Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
18 SEPTEMBER 1997. - Collectieve arbeidsovereenkomst van 18 september 1997, gesloten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, tot uitvoering van de sectorale regeling van de flexibele arbeidsweek (Overeenkomst geregistreerd op 12 november 1998 onder het nummer 49463/CO/124). (NOTA : De wijzigingen van deze CAO, gepubliceerd vanaf 1 juli 2002, zijn niet meer opgenomen in deze tekst).
Titre
18 SEPTEMBRE 1997. - Convention collective de travail du 18 septembre 1997, conclue au sein de la Commission paritaire de la construction, portant exécution du régime sectoriel de la semaine de travail flexible (Convention enregistrée le 12 novembre 1998 sous le numéro 49463/CO/124). (NOTE : Les modifications de cette CCT publiées à partir du 1er juillet 2002 ne sont pas intégrées à ce texte).
Dokumentinformationen
Numac: 2001A12891
Datum: 1997-09-18
Info du document
Numac: 2001A12891
Date: 1997-09-18
Inhoud
Inhoud
Tekst (29)
Texte (29)
Afdeling 1. - Toepassingsgebied.
Section 1. - Champ d'application.
Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten in uitvoering van titel III - hoofdstuk I - afdeling 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 15 mei 1997 tot organisatie van de regelingen ter bevordering van de tewerkstelling in 1997 en 1998, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 20 oktober 1999 (Belgisch Staatsblad van 6 december 1999) hierna kader-collectieve arbeidsovereenkomst genoemd.
Article 1. La présente convention collective de travail est conclue en exécution du titre III - chapitre I - section 1re de la convention collective de travail du 15 mai 1997 portant organisation des régimes de promotion de l'emploi pour les années 1997 et 1998, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 20 octobre 1999 (Moniteur belge du 6 décembre 1999) ci-après dénommée la convention-cadre.
Art. 2. Deze overeenkomst is eveneens gesloten in toepassing van de bepalingen van de wet van 17 maart 1987 betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen (Belgisch Staatsblad van 12 juni 1987) en de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 42 van 2 juni 1987, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 18 juni 1987 (Belgisch Staatsblad van 26 juni 1987).
Art. 2. La présente convention est également conclue en application des dispositions de la loi du 17 mars 1987 relative à l'introduction de nouveaux régimes de travail dans les entreprises (Moniteur belge du 12 juin 1987) et de la convention collective de travail n° 42, conclue au sein du Conseil national du travail du 2 juin 1987, relatives à l'introduction de nouveaux régimes de travail dans les entreprises, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 18 juin 1987 (Moniteur belge du 26 juin 1987).
Art. 3. Deze overeenkomst is van toepassing op de werkgevers en de arbeiders van de ondernemingen die behoren tot het Paritair Comité voor het bouwbedrijf voor zover deze werkgevers beslissen toe te treden tot titel III - hoofdstuk I - afdeling 1 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst.
Onder "arbeiders" wordt verstaan de arbeiders en de arbeidsters.
Onder "arbeiders" wordt verstaan de arbeiders en de arbeidsters.
Art. 3. La présente convention est applicable aux employeurs et aux ouvriers des entreprises qui ressortissent à la Commission paritaire de la construction, pour autant que ces employeurs décident d'adhérer au titre III - chapitre I - section 1re de la convention-cadre.
Par "ouvriers" on entend les ouvriers et les ouvrières.
Par "ouvriers" on entend les ouvriers et les ouvrières.
Afdeling 2. - Toepassingsmodaliteiten van de inhaalrust.
Section 2. - Modalités d'application du repos compensatoire.
Art. 4. De bijkomende uren, bedoeld bij artikel 71 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst, moeten worden ingehaald door volledige rustdagen die worden toegekend tijdens de bij artikel 73 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde ononderbroken periode van 12 maanden.
Dit inhalen gebeurt door toekenning van één rustdag per acht gepresteerde bijkomende uren.
Dit inhalen gebeurt door toekenning van één rustdag per acht gepresteerde bijkomende uren.
Art. 4. La compensation des heures complémentaires visées à l'article 71 de la convention-cadre doit s'opérer par des jours complets de repos octroyés durant la période ininterrompue de 12 mois visée à l'article 73 de la convention-cadre.
Cette compensation s'opère à raison d'un jour de repos par tranche de 8 heures complémentaires prestées.
Cette compensation s'opère à raison d'un jour de repos par tranche de 8 heures complémentaires prestées.
Art. 5. De bij artikel 4 bedoelde inhaalrust moet samenvallen met de bij artikel 74 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst bepaalde dagen of perioden van slecht weer of gebrek aan werk.
De inhaalrust mag op geen ander dan in het eerste lid bedoelde moment worden toegekend behalve indien :
- de bij artikel 75 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde interne grens van 65 uren werd bereikt;
- de bij artikel 74 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde dagen of perioden niet volstaan om het saldo bijkomende uren op te vangen vóór het einde van de ononderbroken periode van 12 maanden zoals bedoeld bij artikel 73 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst.
De inhaalrust mag op geen ander dan in het eerste lid bedoelde moment worden toegekend behalve indien :
- de bij artikel 75 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde interne grens van 65 uren werd bereikt;
- de bij artikel 74 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde dagen of perioden niet volstaan om het saldo bijkomende uren op te vangen vóór het einde van de ononderbroken periode van 12 maanden zoals bedoeld bij artikel 73 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst.
Art. 5. Le repos compensatoire visé à l'article 4 doit coïncider avec les journées ou période d'intempéries ou de manque de travail déterminées par l'article 74 de la convention-cadre.
Le repos ne peut être octroyé à d'autres moments que ceux visés à l'alinéa 1er que dans les cas où :
- la limite interne de 65 heures visée à l'article 75 de la convention-cadre est atteinte;
- les journées ou périodes déterminées par l'article 74 de la convention-cadre sont insuffisantes pour résorber le solde d'heures complémentaires avant la fin de la période ininterrompue de 12 mois visée à l'article 73 de la convention-cadre.
Le repos ne peut être octroyé à d'autres moments que ceux visés à l'alinéa 1er que dans les cas où :
- la limite interne de 65 heures visée à l'article 75 de la convention-cadre est atteinte;
- les journées ou périodes déterminées par l'article 74 de la convention-cadre sont insuffisantes pour résorber le solde d'heures complémentaires avant la fin de la période ininterrompue de 12 mois visée à l'article 73 de la convention-cadre.
Art. 6. De bij artikel 5, lid 2 bedoelde inhaalrust moet samenvallen met een dag waarop de arbeider normaal zou hebben gewerkt indien deze arbeider geen inhaalrust, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel 5, lid 2, had genoten.
Art. 6. Le repos compensatoire visé à l'article 5, alinéa 2, doit coïncider avec un jour durant lequel l'ouvrier aurait normalement travaillé si cet ouvrier n'avait pas bénéficié, conformément aux dispositions de cet article 5, alinéa 2, du repos compensatoire.
Afdeling 3. - Beloning van de bijkomende uren.
Section 3. - La rémunération des heures complémentaires.
Art. 7. In toepassing van artikel 76 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst en van artikel 9bis van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers (Belgisch Staatsblad van 30 april 1965), wordt het loon voor de bijkomende uren betaald op het einde van de betaalperiode waarin de inhaalrust wordt toegekend.
Art. 7. En application de l'article 76 de la convention-cadre et de l'article 9bis de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs (Moniteur belge du 30 avril 1965), la rémunération des heures complémentaires est payée à la fin de la période de paie au cours de laquelle le repos est octroyé.
Art. 8. Indien de inhaalrust niet kan worden toegekend vóór het einde van de arbeidsovereenkomst moet het loon voor de bijkomende uren worden betaald, uiterlijk op de eerste betaaldag die volgt op de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt.
Art. 8. Lorsque le repos compensatoire ne peut être octroyé avant la fin du contrat de travail, la rémunération des heures complémentaires doit être payée au plus tard au premier jour de paie qui suit la date à laquelle le contrat de travail a pris fin.
Art. 9. Bij elke definitieve afrekening van het maandloon :
1. vermeldt de werkgever het aantal bijkomende uren waarvoor het loon, overeenkomstig artikel 7 van deze overeenkomst, wordt uitgesteld op de afrekening die hij de arbeider bezorgt;
2. voegt de werkgever een kopie van de bij artikel 10 van deze overeenkomst bedoelde maandelijkse prestatiestaat bij de afrekening die hij de arbeider bezorgt.
De bepalingen van lid 1 zijn opgesteld zonder afbreuk te doen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de bescherming van het loon van de werknemers en meer bepaald het koninklijk besluit van 18 januari 1984 betreffende de informatie van de werknemers over de staat van hun prestaties, wanneer hun arbeidsstelsel georganiseerd is overeenkomstig de artikelen 20, § 2, 20bis en 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 (Belgisch Staatsblad van 18 februari 1984).
1. vermeldt de werkgever het aantal bijkomende uren waarvoor het loon, overeenkomstig artikel 7 van deze overeenkomst, wordt uitgesteld op de afrekening die hij de arbeider bezorgt;
2. voegt de werkgever een kopie van de bij artikel 10 van deze overeenkomst bedoelde maandelijkse prestatiestaat bij de afrekening die hij de arbeider bezorgt.
De bepalingen van lid 1 zijn opgesteld zonder afbreuk te doen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de bescherming van het loon van de werknemers en meer bepaald het koninklijk besluit van 18 januari 1984 betreffende de informatie van de werknemers over de staat van hun prestaties, wanneer hun arbeidsstelsel georganiseerd is overeenkomstig de artikelen 20, § 2, 20bis en 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 (Belgisch Staatsblad van 18 februari 1984).
Art. 9. Lors de chaque règlement définitif de la rémunération du mois, l'employeur :
1. mentionne dans le décompte remis à l'ouvrier le nombre d'heures complémentaires pour lesquelles la rémunération est différée conformément à l'article 7 de la présente convention;
2. joint au décompte remis à l'ouvrier une copie de l'état mensuel des prestations visé à l'article 10 de la présente convention.
Les dispositions de l'alinéa 1er sont établies sans préjudice de l'application des dispositions légales et réglementaires concernant la protection de la rémunération des travailleurs, et en particulier les dispositions de l'arrêté royal du 18 janvier 1984 relatif à l'information des travailleurs sur l'état de leurs prestations, lorsque le régime de travail est organisé conformément aux articles 20, § 2, 20bis et 26bis de la loi du 16 mars 1971 sur le travail (Moniteur belge du 18 février 1984).
1. mentionne dans le décompte remis à l'ouvrier le nombre d'heures complémentaires pour lesquelles la rémunération est différée conformément à l'article 7 de la présente convention;
2. joint au décompte remis à l'ouvrier une copie de l'état mensuel des prestations visé à l'article 10 de la présente convention.
Les dispositions de l'alinéa 1er sont établies sans préjudice de l'application des dispositions légales et réglementaires concernant la protection de la rémunération des travailleurs, et en particulier les dispositions de l'arrêté royal du 18 janvier 1984 relatif à l'information des travailleurs sur l'état de leurs prestations, lorsque le régime de travail est organisé conformément aux articles 20, § 2, 20bis et 26bis de la loi du 16 mars 1971 sur le travail (Moniteur belge du 18 février 1984).
Afdeling 4. - Modaliteiten van de controle op het inhalen van de bijkomende uren.
Section 4. - Modalités de contrôle de la compensation des heures complémentaires.
Art. 10. De werkgever houdt voor elke arbeider die valt onder de toepassing van de sectorale regeling van de flexibele arbeidsweek zoals georganiseerd bij deze collectieve arbeidsovereenkomst en de kader-collectieve arbeidsovereenkomst, een maandelijkse prestatiestaat bij die volgende vermeldingen bevat :
- de identiteit van de werkgever;
- de identiteit van de werknemer;
- het aantal tijdens de maand gepresteerde bijkomende uren;
- het aantal tijdens de maand ingehaalde bijkomende uren;
- het saldo in te halen bijkomende uren;
- de data van de tijdens de maand toegekende rustdagen;
- de omstandigheden die de toekenning van de rustdagen rechtvaardigen.
De raad van bestuur van het Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf (F.B.Z.) verduidelijkt de vermeldingen van lid 1 en stelt het model van de maandelijkse prestatiestaat vast.
- de identiteit van de werkgever;
- de identiteit van de werknemer;
- het aantal tijdens de maand gepresteerde bijkomende uren;
- het aantal tijdens de maand ingehaalde bijkomende uren;
- het saldo in te halen bijkomende uren;
- de data van de tijdens de maand toegekende rustdagen;
- de omstandigheden die de toekenning van de rustdagen rechtvaardigen.
De raad van bestuur van het Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf (F.B.Z.) verduidelijkt de vermeldingen van lid 1 en stelt het model van de maandelijkse prestatiestaat vast.
Art. 10. L'employeur tient, pour chaque ouvrier concerné par l'application du régime sectoriel de la semaine de travail flexible, organisé conformément aux dispositions de la présente convention et de la convention-cadre, un état mensuel des prestations comportant notamment les mentions suivantes :
- l'identité de l'employeur;
- l'identité du travailleur;
- le nombre d'heures complémentaires prestées au cours du mois;
- le nombre d'heures complémentaires récupérées au cours du mois;
- le solde d'heures complémentaires à récupérer;
- la date des jours de repos compensatoires octroyés au cours du mois;
- les circonstances qui ont justifié l'octroi du repos compensatoire.
Le conseil d'administration du Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction (F.S.E.) précise les mentions visées à l'alinéa 1er et arrête le modèle de l'état mensuel des prestations.
- l'identité de l'employeur;
- l'identité du travailleur;
- le nombre d'heures complémentaires prestées au cours du mois;
- le nombre d'heures complémentaires récupérées au cours du mois;
- le solde d'heures complémentaires à récupérer;
- la date des jours de repos compensatoires octroyés au cours du mois;
- les circonstances qui ont justifié l'octroi du repos compensatoire.
Le conseil d'administration du Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction (F.S.E.) précise les mentions visées à l'alinéa 1er et arrête le modèle de l'état mensuel des prestations.
Art. 11. De werkgever stuurt maandelijks de bij artikel 10 bedoelde maandelijkse prestatiestaat naar het F.B.Z.
De raad van bestuur van het F.B.Z. stelt de termijnen en modaliteiten vast voor het bij lid 1 bedoelde overmaken van de prestatiestaten.
De raad van bestuur van het F.B.Z. stelt de termijnen en modaliteiten vast voor het bij lid 1 bedoelde overmaken van de prestatiestaten.
Art. 11. Chaque mois, l'employeur communique l'état mensuel des prestations visé à l'article 10 au F.S.E.
Le conseil d'administration du F.S.E. arrête les délais et modalités de la communication visée à l'alinéa 1.
Le conseil d'administration du F.S.E. arrête les délais et modalités de la communication visée à l'alinéa 1.
Art. 12. Het F.B.Z. is gemachtigd na te gaan of in de onderneming het inhalen van de bijkomende uren gebeurt in overeenstemming met de artikelen 4 tot 7 van deze overeenkomst. Hiervoor kan het F.B.Z. de werkgever om bijkomende inlichtingen vragen en zich een kopie van elk bewijsstuk laten overmaken.
Art. 12. Le F.S.E. est habilité à vérifier la conformité de la compensation des heures complémentaires dans l'entreprise aux dispositions des articles 4 à 7 de la présente convention. A cet effet, le F.S.E. peut demander des renseignements complémentaires à l'employeur et se faire délivrer une copie de tout document probant.
Afdeling 5. - Toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten van het specifieke voordeel.
Section 5. - Conditions et modalités d'octroi de l'avantage spécifique.
Art. 13. Het bij artikel 78 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde specifieke voordeel wordt enkel toegekend voor de rustdagen die een dag tijdelijke werkloosheid vervangen zoals bepaald in artikel 74 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst.
Art. 13. L'avantage spécifique visé à l'article 78 de la convention-cadre est octroyé uniquement pour les jours de repos qui remplacent un jour de chômage temporaire, tel que déterminé à l'article 74 de la convention-cadre.
Art. 14. Het bedrag van dit specifieke voordeel is het dagbedrag van de aanvullende werkloosheidsuitkeringen zoals vastgesteld in de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 juli 1993 betreffende de toekenning van aanvullende werkloosheidsuitkeringen aan de werklieden uit de bouwnijverheid, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 7 november 1994 (Belgisch Staatsblad van 24 december 1994), gewijzigd en verlengd bij de collectieve arbeidsovereenkomsten van 11 mei 1995 en 15 mei 1997, respectievelijk algemeen verbindend verklaard bij de koninklijke besluiten van 23 mei 1996 en 6 oktober 1999 (Belgisch Staatsblad van 25 juli 1996 en 16 december 1999).
Art. 14. Le montant de l'avantage spécifique correspond au montant journalier des allocations complémentaires de chômage déterminé par la convention collective de travail du 9 juillet 1993 relative à l'octroi d'allocations complémentaire de chômage aux ouvriers de la construction, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 7 novembre 1994 (Moniteur belge du 24 décembre 1994), modifiée et prolongée par les conventions collectives de travail du 11 mai 1995 et du 15 mai 1997, respectivement rendue obligatoire par les arrêtés royaux des 23 mai 1996 et 6 octobre 1999 (Moniteur belge du 25 juillet 1996 et 16 décembre 1999).
Art. 15. Het maandbedrag van het specifieke voordeel waarop de werkgever aanspraak kan maken, stemt overeen met het bij artikel 14 bedoelde bedrag, vermenigvuldigd met het aantal bij artikel 13 bedoelde rustdagen die volgens de prestatiestaten in de betrokken maand in de onderneming werden toegekend.
Het specifieke voordeel wordt per kwartaal aan de werkgever betaald volgens door de raad van bestuur van het Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf (F.B.Z.) te bepalen modaliteiten.
Het specifieke voordeel wordt per kwartaal aan de werkgever betaald volgens door de raad van bestuur van het Fonds voor bestaanszekerheid van de werklieden uit het bouwbedrijf (F.B.Z.) te bepalen modaliteiten.
Art. 15. Le montant mensuel de l'avantage spécifique auquel l'employeur peut prétendre correspond au montant visé à l'article 14 multiplié par le nombre de jours de repos visés à l'article 13 qui, selon les états de prestations, ont été octroyés dans l'entreprise au cours du mois concerné.
L'avantage spécifique est payé à l'employeur par trimestre selon les modalités déterminées par le conseil d'administration du Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction (F.S.E.).
L'avantage spécifique est payé à l'employeur par trimestre selon les modalités déterminées par le conseil d'administration du Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction (F.S.E.).
Art. 16. De raad van bestuur van het F.B.Z. :
- spreekt zich uit over de tekortkomingen die door het F.B.Z. in toepassing van artikel 12, werden vastgesteld;
- beslist over de opschorting of, in geval van fraude, over de afschaffing van de betaling van het specifieke voordeel en de terugvordering van de reeds gestorte bedragen;
- licht de voorzitter van het paritair comité in over de vastgestelde tekortkomingen en de toegepaste sancties.
- spreekt zich uit over de tekortkomingen die door het F.B.Z. in toepassing van artikel 12, werden vastgesteld;
- beslist over de opschorting of, in geval van fraude, over de afschaffing van de betaling van het specifieke voordeel en de terugvordering van de reeds gestorte bedragen;
- licht de voorzitter van het paritair comité in over de vastgestelde tekortkomingen en de toegepaste sancties.
Art. 16. Le conseil d'administration du F.S.E. :
- se prononce sur les manquements constatés par le F.S.E. en application des dispositions de l'article 12;
- décide de l'interruption ou, en cas de fraude, de la suppression du paiement de l'avantage spécifique et de la récupération des montants déjà versés;
- informe le président de la commission paritaire des manquements constatés et des sanctions appliquées.
- se prononce sur les manquements constatés par le F.S.E. en application des dispositions de l'article 12;
- décide de l'interruption ou, en cas de fraude, de la suppression du paiement de l'avantage spécifique et de la récupération des montants déjà versés;
- informe le président de la commission paritaire des manquements constatés et des sanctions appliquées.
Afdeling 6. - Toetredingsmodaliteiten en slotbepalingen.
Section 6. - Modalités d'adhésion et dispositions finales.
Art. 17. In toepassing van artikel 69 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst gebeurt de toetreding tot titel III - hoofdstuk 1 - afdeling 1 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst voor een periode die minimum 1 en maximum 2 toepassingsperioden van de sectorale regeling van de flexibele arbeidsweek bevat.
Onder toepassingsperiode van de regeling, verstaat men de bij artikel 73 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde ononderbroken periode van 12 maanden.
De toepassingsperiode van de regeling kan in geen geval 30 juni 2000 overschrijden.
Onder toepassingsperiode van de regeling, verstaat men de bij artikel 73 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde ononderbroken periode van 12 maanden.
De toepassingsperiode van de regeling kan in geen geval 30 juni 2000 overschrijden.
Art. 17. En application des dispositions de l'article 69 de la convention-cadre, l'adhésion au titre III - chapitre I - section 1re de la convention-cadre s'opère pour une durée comportant au minimum une période d'application du régime sectoriel de la semaine de travail flexible et au maximum deux périodes d'application de ce régime.
Par période d'application du régime, on entend la période ininterrompue de 12 mois visée à l'article 73 de la convention-cadre.
La période d'application du régime ne peut en aucun cas excéder la date du 30 juin 2000.
Par période d'application du régime, on entend la période ininterrompue de 12 mois visée à l'article 73 de la convention-cadre.
La période d'application du régime ne peut en aucun cas excéder la date du 30 juin 2000.
Art. 18. De bij artikel 19 bedoelde toetredingsakten en -overeenkomsten moeten uiterlijk op 1 december 1998 aan de voorzitter van het paritair comité worden overgemaakt.
Art. 18. La date ultime pour la communication au président de la commission paritaire des actes et conventions d'adhésion visés à l'article 19 est fixée au 1er décembre 1998.
Art. 19. De werkgever treedt toe tot titel III - hoofdstuk I - afdeling 1 van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst met inachtneming van de bepalingen van titel IV van de kader-collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de toetredings- en goedkeuringsprocedure.
Hiertoe gebruikt de werkgever, afhankelijk van het geval, het toetredingsformulier met als opschrift "toetredingsakte" of "collectieve toetredingsovereenkomst" waarvan de modellen bij deze overeenkomst zijn gevoegd.
De werkgever voegt bij zijn toetredingsformulier een document dat de verschillende uurroosters bevat die in toepassing van de sectorale regeling van de flexibele arbeidsweek in de onderneming kunnen worden toegepast.
Hiertoe gebruikt de werkgever, afhankelijk van het geval, het toetredingsformulier met als opschrift "toetredingsakte" of "collectieve toetredingsovereenkomst" waarvan de modellen bij deze overeenkomst zijn gevoegd.
De werkgever voegt bij zijn toetredingsformulier een document dat de verschillende uurroosters bevat die in toepassing van de sectorale regeling van de flexibele arbeidsweek in de onderneming kunnen worden toegepast.
Art. 19. L'employeur adhère au titre III - chapitre I - section 1re de la convention-cadre dans le respect des dispositions du titre IV de la convention-cadre relatif aux procédures d'adhésion et d'approbation.
A cette fin, l'employeur utilise, selon le cas, le formulaire d'adhésion intitulé "acte d'adhésion" ou "convention collective d'adhésion", dont les modèles sont joints en annexe à la présente convention.
L'employeur joint à son formulaire d'adhésion un document comportant les différents horaires de travail susceptibles d'être appliqués dans l'entreprise en exécution du régime sectoriel de la semaine de travail flexible.
A cette fin, l'employeur utilise, selon le cas, le formulaire d'adhésion intitulé "acte d'adhésion" ou "convention collective d'adhésion", dont les modèles sont joints en annexe à la présente convention.
L'employeur joint à son formulaire d'adhésion un document comportant les différents horaires de travail susceptibles d'être appliqués dans l'entreprise en exécution du régime sectoriel de la semaine de travail flexible.
Art. 20. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 juli 1997 en verstrijkt op 31 december 1998.
Deze overeenkomst blijft echter van toepassing tot 30 juni 2000 voor alle goedgekeurde toetredingen die vóór 2 december 1998 werden ingediend.
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 18 september 2001.
(Voor het KB, zie %%2001-09-18/80%%)
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX
Deze overeenkomst blijft echter van toepassing tot 30 juni 2000 voor alle goedgekeurde toetredingen die vóór 2 december 1998 werden ingediend.
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 18 september 2001.
(Voor het KB, zie %%2001-09-18/80%%)
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX
Art. 20. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er juillet 1997 et prend fin le 31 décembre 1998.
La présente convention reste toutefois d'application jusqu'au 30 juin 2000 pour toutes les adhésions approuvées qui ont été introduites avant le 2 décembre 1998.
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 18 septembre 2001.
(Pour l'AR, voir %%2001-09-18/80%%)
La Ministre de l'Emploi,
Mme L. ONKELINX
La présente convention reste toutefois d'application jusqu'au 30 juin 2000 pour toutes les adhésions approuvées qui ont été introduites avant le 2 décembre 1998.
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 18 septembre 2001.
(Pour l'AR, voir %%2001-09-18/80%%)
La Ministre de l'Emploi,
Mme L. ONKELINX
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Toetredingsakte tot de sectorale regeling van de flexibele arbeidsweek.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 01-02-2002, p. 3472-3474).
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 18 september 2001.
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 01-02-2002, p. 3472-3474).
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 18 september 2001.
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX
Art. N1. Annexe 1. - Acte d'adhésion au régime sectoriel de la semaine de travail flexible.
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 01-02-2002, p. 3472-3474).
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 18 septembre 2001.
La Ministre de l'Emploi,
Mme L. ONKELINX
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 01-02-2002, p. 3472-3474).
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 18 septembre 2001.
La Ministre de l'Emploi,
Mme L. ONKELINX
Art. N2. Bijlage 2. - Collectieve toetredingsovereenkomst tot de sectorale regeling van de flexibele arbeidsweek.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 01-02-2002, p. 3474-3476).
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 18 september 2001.
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 01-02-2002, p. 3474-3476).
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 18 september 2001.
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX.
Art. N2. Annexe 2. - Convention collective d'adhésion au régime sectoriel de la semaine de travail flexible.
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 01-02-2002, p. 3474-3476).
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 18 septembre 2001.
La Ministre de l'Emploi,
Mme L. ONKELINX.
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 01-02-2002, p. 3474-3476).
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 18 septembre 2001.
La Ministre de l'Emploi,
Mme L. ONKELINX.