Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
10 MEI 1999. - Collectieve arbeidsovereenkomst van 10 en 20 mei 1999, gesloten in het Paritair Comité voor het drukkerij-, grafische kunst- en dagbladbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 1990, betreffende het collectief contract (Overeenkomst geregistreerd op 9 juli 1999 onder het nummer 51345/CO/130).
Titre
10 MAI 1999. - Convention collective de travail des 10 et 20 mai 1999, conclue au sein de la Commission paritaire de l'imprimerie, des arts graphiques et des journaux, modifiant la convention collective de travail du 30 novembre 1990, concernant le contrat collectif (Convention enregistrée le 9 juillet 1999 sous le numéro 51345/CO/130).
Dokumentinformationen
Tekst (10)
Texte (10)
Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst regelt de arbeidsvoorwaarden van de werknemers en werkneemsters die één of meerdere functies uitoefenen omschreven in de collectieve arbeidsovereenkomst van 14 mei 1980, gesloten in het Paritair Comité voor het drukkerij-, grafische kunst- en dagbladbedrijf, tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 30 januari 1981 (Belgisch Staatsblad van 24 maart 1981), en zulks in al de bedrijven die één of meerdere van deze activiteiten uitoefenen.
Article 1. La présente convention collective de travail régit les conditions de travail des travailleurs et travailleuses occupés à une ou plusieurs des activités désignées par la convention collective de travail du 14 mai 1980, conclue au sein de la Commission paritaire de l'imprimerie, des arts graphiques et des journaux, fixant les conditions de travail, rendue obligatoire par arrêté royal du 30 janvier 1981 (Moniteur belge du 24 mars 1981) et ce, dans toutes les entreprises s'occupant d'une ou plusieurs de ces activités.
Art.2. Artikel 15 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 1990, gesloten in het Paritair Comité voor het drukkerij-, grafische kunst- en dagbladbedrijf, betreffende het collectief contract, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 14 september 1992, gewijzigd door de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 en 29 april 1997, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 9 januari 2000, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 15. Bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken, mag de uitvoering van de individuele arbeidsovereenkomst, geschorst worden op voorwaarde dat de schorsing ingaat op de eerste werkdag van de week en dat zij geldt voor een ononderbroken periode van volledige werkloosheid van één of twee weken.
  In afwijking van dit principe zijn twee systemen van tijdelijke werkloosheid toegelaten :
  1. de werkgever opteert voor een systeem van terugroepen waarbij elke werknemer die economisch werkloos werd gesteld 2 maal per trimester kan worden teruggeroepen in de loop van een week werkloosheid. In dit geval zal de werkgever de wedertewerkstelling waarborgen tot het einde van de lopende week;
  2. de werkgever opteert voor een systeem van instellen van tijdelijke werkloosheid van maximaal 2 opeenvolgende weken, en dit in een cyclus van 3 weken, waarbij de derde week verplichtend een normale werkweek is. Gedurende deze periode van één of twee weken tijdelijke werkloosheid zijn maximaal 5 dagen tijdelijke werkloosheid per werknemer toegelaten. Deze werkloosheidsdagen moeten de twee opeenvolgende wekelijkse rustdagen voorafgaan of volgen.
  In geval van tijdelijke in werkloosheidsstelling in de loop van de week en in afwijking van artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 november 1978, gesloten in het Paritair Comité voor het drukkerij-, grafische kunst- en dagbladbedrijf, tot vaststelling van de wijzen van toekenning en uitbetaling van een aanvullende vergoeding voor werkloosheid, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 28 maart 1979, is de werkgever voor elke werkloosheidsdag in die week, een vergoeding verschuldigd gelijk aan 1 uur van het brutoloon dat overeenstemt met het normaal arbeidsregime van de werknemer (dit wil zeggen met inbegrip van de ploegpremies), vermeerderd met 250 BEF. Het totaal van de vergoedingen (hierin begrepen de werkloosheidsvergoedingen) is naar boven toe begrensd op het nettodagloon van de werknemer.
  In geval van tijdelijke werkloosheid worden alle werkloosheidsdagen van die week gelijkgesteld voor de berekening van de eindejaarspremie, en worden niet in mindering gebracht van de 40 dagen, voorzien in artikel 2 van voornoemd collectieve arbeidsovereenkomst van 3 november 1978.
  De werknemers worden in kennis gesteld van het systeem van werkloosheid dat zal worden toegepast, de woensdag van de week die voorafgaat aan elke week waar gedeeltelijke of volledige werkloosheid is voorzien. ".
Art.2. L'article 15 de la convention collective de travail du 30 novembre 1990, conclue au sein de la Commission paritaire de l'imprimerie, des arts graphiques et des journaux, concernant le contrat collectif, rendue obligatoire par arrêté royal du 14 septembre 1992, modifié par la convention collective de travail des 17 et 29 avril 1997, rendue obligatoire par arrêté royal du 9 janvier 2000, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 15. En cas de manque de travail résultant d'un motif économique, l'exécution du contrat de travail individuel peut être suspendue à condition que la suspension débute le premier jour ouvrable de la semaine et qu'elle concerne une période ininterrompue de chômage complet d'une ou deux semaines.
  Par dérogation à ce principe, deux systèmes de chômage partiel sont autorisés :
  1. l'employeur opte pour un système de rappel où chaque travailleur mis en chômage économique peut être rappelé 2 fois par trimestre dans le courant d'une semaine de chômage. Dans ce cas l'employeur garantira la remise au travail jusqu'à la fin de la semaine en cours;
  2. l'employeur opte pour un système de mise en chômage partiel de maximum 2 semaines consécutives par cycle de 3 semaines, la troisième semaine étant obligatoirement une semaine de travail. Durant cette période de une ou deux semaines de chômage partiel, maximum 5 jours de chômage économique par travailleur sont autorisés. Ces jours de chômage doivent précéder ou suivre directement les deux jours de repos hebdomadaire.
  En cas de mise en chômage partiel dans le courant d'une semaine, et par dérogation à l'article 2 de la convention collective de travail du 3 novembre 1978, conclue au sein de la Commission paritaire de l'imprimerie, des arts graphiques et de journaux, fixant les modalités d'octroi de paiement d'une indemnité complémentaire de chômage, rendue obligatoire par arrêté royal du 28 mars 1979, l'employeur sera redevable pour chaque jour chômé dans ladite semaine du paiement d'une indemnité égale à 1 heure du salaire brut correspondant au régime normal du travail (c'est-à-dire compte tenu des primes d'équipe), augmenté de 250 BEF. Le total des indemnités (en ce compris les indemnités de chômage) est plafonné au salaire journalier net du travailleur.
  En cas de mise en chômage partiel, les journées chômées dans cette semaine sont toutes assimilées pour le calcul de la prime de fin d'année et ne viennent pas en déduction du crédit de 40 jours prévu à l'article 2 de la convention collective de travail du 3 novembre 1978 précitée.
  Les travailleurs sont avertis du régime de chômage qui sera appliqué, le mercredi de la semaine qui précède chaque semaine où un chômage partiel ou total est prévu. ".
Art.3. Het artikel 17 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 1990, gewijzigd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 en 29 april 1997, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 9 januari 2000, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 17. In afwijking op artikel 5, voorlaatste alinea, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 14 mei 1980, gesloten in het Paritair Comité voor het drukkerij-, grafische kunst- en dagbladbedrijf, tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 30 januari 1981, is het toegelaten om uitzendkrachten te werk te stellen om het hoofd te bieden aan buitengewone vermeerdering van werk en dit gedurende een periode van 4 weken maximaal (20 werkdagen) per jaar en per uitzendkracht.
  Er kan worden afgeweken van de grens van 20 dagen voor uitzendkrachten die werk uitvoeren behorend tot de loonklasse 1 tot en met 5 voor zover er een geschreven akkoord bestaat, geldig voor maximum 3 maanden, tussen de werkgever en de syndicale delegatie (verlengbaar per periode van 3 maanden).
  Er kan tevens worden afgeweken van deze grens van 20 dagen voor uitzendkrachten die een functie uitoefenen behorend tot de loonklasse 6 tot en met 20 voor zover het gaat over het opvangen van afwezigheid van een werknemer wegens ziekte of ongeval en voor zover er een geschreven akkoord bestaat, geldig voor maximum 3 maanden, tussen de werkgever en de syndicale delegatie (verlengbaar per periode van 3 maanden).
  De ondernemingen, die beroep doen op deze afwijkingen moeten dit melden aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het drukkerij-, grafische kunst- en dagbladbedrijf. Bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging gebeurt deze melding door de onderneming aan de voorzitter van het voornoemd paritair comité, die op zijn beurt de sociale partners hiervan in kennis stelt bij de eerstvolgende vergadering van het paritair comité.
  De werkgever die een uitzendkracht tewerkstelt gedurende een periode langer dan 30 dagen zal aan deze persoon voorrang verlenen bij aanwerving, indien een aangepaste functie vrij zou komen in de onderneming.
  De onderneming verbindt er zich toe dat het presteren van overuren geen structureel element wordt van de arbeidstijdorganisatie. ".
Art.3. L'article 17 de la même convention collective de travail du 30 novembre 1990, modifié par la convention collective de travail des 17 et 29 avril 1997, rendue obligatoire par arrêté royal du 9 janvier 2000, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 17. Par dérogation à l'article 5, avant-dernier alinéa, de la convention collective de travail du 14 mai 1980, conclue au sein de la Commission paritaire de l'imprimerie, des arts graphiques et des journaux, fixant les conditions de travail, rendue obligatoire par arrêté royal du 30 janvier 1981, il est autorisé d'occuper des travailleurs intérimaires pour faire face à un surcroît de travail extraordinaire et ceci pour une période maximale de 4 semaines (20 jours de travail) par an et par travailleur intérimaire.
  Il peut être dérogé à la limite des 20 jours pour les travailleurs intérimaires appartenant aux classes salariales de 1 à 5 pour autant qu'il y ait un accord écrit de maximum 3 mois (renouvelable par période de 3 mois) entre l'employeur et la délégation syndicale.
  Il peut également être dérogé à la limite des 20 jours pour les travailleurs intérimaires appartenant aux classes salariales de 6 à 20, quand il s'agit de pallier l'absence d'un travailleur malade ou accidenté pour autant qu'il y ait un accord écrit de maximum 3 mois (renouvelable par période de 3 mois) entre la délégation syndicale et l'employeur.
  Les entreprises qui font usage de ces dérogations doivent en informer le président de la Commission paritaire de l'imprimerie, des arts graphiques et des journaux et ce dernier en informe les partenaires sociaux. A défaut de délégation syndicale, l'entreprise informe le président de la commission paritaire précitée lors de la réunion de la commission paritaire la plus proche.
  L'employeur qui utilise un travailleur intérimaire durant une période supérieure à 30 jours donnera priorité à l'embauche de cette personne si une fonction adéquate venait à se libérer dans l'entreprise.
  L'entreprise s'engage à ce que la prestation d'heures supplémentaires ne puisse être un élément structurel de l'organisation du temps de travail. ".
Art.4. Het artikel 19, punt 19 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 1990 wordt in de kolom I met de volgende tekst vervolledigd :
  " Art. 19. Punt 19, kolom I. De betaalde afwezigheidsdagen syndicale vorming worden op ondernemingsniveau per vakbondsorganisatie geglobaliseerd. Elke organisatie kan deze dagen klein verlet " syndicale vorming " vrijelijk over haar gemandateerden verdelen met deze beperking dat elke gemandateerde maximaal over 8 dagen beschikt voor een van zijn mandaten en 4 dagen voor de overige. ".
Art.4. L'article 19, le point 19 de la même convention collective de travail du 30 novembre 1990 est complété, dans la colonne I, par le texte suivant :
  " Art. 19. Point 19, colonne I. Les jours d'absence payés pour la formation syndicale sont globalisés, par organisation syndicale, au niveau de l'entreprise. Chaque organisation peut librement répartir ces jours de petits chômage " formation syndicale " entre ses mandatés, chacun de ces derniers pouvant cependant disposer que de maximum 8 jours pour un de ses mandats et de 4 jours pour ses autres mandats. ".
Art.5. In dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 1990 wordt onder het hoofdstuk X " Algemene Bepalingen " een nieuw artikel 29 ingelast :
  " Art. 29. Conventionele opzeggingstermijn :
  - Voor de arbeiders(sters) die minder dan 6 maanden ononderbroken in dienst zijn van eenzelfde onderneming, kan de werkgever zowel als de werknemer beroep doen op artikel 60 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
  - Vanaf 1 juni 1999 wordt de wettelijke opzegtermijn in geval van ontslag door de werkgever voor de werknemers met een leeftijd van minstens 45 jaar op datum van ontslag verlengd met 2 weken.
  Voor de werknemers met een leeftijd van minstens 45 jaar en minstens 20 jaar anciënniteit in het bedrijf wordt de wettelijke opzegtermijn in geval van ontslag door de werkgever verlengd met 4 weken.
  Deze 2 verlengingen zijn niet van toepassing op de werknemers die ontslagen worden in het kader van op brugpensioenstelling op eigen verzoek, noch op de bedrijven die erkend zijn als bedrijf in moeilijkheden of in herstructurering. ".
Art.5. Il est introduit un nouvel article 29 dans la même convention collective de travail du 30 novembre 1990, sous le chapitre X " Dispositions générales " :
  " Art. 29. Préavis conventionnel :
  - Pour les ouvriers(ères) qui comptent moins de 6 mois de service ininterrompu dans une même entreprise, tant l'employeur que le travailleur pourront faire appel à l'article 60 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
  - A partir du 1er juin 1999, pour les ouvriers âgés d'au moins 45 ans qui sont licenciés, la période de préavis légale est prolongée de 2 semaines.
  Pour les ouvriers âgés d'au moins 45 ans et qui comptent au moins 20 années d'ancienneté dans l'entreprise, la période de préavis légale est prolongée de 4 semaines.
  Ces 2 prolongations ne s'appliquent pas aux ouvriers qui ont demandé d'être licenciés dans le cadre d'un régime de prépension ainsi que pour les entreprises reconnues en difficulté ou en restructuration. ".
Art.6. Artikel 29 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 1990 wordt artikel 30.
Art.6. L'article 29 de la même convention collective de travail du 30 novembre 1990 devient l'article 30.
Art.7. Artikel 29bis van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 1990 wordt geschrapt.
Art.7. L'article 29bis de la même convention collective de travail du 30 novembre 1990 est abrogé.
Art.8. Artikel 30 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 1990 wordt artikel 31.
Art.8. L'article 30 de la même convention collective de travail du 30 novembre 1990 devient l'article 31.
Art.9. Artikel 31 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 1990 wordt artikel 32.
Art.9. L'article 31 de la même convention collective de travail du 30 novembre 1990 devient l'article 32.
Art. 10. Deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt van kracht op 1 januari 1999, behalve voor de bepalingen voorzien in artikel 5 die van kracht worden op 1 juni 1999, en het artikel 2 dat in voege treedt op 1 mei 1999. Ze is gesloten voor onbepaalde tijd.
  Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 27 november 2001.
  (Voor het KB, zie %%2001-11-27/40%%)
  De Minister van Werkgelegenheid,
  Mevr. L. ONKELINX.
Art. 10. Cette convention collective de travail entre en vigueur le 1er janvier 1999 et est conclue pour une durée indéterminée, à l'exception des dispositions prévues à l'article 5 qui entrent en vigueur le 1er juin 1999 et à l'article 2 qui entre en vigueur le 1er mai 1999.
  Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 27 novembre 2001.
  (Pour l'AR, voir %%2001-11-27/40%%)
  La Ministre de l'Emploi,
  Mme L. ONKELINX.