Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
2 JANUARI 2001. - Programmawet. (Deze tekst vervangt degenen verschenen in het B.St. 03.01.2001, p. 81-130; Erratum, B.St. 13.01.2001, p. 949-972) (soms aangeduid als : Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-01-2001 en tekstbijwerking tot 29-12-2017)
Titre
2 JANVIER 2001. - Loi-programme. (Ce texte remplace celui paru au M.B. 03.01.2001, p. 81-130; Erratum, M.B. 13.01.2001, pp. 949-972) (parfois désignée par le titre : Loi portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-01-2001 et mise à jour au 29-12-2017)
Dokumentinformationen
Numac: 2000003794
Datum: 2001-01-02
Info du document
Numac: 2000003794
Date: 2001-01-02
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepaling.
TITEL II. - Telecommunicatie, Overheidsbedrijve...
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 21 maar...
Art.12. In artikel 27, eerste lid, van de progr...
HOOFDSTUK I. - Invoering van een premiestelsel ...
Art.14. Binnen de perken van de begrotingskredi...
Art.15. In het koninklijk besluit nr. 78 van 10...
Art.18. In artikel 5 van de wet van 27 juni 193...
Algemene socio-economische enquête 2001.
Art.21. Artikel 9 van de wet van 4 juli 1962 be...
Wijzigingen van de wet van 2 augustus 1971 houd...
Art.24. Artikel 4, § 1, van de wet van 2 august...
Wijziging van de wet van 1 maart 1977 houdende ...
Art.26. In artikel 6 van de wet van 1 maart 197...
Overdracht van sommige personeelsleden van het ...
Art.27. De opdrachten van en de personeelsleden...
HOOFDSTUK I. - Voordeelbanenplan.
Art.29. Artikel 61, § 1, vierde lid, van de wet...
Art.30. Artikel 118, § 1, 4°, van de programmaw...
Art.36. Artikel 2 van het koninklijk besluit nr...
Art.37. Bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorzien...
Art.39. In artikel 27 van de wet van 24 decembe...
Art.47. De rubriek 23, 3 " Tewerkstellingsfonds...
Art.48. Artikel 122, § 2, van de wet van 26 maa...
HOOFDSTUK I. - Geneeskundige verzorging en uitk...
Afdeling I. - Wijzigingen van de wet betreffend...
Art.49. Artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), van...
Art.56. In artikel 43, § 1, 1°, van de programm...
Art.57. Dit hoofdstuk voert een regeling in voo...
Art.60. In artikel 128bis van de wet op de ziek...
Art.62. In artikel 46, eerste lid, van de wet v...
Art.63. In artikel 21, § 2, van het koninklijk ...
Art.64. In artikel 2 van de besluitwet van 10 j...
Art.65.
HOOFDSTUK VIIbis. - Alternatieve financiering v...
Art.68. In artikel 68, vijfde lid, a), van de w...
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 15 dece...
Art.69. In artikel 77bis van de wet van 15 dece...
Art.70. In artikel 57ter, derde lid, van de org...
Art.73. In artikel 5, § 4, vijfde lid, van de w...
Art.74. De Minister tot wiens bevoegdheid de Ma...
Art.75. De Nationale Bank van België wordt bela...
Wijzigingen van de wet van 25 mei 1999 betreffe...
Art.77. Artikel 2, 6°, van de wet van 25 mei 19...
Art.81. Artikel 10 van de wet van 3 december 19...
Inhoud
TITRE PREMIER. - Disposition générale.
TITRE II. - Télécommunications, Entreprises et ...
CHAPITRE I. - Modification de la loi du 21 mars...
CHAPITRE II. - Loterie nationale.
TITRE III. - Protection de la consommation, San...
CHAPITRE I. - Introduction d'un régime de prime...
CHAPITRE II. - Inspection pharmaceutique.
TITRE IV. - Mobilité et Transport.
TITRE V. - Affaires économiques.
Enquête socio-économique générale 2001.
TITRE VI. - Affaires sociales et Finances.
Modifications de la loi du 2 août 1971 organisa...
TITRE VII. - Fonction publique et Finances.
Modification de la loi du 1er mars 1977 organis...
TITRE VIII. - Défense.
Transfert de certains membres du personnel de l...
TITRE IX. - Emploi et Travail.
CHAPITRE I. - Plan avantage à l'embauche.
CHAPITRE II. - Plan plus un, plus deux, plus tr...
CHAPITRE III. - Fonds budgétaire interdéparteme...
CHAPITRE IV. - Agences locales pour l'Emploi.
CHAPITRE V. - Modification de la loi du 24 déce...
CHAPITRE VI. - Modification du tableau annexé à...
CHAPITRE VII. - Modification de la loi du 26 ma...
TITRE X. - Affaires sociales et Pensions.
CHAPITRE I. - Soins de santé et indemnités.
Section I. - Modifications de la loi relative a...
Section II. - Modification de la loi-programme ...
CHAPITRE II. - Exécution des accords sociaux.
CHAPITRE IIbis. - Intervention dans la prime s...
CHAPITRE IIter. [1 - Initiatives visant à stimu...
Chapitre IIquater. [1 Intervention pour l'organ...
CHAPITRE IIquinquies. [1 Intervention pour l'In...
CHAPITRE III. - Les hôpitaux.
CHAPITRE IV. - Banque-Carrefour.
CHAPITRE V. - Institutions publiques de sécurit...
CHAPITRE VI. - Modification de l'arrête-loi du ...
CHAPITRE VII. - Financement alternatif.
CHAPITRE VIIbis. - Financement alternatif des s...
CHAPITRE VIII. - Pensions.
TITRE XI. - Intégration sociale.
CHAPITRE I. - Modification de la loi du 15 déce...
CHAPITRE II. - Modification de la loi organique...
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 2 avr...
CHAPITRE IV. - Droit de réquisition.
TITRE XII. - Finances.
TITRE XIII. - Coopération internationale.
Modification de la loi du 25 mai 1999 relative ...
TITRE XIV. - Agriculture.
TITRE XV. - Entrée en vigueur.
Tekst (143)
Texte (143)
TITEL I. - Algemene bepaling.
TITRE PREMIER. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
TITEL II. - Telecommunicatie, Overheidsbedrijven en Participaties.
TITRE II. - Télécommunications, Entreprises et Participations publiques.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
CHAPITRE I. - Modification de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques.
Art.2. Artikel 68 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, het koninklijk besluit van 28 oktober 1996, de wet van 19 december 1997, de koninklijke besluiten van 4 maart en 21 december 1999 en de wet van 3 juli 2000, wordt aangevuld als volgt :
" 32° nationale roaming : de mogelijkheid voor een operator om zijn klanten in staat te stellen in hetzelfde land toegang te krijgen tot de diensten die verstrekt worden door een andere operator van een mobiel radiocommunicatienetwerk;
33° antenne : inrichting bestemd voor de uitstraling en het opvangen van elektromagnetische golven;
34° basisstation : geheel van antennes, kabels en elektronische zend- en ontvangapparatuur bestemd voor de radio-elektrische dekking van een gegeven geografische zone;
35° steun : structuur waarop antennes van basisstations kunnen worden geplaatst;
36° antennesite : geheel van constructies dat ten minste een steun, een antenne en lokalen omvat voor de elektrische en elektronische apparatuur, dat de installatie en de exploitatie van een of meer basisstations mogelijk maakt;
37° radionetwerk : geheel van de basisstations van een gegeven operator;
38° inrichtingskosten van de gegevensbank van antennesites: de kosten om een databank van antennesites op te zetten of uit te breiden;
39° periodieke kosten van de databank van antennesites : de jaarlijkse kosten voor exploitatie en onderhoud van deze databank. ".
" 32° nationale roaming : de mogelijkheid voor een operator om zijn klanten in staat te stellen in hetzelfde land toegang te krijgen tot de diensten die verstrekt worden door een andere operator van een mobiel radiocommunicatienetwerk;
33° antenne : inrichting bestemd voor de uitstraling en het opvangen van elektromagnetische golven;
34° basisstation : geheel van antennes, kabels en elektronische zend- en ontvangapparatuur bestemd voor de radio-elektrische dekking van een gegeven geografische zone;
35° steun : structuur waarop antennes van basisstations kunnen worden geplaatst;
36° antennesite : geheel van constructies dat ten minste een steun, een antenne en lokalen omvat voor de elektrische en elektronische apparatuur, dat de installatie en de exploitatie van een of meer basisstations mogelijk maakt;
37° radionetwerk : geheel van de basisstations van een gegeven operator;
38° inrichtingskosten van de gegevensbank van antennesites: de kosten om een databank van antennesites op te zetten of uit te breiden;
39° periodieke kosten van de databank van antennesites : de jaarlijkse kosten voor exploitatie en onderhoud van deze databank. ".
Art.2. L'article 68 de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, modifié par la loi du 20 décembre 1995, l'arrêté royal du 28 octobre 1996, la loi du 19 décembre 1997, les arrêtés royaux des 4 mars et 21 décembre 1999 et la loi du 3 juillet 2000, est complété comme suit :
" 32° roaming national : la faculté pour un opérateur de permettre à ses clients d'accéder dans le même pays aux services offerts par un autre opérateur de réseau mobile de radio-communications;
33° antenne : dispositif destiné au rayonnement et à la captation d'ondes électro-magnétiques;
34° station de base : ensemble des antennes, câbles et équipements électroniques d'émission et de réception destiné à assurer la couverture radio-électrique d'une zone géographique donnée;
35° support : structure sur laquelle peuvent être placées les antennes de stations de base;
36° site d'antennes : ensemble des constructions, comportant au moins un support, une antenne et des locaux pour les équipements électriques et électroniques, permettant l'installation et l'exploitation d'une ou plusieurs stations de base;
37° réseau radio-électrique : ensemble des stations de base d'un opérateur donné;
38° coûts d'établissement de la base de données des sites d'antennes : les coûts afférents à l'établissement ou au développement d'une base de données des sites d'antennes;
39° coûts périodiques de la base de données des sites d'antennes : les coûts annuels engendrés par l'exploitation et l'entretien de cette base de données. ".
" 32° roaming national : la faculté pour un opérateur de permettre à ses clients d'accéder dans le même pays aux services offerts par un autre opérateur de réseau mobile de radio-communications;
33° antenne : dispositif destiné au rayonnement et à la captation d'ondes électro-magnétiques;
34° station de base : ensemble des antennes, câbles et équipements électroniques d'émission et de réception destiné à assurer la couverture radio-électrique d'une zone géographique donnée;
35° support : structure sur laquelle peuvent être placées les antennes de stations de base;
36° site d'antennes : ensemble des constructions, comportant au moins un support, une antenne et des locaux pour les équipements électriques et électroniques, permettant l'installation et l'exploitation d'une ou plusieurs stations de base;
37° réseau radio-électrique : ensemble des stations de base d'un opérateur donné;
38° coûts d'établissement de la base de données des sites d'antennes : les coûts afférents à l'établissement ou au développement d'une base de données des sites d'antennes;
39° coûts périodiques de la base de données des sites d'antennes : les coûts annuels engendrés par l'exploitation et l'entretien de cette base de données. ".
Art.3. In artikel 79ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 19 december 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 maart 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de paragrafen 1 en 2, worden, tussen de woorden " bijzondere toegang " en " en gedeeld gebruik ", de woorden " , ontbundelde toegang tot het aansluitnet " ingevoegd;
2° paragraaf 2 wordt aangevuld als volgt :
" Wanneer de Kamer oordeelt over de verlenging van de onderhandelingstermijn vermeld in artikel 108bis neemt zij een beslissing binnen de tien werkdagen na het indienen van het verzoek. Deze verlenging mag niet meer bedragen dan vier maanden te rekenen vanaf de beslissing van de Kamer. ".
1° in de paragrafen 1 en 2, worden, tussen de woorden " bijzondere toegang " en " en gedeeld gebruik ", de woorden " , ontbundelde toegang tot het aansluitnet " ingevoegd;
2° paragraaf 2 wordt aangevuld als volgt :
" Wanneer de Kamer oordeelt over de verlenging van de onderhandelingstermijn vermeld in artikel 108bis neemt zij een beslissing binnen de tien werkdagen na het indienen van het verzoek. Deze verlenging mag niet meer bedragen dan vier maanden te rekenen vanaf de beslissing van de Kamer. ".
Art.3. A l'article 79ter de la même loi, inséré par la loi du 19 décembre 1997 et modifié par l'arrêté royal du 4 mars 1999, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux paragraphes 1er et 2, les mots " , l'accès dégroupé à la boucle locale " sont insérés entre les mots " accès spécial " et les mots " et les utilisations partagées ";
2° le paragraphe 2 est complété comme suit :
" Quand la Chambre se prononce sur la prolongation des délais de négociations, mentionnés à l'article 108bis, elle prend sa décision dans les dix jours ouvrables après l'introduction de la requête. Cette prolongation ne peut être supérieure à quatre mois à partir de la décision de la Chambre. ".
1° aux paragraphes 1er et 2, les mots " , l'accès dégroupé à la boucle locale " sont insérés entre les mots " accès spécial " et les mots " et les utilisations partagées ";
2° le paragraphe 2 est complété comme suit :
" Quand la Chambre se prononce sur la prolongation des délais de négociations, mentionnés à l'article 108bis, elle prend sa décision dans les dix jours ouvrables après l'introduction de la requête. Cette prolongation ne peut être supérieure à quatre mois à partir de la décision de la Chambre. ".
Art.4. Artikel 83 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 19 december 1997, wordt aangevuld met een § 3, luidend :
" § 3. Indien een andere operator via een volledig ontbundelde toegang de exclusiviteit bezit van de lijn die een gebruiker toegang geeft tot het vaste openbare telecommunicatienetwerk, wordt de aanbieder van de universele dienst geacht aan de verplichtingen ten aanzien van deze gebruiker, waartoe hij is gehouden op grond van de artikelen 83 tot 86 en in bijlage 1 van de onderhavige wet, te hebben voldaan. ".
" § 3. Indien een andere operator via een volledig ontbundelde toegang de exclusiviteit bezit van de lijn die een gebruiker toegang geeft tot het vaste openbare telecommunicatienetwerk, wordt de aanbieder van de universele dienst geacht aan de verplichtingen ten aanzien van deze gebruiker, waartoe hij is gehouden op grond van de artikelen 83 tot 86 en in bijlage 1 van de onderhavige wet, te hebben voldaan. ".
Art.4. L'article 83 de la même loi, remplacé par la loi du 19 décembre 1997, est complété par un § 3, libellé comme suit :
" § 3. Si, au moyen d'un accès entièrement dégroupé, un autre opérateur possède l'exclusivité de la ligne qui donne à un utilisateur l'accès au réseau public de télécommunications fixe, le fournisseur du service universel est présumé avoir satisfait, à l'égard de cet utilisateur, aux obligations qui lui incombent en vertu des articles 83 à 86 et de l'annexe 1 de la présente loi. ".
" § 3. Si, au moyen d'un accès entièrement dégroupé, un autre opérateur possède l'exclusivité de la ligne qui donne à un utilisateur l'accès au réseau public de télécommunications fixe, le fournisseur du service universel est présumé avoir satisfait, à l'égard de cet utilisateur, aux obligations qui lui incombent en vertu des articles 83 à 86 et de l'annexe 1 de la présente loi. ".
Art.5. In artikel 89 van dezelfde wet, wordt een § 5 toegevoegd, luidend als volgt :
§ 5. De Koning bepaalt welke operatoren nationale roaming moeten aanbieden en welke operatoren recht hebben op nationale roaming.
De Koning bepaalt de draagwijdte van de nationale roaming en de voorwaarden waaronder deze moet worden aangeboden, en onder meer :
a) de vereiste minimum ontplooiing van het eigen netwerk van de operator die recht heeft op nationale roaming;
b) de diensten waarop de overeenkomst van nationale roaming betrekking heeft;
c) de geografische gebieden waarop de overeenkomst van nationale roaming betrekking heeft;
d) de duur van de overeenkomst van nationale roaming;
e) de omstandigheden die geheel of gedeeltelijk een einde maken aan de overeenkomst van nationale roaming.
De voorwaarden van nationale roaming moeten redelijk, niet-discriminerend en proportioneel zijn, in het bijzonder betreffende de aard, de kwaliteit en de tarifering van de aangeboden diensten en de toegang tot het netwerk.
De Koning bepaalt de omstandigheden waarin een operator die nationale roaming moet aanbieden of een operator die recht heeft op nationale roaming zich tot het Instituut kan wenden opdat het maatregelen neemt om het geschil met betrekking tot de totstandkoming of de wijziging van een overeenkomst van nationale roaming te beslechten.
Indien een geschil aanhangig is gemaakt bij het Instituut, kan het Instituut onder meer de volgende maatregelen opleggen :
a) een tijdslimiet stellen voor het afronden van de onderhandelingen over de overeenkomst van nationale roaming of de wijziging ervan, en maatregelen bepalen die genomen zullen worden ingeval een akkoord niet zou zijn bereikt binnen deze tijdslimiet;
b) bepalen welke elementen opgenomen dienen te worden in de overeenkomst van nationale roaming;
c) specifieke verbintenissen bepalen die door één of meerdere van de partijen bij de overeenkomst van nationale roaming dienen gerespecteerd te worden, zoals onder meer het aanbieden van nationale roaming aan een tarief berekend volgens een methode die de Koning bepaalt.
Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid, houdt het Instituut onder meer rekening met :
a) de belangen van de gebruiker;
b) de dekking van minder dichtbevolkte gebieden;
c) aan de partijen opgelegde reglementaire verplichtingen of beperkingen;
d) de wenselijkheid het aanbod van innovatieve oplossingen te stimuleren en de gebruikers een breed scala van communicatiediensten aan te bieden;
e) de noodzaak de integriteit van het openbaar telecommunicatienetwerk en de interoperabiliteit van diensten in stand te houden;
f) de aard van het verzoek in verhouding tot de middelen die beschikbaar zijn om aan het verzoek te voldoen;
g) de noodzaak voor de operator die nationale roaming dient aan te bieden om de kwaliteit van zijn diensten te behouden en de noodzaak om van de operator die recht heeft op nationale roaming accurate en tijdige informatie te bekomen teneinde de organisatie van het netwerk te vergemakkelijken;
h) de relatieve marktposities van de partijen;
i) het algemeen belang, en;
j) de bevordering van de mededinging. ".
§ 5. De Koning bepaalt welke operatoren nationale roaming moeten aanbieden en welke operatoren recht hebben op nationale roaming.
De Koning bepaalt de draagwijdte van de nationale roaming en de voorwaarden waaronder deze moet worden aangeboden, en onder meer :
a) de vereiste minimum ontplooiing van het eigen netwerk van de operator die recht heeft op nationale roaming;
b) de diensten waarop de overeenkomst van nationale roaming betrekking heeft;
c) de geografische gebieden waarop de overeenkomst van nationale roaming betrekking heeft;
d) de duur van de overeenkomst van nationale roaming;
e) de omstandigheden die geheel of gedeeltelijk een einde maken aan de overeenkomst van nationale roaming.
De voorwaarden van nationale roaming moeten redelijk, niet-discriminerend en proportioneel zijn, in het bijzonder betreffende de aard, de kwaliteit en de tarifering van de aangeboden diensten en de toegang tot het netwerk.
De Koning bepaalt de omstandigheden waarin een operator die nationale roaming moet aanbieden of een operator die recht heeft op nationale roaming zich tot het Instituut kan wenden opdat het maatregelen neemt om het geschil met betrekking tot de totstandkoming of de wijziging van een overeenkomst van nationale roaming te beslechten.
Indien een geschil aanhangig is gemaakt bij het Instituut, kan het Instituut onder meer de volgende maatregelen opleggen :
a) een tijdslimiet stellen voor het afronden van de onderhandelingen over de overeenkomst van nationale roaming of de wijziging ervan, en maatregelen bepalen die genomen zullen worden ingeval een akkoord niet zou zijn bereikt binnen deze tijdslimiet;
b) bepalen welke elementen opgenomen dienen te worden in de overeenkomst van nationale roaming;
c) specifieke verbintenissen bepalen die door één of meerdere van de partijen bij de overeenkomst van nationale roaming dienen gerespecteerd te worden, zoals onder meer het aanbieden van nationale roaming aan een tarief berekend volgens een methode die de Koning bepaalt.
Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid, houdt het Instituut onder meer rekening met :
a) de belangen van de gebruiker;
b) de dekking van minder dichtbevolkte gebieden;
c) aan de partijen opgelegde reglementaire verplichtingen of beperkingen;
d) de wenselijkheid het aanbod van innovatieve oplossingen te stimuleren en de gebruikers een breed scala van communicatiediensten aan te bieden;
e) de noodzaak de integriteit van het openbaar telecommunicatienetwerk en de interoperabiliteit van diensten in stand te houden;
f) de aard van het verzoek in verhouding tot de middelen die beschikbaar zijn om aan het verzoek te voldoen;
g) de noodzaak voor de operator die nationale roaming dient aan te bieden om de kwaliteit van zijn diensten te behouden en de noodzaak om van de operator die recht heeft op nationale roaming accurate en tijdige informatie te bekomen teneinde de organisatie van het netwerk te vergemakkelijken;
h) de relatieve marktposities van de partijen;
i) het algemeen belang, en;
j) de bevordering van de mededinging. ".
Art.5. L'article 89 de la même loi est complété par un § 5, rédigé comme suit" :
§ 5. Le Roi détermine quels opérateurs ont l'obligation d'offrir le roaming national et quels opérateurs peuvent en bénéficier.
Le Roi fixe la portée du roaming national, ainsi que les conditions auxquelles celui-ci doit être offert, et entre autres :
a) le déploiement minimum d'un réseau propre par l'opérateur qui a droit au roaming national;
b) les services couverts par le contrat de roaming national;
c) l'étendue géographique du contrat de roaming national;
d) la durée du contrat de roaming national;
e) les circonstances qui peuvent mettre fin à tout ou partie du contrat de roaming national.
Les conditions du roaming national doivent être raisonnables, non discriminatoires et proportionnelles, en particulier concernant la nature, la qualité et la tarification des services offerts et l'accès au réseau.
Le Roi fixe les circonstances dans lesquelles un opérateur qui a l'obligation de fournir le roaming national ou un opérateur qui a droit au roaming national peut saisir l'Institut, afin qu'il prenne des mesures pour régler un litige lié à la conclusion ou la modification d'un contrat de roaming national.
Lorsqu'il est saisi, l'Institut peut, entre autres, imposer les mesures suivantes :
a) fixer une limite de temps pour l'aboutissement des négociations relatives au contrat de roaming national ou à sa modification, et les mesures qui seront prises au cas où un accord ne serait pas atteint dans cette limite de temps;
b) déterminer quels éléments doivent être repris dans le contrat de roaming national;
c) déterminer des engagements spécifiques qui doivent être respectés par une ou plusieurs des parties au contrat de roaming national, tels que, entre autres, le tarif de l'offre du roaming national calculé selon la méthode que le Roi détermine.
Dans l'exercice de sa compétence, l'Institut tiendra notamment compte :
a) des intérêts des utilisateurs;
b) de la couverture des territoires moins denses en population;
c) des obligations ou limitations réglementaires imposées aux parties;
d) de l'opportunité de stimuler l'offre de solutions innovatrices et d'offrir aux utilisateurs une large gamme de services de télécommunications;
e) de la nécessité de maintenir l'intégrité du réseau public de télécommunications et l'interopérabilité des services;
f) de la nature de la requête par rapport aux moyens disponibles pour y satisfaire;
g) de la nécessité pour l'opérateur qui doit offrir le roaming national de maintenir la qualité de ses services et de la nécessité d'obtenir de l'opérateur qui a droit au roaming national une information précise et en temps utile, afin de faciliter l'organisation du réseau;
h) des positions relatives sur le marché des parties;
i) de l'intérêt général, et;
j) de la promotion de la concurrence."
§ 5. Le Roi détermine quels opérateurs ont l'obligation d'offrir le roaming national et quels opérateurs peuvent en bénéficier.
Le Roi fixe la portée du roaming national, ainsi que les conditions auxquelles celui-ci doit être offert, et entre autres :
a) le déploiement minimum d'un réseau propre par l'opérateur qui a droit au roaming national;
b) les services couverts par le contrat de roaming national;
c) l'étendue géographique du contrat de roaming national;
d) la durée du contrat de roaming national;
e) les circonstances qui peuvent mettre fin à tout ou partie du contrat de roaming national.
Les conditions du roaming national doivent être raisonnables, non discriminatoires et proportionnelles, en particulier concernant la nature, la qualité et la tarification des services offerts et l'accès au réseau.
Le Roi fixe les circonstances dans lesquelles un opérateur qui a l'obligation de fournir le roaming national ou un opérateur qui a droit au roaming national peut saisir l'Institut, afin qu'il prenne des mesures pour régler un litige lié à la conclusion ou la modification d'un contrat de roaming national.
Lorsqu'il est saisi, l'Institut peut, entre autres, imposer les mesures suivantes :
a) fixer une limite de temps pour l'aboutissement des négociations relatives au contrat de roaming national ou à sa modification, et les mesures qui seront prises au cas où un accord ne serait pas atteint dans cette limite de temps;
b) déterminer quels éléments doivent être repris dans le contrat de roaming national;
c) déterminer des engagements spécifiques qui doivent être respectés par une ou plusieurs des parties au contrat de roaming national, tels que, entre autres, le tarif de l'offre du roaming national calculé selon la méthode que le Roi détermine.
Dans l'exercice de sa compétence, l'Institut tiendra notamment compte :
a) des intérêts des utilisateurs;
b) de la couverture des territoires moins denses en population;
c) des obligations ou limitations réglementaires imposées aux parties;
d) de l'opportunité de stimuler l'offre de solutions innovatrices et d'offrir aux utilisateurs une large gamme de services de télécommunications;
e) de la nécessité de maintenir l'intégrité du réseau public de télécommunications et l'interopérabilité des services;
f) de la nature de la requête par rapport aux moyens disponibles pour y satisfaire;
g) de la nécessité pour l'opérateur qui doit offrir le roaming national de maintenir la qualité de ses services et de la nécessité d'obtenir de l'opérateur qui a droit au roaming national une information précise et en temps utile, afin de faciliter l'organisation du réseau;
h) des positions relatives sur le marché des parties;
i) de l'intérêt général, et;
j) de la promotion de la concurrence."
Art.6. In dezelfde wet, wordt een artikel 92quinquies ingevoegd, luidende :
" Art. 92quinquies. § 1. Dit artikel is van toepassing op de operatoren bedoeld in de artikelen 89 en 92bis.
§ 2. De operator stelt alles in het werk om, in de mate van het mogelijke, zijn antennes op reeds bestaande steunen te bevestigen, zoals daken van gebouwen, pylonen, gevels, zonder dat deze lijst beperkend is.
§ 3. Indien ten minste de steun van een antennesite eigendom is van één of meer operatoren, antwoordt hij of antwoorden zij gunstig op elk redelijk verzoek vanwege andere operatoren om hen ertoe in staat te stellen hun eigen antennes te bevestigen op de bestaande steun.
Deze verplichting tot gedeeld gebruik strekt zich uit over de installatie in de belendende lokalen, indien deze laatste eigendom van één of meer operatoren zijn, van elektronische of elektrische uitrustingen van het basisstation, voor zover het betrokken gebouw de mogelijkheid biedt om de uitrustingen van verschillende operatoren in afzonderlijke lokalen te installeren.
De betrokken operatoren onderhandelen te goeder trouw over een overeenkomst inzake gedeeld gebruik, waarvan de bepalingen redelijk, proportioneel en niet-discriminerend moeten zijn. Bovendien mag de vergoeding voor het gedeeld gebruik enkel gebaseerd zijn op de globale kosten bestaande uit de werkelijke directe verwervingskosten van het terrein, de werkelijke bouw- en onderhoudskosten, vermeerderd met een percentage dat gelijk is aan de gewogen gemiddelde kapitaalkosten van de operator die gedeeld gebruik verleent, zoals deze door hem aan het Instituut wordt voorgesteld en door het Instituut wordt vastgesteld.
Indien gelijktijdig of later meerdere operatoren verzoeken om gedeeld gebruik, worden de globale kosten gelijk verdeeld over al de operatoren die gedeeld gebruik maken.
Operatoren kunnen het gedeeld gebruik van een antennesite maar weigeren op grond van technische redenen welke behoorlijk gerechtvaardigd worden, en die als dusdanig op hun verzoek door de Kamer worden erkend.
Indien de plaatsing van de extra antennes aanzienlijke verstevigingswerken aan de bestaande structuur vereist, hebben operatoren, eigenaars van de site, het recht de bewezen investeringen in de meerkosten te laten betalen door de operatoren die gedeeld gebruik wensen, op basis van een overeenkomst waarvan de bepalingen redelijk, proportioneel en niet-discriminerend moeten zijn.
De bepalingen van deze paragraaf gelden tevens voor antennesites waarvan de steun eigendom is van een natuurlijke of rechtspersoon die direct of indirect met een operator is verbonden, of die ten behoeve van een operator door een derde worden beheerd.
Onder " direct of indirect verbonden natuurlijke of rechtspersoon ", wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan elke natuurlijke of rechtspersoon waarop de operator rechtstreeks of onrechtstreeks een overheersende invloed kan uitoefenen, of elke natuurlijke of rechtspersoon die een overheersende invloed kan uitoefenen op de operator of die, zoals de operator, onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere natuurlijke of rechtspersoon omwille van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.
De overheersende invloed wordt ten aanzien van een rechtspersoon inzonderheid vermoed wanneer een natuurlijke of rechtspersoon, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten opzichte van een andere rechtspersoon :
a) de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de rechtspersoon bezit, of;
b) beschikt over de meerderheid van de stemmen die verbonden zijn met de door de rechtspersoon uitgegeven aandelen, of;
c) meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de rechtspersoon kan aanwijzen.
§ 4. Indien een antennesite geheel of gedeeltelijk eigendom is van een derde, verzetten de operatoren die deze site exploiteren of deze gedeeld gebruiken, zich op generlei wijze tegen het afsluiten van een akkoord tussen die derde en een of meer andere operatoren, waardoor aan deze laatsten de mogelijkheid wordt geboden de betreffende site gedeeld te gebruiken.
In de contracten die operatoren afsluiten met de in het eerste lid bedoelde derden, nemen zij geen beding op dat tot gevolg zou hebben het gedeeld gebruik van de betreffende site aan een of meerdere andere operatoren te verbieden of te bemoeilijken, met inbegrip van elk beding dat er op gericht is een wederkerigheidsvoorwaarde, in welke vorm ook, op te leggen.
Ten aanzien van overeenkomsten die voor de datum van inwerkingtreding van dit artikel gesloten zijn en die een dergelijk beding zouden bevatten, onderhandelen de betrokken operatoren onverwijld over een wijziging van de overeenkomst, om het betreffende beding op te heffen binnen een maximumtermijn van drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit artikel. Na die uiterste datum vervalt elk beding dat in strijd is met de bepalingen van dit artikel.
§ 5. Elke operator is ertoe gehouden om minstens één maand voor hij bij de bevoegde overheid een aanvraag voor een stedebouwkundige vergunning indient voor een bepaalde antennesite of voor een deel van een site, van deze intentie kennis te geven aan de overige operatoren.
De overige operatoren maken binnen de maand na de kennisgeving aan de eerst bedoelde operator hun verzoek over om de betreffende antennesite of het deel van de site gedeeld te gebruiken.
In voorkomend geval is de eerst bedoelde operator ertoe gehouden om voorafgaandelijk aan het indienen van de bedoelde stedebouwkundige aanvraag over de technische en financiële voorwaarden van het gedeeld gebruik van betreffende antennesite met de overige operatoren te goeder trouw te onderhandelen en een overeenkomst te sluiten volgens de beginselen vastgesteld in § 3, derde lid.
Na het sluiten van deze overeenkomst dienen de betrokken operatoren bij de bevoegde overheid samen een aanvraag voor een stedebouwkundige vergunning in.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, nemen de operatoren de nodige maatregelen om de stabiliteit en de hoogte van de pyloon van de antennesites die zij bouwen, laten bouwen of wijzigen, geschikt te maken voor gedeeld gebruik met andere operatoren.
Behoudens wanneer zulks om door de Kamer aanvaarde technische redenen onmogelijk zou zijn, nemen de operatoren de nodige maatregelen voor gedeeld gebruik van de site door al de operatoren die erom hebben verzocht.
De verplichtingen van deze paragraaf gelden tevens voor reeds ingediende aanvragen tot stedebouwkundige vergunningen; operatoren passen in voorkomend geval hun aanvragen aan, binnen een termijn van drie maanden na de inwerkingtreding van dit artikel.
§ 6. Om het gedeeld gebruik van de antennesites te vergemakkelijken wordt een databank van antennesites gecreëerd die alle relevante informatie zal bevatten om de evaluatie van sites, met het oog op het gedeeld gebruik ervan, te vergemakkelijken. Aanvragen en plannen voor nieuwe sites, zullen ook op geëigende wijze in de databank opgenomen worden.
Medewerking door de operatoren aan de uitbouw en het gebruik van de databank van antennesites is verplicht.
De Koning kan de bestuursvorm en de wijze van beheer van de databank van antennesites vastleggen.
De beheerder van de databank van antennesites bezorgt aan elke operator en aan het Instituut een volledige lijst van al de bestaande en geplande antennesites binnen de drie maanden na de aanvang van de werkzaamheden van de databank. Op de eerste werkdag van elke maand bezorgt elke operator aan de beheerder van de databank van de antennesites en aan het Instituut een volledige en geactualiseerde lijst van al zijn bestaande en geplande antennesites. De beheerder van de databank zal de operatoren maandelijks inlichten over wijzigingen aan de bestaande en geplande antennesites.
Die lijst wordt voorgelegd in elektronische vorm en volgens een formaat dat door het Instituut wordt vastgesteld, en bevat voor elke antennesite de volgende gegevens :
- het postadres;
- de geografische coördinaten van de steun volgens het Lambertsysteem;
- de maximale bruikbare hoogte en windbelasting van de steun;
- de staat van vordering van de site : site aangelegd, stedebouwkundige vergunning verkregen, stedebouwkundige vergunning aangevraagd, voorlopige site.
De beheerder van de databank van antennesites bezorgt op de eerste werkdag van elk kwartaal aan het Instituut een verslag over de sites die door de operatoren gedeeld worden gebruikt. Dat verslag bevat ten minste de gegevens die door het Instituut zijn bepaald.
De inrichtingskosten en de periodieke kosten van de databank van antennesites worden gedragen door alle operatoren op basis van een overeenkomst waarover zij onderling onderhandelen. Indien een dergelijke overeenkomst niet wordt afgesloten binnen een termijn van drie maand na de inwerkingtreding van dit artikel, worden de kosten van de databank van antennesites en de verdeling per operator door de Koning bepaald. Indien een aanpassing van deze overeenkomst niet bekomen wordt binnen drie maand na het verzoek daartoe door een nieuwe operator, worden de kosten van de databank van antennesites en de verdeling per operator door de Koning bepaald.
Het Instituut ziet er op toe dat de databank van de antennesites met het oog op het algemeen belang beheerd wordt.
In voorkomend geval kan het Instituut de maatregelen opleggen die het nodig acht ter vrijwaring van het algemeen belang en voor een vlot systeem van informatie-uitwisseling inzake sites en hun gedeeld gebruik.
§ 7. Binnen drie maand na de datum van inwerkingtreding van dit artikel, worden de reeds tussen de operatoren gesloten overeenkomsten of de reeds tussen operatoren en derden gesloten overeenkomsten die erop gericht zijn antennesites gedeeld te gebruiken in voorkomend geval gewijzigd om deze aan te passen aan de bepalingen van dit artikel.
§ 8. Alle geschillen tussen operatoren in verband met de tenuitvoerlegging van dit artikel kunnen overeenkomstig artikel 79ter aan de Kamer worden voorgelegd".Art.7. In artikel 106 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 19 december 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
in paragraaf 1, wordt een punt 5° toegevoegd, luidende :
" 5° de ontbundelde toegang tot het aansluitnet. Wanneer het Instituut van oordeel is dat op de lokale toegangsmarkt in voldoende mate concurrentie aanwezig is, wordt de verplichting inzake kostenoriëntatie op deze markt opgeheven. Het Instituut neemt die beslissing slechts na een openbare consultatie. ".
" Art. 92quinquies. § 1. Dit artikel is van toepassing op de operatoren bedoeld in de artikelen 89 en 92bis.
§ 2. De operator stelt alles in het werk om, in de mate van het mogelijke, zijn antennes op reeds bestaande steunen te bevestigen, zoals daken van gebouwen, pylonen, gevels, zonder dat deze lijst beperkend is.
§ 3. Indien ten minste de steun van een antennesite eigendom is van één of meer operatoren, antwoordt hij of antwoorden zij gunstig op elk redelijk verzoek vanwege andere operatoren om hen ertoe in staat te stellen hun eigen antennes te bevestigen op de bestaande steun.
Deze verplichting tot gedeeld gebruik strekt zich uit over de installatie in de belendende lokalen, indien deze laatste eigendom van één of meer operatoren zijn, van elektronische of elektrische uitrustingen van het basisstation, voor zover het betrokken gebouw de mogelijkheid biedt om de uitrustingen van verschillende operatoren in afzonderlijke lokalen te installeren.
De betrokken operatoren onderhandelen te goeder trouw over een overeenkomst inzake gedeeld gebruik, waarvan de bepalingen redelijk, proportioneel en niet-discriminerend moeten zijn. Bovendien mag de vergoeding voor het gedeeld gebruik enkel gebaseerd zijn op de globale kosten bestaande uit de werkelijke directe verwervingskosten van het terrein, de werkelijke bouw- en onderhoudskosten, vermeerderd met een percentage dat gelijk is aan de gewogen gemiddelde kapitaalkosten van de operator die gedeeld gebruik verleent, zoals deze door hem aan het Instituut wordt voorgesteld en door het Instituut wordt vastgesteld.
Indien gelijktijdig of later meerdere operatoren verzoeken om gedeeld gebruik, worden de globale kosten gelijk verdeeld over al de operatoren die gedeeld gebruik maken.
Operatoren kunnen het gedeeld gebruik van een antennesite maar weigeren op grond van technische redenen welke behoorlijk gerechtvaardigd worden, en die als dusdanig op hun verzoek door de Kamer worden erkend.
Indien de plaatsing van de extra antennes aanzienlijke verstevigingswerken aan de bestaande structuur vereist, hebben operatoren, eigenaars van de site, het recht de bewezen investeringen in de meerkosten te laten betalen door de operatoren die gedeeld gebruik wensen, op basis van een overeenkomst waarvan de bepalingen redelijk, proportioneel en niet-discriminerend moeten zijn.
De bepalingen van deze paragraaf gelden tevens voor antennesites waarvan de steun eigendom is van een natuurlijke of rechtspersoon die direct of indirect met een operator is verbonden, of die ten behoeve van een operator door een derde worden beheerd.
Onder " direct of indirect verbonden natuurlijke of rechtspersoon ", wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan elke natuurlijke of rechtspersoon waarop de operator rechtstreeks of onrechtstreeks een overheersende invloed kan uitoefenen, of elke natuurlijke of rechtspersoon die een overheersende invloed kan uitoefenen op de operator of die, zoals de operator, onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere natuurlijke of rechtspersoon omwille van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.
De overheersende invloed wordt ten aanzien van een rechtspersoon inzonderheid vermoed wanneer een natuurlijke of rechtspersoon, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten opzichte van een andere rechtspersoon :
a) de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de rechtspersoon bezit, of;
b) beschikt over de meerderheid van de stemmen die verbonden zijn met de door de rechtspersoon uitgegeven aandelen, of;
c) meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de rechtspersoon kan aanwijzen.
§ 4. Indien een antennesite geheel of gedeeltelijk eigendom is van een derde, verzetten de operatoren die deze site exploiteren of deze gedeeld gebruiken, zich op generlei wijze tegen het afsluiten van een akkoord tussen die derde en een of meer andere operatoren, waardoor aan deze laatsten de mogelijkheid wordt geboden de betreffende site gedeeld te gebruiken.
In de contracten die operatoren afsluiten met de in het eerste lid bedoelde derden, nemen zij geen beding op dat tot gevolg zou hebben het gedeeld gebruik van de betreffende site aan een of meerdere andere operatoren te verbieden of te bemoeilijken, met inbegrip van elk beding dat er op gericht is een wederkerigheidsvoorwaarde, in welke vorm ook, op te leggen.
Ten aanzien van overeenkomsten die voor de datum van inwerkingtreding van dit artikel gesloten zijn en die een dergelijk beding zouden bevatten, onderhandelen de betrokken operatoren onverwijld over een wijziging van de overeenkomst, om het betreffende beding op te heffen binnen een maximumtermijn van drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit artikel. Na die uiterste datum vervalt elk beding dat in strijd is met de bepalingen van dit artikel.
§ 5. Elke operator is ertoe gehouden om minstens één maand voor hij bij de bevoegde overheid een aanvraag voor een stedebouwkundige vergunning indient voor een bepaalde antennesite of voor een deel van een site, van deze intentie kennis te geven aan de overige operatoren.
De overige operatoren maken binnen de maand na de kennisgeving aan de eerst bedoelde operator hun verzoek over om de betreffende antennesite of het deel van de site gedeeld te gebruiken.
In voorkomend geval is de eerst bedoelde operator ertoe gehouden om voorafgaandelijk aan het indienen van de bedoelde stedebouwkundige aanvraag over de technische en financiële voorwaarden van het gedeeld gebruik van betreffende antennesite met de overige operatoren te goeder trouw te onderhandelen en een overeenkomst te sluiten volgens de beginselen vastgesteld in § 3, derde lid.
Na het sluiten van deze overeenkomst dienen de betrokken operatoren bij de bevoegde overheid samen een aanvraag voor een stedebouwkundige vergunning in.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, nemen de operatoren de nodige maatregelen om de stabiliteit en de hoogte van de pyloon van de antennesites die zij bouwen, laten bouwen of wijzigen, geschikt te maken voor gedeeld gebruik met andere operatoren.
Behoudens wanneer zulks om door de Kamer aanvaarde technische redenen onmogelijk zou zijn, nemen de operatoren de nodige maatregelen voor gedeeld gebruik van de site door al de operatoren die erom hebben verzocht.
De verplichtingen van deze paragraaf gelden tevens voor reeds ingediende aanvragen tot stedebouwkundige vergunningen; operatoren passen in voorkomend geval hun aanvragen aan, binnen een termijn van drie maanden na de inwerkingtreding van dit artikel.
§ 6. Om het gedeeld gebruik van de antennesites te vergemakkelijken wordt een databank van antennesites gecreëerd die alle relevante informatie zal bevatten om de evaluatie van sites, met het oog op het gedeeld gebruik ervan, te vergemakkelijken. Aanvragen en plannen voor nieuwe sites, zullen ook op geëigende wijze in de databank opgenomen worden.
Medewerking door de operatoren aan de uitbouw en het gebruik van de databank van antennesites is verplicht.
De Koning kan de bestuursvorm en de wijze van beheer van de databank van antennesites vastleggen.
De beheerder van de databank van antennesites bezorgt aan elke operator en aan het Instituut een volledige lijst van al de bestaande en geplande antennesites binnen de drie maanden na de aanvang van de werkzaamheden van de databank. Op de eerste werkdag van elke maand bezorgt elke operator aan de beheerder van de databank van de antennesites en aan het Instituut een volledige en geactualiseerde lijst van al zijn bestaande en geplande antennesites. De beheerder van de databank zal de operatoren maandelijks inlichten over wijzigingen aan de bestaande en geplande antennesites.
Die lijst wordt voorgelegd in elektronische vorm en volgens een formaat dat door het Instituut wordt vastgesteld, en bevat voor elke antennesite de volgende gegevens :
- het postadres;
- de geografische coördinaten van de steun volgens het Lambertsysteem;
- de maximale bruikbare hoogte en windbelasting van de steun;
- de staat van vordering van de site : site aangelegd, stedebouwkundige vergunning verkregen, stedebouwkundige vergunning aangevraagd, voorlopige site.
De beheerder van de databank van antennesites bezorgt op de eerste werkdag van elk kwartaal aan het Instituut een verslag over de sites die door de operatoren gedeeld worden gebruikt. Dat verslag bevat ten minste de gegevens die door het Instituut zijn bepaald.
De inrichtingskosten en de periodieke kosten van de databank van antennesites worden gedragen door alle operatoren op basis van een overeenkomst waarover zij onderling onderhandelen. Indien een dergelijke overeenkomst niet wordt afgesloten binnen een termijn van drie maand na de inwerkingtreding van dit artikel, worden de kosten van de databank van antennesites en de verdeling per operator door de Koning bepaald. Indien een aanpassing van deze overeenkomst niet bekomen wordt binnen drie maand na het verzoek daartoe door een nieuwe operator, worden de kosten van de databank van antennesites en de verdeling per operator door de Koning bepaald.
Het Instituut ziet er op toe dat de databank van de antennesites met het oog op het algemeen belang beheerd wordt.
In voorkomend geval kan het Instituut de maatregelen opleggen die het nodig acht ter vrijwaring van het algemeen belang en voor een vlot systeem van informatie-uitwisseling inzake sites en hun gedeeld gebruik.
§ 7. Binnen drie maand na de datum van inwerkingtreding van dit artikel, worden de reeds tussen de operatoren gesloten overeenkomsten of de reeds tussen operatoren en derden gesloten overeenkomsten die erop gericht zijn antennesites gedeeld te gebruiken in voorkomend geval gewijzigd om deze aan te passen aan de bepalingen van dit artikel.
§ 8. Alle geschillen tussen operatoren in verband met de tenuitvoerlegging van dit artikel kunnen overeenkomstig artikel 79ter aan de Kamer worden voorgelegd".Art.7. In artikel 106 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 19 december 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
in paragraaf 1, wordt een punt 5° toegevoegd, luidende :
" 5° de ontbundelde toegang tot het aansluitnet. Wanneer het Instituut van oordeel is dat op de lokale toegangsmarkt in voldoende mate concurrentie aanwezig is, wordt de verplichting inzake kostenoriëntatie op deze markt opgeheven. Het Instituut neemt die beslissing slechts na een openbare consultatie. ".
Art.6. Un article 92quinquies, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
"Art. 92quinquies. § 1er. Cet article s'applique aux opérateurs visés aux articles 89 et 92bis.
§ 2. L'opérateur met tout en oeuvre pour installer, dans la mesure du possible, ses antennes sur des supports préexistants, tels que toitures de bâtiments, pylônes, façades, sans que cette liste ne soit limitative.
§ 3. Si au moins le support d'un site d'antennes est la propriété d'un ou de plusieurs opérateurs, celui-ci répond ou ceux-ci répondent favorablement à toute demande raisonnable d'autres opérateurs visant à leur permettre d'installer leurs propres antennes sur le support existant.
Cette obligation de partage est étendue à l'installation dans les locaux attenants, si ces derniers sont la propriété d'un ou de plusieurs opérateurs, des équipements électroniques ou électriques de la station de base, dans la mesure où le bâtiment concerné permet l'installation des équipements des différents opérateurs dans des locaux distincts.
Les opérateurs concernés négocient de bonne foi un accord relatif à l'utilisation partagée, dont les termes doivent être raisonnables, proportionnés et non discriminatoires. En outre, la redevance pour l'utilisation partagée ne peut être fondée que sur le coût global composé des coûts directs d'acquisition du terrain, des coûts réels de construction et d'entretien, augmenté d'un pourcentage égal au coût pondéré moyen de capital de l'opérateur accordant l'utilisation partagée, tel que celui-ci est présenté par lui à l'Institut et est déterminé par l'Institut.
Si en même temps ou par la suite plusieurs opérateurs demandent l'utilisation partagée, le coût global sera réparti en parts égales parmi tous les opérateurs qui partagent l'utilisation.
Les opérateurs ne peuvent refuser l'utilisation partagée d'un site d'antennes que pour des raisons d'ordre technique dûment justifiées et qui, à leur demande, sont reconnues comme telles par la Chambre.
Si l'installation des antennes supplémentaires requiert des travaux significatifs de renforcement de la structure existante, les opérateurs propriétaires de ce site sont en droit de faire payer les investissements dans le coût supplémentaire par les opérateurs qui désirent l'utilisation partagée, sur la base d'un accord, dont les termes doivent être raisonnables, proportionnels et non discriminatoires.
Les dispositions du présent paragraphe sont étendues aux sites d'antennes, dont le support est la propriété d'une personne physique ou morale liée directement ou indirectement à un opérateur, ou qui sont gérés par un tiers au profit d'un opérateur.
Pour l'exécution de ce paragraphe, on entend par " personne physique ou morale liée directement ou indirectement ", toute personne physique ou morale sur laquelle l'opérateur peut exercer, directement ou indirectement, une influence dominante, ou toute personne physique ou morale qui peut exercer une influence dominante sur l'opérateur ou qui, comme l'opérateur, est soumise à l'influence dominante d'une autre personne physique ou morale du fait de la propriété, de la participation financière ou des règles qui la régissent.
L'influence dominante est présumée vis-à-vis d'une personne morale, notamment lorsqu'une personne physique ou morale, directement ou indirectement, à l'égard d'une autre personne morale :
a) détient la majorité du capital souscrit de la personne morale, ou;
b) dispose de la majorité des voix attachées aux parts émises par la personne morale, ou;
c) peut désigner plus de la moitié des membres de l'organe d'administration, de direction ou de surveillance de la personne morale.
§ 4. Dans le cas où un site d'antennes est entièrement ou partiellement la propriété d'un tiers, les opérateurs exploitant ce site ou l'utilisant de façon partagée ne s'opposent d'aucune façon à la conclusion d'un accord entre ce tiers et un ou plusieurs autres opérateurs, par lequel il est donné la possibilité à ces derniers d'utiliser le site en question de façon partagée.
Dans les contrats que les opérateurs concluent avec les tiers visés à l'alinéa 1er, ils n'incluent aucune clause qui aurait pour effet d'interdire ou de rendre plus difficile l'utilisation partagée du site en question à un ou à plusieurs autres opérateurs, y compris toute clause visant à imposer une condition de réciprocité sous quelque forme que ce soit.
Pour les contrats conclus avant la date d'entrée en vigueur du présent article et qui comporteraient une telle clause, les opérateurs concernés négocient sans retard une modification du contrat, en vue d'abroger la clause concernée dans un délai maximum de trois mois à compter de la date d'entrée en vigueur du présent article. Au-delà de cette échéance, toute clause est réputée abrogée dans la mesure où elle contrevient aux dispositions du présent article.
§ 5. Au moins un mois avant d'introduire, auprès des autorités compétentes, une demande de permis d'urbanisme pour un site d'antennes déterminé ou pour une partie de site, chaque opérateur est tenu de notifier son intention aux autres opérateurs.
Dans le mois qui suit la notification, les autres opérateurs transmettent au premier opérateur leur demande d'utilisation conjointe du site d'antennes concerné ou de la partie de site.
Le cas échéant, le premier opérateur est tenu, avant de déposer la demande de permis d'urbanisme, de négocier de bonne foi les conditions techniques et financières de l'utilisation commune du site d'antennes concerné avec les autres opérateurs et de conclure un accord, conformément aux principes énoncés au § 3, alinéa 3.
Après avoir conclu cet accord, les opérateurs concernés doivent introduire ensemble une demande de permis d'urbanisme auprès des autorités compétentes.
Sans préjudice des dispositions de l'alinéa 1er, les opérateurs prennent les mesures nécessaires à ce que la stabilité et la hauteur des pylônes des sites d'antennes qu'ils construisent, font construire ou modifient, soient appropriées à l'utilisation partagée avec d'autres opérateurs.
Sauf lorsque l'utilisation partagée est impossible pour des raisons techniques acceptées par la Chambre, les opérateurs prennent les mesures nécessaires pour l'utilisation partagée du site par tous les opérateurs qui l'ont demandée.
Les obligations découlant du présent paragraphe sont d'application pour les demandes de permis d'urbanisme déjà introduites; le cas échéant, les opérateurs adaptent leur demande dans les trois mois suivant l'entrée en vigueur du présent article.
§ 6. Une base de données des sites d'antennes est créée afin de faciliter l'utilisation partagée des sites d'antennes qui contiendra toute information pertinente pour faciliter l'évaluation des sites pour le partage. Les demandes et les plans pour les nouveaux sites seront également inclus de manière appropriée dans la base de données.
La collaboration des opérateurs à l'élaboration et à l'utilisation de la base de données des sites d'antennes est obligatoire.
Le Roi peut déterminer le mode de gestion et d'administration de la base de données des sites d'antennes.
Le gestionnaire de la base de données des sites d'antennes transmet à chaque opérateur et à l'Institut une liste complète de tous les sites d'antennes existants et en projet dans les trois mois à partir de la mise en activité de la base de données. Le premier jour ouvrable de chaque mois, chaque opérateur fournit, au gestionnaire de la base de données des sites d'antennes, ainsi qu'à l'Institut, une liste complète et actualisée de tous ses sites d'antennes existants et en projet. Le gestionnaire de la base de données informe les opérateurs mensuellement des modifications des sites d'antennes existants et en projet.
Cette liste, présentée sous forme électronique, selon un format déterminé par l'Institut, comporte pour chaque site d'antennes les données suivantes :
- l'adresse postale;
- les coordonnées géographiques du support, selon le système Lambert;
- la hauteur maximale utilisable et l'exposition au vent maximale du support;
- l'état d'avancement du site : site construit, permis d'urbanisme obtenu, permis d'urbanisme demandé, site à caractère temporaire.
Le premier jour ouvrable de chaque trimestre, le gestionnaire de la base de données des sites d'antennes transmet à l'Institut un rapport sur les sites faisant l'objet d'une utilisation partagée par les opérateurs. Ce rapport comporte au moins les données déterminées par l'Institut.
Les coûts d'établissement et les coûts périodiques de la base de données des sites d'antennes sont supportés par tous les opérateurs sur la base d'un accord négocié entre eux. Si tel accord n'est pas conclu dans les trois mois suivant l'entrée en vigueur du présent article, les frais de la base de données des sites d'antennes et la répartition par opérateur sont déterminés par le Roi. Si aucun amendement à cet accord n'est obtenu dans les trois mois suivant la demande à cette fin par un nouvel opérateur, les frais de la base de données des sites d'antennes et la répartition par opérateur sont déterminés par le Roi.
L'Institut veille à ce que la base de données des sites d'antennes soit gérée dans l'intérêt général.
Le cas échéant, l'Institut peut imposer les mesures qu'il estime nécessaires pour la préservation de l'intérêt général et pour un système rapide d'échange d'informations relatives aux sites et à leur utilisation partagée.
§ 7. Dans les trois mois suivant la date d'entrée en vigueur du présent article, les contrats déjà conclus entre les opérateurs ou les contrats déjà conclus entre les opérateurs et des tiers visant à l'utilisation partagée de sites d'antennes sont modifiés, le cas échéant, en vue d'être mis en conformité aux dispositions du présent article.
§ 8. Tous litiges entre opérateurs relatifs à l'exécution du présent article peuvent être soumis à la Chambre, conformément à l'article 79ter".
"Art. 92quinquies. § 1er. Cet article s'applique aux opérateurs visés aux articles 89 et 92bis.
§ 2. L'opérateur met tout en oeuvre pour installer, dans la mesure du possible, ses antennes sur des supports préexistants, tels que toitures de bâtiments, pylônes, façades, sans que cette liste ne soit limitative.
§ 3. Si au moins le support d'un site d'antennes est la propriété d'un ou de plusieurs opérateurs, celui-ci répond ou ceux-ci répondent favorablement à toute demande raisonnable d'autres opérateurs visant à leur permettre d'installer leurs propres antennes sur le support existant.
Cette obligation de partage est étendue à l'installation dans les locaux attenants, si ces derniers sont la propriété d'un ou de plusieurs opérateurs, des équipements électroniques ou électriques de la station de base, dans la mesure où le bâtiment concerné permet l'installation des équipements des différents opérateurs dans des locaux distincts.
Les opérateurs concernés négocient de bonne foi un accord relatif à l'utilisation partagée, dont les termes doivent être raisonnables, proportionnés et non discriminatoires. En outre, la redevance pour l'utilisation partagée ne peut être fondée que sur le coût global composé des coûts directs d'acquisition du terrain, des coûts réels de construction et d'entretien, augmenté d'un pourcentage égal au coût pondéré moyen de capital de l'opérateur accordant l'utilisation partagée, tel que celui-ci est présenté par lui à l'Institut et est déterminé par l'Institut.
Si en même temps ou par la suite plusieurs opérateurs demandent l'utilisation partagée, le coût global sera réparti en parts égales parmi tous les opérateurs qui partagent l'utilisation.
Les opérateurs ne peuvent refuser l'utilisation partagée d'un site d'antennes que pour des raisons d'ordre technique dûment justifiées et qui, à leur demande, sont reconnues comme telles par la Chambre.
Si l'installation des antennes supplémentaires requiert des travaux significatifs de renforcement de la structure existante, les opérateurs propriétaires de ce site sont en droit de faire payer les investissements dans le coût supplémentaire par les opérateurs qui désirent l'utilisation partagée, sur la base d'un accord, dont les termes doivent être raisonnables, proportionnels et non discriminatoires.
Les dispositions du présent paragraphe sont étendues aux sites d'antennes, dont le support est la propriété d'une personne physique ou morale liée directement ou indirectement à un opérateur, ou qui sont gérés par un tiers au profit d'un opérateur.
Pour l'exécution de ce paragraphe, on entend par " personne physique ou morale liée directement ou indirectement ", toute personne physique ou morale sur laquelle l'opérateur peut exercer, directement ou indirectement, une influence dominante, ou toute personne physique ou morale qui peut exercer une influence dominante sur l'opérateur ou qui, comme l'opérateur, est soumise à l'influence dominante d'une autre personne physique ou morale du fait de la propriété, de la participation financière ou des règles qui la régissent.
L'influence dominante est présumée vis-à-vis d'une personne morale, notamment lorsqu'une personne physique ou morale, directement ou indirectement, à l'égard d'une autre personne morale :
a) détient la majorité du capital souscrit de la personne morale, ou;
b) dispose de la majorité des voix attachées aux parts émises par la personne morale, ou;
c) peut désigner plus de la moitié des membres de l'organe d'administration, de direction ou de surveillance de la personne morale.
§ 4. Dans le cas où un site d'antennes est entièrement ou partiellement la propriété d'un tiers, les opérateurs exploitant ce site ou l'utilisant de façon partagée ne s'opposent d'aucune façon à la conclusion d'un accord entre ce tiers et un ou plusieurs autres opérateurs, par lequel il est donné la possibilité à ces derniers d'utiliser le site en question de façon partagée.
Dans les contrats que les opérateurs concluent avec les tiers visés à l'alinéa 1er, ils n'incluent aucune clause qui aurait pour effet d'interdire ou de rendre plus difficile l'utilisation partagée du site en question à un ou à plusieurs autres opérateurs, y compris toute clause visant à imposer une condition de réciprocité sous quelque forme que ce soit.
Pour les contrats conclus avant la date d'entrée en vigueur du présent article et qui comporteraient une telle clause, les opérateurs concernés négocient sans retard une modification du contrat, en vue d'abroger la clause concernée dans un délai maximum de trois mois à compter de la date d'entrée en vigueur du présent article. Au-delà de cette échéance, toute clause est réputée abrogée dans la mesure où elle contrevient aux dispositions du présent article.
§ 5. Au moins un mois avant d'introduire, auprès des autorités compétentes, une demande de permis d'urbanisme pour un site d'antennes déterminé ou pour une partie de site, chaque opérateur est tenu de notifier son intention aux autres opérateurs.
Dans le mois qui suit la notification, les autres opérateurs transmettent au premier opérateur leur demande d'utilisation conjointe du site d'antennes concerné ou de la partie de site.
Le cas échéant, le premier opérateur est tenu, avant de déposer la demande de permis d'urbanisme, de négocier de bonne foi les conditions techniques et financières de l'utilisation commune du site d'antennes concerné avec les autres opérateurs et de conclure un accord, conformément aux principes énoncés au § 3, alinéa 3.
Après avoir conclu cet accord, les opérateurs concernés doivent introduire ensemble une demande de permis d'urbanisme auprès des autorités compétentes.
Sans préjudice des dispositions de l'alinéa 1er, les opérateurs prennent les mesures nécessaires à ce que la stabilité et la hauteur des pylônes des sites d'antennes qu'ils construisent, font construire ou modifient, soient appropriées à l'utilisation partagée avec d'autres opérateurs.
Sauf lorsque l'utilisation partagée est impossible pour des raisons techniques acceptées par la Chambre, les opérateurs prennent les mesures nécessaires pour l'utilisation partagée du site par tous les opérateurs qui l'ont demandée.
Les obligations découlant du présent paragraphe sont d'application pour les demandes de permis d'urbanisme déjà introduites; le cas échéant, les opérateurs adaptent leur demande dans les trois mois suivant l'entrée en vigueur du présent article.
§ 6. Une base de données des sites d'antennes est créée afin de faciliter l'utilisation partagée des sites d'antennes qui contiendra toute information pertinente pour faciliter l'évaluation des sites pour le partage. Les demandes et les plans pour les nouveaux sites seront également inclus de manière appropriée dans la base de données.
La collaboration des opérateurs à l'élaboration et à l'utilisation de la base de données des sites d'antennes est obligatoire.
Le Roi peut déterminer le mode de gestion et d'administration de la base de données des sites d'antennes.
Le gestionnaire de la base de données des sites d'antennes transmet à chaque opérateur et à l'Institut une liste complète de tous les sites d'antennes existants et en projet dans les trois mois à partir de la mise en activité de la base de données. Le premier jour ouvrable de chaque mois, chaque opérateur fournit, au gestionnaire de la base de données des sites d'antennes, ainsi qu'à l'Institut, une liste complète et actualisée de tous ses sites d'antennes existants et en projet. Le gestionnaire de la base de données informe les opérateurs mensuellement des modifications des sites d'antennes existants et en projet.
Cette liste, présentée sous forme électronique, selon un format déterminé par l'Institut, comporte pour chaque site d'antennes les données suivantes :
- l'adresse postale;
- les coordonnées géographiques du support, selon le système Lambert;
- la hauteur maximale utilisable et l'exposition au vent maximale du support;
- l'état d'avancement du site : site construit, permis d'urbanisme obtenu, permis d'urbanisme demandé, site à caractère temporaire.
Le premier jour ouvrable de chaque trimestre, le gestionnaire de la base de données des sites d'antennes transmet à l'Institut un rapport sur les sites faisant l'objet d'une utilisation partagée par les opérateurs. Ce rapport comporte au moins les données déterminées par l'Institut.
Les coûts d'établissement et les coûts périodiques de la base de données des sites d'antennes sont supportés par tous les opérateurs sur la base d'un accord négocié entre eux. Si tel accord n'est pas conclu dans les trois mois suivant l'entrée en vigueur du présent article, les frais de la base de données des sites d'antennes et la répartition par opérateur sont déterminés par le Roi. Si aucun amendement à cet accord n'est obtenu dans les trois mois suivant la demande à cette fin par un nouvel opérateur, les frais de la base de données des sites d'antennes et la répartition par opérateur sont déterminés par le Roi.
L'Institut veille à ce que la base de données des sites d'antennes soit gérée dans l'intérêt général.
Le cas échéant, l'Institut peut imposer les mesures qu'il estime nécessaires pour la préservation de l'intérêt général et pour un système rapide d'échange d'informations relatives aux sites et à leur utilisation partagée.
§ 7. Dans les trois mois suivant la date d'entrée en vigueur du présent article, les contrats déjà conclus entre les opérateurs ou les contrats déjà conclus entre les opérateurs et des tiers visant à l'utilisation partagée de sites d'antennes sont modifiés, le cas échéant, en vue d'être mis en conformité aux dispositions du présent article.
§ 8. Tous litiges entre opérateurs relatifs à l'exécution du présent article peuvent être soumis à la Chambre, conformément à l'article 79ter".
Art.8. In dezelfde wet, wordt een artikel 108bis ingevoegd, luidende :
" Art. 108bis. § 1. Iedere aangemelde exploitant deelt ten laatste op 15 september van ieder jaar aan het Instituut een referentieaanbod mee inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnet. Het Instituut deelt vóór 15 november zijn opmerkingen mee en eventueel de wijzigingen die moeten worden aangebracht. De aangemelde exploitant beschikt over een termijn van een maand om de wijzigingen op te nemen en het referentieaanbod te publiceren.
§ 2. De partijen beschikken, te rekenen vanaf de datum van het verzoek om ontbundelde toegang tot het aansluitnet, over een periode van vier maanden om een overeenkomst terzake te sluiten. Deze termijn kan slechts worden verlengd overeenkomstig artikel 79ter, § 2.
§ 3. Het Instituut neemt alle nodige maatregelen om een werkzame mededinging op de markt voor ontbundelde toegang tot het aansluitnet te verzekeren. ".
" Art. 108bis. § 1. Iedere aangemelde exploitant deelt ten laatste op 15 september van ieder jaar aan het Instituut een referentieaanbod mee inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnet. Het Instituut deelt vóór 15 november zijn opmerkingen mee en eventueel de wijzigingen die moeten worden aangebracht. De aangemelde exploitant beschikt over een termijn van een maand om de wijzigingen op te nemen en het referentieaanbod te publiceren.
§ 2. De partijen beschikken, te rekenen vanaf de datum van het verzoek om ontbundelde toegang tot het aansluitnet, over een periode van vier maanden om een overeenkomst terzake te sluiten. Deze termijn kan slechts worden verlengd overeenkomstig artikel 79ter, § 2.
§ 3. Het Instituut neemt alle nodige maatregelen om een werkzame mededinging op de markt voor ontbundelde toegang tot het aansluitnet te verzekeren. ".
Art.7. A l'article 106 de la même loi, remplacé par la loi du 19 décembre 1997 et modifié par l'arrêté royal du 21 décembre 1999, les modifications suivantes sont apportées :
dans le paragraphe 1er, un point 5°, libellé comme suit, est ajouté :
" 5° l'accès dégroupé à la boucle locale. Lorsque l'Institut estime que la concurrence est présente dans une mesure suffisante sur le marché de l'accès local, l'obligation d'orientation sur les coûts sur ce marché est levée. L'Institut ne prend cette décision qu'après une consultation publique. ".
dans le paragraphe 1er, un point 5°, libellé comme suit, est ajouté :
" 5° l'accès dégroupé à la boucle locale. Lorsque l'Institut estime que la concurrence est présente dans une mesure suffisante sur le marché de l'accès local, l'obligation d'orientation sur les coûts sur ce marché est levée. L'Institut ne prend cette décision qu'après une consultation publique. ".
Art. 8. In dezelfde wet, wordt een artikel 108bis ingevoegd, luidende :
" Art. 108bis. § 1. Iedere aangemelde exploitant deelt ten laatste op 15 september van ieder jaar aan het Instituut een referentieaanbod mee inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnet. Het Instituut deelt vóór 15 november zijn opmerkingen mee en eventueel de wijzigingen die moeten worden aangebracht. De aangemelde exploitant beschikt over een termijn van een maand om de wijzigingen op te nemen en het referentieaanbod te publiceren.
§ 2. De partijen beschikken, te rekenen vanaf de datum van het verzoek om ontbundelde toegang tot het aansluitnet, over een periode van vier maanden om een overeenkomst terzake te sluiten. Deze termijn kan slechts worden verlengd overeenkomstig artikel 79ter, § 2.
§ 3. Het Instituut neemt alle nodige maatregelen om een werkzame mededinging op de markt voor ontbundelde toegang tot het aansluitnet te verzekeren. ".
" Art. 108bis. § 1. Iedere aangemelde exploitant deelt ten laatste op 15 september van ieder jaar aan het Instituut een referentieaanbod mee inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnet. Het Instituut deelt vóór 15 november zijn opmerkingen mee en eventueel de wijzigingen die moeten worden aangebracht. De aangemelde exploitant beschikt over een termijn van een maand om de wijzigingen op te nemen en het referentieaanbod te publiceren.
§ 2. De partijen beschikken, te rekenen vanaf de datum van het verzoek om ontbundelde toegang tot het aansluitnet, over een periode van vier maanden om een overeenkomst terzake te sluiten. Deze termijn kan slechts worden verlengd overeenkomstig artikel 79ter, § 2.
§ 3. Het Instituut neemt alle nodige maatregelen om een werkzame mededinging op de markt voor ontbundelde toegang tot het aansluitnet te verzekeren. ".
Art.8. Un article 108bis, libellé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 108bis. § 1er. Chaque opérateur notifié communique à l'Institut, au plus tard le 15 septembre de chaque année, une offre de référence concernant l'accès dégroupé à la boucle locale. Avant le 15 novembre, l'Institut communique ses remarques et les éventuelles modifications qui doivent être apportées à cette offre. L'opérateur notifié dispose d'un délai d'un mois pour effectuer les modifications et publier l'offre de référence.
§ 2. Les opérateurs concernés disposent d'un délai de quatre mois à partir de la date de la demande d'accès dégroupé à la boucle locale pour conclure un accord en la matière. Ce délai ne peut être prolongé que conformément à l'article 79ter, § 2.
§ 3. L'Institut prend toutes les mesures nécessaires pour assurer une concurrence réelle sur le marché de l'accès dégroupé à la boucle locale. ".
" Art. 108bis. § 1er. Chaque opérateur notifié communique à l'Institut, au plus tard le 15 septembre de chaque année, une offre de référence concernant l'accès dégroupé à la boucle locale. Avant le 15 novembre, l'Institut communique ses remarques et les éventuelles modifications qui doivent être apportées à cette offre. L'opérateur notifié dispose d'un délai d'un mois pour effectuer les modifications et publier l'offre de référence.
§ 2. Les opérateurs concernés disposent d'un délai de quatre mois à partir de la date de la demande d'accès dégroupé à la boucle locale pour conclure un accord en la matière. Ce délai ne peut être prolongé que conformément à l'article 79ter, § 2.
§ 3. L'Institut prend toutes les mesures nécessaires pour assurer une concurrence réelle sur le marché de l'accès dégroupé à la boucle locale. ".
Art.10. In dezelfde wet, wordt een artikel 117ter ingevoegd, luidende :
" Art. 117ter. Elke manipulatie of poging tot manipulatie van de procedure tot toekenning van een individuele vergunning wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met een geldboete van honderd Belgische frank tot drieduizend Belgische frank.
Bovendien spreekt de bevoegde rechtbank in deze gevallen de verbeurdverklaring uit van de waarborg bedoeld in artikel 117bis. ".
" Art. 117ter. Elke manipulatie of poging tot manipulatie van de procedure tot toekenning van een individuele vergunning wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met een geldboete van honderd Belgische frank tot drieduizend Belgische frank.
Bovendien spreekt de bevoegde rechtbank in deze gevallen de verbeurdverklaring uit van de waarborg bedoeld in artikel 117bis. ".
Art.9. Un article 117bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 117bis. Le Roi peut imposer, comme condition de recevabilité des candidatures, la constitution d'une garantie, dont le montant est raisonnablement proportionné au droit de concession unique. Le cas échéant, le Roi définit que la garantie est versée en espèce et dans la devise qu'il définit sur un compte de l'Etat. ".
" Art. 117bis. Le Roi peut imposer, comme condition de recevabilité des candidatures, la constitution d'une garantie, dont le montant est raisonnablement proportionné au droit de concession unique. Le cas échéant, le Roi définit que la garantie est versée en espèce et dans la devise qu'il définit sur un compte de l'Etat. ".
Art.11. Worden opgeheven :
1° artikel 8 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en de exploitatie van GSM-mobilofoonnetten, zoals vervangen door artikel 7 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997;
2° artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten;
3° artikel 3 van het koninklijk besluit van 27 juni 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van telecommunicatienetwerken.
1° artikel 8 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en de exploitatie van GSM-mobilofoonnetten, zoals vervangen door artikel 7 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997;
2° artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten;
3° artikel 3 van het koninklijk besluit van 27 juni 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van telecommunicatienetwerken.
Art.10. Un article 117ter, libellé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 117ter. Toute manipulation ou tentative de manipulation d'une procédure d'octroi d'une autorisation individuelle est punie d'un emprisonnement de quinze jours à six mois et d'une amende de cent francs belges à trois mille francs belges.
En outre, le tribunal compétent prononce, dans ce cas, la confiscation de la garantie visée à l'article 117bis. ".
" Art. 117ter. Toute manipulation ou tentative de manipulation d'une procédure d'octroi d'une autorisation individuelle est punie d'un emprisonnement de quinze jours à six mois et d'une amende de cent francs belges à trois mille francs belges.
En outre, le tribunal compétent prononce, dans ce cas, la confiscation de la garantie visée à l'article 117bis. ".
Art. 11. Worden opgeheven :
1° artikel 8 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en de exploitatie van GSM-mobilofoonnetten, zoals vervangen door artikel 7 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997;
2° artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten;
3° artikel 3 van het koninklijk besluit van 27 juni 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van telecommunicatienetwerken.
1° artikel 8 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en de exploitatie van GSM-mobilofoonnetten, zoals vervangen door artikel 7 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997;
2° artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten;
3° artikel 3 van het koninklijk besluit van 27 juni 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van telecommunicatienetwerken.
Art.11. Sont abrogés :
1° l'article 8 de l'arrêté royal du 7 mars 1995 relatif à l'établissement et à l'exploitation de réseaux de mobilophonie GSM, tel que remplacé par l'article 7 de l'arrêté royal du 24 octobre 1997;
2° l'article 9 de l'arrêté royal du 24 octobre 1997 relatif à l'établissement et à l'exploitation de réseaux de mobilophonie DCS-1800;
3° l'article 3 de l'arrêté royal du 27 juin 2000 modifiant l'arrêté royal du 22 juin 1998 relatif aux conditions d'établissement et d'exploitation de réseaux publics de télécommunications.
1° l'article 8 de l'arrêté royal du 7 mars 1995 relatif à l'établissement et à l'exploitation de réseaux de mobilophonie GSM, tel que remplacé par l'article 7 de l'arrêté royal du 24 octobre 1997;
2° l'article 9 de l'arrêté royal du 24 octobre 1997 relatif à l'établissement et à l'exploitation de réseaux de mobilophonie DCS-1800;
3° l'article 3 de l'arrêté royal du 27 juin 2000 modifiant l'arrêté royal du 22 juin 1998 relatif aux conditions d'établissement et d'exploitation de réseaux publics de télécommunications.
Art.12. In artikel 27, eerste lid, van de programmawet van 24 december 1993, worden de woorden " 2,5 miljard " vervangen door " 3,5 miljard ".
CHAPITRE II. - Loterie nationale.
Art.13. In artikel 16 van de wet van 22 juli 1991 betreffende de Nationale Loterij, wordt, vóór het eerste lid, het volgende lid ingevoegd :
" De Koning bepaalt, voordat het in het tweede lid bedoelde plan voor de winstverdeling wordt vastgesteld, de bedragen die jaarlijks worden toegekend aan de verenigingen en instellingen die Hij aanduidt. ".
" De Koning bepaalt, voordat het in het tweede lid bedoelde plan voor de winstverdeling wordt vastgesteld, de bedragen die jaarlijks worden toegekend aan de verenigingen en instellingen die Hij aanduidt. ".
Art.12. Dans l'article 27, alinéa 1er, de la loi-programme du 24 décembre 1993, les mots " 2,5 milliards " sont remplacés par les mots " 3,5 milliards ".
Art. 13. In artikel 16 van de wet van 22 juli 1991 betreffende de Nationale Loterij, wordt, vóór het eerste lid, het volgende lid ingevoegd :
" De Koning bepaalt, voordat het in het tweede lid bedoelde plan voor de winstverdeling wordt vastgesteld, de bedragen die jaarlijks worden toegekend aan de verenigingen en instellingen die Hij aanduidt. ".
" De Koning bepaalt, voordat het in het tweede lid bedoelde plan voor de winstverdeling wordt vastgesteld, de bedragen die jaarlijks worden toegekend aan de verenigingen en instellingen die Hij aanduidt. ".
Art.13. Dans l'article 16 de la loi du 22 juillet 1991 relative à la Loterie nationale, l'alinéa suivant est inséré avant l'alinéa 1er :
" Avant la détermination du plan de répartition des bénéfices visée à l'alinéa 2, le Roi fixe les montants octroyés annuellement aux associations et institutions qu'Il désigne. ".
" Avant la détermination du plan de répartition des bénéfices visée à l'alinéa 2, le Roi fixe les montants octroyés annuellement aux associations et institutions qu'Il désigne. ".
HOOFDSTUK I. - Invoering van een premiestelsel om de ombouw van wagens naar een LPG-installatie te promoten.
TITRE III. - Protection de la consommation, Santé publique et Environnement.
Art.14. Binnen de perken van de begrotingskredieten wordt, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels, een premie van 20 500 Belgische frank toegekend aan de eigenaar van een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus, die zijn voertuig laat ombouwen om het geschikt te maken voor het gebruik van LPG of andere vloeibaar gemaakte koolwaterstofgassen als brandstof.
CHAPITRE I. - Introduction d'un régime de primes, afin de promouvoir la transformation de véhicules avec installation LPG.
Art. 14. Binnen de perken van de begrotingskredieten wordt, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels, een premie van 20 500 Belgische frank toegekend aan de eigenaar van een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus, die zijn voertuig laat ombouwen om het geschikt te maken voor het gebruik van LPG of andere vloeibaar gemaakte koolwaterstofgassen als brandstof.
De in het eerste lid bedoelde premie wordt toegekend voor installaties geplaatst tijdens de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2002.
De in het eerste lid bedoelde premie wordt toegekend voor installaties geplaatst tijdens de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2002.
Art.14. Dans les limites des crédits budgétaires, une prime de 20 500 francs belges est octroyée, et conformément aux modalités fixées par le Roi, au propriétaire d'une voiture, d'une voiture mixte ou d'un minibus qui fait convertir son véhicule de manière à ce qu'il puisse utiliser comme carburant du gaz de pétrole liquéfié ou d'autres hydrocarbures gazeux liquéfiés.
La prime, visée à l'alinéa 1er, est octroyée pour des installations exécutées durant la période du 1er janvier 2001 au 31 décembre 2002.
La prime, visée à l'alinéa 1er, est octroyée pour des installations exécutées durant la période du 1er janvier 2001 au 31 décembre 2002.
Art.15. In het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
CHAPITRE II. - Inspection pharmaceutique.
Art.16. In artikel 224 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wordt de eerste zin van § 1 vervangen als volgt :
" § 1. Om de opdrachten van de administratie in het kader van de medische hulpmiddelen, hun hulpstukken en de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen te financieren, is een heffing van 0,05 % op het omzetcijfer dat is verwezenlijkt op de Belgische markt met betrekking tot de medische hulpmiddelen en hun hulpstukken bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 maart 1999 betreffende de medische hulpmiddelen en de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 juli 1997 betreffende de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen verschuldigd door de distributeurs die deze hulpmiddelen aan de eindgebruiker of aan de verantwoordelijke voor de aflevering hebben geleverd. ".
" § 1. Om de opdrachten van de administratie in het kader van de medische hulpmiddelen, hun hulpstukken en de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen te financieren, is een heffing van 0,05 % op het omzetcijfer dat is verwezenlijkt op de Belgische markt met betrekking tot de medische hulpmiddelen en hun hulpstukken bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 maart 1999 betreffende de medische hulpmiddelen en de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 juli 1997 betreffende de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen verschuldigd door de distributeurs die deze hulpmiddelen aan de eindgebruiker of aan de verantwoordelijke voor de aflevering hebben geleverd. ".
Art.15. A l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice de l'art de guérir, de l'art infirmier, des professions paramédicales et aux commissions médicales, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'article 38bis, inséré par la loi du 17 décembre 1973, les mots " article 4, § 3 " sont remplacés par les mots " article 4, §§ 3, 3bis, 3ter, 3quater et 3quinquies ";
2° à l'article 43, § 1er, alinéa 2, remplacé par la loi du 17 décembre 1973, les mots " article 4, § 3 " sont remplacés par les mots " article 4, §§ 3, 3bis, 3ter, 3quater et 3quinquies ".
1° à l'article 38bis, inséré par la loi du 17 décembre 1973, les mots " article 4, § 3 " sont remplacés par les mots " article 4, §§ 3, 3bis, 3ter, 3quater et 3quinquies ";
2° à l'article 43, § 1er, alinéa 2, remplacé par la loi du 17 décembre 1973, les mots " article 4, § 3 " sont remplacés par les mots " article 4, §§ 3, 3bis, 3ter, 3quater et 3quinquies ".
Art. 16. In artikel 224 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wordt de eerste zin van § 1 vervangen als volgt :
" § 1. Om de opdrachten van de administratie in het kader van de medische hulpmiddelen, hun hulpstukken en de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen te financieren, is een heffing van 0,05 % op het omzetcijfer dat is verwezenlijkt op de Belgische markt met betrekking tot de medische hulpmiddelen en hun hulpstukken bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 maart 1999 betreffende de medische hulpmiddelen en de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 juli 1997 betreffende de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen verschuldigd door de distributeurs die deze hulpmiddelen aan de eindgebruiker of aan de verantwoordelijke voor de aflevering hebben geleverd. ".
" § 1. Om de opdrachten van de administratie in het kader van de medische hulpmiddelen, hun hulpstukken en de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen te financieren, is een heffing van 0,05 % op het omzetcijfer dat is verwezenlijkt op de Belgische markt met betrekking tot de medische hulpmiddelen en hun hulpstukken bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 maart 1999 betreffende de medische hulpmiddelen en de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 juli 1997 betreffende de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen verschuldigd door de distributeurs die deze hulpmiddelen aan de eindgebruiker of aan de verantwoordelijke voor de aflevering hebben geleverd. ".
Art.16. A l'article 224 de la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, la première phrase du § 1er est remplacée comme suit :
" § 1er. Pour financer les missions de l'administration dans le cadre des dispositifs médicaux, leurs accessoires et des dispositifs médicaux implantables actifs, une redevance, d'un montant de 0,05 % du chiffre d'affaires réalisé sur le marché belge relatif aux dispositifs médicaux et leurs accessoires visés à l'article 1er de l'arrêté royal du 18 mars 1999 relatif aux dispositifs médicaux et aux dispositifs médicaux implantables actifs visés à l'article 1er de l'arrêté royal du 15 juillet 1997 relatif aux dispositifs médicaux implantables actifs, est due par les distributeurs qui ont livré ces dispositifs à l'utilisateur final ou au responsable de la délivrance. ".
" § 1er. Pour financer les missions de l'administration dans le cadre des dispositifs médicaux, leurs accessoires et des dispositifs médicaux implantables actifs, une redevance, d'un montant de 0,05 % du chiffre d'affaires réalisé sur le marché belge relatif aux dispositifs médicaux et leurs accessoires visés à l'article 1er de l'arrêté royal du 18 mars 1999 relatif aux dispositifs médicaux et aux dispositifs médicaux implantables actifs visés à l'article 1er de l'arrêté royal du 15 juillet 1997 relatif aux dispositifs médicaux implantables actifs, est due par les distributeurs qui ont livré ces dispositifs à l'utilisateur final ou au responsable de la délivrance. ".
Art. 17. In artikel 3 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, gewijzigd bij de wet van 20 oktober 1998, wordt het woord " documentatie, " ingevoegd tussen de woorden " de door hem te bepalen " en het woord " uitrusting ".
Art.17. A l'article 3 de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, modifié par la loi du 20 octobre 1998, les mots " la documentation, " sont insérés entre les mots " dans leur officine ou dépôt " et " les installations ".
Art.18. In artikel 5 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling van de luchtvaart, waarvan de huidige tekst paragraaf 1 wordt, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, luidende :
TITRE IV. - Mobilité et Transport.
Art. 18. In artikel 5 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling van de luchtvaart, waarvan de huidige tekst paragraaf 1 wordt, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, luidende :
" § 2. De Koning kan, met betrekking tot de aangelegenheden vermeld in de eerste paragraaf, alle nodige maatregelen treffen voor de uitvoering van verplichtingen voortvloeiend uit internationale verdragen of uit krachtens die verdragen vastgestelde internationale akten.
Die maatregelen kunnen wetsbepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
Deze paragraaf vormt, vanaf de inwerkingtreding ervan één van de rechtsgronden van het koninklijk besluit van 9 december 1998 tot regeling van het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart. ".
" § 2. De Koning kan, met betrekking tot de aangelegenheden vermeld in de eerste paragraaf, alle nodige maatregelen treffen voor de uitvoering van verplichtingen voortvloeiend uit internationale verdragen of uit krachtens die verdragen vastgestelde internationale akten.
Die maatregelen kunnen wetsbepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
Deze paragraaf vormt, vanaf de inwerkingtreding ervan één van de rechtsgronden van het koninklijk besluit van 9 december 1998 tot regeling van het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart. ".
Art.18. L'article 5 de la loi du 27 juin 1937 portant révision de la loi du 16 novembre 1919 relative à la réglementation de la navigation aérienne, dont le texte actuel forme le paragraphe premier, est complété par un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Le Roi peut, dans les matières visées au paragraphe premier, prendre toutes mesures nécessaires pour assurer l'exécution d'obligations résultant de traités internationaux ou d'actes internationaux pris en vertu de ces traités.
Ces mesures peuvent modifier, compléter, remplacer ou abroger des dispositions légales.
Le présent paragraphe constitue, à partir de son entrée en vigueur, l'un des fondements légaux de l'arrêté royal du 9 décembre 1998 réglementant les enquêtes sur les accidents et les incidents dans l'aviation civile. ".
" § 2. Le Roi peut, dans les matières visées au paragraphe premier, prendre toutes mesures nécessaires pour assurer l'exécution d'obligations résultant de traités internationaux ou d'actes internationaux pris en vertu de ces traités.
Ces mesures peuvent modifier, compléter, remplacer ou abroger des dispositions légales.
Le présent paragraphe constitue, à partir de son entrée en vigueur, l'un des fondements légaux de l'arrêté royal du 9 décembre 1998 réglementant les enquêtes sur les accidents et les incidents dans l'aviation civile. ".
Art. 19. In dezelfde wet, wordt een artikel 44bis ingevoegd, luidende :
" Art. 44bis. De Koning kan, volgens de voorwaarden die Hij bepaalt, de Minister bevoegd voor de Luchtvaart of zijn gemachtigde, machtigen om de vergunningen van de leden van het besturingspersoneel van luchtvaartuigen uit te reiken, in te trekken, te beperken of te schorsen en om deze personen aan onderzoeken of examens te onderwerpen. ".
" Art. 44bis. De Koning kan, volgens de voorwaarden die Hij bepaalt, de Minister bevoegd voor de Luchtvaart of zijn gemachtigde, machtigen om de vergunningen van de leden van het besturingspersoneel van luchtvaartuigen uit te reiken, in te trekken, te beperken of te schorsen en om deze personen aan onderzoeken of examens te onderwerpen. ".
Art.19. Un article 44bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 44bis. Le Roi peut, dans les conditions qu'Il détermine, autoriser le Ministre qui a la Navigation aérienne dans ses attributions ou son délégué à délivrer, retirer, restreindre ou suspendre les licences des membres d'équipage de conduite des aéronefs et à imposer des examens ou des épreuves à ces personnes. ".
" Art. 44bis. Le Roi peut, dans les conditions qu'Il détermine, autoriser le Ministre qui a la Navigation aérienne dans ses attributions ou son délégué à délivrer, retirer, restreindre ou suspendre les licences des membres d'équipage de conduite des aéronefs et à imposer des examens ou des épreuves à ces personnes. ".
Art. 20. In artikel 6, § 2, tweede zin, van de wet van 17 maart 1997 betreffende de financiering van het HST-project, worden de woorden " zal zij " vervangen door de woorden " kan zij, met het oog op de verkoop door HST-FIN ".
Art.20. Dans l'article 6, § 2, deuxième phrase, de la loi du 17 mars 1997 relative au financement du projet TGV, les mots " fera apport " sont remplacés par les mots " peut faire apport, en vue de leur vente par la Financière TGV ".
Algemene socio-economische enquête 2001.
TITRE V. - Affaires économiques.
Art.21. Artikel 9 van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1985, wordt vervangen door de volgende bepaling :
Enquête socio-économique générale 2001.
Art. 21. Artikel 9 van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1985, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 9. § 1. In 2001, zal de Koning doen overgaan tot een algemene socio-economische enquête door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, waardoor gegevensbanken over personen, opleiding en woningen kunnen opgericht of aangevuld worden.
Deze inlichtingen worden bijgehouden en bijgewerkt door het Nationaal Instituut voor de Statistiek.
§ 2. Om de algemene socio-economische enquête uit te voeren krijgt het Nationaal Instituut voor de Statistiek zonder andere formaliteiten dan de hierna vernoemde, toegang tot de gegevens bijgehouden door alle besturen en overheden, op voorwaarde dat het in zijn aanvraag preciseert :
1° het bestreken gebied en de specifieke doelstellingen van de enquête, alsmede de te geven inlichtingen;
2° de informatieplichtige natuurlijke en rechtspersonen;
3° de periodiciteit van de eventuele bijwerkingen;
4° de dienst van het Nationaal Instituut voor de Statistiek die met de verwerking van deze gegevens is belast. ".
" Art. 9. § 1. In 2001, zal de Koning doen overgaan tot een algemene socio-economische enquête door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, waardoor gegevensbanken over personen, opleiding en woningen kunnen opgericht of aangevuld worden.
Deze inlichtingen worden bijgehouden en bijgewerkt door het Nationaal Instituut voor de Statistiek.
§ 2. Om de algemene socio-economische enquête uit te voeren krijgt het Nationaal Instituut voor de Statistiek zonder andere formaliteiten dan de hierna vernoemde, toegang tot de gegevens bijgehouden door alle besturen en overheden, op voorwaarde dat het in zijn aanvraag preciseert :
1° het bestreken gebied en de specifieke doelstellingen van de enquête, alsmede de te geven inlichtingen;
2° de informatieplichtige natuurlijke en rechtspersonen;
3° de periodiciteit van de eventuele bijwerkingen;
4° de dienst van het Nationaal Instituut voor de Statistiek die met de verwerking van deze gegevens is belast. ".
Art.21. L'article 9 de la loi du 4 juillet 1962 relative à la statistique publique, modifié par la loi du 1er août 1985, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 9. § 1er. En 2001, le Roi fera procéder, par l'Institut national de Statistique, à une enquête socio-économique générale, permettant de créer ou de compléter des banques de données sur les personnes, la formation et le logement.
Ces informations seront détenues et mises à jour par l'Institut national de Statistique.
§ 2. Pour effectuer l'enquête socio-économique générale, l'Institut national de Statistique peut, sans autres formalités que celles prévues ci-dessous, accéder aux données détenues par toutes les administrations et autorités publiques, à condition de préciser dans sa requête :
1° le domaine couvert et les buts spécifiques de l'enquête, ainsi que les renseignements à fournir;
2° les personnes physiques ou morales redevables de l'information;
3° la périodicité des mises à jour éventuelles;
4° le service de l'Institut national de Statistique en charge du traitement de ces données. ".
" Art. 9. § 1er. En 2001, le Roi fera procéder, par l'Institut national de Statistique, à une enquête socio-économique générale, permettant de créer ou de compléter des banques de données sur les personnes, la formation et le logement.
Ces informations seront détenues et mises à jour par l'Institut national de Statistique.
§ 2. Pour effectuer l'enquête socio-économique générale, l'Institut national de Statistique peut, sans autres formalités que celles prévues ci-dessous, accéder aux données détenues par toutes les administrations et autorités publiques, à condition de préciser dans sa requête :
1° le domaine couvert et les buts spécifiques de l'enquête, ainsi que les renseignements à fournir;
2° les personnes physiques ou morales redevables de l'information;
3° la périodicité des mises à jour éventuelles;
4° le service de l'Institut national de Statistique en charge du traitement de ces données. ".
Art. 22. Een artikel 8bis, luidend als volgt, wordt in de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen ingevoegd :
" Art. 8bis. De formaliteiten bedoeld in de artikelen 5 tot 8 zijn niet van toepassing op de aanvragen die het Nationaal Instituut voor de Statistiek krachtens artikel 9 van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek, indient. ".
" Art. 8bis. De formaliteiten bedoeld in de artikelen 5 tot 8 zijn niet van toepassing op de aanvragen die het Nationaal Instituut voor de Statistiek krachtens artikel 9 van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek, indient. ".
Art.22. Un article 8bis, rédigé comme suit, est inséré dans la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques :
" Art. 8bis. Les formalités, visées aux articles 5 à 8, ne sont pas applicables aux demandes introduites par l'Institut national de Statistique, en vertu de l'article 9 de la loi du 4 juillet 1962 relative à la statistique publique. ".
" Art. 8bis. Les formalités, visées aux articles 5 à 8, ne sont pas applicables aux demandes introduites par l'Institut national de Statistique, en vertu de l'article 9 de la loi du 4 juillet 1962 relative à la statistique publique. ".
Art. 23. Artikel 15 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid wordt aangevuld met het volgende lid :
" De formaliteiten bedoeld in dit artikel zijn niet van toepassing op de aanvragen die het Nationaal Instituut voor de Statistiek krachtens artikel 9 van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek, indient. ".
" De formaliteiten bedoeld in dit artikel zijn niet van toepassing op de aanvragen die het Nationaal Instituut voor de Statistiek krachtens artikel 9 van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek, indient. ".
Art.23. L'article 15 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale est complété par l'alinéa suivant :
" Les formalités, visées au présent article, ne sont pas applicables aux demandes introduites par l'Institut national de Statistique, en vertu de l'article 9 de la loi du 4 juillet 1962 relative à la statistique publique. ".
" Les formalités, visées au présent article, ne sont pas applicables aux demandes introduites par l'Institut national de Statistique, en vertu de l'article 9 de la loi du 4 juillet 1962 relative à la statistique publique. ".
Wijzigingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
TITRE VI. - Affaires sociales et Finances.
Art.24. Artikel 4, § 1, van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 156 van 30 december 1982, wordt vervangen als volgt :
Modifications de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Art. 24. Artikel 4, § 1, van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 156 van 30 december 1982, wordt vervangen als volgt :
" Art. 4. § 1. Voor de toepassing van deze wet wordt als indexcijfer der consumptieprijzen van een maand beschouwd het rekenkundig gemiddelde van de indexcijfers van die maand en de drie daaraan voorafgaande maanden.
Iedere maal dat het overeenkomstig het eerste lid berekende indexcijfer der consumptieprijzen één der spilindexen bereikt of er op teruggebracht wordt, worden de uitgaven, uitkeringen en bezoldigingsgrenzen, gekoppeld aan de spilindex 114,20 opnieuw berekend door de coëfficiënt 1,02n er op toe te passen waarin n de rang van bereikte spilindex vertegenwoordigt.
Te dien einde, wordt iedere spilindex aangeduid met een volgnummer dat zijn rang aangeeft, waarbij het nummer 1 de spilindex aanduidt die volgt op de spilindex 114,20.
Voor het berekenen van de coëfficiënt 1,02n, worden de breuken van een tienduizendste van een eenheid afgerond tot het hogere tienduizendste of weggelaten, naargelang zij al dan niet 50 % van een tienduizendste bereiken. ".
" Art. 4. § 1. Voor de toepassing van deze wet wordt als indexcijfer der consumptieprijzen van een maand beschouwd het rekenkundig gemiddelde van de indexcijfers van die maand en de drie daaraan voorafgaande maanden.
Iedere maal dat het overeenkomstig het eerste lid berekende indexcijfer der consumptieprijzen één der spilindexen bereikt of er op teruggebracht wordt, worden de uitgaven, uitkeringen en bezoldigingsgrenzen, gekoppeld aan de spilindex 114,20 opnieuw berekend door de coëfficiënt 1,02n er op toe te passen waarin n de rang van bereikte spilindex vertegenwoordigt.
Te dien einde, wordt iedere spilindex aangeduid met een volgnummer dat zijn rang aangeeft, waarbij het nummer 1 de spilindex aanduidt die volgt op de spilindex 114,20.
Voor het berekenen van de coëfficiënt 1,02n, worden de breuken van een tienduizendste van een eenheid afgerond tot het hogere tienduizendste of weggelaten, naargelang zij al dan niet 50 % van een tienduizendste bereiken. ".
Art.24. L'article 4, § 1er, de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants, remplacé par l'arrêté royal n° 156 du 30 décembre 1982, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 4. § 1er. Pour l'application de la présente loi, est considérée comme indice des prix à la consommation d'un mois déterminé la moyenne arithmétique des indices de ce mois et des trois mois précédents.
Chaque fois que l'indice des prix à la consommation, calculé conformément à l'alinéa 1er, atteint l'un des indices-pivots ou est ramené à l'un d'eux, les dépenses, prestations et limites des rémunérations, rattachées à l'indice-pivot 114,20, sont calculées à nouveau en les affectant du coefficient 1,02n, n représentant le rang de l'indice-pivot atteint.
A cet effet, chacun des indices-pivots est désigné par un numéro de suite indiquant son rang, le n° 1 désignant l'indice-pivot qui suit l'indice 114,20.
Pour le calcul du coefficient 1,02n, les fractions de dix millièmes d'unité sont arrondies aux dix millièmes supérieur ou négligées, selon qu'elles atteignent ou non 50 % d'un dix millième. ".
" Art. 4. § 1er. Pour l'application de la présente loi, est considérée comme indice des prix à la consommation d'un mois déterminé la moyenne arithmétique des indices de ce mois et des trois mois précédents.
Chaque fois que l'indice des prix à la consommation, calculé conformément à l'alinéa 1er, atteint l'un des indices-pivots ou est ramené à l'un d'eux, les dépenses, prestations et limites des rémunérations, rattachées à l'indice-pivot 114,20, sont calculées à nouveau en les affectant du coefficient 1,02n, n représentant le rang de l'indice-pivot atteint.
A cet effet, chacun des indices-pivots est désigné par un numéro de suite indiquant son rang, le n° 1 désignant l'indice-pivot qui suit l'indice 114,20.
Pour le calcul du coefficient 1,02n, les fractions de dix millièmes d'unité sont arrondies aux dix millièmes supérieur ou négligées, selon qu'elles atteignent ou non 50 % d'un dix millième. ".
Art. 25. Artikel 6 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" Art. 6. De verhoging of de vermindering wordt toegepast :
1° voor de uitgaven die per jaar vereffend worden, met ingang van het burgerlijk jaar dat volgt op de maand waarvan het indexcijfer van de consumptieprijzen de spilindex bereikt die een wijziging rechtvaardigt;
2° voor de uitgaven die per kwartaal vereffend worden en voor de grenzen bedoeld bij artikel 1, 2°, met ingang van het kalenderkwartaal dat volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt;
3° in de andere gevallen, vanaf de eerste maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.
De Koning kan bijzondere uitvoeringsmodaliteiten vaststellen voor de gevallen waarin de begunstigden voorafgaand aan of tijdens de eerste helft van de maand een geïndexeerd bedrag ontvangen. ".
" Art. 6. De verhoging of de vermindering wordt toegepast :
1° voor de uitgaven die per jaar vereffend worden, met ingang van het burgerlijk jaar dat volgt op de maand waarvan het indexcijfer van de consumptieprijzen de spilindex bereikt die een wijziging rechtvaardigt;
2° voor de uitgaven die per kwartaal vereffend worden en voor de grenzen bedoeld bij artikel 1, 2°, met ingang van het kalenderkwartaal dat volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt;
3° in de andere gevallen, vanaf de eerste maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.
De Koning kan bijzondere uitvoeringsmodaliteiten vaststellen voor de gevallen waarin de begunstigden voorafgaand aan of tijdens de eerste helft van de maand een geïndexeerd bedrag ontvangen. ".
Art.25. L'article 6 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 6. L'augmentation ou la diminution est appliquée :
1° pour les dépenses qui se liquident par année, à partir de l'année civile qui suit le mois dont l'indice des prix à la consommation atteint l'indice-pivot qui justifie une modification;
2° pour les dépenses qui se liquident par trimestre et pour les limites visées à l'article 1er, 2°, à partir du trimestre civil qui suit le mois dont l'indice atteint le chiffre qui justifie une modification;
3° dans les autres cas, à partir du premier mois qui suit le mois dont l'indice atteint le chiffre qui justifie une modification.
Le Roi peut arrêter des modalités d'application particulières dans les cas où les bénéficiaires reçoivent, anticipativement ou pendant la première moitié du mois, un montant indexé. ".
" Art. 6. L'augmentation ou la diminution est appliquée :
1° pour les dépenses qui se liquident par année, à partir de l'année civile qui suit le mois dont l'indice des prix à la consommation atteint l'indice-pivot qui justifie une modification;
2° pour les dépenses qui se liquident par trimestre et pour les limites visées à l'article 1er, 2°, à partir du trimestre civil qui suit le mois dont l'indice atteint le chiffre qui justifie une modification;
3° dans les autres cas, à partir du premier mois qui suit le mois dont l'indice atteint le chiffre qui justifie une modification.
Le Roi peut arrêter des modalités d'application particulières dans les cas où les bénéficiaires reçoivent, anticipativement ou pendant la première moitié du mois, un montant indexé. ".
Wijziging van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.
TITRE VII. - Fonction publique et Finances.
Art.26. In artikel 6 van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
Modification de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public.
Art. 26. In artikel 6 van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het 3° wordt vervangen als volgt :
" 3° in de andere gevallen, vanaf de eerste maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt, met uitzondering van de wedden en lonen, bedoeld in artikel 1, § 1, a), 1) en de toelagen, tegemoetkomingen en vergoedingen, bedoeld in artikel 1, § 1, a), 5) en 6), waarvoor de verhoging of de vermindering wordt toegepast vanaf de tweede maand volgend op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt. ";
2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
" De Koning kan bijzondere uitvoeringsmodaliteiten vaststellen voor de gevallen waarin de begunstigden voorafgaand aan of tijdens de eerste helft van de maand een door de indexering verhoogd bedrag ontvangen. ".
1° het 3° wordt vervangen als volgt :
" 3° in de andere gevallen, vanaf de eerste maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt, met uitzondering van de wedden en lonen, bedoeld in artikel 1, § 1, a), 1) en de toelagen, tegemoetkomingen en vergoedingen, bedoeld in artikel 1, § 1, a), 5) en 6), waarvoor de verhoging of de vermindering wordt toegepast vanaf de tweede maand volgend op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt. ";
2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
" De Koning kan bijzondere uitvoeringsmodaliteiten vaststellen voor de gevallen waarin de begunstigden voorafgaand aan of tijdens de eerste helft van de maand een door de indexering verhoogd bedrag ontvangen. ".
Art.26. A l'article 6 de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, sont apportées les modifications suivantes :
1° le 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° dans les autres cas à partir du premier mois qui suit le mois dont l'indice atteint le chiffre qui justifie une modification, à l'exception des traitements et salaires, visés à l'article 1er, § 1er, a), 1), et des allocations, subventions et indemnités, visées à l'article 1er, § 1er, a), 5) et 6), pour lesquels l'augmentation ou la diminution est appliquée à partir du deuxième mois qui suit le mois dont l'indice atteint le chiffre qui justifie la modification. ";
2° l'article est complété par l'alinéa suivant :
" Le Roi peut arrêter des modalités d'application particulières dans les cas où les bénéficiaires reçoivent, anticipativement ou pendant la première moitié du mois, un montant indexé. ".
1° le 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° dans les autres cas à partir du premier mois qui suit le mois dont l'indice atteint le chiffre qui justifie une modification, à l'exception des traitements et salaires, visés à l'article 1er, § 1er, a), 1), et des allocations, subventions et indemnités, visées à l'article 1er, § 1er, a), 5) et 6), pour lesquels l'augmentation ou la diminution est appliquée à partir du deuxième mois qui suit le mois dont l'indice atteint le chiffre qui justifie la modification. ";
2° l'article est complété par l'alinéa suivant :
" Le Roi peut arrêter des modalités d'application particulières dans les cas où les bénéficiaires reçoivent, anticipativement ou pendant la première moitié du mois, un montant indexé. ".
Overdracht van sommige personeelsleden van het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie aan het Ministerie van Landsverdediging.
TITRE VIII. - Défense.
Art.27. De opdrachten van en de personeelsleden die tewerkgesteld zijn bij de radio maritieme Dienst van het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie worden overgedragen aan het Ministerie van Landsverdediging op de datum en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.
Transfert de certains membres du personnel de l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications au Ministère de la Défense nationale.
Art. 27. De opdrachten van en de personeelsleden die tewerkgesteld zijn bij de radio maritieme Dienst van het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie worden overgedragen aan het Ministerie van Landsverdediging op de datum en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.
Art.27. Les missions et les membres du personnel de l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications occupés au Service Radio maritime sont transférés au Ministère de la Défense nationale à la date et selon les modalités fixées par le Roi.
Art. 28. De Koning bepaalt het administratief en het geldelijk statuut van de overgedragen personeelsleden.
Art.28. Le Roi fixe le statut administratif et pécuniaire des membres du personnel transférés.
HOOFDSTUK I. - Voordeelbanenplan.
TITRE IX. - Emploi et Travail.
Art.29. Artikel 61, § 1, vierde lid, van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, gewijzigd bij de wetten van 26 juli 1996 en 26 maart 1999, wordt opgeheven.
CHAPITRE I. - Plan avantage à l'embauche.
Art. 29. Artikel 61, § 1, vierde lid, van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, gewijzigd bij de wetten van 26 juli 1996 en 26 maart 1999, wordt opgeheven.
Art.29. L'article 61, § 1er, alinéa 4, de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, modifié par les lois des 26 juillet 1996 et 26 mars 1999, est abrogé.
Art.30. Artikel 118, § 1, 4°, van de programmawet van 30 december 1988, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, wordt vervangen als volgt :
CHAPITRE II. - Plan plus un, plus deux, plus trois.
Art. 30. Artikel 118, § 1, 4°, van de programmawet van 30 december 1988, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, wordt vervangen als volgt :
" 4° een werkzoekende die gedurende een ononderbroken periode van zes maanden, gerekend van datum tot datum, die aan de indienstneming voorafgaan, ingeschreven is als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en die op het ogenblik van de indienstneming hetzij :
a) het bestaansminimum geniet, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
b) financiële sociale bijstand genieten en :
- ofwel ingeschreven is in het bevolkingsregister;
- ofwel beschikt over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
- ofwel beschikt over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
- ofwel gerechtigd of toegelaten is, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is.
Worden gelijkgesteld met een periode van inschrijving als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling :
a) de periodes tijdens welke de werkzoekenden het bestaansminimum of financiële sociale bijstand, zoals bedoeld in het vorige lid, genoten;
b) een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) een tewerkstelling in een doorstromingsprogramma met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
d) een tewerkstelling in een erkende arbeidspost met toepassing van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen; ".
" 4° een werkzoekende die gedurende een ononderbroken periode van zes maanden, gerekend van datum tot datum, die aan de indienstneming voorafgaan, ingeschreven is als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en die op het ogenblik van de indienstneming hetzij :
a) het bestaansminimum geniet, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
b) financiële sociale bijstand genieten en :
- ofwel ingeschreven is in het bevolkingsregister;
- ofwel beschikt over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
- ofwel beschikt over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
- ofwel gerechtigd of toegelaten is, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is.
Worden gelijkgesteld met een periode van inschrijving als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling :
a) de periodes tijdens welke de werkzoekenden het bestaansminimum of financiële sociale bijstand, zoals bedoeld in het vorige lid, genoten;
b) een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) een tewerkstelling in een doorstromingsprogramma met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
d) een tewerkstelling in een erkende arbeidspost met toepassing van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen; ".
Art.30. L'article 118, § 1er, 4°, de la loi-programme du 30 décembre 1988, modifié par la loi du 13 février 1998, est remplacé par le texte suivant :
" 4° un demandeur d'emploi qui est inscrit sans interruption comme demandeur d'emploi auprès d'un Office régional de l'Emploi pendant les six mois, calculés de date à date, précédant l'engagement, et qui, au moment de l'engagement, soit :
a) bénéficie du minimum de moyens d'existence prévu par la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
b) bénéficie de l'aide sociale financière et est :
- soit inscrit dans le registre de la population;
- soit autorisé au séjour de durée illimitée;
- soit autorisé au séjour, en application de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, pour autant que la prolongation de l'autorisation de séjour soit soumise à la condition d'occuper un emploi;
- soit autorisé ou admis, en application des articles 9 ou 10 de la loi du 15 décembre 1980 précitée, au séjour de durée déterminée, pour autant que la possibilité d'une autorisation de séjour pour une durée indéterminée soit expressément prévue.
Sont assimilées à une période d'inscription comme demandeur d'emploi auprès d'un Office régional de l'Emploi :
a) les périodes pendant lesquelles les demandeurs d'emploi ont bénéficié du minimum de moyens d'existence ou de l'aide sociale financière, visés à l'alinéa précédent;
b) une occupation, en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
c) une occupation dans un programme de transition professionnelle, en application de l'arrêté royal du 9 juin 1997 en exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
d) une occupation dans un poste de travail reconnu, en application de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée";
" 4° un demandeur d'emploi qui est inscrit sans interruption comme demandeur d'emploi auprès d'un Office régional de l'Emploi pendant les six mois, calculés de date à date, précédant l'engagement, et qui, au moment de l'engagement, soit :
a) bénéficie du minimum de moyens d'existence prévu par la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
b) bénéficie de l'aide sociale financière et est :
- soit inscrit dans le registre de la population;
- soit autorisé au séjour de durée illimitée;
- soit autorisé au séjour, en application de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, pour autant que la prolongation de l'autorisation de séjour soit soumise à la condition d'occuper un emploi;
- soit autorisé ou admis, en application des articles 9 ou 10 de la loi du 15 décembre 1980 précitée, au séjour de durée déterminée, pour autant que la possibilité d'une autorisation de séjour pour une durée indéterminée soit expressément prévue.
Sont assimilées à une période d'inscription comme demandeur d'emploi auprès d'un Office régional de l'Emploi :
a) les périodes pendant lesquelles les demandeurs d'emploi ont bénéficié du minimum de moyens d'existence ou de l'aide sociale financière, visés à l'alinéa précédent;
b) une occupation, en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
c) une occupation dans un programme de transition professionnelle, en application de l'arrêté royal du 9 juin 1997 en exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
d) une occupation dans un poste de travail reconnu, en application de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée";
Art.32. Artikel 6, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt vervangen als volgt :
" 4° een werkzoekende die gedurende een ononderbroken periode van zes maanden, gerekend van datum tot datum, die aan de indienstneming voorafgaan, ingeschreven is als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en die op het ogenblik van de indienstneming hetzij :
a) het bestaansminimum geniet, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
b) financiële sociale bijstand geniet en :
- ofwel ingeschreven is in het bevolkingsregister;
- ofwel beschikt over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
- ofwel beschikt over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
- ofwel gerechtigd of toegelaten is, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is.
Worden gelijkgesteld met een periode van inschrijving als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling :
a) de periodes tijdens welke de werkzoekenden het bestaansminimum of financiële sociale bijstand, zoals bedoeld in het vorige lid, genoten;
b) een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) een tewerkstelling in een doorstromingsprogramma met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
d) een tewerkstelling in een erkende arbeidspost met toepassing van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen; ".
" 4° een werkzoekende die gedurende een ononderbroken periode van zes maanden, gerekend van datum tot datum, die aan de indienstneming voorafgaan, ingeschreven is als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en die op het ogenblik van de indienstneming hetzij :
a) het bestaansminimum geniet, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
b) financiële sociale bijstand geniet en :
- ofwel ingeschreven is in het bevolkingsregister;
- ofwel beschikt over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
- ofwel beschikt over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
- ofwel gerechtigd of toegelaten is, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is.
Worden gelijkgesteld met een periode van inschrijving als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling :
a) de periodes tijdens welke de werkzoekenden het bestaansminimum of financiële sociale bijstand, zoals bedoeld in het vorige lid, genoten;
b) een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) een tewerkstelling in een doorstromingsprogramma met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
d) een tewerkstelling in een erkende arbeidspost met toepassing van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen; ".
Art.31. Dans l'article 127bis, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 29 décembre 1990, les mots " et 119, a) et c) " sont remplacés par les mots " et 119, a), c), e) et f) ".
Art. 32. Artikel 6, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt vervangen als volgt :
" 4° een werkzoekende die gedurende een ononderbroken periode van zes maanden, gerekend van datum tot datum, die aan de indienstneming voorafgaan, ingeschreven is als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en die op het ogenblik van de indienstneming hetzij :
a) het bestaansminimum geniet, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
b) financiële sociale bijstand geniet en :
- ofwel ingeschreven is in het bevolkingsregister;
- ofwel beschikt over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
- ofwel beschikt over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
- ofwel gerechtigd of toegelaten is, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is.
Worden gelijkgesteld met een periode van inschrijving als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling :
a) de periodes tijdens welke de werkzoekenden het bestaansminimum of financiële sociale bijstand, zoals bedoeld in het vorige lid, genoten;
b) een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) een tewerkstelling in een doorstromingsprogramma met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
d) een tewerkstelling in een erkende arbeidspost met toepassing van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen; ".
" 4° een werkzoekende die gedurende een ononderbroken periode van zes maanden, gerekend van datum tot datum, die aan de indienstneming voorafgaan, ingeschreven is als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en die op het ogenblik van de indienstneming hetzij :
a) het bestaansminimum geniet, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
b) financiële sociale bijstand geniet en :
- ofwel ingeschreven is in het bevolkingsregister;
- ofwel beschikt over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
- ofwel beschikt over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
- ofwel gerechtigd of toegelaten is, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is.
Worden gelijkgesteld met een periode van inschrijving als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling :
a) de periodes tijdens welke de werkzoekenden het bestaansminimum of financiële sociale bijstand, zoals bedoeld in het vorige lid, genoten;
b) een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) een tewerkstelling in een doorstromingsprogramma met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
d) een tewerkstelling in een erkende arbeidspost met toepassing van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen; ".
Art.32. L'article 6, § 1er, 4°, de l'arrêté royal du 14 mars 1997 portant des mesures spécifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises, en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, est remplacé par la disposition suivante :
" 4° un demandeur d'emploi qui est inscrit sans interruption comme demandeur d'emploi auprès d'un Office régional de l'Emploi pendant les six mois, calculés de date à date, précédant l'engagement, et qui au moment de l'engagement, soit :
a) bénéficie du minimum de moyens d'existence prévu par la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
b) bénéficie de l'aide sociale financière et est :
- soit inscrit dans le registre de la population;
- soit autorisé au séjour de durée illimitée;
- soit autorisé au séjour, en application de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, pour autant que la prolongation de l'autorisation de séjour soit soumise à la condition d'occuper un emploi;
- soit autorisé ou admis, en application des articles 9 ou 10 de la loi du 15 décembre 1980 précitée, au séjour de durée déterminée, pour autant que la possibilité d'une autorisation de séjour pour une durée indéterminée soit expressément prévue.
Sont assimilées à une période d'inscription comme demandeur d'emploi auprès d'un Office régional de l'Emploi :
a) les périodes pendant lesquelles les demandeurs d'emploi ont bénéficié du minimum de moyens d'existence ou de l'aide sociale financière, visés à l'alinéa précédent;
b) une occupation, en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
c) une occupation dans un programme de transition professionnelle, en application de l'arrêté royal du 9 juin 1997 en exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
d) une occupation dans un poste de travail reconnu, en application de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la securité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée; ".
" 4° un demandeur d'emploi qui est inscrit sans interruption comme demandeur d'emploi auprès d'un Office régional de l'Emploi pendant les six mois, calculés de date à date, précédant l'engagement, et qui au moment de l'engagement, soit :
a) bénéficie du minimum de moyens d'existence prévu par la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
b) bénéficie de l'aide sociale financière et est :
- soit inscrit dans le registre de la population;
- soit autorisé au séjour de durée illimitée;
- soit autorisé au séjour, en application de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, pour autant que la prolongation de l'autorisation de séjour soit soumise à la condition d'occuper un emploi;
- soit autorisé ou admis, en application des articles 9 ou 10 de la loi du 15 décembre 1980 précitée, au séjour de durée déterminée, pour autant que la possibilité d'une autorisation de séjour pour une durée indéterminée soit expressément prévue.
Sont assimilées à une période d'inscription comme demandeur d'emploi auprès d'un Office régional de l'Emploi :
a) les périodes pendant lesquelles les demandeurs d'emploi ont bénéficié du minimum de moyens d'existence ou de l'aide sociale financière, visés à l'alinéa précédent;
b) une occupation, en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
c) une occupation dans un programme de transition professionnelle, en application de l'arrêté royal du 9 juin 1997 en exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
d) une occupation dans un poste de travail reconnu, en application de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la securité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée; ".
Art.34. In artikel 11, eerste lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden " artikel 6, § 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 8° en 10° " vervangen door de woorden " artikel 6, § 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 8°, 10°, 14° en 15° ".
Art.33. L'article 6, § 1er, 12°, du même arrêté, inséré par la loi du 13 février 1998, est abrogé.
Art. 34. In artikel 11, eerste lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden " artikel 6, § 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 8° en 10° " vervangen door de woorden " artikel 6, § 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 8°, 10°, 14° en 15° ".
Art.34. Dans l'article 11, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " article 6, § 1er, 1°, 2°, 3°, 6°, 8° et 10° " sont remplacés par les mots " article 6, § 1er, 1°, 2°, 3°, 6°, 8°, 10°, 14° et 15° ".
Art. 35. In artikel 13 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, vervallen de woorden " en houdt op van kracht te zijn op 1 januari 2001 ".
Art.35. Dans l'article 13 du même arrêté, modifié par la loi du 13 février 1998, les mots " et cessera d'être en vigueur le 1er janvier 2001 " sont supprimés.
Art.36. Artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1985, wordt aangevuld met een § 6, luidende :
CHAPITRE III. - Fonds budgétaire interdépartemental.
Art. 36. Artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1985, wordt aangevuld met een § 6, luidende :
" § 6. In afwijking van de §§ 1 en 3, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen welke andere categorieën werkzoekenden de in Hoofdstuk II, Afdeling 5, van dit besluit bedoelde arbeidsplaatsen mogen bekleden. ".
" § 6. In afwijking van de §§ 1 en 3, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen welke andere categorieën werkzoekenden de in Hoofdstuk II, Afdeling 5, van dit besluit bedoelde arbeidsplaatsen mogen bekleden. ".
Art.36. L'article 2 de l'arrêté royal n° 25 du 24 mars 1982 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non marchand, modifié par la loi du 1er août 1985, est complété par un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Par dérogation aux §§ 1er et 3, le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, quelles autres catégories de demandeurs d'emploi peuvent occuper les emplois visés au Chapitre II, Section 5, du présent arrêté. ".
" § 6. Par dérogation aux §§ 1er et 3, le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, quelles autres catégories de demandeurs d'emploi peuvent occuper les emplois visés au Chapitre II, Section 5, du présent arrêté. ".
Art.37. Bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening wordt van de reserves, opgebouwd bij het stelsel van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, in 1999 500 miljoen Belgische frank aangewend als eigen ontvangsten voor de financiering van de werkloosheidsuitgaven.
CHAPITRE IV. - Agences locales pour l'Emploi.
Art.38. Artikel 8, § 3, eerste lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij de wet van 30 maart 1994 en vervangen bij de wet van 13 februari 1998, wordt vervangen als volgt :
" De activiteiten verricht in het kader van het plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap mogen slechts uitgeoefend worden door hetzij :
1° langdurig uitkeringsgerechtigde volledig werklozen;
2° volledig werklozen die ingeschreven zijn als werkzoekenden bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en die :
a) het bestaansminimum genieten, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
b) financiële sociale bijstand genieten en :
- ofwel ingeschreven zijn in het bevolkingsregister;
- ofwel beschikken over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
- ofwel beschikken over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
- ofwel gerechtigd of toegelaten zijn, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is. ".
" De activiteiten verricht in het kader van het plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap mogen slechts uitgeoefend worden door hetzij :
1° langdurig uitkeringsgerechtigde volledig werklozen;
2° volledig werklozen die ingeschreven zijn als werkzoekenden bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en die :
a) het bestaansminimum genieten, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
b) financiële sociale bijstand genieten en :
- ofwel ingeschreven zijn in het bevolkingsregister;
- ofwel beschikken over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
- ofwel beschikken over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
- ofwel gerechtigd of toegelaten zijn, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is. ".
Art.37. Auprès de l'Office national de l'Emploi, un montant de 500 millions de francs belges, prélevé sur les réserves du régime des agences locales pour l'Emploi, est affecté, pour l'exercice 1999, comme recettes propres au financement des dépenses de chômage.
Art. 38. Artikel 8, § 3, eerste lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij de wet van 30 maart 1994 en vervangen bij de wet van 13 februari 1998, wordt vervangen als volgt :
" De activiteiten verricht in het kader van het plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap mogen slechts uitgeoefend worden door hetzij :
1° langdurig uitkeringsgerechtigde volledig werklozen;
2° volledig werklozen die ingeschreven zijn als werkzoekenden bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en die :
a) het bestaansminimum genieten, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
b) financiële sociale bijstand genieten en :
- ofwel ingeschreven zijn in het bevolkingsregister;
- ofwel beschikken over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
- ofwel beschikken over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
- ofwel gerechtigd of toegelaten zijn, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is. ".
" De activiteiten verricht in het kader van het plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap mogen slechts uitgeoefend worden door hetzij :
1° langdurig uitkeringsgerechtigde volledig werklozen;
2° volledig werklozen die ingeschreven zijn als werkzoekenden bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en die :
a) het bestaansminimum genieten, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
b) financiële sociale bijstand genieten en :
- ofwel ingeschreven zijn in het bevolkingsregister;
- ofwel beschikken over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
- ofwel beschikken over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
- ofwel gerechtigd of toegelaten zijn, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is. ".
Art.38. L'article 8, § 3, alinéa 1er, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, inséré par la loi du 30 mars 1994 et remplacé par la loi du 13 février 1998, est remplacé par la disposition suivante :
" Les activités effectuées dans le cadre de l'Agence locale pour l'Emploi ne peuvent être accomplies que par soit :
1° des chômeurs complets indemnisés de longue durée;
2° des chômeurs complets qui sont inscrits comme demandeurs d'emploi auprès d'un Office régional de l'Emploi et qui, soit :
a) bénéficient du minimum de moyens d'existence prévu par la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
b) bénéficient de l'aide sociale financière et sont :
- soit inscrits dans le registre de la population;
- soit autorisés au séjour de durée illimitée;
- soit autorisés au séjour, en application de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, pour autant que la prolongation de l'autorisation de séjour soit soumise à la condition d'occuper un emploi;
- soit autorisés ou admis, en application des articles 9 ou 10 de la loi précitée du 15 décembre 1980, au séjour de durée déterminée, pour autant que la possibilité d'une autorisation de séjour pour une durée indéterminée soit expressément prévue. ".
" Les activités effectuées dans le cadre de l'Agence locale pour l'Emploi ne peuvent être accomplies que par soit :
1° des chômeurs complets indemnisés de longue durée;
2° des chômeurs complets qui sont inscrits comme demandeurs d'emploi auprès d'un Office régional de l'Emploi et qui, soit :
a) bénéficient du minimum de moyens d'existence prévu par la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
b) bénéficient de l'aide sociale financière et sont :
- soit inscrits dans le registre de la population;
- soit autorisés au séjour de durée illimitée;
- soit autorisés au séjour, en application de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, pour autant que la prolongation de l'autorisation de séjour soit soumise à la condition d'occuper un emploi;
- soit autorisés ou admis, en application des articles 9 ou 10 de la loi précitée du 15 décembre 1980, au séjour de durée déterminée, pour autant que la possibilité d'une autorisation de séjour pour une durée indéterminée soit expressément prévue. ".
Art.39. In artikel 27 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, wordt, tussen het tweede en het derde lid, het volgende lid ingevoegd :
CHAPITRE V. - Modification de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi.
Art.40. Artikel 32 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 32. De startbaanovereenkomst moet schriftelijk worden opgemaakt voor elke nieuwe werknemer afzonderlijk, ten laatste op het moment waarop hij met de uitvoering van de overeenkomst start.
Een kopie van de startbaanovereenkomst wordt door de werkgever uit de openbare of private sector binnen dertig dagen volgend op het begin van de uitvoering van de overeenkomst, bezorgd aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
De Koning kan, volgens de voorwaarden en nadere regels die Hij bepaalt, bepalen dat de mededeling van het afschrift van de startbaanovereenkomst voorzien in het tweede lid, vervangen wordt door een andere wijze van mededeling.
De Koning bepaalt het model van de startbaanovereenkomst.
Voor de naleving van de verplichting bedoeld in artikel 39, §§ 1 en 2, en van wat bepaald wordt in artikel 39, § 3, net als voor het voordeel van de vermindering van de werkgeversbijdrage bedoeld in artikel 44, komen alleen de startbaanovereenkomsten in aanmerking :
1° die schriftelijk zijn opgemaakt overeenkomstig het eerste lid en overeenkomstig het model bedoeld in het vierde lid;
2° die het voorwerp hebben uitgemaakt van de mededeling overeenkomstig het tweede lid of het derde lid.
Zij komen in aanmerking vanaf het begin van hun uitvoering indien een kopie werd bezorgd binnen de termijn bedoeld in het tweede lid. Zij komen enkel in aanmerking op de datum van hun ontvangst door de door de Koning aangewezen ambtenaar indien een kopie werd bezorgd buiten deze termijn. ".
" Art. 32. De startbaanovereenkomst moet schriftelijk worden opgemaakt voor elke nieuwe werknemer afzonderlijk, ten laatste op het moment waarop hij met de uitvoering van de overeenkomst start.
Een kopie van de startbaanovereenkomst wordt door de werkgever uit de openbare of private sector binnen dertig dagen volgend op het begin van de uitvoering van de overeenkomst, bezorgd aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
De Koning kan, volgens de voorwaarden en nadere regels die Hij bepaalt, bepalen dat de mededeling van het afschrift van de startbaanovereenkomst voorzien in het tweede lid, vervangen wordt door een andere wijze van mededeling.
De Koning bepaalt het model van de startbaanovereenkomst.
Voor de naleving van de verplichting bedoeld in artikel 39, §§ 1 en 2, en van wat bepaald wordt in artikel 39, § 3, net als voor het voordeel van de vermindering van de werkgeversbijdrage bedoeld in artikel 44, komen alleen de startbaanovereenkomsten in aanmerking :
1° die schriftelijk zijn opgemaakt overeenkomstig het eerste lid en overeenkomstig het model bedoeld in het vierde lid;
2° die het voorwerp hebben uitgemaakt van de mededeling overeenkomstig het tweede lid of het derde lid.
Zij komen in aanmerking vanaf het begin van hun uitvoering indien een kopie werd bezorgd binnen de termijn bedoeld in het tweede lid. Zij komen enkel in aanmerking op de datum van hun ontvangst door de door de Koning aangewezen ambtenaar indien een kopie werd bezorgd buiten deze termijn. ".
Art.39. Dans l'article 27 de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, 2° et 3°, les périodes qui y sont visées peuvent être inférieures à douze mois lorsque la durée de la formation, de l'apprentissage, du stage ou de l'insertion est inférieure à douze mois. Dans ce cas, la convention de premier emploi, visée à l'alinéa 1er, 2° ou 3°, est suivie par une convention de premier emploi, visée à l'alinéa 1er, 1°, de sorte qu'une durée de douze mois soit atteinte. La période, visée à l'alinéa 1er, 1°, est alors inférieure à douze mois. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, 2° et 3°, les périodes qui y sont visées peuvent être inférieures à douze mois lorsque la durée de la formation, de l'apprentissage, du stage ou de l'insertion est inférieure à douze mois. Dans ce cas, la convention de premier emploi, visée à l'alinéa 1er, 2° ou 3°, est suivie par une convention de premier emploi, visée à l'alinéa 1er, 1°, de sorte qu'une durée de douze mois soit atteinte. La période, visée à l'alinéa 1er, 1°, est alors inférieure à douze mois. ".
Art. 40. Artikel 32 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 32. De startbaanovereenkomst moet schriftelijk worden opgemaakt voor elke nieuwe werknemer afzonderlijk, ten laatste op het moment waarop hij met de uitvoering van de overeenkomst start.
Een kopie van de startbaanovereenkomst wordt door de werkgever uit de openbare of private sector binnen dertig dagen volgend op het begin van de uitvoering van de overeenkomst, bezorgd aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
De Koning kan, volgens de voorwaarden en nadere regels die Hij bepaalt, bepalen dat de mededeling van het afschrift van de startbaanovereenkomst voorzien in het tweede lid, vervangen wordt door een andere wijze van mededeling.
De Koning bepaalt het model van de startbaanovereenkomst.
Voor de naleving van de verplichting bedoeld in artikel 39, §§ 1 en 2, en van wat bepaald wordt in artikel 39, § 3, net als voor het voordeel van de vermindering van de werkgeversbijdrage bedoeld in artikel 44, komen alleen de startbaanovereenkomsten in aanmerking :
1° die schriftelijk zijn opgemaakt overeenkomstig het eerste lid en overeenkomstig het model bedoeld in het vierde lid;
2° die het voorwerp hebben uitgemaakt van de mededeling overeenkomstig het tweede lid of het derde lid.
Zij komen in aanmerking vanaf het begin van hun uitvoering indien een kopie werd bezorgd binnen de termijn bedoeld in het tweede lid. Zij komen enkel in aanmerking op de datum van hun ontvangst door de door de Koning aangewezen ambtenaar indien een kopie werd bezorgd buiten deze termijn. ".
" Art. 32. De startbaanovereenkomst moet schriftelijk worden opgemaakt voor elke nieuwe werknemer afzonderlijk, ten laatste op het moment waarop hij met de uitvoering van de overeenkomst start.
Een kopie van de startbaanovereenkomst wordt door de werkgever uit de openbare of private sector binnen dertig dagen volgend op het begin van de uitvoering van de overeenkomst, bezorgd aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
De Koning kan, volgens de voorwaarden en nadere regels die Hij bepaalt, bepalen dat de mededeling van het afschrift van de startbaanovereenkomst voorzien in het tweede lid, vervangen wordt door een andere wijze van mededeling.
De Koning bepaalt het model van de startbaanovereenkomst.
Voor de naleving van de verplichting bedoeld in artikel 39, §§ 1 en 2, en van wat bepaald wordt in artikel 39, § 3, net als voor het voordeel van de vermindering van de werkgeversbijdrage bedoeld in artikel 44, komen alleen de startbaanovereenkomsten in aanmerking :
1° die schriftelijk zijn opgemaakt overeenkomstig het eerste lid en overeenkomstig het model bedoeld in het vierde lid;
2° die het voorwerp hebben uitgemaakt van de mededeling overeenkomstig het tweede lid of het derde lid.
Zij komen in aanmerking vanaf het begin van hun uitvoering indien een kopie werd bezorgd binnen de termijn bedoeld in het tweede lid. Zij komen enkel in aanmerking op de datum van hun ontvangst door de door de Koning aangewezen ambtenaar indien een kopie werd bezorgd buiten deze termijn. ".
Art.40. L'article 32 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 32. La convention de premier emploi doit être constatée par écrit pour chaque nouveau travailleur individuellement, au plus tard au moment où il commence l'exécution de sa convention.
Une copie de la convention de premier emploi est communiquée par l'employeur public ou privé, dans les trente jours suivant le début de l'exécution de la convention, au fonctionnaire désigné par le Roi.
Le Roi peut, selon les conditions et les modalités qu'Il détermine, prévoir que la communication de la copie de la convention de premier emploi, prévue à l'alinéa 2, est remplacée par un autre mode de transmission.
Le Roi fixe le modèle de convention de premier emploi.
Seules sont prises en considération, pour le respect de l'obligation visée à l'article 39, §§ 1er et 2, et de ce qui est prévu par l'article 39, § 3, ainsi que pour le bénéfice des réductions de cotisations patronales de sécurité sociale visées à l'article 44, les conventions de premier emploi :
1° qui ont été constatées par écrit, conformément à l'alinéa 1er et conformément au modèle visé à l'alinéa 4;
2° qui ont fait l'objet d'une communication, conformément à l'alinéa 2 ou à l'alinéa 3.
Elles sont prises en considération dès le début de leur exécution lorsqu'une copie a été communiquée dans le délai visé à l'alinéa 2. Elles ne sont prises en considération qu'à la date de leur réception par le fonctionnaire désigné par le Roi lorsqu'une copie a été communiquée en dehors de ce délai. ".
" Art. 32. La convention de premier emploi doit être constatée par écrit pour chaque nouveau travailleur individuellement, au plus tard au moment où il commence l'exécution de sa convention.
Une copie de la convention de premier emploi est communiquée par l'employeur public ou privé, dans les trente jours suivant le début de l'exécution de la convention, au fonctionnaire désigné par le Roi.
Le Roi peut, selon les conditions et les modalités qu'Il détermine, prévoir que la communication de la copie de la convention de premier emploi, prévue à l'alinéa 2, est remplacée par un autre mode de transmission.
Le Roi fixe le modèle de convention de premier emploi.
Seules sont prises en considération, pour le respect de l'obligation visée à l'article 39, §§ 1er et 2, et de ce qui est prévu par l'article 39, § 3, ainsi que pour le bénéfice des réductions de cotisations patronales de sécurité sociale visées à l'article 44, les conventions de premier emploi :
1° qui ont été constatées par écrit, conformément à l'alinéa 1er et conformément au modèle visé à l'alinéa 4;
2° qui ont fait l'objet d'une communication, conformément à l'alinéa 2 ou à l'alinéa 3.
Elles sont prises en considération dès le début de leur exécution lorsqu'une copie a été communiquée dans le délai visé à l'alinéa 2. Elles ne sont prises en considération qu'à la date de leur réception par le fonctionnaire désigné par le Roi lorsqu'une copie a été communiquée en dehors de ce délai. ".
Art.42. Artikel 39 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 39. § 1. De werkgevers uit de openbare sector die een personeelsbestand hebben, uitgedrukt in eenheden, van ten minste vijftig werknemers op 30 juni van het voorafgaande jaar, moeten bijkomend een aantal nieuwe werknemers in dienst nemen ten opzichte van het personeelsbestand, berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar. De Koning bepaalt dit aantal bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 2. De werkgevers uit de private sector die een personeelsbestand hebben, uitgedrukt in eenheden, van ten minste vijftig werknemers op 30 juni van het voorafgaande jaar, moeten nieuwe werknemers in dienst nemen a rato van 3 % van hun personeelsbestanden, berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar.
§ 3. Naast deze individuele verplichtingen, dienen de werkgevers uit de private sector allen samen en ongeacht het aantal werknemers dat elk afzonderlijk tewerkstelt, nieuwe werknemers in dienst te nemen a rato van een procent van het totale personeelsbestand, berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar van diegenen onder hen die op 30 juni van het voorafgaande jaar een personeelsbestand, uitgedrukt in eenheden, van ten minste vijftig werknemers hadden.
§ 4. De nieuwe werknemers worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in de §§ 1, 2 en 3.
De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder personeelsbestand en bepaalt de berekeningswijze van de nieuwe werknemers bedoeld in de §§ 1, 2 en 3.
§ 5. De tewerkstelling van de nieuwe werknemers bedoeld in de §§ 1, 2 en 3, betekent een bijkomende tewerkstelling en mag niet worden gecompenseerd door het ontslaan van personeel.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk bepaalt de Koning wat moet worden verstaan onder compensatie van de aanwerving van nieuwe werknemers door ontslag van personeel en de berekeningswijze van deze compensatie. ".
" Art. 39. § 1. De werkgevers uit de openbare sector die een personeelsbestand hebben, uitgedrukt in eenheden, van ten minste vijftig werknemers op 30 juni van het voorafgaande jaar, moeten bijkomend een aantal nieuwe werknemers in dienst nemen ten opzichte van het personeelsbestand, berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar. De Koning bepaalt dit aantal bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 2. De werkgevers uit de private sector die een personeelsbestand hebben, uitgedrukt in eenheden, van ten minste vijftig werknemers op 30 juni van het voorafgaande jaar, moeten nieuwe werknemers in dienst nemen a rato van 3 % van hun personeelsbestanden, berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar.
§ 3. Naast deze individuele verplichtingen, dienen de werkgevers uit de private sector allen samen en ongeacht het aantal werknemers dat elk afzonderlijk tewerkstelt, nieuwe werknemers in dienst te nemen a rato van een procent van het totale personeelsbestand, berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar van diegenen onder hen die op 30 juni van het voorafgaande jaar een personeelsbestand, uitgedrukt in eenheden, van ten minste vijftig werknemers hadden.
§ 4. De nieuwe werknemers worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in de §§ 1, 2 en 3.
De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder personeelsbestand en bepaalt de berekeningswijze van de nieuwe werknemers bedoeld in de §§ 1, 2 en 3.
§ 5. De tewerkstelling van de nieuwe werknemers bedoeld in de §§ 1, 2 en 3, betekent een bijkomende tewerkstelling en mag niet worden gecompenseerd door het ontslaan van personeel.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk bepaalt de Koning wat moet worden verstaan onder compensatie van de aanwerving van nieuwe werknemers door ontslag van personeel en de berekeningswijze van deze compensatie. ".
Art.41. Dans l'article 38 de la même loi, les mots " moins qualifiés " sont insérés entre les mots " nouveaux travailleurs " et les mots " dans les liens d'une convention de premier emploi ".
Art. 42. Artikel 39 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 39. § 1. De werkgevers uit de openbare sector die een personeelsbestand hebben, uitgedrukt in eenheden, van ten minste vijftig werknemers op 30 juni van het voorafgaande jaar, moeten bijkomend een aantal nieuwe werknemers in dienst nemen ten opzichte van het personeelsbestand, berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar. De Koning bepaalt dit aantal bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 2. De werkgevers uit de private sector die een personeelsbestand hebben, uitgedrukt in eenheden, van ten minste vijftig werknemers op 30 juni van het voorafgaande jaar, moeten nieuwe werknemers in dienst nemen a rato van 3 % van hun personeelsbestanden, berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar.
§ 3. Naast deze individuele verplichtingen, dienen de werkgevers uit de private sector allen samen en ongeacht het aantal werknemers dat elk afzonderlijk tewerkstelt, nieuwe werknemers in dienst te nemen a rato van een procent van het totale personeelsbestand, berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar van diegenen onder hen die op 30 juni van het voorafgaande jaar een personeelsbestand, uitgedrukt in eenheden, van ten minste vijftig werknemers hadden.
§ 4. De nieuwe werknemers worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in de §§ 1, 2 en 3.
De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder personeelsbestand en bepaalt de berekeningswijze van de nieuwe werknemers bedoeld in de §§ 1, 2 en 3.
§ 5. De tewerkstelling van de nieuwe werknemers bedoeld in de §§ 1, 2 en 3, betekent een bijkomende tewerkstelling en mag niet worden gecompenseerd door het ontslaan van personeel.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk bepaalt de Koning wat moet worden verstaan onder compensatie van de aanwerving van nieuwe werknemers door ontslag van personeel en de berekeningswijze van deze compensatie. ".
" Art. 39. § 1. De werkgevers uit de openbare sector die een personeelsbestand hebben, uitgedrukt in eenheden, van ten minste vijftig werknemers op 30 juni van het voorafgaande jaar, moeten bijkomend een aantal nieuwe werknemers in dienst nemen ten opzichte van het personeelsbestand, berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar. De Koning bepaalt dit aantal bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 2. De werkgevers uit de private sector die een personeelsbestand hebben, uitgedrukt in eenheden, van ten minste vijftig werknemers op 30 juni van het voorafgaande jaar, moeten nieuwe werknemers in dienst nemen a rato van 3 % van hun personeelsbestanden, berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar.
§ 3. Naast deze individuele verplichtingen, dienen de werkgevers uit de private sector allen samen en ongeacht het aantal werknemers dat elk afzonderlijk tewerkstelt, nieuwe werknemers in dienst te nemen a rato van een procent van het totale personeelsbestand, berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar van diegenen onder hen die op 30 juni van het voorafgaande jaar een personeelsbestand, uitgedrukt in eenheden, van ten minste vijftig werknemers hadden.
§ 4. De nieuwe werknemers worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in de §§ 1, 2 en 3.
De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder personeelsbestand en bepaalt de berekeningswijze van de nieuwe werknemers bedoeld in de §§ 1, 2 en 3.
§ 5. De tewerkstelling van de nieuwe werknemers bedoeld in de §§ 1, 2 en 3, betekent een bijkomende tewerkstelling en mag niet worden gecompenseerd door het ontslaan van personeel.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk bepaalt de Koning wat moet worden verstaan onder compensatie van de aanwerving van nieuwe werknemers door ontslag van personeel en de berekeningswijze van deze compensatie. ".
Art.42. L'article 39 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 39. § 1er. Les employeurs publics, qui ont un effectif, exprimé en unités, d'au moins cinquante travailleurs le 30 juin de l'année précédente, doivent occuper un nombre de nouveaux travailleurs supplémentaires par rapport à l'effectif de leur personnel, calculé en équivalent temps plein, au deuxième trimestre de l'année précédente. Le Roi détermine ce nombre par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
§ 2. Les employeurs privés, qui ont un effectif, exprimé en unités, d'au moins cinquante travailleurs le 30 juin de l'année précédente, doivent occuper des nouveaux travailleurs à concurrence de 3 % de l'effectif de leur personnel, calculé en équivalent temps plein, au deuxième trimestre de l'année précédente.
§ 3. Outre ces obligations individuelles, il est assigné, aux employeurs privés, tous ensemble et quel que soit le nombre de travailleurs qu'ils occupent individuellement, d'embaucher des nouveaux travailleurs à concurrence d'un pour-cent de l'effectif global du personnel, calculé en équivalent temps plein, au deuxième trimestre de l'année précédente, de ceux d'entre eux qui ont un effectif, exprimé en unités, d'au moins cinquante travailleurs le 30 juin de l'année précédente.
§ 4. Les nouveaux travailleurs ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'effectif visé aux §§ 1er, 2 et 3.
Le Roi définit ce qu'il faut entendre par effectif et détermine le mode de calcul des nouveaux travailleurs visés aux §§ 1er, 2 et 3.
§ 5. L'occupation des nouveaux travailleurs, visée aux §§ 1er, 2 et 3, constitue une mise au travail supplémentaire et ne peut être compensée par le licenciement de personnel.
Pour l'application du présent chapitre, le Roi définit ce qu'il faut entendre par compensation du recrutement de nouveaux travailleurs par du licenciement de personnel et détermine le mode de calcul de cette compensation. ".
" Art. 39. § 1er. Les employeurs publics, qui ont un effectif, exprimé en unités, d'au moins cinquante travailleurs le 30 juin de l'année précédente, doivent occuper un nombre de nouveaux travailleurs supplémentaires par rapport à l'effectif de leur personnel, calculé en équivalent temps plein, au deuxième trimestre de l'année précédente. Le Roi détermine ce nombre par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
§ 2. Les employeurs privés, qui ont un effectif, exprimé en unités, d'au moins cinquante travailleurs le 30 juin de l'année précédente, doivent occuper des nouveaux travailleurs à concurrence de 3 % de l'effectif de leur personnel, calculé en équivalent temps plein, au deuxième trimestre de l'année précédente.
§ 3. Outre ces obligations individuelles, il est assigné, aux employeurs privés, tous ensemble et quel que soit le nombre de travailleurs qu'ils occupent individuellement, d'embaucher des nouveaux travailleurs à concurrence d'un pour-cent de l'effectif global du personnel, calculé en équivalent temps plein, au deuxième trimestre de l'année précédente, de ceux d'entre eux qui ont un effectif, exprimé en unités, d'au moins cinquante travailleurs le 30 juin de l'année précédente.
§ 4. Les nouveaux travailleurs ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'effectif visé aux §§ 1er, 2 et 3.
Le Roi définit ce qu'il faut entendre par effectif et détermine le mode de calcul des nouveaux travailleurs visés aux §§ 1er, 2 et 3.
§ 5. L'occupation des nouveaux travailleurs, visée aux §§ 1er, 2 et 3, constitue une mise au travail supplémentaire et ne peut être compensée par le licenciement de personnel.
Pour l'application du présent chapitre, le Roi définit ce qu'il faut entendre par compensation du recrutement de nouveaux travailleurs par du licenciement de personnel et détermine le mode de calcul de cette compensation. ".
Art. 43. In artikel 44 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in §§ 1, 2 en 3, worden de woorden " op 30 juni " vervangen door de woorden " berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester ";
2° in § 4, wordt het volgende lid ingevoegd vóór het eerste lid :
" § 4. Het voordeel van de vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid, bedoeld in de §§ 1, 2 en 3, wordt eveneens toegekend, onder dezelfde voorwaarden, in het geval van tewerkstelling van laaggeschoolde jongeren, die bijkomend worden aangeworven binnen de startbaanovereenkomst, zoals bepaald in artikel 27, 2°. ";
3° in § 5, wordt het tweede lid vervangen door het volgende lid :
" In afwijking van artikel 35, § 3, van de voornoemde wet van 29 juni 1981, mag het voordeel van de verminderingen van de werkgeversbijdrage voor sociale zekerheid bedoeld in de §§ 1, 2, 3 en 4, niet meer bedragen dan het totaalbedrag van de bijdragen dat nog is verschuldigd aan de instellingen belast met de inning en de invordering van die bijdragen voor alle werknemers samen die door de betrokken werkgever zijn tewerkgesteld. ";
4° een § 6 wordt toegevoegd, luidende :
" § 6. De nieuwe werknemers worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in §§ 1, 2 en 3. ".
1° in §§ 1, 2 en 3, worden de woorden " op 30 juni " vervangen door de woorden " berekend in voltijdse equivalenten, tijdens het tweede trimester ";
2° in § 4, wordt het volgende lid ingevoegd vóór het eerste lid :
" § 4. Het voordeel van de vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid, bedoeld in de §§ 1, 2 en 3, wordt eveneens toegekend, onder dezelfde voorwaarden, in het geval van tewerkstelling van laaggeschoolde jongeren, die bijkomend worden aangeworven binnen de startbaanovereenkomst, zoals bepaald in artikel 27, 2°. ";
3° in § 5, wordt het tweede lid vervangen door het volgende lid :
" In afwijking van artikel 35, § 3, van de voornoemde wet van 29 juni 1981, mag het voordeel van de verminderingen van de werkgeversbijdrage voor sociale zekerheid bedoeld in de §§ 1, 2, 3 en 4, niet meer bedragen dan het totaalbedrag van de bijdragen dat nog is verschuldigd aan de instellingen belast met de inning en de invordering van die bijdragen voor alle werknemers samen die door de betrokken werkgever zijn tewerkgesteld. ";
4° een § 6 wordt toegevoegd, luidende :
" § 6. De nieuwe werknemers worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in §§ 1, 2 en 3. ".
Art.43. A l'article 44 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans les §§ 1er, 2 et 3, les mots " au 30 juin " sont remplacés par les mots " calculé en équivalent temps plein, au deuxième trimestre ";
2° dans le § 4, l'alinéa suivant est inséré avant l'alinéa 1er :
" § 4. Le bénéfice de la réduction de cotisations patronales de sécurité sociale, visée aux §§ 1er, 2 et 3, est également accordé, dans les mêmes conditions, en cas d'occupation de jeunes moins qualifiés engagés, en supplément, dans le cadre de la convention de premier emploi définie à l'article 27, 2°. ";
3° dans le § 5, l'alinéa 2 est remplacé par l'alinéa suivant :
" Par dérogation à l'article 35, § 3, de la loi du 29 juin 1981 précitée, le bénéfice des réductions des cotisations patronales de sécurité sociale, visées aux §§ 1er, 2, 3 et 4, ne peut dépasser le montant global des cotisations qui restent dues aux organismes chargés de la perception et du recouvrement de ces cotisations pour l'ensemble des travailleurs occupés par l'employeur concerné. ";
4° il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Les nouveaux travailleurs ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'effectif visé aux §§ 1er, 2 et 3. ".
1° dans les §§ 1er, 2 et 3, les mots " au 30 juin " sont remplacés par les mots " calculé en équivalent temps plein, au deuxième trimestre ";
2° dans le § 4, l'alinéa suivant est inséré avant l'alinéa 1er :
" § 4. Le bénéfice de la réduction de cotisations patronales de sécurité sociale, visée aux §§ 1er, 2 et 3, est également accordé, dans les mêmes conditions, en cas d'occupation de jeunes moins qualifiés engagés, en supplément, dans le cadre de la convention de premier emploi définie à l'article 27, 2°. ";
3° dans le § 5, l'alinéa 2 est remplacé par l'alinéa suivant :
" Par dérogation à l'article 35, § 3, de la loi du 29 juin 1981 précitée, le bénéfice des réductions des cotisations patronales de sécurité sociale, visées aux §§ 1er, 2, 3 et 4, ne peut dépasser le montant global des cotisations qui restent dues aux organismes chargés de la perception et du recouvrement de ces cotisations pour l'ensemble des travailleurs occupés par l'employeur concerné. ";
4° il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Les nouveaux travailleurs ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'effectif visé aux §§ 1er, 2 et 3. ".
Art. 44. Artikel 45 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 4, luidende :
" § 4. In het geval bedoeld in artikel 27, derde lid, geniet de nieuwe werknemer een nieuwe startbaanovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 27, 1°, zodat zijn werkgever hem tewerkstelt gedurende een periode van twaalf maanden. ".
" § 4. In het geval bedoeld in artikel 27, derde lid, geniet de nieuwe werknemer een nieuwe startbaanovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 27, 1°, zodat zijn werkgever hem tewerkstelt gedurende een periode van twaalf maanden. ".
Art.44. L'article 45 de la même loi est complété par un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Dans le cas visé à l'article 27, alinéa 3, le nouveau travailleur bénéficie d'une nouvelle convention de premier emploi, visée à l'article 27, 1°, de sorte que son employeur l'occupe pendant une période de douze mois. ".
" § 4. Dans le cas visé à l'article 27, alinéa 3, le nouveau travailleur bénéficie d'une nouvelle convention de premier emploi, visée à l'article 27, 1°, de sorte que son employeur l'occupe pendant une période de douze mois. ".
Art.46. Artikel 54 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 54. § 1. De op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk reeds aangevatte stages, net als hun eventuele verlenging, vallen, tot hun beëindiging, onder de bepalingen van koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces en zijn uitvoeringsbesluiten.
De stagiairs, de jongeren en de daarmee gelijkgestelde personen die overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 zijn tewerkgesteld op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, komen in aanmerking, in verhouding tot de duur van hun tewerkstelling, voor de naleving van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en voor de naleving van de tewerkstellingsvoorwaarde bedoeld in artikel 44.
De stagiairs, de jongeren en de daarmee gelijkgestelde personen die overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 zijn tewerkgesteld tijdens de tweede trimester 1999 komen niet in aanmerking voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en in artikel 44.
§ 2. Vallen tot hun beëindiging onder de bepalingen van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 en zijn uitvoeringsbesluiten, de vrijstellingen die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en die toegekend werden overeenkomstig :
1° artikel 9 van hetzelfde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983;
2° artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 maart 1990 tot vaststelling voor sommige plaatselijke besturen van de toekenningsvoorwaarden voor gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de verplichting tot aanwerving van stagiairs, alsmede van de voorwaarden voor de vermindering van het percentage stagiairs.
De werkgevers die de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen genieten, zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, tot de beëindiging van deze vrijstellingen.
§ 3. De vrijstellingen die toegekend werden overeenkomstig artikel 10 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983, die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, blijven onderworpen tot hun beëindiging aan de bepalingen van dit koninklijk besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten.
De werkgevers die de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen genieten, zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, tot de beëindiging van deze vrijstellingen.
De overeenkomsten gesloten tussen de Minister bevoegd voor Werkgelegenheid en de ondernemingen overeenkomstig artikel 10 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983, die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, blijven van toepassing tot hun beëindiging.
Wanneer de in het derde lid bedoelde overeenkomsten echter voorzien in de aanwerving van stagiairs vanaf of na de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, kunnen enkel de jongeren gedefinieerd in artikel 23 aangeworven worden met een startbaanovereenkomst.
De personen die, tijdens het tweede trimester van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de in het derde lid bedoelde overeenkomsten eindigen, tewerkgesteld worden in uitvoering van deze overeenkomsten, komen niet in aanmerking voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en in artikel 44.
§ 4. De vrijstellingen toegekend overeenkomstig artikel 10bis van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, vallen tot hun beëindiging onder de bepalingen van dit koninklijk besluit en zijn uitvoeringsbesluiten.
De werkgevers die de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen genieten, zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, tot de beëindiging van deze vrijstellingen.
De personen die, tijdens de tweede trimester 1999, en die, tijdens de tweede trimester 2000, de tewerkstellings- en opleidingsmaatregelen genoten die aanleiding hebben gegeven tot de in artikel 10bis van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 bedoelde vrijstelling, komen niet in aanmerking voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en in artikel 44.
§ 5. De vermindering van de werkgeversbijdrage voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 13 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983, waarvan de toekenningsperiode reeds aangevat is op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, valt, tot de beëindiging van deze periode, onder de bepalingen van dit koninklijk besluit en van het koninklijk besluit van 29 maart 1985 tot uitvoering van artikel 13, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces. ".
" Art. 54. § 1. De op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk reeds aangevatte stages, net als hun eventuele verlenging, vallen, tot hun beëindiging, onder de bepalingen van koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces en zijn uitvoeringsbesluiten.
De stagiairs, de jongeren en de daarmee gelijkgestelde personen die overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 zijn tewerkgesteld op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, komen in aanmerking, in verhouding tot de duur van hun tewerkstelling, voor de naleving van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en voor de naleving van de tewerkstellingsvoorwaarde bedoeld in artikel 44.
De stagiairs, de jongeren en de daarmee gelijkgestelde personen die overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 zijn tewerkgesteld tijdens de tweede trimester 1999 komen niet in aanmerking voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en in artikel 44.
§ 2. Vallen tot hun beëindiging onder de bepalingen van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 en zijn uitvoeringsbesluiten, de vrijstellingen die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en die toegekend werden overeenkomstig :
1° artikel 9 van hetzelfde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983;
2° artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 maart 1990 tot vaststelling voor sommige plaatselijke besturen van de toekenningsvoorwaarden voor gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de verplichting tot aanwerving van stagiairs, alsmede van de voorwaarden voor de vermindering van het percentage stagiairs.
De werkgevers die de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen genieten, zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, tot de beëindiging van deze vrijstellingen.
§ 3. De vrijstellingen die toegekend werden overeenkomstig artikel 10 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983, die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, blijven onderworpen tot hun beëindiging aan de bepalingen van dit koninklijk besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten.
De werkgevers die de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen genieten, zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, tot de beëindiging van deze vrijstellingen.
De overeenkomsten gesloten tussen de Minister bevoegd voor Werkgelegenheid en de ondernemingen overeenkomstig artikel 10 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983, die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, blijven van toepassing tot hun beëindiging.
Wanneer de in het derde lid bedoelde overeenkomsten echter voorzien in de aanwerving van stagiairs vanaf of na de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, kunnen enkel de jongeren gedefinieerd in artikel 23 aangeworven worden met een startbaanovereenkomst.
De personen die, tijdens het tweede trimester van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de in het derde lid bedoelde overeenkomsten eindigen, tewerkgesteld worden in uitvoering van deze overeenkomsten, komen niet in aanmerking voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en in artikel 44.
§ 4. De vrijstellingen toegekend overeenkomstig artikel 10bis van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, vallen tot hun beëindiging onder de bepalingen van dit koninklijk besluit en zijn uitvoeringsbesluiten.
De werkgevers die de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen genieten, zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, tot de beëindiging van deze vrijstellingen.
De personen die, tijdens de tweede trimester 1999, en die, tijdens de tweede trimester 2000, de tewerkstellings- en opleidingsmaatregelen genoten die aanleiding hebben gegeven tot de in artikel 10bis van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 bedoelde vrijstelling, komen niet in aanmerking voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en in artikel 44.
§ 5. De vermindering van de werkgeversbijdrage voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 13 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983, waarvan de toekenningsperiode reeds aangevat is op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, valt, tot de beëindiging van deze periode, onder de bepalingen van dit koninklijk besluit en van het koninklijk besluit van 29 maart 1985 tot uitvoering van artikel 13, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces. ".
Art.45. Dans l'article 47, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, les mots " au 30 juin " sont remplacés par les mots " calculé en équivalent temps plein, au deuxième trimestre ".
Art. 46. Artikel 54 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 54. § 1. De op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk reeds aangevatte stages, net als hun eventuele verlenging, vallen, tot hun beëindiging, onder de bepalingen van koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces en zijn uitvoeringsbesluiten.
De stagiairs, de jongeren en de daarmee gelijkgestelde personen die overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 zijn tewerkgesteld op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, komen in aanmerking, in verhouding tot de duur van hun tewerkstelling, voor de naleving van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en voor de naleving van de tewerkstellingsvoorwaarde bedoeld in artikel 44.
De stagiairs, de jongeren en de daarmee gelijkgestelde personen die overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 zijn tewerkgesteld tijdens de tweede trimester 1999 komen niet in aanmerking voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en in artikel 44.
§ 2. Vallen tot hun beëindiging onder de bepalingen van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 en zijn uitvoeringsbesluiten, de vrijstellingen die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en die toegekend werden overeenkomstig :
1° artikel 9 van hetzelfde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983;
2° artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 maart 1990 tot vaststelling voor sommige plaatselijke besturen van de toekenningsvoorwaarden voor gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de verplichting tot aanwerving van stagiairs, alsmede van de voorwaarden voor de vermindering van het percentage stagiairs.
De werkgevers die de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen genieten, zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, tot de beëindiging van deze vrijstellingen.
§ 3. De vrijstellingen die toegekend werden overeenkomstig artikel 10 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983, die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, blijven onderworpen tot hun beëindiging aan de bepalingen van dit koninklijk besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten.
De werkgevers die de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen genieten, zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, tot de beëindiging van deze vrijstellingen.
De overeenkomsten gesloten tussen de Minister bevoegd voor Werkgelegenheid en de ondernemingen overeenkomstig artikel 10 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983, die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, blijven van toepassing tot hun beëindiging.
Wanneer de in het derde lid bedoelde overeenkomsten echter voorzien in de aanwerving van stagiairs vanaf of na de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, kunnen enkel de jongeren gedefinieerd in artikel 23 aangeworven worden met een startbaanovereenkomst.
De personen die, tijdens het tweede trimester van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de in het derde lid bedoelde overeenkomsten eindigen, tewerkgesteld worden in uitvoering van deze overeenkomsten, komen niet in aanmerking voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en in artikel 44.
§ 4. De vrijstellingen toegekend overeenkomstig artikel 10bis van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, vallen tot hun beëindiging onder de bepalingen van dit koninklijk besluit en zijn uitvoeringsbesluiten.
De werkgevers die de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen genieten, zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, tot de beëindiging van deze vrijstellingen.
De personen die, tijdens de tweede trimester 1999, en die, tijdens de tweede trimester 2000, de tewerkstellings- en opleidingsmaatregelen genoten die aanleiding hebben gegeven tot de in artikel 10bis van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 bedoelde vrijstelling, komen niet in aanmerking voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en in artikel 44.
§ 5. De vermindering van de werkgeversbijdrage voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 13 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983, waarvan de toekenningsperiode reeds aangevat is op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, valt, tot de beëindiging van deze periode, onder de bepalingen van dit koninklijk besluit en van het koninklijk besluit van 29 maart 1985 tot uitvoering van artikel 13, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces. ".
" Art. 54. § 1. De op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk reeds aangevatte stages, net als hun eventuele verlenging, vallen, tot hun beëindiging, onder de bepalingen van koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces en zijn uitvoeringsbesluiten.
De stagiairs, de jongeren en de daarmee gelijkgestelde personen die overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 zijn tewerkgesteld op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, komen in aanmerking, in verhouding tot de duur van hun tewerkstelling, voor de naleving van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en voor de naleving van de tewerkstellingsvoorwaarde bedoeld in artikel 44.
De stagiairs, de jongeren en de daarmee gelijkgestelde personen die overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 zijn tewerkgesteld tijdens de tweede trimester 1999 komen niet in aanmerking voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en in artikel 44.
§ 2. Vallen tot hun beëindiging onder de bepalingen van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 en zijn uitvoeringsbesluiten, de vrijstellingen die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en die toegekend werden overeenkomstig :
1° artikel 9 van hetzelfde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983;
2° artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 maart 1990 tot vaststelling voor sommige plaatselijke besturen van de toekenningsvoorwaarden voor gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de verplichting tot aanwerving van stagiairs, alsmede van de voorwaarden voor de vermindering van het percentage stagiairs.
De werkgevers die de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen genieten, zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, tot de beëindiging van deze vrijstellingen.
§ 3. De vrijstellingen die toegekend werden overeenkomstig artikel 10 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983, die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, blijven onderworpen tot hun beëindiging aan de bepalingen van dit koninklijk besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten.
De werkgevers die de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen genieten, zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, tot de beëindiging van deze vrijstellingen.
De overeenkomsten gesloten tussen de Minister bevoegd voor Werkgelegenheid en de ondernemingen overeenkomstig artikel 10 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983, die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, blijven van toepassing tot hun beëindiging.
Wanneer de in het derde lid bedoelde overeenkomsten echter voorzien in de aanwerving van stagiairs vanaf of na de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, kunnen enkel de jongeren gedefinieerd in artikel 23 aangeworven worden met een startbaanovereenkomst.
De personen die, tijdens het tweede trimester van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de in het derde lid bedoelde overeenkomsten eindigen, tewerkgesteld worden in uitvoering van deze overeenkomsten, komen niet in aanmerking voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en in artikel 44.
§ 4. De vrijstellingen toegekend overeenkomstig artikel 10bis van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 die gelden op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, vallen tot hun beëindiging onder de bepalingen van dit koninklijk besluit en zijn uitvoeringsbesluiten.
De werkgevers die de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen genieten, zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, tot de beëindiging van deze vrijstellingen.
De personen die, tijdens de tweede trimester 1999, en die, tijdens de tweede trimester 2000, de tewerkstellings- en opleidingsmaatregelen genoten die aanleiding hebben gegeven tot de in artikel 10bis van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 bedoelde vrijstelling, komen niet in aanmerking voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, en in artikel 44.
§ 5. De vermindering van de werkgeversbijdrage voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 13 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983, waarvan de toekenningsperiode reeds aangevat is op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, valt, tot de beëindiging van deze periode, onder de bepalingen van dit koninklijk besluit en van het koninklijk besluit van 29 maart 1985 tot uitvoering van artikel 13, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces. ".
Art.46. L'article 54 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 54. § 1er. Les stages en cours à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, ainsi que leur éventuelle prolongation restent soumis, jusqu'à leur échéance, aux dispositions de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes et de ses arrêtés d'exécution.
Les stagiaires, les jeunes et les personnes qui y sont assimilées, qui sont occupés, conformément à l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, sont pris en considération, proportionnellement à leur temps d'occupation, pour le respect des obligations, visées à l'article 39, §§ 1er, 2 et 3, et pour le respect de la condition d'occupation, visée à l'article 44.
Les stagiaires, les jeunes et les personnes qui y sont assimilées, qui sont occupés, conformément à l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, au deuxième trimestre 1999, ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'effectif du personnel visé à l'article 39, §§ 1er, 2 et 3 et à l'article 44.
§ 2. Restent soumises, jusqu'à leur échéance, aux dispositions de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité et à ses arrêtés d'exécution, les dispenses qui sont en cours à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre et qui ont été accordées conformément :
1° à l'article 9 du même arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983;
2° à l'article 2 de l'arrêté royal du 29 mars 1990 déterminant, pour certaines administrations locales, les conditions d'octroi d'une dispense, totale ou partielle, à l'obligation d'engager des stagiaires, ainsi que les conditions de réduction du pourcentage de stagiaires.
Les employeurs, qui bénéficient des dispenses visées à l'alinéa 1er, sont dispensés du respect des obligations visées à l'article 39, §§ 1er, 2 et 3, jusqu'à l'échéance de ces dispenses.
§ 3. Les dispenses accordées conformément à l'article 10 de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, qui sont en cours à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, restent soumises, jusqu'à leur échéance, aux dispositions de cet arrêté royal et de ses arrêtés d'exécution.
Les employeurs, qui bénéficient des dispenses visées à l'alinéa 1er, sont dispensés du respect des obligations visées a l'article 39, §§ 1er, 2 et 3, jusqu'à l'échéance de ces dispenses.
Les contrats conclus entre le Ministre ayant l'Emploi dans ses attributions et les entreprises, conformément à l'article 10 de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, qui sont en cours à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, restent d'application jusqu'à leur échéance.
Toutefois, lorsque les contrats, visés à l'alinéa 3, prévoient l'engagement de stagiaires à partir ou après la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, seuls des jeunes définis par l'article 23 peuvent être engagés dans les liens d'une convention de premier emploi.
Les personnes, qui, au deuxième trimestre de l'année précédant celle au cours de laquelle les contrats visés à l'alinéa 3 prennent fin, sont occupées en exécution de ces contrats, ne sont pas prises en considération pour le calcul de l'effectif du personnel visé à l'article 39, §§ 1er, 2 et 3 et à l'article 44.
§ 4. Les exemptions accordées conformément à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, qui sont en cours à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, restent soumises, jusqu'à leur échéance, aux dispositions de cet arrêté royal et de ses arrêtés d'exécution.
Les employeurs, qui bénéficient des exemptions visées à l'alinéa 1er, sont exemptés du respect des obligations visées à l'article 39, §§ 1er, 2 et 3, jusqu'à l'échéance de ces exemptions.
Les personnes, qui, au deuxième trimestre 1999, et celles qui, au deuxième trimestre 2000, bénéficient des mesures d'emploi ou de formation ayant donné lieu à l'octroi de l'exemption visée à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, ne sont pas prises en considération pour le calcul de l'effectif du personnel visé à l'article 39, §§ 1er, 2 et 3 et à l'article 44.
§ 5. La réduction de cotisations patronales de sécurité sociale, visée à l'article 13 de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, dont la période d'octroi est en cours à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, reste soumise, jusqu'à l'échéance de cette période, aux dispositions de cet arrêté royal et de l'arrêté royal du 29 mars 1985 portant exécution de l'article 13, § 1er, 2°, de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes. ".
" Art. 54. § 1er. Les stages en cours à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, ainsi que leur éventuelle prolongation restent soumis, jusqu'à leur échéance, aux dispositions de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes et de ses arrêtés d'exécution.
Les stagiaires, les jeunes et les personnes qui y sont assimilées, qui sont occupés, conformément à l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, sont pris en considération, proportionnellement à leur temps d'occupation, pour le respect des obligations, visées à l'article 39, §§ 1er, 2 et 3, et pour le respect de la condition d'occupation, visée à l'article 44.
Les stagiaires, les jeunes et les personnes qui y sont assimilées, qui sont occupés, conformément à l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, au deuxième trimestre 1999, ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'effectif du personnel visé à l'article 39, §§ 1er, 2 et 3 et à l'article 44.
§ 2. Restent soumises, jusqu'à leur échéance, aux dispositions de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité et à ses arrêtés d'exécution, les dispenses qui sont en cours à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre et qui ont été accordées conformément :
1° à l'article 9 du même arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983;
2° à l'article 2 de l'arrêté royal du 29 mars 1990 déterminant, pour certaines administrations locales, les conditions d'octroi d'une dispense, totale ou partielle, à l'obligation d'engager des stagiaires, ainsi que les conditions de réduction du pourcentage de stagiaires.
Les employeurs, qui bénéficient des dispenses visées à l'alinéa 1er, sont dispensés du respect des obligations visées à l'article 39, §§ 1er, 2 et 3, jusqu'à l'échéance de ces dispenses.
§ 3. Les dispenses accordées conformément à l'article 10 de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, qui sont en cours à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, restent soumises, jusqu'à leur échéance, aux dispositions de cet arrêté royal et de ses arrêtés d'exécution.
Les employeurs, qui bénéficient des dispenses visées à l'alinéa 1er, sont dispensés du respect des obligations visées a l'article 39, §§ 1er, 2 et 3, jusqu'à l'échéance de ces dispenses.
Les contrats conclus entre le Ministre ayant l'Emploi dans ses attributions et les entreprises, conformément à l'article 10 de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, qui sont en cours à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, restent d'application jusqu'à leur échéance.
Toutefois, lorsque les contrats, visés à l'alinéa 3, prévoient l'engagement de stagiaires à partir ou après la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, seuls des jeunes définis par l'article 23 peuvent être engagés dans les liens d'une convention de premier emploi.
Les personnes, qui, au deuxième trimestre de l'année précédant celle au cours de laquelle les contrats visés à l'alinéa 3 prennent fin, sont occupées en exécution de ces contrats, ne sont pas prises en considération pour le calcul de l'effectif du personnel visé à l'article 39, §§ 1er, 2 et 3 et à l'article 44.
§ 4. Les exemptions accordées conformément à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, qui sont en cours à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, restent soumises, jusqu'à leur échéance, aux dispositions de cet arrêté royal et de ses arrêtés d'exécution.
Les employeurs, qui bénéficient des exemptions visées à l'alinéa 1er, sont exemptés du respect des obligations visées à l'article 39, §§ 1er, 2 et 3, jusqu'à l'échéance de ces exemptions.
Les personnes, qui, au deuxième trimestre 1999, et celles qui, au deuxième trimestre 2000, bénéficient des mesures d'emploi ou de formation ayant donné lieu à l'octroi de l'exemption visée à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, ne sont pas prises en considération pour le calcul de l'effectif du personnel visé à l'article 39, §§ 1er, 2 et 3 et à l'article 44.
§ 5. La réduction de cotisations patronales de sécurité sociale, visée à l'article 13 de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 précité, dont la période d'octroi est en cours à la date d'entrée en vigueur du présent chapitre, reste soumise, jusqu'à l'échéance de cette période, aux dispositions de cet arrêté royal et de l'arrêté royal du 29 mars 1985 portant exécution de l'article 13, § 1er, 2°, de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes. ".
Art.47. De rubriek 23, 3 " Tewerkstellingsfonds " van de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de wet van 15 januari 1999, wordt gewijzigd als volgt :
CHAPITRE VI. - Modification du tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
Art. 47. De rubriek 23, 3 " Tewerkstellingsfonds " van de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de wet van 15 januari 1999, wordt gewijzigd als volgt :
1° in de tweede kolom, worden de woorden " , door de werkgevers die de bepalingen van artikel 4 of 7 van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces niet naleven en door de werkgevers die de bepalingen van artikel 39 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid niet naleven " ingevoegd tussen de woorden " Belgisch Europees sociaal Fonds " en " naar het Fonds ";
2° in de derde kolom, worden de beide leden vervangen door het volgend lid :
" Financiering van acties ter bevordering van de arbeid, van acties tot het scheppen van arbeidsplaatsen voor jongeren, van acties ter bevordering en omkadering van het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, compensatie van de vermindering van de bijdragen van de sociale zekerheid in de sector werkloosheid en terugbetaling aan de Commissie van de Europese Unie van bedragen die ten onrechte werden uitgekeerd ".
1° in de tweede kolom, worden de woorden " , door de werkgevers die de bepalingen van artikel 4 of 7 van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces niet naleven en door de werkgevers die de bepalingen van artikel 39 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid niet naleven " ingevoegd tussen de woorden " Belgisch Europees sociaal Fonds " en " naar het Fonds ";
2° in de derde kolom, worden de beide leden vervangen door het volgend lid :
" Financiering van acties ter bevordering van de arbeid, van acties tot het scheppen van arbeidsplaatsen voor jongeren, van acties ter bevordering en omkadering van het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, compensatie van de vermindering van de bijdragen van de sociale zekerheid in de sector werkloosheid en terugbetaling aan de Commissie van de Europese Unie van bedragen die ten onrechte werden uitgekeerd ".
Art.47. Dans la rubrique 23, 3 " Fonds pour l'emploi " du tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, modifiée par la loi du 15 janvier 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° à la deuxième colonne, les mots " , par les employeurs qui ne satisfont pas aux dispositions de l'article 4 ou 7 de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes et par les employeurs qui ne satisfont pas aux dispositions de l'article 39 de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi " sont insérés entre les mots " Fonds social européen belge " et " au Fonds ";
2° à la troisième colonne, les deux alinéas sont remplacés par l'alinéa suivant :
" Financement d'actions de promotion de l'emploi, d'actions de création d'emploi pour les jeunes, d'actions de promotion et d'encadrement de l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, compensation de la diminution des cotisations de sécurité sociale dans le secteur chômage et, remboursement de l'indu à la Commission de l'Union européenne ".
1° à la deuxième colonne, les mots " , par les employeurs qui ne satisfont pas aux dispositions de l'article 4 ou 7 de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes et par les employeurs qui ne satisfont pas aux dispositions de l'article 39 de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi " sont insérés entre les mots " Fonds social européen belge " et " au Fonds ";
2° à la troisième colonne, les deux alinéas sont remplacés par l'alinéa suivant :
" Financement d'actions de promotion de l'emploi, d'actions de création d'emploi pour les jeunes, d'actions de promotion et d'encadrement de l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, compensation de la diminution des cotisations de sécurité sociale dans le secteur chômage et, remboursement de l'indu à la Commission de l'Union européenne ".
Art.48. Artikel 122, § 2, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen wordt aangevuld als volgt :
CHAPITRE VII. - Modification de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses.
Art. 48. Artikel 122, § 2, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen wordt aangevuld als volgt :
" Vanaf 1 januari 2000 en tot 31 december 2000, wordt de inschakelingsovereenkomst, bedoeld in Titel I van het samenwerkingsakkoord van 30 maart 2000 tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende de inschakeling van werkzoekenden naar startbanen, gelijkgesteld aan een individueel begeleidingsplan bedoeld in § 1. ".
" Vanaf 1 januari 2000 en tot 31 december 2000, wordt de inschakelingsovereenkomst, bedoeld in Titel I van het samenwerkingsakkoord van 30 maart 2000 tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende de inschakeling van werkzoekenden naar startbanen, gelijkgesteld aan een individueel begeleidingsplan bedoeld in § 1. ".
Art.48. L'article 122, § 2, de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses est complété comme suit :
" A partir du 1er janvier 2000 et jusqu'au 31 décembre 2000, la convention d'insertion, visée au Titre Ier de l'accord de coopération du 30 mars 2000 entre l'Etat, les communautés et les régions concernant l'insertion des demandeurs d'emploi vers la convention de premier emploi, est assimilée à un plan d'accompagnement individuel visé au § 1er. ".
" A partir du 1er janvier 2000 et jusqu'au 31 décembre 2000, la convention d'insertion, visée au Titre Ier de l'accord de coopération du 30 mars 2000 entre l'Etat, les communautés et les régions concernant l'insertion des demandeurs d'emploi vers la convention de premier emploi, est assimilée à un plan d'accompagnement individuel visé au § 1er. ".
HOOFDSTUK I. - Geneeskundige verzorging en uitkeringen.
TITRE X. - Affaires sociales et Pensions.
Afdeling I. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
CHAPITRE I. - Soins de santé et indemnités.
Art.49. Artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen als volgt :
Section I. - Modifications de la loi relative a l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
Art.50. In dezelfde wet, wordt een artikel 35bis ingevoegd, luidende :
" Art. 35bis. Vanaf 1 april 2001 en vervolgens om de zes maanden wordt voor de farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1, een nieuwe basis van tegemoetkoming vastgesteld voorzover er andere farmaceutische specialiteiten worden vergoed met een identiek werkzaam bestanddeel, een identieke toedieningsvorm en een identieke dosering waarvan de basis van tegemoetkoming op het ogenblik van de aanneming minstens 16 % lager ligt of lag, rekening houdend met het aantal farmaceutische eenheden per verpakking.
De in het eerste lid bedoelde nieuwe basis van tegemoetkoming wordt berekend op basis van een theoretische prijs buiten bedrijf die gelijk is aan de geldende prijs buiten bedrijf verminderd met 26,7 % en vervolgens verhoogd met de marges voor de verdeling en voor de terhandstelling, zoals toegekend door de Minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en van toepassing op de farmaceutische specialiteiten afgeleverd in een apotheek open voor het publiek enerzijds of afgeleverd door een ziekenhuisapotheek anderzijds, alsook met de geldende BTW-voet.
Daartoe wijzigt de Minister op 1 april 2001 en vervolgens om de zes maanden de lijst, gevoegd bij het koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden waaronder tegemoetkoming wordt verleend in de geneeskundige verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, b) en c), zonder rekening te houden met de procedurevoorschriften bedoeld in § 3 van artikel 35.
De Koning kan het in het eerste en tweede lid bedoelde percentage wijzigen onder de door Hem bepaalde omstandigheden, voorwaarden en regels. ".
" Art. 35bis. Vanaf 1 april 2001 en vervolgens om de zes maanden wordt voor de farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1, een nieuwe basis van tegemoetkoming vastgesteld voorzover er andere farmaceutische specialiteiten worden vergoed met een identiek werkzaam bestanddeel, een identieke toedieningsvorm en een identieke dosering waarvan de basis van tegemoetkoming op het ogenblik van de aanneming minstens 16 % lager ligt of lag, rekening houdend met het aantal farmaceutische eenheden per verpakking.
De in het eerste lid bedoelde nieuwe basis van tegemoetkoming wordt berekend op basis van een theoretische prijs buiten bedrijf die gelijk is aan de geldende prijs buiten bedrijf verminderd met 26,7 % en vervolgens verhoogd met de marges voor de verdeling en voor de terhandstelling, zoals toegekend door de Minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en van toepassing op de farmaceutische specialiteiten afgeleverd in een apotheek open voor het publiek enerzijds of afgeleverd door een ziekenhuisapotheek anderzijds, alsook met de geldende BTW-voet.
Daartoe wijzigt de Minister op 1 april 2001 en vervolgens om de zes maanden de lijst, gevoegd bij het koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden waaronder tegemoetkoming wordt verleend in de geneeskundige verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, b) en c), zonder rekening te houden met de procedurevoorschriften bedoeld in § 3 van artikel 35.
De Koning kan het in het eerste en tweede lid bedoelde percentage wijzigen onder de door Hem bepaalde omstandigheden, voorwaarden en regels. ".
Art.49. L'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifie par la loi du 20 décembre 1995, est remplacé par la disposition suivante :
" 2) les médicaments enregistrés conformément à l'article 2, 8°, a), deuxième et troisième tirets, de l'arrêté royal du 3 juillet 1969 relatif à l'enregistrement des médicaments; ".
" 2) les médicaments enregistrés conformément à l'article 2, 8°, a), deuxième et troisième tirets, de l'arrêté royal du 3 juillet 1969 relatif à l'enregistrement des médicaments; ".
Art. 50. In dezelfde wet, wordt een artikel 35bis ingevoegd, luidende :
" Art. 35bis. Vanaf 1 april 2001 en vervolgens om de zes maanden wordt voor de farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1, een nieuwe basis van tegemoetkoming vastgesteld voorzover er andere farmaceutische specialiteiten worden vergoed met een identiek werkzaam bestanddeel, een identieke toedieningsvorm en een identieke dosering waarvan de basis van tegemoetkoming op het ogenblik van de aanneming minstens 16 % lager ligt of lag, rekening houdend met het aantal farmaceutische eenheden per verpakking.
De in het eerste lid bedoelde nieuwe basis van tegemoetkoming wordt berekend op basis van een theoretische prijs buiten bedrijf die gelijk is aan de geldende prijs buiten bedrijf verminderd met 26,7 % en vervolgens verhoogd met de marges voor de verdeling en voor de terhandstelling, zoals toegekend door de Minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en van toepassing op de farmaceutische specialiteiten afgeleverd in een apotheek open voor het publiek enerzijds of afgeleverd door een ziekenhuisapotheek anderzijds, alsook met de geldende BTW-voet.
Daartoe wijzigt de Minister op 1 april 2001 en vervolgens om de zes maanden de lijst, gevoegd bij het koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden waaronder tegemoetkoming wordt verleend in de geneeskundige verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, b) en c), zonder rekening te houden met de procedurevoorschriften bedoeld in § 3 van artikel 35.
De Koning kan het in het eerste en tweede lid bedoelde percentage wijzigen onder de door Hem bepaalde omstandigheden, voorwaarden en regels. ".
" Art. 35bis. Vanaf 1 april 2001 en vervolgens om de zes maanden wordt voor de farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1, een nieuwe basis van tegemoetkoming vastgesteld voorzover er andere farmaceutische specialiteiten worden vergoed met een identiek werkzaam bestanddeel, een identieke toedieningsvorm en een identieke dosering waarvan de basis van tegemoetkoming op het ogenblik van de aanneming minstens 16 % lager ligt of lag, rekening houdend met het aantal farmaceutische eenheden per verpakking.
De in het eerste lid bedoelde nieuwe basis van tegemoetkoming wordt berekend op basis van een theoretische prijs buiten bedrijf die gelijk is aan de geldende prijs buiten bedrijf verminderd met 26,7 % en vervolgens verhoogd met de marges voor de verdeling en voor de terhandstelling, zoals toegekend door de Minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en van toepassing op de farmaceutische specialiteiten afgeleverd in een apotheek open voor het publiek enerzijds of afgeleverd door een ziekenhuisapotheek anderzijds, alsook met de geldende BTW-voet.
Daartoe wijzigt de Minister op 1 april 2001 en vervolgens om de zes maanden de lijst, gevoegd bij het koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden waaronder tegemoetkoming wordt verleend in de geneeskundige verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, b) en c), zonder rekening te houden met de procedurevoorschriften bedoeld in § 3 van artikel 35.
De Koning kan het in het eerste en tweede lid bedoelde percentage wijzigen onder de door Hem bepaalde omstandigheden, voorwaarden en regels. ".
Art.50. Un article 35bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 35bis. A partir du 1er avril 2001 et ensuite tous les 6 mois, est fixée une nouvelle base de remboursement pour les spécialités pharmaceutiques visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1, pour autant que soient remboursées d'autres spécialités pharmaceutiques contenant le même principe actif, ayant la même forme d'administration et le même dosage, dont la base de remboursement est ou était, au moment de l'admission, inférieure d'au moins 16 %, compte tenu du nombre d'unités pharmaceutiques par conditionnement.
La nouvelle base de remboursement, visée à l'alinéa 1er, est calculée sur la base d'un prix théorique ex-usine égal au prix actuel ex-usine, diminue de 26,7 % et majoré ensuite des marges pour la distribution et la délivrance, telles qu'elles sont accordées par le Ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions et qu'elles sont d'application aux spécialités pharmaceutiques délivrées dans des officines ouvertes au public d'une part, et pour celles délivrées dans une pharmacie hospitalière d'autre part, ainsi que du taux actuel de la T.V.A..
A cet effet, le Ministre modifie, le 1er avril 2001 et ensuite tous les 6 mois, la liste jointe à l'arrêté royal fixant les conditions dans lesquelles une intervention est accordée pour les prestations de santé visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) et c), sans tenir compte des prescriptions de procédure visées à l'article 35, § 3.
Le Roi peut modifier le pourcentage visé aux alinéas 1er et 2 dans les circonstances et conditions et selon les règles fixées par Lui. ".
" Art. 35bis. A partir du 1er avril 2001 et ensuite tous les 6 mois, est fixée une nouvelle base de remboursement pour les spécialités pharmaceutiques visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1, pour autant que soient remboursées d'autres spécialités pharmaceutiques contenant le même principe actif, ayant la même forme d'administration et le même dosage, dont la base de remboursement est ou était, au moment de l'admission, inférieure d'au moins 16 %, compte tenu du nombre d'unités pharmaceutiques par conditionnement.
La nouvelle base de remboursement, visée à l'alinéa 1er, est calculée sur la base d'un prix théorique ex-usine égal au prix actuel ex-usine, diminue de 26,7 % et majoré ensuite des marges pour la distribution et la délivrance, telles qu'elles sont accordées par le Ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions et qu'elles sont d'application aux spécialités pharmaceutiques délivrées dans des officines ouvertes au public d'une part, et pour celles délivrées dans une pharmacie hospitalière d'autre part, ainsi que du taux actuel de la T.V.A..
A cet effet, le Ministre modifie, le 1er avril 2001 et ensuite tous les 6 mois, la liste jointe à l'arrêté royal fixant les conditions dans lesquelles une intervention est accordée pour les prestations de santé visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) et c), sans tenir compte des prescriptions de procédure visées à l'article 35, § 3.
Le Roi peut modifier le pourcentage visé aux alinéas 1er et 2 dans les circonstances et conditions et selon les règles fixées par Lui. ".
Art. 51. In artikel 51 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, het koninklijk besluit van 25 april 1997, de wetten van 25 januari 1999, 24 december 1999 en 12 augustus 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 4 wordt aangevuld met het volgende lid :
" Hij kan in deze bepalingen een onderscheid maken tussen de beide uitgavengroepen die bedoeld zijn in artikel 51, § 8. ";
2° er wordt een § 8 toegevoegd, luidende :
" § 8. De in dit artikel vastgelegde correctieprocedures en correctiemechanismen zijn afzonderlijk van toepassing op de uitgaven die betrekking hebben op de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling die volgt uit de toepassing van artikel 40, § 1, derde lid, enerzijds, en op de uitzonderlijke of bijzondere uitgaven die door de Koning zijn bepaald in toepassing van dezelfde paragraaf van artikel 40, anderzijds, in de mate dat beide groepen van uitgaven van mekaar te onderscheiden vallen. De algemene Raad stelt na advies van de Commissie voor begrotingscontrole vast, welke uitgaven wel en welke uitgaven niet van mekaar te onderscheiden vallen. ".
1° § 4 wordt aangevuld met het volgende lid :
" Hij kan in deze bepalingen een onderscheid maken tussen de beide uitgavengroepen die bedoeld zijn in artikel 51, § 8. ";
2° er wordt een § 8 toegevoegd, luidende :
" § 8. De in dit artikel vastgelegde correctieprocedures en correctiemechanismen zijn afzonderlijk van toepassing op de uitgaven die betrekking hebben op de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling die volgt uit de toepassing van artikel 40, § 1, derde lid, enerzijds, en op de uitzonderlijke of bijzondere uitgaven die door de Koning zijn bepaald in toepassing van dezelfde paragraaf van artikel 40, anderzijds, in de mate dat beide groepen van uitgaven van mekaar te onderscheiden vallen. De algemene Raad stelt na advies van de Commissie voor begrotingscontrole vast, welke uitgaven wel en welke uitgaven niet van mekaar te onderscheiden vallen. ".
Art.51. A l'article 51 de la même loi, modifié par la loi du 20 décembre 1995, l'arrêté royal du 25 avril 1997, les lois des 25 janvier 1999, 24 décembre 1999 et 12 août 2000, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 4 est complété par l'alinéa suivant :
" Il peut, dans ces dispositions, distinguer entre les deux groupes de dépenses qui sont visées à l'article 51, § 8. ";
2° il est inséré un § 8, rédigé comme suit :
" § 8. Les procédures et les mécanismes de correction, fixés dans le présent article, s'appliquent séparément aux dépenses afférentes à l'objectif budgétaire annuel global qui résulte de l'application de l'article 40, § 1er, alinéa 3 d'une part, et aux dépenses exceptionnelles et particulières qui sont fixées par le Roi, en application du même paragraphe de l'article 40 d'autre part, dans la mesure où les deux groupes de dépenses peuvent être distingués. Le Conseil général détermine, après l'avis de la Commission de contrôle budgétaire, quelles dépenses sont ou ne sont pas discernables. ".
1° le § 4 est complété par l'alinéa suivant :
" Il peut, dans ces dispositions, distinguer entre les deux groupes de dépenses qui sont visées à l'article 51, § 8. ";
2° il est inséré un § 8, rédigé comme suit :
" § 8. Les procédures et les mécanismes de correction, fixés dans le présent article, s'appliquent séparément aux dépenses afférentes à l'objectif budgétaire annuel global qui résulte de l'application de l'article 40, § 1er, alinéa 3 d'une part, et aux dépenses exceptionnelles et particulières qui sont fixées par le Roi, en application du même paragraphe de l'article 40 d'autre part, dans la mesure où les deux groupes de dépenses peuvent être distingués. Le Conseil général détermine, après l'avis de la Commission de contrôle budgétaire, quelles dépenses sont ou ne sont pas discernables. ".
Art. 52. In artikel 59, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, worden de woorden " wordt geen toepassing gemaakt van de bepalingen van de artikels 61 en 62 " vervangen door de woorden " worden de in artikel 61 bedoelde Z- en X-waarden vastgesteld op 0 ".
Art.52. Dans l'article 59, alinéa 3, de la même loi, modifie par la loi du 12 août 2000, les mots " il n'est pas fait application des dispositions des articles 61 et 62 " sont remplacés par les mots " les valeurs Z et X, visées à l'article 61, sont fixées à 0 ".
Art.54. In artikel 69, § 5, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het derde lid, 1°, worden de woorden " waaronder de overschrijding van de deelbudgetten kan worden teruggevorderd " vervangen door de woorden " waaronder de overschrijding van het globaal budget of van de deelbudgetten kan worden teruggevorderd ";
2° paragraaf 5 wordt aangevuld met de volgende leden :
" Met het oog op de vaststelling van het terug te vorderen bedrag, wordt de in het vorig lid bedoelde overschrijding, vóór terugvordering, verminderd met 25 % van de eventuele onderschrijding van de in artikel 40 bedoelde globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling. De terugvordering heeft dan betrekking op het resulterende nettobedrag.
De Koning kan, bij de bepaling van het bedrag van de overschrijding op basis waarvan de terugvordering gebeurt, vaststellen welke uitgaven desgevallend niet in aanmerking worden genomen. ".
1° in het derde lid, 1°, worden de woorden " waaronder de overschrijding van de deelbudgetten kan worden teruggevorderd " vervangen door de woorden " waaronder de overschrijding van het globaal budget of van de deelbudgetten kan worden teruggevorderd ";
2° paragraaf 5 wordt aangevuld met de volgende leden :
" Met het oog op de vaststelling van het terug te vorderen bedrag, wordt de in het vorig lid bedoelde overschrijding, vóór terugvordering, verminderd met 25 % van de eventuele onderschrijding van de in artikel 40 bedoelde globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling. De terugvordering heeft dan betrekking op het resulterende nettobedrag.
De Koning kan, bij de bepaling van het bedrag van de overschrijding op basis waarvan de terugvordering gebeurt, vaststellen welke uitgaven desgevallend niet in aanmerking worden genomen. ".
Art.53. L'article 62bis de la même loi, inséré par la loi du 24 décembre 1999, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 62bis. Pour l'exercice 1996 et pour l'exercice 1998, les valeurs Z et X sont fixées à 0. ".
" Art. 62bis. Pour l'exercice 1996 et pour l'exercice 1998, les valeurs Z et X sont fixées à 0. ".
Art.55. In artikel 191, eerste lid, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
§ 1. In het 15°, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 22 februari 1998, 25 januari 1999 en 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het derde lid wordt vervangen als volgt :
" Voor 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 en 2001 worden de bedragen van die heffingen respectievelijk vastgesteld op 2 %, 3 %, 4 %, 4 %, 4 % en 4 % van de omzet die respectievelijk in 1994, 1995, 1997, 1998, 1999 en 2000 is verwezenlijkt. ";
2° in het vijfde lid, wordt de laatste zin vervangen als volgt :
" Voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 en 2001, dienen ze respectievelijk te worden ingediend voor 1 februari 1996, 1 november 1996, 1 maart 1999, 1 april 1999, 1 mei 2000 en 1 mei 2001. ";
3° het zesde lid wordt vervangen als volgt :
" Voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 en 2001, dient de heffing respectievelijk gestort te worden voor 1 maart 1996, 1 december 1996, 1 april 1999, 1 mei 1999, 1 juni 2000 en 1 juni 2001 op rekening nr. 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, met vermelding, volgens het betrokken jaar : " heffing omzet 1994 ", " heffing omzet 1995 ", " heffing omzet 1997 ", " heffing omzet 1998 ", " heffing omzet 1999 " of " heffing omzet 2000 ". ";
4° het laatste lid wordt vervangen als volgt :
" De ontvangsten die voortvloeien uit de voornoemde heffing zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 1995 voor de heffing omzet 1994, 1996 voor de heffing omzet 1995, 1998 voor de heffing omzet 1997, 2000 voor de heffing omzet 1999 en 2001 voor de heffing omzet 2000. ".
§ 2. Er wordt een 16°bis ingevoegd, luidende :
" 16°bis de opbrengst van de in artikel 69, § 5, bedoelde terugvordering. De Koning bepaalt de regels volgens welke het gedeelte van die inkomsten kan worden vastgesteld dat bestemd is voor de financiering van de verzekering voor geneeskundige verzorging en van de regeling voor de zelfstandigen. ".
§ 1. In het 15°, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 22 februari 1998, 25 januari 1999 en 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het derde lid wordt vervangen als volgt :
" Voor 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 en 2001 worden de bedragen van die heffingen respectievelijk vastgesteld op 2 %, 3 %, 4 %, 4 %, 4 % en 4 % van de omzet die respectievelijk in 1994, 1995, 1997, 1998, 1999 en 2000 is verwezenlijkt. ";
2° in het vijfde lid, wordt de laatste zin vervangen als volgt :
" Voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 en 2001, dienen ze respectievelijk te worden ingediend voor 1 februari 1996, 1 november 1996, 1 maart 1999, 1 april 1999, 1 mei 2000 en 1 mei 2001. ";
3° het zesde lid wordt vervangen als volgt :
" Voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 en 2001, dient de heffing respectievelijk gestort te worden voor 1 maart 1996, 1 december 1996, 1 april 1999, 1 mei 1999, 1 juni 2000 en 1 juni 2001 op rekening nr. 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, met vermelding, volgens het betrokken jaar : " heffing omzet 1994 ", " heffing omzet 1995 ", " heffing omzet 1997 ", " heffing omzet 1998 ", " heffing omzet 1999 " of " heffing omzet 2000 ". ";
4° het laatste lid wordt vervangen als volgt :
" De ontvangsten die voortvloeien uit de voornoemde heffing zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 1995 voor de heffing omzet 1994, 1996 voor de heffing omzet 1995, 1998 voor de heffing omzet 1997, 2000 voor de heffing omzet 1999 en 2001 voor de heffing omzet 2000. ".
§ 2. Er wordt een 16°bis ingevoegd, luidende :
" 16°bis de opbrengst van de in artikel 69, § 5, bedoelde terugvordering. De Koning bepaalt de regels volgens welke het gedeelte van die inkomsten kan worden vastgesteld dat bestemd is voor de financiering van de verzekering voor geneeskundige verzorging en van de regeling voor de zelfstandigen. ".
Art.54. Dans l'article 69, § 5, de la même loi, modifie par la loi du 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 3, 1°, les mots " selon lesquelles le dépassement de ces budgets partiels peut être récupéré " sont remplacés par les mots " selon lesquelles le dépassement du budget global ou des budgets partiels peut être récupéré ";
2° le § 5 est complété par les alinéas suivants :
" En vue de la fixation du montant à récupérer, le dépassement, visé à l'alinéa précédent, est diminué, avant récupération, de 25 % de l'éventuelle sous-utilisation de l'objectif budgétaire annuel global prévu à l'article 40. La récupération porte alors sur le montant net qui en résulte.
Le Roi peut, lors de la fixation du montant du dépassement sur la base duquel la récupération a lieu, déterminer quelles dépenses ne sont éventuellement pas prises en considération. ".
1° dans l'alinéa 3, 1°, les mots " selon lesquelles le dépassement de ces budgets partiels peut être récupéré " sont remplacés par les mots " selon lesquelles le dépassement du budget global ou des budgets partiels peut être récupéré ";
2° le § 5 est complété par les alinéas suivants :
" En vue de la fixation du montant à récupérer, le dépassement, visé à l'alinéa précédent, est diminué, avant récupération, de 25 % de l'éventuelle sous-utilisation de l'objectif budgétaire annuel global prévu à l'article 40. La récupération porte alors sur le montant net qui en résulte.
Le Roi peut, lors de la fixation du montant du dépassement sur la base duquel la récupération a lieu, déterminer quelles dépenses ne sont éventuellement pas prises en considération. ".
Art. 55. In artikel 191, eerste lid, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht.
§ 1. In het 15°, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 22 februari 1998, 25 januari 1999 en 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het derde lid wordt vervangen als volgt :
" Voor 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 en 2001 worden de bedragen van die heffingen respectievelijk vastgesteld op 2 %, 3 %, 4 %, 4 %, 4 % en 4 % van de omzet die respectievelijk in 1994, 1995, 1997, 1998, 1999 en 2000 is verwezenlijkt. ";
2° in het vijfde lid, wordt de laatste zin vervangen als volgt :
" Voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 en 2001, dienen ze respectievelijk te worden ingediend voor 1 februari 1996, 1 november 1996, 1 maart 1999, 1 april 1999, 1 mei 2000 en 1 mei 2001. ";
3° het zesde lid wordt vervangen als volgt :
" Voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 en 2001, dient de heffing respectievelijk gestort te worden voor 1 maart 1996, 1 december 1996, 1 april 1999, 1 mei 1999, 1 juni 2000 en 1 juni 2001 op rekening nr. 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, met vermelding, volgens het betrokken jaar : " heffing omzet 1994 ", " heffing omzet 1995 ", " heffing omzet 1997 ", " heffing omzet 1998 ", " heffing omzet 1999 " of " heffing omzet 2000 ". ";
4° het laatste lid wordt vervangen als volgt :
" De ontvangsten die voortvloeien uit de voornoemde heffing zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 1995 voor de heffing omzet 1994, 1996 voor de heffing omzet 1995, 1998 voor de heffing omzet 1997, 2000 voor de heffing omzet 1999 en 2001 voor de heffing omzet 2000. ".
§ 2. Er wordt een 16°bis ingevoegd, luidende :
" 16°bis de opbrengst van de in artikel 69, § 5, bedoelde terugvordering. De Koning bepaalt de regels volgens welke het gedeelte van die inkomsten kan worden vastgesteld dat bestemd is voor de financiering van de verzekering voor geneeskundige verzorging en van de regeling voor de zelfstandigen. ".
§ 1. In het 15°, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 22 februari 1998, 25 januari 1999 en 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het derde lid wordt vervangen als volgt :
" Voor 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 en 2001 worden de bedragen van die heffingen respectievelijk vastgesteld op 2 %, 3 %, 4 %, 4 %, 4 % en 4 % van de omzet die respectievelijk in 1994, 1995, 1997, 1998, 1999 en 2000 is verwezenlijkt. ";
2° in het vijfde lid, wordt de laatste zin vervangen als volgt :
" Voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 en 2001, dienen ze respectievelijk te worden ingediend voor 1 februari 1996, 1 november 1996, 1 maart 1999, 1 april 1999, 1 mei 2000 en 1 mei 2001. ";
3° het zesde lid wordt vervangen als volgt :
" Voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 en 2001, dient de heffing respectievelijk gestort te worden voor 1 maart 1996, 1 december 1996, 1 april 1999, 1 mei 1999, 1 juni 2000 en 1 juni 2001 op rekening nr. 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, met vermelding, volgens het betrokken jaar : " heffing omzet 1994 ", " heffing omzet 1995 ", " heffing omzet 1997 ", " heffing omzet 1998 ", " heffing omzet 1999 " of " heffing omzet 2000 ". ";
4° het laatste lid wordt vervangen als volgt :
" De ontvangsten die voortvloeien uit de voornoemde heffing zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 1995 voor de heffing omzet 1994, 1996 voor de heffing omzet 1995, 1998 voor de heffing omzet 1997, 2000 voor de heffing omzet 1999 en 2001 voor de heffing omzet 2000. ".
§ 2. Er wordt een 16°bis ingevoegd, luidende :
" 16°bis de opbrengst van de in artikel 69, § 5, bedoelde terugvordering. De Koning bepaalt de regels volgens welke het gedeelte van die inkomsten kan worden vastgesteld dat bestemd is voor de financiering van de verzekering voor geneeskundige verzorging en van de regeling voor de zelfstandigen. ".
Art.55. Dans l'article 191, alinéa 1er, de la même loi, sont apportées les modifications suivantes.
§ 1er. Dans le 15°, modifié par la loi des 20 décembre 1995, 22 février 1998, 25 janvier 1999 et 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 3 est remplacé par l'alinéa suivant :
" Pour les années 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 et 2001, le montant de cette cotisation est fixé respectivement à 2 %, 3 %, 4 %, 4 %, 4 % et 4 % du chiffre d'affaires qui a été réalisé respectivement en 1994, 1995, 1997, 1998, 1999 et 2000. ";
2° dans l'alinéa 5, la dernière phrase est remplacée par la disposition suivante :
" Pour les années 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 et 2001, elles doivent être introduites respectivement avant le 1er février 1996, le 1er novembre 1996, le 1er mars 1999, le 1er avril 1999, le 1er mai 2000 et le 1er mai 2001. ";
3° l'alinéa 6 est remplacé par la disposition suivante :
" Pour les années 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 et 2001, la cotisation doit être versée respectivement avant le 1er mars 1996, le 1er décembre 1996, le 1er avril 1999, le 1er mai 1999, le 1er juin 2000 et le 1er juin 2001 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'Assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention, suivant l'année concernée : " cotisation chiffre d'affaires 1994 ", " cotisation chiffre d'affaires 1995 ", " cotisation chiffre d'affaires 1997 ", " cotisation chiffre d'affaires 1998 ", " cotisation chiffre d'affaires 1999 " ou " cotisation chiffre d'affaires 2000 ". ";
4° le dernier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" Les recettes qui résultent de la cotisation susvisée sont imputées dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé respectivement pour l'année comptable 1995 pour la cotisation sur le chiffre d'affaires 1994, 1996 pour la cotisation sur le chiffre d'affaires 1995, 1998 pour la cotisation sur le chiffre d'affaires 1997, 2000 pour la cotisation sur le chiffre d'affaires 1999 et 2001 pour la cotisation sur le chiffre d'affaires 2000. ".
§ 2. Un 16°bis est inséré, rédigé comme suit :
" 16°bis le produit de la récupération visée à l'article 69, § 5. Le Roi fixe les règles permettant de déterminer la partie de ces ressources destinée au financement de l'assurance soins de santé et du régime des travailleurs indépendants. ".
§ 1er. Dans le 15°, modifié par la loi des 20 décembre 1995, 22 février 1998, 25 janvier 1999 et 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 3 est remplacé par l'alinéa suivant :
" Pour les années 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 et 2001, le montant de cette cotisation est fixé respectivement à 2 %, 3 %, 4 %, 4 %, 4 % et 4 % du chiffre d'affaires qui a été réalisé respectivement en 1994, 1995, 1997, 1998, 1999 et 2000. ";
2° dans l'alinéa 5, la dernière phrase est remplacée par la disposition suivante :
" Pour les années 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 et 2001, elles doivent être introduites respectivement avant le 1er février 1996, le 1er novembre 1996, le 1er mars 1999, le 1er avril 1999, le 1er mai 2000 et le 1er mai 2001. ";
3° l'alinéa 6 est remplacé par la disposition suivante :
" Pour les années 1995, 1996, 1998, 1999, 2000 et 2001, la cotisation doit être versée respectivement avant le 1er mars 1996, le 1er décembre 1996, le 1er avril 1999, le 1er mai 1999, le 1er juin 2000 et le 1er juin 2001 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'Assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention, suivant l'année concernée : " cotisation chiffre d'affaires 1994 ", " cotisation chiffre d'affaires 1995 ", " cotisation chiffre d'affaires 1997 ", " cotisation chiffre d'affaires 1998 ", " cotisation chiffre d'affaires 1999 " ou " cotisation chiffre d'affaires 2000 ". ";
4° le dernier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" Les recettes qui résultent de la cotisation susvisée sont imputées dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé respectivement pour l'année comptable 1995 pour la cotisation sur le chiffre d'affaires 1994, 1996 pour la cotisation sur le chiffre d'affaires 1995, 1998 pour la cotisation sur le chiffre d'affaires 1997, 2000 pour la cotisation sur le chiffre d'affaires 1999 et 2001 pour la cotisation sur le chiffre d'affaires 2000. ".
§ 2. Un 16°bis est inséré, rédigé comme suit :
" 16°bis le produit de la récupération visée à l'article 69, § 5. Le Roi fixe les règles permettant de déterminer la partie de ces ressources destinée au financement de l'assurance soins de santé et du régime des travailleurs indépendants. ".
Art.56. In artikel 43, § 1, 1°, van de programmawet van 24 december 1993, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, wordt de zinsnede " de persoonlijke aandelen die betrekking hebben op de farmaceutische producten bedoeld in artikel 34, 5°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 " aangevuld door de volgende woorden :
Section II. - Modification de la loi-programme du 24 décembre 1993.
Art. 56. In artikel 43, § 1, 1°, van de programmawet van 24 december 1993, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, wordt de zinsnede " de persoonlijke aandelen die betrekking hebben op de farmaceutische producten bedoeld in artikel 34, 5°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 " aangevuld door de volgende woorden :
" behalve deze aangeduid door de Koning ".
" behalve deze aangeduid door de Koning ".
Art.56. Dans l'article 43, § 1er, 1°, de la loi-programme du 24 décembre 1993, modifié par la loi du 29 avril 1996, la proposition " les interventions personnelles relatives aux produits pharmaceutiques visés à l'article 34, 5°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 " est complétée par les mots suivants :
" sauf ceux désignés par le Roi ".
" sauf ceux désignés par le Roi ".
Art.57. Dit hoofdstuk voert een regeling in voor de tenlasteneming van de financiële weerslag van sociale akkoorden die betrekking hebben op de gezondheidssector en die door de federale Regering worden gesloten met de betrokken representatieve organisaties van werkgevers en werknemers.
CHAPITRE II. - Exécution des accords sociaux.
Art. 57. Dit hoofdstuk voert een regeling in voor de tenlasteneming van de financiële weerslag van sociale akkoorden die betrekking hebben op de gezondheidssector en die door de federale Regering worden gesloten met de betrokken representatieve organisaties van werkgevers en werknemers.
Art.57. Le présent chapitre prévoit un règlement pour la prise en charge de l'incidence financière des accords sociaux relatifs au secteur des soins de santé et qui sont conclus par le Gouvernement fédéral avec les organisations représentatives concernées des employeurs et des travailleurs salariés.
Art.59. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de maatregelen waarvan de financiële weerslag door de overheid ten laste wordt genomen en de nadere regels met het oog op de vaststelling van de financiële weerslag, het bedrag en de betaling van de financiële tegemoetkoming.
Daartoe kan de Koning :
1° de gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt bepaald;
2° de overheidsdiensten aanduiden die deze gegevens moeten inzamelen en verwerken;
3° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend;
4° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
5° de natuurlijke of rechtspersoon bepalen waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
6° de rechthebbende bepalen van de tegemoetkoming;
7° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van deze tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan bepalen;
8° het gedeelte aanduiden van de financiële weerslag van de tegemoetkomingen welke door de begroting van het Rijk ten laste zal worden genomen of het gedeelte dat ten laste valt van de begroting inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Daartoe kan de Koning :
1° de gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt bepaald;
2° de overheidsdiensten aanduiden die deze gegevens moeten inzamelen en verwerken;
3° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend;
4° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
5° de natuurlijke of rechtspersoon bepalen waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
6° de rechthebbende bepalen van de tegemoetkoming;
7° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van deze tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan bepalen;
8° het gedeelte aanduiden van de financiële weerslag van de tegemoetkomingen welke door de begroting van het Rijk ten laste zal worden genomen of het gedeelte dat ten laste valt van de begroting inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Art.58. (Abrogé) <2002-08-02/45, art. 35, 005; En vigueur : indéterminée >
Art. 59. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de maatregelen waarvan de financiële weerslag door de overheid ten laste wordt genomen en de nadere regels met het oog op de vaststelling van de financiële weerslag, het bedrag en de betaling van de financiële tegemoetkoming.
Daartoe kan de Koning :
1° de gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt bepaald;
2° de overheidsdiensten aanduiden die deze gegevens moeten inzamelen en verwerken;
3° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend;
4° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
5° de natuurlijke of rechtspersoon bepalen waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
6° de rechthebbende bepalen van de tegemoetkoming;
7° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van deze tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan bepalen;
8° het gedeelte aanduiden van de financiële weerslag van de tegemoetkomingen welke door de begroting van het Rijk ten laste zal worden genomen of het gedeelte dat ten laste valt van de begroting inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Daartoe kan de Koning :
1° de gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt bepaald;
2° de overheidsdiensten aanduiden die deze gegevens moeten inzamelen en verwerken;
3° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend;
4° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
5° de natuurlijke of rechtspersoon bepalen waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
6° de rechthebbende bepalen van de tegemoetkoming;
7° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van deze tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan bepalen;
8° het gedeelte aanduiden van de financiële weerslag van de tegemoetkomingen welke door de begroting van het Rijk ten laste zal worden genomen of het gedeelte dat ten laste valt van de begroting inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Art.59. Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les mesures dont l'incidence financière est prise en charge par l'autorité et les modalités en vue de fixer l'incidence financière, le montant et le paiement de l'intervention financière.
A cet effet, le Roi peut :
1° designer les données sur la base desquelles l'intervention est déterminée;
2° désigner les services publics qui doivent rassembler et traiter ces données;
3° déterminer la façon dont l'intervention doit être calculée;
4° fixer la période à laquelle cette intervention s'applique;
5° déterminer la personne physique ou morale à laquelle l'intervention doit être payée et les moments auxquels ce paiement doit avoir lieu;
6° déterminer le bénéficiaire de l'intervention;
7° désigner les services publics chargés du calcul et du paiement de cette intervention et du contrôle de son utilisation;
8° désigner la partie de l'incidence financière des interventions qui sera prise en charge par le budget de l'Etat ou la partie à charge du budget de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
A cet effet, le Roi peut :
1° designer les données sur la base desquelles l'intervention est déterminée;
2° désigner les services publics qui doivent rassembler et traiter ces données;
3° déterminer la façon dont l'intervention doit être calculée;
4° fixer la période à laquelle cette intervention s'applique;
5° déterminer la personne physique ou morale à laquelle l'intervention doit être payée et les moments auxquels ce paiement doit avoir lieu;
6° déterminer le bénéficiaire de l'intervention;
7° désigner les services publics chargés du calcul et du paiement de cette intervention et du contrôle de son utilisation;
8° désigner la partie de l'incidence financière des interventions qui sera prise en charge par le budget de l'Etat ou la partie à charge du budget de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Art. 59bis. Dit hoofdstuk voorziet in een tegemoetkoming in de kosten van de vakbondspremie voor werknemers, die zijn tewerkgesteld in inrichtingen en diensten die door de Koning worden aangeduid en die geneeskundige verstrekkingen leveren die voorkomen in artikel 34, [1 6°,]1 7°, 9°, 11°, 12°, 13°, 18° en 21°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Deze tegemoetkoming valt ten laste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
CHAPITRE IIbis. - Intervention dans la prime syndicale.
Art. 59ter. <INGEVOEGD bij W 2002-12-24/31, art. 246; Inwerkingtreding : 10-01-2003> De Koning bepaalt de nadere regels met het oog op de vaststelling van de financiële weerslag, het bedrag en de betaling van de financiële tegemoetkoming in de vakbondspremie zoals bedoeld in artikel 59bis.
Daartoe kan Hij :
1° de administratieve gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt berekend;
2° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend en worden besteed;
3° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
4° de natuurlijke of rechtspersonen of de instellingen aanduiden waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
5° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van deze tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan.
Daartoe kan Hij :
1° de administratieve gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt berekend;
2° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend en worden besteed;
3° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
4° de natuurlijke of rechtspersonen of de instellingen aanduiden waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
5° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van deze tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan.
Art. 59bis. Le présent chapitre prévoit une intervention dans les coûts de la prime syndicale pour les travailleurs salariés employés dans des établissements et services désignés par le Roi et effectuant des prestations de soins qui apparaissent dans l'article 34, [1 6°,]1 7°, 9°, 11°, 12°, 13°, 18° et 21°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994. Cette intervention est prise en charge par l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Änderungen
Art. 59ter. <INGEVOEGD bij W 2002-12-24/31, art. 246; Inwerkingtreding : 10-01-2003> De Koning bepaalt de nadere regels met het oog op de vaststelling van de financiële weerslag, het bedrag en de betaling van de financiële tegemoetkoming in de vakbondspremie zoals bedoeld in artikel 59bis.
Daartoe kan Hij :
1° de administratieve gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt berekend;
2° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend en worden besteed;
3° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
4° de natuurlijke of rechtspersonen of de instellingen aanduiden waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
5° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van deze tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan.
Daartoe kan Hij :
1° de administratieve gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt berekend;
2° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend en worden besteed;
3° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
4° de natuurlijke of rechtspersonen of de instellingen aanduiden waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
5° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van deze tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan.
Art. 59ter. Le Roi fixe les règles en vue de déterminer l'incidence financière, le montant et le paiement de l'intervention financière dans la prime syndicale visée dans l'article 59bis.
A cet effet, Il peut :
1° fixer les données administratives sur la base desquelles l'intervention est calculée;
2° déterminer le mode de calcul de l'intervention et de l'affectation;
3° fixer la période pendant laquelle cette intervention est en application;
4° désigner les personnes physiques ou juridiques ou les organismes auxquels l'intervention doit être payée, ainsi que les dates de paiement;
5° désigner les services publics chargés des calculs et du paiement de cette intervention, ainsi que du contrôle de sa mise en oeuvre.
A cet effet, Il peut :
1° fixer les données administratives sur la base desquelles l'intervention est calculée;
2° déterminer le mode de calcul de l'intervention et de l'affectation;
3° fixer la période pendant laquelle cette intervention est en application;
4° désigner les personnes physiques ou juridiques ou les organismes auxquels l'intervention doit être payée, ainsi que les dates de paiement;
5° désigner les services publics chargés des calculs et du paiement de cette intervention, ainsi que du contrôle de sa mise en oeuvre.
Art. 59quater. [1 De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de initiatieven voor de bevordering van de aantrekkelijkheid van de gezondheidszorgberoepen waarvan de financiële weerslag door de overheid ten laste wordt genomen. Deze initiatieven kunnen betrekking hebben op de werkomstandigheden, de vergoedingsvoorwaarden, arbeidsduurvermindering en vermindering van de werklast, opleiding, kwalificatie en vorming en betrokkenheid in het besluitvormingsproces. De Koning bepaalt de nadere regels met het oog op de vaststelling van de financiële weerslag, het bedrag en de betaling van de financiële tegemoetkoming.
CHAPITRE IIter. [1 - Initiatives visant à stimuler l'attractivité des professions de soins de santé]1
Art. 59quater. [1 De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de initiatieven voor de bevordering van de aantrekkelijkheid van de gezondheidszorgberoepen waarvan de financiële weerslag door de overheid ten laste wordt genomen. Deze initiatieven kunnen betrekking hebben op de werkomstandigheden, de vergoedingsvoorwaarden, arbeidsduurvermindering en vermindering van de werklast, opleiding, kwalificatie en vorming en betrokkenheid in het besluitvormingsproces. De Koning bepaalt de nadere regels met het oog op de vaststelling van de financiële weerslag, het bedrag en de betaling van de financiële tegemoetkoming.
Daartoe kan de Koning :
1° de gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt bepaald;
2° de overheidsdiensten aanwijzen die deze gegevens moeten verzamelen en verwerken;
3° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend;
4° de periode vastleggen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
5° de natuurlijke of rechtspersoon bepalen waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
6° de voorwaarden bepalen waaronder deze tegemoetkoming verschuldigd is;
7° de rechthebbende bepalen van de tegemoetkoming;
8° de overheidsdiensten aanwijzen, belast met de berekeningen en de betaling van deze tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan;
9° het gedeelte aanduiden van de financiële weerslag van de tegemoetkomingen welke door de begroting van het Rijk ten laste zal worden genomen of het gedeelte dat ten laste valt van de begroting inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.]1
Daartoe kan de Koning :
1° de gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt bepaald;
2° de overheidsdiensten aanwijzen die deze gegevens moeten verzamelen en verwerken;
3° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend;
4° de periode vastleggen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
5° de natuurlijke of rechtspersoon bepalen waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
6° de voorwaarden bepalen waaronder deze tegemoetkoming verschuldigd is;
7° de rechthebbende bepalen van de tegemoetkoming;
8° de overheidsdiensten aanwijzen, belast met de berekeningen en de betaling van deze tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan;
9° het gedeelte aanduiden van de financiële weerslag van de tegemoetkomingen welke door de begroting van het Rijk ten laste zal worden genomen of het gedeelte dat ten laste valt van de begroting inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.]1
Art. 59quater. [1 Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les initiatives en vue d'augmenter l'attractivité des professions de santé dont l'incidence financière est prise en charge par les pouvoirs publics. Ces initiatives peuvent avoir trait aux conditions de travail, aux conditions de remboursement, à la diminution du temps de travail et à la diminution de la charge de travail, à l'éducation, la qualification et la formation et à l'implication dans le processus de prise de décision. Le Roi fixe les modalités en vue de la fixation de l'incidence financière, du montant et du paiement de l'intervention financière.
A cette fin, le Roi peut :
1° désigner les données servant de base à la fixation de l'intervention;
2° désigner les services publics chargés de collecter et de traiter ces données;
3° fixer le mode de calcul de l'intervention;
4° déterminer la période à laquelle cette intervention s'applique;
5° déterminer la personne physique ou morale à laquelle l'intervention doit être versée, ainsi que les périodes auxquelles ce versement doit être effectué;
6° définir les conditions suivant lesquelles cette intervention est due;
7° définir le bénéficiaire de l'intervention;
8° désigner les services publics qui seront chargés des calculs et du paiement de cette intervention, et du contrôle de ses affectations;
9° désigner la partie de l'incidence financière des interventions qui sera à charge du budget du Royaume, ou la partie à charge du budget relatif à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.]1
A cette fin, le Roi peut :
1° désigner les données servant de base à la fixation de l'intervention;
2° désigner les services publics chargés de collecter et de traiter ces données;
3° fixer le mode de calcul de l'intervention;
4° déterminer la période à laquelle cette intervention s'applique;
5° déterminer la personne physique ou morale à laquelle l'intervention doit être versée, ainsi que les périodes auxquelles ce versement doit être effectué;
6° définir les conditions suivant lesquelles cette intervention est due;
7° définir le bénéficiaire de l'intervention;
8° désigner les services publics qui seront chargés des calculs et du paiement de cette intervention, et du contrôle de ses affectations;
9° désigner la partie de l'incidence financière des interventions qui sera à charge du budget du Royaume, ou la partie à charge du budget relatif à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.]1
Art. 59quinquies. [1 Dit hoofdstuk voert een regeling in voor de tenlasteneming van een tegemoetkoming voor de meest representatieve federale werkgeversorganisatie van de niet-commerciële sector die vertegenwoordigd is in de Nationale Arbeidsraad zoals bedoeld in de wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad. Deze tegemoetkoming dekt de dienstverlening van deze organisatie aan werkgevers van de federale sectoren van de gezondheidszorg met het oog op de bevordering van de kwaliteit ten aanzien van de personeelsleden die erin zijn tewerkgesteld alsook ten aanzien van de personen die er worden door verzorgd en behandeld, evenals de financiële toegankelijkheid.]1
Chapitre IIquater. [1 Intervention pour l'organisation patronale fédérale la plus représentative du secteur non marchand]1
Art. 59sexies. [1 De Koning bepaalt de nadere regels met het oog op de vaststelling van de financiële weerslag, het bedrag en de betaling van de financiële tegemoetkoming voor de meest representatieve federale werkgeversorganisatie zoals bedoeld in artikel 59quinquies.
Daartoe kan Hij :
1° de administratieve gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt berekend;
2° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend en worden besteed;
3° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
4° de natuurlijke of rechtspersonen of de instellingen aanduiden waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
5° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van de tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan.]1
Daartoe kan Hij :
1° de administratieve gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt berekend;
2° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend en worden besteed;
3° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
4° de natuurlijke of rechtspersonen of de instellingen aanduiden waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
5° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van de tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan.]1
Art. 59quinquies. [1 Le présent chapitre prévoit un régime de prise en charge d'une intervention pour l'organisation patronale fédérale la plus représentative du secteur non marchand, représentée au sein du Conseil national du travail visé dans la loi organique du 29 mai 1952 du Conseil national du travail. Cette intervention couvre la prestation de services de cette organisation aux employeurs des secteurs fédéraux de la santé en vue de promouvoir la qualité à l'égard des personnes occupées au sein de ces secteurs et à l'égard des personnes soignées et traitées au sein de ces secteurs, ainsi que l'accessibilité financière.]1
Art. 59sexies. [1 De Koning bepaalt de nadere regels met het oog op de vaststelling van de financiële weerslag, het bedrag en de betaling van de financiële tegemoetkoming voor de meest representatieve federale werkgeversorganisatie zoals bedoeld in artikel 59quinquies.
Daartoe kan Hij :
1° de administratieve gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt berekend;
2° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend en worden besteed;
3° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
4° de natuurlijke of rechtspersonen of de instellingen aanduiden waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
5° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van de tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan.]1
Daartoe kan Hij :
1° de administratieve gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt berekend;
2° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend en worden besteed;
3° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
4° de natuurlijke of rechtspersonen of de instellingen aanduiden waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
5° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van de tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan.]1
Art. 59sexies. [1 Le Roi fixe les modalités en vue de déterminer l'incidence financière, le montant et le paiement de l'intervention financière pour l'organisation patronale fédérale la plus représentative visée à l'article 59quinquies.
A cet effet, Il peut :
1° fixer les données administratives sur la base desquelles l'intervention est calculée;
2° déterminer le mode de calcul de l'intervention et de l'affectation;
3° fixer la période pendant laquelle cette intervention est applicable;
4° désigner les personnes physiques ou juridiques ou les organismes auxquels l'intervention doit être payée, ainsi que les dates de paiement;
5° désigner les services publics chargés des calculs et du paiement de l'intervention, ainsi que du contrôle de sa mise en oeuvre.]1
A cet effet, Il peut :
1° fixer les données administratives sur la base desquelles l'intervention est calculée;
2° déterminer le mode de calcul de l'intervention et de l'affectation;
3° fixer la période pendant laquelle cette intervention est applicable;
4° désigner les personnes physiques ou juridiques ou les organismes auxquels l'intervention doit être payée, ainsi que les dates de paiement;
5° désigner les services publics chargés des calculs et du paiement de l'intervention, ainsi que du contrôle de sa mise en oeuvre.]1
Art. 59septies.[1 Dit hoofdstuk voorziet in een tegemoetkoming ten voordele van het Instituut Functieclassificatie om vanaf 2017 een aantal voltijdse equivalenten in dit Instituut te kunnen behouden.]1
CHAPITRE IIquinquies. [1 Intervention pour l'Institut de classification de fonctions]1
Art. 59octies. [1 De Koning bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van deze tegemoetkoming.
Daartoe kan Hij :
1° [2 het maximumbudget van de tegemoetkoming en een maximum aantal voltijdse equivalenten vaststellen, evenals de geldende barema's voor deze functies;]2
2° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de betaling van de tegemoetkoming, evenals diegene die belast zijn met het toezicht ervan.]1
Daartoe kan Hij :
1° [2 het maximumbudget van de tegemoetkoming en een maximum aantal voltijdse equivalenten vaststellen, evenals de geldende barema's voor deze functies;]2
2° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de betaling van de tegemoetkoming, evenals diegene die belast zijn met het toezicht ervan.]1
Art. 59septies. [1 Le présent chapitre prévoit une intervention au profit de l'Institut de classification de fonctions en vue du maintien, à partir de 2017, d'un certain nombre d'équivalents temps plein au sein de cet Institut.]1
Änderungen
Art. 59octies. [1 De Koning bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van deze tegemoetkoming.
Daartoe kan Hij :
1° [2 het maximumbudget van de tegemoetkoming en een maximum aantal voltijdse equivalenten vaststellen, evenals de geldende barema's voor deze functies;]2
2° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de betaling van de tegemoetkoming, evenals diegene die belast zijn met het toezicht ervan.]1
Daartoe kan Hij :
1° [2 het maximumbudget van de tegemoetkoming en een maximum aantal voltijdse equivalenten vaststellen, evenals de geldende barema's voor deze functies;]2
2° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de betaling van de tegemoetkoming, evenals diegene die belast zijn met het toezicht ervan.]1
Art. 59octies. [1 Le Roi fixe les modalités d'exécution de cette intervention.
A cet effet, Il peut :
1° [2 fixer le budget maximal de l'intervention et un nombre maximal d'équivalents temps plein, de même que les barèmes applicables à ces fonctions;]2
2° désigner les services publics chargés du paiement de l'intervention ainsi que ceux chargés du contrôle de celle-ci.]1
A cet effet, Il peut :
1° [2 fixer le budget maximal de l'intervention et un nombre maximal d'équivalents temps plein, de même que les barèmes applicables à ces fonctions;]2
2° désigner les services publics chargés du paiement de l'intervention ainsi que ceux chargés du contrôle de celle-ci.]1
Art.60. In artikel 128bis van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1998, worden, tussen de woorden " te bepalen regels " en " , bepalen welke financiële of statistische gegevens ", de woorden " en voorwaarden " ingevoegd.
CHAPITRE III. - Les hôpitaux.
Art.61. De bedragen, voor de periode tussen 1992 en 2000, via het budget van financiële middelen aan de ziekenhuizen toegekend krachtens artikel 12quinquies van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 houdende bepaling van de voorwaarden en regelen voor de vaststelling van de verpleegdagprijs, van het budget en de onderscheidene bestanddelen ervan, alsmede van de regelen voor de vergelijking van de kosten en voor de vaststelling van het quotum van verpleegdagen voor de ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten, en dit tot uitvoering van de sectoriële akkoorden, blijven door de ziekenhuizen verworven.
Art.60. A l'article 128bis de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, inséré par la loi du 22 février 1998, les mots " et conditions " sont insérés entre les mots " selon les regles " et les mots " déterminées par Lui ".
Art. 61. De bedragen, voor de periode tussen 1992 en 2000, via het budget van financiële middelen aan de ziekenhuizen toegekend krachtens artikel 12quinquies van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 houdende bepaling van de voorwaarden en regelen voor de vaststelling van de verpleegdagprijs, van het budget en de onderscheidene bestanddelen ervan, alsmede van de regelen voor de vergelijking van de kosten en voor de vaststelling van het quotum van verpleegdagen voor de ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten, en dit tot uitvoering van de sectoriële akkoorden, blijven door de ziekenhuizen verworven.
Art.61. Les montants octroyés, pour la période comprise entre 1992 et 2000, aux hôpitaux par le biais du budget de moyens financiers, en vertu de l'article 12quinquies de l'arrêté ministériel du 2 août 1986 fixant, pour les hôpitaux et les services hospitaliers, les conditions et règles de fixation du prix de journée, du budget et de ses éléments constitutifs, ainsi que les règles de comparaison du coût et de la fixation du quota des journées d'hospitalisation, et ce en exécution des accords sectoriels, restent acquis pour les hôpitaux.
Art.62. In artikel 46, eerste lid, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
CHAPITRE IV. - Banque-Carrefour.
Art. 62. In artikel 46, eerste lid, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt :
" 6° machtiging verlenen voor de mededeling van sociale gegevens van persoonlijke aard, overeenkomstig artikel 15; ";
b) er wordt een 6°bis ingevoegd, luidende :
" 6°bis een lijst bijhouden die enerzijds betreffende iedere geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die door een instelling van sociale zekerheid wordt verricht met het oog op de toepassing van de sociale zekerheid tenminste de gegevens bevat bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, zoals ze zijn meegedeeld of gevalideerd door de betrokken instelling van sociale zekerheid, en anderzijds de krachtens artikel 15 toegelaten mededelingen bevat, alsook de mededelingen waarvan het Toezichtscomité krachtens hetzelfde artikel 15 in kennis moet worden gesteld; de Koning bepaalt de nadere regelen volgens welke iedere belanghebbende persoon deze lijst bij de Kruispuntbank kan raadplegen; ".
a) de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt :
" 6° machtiging verlenen voor de mededeling van sociale gegevens van persoonlijke aard, overeenkomstig artikel 15; ";
b) er wordt een 6°bis ingevoegd, luidende :
" 6°bis een lijst bijhouden die enerzijds betreffende iedere geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die door een instelling van sociale zekerheid wordt verricht met het oog op de toepassing van de sociale zekerheid tenminste de gegevens bevat bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, zoals ze zijn meegedeeld of gevalideerd door de betrokken instelling van sociale zekerheid, en anderzijds de krachtens artikel 15 toegelaten mededelingen bevat, alsook de mededelingen waarvan het Toezichtscomité krachtens hetzelfde artikel 15 in kennis moet worden gesteld; de Koning bepaalt de nadere regelen volgens welke iedere belanghebbende persoon deze lijst bij de Kruispuntbank kan raadplegen; ".
Art.62. A l'article 46, alinéa 1er, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, modifié par la loi du 6 août 1993, sont apportées les modifications suivantes :
a) le 6° est remplacé par la disposition suivante :
" 6° autoriser toute communication de données sociales à caractère personnel, conformément à l'article 15; ";
b) il est inséré un 6°bis, rédigé comme suit :
" 6°bis tenir à jour un relevé qui contient, d'une part, pour ce qui concerne chaque traitement automatise de données à caractère personnel effectué, par une institution de sécurité sociale, en vue de l'application de la sécurité sociale, au moins les données visées à l'article 17, § 3, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, telles que communiquées ou validées par l'institution de sécurité sociale concernée, et, d'autre part, les communications autorisées en vertu de l'article 15, ainsi que celles dont le Comité de surveillance doit être informé, conformément au même article 15; le Roi fixe les modalités selon lesquelles toute personne intéressée peut consulter cette liste auprès de la Banque-Carrefour; ".
a) le 6° est remplacé par la disposition suivante :
" 6° autoriser toute communication de données sociales à caractère personnel, conformément à l'article 15; ";
b) il est inséré un 6°bis, rédigé comme suit :
" 6°bis tenir à jour un relevé qui contient, d'une part, pour ce qui concerne chaque traitement automatise de données à caractère personnel effectué, par une institution de sécurité sociale, en vue de l'application de la sécurité sociale, au moins les données visées à l'article 17, § 3, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, telles que communiquées ou validées par l'institution de sécurité sociale concernée, et, d'autre part, les communications autorisées en vertu de l'article 15, ainsi que celles dont le Comité de surveillance doit être informé, conformément au même article 15; le Roi fixe les modalités selon lesquelles toute personne intéressée peut consulter cette liste auprès de la Banque-Carrefour; ".
Art.63. In artikel 21, § 2, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, zoals gewijzigd door de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wordt het derde lid opgeheven.
CHAPITRE V. - Institutions publiques de sécurité sociale.
Art. 63. In artikel 21, § 2, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, zoals gewijzigd door de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wordt het derde lid opgeheven.
Art.63. Dans l'article 21, § 2, de l'arrêté royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale, en application de l'article 47 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, tel que modifié par la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, l'alinéa 3 est supprimé.
Art.64. In artikel 2 van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, laatst gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt een § 3quinquies ingevoegd, luidende :
CHAPITRE VI. - Modification de l'arrête-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés.
Art. 64. In artikel 2 van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, laatst gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt een § 3quinquies ingevoegd, luidende :
" § 3quinquies. De werkgevers op wie deze besluitwet toepasselijk is, zijn, onder de hierna vermelde voorwaarden, een jaarlijkse bijdrage verschuldigd berekend op basis van een gedeelte van de dagen werkloosheid die zij voor hun mijnwerkers en er mee gelijkgestelden met toepassing van artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten hebben aangegeven.
De opbrengst van deze bijdrage is bestemd voor het stelsel van de jaarlijkse vakantie der handarbeiders.
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (R.S.Z.) is belast met de berekening, de inning en de invordering van deze bijdrage, alsook met de overdracht van de opbrengst ervan aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijn inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en invordering van de bijdragen.
In het raam van deze maatregel wordt verstaan onder :
1° m = het totaal aantal werkloosheidsdagen met toepassing van artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten die door de werkgever voor alle mijnwerkers en er mee gelijkgestelden onderworpen aan de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, die hij heeft tewerkgesteld in de loop van de eerste drie kwartalen van het voorgaande kalenderjaar en van het laatste kwartaal van het kalenderjaar dat daaraan voorafgaat samen werden aangegeven, verminderd met 10 % van de som van het aantal dagen bedoeld bij artikel 24 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van de als gelijkgestelde dagen bij de R.S.Z. aangegeven dagen. Deze 10 % wordt rekenkundig afgerond naar de dichtstbijzijnde eenheid, waarbij 0,5 afgerond wordt naar boven. Indien de berekening van m een negatief getal oplevert, wordt m gelijkgesteld met nul;
2° n = het totaal aantal werkloosheidsdagen met toepassing van artikel 51 van de voornoemde wet van 3 juli 1978 die door de werkgever voor alle mijnwerkers en er mee gelijkgestelden onderworpen aan de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, die hij heeft tewerkgesteld in de loop van de eerste drie kwartalen van het voorgaande kalenderjaar en van het laatste kwartaal van het kalenderjaar dat daaraan voorafgaat samen werden aangegeven, verminderd met 20 % van de som van het aantal dagen bedoeld bij artikel 24 van het voornoemde koninklijk besluit van 28 november 1969 en van de als gelijkgestelde dagen bij de R.S.Z. aangegeven dagen. Deze 20 % wordt rekenkundig afgerond naar de dichtstbijzijnde eenheid, waarbij 0,5 afgerond wordt naar boven. Indien de berekening van n een negatief getal oplevert, wordt n gelijkgesteld met nul;
3° b = het forfaitair bedrag van de bijdrage per dag werkloosheid die deel uitmaakt van m of n.
Voor de jaren 2000 en 2001 bedraagt b 60 Belgische frank per dag.
De door de werkgever verschuldigde jaarlijkse bijdrage voor werkloosheid wegens economische oorzaken bedraagt (m + n) maal b.
In de loop van het tweede kwartaal van elk jaar, berekent de R.S.Z. het bedrag van de bijdrage die verschuldigd is door iedere werkgever bedoeld bij artikel 2, § 6, van de voormelde besluitwet van 10 januari 1945, voor zover al zijn aangiften werden ontvangen. Bij laattijdige ontvangst van één of meer aangiften gebeurt de berekening na de ontvangst van de laatste.
Het verschuldigde bedrag wordt aan de werkgever medegedeeld bij het begin van het derde kwartaal, behalve in geval van laattijdige berekening in welk geval het bedrag hem na deze berekening wordt meegedeeld.
Voor het jaar 2000 moet de werkgever het verschuldigde bedrag betalen binnen de maand van de mededeling van dit bedrag. Voor het jaar 2001 moet de werkgever het verschuldigde bedrag betalen binnen dezelfde termijnen als de sociale zekerheidsbijdragen betreffende het tweede kwartaal.
Wijzigingen aan de aangiften mogen geen vermindering van het verschuldigde bedrag met zich meebrengen.
De voorgaande bepalingen hebben uitwerking in de jaren 2000 en 2001. De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de maatregel bedoeld in het eerste lid verlengen en het bedrag van b voor de bijkomende jaren van toepassing bepalen. Zij worden voor de eerste maal toegepast op de bijdragen die voor het jaar 2000 verschuldigd zijn. ".
" § 3quinquies. De werkgevers op wie deze besluitwet toepasselijk is, zijn, onder de hierna vermelde voorwaarden, een jaarlijkse bijdrage verschuldigd berekend op basis van een gedeelte van de dagen werkloosheid die zij voor hun mijnwerkers en er mee gelijkgestelden met toepassing van artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten hebben aangegeven.
De opbrengst van deze bijdrage is bestemd voor het stelsel van de jaarlijkse vakantie der handarbeiders.
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (R.S.Z.) is belast met de berekening, de inning en de invordering van deze bijdrage, alsook met de overdracht van de opbrengst ervan aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijn inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en invordering van de bijdragen.
In het raam van deze maatregel wordt verstaan onder :
1° m = het totaal aantal werkloosheidsdagen met toepassing van artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten die door de werkgever voor alle mijnwerkers en er mee gelijkgestelden onderworpen aan de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, die hij heeft tewerkgesteld in de loop van de eerste drie kwartalen van het voorgaande kalenderjaar en van het laatste kwartaal van het kalenderjaar dat daaraan voorafgaat samen werden aangegeven, verminderd met 10 % van de som van het aantal dagen bedoeld bij artikel 24 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van de als gelijkgestelde dagen bij de R.S.Z. aangegeven dagen. Deze 10 % wordt rekenkundig afgerond naar de dichtstbijzijnde eenheid, waarbij 0,5 afgerond wordt naar boven. Indien de berekening van m een negatief getal oplevert, wordt m gelijkgesteld met nul;
2° n = het totaal aantal werkloosheidsdagen met toepassing van artikel 51 van de voornoemde wet van 3 juli 1978 die door de werkgever voor alle mijnwerkers en er mee gelijkgestelden onderworpen aan de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, die hij heeft tewerkgesteld in de loop van de eerste drie kwartalen van het voorgaande kalenderjaar en van het laatste kwartaal van het kalenderjaar dat daaraan voorafgaat samen werden aangegeven, verminderd met 20 % van de som van het aantal dagen bedoeld bij artikel 24 van het voornoemde koninklijk besluit van 28 november 1969 en van de als gelijkgestelde dagen bij de R.S.Z. aangegeven dagen. Deze 20 % wordt rekenkundig afgerond naar de dichtstbijzijnde eenheid, waarbij 0,5 afgerond wordt naar boven. Indien de berekening van n een negatief getal oplevert, wordt n gelijkgesteld met nul;
3° b = het forfaitair bedrag van de bijdrage per dag werkloosheid die deel uitmaakt van m of n.
Voor de jaren 2000 en 2001 bedraagt b 60 Belgische frank per dag.
De door de werkgever verschuldigde jaarlijkse bijdrage voor werkloosheid wegens economische oorzaken bedraagt (m + n) maal b.
In de loop van het tweede kwartaal van elk jaar, berekent de R.S.Z. het bedrag van de bijdrage die verschuldigd is door iedere werkgever bedoeld bij artikel 2, § 6, van de voormelde besluitwet van 10 januari 1945, voor zover al zijn aangiften werden ontvangen. Bij laattijdige ontvangst van één of meer aangiften gebeurt de berekening na de ontvangst van de laatste.
Het verschuldigde bedrag wordt aan de werkgever medegedeeld bij het begin van het derde kwartaal, behalve in geval van laattijdige berekening in welk geval het bedrag hem na deze berekening wordt meegedeeld.
Voor het jaar 2000 moet de werkgever het verschuldigde bedrag betalen binnen de maand van de mededeling van dit bedrag. Voor het jaar 2001 moet de werkgever het verschuldigde bedrag betalen binnen dezelfde termijnen als de sociale zekerheidsbijdragen betreffende het tweede kwartaal.
Wijzigingen aan de aangiften mogen geen vermindering van het verschuldigde bedrag met zich meebrengen.
De voorgaande bepalingen hebben uitwerking in de jaren 2000 en 2001. De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de maatregel bedoeld in het eerste lid verlengen en het bedrag van b voor de bijkomende jaren van toepassing bepalen. Zij worden voor de eerste maal toegepast op de bijdragen die voor het jaar 2000 verschuldigd zijn. ".
Art.64. Dans l'article 2 de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, modifié pour la dernière fois par la loi du 22 février 1998, il est inséré un § 3quinquies, rédigé comme suit :
" § 3quinquies. Les employeurs, auxquels est applicable le présent arreté-loi, sont, dans les conditions énoncées ci-après, redevables d'une cotisation annuelle, calculée sur la base d'une partie des jours de chômage qu'ils ont déclarés pour leurs ouvriers mineurs et assimilés, en application de l'article 51 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Le produit de cette cotisation est destiné au régime des vacances annuelles des travailleurs manuels.
L'Office national de Sécurité sociale (O.N.S.S.) est chargé du calcul, de la perception et du recouvrement de cette cotisation, ainsi que du transfert du produit de celle-ci à l'Office national des Vacances annuelles.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des sanctions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions en justice, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations.
Dans le cadre de cette mesure, on entend par :
1° m = le nombre total de jours de chômage, en application de l'article 51 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail déclare par l'employeur pour l'ensemble des ouvriers mineurs et assimilés, assujettis aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, qu'il a occupés au cours des trois premiers trimestres de l'année civile précédente et du quatrième trimestre de l'année qui précède celle-ci, diminué de 10 % de la somme des jours visés par l'article 24 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et des jours déclarés comme jours assimilés auprès de l'O.N.S.S.. Ces 10 % sont arrondis arithmétiquement à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi vers le haut. Si le résultat du calcul de m donne un chiffre négatif, m est censé être égal à zéro;
2° n = le nombre total de jours de chômage, en application de l'article 51 de la loi du 3 juillet 1978 précitée déclaré par l'employeur pour l'ensemble des ouvriers mineurs et assimilés, assujettis aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, qu'il a occupés au cours des trois premiers trimestres de l'année civile précédente et du quatrième trimestre de l'année qui précède celle-ci, diminué de 20 % de la somme des jours visés par l'article 24 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 précité et des jours déclarés comme jours assimilés auprès de l'O.N.S.S.. Ces 20 % sont arrondis arithmétiquement à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi vers le haut. Si le résultat du calcul de n donne un chiffre négatif, n est censé être égal à zéro;
3° b = le montant forfaitaire de la cotisation par jour de chômage faisant partie de m ou de n.
Pour les années 2000 et 2001, b s'élève à 60 francs belges par jour.
La cotisation annuelle, due par l'employeur en raison du chômage résultant de causes économiques, est égale à (m + n) fois b.
Au cours du deuxième trimestre de chaque année, l'O.N.S.S. calcule le montant de la cotisation due par chaque employeur visé par l'article 2, § 6, de l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945, pour autant que toutes les déclarations aient été reçues. En cas de réception tardive d'une ou de plusieurs déclarations, le calcul se fait après la réception de la dernière.
Le montant dû est communiqué à l'employeur au début du troisième trimestre, sauf dans le cas d'un calcul tardif où le montant lui est communiqué après ce calcul.
Pour l'année 2000, l'employeur doit payer le montant dû dans le mois de la communication de ce montant. Pour l'année 2001, l'employeur doit payer le montant dû dans les mêmes délais que les cotisations de sécurité sociale relatives au deuxième trimestre.
Des modifications à la déclaration ne peuvent diminuer le montant dû.
Les dispositions qui précèdent produisent leurs effets dans les années 2000 et 2001. Le Roi peut prolonger la mesure visée a l'alinéa premier par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et déterminer le montant de b pour les années d'application supplémentaires. Elles sont applicables pour la première fois aux cotisations dues en l'an 2000. ".
" § 3quinquies. Les employeurs, auxquels est applicable le présent arreté-loi, sont, dans les conditions énoncées ci-après, redevables d'une cotisation annuelle, calculée sur la base d'une partie des jours de chômage qu'ils ont déclarés pour leurs ouvriers mineurs et assimilés, en application de l'article 51 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Le produit de cette cotisation est destiné au régime des vacances annuelles des travailleurs manuels.
L'Office national de Sécurité sociale (O.N.S.S.) est chargé du calcul, de la perception et du recouvrement de cette cotisation, ainsi que du transfert du produit de celle-ci à l'Office national des Vacances annuelles.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des sanctions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions en justice, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations.
Dans le cadre de cette mesure, on entend par :
1° m = le nombre total de jours de chômage, en application de l'article 51 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail déclare par l'employeur pour l'ensemble des ouvriers mineurs et assimilés, assujettis aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, qu'il a occupés au cours des trois premiers trimestres de l'année civile précédente et du quatrième trimestre de l'année qui précède celle-ci, diminué de 10 % de la somme des jours visés par l'article 24 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et des jours déclarés comme jours assimilés auprès de l'O.N.S.S.. Ces 10 % sont arrondis arithmétiquement à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi vers le haut. Si le résultat du calcul de m donne un chiffre négatif, m est censé être égal à zéro;
2° n = le nombre total de jours de chômage, en application de l'article 51 de la loi du 3 juillet 1978 précitée déclaré par l'employeur pour l'ensemble des ouvriers mineurs et assimilés, assujettis aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, qu'il a occupés au cours des trois premiers trimestres de l'année civile précédente et du quatrième trimestre de l'année qui précède celle-ci, diminué de 20 % de la somme des jours visés par l'article 24 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 précité et des jours déclarés comme jours assimilés auprès de l'O.N.S.S.. Ces 20 % sont arrondis arithmétiquement à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi vers le haut. Si le résultat du calcul de n donne un chiffre négatif, n est censé être égal à zéro;
3° b = le montant forfaitaire de la cotisation par jour de chômage faisant partie de m ou de n.
Pour les années 2000 et 2001, b s'élève à 60 francs belges par jour.
La cotisation annuelle, due par l'employeur en raison du chômage résultant de causes économiques, est égale à (m + n) fois b.
Au cours du deuxième trimestre de chaque année, l'O.N.S.S. calcule le montant de la cotisation due par chaque employeur visé par l'article 2, § 6, de l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945, pour autant que toutes les déclarations aient été reçues. En cas de réception tardive d'une ou de plusieurs déclarations, le calcul se fait après la réception de la dernière.
Le montant dû est communiqué à l'employeur au début du troisième trimestre, sauf dans le cas d'un calcul tardif où le montant lui est communiqué après ce calcul.
Pour l'année 2000, l'employeur doit payer le montant dû dans le mois de la communication de ce montant. Pour l'année 2001, l'employeur doit payer le montant dû dans les mêmes délais que les cotisations de sécurité sociale relatives au deuxième trimestre.
Des modifications à la déclaration ne peuvent diminuer le montant dû.
Les dispositions qui précèdent produisent leurs effets dans les années 2000 et 2001. Le Roi peut prolonger la mesure visée a l'alinéa premier par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et déterminer le montant de b pour les années d'application supplémentaires. Elles sont applicables pour la première fois aux cotisations dues en l'an 2000. ".
Art.65.
CHAPITRE VII. - Financement alternatif.
Art.67. De artikelen 89 en 90 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen worden opgeheven.
HOOFDSTUK VIIbis. - Alternatieve financiering van de geneeskundige verzorging. <INGEVOEGD bij W 2003-12-22/42, art. 258; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art.67. Les articles 89 et 90 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses sont abrogés.
HOOFDSTUK VIIbis. - Alternatieve financiering van de geneeskundige verzorging.
CHAPITRE VIIbis. - Financement alternatif des soins de santé.
Art.68. In artikel 68, vijfde lid, a), van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, zoals het luidde voor zijn vervanging door artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 en zoals het gewijzigd werd door de wet van 12 augustus 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
CHAPITRE VIII. - Pensions.
Art. 68. In artikel 68, vijfde lid, a), van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, zoals het luidde voor zijn vervanging door artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 en zoals het gewijzigd werd door de wet van 12 augustus 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een punt 2) ingevoegd, luidende :
" 2) de gehuwde begunstigde die samenwoont met zijn echtgenoot van wie het pensioenbedrag werd verminderd, hetzij met toepassing van artikel 10, § 4, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, hetzij met toepassing van artikel 3, § 8, van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn; ";
2° 2) wordt 3).
1° er wordt een punt 2) ingevoegd, luidende :
" 2) de gehuwde begunstigde die samenwoont met zijn echtgenoot van wie het pensioenbedrag werd verminderd, hetzij met toepassing van artikel 10, § 4, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, hetzij met toepassing van artikel 3, § 8, van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn; ";
2° 2) wordt 3).
Art.68. A l'article 68, alinéa 5, a), de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, modifié par la loi du 21 décembre 1994, tel qu'il était libellé avant son remplacement par l'article 1er de l'arrêté royal du 16 décembre 1996 et tel qu'il a été modifié par la loi du 12 août 2000, sont apportées les modifications suivantes :
1° un nouveau 2) est inséré, rédigé comme suit :
" 2) le bénéficiaire marié cohabitant avec son conjoint pour lequel le montant de pension a été diminué, soit en application de l'article 10, § 4, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, soit en application de l'article 3, § 8, de la loi du 20 juillet 1990 instaurant un âge flexible de la retraite pour les travailleurs salariés et adaptant les pensions des travailleurs salariés à l'évolution du bien-etre général; ";
2° le 2) devient le 3).
1° un nouveau 2) est inséré, rédigé comme suit :
" 2) le bénéficiaire marié cohabitant avec son conjoint pour lequel le montant de pension a été diminué, soit en application de l'article 10, § 4, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, soit en application de l'article 3, § 8, de la loi du 20 juillet 1990 instaurant un âge flexible de la retraite pour les travailleurs salariés et adaptant les pensions des travailleurs salariés à l'évolution du bien-etre général; ";
2° le 2) devient le 3).
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
TITRE XI. - Intégration sociale.
Art.69. In artikel 77bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
CHAPITRE I. - Modification de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Art. 69. In artikel 77bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een § 1bis ingevoegd, luidend als volgt :
" § 1bis. Met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met een geldboete van vijfhonderd Belgische frank tot vijfentwintigduizend Belgische frank wordt gestraft hij die rechtstreeks of via een tussenpersoon misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie van een vreemdeling ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand door de verkoop, verhuur of ter beschikking stelling van kamers of enige andere ruimte met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren. ";
2° in § 2, worden de woorden " Het in § 1 bedoelde misdrijf wordt " vervangen door de woorden " De in de §§ 1 en 1bis bedoelde misdrijven worden ", en worden de woorden " die activiteit " vervangen door de woorden " de betrokken activiteit ";
3° in § 3, worden de woorden " Het in § 2 bedoelde misdrijf wordt gestraft " vervangen door " De in § 2 bedoelde misdrijven worden gestraft ".
1° er wordt een § 1bis ingevoegd, luidend als volgt :
" § 1bis. Met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met een geldboete van vijfhonderd Belgische frank tot vijfentwintigduizend Belgische frank wordt gestraft hij die rechtstreeks of via een tussenpersoon misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie van een vreemdeling ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand door de verkoop, verhuur of ter beschikking stelling van kamers of enige andere ruimte met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren. ";
2° in § 2, worden de woorden " Het in § 1 bedoelde misdrijf wordt " vervangen door de woorden " De in de §§ 1 en 1bis bedoelde misdrijven worden ", en worden de woorden " die activiteit " vervangen door de woorden " de betrokken activiteit ";
3° in § 3, worden de woorden " Het in § 2 bedoelde misdrijf wordt gestraft " vervangen door " De in § 2 bedoelde misdrijven worden gestraft ".
Art.69. A l'article 77bis de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le sejour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 13 avril 1995, sont apportées les modifications suivantes :
1° il est inséré un § 1erbis, rédigé comme suit :
" § 1erbis. Est puni d'un emprisonnement d'un an à cinq ans et d'une amende de cinq cents francs belges à vingt-cinq mille francs belges, quiconque abuse, soit directement, soit par un intermédiaire, de la position particulièrement vulnérable d'un étranger en raison de sa situation administrative illégale ou précaire, en vendant, louant ou en mettant à disposition des chambres ou tout autre local dans l'intention de réaliser un profit anormal. ";
2° au § 2, les mots " L'infraction visée au § 1er sera punie " sont remplacés par les mots " Les infractions visées aux §§ 1er et 1erbis seront punies " et le mot " elle " est remplacé par les mots " l'activité concernée ";
3° au § 3, les mots " L'infraction visée au § 2 sera punie " sont remplacés par les mots " Les infractions visées au § 2 seront punies ".
1° il est inséré un § 1erbis, rédigé comme suit :
" § 1erbis. Est puni d'un emprisonnement d'un an à cinq ans et d'une amende de cinq cents francs belges à vingt-cinq mille francs belges, quiconque abuse, soit directement, soit par un intermédiaire, de la position particulièrement vulnérable d'un étranger en raison de sa situation administrative illégale ou précaire, en vendant, louant ou en mettant à disposition des chambres ou tout autre local dans l'intention de réaliser un profit anormal. ";
2° au § 2, les mots " L'infraction visée au § 1er sera punie " sont remplacés par les mots " Les infractions visées aux §§ 1er et 1erbis seront punies " et le mot " elle " est remplacé par les mots " l'activité concernée ";
3° au § 3, les mots " L'infraction visée au § 2 sera punie " sont remplacés par les mots " Les infractions visées au § 2 seront punies ".
Art.70. In artikel 57ter, derde lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, ingevoegd bij de wet van 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
CHAPITRE II. - Modification de la loi organique du 8 juillet 1976 relative aux centres publics d'aide sociale.
Art.71. In dezelfde wet, wordt een nieuw artikel 57ter1 ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 57ter1. § 1. Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, wordt met toepassing van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een door de Staat, een andere overheid of één of meerdere besturen georganiseerd Centrum of plaats waar hulpverlening wordt verstrekt op verzoek en op kosten van de Staat, als verplichte plaats van inschrijving aangeduid :
1° tot zolang de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde, of de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of een van zijn adjuncten niet hebben beslist dat een onderzoek ten gronde van de asielaanvraag noodzakelijk is;
2° indien de vreemdeling de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of van een van zijn adjuncten, met toepassing van artikel 63/3 van voormelde wet, aangevochten heeft voor de Raad van State.
In bijzondere omstandigheden kan de Minister of diens gemachtigde afwijken van het bepaalde in het vorige lid.
De aanduiding bedoeld in het eerste lid blijft van kracht zolang het beroep hangende is voor de Raad van State.
§ 2. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing :
1° op de vreemdeling die zich na de datum waarop de programmawet van 2 januari 2001 in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend;
2° op de vreemdeling die na de in 1° bedoelde datum de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, of van één van zijn adjuncten, met toepassing van artikel 63/3, aangevochten heeft voor de Raad van State. ".
" Art. 57ter1. § 1. Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, wordt met toepassing van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een door de Staat, een andere overheid of één of meerdere besturen georganiseerd Centrum of plaats waar hulpverlening wordt verstrekt op verzoek en op kosten van de Staat, als verplichte plaats van inschrijving aangeduid :
1° tot zolang de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde, of de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of een van zijn adjuncten niet hebben beslist dat een onderzoek ten gronde van de asielaanvraag noodzakelijk is;
2° indien de vreemdeling de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of van een van zijn adjuncten, met toepassing van artikel 63/3 van voormelde wet, aangevochten heeft voor de Raad van State.
In bijzondere omstandigheden kan de Minister of diens gemachtigde afwijken van het bepaalde in het vorige lid.
De aanduiding bedoeld in het eerste lid blijft van kracht zolang het beroep hangende is voor de Raad van State.
§ 2. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing :
1° op de vreemdeling die zich na de datum waarop de programmawet van 2 januari 2001 in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend;
2° op de vreemdeling die na de in 1° bedoelde datum de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, of van één van zijn adjuncten, met toepassing van artikel 63/3, aangevochten heeft voor de Raad van State. ".
Art.70. A l'article 57ter, alinéa 3, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale, inséré par la loi du 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans la première phrase les mots " les pouvoirs publics et les associations " sont remplacés par les mots " les pouvoirs publics, les personnes morales et les associations ";
2° dans la première phrase, les mots " l'aide sociale " sont remplacés par les mots " l'accueil ";
3° dans la première phrase, les mots " , sous contrôle public et sur la base d'un cahier des charges faisant l'objet de l'arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres " sont ajoutés in fine;
4° dans la deuxième phrase, les mots " pouvoirs publics et associations " sont remplacés par les mots " pouvoirs publics, personnes morales et associations ".
1° dans la première phrase les mots " les pouvoirs publics et les associations " sont remplacés par les mots " les pouvoirs publics, les personnes morales et les associations ";
2° dans la première phrase, les mots " l'aide sociale " sont remplacés par les mots " l'accueil ";
3° dans la première phrase, les mots " , sous contrôle public et sur la base d'un cahier des charges faisant l'objet de l'arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres " sont ajoutés in fine;
4° dans la deuxième phrase, les mots " pouvoirs publics et associations " sont remplacés par les mots " pouvoirs publics, personnes morales et associations ".
Art. 71. In dezelfde wet, wordt een nieuw artikel 57ter1 ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 57ter1. § 1. Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, wordt met toepassing van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een door de Staat, een andere overheid of één of meerdere besturen georganiseerd Centrum of plaats waar hulpverlening wordt verstrekt op verzoek en op kosten van de Staat, als verplichte plaats van inschrijving aangeduid :
1° tot zolang de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde, of de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of een van zijn adjuncten niet hebben beslist dat een onderzoek ten gronde van de asielaanvraag noodzakelijk is;
2° indien de vreemdeling de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of van een van zijn adjuncten, met toepassing van artikel 63/3 van voormelde wet, aangevochten heeft voor de Raad van State.
In bijzondere omstandigheden kan de Minister of diens gemachtigde afwijken van het bepaalde in het vorige lid.
De aanduiding bedoeld in het eerste lid blijft van kracht zolang het beroep hangende is voor de Raad van State.
§ 2. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing :
1° op de vreemdeling die zich na de datum waarop de programmawet van 2 januari 2001 in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend;
2° op de vreemdeling die na de in 1° bedoelde datum de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, of van één van zijn adjuncten, met toepassing van artikel 63/3, aangevochten heeft voor de Raad van State. ".
" Art. 57ter1. § 1. Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, wordt met toepassing van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een door de Staat, een andere overheid of één of meerdere besturen georganiseerd Centrum of plaats waar hulpverlening wordt verstrekt op verzoek en op kosten van de Staat, als verplichte plaats van inschrijving aangeduid :
1° tot zolang de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde, of de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of een van zijn adjuncten niet hebben beslist dat een onderzoek ten gronde van de asielaanvraag noodzakelijk is;
2° indien de vreemdeling de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of van een van zijn adjuncten, met toepassing van artikel 63/3 van voormelde wet, aangevochten heeft voor de Raad van State.
In bijzondere omstandigheden kan de Minister of diens gemachtigde afwijken van het bepaalde in het vorige lid.
De aanduiding bedoeld in het eerste lid blijft van kracht zolang het beroep hangende is voor de Raad van State.
§ 2. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing :
1° op de vreemdeling die zich na de datum waarop de programmawet van 2 januari 2001 in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend;
2° op de vreemdeling die na de in 1° bedoelde datum de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, of van één van zijn adjuncten, met toepassing van artikel 63/3, aangevochten heeft voor de Raad van State. ".
Art.71. Dans la même loi, un nouvel article 57ter1 est inséré, rédigé comme suit :
" Art. 57ter1. § 1er. A un etranger qui s'est déclaré réfugié et qui a demandé d'être reconnu comme tel, est désigné comme lieu obligatoire d'inscription, en application de l'article 54 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès du territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, un Centre que l'Etat, une autre autorité ou un ou plusieurs pouvoirs publics organise ou un lieu ou une aide est fournie à la demande de l'Etat et à ses frais :
1° tant que le Ministre de l'Intérieur ou son délégué, ou le commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou un de ses adjoints n'ont pas décidé qu'un examen au fond de la demande d'asile est nécessaire;
2° si l'étranger a contesté, devant le Conseil d'Etat, la décision du commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou d'un de ses adjoints, prise en application de l'article 63/3 de la loi précitée.
Dans des circonstances particulières le Ministre ou son délégué peut déroger aux dispositions de l'alinéa précédent.
La désignation, visée à l'alinéa 1er, produit ses effets aussi longtemps que le recours est pendant devant le Conseil d'Etat.
§ 2. Les dispositions du § 1er s'appliquent :
1° à l'étranger qui s'est déclaré réfugié après la date à laquelle la loi-programme du 2 janvier 2001 a été publiée au Moniteur belge et qui a demandé d'être reconnu comme tel;
2° à l'étranger qui, après la date visée au 1°, a contesté, devant le Conseil d'Etat, la décision du commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou d'un de ses adjoints, prise en application de l'article 63/3. ".
" Art. 57ter1. § 1er. A un etranger qui s'est déclaré réfugié et qui a demandé d'être reconnu comme tel, est désigné comme lieu obligatoire d'inscription, en application de l'article 54 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès du territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, un Centre que l'Etat, une autre autorité ou un ou plusieurs pouvoirs publics organise ou un lieu ou une aide est fournie à la demande de l'Etat et à ses frais :
1° tant que le Ministre de l'Intérieur ou son délégué, ou le commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou un de ses adjoints n'ont pas décidé qu'un examen au fond de la demande d'asile est nécessaire;
2° si l'étranger a contesté, devant le Conseil d'Etat, la décision du commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou d'un de ses adjoints, prise en application de l'article 63/3 de la loi précitée.
Dans des circonstances particulières le Ministre ou son délégué peut déroger aux dispositions de l'alinéa précédent.
La désignation, visée à l'alinéa 1er, produit ses effets aussi longtemps que le recours est pendant devant le Conseil d'Etat.
§ 2. Les dispositions du § 1er s'appliquent :
1° à l'étranger qui s'est déclaré réfugié après la date à laquelle la loi-programme du 2 janvier 2001 a été publiée au Moniteur belge et qui a demandé d'être reconnu comme tel;
2° à l'étranger qui, après la date visée au 1°, a contesté, devant le Conseil d'Etat, la décision du commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou d'un de ses adjoints, prise en application de l'article 63/3. ".
Art. 72. In artikel 57quater, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999, worden de woorden " of in het vreemdelingenregister met een machtiging tot verblijf voor onbeperkte tijd " ingevoegd tussen de woorden " ingeschreven in het bevolkingsregister " en de woorden " en die omwille van zijn nationaliteit ".
Art.72. Dans l'article 57quater, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 janvier 1999, les mots " ou au registre des étrangers avec une autorisation de séjour d'une durée illimitée " sont insérés entre les mots " inscrite au registre de la population " et " et qui en raison de sa nationalité ".
Art.73. In artikel 5, § 4, vijfde lid, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 januari 1999, worden de woorden " het derde en vierde lid " vervangen door de woorden " het tweede, derde en vierde lid ".
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale.
Art. 73. In artikel 5, § 4, vijfde lid, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 januari 1999, worden de woorden " het derde en vierde lid " vervangen door de woorden " het tweede, derde en vierde lid ".
Art.73. Dans l'article 5, § 4, alinéa 5, de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, insére par la loi du 25 janvier 1997 et modifié par l'arrêté royal du 25 janvier 1999, les mots " alinéas trois et quatre " sont remplacés par les mots " alinéas 2, 3 et 4 ".
Art.74. De Minister tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, of zijn gemachtigde, kan elk verlaten gebouw opeisen, teneinde het ter beschikking te stellen voor de opvang van kandidaat-vluchtelingen. Het opeisingsrecht kan slechts worden uitgeoefend mits een billijke schadeloosstelling.
CHAPITRE IV. - Droit de réquisition.
Art. 74. De Minister tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, of zijn gemachtigde, kan elk verlaten gebouw opeisen, teneinde het ter beschikking te stellen voor de opvang van kandidaat-vluchtelingen. Het opeisingsrecht kan slechts worden uitgeoefend mits een billijke schadeloosstelling.
De Koning bepaalt, in een bij Ministerraad overlegd besluit, de grenzen, de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke het opeisingsrecht kan worden uitgeoefend, alsook de berekeningswijze van de schadeloosstelling. Hij bepaalt ook de procedure, de gebruiksduur en de modaliteiten inzake het op de hoogte stellen van de eigenaar.
De Koning bepaalt, in een bij Ministerraad overlegd besluit, de grenzen, de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke het opeisingsrecht kan worden uitgeoefend, alsook de berekeningswijze van de schadeloosstelling. Hij bepaalt ook de procedure, de gebruiksduur en de modaliteiten inzake het op de hoogte stellen van de eigenaar.
Art.74. Le Ministre ayant l'Intégration sociale dans ses attributions, ou son délégué, peut réquisitionner tout immeuble abandonné, afin de le mettre à disposition pour l'accueil de candidats-réfugiés. Le droit de réquisition ne peut s'exercer que moyennant un juste dédommagement.
Le Roi définit, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les limites, les conditions et les modalités dans lesquels le droit de réquisition peut être exercé et le mode de calcul du dédommagement. Il fixe également la procédure, la durée d'occupation et les modalités d'avertissement du propriétaire.
Le Roi définit, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les limites, les conditions et les modalités dans lesquels le droit de réquisition peut être exercé et le mode de calcul du dédommagement. Il fixe également la procédure, la durée d'occupation et les modalités d'avertissement du propriétaire.
Art.75. De Nationale Bank van België wordt belast met het dragen van bepaalde kosten eigen aan de overgang naar de chartale Euro, namelijk :
TITRE XII. - Finances.
Art. 75. De Nationale Bank van België wordt belast met het dragen van bepaalde kosten eigen aan de overgang naar de chartale Euro, namelijk :
- transportkosten eigen aan de frontloading, ten belope van een maximaal bedrag van 250 miljoen Belgische frank;
- de kosten van vervoer, tellen en sorteren eigen aan de demonetisatie van de munten in Belgische frank voor een globaal bedrag van 600 miljoen Belgische frank.
Het ten laste nemen van deze kosten vertegenwoordigt een opdracht van algemeen belang, zoals omschreven door artikel 21 van het koninklijk besluit van 10 januari 1999 tot goedkeuring van de wijziging van de statuten van de Nationale Bank van België.
- transportkosten eigen aan de frontloading, ten belope van een maximaal bedrag van 250 miljoen Belgische frank;
- de kosten van vervoer, tellen en sorteren eigen aan de demonetisatie van de munten in Belgische frank voor een globaal bedrag van 600 miljoen Belgische frank.
Het ten laste nemen van deze kosten vertegenwoordigt een opdracht van algemeen belang, zoals omschreven door artikel 21 van het koninklijk besluit van 10 januari 1999 tot goedkeuring van de wijziging van de statuten van de Nationale Bank van België.
Art.75. La Banque nationale de Belgique est chargée de la prise en charge de certains coûts liés à l'opération de passage à l'Euro fiduciaire, à savoir :
- les frais de transport liés à la préalimentation, à concurrence d'un montant maximal de 250 millions de francs belges;
- les couts de transport, de tri et de comptage liés à la démonetisation des pièces en franc belge, pour un montant global de 600 millions de francs belges.
La prise en charge de ces coûts représente une mission d'intérêt public visée par l'article 21 de l'arrêté royal du 10 janvier 1999 approuvant la modification des statuts de la Banque nationale de Belgique.
- les frais de transport liés à la préalimentation, à concurrence d'un montant maximal de 250 millions de francs belges;
- les couts de transport, de tri et de comptage liés à la démonetisation des pièces en franc belge, pour un montant global de 600 millions de francs belges.
La prise en charge de ces coûts représente une mission d'intérêt public visée par l'article 21 de l'arrêté royal du 10 janvier 1999 approuvant la modification des statuts de la Banque nationale de Belgique.
Art. 76. (Opgeheven) <W 2001-12-10/31, art. 39, 003; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
Art.76. (Abrogé) <L 2001-12-10/31, art. 39, 003; En vigueur : 30-12-2001>
Wijzigingen van de wet van 25 mei 1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking.
TITRE XIII. - Coopération internationale.
Art.77. Artikel 2, 6°, van de wet van 25 mei 1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking wordt vervangen door de volgende bepaling :
Modification de la loi du 25 mai 1999 relative à la coopération internationale belge.
Art. 77. Artikel 2, 6°, van de wet van 25 mei 1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 6° " indirecte bilaterale samenwerking " : samenwerking, gefinancierd of medegefinancierd door de Belgische Staat, waarbij een derde, die niet een vreemde staat of internationale organisatie is, instaat voor de uitvoering van de programma's of projecten, op basis van een reglementair stelsel van subsidiëring of op basis van een overeenkomst; ".
" 6° " indirecte bilaterale samenwerking " : samenwerking, gefinancierd of medegefinancierd door de Belgische Staat, waarbij een derde, die niet een vreemde staat of internationale organisatie is, instaat voor de uitvoering van de programma's of projecten, op basis van een reglementair stelsel van subsidiëring of op basis van een overeenkomst; ".
Art.77. L'article 2, 6°, de la loi du 25 mai 1999 relative à la coopération internationale belge est remplacé par la disposition suivante :
" 6° " coopération bilaterale indirecte " : la coopération, financée ou cofinancée par l'Etat belge, dans laquelle un tiers, qui n'est pas un Etat étranger, ni une organisation internationale, répond de l'exécution des programmes ou des projets, sur la base d'un systeme réglementaire de subventions ou d'une convention; ".
" 6° " coopération bilaterale indirecte " : la coopération, financée ou cofinancée par l'Etat belge, dans laquelle un tiers, qui n'est pas un Etat étranger, ni une organisation internationale, répond de l'exécution des programmes ou des projets, sur la base d'un systeme réglementaire de subventions ou d'une convention; ".
Art.79. Artikel 10 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende als volgt :
" Voor de federaties van niet-gouvernementele organisaties worden de criteria door de Koning vastgesteld. ".
" Voor de federaties van niet-gouvernementele organisaties worden de criteria door de Koning vastgesteld. ".
Art.78. A l'article 7 de la même loi, le mot " principalement " est inséré entre les mots " coopération bilatérale directe " et " sur ".
Art.80. In artikel 11 van dezelfde wet, wordt de inleidende zin vervangen als volgt :
" De Belgische internationale samenwerking richt de indirecte bilaterale samenwerking op maatschappijen, groeperingen, verenigingen of instellingen van publiek recht, zoals de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten, of van privaatrechtelijke aard, andere dan de organisaties bedoeld in artikel 10, die uitgekozen worden " als partners van de indirecte bilaterale samenwerking " volgens een procedure en modaliteiten vastgesteld door de Koning en die minstens beantwoorden aan de volgende criteria : ".
" De Belgische internationale samenwerking richt de indirecte bilaterale samenwerking op maatschappijen, groeperingen, verenigingen of instellingen van publiek recht, zoals de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten, of van privaatrechtelijke aard, andere dan de organisaties bedoeld in artikel 10, die uitgekozen worden " als partners van de indirecte bilaterale samenwerking " volgens een procedure en modaliteiten vastgesteld door de Koning en die minstens beantwoorden aan de volgende criteria : ".
Art.79. L'article 10 de la même loi est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Pour les fédérations d'organisations non gouvernementales, les critères sont fixés par le Roi. ".
" Pour les fédérations d'organisations non gouvernementales, les critères sont fixés par le Roi. ".
Art. 80. In artikel 11 van dezelfde wet, wordt de inleidende zin vervangen als volgt :
" De Belgische internationale samenwerking richt de indirecte bilaterale samenwerking op maatschappijen, groeperingen, verenigingen of instellingen van publiek recht, zoals de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten, of van privaatrechtelijke aard, andere dan de organisaties bedoeld in artikel 10, die uitgekozen worden " als partners van de indirecte bilaterale samenwerking " volgens een procedure en modaliteiten vastgesteld door de Koning en die minstens beantwoorden aan de volgende criteria : ".
" De Belgische internationale samenwerking richt de indirecte bilaterale samenwerking op maatschappijen, groeperingen, verenigingen of instellingen van publiek recht, zoals de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten, of van privaatrechtelijke aard, andere dan de organisaties bedoeld in artikel 10, die uitgekozen worden " als partners van de indirecte bilaterale samenwerking " volgens een procedure en modaliteiten vastgesteld door de Koning en die minstens beantwoorden aan de volgende criteria : ".
Art.80. Dans l'article 11 de la même loi, la phrase liminaire est remplacée comme suit :
" La coopération internationale belge concentre la coopération bilatérale indirecte sur les sociétés, groupements, associations ou institutions de droit public, notamment les communautés, les régions, les provinces et les communes, ou de droit privé autres que les organisations visées à l'article 10, selectionnés selon une procédure et des modalités fixées par le Roi, comme " partenaires de la coopération bilatérale indirecte ", qui répondent au moins aux critères suivants : ".
" La coopération internationale belge concentre la coopération bilatérale indirecte sur les sociétés, groupements, associations ou institutions de droit public, notamment les communautés, les régions, les provinces et les communes, ou de droit privé autres que les organisations visées à l'article 10, selectionnés selon une procédure et des modalités fixées par le Roi, comme " partenaires de la coopération bilatérale indirecte ", qui répondent au moins aux critères suivants : ".
Art.81. Artikel 10 van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis wordt aangevuld met de volgende bepaling :
TITRE XIV. - Agriculture.
Art. 81. Artikel 10 van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" 6° de bedragen die door de Belgische Staat worden gevorderd in toepassing van de bepalingen ter uitvoering van deze wet. ".
" 6° de bedragen die door de Belgische Staat worden gevorderd in toepassing van de bepalingen ter uitvoering van deze wet. ".
Art.81. L'article 10 de la loi du 3 décembre 1999 relative à des mesures d'aide en faveur d'entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine est complété par la disposition suivante :
" 6° les montants qui sont réclamés par l'Etat belge, en application des dispositions prises en exécution de la présente loi. ".
" 6° les montants qui sont réclamés par l'Etat belge, en application des dispositions prises en exécution de la présente loi. ".
Art. 82. Deze wet treedt in werking op de datum waarop zij in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd wordt, met uitzondering van :
TITRE XV. - Entrée en vigueur.
Art. 82. Deze wet treedt in werking op de datum waarop zij in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd wordt, met uitzondering van :
- de artikelen 29 en 35 die uitwerking hebben met ingang van 1 december 2000;
- de artikelen 31 en 34 die uitwerking hebben op 10 september 2000;
- de artikelen 41, 42, 43, 45 en 46 die uitwerking hebben met ingang van 1 april 2000;
- Titel X, Hoofdstuk II dat in werking treedt op 1 januari 2001;
- artikel 67 dat in werking treedt op 1 januari 2001;
- artikel 68 dat uitwerking heeft van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1996.
- de artikelen 29 en 35 die uitwerking hebben met ingang van 1 december 2000;
- de artikelen 31 en 34 die uitwerking hebben op 10 september 2000;
- de artikelen 41, 42, 43, 45 en 46 die uitwerking hebben met ingang van 1 april 2000;
- Titel X, Hoofdstuk II dat in werking treedt op 1 januari 2001;
- artikel 67 dat in werking treedt op 1 januari 2001;
- artikel 68 dat uitwerking heeft van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1996.
Art. 82. Cette loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge, à l'exception de :
- les articles 29 et 35 qui produisent leurs effets le 1er décembre 2000;
- les articles 31 et 34 qui produisent leurs effets le 10 septembre 2000;
- les articles 41, 42, 43, 45 et 46 qui produisent leurs effets le 1er avril 2000;
- le Titre X, Chapitre II qui entre en vigueur le 1er janvier 2001;
- l'article 67 qui entre en vigueur le 1er janvier 2001;
- l'article 68 qui produit ses effets du 1er janvier 1995 au 31 décembre 1996.
- les articles 29 et 35 qui produisent leurs effets le 1er décembre 2000;
- les articles 31 et 34 qui produisent leurs effets le 10 septembre 2000;
- les articles 41, 42, 43, 45 et 46 qui produisent leurs effets le 1er avril 2000;
- le Titre X, Chapitre II qui entre en vigueur le 1er janvier 2001;
- l'article 67 qui entre en vigueur le 1er janvier 2001;
- l'article 68 qui produit ses effets du 1er janvier 1995 au 31 décembre 1996.