Artikel 1. In het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst wordt een artikel 17bis ingevoegd, luidende :
"Artikel 17bis. In afwijking van artikel 17, §§ 1 en 2, zijn de comités die een advies moeten uitbrengen over de opportuniteit van de overplaatsing van een officier van de luchtmacht van het korps van het varend personeel naar het korps van het niet-varend personeel ten gevolge van een aanbeveling tot zijn schrapping van zijn categorie van het varend personeel, naargelang het geval :
1° de evaluatiecommissie bedoeld in het artikel 27 van het koninklijk besluit van 16 april 1998 betreffende het varend personeel van de krijgsmacht, indien de betrokken officier een leerling-piloot of een kandidaat voor het hoger brevet van piloot is;
2° de evaluatieraad bedoeld in het artikel 41 van het voornoemde koninklijk besluit van 16 april 1998, indien de betrokken officier tot een andere categorie van het varend personeel behoort dan deze bedoeld in 1°.".
Het advies over de opportuniteit van de overplaatsing van een officier van de luchtmacht van het korps van het varend personeel naar het korps van het niet-varend personeel ten gevolge van een schrapping op aanvraag uitgaand van de betrokken officier wordt gegeven, naargelang het geval :
1° door de commandant van de grote eenheid belast met de vorming van het varend personeel waaronder de betrokken officier ressorteert, indien hij een leerling-piloot of een kandidaat voor het hoger brevet van piloot is;
2° door de hiërarchische overheid belast met het beheer van het personeel dat behoort tot het korps van het varend personeel, indien de betrokken officier tot een andere categorie van het varend personeel behoort dan deze bedoeld in 1°.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
14 MAART 2002. - Koninklijk besluit tot wijziging van bepalingen betreffende het statuut van het varend personeel van de krijgsmacht.
Titre
14 MARS 2002. - Arrêté royal modifiant des dispositions relatives au statut du personnel navigant des forces armées.
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (33)
Texte (33)
Article 1. Un article 17bis, rédigé comme suit, est inséré dans l'arrêté royal du 7 avril 1959 relatif à la position et à l'avancement des officiers de carrière des forces terrestre, aérienne et navale et du service médical :
"Article 17bis. En dérogation à l'article 17, §§ 1er et 2, les comités chargés de donner un avis sur l'opportunité du transfert d'un officier de la force aérienne du corps du personnel navigant vers le corps du personnel non-navigant à la suite d'une recommandation pour sa radiation de sa catégorie du personnel navigant, sont selon le cas :
1° la commission d'évaluation visée à l'article 27 de l'arrêté royal du 16 avril 1998 relatif au personnel navigant des forces armées, si l'officier concerné est un élève-pilote ou un candidat au brevet supérieur de pilote;
2° le conseil d'évaluation visé à l'article 41 de l'arrêté royal précité du 16 avril 1998, si l'officier concerné appartient à une autre catégorie du personnel navigant que celle visée au 1°.
L'avis sur l'opportunité du transfert d'un officier de la force aérienne du corps du personnel navigant vers le corps du personnel non-navigant à la suite d'une demande de radiation émanant de l'officier concerné est donné, selon le cas :
1° par le commandant de la grande unité chargée de la formation du personnel navigant dont ressort l'officier concerné, s'il est un élève-pilote ou un candidat au brevet supérieur de pilote;
2° par l'autorité hiérarchique chargée de la gestion du personnel appartenant au corps du personnel navigant si l'officier concerné appartient à une autre catégorie du personnel navigant que celle visée au 1°.".
"Article 17bis. En dérogation à l'article 17, §§ 1er et 2, les comités chargés de donner un avis sur l'opportunité du transfert d'un officier de la force aérienne du corps du personnel navigant vers le corps du personnel non-navigant à la suite d'une recommandation pour sa radiation de sa catégorie du personnel navigant, sont selon le cas :
1° la commission d'évaluation visée à l'article 27 de l'arrêté royal du 16 avril 1998 relatif au personnel navigant des forces armées, si l'officier concerné est un élève-pilote ou un candidat au brevet supérieur de pilote;
2° le conseil d'évaluation visé à l'article 41 de l'arrêté royal précité du 16 avril 1998, si l'officier concerné appartient à une autre catégorie du personnel navigant que celle visée au 1°.
L'avis sur l'opportunité du transfert d'un officier de la force aérienne du corps du personnel navigant vers le corps du personnel non-navigant à la suite d'une demande de radiation émanant de l'officier concerné est donné, selon le cas :
1° par le commandant de la grande unité chargée de la formation du personnel navigant dont ressort l'officier concerné, s'il est un élève-pilote ou un candidat au brevet supérieur de pilote;
2° par l'autorité hiérarchique chargée de la gestion du personnel appartenant au corps du personnel navigant si l'officier concerné appartient à une autre catégorie du personnel navigant que celle visée au 1°.".
Art. 2. In artikel 21, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "en 5°" vervallen;
2° de bepaling onder 3° wordt opgeheven.
1° de woorden "en 5°" vervallen;
2° de bepaling onder 3° wordt opgeheven.
Art. 2. Dans l'article 21, alinéa 2, du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "et 5°" sont supprimés;
2° le 3° est abrogé.
1° les mots "et 5°" sont supprimés;
2° le 3° est abrogé.
Art. 3. Artikel 36, § 2, van het koninklijk besluit van 25 september 1959 betreffende het statuut der reserveofficieren, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 mei 1981, wordt vervangen als volgt :
"§ 2. De in § 1 bedoelde reserveofficieren van het varend personeel houden op tot het reservekader te behoren op 31 december van het jaar waarin zij de leeftijd van zestig jaar hebben bereikt.".
"§ 2. De in § 1 bedoelde reserveofficieren van het varend personeel houden op tot het reservekader te behoren op 31 december van het jaar waarin zij de leeftijd van zestig jaar hebben bereikt.".
Art. 3. L'article 36, § 2, de l'arrêté royal du 25 septembre 1959 relatif au statut des officiers de réserve, modifié par l'arrêté royal du 11 mai 1981, est remplacé par la disposition suivante :
"§ 2. Les officiers de réserve du personnel navigant visés au § 1er cessent de faire partie du cadre de réserve au 31 décembre de l'année au cours de laquelle ils ont atteint l'âge de soixante ans.".
"§ 2. Les officiers de réserve du personnel navigant visés au § 1er cessent de faire partie du cadre de réserve au 31 décembre de l'année au cours de laquelle ils ont atteint l'âge de soixante ans.".
Art. 4. Artikel 21 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 december 1983, wordt vervangen als volgt :
"Artikel 21. De benaming van de graad wordt voor de onderofficier die behoort tot het gebrevetteerd varend personeel en houder is van het brevet van piloot of het hoger brevet van piloot, aangevuld door de benaming : "vlieger".
De benaming van de graad van de onderofficier die behoort tot het gebrevetteerd varend personeel en die niet bedoeld wordt in het eerste lid, wordt aangevuld met de benaming "van het luchtvarend personeel".
De benaming van de graad van de onderofficier van de marine wordt aangevuld met de vermelding van zijn functie, behalve voor de onderofficier op wie het eerste of het tweede lid van toepassing is.".
"Artikel 21. De benaming van de graad wordt voor de onderofficier die behoort tot het gebrevetteerd varend personeel en houder is van het brevet van piloot of het hoger brevet van piloot, aangevuld door de benaming : "vlieger".
De benaming van de graad van de onderofficier die behoort tot het gebrevetteerd varend personeel en die niet bedoeld wordt in het eerste lid, wordt aangevuld met de benaming "van het luchtvarend personeel".
De benaming van de graad van de onderofficier van de marine wordt aangevuld met de vermelding van zijn functie, behalve voor de onderofficier op wie het eerste of het tweede lid van toepassing is.".
Art. 4. L'article 21 de l'arrêté royal du 25 octobre 1963 relatif au statut des sous-officiers du cadre actif des forces terrestre, aérienne et navale et du service médical, modifié par l'arrêté royal du 13 décembre 1983, est remplacé par la disposition suivante :
"Article 21. L'appellation du grade du sous-officier qui appartient au personnel navigant breveté et est détenteur du brevet de pilote ou du brevet supérieur de pilote, est complétée par le terme : "aviateur".
L'appellation du grade du sous-officier qui est membre du personnel navigant breveté et qui n'est pas visé à l'alinéa 1er, est complétée par le terme "du personnel navigant aérien".
L'appellation du grade du sous-officier de la marine est complétée par l'indication de sa fonction, sauf pour le sous-officier à qui l'alinéa 1er ou 2 est applicable.".
"Article 21. L'appellation du grade du sous-officier qui appartient au personnel navigant breveté et est détenteur du brevet de pilote ou du brevet supérieur de pilote, est complétée par le terme : "aviateur".
L'appellation du grade du sous-officier qui est membre du personnel navigant breveté et qui n'est pas visé à l'alinéa 1er, est complétée par le terme "du personnel navigant aérien".
L'appellation du grade du sous-officier de la marine est complétée par l'indication de sa fonction, sauf pour le sous-officier à qui l'alinéa 1er ou 2 est applicable.".
Art. 5. In het koninklijk besluit van 2 september 1978 betreffende het statuut van de hulpofficieren en kandidaat-hulpofficieren van de luchtmacht, piloten en navigatoren, wordt in de Franse tekst het opschrift van afdeling 1 van hoofdstuk I, vervangen als volgt :
"Section 1. De l'agrément".
"Section 1. De l'agrément".
Art. 5. Dans l'arrêté royal du 2 septembre 1978 relatif au statut des officiers auxiliaires et candidats officiers auxiliaires de la force aérienne, pilotes et navigateurs, l'intitulé de la section 1 du chapitre Ier, est remplacé par l'intitulé suivant :
"Section 1. De l'agrément".
"Section 1. De l'agrément".
Art. 6. Artikel 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 1982, wordt vervangen als volgt :
"Artikel 1. § 1. Om door de Minister van Landsverdediging als kandidaat-hulpofficier aanvaard te kunnen worden, moeten de volgende voorwaarden vervuld worden :
1° de leeftijd van 26 jaar niet hebben bereikt op 31 december van het jaar van aanvaarding;
2° geslaagd zijn in de volgende proeven, die door de Minister van Landsverdediging vastgesteld zijn :
a) wetenschappelijke proeven;
b) een proef Nederlands of Frans al naargelang de taal waarin de kandidaat de in artikel 6, 3°, van de wet van 23 december 1955 betreffende de hulpofficieren van de luchtmacht, piloten en navigatoren bedoelde vakproef wenst af te leggen. Deze proef kan op verzoek van de kandidaat vervangen worden door een proef Duits. In dat geval, kiest hij de voornoemde vakproef in het Nederlands of in het Frans af te leggen;
c) een proef Engels;
3° indien het een niet-ontvoogde minderjarige betreft, het bewijs leveren van de toestemming van degene of degenen die te zijnen opzichte het ouderlijk gezag uitoefenen. Deze toestemming wordt verleend in de vorm van een getuigschrift waarvan het model hernomen is in bijlage bij het koninklijk besluit van 13 november 1991 betreffende de dienstnemingen en wederindienstnemingen van de kandidaat-militairen van het actief kader. De kandidaat die zijn woonplaats in het buitenland heeft, legt een document voor dat in de plaats treedt van voormeld getuigschrift.
§ 2. Kan geen dienstneming als kandidaat-hulpofficier aangaan :
1° de voormalige militair korte termijn wiens wederindienstneming geweigerd werd;
2° de voormalige militair die wegens definitieve fysieke ongeschiktheid op pensioen werd gesteld of door reform werd ontslagen;
3° de voormalige militair van wie de dienstneming of de wederindienstneming van ambtswege werd verbroken;
4° de voormalige militair die definitief van zijn ambt is ontheven door ontslag van ambtswege of oppensioenstelling van ambtswege;
5° de voormalige kandidaat-militair of de militair, die geschrapt werd van de categorie van het varend personeel met toepassing van het artikel 23, § 1, of het artikel 25, § 1, van het koninklijk besluit van 16 april 1998 betreffende het varend personeel van de krijgsmacht.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de sollicitant als kandidaat-hulpofficier voor één van de wervingssessies in 2002.
§ 3. Betrokkene wordt als kandidaat-hulpofficier door de Minister van Landsverdediging aanvaard op de datum van de ondertekening van de dienstnemingsakte.
De korpscommandant bij wie de kandidaat-hulpofficier zich aanmeldt op het ogenblik dat hij zijn dienstnemingsakte ondertekent is de overheid bevoegd om die akte in ontvangst te nemen.
De kandidaat-hulpofficier ontvangt een exemplaar van de dienstnemingsakte die hij heeft getekend.
De Minister van Landsverdediging bepaalt het model van de dienstnemingsakte die door de kandidaat-hulpofficier moet ondertekend worden.
§ 4. De aanvaarding maakt van rechtswege, op de datum ervan, een einde aan elke vroegere dienstneming of wederindienstneming.
§ 5. De periode van dertien jaar werkelijke dienst bedoeld in artikel 3, 3°, van de voornoemde wet van 23 december 1955, gaat in te rekenen vanaf de datum van de aanvaarding als kandidaat-hulpofficier.".
"Artikel 1. § 1. Om door de Minister van Landsverdediging als kandidaat-hulpofficier aanvaard te kunnen worden, moeten de volgende voorwaarden vervuld worden :
1° de leeftijd van 26 jaar niet hebben bereikt op 31 december van het jaar van aanvaarding;
2° geslaagd zijn in de volgende proeven, die door de Minister van Landsverdediging vastgesteld zijn :
a) wetenschappelijke proeven;
b) een proef Nederlands of Frans al naargelang de taal waarin de kandidaat de in artikel 6, 3°, van de wet van 23 december 1955 betreffende de hulpofficieren van de luchtmacht, piloten en navigatoren bedoelde vakproef wenst af te leggen. Deze proef kan op verzoek van de kandidaat vervangen worden door een proef Duits. In dat geval, kiest hij de voornoemde vakproef in het Nederlands of in het Frans af te leggen;
c) een proef Engels;
3° indien het een niet-ontvoogde minderjarige betreft, het bewijs leveren van de toestemming van degene of degenen die te zijnen opzichte het ouderlijk gezag uitoefenen. Deze toestemming wordt verleend in de vorm van een getuigschrift waarvan het model hernomen is in bijlage bij het koninklijk besluit van 13 november 1991 betreffende de dienstnemingen en wederindienstnemingen van de kandidaat-militairen van het actief kader. De kandidaat die zijn woonplaats in het buitenland heeft, legt een document voor dat in de plaats treedt van voormeld getuigschrift.
§ 2. Kan geen dienstneming als kandidaat-hulpofficier aangaan :
1° de voormalige militair korte termijn wiens wederindienstneming geweigerd werd;
2° de voormalige militair die wegens definitieve fysieke ongeschiktheid op pensioen werd gesteld of door reform werd ontslagen;
3° de voormalige militair van wie de dienstneming of de wederindienstneming van ambtswege werd verbroken;
4° de voormalige militair die definitief van zijn ambt is ontheven door ontslag van ambtswege of oppensioenstelling van ambtswege;
5° de voormalige kandidaat-militair of de militair, die geschrapt werd van de categorie van het varend personeel met toepassing van het artikel 23, § 1, of het artikel 25, § 1, van het koninklijk besluit van 16 april 1998 betreffende het varend personeel van de krijgsmacht.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de sollicitant als kandidaat-hulpofficier voor één van de wervingssessies in 2002.
§ 3. Betrokkene wordt als kandidaat-hulpofficier door de Minister van Landsverdediging aanvaard op de datum van de ondertekening van de dienstnemingsakte.
De korpscommandant bij wie de kandidaat-hulpofficier zich aanmeldt op het ogenblik dat hij zijn dienstnemingsakte ondertekent is de overheid bevoegd om die akte in ontvangst te nemen.
De kandidaat-hulpofficier ontvangt een exemplaar van de dienstnemingsakte die hij heeft getekend.
De Minister van Landsverdediging bepaalt het model van de dienstnemingsakte die door de kandidaat-hulpofficier moet ondertekend worden.
§ 4. De aanvaarding maakt van rechtswege, op de datum ervan, een einde aan elke vroegere dienstneming of wederindienstneming.
§ 5. De periode van dertien jaar werkelijke dienst bedoeld in artikel 3, 3°, van de voornoemde wet van 23 december 1955, gaat in te rekenen vanaf de datum van de aanvaarding als kandidaat-hulpofficier.".
Art. 6. L'article 1er du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 31 août 1982, est remplacé par la disposition suivante :
"Article 1. § 1er. Pour pouvoir être agréé comme candidat officier auxiliaire par le Ministre de la Défense, les conditions suivantes doivent être remplies :
1° ne pas avoir atteint l'âge de 26 ans au 31 décembre de l'année d'agrément;
2° avoir réussi les épreuves suivantes, fixées par le Ministre de la Défense :
a) des épreuves scientifiques;
b) une épreuve de français ou de néerlandais selon la langue dans laquelle le candidat souhaite subir l'épreuve professionnelle visée à l'article 6, 3°, de la loi du 23 décembre 1955 sur les officiers auxiliaires de la force aérienne, pilotes et navigateurs. Cette épreuve peut, à la demande du candidat, être remplacée par une épreuve d'allemand. Dans ce cas, il choisit de subir l'épreuve professionnelle précitée dans la langue française ou néerlandaise;
c) une épreuve d'anglais;
3° lorsqu'il s'agit d'un mineur qui n'est pas émancipé, justifier du consentement de celui ou de ceux qui exercent à son égard l'autorité parentale. Ce consentement est donné sous la forme d'un certificat dont le modèle est fixé en annexe à l'arrêté royal du 13 novembre 1991 relatif aux engagements et rengagements des candidats militaires du cadre actif. Le candidat domicilié à l'étranger présente un document tenant lieu du certificat précité.
§ 2. Ne peut pas contracter d'engagement comme candidat officier auxiliaire :
1° l'ancien militaire court terme dont le rengagement a été refusé;
2° l'ancien militaire qui a été pensionné pour inaptitude physique définitive ou qui a été licencié par réforme;
3° l'ancien militaire dont l'engagement ou le rengagement a été résilié d'office;
4° l'ancien militaire auquel l'emploi a été définitivement retiré par démission d'office ou par mise à la pension d'office;
5° l'ancien candidat militaire ou le militaire, qui a été radié de la catégorie du personnel navigant en application de l'article 23, § 1er, ou de l'article 25, § 1er, de l'arrêté royal du 16 avril 1998 relatif au personnel navigant des forces armées.
Le présent paragraphe n'est pas applicable au postulant comme candidat officier auxiliaire pour l'une des sessions de recrutement en 2002.
§ 3. L'intéressé est agréé comme candidat officier auxiliaire par le Ministre de la Défense à la date de la signature de l'acte d'engagement.
Le chef de corps devant lequel le candidat officier auxiliaire se présente au moment où il signe son acte d'engagement est l'autorité compétente pour recevoir cet acte.
Le candidat officier auxiliaire reçoit un exemplaire de l'acte d'engagement qu'il a signé.
Le Ministre de la Défense détermine le modèle de l'acte d'engagement à signer par le candidat officier auxiliaire.
§ 4. L'agrément met fin de plein droit et à sa date à tout engagement ou rengagement antérieur.
§ 5. La période de treize ans de service actif visée à l'article 3, 3°, de la loi du 23 décembre 1955 précitée, prend cours à la date de l'agrément comme candidat officier auxiliaire.".
"Article 1. § 1er. Pour pouvoir être agréé comme candidat officier auxiliaire par le Ministre de la Défense, les conditions suivantes doivent être remplies :
1° ne pas avoir atteint l'âge de 26 ans au 31 décembre de l'année d'agrément;
2° avoir réussi les épreuves suivantes, fixées par le Ministre de la Défense :
a) des épreuves scientifiques;
b) une épreuve de français ou de néerlandais selon la langue dans laquelle le candidat souhaite subir l'épreuve professionnelle visée à l'article 6, 3°, de la loi du 23 décembre 1955 sur les officiers auxiliaires de la force aérienne, pilotes et navigateurs. Cette épreuve peut, à la demande du candidat, être remplacée par une épreuve d'allemand. Dans ce cas, il choisit de subir l'épreuve professionnelle précitée dans la langue française ou néerlandaise;
c) une épreuve d'anglais;
3° lorsqu'il s'agit d'un mineur qui n'est pas émancipé, justifier du consentement de celui ou de ceux qui exercent à son égard l'autorité parentale. Ce consentement est donné sous la forme d'un certificat dont le modèle est fixé en annexe à l'arrêté royal du 13 novembre 1991 relatif aux engagements et rengagements des candidats militaires du cadre actif. Le candidat domicilié à l'étranger présente un document tenant lieu du certificat précité.
§ 2. Ne peut pas contracter d'engagement comme candidat officier auxiliaire :
1° l'ancien militaire court terme dont le rengagement a été refusé;
2° l'ancien militaire qui a été pensionné pour inaptitude physique définitive ou qui a été licencié par réforme;
3° l'ancien militaire dont l'engagement ou le rengagement a été résilié d'office;
4° l'ancien militaire auquel l'emploi a été définitivement retiré par démission d'office ou par mise à la pension d'office;
5° l'ancien candidat militaire ou le militaire, qui a été radié de la catégorie du personnel navigant en application de l'article 23, § 1er, ou de l'article 25, § 1er, de l'arrêté royal du 16 avril 1998 relatif au personnel navigant des forces armées.
Le présent paragraphe n'est pas applicable au postulant comme candidat officier auxiliaire pour l'une des sessions de recrutement en 2002.
§ 3. L'intéressé est agréé comme candidat officier auxiliaire par le Ministre de la Défense à la date de la signature de l'acte d'engagement.
Le chef de corps devant lequel le candidat officier auxiliaire se présente au moment où il signe son acte d'engagement est l'autorité compétente pour recevoir cet acte.
Le candidat officier auxiliaire reçoit un exemplaire de l'acte d'engagement qu'il a signé.
Le Ministre de la Défense détermine le modèle de l'acte d'engagement à signer par le candidat officier auxiliaire.
§ 4. L'agrément met fin de plein droit et à sa date à tout engagement ou rengagement antérieur.
§ 5. La période de treize ans de service actif visée à l'article 3, 3°, de la loi du 23 décembre 1955 précitée, prend cours à la date de l'agrément comme candidat officier auxiliaire.".
Art. 7. Artikel 2 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Artikel 2. De proeven van gelijke waarde bedoeld in artikel 3, 2°, van voornoemde de wet van 23 december 1955, zijn :
1° de toelatingsproeven tot de koninklijke militaire school;
2° de proeven voorgeschreven voor de werving van beroepsofficieren langs een andere weg. ".
"Artikel 2. De proeven van gelijke waarde bedoeld in artikel 3, 2°, van voornoemde de wet van 23 december 1955, zijn :
1° de toelatingsproeven tot de koninklijke militaire school;
2° de proeven voorgeschreven voor de werving van beroepsofficieren langs een andere weg. ".
Art. 7. L'article 2 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
"Article 2. Les épreuves équivalentes visées à l'article 3, 2°, de la loi du 23 décembre 1955 précitée, sont :
1° les épreuves d'admission à l'école royale militaire;
2° les épreuves prévues pour le recrutement d'officiers de carrière par une autre voie.".
"Article 2. Les épreuves équivalentes visées à l'article 3, 2°, de la loi du 23 décembre 1955 précitée, sont :
1° les épreuves d'admission à l'école royale militaire;
2° les épreuves prévues pour le recrutement d'officiers de carrière par une autre voie.".
Art. 8. In artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 1982, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, 1°, vervallen de woorden "of tot navigator";
2° paragraaf 1, 2°, wordt vervangen als volgt :
"2° de vorming van militair piloot ingedeeld in drie fazen :
a) de basisvliegopleiding;
b) de gevorderde vliegopleiding;
c) de tactische initiatie;";
3° in § 1, 3°, vervallen de woorden "of navigator";
4° paragraaf 5 wordt opgeheven.
1° in § 1, 1°, vervallen de woorden "of tot navigator";
2° paragraaf 1, 2°, wordt vervangen als volgt :
"2° de vorming van militair piloot ingedeeld in drie fazen :
a) de basisvliegopleiding;
b) de gevorderde vliegopleiding;
c) de tactische initiatie;";
3° in § 1, 3°, vervallen de woorden "of navigator";
4° paragraaf 5 wordt opgeheven.
Art. 8. Dans l'article 4 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 31 août 1982, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, 1°, les mots "ou de navigateur" sont supprimés;
2° le § 1er, 2°, est remplacé par le texte suivant :
"2° la formation de pilote militaire divisée en trois phases :
a) la formation de pilotage de base;
b) la formation de pilotage avancé;
c) l'initiation tactique;";
3° dans le § 1er, 3°, les mots "ou de navigateur" sont supprimés;
4° le § 5 est abrogé.
1° dans le § 1er, 1°, les mots "ou de navigateur" sont supprimés;
2° le § 1er, 2°, est remplacé par le texte suivant :
"2° la formation de pilote militaire divisée en trois phases :
a) la formation de pilotage de base;
b) la formation de pilotage avancé;
c) l'initiation tactique;";
3° dans le § 1er, 3°, les mots "ou de navigateur" sont supprimés;
4° le § 5 est abrogé.
Art. 9. In artikel 5, § 1, 4°, van hetzelfde besluit, vervallen de woorden "of tot navigator".
Art. 9. Dans l'article 5, § 1er, 4°, du même arrêté, les mots "ou de navigateur" sont supprimés.
Art. 10. In artikel 6, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 september 1984, vervallen de woorden "van het tijdelijk kader".
Art. 10. Dans l'article 6, § 3, alinéa 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 19 septembre 1984, les mots "du cadre temporaire" sont supprimés.
Art. 11. In artikel 7 van hetzelfde besluit worden § 2 en § 3, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 6 januari 1985, opgeheven.
Art. 11. Dans l'article 7 du même arrêté, le § 2 et le § 3, inséré par l'arrêté royal du 6 janvier 1985, sont abrogés.
Art. 12. In artikel 8, § 1, 2°, van hetzelfde besluit, wordt in de Franse tekst het woord "effectif" vervangen door het woord "actif".
Art. 12. Dans l'article 8, § 1er, 2°, du même arrêté, le mot "effectif" est remplacé par le mot "actif".
Art. 13. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Artikel 9. De hulpofficier kan de verlenging van zijn dienstneming vragen in de loop van de periode tussen twaalf en zes maanden vóór de einddatum van zijn dienstneming.
De aanvraag tot verlenging wordt aan de hiërarchische overheid belast met het beheer van het personeel dat behoort tot het korps van het varend personeel voor advies voorgelegd.
De beslissing van de Minister van Landsverdediging betreffende de aanvraag tot verlenging wordt aan de betrokken hulpofficier ten laatste drie maanden vóór de einddatum van zijn dienstneming ter kennis gebracht.".
"Artikel 9. De hulpofficier kan de verlenging van zijn dienstneming vragen in de loop van de periode tussen twaalf en zes maanden vóór de einddatum van zijn dienstneming.
De aanvraag tot verlenging wordt aan de hiërarchische overheid belast met het beheer van het personeel dat behoort tot het korps van het varend personeel voor advies voorgelegd.
De beslissing van de Minister van Landsverdediging betreffende de aanvraag tot verlenging wordt aan de betrokken hulpofficier ten laatste drie maanden vóór de einddatum van zijn dienstneming ter kennis gebracht.".
Art. 13. L'article 9 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
"Article 9. L'officier auxiliaire peut demander la prolongation de son engagement au cours de la période entre douze et six mois avant la date de fin de son engagement.
La demande de prolongation est soumise pour avis à l'autorité hiérarchique chargée de la gestion du personnel appartenant au corps du personnel navigant.
La décision du Ministre de la Défense relative à la demande de prolongation est notifiée à l'officier auxiliaire concerné au plus tard trois mois avant la date de fin de son engagement.".
"Article 9. L'officier auxiliaire peut demander la prolongation de son engagement au cours de la période entre douze et six mois avant la date de fin de son engagement.
La demande de prolongation est soumise pour avis à l'autorité hiérarchique chargée de la gestion du personnel appartenant au corps du personnel navigant.
La décision du Ministre de la Défense relative à la demande de prolongation est notifiée à l'officier auxiliaire concerné au plus tard trois mois avant la date de fin de son engagement.".
Art. 14. In artikel 12bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 september 1984, vervallen de woorden "van het tijdelijk kader".
Art. 14. Dans l'article 12bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 19 septembre 1984, les mots "du cadre temporaire" sont supprimés.
Art. 15. Artikel 15, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 januari 1985, wordt opgeheven.
Art. 15. L'article 15, alinéa 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 6 janvier 1985, est abrogé.
Art. 16. Artikel 16 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Artikel 16. De hulpofficier wordt in de hoedanigheid van beroepsofficier opgenomen met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad. Hij wordt gerangschikt na de beroepsofficier met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad.".
"Artikel 16. De hulpofficier wordt in de hoedanigheid van beroepsofficier opgenomen met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad. Hij wordt gerangschikt na de beroepsofficier met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad.".
Art. 16. L'article 16 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
"Article 16. L'officier auxiliaire est admis en qualité d'officier de carrière avec son grade et son ancienneté dans ce grade. Il est classé à la suite de l'officier de carrière de même grade et de même ancienneté dans ce grade.".
"Article 16. L'officier auxiliaire est admis en qualité d'officier de carrière avec son grade et son ancienneté dans ce grade. Il est classé à la suite de l'officier de carrière de même grade et de même ancienneté dans ce grade.".
Art. 17. Artikel 18 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Artikel 18. De hulpofficier wordt in de hoedanigheid van aanvullingsofficier opgenomen met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad. Hij wordt gerangschikt na de aanvullingsofficier met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad. ".
"Artikel 18. De hulpofficier wordt in de hoedanigheid van aanvullingsofficier opgenomen met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad. Hij wordt gerangschikt na de aanvullingsofficier met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad. ".
Art. 17. L'article 18 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
"Article 18. L'officier auxiliaire est admis en qualité d'officier de complément avec son grade et son ancienneté dans ce grade. Il est classé à la suite de l'officier de complément de même grade et de même ancienneté dans ce grade.".
"Article 18. L'officier auxiliaire est admis en qualité d'officier de complément avec son grade et son ancienneté dans ce grade. Il est classé à la suite de l'officier de complément de même grade et de même ancienneté dans ce grade.".
Art. 18. In artikel 21, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 januari 1985, vervallen de woorden "met uitzondering van de examens bedoeld bij het tweede lid van dit artikel".
Art. 18. Dans l'article 21, 3°, du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 6 janvier 1985, les mots "à l'exception des examens visés à l'alinéa 2 de cet article" sont supprimés.
Art. 19. In artikel 22, § 2, 1°, van hetzelfde besluit, vervallen de woorden "of navigator".
Art. 19. Dans l'article 22, § 2, 1°, du même arrêté, les mots "ou navigateur" sont supprimés.
Art. 20. Artikel 23 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Artikel 23. De datum bedoeld in artikel 21, § 1, eerste lid, van de voornoemde wet van 23 december 1955, is 1 januari 2002.
Zo hij hiertoe een aanvraag indient binnen de twaalf maanden die volgen op de inwerkingtreding van de artikelen 26 tot 33 van de wet van 22 maart 2001 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de statuten van het militair personeel, kan de hulpofficier of de kandidaat-hulpofficier die vóór 1 januari 2002 aanvaard werd, de verlenging van zijn dienstneming of van zijn bijkomende dienstneming tot dertien jaar aanvragen.
Deze verlenging wordt door de Minister van Landsverdediging aan betrokkene ten laatste drie maanden na het indienen van zijn aanvraag ter kennis gebracht.".
"Artikel 23. De datum bedoeld in artikel 21, § 1, eerste lid, van de voornoemde wet van 23 december 1955, is 1 januari 2002.
Zo hij hiertoe een aanvraag indient binnen de twaalf maanden die volgen op de inwerkingtreding van de artikelen 26 tot 33 van de wet van 22 maart 2001 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de statuten van het militair personeel, kan de hulpofficier of de kandidaat-hulpofficier die vóór 1 januari 2002 aanvaard werd, de verlenging van zijn dienstneming of van zijn bijkomende dienstneming tot dertien jaar aanvragen.
Deze verlenging wordt door de Minister van Landsverdediging aan betrokkene ten laatste drie maanden na het indienen van zijn aanvraag ter kennis gebracht.".
Art. 20. L'article 23 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
"Article 23. La date visée à l'article 21, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 23 décembre 1955 précitée, est le 1er janvier 2002.
Pour autant qu'il en introduise la demande dans les douze mois qui suivent l'entrée en vigueur des articles 26 à 33 de la loi du 22 mars 2001 modifiant certaines dispositions relatives aux statuts du personnel militaire, l'officier auxiliaire ou le candidat officier auxiliaire agréé avant le 1er janvier 2002, peut demander la prolongation de son engagement ou de son engagement complémentaire jusqu'à treize ans.
Cette prolongation est notifiée par le Ministre de la Défense à l'intéressé, au plus tard trois mois après l'introduction de sa demande.".
"Article 23. La date visée à l'article 21, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 23 décembre 1955 précitée, est le 1er janvier 2002.
Pour autant qu'il en introduise la demande dans les douze mois qui suivent l'entrée en vigueur des articles 26 à 33 de la loi du 22 mars 2001 modifiant certaines dispositions relatives aux statuts du personnel militaire, l'officier auxiliaire ou le candidat officier auxiliaire agréé avant le 1er janvier 2002, peut demander la prolongation de son engagement ou de son engagement complémentaire jusqu'à treize ans.
Cette prolongation est notifiée par le Ministre de la Défense à l'intéressé, au plus tard trois mois après l'introduction de sa demande.".
Art. 21. In hetzelfde besluit worden opgeheven :
1° artikel 24;
2° artikel 25.
1° artikel 24;
2° artikel 25.
Art. 21. Sont abrogés dans le même arrêté :
1° l'article 24;
2° l'article 25.
1° l'article 24;
2° l'article 25.
Art. 22. In artikel 7, eerste lid, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de fysieke hoedanigheden van sommige kandidaten en leerlingen van de krijgsmacht worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "De kandidaten van het varend personeel van de luchtmacht, piloten en navigatoren, dienen" worden vervangen door de woorden "De kandidaat-hulpofficier dient";
2° de bepaling onder 7° wordt opgeheven.
1° de woorden "De kandidaten van het varend personeel van de luchtmacht, piloten en navigatoren, dienen" worden vervangen door de woorden "De kandidaat-hulpofficier dient";
2° de bepaling onder 7° wordt opgeheven.
Art. 22. A l'article 7, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 13 novembre 1991 fixant les règles applicables à l'appréciation des qualités physiques de certains candidats et élèves des forces armées sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "Les candidats pour le personnel navigant de la force aérienne, pilotes et navigateurs, doivent" sont remplacés par les mots "Le candidat officier auxiliaire doit";
2° le 7° est abrogé.
1° les mots "Les candidats pour le personnel navigant de la force aérienne, pilotes et navigateurs, doivent" sont remplacés par les mots "Le candidat officier auxiliaire doit";
2° le 7° est abrogé.
Art. 23. Artikel 8, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Geslaagd is de kandidaat die de volgende punten heeft behaald :
1° ten minste 40 punten op 100 voor de in artikel 7, eerste lid, 1° tot 5° bedoelde proeven;
2° ten minste 16 punten op 20 voor de in artikel 7, eerste lid, 6° bedoelde proef;
3° ten minste 70 punten op 140 voor het geheel van de proeven.".
"Geslaagd is de kandidaat die de volgende punten heeft behaald :
1° ten minste 40 punten op 100 voor de in artikel 7, eerste lid, 1° tot 5° bedoelde proeven;
2° ten minste 16 punten op 20 voor de in artikel 7, eerste lid, 6° bedoelde proef;
3° ten minste 70 punten op 140 voor het geheel van de proeven.".
Art. 23. L'article 8, alinéa 2, du même arrêté est remplacé par l'alinéa suivant :
"A réussi, le candidat qui a obtenu les points suivants :
1° au moins 40 points sur 100 pour les épreuves fixées à l'article 7, alinéa 1er, 1° à 5°;
2° au moins 16 points sur 40 pour l'épreuve fixée à l'article 7, alinéa 1er, 6°;
3° au moins 70 points sur 140 pour l'ensemble des épreuves.".
"A réussi, le candidat qui a obtenu les points suivants :
1° au moins 40 points sur 100 pour les épreuves fixées à l'article 7, alinéa 1er, 1° à 5°;
2° au moins 16 points sur 40 pour l'épreuve fixée à l'article 7, alinéa 1er, 6°;
3° au moins 70 points sur 140 pour l'ensemble des épreuves.".
Art. 24. De beoordelingstabel C, gevoegd bij hetzelfde besluit, wordt vervangen door de tabel gevoegd bij dit besluit.
Art. 24. Le tableau de notation C, annexé au même arrêté, est remplacé par le tableau en annexe au présent arrêté.
Art. 25. In artikel 3, derde lid, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende sommige uit het gebrevetteerd varend personeel geschrapte hulpofficieren die aanvaard kunnen worden om een vorming tot aanvullingsofficier te volgen, worden de woorden "op het examen over de grondige kennis van de Nederlandse of de Franse taal, of" ingevoegd tussen de woorden "afgewezen is" en de woorden "op het examen".
Art. 25. Dans l'article 3, alinéa 3, de l'arrêté royal du 11 août 1994 relatif à certains officiers auxiliaires radiés du personnel navigant breveté qui peuvent être admis à suivre une formation d'officier de complément, les mots "à l'examen sur la connaissance approfondie de la langue française ou néerlandaise, ou" sont insérés entre les mots "a échoué" et "à l'examen".
Art. 26. Artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit van 16 april 1998 betreffende het varend personeel van de krijgsmacht, wordt aangevuld met de volgende leden :
"Kan niet in de categorie van het leerling-varend personeel opgenomen worden, de voormalige kandidaat-militair of de militair, die geschrapt werd uit de categorie van het varend personeel met toepassing van het artikel 23, § 1, of het artikel 25, § 1.
Het tweede lid is niet van toepassing op de kandidaat-hulpofficier die in 2002 aanvaard wordt.".
"Kan niet in de categorie van het leerling-varend personeel opgenomen worden, de voormalige kandidaat-militair of de militair, die geschrapt werd uit de categorie van het varend personeel met toepassing van het artikel 23, § 1, of het artikel 25, § 1.
Het tweede lid is niet van toepassing op de kandidaat-hulpofficier die in 2002 aanvaard wordt.".
Art. 26. L'article 14, § 1er, de l'arrêté royal du 16 avril 1998 relatif au personnel navigant des forces armées, est complété par les alinéas suivants :
"Ne peut pas être admis dans la catégorie du personnel navigant élève, l'ancien candidat militaire ou le militaire, qui a été radié de la catégorie du personnel navigant en application de l'article 23, § 1er, ou de l'article 25, § 1er.
L'alinéa 2 n'est pas applicable au candidat officier auxiliaire qui est agréé en 2002.".
"Ne peut pas être admis dans la catégorie du personnel navigant élève, l'ancien candidat militaire ou le militaire, qui a été radié de la catégorie du personnel navigant en application de l'article 23, § 1er, ou de l'article 25, § 1er.
L'alinéa 2 n'est pas applicable au candidat officier auxiliaire qui est agréé en 2002.".
Art. 27. In artikel 35, § 3, van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt het volgende lid ingevoegd :
"Het advies, bedoeld in § 2, 1°, wordt overgemaakt voor beslissing aan de commandant van de grote eenheid belast met de vorming van het varend personeel waaronder betrokkene ressorteert.";
2° het tweede lid, derde geworden, wordt vervangen als volgt :
"De adviezen, bedoeld in § 2, 2° en 4°, worden overgemaakt voor beslissing aan de hiërarchische overheid belast met het beheer van het personeel dat behoort tot het korps waarvan betrokkene afhangt.".
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt het volgende lid ingevoegd :
"Het advies, bedoeld in § 2, 1°, wordt overgemaakt voor beslissing aan de commandant van de grote eenheid belast met de vorming van het varend personeel waaronder betrokkene ressorteert.";
2° het tweede lid, derde geworden, wordt vervangen als volgt :
"De adviezen, bedoeld in § 2, 2° en 4°, worden overgemaakt voor beslissing aan de hiërarchische overheid belast met het beheer van het personeel dat behoort tot het korps waarvan betrokkene afhangt.".
Art. 27. Dans l'article 35, § 3, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
"La recommandation visée au § 2, 1°, est transmise pour décision au commandant de la grande unité chargée de la formation du personnel navigant dont relève l'intéressé.";
2° l'alinéa 2, devenu 3, est remplacé par l'alinéa suivant :
"Les recommandations visées au § 2, 2° et 4°, sont transmises pour décision à l'autorité hiérarchique chargée de la gestion du personnel appartenant au corps dont relève l'intéressé".
1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
"La recommandation visée au § 2, 1°, est transmise pour décision au commandant de la grande unité chargée de la formation du personnel navigant dont relève l'intéressé.";
2° l'alinéa 2, devenu 3, est remplacé par l'alinéa suivant :
"Les recommandations visées au § 2, 2° et 4°, sont transmises pour décision à l'autorité hiérarchique chargée de la gestion du personnel appartenant au corps dont relève l'intéressé".
Art. 28. Artikel 42, § 1, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"§ 1. De Minister van Landsverdediging duidt de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de evaluatieraad aan.".
"§ 1. De Minister van Landsverdediging duidt de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de evaluatieraad aan.".
Art. 28. L'article 42, § 1er, du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
"§ 1er. Le Ministre de la Défense désigne le président et le président suppléant du conseil d'évaluation.".
"§ 1er. Le Ministre de la Défense désigne le président et le président suppléant du conseil d'évaluation.".
Art. 29. De artikelen 26 tot 33 van de wet van 22 maart 2001 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de statuten van het militair personeel treden in werking.
Art. 29. Les articles 26 à 33 de la loi du 22 mars 2001 modifiant certaines dispositions relatives aux statuts du personnel militaire entrent en vigueur.
Art. 30. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 30. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 31. Onze Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 14 maart 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Landsverdediging,
A. FLAHAUT
Gegeven te Brussel, 14 maart 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Landsverdediging,
A. FLAHAUT
Art. 31. Notre Ministre de la Défense est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 14 mars 2002.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Défense,
A. FLAHAUT
Donné à Bruxelles, le 14 mars 2002.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Défense,
A. FLAHAUT
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. C. Beoordelingstabel van de proeven van fysieke conditie af te leggen bij de werving van kandidaat-hulpofficieren.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 19-03-2002, p. 11465).
Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 14 maart 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Landsverdediging,
A. FLAHAUT.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 19-03-2002, p. 11465).
Gezien om gevoegd te worden bij Ons besluit van 14 maart 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Landsverdediging,
A. FLAHAUT.
Art. N. C. Tableau de notation des épreuves de condition physique imposées au moment du recrutement de candidats officiers auxiliaires.
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 19-03-2002, p. 11465).
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 14 mars 2002.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Défense,
A. FLAHAUT.
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 19-03-2002, p. 11465).
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 14 mars 2002.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Défense,
A. FLAHAUT.