Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
11 FEBRUARI 2000. - [Besluit van de Vlaamse regering betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding.] (BVR 2002-02-22/36, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2000) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 11-04-2000 en tekstbijwerking tot 19-02-2018)
Titre
11 FEVRIER 2000. - [Arrêté du Gouvernement flamand relatif à la mise en disponibilité complète pour convenances personnelles pour les membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des élèves (TRADUCTION).] (AGF 2002-02-22/36, art. 1, 003; En vigueur : 01-09-2000) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 11-04-2000 et mise à jour au 19-02-2018)
Dokumentinformationen
Numac: 2000035338
Datum: 2000-02-11
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2000035338
Date: 2000-02-11
Moniteur: Voir
Tekst (23)
Texte (23)
HOOFDSTUK 1. - Regeling volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen.
CHAPITRE 1. - Régime de mise en disponibilité complète pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite.
Artikel 1. [1 Dit besluit is van toepassing op :
de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]1

Article 1. [1 Le présent arrêté s'applique :
aux membres du personnel, visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
aux membres du personnel, visés à l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné;
aux membres de l'inspection, visés à l'article 61 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement;
aux membres du personnel, visés à l'article 10 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques.]1

Art. 2. [1 §1.]1 De personeelsleden, genoemd in artikel 1, kunnen [1 voor 1 september 2012]1 een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgen, als zij op de vooravond van de terbeschikkingstelling :
vast benoemd zijn;
(de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt. Voor de personeelsleden die een opdracht uitsluitend uitoefenen in het ambt van kleuteronderwijzer of het ambt van kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming, wordt de leeftijd op 56 jaar gebracht. Voor de personeelsleden die geboren zijn voor 1 september 1947 wordt de leeftijd op 55 jaar gebracht;)
ten minste twintig dienstjaren tellen die in aanmerking komen voor de opening van het recht op een rustpensioen ten laste van de Schatkist;
hun ambt uitoefenen als hoofdambt.
Daarenboven mogen de personeelsleden bij de aanvang van voormelde terbeschikkingstelling geen aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van de Schatkist.
Deze terbeschikkingstelling wordt toegekend tot de vooravond van de dag waarop het personeelslid op een rustpensioen ten laste van de Schatkist aanspraak kan maken.
[1 § 2. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, kunnen vanaf 1 september 2012 een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgen, als zij op de vooravond van de terbeschikkingstelling :
vast benoemd zijn;
ten minste twintig dienstjaren tellen die in aanmerking komen voor de opening van het recht op een rustpensioen ten laste van de Schatkist;
hun ambt uitoefenen als hoofdambt.
Daarenboven mogen de personeelsleden bij de aanvang van voormelde terbeschikkingstelling geen aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van de Schatkist.
Deze terbeschikkingstelling wordt toegekend tot de vooravond van de dag waarop het personeelslid op een rustpensioen ten laste van de Schatkist aanspraak kan maken.
§ 3. Voor de personeelsleden vermeld in artikel 1, 1° en 2°, die uitsluitend vastbenoemd zijn in het ambt van kleuteronderwijzer of kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming en die voldoen aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 2, kan de terbeschikkingstelling ten vroegste ingaan :
vier jaar voor ze recht hebben op een rustpensioen ten laste van de Schatkist, als ze geboren zijn voor 1 januari 1958;
drie jaar voor ze recht hebben op een rustpensioen ten laste van de Schatkist, als ze geboren zijn in het jaar 1958;
twee jaar voor ze recht hebben op een rustpensioen ten laste van de Schatkist, als ze geboren zijn vanaf 1 januari 1959.
§ 4. Voor de personeelsleden vermeld in artikel 1, die niet uitsluitend vastbenoemd zijn in het ambt van kleuteronderwijzer of kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming en die voldoen aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 2, kan de terbeschikkingstelling ten vroegste ingaan :
twee jaar voor ze recht hebben op een rustpensioen ten laste van de Schatkist, als ze geboren zijn voor 1 januari 1957;
een jaar voor ze recht hebben op een rustpensioen ten laste van de Schatkist, als ze geboren zijn in het jaar 1957.".
In afwijking van paragraaf 2 vervalt het recht op een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor de personeelsleden vermeld in het eerste lid, die vanaf 1 januari 1958 geboren zijn.]1

Art. 2. [1 §1.]1 Les personnels visés à l'article 1er, peuvent bénéficier [1 avant le 1er septembre 2012]1 d'une mise en disponibilité complète pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite, si, à la veille de la mise en disponibilité:
ils sont nommés à titre définitif;
(aient atteint l'âge de 58 ans. Pour les membres du personnel qui exercent une charge exclusivement dans la fonction d'instituteur(-trice) préscolaire ou la fonction d'instituteur(-trice) préscolaire de formation générale et sociale, l'âge est porté à 56 ans. Pour les membres du personnel nés avant le 1er septembre 1947, l'âge est porté à 55 ans;)
ils comptent au moins vingt années de service entrant en ligne de compte pour l'ouverture du droit à une pension de retraite à charge de la Trésorerie;
ils exercent leur fonction en tant que fonction principale.
De plus, les personnels ne peuvent pas, au début de la mise en disponibilité précitée, prétendre à une pension de retraite à charge de la Trésorerie.
La mise en disponibilité est accordée jusqu'à la veille du jour où le membre du personnel peut prétendre à une pension de retraite à charge de la Trésorerie.
[1 § 2. Les personnels, visés à l'article 1er, peuvent bénéficier à partir du 1er septembre 2012 d'une mise en disponibilité complète pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite, si, à la veille de la mise en disponibilité :
ils sont nommés à titre définitif;
ils comptent au moins vingt années de service admissibles pour l'ouverture du droit à la pension de retraite à charge du Trésor public;
ils exercent leur fonction en tant que fonction principale.
En outre, les membres du personnel ne peuvent pas pouvoir prétendre à une pension de retraite à charge du Trésor public au début de la mise en disponibilité.
Cette mise en disponibilité est attribuée jusqu'à la veille du jour auquel le membre du personnel peut faire valoir ses droits à une pension de retraite à charge du Trésor public.
§ 3. Pour les membres du personnel visés à l'article 1er, 1° et 2°, qui sont uniquement nommés à titre définitif dans la fonction d'instituteur préscolaire ou d'instituteur préscolaire de formation générale et sociale et qui satisfont aux conditions visées au paragraphe 2, la mise en disponibilité peut prendre cours au plus tôt :
quatre ans avant qu'ils ont droit à la pension de retraite à charge du Trésor public, s'ils sont nés avant le 1er janvier 1958;
trois ans avant qu'ils ont droit à la pension de retraite à charge du Trésor public, s'ils sont nés en l'an 1958;
deux ans avant qu'ils ont droit à la pension de retraite à charge du Trésor public, s'ils sont nés à partir du 1er janvier 1959.
§ 4. Pour les membres du personnel visés à l'article 1er, qui ne sont pas uniquement nommés à titre définitif dans la fonction d'instituteur préscolaire ou d'instituteur préscolaire de formation générale et sociale et qui satisfont aux conditions visées au paragraphe 2, la mise en disponibilité peut prendre cours au plus tôt :
deux ans avant qu'ils ont droit à la pension de retraite à charge du Trésor public, s'ils sont nés avant le 1er janvier 1957;
un an avant qu'ils ont droit à la pension de retraite à charge du Trésor public, s'ils sont nés en l'an 1957. ".
Par dérogation au paragraphe 2, le droit à une mise en disponibilité complète pour convenances personnelles précédant la pension de retraite échoit pour les membres du personnel visés au premier alinéa qui sont nés à partir du 1er janvier 1958.]1

Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit moet eveneens rekening gehouden worden met de prestaties die een personeelslid, genoemd in artikel 1, verstrekt bij toepassing van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. De prestaties, uitgeoefend bij toepassing van dit laatste decreet, worden voor de toepassing van dit besluit steeds beschouwd als zijnde in hoofdambt uitgeoefend.
Art. 3. Pour l'application du présent arrêté, il faut également tenir compte des prestations rendues par un membre du personnel visé à l'article 1er en application du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. Les prestations rendues en application dudit décret sont considérées pour l'application du présent arrêté comme ayant été accomplies en tant que fonction principale.
Art. 4. § 1. De volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen is onherroepelijk.
§ 2. De betrekking waarvoor het personeelslid aangewezen is of waarin het geaffecteerd is, mag vacant worden verklaard volgens de bepalingen ter zake van :
het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra;
[1 het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;]1
het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.
Art. 4. § 1er. La mise en disponibilité complète pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite est irrévocable.
§ 2. La fonction pour laquelle le membre du personnel est désigné ou dans laquelle il a été affecté peut être déclarée vacante conformément aux dispositions y afférentes:
du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire;
du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psycho-médico-sociaux subventionnés;
[1 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement;]1
du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et l'encadrement des cours philosophiques.
Art. 5. [1 De volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen wordt op hun verzoek toegekend door :
de inrichtende macht voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 1°, en 2°;
de inspecteur-generaal voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur;
de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn gemachtigde, voor de inspecteur-generaal en voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 4°.]1

Art. 5. [1 La mise en disponibilité complète pour convenances personnelles précédant la pension de retraite est accordée à leur demande par :
le pouvoir organisateur pour les membres du personnel, visés à l'article 1er, 1° et 2°;
l'inspecteur général pour l'inspecteur et l'inspecteur coordinateur;
le Ministre flamand chargé de l'enseignement, ou son délégué, pour l'inspecteur général et pour les membres du personnel, visés à l'article 1er, 4°.]1

Art. 6. § 1. Het personeelslid dat een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt, geniet een wachtgeld of wachtgeldtoelage.
Het bedrag van het wachtgeld of van de wachtgeldtoelage is gedurende de hele periode van deze terbeschikkingstelling, gelijk aan zoveel vijfenvijftigsten of zestigsten van de laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddentoelage als het personeelslid op de datum van zijn terbeschikkingstelling dienstjaren telt, naargelang de voor de berekening van het pensioen in aanmerking te nemen breuk 1/55 of 1/60 is.
Voor het bepalen van het bedrag van het wachtgeld of van de wachtgeldtoelage van de personeelsleden van het basisonderwijs die bezoldigd worden op grond van de weddenschalen 124, 141, 148, 150, 179 en 198 gelden de volgende breuken :
personeelsleden, bezoldigd op grond van de weddenschalen 124, 141, 148 en 150 :
a) op 1 september 1999 : 1/50;
b) vanaf 1 oktober 1999 : 1/50.5;
c) vanaf 1 oktober 2000 : 1/51;
d) vanaf 1 oktober 2001 : 1/52;
e) vanaf 1 oktober 2002 : 1/53;
f) vanaf 1 oktober 2003 : 1/54;
g) vanaf 1 oktober 2004 : 1/55;
(personeelsleden, bezoldigd op grond van de weddeschalen 179 en 198 :
a) vanaf 1 september 1999 : 1/50;
b) vanaf 1 oktober 1999 : 1/50.5;
c) vanaf 1 oktober 2000 : 1/51;
d) vanaf 1 oktober 2001 : 1/52;
e) vanaf 1 oktober 2002 : 1/53;
f) vanaf 1 oktober 2003 : 1/54;
g) vanaf 1 oktober 2004 : 1/55.)
De breuken, vermeld in het derde lid, gelden eveneens met ingang van de ernaast vermelde data voor de dienstjaren die een personeelslid in zijn loopbaan heeft gepresteerd en die op basis van de op 31 augustus 1999 geldende reglementering volgens een andere breuk dan deze vermeld in het tweede lid voor de berekening van het pensioen in aanmerking kwamen.
Voor de toepassing van het tweede, derde en vierde lid wordt de laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddentoelage desgevallend beperkt tot de wedde of weddentoelage die het personeelslid op de vooravond van de terbeschikkingstelling genoot voor het door hem uitgeoefende hoofdambt met volledige prestaties.
Als het personeelslid op de vooravond van de terbeschikkingstelling vast benoemd is voor een opdracht die een ambt met volledige prestaties overschrijdt, dan wordt voor de toepassing van het tweede, derde, vierde en vijfde lid, bij de vaststelling van de laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddentoelage voor een ambt met volledige prestaties eerst de wedde of weddentoelage genomen verbonden aan de opdracht bezoldigd op grond van de hoogste weddenschaal.
§ 2. Voor de toepassing van § 1 wordt voor het personeelslid dat overgaat van :
een verlof of afwezigheid voor verminderde prestaties,
een volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking,
een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen,
een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking,
een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen,
een terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid,
naar een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, als laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddentoelage beschouwd, de wedde of weddentoelage die het personeelslid zou hebben genoten als het zijn prestaties voorafgaand aan bovenvermelde periode van :
verlof of afwezigheid voor verminderde prestaties,
volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking,
verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen,
terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking,
deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen,
terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid, tot op de vooravond van de volledige terbeschikkingstelling verder zou hebben uitgeoefend.
§ 3. Voor de toepassing van § 1 worden als prestaties beschouwd die waarvoor het personeelslid vast benoemd is.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel worden, voor hun werkelijke duur, de diensten in aanmerking genomen die meetellen voor de berekening van het rustpensioen, met uitsluiting van de bonificaties wegens studies en van andere perioden vergoed wegens diensten die voor de vaststelling van de wedde of weddentoelage meetellen.
§ 5. Het bedrag van voormeld wachtgeld of voormelde wachtgeldtoelage schommelt met het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de regelen voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het wordt aan het spilindexcijfer 138,01 gekoppeld.
Het bedrag van voormeld wachtgeld of voormelde wachtgeldtoelage zal, in voorkomend geval, worden aangepast overeenkomstig de intersectorale akkoorden van sociale programmatie en de akkoorden van sectorale sociale programmatie. Het bedrag van het wachtgeld of van de wachtgeldtoelage van de personeelsleden van het basisonderwijs dat berekend wordt op grond van de weddenschalen 124, 141, 148, 150, 179 en 198 zal echter niet worden aangepast aan de weddeverhogingen ten gevolge van het akkoord van sectorale sociale programmatie voor de jaren 1997 en 1998 voor de sector " Onderwijs " van de Vlaamse Gemeenschap, afgesloten op 1 april 1999.
Het bedrag van voormeld wachtgeld of voormelde wachtgeldtoelage zal echter niet worden aangepast rekening houdend met de weddentrappen die het resultaat zijn van de periodieke verhogingen binnen de weddenschaal, als het personeelslid op het ogenblik van de terbeschikkingstelling niet het maximum van de weddenschaal heeft bereikt.
(§ 6. In afwachting dat de berekening van het wachtgeld wordt vastgesteld voor de personeelsleden die geboren zijn na 31 augustus 1952, blijven § 1 tot en met § 5 van toepassing.)
Art. 6. § 1er. Le membre du personnel auquel est accordée une mise en disponibilité complète pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite, bénéficie d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente.
Pendant toute la période de mise en disponibilité, le montant du traitement d'attente ou de la subvention-traitement d'attente est égal à autant de cinquante-cinquièmes ou soixantièmes du dernier traitement d'activité ou de la dernière subvention-traitement d'activité, que le membre du personnel compte des années de service à la date de sa mise en disponibilité, suivant que la fraction à prendre en considération pour le calcul de la pension de retraite est 1/55 ou 1/60.
Pour la détermination du montant du traitement d'attente ou de la subvention-traitement d'attente des personnels de l'enseignement fondamental rémunérés sur base des échelles de traitement 124, 141, 148, 150, 179 et 198, les fractions suivantes s'appliquent:
les personnels rémunérés sur base des échelles de traitement 124, 141, 148 et 150:
a) le 1er septembre 1999 : 1/50;
b) à partir du 1er octobre 1999: 1/50.5;
c) à partir du 1er octobre 2000: 1/51;
d) à partir du 1er octobre 2001: 1/52;
e) à partir du 1er octobre 2002: 1/53;
f) à partir du 1er octobre 2003: 1/54;
g) à partir du 1er octobre 2004: 1/55;
(les personnels rémunérés sur base des échelles de traitement 179 et 198 :
a) à partir du 1er septembre 1999 : 1/50;
b) à partir du 1er octobre 1999 : 1/50.5;
c) à partir du 1er octobre 2000 : 1/51;
d) à partir du 1er octobre 2001 : 1/52;
e) à partir du 1er octobre 2002 : 1/53;
f) à partir du 1er octobre 2003 : 1/54;
g) à partir du 1er octobre 2004 : 1/55.)
Les fractions reprises au troisième alinéa, sont également valables à partir des dates mentionnées en regard, pour les années de service qu'un membre du personnel a prestées au cours de sa carrière, et qui, sur base de la réglementation en vigueur le 31 août 1999, entraient en ligne de compte pour le calcul de la pension suivant une fraction autre que celle mentionnée au second alinéa.
Pour l'application des second, troisième et quatrième alinéas, le dernier traitement d'activité ou la dernière subvention-traitement d'activité sera le cas échéant limité au traitement ou à la subvention-traitement dont le membre du personnel bénéficiait à la veille de la mise en disponibilité pour la fonction principale à prestations complètes qu'il exerçait.
Si, à la veille de la mise en disponibilité, le membre du personnel est nommé à titre définitif pour une charge dépassant une fonction à prestations complètes, on se basera, pour l'application des deuxième, troisième, quatrième et cinquième alinéas, lors de la fixation du dernier traitement d'activité ou de la dernière subvention-traitement d'activité pour une fonction à prestations complètes, en premier lieu sur le traitement ou la subvention-traitement lié à la charge, rémunéré sur base de l'échelle de traitement la plus élevée.
§ 2. Pour l'application du § 1er, est considéré comme dernier traitement d'activité ou dernière subvention-traitement d'activité du membre du personnel qui passe :
d'un congé ou d'une absence pour prestations réduites,
d'une interruption de carrière complète ou partielle,
d'un congé pour exercer temporairement une autre mission,
d'une mise en disponibilité par défaut d'emploi,
d'une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite,
d'une mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité,
à une mise en disponibilité complète pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite, le traitement ou la subvention-traitement dont le membre du personnel aurait bénéficié s'il avait continué à exercer les prestations qu'il rendait avant la période susmentionnée:
de congé ou d'absence pour prestations réduites,
d'interruption de carrière complète ou partielle,
de congé pour exercer temporairement une autre mission,
de mise en disponibilité par défaut d'emploi,
de mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite,
de mise en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité, jusqu'à la veille de sa mise en disponibilité complète.
§ 3. Pour l'application du § 1er, il faut entendre par prestations, toute prestation pour laquelle le membre du personnel est nommé à titre définitif.
§ 4. Pour l'application du présent article, sont pris en compte pour leur durée effective les services qui entrent en ligne de compte pour le calcul de la pension de retraite, à l'exclusion des bonifications pour études et des autres périodes rémunérées du chef de services entrant en ligne de compte pour la fixation du traitement ou de la subvention-traitement.
§ 5. Le montant du traitement d'attente précité ou de la subvention-traitement d'attente précitée fluctuera, le cas échéant, en fonction de l'indice des prix à la consommation conformément aux règles prescrites par la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. Il est lié à l'indice pivot 138,01.
Le montant du traitement précité ou de la subvention d'attente précitée sera, le cas échéant, adapté en fonction des accords intersectoriels de programmation sociale et des accords de programmation sociale sectorielle. Le montant du traitement d'attente ou de la subvention-traitement d'attente des personnels de l'enseignement fondamental calculé sur base des échelles de traitement 124, 141, 148, 150, 179 et 198, ne sera cependant pas adapté aux augmentations de traitement résultant de l'accord de programmation sociale sectorielle pour les années 1997 et 1998 pour le secteur "Enseignement" de la Communauté flamande, conclu le 1er avril 1999.
Le montant du traitement d'attente ou de la subvention-traitement d'attente précité ne sera cependant pas rajusté en fonction des échelons barémiques qui sont le résultat d'augmentations périodiques au sein de l'échelle de traitement, si le membre du personnel n'a pas atteint le plafond de l'échelle de traitement au moment de la mise en disponibilité.
(§ 6. En attendant que le calcul du traitement d'attente soit fixé pour les personnels nés après le 31 août 1952, les §§ 1er à 5 inclus restent d'application.)
Art.6/1. [1 § 1. De personeelsleden die geboren zijn vanaf 1 april 1956 en die uitsluitend vastbenoemd zijn in het ambt van kleuteronderwijzer of in het ambt van kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming, ontvangen voor de hele periode van terbeschikkingstelling, een wachtgeld of wachtgeldtoelage, vastgesteld met toepassing van artikel 6, § 1, maar vermenigvuldigd met een percentage dat als volgt is bepaald :
82,5 %, wanneer de terbeschikkingstelling wordt opgenomen voor een periode die minstens drie jaar korter is dan de volledige periode waarop het personeelslid recht heeft;
80 %, wanneer de terbeschikkingstelling wordt opgenomen voor een periode die minstens twee jaar korter is dan de volledige periode waarop het personeelslid recht heeft;
77,5 %, wanneer de terbeschikkingstelling wordt opgenomen voor een periode die minstens een jaar korter is dan de volledige periode waarop het personeelslid recht heeft;
75 %, wanneer de terbeschikkingstelling wordt opgenomen voor een periode die minder dan een jaar korter is dan de volledige periode waarop het personeelslid recht heeft.
Met volledige periode waarop het personeelslid recht heeft, wordt de periode van vier, drie of twee jaar vermeld in artikel 2, § 3, bedoeld.
§ 2. De personeelsleden die geboren zijn vanaf 1 september 1954 en die niet uitsluitend vastbenoemd zijn in het ambt van kleuteronderwijzer of in het ambt van kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming, ontvangen voor de hele periode van terbeschikkingstelling, een wachtgeld of wachtgeldtoelage, vastgesteld met toepassing van artikel 6, § 1, maar vermenigvuldigd met een percentage dat als volgt is bepaald :
77,5 %, wanneer de terbeschikkingstelling wordt opgenomen voor een periode die minstens een jaar korter is dan de volledige periode waarop het personeelslid recht heeft;
75 %, wanneer de terbeschikkingstelling wordt opgenomen voor een periode die minder dan een jaar korter is dan de volledige periode waarop het personeelslid recht heeft.
Met volledige periode waarop het personeelslid recht heeft, wordt de periode van twee of een jaar vermeld in artikel 2, § 4, eerste lid, bedoeld.]1

Art. 6/1. [1 § 1er. Les membres du personnel nés à partir du 1er avril 1956 et qui sont uniquement nommés à titre définitif dans la fonction d'instituteur préscolaire ou dans la fonction d'instituteur préscolaire de formation générale et sociale reçoivent pour la période complète de la mise en disponibilité, un traitement d'attente ou une subvention-traitement d'attente, fixé en application de l'article 6, § 1er, mais multiplié par un pourcentage déterminé comme suit :
82,5 %, lorsque la mise en disponibilité est prise pour une période qui est est inférieure d'au moins trois ans à la période complète à laquelle le membre du personnel a droit;
80 %, lorsque la mise en disponibilité est prise pour une période qui est inférieure d'au moins deux ans à la période complète à laquelle le membre du personnel a droit;
77,5 %, lorsque la mise en disponibilité est prise pour une période qui est inférieure d'au moins un an à la période complète à laquelle le membre du personnel a droit;
75 %, lorsque la mise en disponibilité est prise pour une période qui est inférieure de moins d'un an à la période complète à laquelle le membre du personnel a droit.
Par période complète à laquelle le membre du personnel a droit, il faut entendre la période de quatre, trois ou deux ans, visée à l'article 2, § 3.
§ 2. Les membres du personnel nés à partir du 1er septembre 1954 et qui ne sont pas uniquement nommés à titre définitif dans la fonction d'instituteur préscolaire ou dans la fonction d'instituteur préscolaire de formation générale et sociale reçoivent pour la période complète de la mise en disponibilité, un traitement d'attente ou une subvention-traitement d'attente, fixé en application de l'article 6, § 1er, mais multiplié par un pourcentage déterminé comme suit :
77,5 %, lorsque la mise en disponibilité est prise pour une période qui est inférieure d'au moins un an à la période complète à laquelle le membre du personnel a droit;
75 %, lorsque la mise en disponibilité est prise pour une période qui est inférieure de moins d'un an à la période complète à laquelle le membre du personnel a droit.
Par période complète à laquelle le membre du personnel a droit, il faut entendre la période de deux ans ou d'un an, visée à l'article 2, § 4, premier alinéa.]1

Art. 6bis. § 1. Dit artikel is van toepassing op de in artikel 1 bedoelde personeelsleden die recht hebben op een overlevingspensioen.
§ 2. In afwijking van de bepalingen van artikel 6 kan een personeelslid als bedoeld in § 1 dat een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt of heeft gekregen, op zijn verzoek, geheel of gedeeltelijk afstand doen van het recht op het wachtgeld dat of de wachtgeldtoelage die hem op grond van artikel 6 kan worden toegekend.
§ 3. Een personeelslid dat geheel of gedeeltelijk afstand doet van het wachtgeld of de wachtgeldtoelage, bedoeld in § 2 verklaart dat in een aangetekende brief aan het departement Onderwijs. Bij gedeeltelijke afstand van wachtgeld of wachtgeldtoelage verklaart hij in die brief welk bedrag à 100 % hij wil ontvangen.
De eerste verklaring heeft uitwerking op de aanvangsdatum van de terbeschikkingstelling, op de eerste dag van de maand die volgt op de ontvangst ervan of op een latere datum die door het personeelslid wordt bepaald. Een eerste verklaring kan reeds worden gevoegd bij de aanvraag om de terbeschikkingstelling te krijgen.
§ 4. De verklaring, bedoeld in § 3, blijft onverminderd van toepassing tot op het einde van de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen tenzij het personeelslid door een nieuwe verklaring vóór 1 november om een aanpassing van zijn wachtgeld of wachtgeldtoelage verzoekt. Dat verzoek om aanpassing heeft uitwerking vanaf de eerste januari van het daaropvolgende jaar.
Art. 6bis. § 1er. Le présent article est applicable aux membres du personnel visés à l'article 1er qui peuvent prétendre à une pension de survie.
§ 2. Par dérogation aux dispositions de l'article 6, un membre du personnel tel que visé au § 1er qui obtient ou a obtenu une mise en disponibilité complète pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite, peut, à sa demande, renoncer entièrement ou partiellement à son droit au traitement d'attente ou à la subvention-traitement d'attente qui lui peut être attribué du chef de l'article 6.
§ 3. Un membre du personnel qui renonce entièrement ou partiellement au traitement d'attente ou à la subvention-traitement d'attente, visé au § 2, doit stipuler cette intention dans une déclaration à adresser par pli recommandé au Département de l'Enseignement. Au cas où il renonce partiellement au traitement d'attente ou à la subvention-traitement d'attente, il communique dans cette lettre le montant qu'il veut recevoir à 100 %.
La première déclaration produit ses effets à la date initiale de la mise en disponibilité, au premier jour du mois qui suit sa réception ou à une date ultérieure à définir par le membre du personnel. Une première déclaration peut déjà être jointe à la demande de mise en disponibilité.
§ 4. La déclaration, visée au § 3, continue à être applicable jusqu'à la fin de la mise en disponibilité complète pour convenance personnelle préalable à la pension de retraite, à moins que le membre du personnel ne sollicite par une nouvelle déclaration à introduire avant le 1er novembre un ajustement de son traitement d'attente ou sa subvention-traitement d'attente. Cette demande d'ajustement produit ses effets le 1er janvier de l'année suivante.
Art. 7. Het personeelslid dat op de dag waarop de door hem aangevraagde volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen ingaat, al ter beschikking gesteld is wegens ziekte of gebrekkigheid wordt opgeroepen om te verschijnen voor de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst. Als deze commissie het personeelslid definitief ongeschikt acht om zijn ambt uit te oefenen en het personeelslid de voorwaarden vervult om vroegtijdig op pensioen te worden gesteld, wordt de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen beëindigd door de oppensioenstelling van het personeelslid.
Art. 7. Le membre du personnel qui, le jour où la disponibilité complète pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite qu'il a demandée commence à courir, a déjà été mis en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité, est appelé à comparaître devant la Commission des Pensions du Service de Santé administratif. Si cette commission déclare le membre du personnel définitivement inapte à exercer sa fonction, et que le membre du personnel remplit les conditions pour obtenir une pension de retraite anticipée, la mise en disponibilité complète pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite prend fin par la mise à la retraite du membre du personnel.
Art. 8. § 1. Gedurende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen mag het personeelslid in het onderwijs of de [1 centra voor leerlingenbegeleiding]1 geen bezoldigde prestaties uitoefenen.
§ 2. In afwijking van § 1 mag het personeelslid de onderwijsopdracht die het op de dag voor de ingangsdatum van de terbeschikkingstelling, als bijbetrekking [1 in het volwassenenonderwijs of deeltijds kunstonderwijs]1 uitoefende, verder blijven uitoefenen als bijbetrekking. Het personeelslid mag ook bezoldigde prestaties uitoefenen in het kader van
de voor- en naschoolse opvang in het basisonderwijs,
het middagtoezicht in het basisonderwijs,
de busbegeleiding.
§ 3. [2 Buiten het onderwijs mag het betrokken personeelslid geen andere winstgevende activiteit uitoefenen dan de activiteit die toegestaan is bij cumulatie van een rustpensioen met een beroepsactiviteit, zoals bepaald in de artikelen 76, 80, 85, 86 en 89 van titel 8, hoofdstuk 1 van de programmawet van 28 juni 2013]2.
Art. 8. § 1er. Au cours de la mise en disponibilité complète pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite, le membre du personnel n'est pas autorisé à exercer des prestations rémunérées ni dans l'enseignement, ni dans les [1 centres d'encadrement des élèves]1.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le membre du personnel peut continuer à exercer en fonction accessoire la charge d'enseignement qu'il exerçait en fonction accessoire [1 dans l'éducation des adultes ou dans l'enseignement artistique à temps partiel]1 le jour précédant la date initiale de sa mise en disponibilité. Le membre du personnel peut également exercer des prestations rémunérées dans le cadre de :
la surveillance avant et après les heures de classe dans l'enseignement fondamental,
la surveillance du midi dans l'enseignement fondamental,
l'accompagnement du transport scolaire.
§ 3. [2 En dehors de l'enseignement, le membre du personnel concerné ne peut exercer aucune activité rémunérée autre que celle autorisée du chef de la réglementation relative au cumul d'une pension de retraite avec une activité professionnelle, tel que fixé aux articles 76, 80, 85, 86 et 89 du titre 8, chapitre 1er de la loi-programme du 28 juin 2013]2t.
Art. 9. (De volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen vangt aan op 1 september, 1 januari of 1 april.)
De aanvraag om deze terbeschikkingstelling te krijgen, moet via de hiërarchische meerdere worden ingediend, uiterlijk drie maanden vóór de aanvangsdatum. Deze termijn kan ingekort worden in overleg tussen het personeelslid en :
[1 1° de inrichtende macht voor de personeelsleden vermeld in artikel 1, 1° en 2°;
de inspecteur-generaal voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur;
de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn gemachtigde, voor de inspecteur-generaal en voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 4°.]1

Art. 9. (La mise en disponibilité complète pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite prend effet le 1er septembre, le 1er janvier ou le 1er avril.)
Cette mise en disponibilité doit être sollicitée auprès du supérieur hiérarchique au plus tard trois mois avant la date initiale. Ce délai peut être raccourci de commun accord entre le membre du personnel et :
[1 1° le pouvoir organisateur pour les membres du personnel, visés à l'article 1er, 1° et 2°;
l'inspecteur général pour l'inspecteur et l'inspecteur coordinateur;
le Ministre flamand chargé de l'enseignement, ou son délégué, pour l'inspecteur général et pour les membres du personnel, visés à l'article 1er, 4°.]1

HOOFDSTUK 2. - Overgangsmaatregelen.
CHAPITRE 2. - Mesures transitoires.
Art. 9bis. <INGEVOEGD bij BVR 2002-02-22/36, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2002> (Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden die geboren zijn na 31 augustus 1947 en voor 1 september 1954.)
Deze personeelsleden kunnen een overgangsmaatregel genieten, onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde rechtsgevolgen als de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, behoudens de in dit hoofdstuk vermelde afwijkingen.
Art. 9bis. (Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel nés après le 31 août 1947 et avant le 1er septembre 1954.)
Ces personnels peuvent bénéficier d'une mesure transitoire, aux mêmes conditions et avec les mêmes effets juridiques que la mise en disponibilité complète pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite, sans préjudice des dérogations citées dans le présent chapitre.
Art. 9ter. <INGEVOEGD bij BVR 2002-02-22/36, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2002> De overgangsmaatregel bestaat uit een periode die 6,5 % omvat van het aantal maanden van de weddenanciënniteit dat het personeelslid bezit op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt. Indien het personeelslid op die datum verschillende weddenanciënniteiten bezit, wordt voor deze berekening de hoogste in aanmerking genomen. Het resultaat van de berekening wordt uitgedrukt in volledige maanden en steeds afgerond naar de hogere eenheid.
Art. 9ter. La mesure transitoire consiste en une période couvrant 6,5 % du nombre de mois d'ancienneté de traitement que le membre du personnel compte au premier jour du mois qui suit le mois dans lequel il a atteint l'âge de 55 ans. Si, à cette date, le membre du personnel possède plusieurs anciennetés de traitement, c'est l'ancienneté la plus élevée qui sera prise en considération. Le résultat de ce calcul est exprimé en mois entiers et toujours arrondi à l'unité supérieure.
Art. 9quater. De overgangsmaatregel kan ten vroegste ingaan op de ingangsdatum die onmiddellijk voorafgaat aan de datum bekomen door het aantal maanden, berekend in art. 9ter, terug te rekenen vanaf de gekozen ingangsdatum van de volledige terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen of de pensionering.
De overgangsmaatregel kan nooit ingaan voor het personeelslid de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.
Art. 9quater. La mesure transitoire peut au plus tôt prendre cours à la date d'entrée précédant immédiatement la date obtenue en rétrocalculant le nombre de mois calculé à l'article 9ter, à partir de la date d'entrée choisie de la mise en disponibilité complète préalable à la pension de retraite ou la retraite.
La mesure transitoire ne peut jamais prendre cours avant que le membre du personnel n'ait atteint l'âge de 55 ans.
Art. 9quinquies. <INGEVOEGD bij BVR 2002-02-22/36, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2002> De overgangsmaatregel kan als volgt worden opgenomen :
- het personeelslid levert geen prestaties meer;
- het personeelslid blijft wekelijks prestaties verrichten die de helft bedragen van de duur van de volledige prestaties die normaal voor het door hem uitgeoefende ambt bepaald zijn;
- het personeelslid blijft wekelijks prestaties verrichten die drie vierde bedragen van de duur van de volledige prestaties die normaal voor het door hem uitgeoefende ambt bepaald zijn. Deze bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die belast zijn met het mandaat van directeur of de personeelsleden die benoemd zijn in het ambt van directeur, adjunct-directeur, onderdirecteur, coördinator, technisch adviseur, technisch adviseur-coördinator, beheerder, en de benoemde personeelsleden genoemd in artikel 1, 3°, 4°, 5°, 6° en 7°.
De nog te verrichten prestaties moeten steeds naar boven afgerond worden, naargelang van het geval, tot een volledig lesuur of tot een volledig uur.
[1 De periodes waarvoor een personeelslid een volledige loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen neemt, worden ook als prestaties beschouwd. De periodes waarvoor een personeelslid een volledige loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen heeft genomen voor 1 september 2013, worden ook beschouwd in overeenstemming te zijn met deze bepaling.]1
Op de in artikel 9, eerste lid vermelde ingangsdata kan het personeelslid overgaan van een vierde terbeschikkingstelling naar een halftijdse terbeschikkingstelling en/of een volledige terbeschikkingstelling of van een halftijdse terbeschikkingstelling naar een volledige terbeschikkingstelling.
De aanvraag vermeld in artikel 9, tweede lid, moet vergezeld zijn van een overzicht van de wijze waarop het personeelslid gedurende de volledige periode de overgangsmaatregel opneemt. Om uitzonderlijke familiale redenen kan het personeelslid de wijze van opnemen van de overgangsmaatregel wijzigen volgens de modaliteiten vermeld in voorgaand lid, mits aan de voorwaarden vermeld in artikel 5, artikel 9 en artikel 9ter is voldaan.
Art. 9quinquies. Il peut être bénéficié de la mesure transitoire de la façon suivante :
- le membre du personnel n'effectue plus de prestations;
- le membre du personnel continue a effectuer des prestations hebdomadaires, s'élevant à la moitié de la durée des prestations complètes normalement fixées pour la fonction qu'il exerce;
- le membre du personnel continue à effectuer des prestations hebdomadaires, s'élevant à trois quarts de la durée des prestations complètes normalement fixées pour la fonction qu'il exerce. Cette disposition ne s'applique pas aux personnels chargés du mandat de directeur ou aux personnels nommés dans la fonction de directeur, de directeur adjoint, de sous-directeur, de coordinateur, de conseiller technique, de conseiller technique-coordinateur, d'administrateur, ni aux personnels cités à l'article 1er, 3°, 4°, 5°, 6° et 7°.
Les prestations restant à rendre doivent toujours être arrondies, suivant le cas, à la période de cours entière ou l'heure entière supérieure.
[1 Les périodes pour lesquelles un membre du personnel bénéficie d'une interruption de carrière complète pour congé parental, pour assistance médicale ou pour donner des soins palliatifs, sont considérées également comme des prestations. Les périodes pour lesquelles un membre du personnel a bénéficié d'une interruption de carrière complète pour congé parental, pour assistance médicale ou pour donner des soins palliatifs avant le 1er septembre 2013, sont considérées également être conformes à cette disposition.]1
Aux dates d'entrée mentionnées à l'article 9, premier alinéa, le membre du personnel peut passer d'une mise en disponibilité d'un quart à une mise en disponibilité à mi-temps et/ou une mise en disponibilité complète, ou d'une mise en disponibilité à mi-temps à une mise en disponibilité complète.
La demande visée à l'article 9, deuxième alinéa, doit être assortie d'un aperçu de la manière dont le membre du personnel désire bénéficier de la mesure transitoire durant la période entière. Pour des raisons familiales exceptionnelles, le membre du personnel peut modifier la manière dont il veut jouir de la mesure transitoire suivant les modalités citées à l'alinéa précédent, s'il est satisfait aux conditions visées aux articles 5, 9 et 9ter.
Art. 9sexies. Voor de personeelsleden bedoeld in artikel 9bis is het bedrag van het wachtgeld of de wachtgeldtoelage gedurende de hele periode van de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen gelijk aan het wachtgeld of de wachtgeldtoelage berekend zoals bepaald in artikel 6, maar verminderd met :
- 8 % van de laatste activiteitswedde of activiteitsweddentoelage als de terbeschikkingstelling ingaat op het ogenblik dat het personeelslid 55 jaar oud is;
- 7 % van de laatste activiteitswedde of activiteitsweddentoelage als de terbeschikkingstelling ingaat op het ogenblik dat het personeelslid 56 jaar oud is;
- 5 % van de laatste activiteitswedde of activiteitsweddentoelage als de terbeschikkingstelling ingaat op het ogenblik dat het personeelslid 57 jaar oud is;
- 3 % van de laatste activiteitswedde of activiteitsweddentoelage als de terbeschikkingstelling ingaat op het ogenblik dat het personeelslid 58 jaar oud is.
Voor de berekening van de vermindering wordt onder de laatste activiteitswedde of activiteitsweddentoelage verstaan de activiteitswedde of activiteitsweddentoelage die het personeelslid zou genieten als de diensten erkend als nuttige ervaring, niet in aanmerking worden genomen.
Als het personeelslid de overgangsmaatregel deeltijds opneemt, wordt het wachtgeld en de wachtgeldtoelage verminderd à rato van de prestaties die het personeelslid niet meer verricht.
Art. 9sexies. Pour les personnels visés à l'article 9bis, le montant du traitement d'attente ou de la subvention-traitement est égal, pendant toute la période de la mise en disponibilité pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite, au traitement d'attente ou à la subvention-traitement calculé(e) tel que défini à l'article 6, mais réduit(e) de :
- 8 % du dernier traitement d'activité ou de la dernière subvention-traitement d'activité si la mise en disponibilité prend cours au moment où le membre du personnel à l'âge de 55 ans;
- 7 % du dernier traitement d'activité ou de la dernière subvention-traitement d'activité si la mise en disponibilité prend cours au moment où le membre du personnel à l'âge de 56 ans;
- 5 % du dernier traitement d'activité ou de la dernière subvention-traitement d'activité si la mise en disponibilité prend cours au moment où le membre du personnel à l'âge de 57 ans;
- 3 % du dernier traitement d'activité ou de la dernière subvention-traitement d'activité si la mise en disponibilité prend cours au moment où le membre du personnel à l'âge de 58 ans.
Pour le calcul de la réduction il faut entendre par le dernier traitement d'activité ou la dernière subvention-traitement d'activité, le traitement d'activité ou la subvention-traitement d'activité dont le membre du personnel bénéficierait si les services reconnus comme expérience utile n'étaient pas pris en considération.
Lorsque le membre du personnel bénéficie de la mesure transitoire à temps partiel, le traitement d'attente et la subvention-traitement sont diminués au prorata des prestations que le membre du personnel n'effectue plus.
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen.
CHAPITRE 3. - Dispositions finales.
Art. 10. In het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra worden de volgende artikelen opgeheven :
artikel 7 en 8, gewijzigd bij de herstelwet van 31 juli 1984;
artikel 9, gewijzigd bij de herstelwet van 31 juli 1984, bij de wet van 21 juni 1985 en bij de decreten van 5 juli 1989 en 31 juli 1990;
artikel 10, gewijzigd bij de herstelwet van 31 juli 1984, bij het koninklijk besluit nr. 436 van 5 augustus 1986, bij het koninklijk besluit nr. 537 van 31 maart 1987 en bij het decreet van 5 juli 1989.
De artikelen, vermeld in het eerste lid, worden enkel opgeheven voor de personeelsleden op wie het huidige besluit van toepassing is.
Art. 10. Dans l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux missions, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et dans les centres psycho-médico-sociaux, les articles suivants sont supprimés :
les articles 7 et 8, modifiés par la loi de redressement du 31 juillet 1984;
l'article 9, modifié par la loi de redressement du 31 juillet 1984, par la loi du 21 juin 1985, et par les décrets des 5 juillet 1989 et 31 juillet 1990;
l'article 10, modifié par la loi de redressement du 31 juillet 1984, par l'arrêté royal n° 436 du 5 août 1986, par l'arrêté royal n° 537 du 31 mars 1987 et par le décret du 5 juillet 1989.
Les articles mentionnés au premier alinéa, ne sont supprimés que pour les personnels auxquels s'applique le présent arrêté.
Art. 11. De volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen die vóór 1 september 1999 werd toegekend aan personeelsleden, bedoeld in artikel 1, 6°, wordt beschouwd te zijn verleend overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
Art. 11. La mise en disponibilité complète pour convenances personnelles préalable à la pension de retraite accordée avant le 1er septembre 1999 aux personnels visés à l'article 1er, 6°, est censée avoir été accordée conformément aux dispositions du présent arrêté.
Art. 12. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999, met uitzondering van :
artikel 2, 3°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1997, wat de personeelsleden betreft van het basisonderwijs, met inbegrip van de leden van het administratief personeel van dit onderwijsniveau;
artikel 6, § 2, 3°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1995;
artikel 6, § 2, 4°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 1991;
artikel 6, § 2, 5°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1994.
Art. 12. Le présent arrêté produit ses effets le 1er septembre 1999, à l'exception de :
l'article 2, 3° qui produit ses effets le 1er janvier 1997, pour ce qui est des personnels de l'enseignement fondamental, y compris les personnels administratifs de ce niveau d'enseignement;
l'article 6, § 2, 3°, qui produit ses effets le 1er septembre 1995;
l'article 6, § 2, 4°, qui produit ses effets le 1er juillet 1991;
l'article 6, § 2, 5°, qui produit ses effets le 1er janvier 1994.
Art. 13. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 13. Le Ministre flamand compétent pour l'Enseignement, est chargé de l'exécution du présent arrêté.