Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
7 SEPTEMBER 2001. - Besluit van de Vlaamse regering houdende diverse bepalingen met betrekking tot de personeelsleden van de Centra voor Leerlingenbegeleiding.
Titre
7 SEPTEMBRE 2001. - Arrêté du Gouvernement flamand portant diverses dispositions relatives aux personnels des centres d'encadrement des élèves (TRADUCTION).
Dokumentinformationen
Numac: 2001036389
Datum: 2001-09-07
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2001036389
Date: 2001-09-07
Moniteur: Voir
Tekst (36)
Texte (36)
HOOFDSTUK I. - Berekening van de dienstanciënniteit.
CHAPITRE I. - Calcul de l'ancienneté de service.
Afdeling 1. - Centra voor leerlingenbegeleiding van het Gemeenschapsonderwijs.
Section 1. - Centres d'encadrement des élèves de l'Enseignement communautaire.
Artikel 1. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de centra voor leerlingenbegeleiding van het gemeenschapsonderwijs komen eveneens, in uitvoering van artikel 4, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, onder de hierna vermelde voorwaarden, de diensten in aanmerking gepresteerd als :
contractueel personeelslid bij een PMS-centrum en/of het Vormingscentrum van de PMS-centra van het gemeenschapsonderwijs;
contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht;
klerk, gepresteerd vóór de overdracht naar het gemeenschapsonderwijs op 1 januari 1994 en tijdens de wettelijke vooropzegperiode na de overdracht met toepassing van artikel 201 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II;
gesubsidieerd contractueel personeelslid.
Article 1. Pour le calcul de l'ancienneté de service acquise dans les centres d'encadrement des élèves de l'enseignement communautaire, entrent également en ligne de compte, par application de l'article 4, § 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire, aux conditions sousmentionnées, les services prestés en qualité de :
membre du personnel contractuel auprès d'un centre PMS et/ou du Centre de formation des centres PMS de l'enseignement communautaire;
membre du personnel contractuel d'une équipe d'inspection médicale scolaire;
commis, avant le transfert à l'enseignement communautaire le 1er janvier 1994 et pendant la période de préavis légale après le transfert par application de l'article 201 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II;
membre du personnel contractuel subventionné.
Art. 2. § 1. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit van de personeelsleden die diensten hebben verricht zoals bedoeld in artikel 1 :
bestaat het aantal dagen gepresteerd als personeelslid in de hoedanigheid van de in artikel 1 vermelde diensten, in een betrekking met volledige dienstprestaties uit alle kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van de verlofdagen en vakantieperiodes als zij in deze periode vallen;
worden de dagen gepresteerd in de betrekking met onvolledige dienstprestaties die tenminste de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in aanmerking genomen als de dagen gepresteerd in een betrekking met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen in de betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren voor een betrekking met volledige dienstprestaties, wordt met de helft verminderd;
mag het aantal dagen gepresteerd in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende betrekkingen met volledige of onvolledige dienstprestaties nooit meer bedragen dan het aantal dagen gepresteerd in een betrekking met volledige dienstprestaties die tijdens dezelfde periode wordt uitgeoefend;
vormen dertig dagen een maand;
worden als diensten beschouwd, de dagen waarop het personeelslid effectief prestaties verrichtte, evenals :
a) de verlofdagen en vakantieperiodes;
b) de ziektedagen;
c) de bevallingsverloven en de borstvoedingsverloven;
d) de loopbaanonderbrekingen met inbegrip van de ouderschapsverloven;
kan gedurende een dienstjaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven;
wordt in voorkomend geval de dienstanciënniteit te zijn verworven in het ambt dat het personeelslid uitoefende na concordantie van zijn ambt zoals bedoeld in artikel 182 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding.
§ 2. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit van de personeelsleden bedoeld in artikel 1 :
kunnen de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid van een PMS-centrum of het Vormingscentrum van de PMS-centra van het Gemeenschapsonderwijs voor maximaal 720 dagen dienstanciënniteit in aanmerking genomen worden;
kunnen de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid van een gesubsidieerde MST-equipe enkel in aanmerking worden genomen voor personeelsleden die met toepassing van artikel 188 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding op 1 september 2000 werden overgedragen naar een centrum voor leerlingenbegeleiding van het Gemeenschapsonderwijs;
kunnen de diensten gepresteerd als klerk voor de overdracht enkel worden in aanmerking genomen als ze gepresteerd werden in een PMS-centrum van het Gemeenschapsonderwijs of van het Rijk;
kunnen de diensten gepresteerd als gesubsidieerd contractueel personeelslid van een PMS-centrum, van het Vormingscentrum van de PMS-centra of van een centrum voor leerlingenbegeleiding voor maximaal 720 dagen dienstanciënniteit in aanmerking genomen worden, onverminderd de bepalingen van artikel 191 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het Onderwijs-II en artikel 16 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het Onderwijs-III;
kunnen enkel diensten als gesubsidieerde contractueel in aanmerking genomen worden als het project uitdrukkelijk betrekking had op de PMS-centra of de centra voor leerlingenbegeleiding of als de plaats van tewerkstelling een PMS-centrum, een centrum voor leerlingenbegeleiding of het Vormingscentrum van de PMS-centra was, onverminderd de bepalingen van artikel 191 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het Onderwijs-II en artikel 16 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het Onderwijs-III.
Art. 2. § 1er. Pour le calcul de l'ancienneté de service des personnels ayant prestés des services tels que visés à l'article 1er :
le nombre de jours prestés comme membre du personnel en la qualité des services cités à l'article 1er, dans un emploi à prestations complètes comporte tous les jours calendaires allant du début à la fin de la période d'activités ininterrompue, y compris les jours de congé et les périodes de vacances s'ils tombent dans cette période;
les jours prestés dans un emploi à prestations incomplètes qui s'élèvent au moins à la moitié du nombre d'heures requises pour un emploi à prestations complètes sont valorisés au même titre que les jours prestés dans un emploi à prestations complètes. Le nombre de jours dans l'emploi qui ne s'élève pas à la moitié du nombre d'heures pour un emploi à prestations complètes, est réduit de la moitié;
le nombre de jours prestés dans deux ou plus de fonctions accomplies simultanément à prestations complètes ou incomplètes ne peut pas excéder le nombre de jours prestés dans une fonction à prestations complètes accomplie dans la même période;
trente jours égalent un mois;
sont considérés comme prestations, les jours pendant lesquels le membre du personnel rendait effectivement des prestations ainsi que :
a) les jours de congé et les périodes de vacances;
b) les journées de maladie;
c) les congés de maternité et d'allaitement;
d) les interruptions de la carrière y compris le congé parental;
pendant une année de service, une ancienneté de service de 360 jours au maximum peut être acquise;
le cas échéant, l'ancienneté de service est censée être acquise dans la fonction qu'exerçait le membre du personnel après que sa fonction fut concordée conformément à l'article 182 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves.
§ 2. Pour le calcul de l'ancienneté de service des personnels visés à l'article 1er :
les services prestés en tant que membre du personnel contractuel d'un centre PMS ou du centre de formation des centres PMS de l'Enseignement communautaire peuvent être pris en considération pour 720 jours d'ancienneté de service au maximum;
les services prestés en tant que membre du personnel contractuel d'une équipe MST subventionnée ne peuvent être pris en compte que pour les membres du personnel qui, par application de l'article 188 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves, ont été transférés le 1er septembre 2000 à un centre d'encadrement des élèves de l'Enseignement communautaire;
les services prestés en tant que commis avant le transfert ne peuvent être pris en considération que s'ils étaient prestés dans un centre PMS de l'Enseignement communautaire ou de l'Etat;
les services prestés en qualité de membre du personnel contractuel subventionné d'un centre PMS, du Centre de formation des centres PMS ou d'un centre d'encadrement des élèves peuvent être pris en considération pour 720 jours d'ancienneté de service au maximum, sans préjudice des dispositions de l'article 191 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'Enseignement-II et de l'article 16 du décret du 9 avril 1992 relatif à l'Enseignement-III;
seuls les services prestés en tant que contractuel subventionné peuvent être valorisés si le projet concernait explicitement les centres PMS ou les centres d'encadrement des élèves ou si le lieu d'emploi était un centre PMS, un centre d'encadrement des élèves ou le Centre de formation des centres PMS, sans préjudice des dispositions de l'article 191 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'Enseignement-II et de l'article 16 du décret du 9 avril 1992 relatif à l'Enseignement-III.
Afdeling 2. - Gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
Section 2. - Centres d'encadrement des élèves subventionnés.
Art. 3. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, komen eveneens, in uitvoering van artikel 6, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, onder de hierna vermelde voorwaarden, de diensten in aanmerking gepresteerd als :
contractueel personeelslid bij een PMS-centrum;
contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht;
gesubsidieerd contractueel personeelslid;
personeelslid bij een consultatiebureau voor gehandicapten.
Art. 3. Pour le calcul de l'ancienneté de service dans les centres d'encadrement des élèves subventionnés sont également valorisés, par application de l'article 6, § 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres d'encadrement des élèves subventionnés, aux conditions sousmentionnées, les services prestés en qualité de :
membre du personnel contractuel auprès d'un centre PMS;
membre du personnel d'une équipe d'inspection médicale scolaire;
le membre du personnel contractuel subventionné;
le membre du personnel auprès d'un bureau de consultation pour personnes handicapées.
Art. 4. § 1. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit van de personeelsleden die diensten hebben verricht zoals bedoeld in artikel 3 :
bestaat het aantal dagen gepresteerd als personeelslid in de hoedanigheid van de in artikel 3 vermelde diensten in een betrekking met volledige dienstprestaties uit alle kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van de verlofdagen en vakantieperiodes indien zij in deze periode vallen;
worden de dagen gepresteerd in de betrekking met onvolledige dienstprestaties die tenminste de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in aanmerking genomen als de dagen gepresteerd in een betrekking met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen in de betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren voor een betrekking met volledige dienstprestaties, wordt met de helft verminderd;
mag het aantal dagen gepresteerd in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende betrekkingen met volledige of onvolledige dienstprestaties nooit meer bedragen dan het aantal dagen gepresteerd in een betrekking met volledige dienstprestaties die tijdens dezelfde periode wordt uitgeoefend;
vormen dertig dagen een maand;
worden als diensten beschouwd, de dagen waarop het personeelslid effectief prestaties verrichtte, evenals :
a) de verlofdagen en vakantieperiodes;
b) de ziektedagen;
c) de bevallingsverloven en de borstvoedingsverloven;
d) de loopbaanonderbrekingen met inbegrip van de ouderschapsverloven;
kan gedurende een dienstjaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven;
wordt in voorkomend geval de dienstanciënniteit geacht te zijn verworven in het ambt dat het personeelslid uitoefende na concordantie van zijn ambt zoals bedoeld in artikel 182 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding.
§ 2. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit van de personeelsleden bedoeld in artikel 3, 1° en 3° :
kunnen de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid van een PMS-centrum voor maximaal 720 dagen dienstanciënniteit in aanmerking genomen worden;
kunnen de diensten gepresteerd als gesubsidieerd contractueel personeelslid van een PMS-centrum, een centrum voor leerlingenbegeleiding of een permanente ondersteuningscel voor maximaal 720 dagen dienstanciënniteit in aanmerking genomen worden, onverminderd de bepalingen van artikel 191 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het Onderwijs-II en artikel 16 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het Onderwijs-III;
kunnen enkel diensten als gesubsidieerde contractueel in aanmerking genomen worden als het project uitdrukkelijk betrekking had op de PMS-centra of de centra voor leerlingenbegeleiding of als de plaats van tewerkstelling een PMS-centrum, een centrum voor leerlingenbegeleiding of een permanente ondersteuningscel was, onverminderd de bepalingen van artikel 191 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het Onderwijs-II en artikel 16 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het Onderwijs-III.
Art. 4. § 1er. Pour le calcul de l'ancienneté de service des personnels ayant prestés des services tels que visés à l'article 3 :
le nombre de jours prestés comme membre du personnel en la qualité des services cités à l'article 3, dans un emploi à prestations complètes, comporte tous les jours calendaires allant du début à la fin de la période d'activités ininterrompue, y compris les jours de congé et les périodes de vacances s'ils tombent dans cette période;
les jours prestés dans un emploi à prestations incomplètes qui s'élèvent au moins à la moitié du nombre d'heures requises pour un emploi à prestations complètes. Le nombre de jours dans l'emploi qui ne s'élève pas à la moitié du nombre d'heures pour un emploi à prestations complètes, est réduit de la moitié;
le nombre de jours prestés dans deux ou plus de fonctions accomplies simultanément à prestations complètes ou incomplètes ne peut pas excéder le nombre de jours prestés dans une fonction à prestations complètes accomplie dans la même période;
trente jours égalent un mois;
sont considérés comme prestations, les jours pendant lesquels le membre du personnel rendait effectivement des prestations ainsi que :
a) les jours de congé et les périodes de vacances;
b) les journées de maladie;
c) les congés de maternité et d'allaitement;
d) les interruptions de la carrière y compris le congé parental;
pendant une année de service, une ancienneté de service de 360 jours au maximum peut être acquise;
le cas échéant, l'ancienneté de service est censée être acquise dans la fonction qu'exerçait le membre du personnel après que sa fonction fut concordée conformément à l'article 182 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves.
§ 2. Pour le calcul de l'ancienneté de service des personnels visés à l'article 3, 1° et 3° :
les services prestés en tant que membre du personnel contractuel d'un centre PMS peuvent être pris en considération pour 720 jours d'ancienneté de service au maximum;
les services rendus en tant que membre du personnel contractuel subventionné d'un centre PMS, d'un centre d'encadrement des élèves ou d'une cellule permanente d'appui peuvent être pris en considération pour 720 jours d'ancienneté de service au maximum, sans préjudice des dispositions de l'article 191 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'Enseignement-II et de l'article 16 du décret du 9 avril 1992 relatif à l'Enseignement-III;
seuls les services prestés en tant que contractuel subventionné peuvent être pris en considération si le projet concernait explicitement les centres PMS ou les centres d'encadrement des élèves ou si le lieu d'emploi était un centre PMS, un centre d'encadrement des élèves ou une cellule permanente d'appui, sans préjudice des dispositions de l'article 191 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'Enseignement-II et de l'article 16 du décret du 9 avril 1992 relatif à l'Enseignement-III.
HOOFDSTUK II. - Tijdelijke vervanging van boventallige klerken.
CHAPITRE II. - Remplacement temporaire de commis en surnombre.
Art. 5. Vanaf 1 september 2000 kunnen de boventallige klerken bedoeld in artikel 187 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, slechts vervangen worden door een tijdelijk personeelslid, indien de vastbenoemde boventallige klerk afwezig is om volgende redenen :
afwezigheid/non-activiteit voor lange duur gewettigd door familiale redenen;
afwezigheid/non-activiteit voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid;
politiek verlof/non-activiteit;
verlof wegens borstvoeding;
verlof wegens onderbreking van de beroepsloopbaan;
verlof voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet;
verlof wegens opdracht, zoals bedoeld in artikel 90, § 1 en § 2, 4°, 6°, 7°, 10° tot en met 15° en in artikel 91 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende Inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;
verlof om hun kandidatuur voor de wetgevende of provinciale verkiezingen voor te dragen;
10° verlof om een stage in een andere betrekking van de Staat, de provincies, de gemeenten, een daarmee gelijkgestelde openbare instelling, een gesubsidieerde officiële school of een gesubsidieerde vrije school of centrum te vervullen;
11° verlof uit hoofde van dwingende redenen van familiaal belang;
12° verlof voor vakbondsopdrachten;
13° verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen;
14° verlof voor terbeschikkingstelling van een jeugdorganisatie;
15° verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen;
16° terbeschikkingstelling wegens bijzondere opdracht;
17° terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden.
Art. 5. A partir du 1er septembre 2000, les commis en surnombre visés à l'article 187 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves ne sont remplacés par un membre du personnel temporaire que si le commis nommé définitivement en surnombre est absent pour les raisons suivantes :
absence/non-activité de longue durée justifiée par des raisons familiales;
absence/non-activité pour prestations réduites justifiées par des raisons personnelles;
congé politique/non-activité;
congé d'allaitement;
congé pour interruption de la carrière professionnelle;
congé pour accomplir certaines prestations au profit des groupes politiques reconnus dans les assemblées législatives de l'Etat et des Communautés ou des Régions, ou bien au profit des présidents de ces groupes;
congé pour exercer une fonction au sein d'un Cabinet ministériel;
congé pour mission, tel que visé à l'article 90, §§ 1er et 2, 4°, 6°, 7°, 10° à 15° inclus et à l'article 91 du décret relatif à l'inspection, au D.V.O. (Dienst voor Onderwijsontwikkeling - Service d'Etudes) et aux services d'encadrement pédagogique;
congé pour se présenter aux élections législatives ou provinciales;
10° congé pour accomplir un stage dans un autre emploi de l'Etat, des provinces, des communes, d'un établissement public assimilé, d'une école officielle subventionnée ou d'une école subventionnée ou d'un centre libre subventionné;
11° congé pour motif impérieux d'ordre familial;
12° congé syndical;
13° congé pour prestations réduites justifiées par des raisons sociales ou familiales;
14° congé pour être mis à la disposition des organisations de jeunesse;
15° congé pour exercer temporairement une autre mission;
16° disponibilité pour mission spéciale;
17° disponibilité pour convenances personnelles.
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse regering van 4 februari 2000 betreffende de overdracht van personeel van de psycho-medisch-sociale centra of de centra voor medisch schooltoezicht naar de centra voor leerlingenbegeleiding.
CHAPITRE III. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2000 relatif au transfert des personnels des centres psycho-médico-sociaux ou des centres d'inspection médicale scolaire aux centres d'encadrement des élèves.
Art. 6. In artikel 25, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 4 februari 2000 betreffende de overdracht van personeel van de psycho-medisch-sociale centra of de centra voor medisch schooltoezicht naar de centra voor leerlingenbegeleiding, worden tussen de woorden " 33 en 50 " en " in aanmerking " de woorden " aangevuld met de personeelsleden bedoeld in artikel 17, eerste lid, 4°, die niet zijn toegewezen in toepassing van hoofdstuk IV van dit besluit " ingevoegd.
Art. 6. Dans l'article 25, premier alinéa, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2000 relatif au transfert des personnels des centres psycho-médico-sociaux ou des centres d'inspection médicale scolaire aux centres d'encadrement des élèves, les mots " complétés par les personnels visés à l'article 17, premier alinéa, 4°, qui ne sont pas désignés par application du chapitre IV du présent arrêté " sont insérés entre les mots " 33 et 50 " et les mots " entrent en ligne de compte ".
Art. 7. Aan artikel 33 van hetzelfde besluit wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. De dienstanciënniteit bedoeld in § 1 wordt berekend overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, met dien verstande dat voor de berekening van de dienstanciënniteit ook de volgende periodes worden meegerekend :
de ziektedagen;
bevallingsverloven;
borstvoedingsverloven. ".
Art. 7. A l'article 33 du même arrêté, il est ajouté un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. L'ancienneté de service visée au § 1er est calculée conformément à l'article 4 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire, étant entendu que pour le calcul de l'ancienneté de service également les périodes suivantes soient prises en considération :
les journées de maladie;
les congés de maternité;
les congés d'allaitement. ".
Art. 8. In artikel 44, tweede lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden " 1 november 1999 " vervangen door de woorden " 1 januari 2000 ".
Art. 8. A l'article 44, deuxième alinéa, du même arrêté, les mots " 1er novembre 1999 " sont remplacés par les mots " 1er janvier 2000 ".
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra.
CHAPITRE IV. - Modifications à l'arrêté du gouvernement flamand du 16 décembre 1997 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux.
Art. 9. Aan artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. De personeelsleden die in toepassing van artikel 44 van het besluit van de Vlaamse regering van 4 februari 2000 betreffende de overdracht van personeel van de psycho-medisch-sociale centra of de centra voor medisch schooltoezicht naar de centra voor leerlingenbegeleiding worden overgedragen, worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als ressorterend onder dit artikel, als zij :
ofwel op 31 augustus 2000 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking genoten zoals bedoeld in § 1;
ofwel de leeftijd van 50 jaar bereikt hebben uiterlijk op 31 augustus 2000 en sedert 1 september 2000 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking genieten.
Artikel 5, 2°, is niet van toepassing op de personeelsleden bedoeld in het eerste lid, 1°. ".
Art. 9. A l'article 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 décembre 1997 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle des membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, il est ajouté un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. Les membres du personnel qui sont transférés aux centres d'encadrement des élèves par application de l'article 44 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2000 relatif au transfert des personnels des centres psycho-médico-sociaux ou des centres d'inspection médicale scolaire aux centres d'encadrement des élèves, relèvent pour l'application du présent article du présent article, s'ils :
ou bien bénéficiaient le 31 août 2000 d'une interruption de la carrière professionnelle partielle telle que visée au § 1er;
ou bien ont atteint l'âge de 50 ans le 31 août 2000 au plus tard et jouissent à partir du 1er septembre 2000 d'une interruption de la carrière professionnelle partielle.
L'article 5, 2° n'est pas applicable aux personnels visés au premier alinéa, 1°. ".
HOOFDSTUK V. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse regering van 13 oktober 2000 tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen en de weddeschalen van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding.
CHAPITRE V. - Modification à l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 octobre 2000 fixant les titres et les traitements du personnel des centres d'encadrement des élèves.
Art. 10. In artikel 5, § 4, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 oktober 2000 tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen en de weddeschalen van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding, worden tussen de woorden " dienstanciënniteit " en " in " de woorden " verworven in het ambt van medewerker in een centrum voor leerlingenbegeleiding " ingevoegd.
Art. 10. A l'article 5, § 4, deuxième alinéa, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 octobre 2000 fixant les titres et les traitements du personnel des centres d'encadrement des élèves, les mots " acquise dans la fonction de collaborateur au sein d'un centre d'encadrement des élèves " sont insérés entre les mots " ancienneté de neuf ans " et le mot " dans ".
HOOFDSTUK VI. - Bezoldigingsregeling.
CHAPITRE VI. - Régime pécuniaire.
Art. 11. Aan artikel 16, § 1, A, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, wordt een r) toegevoegd, die luidt als volgt :
" r) voor het personeelslid dat het ambt van arts of van directeur uitoefent in een centrum voor leerlingenbegeleiding : de diensten die het personeelslid sedert 1 september 1985 heeft gepresteerd in de hoedanigheid van zelfstandige arts of van contractuele arts van een psycho-medisch-sociaal centrum, van een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht of van een centrum voor leerlingenbegeleiding. Als de diensten gepresteerd werden in de hoedanigheid van zelfstandige arts, worden zij slechts voor de helft in aanmerking genomen, tenzij betrokkene kan aantonen dat de diensten ten minste een volume omvatten dat overeenstemt met de helft van een voltijdse functie als arts. De diensten gepresteerd in de hoedanigheid van zelfstandige arts, kunnen slechts voor maximum 10 jaar in aanmerking worden genomen. ".
Art. 11. A l'article 16, § 1er, A., de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, il est ajouté un point r), rédigé comme suit :
" r) pour le membre du personnel qui exerce la fonction de médecin ou de directeur dans un centre d'encadrement des élèves : les services que le membre du personnel a rendus en qualité de médecin indépendant ou de médecin contractuel d'un centre psycho-médico-social, d'une équipe d'inspection médicale scolaire subventionnée ou d'un centre d'encadrement des élèves. Si les services étaient rendus en qualité de médecin indépendant, ils ne sont valorisés que pour la moitié, à moins que la personne intéressée ne puisse démontrer que les services s'élèvent au moins à un volume correspondant à la moitié d'une fonction complète comme médecin. Les services prestés en qualité de médecin indépendant ne sont valorisables que pour une durée de dix ans au maximum. ".
Art. 12. In hetzelfde besluit wordt een artikel 47bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 47bis. De weddenanciënniteit die op 31 augustus 2000 in aanmerking werd genomen voor het bepalen van de wedde van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding die in toepassing van artikel 188 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, op 1 september 2000 zijn overgedragen vanuit een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht, wordt voor toepassing van artikel 192 van voormeld decreet beschouwd als zijnde verworven overeenkomstig de bepaling van dit besluit. Deze weddenanciënniteit blijft behouden bij een eventuele overgang naar een ambt van de categorie van het administratief personeel binnen een centrum voor leerlingenbegeleiding, eveneens overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs. ".
Art. 12. Dans le même arrêté, il est ajouté un article 47bis, inséré comme suit :
" Art. 47bis. L'ancienneté pécuniaire qui était prise en compte le 31 août 2000 pour la fixation du traitement des personnels des centres d'encadrement des élèves qui, par application de l'article 188 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves, sont transférés le 1er septembre 2000 à partir d'une équipe d'inspection médicale scolaire subventionnée, est considérée pour l'application de l'article 192 du décret précité comme étant acquise conformément à la disposition du présent arrêté. Cette ancienneté pécuniaire reste acquise lors d'un transfert éventuel à une fonction de la catégorie du personnel administratif dans un centre d'encadrement des élèves, également conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 1er décembre 1970 fixant le statut pécuniaire des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal. ".
Art. 13. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, wordt aangevuld met de volgende woorden " of bij de klasse " 22 jaar " ".
Art. 13. L'article 7 de l'arrêté royal du 1er décembre 1970 fixant le statut pécuniaire des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal est complété par les mots suivants " ou à la classe " 22 ans " ".
Art. 14. In artikel 14 van hetzelfde besluit worden in het eerste lid tussen de woorden " 20e jaar " en " naar gelang ", de woorden " of 22e jaar " ingevoegd.
Art. 14. A l'article 14 du même arrêté, les mots " ou 22e année " sont ajoutés après les mots " 20e année ".
Art. 15. In hetzelfde besluit wordt een artikel 33bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 33bis. De weddenanciënniteit die op 31 augustus 2000 in aanmerking werd genomen voor het bepalen van de wedde van de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding die in toepassing van artikel 188 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, op 1 september 2000 zijn overgedragen vanuit een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht, wordt voor toepassing van artikel 192 van voormeld decreet beschouwd als zijnde verworven overeenkomstig de bepaling van dit besluit. Deze weddenanciënniteit blijft behouden bij een eventuele overgang naar een ambt van de categorie van het technisch personeel binnen een centrum voor leerlingenbegeleiding, eveneens overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs. ".
Art. 15. Dans le même arrêté, il est inséré un article 33bis, rédigé comme suit :
" Art. 33bis. L'ancienneté pécuniaire qui était prise en compte le 31 août 2000 pour la fixation du traitement des personnels des centres d'encadrement des elèves qui par application de l'article 188 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves sont transférés le 1er septembre 2000 à partir d'une équipe d'inspection médicale scolaire subventionnée, est considérée pour l'application de l'article 192 du décret précité comme étant acquise conformément à la disposition du présent arrêté. Cette ancienneté pécuniaire reste acquise lors d'un transfert éventuel à une fonction de la catégorie du personnel technique dans un centre d'encadrement des élèves, également conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique. ".
HOOFDSTUK VII. - Verlofstelsels.
CHAPITRE VII. - Régimes de congé.
Art. 16. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1981 betreffende het syndicaal verlof in het Gesubsidieerd onderwijs wordt aangevuld met een tweede lid, dat luidt als volgt :
" De bepalingen van dit besluit zijn eveneens van toepassing op de vastbenoemde personeelsleden van de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, bedoeld in het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding. ".
Art. 16. L'article 1er de l'arrêté royal du 16 décembre 1981 relatif au congé syndical dans l'enseignement subventionné est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Les dispositions du présent arrêté sont également applicables aux membres du personnel nommés à titre définitif des centres d'encadrement des élèves subventionnés, vises au décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves. ".
Art. 17. Het opschrift van het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de vakantie- en verlofregeling van het stagedoend en vastbenoemd technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, de Rijksvormingscentra en de inspectiediensten, wordt vervangen door wat volgt :
" Koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de verlofregeling van het vastbenoemd technisch personeel van de centra voor leerlingenbegeleiding. ".
Art. 17. L'intitulé de l'arrêté royal du 19 mai 1981 relatif aux vacances et aux congés des membres stagiaires ou nommés à titre définitif du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, des centres de formation de l'Etat et des services d'inspection est remplacé par ce qui suit :
" Arrêté royal du 19 mai 1981 relatif au régime de vacances du personnel technique nommé à titre définitif des centres d'encadrement des élèves. ".
Art. 18. Het opschrift van hoofdstuk I van hetzelfde besluit wordt vervangen door :
" HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied. ".
Art. 18. L'intitulé du Chapitre Ier du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" CHAPITRE I. - Champ d'application. ".
Art. 19. Artikel 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de vastbenoemde leden van het technisch personeel van de centra voor leerlingenbegeleiding. ".
Art. 19. L'article 1er du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Article 1. Le présent arrêté est applicable aux membres nommés à titre définitif du personnel technique des centres d'encadrement des élèves. ".
Art. 20. In afwijking van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet door personeelsleden van het onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra, is het voornoemd besluit tot uiterlijk 1 januari 2002 van toepassing op de tijdelijke personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding die op 1 september 2000 in toepassing van artikel 188 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding zijn overgedragen vanuit een gesubsidieerde equipe voor medisch schooltoezicht, voor zover zij behoren tot prioriteitscategorie 1 in toepassing van het besluit van 4 februari 2000 betreffende de overdracht van personeel van de psycho-medisch-sociale centra of de centra voor medisch schooltoezicht naar de centra voor leerlingenbegeleiding.
Art. 20. Par dérogation à l'article 1er de l'arrête du Gouvernement flamand du 28 juillet 1995 relatif au congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel par des membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, l'arrêté précité est d'application jusqu'au 1er janvier 2002 aux membres du personnel temporaires des centres d'encadrement des élèves qui sont transférés le 1er septembre 2000 par application de l'article 188 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves à partir d'une équipe d'inspection médical scolaire subventionnée pour autant qu'ils appartiennent à la catégorie prioritaire 1 en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2000 relatif au transfert des personnels des centres psycho-médico-sociaux ou des centres d'inspection médicale scolaire aux centres d'encadrement des élèves.
HOOFDSTUK VIII. - Vaste benoeming op 1 januari 2001.
CHAPITRE VIII. - Nomination définitive le 1er janvier 2001.
Art. 21. Voor de vaste benoeming op 1 januari 2001 zoals bedoeld in artikel 190, § 2, van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, worden de personeelsleden die op 1 september 2000 zijn overgedragen met toepassing van artikel 188 van hetzelfde decreet, geacht zich kandidaat te hebben gesteld in de vorm en binnen de termijn bepaald in artikel 31ter, § 2, 2°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of in artikel 36quater, § 2, 2°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.
Art. 21. Pour la nomination définitive le 1er janvier 2001 telle que visée à l'article 190, § 2, du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves, les membres du personnel qui sont transférés le 1er septembre 2000 par application de l'article 188 du même décret, sont censés avoir proposé leur candidature dans la forme et le délai fixés à l'article 31ter, § 2, 2° du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres d'encadrement des élèves subventionnés ou à l'article 36quater, § 2, 2° du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire.
Art. 22. Alle betrekkingen in wervingsambten op de door de overdrachtscommissies goedgekeurde personeelsformaties van de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding worden geacht vacant verklaard en meegedeeld te zijn overeenkomstig artikel 33 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
Art. 22. Tous les emplois dans les fonctions de recrutement figurant aux cadres organiques des centres d'encadrement des élèves subventionnés approuvés par les commissions de transfert sont censés être déclarés vacants et communiqués conformément à l'article 33 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres d'encadrement des élèves subventionnés.
HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions finales.
Art. 23. Worden opgeheven :
het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra, met uitzondering van de artikelen 3, § 6, 6, 11, 12, 15 tot en met 18, 20, 44;
het koninklijk besluit van 11 februari 1970 tot vaststelling van de normen in verband met het aantal betrekkingen van assistent-verpleegster en van het administratief personeel in de psycho-medisch-sociale rijkscentra belast met het uitvoeren van het medisch schooltoezicht in de rijksscholen;
het koninklijk besluit van 12 oktober 1970 tot vaststelling van het organiek basiskader van het administratief personeel der psycho-medisch-sociale rijkscentra, afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur;
het ministerieel besluit van 29 april 1975 tot vaststelling van het bedrag der erelonen van de geneesheren verbonden aan de psycho-medisch-sociale Rijkscentra;
het koninklijk besluit van 18 juni 1979 tot oprichting van Rijksvormingscentra voor het technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra en van de gespecialiseerde Rijks-psycho-medisch-sociale centra en tot vaststelling van de benoemingsvoorwaarden van de leden van het technisch personeel van de Rijksvormingscentra;
de volgende artikelen van het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de gespecialiseerde Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de Rijksvormingscentra en van de inspectiediensten belast met het toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra :
- artikel 2;
- artikel 16;
- artikel 71;
- artikel 85;
- artikel 86;
- de artikelen 174 tot en met 176;
- artikel 198;
de volgende artikelen van het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de vakantie- en verlofregeling van het stagedoend en vastbenoemd technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, de Rijksvormingscentra en de inspectiediensten :
- de artikelen 2 tot en met 3;
- artikel 9, laatste lid, laatste zin;
- de artikelen 10 tot en met 12;
- artikel 14, laatste lid;
- artikel 14bis, laatste lid;
- artikel 27, laatste lid;
- artikel 29, tweede lid;
- artikel 30, § 1, laatste lid;
het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende het verlof voor afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, van het stagedoend en vastbenoemd technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, de Rijksvormingscentra en de inspectiediensten;
het koninklijk besluit van 11 juni 1981 betreffende de afwezigheid van lange duur gewettigd door familiale redenen, van de leden van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra en diensten voor studie- en beroepsoriëntering;
10° het koninklijk besluit van 24 augustus 1981 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra en van de diensten voor studie- en beroepsoriëntering, met uitzondering van de artikelen 23 tot en met 25;
11° het ministerieel besluit van 5 oktober 1981 tot vaststelling van het minimumprogramma en de vorm van het jaarprogramma van de psycho-medisch-sociale centra, evenals van de vorm van het activiteitenprogramma van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra;
12° het ministerieel besluit van 15 oktober 1981 tot vaststelling van de vereisten waaraan de agenda en de dossiers met betrekking tot de psycho-medisch-sociale begeleiding moeten beantwoorden;
13° het koninklijk besluit van 16 december 1981 betreffende het syndicaal verlof in gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra en diensten voor studie- en beroepsoriëntering;
14° het ministerieel besluit van 14 juni 1983 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder gegevens betreffende een leerling, die niet meer tot het werkgebied van een centrum behoort, mogen worden overgemaakt aan een ander centrum, waarvan de leerling tot het werkgebied behoort;
15° het besluit van de Vlaamse regering van 30 juli 1985 betreffende de verplichtingen en de opdrachten inzake medisch schooltoezicht, en houdende de erkenningsvoorwaarden en subsidiëring van equipes en centra medisch schooltoezicht, met uitzondering van de bijlage 2 " Technische voorwaarden inzake inrichting en uitrusting van de lokalen waarin een centrum voor medisch schooltoezicht gevestigd is " van dit besluit;
16° het ministerieel besluit van 13 september 1990 houdende erkenning en aanduiding van psycho-medisch-sociale centra, belast met het uitvoeren van opdrachten ten behoeve van de leerlingen uit het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de deelnemers uit de erkende vormingen voor het vervullen van de deeltijdse leerplicht;
17° het ministerieel besluit van 15 januari 1992 betreffende de schriftelijke weigering tot individuele begeleiding door een psycho-medisch-sociaal centrum;
18° het besluit van de Vlaamse regering van 24 september 1996 houdende maatregelen tot begeleiding van migrantenleerlingen in de psycho-medisch-sociale centra.
Art. 23. Sont abrogés :
l'arrêté royal du 13 août 1962 organique des centres psycho-médico-sociaux, à l'exception des articles 3, § 6, 6, 11, 12, 15 à 18 inclus, 20, 44;
l'arrêté royal du 11 février 1970 fixant les normes relatives au nombre d'emplois des assistantes infirmières et du personnel administratif des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat chargés d'assurer l'inspection médicale scolaire dans les établissements scolaires de l'Etat;
l'arrêté royal du 12 octobre 1970 fixant le cadre organique de base du personnel administratif des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, relevant du Ministère de l'Education nationale et de la Culture néerlandaise;
l'arrêté ministériel du 29 avril 1975 fixant le montant des honoraires des médecins rattachés aux centres psycho-médico-sociaux de l'Etat;
l'arrêté royal du 18 juin 1979 instituant des centres de l'Etat pour la formation du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat et des centres psycho-médico-sociaux spécialisés de l'Etat et fixant les conditions de nomination des membres du personnel technique des centres de formation de l'Etat;
les articles suivants de l'arrêté royal du 27 juillet 1979 portant le statut du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, des centres psycho-médico-sociaux spécialisés de l'Etat, des centres de formation de l'Etat ainsi que des services d'inspection charges de la surveillance des centres psycho-médico-sociaux, des offices d'orientation scolaire et professionnelle, des centres psycho-médico-sociaux spécialisés :
- l'article 2;
- l'article 16;
- l'article 71;
- l'article 85;
- l'article 86;
- les articles 174 à 176 inclus;
- l'article 198;
les articles suivants de l'arrêté royal du 19 mai 1981 relatif aux vacances et aux congés des membres stagiaires ou nommés à titre définitif du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, des centres de formation de l'Etat et des services d'inspection :
- les articles 2 à 3 inclus;
- l'article 9, dernier alinéa, dernière phrase;
- les articles 10 à 12 inclus;
- l'article 14, dernier alinéa;
- l'article 14bis, dernier alinéa;
- l'article 27, dernier alinéa;
- l'article 29, deuxième alinéa;
- l'article 30, § 1er, dernier alinéa;
l'arrêté royal du 19 mai 1981 relatif aux congés pour les absences de longue durée justifiées par des raisons familiales, des membres stagiaires et nommés à titre définitif du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, des centres de formation de l'Etat et des services d'inspection;
l'arrêté royal du 11 juin 1981 relatif aux absences de longue durée justifiees par des raisons familiales, des membres du personnel des centres psycho-médico-sociaux et offices d'orientation scolaire et professionnelle subventionnés;
10° l'arrêté royal du 24 août 1981 modifiant l'arrêté royal du 13 août 1962 organique des centres psycho-médico-sociaux et des offices d'orientation scolaire et professionnelle, à l'exception des articles 23 à 25 inclus;
11° l'arrêté ministériel du 5 octobre 1981 fixant le programme minimum et la forme du programme annuel des centres psycho-médico-sociaux, ainsi que la forme du programme d'activités des centres psycho-médico-sociaux subventionnés;
12° l'arrêté ministériel du 15 octobre 1981 fixant les modalités auxquelles le calendrier et les dossiers de guidance psycho-médico-sociale doivent satisfaire;
13° l'arrête royal du 16 décembre 1981 concernant le congé syndical dans les centres psycho-médico-sociaux et les offices d'orientation scolaire et professionnelle subventionnés;
14° l'arrêté ministériel du 14 juin 1983 fixant les conditions selon lesquelles des données concernant un élève qui n'appartient plus au ressort d'activités d'un centre, peuvent être transmises à un autre centre, dont l'éleve appartient au ressort d'activités;
15° l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 juillet 1985 concernant les obligations et les missions dans le domaine de l'inspection médicale scolaire, fixant les conditions d'agrément des équipes et des centres d'inspection médicale scolaire et réglant le subventionnement de ces équipes et de ces centres, à l'exception de l'annexe 2 "Conditions techniques d'aménagement et d'équipement des locaux où est installé un centre d'inspection médicale scolaire" de cet arrêté;
16° l'arrêté ministériel du 13 septembre 1990 portant agrément et désignation des centres psycho-médico-sociaux, chargés de l'exécution de missions au profit des elèves de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et des participants des formations agréées pour l'accomplissement de l'obligation scolaire à temps partiel;
17° l'arrêté ministériel du 15 janvier 1992 relatif au refus écrit de la guidance individuelle d'un centre psycho-médico-social;
18° l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 septembre 1996 portant des mesures d'encadrement des élèves migrants dans les centres psycho-médico-sociaux.
Art. 24. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2000, met uitzondering van de artikelen van hoofdstuk III, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2000.
Art. 24. Le présent arrêté produit ses effets le 1er septembre 2000, a l'exception des articles du chapitre III, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2000.
Art. 25. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 7 september 2001.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen,
Mevr. M. VOGELS
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
Mevr. M. VANDERPOORTEN
Art. 25. Le Ministre flamand, compétent pour la Politique de la Santé, et le Ministre flamand, compétent pour l'Enseignement, sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 7 septembre 2001.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
Le Ministre flamand de l'Aide sociale, de la Santé et de l'Egalité des Chances,
Mme M. VOGELS
Le Ministre flamand de l'Enseignement et de la Formation,
Mme M. VANDERPOORTEN