Artikel 1. Worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 23 mei 1816 " qui fixe le rang du corps de la maréchaussée en rapport avec les autres corps de l'armée ";
2° het besluit van het Voorlopig Bewind van 19 november 1830 " sur la dissolution du corps de la maréchaussée et son remplacement par la gendarmerie nationale belge ";
3° het koninklijk besluit van 26 juni 1913;
4° het koninklijk besluit van 20 januari 1951 betreffende de leden van de rijkswacht die een betrekking van hoefsmid uitoefenen;
5° het koninklijk besluit van 14 maart 1963 houdende inrichting van de algemene dienst van de rijkswacht;
6° het koninklijk besluit van 14 maart 1963 betreffende de inrichting van de inwendige dienst bij de rijkswacht;
7° het koninklijk besluit van 27 september 1963 tot vaststelling van de bevoegdheden van de commandant van de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 februari 1979 en 19 december 1989;
8° het koninklijk besluit van 7 januari 1967 tot inrichting van de school voor rijkswachtofficieren en tot vaststelling van de bezoldiging van de burgerlijke leraars, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 april 1968, 1 oktober 1973 en 14 december 1994;
9° het koninklijk besluit van 2 april 1976 tot inwerkingstelling van bepaalde bepalingen van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het rijkswachtpersoneel van het actief kader;
10° het koninklijk besluit van 2 april 1976 betreffende de bevordering van keur- en hoofdonderofficieren van de rijkswacht tot de graad van onderluitenant van de rijkswacht en van lagere onderofficieren van de rijkswacht tot de graad van opperwachtmeester van de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 januari 1981, 12 juli 1988, 30 december 1993, 19 mei 1995 en 25 februari 1996;
11° het koninklijk besluit van 29 november 1977 betreffende de graden en de bevordering van de officieren van het operationeel korps van de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 februari 1979, 18 mei 1981, 4 november 1987, 21 september 1988, 24 juli 1992, 19 mei 1995, 1 september 1995, 25 februari 1996, 2 maart 1998 en 8 oktober 1998, met uitzondering van artikel 6 van het besluit, dat van kracht blijft voor de toepassing van artikel 242, tweede lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, hierna aangehaald als " de wet ";
12° het koninklijk besluit van 10 augustus 1978 tot inwerkingstelling van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht, wat betreft de graden en de bevordering van de onderofficieren;
13° het koninklijk besluit van 10 augustus 1978 betreffende de graden en de bevordering van de onderofficieren van het operationeel korps van de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 8 oktober 1998 en 23 december 1998, met uitzondering van artikel 6 van het besluit, dat van kracht blijft voor de toepassing van artikel 242, tweede lid, van de wet;
14° het koninklijk besluit van 20 maart 1979 tot inwerkingstelling van sommige bepalingen van de wet van 27 december 1973 en van de wet van 8 juni 1978 die betrekking hebben op het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht;
15° het koninklijk besluit van 22 maart 1979 betreffende de medische geschiktheidscriteria en de medische onderzoeken voor toelating tot het operationeel korps van de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 1981, 6 januari 1985, 5 april 1986, 18 maart 1987, 2 mei 1990, 4 mei 1993 en 23 april 1999;
16° het koninklijk besluit van 9 april 1979 betreffende de werving en vorming van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 oktober 1979, 21 januari 1981, 22 september 1983, 27 november 1985, 23 september 1986, 5 november 1986, 18 december 1986, 22 juni 1987, 21 september 1988, 1 augustus 1989, 19 september 1990, 4 mei 1993, 12 oktober 1993, 2 december 1994, 14 december 1994, 19 mei 1995, 25 februari 1996, 28 februari 1997 en 2 maart 1998;
17° het koninklijk besluit van 25 april 1979 betreffende het ambt en de ambtsontheffing van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 juni 1994, 14 september 1995, 20 december 1995, 6 juli 1997, 8 oktober 1998 en 23 december 1998;
18° het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de commissie van beroep inzake morele hoedanigheden van de kandidaten voor toelating tot de rijkswacht en van de leerlingen van de scholen van de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 mei 1980 en 12 oktober 1993;
19° het koninklijk besluit van 18 december 1989 tot inwerkingstelling van artikel 53 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht;
20° het koninklijk besluit van 15 oktober 1991 tot vaststelling van maatregelen van toezicht op de prestaties in de schoot van de rijkswacht bedoeld bij artikel 16bis, § 5, van de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962, en tot invoeging van een artikel 18bis in het koninklijk besluit van 30 juli 1987 tot uitvoering van de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962;
21° het koninklijk besluit van 15 oktober 1991 tot bepaling van de aangelegenheden inzake de organisatie en het bestuur van de rijkswacht waarover de Minister van Binnenlandse Zaken de Minister van Justitie om advies verzoekt of inlicht en tot bepaling van de aanwijzingen van de rijkswachtoverheden die de gerechtelijke overheden ter kennis moeten worden gebracht;
22° het koninklijk besluit van 10 november 1993 betreffende de aanwijzing van de grondregelingen in de zin van de wet van 11 juli 1978 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het rijkswachtpersoneel van het operationeel korps, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 oktober 1998 en 8 oktober 1998;
23° het koninklijk besluit van 30 december 1993 betreffende de bevordering tot de graad van majoor bij de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 oktober 1995, 25 maart 1998 en 8 oktober 1998;
24° het koninklijk besluit van 24 mei 1994 betreffende de indienstneming van contractuele personeelsleden bij de rijkswacht, met uitzondering voor de toepassing van de aanwervingsmachtiging bedoeld in artikel 26 van het koninklijk besluit van 26 maart 2001 tot uitvoering van de artikelen 13, 27, tweede en vijfde lid en 53 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en houdende diverse andere overgangsbepalingen;
25° het koninklijk besluit van 28 april 1995 tot verdeling van de getalsterkte van het operationeel korps van de rijkswacht over de verschillende graden of gradengroepen van het personeel van dit korps;
26° het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 8 oktober 1998 en 23 december 1998;
27° het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 houdende vaststelling van de voorwaarden voor heropneming als lid van het beroepspersoneel van het operationeel korps van de rijkswacht;
28° het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende de vrijwillige vierdagenweek voor sommige leden van het burgerlijk personeel van de rijkswacht;
29° het koninklijk besluit van 23 december 1998 tot uitvoering van artikel 125 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, op de leden van het operationeel kader, en de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht alsmede de officieren en agenten van de gerechtelijke politie bij de parketten;
30° het koninklijk besluit van 26 januari 1999 tot vaststelling van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht en houdende de regeling van de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 januari 2000, met uitzondering van de artikelen 2, 11, § 1, 23, 24 en 25 van het besluit, die van kracht blijven voor de toepassing van artikel 242, tweede lid, van de wet;
31° het koninklijk besluit van 26 januari 1999 tot vaststelling van de datum van de inwerkingtreding van sommige artikelen van de wet van 17 november 1998 houdende de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht en tot organisatie van de modaliteiten van overdracht voor sommige personeelsleden van de luchtvaartpolitie naar de rijkswacht;
32° het koninklijk besluit van 29 januari 1999 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige artikelen van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht en tot organisatie van de modaliteiten van overdracht voor sommige personeelsleden van het ministerie van verkeer en infrastructuur naar de rijkswacht;
33° het koninklijk besluit van 1 februari 1999 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige artikelen van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht en tot organisatie van de nadere regels van overdracht voor sommige personeelsleden van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen naar de rijkswacht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 oktober 2000;
34° het koninklijk besluit van 29 april 1999 tot vaststelling van de gelijkwaardigheid van de graden van bepaalde personeelsleden van de categorie bijzonder politiepersoneel, dienst luchtvaartpolitie van de rijkswacht, met die van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht;
35° het koninklijk besluit van 29 april 1999 houdende oprichting van de gradenstructuur van de categorie bijzonder politiepersoneel, dienst luchtvaartpolitie, en houdende de loopbaan van dat personeel;
36° het koninklijk besluit van 29 april 1999 tot vaststelling van de gelijkwaardigheid van de graden van bepaalde personeelsleden van de categorie bijzonder politiepersoneel, dienst zeevaartpolitie van de rijkswacht, met die van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht;
37° het koninklijk besluit van 29 april 1999 tot instelling van de graden van de categorie bijzonder politiepersoneel, dienst zeevaartpolitie, en houdende de loopbaan van dat personeel;
38° het koninklijk besluit van 4 mei 1999 tot aanwijzing van de overheden van de rijkswacht voor de toepassing met betrekking tot de militairen werkzaam bij de rijkswacht van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking;
Dit besluit blijft evenwel van kracht voor de militairen bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, waarbij voor de toepassing van dit besluit moet worden begrepen onder :
a) rijkswacht : federale politie;
b) de directie van het burger- en militaire personeel van de rijkswacht : de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie;
c) de directeur van het personeel en van de logistiek : het diensthoofd personeel, logistiek en budget van de coördinatie- en steundienst arrondissement;
39° het koninklijk besluit van 19 oktober 1999 houdende de regeling van de overplaatsing van bepaalde militairen naar het administratief en logistiek korps van de rijkswacht;
40° het koninklijk besluit van 25 januari 2000 betreffende de benoeming en de bevordering van personeelsleden van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie die naar de rijkswacht overgeplaatst zijn en houdende diverse andere statuutbepalingen omtrent die personeelsleden, met uitzondering van de artikelen 62, 63 en 64 van dit besluit, die van kracht blijven voor de toepassing van artikel 242, tweede lid, van de wet;
41° het koninklijk besluit van 9 juni 2000 houdende diverse statutaire bepalingen met betrekking tot de personeelsleden van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie die naar de rijkswacht werden overgeplaatst;
42° het ministerieel besluit van 13 december 1963 tot vaststelling van de bevoegdheden van de commandant van de rijkswacht, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 17 januari 1964, 26 april 1967, 26 januari 1978 en 9 april 1979;
43° het ministerieel besluit van 2 april 1976 betreffende de bevordering van keur- en hoofdonderofficieren van de rijkswacht tot de graad van onderluitenant van de rijkswacht en van lagere onderofficieren van de rijkswacht tot de graad van opperwachtmeester van de rijkswacht, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 26 februari 1980, 21 januari 1981, 12 juli 1988, 31 december 1993 en 22 mei 1995;
44° het ministerieel besluit van 29 november 1977 betreffende de procedure inzake bevordering van de officieren van het operationeel korps van de rijkswacht, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 24 juli 1992, 10 maart 1997 en 8 oktober 1998;
45° het ministerieel besluit van 10 augustus 1978 betreffende de bevorderingsprocedure van de onderofficieren van het operationeel korps van de rijkswacht, met uitzondering van de bevordering tot de graden van hoofdonderofficier, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 8 oktober 1998 en 6 januari 1999;
46° het ministerieel besluit van 9 april 1979 betreffende de organisatie van de werving en vorming van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 15 oktober 1979, 22 september 1983, 27 november 1985, 18 december 1986, 22 juni 1987, 21 september 1988, 5 mei 1993, 15 oktober 1993, 15 december 1993, 22 mei 1995, 10 maart 1997, 2 maart 1998 en 27 juli 1999;
47° het ministerieel besluit van 25 april 1979 betreffende het ambt van de onderofficieren van het operationeel korps van de rijkswacht, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 21 oktober 1993;
48° het ministerieel besluit van 6 maart 1995 betreffende de dienst gerechtelijke politie bij het militaire gerecht;
49° het ministerieel besluit van 27 maart 1995 betreffende de rijkswachtdetachementen belast met de uitoefening van de politie van de militairen bij de Belgische strijdkrachten gestationeerd in de Bondsrepubliek Duitsland;
50° het ministerieel besluit van 5 april 1995 houdende organisatie van een dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen bij de rijkswacht;
51° het ministerieel besluit van 2 april 1996 betreffende het varend personeel van de rijkswacht;
52° het ministerieel besluit van 16 maart 1998 betreffende het overdragen van bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken aan bepaalde overheden van de rijkswacht en van de algemene politiesteundienst inzake de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en inzake het doen van diverse uitgaven, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 26 november 1998, 9 juni 1999, 22 juni 1999 en 9 januari 2001;
53° het ministerieel besluit van 28 april 1999 houdende inventarisering van de erkende beroepsopleidingen verstrekt aan de personeelsleden van het operationeel korps van de rijkswacht;
54° het ministerieel besluit van 4 oktober 1999 houdende vaststelling van de medische criteria bepalend voor de overgang van de personeelsleden van de zeevaart-, luchtvaart- en spoorwegpolitie naar het operationeel korps van de rijkswacht met algemene politiebevoegdheid.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 AUGUSTUS 2001. - Koninklijk besluit tot opheffing van diverse besluiten met betrekking tot de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 11-09-2001 en tekstbijwerking tot 28-12-2001).
Titre
24 AOUT 2001. - Arrêté royal portant abrogation de divers arrêtés relatifs à la gendarmerie, la police communale et la police judiciaire. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 11-09-2001 et mise à jour au 28-12-2001).
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (9)
Texte (9)
HOOFDSTUK I. - Opheffingsbepalingen met betrekking tot de rijkswacht.
CHAPITRE I. - Dispositions abrogatoires relatives à la gendarmerie.
Article 1. Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 23 mai 1816 qui fixe le rang du corps de la maréchaussée en rapport avec les autres corps de l'armée;
2° l'arrêté du Gouvernement provisoire du 19 novembre 1830 sur la dissolution du corps de la maréchaussée et son remplacement par la gendarmerie nationale belge;
3° l'arrêté royal du 26 juin 1913;
4° l'arrêté royal du 20 janvier 1951 relatif aux membres de la gendarmerie remplissant un emploi de maréchal-ferrant;
5° l'arrêté royal du 14 mars 1963 portant organisation du service général de la gendarmerie;
6° l'arrêté royal du 14 mars 1963 concernant l'organisation du service intérieur de gendarmerie;
7° l'arrêté royal du 27 septembre 1963 fixant les attributions du commandant de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 27 février 1979 et 19 décembre 1989;
8° l'arrêté royal du 7 janvier 1967 portant organisation de l'école d'officiers de gendarmerie et fixant la rémunération des professeurs civils, modifié par les arrêtés royaux des 9 avril 1968, 1er octobre 1973 et 14 décembre 1994;
9° l'arrêté royal du 2 avril 1976 mettant en vigueur certaines dispositions de la loi du 27 décembre 1973 relative au statut du personnel du cadre actif de la gendarmerie;
10° l'arrêté royal du 2 avril 1976 relatif à l'accession des sous-officiers d'élite et supérieurs de gendarmerie au grade de sous-lieutenant de gendarmerie et des sous-officiers subalternes de gendarmerie au grade de maréchal des logis chef de gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 21 janvier 1981, 12 juillet 1988, 30 décembre 1993, 19 mai 1995 et 25 février 1996;
11° l'arrêté royal du 29 novembre 1977 relatif aux grades et à l'avancement des officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 27 février 1979, 18 mai 1981, 4 novembre 1987, 21 septembre 1988, 24 juillet 1992, 19 mai 1995, 1er septembre 1995, 25 février 1996, 2 mars 1998 et 8 octobre 1998 à l'exception de l'article 6 de cet arrêté, qui reste en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, ci-après mentionnée comme " la loi ";
12° l'arrêté royal du 10 août 1978 mettant en vigueur la loi du 27 décembre 1973 relative au statut du personnel du cadre actif du corps opérationnel de la gendarmerie en ce qui concerne les grades et l'avancement des sous-officiers;
13° l'arrêté royal du 10 août 1978 relatif aux grades et l'avancement des sous-officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 8 octobre 1998 et 23 décembre 1998, à l'exception de l'article 6 de cet arrêté, qui reste en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi;
14° l'arrêté royal du 20 mars 1979 mettant en vigueur certaines dispositions de la loi du 27 décembre 1973 et de la loi du 8 juin 1978 qui sont relatives au statut du personnel du cadre actif du corps opérationnel de la gendarmerie;
15° l'arrêté royal du 22 mars 1979 relatif aux critères médicaux d'aptitude et aux examens médicaux d'admission au corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 20 juillet 1981, 6 janvier 1985, 5 avril 1986, 18 mars 1987, 2 mai 1990, 4 mai 1993 et 23 avril 1999;
16° l'arrêté royal du 9 avril 1979 relatif au recrutement et à la formation du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 15 octobre 1979, 21 janvier 1981, 22 septembre 1983, 27 novembre 1985, 23 septembre 1986, 5 novembre 1986, 18 décembre 1986, 22 juin 1987, 21 septembre 1988, 1er août 1989, 19 septembre 1990, 4 mai 1993, 12 octobre 1993, 2 décembre 1994, 14 décembre 1994, 19 mai 1995, 25 février 1996, 28 février 1997 et 2 mars 1998;
17° l'arrêté royal du 25 avril 1979 relatif à l'emploi et au retrait d'emploi du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 17 juin 1994, 14 septembre 1995, 20 décembre 1995, 6 juillet 1997, 8 octobre 1998 et 23 décembre 1998;
18° l'arrêté royal du 15 octobre 1979 relatif à la commission d'appel en matière de qualités morales des candidats à l'admission à la gendarmerie et des élèves des écoles de gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 12 mai 1980 et 12 octobre 1993;
19° l'arrêté royal du 18 décembre 1989 mettant en vigueur l'article 53 de la loi du 27 décembre 1973 relative au statut du personnel du cadre actif du corps opérationnel de la gendarmerie;
20° l'arrêté royal du 15 octobre 1991 déterminant les modalités de contrôle des prestations au sein de la gendarmerie visées à l'article 16bis, § 5, des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962, et insérant un article 18bis dans l'arrêté royal du 30 juillet 1987 portant exécution des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962;
21° l'arrêté royal du 15 octobre 1991 déterminant les matières relatives à l'organisation et à l'administration de la gendarmerie pour lesquelles le Ministre de l'Intérieur demande un avis ou informe le Ministre de la Justice et déterminant les désignations des autorités de gendarmerie devant être portées à la connaissance des autorités judiciaires;
22° l'arrêté royal du 10 novembre 1993 déterminant les réglementations de base au sens de la loi du 11 juillet 1978 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 1er octobre 1998 et 8 octobre 1998;
23° l'arrêté royal du 30 décembre 1993 relatif à l'avancement au grade de major de gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 18 octobre 1995, 25 mars 1998 et 8 octobre 1998;
24° l'arrêté royal du 24 mai 1994 relatif à l'engagement de membres du personnel contractuel à la gendarmerie, à l'exception pour l'application des autorisations de recrutement visées à l'article 26 de l'arrêté royal du 26 mars 2001 portant exécution des articles 13, 27, alinéas 2 et 5 et 53 de la loi du 27 décembre 2000 portant diverses dispositions relatives à la position juridique du personnel des services de police et portant d'autres dispositions transitoires diverses;
25° l'arrêté royal du 28 avril 1995 répartissant l'effectif du corps opérationnel de la gendarmerie entre les divers grades ou groupes de grades du personnel de ce corps;
26° l'arrêté royal du 1er avril 1996 relatif à l'avancement au grade d'adjudant de gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 8 octobre 1998 et 23 décembre 1998;
27° l'arrêté royal du 4 août 1996 déterminant les conditions de réintégration comme membre du personnel de carrière du corps opérationnel de la gendarmerie;
28° l'arreté royal du 30 janvier 1997 relatif à la semaine volontaire de quatre jours pour certains membres du personnel civil de la gendarmerie;
29° l'arrêté royal du 23 décembre 1998 portant l'exécution de l'article 125 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, aux membres du corps opérationnel et de la catégorie de personnel de police spéciale de la gendarmerie et aux officiers et agents de la police judiciaire près les parquets;
30° l'arrêté royal du 26 janvier 1999 portant la mise en vigueur de certaines dispositions de la loi du 17 novembre 1998 portant intégration de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer dans la gendarmerie et portant organisation de l'intégration de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer dans la gendarmerie, modifié par l'arrêté royal du 25 janvier 2000, à l'exception des articles 2, 11, § 1er, 23, 24 et 25 de cet arrêté qui restent en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi;
31° l'arrêté royal du 26 janvier 1999 fixant la date de l'entrée en vigueur de certains articles de la loi du 17 novembre 1998 portant intégration de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer dans la gendarmerie et organisant les modalités de transfert de certains membres du personnel de la police aéronautique à la gendarmerie;
32° l'arrêté royal du 29 janvier 1999 fixant la date de l'entrée en vigueur de certains articles de la loi du 17 novembre 1998 portant intégration de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer dans la gendarmerie et organisant les modalités de transfert de certains membres du personnel du ministère des communications et de l'infrastructure à la gendarmerie;
33° l'arrêté royal du 1er février 1999 fixant la date de l'entrée en vigueur de certains articles de la loi du 17 novembre 1998 portant intégration de la police maritime, la police aéronautique et la police des chemins de fer dans la gendarmerie et organisant les modalités de transfert de certains membres du personnel de la Société nationale des Chemins de Fer belges vers la gendarmerie, modifié par l'arrêté royal du 19 octobre 2000;
34° l'arrêté royal du 29 avril 1999 établissant l'équivalence des grades de certains membres du personnel de la catégorie de personnel de police spéciale, service police aéronautique de la gendarmerie, à ceux du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie;
35° l'arrêté royal du 29 avril 1999 portant création de la structure des grades de la catégorie de personnel de police spéciale, service police aéronautique, et portant la carrière de ce personnel;
36° l'arrêté royal du 29 avril 1999 établissant l'équivalence des grades de certains membres du personnel de la catégorie de personnel de police spéciale, service police maritime de la gendarmerie, à ceux du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie;
37° l'arrêté royal du 29 avril 1999 créant des grades de la catégorie de personnel de police spéciale, service police maritime, et portant la carrière de ce personnel;
38° l'arreté ministériel du 4 mai 1999 désignant les autorités de gendarmerie pour l'application au cas des militaires travaillant à la gendarmerie de l'arrêté royal du 24 juillet 1997 instaurant le régime volontaire de la semaine de quatre jours et le regime du départ anticipé à mi-temps pour certains militaires et modifiant le statut des militaires en vue d'instaurer le retrait temporaire d'emploi par interruption temporaire de carriere;
Cet arrêté est toutefois maintenu en vigueur pour les militaires visés à l'article 4, §2, de la loi du 27 décembre 2000 portant diverses dispositions relatives à la position juridique du personnel des services de police. Pour l'application de cet arrêté, il y a lieu d'entendre par :
a) gendarmerie : police fédérale;
b) la direction du personnel civil et militaire de la gendarmerie : la direction de la mobilite et de la gestion des carrières de la police fedérale;
c) le directeur du personnel et de la logistique : le chef de service personnel, logistique et budget du service de coordination et d'appui arrondissement;
39° l'arrêté royal du 19 octobre 1999 portant le régime de transfert de certains militaires vers le corps administratif et logistique de la gendarmerie;
40° l'arrêté royal du 25 janvier 2000 relatif à la nomination et à l'avancement des membres du personnel de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer transférés à la gendarmerie et portant diverses autres dispositions statutaires relatives à ces membres du personnel, à l'exception des articles 62, 63 et 64 de cet arrêté, qui restent en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi;
41° l'arrêté royal du 9 juin 2000 portant diverses dispositions statutaires relatives aux membres du personnel de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer transférés à la gendarmerie;
42° l'arrêté ministériel du 13 décembre 1963 fixant les attributions du commandant de la gendarmerie, modifié par les arrêtés ministériels des 17 janvier 1964, 26 avril 1967, 26 janvier 1978 et 9 avril 1979;
43° l'arrêté ministériel du 2 avril 1976 relatif à l'accession des sous-officiers d'élite superieurs de gendarmerie au grade de sous-lieutenant de gendarmerie et des sous-officiers subalternes de gendarmerie au grade de maréchal des logis chef de gendarmerie, modifié par les arrêtés ministériels des 26 février 1980, 21 janvier 1981, 12 juillet 1988, 31 décembre 1993 et 22 mai 1995;
44° l'arrêté ministériel du 29 novembre 1977 relatif à la procédure d'avancement des officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés ministériels des 24 juillet 1992, 10 mars 1997 et 8 octobre 1998;
45° l'arrêté ministériel du 10 août 1978 relatif à la procédure d'avancement des sous-officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, à l'exception de l'avancement aux grades de sous-officier supérieur, modifié par les arrêtés ministériels des 8 octobre 1998 et 6 janvier 1999;
46° l'arrêté ministériel du 9 avril 1979 relatif à l'organisation du recrutement et de la formation du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés ministériels des 15 octobre 1979, 22 septembre 1983, 27 novembre 1985, 18 décembre 1986, 22 juin 1987, 21 septembre 1988, 5 mai 1993, 15 octobre 1993, 15 décembre 1993, 22 mai 1995, 10 mars 1997, 2 mars 1998 et 27 juillet 1999;
47° l'arrêté ministériel du 25 avril 1979 relatif à l'emploi des sous-officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par l'arrêté ministériel du 21 octobre 1993;
48° l'arrêté ministériel du 6 mars 1995 relatif au service de police judiciaire auprès de la justice militaire;
49° l'arrêté ministériel du 27 mars 1995 relatif aux detachements de gendarmerie chargés d'assurer la police des militaires auprès des forces armées belges stationnées en République fédérale d'Allemagne;
50° l'arrêté ministériel du 5 avril 1995 portant organisation d'un service de sécurité, d'hygiène et d'embellissement des lieux de travail à la gendarmerie;
51° l'arrêté ministériel du 2 avril 1996 relatif au personnel navigant de la gendarmerie;
52° l'arrêté ministériel du 16 mars 1998 relatif aux délégations de pouvoir du Ministre de l'Intérieur à certaines autorités de gendarmerie et du service général d'appui policier en matière de passation et d'exécution des marchés publics de travaux, de fournitures et de services et en matières de réalisation de dépenses diverses, modifié par les arrêtés ministériels des 26 novembre 1998, 9 juin 1999, 22 juin 1999 et 9 janvier 2001;
53° l'arrêté ministériel du 28 avril 1999 portant inventaire des formations professionnelles reconnues dispensées aux membres du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie;
54° l'arrêté ministériel du 4 octobre 1999 fixant les critères médicaux relatifs au transfert des membres du personnel de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer au corps opérationnel de la gendarmerie à compétence de police générale.
1° l'arrêté royal du 23 mai 1816 qui fixe le rang du corps de la maréchaussée en rapport avec les autres corps de l'armée;
2° l'arrêté du Gouvernement provisoire du 19 novembre 1830 sur la dissolution du corps de la maréchaussée et son remplacement par la gendarmerie nationale belge;
3° l'arrêté royal du 26 juin 1913;
4° l'arrêté royal du 20 janvier 1951 relatif aux membres de la gendarmerie remplissant un emploi de maréchal-ferrant;
5° l'arrêté royal du 14 mars 1963 portant organisation du service général de la gendarmerie;
6° l'arrêté royal du 14 mars 1963 concernant l'organisation du service intérieur de gendarmerie;
7° l'arrêté royal du 27 septembre 1963 fixant les attributions du commandant de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 27 février 1979 et 19 décembre 1989;
8° l'arrêté royal du 7 janvier 1967 portant organisation de l'école d'officiers de gendarmerie et fixant la rémunération des professeurs civils, modifié par les arrêtés royaux des 9 avril 1968, 1er octobre 1973 et 14 décembre 1994;
9° l'arrêté royal du 2 avril 1976 mettant en vigueur certaines dispositions de la loi du 27 décembre 1973 relative au statut du personnel du cadre actif de la gendarmerie;
10° l'arrêté royal du 2 avril 1976 relatif à l'accession des sous-officiers d'élite et supérieurs de gendarmerie au grade de sous-lieutenant de gendarmerie et des sous-officiers subalternes de gendarmerie au grade de maréchal des logis chef de gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 21 janvier 1981, 12 juillet 1988, 30 décembre 1993, 19 mai 1995 et 25 février 1996;
11° l'arrêté royal du 29 novembre 1977 relatif aux grades et à l'avancement des officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 27 février 1979, 18 mai 1981, 4 novembre 1987, 21 septembre 1988, 24 juillet 1992, 19 mai 1995, 1er septembre 1995, 25 février 1996, 2 mars 1998 et 8 octobre 1998 à l'exception de l'article 6 de cet arrêté, qui reste en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, ci-après mentionnée comme " la loi ";
12° l'arrêté royal du 10 août 1978 mettant en vigueur la loi du 27 décembre 1973 relative au statut du personnel du cadre actif du corps opérationnel de la gendarmerie en ce qui concerne les grades et l'avancement des sous-officiers;
13° l'arrêté royal du 10 août 1978 relatif aux grades et l'avancement des sous-officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 8 octobre 1998 et 23 décembre 1998, à l'exception de l'article 6 de cet arrêté, qui reste en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi;
14° l'arrêté royal du 20 mars 1979 mettant en vigueur certaines dispositions de la loi du 27 décembre 1973 et de la loi du 8 juin 1978 qui sont relatives au statut du personnel du cadre actif du corps opérationnel de la gendarmerie;
15° l'arrêté royal du 22 mars 1979 relatif aux critères médicaux d'aptitude et aux examens médicaux d'admission au corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 20 juillet 1981, 6 janvier 1985, 5 avril 1986, 18 mars 1987, 2 mai 1990, 4 mai 1993 et 23 avril 1999;
16° l'arrêté royal du 9 avril 1979 relatif au recrutement et à la formation du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 15 octobre 1979, 21 janvier 1981, 22 septembre 1983, 27 novembre 1985, 23 septembre 1986, 5 novembre 1986, 18 décembre 1986, 22 juin 1987, 21 septembre 1988, 1er août 1989, 19 septembre 1990, 4 mai 1993, 12 octobre 1993, 2 décembre 1994, 14 décembre 1994, 19 mai 1995, 25 février 1996, 28 février 1997 et 2 mars 1998;
17° l'arrêté royal du 25 avril 1979 relatif à l'emploi et au retrait d'emploi du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 17 juin 1994, 14 septembre 1995, 20 décembre 1995, 6 juillet 1997, 8 octobre 1998 et 23 décembre 1998;
18° l'arrêté royal du 15 octobre 1979 relatif à la commission d'appel en matière de qualités morales des candidats à l'admission à la gendarmerie et des élèves des écoles de gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 12 mai 1980 et 12 octobre 1993;
19° l'arrêté royal du 18 décembre 1989 mettant en vigueur l'article 53 de la loi du 27 décembre 1973 relative au statut du personnel du cadre actif du corps opérationnel de la gendarmerie;
20° l'arrêté royal du 15 octobre 1991 déterminant les modalités de contrôle des prestations au sein de la gendarmerie visées à l'article 16bis, § 5, des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962, et insérant un article 18bis dans l'arrêté royal du 30 juillet 1987 portant exécution des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962;
21° l'arrêté royal du 15 octobre 1991 déterminant les matières relatives à l'organisation et à l'administration de la gendarmerie pour lesquelles le Ministre de l'Intérieur demande un avis ou informe le Ministre de la Justice et déterminant les désignations des autorités de gendarmerie devant être portées à la connaissance des autorités judiciaires;
22° l'arrêté royal du 10 novembre 1993 déterminant les réglementations de base au sens de la loi du 11 juillet 1978 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 1er octobre 1998 et 8 octobre 1998;
23° l'arrêté royal du 30 décembre 1993 relatif à l'avancement au grade de major de gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 18 octobre 1995, 25 mars 1998 et 8 octobre 1998;
24° l'arrêté royal du 24 mai 1994 relatif à l'engagement de membres du personnel contractuel à la gendarmerie, à l'exception pour l'application des autorisations de recrutement visées à l'article 26 de l'arrêté royal du 26 mars 2001 portant exécution des articles 13, 27, alinéas 2 et 5 et 53 de la loi du 27 décembre 2000 portant diverses dispositions relatives à la position juridique du personnel des services de police et portant d'autres dispositions transitoires diverses;
25° l'arrêté royal du 28 avril 1995 répartissant l'effectif du corps opérationnel de la gendarmerie entre les divers grades ou groupes de grades du personnel de ce corps;
26° l'arrêté royal du 1er avril 1996 relatif à l'avancement au grade d'adjudant de gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 8 octobre 1998 et 23 décembre 1998;
27° l'arrêté royal du 4 août 1996 déterminant les conditions de réintégration comme membre du personnel de carrière du corps opérationnel de la gendarmerie;
28° l'arreté royal du 30 janvier 1997 relatif à la semaine volontaire de quatre jours pour certains membres du personnel civil de la gendarmerie;
29° l'arrêté royal du 23 décembre 1998 portant l'exécution de l'article 125 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, aux membres du corps opérationnel et de la catégorie de personnel de police spéciale de la gendarmerie et aux officiers et agents de la police judiciaire près les parquets;
30° l'arrêté royal du 26 janvier 1999 portant la mise en vigueur de certaines dispositions de la loi du 17 novembre 1998 portant intégration de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer dans la gendarmerie et portant organisation de l'intégration de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer dans la gendarmerie, modifié par l'arrêté royal du 25 janvier 2000, à l'exception des articles 2, 11, § 1er, 23, 24 et 25 de cet arrêté qui restent en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi;
31° l'arrêté royal du 26 janvier 1999 fixant la date de l'entrée en vigueur de certains articles de la loi du 17 novembre 1998 portant intégration de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer dans la gendarmerie et organisant les modalités de transfert de certains membres du personnel de la police aéronautique à la gendarmerie;
32° l'arrêté royal du 29 janvier 1999 fixant la date de l'entrée en vigueur de certains articles de la loi du 17 novembre 1998 portant intégration de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer dans la gendarmerie et organisant les modalités de transfert de certains membres du personnel du ministère des communications et de l'infrastructure à la gendarmerie;
33° l'arrêté royal du 1er février 1999 fixant la date de l'entrée en vigueur de certains articles de la loi du 17 novembre 1998 portant intégration de la police maritime, la police aéronautique et la police des chemins de fer dans la gendarmerie et organisant les modalités de transfert de certains membres du personnel de la Société nationale des Chemins de Fer belges vers la gendarmerie, modifié par l'arrêté royal du 19 octobre 2000;
34° l'arrêté royal du 29 avril 1999 établissant l'équivalence des grades de certains membres du personnel de la catégorie de personnel de police spéciale, service police aéronautique de la gendarmerie, à ceux du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie;
35° l'arrêté royal du 29 avril 1999 portant création de la structure des grades de la catégorie de personnel de police spéciale, service police aéronautique, et portant la carrière de ce personnel;
36° l'arrêté royal du 29 avril 1999 établissant l'équivalence des grades de certains membres du personnel de la catégorie de personnel de police spéciale, service police maritime de la gendarmerie, à ceux du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie;
37° l'arrêté royal du 29 avril 1999 créant des grades de la catégorie de personnel de police spéciale, service police maritime, et portant la carrière de ce personnel;
38° l'arreté ministériel du 4 mai 1999 désignant les autorités de gendarmerie pour l'application au cas des militaires travaillant à la gendarmerie de l'arrêté royal du 24 juillet 1997 instaurant le régime volontaire de la semaine de quatre jours et le regime du départ anticipé à mi-temps pour certains militaires et modifiant le statut des militaires en vue d'instaurer le retrait temporaire d'emploi par interruption temporaire de carriere;
Cet arrêté est toutefois maintenu en vigueur pour les militaires visés à l'article 4, §2, de la loi du 27 décembre 2000 portant diverses dispositions relatives à la position juridique du personnel des services de police. Pour l'application de cet arrêté, il y a lieu d'entendre par :
a) gendarmerie : police fédérale;
b) la direction du personnel civil et militaire de la gendarmerie : la direction de la mobilite et de la gestion des carrières de la police fedérale;
c) le directeur du personnel et de la logistique : le chef de service personnel, logistique et budget du service de coordination et d'appui arrondissement;
39° l'arrêté royal du 19 octobre 1999 portant le régime de transfert de certains militaires vers le corps administratif et logistique de la gendarmerie;
40° l'arrêté royal du 25 janvier 2000 relatif à la nomination et à l'avancement des membres du personnel de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer transférés à la gendarmerie et portant diverses autres dispositions statutaires relatives à ces membres du personnel, à l'exception des articles 62, 63 et 64 de cet arrêté, qui restent en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi;
41° l'arrêté royal du 9 juin 2000 portant diverses dispositions statutaires relatives aux membres du personnel de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer transférés à la gendarmerie;
42° l'arrêté ministériel du 13 décembre 1963 fixant les attributions du commandant de la gendarmerie, modifié par les arrêtés ministériels des 17 janvier 1964, 26 avril 1967, 26 janvier 1978 et 9 avril 1979;
43° l'arrêté ministériel du 2 avril 1976 relatif à l'accession des sous-officiers d'élite superieurs de gendarmerie au grade de sous-lieutenant de gendarmerie et des sous-officiers subalternes de gendarmerie au grade de maréchal des logis chef de gendarmerie, modifié par les arrêtés ministériels des 26 février 1980, 21 janvier 1981, 12 juillet 1988, 31 décembre 1993 et 22 mai 1995;
44° l'arrêté ministériel du 29 novembre 1977 relatif à la procédure d'avancement des officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés ministériels des 24 juillet 1992, 10 mars 1997 et 8 octobre 1998;
45° l'arrêté ministériel du 10 août 1978 relatif à la procédure d'avancement des sous-officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, à l'exception de l'avancement aux grades de sous-officier supérieur, modifié par les arrêtés ministériels des 8 octobre 1998 et 6 janvier 1999;
46° l'arrêté ministériel du 9 avril 1979 relatif à l'organisation du recrutement et de la formation du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par les arrêtés ministériels des 15 octobre 1979, 22 septembre 1983, 27 novembre 1985, 18 décembre 1986, 22 juin 1987, 21 septembre 1988, 5 mai 1993, 15 octobre 1993, 15 décembre 1993, 22 mai 1995, 10 mars 1997, 2 mars 1998 et 27 juillet 1999;
47° l'arrêté ministériel du 25 avril 1979 relatif à l'emploi des sous-officiers du corps opérationnel de la gendarmerie, modifié par l'arrêté ministériel du 21 octobre 1993;
48° l'arrêté ministériel du 6 mars 1995 relatif au service de police judiciaire auprès de la justice militaire;
49° l'arrêté ministériel du 27 mars 1995 relatif aux detachements de gendarmerie chargés d'assurer la police des militaires auprès des forces armées belges stationnées en République fédérale d'Allemagne;
50° l'arrêté ministériel du 5 avril 1995 portant organisation d'un service de sécurité, d'hygiène et d'embellissement des lieux de travail à la gendarmerie;
51° l'arrêté ministériel du 2 avril 1996 relatif au personnel navigant de la gendarmerie;
52° l'arrêté ministériel du 16 mars 1998 relatif aux délégations de pouvoir du Ministre de l'Intérieur à certaines autorités de gendarmerie et du service général d'appui policier en matière de passation et d'exécution des marchés publics de travaux, de fournitures et de services et en matières de réalisation de dépenses diverses, modifié par les arrêtés ministériels des 26 novembre 1998, 9 juin 1999, 22 juin 1999 et 9 janvier 2001;
53° l'arrêté ministériel du 28 avril 1999 portant inventaire des formations professionnelles reconnues dispensées aux membres du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie;
54° l'arrêté ministériel du 4 octobre 1999 fixant les critères médicaux relatifs au transfert des membres du personnel de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer au corps opérationnel de la gendarmerie à compétence de police générale.
HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen met betrekking tot de gemeentepolitie.
CHAPITRE II. - Dispositions abrogatoires relatives à la police communale.
Art. 2. Worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 13 oktober 1986 tot vaststelling van de graden van het personeel van de gemeentepolitie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 december 1990, 25 juni 1991, 3 maart 1995, 22 december 1997;
De graad van brigadecommissaris bedoeld in artikel 2, punt 3, van dit besluit blijft evenwel behouden tot op het ogenblik dat de houder ervan overgaat naar een politiedienst;
2° het koninklijk besluit van 14 november 1986 houdende algemene bepalingen betreffende de vereisten inzake voordracht en benoeming tot de graad van hoofdveldwachter of tot de betrekking van enige veldwachter, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 juni 1991 en 9 januari 1998;
3° het koninklijk besluit van 14 november 1986 houdende de algemene bepalingen betreffende de benoeming tot de graad van hoofdinspecteur eerste klasse bij de stedelijke politie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 juni 1991, 7 juni 1993, 3 maart 1995 en 22 december 1997;
4° het koninklijk besluit van 14 november 1986 tot vaststelling van de voorwaarden voor benoeming tot de graad van brigadecommissaris bij de landelijke politie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 juni 1991;
5° het koninklijk besluit van 14 november 1986 houdende overgangsmaatregelen betreffende de brigadechefs die bij de landelijke politie tot brigadecommissaris worden benoemd;
6° het koninklijk besluit van 14 november 1986 tot regeling van de overgangsmaatregelen met betrekking tot het tuchtstatuut van de leden van de gemeentepolitie;
7° het koninklijk besluit van 16 december 1988 betreffende de organisatie van de selectie-examens voor aspirant-politieagent of aspirant-veldwachter, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 september 1991, 20 maart 1995, 10 april 1995 en 19 augustus 1997;
8° het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graad van inspecteur van politie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 juni 1991, 7 juni 1993, 19 oktober 1994, 3 maart 1995, 10 april 1995 en 19 augustus 1997;
9° het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 januari 1991, 7 juni 1993, 19 oktober 1994, 10 april 1995 en 19 augustus 1997;
10° het koninklijk besluit van 18 januari 1990 tot vaststelling van de minimumvoorwaarden voor de aanstelling van veldwachters als officier van gerechtelijke politie hulpofficier van de procureur des Konings, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 juni 1991 en 7 juni 1993;
11° het koninklijk besluit van 27 december 1990 houdende de algemene bepalingen betreffende de aanwerving en de benoeming van hulpagent van politie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 januari 1991, 7 juni 1993, 23 juni 1994, 10 april 1995 en 19 augustus 1997;
12° het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graden van officier van gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 februari 1993, 20 maart 1995, 10 april 1995, 19 augustus 1997, 11 oktober 1997 en 22 december 1997;
13° het koninklijk besluit van 21 april 1993 tot vaststelling van de opleidingsvoorwaarden waaraan de inspecteurs en hoofdinspecteurs van politie moeten voldoen om bekleed te worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie-hulpofficier van de procureur des Konings;
14° het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot regeling van de gevolgen van de beslissing om aan een landelijk politiekorps een stedelijk karakter te verlenen;
15° het koninklijk besluit van 22 december 1997 houdende de algemene bepalingen aangaande de aanwerving en de benoeming in de graad van politieagent en van veldwachter;
16° het koninklijk besluit van 22 december 1997 houdende de algemene bepalingen aangaande de aanwerving en de benoeming van de politieassistenten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 mei 1998;
17° het ministerieel besluit van 4 augustus 1987 betreffende de certificaten afgeleverd door de politiescholen;
18° het ministerieel besluit van 27 juni 1990 betreffende de getuigschriften uitgereikt door de trainings- en opleidingscentra;
19° het ministerieel besluit van 22 januari 1991 betreffende de gelijkwaardigheid van getuigschriften uitgereikt door de trainings- en opleidingscentra met het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings;
20° het ministerieel besluit van 9 augustus 1991 tot oprichting van een examencommissie bevoegd inzake het toelatingsexamen voor de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie en het selectie-examen voor de kandidaten-aspirant-officier van politie;
21° het ministerieel besluit van 8 juni 1993 betreffende het met redenen omklede advies van de korpschef van de gemeentepolitie;
22° het ministerieel besluit van 8 september 1993 betreffende het examen van kandidaat-brigadecommissaris, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 18 maart 1995.
1° het koninklijk besluit van 13 oktober 1986 tot vaststelling van de graden van het personeel van de gemeentepolitie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 december 1990, 25 juni 1991, 3 maart 1995, 22 december 1997;
De graad van brigadecommissaris bedoeld in artikel 2, punt 3, van dit besluit blijft evenwel behouden tot op het ogenblik dat de houder ervan overgaat naar een politiedienst;
2° het koninklijk besluit van 14 november 1986 houdende algemene bepalingen betreffende de vereisten inzake voordracht en benoeming tot de graad van hoofdveldwachter of tot de betrekking van enige veldwachter, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 juni 1991 en 9 januari 1998;
3° het koninklijk besluit van 14 november 1986 houdende de algemene bepalingen betreffende de benoeming tot de graad van hoofdinspecteur eerste klasse bij de stedelijke politie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 juni 1991, 7 juni 1993, 3 maart 1995 en 22 december 1997;
4° het koninklijk besluit van 14 november 1986 tot vaststelling van de voorwaarden voor benoeming tot de graad van brigadecommissaris bij de landelijke politie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 juni 1991;
5° het koninklijk besluit van 14 november 1986 houdende overgangsmaatregelen betreffende de brigadechefs die bij de landelijke politie tot brigadecommissaris worden benoemd;
6° het koninklijk besluit van 14 november 1986 tot regeling van de overgangsmaatregelen met betrekking tot het tuchtstatuut van de leden van de gemeentepolitie;
7° het koninklijk besluit van 16 december 1988 betreffende de organisatie van de selectie-examens voor aspirant-politieagent of aspirant-veldwachter, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 september 1991, 20 maart 1995, 10 april 1995 en 19 augustus 1997;
8° het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graad van inspecteur van politie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 juni 1991, 7 juni 1993, 19 oktober 1994, 3 maart 1995, 10 april 1995 en 19 augustus 1997;
9° het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 januari 1991, 7 juni 1993, 19 oktober 1994, 10 april 1995 en 19 augustus 1997;
10° het koninklijk besluit van 18 januari 1990 tot vaststelling van de minimumvoorwaarden voor de aanstelling van veldwachters als officier van gerechtelijke politie hulpofficier van de procureur des Konings, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 juni 1991 en 7 juni 1993;
11° het koninklijk besluit van 27 december 1990 houdende de algemene bepalingen betreffende de aanwerving en de benoeming van hulpagent van politie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 januari 1991, 7 juni 1993, 23 juni 1994, 10 april 1995 en 19 augustus 1997;
12° het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graden van officier van gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 februari 1993, 20 maart 1995, 10 april 1995, 19 augustus 1997, 11 oktober 1997 en 22 december 1997;
13° het koninklijk besluit van 21 april 1993 tot vaststelling van de opleidingsvoorwaarden waaraan de inspecteurs en hoofdinspecteurs van politie moeten voldoen om bekleed te worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie-hulpofficier van de procureur des Konings;
14° het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot regeling van de gevolgen van de beslissing om aan een landelijk politiekorps een stedelijk karakter te verlenen;
15° het koninklijk besluit van 22 december 1997 houdende de algemene bepalingen aangaande de aanwerving en de benoeming in de graad van politieagent en van veldwachter;
16° het koninklijk besluit van 22 december 1997 houdende de algemene bepalingen aangaande de aanwerving en de benoeming van de politieassistenten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 mei 1998;
17° het ministerieel besluit van 4 augustus 1987 betreffende de certificaten afgeleverd door de politiescholen;
18° het ministerieel besluit van 27 juni 1990 betreffende de getuigschriften uitgereikt door de trainings- en opleidingscentra;
19° het ministerieel besluit van 22 januari 1991 betreffende de gelijkwaardigheid van getuigschriften uitgereikt door de trainings- en opleidingscentra met het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings;
20° het ministerieel besluit van 9 augustus 1991 tot oprichting van een examencommissie bevoegd inzake het toelatingsexamen voor de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie en het selectie-examen voor de kandidaten-aspirant-officier van politie;
21° het ministerieel besluit van 8 juni 1993 betreffende het met redenen omklede advies van de korpschef van de gemeentepolitie;
22° het ministerieel besluit van 8 september 1993 betreffende het examen van kandidaat-brigadecommissaris, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 18 maart 1995.
Art. 2. Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 13 octobre 1986 fixant les grades du personnel de la police communale, modifié par les arrêtés royaux des 27 décembre 1990, 25 juin 1991, 3 mars 1995, 22 décembre 1997;
Le grade de commissaire de brigade visé à l'article 2, point 3, de cet arrêté est néanmoins maintenu jusqu'au moment ou celui qui porte le grade passe à un service de police;
2° l'arrêté royal du 14 novembre 1986 portant les dispositions générales relatives aux conditions de présentation et de nomination au grade de garde champêtre en chef ou à l'emploi de garde champêtre unique, modifié par les arrêtés royaux des 25 juin 1991 et 9 janvier 1998;
3° l'arrêté royal du 14 novembre 1986 portant les dispositions générales relatives à la nomination au grade d'inspecteur principal de première classe dans la police urbaine, modifié par les arrêtés royaux des 25 juin 1991, 7 juin 1993, 3 mars 1995 et 22 décembre 1997;
4° l'arrêté royal du 14 novembre 1986 déterminant les conditions de nomination au grade de commissaire de brigade dans la police rurale, modifié par l'arrêté royal du 25 juin 1991;
5° l'arrêté royal du 14 novembre 1986 portant des mesures transitoires relatives aux chefs de brigade nommés commissaires de brigade dans la police;
6° l'arrêté royal du 14 novembre 1986 réglant les mesures transitoires relatives au statut disciplinaire des membres de la police communale;
7° l'arrêté royal du 16 décembre 1988 relatif à l'organisation de l'épreuve de sélection pour aspirant agent de police ou aspirant garde champêtre, modifié par les arrêtés royaux des 10 septembre 1991, 20 mars 1995, 10 avril 1995 et 19 août 1997;
8° l'arrêté royal du 13 juillet 1989 relatif à la formation et à la promotion au grade d'inspecteur de police, modifié par les arrêtés royaux des 25 juin 1991, 7 juin 1993, 19 octobre 1994, 3 mars 1995, 10 avril 1995 et 19 août 1997;
9° l'arreté royal du 13 juillet 1989 relatif au brevet d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, délivré à certains membres de la police communale, modifié par les arrêtés royaux des 18 janvier 1991, 7 juin 1993, 19 octobre 1994, 10 avril 1995 et 19 août 1997;
10° l'arrêté royal du 18 janvier 1990 fixant les conditions minimales du commissionnement des gardes champêtres en qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi, modifié par les arrêtés royaux des 25 juin 1991 et 7 juin 1993;
11° l'arrêté royal du 27 décembre 1990 portant les dispositions générales relatives au recrutement et à la nomination de l'agent auxiliaire de police, modifié par les arrêtés royaux des 18 janvier 1991, 7 juin 1993, 23 juin 1994, 10 avril 1995 et 19 août 1997;
12° l'arrêté royal du 25 juin 1991 portant les dispositions générales relatives à la formation des officiers de la police communale, aux conditions de nomination aux grades d'officier de la police communale et aux conditions de recrutement et de nomination au grade d'aspirant officier de la police communale, modifié par les arrêtés royaux des 18 février 1993, 20 mars 1995, 10 avril 1995, 19 août 1997, 11 octobre 1997 et 22 décembre 1997;
13° l'arrêté royal du 21 avril 1993 fixant les conditions de formation que doivent réunir les inspecteurs et inspecteurs principaux de police pour être revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi;
14° l'arrêté royal du 7 juillet 1994 réglant les conséquences de la décision de conférer un caractère urbain à un corps de police rural;
15° l'arrêté royal du 22 décembre 1997 portant les dispositions générales relatives au recrutement et à la nomination au grade d'agent de police et de garde champêtre;
16° l'arrête royal du 22 décembre 1997 portant les dispositions générales relatives au recrutement et a la nomination des assistants de police, modifié par l'arrêté royal du 6 mai 1998;
17° l'arrêté ministériel du 4 août 1987 relatif aux certificats délivrés par les écoles de police;
18° l'arrêté ministériel du 27 juin 1990 relatif aux certificats délivrés par les centres d'entraînement et d'instruction;
19° l'arrêté ministériel du 22 janvier 1991 relatif à l'équivalence de certificats délivrés par les centres d'entraînement et d'instruction, au brevet d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi;
20° l'arrêté ministériel du 9 août 1991 portant création d'une commission d'examen compétente en matiere d'examen d'entrée pour la formation des officiers de la police communale et d'examen de sélection pour candidats aspirants officiers de police;
21° l'arrêté ministériel du 8 juin 1993 relatif à l'avis motivé du chef de corps de la police communale;
22° l'arrêté ministériel du 8 septembre 1993 relatif à l'examen de candidat commissaire de brigade, modifié par l'arrêté ministériel du 18 mars 1995.
1° l'arrêté royal du 13 octobre 1986 fixant les grades du personnel de la police communale, modifié par les arrêtés royaux des 27 décembre 1990, 25 juin 1991, 3 mars 1995, 22 décembre 1997;
Le grade de commissaire de brigade visé à l'article 2, point 3, de cet arrêté est néanmoins maintenu jusqu'au moment ou celui qui porte le grade passe à un service de police;
2° l'arrêté royal du 14 novembre 1986 portant les dispositions générales relatives aux conditions de présentation et de nomination au grade de garde champêtre en chef ou à l'emploi de garde champêtre unique, modifié par les arrêtés royaux des 25 juin 1991 et 9 janvier 1998;
3° l'arrêté royal du 14 novembre 1986 portant les dispositions générales relatives à la nomination au grade d'inspecteur principal de première classe dans la police urbaine, modifié par les arrêtés royaux des 25 juin 1991, 7 juin 1993, 3 mars 1995 et 22 décembre 1997;
4° l'arrêté royal du 14 novembre 1986 déterminant les conditions de nomination au grade de commissaire de brigade dans la police rurale, modifié par l'arrêté royal du 25 juin 1991;
5° l'arrêté royal du 14 novembre 1986 portant des mesures transitoires relatives aux chefs de brigade nommés commissaires de brigade dans la police;
6° l'arrêté royal du 14 novembre 1986 réglant les mesures transitoires relatives au statut disciplinaire des membres de la police communale;
7° l'arrêté royal du 16 décembre 1988 relatif à l'organisation de l'épreuve de sélection pour aspirant agent de police ou aspirant garde champêtre, modifié par les arrêtés royaux des 10 septembre 1991, 20 mars 1995, 10 avril 1995 et 19 août 1997;
8° l'arrêté royal du 13 juillet 1989 relatif à la formation et à la promotion au grade d'inspecteur de police, modifié par les arrêtés royaux des 25 juin 1991, 7 juin 1993, 19 octobre 1994, 3 mars 1995, 10 avril 1995 et 19 août 1997;
9° l'arreté royal du 13 juillet 1989 relatif au brevet d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, délivré à certains membres de la police communale, modifié par les arrêtés royaux des 18 janvier 1991, 7 juin 1993, 19 octobre 1994, 10 avril 1995 et 19 août 1997;
10° l'arrêté royal du 18 janvier 1990 fixant les conditions minimales du commissionnement des gardes champêtres en qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi, modifié par les arrêtés royaux des 25 juin 1991 et 7 juin 1993;
11° l'arrêté royal du 27 décembre 1990 portant les dispositions générales relatives au recrutement et à la nomination de l'agent auxiliaire de police, modifié par les arrêtés royaux des 18 janvier 1991, 7 juin 1993, 23 juin 1994, 10 avril 1995 et 19 août 1997;
12° l'arrêté royal du 25 juin 1991 portant les dispositions générales relatives à la formation des officiers de la police communale, aux conditions de nomination aux grades d'officier de la police communale et aux conditions de recrutement et de nomination au grade d'aspirant officier de la police communale, modifié par les arrêtés royaux des 18 février 1993, 20 mars 1995, 10 avril 1995, 19 août 1997, 11 octobre 1997 et 22 décembre 1997;
13° l'arrêté royal du 21 avril 1993 fixant les conditions de formation que doivent réunir les inspecteurs et inspecteurs principaux de police pour être revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi;
14° l'arrêté royal du 7 juillet 1994 réglant les conséquences de la décision de conférer un caractère urbain à un corps de police rural;
15° l'arrêté royal du 22 décembre 1997 portant les dispositions générales relatives au recrutement et à la nomination au grade d'agent de police et de garde champêtre;
16° l'arrête royal du 22 décembre 1997 portant les dispositions générales relatives au recrutement et a la nomination des assistants de police, modifié par l'arrêté royal du 6 mai 1998;
17° l'arrêté ministériel du 4 août 1987 relatif aux certificats délivrés par les écoles de police;
18° l'arrêté ministériel du 27 juin 1990 relatif aux certificats délivrés par les centres d'entraînement et d'instruction;
19° l'arrêté ministériel du 22 janvier 1991 relatif à l'équivalence de certificats délivrés par les centres d'entraînement et d'instruction, au brevet d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi;
20° l'arrêté ministériel du 9 août 1991 portant création d'une commission d'examen compétente en matiere d'examen d'entrée pour la formation des officiers de la police communale et d'examen de sélection pour candidats aspirants officiers de police;
21° l'arrêté ministériel du 8 juin 1993 relatif à l'avis motivé du chef de corps de la police communale;
22° l'arrêté ministériel du 8 septembre 1993 relatif à l'examen de candidat commissaire de brigade, modifié par l'arrêté ministériel du 18 mars 1995.
HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepalingen met betrekking tot de gerechtelijke politie.
CHAPITRE III. - Dispositions abrogatoires relatives à la police judiciaire.
Art. 3. Worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 14 juni 1929 tot toelating aan de gerechtelijke officieren de driekleurige gordel te dragen naar het model bepaald bij de koninklijke besluiten van 3 december 1839 en 7 februari 1859 tot regeling van de kledij der politiecommissarissen;
2° het koninklijk besluit van 30 oktober 1937 betreffende het uniform van de gerechtelijke officieren;
3° het koninklijk besluit van 22 september 1958 tot instelling van een vergelijkend overgangsexamen tot de graad van hoofdtechnicus bij de dienst "Gerechtelijke identificatie";
4° het koninklijk besluit van 2 mei 1966 houdende tijdelijke maatregelen ten gunste van sommige personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten;
5° het koninklijk besluit van 15 januari 1973 tot instelling van de graad van "opsteller bij de gerechtelijke identificatie" bij de parketten van de rechtbanken van eerste aanleg, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 juni 1974 en 16 mei 1980;
6° het koninklijk besluit van 21 maart 1984 houdende regeling van de toepassing van artikel 2 van de wet van 2 december 1982 tot indeling van de jeugdpolitie bij de gerechtelijke politie bij de parketten, met uitzondering van artikel 2 dat van kracht blijft voor de toepassing van artikel 242, tweede lid, van de wet;
7° het koninklijk besluit van 2 april 1991 betreffende de afwezigheden en de stand disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid van de gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 september 1995;
8° het koninklijk besluit van 25 november 1991 betreffende de werving van gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 maart 1995, 8 augustus 1997 en 17 december 1998, met uitzondering van artikel 15 dat van kracht blijft voor de toepassing van artikel 22 van het koninklijk besluit van 26 maart 2001 tot uitvoering van de artikelen 13, 27, tweede en vijfde lid en 53 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en houdende diverse andere overgangsbepalingen;
9° het koninklijk besluit van 11 juni 1992 betreffende de aanstelling van sommige gerechtelijke agenten tot officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings;
10° het koninklijk besluit van 6 oktober 1992 tot vaststelling van bijzondere regels van mobiliteit van de personeelsleden die deel uitgemaakt hebben van de Buitendiensten van het Bestuur van de Burgerlijke en Criminele Zaken;
11° het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 juli 1998 en 23 december 1998 en de wet van 13 mei 1999, met uitzondering van de volgende bepalingen die van kracht blijven voor de toepassing van artikel 242, tweede lid, van de wet :
a) de artikelen 25 en 26 enkel voor wat de toepassing van artikel 113 betreft;
b) artikel 84, eerste en tweede lid;
c) artikel 89, eerste en tweede lid;
d) artikel 96, eerste en tweede lid;
e) artikel 97, § 2;
f) de artikelen 98 tot en met 107;
g) artikel 109, met dien verstande dat de bevordering naar anciënniteit door de benoemende overheid wordt verleend indien de betrokkene geen ongunstige evaluatie geniet, vastgesteld overeenkomstig de regeling die is vervat in het RPPol;
h) artikel 111, met dien verstande dat de bevordering naar anciënniteit door de benoemende overheid wordt verleend indien de betrokkene geen ongunstige evaluatie geniet, vastgesteld overeenkomstig de regeling die is vervat in het RPPol;
i) artikel 113;
j) artikel 116, tweede lid;
12° het koninklijk besluit van 27 maart 1998 tot overplaatsing van sommige ambtenaren van het Hoog Comité van Toezicht van het ministerie van Ambtenarenzaken naar de gerechtelijke politie bij de parketten, met uitzondering van artikel 4 dat van kracht blijft voor de toepassing van artikel 242, tweede lid, van de wet (en met uitzondering van artikel 21);
13° het koninklijk besluit van 17 december 1998 betreffende de bevordering van gerechtelijke agenten bij de parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of van laboratoriumcommissaris;
14° het koninklijk besluit van 23 december 1998 betreffende de werving en de stage van gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten;
15° het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de verloven en de afwezigheden van de gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten;
16° het ministerieel besluit van 30 december 1936 tot regeling van de examens voor de betrekking van hoofd en opnemer van de laboratoria voor gerechtelijke fotografie;
17° het ministerieel besluit van 21 juni 1971 tot inrichting van de bekwaamheidsexamens voor de kandidaten voor de ambten van officier en agent van de jeugdpolitie;
18° het ministerieel besluit van 29 juni 1973 tot inrichting van het bekwaamheidsexamen voor het ambt van operateur bij de gerechtelijke identificatie, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 12 augustus 1982 en 4 oktober 1985;
19° het ministerieel besluit van 30 juni 1987 tot inrichting van het bekwaamheidsexamen voor het ambt van electrotechnicus van de dienst telecommunicatie van de gerechtelijke politie bij de parketten;
20° het ministerieel besluit van 22 april 1993 betreffende de stage van gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 5 april 1995;
21° het ministerieel besluit van 15 juni 1993 tot vaststelling van de vereisten inzake lichamelijke geschiktheid voor het vervullen van de betrekkingen van gerechtelijk officier of agent, laboratoriumchef of agent-operateur van een laboratorium voor technische en wetenschappelijke politie, en hoofd of electrotechnicus van de dienst telecommunicatie van de gerechtelijke politie bij de parketten, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 5 april 1995 en 1 augustus 1996;
22° het ministerieel besluit van 11 mei 1998 betreffende de vereisten inzake de voortgezette opleiding voor de bevorderingen door verhoging in graad bij de gerechtelijke politie bij de parketten;
23° het ministerieel besluit van 6 juli 1998 betreffende de nadere regels voor de evaluatie van de gegadigden voor sommige bevorderingen bij de gerechtelijke politie bij de parketten;
24° het ministerieel besluit van 20 juli 1998 tot vaststelling van de procedure voor de verandering van administratieve standplaats van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten;
25° het ministerieel besluit van 29 juli 1998 betreffende de bekwaamheidsproeven voor verhoging in weddeschaal bij de gerechtelijke politie bij de parketten, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 23 december 1998;
26° het ministerieel besluit van 18 december 1998 betreffende de bevordering van gerechtelijke agenten bij de parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris;
27° het ministerieel besluit van 23 december 1998 betreffende de werving van gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten;
28° het ministerieel besluit van 23 februari 1999 tot bepaling van de opdrachten door de gerechtelijke politie bij de parketten uit te voeren met toepassing van artikel 126, § 2, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
1° het koninklijk besluit van 14 juni 1929 tot toelating aan de gerechtelijke officieren de driekleurige gordel te dragen naar het model bepaald bij de koninklijke besluiten van 3 december 1839 en 7 februari 1859 tot regeling van de kledij der politiecommissarissen;
2° het koninklijk besluit van 30 oktober 1937 betreffende het uniform van de gerechtelijke officieren;
3° het koninklijk besluit van 22 september 1958 tot instelling van een vergelijkend overgangsexamen tot de graad van hoofdtechnicus bij de dienst "Gerechtelijke identificatie";
4° het koninklijk besluit van 2 mei 1966 houdende tijdelijke maatregelen ten gunste van sommige personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten;
5° het koninklijk besluit van 15 januari 1973 tot instelling van de graad van "opsteller bij de gerechtelijke identificatie" bij de parketten van de rechtbanken van eerste aanleg, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 juni 1974 en 16 mei 1980;
6° het koninklijk besluit van 21 maart 1984 houdende regeling van de toepassing van artikel 2 van de wet van 2 december 1982 tot indeling van de jeugdpolitie bij de gerechtelijke politie bij de parketten, met uitzondering van artikel 2 dat van kracht blijft voor de toepassing van artikel 242, tweede lid, van de wet;
7° het koninklijk besluit van 2 april 1991 betreffende de afwezigheden en de stand disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid van de gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 september 1995;
8° het koninklijk besluit van 25 november 1991 betreffende de werving van gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 maart 1995, 8 augustus 1997 en 17 december 1998, met uitzondering van artikel 15 dat van kracht blijft voor de toepassing van artikel 22 van het koninklijk besluit van 26 maart 2001 tot uitvoering van de artikelen 13, 27, tweede en vijfde lid en 53 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en houdende diverse andere overgangsbepalingen;
9° het koninklijk besluit van 11 juni 1992 betreffende de aanstelling van sommige gerechtelijke agenten tot officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings;
10° het koninklijk besluit van 6 oktober 1992 tot vaststelling van bijzondere regels van mobiliteit van de personeelsleden die deel uitgemaakt hebben van de Buitendiensten van het Bestuur van de Burgerlijke en Criminele Zaken;
11° het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 juli 1998 en 23 december 1998 en de wet van 13 mei 1999, met uitzondering van de volgende bepalingen die van kracht blijven voor de toepassing van artikel 242, tweede lid, van de wet :
a) de artikelen 25 en 26 enkel voor wat de toepassing van artikel 113 betreft;
b) artikel 84, eerste en tweede lid;
c) artikel 89, eerste en tweede lid;
d) artikel 96, eerste en tweede lid;
e) artikel 97, § 2;
f) de artikelen 98 tot en met 107;
g) artikel 109, met dien verstande dat de bevordering naar anciënniteit door de benoemende overheid wordt verleend indien de betrokkene geen ongunstige evaluatie geniet, vastgesteld overeenkomstig de regeling die is vervat in het RPPol;
h) artikel 111, met dien verstande dat de bevordering naar anciënniteit door de benoemende overheid wordt verleend indien de betrokkene geen ongunstige evaluatie geniet, vastgesteld overeenkomstig de regeling die is vervat in het RPPol;
i) artikel 113;
j) artikel 116, tweede lid;
12° het koninklijk besluit van 27 maart 1998 tot overplaatsing van sommige ambtenaren van het Hoog Comité van Toezicht van het ministerie van Ambtenarenzaken naar de gerechtelijke politie bij de parketten, met uitzondering van artikel 4 dat van kracht blijft voor de toepassing van artikel 242, tweede lid, van de wet (en met uitzondering van artikel 21);
13° het koninklijk besluit van 17 december 1998 betreffende de bevordering van gerechtelijke agenten bij de parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of van laboratoriumcommissaris;
14° het koninklijk besluit van 23 december 1998 betreffende de werving en de stage van gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten;
15° het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de verloven en de afwezigheden van de gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten;
16° het ministerieel besluit van 30 december 1936 tot regeling van de examens voor de betrekking van hoofd en opnemer van de laboratoria voor gerechtelijke fotografie;
17° het ministerieel besluit van 21 juni 1971 tot inrichting van de bekwaamheidsexamens voor de kandidaten voor de ambten van officier en agent van de jeugdpolitie;
18° het ministerieel besluit van 29 juni 1973 tot inrichting van het bekwaamheidsexamen voor het ambt van operateur bij de gerechtelijke identificatie, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 12 augustus 1982 en 4 oktober 1985;
19° het ministerieel besluit van 30 juni 1987 tot inrichting van het bekwaamheidsexamen voor het ambt van electrotechnicus van de dienst telecommunicatie van de gerechtelijke politie bij de parketten;
20° het ministerieel besluit van 22 april 1993 betreffende de stage van gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 5 april 1995;
21° het ministerieel besluit van 15 juni 1993 tot vaststelling van de vereisten inzake lichamelijke geschiktheid voor het vervullen van de betrekkingen van gerechtelijk officier of agent, laboratoriumchef of agent-operateur van een laboratorium voor technische en wetenschappelijke politie, en hoofd of electrotechnicus van de dienst telecommunicatie van de gerechtelijke politie bij de parketten, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 5 april 1995 en 1 augustus 1996;
22° het ministerieel besluit van 11 mei 1998 betreffende de vereisten inzake de voortgezette opleiding voor de bevorderingen door verhoging in graad bij de gerechtelijke politie bij de parketten;
23° het ministerieel besluit van 6 juli 1998 betreffende de nadere regels voor de evaluatie van de gegadigden voor sommige bevorderingen bij de gerechtelijke politie bij de parketten;
24° het ministerieel besluit van 20 juli 1998 tot vaststelling van de procedure voor de verandering van administratieve standplaats van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten;
25° het ministerieel besluit van 29 juli 1998 betreffende de bekwaamheidsproeven voor verhoging in weddeschaal bij de gerechtelijke politie bij de parketten, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 23 december 1998;
26° het ministerieel besluit van 18 december 1998 betreffende de bevordering van gerechtelijke agenten bij de parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris;
27° het ministerieel besluit van 23 december 1998 betreffende de werving van gerechtelijke officieren en agenten bij de parketten;
28° het ministerieel besluit van 23 februari 1999 tot bepaling van de opdrachten door de gerechtelijke politie bij de parketten uit te voeren met toepassing van artikel 126, § 2, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
Art. 3. Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 14 juin 1929 autorisant les officiers judiciaires à porter la ceinture tricolore du modèle fixé aux arrêtés royaux des 3 décembre 1839 et 7 février 1859, réglant la tenue des commissaires de police;
2° l'arrêté royal du 30 octobre 1937 relatif à l'uniforme des officiers judiciaires;
3° l'arrêté royal du 22 septembre 1958 instituant un concours d'accession au grade de chef technicien au service "Identification judiciaire";
4° l'arrêté royal du 2 mai 1966 portant des mesures temporaires en faveur des certains membres du personnel de la police judiciaire;
5° l'arrêté royal du 15 janvier 1973 créant le grade de "rédacteur d'identification judiciaire" dans les parquets de tribunaux de première instance, modifié par les arrêtés royaux des 21 juin 1974 et 16 mai 1980;
6° l'arrêté royal du 21 mars 1984 réglant l'application de l'article 2 de la loi du 2 décembre 1982 intégrant la police de la jeunesse à la police judiciaire des parquets, à l'exception de l'article 2 qui reste en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi;
7° l'arrête royal du 2 avril 1991 relatif aux absences et à la position de disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité des officiers et agents judiciaires près les parquets, modifié par l'arrêté royal du 26 septembre 1995;
8° l'arrêté royal du 25 novembre 1991 relatif au recrutement des officiers et agents judiciaires près les parquets, modifié par les arrêtés royaux des 30 mars 1995, 8 août 1997 et 17 décembre 1998, à l'exception de l'article 15 qui reste en vigueur pour l'application de l'article 22 de l'arrête royal du 26 mars 2001 portant exécution des articles 13, 27, alinéas, 2 et 5 et 53 de la loi du 27 décembre 2000 portant diverses dispositions relatives à la position juridique du personnel des services de police et portant d'autres dispositions transitoires diverses;
9° l'arrêté royal du 11 juin 1992 relatif au commissionnement de certains agents judiciaires en qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi;
10° l'arrêté royal du 6 octobre 1992 fixant des règles particulières de mobilité des agents ayant appartenu aux services extérieurs de l'Administration des affaires civiles et criminelles;
11° l'arrêté royal du 19 décembre 1997 portant le statut administratif et pécuniaire des membres du personnel de la police judiciaire près les parquets, modifié par les arrêtés royaux des 13 juillet 1998 et 23 décembre 1998 et la loi du 13 mai 1999, à l'exception des dispositions suivantes qui restent en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi :
a) les articles 25 et 26 uniquement pour ce qui concerne l'application de l'article 113;
b) l'article 84, alinéas 1er et 2;
c) l'article 89, alinéas 1er et 2;
d) l'article 96, alinéas 1er et 2;
e) l'article 97, § 2;
f) les articles 98 à 107 y compris;
g) l'article 109, étant entendu que la promotion à l'ancienneté est accordée par l'autorité de nomination si l'intéressé ne bénéficie pas d'une évaluation non favorable, établie conformément aux dispositions contenues dans le PJPol;
h) l'article 111, étant entendu que la promotion à l'ancienneté est accordée par l'autorité de nomination si l'intéressé ne béneficie pas d'une évaluation non favorable, établie conformément aux dispositions contenues dans le PJPol;
i) l'article 113;
j) l'article 116, alinéa 2;
12° l'arrêté royal du 27 mars 1998 transférant certains agents du Comité supérieur de Contrôle du Ministère de la Fonction publique à la police judiciaire près les parquets, à l'exception de l'article 4 qui reste en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi (et à l'exception de l'article 21);
13° l'arrêté royal du 17 décembre 1998 relatif à la promotion d'agents judiciaires au grade de commissaire judiciaire ou de commissaire de laboratoire;
14° l'arrêté royal du 23 décembre 1998 relatif au recrutement et au stage des officiers et agents judiciaires près les parquets;
15° l'arrêté royal du 3 mai 1999 relatif aux congés et absences accordés aux officiers et agents judiciaires près les parquets;
16° l'arrêté ministériel du 30 décembre 1936 réglant les examens pour la fonction de chef et d'enregistreur des laboratoires de photographie judiciaire;
17° l'arrêté ministériel du 21 juin 1971 organisant les examens de capacité pour les candidats aux fonctions d'officier et d'agent de la police de la jeunesse;
18° l'arrêté ministériel du 29 juin 1973 organisant l'examen de capacité aux fonctions d'opérateur d'identification, modifié par les arrêtés ministériels des 12 août 1982 et 4 octobre 1985;
19° l'arrêté ministériel du 30 juin 1987 organisant l'examen de capacité aux fonctions d'électrotechnicien du service des télécommunications de la police judiciaire près les parquets;
20° l'arrêté ministériel du 22 avril 1993 relatif au stage, d'officiers et d'agents judiciaires près les parquets, modifié par l'arrêté ministériel du 5 avril 1995;
21° l'arrête ministériel du 15 juin 1993 déterminant les conditions d'aptitude physique requises pour les fonctions d'officier judiciaire ou d'agent judiciaire, de chef ou d'agent opérateur de laboratoire de police technique et scientifique, et de chef ou d'électrotechnicien du service des télécommunications de la police judiciaire près les parquets, modifié par les arrêtés ministériels des 5 avril 1995 et 1er août 1996;
22° l'arrêté ministériel du 11 mai 1998 relatif aux exigences de formation continuée pour les promotions par avancement de grade à la police judiciaire près les parquets;
23° l'arrêté ministériel du 6 juillet 1998 relatif aux modalites d'évaluation des candidats pour certaines promotions à la police judiciaire près les parquets;
24° l'arrêté ministériel du 20 juillet 1998 fixant la procédure de changement de résidence administrative des membres du personnel de la police judiciaire près les parquets;
25° l'arrêté ministériel du 29 juillet 1998 relatif aux épreuves d'avancement barémique à la police judiciaire près les parquets, modifié par l'arrêté ministériel du 23 décembre 1998;
26° l'arrêté ministériel du 18 décembre 1998 relatif à la promotion d'agents judiciaires près les parquets au grade de commissaire judiciaire ou commissaire de laboratoire;
27° l'arrêté ministériel du 23 décembre 1998 relatif au recrutement des officiers et agents judiciaires près les parquets;
28° l'arrêté ministériel du 23 février 1999 fixant les missions à exécuter par la police judiciaire pres les parquets en application de l'article 126, §2, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux.
1° l'arrêté royal du 14 juin 1929 autorisant les officiers judiciaires à porter la ceinture tricolore du modèle fixé aux arrêtés royaux des 3 décembre 1839 et 7 février 1859, réglant la tenue des commissaires de police;
2° l'arrêté royal du 30 octobre 1937 relatif à l'uniforme des officiers judiciaires;
3° l'arrêté royal du 22 septembre 1958 instituant un concours d'accession au grade de chef technicien au service "Identification judiciaire";
4° l'arrêté royal du 2 mai 1966 portant des mesures temporaires en faveur des certains membres du personnel de la police judiciaire;
5° l'arrêté royal du 15 janvier 1973 créant le grade de "rédacteur d'identification judiciaire" dans les parquets de tribunaux de première instance, modifié par les arrêtés royaux des 21 juin 1974 et 16 mai 1980;
6° l'arrêté royal du 21 mars 1984 réglant l'application de l'article 2 de la loi du 2 décembre 1982 intégrant la police de la jeunesse à la police judiciaire des parquets, à l'exception de l'article 2 qui reste en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi;
7° l'arrête royal du 2 avril 1991 relatif aux absences et à la position de disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité des officiers et agents judiciaires près les parquets, modifié par l'arrêté royal du 26 septembre 1995;
8° l'arrêté royal du 25 novembre 1991 relatif au recrutement des officiers et agents judiciaires près les parquets, modifié par les arrêtés royaux des 30 mars 1995, 8 août 1997 et 17 décembre 1998, à l'exception de l'article 15 qui reste en vigueur pour l'application de l'article 22 de l'arrête royal du 26 mars 2001 portant exécution des articles 13, 27, alinéas, 2 et 5 et 53 de la loi du 27 décembre 2000 portant diverses dispositions relatives à la position juridique du personnel des services de police et portant d'autres dispositions transitoires diverses;
9° l'arrêté royal du 11 juin 1992 relatif au commissionnement de certains agents judiciaires en qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi;
10° l'arrêté royal du 6 octobre 1992 fixant des règles particulières de mobilité des agents ayant appartenu aux services extérieurs de l'Administration des affaires civiles et criminelles;
11° l'arrêté royal du 19 décembre 1997 portant le statut administratif et pécuniaire des membres du personnel de la police judiciaire près les parquets, modifié par les arrêtés royaux des 13 juillet 1998 et 23 décembre 1998 et la loi du 13 mai 1999, à l'exception des dispositions suivantes qui restent en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi :
a) les articles 25 et 26 uniquement pour ce qui concerne l'application de l'article 113;
b) l'article 84, alinéas 1er et 2;
c) l'article 89, alinéas 1er et 2;
d) l'article 96, alinéas 1er et 2;
e) l'article 97, § 2;
f) les articles 98 à 107 y compris;
g) l'article 109, étant entendu que la promotion à l'ancienneté est accordée par l'autorité de nomination si l'intéressé ne bénéficie pas d'une évaluation non favorable, établie conformément aux dispositions contenues dans le PJPol;
h) l'article 111, étant entendu que la promotion à l'ancienneté est accordée par l'autorité de nomination si l'intéressé ne béneficie pas d'une évaluation non favorable, établie conformément aux dispositions contenues dans le PJPol;
i) l'article 113;
j) l'article 116, alinéa 2;
12° l'arrêté royal du 27 mars 1998 transférant certains agents du Comité supérieur de Contrôle du Ministère de la Fonction publique à la police judiciaire près les parquets, à l'exception de l'article 4 qui reste en vigueur pour l'application de l'article 242, alinéa 2, de la loi (et à l'exception de l'article 21);
13° l'arrêté royal du 17 décembre 1998 relatif à la promotion d'agents judiciaires au grade de commissaire judiciaire ou de commissaire de laboratoire;
14° l'arrêté royal du 23 décembre 1998 relatif au recrutement et au stage des officiers et agents judiciaires près les parquets;
15° l'arrêté royal du 3 mai 1999 relatif aux congés et absences accordés aux officiers et agents judiciaires près les parquets;
16° l'arrêté ministériel du 30 décembre 1936 réglant les examens pour la fonction de chef et d'enregistreur des laboratoires de photographie judiciaire;
17° l'arrêté ministériel du 21 juin 1971 organisant les examens de capacité pour les candidats aux fonctions d'officier et d'agent de la police de la jeunesse;
18° l'arrêté ministériel du 29 juin 1973 organisant l'examen de capacité aux fonctions d'opérateur d'identification, modifié par les arrêtés ministériels des 12 août 1982 et 4 octobre 1985;
19° l'arrêté ministériel du 30 juin 1987 organisant l'examen de capacité aux fonctions d'électrotechnicien du service des télécommunications de la police judiciaire près les parquets;
20° l'arrêté ministériel du 22 avril 1993 relatif au stage, d'officiers et d'agents judiciaires près les parquets, modifié par l'arrêté ministériel du 5 avril 1995;
21° l'arrête ministériel du 15 juin 1993 déterminant les conditions d'aptitude physique requises pour les fonctions d'officier judiciaire ou d'agent judiciaire, de chef ou d'agent opérateur de laboratoire de police technique et scientifique, et de chef ou d'électrotechnicien du service des télécommunications de la police judiciaire près les parquets, modifié par les arrêtés ministériels des 5 avril 1995 et 1er août 1996;
22° l'arrêté ministériel du 11 mai 1998 relatif aux exigences de formation continuée pour les promotions par avancement de grade à la police judiciaire près les parquets;
23° l'arrêté ministériel du 6 juillet 1998 relatif aux modalites d'évaluation des candidats pour certaines promotions à la police judiciaire près les parquets;
24° l'arrêté ministériel du 20 juillet 1998 fixant la procédure de changement de résidence administrative des membres du personnel de la police judiciaire près les parquets;
25° l'arrêté ministériel du 29 juillet 1998 relatif aux épreuves d'avancement barémique à la police judiciaire près les parquets, modifié par l'arrêté ministériel du 23 décembre 1998;
26° l'arrêté ministériel du 18 décembre 1998 relatif à la promotion d'agents judiciaires près les parquets au grade de commissaire judiciaire ou commissaire de laboratoire;
27° l'arrêté ministériel du 23 décembre 1998 relatif au recrutement des officiers et agents judiciaires près les parquets;
28° l'arrêté ministériel du 23 février 1999 fixant les missions à exécuter par la police judiciaire pres les parquets en application de l'article 126, §2, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux.
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions finales.
Art. 4. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 2001.
Art. 4. Le présent arrêté produit ses effets le 1er avril 2001.
Art. 5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 5. Notre Ministre de l'Intérieur et Notre Ministre de la Justice sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.