Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
7 OKTOBER 2002. - Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 8 februari 1994 betreffende de voortgezette vorming van de lagere officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven door de beroepsofficieren van de krijgsmacht af te leggen met het oog op de bevordering tot de graad van majoor of tot een gelijkwaardige graad en het ministerieel besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader.
Titre
7 OCTOBRE 2002. - Arrêté ministériel modifiant l'arrêté ministériel du 8 février 1994 relatif à la formation continuée des officiers subalternes du cadre actif des forces armées et aux épreuves professionnelles imposées aux officiers de carrière des forces armées en vue de l'avancement au grade de major ou à un grade équivalent et l'arrêté ministériel du 11 août 1994 relatif au recrutement et à la formation des candidats militaires du cadre actif.
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (10)
Texte (10)
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het ministerieel besluit van 8 februari 1994 betreffende de voortgezette vorming van de lagere officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven door de beroepsofficieren van de krijgsmacht af te leggen met het oog op de bevordering tot de graad van majoor of tot een gelijkwaardige graad.
CHAPITRE I. - Modification de l'arrêté ministériel du 8 février 1994 relatif à la formation continuée des officiers subalternes du cadre actif des forces armées et aux épreuves professionnelles imposées aux officiers de carrière des forces armées en vue de l'avancement au grade de major ou à un grade équivalent.
Artikel 1. In artikel 22, § 4, tweede lid, van het ministerieel besluit van 8 februari 1994 betreffende de voortgezette vorming van de lagere officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven, door de beroepsofficieren van de krijgsmacht af te leggen met het oog op de bevordering tot de graad van majoor of tot een gelijkwaardige graad, worden de woorden "de directeur van de studies" vervangen door de woorden "de directeur van het academisch onderwijs".
Article 1. A l'article 22, § 4, alinéa 2, de l'arrêté ministériel du 8 février 1994 relatif à la formation continuée des officiers subalternes du cadre actif des forces armées et aux épreuves professionnelles imposées aux officiers de carrière des forces armées en vue de l'avancement au grade de major ou à un grade équivalent, les mots "directeur des études" sont remplacés par les mots "directeur de l'enseignement académique".
HOOFDSTUK II. - Wijziging van het ministerieel besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader.
CHAPITRE II. - Modification de l'arrêté ministériel du 11 août 1994 relatif au recrutement et à la formation des candidats militaires du cadre actif.
Art. 2. In artikel 3 van het ministerieel besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
"De examencommissie bestaat per specialiteit uit ten minste drie leden waarvan één voorzitter. De leden van de examencommissie worden aangewezen door de directeur-generaal human resources.";
2° paragraaf 2, tweede lid, 1°, wordt vervangen als volgt :
"1° de diensten waar betrokkene zal of zou kunnen tewerkgesteld worden;";
3° paragraaf 2, tweede lid, 2°, wordt vervangen als volgt :
" 2° de specialiteit van betrokkene.";
4° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden ", naargelang het geval, door de chef van de generale staf of door de stafchef van het betrokken krijgsmachtdeel" vervangen door de woorden "door de directeur-generaal human resources".
1° paragraaf 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
"De examencommissie bestaat per specialiteit uit ten minste drie leden waarvan één voorzitter. De leden van de examencommissie worden aangewezen door de directeur-generaal human resources.";
2° paragraaf 2, tweede lid, 1°, wordt vervangen als volgt :
"1° de diensten waar betrokkene zal of zou kunnen tewerkgesteld worden;";
3° paragraaf 2, tweede lid, 2°, wordt vervangen als volgt :
" 2° de specialiteit van betrokkene.";
4° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden ", naargelang het geval, door de chef van de generale staf of door de stafchef van het betrokken krijgsmachtdeel" vervangen door de woorden "door de directeur-generaal human resources".
Art. 2. A l'article 3 de l'arrêté ministériel du 11 août 1994 relatif au recrutement et à la formation des candidats militaires du cadre actif, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er, alinéa 2, est remplacé par l'alinéa suivant :
"Le jury est composé, par spécialité, d'au moins trois membres dont un président. Les membres du jury sont désignés par le directeur général human resources.";
2° le § 2, alinéa 2, 1°, est remplacé par le texte suivant :
"1° des services où l'intéressé sera ou pourrait être mis en fonction;";
3° le § 2, alinéa 2, 2°, est remplacé par le texte suivant :
"2° de la spécialité de l'intéressé.";
4° dans le § 3, alinéa 1er, les mots ", selon le cas, par le chef de l'état-major général ou le chef d'état-major de la force concernée" sont remplacés par les mots "par le directeur général human resources".
1° le § 1er, alinéa 2, est remplacé par l'alinéa suivant :
"Le jury est composé, par spécialité, d'au moins trois membres dont un président. Les membres du jury sont désignés par le directeur général human resources.";
2° le § 2, alinéa 2, 1°, est remplacé par le texte suivant :
"1° des services où l'intéressé sera ou pourrait être mis en fonction;";
3° le § 2, alinéa 2, 2°, est remplacé par le texte suivant :
"2° de la spécialité de l'intéressé.";
4° dans le § 3, alinéa 1er, les mots ", selon le cas, par le chef de l'état-major général ou le chef d'état-major de la force concernée" sont remplacés par les mots "par le directeur général human resources".
Art. 3. In titel I, hoofdstuk I, van hetzelfde besluit, wordt een afdeling III ingevoegd luidende :
"Afdeling III. - De werving van de kandidaat-officier
Art. 3bis. Het examen dat betrekking heeft op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 2 en 2bis van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger omvat twee schriftelijke gedeelten :
1° de samenvatting van een tekst over een onderwerp van algemene aard, die de kandidaat gedurende een vijftiental minuten heeft kunnen lezen zonder aantekeningen te maken;
2° het opstellen van een commentaar, in de vorm van een samenhangende tekst waarin ten minste wordt geantwoord op een vragenlijst in verband met de gelezen tekst bedoeld in 1°.
Bij de beoordeling van elk van beide examengedeelten wordt rekening gehouden met de inhoud, de stijl, de spelling en de presentatie van het werk.
Art. 3ter. Het examen dat betrekking heeft op de elementaire kennis van, naar keuze van de kandidaat, een van de talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 2 en 2bis van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger omvat drie schriftelijke gedeelten :
1° een thema;
2° een vertaling;
3° een opstel in de vorm van een samenhangende tekst waarin ten minste wordt geantwoord op een vragenlijst in verband met een in de taal waarin de elementaire kennis wordt ondervraagd, opgestelde tekst verstrekt aan de kandidaat.
Art. 3quater. Het examen wiskunde bedoeld in artikel 11, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader is schriftelijk en bestaat uit :
1° een gemeenschappelijk gedeelte voor alle kandidaten dat betrekking heeft op het programma van het algemeen secundair onderwijs waarin vier uren wiskunde per week gegeven worden tijdens de laatste twee jaren;
2° een bijkomend gedeelte voor de kandidaten voor de polytechnische faculteit dat betrekking heeft op het programma van het algemeen secundair onderwijs waarin zes uren wiskunde per week gegeven worden in de laatste twee jaren.
De examens in de wiskunde kunnen voor alle kandidaten de volgende vakken omvatten :algebra, analyse, meetkunde, driehoeksmeting, numeriek rekenen, en bovendien voor de kandidaten voor de polytechnische faculteit analytische meetkunde.
De examencommissie bepaalt voor het gemeenschappelijk gedeelte en voor het bijkomende gedeelte, bedoeld in het eerste lid, voor welke onderdelen van de wiskunde examens moeten worden afgelegd. Deze beslissing wordt aan de kandidaten meegedeeld uiterlijk twee maanden voor de betrokken examens.
Art. 3quinquies. De examencommissie die de resultaten behaald bij de proeven en de examens bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader, beoordeelt, bestaat uit de directeur-generaal human resources of de opper- of hoofdofficier door hem aangewezen, voorzitter, en zes leden, 3 aangewezen door de directeur-generaal human resources en 3 aangewezen door de commandant van de Koninklijke Militaire School.
De lijst van de leden van de examencommissie wordt jaarlijks goedgekeurd door de minister van Landsverdediging op voorstel van de directeur-generaal human resources."
"Afdeling III. - De werving van de kandidaat-officier
Art. 3bis. Het examen dat betrekking heeft op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 2 en 2bis van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger omvat twee schriftelijke gedeelten :
1° de samenvatting van een tekst over een onderwerp van algemene aard, die de kandidaat gedurende een vijftiental minuten heeft kunnen lezen zonder aantekeningen te maken;
2° het opstellen van een commentaar, in de vorm van een samenhangende tekst waarin ten minste wordt geantwoord op een vragenlijst in verband met de gelezen tekst bedoeld in 1°.
Bij de beoordeling van elk van beide examengedeelten wordt rekening gehouden met de inhoud, de stijl, de spelling en de presentatie van het werk.
Art. 3ter. Het examen dat betrekking heeft op de elementaire kennis van, naar keuze van de kandidaat, een van de talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 2 en 2bis van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger omvat drie schriftelijke gedeelten :
1° een thema;
2° een vertaling;
3° een opstel in de vorm van een samenhangende tekst waarin ten minste wordt geantwoord op een vragenlijst in verband met een in de taal waarin de elementaire kennis wordt ondervraagd, opgestelde tekst verstrekt aan de kandidaat.
Art. 3quater. Het examen wiskunde bedoeld in artikel 11, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader is schriftelijk en bestaat uit :
1° een gemeenschappelijk gedeelte voor alle kandidaten dat betrekking heeft op het programma van het algemeen secundair onderwijs waarin vier uren wiskunde per week gegeven worden tijdens de laatste twee jaren;
2° een bijkomend gedeelte voor de kandidaten voor de polytechnische faculteit dat betrekking heeft op het programma van het algemeen secundair onderwijs waarin zes uren wiskunde per week gegeven worden in de laatste twee jaren.
De examens in de wiskunde kunnen voor alle kandidaten de volgende vakken omvatten :algebra, analyse, meetkunde, driehoeksmeting, numeriek rekenen, en bovendien voor de kandidaten voor de polytechnische faculteit analytische meetkunde.
De examencommissie bepaalt voor het gemeenschappelijk gedeelte en voor het bijkomende gedeelte, bedoeld in het eerste lid, voor welke onderdelen van de wiskunde examens moeten worden afgelegd. Deze beslissing wordt aan de kandidaten meegedeeld uiterlijk twee maanden voor de betrokken examens.
Art. 3quinquies. De examencommissie die de resultaten behaald bij de proeven en de examens bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader, beoordeelt, bestaat uit de directeur-generaal human resources of de opper- of hoofdofficier door hem aangewezen, voorzitter, en zes leden, 3 aangewezen door de directeur-generaal human resources en 3 aangewezen door de commandant van de Koninklijke Militaire School.
De lijst van de leden van de examencommissie wordt jaarlijks goedgekeurd door de minister van Landsverdediging op voorstel van de directeur-generaal human resources."
Art. 3. Il est inséré dans le titre premier, chapitre premier, du même arrêté, une section III, rédigée comme suit :
"Section III. - Du recrutement du candidat officier.
Art. 3bis. L'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat, conformément aux dispositions des articles 2 et 2bis de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée, comprend deux parties écrites :
1° le résumé d'un texte relatif à un sujet d'ordre général dont le candidat aura effectué, en une quinzaine de minutes, une lecture sans prise de notes;
2° la rédaction d'un commentaire sous la forme d'un texte cohérent dans lequel il est au moins répondu à un questionnaire portant sur le texte lu visé au 1°.
Lors de l'appréciation de chacune des deux parties de l'examen, il est tenu compte du contenu, du style, de l'orthographe et de la présentation du travail.
Art. 3ter. L'examen portant sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée, au choix du candidat, conformément aux dispositions des articles 2 et 2bis de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée, comporte trois parties écrites :
1° un thème;
2° une version;
3° une rédaction sous la forme d'un texte cohérent dans lequel il est au moins répondu à un questionnaire portant sur un texte rédigé dans la langue dans laquelle la connaissance élémentaire est examinée, fourni au candidat.
Art. 3quater. L'examen de mathématiques visé à l'article 11, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 11 août 1994 relatif au recrutement et à la formation des candidats militaires du cadre actif est écrit et comprend :
1° une partie commune pour tous les candidats portant sur le programme de l'enseignement secondaire général dans lequel quatre heures de mathématiques par semaine sont dispensées lors des deux dernières années;
2° une partie supplémentaire pour les candidats pour la faculté polytechnique portant sur le programme de l'enseignement secondaire général dans lequel six heures de mathématiques par semaine sont dispensées dans les deux dernières années.
Les examens de mathématiques peuvent comprendre pour tous les candidats les branches suivantes :l'algèbre, l'analyse, la géométrie, la trigonométrie, le calcul numérique, et en outre pour les candidats pour la faculté polytechnique la géométrie analytique.
Le jury fixe pour la partie commune et pour la partie supplémentaire visées à l'alinéa 1 les branches des mathématiques pour lesquelles des examens doivent être subis. Cette décision est portée à la connaissance des candidats au plus tard deux mois avant les examens concernés.
Art. 3quinquies. Le jury qui apprécie les résultats obtenus lors des épreuves et examens visés à l'article 11, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 11 août 1994 relatif au recrutement et à la formation des candidats militaires du cadre actif, est composé du directeur général human resources ou l'officier général ou supérieur désigné par lui, président, et de six membres, 3 désignés par le directeur général human resources et 3 désignés par le commandant de l'Ecole royale militaire.
La liste des membres du jury est approuvée annuellement par le ministre de la Défense sur la proposition du directeur général human resources."
"Section III. - Du recrutement du candidat officier.
Art. 3bis. L'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat, conformément aux dispositions des articles 2 et 2bis de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée, comprend deux parties écrites :
1° le résumé d'un texte relatif à un sujet d'ordre général dont le candidat aura effectué, en une quinzaine de minutes, une lecture sans prise de notes;
2° la rédaction d'un commentaire sous la forme d'un texte cohérent dans lequel il est au moins répondu à un questionnaire portant sur le texte lu visé au 1°.
Lors de l'appréciation de chacune des deux parties de l'examen, il est tenu compte du contenu, du style, de l'orthographe et de la présentation du travail.
Art. 3ter. L'examen portant sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée, au choix du candidat, conformément aux dispositions des articles 2 et 2bis de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée, comporte trois parties écrites :
1° un thème;
2° une version;
3° une rédaction sous la forme d'un texte cohérent dans lequel il est au moins répondu à un questionnaire portant sur un texte rédigé dans la langue dans laquelle la connaissance élémentaire est examinée, fourni au candidat.
Art. 3quater. L'examen de mathématiques visé à l'article 11, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 11 août 1994 relatif au recrutement et à la formation des candidats militaires du cadre actif est écrit et comprend :
1° une partie commune pour tous les candidats portant sur le programme de l'enseignement secondaire général dans lequel quatre heures de mathématiques par semaine sont dispensées lors des deux dernières années;
2° une partie supplémentaire pour les candidats pour la faculté polytechnique portant sur le programme de l'enseignement secondaire général dans lequel six heures de mathématiques par semaine sont dispensées dans les deux dernières années.
Les examens de mathématiques peuvent comprendre pour tous les candidats les branches suivantes :l'algèbre, l'analyse, la géométrie, la trigonométrie, le calcul numérique, et en outre pour les candidats pour la faculté polytechnique la géométrie analytique.
Le jury fixe pour la partie commune et pour la partie supplémentaire visées à l'alinéa 1 les branches des mathématiques pour lesquelles des examens doivent être subis. Cette décision est portée à la connaissance des candidats au plus tard deux mois avant les examens concernés.
Art. 3quinquies. Le jury qui apprécie les résultats obtenus lors des épreuves et examens visés à l'article 11, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 11 août 1994 relatif au recrutement et à la formation des candidats militaires du cadre actif, est composé du directeur général human resources ou l'officier général ou supérieur désigné par lui, président, et de six membres, 3 désignés par le directeur général human resources et 3 désignés par le commandant de l'Ecole royale militaire.
La liste des membres du jury est approuvée annuellement par le ministre de la Défense sur la proposition du directeur général human resources."
Art. 4. In artikel 4, vierde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "De stafchef van het krijgsmachtdeel" vervangen door de woorden "De chef van de divisie personeel".
Art. 4. Dans l'article 4, alinéa 4, les mots "Le chef d'état-major de la force" sont remplacés par les mots "Le chef de la division personnel".
Art. 5. Artikel 16 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
"Art. 16. § 1. Tijdens de overgangsfase bedoeld in artikel 136 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader, moet de kandidaat-officier om te slagen voor de verschillende vakken van de examens bedoeld in artikel 11, eerste lid, 2° en 3°, van hetzelfde besluit de volgende punten, uitgedrukt in percent, hebben behaald :
1° voor de kandidaten voor de polytechnische faculteit :
a) voor het examen dat betrekking heeft op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal : 50;
b) voor het examen dat betrekking heeft op de elementaire kennis van, naar keuze van de kandidaat, een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 40;
c) voor het examen wiskunde : 50;
2° voor de kandidaten van de normale werving, behalve deze voor de polytechnische faculteit, alsook voor de kandidaten van de aanvullende werving :
a) voor het examen dat betrekking heeft op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal : 50;
b) voor het examen dat betrekking heeft op de elementaire kennis van, naar keuze van de kandidaat, een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 40;
c) voor het examen wiskunde : 40;
3° voor de kandidaten van de uitzonderlijke werving :
a) voor het examen dat betrekking heeft op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal : 50;
b) voor het examen dat betrekking heeft op de elementaire kennis van, naar keuze van de kandidaat, een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 40;
4° voor de kandidaten van de bijzondere werving :
a) voor het examen dat betrekking heeft op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal : 50;
b) voor het examen dat betrekking heeft op de elementaire kennis van, naar keuze van de kandidaat, een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 40;
c) voor het interview : 50;
§ 2. Met het oog op de rangschikking van de kandidaten geslaagd in de proeven bedoeld in § 1 worden de belangrijkheidscoëfficiënten van de verschillende vakken van de examens bedoeld in artikel 11, eerste lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader als volgt bepaald :
1° voor de kandidaten voor de polytechnische faculteit :
a) voor het geheel van de examens die betrekking hebben op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal en op de elementaire kennis van een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 40;
b) voor wiskunde : 60;
2° voor de kandidaten van de normale werving, behalve deze voor de polytechnische faculteit, alsook voor de kandidaten van de aanvullende werving :
a) voor het geheel van de examens die betrekking hebben op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal en op de elementaire kennis van een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 60;
b) voor wiskunde : 40;
3° voor de kandidaten van de uitzonderlijke werving :
a) voor het examen dat betrekking heeft op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal : 50;
b) voor het examen dat betrekking heeft op de elementaire kennis van, naar keuze van de kandidaat, een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 50;
4° voor de kandidaten van de bijzondere werving, voor het interview : 100. "
"Art. 16. § 1. Tijdens de overgangsfase bedoeld in artikel 136 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader, moet de kandidaat-officier om te slagen voor de verschillende vakken van de examens bedoeld in artikel 11, eerste lid, 2° en 3°, van hetzelfde besluit de volgende punten, uitgedrukt in percent, hebben behaald :
1° voor de kandidaten voor de polytechnische faculteit :
a) voor het examen dat betrekking heeft op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal : 50;
b) voor het examen dat betrekking heeft op de elementaire kennis van, naar keuze van de kandidaat, een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 40;
c) voor het examen wiskunde : 50;
2° voor de kandidaten van de normale werving, behalve deze voor de polytechnische faculteit, alsook voor de kandidaten van de aanvullende werving :
a) voor het examen dat betrekking heeft op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal : 50;
b) voor het examen dat betrekking heeft op de elementaire kennis van, naar keuze van de kandidaat, een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 40;
c) voor het examen wiskunde : 40;
3° voor de kandidaten van de uitzonderlijke werving :
a) voor het examen dat betrekking heeft op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal : 50;
b) voor het examen dat betrekking heeft op de elementaire kennis van, naar keuze van de kandidaat, een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 40;
4° voor de kandidaten van de bijzondere werving :
a) voor het examen dat betrekking heeft op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal : 50;
b) voor het examen dat betrekking heeft op de elementaire kennis van, naar keuze van de kandidaat, een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 40;
c) voor het interview : 50;
§ 2. Met het oog op de rangschikking van de kandidaten geslaagd in de proeven bedoeld in § 1 worden de belangrijkheidscoëfficiënten van de verschillende vakken van de examens bedoeld in artikel 11, eerste lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader als volgt bepaald :
1° voor de kandidaten voor de polytechnische faculteit :
a) voor het geheel van de examens die betrekking hebben op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal en op de elementaire kennis van een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 40;
b) voor wiskunde : 60;
2° voor de kandidaten van de normale werving, behalve deze voor de polytechnische faculteit, alsook voor de kandidaten van de aanvullende werving :
a) voor het geheel van de examens die betrekking hebben op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal en op de elementaire kennis van een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 60;
b) voor wiskunde : 40;
3° voor de kandidaten van de uitzonderlijke werving :
a) voor het examen dat betrekking heeft op de grondige kennis van, naar keuze van de kandidaat, de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal : 50;
b) voor het examen dat betrekking heeft op de elementaire kennis van, naar keuze van de kandidaat, een van deze talen waarvan de grondige kennis niet werd getoetst : 50;
4° voor de kandidaten van de bijzondere werving, voor het interview : 100. "
Art. 5. L'article 16 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 16. § 1er. Durant la phase de transition visée à l'article 136 de l'arrêté royal du 11 août 1994 relatif au recrutement et à la formation des candidats militaires du cadre actif, le candidat officier doit, pour réussir les différentes branches des examens visés à l'article 11, alinéa 1er, 2° et 3°, du même arrêté, avoir obtenu les points ci-après, exprimés en pour-cent :
1° pour les candidats pour la faculté polytechnique :
a) pour l'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat : 50;
b) pour l'examen portant sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée, au choix du candidat : 40;
c) pour l'examen de mathématiques : 50;
2° pour les candidats du recrutement normal, exceptés ceux pour la faculté polytechnique, ainsi que pour les candidats du recrutement complémentaire :
a) pour l'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat : 50;
b) pour l'examen portant sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée, au choix du candidat : 40;
c) pour l'examen de mathématiques : 40;
3° pour les candidats du recrutement exceptionnel :
a) pour l'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat : 50;
b) pour l'examen portant sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues, au choix du candidat, pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée : 40;
4° pour les candidats du recrutement spécial :
a) pour l'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat : 50;
b) pour l'examen portant sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues, au choix du candidat, pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée : 40;
c) pour l'interview : 50;
§ 2. En vue du classement des candidats ayant réussi les épreuves visées au § 1er, les coefficients d'importance des différentes branches des examens visés à l'article 11, alinéa 1er, 2° et 3°, de l'arrêté royal du 11 août 1994 relatif au recrutement et à la formation des candidats militaires du cadre actif sont fixés comme suit :
1° pour les candidats pour la faculté polytechnique :
a) pour l'ensemble des examens portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat, et sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée : 40;
b) pour les mathématiques : 60;
2° pour les candidats du recrutement normal, exceptés ceux pour la faculté polytechnique, ainsi que pour les candidats du recrutement complémentaire :
a) pour l'ensemble des examens portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat, et sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée : 60;
b) pour les mathématiques : 40;
3° pour les candidats du recrutement exceptionnel :
a) pour l'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat : 50;
b) pour l'examen portant sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues, au choix du candidat, pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée : 50;
4° pour les candidats du recrutement spécial, pour l'interview : 100."
"Art. 16. § 1er. Durant la phase de transition visée à l'article 136 de l'arrêté royal du 11 août 1994 relatif au recrutement et à la formation des candidats militaires du cadre actif, le candidat officier doit, pour réussir les différentes branches des examens visés à l'article 11, alinéa 1er, 2° et 3°, du même arrêté, avoir obtenu les points ci-après, exprimés en pour-cent :
1° pour les candidats pour la faculté polytechnique :
a) pour l'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat : 50;
b) pour l'examen portant sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée, au choix du candidat : 40;
c) pour l'examen de mathématiques : 50;
2° pour les candidats du recrutement normal, exceptés ceux pour la faculté polytechnique, ainsi que pour les candidats du recrutement complémentaire :
a) pour l'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat : 50;
b) pour l'examen portant sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée, au choix du candidat : 40;
c) pour l'examen de mathématiques : 40;
3° pour les candidats du recrutement exceptionnel :
a) pour l'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat : 50;
b) pour l'examen portant sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues, au choix du candidat, pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée : 40;
4° pour les candidats du recrutement spécial :
a) pour l'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat : 50;
b) pour l'examen portant sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues, au choix du candidat, pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée : 40;
c) pour l'interview : 50;
§ 2. En vue du classement des candidats ayant réussi les épreuves visées au § 1er, les coefficients d'importance des différentes branches des examens visés à l'article 11, alinéa 1er, 2° et 3°, de l'arrêté royal du 11 août 1994 relatif au recrutement et à la formation des candidats militaires du cadre actif sont fixés comme suit :
1° pour les candidats pour la faculté polytechnique :
a) pour l'ensemble des examens portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat, et sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée : 40;
b) pour les mathématiques : 60;
2° pour les candidats du recrutement normal, exceptés ceux pour la faculté polytechnique, ainsi que pour les candidats du recrutement complémentaire :
a) pour l'ensemble des examens portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat, et sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée : 60;
b) pour les mathématiques : 40;
3° pour les candidats du recrutement exceptionnel :
a) pour l'examen portant sur la connaissance approfondie de la langue française, néerlandaise ou allemande, au choix du candidat : 50;
b) pour l'examen portant sur la connaissance élémentaire d'une de ces langues, au choix du candidat, pour laquelle la connaissance approfondie n'a pas été examinée : 50;
4° pour les candidats du recrutement spécial, pour l'interview : 100."
HOOFDSTUK III. - Opheffings- en slotbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions abrogatoires et finales.
Art. 6. Het ministerieel besluit van 20 februari 1975 betreffende de Koninklijke Militaire School, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 5 oktober 1993, 3 december 1993, 11 augustus 1994 en 19 juni 1996, wordt opgeheven.
Art. 6. L'arrêté ministériel du 20 février 1975 relatif à l'organisation de l'Ecole royale militaire, modifié par les arrêtés ministériels du 5 octobre 1993, 3 décembre 1993, 11 août 1994 et 19 juin 1996, est abrogé.
Art. 7. Dit besluit treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van artikel 50 van het koninklijk besluit van 26 september 2002 betreffende de organisatie van de Koninklijke Militaire School.
Brussel, de 7 oktober 2002.
A. FLAHAUT.
Brussel, de 7 oktober 2002.
A. FLAHAUT.
Art. 7. Le présent arrêté entre en vigueur à la date d'entrée en vigueur de l'article 50 de l'arrêté royal du 26 septembre 2002 relatif à l'organisation de l'Ecole royale militaire.
Bruxelles, le 7 octobre 2002.
A. FLAHAUT.
Bruxelles, le 7 octobre 2002.
A. FLAHAUT.