSE
REPUBLIEK
CHILI 10 december 1982 25 augustus 1997 24 september 1997 V
CHINA 10 december 1982 7 juni 1996 7 juli 1996 V
COLOMBIA 10 december 1982
COMOREN 6 december 1984 21 juni 1994 16 november 1994
CONGO 10 december 1982
CONGO 22 augustus 1983 17 februari 1989 16 november 1994
(Democra-
tische
Republiek)
COSTA RICA 10 december 1982 21 september 1992 16 november 1994 V
COOK- 10 december 1982 15 februari 1995 16 maart 1995
EILANDEN
CUBA 10 december 1982 15 augustus 1984 16 november 1994 V
CYPRUS 10 december 1982 12 december 1988 16 november 1994
DENEMARKEN 10 december 1982
DJIBOUTI 10 december 1982 8 oktober 1991 16 november 1994
DOMINICA 28 maart 1983 24 oktober 1991 16 november 1994
DOMINI- 10 december 1982
CAANSE
REPUBLIEK
DUITSLAND 14 oktober 1994 T 16 november 1994 V
EGYPTE 10 december 1982 26 augustus 1983 16 november 1994 V
EL SALVADOR 5 december 1984
AQUATORIAAL 30 januari 1984 21 juli 1997 20 augustus 1997
GUINEA
ETHIOPIE 10 december 1982
EUROPESE 7 december 1984 1 april 1998 B 1 mei 1998 V
GEMEEN-
SCHAPPEN
ETATS SIGNATURE, RATIFICATION, ENTREE EN DE-
SUCCESSION (d) CONFIRMATION VIGUEUR CLA-
FORMELLE (c), RA-
ADHESION (a) TION
SUCCESSION (d) (D)
AFGHANISTAN 18 mars 1983
AFRIQUE DU 5 décembre 1984 23 décembre 1997 22 janvier 1998 D
SUD
ALGERIE 10 décembre 1982 11 juin 1996 11 juillet 1996 D
ALLEMAGNE 14 octobre 1994 a 16 novembre 1994 D
ANGOLA 10 décembre 1982 5 décembre 1990 16 novembre 1994 D
ANTIGUA-ET- 7 fevrier 1983 2 fevrier 1989 16 novembre 1994
BARBUDA
ARABIE 7 décembre 1984 24 avril 1996 24 mai 1996 D
SAOUDITE
ARGENTINE 5 octobre 1984 1 décembre 1995 31 décembre 1995 D
AUSTRALIE 10 décembre 1982 5 octobre 1994 16 novembre 1994
AUTRICHE 10 décembre 1982 14 juillet 1995 13 août 1995 D
BAHAMAS 10 décembre 1982 29 juillet 1983 16 novembre 1994
BAHREIN 10 décembre 1982 30 mai 1985 16 novembre 1994
BANGLADESH 10 décembre 1982
BARBADE 10 décembre 1982 12 octobre 1993 16 novembre 1994
BELARUS 10 décembre 1982 D
BELGIQUE 5 décembre 1984 13 novembre 1998 13 décembre 1998 D
BELIZE 10 décembre 1982 13 août 1883 16 novembre 1994
BENIN 30 août 1983 16 octobre 1997 15 novembre 1997
BHOUTAN 10 décembre 1982
BOLIVIE 27 novembre 1984 28 avril 1995 28 mai 1995 D
BOSNIE-HER- 12 janvier 1994 d 16 novembre 1994
ZEGOVINE
BOTSWANA 5 décembre 1984 2 mai 1990 16 novembre 1994
BRESIL 10 décembre 1982 22 décembre 1988 16 novembre 1994 D
BRUNEI 5 décembre 1984 5 novembre 1996 5 décembre 1996
DARUSSALAM
BULGARIE 10 décembre 1982 15 mai 1996 14 juin 1996
BURKINA 10 décembre 1982
FASO
BURUNDI 10 décembre 1982
CAMBODGE 1 juillet 1983
CAMEROUN 10 décembre 1982 19 novembre 1985 16 novembre 1994
CANADA 10 décembre 1982
CAP-VERT 10 décembre 1982 10 août 1987 16 novembre 1994 D
CHILI 10 décembre 1982 25 août 1997 24 septembre 1997 D
CHINE 10 décembre 1982 7 juin 1996 7 juillet 1996 D
CHYPRE 10 décembre 1982 12 décembre 1988 16 novembre 1994
COLOMBIE 10 décembre 1982
COMMUNAUTE 7 décembre 1984 1 avril 1998 c 1 mai 1998 D
EUROPEENNE
SUCCESSION (d) CONFIRMATION VIGUEUR CLA-
FORMELLE (c), RA-
ADHESION (a) TION
SUCCESSION (d) (D)
AFGHANISTAN 18 mars 1983
AFRIQUE DU 5 décembre 1984 23 décembre 1997 22 janvier 1998 D
SUD
ALGERIE 10 décembre 1982 11 juin 1996 11 juillet 1996 D
ALLEMAGNE 14 octobre 1994 a 16 novembre 1994 D
ANGOLA 10 décembre 1982 5 décembre 1990 16 novembre 1994 D
ANTIGUA-ET- 7 fevrier 1983 2 fevrier 1989 16 novembre 1994
BARBUDA
ARABIE 7 décembre 1984 24 avril 1996 24 mai 1996 D
SAOUDITE
ARGENTINE 5 octobre 1984 1 décembre 1995 31 décembre 1995 D
AUSTRALIE 10 décembre 1982 5 octobre 1994 16 novembre 1994
AUTRICHE 10 décembre 1982 14 juillet 1995 13 août 1995 D
BAHAMAS 10 décembre 1982 29 juillet 1983 16 novembre 1994
BAHREIN 10 décembre 1982 30 mai 1985 16 novembre 1994
BANGLADESH 10 décembre 1982
BARBADE 10 décembre 1982 12 octobre 1993 16 novembre 1994
BELARUS 10 décembre 1982 D
BELGIQUE 5 décembre 1984 13 novembre 1998 13 décembre 1998 D
BELIZE 10 décembre 1982 13 août 1883 16 novembre 1994
BENIN 30 août 1983 16 octobre 1997 15 novembre 1997
BHOUTAN 10 décembre 1982
BOLIVIE 27 novembre 1984 28 avril 1995 28 mai 1995 D
BOSNIE-HER- 12 janvier 1994 d 16 novembre 1994
ZEGOVINE
BOTSWANA 5 décembre 1984 2 mai 1990 16 novembre 1994
BRESIL 10 décembre 1982 22 décembre 1988 16 novembre 1994 D
BRUNEI 5 décembre 1984 5 novembre 1996 5 décembre 1996
DARUSSALAM
BULGARIE 10 décembre 1982 15 mai 1996 14 juin 1996
BURKINA 10 décembre 1982
FASO
BURUNDI 10 décembre 1982
CAMBODGE 1 juillet 1983
CAMEROUN 10 décembre 1982 19 novembre 1985 16 novembre 1994
CANADA 10 décembre 1982
CAP-VERT 10 décembre 1982 10 août 1987 16 novembre 1994 D
CHILI 10 décembre 1982 25 août 1997 24 septembre 1997 D
CHINE 10 décembre 1982 7 juin 1996 7 juillet 1996 D
CHYPRE 10 décembre 1982 12 décembre 1988 16 novembre 1994
COLOMBIE 10 décembre 1982
COMMUNAUTE 7 décembre 1984 1 avril 1998 c 1 mai 1998 D
EUROPEENNE
STATEN ONDERTEKENING OF BEKRACHTIGING, INWERKINGTREDING VER-
STATENOPVOLGING FORMELE KLA-
(S) BEVESTIGING (B), RING
TOETREDING (T), (V)
STATENOPVOLGING
(S)
FIDJI 10 december 1982 10 december 1982 16 november 1994
FILIPIJNEN 10 december 1982 8 mei 1984 16 november 1994 V
FINLAND 10 december 1982 21 juni 1996 21 juli 1996 V
FRANKRIJK 10 december 1982 11 april 1996 11 mei 1996 V
GABON 10 december 1982 11 maart 1998 10 april 1998
GAMBIA 10 december 1982 22 mei 1984 16 november 1994
GEORGIE 21 maart 1996 T 20 april 1996
GHANA 10 december 1982 7 juni 1983 16 november 1994
GRENADA 10 december 1982 25 april 1991 16 november 1994
GRIEKENLAND 10 december 1982 21 juli 1995 20 augustus 1995 V
GUATEMALA 8 juli 1983 11 februari 1997 13 maart 1997 V
GUINEE 4 oktober 1984 6 september 1985 16 november 1994 V
GUINEE- 10 december 1982 25 augustus 1986 16 november 1994 V
BISSAU
GUYANA 10 december 1982 16 november 1993 16 november 1994
HAITI 10 december 1982 31 juli 1996 30 augustus 1996
HONDURAS 10 december 1982 5 oktober 1993 16 november 1994
HONGARIJE 10 december 1982
IERLAND 10 december 1982 21 juni 1996 21 juli 1996 V
IJSLAND 10 december 1982 21 juni 1985 16 november 1994 V
INDIA 10 december 1982 29 juni 1995 29 juli 1995 V
INDONESIE 10 december 1982 3 februari 1986 16 november 1994
IRAN 10 december 1982 V
(Islami-
tische
Republiek)
IRAK 10 december 1982 30 juli 1985 16 november 1994 V
ITALIE 7 december 1984 13 januari 1995 12 februari 1995 V
IVOORKUST 10 december 1982 26 maart 1984 16 november 1994
JAMAICA 10 december 1982 21 maart 1983 16 november 1994
JAPAN 7 februari 1983 20 juni 1996 20 juli 1996
JEMEN 10 december 1982 21 juli 1987 16 november 1994 V
JOEGOSLAVIE 10 december 1982 5 mei 1986 16 november 1994 V
JORDANIE 27 november 1995 T 27 december 1995
KAAPVER- 10 december 1982 10 augustus 1987 16 november 1994 V
DISCHE
EILANDEN
KAMEROEN 10 december 1982 19 november 1985 16 november 1994
KENYA 10 december 1982 2 maart 1989 16 november 1994
KOEWEIT 10 december 1982 2 mei 1986 16 november 1994 V
KOREA (Re- 14 maart 1983 29 januari 1996 28 februari 1996
publiek)
KOREA 10 december 1982
(Democra-
tische
Volks-
republiek)
KROATIE 5 april 1995 S 16 november 1994 V
LAO 10 december 1982 5 juni 1998 5 juli 1998
(Democra-
tische
Volks-
republiek)
LESOTHO 10 december 1982
LIBAN 7 december 1984 5 januari 1995 4 februari 1995
LIBERIA 10 december 1982
LIBISCH- 3 december 1984
ARABISCHE
VOLKS-
JAMA-
HIRIYAH
LIECHTEN- 30 november 1984
STEIN
LUXEMBURG 5 december 1984 V
MADAGASCAR 25 februari 1983
MALAWI 7 december 1984
MALDIVEN 10 december 1982
STATENOPVOLGING FORMELE KLA-
(S) BEVESTIGING (B), RING
TOETREDING (T), (V)
STATENOPVOLGING
(S)
FIDJI 10 december 1982 10 december 1982 16 november 1994
FILIPIJNEN 10 december 1982 8 mei 1984 16 november 1994 V
FINLAND 10 december 1982 21 juni 1996 21 juli 1996 V
FRANKRIJK 10 december 1982 11 april 1996 11 mei 1996 V
GABON 10 december 1982 11 maart 1998 10 april 1998
GAMBIA 10 december 1982 22 mei 1984 16 november 1994
GEORGIE 21 maart 1996 T 20 april 1996
GHANA 10 december 1982 7 juni 1983 16 november 1994
GRENADA 10 december 1982 25 april 1991 16 november 1994
GRIEKENLAND 10 december 1982 21 juli 1995 20 augustus 1995 V
GUATEMALA 8 juli 1983 11 februari 1997 13 maart 1997 V
GUINEE 4 oktober 1984 6 september 1985 16 november 1994 V
GUINEE- 10 december 1982 25 augustus 1986 16 november 1994 V
BISSAU
GUYANA 10 december 1982 16 november 1993 16 november 1994
HAITI 10 december 1982 31 juli 1996 30 augustus 1996
HONDURAS 10 december 1982 5 oktober 1993 16 november 1994
HONGARIJE 10 december 1982
IERLAND 10 december 1982 21 juni 1996 21 juli 1996 V
IJSLAND 10 december 1982 21 juni 1985 16 november 1994 V
INDIA 10 december 1982 29 juni 1995 29 juli 1995 V
INDONESIE 10 december 1982 3 februari 1986 16 november 1994
IRAN 10 december 1982 V
(Islami-
tische
Republiek)
IRAK 10 december 1982 30 juli 1985 16 november 1994 V
ITALIE 7 december 1984 13 januari 1995 12 februari 1995 V
IVOORKUST 10 december 1982 26 maart 1984 16 november 1994
JAMAICA 10 december 1982 21 maart 1983 16 november 1994
JAPAN 7 februari 1983 20 juni 1996 20 juli 1996
JEMEN 10 december 1982 21 juli 1987 16 november 1994 V
JOEGOSLAVIE 10 december 1982 5 mei 1986 16 november 1994 V
JORDANIE 27 november 1995 T 27 december 1995
KAAPVER- 10 december 1982 10 augustus 1987 16 november 1994 V
DISCHE
EILANDEN
KAMEROEN 10 december 1982 19 november 1985 16 november 1994
KENYA 10 december 1982 2 maart 1989 16 november 1994
KOEWEIT 10 december 1982 2 mei 1986 16 november 1994 V
KOREA (Re- 14 maart 1983 29 januari 1996 28 februari 1996
publiek)
KOREA 10 december 1982
(Democra-
tische
Volks-
republiek)
KROATIE 5 april 1995 S 16 november 1994 V
LAO 10 december 1982 5 juni 1998 5 juli 1998
(Democra-
tische
Volks-
republiek)
LESOTHO 10 december 1982
LIBAN 7 december 1984 5 januari 1995 4 februari 1995
LIBERIA 10 december 1982
LIBISCH- 3 december 1984
ARABISCHE
VOLKS-
JAMA-
HIRIYAH
LIECHTEN- 30 november 1984
STEIN
LUXEMBURG 5 december 1984 V
MADAGASCAR 25 februari 1983
MALAWI 7 december 1984
MALDIVEN 10 december 1982
ETATS SIGNATURE, RATIFICATION, ENTREE EN DE-
SUCCESSION (d) CONFIRMATION VIGUEUR CLA-
FORMELLE (c), RA-
ADHESION (a) TION
SUCCESSION (d) (D)
COMORES 6 décembre 1984 21 juin 1994 16 novembre 1994
CONGO 10 décembre 1982
COSTA RICA 10 décembre 1982 21 septembre 1992 16 novembre 1994 D
COTE 10 décembre 1982 26 mars 1984 16 novembre 1994
D'IVOIRE
CROATIE 5 avril 1995 d 16 novembre 1994 D
CUBA 10 décembre 1982 15 août 1984 16 novembre 1994 D
DANEMARK 10 décembre 1982
DJIBOUTI 10 décembre 1982 8 octobre 1991 16 novembre 1994
DOMINIQUE 28 mars 1983 24 octobre 1991 16 novembre 1994
EGYPTE 10 décembre 1982 26 août 1983 16 novembre 1994 D
EL SALVADOR 5 décembre 1984
EMIRATS 10 décembre 1982
ARABES
UNIS
ESPAGNE 4 décembre 1984 15 janvier 1997 14 fevrier 1997 D
ETHIOPIE 10 décembre 1982
FEDERATI0N 10 décembre 1982 12 mars 1997 11 avril 1997 D
DE RUSSIE
FIDJI 10 décembre 1982 10 décembre 1982 16 novembre 1994
FINLANDE 10 décembre 1982 21 juin 1996 21 juillet 1996 D
FRANCE 10 décembre 1982 11 avril 1996 11 mai 1996 D
GABON 10 décembre 1982 11 mars 1998
GAMBIE 10 décembre 1982 22 mai 1984 16 novembre 1994
GEORGIE 21 mars 1996 a 20 avril 1996
GHANA 10 décembre 1982 7 juin 1983 16 novembre 1994
GRECE 10 décembre 1982 21 juillet 1995 20 août 1995 D
GRENADE 10 décembre 1982 25 avril 1991 16 novembre 1994
GUATEMALA 8 juillet 1983 11 fevrier 1997 13 mars 1997 D
GUINEE 4 octobre 1984 6 septembre 1985 16 novembre 1994 D
GUINEE- 10 décembre 1982 25 août 1986 16 novembre 1994 D
BISSAU
GUINEE- 30 janvier 1984 21 juillet 1997 20 août 1997
EQUATO-
RIALE
GUYANA 10 décembre 1982 16 novembre 1993 16 novembre 1994
HAITI 10 décembre 1982 31 juillet 1996 30 août 1996
HONDURAS 10 décembre 1982 5 octobre 1993 16 novembre 1994
HONGRIE 10 décembre 1982
ILES COOK 10 décembre 1982 15 fevrier 1995 16 mars 1995
ILES 9 août 1991 a 16 novembre 1994
MARSHALL
ILES 10 décembre 1982 23 juin 1997 23 juillet 1997
SALOMON
INDE 10 décembre 1982 29 juin 1995 29 juillet 1995 D
INDONESIE 10 décembre 1982 3 fevrier 1986 16 novembre 1994
IRAN 10 décembre 1982 D
(Republi-
que isla-
mique d')
IRAQ 10 décembre 1982 30 juillet 1985 16 novembre 1994 D
IRLANDE 10 décembre 1982 21 juin 1996 21 juillet 1996 D
ISLANDE 10 décembre 1982 21 juin 1985 16 novembre 1994 D
ITALIE 7 décembre 1984 13 janvier 1995 12 fevrier 1995 D
JAMAHIRIYA 3 décembre 1984
ARABE
LIBYENNE
JAMAIQUE 10 décembre 1982 21 mars 1983 16 novembre 1994
JAPON 7 fevrier 1983 20 juin 1996 20 juillet 1996
JORDANIE 27 novembre 1995 a 27 décembre 1995
SUCCESSION (d) CONFIRMATION VIGUEUR CLA-
FORMELLE (c), RA-
ADHESION (a) TION
SUCCESSION (d) (D)
COMORES 6 décembre 1984 21 juin 1994 16 novembre 1994
CONGO 10 décembre 1982
COSTA RICA 10 décembre 1982 21 septembre 1992 16 novembre 1994 D
COTE 10 décembre 1982 26 mars 1984 16 novembre 1994
D'IVOIRE
CROATIE 5 avril 1995 d 16 novembre 1994 D
CUBA 10 décembre 1982 15 août 1984 16 novembre 1994 D
DANEMARK 10 décembre 1982
DJIBOUTI 10 décembre 1982 8 octobre 1991 16 novembre 1994
DOMINIQUE 28 mars 1983 24 octobre 1991 16 novembre 1994
EGYPTE 10 décembre 1982 26 août 1983 16 novembre 1994 D
EL SALVADOR 5 décembre 1984
EMIRATS 10 décembre 1982
ARABES
UNIS
ESPAGNE 4 décembre 1984 15 janvier 1997 14 fevrier 1997 D
ETHIOPIE 10 décembre 1982
FEDERATI0N 10 décembre 1982 12 mars 1997 11 avril 1997 D
DE RUSSIE
FIDJI 10 décembre 1982 10 décembre 1982 16 novembre 1994
FINLANDE 10 décembre 1982 21 juin 1996 21 juillet 1996 D
FRANCE 10 décembre 1982 11 avril 1996 11 mai 1996 D
GABON 10 décembre 1982 11 mars 1998
GAMBIE 10 décembre 1982 22 mai 1984 16 novembre 1994
GEORGIE 21 mars 1996 a 20 avril 1996
GHANA 10 décembre 1982 7 juin 1983 16 novembre 1994
GRECE 10 décembre 1982 21 juillet 1995 20 août 1995 D
GRENADE 10 décembre 1982 25 avril 1991 16 novembre 1994
GUATEMALA 8 juillet 1983 11 fevrier 1997 13 mars 1997 D
GUINEE 4 octobre 1984 6 septembre 1985 16 novembre 1994 D
GUINEE- 10 décembre 1982 25 août 1986 16 novembre 1994 D
BISSAU
GUINEE- 30 janvier 1984 21 juillet 1997 20 août 1997
EQUATO-
RIALE
GUYANA 10 décembre 1982 16 novembre 1993 16 novembre 1994
HAITI 10 décembre 1982 31 juillet 1996 30 août 1996
HONDURAS 10 décembre 1982 5 octobre 1993 16 novembre 1994
HONGRIE 10 décembre 1982
ILES COOK 10 décembre 1982 15 fevrier 1995 16 mars 1995
ILES 9 août 1991 a 16 novembre 1994
MARSHALL
ILES 10 décembre 1982 23 juin 1997 23 juillet 1997
SALOMON
INDE 10 décembre 1982 29 juin 1995 29 juillet 1995 D
INDONESIE 10 décembre 1982 3 fevrier 1986 16 novembre 1994
IRAN 10 décembre 1982 D
(Republi-
que isla-
mique d')
IRAQ 10 décembre 1982 30 juillet 1985 16 novembre 1994 D
IRLANDE 10 décembre 1982 21 juin 1996 21 juillet 1996 D
ISLANDE 10 décembre 1982 21 juin 1985 16 novembre 1994 D
ITALIE 7 décembre 1984 13 janvier 1995 12 fevrier 1995 D
JAMAHIRIYA 3 décembre 1984
ARABE
LIBYENNE
JAMAIQUE 10 décembre 1982 21 mars 1983 16 novembre 1994
JAPON 7 fevrier 1983 20 juin 1996 20 juillet 1996
JORDANIE 27 novembre 1995 a 27 décembre 1995
STATEN ONDERTEKENING OF BEKRACHTIGING, INWERKINGTREDING VER-
STATENOPVOLGING FORMELE KLA-
(S) BEVESTIGING (B), RING
TOETREDING (T), (V)
STATENOPVOLGING
(S)
MALEISIE 10 december 1982 14 oktober 1996 13 november 1996 V
MALI 19 oktober 1983 16 juli 1985 16 november 1994 V
MALTA 10 december 1982 20 mei 1993 16 november 1994 V
MAROKKO 10 december 1982
MARSHALL- 9 augustus 1991 T 16 november 1994
EILANDEN
MAURITANIE 10 december 1982 17 juli 1996 16 augustus 1996
MAURITIUS 10 december 1982 4 november 1994 4 december 1994
MEXICO 10 december 1982 18 maart 1983 16 november 1994
MICRONESIA 29 april 1991 T 16 november 1994
(Federale
Staten)
MONACO 10 december 1982 20 maart 1996 19 april 1996
MONGOLIE 10 december 1982 13 augustus 1986 12 september 1996
MOZAMBIQUE 10 december 1982 13 maart 1997 12 april 1997
MYANMAR 10 december 1982 21 mei 1996 20 juni 1996
NAMIBIE 10 december 1982 18 april 1983 16 november 1994
NAURU 10 december 1982 23 januari 1996 22 februari 1996
NEDERLAND 10 december 1982 28 juni 1996 28 juli 1996 V
NEPAL 10 december 1982 2 november 1998 2 december 1998
NICARAGUA 9 december 1984 V
NIEUW- 10 december 1982 19 juli 1996 18 augustus 1996
ZEELAND
NIGER 10 december 1982
NIGERIA 10 december 1982 14 augustus 1986 16 november 1994
NIOUE 5 december 1984
NOORWEGEN 10 december 1982 24 juni 1996 24 juli 1996 V
OEKRAINE 10 december 1982 V
OMAN 1 juli 1983 17 augustus 1989 16 november 1994 V
OOSTENRIJK 10 december 1982 14 juli 1995 13 augustus 1995 V
PAKISTAN 10 december 1982 26 februari 1997 28 maart 1997 V
PALAOS 30 september 1996 T 30 oktober 1996
PANAMA 10 december 1982 1 juli 1996 31 juli 1996 V
PAPOEA- 10 december 1982 14 januari 1997 13 februari 1997
NIEUW-
GUINEA
PARAGUAY 10 december 1982 26 september 1986 16 november 1994
POLEN 10 december 1982 13 november 1998 13 december 1998
PORTUGAL 10 december 1982 3 november 1997 3 december 1997 V
QATAR 27 november 1984 V
ROEMENIE 10 december 1982 17 december 1996 16 januari 1997 V
RUANDA 10 december 1982
RUSLAND 10 december 1982 12 maart 1997 11 april 1997 V
(fed.)
SAINT LUCIA 10 december 1982 27 maart 1985 16 november 1994
SAINT KITS 7 december 1984 7 januari 1993 16 november 1994
EN NEVIS
SAINT 10 december 1982 1 oktober 1993 16 november 1994
VINCENT EN
DE
GRENADINES
SALOMONS- 10 december 1982 23 juni 1997 23 juni 1997
EILANDEN
SAMOA 28 september 1984 14 augustus 1995 13 september 1995
SAO TOME EN 13 juli 1983 3 november 1987 16 november 1994 V
PRINCIPE
SAOUDI- 7 december 1984 24 april 1996 24 mei 1996 V
ARABIE
SENEGAL 10 december 1982 25 oktober 1984 16 november 1994
SEYCHELLEN 10 december 1982 16 september 1991 16 november 1994
SIERRA 10 december 1982 12 december 1994 11 januari 1995
LEONE
SINGAPORE 10 december 1982 17 november 1994 17 december 1994
SLOVAKIJE 28 mei 1993 S 8 mei 1996
STATENOPVOLGING FORMELE KLA-
(S) BEVESTIGING (B), RING
TOETREDING (T), (V)
STATENOPVOLGING
(S)
MALEISIE 10 december 1982 14 oktober 1996 13 november 1996 V
MALI 19 oktober 1983 16 juli 1985 16 november 1994 V
MALTA 10 december 1982 20 mei 1993 16 november 1994 V
MAROKKO 10 december 1982
MARSHALL- 9 augustus 1991 T 16 november 1994
EILANDEN
MAURITANIE 10 december 1982 17 juli 1996 16 augustus 1996
MAURITIUS 10 december 1982 4 november 1994 4 december 1994
MEXICO 10 december 1982 18 maart 1983 16 november 1994
MICRONESIA 29 april 1991 T 16 november 1994
(Federale
Staten)
MONACO 10 december 1982 20 maart 1996 19 april 1996
MONGOLIE 10 december 1982 13 augustus 1986 12 september 1996
MOZAMBIQUE 10 december 1982 13 maart 1997 12 april 1997
MYANMAR 10 december 1982 21 mei 1996 20 juni 1996
NAMIBIE 10 december 1982 18 april 1983 16 november 1994
NAURU 10 december 1982 23 januari 1996 22 februari 1996
NEDERLAND 10 december 1982 28 juni 1996 28 juli 1996 V
NEPAL 10 december 1982 2 november 1998 2 december 1998
NICARAGUA 9 december 1984 V
NIEUW- 10 december 1982 19 juli 1996 18 augustus 1996
ZEELAND
NIGER 10 december 1982
NIGERIA 10 december 1982 14 augustus 1986 16 november 1994
NIOUE 5 december 1984
NOORWEGEN 10 december 1982 24 juni 1996 24 juli 1996 V
OEKRAINE 10 december 1982 V
OMAN 1 juli 1983 17 augustus 1989 16 november 1994 V
OOSTENRIJK 10 december 1982 14 juli 1995 13 augustus 1995 V
PAKISTAN 10 december 1982 26 februari 1997 28 maart 1997 V
PALAOS 30 september 1996 T 30 oktober 1996
PANAMA 10 december 1982 1 juli 1996 31 juli 1996 V
PAPOEA- 10 december 1982 14 januari 1997 13 februari 1997
NIEUW-
GUINEA
PARAGUAY 10 december 1982 26 september 1986 16 november 1994
POLEN 10 december 1982 13 november 1998 13 december 1998
PORTUGAL 10 december 1982 3 november 1997 3 december 1997 V
QATAR 27 november 1984 V
ROEMENIE 10 december 1982 17 december 1996 16 januari 1997 V
RUANDA 10 december 1982
RUSLAND 10 december 1982 12 maart 1997 11 april 1997 V
(fed.)
SAINT LUCIA 10 december 1982 27 maart 1985 16 november 1994
SAINT KITS 7 december 1984 7 januari 1993 16 november 1994
EN NEVIS
SAINT 10 december 1982 1 oktober 1993 16 november 1994
VINCENT EN
DE
GRENADINES
SALOMONS- 10 december 1982 23 juni 1997 23 juni 1997
EILANDEN
SAMOA 28 september 1984 14 augustus 1995 13 september 1995
SAO TOME EN 13 juli 1983 3 november 1987 16 november 1994 V
PRINCIPE
SAOUDI- 7 december 1984 24 april 1996 24 mei 1996 V
ARABIE
SENEGAL 10 december 1982 25 oktober 1984 16 november 1994
SEYCHELLEN 10 december 1982 16 september 1991 16 november 1994
SIERRA 10 december 1982 12 december 1994 11 januari 1995
LEONE
SINGAPORE 10 december 1982 17 november 1994 17 december 1994
SLOVAKIJE 28 mei 1993 S 8 mei 1996
ETATS SIGNATURE, RATIFICATION, ENTREE EN DE-
SUCCESSION (d) CONFIRMATION VIGUEUR CLA-
FORMELLE (c), RA-
ADHESION (a) TION
SUCCESSION (d) (D)
KENYA 10 décembre 1982 2 mars 1989 16 novembre 1994
KOWEIT 10 décembre 1982 2 mai 1986 16 novembre 1994 D
LESOTHO 10 décembre 1982
L'EX- 19 août 1994 d 16 novembre 1994
REPUBLIQUE
YOUGOSLAVE
DE
MACEDOINE
LIBAN 7 décembre 1984 5 janvier 1995 4 fevrier 1995
LIBERIA 10 décembre 1982
LIECHTEN- 30 novembre 1984
STEIN
LUXEMBOURG 5 décembre 1984 D
MADAGASCAR 25 fevrier 1983
MALEISIE 10 décembre 1982 14 octobre 1996 13 novembre 1996 D
MALAWI 7 décembre 1984
MALDIVES 10 décembre 1982
MALI 19 octobre 1983 16 juillet 1985 16 novembre 1994 D
MALTE 10 décembre 1982 20 mai 1993 16 novembre 1994 D
MAROC 10 décembre 1982
MAURICE 10 décembre 1982 4 novembre 1994 4 décembre 1994
MAURITANIE 10 décembre 1982 17 juillet 1996 16 août 1996
MEXIQUE 10 décembre 1982 18 mars 1983 16 novembre 1994
MICRONESIE 29 avril 1991 a 16 novembre 1994
(Etats
federes
de)
MONACO 10 décembre 1982 20 mars 1996 19 avril 1996
MONGOLIE 10 décembre 1982 13 août 1996 12 septembre 1996
MOZAMBIQUE 10 décembre 1982 13 mars 1997 12 avril 1997
MYANMAR 10 décembre 1982 21 mai 1996 20 juin 1996
NAMIBIE 10 décembre 1982 18 avril 1983 16 novembre 1994
NAURU 10 décembre 1982 23 janvier 1996 22 fevrier 1996
NEPAL 10 décembre 1982 2 novembre 1998 2 décembre 1998
NICARAGUA 9 décembre 1984 D
NIGER 10 décembre 1982
NIGERIA 10 décembre 1982 14 août 1986 16 novembre 1994
NIOUE 5 décembre 1984
NORVEGE 10 décembre 1982 24 juin 1996 24 juillet 1996 D
NOUVELLE- 10 décembre 1982 19 juillet 1996 18 août 1996
ZELANDE
OMAN 1 juillet 1983 17 août 1989 16 novembre 1994 D
OUGANDA 10 décembre 1982 9 novembre 1990 16 novembre 1994
PAKISTAN 10 décembre 1982 26 fevrier 1997 28 mars 1997 D
PALAOS 30 septembre 1996 a 30 octobre 1996
PANAMA 10 décembre 1982 1 juillet 1996 31 juillet 1996 D
PAPOUASIE- 10 décembre 1982 14 janvier 1997 13 fevrier 1997
NOUVELLE-
GUINEE
PARAGUAY 10 décembre 1982 26 septembre 1986 16 novembre 1994
PAYS-BAS 10 décembre 1982 28 juin 1996 28 juillet 1996 D
PHILIPPINES 10 décembre 1982 8 mai 1984 16 novembre 1994 D
POLOGNE 10 décembre 1982 13 novembre 1998 13 décembre 1998
PORTUGAL 10 décembre 1982 3 novembre 1997 3 décembre 1997 D
QATAR 27 novembre 1984 D
REPUBLIQUE 4 décembre 1984
CENTRAFRI-
CAINE
SUCCESSION (d) CONFIRMATION VIGUEUR CLA-
FORMELLE (c), RA-
ADHESION (a) TION
SUCCESSION (d) (D)
KENYA 10 décembre 1982 2 mars 1989 16 novembre 1994
KOWEIT 10 décembre 1982 2 mai 1986 16 novembre 1994 D
LESOTHO 10 décembre 1982
L'EX- 19 août 1994 d 16 novembre 1994
REPUBLIQUE
YOUGOSLAVE
DE
MACEDOINE
LIBAN 7 décembre 1984 5 janvier 1995 4 fevrier 1995
LIBERIA 10 décembre 1982
LIECHTEN- 30 novembre 1984
STEIN
LUXEMBOURG 5 décembre 1984 D
MADAGASCAR 25 fevrier 1983
MALEISIE 10 décembre 1982 14 octobre 1996 13 novembre 1996 D
MALAWI 7 décembre 1984
MALDIVES 10 décembre 1982
MALI 19 octobre 1983 16 juillet 1985 16 novembre 1994 D
MALTE 10 décembre 1982 20 mai 1993 16 novembre 1994 D
MAROC 10 décembre 1982
MAURICE 10 décembre 1982 4 novembre 1994 4 décembre 1994
MAURITANIE 10 décembre 1982 17 juillet 1996 16 août 1996
MEXIQUE 10 décembre 1982 18 mars 1983 16 novembre 1994
MICRONESIE 29 avril 1991 a 16 novembre 1994
(Etats
federes
de)
MONACO 10 décembre 1982 20 mars 1996 19 avril 1996
MONGOLIE 10 décembre 1982 13 août 1996 12 septembre 1996
MOZAMBIQUE 10 décembre 1982 13 mars 1997 12 avril 1997
MYANMAR 10 décembre 1982 21 mai 1996 20 juin 1996
NAMIBIE 10 décembre 1982 18 avril 1983 16 novembre 1994
NAURU 10 décembre 1982 23 janvier 1996 22 fevrier 1996
NEPAL 10 décembre 1982 2 novembre 1998 2 décembre 1998
NICARAGUA 9 décembre 1984 D
NIGER 10 décembre 1982
NIGERIA 10 décembre 1982 14 août 1986 16 novembre 1994
NIOUE 5 décembre 1984
NORVEGE 10 décembre 1982 24 juin 1996 24 juillet 1996 D
NOUVELLE- 10 décembre 1982 19 juillet 1996 18 août 1996
ZELANDE
OMAN 1 juillet 1983 17 août 1989 16 novembre 1994 D
OUGANDA 10 décembre 1982 9 novembre 1990 16 novembre 1994
PAKISTAN 10 décembre 1982 26 fevrier 1997 28 mars 1997 D
PALAOS 30 septembre 1996 a 30 octobre 1996
PANAMA 10 décembre 1982 1 juillet 1996 31 juillet 1996 D
PAPOUASIE- 10 décembre 1982 14 janvier 1997 13 fevrier 1997
NOUVELLE-
GUINEE
PARAGUAY 10 décembre 1982 26 septembre 1986 16 novembre 1994
PAYS-BAS 10 décembre 1982 28 juin 1996 28 juillet 1996 D
PHILIPPINES 10 décembre 1982 8 mai 1984 16 novembre 1994 D
POLOGNE 10 décembre 1982 13 novembre 1998 13 décembre 1998
PORTUGAL 10 décembre 1982 3 novembre 1997 3 décembre 1997 D
QATAR 27 novembre 1984 D
REPUBLIQUE 4 décembre 1984
CENTRAFRI-
CAINE
STATEN ONDERTEKENING OF BEKRACHTIGING, INWERKINGTREDING VER-
STATENOPVOLGING FORMELE KLA-
(S) BEVESTIGING (B), RING
TOETREDING (T), (V)
STATENOPVOLGING
(S)
SLOVENIE 16 juni 1995 S V
SOMALIE 10 december 1982 24 juli 1989 16 november 1994
SPANJE 4 december 1984 15 januari 1997 14 februari 1997 V
SRI LANKA 10 december 1982 19 juli 1994 16 november 1994
SUDAN 10 december 1982 23 januari 1985 16 november 1994 V
SURINAME 10 december 1982 9 juli 1998 8 augustus 1998
SWAZILAND 18 januari 1984
TANZANIA 10 december 1982 30 september 1985 16 november 1994 V
(Verenigde
Republiek)
THAILAND 10 december 1982
TJAAD 10 december 1982
TOGO 10 december 1982 16 april 1985 16 november 1994
TONGA 10 december 1982 2 augustus 1995 T 1 september 1995
TRINIDAD EN 10 december 1982 25 april 1986 16 november 1994
TOBAGO
TSJECHISCHE 22 februari 1983 S 21 juni 1996 21 juli 1996
REPUBLIEK
TUNESIE 10 december 1982 24 april 1985 16 november 1994 V
TUVALU 10 december 1982
UGANDA 10 december 1982 9 november 1990 16 november 1994
URUGUAY 10 december 1982 10 december 1992 16 november 1994 V
VANUATU 10 december 1982
VERENIGDE 10 december 1982
ARABISCHE
EMIRATEN
VERENIGD 25 juli 1997 T 24 augustus 1997 V
KONINKRIJK
VIETNAM 10 december 1982 25 juli 1994 16 november 1994 V
VOORMALIGE 19 augustus 1994 S 16 november 1994
JOEGO-
SLAVISCHE
REPUBLIEK
MACEDONIE
WIT-RUSLAND 10 december 1982 V
ZAMBIA 10 december 1982 7 maart 1983 16 november 1994
ZIMBABWE 10 december 1982 24 februari 1993 16 november 1994
ZUID- 5 december 1984 23 december 1997 22 januari 1998 V
AFRIKA
ZWEDEN 10 december 1982 25 juni 1996 25 juli 1996 V
ZWITSERLAND 17 oktober 1984
STATENOPVOLGING FORMELE KLA-
(S) BEVESTIGING (B), RING
TOETREDING (T), (V)
STATENOPVOLGING
(S)
SLOVENIE 16 juni 1995 S V
SOMALIE 10 december 1982 24 juli 1989 16 november 1994
SPANJE 4 december 1984 15 januari 1997 14 februari 1997 V
SRI LANKA 10 december 1982 19 juli 1994 16 november 1994
SUDAN 10 december 1982 23 januari 1985 16 november 1994 V
SURINAME 10 december 1982 9 juli 1998 8 augustus 1998
SWAZILAND 18 januari 1984
TANZANIA 10 december 1982 30 september 1985 16 november 1994 V
(Verenigde
Republiek)
THAILAND 10 december 1982
TJAAD 10 december 1982
TOGO 10 december 1982 16 april 1985 16 november 1994
TONGA 10 december 1982 2 augustus 1995 T 1 september 1995
TRINIDAD EN 10 december 1982 25 april 1986 16 november 1994
TOBAGO
TSJECHISCHE 22 februari 1983 S 21 juni 1996 21 juli 1996
REPUBLIEK
TUNESIE 10 december 1982 24 april 1985 16 november 1994 V
TUVALU 10 december 1982
UGANDA 10 december 1982 9 november 1990 16 november 1994
URUGUAY 10 december 1982 10 december 1992 16 november 1994 V
VANUATU 10 december 1982
VERENIGDE 10 december 1982
ARABISCHE
EMIRATEN
VERENIGD 25 juli 1997 T 24 augustus 1997 V
KONINKRIJK
VIETNAM 10 december 1982 25 juli 1994 16 november 1994 V
VOORMALIGE 19 augustus 1994 S 16 november 1994
JOEGO-
SLAVISCHE
REPUBLIEK
MACEDONIE
WIT-RUSLAND 10 december 1982 V
ZAMBIA 10 december 1982 7 maart 1983 16 november 1994
ZIMBABWE 10 december 1982 24 februari 1993 16 november 1994
ZUID- 5 december 1984 23 december 1997 22 januari 1998 V
AFRIKA
ZWEDEN 10 december 1982 25 juni 1996 25 juli 1996 V
ZWITSERLAND 17 oktober 1984
ETATS SIGNATURE, RATIFICATION, ENTREE EN DE-
SUCCESSION (d) CONFIRMATION VIGUEUR CLA-
FORMELLE (c), RA-
ADHESION (a) TION
SUCCESSION (d) (D)
REPUBLIQUE 14 mars 1983 29 janvier 1996 28 fevrier 1996
DE COREE
REPUBLIQUE 22 août 1983 17 fevrier 1989 16 novembre 1994
DEMOCRA-
TIQUE DU
CONGO
REPUBLIQUE 10 décembre 1982
POPULAIRE
DEMOCRA-
TIQUE DE
COREE
REPUBLIQUE 10 décembre 1982 5 juin 1998 5 juillet 1998
DEMOCRA-
TIQUE
POPULAIRE
LAO
REPUBLIQUE 10 décembre 1982
DOMINI-
CAINE
REPUBLIQUE 22 fevrier 1993 d 21 juin 1996 21 juillet 1996
TCHEQUE
REPUBLIQUE- 10 décembre 1982 30 septembre 1985 16 novembre 1994 D
UNIE DE
TANZANIE
ROUMANIE 10 décembre 1982 17 décembre 1996 16 janvier 1997 D
ROYAUME-UNI 25 juillet 1997 a 24 août 1997 D
RWANDA 10 décembre 1982
SAINTE- 10 décembre 1982 27 mars 1985 16 novembre 1994
LUCIE
SAINT- 7 décembre 1984 7 janvier 1993 16 novembre 1994
KITTS-ET-
NEVIS
SAINT- 10 décembre 1982 1 octobre 1993 16 novembre 1994
VINCENT-
ET-
GRENADINES
SAMOA 28 septembre 1984 14 août 1995 13 septembre 1995
SAO TOME- 13 juillet 1983 3 novembre 1987 16 novembre 1994 D
ET-
PRINCIPE
SENEGAL 10 décembre 1982 25 octobre 1984 16 novembre 1994
SEYCHELLES 10 décembre 1982 16 septembre 1991 16 novembre 1994
SIERRA 10 décembre 1982 12 décembre 1994 11 janvier 1995
LEONE
SINGAPOUR 10 décembre 1982 17 novembre 1994 17 décembre 1994
SLOVAQUIE 28 mai 1993 d 8 mai 1996
SLOVENIE 16 juin 1995 d D
SOMALIE 10 décembre 1982 24 juillet 1989 16 novembre 1994
SOUDAN 10 décembre 1982 23 janvier 1985 16 novembre 1994 D
SRI LANKA 10 décembre 1982 19 juillet 1994 16 novembre 1994
SUEDE 10 décembre 1982 25 juin 1996 25 juillet 1996 D
SURINAME 10 décembre 1982 9 juillet 1998 8 août 1998
SWAZILAND 18 janvier 1984
SUISSE 17 octobre 1984
TCHAD 10 décembre 1982
THAILANDE 10 décembre 1982
TOGO 10 décembre 1982 16 avril 1985 16 novembre 1994
TONGA 2 août 1995 a 1 septembre 1995
TRINITI-ET- 10 décembre 1982 25 avril 1986 16 novembre 1994
TOBAGO
TUNISIE 10 décembre 1982 24 avril 1985 16 novembre 1994 D
TUVALU 10 décembre 1982
UKRAINE 10 décembre 1982 D
URUGUAY 10 décembre 1982 10 décembre 1992 16 novembre 1994 D
VANUATA 10 décembre 1982
VIET NAM 10 décembre 1982 25 juillet 1994 16 novembre 1994 D
YEMEN 10 décembre 1982 21 juillet 1987 16 novembre 1994 D
YOUGOSLAVIE 10 décembre 1982 5 mai 1986 16 novembre 1994 D
ZAMBIE 10 décembre 1982 7 mars 1983 16 novembre 1994
ZIMBABWE 10 décembre 1982 24 fevrier 1993 16 novembre 1994
SUCCESSION (d) CONFIRMATION VIGUEUR CLA-
FORMELLE (c), RA-
ADHESION (a) TION
SUCCESSION (d) (D)
REPUBLIQUE 14 mars 1983 29 janvier 1996 28 fevrier 1996
DE COREE
REPUBLIQUE 22 août 1983 17 fevrier 1989 16 novembre 1994
DEMOCRA-
TIQUE DU
CONGO
REPUBLIQUE 10 décembre 1982
POPULAIRE
DEMOCRA-
TIQUE DE
COREE
REPUBLIQUE 10 décembre 1982 5 juin 1998 5 juillet 1998
DEMOCRA-
TIQUE
POPULAIRE
LAO
REPUBLIQUE 10 décembre 1982
DOMINI-
CAINE
REPUBLIQUE 22 fevrier 1993 d 21 juin 1996 21 juillet 1996
TCHEQUE
REPUBLIQUE- 10 décembre 1982 30 septembre 1985 16 novembre 1994 D
UNIE DE
TANZANIE
ROUMANIE 10 décembre 1982 17 décembre 1996 16 janvier 1997 D
ROYAUME-UNI 25 juillet 1997 a 24 août 1997 D
RWANDA 10 décembre 1982
SAINTE- 10 décembre 1982 27 mars 1985 16 novembre 1994
LUCIE
SAINT- 7 décembre 1984 7 janvier 1993 16 novembre 1994
KITTS-ET-
NEVIS
SAINT- 10 décembre 1982 1 octobre 1993 16 novembre 1994
VINCENT-
ET-
GRENADINES
SAMOA 28 septembre 1984 14 août 1995 13 septembre 1995
SAO TOME- 13 juillet 1983 3 novembre 1987 16 novembre 1994 D
ET-
PRINCIPE
SENEGAL 10 décembre 1982 25 octobre 1984 16 novembre 1994
SEYCHELLES 10 décembre 1982 16 septembre 1991 16 novembre 1994
SIERRA 10 décembre 1982 12 décembre 1994 11 janvier 1995
LEONE
SINGAPOUR 10 décembre 1982 17 novembre 1994 17 décembre 1994
SLOVAQUIE 28 mai 1993 d 8 mai 1996
SLOVENIE 16 juin 1995 d D
SOMALIE 10 décembre 1982 24 juillet 1989 16 novembre 1994
SOUDAN 10 décembre 1982 23 janvier 1985 16 novembre 1994 D
SRI LANKA 10 décembre 1982 19 juillet 1994 16 novembre 1994
SUEDE 10 décembre 1982 25 juin 1996 25 juillet 1996 D
SURINAME 10 décembre 1982 9 juillet 1998 8 août 1998
SWAZILAND 18 janvier 1984
SUISSE 17 octobre 1984
TCHAD 10 décembre 1982
THAILANDE 10 décembre 1982
TOGO 10 décembre 1982 16 avril 1985 16 novembre 1994
TONGA 2 août 1995 a 1 septembre 1995
TRINITI-ET- 10 décembre 1982 25 avril 1986 16 novembre 1994
TOBAGO
TUNISIE 10 décembre 1982 24 avril 1985 16 novembre 1994 D
TUVALU 10 décembre 1982
UKRAINE 10 décembre 1982 D
URUGUAY 10 décembre 1982 10 décembre 1992 16 novembre 1994 D
VANUATA 10 décembre 1982
VIET NAM 10 décembre 1982 25 juillet 1994 16 novembre 1994 D
YEMEN 10 décembre 1982 21 juillet 1987 16 novembre 1994 D
YOUGOSLAVIE 10 décembre 1982 5 mai 1986 16 novembre 1994 D
ZAMBIE 10 décembre 1982 7 mars 1983 16 novembre 1994
ZIMBABWE 10 décembre 1982 24 fevrier 1993 16 novembre 1994